Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Ethiopische boeken
2 Meqabyan 20
De weg die wij niet kennen
Zonder proviand en zonder kleren
Geloof dat niets van alles wat wij op de aarde gedaan hebben verzwegen of verborgen zal blijven, wanneer wij met angst en beven voor Hem staan.
En als wij geen proviand voor onderweg bij elkaar gebracht hebben, en wanneer wij geen kleed hebben voor onze naaktheid,
en als wij geen staf hebben voor onze handen en geen sandalen voor onze voeten,
en wij kennen de weg niet waarheen zij ons brengen: of hij vlak is of ruw, of hij duisternis is of doorn en distel, of de diepte van de zee en de diepte van het dodenrijk.
En wie ons brengen, kennen wij niet, en wij verstaan hun taal niet.
En wij zien hun gezicht niet, want zij zijn duisternis, en in de duisternis leiden zij ons.
Wat David gezegd heeft
Zoals David de profeet gezegd heeft: Toen mijn geest het in mij begaf, kende U mijn pad, Heere.
Op deze weg die ik ging, hebben zij een strik voor mij verborgen.
En ik keerde mij naar rechts en keek, en ik vond niemand die mij kende, en ik had geen plek om heen te vluchten.
Op deze weg die ik ging, hebben zij een strik voor mij verborgen.
En ik keerde mij naar rechts en keek, en ik vond niemand die mij kende, en ik had geen plek om heen te vluchten.
En wanneer hij dat zegt, is dat omdat hij weet dat de demonen hem bespotten en hem brengen op een weg die hij niet kent, en hij keert zich naar rechts en naar links en er is niemand te vinden die hem kent.
En ook voor hem is er niemand die hem kent, maar hij is alleen te midden van de engelen van de duisternis.
En de geestelijke engelen van het licht worden gestuurd naar de goeden, om de zielen van de rechtvaardigen te ontvangen en hen te brengen naar de voorhof van het licht van het leven.
En de engelen van de duisternis en de demonen worden gestuurd naar de zielen van wie zondigen, om hen te ontvangen en hen te brengen in het eeuwige oordeel dat hun toekomt, zodat zij vergolden worden naar de daden die zij gedaan hebben.
Wee de zielen van wie zondigen
Wee de zielen van wie zondigen, die men het verderf in voert, waar geen rust en geen redding en geen ontkomen en geen uitweg is tot in eeuwigheid, om de benauwdheid die hen overvallen heeft.
Wee wie zondigen, want zij zijn de weg van Kaïn gegaan, en in het loon van het onrecht van Bileam zijn zij te gronde gegaan, en zij hebben gezondigd in wat zij doen.
Want door geschenken aan te nemen bedenken zij listen om andermans goed met onrecht weg te nemen, goed dat niet van hen is.
Want door geschenken aan te nemen bedenken zij listen om andermans goed met onrecht weg te nemen, goed dat niet van hen is.
Zij zullen vergolden worden naar de daden die zij gedaan hebben, in het oordeel van de vlam van het vuur.