# Woordenboek bij de Open Parafrase Weergave

> Uitleg bij woorden en uitdrukkingen in de tekst, per vindplaats. Status: concept; niet door mensen goedgekeurd. Bestaande OPV-begrippenlijsten; geen bronnenonderzoek naar de vroege kerk. Vrij te gebruiken.

## 1000 stuks zilver (begrip)

- Som zilver die in de oude tijd diende als losprijs, bruidsschat of ander bedrag. De waarde stond gelijk aan een aanzienlijk vermogen voor een gewone burger. (1Sam 1:1)

## 11e jaar van Zedekia (uitdrukking)

- Het jaar waarin Jeruzalem viel (586 v.Chr.) — in de 4e maand op de 9e dag werden de muren doorbroken. (Jer 39:2)

## 1260 dagen (begrip)

- De tijd dat de twee getuigen profeteren in zakken — drieënhalf jaar. (Op 11:3)

## 13e jaar van Josia (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 1:2)

## 144.000 verzegelden (begrip)

- De honderdvierenveertigduizend uit alle stammen der kinderen Israëls die verzegeld werden op het voorhoofd. (Op 7:4)

## 153 vissen (voorwerp)

- De 153 grote vissen die de discipelen vingen na de opstanding bij de zee van Tiberias. (Joh 21:11)

## 20 sikkelen brood per dag (uitdrukking)

- Gewicht van ongeveer 230 gram brood, in profetische tekenhandelingen gebruikt om hongerrantsoenering uit te beelden. Beeld van belegering. (Ez 4:10)

## 25 mannen aan de oosterpoort (uitdrukking)

- Profetisch beeld van een groep leiders die op de drempel van de tempel kwaad beraamden. Onderdeel van de visioenen van Ezechiël. (Ez 11:1)

## 25e jaar van wegvoering (uitdrukking)

- Profetische tijdsaanduiding gemeten vanaf de eerste deportatie naar Babel in 597 v.Chr. Onderdeel van de chronologische gegevens van Ezechiël. (Ez 40:1)

## 300 el lengte tempel (uitdrukking)

- Profetische maat voor het tempelterrein als geheel, een gigantisch heilig vierkant. Onderdeel van het tempelvisioen van Ezechiël. (Ez 42:20)

## 300 mannen (begrip)

- Het kleine elite-leger van Gideon, geselecteerd door de wijze waarop zij water dronken. Versloegen met fakkels, kruiken en bazuinen het talrijke Midianitische leger. (Ri 7:7)

## 30e jaar (uitdrukking)

- Profetische tijdsaanduiding mogelijk verwijzend naar de leeftijd waarop een priester volgens de wet zijn dienst aanving. Onderdeel van de roepingsgeschiedenis. (Ez 1:1)

## 38 jaar (begrip)

- De krank te Bethesda was achtendertig jaren ziek geweest — beeld van langdurig lijden. (Joh 5:5)

## 390 + 40 dagen liggen (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij de profeet symbolisch het ongerechtigheid van Israël en Juda een aantal dagen draagt. Onderdeel van de symboolperformance. (Ez 4:6)

## 40e jaar na val (uitdrukking)

- Profetische tijdsaanduiding waarmee een visioen exact wordt gedateerd ten opzichte van de val van Jeruzalem. Onderdeel van de chronologische gegevens. (Ez 40:1)

## 42 maanden (begrip)

- De tijd dat de heidenen de heilige stad zullen vertreden — gelijk aan 1260 dagen of drieënhalf jaar. (Op 11:2)

## 4e jaar van Jojakim (uitdrukking)

- Het jaar waarin Jeremia voor het eerst expliciet de zeventig jaar ballingschap aankondigde — eerste regeringsjaar van Nebukadnezar (605 v.Chr.). (Jer 25:1)

## 666 (begrip)

- Het getal van het beest in de Openbaring; getal eens mensen, het zesvoudige onvolmaakte tegenover het zevenvoudig goddelijke. (Op 13:18)

## 70 oudsten (begrip)

- De zeventig oudsten van Israël, op wie God Zijn Geest legde om Mozes bij te staan in het bestuur van het volk. (Ex 24:9)

## 70 oudsten met wierookvaten (uitdrukking)

- Profetisch visioen waarin oudsten van het volk worden ontmaskerd in geheime afgodische cultus. Onderdeel van de gezichten van Ezechiël. (Ez 8:11)

## aalmoes (begrip)

- Gift aan de armen, in het bijzonder de collecte voor de heiligen te Jeruzalem. Een vorm van christelijke barmhartigheid en gemeenschap der heiligen. (Rom 1:7)

## aalmoezen aan de armen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor barmhartige giften aan behoeftigen. Klassieke deugd in oudtestamentische gerechtigheidsleer en sociale wetgeving. (Job 31:16)

## aan U zal ik geen leugen spreken (uitdrukking)

- Bijbelse belijdenis van eerlijkheid voor Gods aangezicht. Klassieke uitdrukking van geloofsintegriteit. (Job 27:4)

## aanbeeld (begrip)

- IJzeren of stenen blok waarop de smid metaal smeedt. In de bijbel ook beeld voor vastheid die slagen kan opvangen. (Sir 38:28)

## aanbeveling (begrip)

- Eigen of getuigenis van anderen ten gunste van iemands geloofwaardigheid en ambt. De ware aanbeveling van een apostel ligt in de vrucht van zijn arbeid. (2 Kor 3:1)

## aanbidden (begrip)

- Eerbiedig neervallen voor God. (Ps 22:30)
- God eren en vereren. Jezus leert de Samaritaanse vrouw dat ware aanbidders de Vader aanbidden in geest en waarheid. (Joh 4:23)

## aanbidding (begrip)

- Het neerbuigen voor God of een ander wezen in eerbied en verering. Uitdrukking van diepe ontzag, vaak gepaard met fysieke buiging of knieling. (Gen 22:5)
- Bij Christus' intrede in de wereld. (Hebr 1:6)
- Het neerbuigen voor en eren van God of een godheid. In de bijbel uitsluitend aan de ware God toekomende, niet aan beelden of mensen. (3 Makk 3:4)

## aanbieding (begrip)

- Formeel aanzoek of voorstel tot een rechtshandeling, zoals het overdragen van een lossingsrecht. Werd in Israël gewoonlijk gedaan in tegenwoordigheid van getuigen. (Ruth 4:4)

## aandringende weduwe (begrip)

- De weduwe die de onrechtvaardige rechter door haar volharding wist te bewegen — gelijkenis over volharden in gebed. (Luk 18:3)

## aangename jaar (begrip)

- Aanduiding voor het bevrijdingsjaar dat Jezus aan het begin van zijn bediening uitriep, ontleend aan de profetische verkondiging van Gods heilstijd. (Luk 4:19)

## aangenomen (begrip)

- Ontvangen, aannemen. Wie Jezus aanneemt, krijgt het recht om een kind van God te worden. (Joh 1:12)

## aangezicht (begrip)

- Gelaat of gezicht. In de Bijbel ook beeldspraak voor iemands persoon, gunst of toorn; 'Gods aangezicht' staat voor Zijn nabijheid en gunst. (Gen 3:8)
- Gods 'aangezicht' staat voor Zijn nabijheid, gunst en genadige toewending. Het zoeken van Gods aangezicht is gemeenschap met Hem zoeken; het verbergen van Gods aangezicht betekent dat Hij Zijn gunst onttrekt en de mens in nood achterblijft. (Ps 27:8)
- Bijbels woord voor het gelaat, vaak met de bijbetekenis van persoonlijke aanwezigheid of houding van iemand. (Mark 1:2)
- Gelaat. Ook: gunstig aangezicht van koning = leven. (Spr 27:17)

## aangezicht als de zon (begrip)

- Zijn aangezicht was als de zon schijnt in haar kracht — beeld van goddelijke heerlijkheid. (Op 1:16)

## aangezicht bedekken (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij iemand zijn gezicht bedekt als beeld voor blinding of weggevoerd worden. Onderdeel van symboolperformance. (Ez 12:12)

## aangezicht JAHWEH (theologisch)

- Gods openbaring van Zichzelf. Mozes vroeg Zijn heerlijkheid te zien; God liet hem Zijn achterzijde, maar zei: 'gij zult Mijn aangezicht niet kunnen zien'. (Ex 33:18)

## aanhangen (begrip)

- Zich nauw verbinden met of trouw blijven aan iemand. In de Tora vooral gebruikt voor de huwelijksband en voor de relatie met God. (Gen 2:24)

## aanklager der broederen (persoon)

- De Satan die de broederen voor God dag en nacht aanklaagde — overwonnen door het bloed des Lams. (Op 12:10)

## aankleven (begrip)

- Zich onverbrekelijk verbinden met. Bijbelse uitdrukking voor de hechte verbondenheid in het huwelijk en in geloofstrouw. (Gen 2:24)

## aankomst (begrip)

- Komst of verschijning, in de brieven met name van de wederkomst van Christus. (1 Petr 1:7)

## aannemen (begrip)

- Iets of iemand ontvangen en accepteren. Jezus zegt dat de wereld Hem niet heeft aangenomen. (Joh 1:11)

## aanneming (begrip)

- Het door God aangenomen worden tot Zijn kinderen, vrucht van het werk van de Heilige Geest. Het kindschap waardoor de gelovige God als Vader mag aanroepen. (Rom 2:11)
- Wij ontvangen de aanneming tot kinderen door de Geest van Zijn Zoon. (Gal 4:5)
- God heeft ons uit pure welbehagen. (Ef 1:5)

## aanneming des persoons (begrip)

- Mijn broeders, hebt het geloof van onze Heere Jezus Christus niet met aanneming des persoons — toon geen partijdigheid op grond van rijkdom of staat. (Jak 2:1)

## aanroepen (begrip)

- Gods Naam in nood en lof noemen. (Ps 99:6)

## aanschijn (begrip)

- Aangezicht, gelaat. 'In het zweet uws aanschijns' is bijbelse uitdrukking voor zware arbeid. (Gen 3:19)

## aanschouwen (begrip)

- Aandachtig en eerbiedig bekijken, zien. De discipelen hebben Jezus' heerlijkheid aanschouwd. (Joh 1:14)
- Aandachtig zien; Johannes en de apostelen hebben het Woord van het leven aanschouwd. (1 Joh 1:1)

## aanstaande (begrip)

- Aanduiding voor wat onmiddellijk staat te gebeuren; in eschatologisch verband een onjuiste voorstelling dat de dag des Heren reeds aangebroken is. (2 Tess 2:2)

## aanstoot (begrip)

- Datgene waaraan men zich ergert of waarover men struikelt. In het Nieuwe Testament vooral van Christus en het kruis, dat voor Joden en heidenen een struikelblok vormt. (Rom 9:32)

## aantal weggevoerden (uitdrukking)

- Geeft drie aantallen ballingen (in Nebukadnezars 7e jaar), 832 (18e jaar) en 745 (23e jaar) — totaal 4600. (Jer 52:28)

## aanwijsbare gradatie (uitdrukking)

- Profetisch beeld van vier opeenvolgende metingen waarbij water steeds dieper wordt. Symbool voor groeiende ervaring van Gods Geest. (Ez 47:4)

## aanzien (begrip)

- Kritiek op ongelijke behandeling. (Jak 2:3)

## aanzien des persoons (begrip)

- Het bevoordelen van iemand om wie hij is; gruwel in rechtspraak. (Spr 24:23)

## aanzittende (begrip)

- Aan tafel liggend of zittend bij een maaltijd. In de tijd van Jezus lag men aan bij het eten. (Joh 13:23)

## aardbeving (begrip)

- Schudden van de aardkorst, in de Bijbel vaak teken van Gods machtig ingrijpen of oordeel. Onderdeel van profetische theofanieën. (Am 1:1)

## aardbeving in Filippi (begrip)

- De grote aardbeving die de fundamenten der gevangenis bewoog en alle deuren opende. (Hand 16:26)

## aardbodem (begrip)

- De oppervlakte van de aarde, vooral het bewoonbare en bewerkbare land. Door God geschapen en in de zondvloed door water bedekt. (Gen 2:6)

## aarde zonder vorm en ledig (uitdrukking)

- Echo van — terugval van de aarde tot oer-chaos onder Gods oordeel. (Jer 4:23)

## aarde-orde (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor de door God gegeven samenhang en regelmaat in de geschapen wereld, als kenobject van wijsheid. (Wijsh 7:17)

## aarden kruik (uitdrukking)

- Jeremia moet een aarden kruik kopen, naar het dal van de zoon van Hinnom gaan, en die voor het oog van de oudsten breken — beeld dat God Jeruzalem en het volk zal verbreken zoals men een pottenbakkersvat verbreekt dat niet meer geheeld kan worden. (Jer 19:10)

## aarden pot ijzeren ketel (begrip)

- Bijbels en wijsheidsspreekwoord over het ongelijke verkeer tussen wie zwak is (de aarden pot) en wie sterk en hard is (de ijzeren ketel), en de schade die daaruit voortkomt. (Sir 13:2)

## aarden vat (begrip)

- Beeld voor het zwakke en vergankelijke menselijke lichaam waarin God Zijn schat van het evangelie bewaart. Drukt uit dat de uitnemendheid van de kracht uit God is en niet uit de mens. (2 Kor 4:7)

## aarden vat met koopbrief (uitdrukking)

- Symbool van toekomstige terugkeer. (Jer 32:14)

## aardrijk (begrip)

- De bewoonde wereld. (Ps 24:1)

## aardse tabernakel (begrip)

- Het tegenwoordige lichaam beschouwd als tijdelijke tent. Wordt afgebroken om plaats te maken voor het eeuwige hemelse huis. (2 Kor 5:1)
- Bijbelse beeldspraak voor het sterfelijke menselijke lichaam als tijdelijke woning van de ziel (vgl. 2 Kor. 5:1). (Wijsh 9:15)

## aardse wijsheid (begrip)

- Bittere nijdigheid en twistgierigheid is geen wijsheid die van boven afkomt, maar een aardse, natuurlijke en duivelse. (Jak 3:15)

## Aaronieten (cultisch)

- De zonen van Aäron en hun nakomelingen, voor wie het priesterschap was bestemd. Alleen zij mochten als priester de offers brengen. (Ex 28:1)

## aartsengel Michael (persoon)

- Michael, de aartsengel, twistende met de duivel over het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering inbrengen, maar zeide: de Heere bestraffe u. (Jud 1:9)

## aartsvader (begrip)

- Stamvader van een geslacht of volk. In het bijzonder de drie aartsvaders van Israël: Abraham, Izak en Jakob. (Gen 12:1)

## aartsvaderlijke tijd (begrip)

- Bijbelse periode van Abraham, Izak en Jakob, gewoonlijk gedateerd in het tweede millennium v.Chr. Gekenmerkt door nomadisch leven en huiselijke offerdienst. (Job 1:5)

## aaspraak uit storm (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor Gods directe spreken vanuit een onweder als vorm van theofanie. Klassiek motief in profetische literatuur. (Job 38:1)

## Abaddon (persoon)

- Hebreeuws woord voor 'verderver'; in de Openbaring de naam van de koning van de afgrond, in het Grieks Apollyon. (Openb 9:11)

## Abagtha (persoon)

- Een van de zeven persoonlijke kamerheren (eunuchen) aan het Perzische hof van koning Ahasveros. Behoorden tot de hoogste hofdienaars van de koning. (Esth 1:10)

## Abba (begrip)

- Aramese aanspreektitel voor de vader, ongeveer In het Nieuwe Testament gebruikt als persoonlijke aanspreking van God. (Mark 14:36)
- Aramees woord voor vader, gebruikt als vertrouwelijke aanspraak tot God. Door de Heilige Geest in het hart van de gelovige uitgeroepen als teken van het kindschap. (Rom 8:15)

## Abba Vader (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Gal 4:6)

## Abdon (persoon)

- Een van de kleine richters van Israël, zoon van Hillel uit Pirathon in Efraïm. Wordt herinnerd om zijn talrijke nageslacht dat op ezelsveulens reed, teken van aanzien. (Ri 12:13)

## Abed-Nego (persoon)

- Babylonische naam van Azaria, een van de drie joodse jongelingen in het verhaal van de vurige oven (Daniël 1-3). (Geb. Az. 1:25)

## Abel (persoon)

- Tweede zoon van Adam en Eva en herder. Werd door zijn broer Kaïn vermoord nadat zijn offer wel maar dat van Kaïn niet door God werd aangezien. (Gen 4:2)
- Bloed der profeten in Jezus' wee-uitroep. (Luk 11:51)
- De rechtvaardige zoon van Adam, door zijn broer Kaïn vermoord. Type van wie geloofsoffers brengen. (1 Kor 15:45)
- Tweede zoon van Adam en Eva; door zijn broer Kaïn vermoord vanwege zijn rechtvaardig offer. (Hebr 11:4)

## Abel (zoon van Adam) (persoon)

- Tweede zoon van Adam en Eva, herder, door zijn broer Kaïn vermoord. Geldt in de Bijbel als de eerste rechtvaardige martelaar. (Matt 23:35)

## Abel-mizraim (plaats)

- Plaatsnaam aan de Jordaan, betekenend 'rouw der Egyptenaren'. Zo genoemd naar de uitbundige rouwklacht over Jakob bij zijn begrafenisstoet. (Gen 50:11)

## Abia (persoon)

- Koning van Juda (ca. 913-911 v.Chr.), zoon van Rehabeam en kleinzoon van Salomo. (Matt 1:7)
- Tweede koning van Juda, zoon en opvolger van Rehabeam. Regeerde slechts kort en zette de godsdienstige misslagen van zijn vader voort. (2 Kron 13:1)

## Abiam (persoon)

- Tweede koning van Juda, zoon en opvolger van Rehabeam. Regeerde slechts kort en zette de godsdienstige misslagen van zijn vader voort. (1 Kon 15:1)

## Abiathar (persoon)

- Zoon van de hogepriester Achimelech, ontkomen aan de slachting te Nob. Werd hogepriester onder David, maar werd later door Salomo afgezet. (1Sam 22:20)

## Abib (begrip)

- Eerste maand van het Joodse kerkelijk jaar (later Nisan), vallend in maart-april. Maand van de uittocht en het pascha. (Ex 13:4)
- Eerste maand van het Joodse kerkelijk jaar (later Nisan genoemd), vallend in maart-april. De maand waarin het pascha werd gevierd en Israël uit Egypte trok. (Num 9:1)

## Abida (persoon)

- Zoon van Midian en kleinzoon van Abraham via Ketura. Stamvader van een Midianitische clan. (Gen 25:4)

## Abigail (persoon)

- Verstandige en mooie vrouw uit Karmel in Juda, eerst getrouwd met de rijke Nabal en later met David. Moeder van Davids tweede zoon Chileab. (2Sam 3:3)

## Abigaïl (persoon)

- Verstandige en mooie vrouw uit Karmel in Juda, eerst getrouwd met de rijke Nabal en later met David. Wordt geprezen om haar wijsheid en bemiddelende optreden. (1Sam 25:3)
- Zuster of halfzuster van koning David, moeder van Amasa. Niet te verwarren met Davids vrouw Abigaïl, de weduwe van Nabal. (1 Kron 2:16)
- Verstandige en mooie vrouw uit Karmel in Juda, eerst getrouwd met de rijke Nabal en later met David. Geprezen om haar wijsheid en bemiddelende optreden. (Esth 2:7)

## Abihu (persoon)

- Tweede zoon van Aäron. Werd samen met zijn broer Nadab door vuur uit de hemel gedood wegens het brengen van vreemd vuur. (Ex 24:1)

## Abijah, profeet (persoon)

- Profeet uit Silo in het bergland van Efraïm ten tijde van Salomo en Jerobeam. Bekend om zijn voorzeggingen over de scheuring van het rijk en het oordeel over Jerobeams huis. (2 Kron 9:29)

## Abilene (plaats)

- Tetrarchie van Lysanias in Lukas' historische datering. (Luk 3:1)

## Abimaël (persoon)

- Zoon van Joktan, een nakomeling van Sem. Voorvader van een Arabische stam. (Gen 10:28)

## Abimelech (persoon)

- Naam van meerdere Filistijnse koningen van Gerar. Sloot een verbond met Abraham en later met Izak rondom de waterputten van Berseba. (Gen 20:2)
- Zoon van Gideon bij een bijvrouw uit Sichem, die zichzelf met geweld tot koning maakte. Eerste poging tot koningschap in Israël, eindigde tragisch met zijn dood door een molensteen bij Tebez. (Ri 9:1)

## Abimelech, hogepriester (persoon)

- Aäronitisch priester uit het geslacht van Eli, betrokken bij de instelling van de priesterafdelingen. Niet te verwarren met de Filistijnse koningen van die naam. (1 Kron 18:16)

## Abinadab (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder de tweede zoon van Isaï en een man uit Kirjath-jearim. Bij deze laatste werd na de terugkeer uit het Filistijnse land de ark des verbonds bewaard. (1Sam 7:1)

## Abiram (persoon)

- Rubeniet die met Korach en Dathan een opstand tegen Mozes en Aäron leidde. Werd met zijn gezin levend door de aarde verzwolgen. (Ex 6:14)
- Met Datan in opstand tegen Mozes; door God gestraft. (Ps 106:17)

## Abisag (persoon)

- Jonge vrouw uit Sunem in Issaschar, die in koning Davids ouderdom als verzorgster aan zijn hof werd gebracht. Speelde later een rol in de troonopvolgingsstrijd tussen Adonia en Salomo. (1 Kon 1:3)

## Abisai (persoon)

- Zoon van Davids zus Zeruja, broer van Joab en Asaël. Een van Davids dapperste helden en trouwste metgezellen, vaak in militaire opdrachten ingezet. (2Sam 2:18)

## Abiud (persoon)

- Naoorlogse nakomeling van koning David, alleen bekend uit het geslachtsregister van Jezus. Zoon van Zerubbabel. (Matt 1:13)

## Abjathar (persoon)

- Hogepriester ten tijde van koning David, zoon van Achimelech en de enige overlevende van de moord op de priesters van Nob. (Mark 2:26)
- Hogepriester ten tijde van koning David, overlevende van de slachting onder de priesters van Nob. Werd onder Salomo afgezet en naar Anathoth verbannen vanwege zijn steun aan Adonia. (1 Kon 1:7)
- Hogepriester ten tijde van koning David, overlevende van de slachting onder de priesters van Nob. Werd onder Salomo afgezet vanwege zijn steun aan Adonia. (1 Kron 15:11)
- Hogepriester ten tijde van koning David, overlevende van de slachting onder de priesters van Nob. Werd onder Salomo afgezet en naar Anathoth verbannen. (2 Kron 1:8)

## Abner (persoon)

- Zoon van Ner, neef van koning Saul en opperbevelhebber van diens leger. Speelde een sleutelrol in de overgangstijd tussen het huis van Saul en David. (1Sam 14:50)

## Abners begrafenis (begrip)

- Plechtige begrafenis van Sauls voormalige opperbevelhebber Abner te Hebron. Werd door koning David openlijk bijgewoond als teken van zijn afkeuring van de moord door Joab. (2Sam 3:32)

## Aboth (begrip)

- Hebreeuws voor 'vaderen' of 'aartsvaders'. Aanduiding voor Abraham, Izak en Jakob als grondleggers van het volk Israël. (Ex 1:1)

## Abraham (persoon)

- Aartsvader van Israël en vader der gelovigen. Door God uit Ur der Chaldeeën geroepen en met hem de eerste verbonden gesloten; ontving de belofte van een groot nageslacht en het land Kanaän. (Gen 12:1)

## Abrahams schoot (begrip)

- De plaats van zaligheid waar Lazarus door de engelen werd gedragen — tegenover de plek der pijn. (Luk 16:22)

## Abram (persoon)

- Oorspronkelijke naam van Abraham, de eerste aartsvader van Israël. Door God uit Ur der Chaldeeën geroepen naar Kanaän en met de verbondsbelofte begiftigd. (1 Kron 1:27)

## Abris (persoon)

- In het apocriefe boek Judith een van de drie oversten van de stad Bethulië tijdens de belegering door Holofernes. (Jdt 6:11)

## Absalom (persoon)

- Derde zoon van koning David, geboren uit zijn vrouw Maächa. Bekend om zijn schoonheid en zijn opstand tegen zijn vader, die eindigde in zijn gewelddadige dood. (2Sam 13:1)
- Davids zoon die tegen hem in opstand kwam. Is opgesteld. (Ps 3:1)

## Accad (plaats)

- Stad in het land Sinear (Babylonië), behorend tot het oudste rijk van Nimrod. Geeft haar naam aan de Akkadische beschaving in Mesopotamië. (Gen 10:10)

## Accaron (plaats)

- Een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, in de noordelijke kustvlakte van Israël (huidig Tel Miqne, ca. 35 km west van Jeruzalem). Centrum van de cultus van Baäl-Zebub (2 Kon 1). Modern Nederlands ook geschreven als 'Ekron'. (1 Mak 10:89)

## Achab (persoon)

- Koning van het noordelijk rijk Israël (ca. 874-853 v.Chr.), zoon van Omri. Bekend om zijn huwelijk met Izebel en de uitbreiding van de Baalsdienst. (Mi 6:16)
- Zoon van Omri en zevende koning van het noordelijke rijk Israël, gehuwd met de Sidonische prinses Izebel. Belangrijkste bevorderaar van de Baälsdienst en voornaamste tegenstander van de profeet Elia. (1 Kon 16:29)

## Achab-namen (begrip)

- Aanduiding voor de afgodische verordeningen en gebruiken die onder Achab en Omri in Israël werden ingevoerd. Symbool van blijvend kwaad. (Mi 6:16)

## Achaemenes (persoon)

- Stamvader van het Perzische koningshuis (de Achaemeniden) volgens de Perzische overlevering. Voorvader van Cyrus, Darius en de andere koningen die in de Schrift voorkomen. (Ezra 1:1)

## Achaikus (persoon)

- Lid van de gemeente te Korinthe die met Stefanas en Fortunatus Paulus bezocht en zijn geest verkwikte. Bekend uit de slotgroet. (1 Kor 16:17)

## Achaje (plaats)

- Streek waar Korinthe lag; Paulus' werkterrein. (Hand 18:12)
- Romeinse provincie in Zuid-Griekenland met Korinthe als hoofdstad. Toneel van veel apostolische arbeid. (Rom 15:26)
- Romeinse provincie in het zuiden van Griekenland met Korinthe als hoofdstad; in de eerste eeuw bestonden er meerdere christelijke gemeenten. (1 Th 1:7)

## Achan (persoon)

- Israëliet uit de stam Juda die bij de inname van Jericho gewijde buit verborg. Werd met zijn gezin gestenigd in het dal Achor. (Num 1:1)
- Israëliet uit de stam Juda ten tijde van de verovering van Kanaän. Bekend om zijn overtreding van de ban bij Jericho, waarvoor hij met zijn huis werd gestenigd. (Joz 7:1)

## Achaz (persoon)

- Koning van Juda (ca. 735-715 v.Chr.), zoon van Jotham. Bekend om zijn afgoderij en zijn beroep op de hulp van Assyrië. (Matt 1:9)
- Koning van Juda (ca. 735-715 v.Chr.), bekend om zijn afgoderij en politiek bondgenootschap met Assyrië. Vader van koning Hizkia. (Hos 1:1)
- Twaalfde koning van Juda, zoon en opvolger van Jotham. Berucht om zijn invoering van heidense cultuselementen en zijn beleid van afhankelijkheid van Assyrië. (2 Kon 16:1)

## Achbor (persoon)

- Hebreeuwse persoonsnaam, dragende de betekenis 'muis'. In Genesis vader van Baäl-hanan, een van de oude koningen van Edom. (Gen 36:38)
- Hofbeambte aan het hof van koning Josia van Juda, zoon van Michaja. Lid van de afvaardiging die door de koning naar de profetes Hulda werd gezonden. (2 Kon 22:12)
- Vader van Elnathan; opmerker bij Jojakim. Jojakim zond Elnathan met mannen om Uria uit Egypte terug te halen. (Jer 26:22)

## Achia (persoon)

- Profeet uit Silo in het bergland van Efraïm ten tijde van Salomo en Jerobeam. Bekend om zijn voorzeggingen over de scheuring van het rijk en het oordeel over Jerobeams huis. (1 Kon 11:29)

## Achiachar (persoon)

- In het apocriefe boek Tobit een neef van Tobit en hoge functionaris aan het Assyrische hof. Bekend uit ook buiten-bijbelse oosterse wijsheidsteksten. (Tob 1:24)

## Achim (persoon)

- Naoorlogse nakomeling van David, alleen bekend uit het Nieuwtestamentische geslachtsregister van Jezus. (Matt 1:14)

## Achimaas (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een hofbeambte aan het hof van koning Salomo. Verantwoordelijk voor de bevoorrading van het hof vanuit een van de twaalf bestuursdistricten. (2 Kron 8:1)

## Achimaäs (persoon)

- Een van de twaalf bestelmeesters van koning Salomo, gehuwd met diens dochter Basmath. Verantwoordelijk voor de bevoorrading van het hof vanuit het stamgebied van Naftali. (1 Kon 4:15)

## Achimelech (persoon)

- Priester te Nob die David hielp tijdens diens vlucht voor Saul. Met de andere priesters van Nob door Saul vermoord. (Num 1:1)
- Hogepriester te Nob ten tijde van Davids vlucht voor Saul. Werd met zijn medepriesters door Saul vermoord wegens het verlenen van hulp aan David. (1Sam 21:1)
- Hogepriester te Nob ten tijde van Davids vlucht voor Saul, vader van Abjathar. Werd met de andere priesters van Nob op bevel van Saul vermoord. (1 Kron 24:6)

## Achinoam (persoon)

- Een van de vrouwen van koning David, afkomstig uit Jezreel. Moeder van Davids eerstgeboren zoon Amnon. (2Sam 3:2)

## Achior (persoon)

- In het apocriefe boek Judith een Ammonitische hoofdman in het leger van Holofernes, die hem waarschuwde voor de God van Israël. (Jdt 5:5)

## Achirdonus (persoon)

- Apocriefe naam voor de Assyrische koning Esarhaddon (regeerde 681-669 v.Chr.), zoon en opvolger van Sanherib. (Tob 1:24)

## Achis (persoon)

- Filistijnse koning van Gath, een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen. Bood David tweemaal asiel tijdens diens vlucht voor Saul. (1Sam 21:10)

## Achisar (persoon)

- Hofbeambte aan het hof van koning Salomo, hoofd van het koninklijke huishouden. Verantwoordelijk voor het bestuur van het paleis en de hofhouding. (1 Kon 4:6)

## Achitofel (persoon)

- Hofraadgever van koning David, befaamd om de scherpzinnigheid van zijn raad. Sloot zich aan bij de opstand van Absalom en pleegde zelfmoord toen zijn raad werd verworpen. (2Sam 15:12)
- Davids raadgever die naar Absalom overliep; achtergrond van enkele psalmen. (Ps 55:14)

## Achmetha (plaats)

- Stad in het noordwesten van Iran, oude hoofdstad van Medië, in de Griekse oudheid bekend als Ekbatana. Diende in het Perzische rijk als zomerresidentie van de koning en bewaarplaats van archieven. (Ezra 6:2)

## Achor (plaats)

- Dal in het zuiden van Benjamin, waarvan de naam 'beroering' betekent. Plaats van executie wegens de banzonde; door latere profeten gebruikt als beeld van een 'deur der hoop'. (Joz 7:24)
- Dal in Juda nabij Jericho, plaats van Achans bestraffing tijdens de verovering van Kanaän. De naam betekent 'beroering' of 'verstoring'. (Hos 2:15)

## Achsa (persoon)

- Dochter van Kaleb en vrouw van Othniël, de eerste richter van Israël. Bekend om haar verzoek aan haar vader om waterbronnen bij haar erfdeel. (Ri 1:12)

## achterklap (begrip)

- Kwaadsprekerij achter iemands rug. De psalmist verafschuwt de achterklapper en bidt om bevrijding van lasterende tongen. (Ps 15:3)

## Achzab (begrip)

- Hebreeuws woord dat 'leugen' of 'bedrog' betekent. Soms ook gebruikt als plaatsnaam voor een stadje in de Sjefela. (Zach 5:4)

## Achzib (plaats)

- Stad in het stamgebied van Aser aan de noordwestelijke kust van Kanaän. Werd door Israël niet veroverd en bleef in handen van de Kanaänitische bewoners. (Ri 1:31)
- Plaats in de Sjefela van Juda, op de grens met het Filistijnse gebied. De naam betekent 'leugen' of 'bedrieglijk'. (Mi 1:14)

## Achzif (plaats)

- Stad in het noorden van het beloofde land, in het stamgebied van Aser. Niet door Israël veroverd in de tijd der richteren. (Num 1:1)

## Acrabattane (plaats)

- Streek in zuidelijk Judea (Idumea), in de tweede eeuw v.Chr. toneel van strijd tussen joden en de omliggende heidense volken. (1 Makk 5:3)

## Acram (plaats)

- De Akra — de Seleucidische burcht in Jeruzalem, gelegen ten zuiden van de tempelberg. Gebouwd door Antiochus IV Epifanes in 167 v.Chr. om de stad te beheersen, pas in 141 v.Chr. door Simon de Makkabeeër ingenomen en afgebroken. (1 Mak 1:35)

## acrostichon (liturgie)

- Gedicht waarvan opeenvolgende delen met opvolgende alfabetletters beginnen — kenmerk van diverse psalmen. (Ps 119:1)

## Ada (persoon)

- Vrouwennaam, gedragen door een vrouw van Lamech (de zevende van Kaïn) en door een vrouw van Esau. Betekent 'sieraad' of 'morgenrood'. (Gen 4:19)

## Adalia (persoon)

- Een van de tien zonen van Haman, de Perzische ambtenaar die de uitroeiing van de Joden plande. Werd met zijn broers gedood bij de tegenactie van de Joden. (Esth 9:8)

## Adam (persoon)

- Eerste mens, door God geschapen uit het stof der aarde en geplaatst in de hof van Eden. Stamvader van het hele menselijk geslacht; door zijn val kwam de zonde in de wereld. (Gen 2:19)

## Adama (plaats)

- Een van de vijf steden in de vlakte van de Jordaan, samen met Sodom, Gomorra, Zeboïm en Bela (Zoar) verwoest door Gods oordeel. (Gen 10:19)

## Adar (begrip)

- Twaalfde maand van de joodse kalender (februari-maart). Maand waarin het Purim-feest valt en waarin de tweede tempel werd voltooid. (3 Ezra 7:5)
- Twaalfde maand van de joodse kalender (februari-maart). Maand waarin het Purim-feest valt. (EstAp 10:13)
- Twaalfde en laatste maand van de Joodse kalender (februari-maart). De dertiende dag van Adar is de 'Dag van Nicanor' (overwinning van Judas Makkabeüs in 161 v.Chr.) en de veertiende-vijftiende het feest Purim (Esther). Hebreeuws אֲדָר. (1 Mak 7:43)
- Twaalfde maand van het Joodse jaar, ongeveer overeenkomend met februari-maart. Bekend uit het boek Esther als maand waarin het Purimfeest werd ingesteld. (Neh 6:15)

## Adasa (plaats)

- Plaats ten noorden van Jeruzalem, bekend uit de Makkabese oorlogen waar in 161 v.Chr. de Seleucidische veldheer Nicanor sneuvelde. (1 Makk 7:40)

## Adbeel (persoon)

- Derde zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een noord-Arabische clan. (Gen 25:13)

## adder (voorwerp)

- De adder die in Paulus' hand beet op Malta — zonder schade voor Paulus. (Hand 28:3)

## addersgal (begrip)

- Bijbels beeld voor de bittere en dodelijke gevolgen van zonde of goddeloosheid. Ontleend aan de gif van slangen. (Job 20:14)

## Addo (persoon)

- Spelling voor de profeet Iddo, grootvader van Zacharia. Zelf een profeet en geslachtsnaam in een priesterlijke familie. (Zach 1:1)

## adelaar (begrip)

- Grote roofvogel met een machtige vlucht, in de Bijbel beeld voor kracht, snelheid en zorgzame opvoeding. Beeld voor Gods leiden van Israël uit Egypte. (Dt 32:11)
- Sterke vogel die zijn jeugd vernieuwt; beeld voor verkwikking en kracht. (Ps 103:5)
- Grote roofvogel, in de bijbel beeld van koninklijke kracht en snelle vlucht. In apocalyptische literatuur ook symbool van wereldrijken zoals Rome. (4 Ezra 11:1)

## adelaarsraadsel (uitdrukking)

- Profetische gelijkenis waarin twee grote roofvogels symbool staan voor wereldmachten en hun ingrijpen in Israëls geschiedenis. Onderdeel van de profetische beeldspraak. (Ez 17:3)

## adem (begrip)

- De levensadem die door de neus wordt ingeademd. In de Bijbel ook teken van het door God geschonken leven dat Hij weer terug kan nemen. (Gen 2:7)

## adem aan het beeld (begrip)

- Het tweede beest gaf adem aan het beeld van het beest, zodat het sprak en doodde wie het niet aanbaden. (Op 13:15)

## adem des levens (begrip)

- De goddelijke levensadem die God de mens en het dier in de neus blies, waardoor zij levende wezens werden. Wezenlijk verschil tussen leven en dood. (Gen 2:7)

