Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Samuel 20
Het verbond van Jonathan en David
David en Jonathan maken een afspraak
David vluchtte weg uit Najoth bij Rama.
Hij kwam bij Jonathan en zei: Wat heb ik gedaan?
Wat is mijn misdaad, wat is mijn zonde tegenover uw vader, dat hij mij naar het leven staat?
Hij kwam bij Jonathan en zei: Wat heb ik gedaan?
Wat is mijn misdaad, wat is mijn zonde tegenover uw vader, dat hij mij naar het leven staat?
Maar Jonathan zei tegen hem: Geen sprake van, je zult niet sterven.
Kijk, mijn vader doet niets, groot of klein, zonder het mij te vertellen.
Waarom zou mijn vader dit dan voor mij verbergen?
Dat is niet zo.
Kijk, mijn vader doet niets, groot of klein, zonder het mij te vertellen.
Waarom zou mijn vader dit dan voor mij verbergen?
Dat is niet zo.
Maar David zwoer opnieuw en zei: Uw vader weet heel goed dat ik genade gevonden heb in uw ogen.
Daarom denkt hij: Jonathan mag dit niet weten, anders krijgt hij verdriet.
Maar zo waar de HEERE leeft en zo waar u leeft, er is maar één stap tussen mij en de dood!
Daarom denkt hij: Jonathan mag dit niet weten, anders krijgt hij verdriet.
Maar zo waar de HEERE leeft en zo waar u leeft, er is maar één stap tussen mij en de dood!
Jonathan zei tegen David: Wat je ook wilt, ik zal het voor je doen.
David zei tegen Jonathan: Kijk, morgen is het feest van de nieuwe maan.
Dan hoor ik met de koning aan tafel te zitten.
Laat mij gaan, dan verstop ik mij in het veld tot de derde avond.
Dan hoor ik met de koning aan tafel te zitten.
Laat mij gaan, dan verstop ik mij in het veld tot de derde avond.
Als uw vader mij mist, zeg dan: David heeft mij dringend gevraagd of hij snel naar zijn stad Bethlehem mocht gaan.
Want daar wordt het jaarlijkse offer voor de hele familie gebracht.
Want daar wordt het jaarlijkse offer voor de hele familie gebracht.
Als hij zegt: Goed, dan is uw dienaar veilig.
Maar als hij woedend wordt, weet dan dat hij vastbesloten is om mij kwaad te doen.
Maar als hij woedend wordt, weet dan dat hij vastbesloten is om mij kwaad te doen.
Wees dan trouw aan uw dienaar, want u bent met uw dienaar een verbond aangegaan voor de HEERE.
Maar als ik iets misdaan heb, dood mij dan zelf.
Waarom zou u mij naar uw vader brengen?
Maar als ik iets misdaan heb, dood mij dan zelf.
Waarom zou u mij naar uw vader brengen?
Jonathan zei: Dat zij verre van je!
Als ik zeker wist dat mijn vader vastbesloten was om je kwaad te doen, zou ik het je dan niet vertellen?
Als ik zeker wist dat mijn vader vastbesloten was om je kwaad te doen, zou ik het je dan niet vertellen?
David zei tegen Jonathan: Wie zal het mij laten weten als uw vader u een hard antwoord geeft?
Jonathan zei tegen David: Kom, laten wij het veld in gaan.
Zo gingen zij samen het veld in.
Zo gingen zij samen het veld in.
Jonathan zei tegen David: De HEERE, de God van Israël, is getuige.
Morgen of overmorgen rond deze tijd zal ik mijn vader uithoren.
Als het goed staat met David, zal ik het je zeker laten weten.
Morgen of overmorgen rond deze tijd zal ik mijn vader uithoren.
Als het goed staat met David, zal ik het je zeker laten weten.
Anders mag de HEERE Jonathan zo straffen en nog erger!
Als mijn vader van plan is je kwaad te doen, zal ik het je vertellen en je laten gaan.
Dan kun je in vrede vertrekken.
De HEERE zij met je, zoals Hij met mijn vader geweest is.
Als mijn vader van plan is je kwaad te doen, zal ik het je vertellen en je laten gaan.
Dan kun je in vrede vertrekken.
De HEERE zij met je, zoals Hij met mijn vader geweest is.
En als ik dan nog leef, wil je dan de trouw van de HEERE aan mij bewijzen, zodat ik niet sterf?
Trek ook je trouw nooit terug van mijn familie.
Ook niet wanneer de HEERE alle vijanden van David van de aardbodem heeft weggevaagd.
Ook niet wanneer de HEERE alle vijanden van David van de aardbodem heeft weggevaagd.
Zo sloot Jonathan een verbond met de familie van David.
Hij zei: Laat de HEERE het eisen uit de hand van de vijanden van David!
Hij zei: Laat de HEERE het eisen uit de hand van de vijanden van David!
Jonathan liet David opnieuw zweren, omdat hij van hem hield.
Want hij hield van hem als van zichzelf.
Want hij hield van hem als van zichzelf.
Jonathan zei tegen hem: Morgen is het feest van de nieuwe maan.
Dan zul je gemist worden, want je plaats zal leeg zijn.
Dan zul je gemist worden, want je plaats zal leeg zijn.
Als je drie dagen weg bent geweest, ga dan snel naar de plaats waar je je de vorige keer verstopt hebt.
Blijf daar bij de steen Ezel.
Blijf daar bij de steen Ezel.
Ik zal dan drie pijlen naast die steen afschieten, alsof ik op een doel schiet.
Dan stuur ik de jongen erop uit: Ga de pijlen zoeken.
