Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Nieuwe Testament
2 Korintiërs 11
Roemen in zwakheid
Valse apostelen
Ik wou dat jullie een beetje dwaasheid van mij konden verdragen.
Verdraag mij maar.
Verdraag mij maar.
Ik ben namelijk jaloers op jullie met een jaloezie van God.
Ik heb jullie uitgehuwelijkt aan één man, om jullie als een reine bruid aan Christus voor te stellen.
Ik heb jullie uitgehuwelijkt aan één man, om jullie als een reine bruid aan Christus voor te stellen.
Maar ik ben bang voor iets.
De slang heeft Eva met sluwheid misleid.
Zo kan ook jullie denken bedorven worden, weg van de eenvoud en zuiverheid voor Christus.
De slang heeft Eva met sluwheid misleid.
Zo kan ook jullie denken bedorven worden, weg van de eenvoud en zuiverheid voor Christus.
Komt er iemand die een andere Jezus verkondigt dan wij, dan verdragen jullie dat maar al te goed.
Hetzelfde geldt voor een andere geest of een ander evangelie dan jullie ontvangen hebben.
Hetzelfde geldt voor een andere geest of een ander evangelie dan jullie ontvangen hebben.
Ik vind namelijk dat ik in niets minder ben dan die geweldige apostelen.
Misschien ben ik geen groot spreker, maar in kennis ben ik dat wel.
Dat hebben wij jullie op alle manieren duidelijk gemaakt.
Dat hebben wij jullie op alle manieren duidelijk gemaakt.
Heb ik gezondigd door mijzelf te vernederen zodat jullie verhoogd werden?
Ik heb jullie immers het evangelie van God gratis verkondigd.
Ik heb jullie immers het evangelie van God gratis verkondigd.
Ik heb andere gemeenschappen beroofd door van hen geld aan te nemen, om jullie te kunnen dienen.
Toen ik bij jullie was en tekortkwam, viel ik niemand lastig.
Wat ik tekortkwam vulden de gelovigen uit Macedonië aan.
Ik heb jullie in niets tot last willen zijn en dat zal ik ook niet doen.
Wat ik tekortkwam vulden de gelovigen uit Macedonië aan.
Ik heb jullie in niets tot last willen zijn en dat zal ik ook niet doen.
Zo waar de waarheid van Christus in mij is: niemand in de streken van Achaje neemt mij deze roem af.
Waarom niet?
Omdat ik niet van jullie houd?
God weet wel beter.
Omdat ik niet van jullie houd?
God weet wel beter.
Wat ik doe, zal ik blijven doen.
Zo neem ik de kans weg van wie graag willen roemen op dezelfde voet als wij.
Zo neem ik de kans weg van wie graag willen roemen op dezelfde voet als wij.
Zulke mensen zijn valse apostelen en bedrieglijke werkers.
Zij doen zich voor als apostelen van Christus.
Zij doen zich voor als apostelen van Christus.
Dat is geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht.
Het is dus niet vreemd dat ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren van de gerechtigheid.
Hun einde zal zijn naar hun werken.
Hun einde zal zijn naar hun werken.
Wat Paulus heeft meegemaakt
Ik zeg het nog eens: laat niemand denken dat ik dwaas ben.
Denkt iemand dat toch, neem mij dan maar aan als een dwaas, zodat ook ik een beetje kan roemen.
Denkt iemand dat toch, neem mij dan maar aan als een dwaas, zodat ook ik een beetje kan roemen.
Wat ik nu zeg, zeg ik niet naar de Heere, maar als in dwaasheid, met deze stellige roem.
Velen roemen naar het vlees, dus zal ik ook roemen.
Jullie zijn immers wijs en verdragen graag de dwazen.
Jullie verdragen het als iemand jullie tot slaaf maakt, uitbuit, uitkleedt, hoogmoedig is of jullie in het gezicht slaat.
Tot mijn schande zeg ik: daarvoor waren wij te zwak.
Maar durft iemand ergens in te roemen, dan durf ik dat ook.
Ik spreek nu in dwaasheid.
Maar durft iemand ergens in te roemen, dan durf ik dat ook.
Ik spreek nu in dwaasheid.
Zijn zij Hebreeën?
Ik ook.
Zijn zij Israëlieten?
Ik ook.
Zijn zij nageslacht van Abraham?
Ik ook.
Ik ook.
Zijn zij Israëlieten?
Ik ook.
Zijn zij nageslacht van Abraham?
Ik ook.
Zijn zij dienaars van Christus?
Ik spreek nu als een dwaas: ik nog meer.
Ik werkte harder, zat vaker in de gevangenis, kreeg meer slagen en verkeerde vaak in doodsgevaar.
Ik spreek nu als een dwaas: ik nog meer.
Ik werkte harder, zat vaker in de gevangenis, kreeg meer slagen en verkeerde vaak in doodsgevaar.
Van de Joden kreeg ik vijf keer veertig min één slagen.
Drie keer ben ik met stokken geslagen, één keer gestenigd en drie keer leed ik schipbreuk.
Een hele nacht en dag dreef ik op zee.
Een hele nacht en dag dreef ik op zee.
Ik was vaak op reis, in gevaar door rivieren en rovers, in gevaar van mijn eigen volk en van andere volken.
Ik liep gevaar in de stad, in de woestijn, op zee en onder valse gelovigen.
Ik liep gevaar in de stad, in de woestijn, op zee en onder valse gelovigen.
Ik werkte hard en zwoegde, sliep vaak niet, had honger en dorst.
Ik vastte vaak en had het koud en had te weinig kleren.
Ik vastte vaak en had het koud en had te weinig kleren.
En dan is er nog de dagelijkse druk: mijn zorg voor alle gemeenschappen.
Wie is er zwak zonder dat ik zwak ben?
Wie struikelt zonder dat ik in brand sta?
Wie struikelt zonder dat ik in brand sta?
Moet er geroemd worden, dan roem ik over mijn zwakheid.
De God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die geprezen is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.
De stadhouder van koning Aretas in Damascus liet de stad bewaken om mij te vangen.
Maar ik werd door een venster in een mand over de muur neergelaten en ontsnapte uit zijn handen.