## ademtocht (begrip)

- Beeld voor de korte duur van het mensenleven. ( — herzieningen). (Ps 39:6)

## Adida (plaats)

- Versterkte plaats in de Sefela (laagland van Judea), gelegen ten westen van Jeruzalem op de weg naar de kust. (1 Makk 12:38)

## Adidis (plaats)

- Andere schrijfwijze voor Adida, versterkte plaats in de Sefela van Judea. (1 Makk 13:13)

## Admah (plaats)

- Een van de steden in de Jordaanvlakte die volgens Genesis samen met Sodom en Gomorra werden verwoest. Symbool van algehele goddelijke verwoesting. (Hos 11:8)

## Adonai (naam)

- Hebreeuws woord voor 'Heer' of 'mijn Heer', gebruikt als eerbiedige aanduiding voor God. Vervangt in het lezen vaak de eigennaam JHWH. (Ps 8:2)

## Adonai JAHWEH (uitdrukking)

- Hebreeuwse godsbenaming die 'Heere HEERE' betekent en in Ezechiël zeer vaak voorkomt. Drukt Gods soevereine majesteit uit. (Ez 2:4)

## Adoni-bezek (persoon)

- Kanaänitische koning die door de stam Juda werd verslagen en wiens duimen en grote tenen werden afgehouwen. Zelf had hij eerder zeventig koningen op gelijke wijze verminkt. (Ri 1:5)

## Adoni-Bezek (gevangenis) (persoon)

- Kanaänitische koning die door Juda werd gevangen genomen en wiens duimen en grote tenen werden afgehouwen. Zelf had hij eerder zeventig koningen op gelijke wijze verminkt. (Joz 1:1)

## Adoni-Zedek (persoon)

- Amoritische koning van Jeruzalem in de tijd van de verovering van Kanaän. Leider van een coalitie van vijf koningen tegen Israël. (Joz 10:1)

## Adonia (persoon)

- Vierde zoon van koning David, geboren in Hebron uit zijn vrouw Haggith. Probeerde zich na Davids dood tot koning te laten uitroepen, maar werd uiteindelijk door Salomo ter dood gebracht. (2Sam 3:4)

## Adora (plaats)

- Stad in Idumea ten zuidwesten van Hebron, in hellenistische tijd belangrijke vesting in het zuiden van Judea. (1 Makk 13:20)

## Adoram (persoon)

- Hofbeambte belast met het toezicht op de schatting of cijnsplichtige arbeid. Bediende dit ambt onder David, Salomo en Rehabeam. (2Sam 20:24)
- Hofbeambte belast met het toezicht op de schatting of cijnsplichtige arbeid. Bediende dit ambt onder David, Salomo en Rehabeam, totdat hij door het volk werd gestenigd. (1 Kon 12:18)

## Adrammelech en Anammelech (begrip)

- Afgoden van de inwoners van Sefarvaim, vereerd door middel van kinderoffers. Werden samen met andere heidense cultusvormen ingevoerd door de gedeporteerde bevolking in Samaria. (2 Kon 17:31)

## Adrammelech, zoon van Sanherib (persoon)

- Een van de zonen van de Assyrische koning Sanherib. Vermoordde samen met zijn broer hun vader in een tempel en vluchtte vervolgens naar het land Ararat. (2 Kon 19:37)

## Adriatische (begrip)

- Adriatische Zee, waar Paulus' schip rondzwalkte vóór de schipbreuk op Malta. (Hand 27:27)

## Adriatische Zee (plaats)

- De zee waarover Paulus' schip werd weggeslingerd in de storm. (Hand 27:27)

## Adullam (plaats)

- Oude Kanaänitische koningsstad in het zuidelijke heuvelland van Juda. In Genesis verbonden aan Juda's vriend Hira; later vluchtoord van David. (Gen 38:1)
- Stad en aangrenzende grottenstreek in het laagland van Juda. Bekend als schuilplaats van David tijdens zijn vlucht voor Saul. (1Sam 22:1)
- Stad in de Sjefela van Juda, bekend om de spelonk waarin David zich verschool voor koning Saul. In de buurt van Hebron gelegen. (Mi 1:15)

## Adullamiet (volk)

- Inwoner van de stad Adullam in het zuidelijke heuvelland van Juda. (Gen 38:1)

## Aeneas (persoon)

- Verlamde te Lydda die Petrus genas met de woorden. (Hand 9:34)

## Aenon (plaats)

- Plaats bij Salim waar Johannes de Doper doopte vanwege de overvloed aan water. Variant van de naam Enon. (Joh 3:23)

## afdelingen der Levieten (begrip)

- Indeling van de Levieten in groepen voor de uiteenlopende tempeldiensten als zang, poortwacht, schatbeheer en bestuur. Eveneens door koning David ingesteld voor het regelmatig functioneren van de eredienst. (1 Kron 23:6)

## afdelingen der priesters (begrip)

- Indeling van de Aäronitische priesters in vierentwintig groepen voor de tempeldienst. Door koning David ingesteld met loting in tegenwoordigheid van de hogepriesters. (1 Kron 24:1)

## Afek (plaats)

- Naam van meerdere plaatsen in Israël, waaronder een stad in de Filistijnse kustvlakte. Toneel van enkele beslissende veldslagen tussen Israël en de Filistijnen. (1Sam 4:1)
- Naam van meerdere plaatsen in Israël, waaronder een stad ten oosten van het meer van Galilea. Toneel van enkele beslissende veldslagen tussen Israël en de Arameeërs. (1 Kon 20:26)

## Aferema (plaats)

- Streek in noordelijk Judea, oorspronkelijk behorend tot Samaria, in de tweede eeuw v.Chr. door de Seleucidische koning aan Judea toegevoegd. (1 Makk 11:34)

## afgehouden van zonde (begrip)

- Daar Christus dan in het vlees voor ons geleden heeft, zo wapent u ook met dezelfde gedachte: wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde. (1 Petr 4:1)

## afgod (begrip)

- Een vreemde god of beeld dat als godheid wordt vereerd, in tegenstelling tot JAHWEH, de enige ware God van Israël. De dienst aan afgoden was een van de zwaarste overtredingen van het verbond. (Joz 24:14)
- Een vals god of beeld dat in plaats van de levende God wordt vereerd. Volgens het Nieuwe Testament heeft een afgod geen werkelijk bestaan, maar de afgodendienst is verbonden met de duivelen. (1 Kor 8:4)
- Door mensenhanden gemaakt beeld dat als god vereerd wordt; in het Nieuwe Testament tegengesteld aan de levende en waarachtige God. (1 Tess 1:9)
- Beeld van een valse god, gemaakt door mensenhanden. In de bijbel scherp afgewezen tegenover de levende God van Israël. (3 Makk 6:5)

## afgoden (begrip)

- Beelden of voorstellingen van valse goden, in de Tora streng verboden. Aanbidding ervan was een ernstige verbreking van het verbond met God. (Ex 20:3)
- Beelden of voorstellingen van valse goden, in de Tora streng verboden. Aanbidding ervan was een ernstige verbreking van het verbond met de Heere. (Num 25:2)
- Valse goden van de omringende volken zoals Baäl, Astarten, Dagon en Chemos, waarvoor Israël zich herhaaldelijk neerboog. Hun verering vormde de hoofdoorzaak van Gods toorn over zijn volk. (Ri 2:11)
- Beelden of voorwerpen die als godheid vereerd worden — leeg en machteloos tegenover JAHWEH. (Ps 96:5)
- Beelden van valse goden, gemaakt door mensenhanden. In de bijbel scherp afgewezen tegenover de levende God van Israël. (Jdt 3:11)
- Beelden of voorstellingen van valse goden die in plaats van de HEERE worden vereerd. Voornaamste vorm van overtreding van het eerste gebod. (Hos 4:17)
- Valse goden of beelden die in plaats van JAHWEH werden vereerd. Hun verering vormde in de Schrift de zwaarste overtreding van het verbond en de belangrijkste oorzaak van Gods toorn. (2 Kron 14:3)

## afgoden wachten (begrip)

- Kinderkens, wacht uzelf van de afgoden — slotwoord van de brief, oproep tot trouw aan de waarachtige God. (1 Joh 5:21)

## afgodendienst (wet)

- De aanbidding van valse goden of gemaakte beelden. In de Tora streng verboden als zwaarste verbreking van het verbond met God. (Dt 4:16)
- Verering van afgoden of valse goden in plaats van de enige levende God. In het Nieuwe Testament radicaal verworpen als gemeenschap met duivelen. (1 Kor 10:14)
- De vereering van afgoden in plaats van de levende God. In de bijbel scherp afgewezen door het tweede gebod en door de profeten. (1 Makk 1:43)

## afgodenoffer (begrip)

- Vlees dat aan een afgod was geofferd en daarna op markten of in tempels werd gegeten. Voor de jonge gemeente een gewetensvraag over vrijheid en liefde. (1 Kor 8:1)

## afgoderij (begrip)

- De verering van valse goden of afgodsbeelden. In de Tora streng verboden als zwaarste verbreking van het verbond met God. (Gen 31:19)
- Het dienen of aanbidden van iets of iemand anders dan de ware God. (Joh 4:22)
- De godsdienstige vereering van valse goden of beelden in plaats van JAHWEH. In de Schrift de zwaarste overtreding van het verbond, die voortdurend met Gods toorn wordt verbonden. (1 Kon 11:5)

## afgodspriesters (begrip)

- Niet-Levietische priesters die door koningen werden aangesteld voor de dienst van afgoden of voor onwettige altaren. Hun aanstelling vormde een breuk met de priesterordening van Mozes. (1 Kon 12:31)

## afgrond (natuur)

- De oerwateren die aan het begin van de schepping de aarde bedekten, en de onderaardse wateren. In de Bijbel ook beeld van het rijk der doden. (Gen 1:2)
- Diepe wateren of doodsdiepte. (Ps 42:8)
- Plaats van opsluiting voor demonische machten en gevallen geesten. (Openb 11:7)
- De diepte van de zee of van de oerwateren onder de aarde. In bijbels spraakgebruik beeld voor het ondoorgrondelijke en onbeheerste, dat door God bedwongen wordt. (Geb. Man. 1:3)
- Diepte; voor de afgronden was Wijsheid reeds geboren. (Spr 8:24)
- Diepe peilloze ruimte, in de Bijbel beeld van het dodenrijk, de chaoswateren of de plaats van demonische macht. Tegenovergesteld aan de bewoonde wereld. (Zach 5:8)

## afgrondelijke wateren (begrip)

- Diepten van het oerwater; beeld voor doodsdiepte. (Ps 42:8)

## afgunst (begrip)

- IJverzucht; verteert de mens. (Spr 14:30)

## afhoereren (begrip)

- Profetisch beeld voor het verlaten van de HEERE en het zich richten op afgoden. Schending van de huwelijksverhouding tussen God en zijn volk. (Hos 4:12)

## Afkerigheid Israël (uitdrukking)

- Naam die God geeft aan het tienstammenrijk; ondanks haar 'afkerigheid' (afdwaling) werd zij door haar zuster Juda nog overtroffen in trouwbreuk. (Jer 3:6)

## afkering (begrip)

- Het zich afwenden van God en zijn geboden. In de profetische taal de wortel van Israëls verbondsbreuk en aanleiding tot Gods oordeel. (Mal 3:7)

## afscheiders (begrip)

- Dezen zijn het, die zichzelf afscheiden, natuurlijke mensen, de Geest niet hebbende — kerkscheurders door eigen wil. (Jud 1:19)

## afschijnsel (begrip)

- De Zoon is het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid. (Hebr 1:3)
- Weerspiegeling of weerschijn van een lichtbron. In de bijbel beeld voor wat Gods heerlijkheid op directe wijze uitstraalt. (Wijsh 7:26)

## afsnijden (begrip)

- Het uitroeien of definitief verwijderen van een persoon, geslacht of stam uit het volk. In de richterentijd dreigde dit lot in een burgeroorlog over de stam Benjamin. (Ri 21:6)

## afval (begrip)

- Het weglopen van God. Vaak in de geschiedpsalmen besproken. (Ps 78:41)
- Massale geloofsafval als kenmerk van de eindtijd, voorafgaand aan de openbaring van de mens der zonde. (2 Tess 2:3)
- Het afvallen van het ware geloof in Christus, dat in de eindtijd toeneemt. (Hebr 6:6)

## afval van de waarheid (begrip)

- Indien iemand afgedwaald is van de waarheid — Jakobus eindigt met een oproep tot reddend pastoraat van de afdwalende. (Jak 5:19)

## afval van het geloof (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (1 Tim 4:1)

## afvallig (begrip)

- Iemand die het verbond met God of de gehoorzaamheid aan een wettelijk gezag verlaat. In de bijbel zware aanduiding van ontrouw. (3 Ezra 2:18)
- Iemand die het verbond met God en de gehoorzaamheid aan zijn wet verlaat. In de bijbel zware aanduiding van geestelijke ontrouw. (3 Makk 1:4)

## afvalligen (begrip)

- Aanduiding voor wie zich van God en zijn verbond hebben afgekeerd. In de bijbel vaak gebruikt voor afvallige Israëlieten of vijandige volken. (Geb. Az. 1:32)

## afzondering (begrip)

- Geestelijke afzondering van de wereld en de afgoden. Door God geboden tot heiliging. (2 Kor 6:17)

## afzondering van ongeregelden (begrip)

- Apostolische tuchtmaatregel waarbij gelovigen zich afzonderen van broeders die ordeloos en ledig leven. (2 Th 3:6)

## Agabus (persoon)

- Profeet die door de Geest een hongersnood en Paulus' gevangenschap voorzegde. (Hand 11:28)

## Agag (persoon)

- Koning van de Amalekieten ten tijde van Saul. Door God ten ondergang gewijd, maar door Saul gespaard, wat tot Sauls verwerping leidde. (1Sam 15:8)

## Agagiet (begrip)

- Aanduiding voor een afstammeling of geestesverwant van Agag, de koning der Amalekieten. In het boek Esther toegepast op Haman als symbolische verbinding met de oude erfvijand van Israël. (Esth 3:1)

## agape (begrip)

- Goddelijke, zelfgevende liefde, het hoogste van de christelijke deugden. Onderscheiden van eros en philia als de liefde die haar oorsprong in God Zelf heeft. (1 Kor 13:1)

## Agrippa (persoon)

- Koning Herodes Agrippa II, voor wie Paulus zijn verdediging hield. (Hand 25:13)

## Agrippa II (persoon)

- De koning voor wie Paulus zijn verdediging hield in Cesarea; bekend met de Joodse zaken. (Hand 25:13)

## Agur (persoon)

- Hebr. אָגוּר — wijze die de spreuken van sprak; 'de zoon van Jake'. Zijn woorden bevatten zelfkennis en getallenraadsels. (Spr 30:1)

## Aha aha! (uitdrukking)

- Bijbelse spotkreet waarmee buurvolken hun leedvermaak uitten over de val van een vijand. Onderdeel van de profetische klacht. (Ez 25:3)

## Ahab en Zedekia (uitdrukking)

- Twee valse profeten in Babel die de ballingen tot opstand opriepen; God liet hen door Nebukadnezar in vuur braden — gevleugelde uitdrukking onder de ballingen. (Jer 29:21)

## Ahasveros (persoon)

- Naam van een of meer Perzische koningen, traditioneel geïdentificeerd met Xerxes I (vijfde eeuw v. Chr.). Bekend uit het boek Esther als gemaal van Esther. (Ezra 4:6)
- Naam van een of meer Perzische koningen, traditioneel geïdentificeerd met Xerxes I (vijfde eeuw v. Chr.). Heerste over een groot rijk dat van India tot Cusch (Ethiopië) reikte. (Esth 1:1)

## Ahazia (persoon)

- Zesde koning van Juda, zoon van Joram en kleinzoon van koning Achab via zijn moeder Athalja. Regeerde slechts één jaar en kwam om in de slachting die Jehu onder het huis van Achab aanrichtte. (2 Kron 22:1)

## Ahazia, zoon van Achab (persoon)

- Achtste koning van het noordelijke rijk Israël, zoon en opvolger van Achab en Izebel. Regeerde slechts kort en zette de Baälsdienst van zijn ouders voort. (1 Kon 22:51)

## Ahazia, zoon van Joram (persoon)

- Zesde koning van Juda, kleinzoon van koning Achab via zijn moeder Athalja. Regeerde slechts één jaar en kwam om in de slachting die Jehu onder het huis van Achab aanrichtte. (2 Kon 8:25)

## Ahijah, schrijver van Salomo (persoon)

- Een van de koninklijke schrijvers aan het hof van koning Salomo. Niet te verwarren met de gelijknamige profeet uit Silo. (1 Kon 4:3)

## Ahijah, zoon van Sisa (persoon)

- Hofbeambte aan het hof van koning Salomo, een van de koninklijke schrijvers. Verantwoordelijk voor de officiële correspondentie en archieven van het koninkrijk. (1 Kon 4:3)

## Ahikam (persoon)

- Hofbeambte aan het hof van koning Josia van Juda, zoon van de schrijver Safan. Bekend om zijn bescherming van de profeet Jeremia tegen vervolging. (2 Kon 22:12)
- Zoon van Safan; beschermde Jeremia tegen het volk dat hem wilde doden na zijn tempel-rede. Vader van Gedalja. (Jer 26:24)

## Ahimot (persoon)

- Voorouder in de geslachtslijn van de zanger Heman, behorend tot de Kahatieten in de stam Levi. Komt voor in de uitvoerige geslachtsregisters van de Levieten. (1 Kron 6:25)

## Ahimélech (persoon)

- Voorzanger of priester met wie David te maken kreeg. (Ps 7:1)

## Aholiab (persoon)

- Zoon van Achisamach uit de stam Dan. Samen met Bezáleël door God begaafd voor het kunstvaardige werk aan de tabernakel. (Ex 31:6)

## Aholibama (persoon)

- Een van Esaus vrouwen, dochter van Ana en kleindochter van Zibeon de Heviet. Moeder van drie zonen die hoofden van Edomitische clans werden. (Gen 36:2)

## Aholibama (vorst) (persoon)

- Naam van een Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:41)

## Ahuzzat (persoon)

- Vriend en raadsman van koning Abimelech van Gerar, die hem vergezelde bij het sluiten van het verbond met Izak. (Gen 26:26)

## Ai (plaats)

- Oude Kanaänitische stad ten oosten van Bethel, vlakbij de plek waar Abraham een altaar bouwde. Later door Jozua veroverd na een eerste nederlaag. (Gen 12:8)
- Kanaänitische stad ten oosten van Bethel in het centrale bergland. Tweede stad die Israël onder Jozua veroverde, na een aanvankelijke nederlaag wegens de banzonde van Achan. (Joz 7:2)

## Aijalon (plaats)

- Stad en dal in het stamgebied van Dan op de grens met de kustvlakte. Bekend uit het wonder onder Jozua waarbij de maan stilstond boven het dal van Ajalon. (Ri 1:35)

## Aijeleth Hassjachar (liturgie)

- Vermoedelijk de melodie waarop de psalm gezongen werd. (Ps 22:1)

## Ain (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:17)

## Aja (persoon)

- Zoon van Zibeon de Heviet, in het geslachtsregister van Seïr de Horiet genoemd. (Gen 36:24)

## Akan (persoon)

- Zoon van Ezer en kleinzoon van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:27)
- Edomitisch geslacht uit het bergland van Seïr, afstammend van een nakomeling van Esau. Genoemd in geslachtenlijsten als grenspunt van het zuidelijk gebied. (Ri 1:36)
- Naam die in de Schrift niet vaak voorkomt; vergelijkbaar met de Anakim, het reuzenvolk uit het bergland. In de richterentijd worden enkele restanten van dit volk vermeld. (Ri 1:20)

## Akeldama (plaats)

- Het dat Judas Iskariot voor zijn loon kocht en waar hij omkwam. (Hand 1:19)

## akker (begrip)

- Bewerkt stuk landbouwgrond, in het Oude Nabije Oosten meestal voor graanteelt. In gelijkenissen vaak beeld van de wereld of van het mensenhart. (Matt 13:38)

## Akko (plaats)

- Havenstad in het stamgebied van Aser aan de noordwestelijke kust van Kanaän. Werd door Israël niet veroverd en bleef in handen van de Kanaänitische bewoners. (Ri 1:31)

## Akra (begrip)

- Seleucidische burcht in Jeruzalem, gebouwd na 167 v.Chr. ter beheersing van de stad en de tempel. In de Hasmonese tijd een doorn in het oog van de vromen. (2 Makk 4:12)

## Akub (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een Levitische poortwachter in de naballingschapse tempel. Behoorde tot de geslachten die uit Babel waren teruggekeerd. (Neh 7:45)

## al de dagen mijns strijds (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het hele leven dat als een gestreden levensloop wordt gezien. Onderdeel van het bijbelse mensbeeld. (Job 14:14)

## al-bewerkster (begrip)

- Aanduiding voor de gepersonifieerde Wijsheid die volgens het apocriefe Wijsheid van Salomo bij God de schepping van alle dingen tot stand bracht. (Wijsh 7:12)

## Alamoth (liturgie)

- Muziekterm in opschrift; mogelijk (sopraanstemmen). (Ps 46:1)

## alarm (begrip)

- Waarschuwingssignaal dat in de oude wereld vooral werd gegeven door bazuingeschal of geroep. Vorm van noodoproep bij oorlog of gevaar. (Zach 14:20)

## albasten fles (voorwerp)

- Gesloten flesje van witte, doorschijnende albasten steen, in de oudheid gebruikt voor kostbare zalven en parfums. Meestal aan de hals geopend door de top af te breken. (Mark 14:3)

## Alcimus (persoon)

- Hellenistisch gezinde joodse hogepriester (regeerde 162-159 v.Chr.), aangesteld door Demetrius I. Tegenstander van Judas Makkabeüs. (1 Makk 7:5)

## aldaar (begrip)

- Verouderd bijwoord voor 'daar' of 'op die plaats'. Komt veelvuldig voor in de Statenvertaling. (Gen 2:8)

## Aleluja (begrip)

- Hebreeuwse aanroeping die 'Looft de Heere' betekent. Komt vooral voor als liturgische uitroep in de psalmen. (Lev 1:1)

## Aleme (plaats)

- Plaats in Galaäditis (het gebied ten oosten van de Jordaan), genoemd onder de versterkte steden waar joodse inwoners gevangen werden gehouden. (1 Makk 5:26)

## Aleph (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:1)

## Alexander (persoon)

- Zoon van Simon van Cyrene, kennelijk bekend bij de eerste lezers van het Markusevangelie. Verder onbekend. (Mark 15:21)
- Een Jood te Efeze die door de menigte vooruitgestoten werd om iets te zeggen tijdens het oproer. (Hand 19:33)
- Een van de twee aan satan overgeleverde dwaalleraars. (1 Tim 1:20)
- Koperslager die Paulus veel kwaad heeft gedaan. (2 Tim 4:14)

## Alexander Balas (persoon)

- Seleucidisch koning (regeerde 150-145 v.Chr.) die zich uitgaf voor zoon van Antiochus IV. Bondgenoot van de joden onder Jonatan Makkabeüs. (1 Makk 10:1)

## Alexander de Grote (persoon)

- Macedonische koning (regeerde 336-323 v.Chr.). Stichter van een wereldrijk dat het Perzische rijk omverwierp en de hellenistische tijd inluidde. (1 Makk 1:1)

## Alexandrijn (volk)

- Joden uit Alexandrië; Apollos kwam vandaar. (Hand 27:6)

## alexandrijnse joods (begrip)

- Joodse cultuur en literatuur die in het hellenistische Alexandrië bloeide en die het hellenistische Grieks en de Griekse filosofie verbond met joodse traditie. (Wijsh 7:22)

## Alexandrië (plaats)

- Hoofdstad van het Ptolemaeïsche Egypte, gesticht in 332 v.Chr. door Alexander de Grote. Belangrijk centrum van Griekse cultuur en grote joodse diaspora. (3 Makk 3:1)

## Alfa (begrip)

- Eerste letter van het Griekse alfabet; samen met omega titel van God en Christus als begin en einde. (Openb 1:8)

## Alfa en Omega (begrip)

- Eerste en laatste letter van het Griekse alfabet; titel van God en Christus als begin en einde van alle dingen. (Op 1:8)

## alfabetisch (liturgie)

- Acrostichische opzet: elke strofe of vers begint met een opvolgende letter van het Hebreeuwse alfabet. (Ps 119:1)

## alfabetisch lied (begrip)

- Hebreeuws gedicht waarin de versregels in alfabetische volgorde beginnen. Bekend uit Psalm 119, Klaagliederen en het slot van Sirach 51. (Sir 51:13)

## Alfeüs (persoon)

- Vader van de apostel Jakobus de Mindere. Mogelijk dezelfde als de vader van de tollenaar Levi (Mattheus). (Matt 10:3)

## alle aanneming (begrip)

- Formuleformule voor zekere belijdenis. (1 Tim 1:15)

## alle dagen mijns levens (begrip)

- Volkomen toewijding voor heel het leven. (Ps 23:6)

## alle dingen blijven (begrip)

- Spotters zeggen: alle dingen blijven gelijk zij geweest zijn van het begin der schepping — ontkenning van Gods ingrijpen. (2 Petr 3:4)

## alle dingen door Hem (begrip)

- Kosmische focus op Christus. (Kol 1:16)

## alle dingen vervullen (begrip)

- Kosmische rol van Christus. (Ef 4:10)

## alle dingen weten (begrip)

- U hebt de zalving van de Heilige en u weet alle dingen — geestelijk onderscheidingsvermogen door de Geest. (1 Joh 2:20)

## alle gebed (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het gebed. (Ef 6:18)

## alle gezag bestraffen (begrip)

- Het uitoefenen van het pastorale ambt door met volledige ernst en gezag te vermanen en terecht te wijzen. (Tit 2:15)

## alle heiligen (begrip)

- Aanduiding voor alle gelovigen die met Christus uit de hemel komen bij Zijn wederkomst. (1 Th 3:13)

## alle in allen (begrip)

- Vrede tussen Jood en heiden in Christus. (Kol 3:11)

## alle mensen verschenen (begrip)

- Aanduiding voor de universele draagwijdte van Gods heilsopenbaring in Christus, die niet beperkt is tot een enkel volk. (Tit 2:11)

## alle naarstigheid (begrip)

- Geliefden, alle naarstigheid doende om u te schrijven van de gemene zaligheid, ben ik genoodzaakt geweest u te schrijven en te vermanen. (Jud 1:3)

## alle onderzee (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor het catastrofale verlies van handel en welvaart bij de val van een handelsstad. Onderdeel van de profetische klacht. (Ez 27:34)

## alle ongerechtigheid is zonde (begrip)

- Alle ongerechtigheid is zonde; en er is een zonde niet tot de dood — God maakt onderscheid in de uitwerking van zonde. (1 Joh 5:17)

## alle schijn van kwaad (begrip)

- Apostolische vermaning om zich verre te houden van alles wat ook maar de schijn van het kwade heeft. (1 Th 5:22)

## alle vaderschap (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Ef 3:15)

## alle verstand te boven (begrip)

- Eigenschap van Gods vrede: hij gaat. (Fil 4:7)

## alle vlees (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor alle levende mensen of (in ruimere zin) alle levende wezens. Beklemtoont de gemeenschappelijke sterfelijkheid. (Sir 18:13)

## alle wijsheid is van de Heere (begrip)

- Bijbels grondbegrip dat alle ware wijsheid haar oorsprong en bron heeft in God en niet in de mens. (Sir 1:1)

## alleen wijze God (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (1 Tim 1:17)
- De alleen wijze God onze Zaligmaker zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht — afsluitende doxologie van de brief. (Jud 1:25)

## allerheiligst geloof (begrip)

- Het allerheiligst geloof — de leer van de apostelen, fundament voor christelijke opbouw en gebed. (Jud 1:20)

## Allerheiligste (begrip)

- Het achterste, kubusvormige deel van de tabernakel en de tempel waar de ark des verbonds stond. Slechts eenmaal per jaar mocht de hogepriester er binnentreden, op de Grote Verzoendag. (1 Kon 6:16)

## Allerhoogste (begrip)

- Eretitel van God die Zijn soevereiniteit boven hemel en aarde uitdrukt. Hebreeuws Eljon, voor het eerst in de mond van Melchizedek. (Gen 14:18)
- Godsnaam (Eljon) die Gods verhevenheid boven alle goden en machten uitdrukt. (Ps 7:18)
- Gabriëls aankondiging aan Maria. (Luk 1:32)
- Bijbelse Godsnaam (Hebreeuws Eljon, Grieks Hypsistos) die Gods verhevenheid boven alle goden en machten uitdrukt. (4 Ezra 4:34)

## alles beproeven (begrip)

- Apostolische vermaning om alles te onderzoeken en te toetsen, en alleen het goede te behouden. (1 Th 5:21)

## alles gemeen (begrip)

- De eerste gemeente had alle dingen gemeen; geen behoeftigen onder hen. (Hand 4:32)

## alles onder de voeten (begrip)

- Christus' heerschappij. (Ef 1:22)

## alles rein voor reinen (begrip)

- Beginsel uit de pastorale brieven dat innerlijke reinheid van het hart bepalend is voor de morele waardering van uiterlijke zaken. (Tit 1:15)

## alles vergaat (begrip)

- Daar deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort u te zijn in heilige wandel en godzaligheid? (2 Petr 3:11)

## alles vervullen (begrip)

- Christus' kosmische verhoging. (Ef 4:10)

## Allon-bachuth (plaats)

- Naam van een eik bij Bethel, betekenend 'eik van het geween'. Daaronder werd Debora, de voedster van Rebekka, begraven. (Gen 35:8)

## almacht (begrip)

- Eigenschap van God dat hij alle macht bezit en alles vermag wat hij wil. Vertaling van Hebreeuws Sjaddai en Grieks Pantokrator. (Wijsh 11:21)

## almachtig (begrip)

- Eigenschap van God die uitdrukt dat hij alle macht bezit en alles vermag. Vertaling van Hebreeuws Sjaddai en Grieks Pantokrator. (3 Makk 2:2)
- Eigenschap van God dat Hij over alle macht beschikt en niets buiten zijn vermogen ligt. Vaak uitgedrukt door de naam HEERE der heirscharen. (Zach 1:3)

## almachtig Woord (begrip)

- In de hellenistisch-joodse literatuur de gepersonifieerde Logos of het scheppende Woord van God, in vroegchristelijke uitleg verbonden met de Zoon. (Wijsh 18:15)

## Almachtige (begrip)

- Vertaling van het Hebreeuwse El Sjaddai. Godsnaam die Gods alomvattende macht uitdrukt en waaronder Hij Zich vooral aan de aartsvaders openbaarde. (Gen 17:1)
- Godsnaam (Hebreeuws Sjaddai) die de almacht en oppermacht van JAHWEH benadrukt. Gebruikt in vooral de patriarchale geschiedenis en in poëtische teksten. (Ruth 1:20)
- Godsnaam (Sjaddai) die Zijn alvermogen aanduidt. (Ps 91:1)
- De Pantokrator — God de Almachtige, vaak in Openbaring genoemd, vooral in de hemelse loftuitingen. (Op 1:8)
- Godsnaam die uitdrukt dat God alle macht bezit en alles vermag. Vertaling van Hebreeuws Sjaddai en Grieks Pantokrator. (Geb. Man. 1:1)
- Hebreeuws Sjaddai, een van de oudste godsnamen in de Bijbel. Drukt Gods overweldigende macht en heerschappij uit en is verbonden met de patriarchentijd. (Job 5:17)

## Almachtige Heere (begrip)

- Aanroeping van JHWH als degene die alle macht bezit en alles vermag. Vertaling van Hebreeuws JHWH Sjaddai of Grieks Kyrios Pantokrator. (Bar 3:1)

## Almodad (persoon)

- Eerste zoon van Joktan, een nakomeling van Sem. Stamvader van een zuid-Arabische stam. (Gen 10:26)

## almuggehout (begrip)

- Zeldzaam en kostbaar hout uit Ofir, mogelijk te identificeren met sandel- of rozenhout. Werd in de tempel en het paleis gebruikt voor decoratieve elementen en muziekinstrumenten. (1 Kon 10:11)

## aloë (natuur)

- Een geurige plant waarvan de hars werd gebruikt bij het begraven van doden. Nicodemus bracht mirre en aloë voor Jezus' begrafenis. (Joh 19:39)

## als goud uitkomen (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de loutering van een mens door beproeving zoals goud in het vuur wordt gezuiverd. Klassieke uitdrukking in wijsheidsliteratuur. (Job 23:10)

## alsem (begrip)

- De ster Alsem, die uit de hemel viel en het derde deel der wateren bitter maakte. (Op 8:11)
- Bittere plant; einde van de vreemde vrouw 'is bitter als alsem'. (Spr 5:4)
- Bittersmakende plant (Artemisia) die in de Bijbel symbool staat voor bitterheid, ellende en Gods oordeel. Vaak verbonden met de beker des toorns. (Na 3:11)

## altaar (begrip)

- Verhoging waarop offers worden gebracht; in tabernakel en tempel het brandofferaltaar en het reukofferaltaar. (Gen 8:20)

## altaar bij de Jordaan (cultisch)

- Altaar dat de oostelijke stammen Ruben, Gad en halve Manasse oprichtten als getuige van hun eenheid met de westelijke stammen. Aanvankelijk wekte het verdenking van afval, maar werd later met vreugde aanvaard. (Joz 22:10)

## altaar te Bet-El (begrip)

- Onwettig altaar dat door Jerobeam werd opgericht voor het gouden kalf in Bet-El. Vormde het centrum van de noordelijke tegen-eredienst, waaraan latere generaties profetisch oordeel verbonden. (1 Kon 13:2)

## altaar te Ebal (cultisch)

- Onbehouwen-stenen altaar dat Jozua op de berg Ebal bouwde voor brand- en dankoffers. Vervulling van Mozes' voorschrift om bij intocht in het land het verbond te bevestigen. (Joz 8:31)

## altaar van Bethel (plaats)

- Centraal afgodisch heiligdom van het noordelijk rijk Israël, gebouwd door koning Jerobeam I bij de gouden kalverdienst. Lag op de grens met Juda. (Am 3:14)

## altaar van inwijding (uitdrukking)

- Plechtige inwijdingsritueel van het altaar door zond- en brandoffers gedurende zeven dagen. Onderdeel van de oudtestamentische priestervoorschriften. (Ez 43:25)

## altaaroffer (begrip)

- Brandoffer dat op het altaar werd gelegd. (Ps 20:4)

## altaarplaats (begrip)

- De plek waar een altaar werd opgericht voor het brengen van offers aan God. Vaak gelegen op een berg of bij een godsverschijning. (Gen 12:7)

## altijd met de Heere (begrip)

- Eschatologische heilstoestand waarin de gelovigen blijvend in gemeenschap met Christus zullen zijn. (1 Th 4:17)

## altijd verblijden (begrip)

- Apostolische vermaning tot blijvende geestelijke vreugde, ook onder beproeving. (1 Th 5:16)

## Alva (persoon)

- Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:40)

## Alvan (persoon)

- Zoon van Sobal en kleinzoon van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:23)

## alwetendheid (begrip)

- Gods volledige kennis van alles. (Ps 139:4)

## alzo (begrip)

- Verouderd bijwoord voor 'zo' of 'op die manier'. Vaste formule in het scheppingsverhaal: 'en het was alzo'. (Gen 1:7)

## alzo lief (begrip)

- Kern van het evangelie. (Joh 3:16)

## alzo zal Hij wederkomen (begrip)

- Belofte van de twee engelen. (Hand 1:11)

## Amalek (persoon)

- Zoon van Elifaz en kleinzoon van Esau. Stamvader van het volk der Amalekieten dat in de zuidelijke woestijn woonde. (Gen 36:12)
- Nomadisch volk in de zuidelijke woestijn, afstammend van Esau. Aartsvijand van Israël sinds de aanval bij Refidim tijdens de uittocht. (Ex 17:8)
- Nomadisch volk in de zuidelijke woestijn, afstammelingen van Esau. Eeuwige vijand van Israël sinds de aanval bij Refidim in de woestijn. (Num 14:45)
- Nomadenvolk in het zuiden, afstammend van een kleinzoon van Esau. Erfvijand van Israël sinds de uittocht; trad samen met Midian op tegen Israël in de richterentijd. (Ri 6:3)
- Nomadenvolk in het zuiden, afstammend van een kleinzoon van Esau. Erfvijand van Israël, door God ten ondergang gewijd vanwege hun aanslag op Israël tijdens de woestijnreis. (1Sam 15:3)
- Volk dat Israël in de woestijn aanviel onder de samenzweerders tegen Israël. (Ps 83:8)
- Nomadenvolk in het zuiden, afstammend van een kleinzoon van Esau. Erfvijand van Israël sinds de uittocht en door God ten ondergang gewijd vanwege hun aanslag op Israël tijdens de woestijnreis. (Esth 3:1)

## Amalekiet (persoon)

- Lid van het volk Amalek, nomadische erfvijand van Israël afkomstig uit het zuiden. Door God ten ondergang gewijd vanwege hun aanslag op Israël tijdens de woestijnreis. (2Sam 1:8)

## Amalekieten (volk)

- Nomadisch volk in de zuidelijke woestijn, afstammend van Amalek. Aartsvijand van Israël sinds de uittocht. (Gen 14:7)

## Amana (plaats)

- Naam van een berg in het noorden van Kanaän, mogelijk een uitloper van de Libanon of de Anti-Libanon. Wordt in de Schrift samen met Senir en Hermon genoemd. (1 Kon 4:33)

## amandelen (natuur)

- Vrucht van de amandelboom. Geliefde noten in het Oosten en gangbaar geschenk in handelsreizen. (Gen 43:11)

## amandeltak (uitdrukking)

- Hebr. שָׁקֵד (shaqed) — Jeremia ziet in zijn eerste visioen een amandelroede. God zegt. (Jer 1:11)

## Amaria (persoon)

- Persoonsnaam die 'de HEERE heeft gezegd' betekent. In de Bijbel gedragen door verschillende priesters en voorvaderen. (Zef 1:1)

## Amarja (persoon)

- Hogepriester ten tijde van koning Josafat van Juda. Belast met de leiding van de godsdienstige rechtsbedeling in Jeruzalem. (2 Kron 19:11)

## Amasa (persoon)

- Neef van David en legeroverste onder Absalom tijdens diens opstand. Werd na de opstand door David in plaats van Joab tot legerhoofd benoemd, maar door Joab op verraderlijke wijze gedood. (2Sam 17:25)

## Amasia (persoon)

- Negende koning van Juda, zoon en opvolger van Joas. Bekend om zijn overwinning op de Edomieten en zijn nederlaag tegen het noordelijke rijk Israël. (2 Kron 25:1)

## Amazia (persoon)

- Priester van het afgodisch heiligdom te Bethel ten tijde van de profeet Amos. Trachtte Amos het profeteren te beletten. (Am 7:10)
- Negende koning van Juda, zoon en opvolger van Joas. Bekend om zijn overwinning op de Edomieten en zijn nederlaag tegen het noordelijke rijk Israël. (2 Kon 14:1)

## ambassadeur (begrip)

- Gezant of vertegenwoordiger; titel van de apostel als gezant van Christus. Roept op tot verzoening met God. (2 Kor 5:20)

## Ambri (volk)

- Stam of kinderen van Ambri — Arabische rovers in Trans-Jordanië. In 1 Mak 9:36-42 vermoorden zij Johannes (broer van Judas Makkabeüs); Jonathan en Simon nemen wraak tijdens een huwelijksstoet bij Madaba. (1 Mak 9:36)

## ambten (begrip)

- Apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars — door Christus aan de gemeente gegeven. (Ef 4:11)

## amen (begrip)

- Hebreeuws bevestigingswoord met de betekenis 'het zij zo' of 'voorwaar'. Sluit gebeden, lofzangen en doxologieën af. (Ps 41:14)
- Een Hebreeuws woord dat of betekent. Jezus gebruikt het dubbel: (letterlijk:). (Joh 1:52)
- Hebreeuws woord voor 'het is zeker' of 'zo zij het'. Bevestiging van Gods beloften die in Christus alle ja en amen zijn. (2 Kor 1:20)
- Hebreeuws woord van bevestiging, betekent 'het zij zo' of 'voorwaar'; gebruikt aan het einde van gebeden, doxologieen en brieven. (Flm 1:25)
- Hebreeuws woord voor 'het is waar, het zij zo'; tevens naam van Christus als de getrouwe en waarachtige Getuige. (Openb 1:6)

## Amestris (persoon)

- Vrouw van de Perzische koning Xerxes I volgens Griekse historische bronnen. In de joodse traditie soms vereenzelvigd met Vasti of Esther. (Esth 1:9)

## Amitthai (persoon)

- Persoonsnaam die 'mijn trouw' of 'waarachtig' betekent. Vader van de profeet Jona en zelf alleen door deze afstamming bekend. (Jon 1:1)

## Ammedatha (persoon)

- Vader van Haman, de tegenstander van Mordechai en Esther in het bijbelboek Esther. (EstAp 12:6)

## Ammon (volk)

- Volk ten oosten van de Jordaan, afstammelingen van Lot. Bleef nauw verwant aan Israël maar viel het herhaaldelijk vijandig aan in latere eeuwen. (Num 21:24)
- Volk ten oosten van de Jordaan, afstammelingen van Lot. Land dat aan Lots zonen was gegeven en daarom door Israël ongemoeid gelaten moest worden. (Dt 2:19)
- Volk ten oosten van de Jordaan, afstammelingen van Lot via zijn jongste dochter. Hun gebied werd door Israël ontzien omdat het hun aan Lots nakomelingen was geschonken. (Joz 13:25)
- Volk ten oosten van de Jordaan, afstammend van Lots jongste dochter. Verdrukten Israël meermalen, met name in het Overjordaanse gebied. (2Sam 10:1)
- Volk en land ten oosten van de Jordaan, afstammelingen van Lot. Geregeld vijand van Israël. (Ps 83:8)
- Volk en land ten oosten van de Jordaan, ten noorden van Moab. Afstammend van Lot en frequente vijand van Israël. (Am 1:13)

## Ammoniet (begrip)

- Lid van het volk Ammon, dat ten oosten van de Jordaan woonde. Afstammelingen van Lots jongste dochter, voortdurend in conflict met Israël over grenzen en vereerders van de afgod Milcom. (1 Kon 11:1)
- Lid van het volk Ammon, dat ten oosten van de Jordaan woonde. Afstammelingen van Lots jongste dochter, voortdurend in conflict met Israël over grenzen. (2 Kron 20:1)

## Ammonieten (volk)

- Volk ten oosten van de Jordaan, afstammelingen van Ben-Ammi, de jongste zoon van Lot. Bleven nauw verwant aan Israël maar vaak vijandig. (Gen 19:38)
- Volk ten oosten van de Jordaan, afstammend van Lots jongste dochter. Verdrukten Israël meermalen, met name in het Overjordaanse gebied. (Ri 10:7)
- Volk ten oosten van de Jordaan, nakomelingen van Lot. Vaak in conflict met Israël gedurende de oudtestamentische geschiedenis. (Jdt 5:2)

## ammoniethoorde (begrip)

- Aanduiding voor de jaarlijkse schattingbetaling die de Ammonieten aan koning Jotham van Juda moesten leveren. Bestond uit zilver, tarwe en gerst in vaste hoeveelheden. (2 Kron 27:5)

## Ammonitis (plaats)

- Het gebied van de Ammonieten, ten oosten van de Jordaan; in hellenistische tijd onder Seleucidische heerschappij. (2 Makk 4:26)

## Amnon (persoon)

- Eerstgeboren zoon van koning David bij zijn vrouw Achinoam. Beruchte verkrachter van zijn halfzuster Tamar, twee jaar later op bevel van haar broer Absalom vermoord. (2Sam 13:1)

## Amon (persoon)

- Koning van Juda (ca. 642-640 v.Chr.), zoon van Manasse en vader van Josia. Vermoord door zijn dienaren na een korte regering. (Matt 1:10)
- Koning van Juda (642-640 v.Chr.), zoon van Manasse en vader van Josia. Volgde de afgodendienst van zijn vader en werd na een korte regering vermoord. (Zef 1:1)
- Vijftiende koning van Juda, zoon en opvolger van Manasse. Regeerde slechts twee jaar en werd door zijn eigen hovelingen vermoord. (2 Kon 21:19)

## Amoriet (volk)

- Lid van een Kanaänitisch volk dat vooral in het bergland en oosten van de Jordaan woonde. Hun koningen Sihon en Og werden door Israël onder Mozes verslagen. (Gen 10:16)

## Amorieten (volk)

- Een van de Kanaänitische volken, vooral wonend in het bergland en oosten van de Jordaan. Hun koningen Sihon en Og werden door Israël verslagen. (Num 21:21)
- Een van de Kanaänitische volken, vooral wonend in het bergland en oosten van de Jordaan. Hun koningen Sihon en Og werden door Israël onder Mozes verslagen. (Dt 1:7)
- Een van de voornaamste volken van Kanaän, met name in het bergland en aan de oostzijde van de Jordaan. Bekendste koningen waren Sihon van Hesbon en Og van Basan. (Joz 5:1)
- Een van de zeven volken van Kanaän, vooral in het bergland en aan de oostzijde van de Jordaan. Israël verdreef hen niet volledig en bleef met hen vermengd wonen. (Ri 1:34)

## Amos (persoon)

- De profeet wiens woord Jakobus aanhaalt op de apostelvergadering over Davids vervallen tabernakel. (Hand 15:16)
- Veehouder uit Tekoa in Juda, geroepen tot profeet voor het noordelijk rijk Israël. Trad op in de eerste helft van de 8e eeuw v.Chr. onder Uzzia en Jerobeam II. (Am 1:1)

## Amplias (persoon)

- Lid van de gemeente te Rome, door Paulus geliefde in de Heere genoemd. Bekend uit de slotgroet. (Rom 16:8)

## Amrafel (persoon)

- Koning van Sinear, lid van de coalitie van vier oosterse koningen onder Kedor-Laomer. Streed tegen de vijf koningen van het Jordaan-vlakteland. (Gen 14:1)

## Amram (persoon)

- Vader van Mozes, Aäron en Mirjam. Getrouwd met zijn tante Jochebed; uit het geslacht van Kahath. (Ex 6:20)

## Ana (persoon)

- Zoon (of dochter) van Zibeon de Heviet. Bekend om de ontdekking van warmwaterbronnen in de woestijn. (Gen 36:24)

## Anah (persoon)

- Naam (mogelijk verbonden met Edom) die in geslachtsregisters van de Schrift voorkomt. Verdere gegevens over deze persoon zijn schaars. (Esth 1:1)

## Anakim (volk)

- Reuzenvolk dat in het bergland van Juda en in steden langs de zuidwestelijke kust woonde. Werden grotendeels door Israël verdreven, hoewel restanten in Filistijnse steden achterbleven. (Joz 11:21)

## Anamieten (volk)

- Nakomelingen van Mitsraïm, zoon van Cham. Een van de oude Egyptische volkstammen. (Gen 10:13)

## Ananias (persoon)

- 1) Echtgenoot van Saffira die loog over de prijs van zijn akker; 2) discipel die Saulus doopte. (Hand 5:1)
- Hebreeuwse naam ('JHWH is genadig') van een van de drie vrienden van Daniël; Babylonisch Sadrach genoemd. (Gez. Vuur. 1:88)
- Profeet ten tijde van koning Asa van Juda, vader van de profeet Jehu. Werd door koning Asa gevangengezet wegens zijn berispende woord over diens verbond met Aram. (2 Kron 16:7)

## Ananias en Saffira (persoon)

- Het echtpaar dat van de opbrengst van hun verkoop een deel achterhield en daarover dood neerviel. (Hand 5:1)

## Ananias van Damaskus (persoon)

- De discipel die door een visioen werd gezonden om Saulus de handen op te leggen, opdat hij weer zou zien. (Hand 9:10)

## Ananiël (persoon)

- Naam van een voorvader van Tobit, vermeld in zijn geslachtsregister. (Tob 1:1)

## anathema (begrip)

- Vervloeking of banvloek; iemand of iets dat als onder Gods oordeel wordt gesteld. In de gemeente uitgesproken over wie Christus niet liefheeft. (1 Kor 16:22)

## Anathoth (plaats)

- Levitische stad in het stamgebied van Benjamin, ten noordoosten van Jeruzalem. Later geboorteplaats van de profeet Jeremia. (1 Kon 2:26)
- Priesterstad in het stamgebied Benjamin, ca. 5 km ten noordoosten van Jeruzalem. Geboorteplaats van de profeet Jeremia. (Jer 1:1)

## ander evangelie (begrip)

- Vervloeking over wie het verandert. (Gal 1:6)

## andere schapen (begrip)

- Heidenen die nog tot de ene kudde gebracht zouden worden. (Joh 10:16)

## andere talen (begrip)

- De discipelen begonnen op Pinksteren te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. (Hand 2:4)

## andere Trooster (begrip)

- De Heilige Geest die Jezus zou zenden om bij de discipelen te blijven in eeuwigheid. (Joh 14:16)

## anderen onderwijzen (begrip)

- Geloofs-overdracht in vier generaties. (2 Tim 2:2)

## Andreas (persoon)

- Apostel, broer van Simon Petrus, afkomstig uit Bethsaïda. Eerst leerling van Johannes de Doper, daarna een van de twaalf discipelen van Jezus. (Matt 4:18)

## Andronicus (persoon)

- Hoge functionaris onder Antiochus IV (begin tweede eeuw v.Chr.), als plaatsvervanger te Antiochië. Volgens 2 Makkabeeën de moordenaar van de hogepriester Onias III. (2 Makk 4:31)

## Andronikus (persoon)

- Bloedverwant van Paulus en mede-gevangene, geacht onder de apostelen. Reeds vóór Paulus tot Christus bekeerd. (Rom 16:7)

## Aner (persoon)

- Amoritisch stamhoofd, broeder van Mamre en Eskol. Bondgenoot van Abraham bij de strijd tegen Kedor-Laomer. (Gen 14:13)

## Anna (persoon)

- Profetes uit de stam van Aser, in de tempel bij Jezus' opdracht. (Luk 2:36)
- Vrome echtgenote van Tobit en moeder van de jongere Tobias in het apocriefe boek Tobit. (Tob 1:9)

## Annas (persoon)

- Hogepriester samen met Caiphas ten tijde van Johannes' optreden. (Luk 3:2)
- Schoonvader van de hogepriester Kajafas. Jezus werd na Zijn gevangenneming eerst naar Annas gebracht voor verhoor. (Joh 18:13)

## antichrist (begrip)

- Tegenstander en valse imitatie van Christus die volgens het Nieuwe Testament voor diens wederkomst zal optreden. Term komt vooral voor in de Johannesbrieven. (Matt 24:24)
- Tegenstander van Christus; iedere geest of macht die de menswording en het Middelaarschap van Christus loochent. (1 Joh 2:18)
- Tegenstander van Christus; in de Johannesbrieven elke leraar die ontkent dat Jezus de Christus is en in het vlees is gekomen. (2 Joh 1:7)

## antichrist (de) (begrip)

- Aanduiding van de eindtijdelijke tegenstander van Christus en, in algemenere zin, van iedere verleider die de menswording van Christus loochent. (2 Joh 1:7)

## antifoon (liturgie)

- Beurtzang. Veel Psalmen kennen een antifonisch refrein, zoals of. (Ps 80:4)

## Antilibanon (plaats)

- Bergketen oostelijk van en parallel aan het Libanongebergte, gescheiden door de Bekaa-vallei. De naam betekent 'tegenover de Libanon'. (Jdt 1:7)

## Antiochische burgerschap (begrip)

- Burgerrecht van de hellenistische stad Antiochië. In de tijd van Jason aan joden uit Jeruzalem verkocht als deel van de hellenisering. (2 Makk 4:9)

## Antiochië (plaats)

- Stad waar de leerlingen voor het eerst werden genoemd; uitgangspunt van Paulus' reizen. (Hand 6:5)
- Plaats waar Petrus' huichelarij door Paulus werd berispt. (Gal 2:11)
- Hoofdstad van het Seleucidische rijk, gelegen aan de Orontes (huidige zuid-Turkije). Gesticht in 300 v.Chr. door Seleucus I. (1 Makk 11:44)

## Antiochië bij Daphne (plaats)

- Wijk van het hellenistische Antiochië, gelegen bij de befaamde tempel en de bron van Daphne, ten zuidwesten van de hoofdstad. (1 Makk 11:44)

## Antiochië in Syrië (plaats)

- De stad waar de discipelen voor het eerst christenen werden genaamd; uitgangspunt van de heidenzending. (Hand 11:26)

## Antiochië Pisidisch (plaats)

- Stad in Pisidië waar Paulus zijn eerste grote rede in een synagoge hield. (Hand 13:14)

## Antiochus (persoon)

- Naam gedragen door verschillende Seleucidische koningen, prominent in de Makkabeeën-boeken: (1) Antiochus III 'de Grote' (regeerde 223-187 v.Chr.), veroverde Palestina van de Ptolemeën in 198 v.Chr.; (2) Antiochus IV Epifanes (175-164 v.Chr.), de vervolger van het Joodse geloof die de tempel ontheiligde — de Makkabeese opstand brak tegen hem uit; (3) Antiochus V Eupator (164-162 v.Chr.), kindkoning, opvolger van zijn vader Epifanes; (4) Antiochus VI Theos (145-142 v.Chr.), kindkoning onder regentschap van Tryfon; (5) Antiochus VII Sidetes (138-129 v.Chr.), broer van Demetrius II, sloot vrede met Simon de Makkabeeër en later strijd met Hyrkanus. (1 Mak 1:10)

## Antiochus IV Epifanes (persoon)

- Seleucidische koning (regeerde 175-164 v.Chr.) die de Joodse godsdienst verbood en de tempel ontheiligde. Aanleiding tot de Makkabese opstand. (1 Makk 1:10)

## Antiochus V Eupator (persoon)

- Seleucidische koning (regeerde 164-162 v.Chr.), zoon en jonge opvolger van Antiochus IV. Gedood door zijn neef Demetrius I. (1 Makk 6:17)

## Antiochus VI (persoon)

- Seleucidische koning (regeerde 145-142 v.Chr.), jonge zoon van Alexander Balas. Door zijn voogd Tryfon op de troon gezet en later vermoord. (1 Makk 11:39)

## Antiochus VII Sidetes (persoon)

- Seleucidische koning (regeerde 138-129 v.Chr.), zoon van Demetrius I. Versloeg Tryfon en herstelde tijdelijk de Seleucidische macht in Judea. (1 Makk 15:1)

## Antipas (persoon)

- Trouwe getuige te Pergamus, die om Christus' wil gedood werd. (Openb 2:13)

## Antipas (martelaar) (persoon)

- De getrouwe getuige te Pergamus die werd gedood waar Satan woont. (Op 2:13)

## antwoord (begrip)

- Reactie op vraag of conflict; in Spreuken vaak met vermaning over juist spreken. (Spr 15:1)

## antwoord uit een onweder (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor Gods directe optreden uit een storm of onweder als een vorm van theofanie. Klassiek motief in de profetische literatuur. (Job 38:1)

## antwoorden (begrip)

- God spreekt of grijpt in op het gebed. (Ps 91:15)

## Apame (persoon)

- In het apocriefe 3 Ezra een bijvrouw van koning Darius, gebruikt als voorbeeld in het redenrijk over de macht van vrouwen. (3 Ezra 4:29)

## Apelles (persoon)

- Lid van de gemeente te Rome, beproefd in Christus. Bekend uit de slotgroet. (Rom 16:10)

## apocrief (begrip)

- Aanduiding voor bijbelboeken die in de protestantse traditie als niet-canoniek maar nuttig worden beschouwd. In de rooms-katholieke traditie deuterocanoniek genoemd. (Wijsh 1:1)

## Apollonius (persoon)

- Naam van verschillende Seleucidische functionarissen in de tweede eeuw v.Chr., onder wie stadhouders en veldheren onder Antiochus IV en Demetrius II. (1 Makk 10:69)
- Naam van verschillende Seleucidische functionarissen in de tweede eeuw v.Chr., onder wie stadhouders en veldheren onder Antiochus IV. (2 Makk 4:4)

## Apollos (persoon)

- Welsprekende christen uit Alexandrië die door Aquila en Priscilla onderwezen werd. (Hand 18:24)
- Welsprekend Joods-christelijk leraar uit Alexandrië, krachtig in de Schriften. Medewerker van Paulus. (1 Kor 1:12)
- Welsprekend joods christen uit Alexandrie, in de eerste eeuw werkzaam in Efeze en Korinthe als verkondiger van het evangelie. (Tit 3:13)

## Apollyon (persoon)

- Grieks voor 'verderver'; in de Openbaring de koning van de afgrond, in het Hebreeuws Abaddon. (Openb 9:11)

## apostel (begrip)

- Door Christus persoonlijk geroepen en gezonden gezant, met bijzonder gezag in het stichten van de gemeente en het overleveren van de leer. (Matt 10:2)
- Door Jezus gezondene met het gezag om het evangelie te verkondigen en de gemeente te stichten. In engere zin de twaalf, in ruimere zin ook anderen zoals Paulus. (Hebr 3:1)

## apostel in banden (begrip)

- Aanduiding van een gezant van Christus die zich in gevangenschap bevindt om wille van het evangelie. (Flm 1:1)

## apostelen (begrip)

- Het fundament van de gemeente. (Ef 2:20)
- De apostelen van de Heere Jezus hebben voorzegd dat er spotters zouden komen. (Jud 1:17)

## apostelschap (begrip)

- Paulus' apostolische opdracht door God, niet door menselijke aanwijzing. (Gal 1:1)

## aposynagogos (begrip)

- Uit de synagoge gebannen — een nieuw thema in Johannes' evangelie, oorzaak van angst bij velen. (Joh 9:22)

## apotheker (begrip)

- Verouderde aanduiding voor wie geneesmiddelen mengt en bereidt, in de oudheid vaak verbonden met de geneesheer of de zalfbereider. (Sir 38:8)

## Apphia (persoon)

- Vroegchristelijke vrouw, vermoedelijk de echtgenote van Filemon, mede-geadresseerde van de brief aan Filemon. (Flm 1:2)

## Appia (persoon)

- Naamsvariant van Apphia; vroegchristelijke vrouw, vermoedelijk de echtgenote van Filemon. (Filem 1:2)

## Aquila (persoon)

- Joods echtpaar (met Priscilla) dat in Korinthe Paulus ontmoette. (Hand 18:2)
- Joods-christelijk tentmaker, echtgenoot van Priscilla en medewerker van Paulus. Hun huis diende als gemeente. (Rom 16:3)
- Christen die Paulus laat groeten samen met zijn vrouw Priska. (2 Tim 4:19)

## Aquila en Priscilla (persoon)

- Het echtpaar tentenmakers dat door Claudius' edict uit Rome verdreven was; zij ontvingen Apollos en Paulus. (Hand 18:2)

## Arabieren (volk)

- Bewoners van het Arabische schiereiland. Veelal nomadische stammen met onder meer Ismaël en Midian als voorvaderen. (Gen 25:13)
- Bewoners van het Arabische schiereiland en de aangrenzende woestijngebieden ten oosten en zuiden van Palestina. (2 Makk 12:11)

## Arabië (plaats)

- Streek waar Paulus na zijn bekering heenging vóór hij naar Jeruzalem ging. (Gal 1:17)
- Het Arabische schiereiland en de aangrenzende woestijngebieden ten oosten en zuiden van Palestina. Bewoond door verschillende nomadenstammen. (1 Makk 5:25)

## Aradus (plaats)

- Foenicische eilandstad voor de kust van Syrië (huidige Arwad), oude havenstad en handelscentrum. (1 Makk 15:23)

## Aram (persoon)

- Zoon van Sem en stamvader van de Arameeërs (Syriërs), die het noordoostelijke Mesopotamië en Syrië bewoonden. (Gen 10:22)
- Voorvader van David, kleinzoon van Juda, in het geslachtsregister van Jezus. In het Oude Testament Ram genoemd. (Matt 1:3)
- Aanduiding voor het Aramees-sprekend gebied ten noordoosten van Israël, met als voornaamste rijk Damascus. In de Statenvertaling vaak vertaald als Syrië. (Am 1:3)
- Verzamelnaam voor het Aramese gebied ten noordoosten van Israël, ongeveer overeenkomend met het latere Syrië. Met Damascus als belangrijkste stad gold het als terugkerende vijand van Israël. (1 Kon 11:25)
- Verzamelnaam voor het Aramese taalgebied ten noordoosten van Israël. De Aramese taal werd in latere tijd de internationale verkeerstaal van het Nabije Oosten. (Ezra 4:7)
- Verzamelnaam voor het Aramese gebied ten noordoosten van Israël, ongeveer overeenkomend met het latere Syrië. Belangrijke regionale macht in het Oude Testament. (Neh 4:7)

## Aram in Damascus (plaats)

- Aanduiding voor het Aramese rijk met als hoofdstad Damascus, ten noordoosten van Israël. Belangrijke handelspartner in de oudheid. (Ez 27:18)

## Aram-naharaïm (plaats)

- Letterlijk 'Aram tussen de twee rivieren'; aanduiding van het noordelijke deel van Mesopotamië tussen Eufraat en Tigris. Streek van Abrahams herkomst en van Bileam. (Num 23:7)

## Aramees (begrip)

- Semitische taal die vanouds in het Aramese rijk werd gesproken en in latere tijd de internationale diplomatieke en handelstaal van het Nabije Oosten werd. Ook in delen van het Oude Testament gebruikt. (2 Kon 18:26)

## Aramese taal (begrip)

- Semitische taal die vanouds in het Aramese rijk werd gesproken en in latere tijd de internationale diplomatieke en handelstaal van het Nabije Oosten werd. Ook in delen van het Oude Testament gebruikt. (Ezra 4:7)

## Aran (persoon)

- Zoon van Disan en nakomeling van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:28)

## Ararat (plaats)

- Hoog gebergte in het oosten van het huidige Turkije/Armenië waar de ark van Noach na de zondvloed strandde. (Gen 8:4)
- Bergland in Armenië (huidige oost-Turkije/Kaukasus). In de bijbel bekend als plaats waar de ark van Noach na de zondvloed landde (Genesis 8:4). (Tob 1:24)
- Bergachtig gebied in het oosten van het huidige Turkije, gelegen ten noorden van Mesopotamië. Bekend uit de Schrift als de plaats waar de ark van Noach na de zondvloed strandde. (2 Kon 19:37)

## Arauna (persoon)

- Jebusitische bewoner van Jeruzalem ten tijde van koning David. Bekend als de eigenaar van de dorsvloer waarop David een altaar bouwde, latere plaats van de tempel. (2Sam 24:18)

## Arbatten (plaats)

- Streek of plaats in of nabij Galilea, vermoedelijk in het noorden van het land Israël. (1 Makk 5:23)

## arbeid (begrip)

- Inspanning ter levensonderhoud; in Spreuken hoog gewaardeerd. (Spr 14:23)

## arbeid der liefde (begrip)

- Werkzame liefde tot God en de naaste die zich uit in concrete inzet en moeite voor anderen. (1 Th 1:3)

## arbeiders (begrip)

- Loonwerkers in de landbouw, meestal dagloners. In het Nieuwe Testament vaak beeld van zendelingen die in de oogst van het Koninkrijk werken. (Matt 9:37)

## Arbele (plaats)

- Plaats in Galilea, ten noordwesten van het meer Gennesareth, bekend om zijn rotsspleten en vluchtgrotten. (1 Makk 9:2)

## archangel (begrip)

- Aartsengel; Michaël wordt zo genoemd in zijn twist met de duivel om Mozes' lichaam. (Jud 1:9)

## Archelaüs (persoon)

- Zoon van Herodes de Grote en Malthace, regeerde van 4 v.Chr. tot 6 n.Chr. als etnarch over Judea, Samaria en Idumea. Door Augustus afgezet om zijn wreedheid. (Matt 2:22)

## Archippus (persoon)

- Christen aan wie Paulus opdracht meegeeft. (Kol 4:17)
- Vroegchristelijke leider verbonden aan de gemeente te Kolosse, mogelijk de zoon van Filemon, door Paulus aangeduid als medestrijder. (Filem 1:2)

## Ard (persoon)

- Zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een Benjaminietische clan. (Gen 46:21)

## Ardath (plaats)

- In het apocriefe 4 Ezra een veld in Babylonië waar Ezra zich onthield van gewoon voedsel en de visioenen ontving. (4 Ezra 9:26)

## Areli (persoon)

- Zoon van Gad en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Gad. (Gen 46:16)

## aren (natuur)

- Korenaren, de bovenste vruchtdragende delen van de tarweplant. In Bijbelse symboliek beeld van zowel overvloed als hongersnood. (Gen 41:5)

## aren lezen (gebruik)

- Het oprapen van achtergebleven graanaren na de oogst, een recht dat volgens de wet van Mozes aan armen, weduwen en vreemdelingen toekwam. Vorm van sociale zorg in het oude Israël. (Ruth 2:2)

## arend (natuur)

- Grote roofvogel met een machtige vlucht, in de Bijbel beeld voor kracht, snelheid en zorgzame opvoeding. (Gen 15:11)

## arend en gier (uitdrukking)

- Beeld voor de snelle aanval van de Babylonische ruiterij. (Jer 4:13)

## arendsnest (uitdrukking)

- Over Jeruzalem: — beeld voor de hoge en arrogante stad. (Jer 22:23)

## Areopagus (plaats)

- Plaats te Athene waar Paulus zijn rede over de onbekende God hield. (Hand 17:19)

## Areopagusrede (begrip)

- Paulus' rede op de heuvel van Ares te Athene over de onbekende God en de opstanding. (Hand 17:22)

## Aretas (persoon)

- De koning van Damaskus uit wiens handen Paulus moest vluchten via een mand uit een venster. (Hand 9:25)
- Nabatese koning wiens stadhouder Damaskus bewaakte om Paulus te grijpen. Achtergrond van Paulus' ontkoming over de muur. (2 Kor 11:32)

## Areus (persoon)

- Koning van Sparta (regeerde 309-265 v.Chr., Areus I). Volgens 1 Mak 12:7+20-23 stuurde hij een brief naar de hogepriester Onias (waarschijnlijk Onias I) waarin hij de Joden als 'broeders' van de Spartanen erkende. De historiciteit van deze brief wordt vaak betwist. (1 Mak 12:7)

## Arfachsad (persoon)

- Derde zoon van Sem, geboren twee jaar na de zondvloed. Voorvader van Eber, Heber en Abraham. (Gen 10:22)

## Arfaxad (persoon)

- In het apocriefe boek Judith een koning van de Meden te Ecbatana. Naam ook voorkomend in Genesis voor een zoon van Sem. (Jdt 1:1)

## arglistig hart (uitdrukking)

- Een van de bekendste OT-uitspraken over de zondigheid van de mens. (Jer 17:9)

## arglistige (begrip)

- Wie listig kwaad smeedt.; 'arglistige tongen'. (Ps 36:4)

## Aridai (persoon)

- Een van de tien zonen van Haman, de Perzische ambtenaar die de uitroeiing van de Joden plande. Werd met zijn broers gedood bij de tegenactie van de Joden. (Esth 9:9)

## Aridatha (persoon)

- Een van de tien zonen van Haman, de Perzische ambtenaar die de uitroeiing van de Joden plande. Werd met zijn broers gedood bij de tegenactie van de Joden. (Esth 9:8)

## Arimathea (plaats)

- Stad in Judea waar Jozef vandaan kwam, de man die na de kruisiging het lichaam van Jezus vroeg aan Pilatus. (Joh 19:38)

## Arioch (persoon)

- Koning van Ellasar, lid van de coalitie van vier oosterse koningen onder Kedor-Laomer. (Gen 14:1)

## Arisai (persoon)

- Een van de tien zonen van Haman, de Perzische ambtenaar die de uitroeiing van de Joden plande. Werd met zijn broers gedood bij de tegenactie van de Joden. (Esth 9:9)

## Aristarchus (persoon)

- Macedonisch metgezel van Paulus, ook tijdens de schipbreuk-reis. (Hand 19:29)
- Medegevangene van Paulus die de groeten doet. (Kol 4:10)
- Macedonisch christen uit Tessalonica, reisgenoot en medewerker van Paulus, met hem in gevangenschap te Rome. (Filem 1:24)

## Aristobulus (persoon)

- Persoon te Rome wiens huisgenoten door Paulus worden gegroet. Verder onbekend. (Rom 16:10)

## Ariël (persoon)

- Naam (betekenis 'leeuw Gods' of 'haard Gods') van meerdere personen in de Schrift. Komt onder andere voor als hoofd van een geslacht onder de teruggekeerden uit Babel. (Ezra 8:16)

## ark (begrip)

- Het grote houten schip dat Noach op Gods bevel bouwde van goferhout. Daarmee overleefde hij met zijn gezin en de dieren de zondvloed. (Gen 6:14)
- Vergulde houten kist van acaciahout waarin de twee stenen tafelen der wet werden bewaard. Heiligste voorwerp van Israël. (Ex 25:10)
- Houten vaartuig waarin Noach met zijn familie en de dieren de zondvloed overleefden volgens Genesis 6-9. (Matt 24:37)
- Het door Noach gebouwde vaartuig waarin acht zielen de zondvloed overleefden. Type van behoudenis in Christus. (Hebr 9:4)
- De ark van het verbond, het heilige kistje met de stenen tafelen van de wet, bewaard in het allerheiligste van tabernakel en eerste tempel. (1 Makk 4:49)
- De ark van het verbond, het heilige kistje met de stenen tafelen van de wet, bewaard in het allerheiligste van tabernakel en eerste tempel. Verloren gegaan bij de val van Jeruzalem in 586 v.Chr. (2 Makk 2:5)
- Met goud beklede kist die in het heilige der heiligen stond en de stenen tafelen van de wet bevatte. Symbool van Gods aanwezigheid die Israël voorging. (Hab 3:8)
- Met goud beklede kist die in het heilige der heiligen stond en de stenen tafelen van de wet bevatte. Verdwenen na de verwoesting van de eerste tempel in 586 v.Chr. (Hag 2:9)

## ark (kistje) (begrip)

- Hebreeuwse term tevah, gebruikt voor zowel het schip van Noach als het biezen mandje waarin Mozes als baby werd gelegd. (Gen 6:14)

## ark des verbonds (cultisch)

- Volledige naam voor de ark, omdat zij de tafelen van het verbond bevatte. Plaats van Gods bijzondere aanwezigheid en draagbaar middelpunt van de eredienst. (Ex 25:22)
- Vergulde houten kist met de twee stenen tafelen der wet. Heiligste voorwerp van Israël, plaats van Gods aanwezigheid en draagbaar middelpunt van de eredienst. (Num 10:35)
- Vergulde houten kist met de twee stenen tafelen der wet, gemaakt naar Gods bevel. Het heiligste voorwerp van Israël en plaats van Gods bijzondere aanwezigheid. (Dt 10:1)
- Heilige draagbare kist met de twee tafelen der wet, het belangrijkste cultusvoorwerp van Israël. Symbool van Gods aanwezigheid onder zijn volk en plaats van het verzoendeksel. (Ri 20:27)
- Heilige draagbare kist met de twee tafelen der wet, het belangrijkste cultusvoorwerp van Israël. Symbool van Gods aanwezigheid onder zijn volk en plaats van het verzoendeksel met de cherubs. (1Sam 4:11)
- De vergulde kist in het heiligdom waarin de wet, het manna en Aärons staf bewaard werden. Symbool van Gods verbondstegenwoordigheid. (Hebr 9:4)

## ark van Noach (begrip)

- Het grote houten schip waarin Noach met zijn gezin en de dieren de zondvloed overleefde. Driehonderd ellen lang, vijftig breed en dertig hoog, met drie verdiepingen. (Gen 6:14)

## Arkiet (volk)

- Een van de Kanaänitische volken, afstammelingen van Kanaän. Bewoonden de stad Arka in het noorden van Fenicië. (Gen 10:17)

## arm Faraos gebroken (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor de ineenstorting van de macht van Egypte tegenover de opkomst van Babel. Onderdeel van de geopolitieke profetieën. (Ez 30:24)

## Armageddon (plaats)

- De plaats waar volgens de Openbaring de eindstrijd tussen de koningen der aarde en het Lam plaatsvindt. (Openb 16:16)

## arme (begrip)

- De behoeftige; God neemt het voor hem. (Spr 14:31)
- Bijbels begrip voor wie weinig aards bezit heeft. In de bijbel bijzonder voorwerp van Gods zorg en van de wettelijke bescherming. (Sir 4:1)

## arme niet leeg laten gaan (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor barmhartige zorg die armen en behoeftigen niet zonder gave laat. Klassieke deugd in de wijsheidsliteratuur. (Job 31:16)

## armen van geest (begrip)

- Mensen die in hun innerlijke (menselijke) geest hun armoede en afhankelijkheid van God beseffen. Eerste groep die in de zaligsprekingen van de bergrede gelukkig wordt geprezen. (Matt 5:3)

## armoede (begrip)

- Toestand van gebrek aan bezit en sociale status. In de Schrift vaak verbonden met de keuze van God voor de geringen om zijn werken aan te tonen. (1Sam 18:18)
- Geen aardse rijkdom hebben; vaak gekoppeld aan vroomheid. (Ps 34:7)
- Stoffelijk gebrek; van Christus die om onzentwille arm is geworden om ons rijk te maken. Beeld van de heilseconomie. (2 Kor 8:9)
- Gebrek; in Spreuken vaak gevolg van luiheid, soms van onrecht. (Spr 6:11)
- Toestand van gebrek aan levensmiddelen of bezit. In de bijbel zowel een sociaal kwaad als (in geestelijke zin) een deugd voor God. (Sir 18:25)

## armoede en rijkdom (begrip)

- Dat de broeder, die nederig is, roeme in zijn hoogheid; en de rijke in zijn vernedering, want hij zal als een bloem des grases vergaan. (Jak 1:9)

