Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Koningen 11
De afval en de dood van Salomo
De vreemde vrouwen van Salomo
Maar koning Salomo hield van veel buitenlandse vrouwen, naast de dochter van Farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische en Hethitische vrouwen.
Zij kwamen uit de volken waarover de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd: Jullie mogen niet met hen trouwen, en zij niet met jullie.
Want zij zullen jullie hart zeker naar hun goden trekken.
Aan juist die vrouwen raakte Salomo verknocht.
Want zij zullen jullie hart zeker naar hun goden trekken.
Aan juist die vrouwen raakte Salomo verknocht.
Hij had 700 vrouwen van vorstelijke afkomst en 300 bijvrouwen.
Zijn vrouwen trokken zijn hart af.
Zijn vrouwen trokken zijn hart af.
Toen Salomo oud werd, trokken zijn vrouwen zijn hart naar andere goden.
Zijn hart was niet meer volkomen toegewijd aan de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David.
Zijn hart was niet meer volkomen toegewijd aan de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David.
Salomo liep Astarte achterna, de godin van de Sidoniërs, en Milchom, de gruwel van de Ammonieten.
Zo deed Salomo wat slecht is in de ogen van de HEERE.
Hij volgde de HEERE niet volledig, zoals zijn vader David.
Hij volgde de HEERE niet volledig, zoals zijn vader David.
Toen bouwde Salomo een offerhoogte voor Kamos, de gruwel van de Moabieten, op de berg tegenover Jeruzalem.
Ook bouwde hij er een voor Molech, de gruwel van de Ammonieten.
Ook bouwde hij er een voor Molech, de gruwel van de Ammonieten.
Zo deed hij voor al zijn buitenlandse vrouwen, die reukwerk brandden en offers brachten aan hun goden.
Daarom werd de HEERE toornig op Salomo, omdat zijn hart zich had afgekeerd van de HEERE, de God van Israël.
Hij was hem twee keer verschenen.
Hij was hem twee keer verschenen.
Hij had hem juist hierover geboden dat hij geen andere goden mocht volgen.
Maar hij hield zich niet aan wat de HEERE geboden had.
Maar hij hield zich niet aan wat de HEERE geboden had.
Daarom zei de HEERE tegen Salomo: Je hebt zo gehandeld en mijn verbond en mijn verordeningen niet gehouden.
Daarom zal ik het koningschap zeker van je afscheuren.
Ik zal het aan je dienaar geven.
Daarom zal ik het koningschap zeker van je afscheuren.
Ik zal het aan je dienaar geven.
Maar tijdens je leven zal ik dat niet doen, omwille van je vader David.
Uit de hand van je zoon zal ik het afscheuren.
Uit de hand van je zoon zal ik het afscheuren.
Toch zal ik niet het hele koninkrijk afscheuren.
Eén stam zal ik aan je zoon geven, omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, dat ik gekozen heb.
Eén stam zal ik aan je zoon geven, omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, dat ik gekozen heb.
Tegenstanders van Salomo
Toen liet de HEERE een tegenstander tegen Salomo opstaan: Hadad, de Edomiet.
Hij was van koninklijke afkomst in Edom.
Hij was van koninklijke afkomst in Edom.
Want toen David in Edom was, trok Joab, de legeraanvoerder, erheen om de gesneuvelden te begraven.
Toen doodde hij alle mannen in Edom.
Toen doodde hij alle mannen in Edom.
Want Joab bleef daar zes maanden met heel Israël, tot hij alle mannen in Edom had uitgeroeid.
Maar Hadad was gevlucht, samen met enkele Edomitische mannen uit de dienst van zijn vader.
Zij gingen naar Egypte.
Hadad was toen nog een kleine jongen.
Zij gingen naar Egypte.
Hadad was toen nog een kleine jongen.
Zij vertrokken uit Midian en kwamen in Paran.
Daar namen zij mannen uit Paran mee en kwamen in Egypte bij Farao, de koning van Egypte.
Die gaf hem een huis, zorgde voor zijn onderhoud en gaf hem land.
Daar namen zij mannen uit Paran mee en kwamen in Egypte bij Farao, de koning van Egypte.
Die gaf hem een huis, zorgde voor zijn onderhoud en gaf hem land.
Hadad vond veel gunst bij Farao.
Die gaf hem de zus van zijn eigen vrouw, de koningin Tachpenes, als vrouw.
Die gaf hem de zus van zijn eigen vrouw, de koningin Tachpenes, als vrouw.
De zus van Tachpenes kreeg een zoon van hem, Genubath.
Tachpenes voedde hem op in het paleis van Farao.
Zo woonde Genubath in het paleis van Farao, tussen de zonen van Farao.
Tachpenes voedde hem op in het paleis van Farao.
Zo woonde Genubath in het paleis van Farao, tussen de zonen van Farao.
In Egypte hoorde Hadad dat David bij zijn voorouders te ruste was gelegd en dat de legeraanvoerder Joab dood was.
Toen zei Hadad tegen Farao: Laat mij gaan, dan kan ik naar mijn land terugkeren.
Toen zei Hadad tegen Farao: Laat mij gaan, dan kan ik naar mijn land terugkeren.
Maar Farao vroeg: Wat kom je bij mij tekort, dat je naar je eigen land wilt terugkeren?
Hij zei: Niets, maar laat mij toch gaan.
Hij zei: Niets, maar laat mij toch gaan.
Ook liet God een andere tegenstander tegen hem opstaan: Rezon, de zoon van Eljada.
Hij was gevlucht voor zijn heer Hadad-ezer, de koning van Zoba.
Hij was gevlucht voor zijn heer Hadad-ezer, de koning van Zoba.