Als ik tegen de jongen zeg: Kijk, de pijlen liggen aan deze kant van je, pak ze, kom dan.
Want dan is het veilig voor je, en is er niets aan de hand, zo waar de HEERE leeft!
Als ik tegen de jongen zeg: Kijk, de pijlen liggen aan deze kant van je, pak ze, kom dan.
Want dan is het veilig voor je, en is er niets aan de hand, zo waar de HEERE leeft!
Maar als ik tegen de jongen zeg: Kijk, de pijlen liggen voorbij je, ga dan weg.
Want dan stuurt de HEERE je weg.
Want dan stuurt de HEERE je weg.
En wat de afspraak betreft die wij samen gemaakt hebben: de HEERE is voor altijd getuige tussen mij en jou!
Saul wordt woedend op Jonathan
David verstopte zich in het veld.
Toen het feest van de nieuwe maan was, ging de koning aan tafel om te eten.
Toen het feest van de nieuwe maan was, ging de koning aan tafel om te eten.
De koning zat zoals altijd op zijn plaats bij de muur.
Jonathan zat tegenover hem, en Abner zat naast Saul.
Maar de plaats van David was leeg.
Jonathan zat tegenover hem, en Abner zat naast Saul.
Maar de plaats van David was leeg.
Saul zei die dag niets, want hij dacht: Er is hem iets overkomen, waardoor hij onrein is.
Hij is zeker onrein.
Hij is zeker onrein.
Maar de volgende dag, de tweede dag van de nieuwe maan, was de plaats van David weer leeg.
Toen zei Saul tegen zijn zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï gisteren en vandaag niet komen eten?
Toen zei Saul tegen zijn zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï gisteren en vandaag niet komen eten?
Jonathan antwoordde Saul: David heeft mij dringend gevraagd of hij naar Bethlehem mocht gaan.
Hij zei: Laat mij toch gaan, want onze familie brengt een offer in de stad, en mijn broer heeft mij opgedragen te komen.
Als ik genade heb gevonden in uw ogen, laat mij dan gaan om mijn broers te zien.
Daarom is hij niet aan de tafel van de koning gekomen.
Als ik genade heb gevonden in uw ogen, laat mij dan gaan om mijn broers te zien.
Daarom is hij niet aan de tafel van de koning gekomen.
Toen werd Saul woedend op Jonathan en zei tegen hem: Jij zoon van een verdorven, opstandige vrouw!
Denk je dat ik niet weet dat jij de zoon van Isaï hebt gekozen?
Dat is een schande voor jou en voor de schoot van je moeder!
Denk je dat ik niet weet dat jij de zoon van Isaï hebt gekozen?
Dat is een schande voor jou en voor de schoot van je moeder!
Want zolang de zoon van Isaï op aarde leeft, zullen jij en je koningschap geen stand houden.
Stuur nu iemand en haal hem bij mij, want hij moet sterven.
Stuur nu iemand en haal hem bij mij, want hij moet sterven.
Jonathan antwoordde zijn vader Saul: Waarom moet hij gedood worden?
Wat heeft hij gedaan?
Wat heeft hij gedaan?
Toen wierp Saul de speer naar hem om hem te treffen.
Zo begreep Jonathan dat zijn vader vastbesloten was David te doden.
Zo begreep Jonathan dat zijn vader vastbesloten was David te doden.
Jonathan stond woedend van tafel op.
Hij at die tweede dag van de nieuwe maan niets.
Want hij had verdriet om David, en zijn vader had hem beledigd.
Hij at die tweede dag van de nieuwe maan niets.
Want hij had verdriet om David, en zijn vader had hem beledigd.
Het afscheid
De volgende morgen ging Jonathan het veld in, op de tijd die hij met David had afgesproken.
Er was een kleine jongen bij hem.
Er was een kleine jongen bij hem.
Hij zei tegen zijn jongen: Ren en zoek de pijlen die ik ga afschieten.
De jongen rende weg, en hij schoot een pijl over hem heen.
De jongen rende weg, en hij schoot een pijl over hem heen.
Toen de jongen bij de plaats kwam waar de pijl van Jonathan lag, riep Jonathan hem na: Ligt de pijl niet voorbij je?
Jonathan riep de jongen opnieuw na: Snel, haast je, blijf niet staan!
De jongen van Jonathan raapte de pijl op en kwam terug bij zijn heer.
De jongen van Jonathan raapte de pijl op en kwam terug bij zijn heer.
Maar de jongen wist van niets.
Alleen Jonathan en David wisten ervan.
Alleen Jonathan en David wisten ervan.
Jonathan gaf zijn wapens aan zijn jongen en zei tegen hem: Ga, breng ze naar de stad.
Toen de jongen weg was, kwam David tevoorschijn vanaf de zuidkant.
Hij viel met zijn gezicht ter aarde en boog zich drie keer.
Zij kusten elkaar en huilden samen, David nog het meest.
Hij viel met zijn gezicht ter aarde en boog zich drie keer.
Zij kusten elkaar en huilden samen, David nog het meest.
Jonathan zei tegen David: Ga in vrede.
Wij hebben samen in de naam van de HEERE gezworen: De HEERE is voor altijd getuige tussen mij en jou.
Hij is getuige tussen mijn nakomelingen en jouw nakomelingen.
Wij hebben samen in de naam van de HEERE gezworen: De HEERE is voor altijd getuige tussen mij en jou.
Hij is getuige tussen mijn nakomelingen en jouw nakomelingen.
Daarna stond David op en ging weg, en Jonathan ging terug naar de stad.