## Arnon (plaats)

- Rivier die in de Dode Zee uitmondt, traditionele zuidgrens van het Amoritische rijk en noordgrens van Moab. (Num 21:14)
- Rivier die in de Dode Zee uitmondt, oude grens tussen Moab en het land van de Amorieten. (Dt 2:24)

## Arodi (persoon)

- Zoon van Gad en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Gad. (Gen 46:16)

## Aroër (plaats)

- Stad aan de noordoever van de Arnon ten oosten van de Dode Zee. Vormde vanouds een grenspaal in het stamgebied van Ruben. (2Sam 24:5)

## Arsaces (persoon)

- Naam (en titel) van de Parthische koningen uit de Arsacidische dynastie (247 v.Chr.-224 n.Chr.) die in Iran het Seleucidische gezag opvolgden. (1 Makk 14:2)

## Arsinoë (persoon)

- Zus en gemalin van Ptolemeüs IV Filopator (eind derde eeuw v.Chr.), volgens de hellenistische gewoonte van broer-zus huwelijken aan het hof. (3 Makk 1:2)

## Artaxerxes (persoon)

- Naam van verschillende Perzische koningen uit de Achaemenidische dynastie. Onder Artaxerxes I (regeerde 465-424 v.Chr.) trokken Ezra en Nehemia naar Jeruzalem. (3 Ezra 2:16)
- Naam van verschillende Perzische koningen. In de Septuaginta-versie van Esther de aanduiding voor de koning die in het Hebreeuwse boek Ahasveros heet. (EstAp 11:2)
- Perzische koning uit de vijfde eeuw v. Chr., zoon en opvolger van Xerxes I. Onder zijn regering keerden Ezra en Nehemia met afzonderlijke groepen ballingen naar Jeruzalem terug. (Ezra 7:1)

## Artemas (persoon)

- Vroegchristelijke medewerker van Paulus, in de pastorale brieven genoemd als mogelijke aflosser van Titus op Kreta. (Tit 3:12)

## Artemis (persoon)

- Diana van de Efeziërs; godin wier tempel een belangrijke aanbiddingsplaats was. (Hand 19:24)

## Arvadiet (volk)

- Een van de Kanaänitische volken, afstammelingen van Kanaän. Bewoonden het eiland Arvad voor de Fenicische kust. (Gen 10:18)

## as (begrip)

- Teken van rouw en vernedering. 'Want ik eet as als brood' — teken van diepe ellende. (Ps 102:10)
- Restproduct van vuur. In de bijbel veelvuldig teken van rouw, verootmoediging en boete, vaak samen met zak gedragen. (Jdt 4:11)
- Restproduct van vuur. In de bijbel veelvuldig teken van rouw, verootmoediging en boete. (BelDra 1:13)
- Restant van verbranding, in de Bijbel teken van rouw, vergankelijkheid of diepe verootmoediging. Bij rouw met stof op het hoofd gestrooid. (Jon 3:6)
- Restant van verbranding, in de Bijbel teken van rouw, vergankelijkheid of grondige verwoesting. Bij rouw met stof op het hoofd gestrooid. (Zef 1:18)

## as der jonge koe (begrip)

- De besprenging met de as der jonge koe heiligde de onreinen tot reiniging van het vlees — schaduw van Christus' bloed dat het geweten reinigt. (Hebr 9:13)

## as op het hoofd (begrip)

- Bijbels rouwgebaar waarbij men as op het hoofd strooit als teken van diepe smart of verootmoediging. (4 Ezra 9:38)

## Asa (persoon)

- Koning van Juda (ca. 911-870 v.Chr.), zoon van Abia. Verwijderde afgodendienst en wordt overwegend positief beoordeeld. (Matt 1:7)
- Derde koning van Juda na de scheuring van het rijk, kleinzoon van Rehabeam. Stond bekend om zijn godsdienstige hervormingen en zijn lange en welvarende regering. (1 Kon 15:9)

## Asaf (persoon)

- Leviet uit de tijd van David, aangesteld als zanger en muziekleider bij de tabernakeldienst. Naam-gever van een groep psalmen. (Ps 50:1)
- In de bijbel hoofd van een geslacht van levitische tempelzangers, ingesteld door David. Aan hem worden twaalf psalmen toegeschreven. (3 Ezra 5:27)
- Levitische zanger, een van de drie hoofden van de tempelmuziek onder koning David. Stamvader van een geslacht van zangers en mogelijk auteur van enkele psalmen. (1 Kron 6:39)
- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een Levitische zanger uit de tijd van David en een Perzisch hofbeambte. Hier vooral de bewaarder van het koninklijk bosgebied in de Perzische tijd. (Neh 2:8)

## Asahel (persoon)

- Jongste zoon van Davids zus Zeruja, broer van Joab en Abisai. Beroemd om zijn snelheid die hem in het oude lied wordt vergeleken met die van een gazelle. (1 Kron 2:16)

## Asaja (persoon)

- Hofbeambte aan het hof van koning Josia van Juda, met de titel 'knecht des konings'. Lid van de afvaardiging die door de koning naar de profetes Hulda werd gezonden. (2 Kon 22:12)

## Asaph, profeet (persoon)

- Levitische zanger en hoofd van de tempelmuziek onder koning David, in de Schrift ook als 'profeet' aangeduid. Drukt de profetische dimensie uit die de muzikale dienst in de tempel bezat. (2 Kron 29:30)

## Asaph, profetie van (begrip)

- Aanduiding voor de profetische dimensie die de muzikale dienst van de zangers in de tempel had. In het oude Israël werden zang en profetie nauw met elkaar verbonden gedacht. (1 Kron 25:2)

## Asarja (persoon)

- Naam (betekenis 'JAHWEH heeft geholpen') van meerdere personen in de Schrift. Komt onder andere voor als hofbeambte en leider in de naballingschapse gemeenschap. (Neh 12:33)

## Asarja, hogepriester onder Hizkia (persoon)

- Hogepriester ten tijde van koning Hizkia van Juda, behorend tot het huis van Zadok. Adviseerde de koning over de toestand van de tempelvoorraden na de godsdienstige hervorming. (2 Kron 31:10)

## Asarja, ziener (persoon)

- Naam (betekenis 'JAHWEH heeft geholpen') van meerdere personen in de Schrift, waaronder enkele profeten. Komt onder andere voor in geslachtsregisters en als priester aan het hof. (2 Kon 14:8)

## Asaël (persoon)

- Jongste zoon van Davids zus Zeruja, broer van Joab en Abisai. Beroemd om zijn snelheid die hem in het oude lied wordt vergeleken met die van een gazelle. (2Sam 2:18)

## Asaëls graf (plaats)

- Familiegraf in Bethlehem waar de jonge held Asaël na zijn dood werd begraven. Lag in het stamgebied van Juda en bevatte ook andere leden van zijn geslacht. (2Sam 2:32)

## Asbel (persoon)

- Zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een Benjaminietische clan. (Gen 46:21)

## Ascalon (plaats)

- Een van de vijf voornaamste Filistijnse steden, gelegen aan de Middellandse-Zeekust ten zuiden van Asdod. Belangrijk havenplaats. (Am 1:8)

## Asdod (plaats)

- Een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, gelegen aan de zuidwestelijke kust. Bekend om de tempel van Dagon en als plaats waar nog Anakim woonden. (Joz 11:22)
- Een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, gelegen aan de zuidwestelijke kust van Kanaän. Bekend om de tempel van Dagon, hoofdgod van de Filistijnen. (1Sam 5:1)
- Filistijnse kuststad in zuidwest-Israël (huidige Ashdod). Een van de vijf hoofdsteden van het oude Filistijnse pentapolis. (1 Makk 10:84)
- Een van de vijf voornaamste Filistijnse steden, gelegen aan de zuidelijke Middellandse-Zeekust. Bekend om de tempel van Dagon. (Am 1:8)

## Asdoditisch (begrip)

- Aanduiding voor de taal of dialect van de inwoners van de Filistijnse stad Asdod. Vormde voor de naballingschapse Joodse gemeenschap een teken van vermenging met heidense bevolkingsgroepen. (Neh 13:23)

## asem (begrip)

- Adem of geest, het levensbeginsel in mens en dier. Soms aanduiding voor de levensgeest die God geeft en weer terugneemt. (Ex 6:9)

## Asenath (persoon)

- Egyptische vrouw van Jozef, dochter van de priester Potifera van On. Moeder van Manasse en Efraïm. (Ex 1:1)

## Aser (persoon)

- Achtste zoon van Jakob (bij Zilpa) en de stam die uit hem voortkwam. Naam betekent 'gelukkig' of 'zalig'. (Gen 30:13)
- Achtste zoon van Jakob (bij Zilpa) en de stam die uit hem voortkwam. Erfde een vruchtbaar kustgebied in het noorden van Israël. (Dt 33:24)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Aser, de zoon van Jakob bij Zilpa. Het stamgebied lag langs de noordwestelijke kuststreek van Kanaän. (Joz 19:24)
- De stam waarvan Anna de profetes afkomstig was. (Luk 2:36)
- Achtste zoon van Jakob (bij Zilpa) en stamvader van de gelijknamige stam in noordelijk Galilea. (Tob 1:2)

## asfaltputten (natuur)

- Diepe putten met natuurlijk asfalt of pek in het dal van Siddim bij de Dode Zee. Gebruikt voor bouwmateriaal en breeuwen van schepen. (Gen 14:10)

## Asfar (plaats)

- Meer of waterput in de woestijn van Tekoa in Judea, ten zuiden van Jeruzalem. (1 Makk 9:33)

## Asia (plaats)

- Romeinse provincie in West-Klein-Azië met Efeze als hoofdstad. Toneel van zware verdrukking voor Paulus. (2 Kor 1:8)
- Streek in Klein-Azië waar Efeze de hoofdstad was. (Ef 1:1)

## Asideeën (begrip)

- Joodse vroomheidsbeweging (chasidim) in de tweede eeuw v.Chr. Steunden eerst de Makkabese opstand vanwege de verdediging van de wet. (1 Makk 2:42)

## asiel (begrip)

- In de oudheid de bescherming die heiligdommen boden aan vluchtelingen. Tempelschatten en personen golden binnen de tempelmuren als onschendbaar. (2 Makk 3:12)

## Asjera (begrip)

- Houten cultusvoorwerp, vermoedelijk een paal of boomstam, als zinnebeeld van de gelijknamige Kanaänitische godin. Werd vaak naast altaren voor Baäl opgericht en in de Schrift consequent veroordeeld. (1 Kon 14:15)

## Askalon (plaats)

- Oude Filistijnse havenstad aan de Middellandse Zee, ten noorden van Gaza; in hellenistische tijd vrije Griekse stad. (1 Makk 10:86)

## Askenaz (persoon)

- Zoon van Gomer en kleinzoon van Jafeth. Stamvader van een volk in het noorden, later toegepast op Germaanse en Joodse Asjkenaziem. (Gen 10:3)

## Asmodeüs (persoon)

- In het apocriefe boek Tobit en in latere joodse traditie naam van een boze geest die Sara kwelde. In rabbijnse legenden de koning van de demonen. (Tob 3:8)

## Asnaf (persoon)

- Persoonsnaam, mogelijk een Babylonische ambtsdrager. Komt voor in lijsten van weggevoerden of teruggekeerden uit de ballingschap. (Num 1:1)

## Asnappar (persoon)

- Aanduiding voor een Assyrische grootkoning, mogelijk te identificeren met Assurbanipal. Bekend om de hervestiging van vreemde volken in het gebied van het voormalige noordelijke rijk Israël. (2 Kon 17:24)

## Asnath (persoon)

- Egyptische vrouw van Jozef, dochter van de priester Potifera van On. Moeder van Manasse en Efraïm. (Gen 41:45)

## Aspatha (persoon)

- Een van de tien zonen van Haman, de Perzische ambtenaar die de uitroeiing van de Joden plande. Werd met zijn broers gedood bij de tegenactie van de Joden. (Esth 9:7)

## Assareth (plaats)

- In het apocriefe 4 Ezra een ver land waarheen de tien stammen van Israël na hun ballingschap zouden zijn getrokken. (4 Ezra 13:45)

## Asser (persoon)

- Stam Aser waaruit Anna de profetes kwam — variant. (Luk 2:36)

## Assur (persoon)

- Tweede zoon van Sem en stamvader van het Assyrische rijk in noordelijk Mesopotamië. Ook aanduiding voor Assyrië zelf. (Gen 10:22)
- Bijbelse naam voor Assyrië en zijn leger. In de oudtestamentische profetie vaak symbool van wereldmacht en gericht. (Jdt 16:4)
- Aanduiding voor het Assyrische rijk in Mesopotamië en zijn hoofdstad. Dominant in het Nabije Oosten van de 9e tot 7e eeuw v.Chr. (Hos 5:13)

## Assuriem (volk)

- Nakomelingen van Dedan, kleinzoon van Abraham via Ketura. Een van de Arabische stammen. (Gen 25:3)

## Assurieten (volk)

- Nakomelingen van Dedan, kleinzoon van Abraham via Ketura. (Gen 25:3)

## Assuërus (persoon)

- Bijbelse naamvorm voor verschillende Perzische of Medische koningen. In Esther identificeerbaar met Xerxes I; elders met Cyaxares of een andere heerser. (Tob 14:17)

## Assyrië (plaats)

- Het oude rijk van de Assyriërs in noord-Mesopotamië, met de hoofdsteden Nineve en Assur; in 612 v.Chr. ten onder gegaan. (3 Makk 6:4)
- Wereldrijk in het noorden van Mesopotamië met als hoofdstad Nineve, dominant in het Nabije Oosten van de 9e tot 7e eeuw v.Chr. Vermaard om wreedheid en militaire macht. (Am 5:27)

## Assyrië als ceder Libanons (uitdrukking)

- Profetische gelijkenis waarin het Assyrische rijk met een grote ceder van Libanon wordt vergeleken. Beeld van wereldmachten die door God worden geveld. (Ez 31:3)

## Assyriërs (volk)

- Volk van Assyrië, een groot rijk in Mesopotamië in de eerste helft van het eerste millennium v.Chr. Hoofdstad Ninevé. Voerden in 722 v.Chr. de tien stammen van Israël in ballingschap. (Tob 1:2)
- Volk van Assyrië, een groot rijk in Mesopotamië in de eerste helft van het eerste millennium v.Chr. Hoofdstad Ninevé. (Jdt 1:7)

## Astaroth (begrip)

- De godin Astarte, vrouwelijke vruchtbaarheidsgodin van de Kanaänieten en Feniciërs. In de Bijbel symbool van de heidense afgoderij waarin Israël herhaaldelijk verviel. (Ex 20:3)
- Stad in Basan ten oosten van het meer van Galilea, residentie van koning Og. Vermoedelijk een cultusplaats van de godin Astarte. (Num 21:33)
- Stad in Basan ten oosten van de Jordaan, hoofdresidentie van koning Og. De naam verwijst naar de godin Astarte, een vruchtbaarheidsgodin van Kanaän. (Joz 9:10)
- Vrouwelijke vruchtbaarheidsgodinnen van de Kanaänieten en Filistijnen, vaak naast de Baäls vereerd. Hun cultus omvatte rituele prostitutie en stond lijnrecht tegenover de dienst van JAHWEH. (1Sam 7:3)

## Astarten (begrip)

- Vrouwelijke vruchtbaarheidsgodinnen van de Kanaänieten, vaak naast de Baäls vereerd. Hun cultus omvatte rituele prostitutie en stond lijnrecht tegenover de dienst van JAHWEH. (Ri 2:13)

## Asteroth-karnaim (plaats)

- Oude stad in Basan, ten oosten van het meer van Galilea. Werd door Kedor-Laomer veroverd op de Refaïeten. (Gen 14:5)

## Astoreth (begrip)

- Vrouwelijke vruchtbaarheidsgodin van de Sidoniërs en andere Kanaänitische volken, vaak naast Baäl vereerd. In de Schrift met andere afgoden van de omringende volken op één lijn gesteld. (1 Kon 11:5)

## astrologie (begrip)

- Kennis van de loop van de hemellichamen. In de oudheid sterk verweven met sterrenwichelarij; in de bijbel als wichelarij afgewezen. (Wijsh 7:19)

## Astyages (persoon)

- Laatste koning van het Medische rijk (regeerde ca. 585-550 v.Chr.). Werd verslagen en opgevolgd door zijn kleinzoon Cyrus de Grote van Perzië. (BelDra 1:1)

## Asynkritus (persoon)

- Lid van de gemeente te Rome, door Paulus gegroet. Verder onbekend. (Rom 16:14)

## Atad (plaats)

- Dorsvloer aan de overzijde van de Jordaan waar Jakobs begrafenisstoet zeven dagen rouwde. Naderhand Abel-mizraim genoemd. (Gen 50:10)

## Atalia (persoon)

- Dochter van koning Achab en Izebel van het noordelijke rijk, gehuwd met koning Joram van Juda. Heerste zes jaar als enige vorstin over Juda na de uitroeiing van het koninklijk geslacht. (2 Kon 11:1)

## Athene (plaats)

- Stad waar Paulus zijn Areopagus-rede hield. (Hand 17:15)
- Hoofdstad van het oude Attika, in de eerste eeuw cultureel en wijsgerig centrum van de Grieks-Romeinse wereld. (1 Tess 3:1)
- Hoofdstad van Attica in Griekenland, in de oudheid het culturele en filosofische centrum van de Griekse wereld. (2 Makk 6:1)

## Athenobius (persoon)

- Hellenistische Griek, een van de vrienden (court-officer) van koning Antiochus VII Sidetes. In 1 Mak 15:28-36 stuurt Antiochus hem als gezant naar Simon de Makkabeeër in Jeruzalem om Joppe, Gazara en de burcht van Jeruzalem terug te eisen. Simon weigert; Athenobius keert verbaasd terug om de koning te berichten over Simons rijkdom. (1 Mak 15:28)

## Attalia (plaats)

- Havenstad in Pamfylië, vanwaar Paulus en Barnabas terugvoeren naar Antiochië. (Hand 14:25)

## Augustus (persoon)

- Romeinse keizer wiens volkstellingbevel uitging toen Jezus werd geboren. (Luk 2:1)

## Auäran (persoon)

- Bijnaam van Eleazar, broer van Judas Makkabeüs. Sneuvelde volgens 1 Makkabeeën 6 in de slag bij Beth-Zacharia onder een gevechtsolifant. (2 Makk 8:23)

## Avith (plaats)

- Stad in Edom, koningsstad van Hadad ben Bedad. Niet met zekerheid te lokaliseren. (Gen 36:35)

## avondmaal (gebruik)

- Door Jezus tijdens de paasmaaltijd ingestelde gedachtenismaaltijd met brood en wijn als tekenen van zijn gebroken lichaam en vergoten bloed. (Matt 26:26)
- Het door Christus ingestelde sacrament van brood en wijn ter gedachtenis van Zijn dood en gemeenschap met Zijn lichaam en bloed. Door de gemeente gevierd tot Zijn wederkomst. (1 Kor 11:20)

## avondmaalsbeker (voorwerp)

- De drinkbeker met wijn die bij het avondmaal staat voor het bloed van het nieuwe verbond, vergoten tot vergeving van zonden. (Mark 14:23)

## Azaria (persoon)

- Hebreeuwse naam ('JHWH heeft geholpen') van een van de drie vrienden van Daniël aan het Babylonische hof; Babylonisch Abed-Nego genoemd. (Geb. Az. 1:25)
- Hebreeuwse naam ('JHWH heeft geholpen') van een van de drie vrienden van Daniël; Babylonisch Abed-Nego genoemd. (Gez. Vuur. 1:88)
- Andere naam voor koning Uzzia van Juda, zoon en opvolger van Amazia. Regeerde lang en welvarend, maar werd op zijn oude dag met melaatsheid geslagen. (2 Kon 15:1)

## Azaria, hogepriester (persoon)

- Hogepriester ten tijde van koning Uzzia van Juda. Bekend om zijn standvastige weerstand tegen de koning toen deze het reukaltaar wilde betreden. (2 Kron 26:17)

## Azaria, zoon van Oded (persoon)

- Profeet ten tijde van koning Asa van Juda. Bekend om zijn aansporende toespraak na een grote militaire overwinning, die mede de aanleiding vormde tot godsdienstige hervorming. (2 Kron 15:1)

## Azarias (persoon)

- Hebreeuwse naam ('JHWH heeft geholpen'). In Tobit het pseudoniem dat de engel Rafael aanneemt; ook verder in de bijbel een veel voorkomende naam. (Tob 5:15)

## Azarja (persoon)

- Hebreeuwse naam ('JHWH heeft geholpen'), in de bijbel gedragen door verschillende personen, onder wie een van de bevelhebbers onder Judas Makkabeüs. (1 Makk 5:18)
- Naam (betekenis 'JAHWEH heeft geholpen') van meerdere personen in de Schrift. Komt onder andere voor als hofbeambte aan het hof van koning Salomo. (1 Kon 4:5)

## Azazel (begrip)

- Naam of bestemming van de tweede bok op de Grote Verzoendag, die de zonden van het volk wegdroeg de woestijn in. De betekenis is omstreden: 'wegvoerende', plaatsnaam of demonennaam. (Lev 16:8)

## azijn (voorwerp)

- Zure wijn (posca), het gewone goedkope drankje van Romeinse soldaten. Gold ook als pijnstiller voor wie aan het kruis hingen. (Mark 15:36)

## Azië (plaats)

- Romeinse provincie aan de westkust van Klein-Azië (huidig west-Turkije), met als hoofdstad Efeze. Niet te verwarren met het hele werelddeel; in het Nieuwe Testament altijd de provincie. (Hand 6:9)
- Romeinse provincie in West-Klein-Azië, gebied waarin de zeven gemeenten van Openbaring lagen. (1 Petr 1:1)
- In de Bijbel doorgaans aanduiding voor het westen van het huidige Klein-Azië (Anatolië); in hellenistische tijd onder Seleucidische, later Romeinse heerschappij. (1 Makk 8:6)

## Azor (persoon)

- Naoorlogse nakomeling van David, alleen bekend uit het Nieuwtestamentische geslachtsregister van Jezus. (Matt 1:13)

## Azote (plaats)

- Filistijnse stad aan de Middellandse Zeekust, in het Oude Testament Asdod genoemd. Filippus kwam hier uit nadat de Geest hem na de doop van de kamerling had weggevoerd. (Hand 8:40)
- Griekse vorm van Asdod, oude Filistijnse stad aan de zuidelijke kustvlakte van Palestina. (1 Makk 4:15)

## Aäron (persoon)

- Eerste hogepriester van Israël en oudere broer van Mozes uit de stam Levi. Diende als woordvoerder van Mozes voor Farao en stamvader van het priesterlijke geslacht. (Ex 4:14)
- Eerste hogepriester van Israël, broer van Mozes en zoon van Amram. Stamvader van het priesterlijke geslacht uit de stam Levi. (Lev 8:2)
- Eerste hogepriester van Israël en oudere broer van Mozes. Stierf op de berg Hor aan de grens van Edom; opgevolgd door zijn zoon Eleazar. (Num 20:28)
- Eerste hogepriester van Israël en oudere broer van Mozes. Stamvader van het priesterlijke geslacht uit de stam Levi. (Dt 10:6)
- Oudere broer van Mozes, eerste hogepriester van Israël en stamvader van het priestergeslacht. Stond Mozes terzijde bij de uittocht en de inrichting van de eredienst. (Joz 24:5)
- Oudste broer van Mozes en eerste hogepriester van Israël. Stamvader van het priestergeslacht. (Ps 77:21)
- Oudere broer van Mozes en stamvader van het Israëlitische priestergeslacht. Eerste hogepriester van het verbondsvolk. (Matt 23:35)
- Broer van Mozes en eerste hogepriester van Israël. (Hebr 5:4)
- Broer van Mozes en eerste hogepriester van Israël. Stamvader van het hogepriesterlijk geslacht. (3 Ezra 8:2)

## Aäronieten in dienst (begrip)

- Aanduiding voor de Aäronitische priesters in hun bijzondere bediening aan het altaar. Stonden centraal in het offerwerk, terwijl de overige Levieten hen daarbij ondersteunden. (1 Kron 23:28)

## Aäronitische zegen (cultisch)

- De plechtige driedelige zegenformule waarmee de priester het volk Israël zegende: 'De Heere zegene u en behoede u...' Bekend als de hogepriesterlijke zegen. (Dt 10:8)

## Aärons staf (voorwerp)

- De wandelstaf van Aäron, die op wonderbaarlijke wijze bloeide en amandelen voortbracht. Werd in de tabernakel bewaard als bevestiging van Aärons priesterschap. (Num 17:8)

## baan (begrip)

- Niet typische Lukas-term. (Luk 1:9)
- Gebaand pad;. (Spr 4:26)

## baar (begrip)

- Draagbaar voor het vervoeren van een dode naar de begrafenis. In de oudheid bestond uit een open lijkkleed of plank. (Matt 9:18)
- Spruit of loot; in beeldspraak voor de natuurlijke voortbrenging. Soms gebruikt voor de uit het zaad voortgekomen vrucht. (Rom 15:8)

## baarde (begrip)

- Verouderd Nederlands voor 'baren' of 'ter wereld brengen'. Vrouwen baren kinderen. (Gen 4:1)

## baas (begrip)

- Heerser of meester; in geestelijke zin niet de mens maar Christus die over de gemeente heerst. Door Paulus afgewezen als gezindheid. (1 Kor 5:12)

## Babe (persoon)

- Zoon van Jaazania, niet de wijdere Baruch — gezel van Jeremia bij de scheper-tijd; weinig over bekend. (Jer 35:3)

## Babel (plaats)

- Hoofdstad van het Babylonische rijk aan de Eufraat. Onder Nebukadnezar veroveraar van Juda en plaats van de ballingschap; in het Nieuwe Testament ook beeld voor wereldse, antigoddelijke macht. (Gen 10:10)

## Babels gouden beker (uitdrukking)

- Beeld dat oppakt voor het 'grote Babylon'. (Jer 51:7)

## Babels val (uitdrukking)

- Het langste profetische blok, gericht tegen Babel zelf — door diezelfde Babel waarmee Juda werd gestraft. Ook Babel zal tot een puinhoop, een wildernis worden. (Jer 50:1)

## Babylon (plaats)

- Niet centraal in Hand; in 1 Petr. (Hand 1:13)
- Oude wereldstad aan de Eufraat; in het Nieuwe Testament beeld van de antichristelijke wereldmacht. (1 Petr 5:13)
- Stad in Mesopotamië aan de Eufraat, hoofdstad van het Babylonische rijk. In de bijbel zowel historische plaats als symbool van wereldmacht en afgodendienst. (3 Ezra 6:23)
- Hoofdstad van het Babylonische rijk aan de Eufraat. Centrum van de Joodse ballingschap na 586 v.Chr. (Sus 1:1)
- Hoofdstad van het Babylonische rijk aan de Eufraat, na 539 v.Chr. provinciehoofdstad van het Perzische rijk. (BelDra 1:33)
- Hoofdstad van het oude Babylonische rijk aan de Eufraat in Mesopotamië; in de Bijbel beeld van wereldse en godvijandige macht. (1 Makk 6:4)

## Babylon, gezanten (begrip)

- Aanduiding voor diplomatieke afgezanten die door Babylonische koningen aan andere staten werden gezonden. Speelden een belangrijke rol in het sluiten van anti-Assyrische bondgenootschappen. (2 Kon 20:14)

## Babylonische ballingschap (begrip)

- Periode (ca. 586-538 v.Chr.) waarin Juda na de val van Jeruzalem in het Babylonische rijk werd weggevoerd. Tempel, eredienst en koningschap waren verloren. (Geb. Az. 1:32)
- De wegvoering van de bevolking van Juda naar Babel onder koning Nebukadnezar in de zesde eeuw v. Chr. Markeerde het einde van het zelfstandige koninkrijk Juda en het begin van een nieuwe fase in Israëls geschiedenis. (2 Kon 25:11)

## Babylonische verlossing (begrip)

- In het apocriefe 4 Ezra het uitzien naar de bevrijding van het verwoeste Sion uit de macht van het wereldrijk dat over haar heerst. (4 Ezra 12:48)

## Babylonië (plaats)

- Het oude land Babylon in Mesopotamië, gelegen tussen de Eufraat en de Tigris; in hellenistische tijd onder Seleucidische heerschappij. (2 Makk 8:20)

## Babyloniërs (volk)

- Inwoners van het Babylonische rijk in Mesopotamië. Aanbaden talloze afgoden, met Mardoek (Bel) als hoofdgod. (BelDra 1:2)
- Inwoners van het Babylonische rijk in Mesopotamië. Aanbaden talrijke afgoden, met Mardoek (Bel) als hoofdgod. (Bar 6:1)

## Bacchides (persoon)

- Seleucidische veldheer in de tweede eeuw v.Chr., onder Demetrius I betrokken bij de strijd tegen de Makkabeeën in Judea. (1 Makk 7:8)

## Bachuram (plaats)

- Plaatsnaam in het bergland nabij Jeruzalem, vermeld in profetische literatuur. De precieze ligging is onzeker. (Zach 14:5)

## bad der wedergeboorte (begrip)

- Aanduiding voor de doop als zichtbaar teken van de geestelijke vernieuwing en wedergeboorte door de Heilige Geest. (Tit 3:5)

## badwater (begrip)

- Een vijver of bassin met water, gebruikt voor rituele reiniging of genezing. Bij het badwater Bethesda lagen zieken te wachten. (Joh 5:2)

## badwater Siloam (plaats)

- Het badwater waarin de blindgeborene zich moest wassen — Siloam betekent. (Joh 9:7)

## Bagoas (persoon)

- In het apocriefe boek Judith de hoofd-eunuch en vertrouweling van Holofernes. Persische naam, ook gedragen door andere hofbeambten in de oudheid. (Jdt 12:10)

## Bajan (plaats)

- Land of stam ten oosten van de Jordaan, vermoedelijk in het gebied van de Nabateeën. (1 Makk 5:4)

## bakker (persoon)

- Vakman die brood bakt. In Egypte ook ambt aan het hof; de overste der bakkers werd door Jozef in de gevangenis ontmoet. (Gen 40:1)

## Balak (persoon)

- Koning van Moab, zoon van Zippor. Huurde de profeet Bileam in om Israël te vervloeken, maar werd telkens teleurgesteld. (Num 22:2)
- Koning van Moab ten tijde van de uittocht en het optrekken van Israël naar Kanaän. Bekend door zijn poging Israël te laten vervloeken via de profeet Bileam. (Joz 24:9)

## Balaäm (persoon)

- Profeet die zich liet betalen om Israël te vervloeken; type van valse leraren die om winst dwalen. (Jud 1:11)
- Wordt verworpen — afgodendienst en hoererij. (Openb 2:14)

## balk (begrip)

- Zwaar stuk timmerhout, in beeldspraak gebruikt voor een grote eigen tekortkoming tegenover een kleine fout (splinter) bij een ander. (Matt 7:3)

## balling (begrip)

- Wie buiten zijn vaderland is; van de gelovige die in dit lichaam uitwoont van de Heere. Beeld van het pelgrimsleven. (2 Kor 5:6)
- Iemand die uit zijn land of woonplaats is verdreven of gedeporteerd, vaak naar een vreemd land. Centraal in de geschiedenis van Israël en Juda. (Hos 9:3)
- Iemand die uit zijn land of woonplaats is verdreven of gevlucht. In bredere zin ook iemand die zich vrijwillig aan zijn opdracht of gemeenschap onttrekt. (Jon 1:3)

## ballingen (begrip)

- Personen die uit hun vaderland zijn weggevoerd, in het bijzonder de Joden in de Babylonische ballingschap. Vormden in Babel een geloofsgemeenschap die uit haar midden de teruggekeerden naar Jeruzalem voortbracht. (Ezra 1:11)

## ballingschap (begrip)

- Het wegvoeren van een volk uit zijn eigen land naar een vreemd gebied. Door God aangekondigd als oordeel over ongehoorzaam Israël. (Lev 26:33)
- Periode (586-538 v.Chr.) waarin Juda na de val van Jeruzalem naar Babel werd weggevoerd. Eindigde met het edict van Cyrus dat de terugkeer toestond. (3 Ezra 5:7)
- De gedwongen wegvoering van een volk uit zijn vaderland, in het bijzonder de Babylonische wegvoering van de Joden in de zesde eeuw v. Chr. Werd in de Schrift uitgelegd als straf voor de ontrouw aan het verbond. (Neh 1:7)

## balsem (natuur)

- Welriekende harssoort gewonnen uit de balsemboom. Kostbare handelswaar in de oudheid, gebruikt voor parfum en geneesmiddel. (Gen 37:25)

## balsem in Gilead (uitdrukking)

- Geworden tot spreekwoord voor onverwacht uitblijvend genezing. (Jer 8:22)

## balsemen (begrip)

- Het conserveren van een lichaam na de dood door behandeling met specerijen, hars en olie. In Egypte een hoog ontwikkelde kunst, waardoor mummies werden bereid. (Gen 50:2)

## Balthazar (persoon)

- Babylonische naam, in de bijbel gedragen door de zoon (of nazaat) van Nebukadnezar bij wiens feest het rijk volgens Daniël 5 viel. (Bar 1:11)

## ban (wet)

- Wat onherroepelijk aan God gewijd was en daarom niet meer gelost kon worden. Een gebande mens of zaak werd vernietigd. (Lev 27:28)
- Het toewijden van personen of zaken aan de Heere voor onherroepelijke vernietiging. Vooral bij oorlogen toegepast op heidense steden en hun bewoners. (Num 21:2)
- Het toewijden van personen of zaken aan onherroepelijke vernietiging voor God. Vooral toegepast op de heidense Kanaänitische volken bij de verovering van het land. (Dt 7:2)
- Religieuze wijding van personen of zaken aan de ondergang ten dienste van JAHWEH. Wat onder de ban viel mocht niet als buit genomen worden, op straffe van Gods toorn. (Joz 6:17)

## band des vredes (begrip)

- Wat de eenheid des Geestes bewaart. (Ef 4:3)

## banden (begrip)

- Boeien of ketenen waarmee gevangenen werden vastgehouden; in apostolische brieven aanduiding voor gevangenschap om Christus' wil. (Filem 1:10)
- Waarmee gevallen engelen onder de duisternis bewaard worden. (Jud 1:6)
- Touwen of ketens waarmee gevangenen werden vastgelegd. In de bijbel beeld van vernedering, gevangenschap en onmacht. (3 Makk 5:3)

## banden des Evangelies (begrip)

- Gevangenschap die iemand draagt om wille van de verkondiging van het evangelie. (Flm 1:13)

## bandsteen (voorwerp)

- Een van de twee onyxstenen op de schouders van het schouderkleed (efod) van de hogepriester. Op elke steen waren zes namen van de stammen van Israël gegraveerd. (Ex 28:9)

## banket van Esther (begrip)

- Aanduiding voor de twee maaltijden die koningin Esther voor haar gemaal en de hovelingen aanrichtte. Vormden het scharniermoment in het verhaal waarin de aanslag op haar volk werd onthuld. (Esth 5:4)

## banket van Vasti (begrip)

- Aanduiding voor het feestmaal dat koningin Vasti voor de vrouwen van het Perzische hof aanrichtte. Vormde het tegenstuk van het mannenfeest van haar gemaal. (Esth 1:9)

## Bar-abbas (persoon)

- Een moordenaar die gevangen zat in Jeruzalem. De Joden kozen ervoor om hem vrij te laten in plaats van Jezus. (Joh 18:40)

## Bar-Jezus (persoon)

- Tovenaar op Cyprus, ook Elymas genoemd, door Paulus met blindheid geslagen. (Hand 13:6)

## Barabbas (persoon)

- Joodse oproerling en moordenaar die door Pontius Pilatus op aandringen van het volk werd vrijgelaten in plaats van Jezus. (Matt 27:16)

## Barak (persoon)

- Zoon van Abinoam uit Kedes-naftali, militair leider van Israël ten tijde van Debora. Versloeg samen met de noordelijke stammen het leger van Sisera in de slag bij de Kison. (Ri 4:6)

## barbarij (begrip)

- Wreedheid en grove onbeschaafdheid. In Griekse mond aanduiding voor wat niet aan de Griekse beschaving voldoet. (2 Makk 15:2)

## barbierscheermes (uitdrukking)

- Scherp scheermes dat in de oudheid door barbiers werd gebruikt voor het scheren van haar en baard. In de Bijbel ook gebruikt voor symbolische tekenhandelingen. (Ez 5:1)

## Bareachel (persoon)

- Vader van Elihu in het boek Job, een Buziet uit het geslacht Ram. Verder alleen door deze afstamming bekend. (Job 32:2)

## barensnood (begrip)

- Beeldspraak voor diep, ondragelijk lijden dat aan een nieuwe geboorte voorafgaat. Gebruikt voor de zuchtende schepping en voor het apostolisch werk. (Rom 8:22)
- Plotselinge en onontkoombare weeen van een baring; in eschatologisch verband beeld voor het onverwacht komende oordeel. (1 Th 5:3)

## barmhartig en genadig (begrip)

- Vaste belijdenis van Gods karakter in het Oude Testament: medelijdend, genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Teruggrijpend op de openbaring aan Mozes. (Jon 4:2)

## barmhartige (begrip)

- Iemand die anderen in nood ontferming en hulp betoont, in het evangelie tot voorbeeld gesteld in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. (Luk 10:33)