Hij verzamelde mannen om zich heen en werd aanvoerder van een bende, toen David hen doodde.
Zij trokken naar Damaskus, gingen daar wonen en regeerden in Damaskus.
Zij trokken naar Damaskus, gingen daar wonen en regeerden in Damaskus.
Hij was een tegenstander van Israël zolang Salomo leefde, naast het kwaad dat Hadad deed.
Hij had een afkeer van Israël en regeerde over Syrië.
Hij had een afkeer van Israël en regeerde over Syrië.
Jerobeam en de profeet Ahia
Ook Jerobeam, de zoon van Nebat, kwam in opstand tegen de koning.
Hij was een Efrathiet uit Zereda en een dienaar van Salomo.
Zijn moeder heette Zerua en was weduwe.
Hij was een Efrathiet uit Zereda en een dienaar van Salomo.
Zijn moeder heette Zerua en was weduwe.
Dit was de reden dat hij in opstand kwam tegen de koning.
Salomo bouwde de Millo en dichtte de bres in de muur van de stad van zijn vader David.
Salomo bouwde de Millo en dichtte de bres in de muur van de stad van zijn vader David.
Jerobeam was een dapper man.
Toen Salomo zag hoe ijverig deze jonge man werkte, stelde hij hem aan over alle dwangarbeid van het huis van Jozef.
Toen Salomo zag hoe ijverig deze jonge man werkte, stelde hij hem aan over alle dwangarbeid van het huis van Jozef.
In die tijd ging Jerobeam eens Jeruzalem uit.
Onderweg kwam de profeet Ahia uit Silo hem tegen.
Ahia droeg een nieuwe mantel, en zij waren samen alleen in het veld.
Onderweg kwam de profeet Ahia uit Silo hem tegen.
Ahia droeg een nieuwe mantel, en zij waren samen alleen in het veld.
Toen pakte Ahia de nieuwe mantel die hij droeg en scheurde die in twaalf stukken.
Hij zei tegen Jerobeam: Neem tien stukken voor jezelf.
Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Kijk, ik ga het koninkrijk uit de hand van Salomo scheuren.
Jou geef ik tien stammen.
Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Kijk, ik ga het koninkrijk uit de hand van Salomo scheuren.
Jou geef ik tien stammen.
Eén stam zal hij houden, omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die ik uit alle stammen van Israël gekozen heb.
Want zij hebben mij verlaten.
Zij hebben zich neergebogen voor Astarte, de godin van de Sidoniërs, en voor Kamos, de god van de Moabieten.
Ook voor Milchom, de god van de Ammonieten, bogen zij zich neer.
Zij zijn niet in mijn wegen gegaan en hebben niet gedaan wat goed is in mijn ogen.
Zij hebben mijn verordeningen en bepalingen niet gehouden, zoals zijn vader David.
Zij hebben zich neergebogen voor Astarte, de godin van de Sidoniërs, en voor Kamos, de god van de Moabieten.
Ook voor Milchom, de god van de Ammonieten, bogen zij zich neer.
Zij zijn niet in mijn wegen gegaan en hebben niet gedaan wat goed is in mijn ogen.
Zij hebben mijn verordeningen en bepalingen niet gehouden, zoals zijn vader David.
Toch zal ik het koninkrijk niet helemaal uit zijn hand nemen.
Ik laat hem vorst blijven zolang hij leeft, omwille van mijn dienaar David.
Hem heb ik gekozen, en hij heeft mijn geboden en verordeningen gehouden.
Ik laat hem vorst blijven zolang hij leeft, omwille van mijn dienaar David.
Hem heb ik gekozen, en hij heeft mijn geboden en verordeningen gehouden.
Maar uit de hand van zijn zoon zal ik het koninkrijk nemen, en daarvan zal ik jou tien stammen geven.
Aan zijn zoon zal ik één stam geven.
Dan heeft mijn dienaar David altijd een lamp voor mij in Jeruzalem, de stad die ik gekozen heb om er mijn naam te vestigen.
Dan heeft mijn dienaar David altijd een lamp voor mij in Jeruzalem, de stad die ik gekozen heb om er mijn naam te vestigen.
Maar jou zal ik nemen.
Jij zult regeren over alles wat je maar wenst, en je zult koning zijn over Israël.
Jij zult regeren over alles wat je maar wenst, en je zult koning zijn over Israël.
Luister naar alles wat ik je gebied, ga in mijn wegen en doe wat goed is in mijn ogen.
Houd je aan mijn verordeningen en geboden, zoals mijn dienaar David deed.
Dan zal ik met je zijn en een blijvend huis voor je bouwen, zoals ik voor David gedaan heb.
Dan zal ik Israël aan jou geven.
Houd je aan mijn verordeningen en geboden, zoals mijn dienaar David deed.
Dan zal ik met je zijn en een blijvend huis voor je bouwen, zoals ik voor David gedaan heb.
Dan zal ik Israël aan jou geven.
Zo zal ik de nakomelingen van David hierom vernederen, maar niet voor altijd.
Daarom probeerde Salomo Jerobeam te doden.
Maar Jerobeam vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte.
Hij bleef in Egypte tot de dood van Salomo.
Maar Jerobeam vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte.
Hij bleef in Egypte tot de dood van Salomo.
De dood van Salomo
Staat de rest van de geschiedenis van Salomo niet beschreven in het boek van de geschiedenis van Salomo?
Daar staat alles wat hij deed, en zijn wijsheid.
Daar staat alles wat hij deed, en zijn wijsheid.
Salomo regeerde veertig jaar in Jeruzalem over heel Israël.
Toen ging Salomo bij zijn voorouders te ruste en werd begraven in de stad van zijn vader David.
Zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats.
Zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats.