Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Kronieken 11
David wordt koning over heel Israël
David gezalfd in Hebron
Heel Israël kwam bij David in Hebron bijeen.
Zij zeiden: Kijk, wij zijn uw eigen vlees en bloed.
Zij zeiden: Kijk, wij zijn uw eigen vlees en bloed.
Ook vroeger al, toen Saul nog koning was, was u het die Israël aanvoerde in de strijd.
En de HEERE, uw God, heeft tegen u gezegd: Jij zult mijn volk Israël weiden, en jij zult vorst over mijn volk Israël zijn.
En de HEERE, uw God, heeft tegen u gezegd: Jij zult mijn volk Israël weiden, en jij zult vorst over mijn volk Israël zijn.
Alle oudsten van Israël kwamen bij de koning in Hebron.
David sloot daar voor de HEERE een verbond met hen, en zij zalfden hem tot koning over Israël.
Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij door Samuël gesproken had.
David sloot daar voor de HEERE een verbond met hen, en zij zalfden hem tot koning over Israël.
Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij door Samuël gesproken had.
David neemt Jeruzalem in
David trok met heel Israël naar Jeruzalem, dat toen Jebus heette.
Daar woonden de Jebusieten, de bewoners van dat gebied.
Daar woonden de Jebusieten, de bewoners van dat gebied.
De inwoners van Jebus zeiden tegen David: U komt er niet in.
Toch veroverde David de bergvesting Sion, die nu de Stad van David heet.
Toch veroverde David de bergvesting Sion, die nu de Stad van David heet.
David had namelijk gezegd: Wie de Jebusieten het eerst verslaat, wordt hoofd en aanvoerder.
Joab, de zoon van Zeruja, klom als eerste naar boven, en zo werd hij hoofd.
Joab, de zoon van Zeruja, klom als eerste naar boven, en zo werd hij hoofd.
David ging in de bergvesting wonen.
Daarom noemt men die de Stad van David.
Daarom noemt men die de Stad van David.
Hij bouwde de stad rondom uit, vanaf het Millo.
Joab herstelde de rest van de stad.
Joab herstelde de rest van de stad.
David werd steeds machtiger, want de HEERE van de hemelse legers was met hem.
De drie helden
Dit zijn de aanvoerders van de helden van David.
Samen met heel Israël steunden zij hem krachtig in zijn koningschap en maakten zij hem koning, zoals de HEERE over Israël gezegd had.
Samen met heel Israël steunden zij hem krachtig in zijn koningschap en maakten zij hem koning, zoals de HEERE over Israël gezegd had.
Dit is de lijst van de helden van David.
Jasobam, de zoon van Hachmoni, was de aanvoerder van de dertig.
Hij hief zijn speer op tegen driehonderd man en versloeg hen in één keer.
Jasobam, de zoon van Hachmoni, was de aanvoerder van de dertig.
Hij hief zijn speer op tegen driehonderd man en versloeg hen in één keer.
Na hem kwam Eleazar, de zoon van Dodo, uit de familie Ahoah.
Hij was een van de drie helden.
Hij was een van de drie helden.
Hij was met David bij Pas-Dammim.
De Filistijnen hadden zich daar verzameld voor de strijd.
Er lag een akker vol gerst, en het volk sloeg op de vlucht voor de Filistijnen.
De Filistijnen hadden zich daar verzameld voor de strijd.
Er lag een akker vol gerst, en het volk sloeg op de vlucht voor de Filistijnen.
Maar zij stelden zich midden op die akker op en verdedigden hem.
Zij versloegen de Filistijnen, en de HEERE gaf een grote overwinning.
Zij versloegen de Filistijnen, en de HEERE gaf een grote overwinning.
Drie van de dertig aanvoerders daalden af naar de rots, naar David in de grot van Adullam.
Het leger van de Filistijnen had zijn kamp opgeslagen in het Refaimdal.
Het leger van de Filistijnen had zijn kamp opgeslagen in het Refaimdal.
David zat toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden een wachtpost in Bethlehem.
David kreeg een verlangen en zei: Wie geeft mij water te drinken uit de put van Bethlehem, die bij de poort ligt?
Toen braken die drie door het kamp van de Filistijnen heen.