## barmhartige God (begrip)

- Bijbelse Godsnaam die zijn ontferming en lankmoedigheid jegens zondaren benadrukt. Een van de kernwoorden waarmee Israël zijn God beleed. (Tob 6:21)

## barmhartige Samaritaan (begrip)

- De gelijkenis waarin een Samaritaan een gewonde Jood verzorgt — antwoord. (Luk 10:30)

## barmhartigheid (begrip)

- Innige ontferming en goedertierenheid jegens een hulpeloze of schuldige. In de Bijbel een centrale eigenschap van God. (Gen 19:19)
- Gods bewogenheid met de ellendige en schuldige mens, die zich uit in vergeving en redding. Ook gevraagd van mensen onderling. (Ps 51:3)
- Meelevende ontferming met wie in nood is, vaak gepaard met daadwerkelijke hulp. In de Bijbel een wezenlijke eigenschap van God en een geboden deugd voor mensen. (Matt 5:7)
- Gods ontferming over ellendige zondaren; ook de deugd waarin de mens zich over de nood van anderen ontfermt. Een grondtoon van het evangelie. (Rom 11:32)
- Goddelijke ontferming over de mens in nood; vast onderdeel van apostolische heilgroeten naast genade en vrede. (2 Joh 1:3)
- Gods ontferming over zondaren, vergevingsgezindheid en lankmoedigheid. Een van zijn voornaamste eigenschappen, waarop de boetvaardige zich werpt. (Geb. Man. 1:6)
- Gods ontferming over zondaren, vergevingsgezindheid en lankmoedigheid. Een van zijn voornaamste eigenschappen. (3 Makk 2:19)

## barmhartigheid liefhebben (begrip)

- Houding waarin men weldadigheid en trouw als kernhouding van het leven beoefent. Onderdeel van de bijbelse samenvatting van wat God van mensen vraagt. (Mi 6:8)

## barmhartigheid verwachten (begrip)

- Verwachtende de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven — Christus' wederkomst tot voltooide redding. (Jud 1:21)

## Barnabas (persoon)

- Metgezel van Paulus op de eerste zendingsreis. (Hand 4:36)
- Metgezel van Paulus die mee naar Jeruzalem ging om de heidenzending te bespreken. (Gal 2:1)

## Bartholomeüs (persoon)

- Een van de twaalf apostelen, in de evangelielijsten samen met Filippus genoemd. Wordt vaak vereenzelvigd met Nathanaël uit het Johannesevangelie. (Matt 10:3)

## Bartimeus (persoon)

- Aramees voor Naam van de blinde bedelaar bij Jericho die door Jezus werd genezen. (Mark 10:46)

## Baruch (persoon)

- Zoon van Neria en secretaris (schrijver) van de profeet Jeremia in de zesde eeuw v.Chr. Aan hem is het apocriefe boek Baruch toegeschreven. (Bar 1:1)
- Schrijver en metgezel van Jeremia, zoon van Neria. Schreef de profetieën van Jeremia op en bewaarde ze. (Jer 32:12)

## Barzillai (persoon)

- Vermogend Gileadiet, woonachtig in het Overjordaanse gebied. Bekend om zijn gulle steun aan koning David tijdens de opstand van Absalom en zijn weigering van koninklijke beloning op zijn oude dag. (2Sam 17:27)

## Basan (plaats)

- Vruchtbare hoogvlakte ten oosten van het meer van Galilea, koninkrijk van koning Og. Bekend om zijn eikenbomen en sterke runderen. (Num 21:33)
- Vruchtbaar hoogland ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea. Voormalig koninkrijk van de reuzenkoning Og, toegewezen aan de halve stam Manasse. (Joz 12:4)
- Vruchtbare hoogvlakte ten oosten van de Jordaan, ten noorden van de Jabbok. Bekend om sterke runderen en eikenbomen. (Ps 22:13)
- Vruchtbaar hoogland ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, bekend om vee en eiken. Symbool van weelderige groei. (Am 4:1)

## Bascama (plaats)

- Plaats in Gilead ten oosten van de Jordaan, ligging niet zeker bekend. (1 Makk 13:23)

## Basmath (persoon)

- Naam van twee vrouwen van Esau: een dochter van Elon de Hethiet en een dochter van Ismaël (zuster van Nebajoth). (Gen 26:34)

## Bath (begrip)

- Joodse inhoudsmaat voor vloeistoffen, ongeveer 22 liter. Vormde de standaardmaat voor wijn en olie in cultische en commerciële contexten. (2 Kon 23:14)

## Bath-seba (persoon)

- Vrouw van Uria de Hethiet en later van koning David, met wie zij in zonde was getrouwd na een door David beraamde moord op Uria. Werd de moeder van Salomo en stond aan de basis van het verdere koningshuis. (2Sam 11:3)

## Bath-Sheba (persoon)

- Vrouw van Uria de Hethiet en later van koning David. Werd de moeder van Salomo en stond aan de basis van het verdere koningshuis. (2 Kron 11:18)

## Bath-Sua (persoon)

- Andere naam voor Bath-seba, vrouw van koning David en moeder van Salomo. Komt onder deze naam vooral in het geslachtsregister voor. (1 Kron 3:5)

## Bathseba (persoon)

- Vrouw van Uria, met wie David zondigde. Is geschreven na de bestraffing van Nathan over deze zonde. (Ps 51:2)
- Vrouw van Uria de Hethiet en later van koning David, met wie zij in zonde was getrouwd. Werd de moeder van Salomo en stond aan de basis van het verdere koningshuis. (1 Kon 1:11)

## bazuin (voorwerp)

- Blaasinstrument, oorspronkelijk van een ramshoorn (sjofar) of zilver. Gebruikt voor het verzamelen van het volk, bij feesten en in de oorlog. (Ex 19:19)
- Blaasinstrument gemaakt van een gebogen ramshoorn (sjofar) of metaal, gebruikt bij de eredienst, op feestdagen en in de strijd. Diende ook om het volk samen te roepen of een waarschuwing te geven. (1Sam 13:3)
- Ramshoorn (sjofar) of metalen trompet, gebruikt bij feesten, oorlog en intronisatie. (Ps 47:6)
- Blaasinstrument van ramshoorn (sjofar) of metaal, gebruikt voor cultische signalen, oorlog en feestdagen. Symbool van Gods komst en oordeel. (Matt 24:31)
- Trompet; teken bij Gods openbaringen en bij de wederkomst van Christus. Roept op tot verzameling. (1 Kor 15:52)
- Trompet die in de Schrift dient ter aankondiging; in de Openbaring de zeven bazuinen die plagen aankondigen. (Openb 1:10)
- Trompet van ramshoorn of metaal, gebruikt voor het oproepen van het volk, het aankondigen van feesten en het waarschuwen voor oorlog of oordeel. (Joël 2:1)

## bazuin Gods (begrip)

- Bazuingeschal als signaal van Gods optreden; in eschatologisch verband begeleidt het de wederkomst van Christus en de opstanding der doden. (1 Th 4:16)

## bazuinen (voorwerp)

- Zilveren trompetten die door de priesters werden geblazen om het volk te verzamelen, voor het opbreken en bij feesten en oorlog. Twee in totaal, gemaakt op Gods bevel. (Num 10:2)

## bazuinendag (cultisch)

- Eerste dag van de zevende maand, een rustdag met bazuingeschal en heilige samenkomst. In het jodendom later bekend als Rosj Hasjana. (Lev 23:24)

## Baäl (begrip)

- Hoofdgod van de Kanaänieten, vereerd als god van de vruchtbaarheid, de regen en de storm. Zijn cultus vormde voortdurend een verleiding voor Israël en wordt in de Schrift scherp veroordeeld. (Ri 2:11)
- Kanaänitische vruchtbaarheidsgod, hoofd van het Kanaänitische pantheon. In de bijbel veelvuldig de afgod tegen wie de profeten ageerden. (Tob 1:5)
- Voornaamste vruchtbaarheidsgod van de Kanaänieten en Feniciërs. Hardnekkige verleiding voor Israël door de hele oudtestamentische geschiedenis heen. (Hos 2:16)

## Baäl-berith (begrip)

- Plaatselijke vorm van Baäl, vereerd in Sichem. De naam betekent 'Baäl van het verbond' en duidt op een lokale verbondsgod. (Ri 9:4)

## Baäl-Gad (plaats)

- Plaats aan de voet van de berg Hermon in het uiterste noorden van Kanaän. Gold als noordelijke grens van het door Jozua veroverde gebied. (Joz 11:17)

## Baäl-hanan (persoon)

- Een van de oude koningen van Edom, zoon van Achbor. Regeerde in de tijd voordat er nog een koning over Israël heerste. (Gen 36:38)

## Baäl-Peor (begrip)

- Een lokale Baäl-godheid, vereerd op de berg Peor in Moab. De afgoderij waarin Israëlieten zich met Moabitische vrouwen verstrikten. (Num 25:3)
- Plaats in Moab waar Israël tijdens de woestijntijd in afgoderij en hoererij verviel. De naam verwijst naar de Baäl die op de berg Peor werd vereerd. (Hos 9:10)

## Baäl-Perasim (plaats)

- Plaats nabij Jeruzalem, met de betekenis 'heer der scheuringen'. Genoemd als toneel van een beslissende overwinning van koning David op de Filistijnen. (1 Kron 14:11)

## Baësa (persoon)

- Derde koning van het noordelijke rijk Israël, zoon van Ahia uit de stam Issaschar. Kwam aan de macht door uitroeiing van het huis van Jerobeam en regeerde vierentwintig jaar. (1 Kon 15:16)
- Derde koning van het noordelijke rijk Israël, zoon van Ahia uit de stam Issaschar. Kwam aan de macht door uitroeiing van het huis van Jerobeam. (1 Kron 9:1)

## Becher (persoon)

- Tweede zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een Benjaminietische clan. (Gen 46:21)

## bedachtzaamheid (begrip)

- Overleg, plan met overleg; in Spreuken positief gebruikt. (Spr 8:12)

## Bedad (persoon)

- Edomitische persoonsnaam, vader van Hadad, een van de oude koningen van Edom. (Gen 36:35)

## beddeken (overig)

- Een kleine draagbare mat of slaapmat. Jezus zei tegen de lamme bij Bethesda. (Joh 5:8)

## bedekken van zonden (begrip)

- Wie de zondaar bekeert van de dwaling zijns wegs, zal een ziel van de dood behouden en menigte van zonden bedekken. (Jak 5:20)

## bedekking (begrip)

- Hoofdbedekking als teken van orde tussen man en vrouw, en in geestelijke zin de bedekking die op het hart kan liggen. Wordt in Christus weggenomen. (1 Kor 11:5)

## bedeling der genade (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Gods genade en vrede. (Ef 3:2)

## Bedevaart (begrip)

- Reis naar Jeruzalem. De Psalmen 120-134 dragen het opschrift 'Een lied Hammaäloth' — gezangen van de bedevaartgangers. (Ps 120:1)

## bediening (begrip)

- Dienst aan God en mensen, vooral het ambt van leiderschap en zorg in de gemeente. Tegenovergesteld aan heersen. (Matt 4:10)
- Door God toevertrouwde dienst of ambt, in het bijzonder de bediening van het Woord en de verzoening. Het werk van apostelen, leraars en diakenen in de gemeente. (Rom 1:1)
- Door God opgedragen ambt of dienst in de gemeente, in het bijzonder van opzieners en ouderlingen. (Tit 1:5)
- Dienstwerk; in nieuwtestamentisch gebruik vaak het door God opgedragen ambt of dienstverlening aan medegelovigen. (Filem 1:13)

## bediening der gerechtigheid (begrip)

- De bediening van het nieuwe verbond die overvloedig is in heerlijkheid. Tegenover de bediening der verdoeming gesteld. (2 Kor 3:9)

## bediening des doods (begrip)

- Aanduiding van de wet als bediening die in stenen ingegraven slechts veroordeling brengt. Tegenovergesteld aan de bediening van de Geest. (2 Kor 3:7)

## bediening volbrengen (begrip)

- Voltooien wat opgedragen is. (2 Tim 4:5)

## Bedolah (overig)

- Welriekende harssoort, mogelijk een gomhars of edelsteen. Genoemd onder de schatten van het land Havila. (Gen 2:12)

## bedreiging (begrip)

- Een uitgesproken voornemen om kwaad te doen. In de Bijbel vaak voorafgaand aan een wraakdaad of conflict. (Gen 27:41)

## bedrieger (begrip)

- Wie met list anderen schade doet. 'Een man van bedrog'. (Ps 5:7)
- Wie misleidt; eigen winst nooit duurzaam. (Spr 11:18)

## bedrog (begrip)

- Misleiding, oneerlijkheid. Jezus zei over Nathanaël. (Joh 1:48)
- Misleiding voor eigen gewin; door God gehaat. (Spr 12:5)

## bedrukte (begrip)

- Iemand die onder druk staat — vernederd, onderdrukt, ellendig. JAHWEH is een burcht voor bedrukten in tijden van benauwdheid. (Ps 9:10)

## beek die droogvalt (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor wie of wat in tijden van nood geen hulp blijkt te bieden. Ontleend aan de zomerwaterloop in het Midden-Oosten die in droge tijden opdroogt. (Job 6:15)

## beek Kedron (plaats)

- Een beekdal tussen Jeruzalem en de Olijfberg. Jezus stak deze beek over op weg naar de hof waar Hij gevangen werd genomen. (Joh 18:1)

## beeld (begrip)

- Voorstelling of gelijkenis. De mens is geschapen 'naar Gods beeld', wat duidt op zijn waardigheid en bestemming als vertegenwoordiger van God op aarde. (Gen 1:26)
- Gelijkenis of afbeelding; in theologische zin het beeld van God waarnaar de mens geschapen is en dat in Christus hersteld wordt. Onderscheiden van afbeelding in stoffelijke zin. (Rom 8:29)
- Afbeelding of weerspiegeling. In de bijbel ook gebruikt voor de mens als beeld van God en voor de Zoon als beeld van de Vader. (Wijsh 7:26)

## beeld der ijver (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor een afgodsbeeld dat Gods naijver of toorn opwekt. Mogelijk verwijzend naar een Asjera-beeld in het tempelgebied. (Ez 8:5)

## beeld Gods (begrip)

- Bijbels begrip dat de mens volgens Genesis 1:27 naar Gods beeld is geschapen. Drukt zijn unieke positie en waardigheid in de schepping uit. (Sir 17:3)

## beeld van het beest (voorwerp)

- Het beeld dat de aardbewoners voor het beest moesten oprichten en aanbidden, op straffe van de dood. (Op 13:14)

## beeld van koning (begrip)

- In de oudheid een door de koning op afstand opgesteld beeld dat zijn aanwezigheid en macht vertegenwoordigde, vaak met cultische verering verbonden. (Wijsh 14:17)

## beeldendienst (begrip)

- De vereering van godenbeelden, in de bijbel scherp veroordeeld door het tweede gebod (Exodus 20:4-5) en door de profeten. (Wijsh 13:10)

## beenderen (begrip)

- Het stevige binnenste van de mens; in lijden 'verbroken'. 'Al mijn beenderen vrezen'. (Ps 6:3)
- Botten; beeld voor diepste lichaamskracht. (Spr 3:8)

## beenderen Jozefs (begrip)

- De stoffelijke resten van Jozef, die volgens zijn eigen verzoek door Israël uit Egypte werden meegenomen. Werden te Sichem begraven in het stuk land dat Jakob daar had gekocht. (Joz 24:32)

## beenderen kleven aan vlees (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor uiterste vermagering door langdurige ziekte. Klassieke uitdrukking van lichamelijke ondergang in klaagliteratuur. (Job 19:20)

## Beenderen uit graven gebracht (uitdrukking)

- Bij de val van Jeruzalem zullen de beenderen van de koningen, vorsten, priesters, profeten en inwoners uit hun graven gehaald en voor zon en maan uitgespreid worden — uiterste oneer. (Jer 8:1)

## beer (begrip)

- Verscheurend dier dat in de Schrift soms parallel met de leeuw genoemd wordt als beeld van geweldige vijanden. (Ps 22:14)
- Roofdier; beeld van toornige man. (Spr 17:12)

## Beerseba (plaats)

- Stad in het Negeb, in het zuiden van Juda, waar Abraham en Isaak verbleven. Gold als zuidelijke grenspaal van het beloofde land in de uitdrukking 'van Dan tot Berseba'. (1Sam 8:2)

## beest (begrip)

- Symbool in de Openbaring voor de antichristelijke wereldmacht die God lastert en de gelovigen vervolgt. (Openb 11:7)

## beest uit de aarde (persoon)

- Het tweede beest dat uit de aarde opkwam, twee hoornen had als een lam, en sprak als de draak — de valse profeet. (Op 13:11)

## beest uit de afgrond (persoon)

- Het beest dat uit de afgrond opkomt en de twee getuigen overwint en doodt aan het einde van hun getuigenis. (Op 11:7)

## beest uit de zee (persoon)

- Het eerste beest dat uit de zee opkwam, met tien hoornen en zeven hoofden, met namen der godslastering — de antichrist. (Op 13:1)

## begeerden ontvangen (begrip)

- Indien wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij dat wij de bedingen verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben. (1 Joh 5:15)

## begeerlijk (begrip)

- Wat verlangen opwekt; aantrekkelijk en verleidelijk. Vaak gebruikt voor het uiterlijk van personen of dingen die tot zonde verleiden. (Gen 3:6)

## begeerlijkheid (begrip)

- De goddeloze begeerten waarnaar spotters wandelen. (Jud 1:16)
- Onreine begeerte of lust, in de bijbel meestal in seksuele of materiële zin. Beschouwd als een grondzonde van het menselijk hart. (Sus 1:8)
- Sterk verlangen naar verboden zaken; brengt de mens om. (Spr 11:6)

## begeerlijkheid baart zonde (begrip)

- Een ieder wordt verzocht als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt; daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende, baart zij zonde. (Jak 1:14)

## begeerlijkheid der ogen (begrip)

- Een van de drievoudige werelddrijfveren — een afgodische honger naar wat het oog ziet en begeert. (1 Joh 2:16)

## begeerlijkheid des vleses (begrip)

- Al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader maar uit de wereld. (1 Joh 2:16)

## begeerte (begrip)

- Sterk verlangen naar iets, dat zowel goed als slecht kan zijn. In de Bijbel vaak negatief geladen als zondige hartstocht. (Gen 3:16)
- Verlangen; goede begeerte van de rechtvaardige is goed, kwade van goddelozen toorn. (Spr 11:23)

## begeerte uwer ogen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor wat iemand zeer dierbaar is en zijn diepste verlangen vormt. Soms toegepast op personen, soms op heilige plaatsen. (Ez 24:16)

## begeren (begrip)

- Vurig verlangen naar God en Zijn nabijheid. (Ps 27:4)

## begiftigen (begrip)

- Met geschenken/gunsten begenadigen, rijkelijk geven. God begiftigt Zijn volk met gaven; ook in negatieve zin gebruikt voor het overladen met smaad of straf. (Ps 68:19)

## begin (begrip)

- De eeuwige Zoon, het Woord van het leven. (1 Joh 1:1)
- Aanduiding van de oorspronkelijke, vanaf het eerste optreden van Jezus en de apostelen overgeleverde boodschap. (2 Joh 1:5)

## begin bij Mijn heiligdom (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking dat Gods oordeel begint bij wie het dichtst bij Hem staan. In het Nieuwe Testament door Petrus opgenomen. (Ez 9:6)

## begin- en eindstaat (uitdrukking)

- Aanduiding voor het literaire patroon waarin een boek begint en eindigt met overeenkomstige formules. In het boek Job met verdubbeling als slot. (Job 42:12)

## beginsel (begrip)

- Begin, eerste deel; — wijsheid begint daar waar God geëerbiedigd wordt. (Spr 1:7)

## beginsel der wijsheid (begrip)

- Bijbels begrip voor het begin en de grondslag van alle wijsheid, in de wijsheidsboeken verbonden met de vreze des Heeren (Spreuken 1:7; 9:10). (Sir 1:14)

## begrafenis (begrip)

- Het ter aarde bestellen van overledenen. In jodendom en bijbel als plicht van ontferming en gerechtigheid hoog gewaardeerd. (Sir 38:16)

## begrafenis van een ezel (uitdrukking)

- Over Jojakim. Smadelijke profetie. (Jer 22:19)

## begraven (begrip)

- Het leggen van een overleden lichaam in een graf. Jezus werd begraven in een nieuw graf in een hof, met specerijen volgens Joods gebruik. (Joh 19:40)
- Het ter aarde bestellen van overledenen. In jodendom en bijbel als plicht van ontferming en gerechtigheid hoog gewaardeerd. (Tob 1:20)

## begrepen (begrip)

- De duisternis heeft het Licht niet — niet aangenomen, niet overweldigd. (Joh 1:5)

## begroeting (begrip)

- Maria's begroeting aan Elisabeth deed het kind in haar schoot opspringen van vreugde. (Luk 1:41)

## behangsel (begrip)

- Kostelijk gordijn of bedhemel boven een vorstelijk bed of in een tent. In de oudheid teken van rang en luxe. (Jdt 10:18)

## Beheerser (persoon)

- Bijbelse Godsnaam die God aanduidt als degene die het bestuur heeft over het leven en de geschiedenis. (Sir 23:1)

## Behemoth (begrip)

- Reusachtig dier dat in de Wijsheidsboeken Gods scheppingsmacht illustreert; in de Psalmen worden grote dieren genoemd als getuigen van Zijn werk. (Ps 50:10)
- Reusachtig landdier dat in Job 40 wordt beschreven en in joodse apocalyptiek als tegenhanger van Leviathan voor de eindtijd is bewaard. (4 Ezra 6:49)
- Hebreeuwse meervoudsvorm die letterlijk 'beesten' betekent, in de Bijbel gebruikt als naam voor een groot landdier. Meestal opgevat als nijlpaard, soms ook als mythologisch monster. (Job 40:15)

## behoeden (begrip)

- Voor kwaad bewaren. (Ps 91:11)
- In bescherming nemen. (Spr 4:23)

## behoeftige (begrip)

- Wie gebrek lijdt; door de HEERE bezocht. (Spr 14:31)

## behoeftigen (begrip)

- Zij die in nood verkeren en op God zijn aangewezen. (Ps 9:19)

## behouden aan land (begrip)

- Allen — 276 zielen — kwamen behouden aan land op het eiland Malta. (Hand 27:44)

## 'Bekeer mij' (uitdrukking)

- Efraïms eigen woord. Bewijs dat zelfs de bekering uit God moet komen. (Jer 31:18)

## Bekeer u, afkerige kinderen (uitdrukking)

- Tegelijk roep en belofte. (Jer 3:14)

## bekeering Nineve's (begrip)

- Profetische gebeurtenis waarbij een heidense stad zich tot God keert door berouw, vasten en verootmoediging. In de Bijbel uniek voorbeeld van een grootschalige bekering van een heidens volk. (Jon 3:5)

## bekennen (begrip)

- Erkennen wat waar is over zichzelf voor God. (Ps 51:5)

## bekentenis (begrip)

- Innerlijke ommekeer waarbij men zich van afgoden afkeert en zich tot de levende en waarachtige God wendt. (1 Tess 1:9)
- Inhoud van het beleden geloof; de gezonde leer die overeenkomt met de waarheid en tot godzaligheid leidt. (Tit 1:9)

## beker (begrip)

- Drinkschaal, beeld voor het toebedeelde lot of bestemming. — God zelf is wat de psalmist toegemeten krijgt. Ook beker van zegen of toorn. (Ps 16:5)

## beker des toorns (uitdrukking)

- Jeremia moet de beker van de wijn van Gods grimmigheid uit Gods hand nemen en alle volken laten drinken. Zinnebeeld voor universeel oordeel; uitloper. (Jer 25:15)

## bekeren van dwaling (begrip)

- Indien iemand onder u afgedwaald is van de waarheid en iemand hem bekeert, die wete dat hij van de dwaling zijns wegs een ziel van de dood zal behouden. (Jak 5:19)

## bekering (begrip)

- De omkeer van de mens van zonde tot God. Centraal in heel de Bijbel; in het Oude Testament uitgedrukt in berouw, terugkeer en hartsverandering. (Gen 3:8)
- Innerlijke ommekeer van zonde naar God, vergezeld van geloof en gedragsverandering. Centraal thema in de prediking van Johannes de Doper en Jezus. (Matt 3:2)
- Omkeer van zonde en ongeloof tot God, met droefheid over de zonde en geloof in Christus. Vrucht van de werking van de Heilige Geest. (2 Kor 7:10)
- Innerlijke omkeer van de zondaar van zijn weg naar God toe. In de bijbel verbonden met berouw, geloof en nieuw leven. (Wijsh 12:19)
- Innerlijke en uiterlijke ommekeer waarbij iemand zich van de zonde afkeert en zich tot God toekeert. Centraal thema in de profetische prediking. (Hos 14:1)

## bekken (overig)

- Een schaal of bak met water. Jezus goot water in het bekken om de voeten van de discipelen te wassen. (Joh 13:5)

## bekleding (begrip)

- Beeldspraak voor het zich toerusten met geestelijke deugden, naar analogie van het aandoen van een wapenrusting. (1 Tess 5:8)

## bekommernis op Hem werpen (begrip)

- Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u — gebed dat zorg overgeeft aan God. (1 Petr 5:7)

## bekwaamheid (begrip)

- Door God geschonken geschiktheid voor een bepaalde dienst of taak. Niet uit eigen kracht, maar uit God die bekwaam maakt. (Rom 12:6)

## Bel (persoon)

- Babylonische hoofdgod, verkorting van Beltis of Mardoek. In de bijbel afgewezen als afgod tegenover JHWH. (BelDra 1:2)

## Bela (persoon)

- Naam met meerdere dragers in Genesis: oude naam van de stad Zoar bij de Dode Zee, een zoon van Benjamin, en de eerste koning van Edom. (Gen 14:2)

## beleden (begrip)

- Openlijk uitspreken wat je gelooft. De ouders van de blindgeborene durfden niet te belijden dat Jezus de Christus was, uit angst voor de Joden. (Joh 9:22)

## beleg van Jeruzalem twee jaar (uitdrukking)

- Het beleg duurde van het 9e jaar van Zedekia (10e maand) tot het 11e jaar (4e maand) — circa 18 maanden, met onderbreking door Egyptes komst. (Jer 39:2)

## belegering (begrip)

- De voorzegging van Jeruzalems belegering door legers — vervulling in 70 n.Chr. (Luk 21:20)

## beleid (begrip)

- Hebr. תּוּשִׁיָּה (tushiyya) — wezenlijke wijsheid, doortastend inzicht dat tot succes leidt. (Spr 2:7)

## Belial (begrip)

- Hebreeuws בְּלִיַּעַל — "waardeloosheid", "verderf". Personificatie van het kwaad; "zonen van Belial" zijn slechte, godloze mannen. "Beken van Belial" zijn vloedgolven van het verderf die de psalmist overweldigen. (Ps 18:5)
- Naam voor de satan als belichaming van wetteloosheid. Tegenpool van Christus. (2 Kor 6:15)
- Aanduiding voor een goddeloze, oproerige of waardeloze persoon. In het latere joodse en christelijke spraakgebruik werd Belial soms ook als naam voor de duivel gebruikt. (2 Kron 13:7)

## Belial-man (begrip)

- Aanduiding voor een goddeloze, oproerige of waardeloze persoon. In het latere joodse en christelijke spraakgebruik werd Belial soms ook als naam voor de duivel gebruikt. (2Sam 20:1)

## belijden (begrip)

- Voor God uitspreken: schuld én Gods grootheid. Of 'Ik beleed U mijn zonde'. (Ps 32:5)
- Zonden belijden brengt vergeving; Jezus belijden als Zoon Gods is geestelijk leven. (1 Joh 1:9)

## belijden God maar verloochenen (begrip)

- Tegenstrijdigheid tussen mondelinge belijdenis en levenswandel, waarbij men met de werken loochent wat met de mond beleden wordt. (Tit 1:16)

## belijden van zonden (begrip)

- Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat u gezond wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel. (Jak 5:16)
- Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig dat Hij ons de zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid. (1 Joh 1:9)

## belijdenis (begrip)

- Het hardop uitspreken van schuld voor God. (Ps 32:5)
- Het uitspreken van geloof in Christus voor God en mensen. Zowel persoonlijke geloofsuiting als gemeenschappelijk getuigenis van de gemeente. (Rom 10:10)
- Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden, want die het beloofd heeft is getrouw. (Hebr 10:23)

## belofte (begrip)

- Plechtige toezegging van iets dat in de toekomst zal gebeuren. In de Bijbel vooral Gods beloften aan de aartsvaders en aan Israël. (Gen 12:2)
- Gods toezegging waarop de bidder steunt. (Ps 119:49)
- Door God gegeven toezegging, vooral van het heil in Christus. Aan Abraham en zijn zaad gedaan en in Christus vervuld. (Rom 4:16)
- De belofte aan Abraham komt door geloof tot allen, niet door wet. (Gal 3:14)
- De apostelen beloofden dat er spotters in de laatste tijd zouden komen. (Jud 1:17)

## belofte des Vaders (begrip)

- De Heilige Geest die zou komen na de hemelvaart. (Luk 24:49)

## Beloner (begrip)

- God is een Beloner van degenen die Hem ijverig zoeken; dat behoort tot het wezen van het geloof. (Hebr 11:6)

## beloofde land (begrip)

- Het land Kanaän, dat God aan Abraham en zijn nakomelingen toezegde als hun erfdeel. Vloeiende van melk en honig. (Gen 12:7)
- Het land Kanaän, dat God volgens de bijbel aan Abraham en zijn nageslacht beloofde en aan Israël onder Jozua schonk. (Wijsh 12:7)

## Ben-ammi (persoon)

- Jongste zoon van Lot bij zijn jongste dochter, geboren door bloedschande na de verwoesting van Sodom. Stamvader van de Ammonieten. (Gen 19:38)

## Ben-Hadad (persoon)

- Naam van meerdere koningen van Aram met Damascus als residentie. Belangrijke noordelijke vijanden van Israël gedurende de negende eeuw v. Chr. (1 Kon 15:18)

## Benaja (persoon)

- Zoon van Jojada uit Kabzeel, een van de dapperste helden van David. Aanvoerder van de koninklijke lijfwacht (Krethi en Plethi) en later opperbevelhebber onder Salomo. (2Sam 8:18)
- Zoon van Jojada uit Kabzeel, een van de dapperste helden van koning David. Aanvoerder van de koninklijke lijfwacht en later opperbevelhebber onder koning Salomo. (1 Kon 1:8)

## benauwdheid (begrip)

- Engte van nood en angst. (Ps 4:2)
- Druk, nood; is de naam van de HEERE een sterke toren. (Spr 18:10)

## bende (begrip)

- Krijgsbende, troep gewapenden. David doorbreekt door God een bende; ook negatief: bendes goddelozen die de psalmist belagen. (Ps 18:30)
- Een groep soldaten. Er kwam een bende krijgsknechten om Jezus gevangen te nemen in de hof. (Joh 18:3)

## Benedictus (begrip)

- Lofzang van Zacharias na de geboorte van Johannes. (Luk 1:68)

## benijden (begrip)

- Bijbels begrip voor afgunstig kijken naar wat een ander toebehoort. In de Tien Geboden in het tiende gebod verboden. (Sir 9:11)

## Benjamin (persoon)

- Jongste zoon van Jakob en Rachel, die in het kraambed stierf. Stam waaruit later koning Saul en de apostel Paulus voortkwamen; naam betekent 'zoon van de rechterhand'. (Gen 35:18)
- Jongste zoon van Jakob, geboren bij Rachel die in het kraambed stierf. Stam waaruit later koning Saul en de apostel Paulus voortkwamen. (Dt 33:12)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Benjamin, de jongste zoon van Jakob en Rachel. Het stamgebied lag tussen Juda en Efraïm en omvatte onder andere Jericho en Jeruzalem. (Joz 18:11)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Benjamin, de jongste zoon van Jakob en Rachel. In de richterentijd bijna uitgeroeid in een burgeroorlog na de gruweldaad te Gibea. (Ri 20:13)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Benjamin, de jongste zoon van Jakob en Rachel. Stam waaruit koning Saul afkomstig was; bleef tijdens de scheuring van het rijk bij Juda. (2Sam 20:1)
- Stam in het zuiden. (Ps 68:28)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Benjamin, de jongste zoon van Jakob en Rachel. Stam waaruit koning Saul afkomstig was. (1 Kron 8:1)

## Beor (persoon)

- Persoonsnaam, vader van Bela, de eerste koning van Edom. Niet te verwarren met de Beor uit Numeri (vader van Bileam). (Gen 36:32)

## beproefde vriend (begrip)

- Bijbels begrip voor een vriend die zich in tegenspoed of beproeving betrouwbaar heeft betoond. (Sir 6:7)

## beproefdheid (begrip)

- De beproefdheid uws geloofs werkt lijdzaamheid; en de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat u volmaakt mag zijn. (Jak 1:3)

## beproefdheid des geloofs (begrip)

- De beproeving uws geloofs, veel kostelijker dan van het goud dat vergaat en door het vuur beproefd wordt — bevonden tot lof, eer en heerlijkheid. (1 Petr 1:7)

## beproeven (begrip)

- Op de proef stellen. Jezus beproefde Filippus door te vragen waar ze brood moesten kopen, terwijl Hij al wist wat Hij ging doen. (Joh 6:6)

## beproeving (begrip)

- Geestelijke toets of verzoeking waardoor het geloof wordt gelouterd. God beproeft tot heil; satan verzoekt tot val. (1 Kor 11:28)
- Het door God toegelaten lijden waardoor het geloof gelouterd en geoefend wordt, naar het beeld van het uitzuiveren van goud. (Wijsh 3:5)

## beproevingsdood (begrip)

- In de wijsheidsliteratuur de smadelijke dood die de goddelozen de rechtvaardige bedenken om zijn standvastigheid op de proef te stellen. (Wijsh 2:20)

## Bera (persoon)

- Koning van Sodom in de tijd van Abraham, lid van de coalitie van vijf koningen die door Kedor-Laomer werd verslagen. (Gen 14:2)

## beraad zonder vrucht (uitdrukking)

- Plannen die niet tot een goed einde komen omdat zij buiten Gods raad omgaan. (Jer 4:22)

## Beraka, dal van (plaats)

- Plaats in het bergland van Juda, met een naam die 'lof-dal' of 'dal van zegen' betekent. Naam ontleend aan een grote dankbijeenkomst na een militaire overwinning ten tijde van koning Josafat. (2 Kron 20:26)

## Berea (plaats)

- Stad waar de Joden waren en de Schriften dagelijks onderzochten of het zo was. (Hand 17:10)
- Plaats in Judea, ligging niet met zekerheid bepaald; mogelijk identiek met Beëroth ten noorden van Jeruzalem. (1 Makk 9:4)
- Stad in noord-Syrië (huidige Aleppo), in 312 v.Chr. door Seleucus I gesticht onder de naam Beroia. (2 Makk 13:4)

## Bereanen (volk)

- Inwoners van Berea, die de Schriften dagelijks onderzochten. (Hand 17:10)

## Berechja (persoon)

- Persoonsnaam die 'de HEERE zegent' betekent. Vader van de profeet Zacharia. (Zach 1:1)

## Bered (plaats)

- Plaats in de Negev, in de buurt van de bron Lachai-Roï. Niet met zekerheid te lokaliseren. (Gen 16:14)

## bereid mij herberg (begrip)

- Verzoek aan een gastheer om logies in gereedheid te brengen voor een aanstaand bezoek. (Flm 1:22)

## berenkinderen (begrip)

- Aanduiding voor de tweeënveertig jongens die Elisa op weg naar Bet-El bespotten en door twee berinnen werden verscheurd. Markant voorbeeld van Gods bescherming van zijn profeten. (2 Kon 2:24)

## berg der heiligheid (plaats)

- Wij hebben dit gehoord toen wij met Hem op de heilige berg waren — verwijzing naar de verheerlijking op de berg. (2 Petr 1:18)

## berg des verderfs (uitdrukking)

- Babel als 'verdervende berg'. (Jer 51:25)

## berg Ebal (plaats)

- Berg ten noorden van Sichem in centraal Kanaän waarop de vloeken van het verbond werden uitgesproken. Tegenover de berg Gerizim gelegen. (Dt 11:29)

## berg eerst van koper (begrip)

- Profetisch visioen van bergen uit koper waaruit Gods werktuigen voortkomen. Onderdeel van de symbolische taal van de profetische gezichten. (Zach 6:1)

## berg Efraïm (plaats)

- Bergstreek in centraal Kanaän, kerngebied van de stam Efraïm. In de richterentijd woon- en werkgebied van verschillende richters en levieten. (Ri 17:1)

## berg en eilanden (begrip)

- Bij het zesde zegel werden alle bergen en eilanden uit hun plaatsen bewogen. (Op 6:14)

## berg Esau (plaats)

- Het bergachtige kerngebied van Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee, ook wel Seïr genoemd. Symbool van Edoms macht en hoogmoed. (Ob 1:21)

