Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Samuel 7

De belofte aan David

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
David wil een huis voor God bouwen
De koning woonde in zijn paleis, en de HEERE had hem rust gegeven van al zijn vijanden rondom.
Toen zei de koning tegen de profeet Nathan: Kijk toch, ik woon in een paleis van cederhout, maar de ark van God staat onder tentdoeken.
Nathan zei tegen de koning: Ga uw gang en doe alles wat u van plan bent, want de HEERE is met u.
De HEERE belooft David een huis
Maar in diezelfde nacht kwam het woord van de HEERE tot Nathan:
Ga en zeg tegen mijn dienaar David: Zo zegt de HEERE: Zou jij voor mij een huis bouwen om in te wonen?
Ik heb nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte leidde tot vandaag.
Ik ben rondgetrokken in een tent en een tabernakel.

Overal ben ik met alle Israëlieten rondgetrokken.
Heb ik ooit gesproken met een van de stammen van Israël, die ik opdroeg mijn volk te weiden?
Heb ik gezegd: Waarom bouwen jullie voor mij geen huis van cederhout?

Zeg daarom nu tegen mijn dienaar David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb je van de weide gehaald, bij de schapen vandaan.
Je moest leider zijn over mijn volk Israël.

Ik ben met je geweest overal waar je ging, en ik heb al je vijanden voor je uitgeroeid.
Ik heb je een grote naam gegeven, zoals de naam van de groten op aarde.

Ik zal voor mijn volk Israël een plaats aanwijzen en het daar planten.
Dan kan het op zijn eigen plaats wonen en wordt het niet meer opgejaagd.
Slechte mensen zullen het niet meer onderdrukken, zoals vroeger.

Zo was het vanaf de dag dat ik rechters over mijn volk Israël aanstelde.
Maar jou heb ik rust gegeven van al je vijanden.
Ook laat de HEERE je weten dat de HEERE voor jou een huis zal maken.

Wanneer je dagen voorbij zijn, zul je bij je voorouders te ruste worden gelegd.
Dan zal ik na jou een nakomeling laten opstaan, die uit jou voortkomt.
Ik zal zijn koningschap bevestigen.

Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en ik zal de troon van zijn koninkrijk voor altijd bevestigen.
Ik zal voor hem een Vader zijn, en hij zal voor mij een zoon zijn.
Als hij verkeerd doet, zal ik hem straffen met de roede en met slagen zoals mensen die geven.

Maar mijn goedheid zal niet van hem wijken, zoals ik die heb weggenomen van Saul.
Hem heb ik voor jou opzij gezet.

Je huis en je koningschap zullen voor altijd blijven bestaan voor je ogen.
Je troon zal voor altijd vaststaan.

Nathan sprak tot David precies volgens al deze woorden en dit hele visioen.
Het gebed van David
Toen ging koning David naar binnen en bleef voor de HEERE zitten.
Hij zei: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn familie, dat U mij zover hebt gebracht?
En dat was nog niet genoeg in Uw ogen, Heere HEERE.
U hebt ook gesproken over de toekomst van het huis van Uw dienaar.
Is dat de gewone gang van zaken bij mensen, Heere HEERE?

Wat kan David nog meer tegen U zeggen?
U kent Uw dienaar, Heere HEERE!

Omwille van Uw woord en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan en ze aan Uw dienaar bekendgemaakt.
Daarom bent U groot, HEERE God!
Want niemand is zoals U, en er is geen God behalve U, naar alles wat wij met onze eigen oren gehoord hebben.

Welk volk op aarde is zoals Uw volk Israël?
God is zelf gegaan om het voor zich als volk te verlossen en zich een naam te maken.
Hij deed voor hen grote en ontzagwekkende dingen voor Uw land.
U hebt Uw volk voor U verlost uit Egypte en volken met hun goden verdreven.

U hebt Uw volk Israël voor altijd tot Uw volk gemaakt, en U, HEERE, bent hun God geworden.
Nu dan, HEERE God, laat het woord dat U over Uw dienaar en zijn huis gesproken hebt, voor altijd vaststaan.
Doe wat U gezegd hebt.

Laat Uw naam voor altijd groot zijn, zodat men zegt: De HEERE van de legermachten is God over Israël.
Laat het huis van Uw dienaar David vaststaan voor U.

Want U, HEERE van de legermachten, God van Israël, hebt het Uw dienaar bekendgemaakt: Ik zal voor jou een huis bouwen.
Daarom heeft Uw dienaar de moed gevonden om dit gebed tot U te bidden.

Nu dan, Heere HEERE, U bent God, en Uw woorden zijn waarheid.
U hebt dit goede aan Uw dienaar beloofd.

Wil nu het huis van Uw dienaar zegenen, zodat het voor altijd voor U blijft bestaan.
Want U, Heere HEERE, hebt het gezegd.
Door Uw zegen zal het huis van Uw dienaar voor altijd gezegend zijn.

Download hoofdstuk als tekstbestand