Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

2 Makkabeeën 5

Antiochus plundert de tempel

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Ruiters in de lucht
Rond diezelfde tijd deed Antiochus zijn tweede veldtocht naar Egypte.
Toen gebeurde het dat er bijna veertig dagen lang boven de hele stad in de lucht ruiters te zien waren met gouden gewaden, in troepen, gewapend met lansen en met getrokken zwaarden,
en groepen paarden in slagorde, en gevechten die op elkaar volgden, en aanvallen op elkaar, en het bewegen van schilden, een grote menigte speren, het schieten van pijlen, en het glanzen van gouden sieraden en allerlei borstpantsers.
Daarom baden zij allemaal dat dit visioen iets goeds mocht betekenen.
De terugkeer van Jason
En toen er een vals gerucht ging dat Antiochus gestorven was, bracht Jason minstens duizend man bijeen en deed hij meteen een aanval op de stad.
Toen zij op de muren gedreven werden en de stad ten slotte ingenomen was, vluchtte Menelaüs de burcht in.
Jason sloeg zijn eigen stadgenoten dood zonder iemand te sparen.
Hij bedacht niet dat succes tegen je eigen verwanten de grootste ramp is.
Hij dacht dat hij overwinningstekens oprichtte, niet over zijn medeburgers maar over zijn vijanden.
Toch kreeg hij het hoogste gezag niet.
Als slot van zijn bedrog kreeg hij schande, en hij vluchtte en trok weer naar het land van de Ammonieten.
Uiteindelijk kreeg hij zijn verdiende loon bij Aretas, de koning van Arabië.
Hij werd zo opgejaagd dat hij van de ene stad naar de andere vluchtte, door iedereen achtervolgd en gehaat als iemand die van de wet was afgevallen.
Vervloekt als een beul van zijn vaderland en van zijn stadgenoten werd hij naar Egypte verdreven.
En hij die velen uit hun vaderland verdreven had, kwam zelf in ballingschap om.
Hij was naar de Spartanen gegaan, in de hoop dat zij hem om de verwantschap zouden beschermen.
En hij die een menigte onbegraven had weggegooid, werd door niemand betreurd.
Hij kreeg geen uitvaart en geen plaats in het graf van zijn voorouders.
De slachting in Jeruzalem
Toen de koning hoorde dat dit gebeurd was, dacht hij dat Judea van hem wilde afvallen.
Daarom trok hij woedend uit Egypte en nam hij de stad met wapengeweld in.
Hij gaf zijn soldaten bevel iedereen die hun tegenkwam neer te slaan zonder iemand te sparen, en iedereen te doden die het dak op klom.
Er kwam een grote slachting van jong en oud.
Mannen, vrouwen en kinderen werden omgebracht, en de meisjes en kleine kinderen gedood.
In drie dagen kwamen er tachtigduizend om.
Veertigduizend werden gevangengenomen, en er werden er niet minder verkocht dan er gedood waren.
En daar was hij nog niet tevreden mee.
Hij durfde de allerheiligste tempel van de hele aarde binnen te gaan, met Menelaüs als gids, die een verrader geworden was van de wetten en van zijn vaderland.
Hij nam met zijn onreine handen de heilige voorwerpen, en wat andere koningen tot vermeerdering, luister en eer van die plaats geschonken hadden, roofde hij met zijn goddeloze handen weg.
Waarom de plaats niet beschermd werd
Antiochus werd van binnen heel hoogmoedig.
Hij begreep niet dat de Heere om de zonden van de inwoners van de stad een korte tijd boos was, en dat Hij daarom niet naar die plaats omzag.
Want als zij niet tot veel zonden gekomen waren, zou ook hij, net als Heliodorus die door koning Seleucus gestuurd was om de schatkamer te bekijken, meteen bij zijn binnenkomst gegeseld zijn en van zijn overmoed afgebracht.
Maar de Heere heeft het volk niet om de plaats uitgekozen, maar de plaats om het volk.
Daarom heeft diezelfde plaats, die deelde in de rampen die over dit volk kwamen, daarna ook gedeeld in het goede.
En het volk dat door de almachtige toorn verlaten was, is door de verzoening met de grote Heere weer in alle luister opgericht.
Antiochus haalde duizend achthonderd talenten uit de tempel en vertrok haastig naar Antiochië.
In zijn hoogmoed dacht hij dat hij het land bevaarbaar kon maken voor schepen en dat men over de zee kon lopen, zo overmoedig was zijn hart.
Apollonius op de sabbat
Hij liet ook een aantal bevelhebbers achter om het volk te kwellen: in Jeruzalem Filippus, die van afkomst een Frygiër was en veel barbaarser dan de man die hem aangesteld had,
en in Gerizim Andronicus, en naast hen Menelaüs, die zich nog erger dan de anderen boven de burgers verhief.
Hij haatte de Joodse burgers, en hij stuurde een gehate aanvoerder, Apollonius, met een leger van tweeëntwintigduizend man.
Hij gaf hem bevel iedereen die volwassen was te doden en de vrouwen en jonge mensen te verkopen.
Toen die in Jeruzalem gekomen was, deed hij alsof hij vreedzaam kwam en hield hij zich rustig tot de heilige sabbatdag.
Toen hij de Joden op die dag feestvierend aantrof, gaf hij zijn mannen bevel de wapens op te nemen.
Hij liet iedereen doorsteken die naar buiten gekomen was om te kijken, en hij liep met wapens door de stad en vermoordde een grote menigte.
Judas de Makkabeeër trok met negen anderen naar de bergen.
Hij leefde daar met zijn mannen zoals wilde dieren.
Zij aten gras en bleven daar om niet te delen in de ontreiniging.

Download hoofdstuk als tekstbestand