## berg Gerizim (plaats)

- Berg ten zuiden van Sichem waarop de zegeningen van het verbond werden uitgesproken. Tegenover de berg Ebal gelegen; later heilige berg van de Samaritanen. (Dt 11:29)
- De berg waar de Samaritanen aanbaden — door Jezus genoemd in zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw. (Joh 4:20)

## berg Gilboa (plaats)

- Bergketen in het noorden van Israël, ten zuidoosten van de Jizreëlvlakte. Bekend als plaats waar koning Saul met zijn zonen sneuvelde in de strijd tegen de Filistijnen. (1Sam 31:1)

## berg Gods (plaats)

- Aanduiding voor de Sinaï of Horeb, de berg waar God Zich aan Mozes openbaarde en het verbond met Israël sloot. (Ex 3:1)

## berg Hachila (plaats)

- Heuvel in de woestijn van Zif in het zuidelijke bergland van Juda. Strategische uitkijkpost waar Saul met zijn leger David vervolgde. (1Sam 26:3)

## berg Hor (plaats)

- Berg aan de zuidoostelijke grens van Edom waar Aäron stierf. Zijn priesterkleding ging op zijn zoon Eleazar over. (Num 20:25)
- Berg aan de zuidoostelijke grens van Edom waar Aäron stierf. Niet met zekerheid te lokaliseren. (Dt 10:6)

## berg Nebo (plaats)

- Top in het Abarim-gebergte tegenover Jericho, ten oosten van de Jordaan. Vanaf hier zag Mozes vlak voor zijn dood het beloofde land. (Dt 32:49)

## berg Pisga (plaats)

- Top van het Abarim-gebergte in Moab, ten oosten van de Jordaan. Vanwaar Mozes voor zijn dood het beloofde land aanschouwde. (Dt 3:27)

## berg Sinaï (plaats)

- Berg op het schiereiland Sinaï waar JAHWEH de wet aan Mozes en Israël gaf. Symbool van Gods openbaring en het verbond, in latere poëzie beeld van zijn machtige verschijning. (Ri 5:5)

## berg Sion (plaats)

- De tempelberg in Jeruzalem, in de bijbel zowel aardse plaats van Gods woning als beeld van zijn hemelse troon en de toekomende heerlijkheid. (4 Ezra 13:35)
- Heuvel in Jeruzalem waarop tempel en koningspaleis stonden. Symbool voor Gods aanwezigheid, Jeruzalem en het herstelde Israël. (Ob 1:17)

## berg uitgesneden zonder handen (begrip)

- Verwijzing naar Daniël 2:34, waar een steen zonder mensenhanden uit een berg wordt losgemaakt en het beeld van de wereldrijken vermorzelt; beeld voor het rijk van God. (4 Ezra 13:6)

## berg van het huis des HEEREN (begrip)

- Aanduiding voor de tempelberg te Jeruzalem als plaats waar God woont. In profetische heilstijd het centrum waarheen alle volken stromen. (Mi 4:1)

## berg vuur in de zee (begrip)

- De tweede bazuinplaag: een grote brandende berg in de zee geworpen — een derde der zee werd bloed. (Op 8:8)

## berg zeer hoog (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor de hoge plek waarvandaan een visioen over land en stad wordt aanschouwd. Onderdeel van de profetische ervaringen. (Ez 40:2)

## bergen Israëls profeteren (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking waarbij de profeet zich rechtstreeks tot de bergen van het land richt als personificatie ervan. Onderdeel van de symbolische bediening. (Ez 6:2)

## bergen splijten (begrip)

- Profetisch beeld van Gods machtige verschijning waarbij de natuur ontwricht wordt. Onderdeel van de zogeheten theofanie of godsverschijning. (Na 1:5)

## bergrede (begrip)

- Toespraak van Jezus over het leven in Gods Koninkrijk, met onder meer de zaligsprekingen, het Onze Vader en de gulden regel. Eerste van vijf grote redes in het Mattheusevangelie. (Matt 4:8)

## Berija (persoon)

- Vierde zoon van Aser en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Aser. (Gen 46:17)

## berisping (begrip)

- Bestraffing of scherpe terechtwijzing met het oog op verbetering. In de gemeente een herderlijke daad van liefde. (2 Kor 2:6)
- Terechtwijzing; aanvaarding ervan kenmerkt de wijze. (Spr 13:18)

## Berispt hij de Almachtige? (uitdrukking)

- Bijbelse retorische vraag die de onmogelijkheid van menselijke berisping van God uitdrukt. Onderdeel van de godsrede in het boek Job. (Job 40:2)

## Bernice (persoon)

- Zuster van Agrippa II; verscheen met hem voor wie Paulus sprak. (Hand 25:13)

## Beroea (plaats)

- Stad in Macedonie, in de eerste eeuw plaats van een joodse synagoge en vroege christelijke gemeente. (1 Th 2:1)

## beroep op de keizer (begrip)

- Paulus beriep zich op de keizer om aan een Joods proces in Jeruzalem te ontkomen. (Hand 25:11)

## beroepsleven (begrip)

- Het dagelijks beroepswerk van de mens, in de wijsheidsliteratuur (vooral Sirach 38) gewaardeerd maar ondergeschikt aan de zoektocht naar wijsheid. (Sir 38:25)

## beroeren (begrip)

- In beweging brengen. Een engel beroerde het water van het badwater Bethesda, waarna de eerste zieke die erin ging genezen werd. (Joh 5:4)

## berouw (begrip)

- Spijt en droefheid over begane zonde of verkeerde keuze. In het Oude Testament ook vermenselijkt over God gezegd, om Zijn rechtvaardige reactie op de zonde van mensen aan te duiden. (Gen 6:6)
- Smartelijk besef van zonde dat tot God doet vluchten. (Ps 51:19)
- De tollenaar in de tempel sloeg op zijn borst en zeide. (Luk 18:13)
- Innerlijke spijt en omkeer van de zondaar tot God. Ook bijbels gebruikt voor God die afziet van voorgenomen kwaad wanneer mensen zich bekeren. (Geb. Man. 1:6)
- Innerlijke spijt en omkeer van de zondaar tot God; ook het bijbels gebruik waarin God afziet van voorgenomen kwaad wanneer mensen zich bekeren. (Wijsh 5:3)
- Innerlijke spijt en omkeer van de zondaar tot God; ook bijbels gebruikt voor God die afziet van voorgenomen kwaad wanneer mensen zich bekeren. (Sir 5:7)

## berouw geven (begrip)

- Bijbels begrip voor de tijd en gelegenheid die God geeft om zich van zonde te bekeren, vóór het laatste oordeel. (Wijsh 12:10)

## berouwen (begrip)

- Spijt hebben over het verleden, in bijbels spraakgebruik vaak verbonden met bekering of (in Gods geval) met ommekeer in zijn handelen. (Wijsh 5:3)

## Berseba (plaats)

- Plaats in het zuidelijke deel van het beloofde land waar Abraham en later Izak een waterput groeven en een verbond sloten. Naam betekent 'put van de zeven' of 'put van de eed'. (Gen 21:31)
- Stad in het Negeb, in het zuiden van Juda, waar Abraham en Isaak verbleven. Gold als zuidelijke grenspaal van het beloofde land in de uitdrukking 'van Dan tot Berseba'. (Joz 19:2)
- Plaats in het zuiden van Juda, op de grens met de Negev-woestijn. Verbonden met de aartsvaders en in later tijd ook gebruikt als heiligdom. (Am 5:5)

## beschamen — niet beschaamd (uitdrukking)

- Verlies van het vermogen om te blozen. (Jer 8:12)

## besluit (begrip)

- Gods eeuwig voornemen waardoor Hij alle dingen bestuurt naar Zijn raad. Onveranderlijk en heilzaam voor de uitverkorenen. (Rom 11:32)

## besnijden (cultisch)

- Het verwijderen van de voorhuid als teken van het verbond tussen JAHWEH en Abrahams nageslacht. Verplicht ritueel voor elke mannelijke Israëliet op de achtste dag. (Joz 5:2)

## besnijdenis (begrip)

- Het wegnemen van de voorhuid bij mannelijke kinderen op de achtste dag, ingesteld als verbondsteken bij Abraham. Symbool van toebehoren aan God en aan Zijn volk. (Gen 17:10)
- Jezus werd op de achtste dag besneden en kreeg de Naam Jezus, zoals de engel had geboden. (Luk 2:21)
- Het wegnemen van de voorhuid bij een jongetje op de achtste dag na de geboorte. Het was een teken van het verbond tussen God en Abraham. (Joh 7:22)
- Is groep Joodse christenen; centraal punt op apostelconvent. (Hand 7:8)
- Oudtestamentisch verbondsteken aan het mannelijke geslacht, voor Israël ingesteld bij Abraham. In het Nieuwe Testament vervuld in de besnijdenis des harten door de Geest. (Rom 2:25)
- Joodse rite die de dwaalleraars op de heidenen wilden opleggen — Paulus weerstaat dit fel. (Gal 2:7)
- Onderscheid besnijdenis/voorhuid in vers 2:11; Christus heeft beide samengevoegd. (Ef 2:11)
- Niet in 1 Petrus expliciet behandeld; gemeente bestaat uit Joden- en heidenchristenen. (1 Petr 2:12)
- Het wegnemen van de voorhuid van de mannelijke geslachtsdelen. In Israël door God aan Abraham gegeven als bondsteken (Genesis 17). (Jdt 14:7)

## besnijdenis des harten (theologisch)

- Beeldspraak voor innerlijke toewijding aan God, in tegenstelling tot louter uitwendige godsdienst. Het wegnemen van hardnekkigheid en onbekeerlijkheid. (Dt 10:16)
- Meer dan uitwendig teken, vraagt God hartsbekering. Door Paulus opgenomen. (Jer 4:4)

## besnijdenis-roem (begrip)

- Motief van de dwaalleraars. (Gal 6:13)

## besprenging (begrip)

- Het besprenkelen met bloed of water dat reiniging tekende; type van het bloed der besprenging van Christus dat betere dingen spreekt dan dat van Abel. (Hebr 12:24)

## Bestaande raad (wet)

- De ordening van rechters over duizenden, honderden, vijftigen en tienden, op aanraden van Jethro door Mozes ingesteld om recht te spreken in eenvoudige zaken. (Ex 18:21)

## bestelmeesters (begrip)

- Hofbeambten belast met het beheer van het koninklijk vermogen, de landerijen, de wijngaarden en het vee. Vormden onder koning David een uitgebreide bestuurlijke organisatie. (1 Kron 27:25)

## bestraffing (begrip)

- Berisping; in Spreuken het kanaal waardoor wijsheid in iemand komt. (Spr 1:23)

## Bet-El (plaats)

- Belangrijke stad in het centrale bergland van Efraïm, oorspronkelijk Luz geheten. Werd in het noordelijke rijk Israël een van de twee centrale heiligdommen voor de gouden kalverdienst. (1 Kon 12:29)

## betalen (begrip)

- Voldoen van een schuld, geldelijk of in goederen; in nieuwtestamentisch gebruik ook overdrachtelijk voor verzoening. (Filem 1:19)

## betamelijk (begrip)

- Wat passend en gepast is, in het bijzonder voor wie tot Christus behoort. (Flm 1:8)

## betere belofte (begrip)

- Christus is Middelaar van een beter verbond, dat in betere beloften bevestigd is — kern van het Nieuwe Testament. (Hebr 8:6)

## betere dingen (begrip)

- Het bloed der besprenging spreekt betere dingen dan dat van Abel — namelijk vergeving en verzoening, niet wraak. (Hebr 12:24)

## betere hoop (begrip)

- Het oude is afgeschaft vanwege zwakheid en onnut; daartegenover is een betere hoop ingebracht door welke wij tot God naderen. (Hebr 7:19)

## betere opstanding (begrip)

- Anderen zijn uitgerekt geweest, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding zouden verkrijgen. (Hebr 11:35)

## Beth (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:2)

## Beth-anath (plaats)

- Stad in het stamgebied van Naftali in het noordelijke bergland. Bleef Kanaänitisch en haar inwoners werden cijnsplichtig gemaakt aan Israël. (Ri 1:33)

## Beth-Arbel (plaats)

- Plaats waarvan de exacte ligging onzeker is, vermoedelijk in Galilea of Gilead. Vermeld in profetische literatuur als verwoeste stad. (Hos 10:14)

## Beth-Aven (plaats)

- Spotnaam voor Bethel, betekent 'huis van ongerechtigheid' tegenover Bethel als 'huis van God'. Door profeten gebruikt vanwege de afgoderij aldaar. (Hos 4:15)

## Beth-Bessen (plaats)

- Versterkte plaats in de woestijn van Juda, in de Makkabese oorlogen door Jonatan en Simon ingericht en verdedigd. (1 Makk 9:62)

## Beth-Dagon (plaats)

- Plaats in de kustvlakte van Palestina, gewijd aan de Filistijnse god Dagon, met een tempel voor deze afgod. (1 Makk 10:83)

## Beth-El (plaats)

- Belangrijke stad in het centrale bergland van Efraïm, oorspronkelijk Luz geheten. Werd in het noordelijke rijk Israël een van de twee centrale heiligdommen voor de gouden kalverdienst. (2 Kon 23:15)

## Beth-Ezel (plaats)

- Plaats in de Sjefela van Juda, vermeld in profetische klaagzangen over de Filistijnse grensstreek. Exacte ligging niet zeker. (Mi 1:11)

## Beth-horon (plaats)

- Twee Kanaänitische steden (Boven en Beneden) op de pas tussen het bergland en de kustvlakte. Strategische doortocht waarlangs vele veldslagen werden gevoerd. (Joz 10:10)
- Bergpas tussen Jeruzalem en de kustvlakte, in de bijbel meermalen toneel van veldslagen (vgl. Jozua 10). (1 Makk 3:16)

## Beth-le-Aphra (plaats)

- Plaats in de Sjefela van Juda waarvan de naam 'huis van stof' betekent. Vermeld in profetische woordspelende klaagzangen. (Mi 1:10)

## Beth-Peor (plaats)

- Plaats in Moab tegenover Jericho, in het dal waar Israël legerde aan het einde van de woestijntocht. Plek waar Mozes werd begraven. (Dt 34:6)

## Beth-Pheor (plaats)

- Plaats in Moab ten oosten van de Jordaan, tegenover de berg Pisga. Plaats waar Mozes werd begraven en eerder waar Israël tot afgodendienst verviel. (Joz 13:20)

## Beth-san (plaats)

- Stad in de Jizreëlvlakte aan de oostzijde, op een strategische heuvel boven de Jordaan. Was lange tijd in handen van de Filistijnen ondanks haar ligging in het stamgebied van Manasse. (1Sam 31:10)

## Beth-semes (plaats)

- Naam van meerdere plaatsen, waaronder een stad in het stamgebied van Naftali. De naam betekent 'huis van de zon' en wijst op een vroegere zonnecultus. (Ri 1:33)
- Stad in het stamgebied van Juda nabij de Filistijnse grens. Levitische stad die een rol speelde bij de terugkeer van de ark uit het Filistijnse land. (1Sam 6:12)

## Beth-Sur (plaats)

- Versterkte plaats ten zuiden van Jeruzalem, op de grens met Idumea. Strategische sleutelpost in de Makkabese oorlogen. (1 Makk 4:29)

## Beth-Zacharia (plaats)

- Plaats in Judea ten zuiden van Jeruzalem waar in 162 v.Chr. een veldslag plaatsvond tussen Antiochus V en de Makkabeeën. (1 Makk 6:32)

## Bethabara (plaats)

- Plaats aan de overzijde van de Jordaan waar Johannes de Doper doopte. (Joh 1:28)

## Bethanië (plaats)

- Dorp op de oostelijke helling van de Olijfberg, ongeveer drie kilometer ten oosten van Jeruzalem. Woonplaats van Lazarus, Maria en Martha. (Matt 21:17)

## Bethanië (hemelvaart) (plaats)

- De plaats waar Jezus zijn discipelen leidde voordat Hij ten hemel voer. (Luk 24:50)

## Bethbasi (plaats)

- Versterkte plaats in de woestijn van Juda, ten zuidoosten van Bethlehem. (1 Makk 9:62)

## Bethel (plaats)

- Oude heilige plaats in centraal Kanaän, oorspronkelijk Luz geheten. Plek waar Jakob de droom van de hemelladder had; naam betekent 'huis van God'. (Gen 12:8)
- Belangrijke stad in het centrale bergland van Efraïm, oorspronkelijk Luz geheten. Plaats waar Jakob de hemelladder zag en die later een centrum van eredienst werd. (Joz 8:9)
- Belangrijke stad in het centrale bergland van Efraïm, oorspronkelijk Luz geheten. In de richterentijd plaats waar tijdelijk de ark des verbonds stond en het volk JAHWEH zocht. (Ri 20:18)
- Stad ten noorden van Jeruzalem, in het Oude Testament bekend van Jakob (Genesis 28); later toneel van eredienst aan een gouden kalf. (1 Makk 9:50)
- Plaats in het bergland van Efraïm, ten noorden van Jeruzalem. Aartsvaderlijk heiligdom dat onder Jerobeam I tot afgodisch koningsheiligdom werd omgevormd. (Hos 10:15)

## Bethesda (plaats)

- Een badwater (vijver) in Jeruzalem bij de Schaapspoort, met vijf overdekte zalen. Hier genas Jezus een man die 38 jaar ziek was geweest. (Joh 5:2)

## Bethfagé (plaats)

- Klein dorp aan de oostkant van de Olijfberg, vlakbij Bethanië en Jeruzalem. Genoemd in verband met Jezus' intocht in Jeruzalem. (Matt 21:1)

## Bethfagé en Bethanië (plaats)

- De twee dorpen aan de Olijfberg vanwaar Jezus zijn intocht voorbereidde. (Luk 19:29)

## Bethlehem (plaats)

- Stad in het bergland van Juda, ongeveer tien kilometer ten zuiden van Jeruzalem. Plaats waar Rachel stierf en de geboorteplaats van koning David en de Messias. (Gen 35:19)
- Stadje in het bergland van Juda ten zuiden van Jeruzalem, ook wel Efratha genoemd. Geboorteplaats van koning David en later van de Messias. (1Sam 16:4)
- Stadje in Juda, ten zuiden van Jeruzalem; geboortestad van David en van Christus. (Ps 3:1)
- Stad in Judea, ongeveer acht kilometer ten zuiden van Jeruzalem. Geboorteplaats van koning David en, volgens de evangeliën, van Jezus. (Matt 2:1)

## Bethlehem Efrata (plaats)

- Stadje in het bergland van Juda, ten zuiden van Jeruzalem. Geboorteplaats van koning David en, volgens de profetie, van de Messias. (Mi 5:2)

## Bethlehem-juda (plaats)

- Stadje in het bergland van Juda ten zuiden van Jeruzalem, ook wel Efratha genoemd. Geboorteplaats van koning David en later van de Messias. (Ruth 1:1)

## Bethsaida (plaats)

- Vissersplaats aan de noordoostkust van het meer van Galilea, geboorteplaats van de apostelen Petrus, Andreas en Filippus. (Mark 8:22)
- Galilese stad waar Jezus de wonderbare spijziging deed; ook door Hem berispt om onbekeerlijkheid. (Luk 9:10)
- Stad in Galilea aan het Meer van Galilea, de geboorteplaats van Filippus, Andreas en Petrus. (Joh 1:45)

## Bethsan (plaats)

- Stad in het noorden van Israël, gelegen aan de samenvloeiing van het Jezreëldal en de Jordaanvallei; in hellenistische tijd ook Scythopolis genoemd. (1 Makk 5:52)

## Bethsura (plaats)

- Versterkte stad in Judea, ca. 30 km ten zuiden van Jeruzalem op de grens met Idumea, op een strategische hoogte langs de weg naar Hebron. Belangrijk in de Makkabeese oorlogen vanwege haar verdedigbare ligging. (1 Mak 4:29)
- Versterkte plaats in Judea, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem op de grens met Idumea; strategische sleutelpost in de Makkabeese oorlogen. (2 Makk 11:5)

## Bethulië (plaats)

- Stad in het bergland van Israël waar het apocriefe boek Judith zich grotendeels afspeelt. Buiten dit boek niet bekend; mogelijk fictieve plaats. (Jdt 4:5)

## Bethuël (persoon)

- Zoon van Nahor en Milka, neef van Abraham. Vader van Rebekka en van Laban. (Gen 22:22)
- Persoonsnaam, in de Statenvertaling van Joël ook als Pethuël gespeld. Vader van de profeet Joël en zelf alleen door deze afstamming bekend. (Joël 1:1)

## betrachten (begrip)

- In gedachten op iets gericht zijn; vromelijk overdenken. (Ps 1:2)

## betreden (begrip)

- Op een weg gaan. (Ps 119:35)

## betrouwde (begrip)

- Vertrouwde. Jezus betrouwde Zichzelf niet aan de mensen die in Hem geloofden vanwege de tekenen, omdat Hij wist wat in de mens was. (Joh 2:24)

## betuigen (begrip)

- Plechtig verklaren of getuigen. Jezus betuigde dat een van de discipelen Hem zou verraden. (Joh 13:21)

## bevestigen (begrip)

- Stand maken; door verstandigheid. (Spr 24:3)

## bevinding (begrip)

- Persoonlijke ondervinding van Gods werk in het hart, voortkomend uit de beproeving van het geloof. Vrucht van lijdzaamheid en hoop. (Rom 5:4)

## beving en zwavel (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor Gods machtig oordelend ingrijpen waarbij natuurkrachten worden ingezet. Onderdeel van de eschatologische theofanie. (Ez 38:22)

## bevlekt geweten (begrip)

- Door zonde verontreinigde innerlijke morele zin; in de pastorale brieven kenmerk van dwaalleraars en ongelovigen. (Tit 1:15)

## bevochtigde (begrip)

- Verouderd voor 'maakte nat'. In het scheppingsverhaal bevochtigde een damp de aardbodem voor er regen viel. (Gen 2:6)

## bevreesd (begrip)

- Bang, angstig. De discipelen werden bevreesd toen ze Jezus over het water zagen lopen. (Joh 6:19)

## bevrijdingsdag (begrip)

- Joods herdenkingsfeest ter herinnering aan een redding uit nood. In de hellenistische tijd ingesteld door joodse gemeenschappen om zulke uitreddingen jaarlijks te vieren. (3 Makk 6:36)

## bevrucht (begrip)

- Zwanger geworden of het tot stand komen van zwangerschap. Verouderde Nederlandse term. (Gen 4:17)

## bewaard in Christus (begrip)

- De gelovigen worden bewaard in Jezus Christus — Hij is de bewaarplaats van Gods volk tot de openbaring van Zijn heerlijkheid. (Jud 1:1)

## bewaard in kracht (begrip)

- Wij worden in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd. (1 Petr 1:5)

## bewaren (begrip)

- God behoedt Zijn volk. (Ps 121:7)
- Drievoudig sleutelwoord: gelovigen door Christus bewaard, engelen onder duisternis bewaard, gelovigen bewaren zichzelf in Gods liefde. (Jud 1:1)
- Vasthouden, behoeden. (Spr 16:17)

## bewaren in liefde (begrip)

- Bewaart uzelf in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven. (Jud 1:21)

## bewaren van de boze (begrip)

- Goddelijke bescherming van de gelovigen tegen de aanvallen en verleidingen van de satan. (2 Th 3:3)

## bewateren (begrip)

- Van water voorzien, zodat planten kunnen groeien. In Eden ontsprong een rivier om de hof te bewateren. (Gen 2:10)

## bewogen hemelen (begrip)

- Profetisch beeld van een kosmische omkeer waarbij God hemel en aarde doet beven. Wijst op een eschatologisch ingrijpen dat een nieuwe orde inluidt. (Hag 2:6)

## Bezaleël (persoon)

- Vakbekwaam kunstenaar uit de stam Juda, kleinzoon van Hur. Bekend om zijn werk aan de tabernakel en haar gerei volgens Gods aanwijzingen. (1 Kron 2:20)

## Bezelimoth en Bauschemot (uitdrukking)

- Aanduidingen die in oude vertalingen voor sterrenbeelden staan. In het Hebreeuws verwant aan de namen voor de Pleiaden en Orion. (Job 38:31)

## Bezer (plaats)

- Vrijstad in de woestijn ten oosten van de Jordaan, in het stamgebied van Ruben. Een van de drie oostelijke vrijsteden voor doodslagers. (Joz 20:8)

## bezetene (begrip)

- Mens die door een of meer demonen wordt beheerst en beheerst gedrag vertoont. In de evangeliën regelmatig bevrijd door Jezus' woord van gezag. (Matt 8:28)

## Bezeth (plaats)

- Plaats nabij Jeruzalem, ligging niet zeker bekend, mogelijk in de buurt van Bethel. (1 Makk 7:19)

## bezitting (begrip)

- Eigendom of bezit, vooral van land en vee. Het beloofde land werd Israël gegeven als 'eeuwige bezitting'. (Gen 12:5)

## bezoeking (begrip)

- Bijbels begrip voor Gods ingrijpen in de geschiedenis, zowel ten gunste als ten oordeel. (Wijsh 3:7)

## Bezáleël (persoon)

- Zoon van Uri en kleinzoon van Hur uit de stam Juda. Door God begaafd met wijsheid en kunstvaardigheid om de tabernakel en haar gerei te vervaardigen. (Ex 31:2)

## Beëlzebub (begrip)

- Filistijnse godheid, vermoedelijk een lokale vorm van Baäl, met de betekenis 'heer der vliegen'. In het Nieuwe Testament gebruikt als naam voor de overste der duivelen. (1 Kon 16:31)
- Filistijnse godheid die werd vereerd in de stad Ekron, met de betekenis 'heer der vliegen'. In het Nieuwe Testament gebruikt als naam voor de overste der duivelen. (2 Kon 1:2)

## Beëlzebul (persoon)

- Naam voor de overste der demonen in de evangeliën, verwant aan de Filistijnse god Baäl-Zebub van Ekron. Vaak vereenzelvigd met Satan. (Matt 10:25)

## Beëri (persoon)

- Hethiet, vader van Judith, een van de vrouwen die Esau tot bittere last waren voor Izak en Rebekka. (Gen 26:34)
- Persoonsnaam die 'mijn bron' betekent. Vader van de profeet Hosea en zelf alleen door deze afstamming bekend. (Hos 1:1)

## Beëri-Seba (plaats)

- Stad in het Negeb, in het zuiden van Juda, waar Abraham en Isaak verbleven. Gold als zuidelijke grenspaal van het beloofde land in de uitdrukking 'van Dan tot Berseba'. (1 Kon 4:25)

## bidden bij de rivier Ahava (begrip)

- Aanduiding voor de plechtige verootmoediging die de tweede groep ballingen onder Ezra hield voordat zij naar Jeruzalem vertrok. Vormde een uiting van godsvertrouwen tegenover een gevaarlijke reis. (Ezra 8:21)

## bidden van Nehemia (begrip)

- Aanduiding voor de korte schietgebeden waarmee Nehemia zijn werk omkleedde. Voorbeeld van voortdurend godsbewustzijn temidden van praktische bezigheden. (Neh 2:4)

## bidden voor broeder (begrip)

- Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden, en Hij zal hem het leven geven. (1 Joh 5:16)

## biddend in Geest (theologisch)

- Biddende door de werking van de Heilige Geest in de gelovige — gebed dat door Hem gedragen en gericht wordt. (Jud 1:20)

## Bidkar (persoon)

- Hoofdman aan het hof van koning Jehu van Israël, mederijder in diens strijdwagen. Wordt herinnerd om zijn rol bij de uitvoering van Gods oordeel over het huis van Achab. (2 Kon 9:25)

## biezen kistje (voorwerp)

- Mandje van papyrusriet, met aardpek en pek bestreken. Daarin werd Mozes als baby door zijn moeder op de Nijl gelegd om hem voor Farao's bevel te redden. (Ex 2:3)

## biezenband (begrip)

- Gevlochten gordel of koord van bies of riet. In het oude oosten gedragen om de heupen, soms ook door tempelpriesteressen. (Bar 6:42)

## Bigtha (persoon)

- Een van de zeven persoonlijke kamerheren (eunuchen) aan het Perzische hof van koning Ahasveros. Niet te verwarren met Bigthan, de samenzweerder. (Esth 1:10)

## Bigthan (persoon)

- Een van de twee Perzische hofbeambten die een aanslag op koning Ahasveros beraamden. Werd na ontdekking van het complot opgehangen. (Esth 2:21)

## Bigthan en Teres (persoon)

- Twee kamerlingen aan het Perzische hof die volgens Esther 2 een aanslag op koning Ahasveros beraamden. In de Griekse versie heten zij Gabatha en Tharra. (EstAp 12:1)

## Bigvai (persoon)

- Hoofd van een geslacht onder de teruggekeerden uit Babel onder Zerubbabel. Behoorde tot de Joodse leiders van de eerste generatie na de ballingschap. (Neh 7:19)

## bijgeloof (begrip)

- Galaten gingen weer naar — bijgelovige rituelen. (Gal 4:3)

## bijl (begrip)

- Werktuig om hout te kappen, in de profetische taal beeld van Gods oordeel waarmee Hij koninkrijken of bomen velt. (Am 7:8)

## bijvrouw (begrip)

- Vrouw van lagere rang naast de hoofdvrouw, in de oude oosterse cultuur algemeen aanvaard. Haar kinderen golden als wettige nakomelingen, maar zonder volle erfrechten. (Gen 22:24)

## bijwijf (begrip)

- Andere benaming voor bijvrouw. Vrouw van lagere rang naast de hoofdvrouw, met een aparte juridische status. (Gen 16:3)

## bijwoner (begrip)

- Tijdelijke inwoner of vreemdeling die in een land verblijft zonder volledig burgerrecht. De aartsvaders waren bijwoners in het beloofde land. (Gen 23:4)

## bijwoners (begrip)

- Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden welke krijg voeren tegen de ziel. (1 Petr 2:11)

## Bildad (persoon)

- Tweede van de drie vrienden van Job, een Suchiet, vermoedelijk afstammend van Suah. In het boek Job de spreker die zich op de overgeleverde wijsheid van de vaderen beroept. (Job 2:11)

## Bildads bieze-beeld (uitdrukking)

- Bijbels beeld waarin moerasplanten zonder water snel verdorren. Onderdeel van de wijsheidsliteratuur over het uiteinde van wie God verlaat. (Job 8:11)

## Bildads derde rede (uitdrukking)

- Derde en laatste rede van Bildad in het boek Job, en tevens de kortste in het hele dispuut. Markeert het vastlopen van het gesprek. (Job 25:4)

## Bildads tweede rede (uitdrukking)

- Tweede van de drie redes van Bildad in het boek Job. Bevat een beschrijving van het lot van de goddeloze. (Job 18:5)

## Bileam (persoon)

- Niet-Israëlitische ziener uit Petor in Mesopotamië. Door Balak gehuurd om Israël te vervloeken, maar door God gedwongen het te zegenen. (Num 22:5)
- Niet-Israëlitische ziener of profeet uit Mesopotamië. Bekend door zijn opdracht Israël te vervloeken, waarbij hij door God werd gedwongen het volk juist te zegenen. (Joz 13:22)
- Heidense ziener die Israël wilde vervloeken om loon; type van valse leraars die de winst beminnen. (2 Petr 2:15)
- Heidense ziener uit Petor aan de Eufraat, door Balak van Moab gehuurd om Israël te vervloeken. Werd door God gedwongen Israël te zegenen. (Mi 6:5)

## Bileam dwaling (begrip)

- Zij hebben zich uitgegoten in de dwaling van Bileam, om loon — winzucht ten koste van Gods volk. (Jud 1:11)

## Bilha (persoon)

- Dienstmaagd van Rachel, die zij aan Jakob als bijvrouw gaf. Moeder van Dan en Naftali, twee van de twaalf stamhoofden van Israël. (Gen 29:29)

## Bilhan (persoon)

- Zoon van Ezer en kleinzoon van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:27)

## billijkheden (begrip)

- Rechtvaardige inzettingen, eerlijke verordeningen. Gods wetten zijn niet willekeurig maar billijk — recht en eerlijk gegeven. (Ps 17:2)

## billijkheid (begrip)

- Eerlijkheid, evenwichtige rechtspraak; meervoud 'billijkheden'. (Spr 1:3)

## binden (begrip)

- Rabbijnse term voor het verbieden of niet vergeven, in het Nieuwe Testament gebruikt voor het tuchtgezag van de gemeente. (Matt 16:19)

## binden en ontbinden van zonden (begrip)

- De volmacht die Jezus aan de discipelen gaf na de opstanding. (Joh 20:23)

## binden van Satan (begrip)

- De engel met de sleutel des afgronds bond de draak voor duizend jaren in de afgrond. (Op 20:2)

## binnenhof (plaats)

- De binnenplaats van het hogepriesterlijk paleis waar Petrus zich bij het kolenvuur warmde. (Joh 18:18)

## binnenkamer (begrip)

- Afgesloten privévertrek in een oosters huis, gebruikt voor opslag of als slaapruimte. In de evangeliën beeld van de afzondering voor het persoonlijke gebed. (Matt 6:6)
- Geheime plaats in de mens; God doorzoekt ze. (Spr 20:27)

## binnenkameren van de zielen (begrip)

- In joodse apocalyptische literatuur de bewaarplaatsen waar de zielen van de gestorvenen verblijven tot de opstanding. (4 Ezra 4:41)

## binnenkameren van het zuiden (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor de zuidelijke sterrenbeelden die voor de noordelijke waarnemer onbereikbaar lijken. Onderdeel van het bijbelse beeld van Gods kosmische macht. (Job 9:9)

## binnenste der schotel (begrip)

- Jezus' wee tegen de Farizeeën. (Luk 11:39)

## binnenste gevangenis (plaats)

- De diepste cel waarin Paulus en Silas te Filippi werden geworpen, met hun voeten in het blok. (Hand 16:24)

## binnenste voorhof (uitdrukking)

- Het inwendige tempelplein dat alleen toegankelijk was voor priesters bij hun dienst. Onderscheiden van het buitenste voorhof voor het volk. (Ez 40:28)

## Birsa (persoon)

- Koning van Gomorra in de tijd van Abraham, lid van de coalitie van vijf koningen die door Kedor-Laomer werd verslagen. (Gen 14:2)

## bisschop (begrip)

- Opziener; vereisten worden uitgebreid behandeld. (1 Tim 3:2)
- Opziener; vroegchristelijk ambt van geestelijke leiding over een plaatselijke gemeente, in het Nieuwe Testament wisselend genoemd met ouderling. (Tit 1:7)

## Bithynië (plaats)

- Streek waar de Geest Paulus en zijn medegezellen niet liet gaan. (Hand 16:7)
- Romeinse provincie in noordwest Klein-Azië; vermeld in het opschrift van 1 Petrus. (1 Petr 1:1)

## bitter water (begrip)

- Ondrinkbaar water dat door God gezond werd gemaakt. Beeld van Gods voorziening voor Zijn volk in nood. (Ex 15:23)

## bittere dood (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het zware en ongewenste karakter van de dood, vooral als hij plotseling of in lijden komt. (Sir 41:1)

## bittere wateren (wet)

- Vloeistof bereid uit heilig water en stof van de tabernakelvloer. Door een vrouw gedronken bij een rituele beproeving van overspel. (Num 5:18)

## bladeren tot genezing (begrip)

- De bladeren van de boom des levens dienden tot genezing der heidenen in het nieuwe Jeruzalem. (Op 22:2)

## blasfemie (begrip)

- Godslastering: het beledigen of belasteren van God. Geldt in de Tora als een doodzonde. (Mark 3:28)

## blijde profeet (begrip)

- Aanduiding voor de geloofshouding waarbij vreugde in God blijft bestaan ook bij gemis en tegenspoed. Kenmerkend slot van het hooglied van Habakuk. (Hab 3:18)

## blijdschap (begrip)

- Geestelijke vreugde in God en Zijn heil, vrucht van de Heilige Geest. Onderscheiden van vergankelijke wereldse vreugde. (Rom 14:17)
- Tweede vrucht van de Geest, naast liefde en vrede. (Gal 5:22)
- Sleutelwoord van de brief. (Filip 1:4)
- Geestelijke vreugde die voortkomt uit gemeenschap met God en met medegelovigen. (1 Tess 1:6)
- Vreugde; deel van de rechtvaardige. (Spr 10:28)
- Bijbels begrip voor diepe vreugde, vaak verbonden met de redding door God of met de gemeenschap met hem. (Sir 30:22)

## blijdschap des harten (begrip)

- Vreugde van binnen. (Spr 15:13)

## blijdschap en vertroosting (begrip)

- Geestelijke vreugde en bemoediging die voortkomt uit de liefde en het geloof van medegelovigen. (Flm 1:7)

## blijdschap in lijden (begrip)

- Geestelijke vreugde van gelovigen die met geloof en lijdzaamheid vervolging en verdrukking dragen om Christus' wil. (2 Th 1:4)

## blijdschap volkomen (begrip)

- Deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap vervuld zij — pastorale opzet van de brief. (1 Joh 1:4)
- Het volledige, niet langer onvolledige karakter van de christelijke vreugde, voltooid door persoonlijke geloofsgemeenschap. (2 Joh 1:12)