Zij putten water uit de put van Bethlehem bij de poort en brachten het bij David.
Maar David wilde het niet drinken.
Hij goot het uit voor de HEERE
Zij putten water uit de put van Bethlehem bij de poort en brachten het bij David.
Maar David wilde het niet drinken.
Hij goot het uit voor de HEERE
en zei: Dat verhoede mijn God!
Zou ik het bloed drinken van deze mannen?
Zij hebben het met gevaar voor hun leven gehaald.
Daarom wilde hij het niet drinken.
Dat deden de drie helden.
Zou ik het bloed drinken van deze mannen?
Zij hebben het met gevaar voor hun leven gehaald.
Daarom wilde hij het niet drinken.
Dat deden de drie helden.
Abisai en Benaja
Abisai, de broer van Joab, was de aanvoerder van de tweede drie.
Hij hief zijn speer op tegen driehonderd man en versloeg hen.
Zo kreeg hij naam bij die drie.
Hij hief zijn speer op tegen driehonderd man en versloeg hen.
Zo kreeg hij naam bij die drie.
Van de tweede drie had hij het meeste aanzien en werd hij hun aanvoerder.
Toch hoorde hij niet bij de eerste drie.
Toch hoorde hij niet bij de eerste drie.
Benaja, de zoon van Jojada, kwam uit Kabzeël en was de zoon van een dappere man.
Hij deed grote daden.
Hij versloeg twee geduchte strijders van Moab.
Ook daalde hij af en doodde een leeuw in een put, op een dag dat het sneeuwde.
Hij deed grote daden.
Hij versloeg twee geduchte strijders van Moab.
Ook daalde hij af en doodde een leeuw in een put, op een dag dat het sneeuwde.
Ook versloeg hij een Egyptenaar, een reus van bijna 2,5 meter lang.
De Egyptenaar had een speer in zijn hand als een weversboom.
Maar Benaja ging met een stok op hem af, rukte de speer uit zijn hand en doodde hem met zijn eigen speer.
De Egyptenaar had een speer in zijn hand als een weversboom.
Maar Benaja ging met een stok op hem af, rukte de speer uit zijn hand en doodde hem met zijn eigen speer.
Dat waren de daden van Benaja, de zoon van Jojada.
Zo kreeg hij naam bij de drie helden.
Zo kreeg hij naam bij de drie helden.
Hij had het meeste aanzien van de dertig, maar hoorde niet bij de drie.
David stelde hem aan over zijn lijfwacht.
David stelde hem aan over zijn lijfwacht.
De lijst van de helden
De helden van het leger waren: Asahel, de broer van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, uit Bethlehem;
Sammoth uit Harod; Helez uit Pelon;
Ira, de zoon van Ikkes, uit Thekoa; Abiëzer uit Anathoth;
Sibbechai uit Husa; Ilai uit de familie Ahoah;
Maharai uit Netofa; Heled, de zoon van Baäna, uit Netofa;
Ithai, de zoon van Ribai, uit Gibea in Benjamin; Benaja uit Pirhathon;
Hurai uit de dalen van Gaäs; Abiël uit Arba;
Azmaveth uit Bahurim; Eljahba uit Saälbon;
de zonen van Hasem uit Gizo; Jonathan, de zoon van Sage, uit Harar;
Ahiam, de zoon van Sachar, uit Harar; Elifal, de zoon van Ur;
Hefer uit Mechera; Ahia uit Pelon;
Hezro uit Karmel; Naäri, de zoon van Ezbai;
Joël, de broer van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;
Zelek uit Ammon; Nahrai uit Beroth, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja;
Ira uit Jether; Gareb uit Jether;
Uria de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
Adina, de zoon van Siza, uit de stam Ruben.
Hij was hun aanvoerder en had dertig man bij zich.
Hij was hun aanvoerder en had dertig man bij zich.
Verder Hanan, de zoon van Maächa; Josafat uit Mithni;
Uzzia uit Astharoth; Sama en Jeiël, de zonen van Hotham uit Aroër;
Jediael, de zoon van Simri, en zijn broer Joha uit Tiz;
Eliël uit Mahavim; Jeribai en Josavia, de zonen van Elnaäm; Jithma uit Moab;
en Eliël, Obed en Jaäziël uit Mezobaja.