Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
2 Koningen 10
Jehu roeit het huis van Achab uit
De zeventig zonen van Achab
Achab had 70 zonen in Samaria.
Jehu schreef brieven en stuurde die naar Samaria, naar de bestuurders van Jizreël, de oudsten en de opvoeders van de zonen van Achab.
Hij schreef:
Jehu schreef brieven en stuurde die naar Samaria, naar de bestuurders van Jizreël, de oudsten en de opvoeders van de zonen van Achab.
Hij schreef:
Zodra deze brief bij u komt, geldt dit.
Bij u zijn de zonen van uw heer, en ook de wagens en de paarden, een vestingstad en wapens.
Bij u zijn de zonen van uw heer, en ook de wagens en de paarden, een vestingstad en wapens.
Kies dan de beste en de meest geschikte van de zonen van uw heer.
Zet hem op de troon van zijn vader en strijd voor het huis van uw heer.
Zet hem op de troon van zijn vader en strijd voor het huis van uw heer.
Maar zij werden heel erg bang en zeiden: Twee koningen konden hem al niet weerstaan.
Hoe zouden wij dan standhouden?
Hoe zouden wij dan standhouden?
De hofmeester, de stadsbestuurder, de oudsten en de opvoeders stuurden Jehu dit bericht: Wij zijn uw dienaren.
Alles wat u ons zegt, zullen wij doen.
Wij maken niemand koning.
Doe wat goed is in uw ogen.
Alles wat u ons zegt, zullen wij doen.
Wij maken niemand koning.
Doe wat goed is in uw ogen.
Toen schreef hij hun een tweede brief: Staat u aan mijn kant en luistert u naar mij?
Neem dan de hoofden van de zonen van uw heer.
Kom er morgen om deze tijd mee naar Jizreël.
De 70 zonen van de koning waren bij de vooraanstaande mannen van de stad, die hen opvoedden.
Neem dan de hoofden van de zonen van uw heer.
Kom er morgen om deze tijd mee naar Jizreël.
De 70 zonen van de koning waren bij de vooraanstaande mannen van de stad, die hen opvoedden.
Toen de brief bij hen kwam, namen zij de zonen van de koning en doodden hen, 70 man.
Zij legden hun hoofden in manden en stuurden die naar Jehu in Jizreël.
Zij legden hun hoofden in manden en stuurden die naar Jehu in Jizreël.
Een bode kwam het hem vertellen: Zij hebben de hoofden van de zonen van de koning gebracht.
Hij zei: Leg ze tot morgen in twee hopen bij de ingang van de poort.
Hij zei: Leg ze tot morgen in twee hopen bij de ingang van de poort.
De volgende morgen ging hij naar buiten.
Hij bleef staan en zei tegen het hele volk: Jullie zijn onschuldig.
Ik heb een samenzwering tegen mijn heer gesmeed en hem gedood.
Maar wie heeft al deze mannen gedood?
Hij bleef staan en zei tegen het hele volk: Jullie zijn onschuldig.
Ik heb een samenzwering tegen mijn heer gesmeed en hem gedood.
Maar wie heeft al deze mannen gedood?
Weet dan dat niets van het woord van de HEERE over het huis van Achab onvervuld blijft.
De HEERE heeft gedaan wat Hij door Zijn dienaar Elia gezegd heeft.
De HEERE heeft gedaan wat Hij door Zijn dienaar Elia gezegd heeft.
Daarna doodde Jehu iedereen die in Jizreël nog over was van het huis van Achab.
Ook zijn vooraanstaande mannen, zijn vertrouwelingen en zijn priesters doodde hij.
Hij liet niemand over.
Ook zijn vooraanstaande mannen, zijn vertrouwelingen en zijn priesters doodde hij.
Hij liet niemand over.
De broers van Ahazia en Jonadab
Toen ging hij op weg naar Samaria.
Onderweg kwam hij bij Beth-Heked van de herders.
Onderweg kwam hij bij Beth-Heked van de herders.
Daar trof Jehu de broers van Ahazia, de koning van Juda.
Hij vroeg: Wie zijn jullie?
Zij zeiden: Wij zijn de broers van Ahazia.
Wij gaan de zonen van de koning en de zonen van de koningin begroeten.
Hij vroeg: Wie zijn jullie?
Zij zeiden: Wij zijn de broers van Ahazia.
Wij gaan de zonen van de koning en de zonen van de koningin begroeten.
Hij zei: Grijp hen levend!
Zij grepen hen levend en doodden hen bij de put van Beth-Heked, 42 man.
Hij liet niemand van hen over.
Zij grepen hen levend en doodden hen bij de put van Beth-Heked, 42 man.
Hij liet niemand van hen over.
Toen hij vandaar verder ging, kwam hij Jonadab tegen, de zoon van Rechab, die hem begroette.
Hij vroeg hem: Ben jij mij even toegedaan als ik jou ben?
Jonadab zei: Ja, dat ben ik.
Jehu zei: Geef mij dan je hand.
Hij gaf hem zijn hand, en Jehu liet hem bij zich op de wagen klimmen.
Hij vroeg hem: Ben jij mij even toegedaan als ik jou ben?
Jonadab zei: Ja, dat ben ik.
Jehu zei: Geef mij dan je hand.
Hij gaf hem zijn hand, en Jehu liet hem bij zich op de wagen klimmen.