## blijmoedig (begrip)

- Met opgewekt en welgemoed hart; in het bijzonder van het blijmoedig geven en dienen. Vrucht van een dankbaar geloof. (2 Kor 5:8)

## blijmoedigheid (begrip)

- Welgemoede gezindheid van het hart, in het bijzonder bij geven en dienen. Door God bemind, want God heeft een blijmoedige gever lief. (2 Kor 9:7)

## blijven in de leer (begrip)

- Volharden in de apostolische geloofsleer aangaande Christus; voorwaarde voor blijvende gemeenschap met de Vader en de Zoon. (2 Joh 1:9)

## blijven in geleerde (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (2 Tim 3:14)

## blijven in Hem (begrip)

- Die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in dezen; en hieraan kennen wij dat Hij in ons blijft, namelijk uit de Geest die Hij ons gegeven heeft. (1 Joh 3:24)

## blijven in het geloof (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (Kol 1:23)

## blijven in u (begrip)

- Wat u dan van het begin gehoord hebt, dat blijve in u; indien in u blijft wat u van het begin gehoord hebt, zo zult u ook in de Zoon en in de Vader blijven. (1 Joh 2:24)

## blijvende stad (begrip)

- Wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende; daarom uitgaan tot Christus buiten de legerplaats. (Hebr 13:14)

## bliksem (begrip)

- Lichtflits in de hemel bij onweer, in de Bijbel teken van Gods majesteit en oordeel. Vergezelde Gods verschijning op de Sinaï. (Ex 19:16)
- Schitterend lichtteken van Gods machtige verschijning. Verstrooien Gods vijanden. (Ps 18:15)
- Lichtflits tijdens onweer. In de bijbel teken van Gods macht en (in apocalyptisch beeldspraak) van zijn oordeel. (Wijsh 5:21)

## bliksemen (begrip)

- Lichtflitsen tijdens onweer. In de bijbel vaak teken van Gods macht en majestueuze verschijning. (Gez. Vuur. 1:73)

## bliksems en stemmen (begrip)

- Bliksemen en stemmen en donderslagen die uit de troon voortgaan — Sinaï-motief. (Op 4:5)

## blinde (begrip)

- Iemand zonder of met sterk verminderd gezichtsvermogen. In de evangeliën worden blinden door Jezus genezen als teken van zijn messiaanse zending. (Matt 12:22)

## blindgeborene (persoon)

- Een man die vanaf zijn geboorte blind was. Jezus genas hem door slijk op zijn ogen te smeren en hem naar het badwater Siloam te sturen. (Joh 9:1)

## blindheid (begrip)

- Het verlies of gebrek van het gezichtsvermogen. In de bijbel zowel letterlijk als beeld voor geestelijk onbegrip. (Tob 2:10)
- Onvermogen tot zien, in de Schrift soms beeld van geestelijke onwetendheid of ongeloof. Komt ook voor als bovennatuurlijke plaag waarmee God vijanden tijdelijk treft. (2 Kon 6:18)

## blinken aangezicht (begrip)

- Het stralende gelaat van Mozes nadat hij van de berg Sinaï was afgedaald na zijn ontmoeting met God. Hij moest zich met een sluier bedekken voor het volk. (Ex 34:29)

## bloed (begrip)

- De levensvloeistof van mens en dier, in de Tora drager van het leven. Daarom verboden om te eten en in offerritus middel van verzoening. (Gen 4:10)
- Drager van het leven volgens de Tora; daarom middel van verzoening in het offer en verboden om te eten. Zinnebeeld van het leven dat geschonken wordt. (Lev 17:11)
- Drager van het leven volgens de Tora. Daarom verboden om te eten en geboden om bij het slachten op de aarde uit te storten als water. (Dt 12:23)
- Onschuldig vergoten bloed. (Ps 5:7)
- In de Bijbel drager van het leven en daarom kern van offercultus en verzoening. Het bloed van Christus geldt in het Nieuwe Testament als grond van vergeving. (Matt 16:17)
- In de Bijbel teken van leven, maar bij vergieten teken van geweld en schuld. Het roept om wraak en bezoedelt het land. (Hab 2:12)

## bloed Christus (begrip)

- Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf onstraffelijk heeft opgeofferd, ons geweten reinigen van dode werken. (Hebr 9:14)

## bloed der besprenging (cultisch)

- Bloed van het verbond, waarmee Mozes het altaar en het volk besprenkelde bij de plechtige bevestiging van het verbond op de Sinaï. (Ex 24:8)

## bloed des verbonds (begrip)

- Het bloed waarmee het verbond werd ingewijd. Mozes besprenkelde het volk; Christus' bloed is het bloed van het nieuwe en betere verbond. (Hebr 9:20)

## bloed en water (begrip)

- Uit Jezus' doorstoken zijde vloeide bloed en water — symbool van avondmaal en doop. (Joh 19:34)

## bloed tot aan de toomen (begrip)

- Het bloed kwam uit de wijnpers tot aan de toomen der paarden, duizend zeshonderd stadiën — beeld van het oordeel. (Op 14:20)

## bloed van het Lam (begrip)

- De grote schare wassen hun klederen wit in het bloed van het Lam — beeld van verzoening. (Op 7:14)

## bloed van uw hand (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de verantwoordelijkheid die op iemand rust voor het lot van anderen. Onderdeel van de profetische ambtsleer. (Ez 3:18)

## bloedakker (plaats)

- Stuk grond bij Jeruzalem dat volgens de evangeliën met Judas' verradersgeld werd gekocht als begraafplaats voor vreemdelingen. In het Aramees Akeldama. (Matt 27:8)

## bloedig kleed (voorwerp)

- Het kleed met bloed besprenkeld waarmee de Witte Ruiter bekleed is. (Op 19:13)

## bloedig zweet (begrip)

- Jezus' zweet werd in Gethsemane gelijk grote droppels bloeds — uniek detail bij Lukas. (Luk 22:44)

## bloedschande (begrip)

- Seksuele gemeenschap tussen nauwe verwanten. In de Tora streng verboden als ernstige overtreding van de scheppingsorde. (Gen 19:32)

## bloedstad (begrip)

- Aanduiding voor een stad die zich schuldig heeft gemaakt aan moord, geweld en bloedvergieten. In profetische taal vooral voor de hoofdsteden van wrede wereldrijken. (Na 3:1)
- Profetische aanduiding voor een stad die zich schuldig heeft gemaakt aan moord, geweld en bloedvergieten. Vooral toegepast op steden van wrede macht. (Ez 22:2)

## bloedstortenden (begrip)

- Mensen die zich schuldig maken aan moord en bloedvergieten. In de Bijbel zwaar beladen schuld die om wraak roept en het land bezoedelt. (Zach 11:13)

## bloedstortingen (begrip)

- Moord, het vergieten van bloed. David belijdt schuld aan bloedstortingen (Uria) en bidt dat God hem ervan reinigt; ook beeld voor onrechtvaardig geweld. (Ps 51:16)

## bloedvergieten (begrip)

- Onschuldig bloed vergieten; door God gehaat. (Spr 6:17)

## bloedvergieter (begrip)

- Wie zich aan moord schuldig maakt. (Ps 5:7)

## bloedvloeiende vrouw (persoon)

- De vrouw met de bloedgang van twaalf jaren die de zoom van Jezus' kleed aanraakte en genezen werd. (Luk 8:43)

## bloedvloeiing (begrip)

- Aanhoudend bloedverlies, meestal bij vrouwen. Maakte volgens de Mozaïsche reinheidsvoorschriften langdurig cultisch onrein en sociaal geïsoleerd. (Matt 9:20)

## bloedvriend (begrip)

- Eretitel aan het Perzische hof voor een vertrouweling van de koning, die naast hem mocht zitten of optreden. (3 Ezra 3:7)

## bloedwreker (wet)

- Naaste mannelijke verwant van een gedode, die volgens oud Oosters recht het recht en de plicht had het bloed te wreken. In Israëls wetgeving aan banden gelegd door de instelling van de vrijsteden. (Joz 20:3)

## bloemvrucht (begrip)

- Eerste vruchten en bloesem van planten, in het bijzonder van wijnstok en vijgenboom. Worden gemakkelijk vernietigd door plagen of vorst. (Joël 1:7)

## blok (voorwerp)

- Het houten blok waarin de voeten van Paulus en Silas in de gevangenis waren gesloten. (Hand 16:24)

## Boanerges (persoon)

- Aramese bijnaam, betekent Door Jezus gegeven aan de broers Jakobus en Johannes, vermoedelijk om hun heftig karakter. (Mark 3:17)

## Boanerges (Jakobus en Johannes) (persoon)

- Aramese bijnaam voor de zonen van Zebedeüs, betekent Door Jezus gegeven, vermoedelijk om hun vurige aard. (Mark 3:17)

## Boaz (persoon)

- Welgestelde grondbezitter uit Bethlehem en bloedverwant van Elimelech. Trouwde de Moabitische Ruth en werd daarmee de overgrootvader van koning David. (Ruth 2:1)
- Naam van een van de twee koperen zuilen voor het voorhuis van de tempel te Jeruzalem. Betekent 'in hem is sterkte' en vormt samen met Jachin een symbolisch paar. (1 Kon 7:21)

## Bochim (plaats)

- Plaats waarvan de naam 'wenenden' betekent. Vermoedelijk gelegen nabij Bethel, plaats waar de Engel van JAHWEH het volk berispte over zijn verbond met de Kanaänieten. (Ri 2:1)

## bode (begrip)

- Boodschapper of afgezant, soms aangeduid voor menselijke gezanten en soms voor engelen. In de oudheid van groot belang voor communicatie tussen vorsten. (Gen 32:3)
- Iemand die door een ander wordt uitgezonden om een boodschap over te brengen of de weg voor te bereiden. (Luk 7:24)

## bode des verbonds (begrip)

- Profetische aanduiding van de gezondene die het verbond van God komt vertegenwoordigen. In de christelijke uitleg betrokken op Christus. (Mal 3:1)

## boek (begrip)

- Het boek met zeven zegelen, en het boek des levens. (Openb 1:11)
- Verzamelaanduiding voor een geschreven werk, in de oudheid meestal in de vorm van een boekrol van papyrus of perkament. (2 Makk 2:23)
- Schriftrol of beschreven tafel waarop een profetische boodschap of wettelijke bepaling werd vastgelegd voor blijvend gebruik. (Hab 2:2)

## boek dat verbrand is (begrip)

- In het apocriefe 4 Ezra verwijst dit naar de wet van Mozes, die volgens de overlevering bij de val van Jeruzalem verloren ging en door Ezra opnieuw werd opgeschreven. (4 Ezra 14:21)

## boek der geboden (begrip)

- Aanduiding voor de Thora, de wet van Mozes, gezien als de samenvatting van Gods geboden voor Israël. (Bar 4:1)

## boek der gedachtenis (begrip)

- Profetisch beeld van een boek waarin God de namen en daden van zijn vromen optekent en bewaart. Onderdeel van de hemelse archieven. (Mal 3:16)

## Boek der vertroosting (uitdrukking)

- Vier hoofdstukken bemoediging midden in het oordeelsboek; gericht aan de ballingen met beloften van herstel, nieuw verbond en eeuwige stad. (Jer 30:1)

## boek der wet (wet)

- De geschreven Tora die Mozes voltooide en aan de Levieten gaf om naast de ark te bewaren. Diende tot getuige tegen Israël en werd elk zevende jaar voor het volk voorgelezen. (Dt 31:9)
- De door Mozes opgetekende wetgeving, fundament van het verbond tussen JAHWEH en Israël. Gold als richtsnoer voor leiders en volk in alle generaties. (Joz 1:8)
- De door Mozes opgetekende wetgeving, fundament van het verbond tussen JAHWEH en Israël. Werd in een afschrift in het heiligdom bewaard voor de koningen en het volk. (2 Kon 22:8)
- De door Mozes opgetekende wetgeving, fundament van het verbond tussen JAHWEH en Israël. Werd in de naballingschapse gemeenschap door Ezra en zijn opvolgers met grote nauwgezetheid bestudeerd en onderwezen. (Ezra 7:6)

## boek der Wijsheid (begrip)

- Apocrief boek van het Oude Testament, geschreven in het Grieks omstreeks 50 v.Chr. in Alexandrië. Op naam van Salomo gesteld; combineert hebreeuwse wijsheid met Griekse filosofie. (Wijsh 1:1)

## boek des levens (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geestelijk of eeuwig leven. (Fil 4:3)
- Hemels boek waarin de namen van de uitverkorenen geschreven staan. (Op 3:5)

## boek des Oprechten (begrip)

- Verzameling oude Israëlitische liederen en heldenverhalen, waarschijnlijk in dichtvorm. Wordt enkele keren in de Hebreeuwse Bijbel als bron geciteerd. (Joz 10:13)

## boek geschreven (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het wensen van een blijvende vastlegging van eigen woorden. Onderdeel van het verlangen naar gedenkschrift. (Job 19:23)

## boek Jezus Sirach (begrip)

- Apocrief wijsheidsboek, oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven omstreeks 180 v.Chr. te Jeruzalem door Jezus, zoon van Sirach. Door zijn kleinzoon in 132 v.Chr. in het Grieks vertaald. (Sir 1:1)

## boek Spreuken (begrip)

- Het boek bestaat uit verschillende verzamelingen: onderwijs van vader spreuken van Salomo woorden der wijzen Salomo door mannen van Hizkia overgeschreven woorden van Agur woorden van Lemuel lied op de deugdelijke huisvrouw. (Spr 1:1)

## boek van de wet (begrip)

- De Thora, de eerste vijf boeken van de bijbel met de wetten en geboden die God door Mozes aan Israël gaf. (1 Makk 1:56)

## boekhuis (begrip)

- Plaats waar officiële documenten en archieven werden bewaard, vooral in koninklijke kanselarijen. Profetische datering volgt vaak deze ambtelijke stijl. (Hag 1:1)

## boekkassen (begrip)

- Koninklijke archieven of boekenkasten waarin oorkonden en officiële documenten werden bewaard. (3 Ezra 6:21)

## boekrol (begrip)

- Geschrift in de vorm van een opgerolde reep papyrus of perkament. In de oudheid de gewone vorm van geschreven teksten. (2 Makk 2:14)
- Geschreven document in de vorm van een opgerolde strook perkament of papyrus, in het oude Israël en de oude wereld de gebruikelijke vorm van een boek. Werd in het heiligdom of de schatkamer bewaard. (1 Kron 28:11)

## boekrol des Heeren (begrip)

- Heilige geschriften van Israël, in het bijzonder de Thora of een boek van de profeten, in de vorm van een boekrol. (2 Makk 8:23)

## boekrol in de Eufraat (uitdrukking)

- Seraja moet de profetische rol over Babel meenemen, in Babel voorlezen, dan met een steen eraan binden en in de Eufraat werpen — beeld dat Babel zo zinken zou en niet meer opstaan. (Jer 51:63)

## boekrol opeten (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij de profeet Gods woord lichamelijk in zich opneemt voordat hij het verkondigt. Komt ook voor in de Openbaring van Johannes. (Ez 3:3)

## boekrol opnieuw geschreven (uitdrukking)

- Op Gods bevel laat Jeremia Baruch een tweede rol schrijven met al de woorden van de eerste, en daaraan werden. Bewijs dat Gods woord niet te onderdrukken is. (Jer 36:32)

## boekrol van Mozes (begrip)

- De door Mozes opgetekende wetgeving in opgerolde vorm, het bijbelse boekformaat van die tijd. Diende als basisdocument voor de hele bijbelse traditie van Israël. (2 Kron 35:12)

## boekrol verbrand door Jojakim (uitdrukking)

- Jojakim sneed elk drie of vier kolommen van de boekrol af met de schrijversmes en wierp ze in het vuur op de haard. Niemand schrok of scheurde zijn klederen. (Jer 36:23)

## boekrollen, kronieken (begrip)

- Aanduiding voor de officiële hofarchieven waarin gebeurtenissen van het rijk werden vastgelegd. Vormden in het Perzische bestuur een belangrijk middel ter herinnering en rechtvaardiging. (Esth 6:1)

## boer (begrip)

- Wie de aarde bewerkt voor voedsel. In de bijbel een van de oudste menselijke beroepen (Genesis 4:2). (Sir 38:25)

## boete (wet)

- Vergoeding plus een vijfde extra die de overtreder bij het schuldoffer aan zijn naaste of aan God moest betalen. (Lev 6:5)
- Bijbels begrip voor het belijden van zonde en zich verootmoedigen voor God, vaak met vasten en aslegging. (1 Makk 3:47)

## boete-feesten (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor het oordelen van wie afgoderij en bloedvergieten heeft bedreven. Onderdeel van de profetische oordeelstaal. (Ez 16:38)

## boetekleed (begrip)

- Grof rouwkleed van geitenharen, om de lendenen gedragen in tijden van rouw, boete en verootmoediging. (1 Makk 3:47)

## boetvaardigheid (begrip)

- Innerlijk berouw en omkeer tot God, met belijdenis van zonde. In de bijbel voorwaarde tot vergeving en zaligheid. (Geb. Man. 1:7)

## Boezi (persoon)

- Persoonsnaam in de Bijbel die aan een priesterlijke familie verbonden is. Vader van de profeet Ezechiël en zelf alleen door deze afstamming bekend. (Ez 1:3)

## bok (natuur)

- Mannelijk geitendier. Belangrijk vee in de oudheid en gangbaar offerdier voor zond- en schuldoffers. (Gen 27:9)
- Mannelijk geitendier, gebruikt als offerdier voor zond- en schuldoffers. Op de Grote Verzoendag werden twee bokken gebruikt: één geslacht voor de Heere, één weggezonden als zondedrager. (Lev 16:5)
- Mannelijk geitendier. In de oordeelsbeeldspraak van de evangeliën symbool van de verworpenen tegenover de schapen die de gerechtvaardigden voorstellen. (Matt 25:33)

## bokken (natuur)

- Mannelijke geiten, vaak gehouden voor melk, vlees en wol. In offerwetten als zond- en schuldoffer gebruikt. (Gen 30:35)

## bomen herfstig (begrip)

- Bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven en ontworteld — drievoudige beschrijving van geestelijke onvruchtbaarheid. (Jud 1:12)

## boodschap aan Zedekia (uitdrukking)

- Pasjur en Sefanja worden door Zedekia naar Jeremia gezonden; God antwoordt geen verlossing maar oordeel — wie in de stad blijft sterft, wie naar de Chaldeeën uitvalt zal leven. (Jer 21:9)

## boodschappen (begrip)

- Berichten, een boodschap overbrengen. Maria Magdalena boodschapte de discipelen dat zij de Heer gezien had. (Joh 20:18)

## boodschappers (begrip)

- Personen die met een opdracht of mededeling werden uitgezonden, hetzij door koningen, hetzij door God. Hadden in de Schrift een zekere onschendbaarheid in de uitoefening van hun ambt. (1Sam 19:20)

## boog (begrip)

- Wapen voor het schieten van pijlen. In de bijbel ook beeld voor Gods oordeel of voor menselijke kracht. (Wijsh 5:22)

## boog en schild (begrip)

- Wapens uit de standaardbewapening van een krijger in het oude Israël. Ook beeld van de algemene oorlogsuitrusting in de bijbelse beeldspraak. (1 Kron 12:2)

## boog Israëls (begrip)

- Het wapen van pijl en boog als symbool voor de militaire kracht van het volk. Het breken ervan beeldt de nederlaag uit. (Hos 1:5)

## boog Jonatans (voorwerp)

- Het wapen van koning Sauls oudste zoon, beroemd uit de oude lofliederen op zijn dapperheid. Speelde ook een rol als hulpmiddel om in het verborgen tekens af te spreken. (1Sam 20:36)

## boom (natuur)

- Houtachtige plant met stam en kruin. In het scheppingsverhaal op de derde dag geschapen; speciale rol voor de boom des levens en de boom der kennis van goed en kwaad. (Gen 1:11)

## boom aan waterstromen (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de gerechte mens die zich op de Heere verlaat en daardoor vrucht draagt en standhoudt. (Jer 17:7)

## boom des levens (begrip)

- Boom in het midden van de hof van Eden, waarvan eten eeuwig leven gaf. Na de zondeval bewaakt door cherubs zodat de mens er niet bij kon. (Gen 2:9)
- De boom des levens aan beide zijden van de rivier, twaalf vruchten dragend, elke maand zijn vrucht; de bladeren tot genezing der heidenen. (Op 22:2)
- Beeld voor wijsheid en haar vruchten. (Spr 3:18)

## boom heeft hoop (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor het herstelvermogen van een afgehouwen boom door water. Wordt in het boek Job tegenover de definitieve dood van de mens gesteld. (Job 14:7)

## boom van de kennis van goed en kwaad (begrip)

- Boom in het midden van de hof van Eden, waarvan God verbood te eten op straffe van de dood. Het eten ervan was de oerzonde van de mens. (Gen 2:9)

## boom van het leven (begrip)

- Boom in het paradijs, in Genesis 2-3 als bron van eeuwig leven beschreven. In Openbaring opnieuw geplant in het hemelse Jeruzalem. (4 Ezra 2:12)

## boom van Libanon (begrip)

- Bijbels beeld voor pracht, vastheid en hoogte. De ceders van de Libanon waren in de oudheid spreekwoordelijk om hun grootte en kwaliteit. (Sir 24:13)

## boordsel (begrip)

- Versierde rand of zoom van een kledingstuk, vaak met goud, edelstenen of borduurwerk. Diende in priesterlijke en koninklijke kleding ook als teken van waardigheid. (1Sam 1:1)

## boos (begrip)

- Kwaad, slecht, zondig. De werken van de mensen waren boos, daarom hielden zij niet van het licht. (Joh 3:19)

## boos jaar (begrip)

- Verouderde uitdrukking voor een jaar van rampspoed of oordeel. Soms gebruikt voor tijden van hongersnood, oorlog of plaag. (Lev 1:1)

## boosdoener (begrip)

- Wie kwaad bedrijft. De bidder vraagt God hen weg te zenden. (Ps 6:9)

## boosheid (begrip)

- Zedelijke verdorvenheid van het menselijk hart. Voor de zondvloed werd Gods oordeel uitgesproken over de grote boosheid op aarde. (Gen 6:5)
- Slechtheid, kwaadwilligheid; voortbrengsel van het hart van de goddeloze. (Spr 4:17)

## boot (voorwerp)

- Klein vissersvaartuig op het meer van Galilea, doorgaans met zeil en roeiriemen. Veel gebruikt door Jezus en zijn discipelen om over te steken en te onderwijzen. (Matt 8:23)

## borg (begrip)

- Iemand die zich aansprakelijk stelt voor de schuld of veiligheid van een ander. In de oudheid een ernstige verplichting met grote gevolgen. (Gen 43:9)
- Iemand die voor een ander instaat. Christus is de Borg van het nieuwe verbond, die voor Zijn volk bij de Vader instaat. (Hebr 7:22)
- Wie zich voor de schuld van een ander aansprakelijk stelt; Spreuken waarschuwt herhaald tegen onbedacht borg-staan. (Spr 6:1)
- Iemand die zich tegenover een schuldeiser verplicht voor de schuld van een ander in te staan. In de wijsheidsliteratuur sterk afgeraden. (Sir 29:14)

## borgstelling (begrip)

- In het oude oosten en de bijbel het zich verplichten tegenover een schuldeiser voor de schuld van een ander. In de wijsheidsliteratuur sterk afgeraden. (Sir 8:13)

## borst en schouder (cultisch)

- De borst (beweegoffer) en rechterschouder (hefoffer) van het dankoffer. Behoorden aan de priesters toe als hun deel in de eredienst. (Lev 7:34)

## borstlap (voorwerp)

- Vierkant pectoraal van de hogepriester, met twaalf edelstenen voor de twaalf stammen. Bevatte de Urim en Thummim om Gods wil te leren kennen. (Ex 28:15)

## borstschild (begrip)

- Onderdeel van het hogepriesterlijke gewaad volgens Exodus 28, met twaalf edelstenen waarop de namen van de twaalf stammen waren gegraveerd. (Sir 45:11)

## borstwapen geloof (begrip)

- Beeldspraak voor het geloof en de liefde als geestelijke wapenrusting waarmee de gelovige zijn hart beschermt. (1 Th 5:8)

## borstwering (begrip)

- De wet als — beschermende functie. (Gal 3:24)

## Bosor (persoon)

- Andere naam (of vader) verbonden aan Bileam — wordt genoemd in de waarschuwing tegen valse leraars. (2 Petr 2:15)
- Versterkte stad in Galaäditis, ten oosten van de Jordaan, met een joodse minderheid in de Makkabeese tijd. (1 Makk 5:26)

## Bosorra (plaats)

- Versterkte stad in Galaäditis ten oosten van de Jordaan, vermoedelijk hetzelfde als het oudtestamentische Bozra. (1 Makk 5:26)

## bouwen (begrip)

- Geestelijk opbouwen van de gemeente. Apostolische arbeid op het ene fundament Christus. (1 Kor 3:10)
- Oprichten van huis of stad. (Spr 24:3)

## boven verwacht (begrip)

- Wat de uitgesproken verwachting overtreft; gebruikt om vertrouwen in iemands gehoorzaamheid uit te drukken. (Flm 1:21)

## Bovenkamer met heerlijkheid (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor de plaats waar God zich aan een profeet openbaart. In Ezechiël vindt deze openbaring plaats in vreemd land. (Ez 1:1)

## bovenkleed (voorwerp)

- Het mantelvormige bovenkleed van de hogepriester, geheel van hemelsblauw. Aan de zoom hingen gouden bellen en granaatappels van garen. (Ex 28:31)

## bovenzaal (plaats)

- De grote toegerichte zaal waarin Jezus het Pascha vierde met de twaalven. (Luk 22:12)

## boze (begrip)

- De duivel, satan. Jezus bad dat de Vader de gelovigen zou bewaren van de boze. (Joh 17:15)
- De duivel; gelovige jongelingen hebben. (1 Joh 2:13)
- Synoniem voor goddeloze; ook: het kwade als zodanig. 'Wijk van het kwade'. (Spr 4:14)

## boze (de) overwinnen (begrip)

- Ik schrijf u, jongelingen, omdat u de boze overwonnen hebt — door het Woord Gods dat in hen blijft. (1 Joh 2:13)

## boze daden (begrip)

- Slechte werken; in de bijbel daden die in tegenspraak zijn met Gods wil en die onder zijn oordeel komen. (4 Ezra 11:44)

## boze gedachte (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor zondige overwegingen die de mens van God scheiden en het hart bezoedelen. (Sir 15:11)

## boze geest (demonisch)

- Onreine of kwade geest die in de Schrift personen kon kwellen of beïnvloeden. In het Oude Testament soms beschreven als door God toegelaten ter beproeving of straf. (1Sam 16:14)
- Demonische macht die mensen kwelt of bezet. In de Bijbel onderscheiden van engelen en gezien als gevallen geestelijke wezens. In Tobit verwijst dit naar Asmodeüs. (Tob 3:8)

## boze hart (begrip)

- In het apocriefe 4 Ezra (Latijn 'cor malignum') de aangeboren neiging van de mens tot zonde, sinds de val van Adam in zijn nakomelingen aanwezig. (4 Ezra 3:21)

## boze mensen (begrip)

- Aanduiding voor onbetrouwbare en kwaadaardige mensen die de verkondiging van het evangelie tegenwerken. (2 Th 3:2)

## boze werken delen (begrip)

- Medeplichtigheid aan kwaad door instemming met of bevordering van dwaalleer en zonde van anderen. (2 Joh 1:11)

## boze ziel (begrip)

- Innerlijk leven dat aan zonde onderworpen is. In de wijsheidsliteratuur tegengesteld aan de ziel waarin Gods Geest woont. (Wijsh 1:4)

## boze zweer (begrip)

- De eerste schaalplaag: een kwade en boze zweer over de mensen die het merkteken van het beest hadden. (Op 16:2)

## boze zweren (begrip)

- Etterende, kwaadaardige uitslag op de huid, in de Bijbel een ernstige ziekte. Mogelijk een vorm van melaatsheid of huidontsteking. (Job 2:7)

## Bozra (plaats)

- Hoofdstad van Edom, gelegen in het bergland ten zuidoosten van de Dode Zee. Bekend om haar versterkte ligging op een steile rots. (Gen 36:33)
- Hoofdstad van Edom als plaats van oordeel genoemd. Klassieke stad van het Edomitische bergland. (Jer 49:13)

## Boöz (persoon)

- Welgestelde Israëliet uit Bethlehem, echtgenoot van de Moabitische Ruth en overgrootvader van koning David. (Matt 1:5)

## braambos (begrip)

- Doornenstruik in Horeb die brandde maar niet werd verteerd. Plek waar God aan Mozes verscheen en hem riep om Israël uit Egypte te leiden. (Ex 3:2)

## brand (begrip)

- De tong is. (Jak 3:5)

## branding (begrip)

- Profetisch beeld van Gods komst waarbij de natuur ineenstort, bergen versmelten en dalen openbreken. Onderdeel van de theofanie. (Mi 1:4)

## brandoffer (begrip)

- Offer waarbij het hele dier op het altaar werd verbrand. Uitdrukking van algehele toewijding en overgave aan God. (Gen 8:20)
- Offer waarbij het hele dier op het altaar werd verbrand, zonder dat iets ervan werd gegeten. Symbool van volledige toewijding aan JAHWEH. (Ri 13:19)
- Offer waarbij het hele dier op het altaar werd verbrand. Uitdrukking van algehele toewijding aan God. (Ps 51:18)
- Het offer dat geheel werd verbrand op het altaar; type van de algehele toewijding van Christus aan de Vader. (Hebr 10:6)
- Offer waarbij het hele dier op het altaar werd verbrand als geheel-offer aan God. Een van de hoofdvormen van de tempeleredienst. (3 Ezra 5:51)

## brandofferaltaar (cultisch)

- Het grote koperen altaar in de voorhof van de tabernakel, waarop dagelijks de brand- en zondoffers werden gebracht. (Ex 27:1)
- Het grote koperen altaar in de voorhof van de tabernakel waarop de dagelijkse brand- en zondoffers werden gebracht. (Lev 1:5)
- Het altaar in de voorhof van de tempel waarop dagelijks brandoffers werden gebracht. Voorgeschreven in Exodus 27. (1 Makk 4:44)
- Altaar in de voorhof van de tabernakel of tempel waarop de bloedige offers werden gebracht. Door Salomo van koper vervaardigd in indrukwekkende afmetingen. (2 Kron 4:1)

## Brandstapel van de pottenbakker (uitdrukking)

- Symbolische verwijzing. Onherstelbare breuk. (Jer 19:11)

## braveerd (begrip)

- Roem in eigen wijsheid wordt aangevallen. (Jak 1:5)

## breekt deze tempel af (begrip)

- Jezus' raadselachtig woord: — over zijn lichaam. (Joh 2:19)

## breidel om mijn lippen (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor het opzettelijk laten gaan of juist beheersen van het spreken. Onderdeel van wijsheidsuitspraken over de tong. (Job 7:11)

## breken des broods (begrip)

- Aan het breken van het brood herkenden de Emmausgangers de opgestane Heere. (Luk 24:35)
- De praktijk van de eerste gemeente: ze waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in het breken des broods. (Hand 2:42)

## breuk van mijn volk (uitdrukking)

- De verwoesting en geestelijke verwonding van Gods volk; in de profetie aanduiding voor het oordeel dat over Israël/Juda komt. (Jer 8:21)

## breuken en verdorringen (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor de innerlijke gebrokenheid van het volk die alleen door Gods Geest hersteld kan worden. Onderdeel van de heilsprofetie. (Ez 36:26)

## brief (begrip)

- Schriftelijk geschrijf tot mededeling en onderwijs; in de gemeente ook de gelovigen zelf als levende brief van Christus. Door de Geest geschreven in de harten. (2 Kor 3:2)
- Een rondzendbrief aan de gemeenten in Asia, waarvan Efeze de centrale was. (Ef 1:1)

## Brief aan ballingen (uitdrukking)

- Brief van Jeremia aan de eerste ballingen in Babel: huizen bouwen, hoven planten, vrouwen nemen, vrede zoeken. 70 jaar wachten op terugkeer. (Jer 29:1)

## brief van Artaxerxes (eerste) (begrip)

- Het door Haman opgestelde decreet tot uitroeiing van de Joden, in de apocriefe toevoegingen aan Esther uitgewerkt weergegeven. (EstAp 13:1)

## brief van Artaxerxes (tweede) (begrip)

- Het herroepingsdecreet waarin de koning de Joden vrijheid geeft hun wetten te volgen en zich te verdedigen, met instelling van het Purim-feest. (EstAp 16:1)

## Brief van Jeremia (begrip)

- Apocriefe brief tegen de afgodendienst, in veel handschriften als zesde hoofdstuk aan het boek Baruch toegevoegd. Polemiseert tegen de Babylonische beelden. (Bar 6:1)

## brief van Laodicea (begrip)

- Een door Paulus geschreven, niet bewaard gebleven brief aan de gemeente te Laodicea, waarvan in Kolossenzen melding wordt gemaakt. (Kol 4:16)

## brieven van de Samaritanen (begrip)

- Aanduiding voor de aanklachtsbrieven die door bestuurders en bevolkingsgroepen uit Samaria aan de Perzische koningen werden gericht. Waren bedoeld om de herbouw van Jeruzalem en de tempel te dwarsbomen. (Ezra 4:11)

## brieven van Haman (begrip)

- Aanduiding voor het edict dat Haman in naam van koning Ahasveros liet uitvaardigen tot uitroeiing van alle Joden. Werd in alle talen en schriften door het hele rijk verspreid. (Esth 3:13)

## brieven van Mordechai (begrip)

- Aanduiding voor het tegen-edict dat Mordechai in naam van koning Ahasveros liet uitvaardigen ter bescherming van de Joden. Compenseerde het eerdere onherroepbare edict van Haman. (Esth 8:9)

## broden der toonbroden (begrip)

- De twaalf broden die wekelijks vers op de gouden tafel in het heilige van de tabernakel of tempel werden gelegd, symbool voor de twaalf stammen van Israël. Mochten alleen door de priesters worden gegeten. (1 Kon 7:48)

## broden in de zak (begrip)

- Eenvoudige reisproviand zoals deze in het oude Israël werd meegenomen op tochten. Bestond doorgaans uit gerstebroden, koeken of vijgenkoeken. (2 Kon 4:42)

## broeder haten (begrip)

- Die zegt dat hij in het licht is en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nu toe. (1 Joh 2:9)

## broeder in vlees en Heere (begrip)

- Aanduiding van iemand die zowel naar uiterlijke verhouding als geestelijk in Christus tot iemands familie of gemeente behoort. (Flm 1:16)

## broeder liefhebben (begrip)

- Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en geen ergernis is in hem — geen aanstoot om te struikelen. (1 Joh 2:10)

## broeder onzichtbaar (begrip)

- Indien iemand zegt: ik heb God lief, en zijn broeder haat, die is een leugenaar; want die zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, hoe kan hij God liefhebben die hij niet gezien heeft? (1 Joh 4:20)

## broeder vermanen (begrip)

- Pastorale tucht waarin een dwalende medegelovige niet als vijand maar als broeder met liefde wordt terechtgewezen. (2 Th 3:15)

## broederbedrog (begrip)

- Het vertrappen of bedriegen van een medegelovige in zakelijke of persoonlijke aangelegenheden. (1 Th 4:6)

## broederen (begrip)

- Christus schaamt Zich niet hen broeders te noemen die geheiligd worden, want Hij is uit Eén met hen die geheiligd worden. (Hebr 2:11)

## broederen getuigen (begrip)

- Mondelinge bevestiging door medegelovigen van iemands trouw aan het evangelie en oprechte levenswandel. (3 Joh 1:3)

## broederliefde (begrip)

- Hartelijke liefde tussen leden van de gemeente als kinderen van één Vader. Kenmerk en bewijs van het ware geloof. (1 Kor 16:14)
- Dat de broederlijke liefde blijve. Vergeet de herbergzaamheid niet, want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. (Hebr 13:1)

## broederlijke gelijkheid (begrip)

- Geestelijke gelijkwaardigheid van alle gelovigen in Christus, los van maatschappelijke standsverschillen. (Flm 1:16)

## broederlijke geloofsgemeenschap (begrip)

- Onderlinge verbondenheid van christenen, gekenmerkt door gastvrijheid, gezamenlijk getuigenis en steun aan zending. (3 Joh 1:8)

## broederlijke groet (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de onderlinge liefde in de gemeente. (Gal 6:18)

## broederlijke liefde (begrip)

- Wederzijdse liefde van gelovigen onderling, gegrond in hun gemeenschappelijke kindschap van God. (1 Tess 4:9)
- Hartelijke genegenheid van christenen jegens elkaar als leden van het lichaam van Christus. (1 Petr 1:22)

## broederlijkheid (begrip)

- Bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen. (2 Petr 1:7)

## broedermin (begrip)

- Hartelijke verbondenheid en trouw tussen leden van een volk of gemeenschap. Vrucht van het verbond tussen God en zijn volk. (Hos 4:2)

## broeders der priesters (begrip)

- Aanduiding voor de Levieten in hun nauwe verbondenheid met de priesterklasse. Verwijst naar hun gemeenschappelijke afkomst uit Levi en hun samenwerking in de tempeldienst. (1 Kron 9:32)

