Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
2 Samuel 4
De moord op Isboseth
Rechab en Baëna doden Isboseth
Toen de zoon van Saul hoorde dat Abner in Hebron was gestorven, verloor hij de moed, en heel Israël schrok.
De zoon van Saul had twee aanvoerders van benden.
De een heette Baëna en de ander Rechab.
Zij waren zonen van Rimmon, de Beërothiet, uit de stam Benjamin.
Want ook Beëroth werd tot Benjamin gerekend.
De een heette Baëna en de ander Rechab.
Zij waren zonen van Rimmon, de Beërothiet, uit de stam Benjamin.
Want ook Beëroth werd tot Benjamin gerekend.
De Beërothieten waren naar Gitthaïm gevlucht en woonden daar tot vandaag als vreemdelingen.
Jonathan, de zoon van Saul, had een zoon die aan beide voeten verlamd was.
Hij was vijf jaar toen het bericht over Saul en Jonathan uit Jizreël kwam.
Zijn voedster nam hem op en vluchtte.
Maar in haar haast viel hij en werd kreupel.
Hij heette Mefiboseth.
Hij was vijf jaar toen het bericht over Saul en Jonathan uit Jizreël kwam.
Zijn voedster nam hem op en vluchtte.
Maar in haar haast viel hij en werd kreupel.
Hij heette Mefiboseth.
De zonen van Rimmon, de Beërothiet, Rechab en Baëna, gingen op weg.
Op het heetst van de dag kwamen zij bij het huis van Isboseth.
Hij lag op bed voor zijn middagrust.
Op het heetst van de dag kwamen zij bij het huis van Isboseth.
Hij lag op bed voor zijn middagrust.
Zij kwamen het huis binnen alsof zij tarwe wilden halen, en staken hem bij de vijfde rib.
Toen ontkwamen Rechab en zijn broer Baëna.
Toen ontkwamen Rechab en zijn broer Baëna.
Zij waren het huis binnengegaan terwijl hij in zijn slaapkamer op bed lag.
Zij sloegen hem dood en hakten zijn hoofd af.
Zij namen zijn hoofd mee en liepen de hele nacht over de weg door de vlakte.
Zij sloegen hem dood en hakten zijn hoofd af.
Zij namen zijn hoofd mee en liepen de hele nacht over de weg door de vlakte.
Zij brachten het hoofd van Isboseth bij David in Hebron.
Zij zeiden tegen de koning: Kijk, hier is het hoofd van Isboseth, de zoon van uw vijand Saul.
Hij stond u naar het leven.
Vandaag heeft de HEERE mijn heer de koning gewroken op Saul en zijn nakomelingen.
Zij zeiden tegen de koning: Kijk, hier is het hoofd van Isboseth, de zoon van uw vijand Saul.
Hij stond u naar het leven.
Vandaag heeft de HEERE mijn heer de koning gewroken op Saul en zijn nakomelingen.
David straft de moordenaars
Maar David antwoordde Rechab en zijn broer Baëna, de zonen van Rimmon, de Beërothiet.
Hij zei: Zo waar de HEERE leeft, Die mij uit alle nood heeft gered:
Hij zei: Zo waar de HEERE leeft, Die mij uit alle nood heeft gered:
iemand bracht mij het bericht: Kijk, Saul is dood.
Hij dacht dat hij goed nieuws bracht.
Toch heb ik hem gegrepen en in Ziklag laten doden.
Dat was de beloning die ik hem gaf.
Hij dacht dat hij goed nieuws bracht.
Toch heb ik hem gegrepen en in Ziklag laten doden.
Dat was de beloning die ik hem gaf.
Hoeveel te meer nu goddeloze mannen een rechtvaardige man in zijn eigen huis op zijn bed hebben gedood!
Zou ik zijn bloed dan niet van jullie eisen en jullie van de aarde wegdoen?
Zou ik zijn bloed dan niet van jullie eisen en jullie van de aarde wegdoen?
David gaf zijn jonge mannen opdracht, en zij doodden hen.
Zij hakten hun handen en voeten af en hingen hen op bij de vijver in Hebron.
Maar het hoofd van Isboseth namen zij en begroeven het in het graf van Abner in Hebron.
Zij hakten hun handen en voeten af en hingen hen op bij de vijver in Hebron.
Maar het hoofd van Isboseth namen zij en begroeven het in het graf van Abner in Hebron.