Hij zei: Ga met mij mee en zie hoe ik mij inzet voor de HEERE.
Zo reed Jonadab met hem mee op zijn wagen.
Zo reed Jonadab met hem mee op zijn wagen.
Toen hij in Samaria kwam, doodde hij iedereen die daar nog van Achab over was.
Zo roeide hij het huis van Achab uit, zoals de HEERE tegen Elia gezegd had.
Zo roeide hij het huis van Achab uit, zoals de HEERE tegen Elia gezegd had.
Jehu doodt de dienaren van Baäl
Jehu riep het hele volk bijeen en zei tegen hen: Achab heeft Baäl maar weinig gediend.
Jehu zal hem veel meer dienen.
Jehu zal hem veel meer dienen.
Roep daarom alle profeten van Baäl bij mij, al zijn dienaren en al zijn priesters.
Niemand mag ontbreken, want ik breng een groot offer aan Baäl.
Wie ontbreekt, blijft niet leven.
Maar Jehu deed dit met list, om de dienaren van Baäl te doden.
Niemand mag ontbreken, want ik breng een groot offer aan Baäl.
Wie ontbreekt, blijft niet leven.
Maar Jehu deed dit met list, om de dienaren van Baäl te doden.
Verder zei Jehu: Kondig een heilige samenkomst voor Baäl af.
En zij riepen die uit.
En zij riepen die uit.
Jehu stuurde boden door heel Israël.
Alle dienaren van Baäl kwamen; er bleef er niet één weg.
Zij kwamen in de tempel van Baäl, en die raakte vol van de ene kant tot de andere.
Alle dienaren van Baäl kwamen; er bleef er niet één weg.
Zij kwamen in de tempel van Baäl, en die raakte vol van de ene kant tot de andere.
Toen zei hij tegen de man die over de kleedkamer ging: Haal de gewaden tevoorschijn voor alle dienaren van Baäl.
En hij haalde de gewaden voor hen tevoorschijn.
En hij haalde de gewaden voor hen tevoorschijn.
Jehu ging met Jonadab, de zoon van Rechab, de tempel van Baäl binnen.
Hij zei tegen de dienaren van Baäl: Kijk goed rond dat hier geen dienaar van de HEERE bij jullie is, maar alleen dienaren van Baäl.
Hij zei tegen de dienaren van Baäl: Kijk goed rond dat hier geen dienaar van de HEERE bij jullie is, maar alleen dienaren van Baäl.
Zij gingen naar binnen om slachtoffers en brandoffers te brengen.
Buiten had Jehu 80 mannen opgesteld.
Hij had gezegd: Als een van de mannen die ik aan jullie toevertrouw ontkomt, dan betaalt de bewaker dat met zijn eigen leven.
Buiten had Jehu 80 mannen opgesteld.
Hij had gezegd: Als een van de mannen die ik aan jullie toevertrouw ontkomt, dan betaalt de bewaker dat met zijn eigen leven.
Toen het brandoffer klaar was, zei Jehu tegen de wachters en de officieren: Ga naar binnen en dood hen.
Laat niemand ontkomen!
Zij doodden hen met het zwaard.
De wachters en de officieren gooiden hun lichamen naar buiten.
Daarna gingen zij door tot het binnenste van de tempel van Baäl.
Laat niemand ontkomen!
Zij doodden hen met het zwaard.
De wachters en de officieren gooiden hun lichamen naar buiten.
Daarna gingen zij door tot het binnenste van de tempel van Baäl.
Zij haalden de opgerichte beelden uit de tempel van Baäl en verbrandden ze.
Zij braken ook het opgerichte beeld van Baäl af.
De tempel van Baäl braken zij af en maakten er een openbaar toilet van, tot op de dag van vandaag.
De tempel van Baäl braken zij af en maakten er een openbaar toilet van, tot op de dag van vandaag.
Zo maakte Jehu een einde aan de dienst van Baäl in Israël.
Het einde van Jehu
Maar Jehu brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht.
De gouden kalveren in Bethel en in Dan bleven staan.
De gouden kalveren in Bethel en in Dan bleven staan.
De HEERE zei tegen Jehu: Je hebt goed gedaan wat juist is in mijn ogen.
Je hebt met het huis van Achab gedaan wat ik wilde.
Daarom zullen je zonen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zitten.
Je hebt met het huis van Achab gedaan wat ik wilde.
Daarom zullen je zonen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zitten.
Maar Jehu hield zich niet met zijn hele hart aan de wet van de HEERE, de God van Israël.
Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, die Israël tot zonde had gebracht.
Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, die Israël tot zonde had gebracht.
In die tijd begon de HEERE stukken van Israël af te snijden.
Hazaël versloeg hen in het hele gebied van Israël.
Hazaël versloeg hen in het hele gebied van Israël.
Het ging om het hele land van Gilead ten oosten van de Jordaan.
Dat was het gebied van de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten, vanaf Aroer aan de beek Arnon, en ook Gilead en Basan.
Dat was het gebied van de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten, vanaf Aroer aan de beek Arnon, en ook Gilead en Basan.
Wat verder over Jehu en zijn macht te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
Jehu ging bij zijn voorouders te ruste, en men begroef hem in Samaria.
Zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats.
Zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats.
Jehu heeft 28 jaar over Israël geregeerd, in Samaria.