Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Samuel 22
Saul laat de priesters van Nob doden
David in de grot van Adullam
David ging daar weg en vluchtte naar de grot van Adullam.
Toen zijn broers en de hele familie van zijn vader dat hoorden, kwamen zij daar naar hem toe.
Toen zijn broers en de hele familie van zijn vader dat hoorden, kwamen zij daar naar hem toe.
Iedereen die in nood zat, iedereen die schulden had en iedereen die verbitterd was, kwam bij hem.
Hij werd hun leider.
Zo waren er ongeveer 400 man bij hem.
Hij werd hun leider.
Zo waren er ongeveer 400 man bij hem.
Van daar ging David naar Mizpa in Moab.
Hij zei tegen de koning van Moab: Laat mijn vader en moeder toch bij u verblijven, tot ik weet wat God met mij zal doen.
Hij zei tegen de koning van Moab: Laat mijn vader en moeder toch bij u verblijven, tot ik weet wat God met mij zal doen.
Hij bracht hen bij de koning van Moab, en zij bleven bij hem zolang David in de vesting was.
Maar de profeet Gad zei tegen David: Blijf niet in de vesting.
Ga naar het land van Juda.
Toen ging David weg en kwam in het woud van Chereth.
Ga naar het land van Juda.
Toen ging David weg en kwam in het woud van Chereth.
Doëg verraadt Achimelech
Saul hoorde dat David en de mannen bij hem ontdekt waren.
Saul zat op een heuvel onder de bomen in Rama, met zijn speer in zijn hand.
Al zijn dienaren stonden om hem heen.
Saul zat op een heuvel onder de bomen in Rama, met zijn speer in zijn hand.
Al zijn dienaren stonden om hem heen.
Saul zei tegen zijn dienaren die bij hem stonden: Luister, Benjaminieten!
Zal de zoon van Isaï jullie allemaal akkers en wijngaarden geven?
Zal hij jullie allemaal bevelhebbers over duizend en over honderd man maken?
Zal de zoon van Isaï jullie allemaal akkers en wijngaarden geven?
Zal hij jullie allemaal bevelhebbers over duizend en over honderd man maken?
Jullie hebben allemaal tegen mij samengespannen.
Niemand heeft mij verteld dat mijn zoon een verbond heeft gesloten met de zoon van Isaï.
Niemand van jullie heeft medelijden met mij of vertelt het mij.
Want mijn zoon heeft mijn dienaar tegen mij opgezet, zodat hij mij belaagt, zoals nu blijkt.
Niemand heeft mij verteld dat mijn zoon een verbond heeft gesloten met de zoon van Isaï.
Niemand van jullie heeft medelijden met mij of vertelt het mij.
Want mijn zoon heeft mijn dienaar tegen mij opgezet, zodat hij mij belaagt, zoals nu blijkt.
Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de dienaren van Saul stond.
Hij zei: Ik heb de zoon van Isaï in Nob zien komen, bij Achimelech, de zoon van Ahitub.
Hij zei: Ik heb de zoon van Isaï in Nob zien komen, bij Achimelech, de zoon van Ahitub.
Die heeft voor hem de HEERE om raad gevraagd en hem proviand gegeven.
Ook heeft hij hem het zwaard van Goliath, de Filistijn, gegeven.
Ook heeft hij hem het zwaard van Goliath, de Filistijn, gegeven.
Toen liet de koning de priester Achimelech, de zoon van Ahitub, roepen, met de hele familie van zijn vader, de priesters in Nob.
Zij kwamen allemaal bij de koning.
Zij kwamen allemaal bij de koning.
Saul zei: Luister, zoon van Ahitub!
Hij zei: Hier ben ik, mijn heer.
Hij zei: Hier ben ik, mijn heer.
Saul zei tegen hem: Waarom hebben jij en de zoon van Isaï tegen mij samengespannen?
Je hebt hem brood en een zwaard gegeven en God voor hem om raad gevraagd.
Nu komt hij tegen mij in opstand en belaagt hij mij, zoals nu blijkt.
Je hebt hem brood en een zwaard gegeven en God voor hem om raad gevraagd.
Nu komt hij tegen mij in opstand en belaagt hij mij, zoals nu blijkt.
Achimelech antwoordde de koning: Wie van al uw dienaren is zo trouw als David?
Hij is de schoonzoon van de koning, gehoorzaam aan uw bevel en geëerd in uw huis.
Hij is de schoonzoon van de koning, gehoorzaam aan uw bevel en geëerd in uw huis.
Ben ik vandaag pas begonnen God voor hem om raad te vragen?
Dat zij verre van mij!
Laat de koning mij en de familie van mijn vader niets verwijten.
Want uw dienaar wist van dit alles helemaal niets, klein of groot.
Dat zij verre van mij!
Laat de koning mij en de familie van mijn vader niets verwijten.
Want uw dienaar wist van dit alles helemaal niets, klein of groot.
Maar de koning zei: Achimelech, je moet sterven, jij en de hele familie van je vader.
De koning zei tegen de lijfwachten die bij hem stonden: Keer je om en dood de priesters van de HEERE.
Want ook zij hebben David geholpen.
Zij wisten dat hij vluchtte, maar zij hebben het mij niet verteld.
Maar de dienaren van de koning wilden de priesters van de HEERE niet aanvallen.
Want ook zij hebben David geholpen.
Zij wisten dat hij vluchtte, maar zij hebben het mij niet verteld.
Maar de dienaren van de koning wilden de priesters van de HEERE niet aanvallen.
Toen zei de koning tegen Doëg: Keer jij je om en val de priesters aan.
Doëg, de Edomiet, keerde zich om en viel de priesters aan.
Die dag doodde hij 85 mannen die het linnen priesterkleed droegen.
Doëg, de Edomiet, keerde zich om en viel de priesters aan.
Die dag doodde hij 85 mannen die het linnen priesterkleed droegen.
Ook de priesterstad Nob sloeg hij met het zwaard: mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen, ezels en schapen.
Maar een van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam.
Hij heette Abjathar en vluchtte naar David.
Hij heette Abjathar en vluchtte naar David.
Abjathar vertelde David dat Saul de priesters van de HEERE had gedood.
David zei tegen Abjathar: Ik wist die dag al, toen Doëg, de Edomiet, daar was, dat hij het zeker aan Saul zou vertellen.
Ik ben de oorzaak van de dood van heel de familie van je vader.
Ik ben de oorzaak van de dood van heel de familie van je vader.
Blijf bij mij en wees niet bang.
Want wie mij naar het leven staat, staat jou naar het leven.
Bij mij ben je veilig.
Want wie mij naar het leven staat, staat jou naar het leven.
Bij mij ben je veilig.