## broeders verbieden (begrip)

- Het tegenhouden of straffen van gemeenteleden die rondreizende verkondigers willen ontvangen; in het Nieuwe Testament voorbeeld van kerkelijk machtsmisbruik. (3 Joh 1:10)

## broederschap (begrip)

- Verbond van vriendschap of bondgenootschap, ook tussen volken of staten. In hellenistische tijd politieke term voor formele verwantschap. (2 Makk 1:1)
- Verwantschap tussen Edom en Israël, omdat zij afstammen van de tweelingbroers Esau en Jakob. Schending van deze verwantschap geldt als een ernstige misdaad. (Ob 1:10)

## bron (begrip)

- Natuurlijke uitstroming van grondwater. In het droge Oosten van groot belang en vaak ontmoetingsplaats voor herders en reizigers. (Gen 16:7)

## bron van Jakob (plaats)

- De put van Jakob bij Sichar waar Jezus de Samaritaanse vrouw ontmoette. (Joh 4:6)

## bronnen van het water (begrip)

- Waterbronnen of putten in de woestijn, levensnoodzakelijk voor mens en dier. In de oude wereld vaak bron van twist tussen herders. (Ex 15:27)

## brons (begrip)

- Christusgelijk blinkend koper'. (Openb 1:15)

## brons-glans van wezens (uitdrukking)

- Profetisch beeld van de hemelse wezens met de glans van gepolijst koper. Onderdeel van de troonvisioenen in profetische literatuur. (Ez 1:7)

## brood des levens (begrip)

- Een titel die Jezus aan Zichzelf geeft: Hij is het geestelijke brood dat eeuwig leven geeft aan ieder die in Hem gelooft, zoals gewoon brood het lichaam in leven houdt. (Joh 6:35)

## brood uit de hemel (begrip)

- Jezus over Zichzelf. (Joh 6:33)

## bruid (begrip)

- Vrouw die wordt uitgehuwelijkt of pas getrouwd is. In de Bijbel ook beeld voor de gemeente die met Christus verenigd wordt. (Gen 24:67)
- In de Bijbel ook een beeld voor de gemeente of het volk van God. Johannes de Doper vergelijkt Jezus met de bruidegom en zichzelf met de vriend van de bruidegom. (Joh 3:29)
- De heilige stad Jeruzalem als bruid. (Openb 18:23)
- In bijbels en apocalyptisch beeldspraak de personificatie van het volk Gods of het hemelse Jeruzalem, die als bruid van God of het Lam wordt voorgesteld. (4 Ezra 7:26)
- In bijbels en apocalyptisch beeldspraak personificatie van het volk Gods of van Wijsheid als levenspartner. (Wijsh 8:2)

## bruidegom (begrip)

- Man die wordt uitgehuwelijkt of pas getrouwd is. In de Bijbel ook beeld voor God in Zijn liefde voor Zijn volk en voor Christus. (Gen 24:67)
- Man op zijn trouwdag, centrale figuur in de zevendaagse joodse bruiloft. In de evangeliën gebruikt als beeld voor Christus in zijn verhouding tot zijn gemeente. (Matt 9:15)
- Man die op het punt staat te trouwen, in de Bijbel voorwerp van bijzondere vreugde en feest. Soms ook beeld voor God of de Messias in zijn relatie tot zijn volk. (Joël 2:16)

## bruidschat (begrip)

- Geschenken of betaling die de bruidegom of zijn familie aan de vader van de bruid gaf bij het huwelijk. Vorm van vergoeding voor het verlies van een werkkracht. (Gen 34:12)

## bruidskamer (begrip)

- Het slaapvertrek van het bruidspaar, in de huwelijksgewoonten van het oude oosten een afgesloten ruimte voor de huwelijksvoltrekking. (Tob 6:15)

## bruidsweek (begrip)

- De feestelijke week van zeven dagen na de huwelijksvoltrekking. Periode van bruiloftsmaaltijden en festiviteiten. (Gen 29:27)

## bruiloft (begrip)

- Meerdaags huwelijksfeest in de oudheid, gekenmerkt door optochten, maaltijden en muziek. In de evangeliën beeld van de eindtijdelijke vreugde van het Koninkrijk. (Matt 22:2)
- Het huwelijksfeest. In het oude oosten meestal meerdere dagen durend, met genodigden, maaltijden en formele rituelen rond de bruid. (Tob 8:17)

## bruiloft van het Lam (begrip)

- De bruiloft des Lams is gekomen, en zijn vrouw heeft zichzelf bereid in fijn lijnwaad, blinkend en rein. (Op 19:7)

## bruiloftskleed (voorwerp)

- Bijzonder feestgewaad voor een bruiloft, in de oudheid soms door de gastheer aangereikt. In de gelijkenis beeld van de gerechtigheid die nodig is voor het Koninkrijk. (Matt 22:11)

## brullende leeuw (begrip)

- Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden — de gelovige moet wakker en nuchter zijn. (1 Petr 5:8)

## Buga (plaats)

- Plaats- of geslachtsnaam waaruit Haman volgens de Griekse versie van Esther afkomstig zou zijn. (EstAp 12:6)

## buidel (voorwerp)

- 'Maakt uzelven buidels, die niet verouden, een schat die in de hemelen niet afneemt'. (Luk 12:33)

## buik (begrip)

- Innerlijk; in Spreuken zetel van begeerten. (Spr 20:27)

## buik als god (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Fil 3:19)

## buik der hel (begrip)

- Beeldspraak voor het diepst van het dodenrijk of graf, waar de mens van het licht en het leven is afgesneden. Vaak in psalmtaal voor uiterste nood. (Jon 2:2)

## buik der visch (begrip)

- Het inwendige van een grote zeevis dat als plaats van verblijf dient. In de Bijbel verbonden met Gods bewarende macht en in het Nieuwe Testament als type van het graf van Christus. (Jon 1:17)

## buit (begrip)

- Wat na een militaire overwinning aan goederen, vee en personen werd meegenomen. In de heilige oorlog gold een onderscheid tussen wat onder de ban viel en wat als legitieme buit mocht dienen. (Joz 8:2)
- Wat na een militaire overwinning aan goederen, vee en personen werd meegenomen. Verdeling van de buit was een belangrijk aspect van de oude oorlogvoering. (Ri 5:30)

## buit niet aanraken (begrip)

- Aanduiding voor de bewuste keuze van de Joden in het boek Esther om het bezit van de verslagen vijanden niet te plunderen. Drukt de zuivere motieven van zelfverdediging in plaats van eigenbelang uit. (Esth 9:10)

## buiten de legerplaats (begrip)

- Christus heeft buiten de poort geleden om het volk door Zijn eigen bloed te heiligen; laat ons tot Hem uitgaan, Zijn smaadheid dragende. (Hebr 13:13)

## buiten de stad (begrip)

- Buiten zijn de honden, de tovenaars en hoereerders en doodslagers en afgodendienaars en al wie de leugen liefheeft. (Op 22:15)

## buitengeworpen (begrip)

- De overste dezer wereld zal worden uitgeworpen door Jezus' kruisdood. (Joh 12:31)

## buitenstaanders (begrip)

- Aanduiding voor wie niet tot de gemeente van Christus behoort; in apostolische brieven dikwijls in de zin van niet-gelovigen. (1 Th 4:12)

## buitenste duisternis (begrip)

- Beeld voor de eindtijdelijke verwerping uit Gods Koninkrijk, vaak verbonden met geween en tandenknarsen. Komt vrijwel uitsluitend in Mattheus voor. (Matt 8:12)

## burcht (begrip)

- Versterkte vesting; beeld voor God als veilige toevlucht voor wie op Hem vertrouwt. (Ps 18:3)
- Versterkt bouwwerk binnen of bij een stad. In de Makkabese tijd vooral de Akra in Jeruzalem, de Seleucidische vesting bij de tempel. (1 Makk 1:33)
- Versterkt verdedigingsbouwwerk, in het Hebreeuws 'birah' genoemd. Diende in het naballingschapse Jeruzalem als militair steunpunt nabij de tempel. (Neh 2:8)

## buren van Sion (begrip)

- Bijbelse personificatie: de omliggende steden of volken van Sion (Jeruzalem) als haar buren, vaak in profetische klaagliederen aangesproken. (Bar 4:9)

## burg (begrip)

- Burcht, vesting — een sterke versterkte plaats van veiligheid. David noemt JAHWEH zijn burg: een onneembare schuilplaats waarin hij toevlucht vindt voor zijn vijanden. (Ps 18:3)

## burgerrecht (begrip)

- Paulus was geboren als Romeins burger; de overste had het burgerrecht voor veel geld gekocht. (Hand 22:28)

## burgerschap (begrip)

- Letterlijk: gedraagt u als burgers. (Fil 1:27)
- Het volwaardig recht in een Griekse stad, met deelname aan bestuur, eredienst en privileges. Een geliefd hellenistisch instrument om bevolkingsgroepen te belonen of te assimileren. (3 Makk 2:30)

## burgerschap Israëls (begrip)

- Voorrecht waarvan de heidenen waren uitgesloten — door Christus nu deelachtig. (Ef 2:12)

## busbomen tafelkens (begrip)

- Schrijftafeltjes van buksboomhout, in de oudheid gebruikt voor het maken van aantekeningen of het schrijven van teksten. (4 Ezra 14:24)

## buurvolken (begrip)

- Verzamelnaam voor de heidense volken die rondom en binnen het land Israël woonden. Vormden gedurende de hele bijbelse geschiedenis een godsdienstige en politieke uitdaging voor het verbondsvolk. (Ezra 9:1)

## Buz (persoon)

- Tweede zoon van Nahor en Milka, broer van Uz. Neef van Abraham; later naam van een Arabische stam. (Gen 22:21)
- Bijbels persoon, broeder van Uz en zoon van Nahor. Aan zijn naam is een Arabische stam verbonden waaruit Elihu in het boek Job kwam. (Job 32:2)

## Buziet (begrip)

- Bewoner van het gebied Buz, vermoedelijk in Arabië. Naam afgeleid van Buz, een nakomeling van Nahor. (Job 32:2)

## Cabul (plaats)

- District in het stamgebied van Aser in Galilea, met meerdere kleinere steden. Werd door Salomo aan de Tyrische koning Hiram afgestaan in ruil voor bouwmaterialen. (1 Kon 9:13)

## Caesar (persoon)

- Ook Tiberius Caesar; politieke datering. (Luk 2:1)

## Caesarea Filippi (plaats)

- Stad in het noorden van Palestina aan de voet van de Hermon, herbouwd door tetrarch Filippus. Niet te verwarren met de havenstad Caesarea aan zee. (Matt 16:13)

## Cafarsalama (plaats)

- Plaats in Judea, in de buurt van Jeruzalem (de exacte ligging is onzeker). Locatie van een veldslag in de Makkabeese oorlogen, waar Judas Makkabeüs de Seleucidische generaal Nicanor versloeg in 161 v.Chr. (1 Mak 7:31)

## Cafarsarama (plaats)

- Plaats in Judea, ten noordwesten van Jeruzalem; ligging niet met zekerheid bepaald. (1 Makk 7:31)

## Cafenatha (plaats)

- Plaats nabij Jeruzalem, mogelijk een wijk of buitenwerk van de stad. (1 Makk 12:37)

## Caftorieten (volk)

- Bewoners van Caftor (mogelijk Kreta), nakomelingen van Mitsraïm. Verwant aan de Filistijnen. (Gen 10:14)

## Caldea (plaats)

- Aanduiding voor het zuiden van Mesopotamië en het rijk van de Chaldeeën, dat onder Nebukadnezar het Nieuw-Babylonische rijk vormde. (Am 5:27)

## Caleb (persoon)

- Zoon van Jefunne uit de stam Juda, een van de twaalf verspieders. Bracht met Jozua een gelovig verslag uit en werd beloond met een eigen erfdeel in Hebron. (Num 13:6)
- Zoon van Jefunne, een van de twee verspieders die God geloofden ten tijde van Mozes. Ontving het bergland rond Hebron als erfdeel en wordt herinnerd om zijn moed en geloof tot in zijn ouderdom. (1 Kron 2:18)

## Caligula (persoon)

- In Handelingen niet expliciet, wel impliciet bij Claudius' regering. (Hand 11:28)

## Calkol (persoon)

- Naam die in de Schrift voorkomt als een van de wijzen, mogelijk uit de stam Juda. Verder zijn er weinig gegevens over deze persoon bekend. (Ri 1:1)

## Calne (plaats)

- Stad in het land Sinear (Babylonië), behorend tot het oudste rijk van Nimrod. (Gen 10:10)

## Cananeër (persoon)

- Bijnaam van de apostel Simon, vermoedelijk afgeleid van het Aramese woord voor ijveraar (zeloot) en niet van de plaats Kana. (Matt 10:4)

## Capernaüm (plaats)

- Vissersplaats aan de noordwestkust van het meer van Galilea. Diende tijdens Jezus' bediening als zijn vaste verblijf en uitvalsbasis. (Matt 4:13)

## Caph (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:12)

## Carchemis (plaats)

- Stad aan de westoever van de Eufraat in het noorden van Mesopotamië. Toneel van een beslissende veldslag tussen Egypte en Babylonië in de late zevende eeuw v. Chr. (2 Kron 35:20)

## Carchemis-veldslag (begrip)

- Beslissende veldslag aan de Eufraat in 605 v. Chr., waarin het Egyptische leger door Nebukadnezar werd verslagen. Markeerde de overgang van de Egyptische naar de Babylonische hegemonie in Syrië. (2 Kron 35:20)

## Carmel (plaats)

- Stad in het zuidelijke bergland van Juda, niet te verwarren met de gelijknamige berg in het noorden. Bekend als woonplaats van Nabal en Abigaïl. (1Sam 25:2)
- Bergrug aan de Middellandse-Zeekust van Israël, bekend om vruchtbaarheid en bossen. Plaats van Elia's confrontatie met de Baalspriesters. (Am 1:2)

## Carshena (persoon)

- Een van de zeven hoogste vorsten van Perzië en Medië die regelmatig toegang tot het koninklijk aangezicht hadden. Behoorde tot de adviesraad van koning Ahasveros. (Esth 1:14)

## Casiphja (plaats)

- Plaats in het Babylonische gebied waar een gemeenschap van Levitische tempelhulpen woonde. Diende als wervingsplek voor Levieten en Nethinim die met Ezra naar Jeruzalem terugkeerden. (Ezra 8:17)

## Casluchieten (volk)

- Nakomelingen van Mitsraïm, zoon van Cham. Volgens Genesis volk waaruit de Filistijnen voortkwamen. (Gen 10:14)

## Caspin (plaats)

- Versterkte stad in het Overjordaanse, ten oosten van het meer van Galilea. (2 Makk 12:13)

## Caïphas (persoon)

- Hogepriester ten tijde van Johannes' optreden. (Luk 3:2)

## ceder (begrip)

- Indrukwekkende boom van de Libanon; beeld voor stevige groei. (Ps 92:13)
- Hoge naaldboom uit Libanon met geurig en duurzaam hout. In de Bijbel symbool van koninklijke pracht, hoogte en vergankelijke trots. (Am 2:9)

## cederen van Libanon (begrip)

- Geurig en duurzaam hout van de Libanonceder, in de oudheid het meest gewaardeerde bouwhout van het Nabije Oosten. Werd vooral gebruikt voor paleizen, tempels en koninklijke schepen. (1 Kon 5:6)

## cederhout (begrip)

- Hout van de cederboom uit het Libanongebergte. In de oudheid hoog gewaardeerd om kwaliteit en duurzaamheid voor tempel- en paleisbouw. (3 Ezra 4:48)

## Cefas (persoon)

- De Aramese naam voor Petrus, die of betekent. Jezus gaf Simon deze naam bij hun eerste ontmoeting. (Joh 1:43)
- Aramese naam van de apostel Petrus, betekenend rots. Door Christus zelf hem gegeven. (1 Kor 1:12)
- Aramees voor Petrus; door Paulus om huichelarij te Antiochië. (Gal 2:11)

## Celo-Syrië (plaats)

- Het 'Holle Syrië', het bestuursgebied tussen Libanon en Antilibanon. In hellenistische tijd een eigen provincie met Damaskus als belangrijke stad. (3 Ezra 2:17)
- Hellenistische naam voor het gebied tussen de Libanon en de Anti-Libanon (letterlijk 'Holle Syrië'); in ruimere zin de gehele zuidelijke regio van het Seleucidische rijk inclusief Palestina. (1 Makk 10:69)
- Grieks Koilē Syria ('Holle Syrië'): de strook tussen het Libanon- en Antilibanon-gebergte, en bij uitbreiding de hele Levant ten zuiden van Syrië. In de Hellenistische tijd betwist gebied tussen het Ptolemeïsche en Seleucidische rijk; door Antiochus III veroverd ca. 200 v.Chr. Onder Romeinen administratieve regio. (1 Mak 10:69)

## Cendebeüs (persoon)

- Seleucidische veldheer in de tweede eeuw v.Chr., door Antiochus VII tegen de joden in Judea ingezet. (1 Makk 15:38)

## centurion (begrip)

- Romeinse legerofficier over honderd soldaten in een legioen. Vormde de ruggengraat van het Romeinse beroepsleger. (Mark 15:39)

## Cesar (persoon)

- Christenen aan het keizerlijk hof. (Fil 4:22)

## Cesarea (plaats)

- De Romeinse hoofdstad van Judea aan zee, waar Cornelius woonde en Paulus twee jaar gevangen zat. (Hand 10:1)

## Chaldeeën (plaats)

- Bewoners van Chaldea, het zuidelijke deel van Mesopotamië rondom de stad Ur. Geboorteplaats van Abraham. (Gen 11:28)
- Volk uit Zuid-Mesopotamië dat onder Nebukadnezar het Nieuw-Babylonische rijk vormde. In de bijbel vaak synoniem met Babyloniërs. (Geb. Az. 1:48)
- Volk uit Zuid-Mesopotamië dat het Nieuw-Babylonische rijk vormde (7e-6e eeuw v.Chr.). Onder Nebukadnezar verwoestten zij Jeruzalem in 586 v.Chr. (Ob 1:11)
- Volk uit Zuid-Mesopotamië dat in de tijd van de aartsvaders nog rondzwervende stammen vormde. Later vormden zij het Nieuw-Babylonische rijk. (Job 1:17)

## Cham (persoon)

- Tweede zoon van Noach en stamvader van de Hamitische volken (Cusch, Mitsraïm, Put en Kanaän). Zag de naaktheid van zijn dronken vader. (Gen 5:32)

## Chams zonde (begrip)

- De daad van Cham toen hij de naaktheid van zijn dronken vader Noach zag en het zijn broers vertelde, in plaats van hem eerbiedig te bedekken. (Gen 9:22)

## Chanani (persoon)

- Persoonsnaam die 'genadig' betekent, in de Bijbel door verschillende personen gedragen. Onder andere als profeet en als familienaam. (Zach 12:12)

## Chanaän (persoon)

- Zoon van Cham en kleinzoon van Noach, stamvader van de bewoners van het beloofde land. Gaf zijn naam aan het land Kanaän. (1 Kron 1:8)

## Chanoeka (begrip)

- Joods feest op 25 Kislev (november-december), ingesteld in 164 v.Chr. ter herdenking van de herinwijding van de tempel door Judas Makkabeüs. Acht dagen lang gevierd. (1 Makk 4:59)

## Charax (plaats)

- Plaats in het Overjordaanse waar joden uit Tubia woonden; ligging niet met zekerheid bepaald. (2 Makk 12:17)

## Charmis (persoon)

- In het apocriefe boek Judith een van de drie oversten van de stad Bethulië tijdens de belegering door Holofernes. (Jdt 6:11)

## Charran (plaats)

- Stad in noord-Mesopotamië (huidig zuid-Turkije), waar Abraham een tijd verbleef na vertrek uit Ur en vóór zijn reis naar Kanaän. In het Oude Testament 'Haran' genoemd; ook woonplaats van Laban. (Hand 7:2)

## Chasfon (plaats)

- Versterkte stad in Galaäditis ten oosten van de Jordaan, in de Makkabeese tijd belegerd door Judas Makkabeüs. (1 Makk 5:36)

## Chaskor (plaats)

- Plaats in Galaäditis, ten oosten van de Jordaan, genoemd onder de versterkte steden in de Makkabeese tijd. (1 Makk 5:26)

## Chebar (plaats)

- Groot kanaal of zijrivier van de Eufraat in Babylonië, langs welke joodse ballingen woonden. Plaats waar de profeet Ezechiël zijn eerste visioenen ontving. (Ez 1:1)

## Chebron (plaats)

- Stad in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem; oude aartsvaderstad waar Abraham, Izak en Jakob werden begraven. (1 Makk 5:65)

## Chelkia (persoon)

- In de bijbel naam van verschillende personen, onder wie de hogepriester onder koning Josia die het wetboek vond (2 Kon. 22). (Bar 1:1)

## Chelkias (persoon)

- Joodse vader van Susanna in het apocriefe verhaal Susanna. Vrome man die zijn dochter onderwees in de wet van Mozes. (Sus 1:2)

## Chemos (begrip)

- Hoofdgod van de Moabieten, vereerd met onder andere kinderoffers. Wordt in de Schrift consequent als gruwelafgod gekwalificeerd. (1 Kon 11:7)

## Cheran (persoon)

- Zoon van Disan en nakomeling van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:26)

## Cherethieten (begrip)

- Buitenlandse huurkrijgers die samen met de Plethieten de persoonlijke lijfwacht van koning David vormden. Vermoedelijk afkomstig uit Kreta of de Filistijnse kustvlakte. (2Sam 8:18)
- Volk dat aan de zuidelijke kuststreek van Kanaän woonde, vermoedelijk verwant aan of behorend tot de Filistijnen. Mogelijk afkomstig van Kreta. (Zef 2:5)

## cherub (cultisch)

- Hemels wezen dat de troon van God omringt en bewaakt. Twee gouden cherubs stonden boven het verzoendeksel van de ark, met de vleugels uitgespreid. (Ex 25:18)
- Hemels wezen dat de troon van God omringt en bewaakt. Twee gouden cherubs stonden boven het verzoendeksel van de ark. (Num 7:89)
- Hemels wezen dat in de Schrift als beschermer en drager van Gods troon optreedt. Twee cherubs van goud waren afgebeeld op het verzoendeksel van de ark. (Joz 3:6)
- Hemels wezen, beschermer van Gods heiligheid. JAHWEH troont op de cherubs en "vaart op een cherub" als Hij neerdaalt om te helpen. (Ps 18:11)
- Rondom de troon — verwijzing naar Ezechiël en Jesaja. (Openb 4:6)
- Engelwezen dat in de Bijbel Gods troon draagt en bewaart. Afgebeeld op het verzoendeksel van de ark en op de wanden van het heilige. (Ez 1:5)

## Cherub op de ark (begrip)

- Hemelse wezens afgebeeld op het verzoendeksel van de ark des verbonds. Vormden met uitgespreide vleugels de troon waarop JAHWEH werd gedacht te zetelen. (1 Kron 28:18)

## cherubijnen der heerlijkheid (begrip)

- De gouden engelfiguren boven het verzoendeksel die het verzoendeksel overschaduwden. Tekenen van Gods nabijheid in heerlijkheid. (Hebr 9:5)

## cherubim (begrip)

- Hemelse wezens die de troon van God omringen en bewaken. Geplaatst aan de oostzijde van Eden om de toegang tot de boom des levens te bewaken. (Gen 3:24)
- Hemelse wezens die als troondragers en wachters dienen. Op de ark van het verbond stonden twee gouden cherubim die Gods troon symboliseerden. (Gez. Vuur. 1:54)

## cherubs (begrip)

- Hemelse wezens die in de Schrift als beschermers en dragers van Gods troon optreden. Werden in de tabernakel en de tempel als beelden afgebeeld op het verzoendeksel en in het Allerheiligste. (1 Kon 6:23)

## cherubs en palmbomen (uitdrukking)

- Decoratieve motieven op de wanden van de tempel waarin engelfiguren en palmbomen elkaar afwisselen. Onderdeel van de tempelarchitectuur. (Ez 41:18)

## Chesed (persoon)

- Vierde zoon van Nahor en Milka, neef van Abraham. Mogelijk stamvader van de Chasdim (Chaldeeën). (Gen 22:22)

## Cheth (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:8)

## Chezib (plaats)

- Plaats in het stamgebied van Juda, geboorteplaats van zijn zoon Sela. (Gen 38:5)

## Chileab (persoon)

- Tweede zoon van koning David, geboren in Hebron uit zijn vrouw Abigaïl. Wordt op enkele plaatsen ook Daniël genoemd; verder is over hem weinig bekend. (2Sam 3:3)

## Chiljon (persoon)

- Tweede zoon van Elimelech en Naomi, gestorven in Moab zonder nakomelingen. Was getrouwd met de Moabitische Orpa. (Ruth 1:2)

## Chimham (persoon)

- Zoon van de Gileadiet Barzillai. Werd door koning David in plaats van zijn vader meegenomen naar Jeruzalem en aan het hof opgenomen. (2Sam 19:37)

## Chislev (begrip)

- Negende maand van het Joodse jaar, ongeveer overeenkomend met november-december. Belangrijke wintermaand in de jaarlijkse cyclus. (Neh 1:1)

## Chittieten (volk)

- Volk afstammend van Javan, kleinzoon van Jafeth. Bewoners van het eiland Cyprus en omliggende kustgebieden. (Gen 10:4)

## Chittim (plaats)

- Bijbelse aanduiding voor het westen, oorspronkelijk Cyprus en de Egeïsche kust, later voor het Griekse en Macedonische gebied. (1 Makk 1:1)

## Chloë (persoon)

- Vrouw uit wier huis berichten over twisten in Korinthe Paulus bereikten. Verder onbekend. (1 Kor 1:11)

## Choba (plaats)

- In het apocriefe boek Judith een plaats waarheen het verslagen Assyrische leger gevlucht zou zijn. (Jdt 15:5)

## Chorazin (plaats)

- Joods stadje in Galilea, ongeveer drie kilometer ten noorden van Capernaüm. Door Jezus genoemd in een wee-roep over onbekeerlijke steden. (Matt 11:21)

## chrestos (begrip)

- De Joden te Rome twistten over — een verwarring met Christus, wat tot uitwijzing onder Claudius leidde. (Hand 18:2)

## Christelijk delen (begrip)

- Gemeenschap in geloof die zich uit in werkdadig delen van geestelijke en stoffelijke goederen onder gelovigen. (Flm 1:6)

## Christen (begrip)

- De naam die de discipelen voor het eerst te Antiochië kregen —, volgers van Christus. (Hand 11:26)

## Christus (persoon)

- Griekse vertaling van het Hebreeuwse Messias, dat 'Gezalfde' betekent. Aanduiding voor Jezus als de door God beloofde en gezonden Verlosser, Profeet, Priester en Koning. (Ps 2:2)

## Christus baat niets (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Gal 5:2)

## Christus in het vlees (begrip)

- Belijdenis van de werkelijke menswording van de Zoon van God; kern van de orthodoxe christologie tegen vroege docetische en gnostische dwalingen. (2 Joh 1:7)

## Christus in mij (begrip)

- Kern van de Pauline mystiek. (Gal 2:20)

## Christus in u (begrip)

- De geestelijke inwoning van Christus in de gelovige, kern van het apostolisch heilsgeheim. (Kol 1:27)

## Christus in vlees (begrip)

- Belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is het keurmerk van de Geest van God — anti-docetisch beginsel. (1 Joh 4:2)

## Christus' gezindheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Fil 2:5)

## Christus' liefde (begrip)

- De liefde van Christus die de gelovigen dringt tot een leven niet meer voor zichzelf. Drijfveer van het apostolisch werk. (2 Kor 5:14)

## Chusim (persoon)

- Andere schrijfwijze van Husim, zoon van Dan en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Dan. (Gen 46:23)

## Chuzas (persoon)

- Rentmeester van Herodes; man van Johanna die Jezus volgde. (Luk 8:3)

## cijnsbaar (begrip)

- Belastingplichtig of arbeidsplichtig aan een overheersende mogendheid. In Israël werden veel Kanaänitische volken cijnsbaar gemaakt in plaats van uitgeroeid, in strijd met Gods bevel. (Ri 1:30)

## Cilicië (plaats)

- Streek met Tarsus, Paulus' geboortestad. (Hand 6:9)
- Streek waar Paulus na zijn bekering verbleef voordat hij Jeruzalem bezocht. (Gal 1:21)
- Streek in het zuidoosten van Klein-Azië (huidige zuid-Turkije), tussen het Taurusgebergte en de Middellandse Zee. (Jdt 1:12)
- Landstreek in zuidoost-Klein-Azië aan de Middellandse Zee; in hellenistische tijd onder Seleucidische, later Romeinse heerschappij. (1 Makk 11:14)

## cimbel (muziekinstrument)

- Bekken; klinkend metalen instrument. (Ps 150:5)

## cipres en eik (uitdrukking)

- Bouwhouten uit verschillende streken die in het oude Nabije Oosten voor scheeps- en huizenbouw werden gebruikt. Onderdeel van de oosterse handel. (Ez 27:5)

## cirkel (begrip)

- In bijbels beeldspraak symbool van afgesloten orde of voltooiing. (4 Ezra 5:42)
- Hebr.; horizon. (Spr 8:27)

## cisterne (begrip)

- Uitgehakt waterreservoir in de rotsbodem om regenwater op te vangen. Was vaak peervormig met een nauwe opening; lege cisternen werden ook als gevangenis gebruikt. (Gen 37:24)

## cisterne van Asa (uitdrukking)

- De waterput waarin Ismaël de lijken van de zeventig pelgrims wierp — gemaakt door koning Asa tegen Baësa van Israël. (Jer 41:9)

## citer (muziekinstrument)

- Snareninstrument een van de instrumenten waarmee God geprezen wordt. (Ps 150:3)

## citroengeel (begrip)

- Lichtgele kleur, in de oudheid soms toegekend aan zwavel of bepaalde stoffen. (2 Makk 10:7)

## Claudius (persoon)

- Romeinse keizer onder wie de Joden uit Rome werden verdreven. (Hand 11:28)

## Claudius Lysias (persoon)

- De Romeinse overste die Paulus naar Felix te Cesarea zond. (Hand 23:26)

## Cleopas (persoon)

- Een van de twee Emmausgangers aan wie Jezus na zijn opstanding verscheen. (Luk 24:18)

## Cleopatra (persoon)

- Naam van verschillende Ptolemeïsche koninginnen van Egypte. Genoemd in de kolofon van het Griekse Esther als datering. (EstAp 11:1)

## collecte (begrip)

- Inzameling van gaven onder de gemeenten, vooral voor de armen te Jeruzalem. Vrijwillige bijdrage uit dankbaarheid voor de geestelijke goederen. (1 Kor 16:1)

## colofon Sirach (begrip)

- Het slotsignatuur in het apocriefe boek Sirach (50:27), waarin de auteur zichzelf bij name noemt: 'Jezus, zoon van Sirach, van Jeruzalem'. (Sir 50:27)

## Conanja (persoon)

- Levitisch tempelambtenaar ten tijde van koning Hizkia van Juda. Belast met het beheer van de gewijde gaven en tienden in de tempelvertrekken. (2 Kron 31:12)

## contendeer voor geloof (begrip)

- Te strijden voor het geloof dat eenmaal de heiligen overgeleverd is — kern-oproep van de brief. (Jud 1:3)

## Cornelius (persoon)

- Romeinse hoofdman te Caesarea; eerste heidense bekeerling. (Hand 10:1)

## Creta (plaats)

- Groot eiland in de Middellandse Zee, ten zuiden van het Egeïsche gebied (huidige Kreta in Griekenland). Bekend om zijn bronstijdcultuur (Minoïsche beschaving) en als rustplaats van Paulus tijdens zijn reis naar Rome (Hand. 27). In Titus 1 vermeld als toneel van Titus' bediening. In de Makkabeeën-tijd thuisbasis van Cretensische huurlingen. (1 Mak 10:67)
- Groot eiland in de Middellandse Zee, ten zuiden van Griekenland; in de oudheid bekend om zijn Minoïsche cultuur en zeevarende bevolking. (1 Makk 10:67)

## Cretensen (plaats)

- Bewoners van het eiland Kreta in de Egeïsche Zee, in de Bijbel soms met de Filistijnen of Cherethieten verbonden. Verschijnen ook als zeevarend volk. (Joël 3:4)

## Cretenzers (volk)

- Bewoners van het eiland Kreta; in de oudheid spreekwoordelijk om hun onbetrouwbaarheid en losbandigheid bekendgestaan. (Tit 1:12)

## Crispus (persoon)

- Overste der synagoge te Korinthe die met heel zijn huis tot geloof kwam en gedoopt werd. (Hand 18:8)
- Overste van de synagoge te Korinthe die met zijn huis tot geloof kwam. Door Paulus zelf gedoopt. (1 Kor 1:14)

## Cusan (plaats)

- Aanduiding voor een nomadisch gebied of volk in het zuiden, mogelijk verwant aan Midian of Kus. Verschijnt in archaïsche poëtische teksten. (Hab 3:7)

## Cuscen (plaats)

- Land in noordoost-Afrika, ongeveer overeenkomend met het oude Ethiopië en Soedan. Vormde gedurende de Perzische tijd de zuidelijke grens van het rijk. (Esth 1:1)

## Cusch (persoon)

- Oudste zoon van Cham en stamvader van de Cusjieten in Noord-Afrika. Vader van Nimrod en van verschillende Arabische volken. (Gen 10:6)
- Een Benjaminiet, mogelijk een verwant van koning Saul, wiens woorden tegen David de aanleiding waren. Niet dezelfde als Cusch (Ethiopië). (Ps 7:1)

## Cusch (land) (plaats)

- Het land ten zuiden van Egypte, ongeveer het huidige Soedan en Ethiopië. Volgens Genesis omspoeld door de rivier Gihon. (Gen 2:13)

## Cush (Moren) (plaats)

- Hebr. כּוּשׁ — Nubië/Ethiopië. Beeld van het onveranderbare van het ingewortelde kwaad. (Jer 13:23)

## Cusi (persoon)

- Persoonsnaam die 'Kusiet' of 'Etiopiër' kan betekenen. Komt enkele malen in de Bijbel voor. (Zef 1:1)

## Cusieten (plaats)

- Bewoners van Kus, het gebied ten zuiden van Egypte (ongeveer het huidige Soedan en Ethiopië). In het Hebreeuws aangeduid als zwarten of Moren. (Zef 2:12)

## Cuth (plaats)

- Stad in Mesopotamië waarvan de bevolking door de Assyrische koning naar Samaria werd gedeporteerd. Een van de groepen die later samen met de plaatselijke restbevolking de Samaritanen vormden. (2 Kon 17:24)

## cycli van het boek (uitdrukking)

- Aanduiding voor de structurele opbouw van het boek Job in opeenvolgende delen: proloog, gespreksrondes, monologen, godsrede en epiloog. Dramatische compositie. (Job 4:1)

## cymbalen (begrip)

- Bronzen klankschalen die paarsgewijs tegen elkaar werden geslagen. Behoorden tot de vaste muziekinstrumenten van de tempeldienst in Israël. (1 Kron 13:8)

## cypres (begrip)

- Naaldboom met kegelvormige kroon, in het oude Nabije Oosten geteeld om zijn duurzaam hout. Soms genoemd naast ceder als symbool van majestueuze pracht. (Zach 11:2)

## Cyprus (plaats)

- Eiland waar Barnabas vandaan kwam; eerste zendingsterrein. (Hand 4:36)
- Eiland in de oostelijke Middellandse Zee, in de hellenistische tijd onder Ptolemaeïsche heerschappij en later onder Rome. (1 Makk 15:23)
- Eiland in het oosten van de Middellandse Zee, in het Oude Testament Chittim genoemd. Belangrijk handelseiland en bron van koper voor de oude wereld. (2 Kon 24:7)

## Cyrene (plaats)

- Stad waar mensen vandaan kwamen die in Antiochië gingen prediken. (Hand 2:10)
- Griekse stad in Noord-Afrika (huidige Libië), in hellenistische tijd onder Ptolemaeïsche heerschappij; herbergde een grote joodse gemeenschap. (1 Makk 15:23)

## Cyrenees (persoon)

- Inwoner van Cyrene, een Griekse havenstad in Noord-Afrika (huidige Libië) met een grote joodse gemeenschap. (Matt 27:32)

## Cyrenius (persoon)

- Romeinse stadhouder over Syrië ten tijde van de eerste volkstelling. (Luk 2:2)

## Cyrus (persoon)

- Perzische koning (regeerde ca. 559-530 v.Chr.), stichter van het Perzische wereldrijk. Versloeg de Meden en de Babyloniërs en gaf de Joden in 538 v.Chr. verlof om naar Jeruzalem terug te keren. (3 Ezra 2:1)
- Stichter van het Perzische rijk in de zesde eeuw v. Chr., overwinnaar van het Babylonische rijk. Bekend uit de Schrift om zijn proclamatie waarmee de Joden uit Babel mochten terugkeren. (2 Kron 36:22)

## dader des Woords (begrip)

- Weest daders des Woords en niet alleen hoorders, uzelf met valse overlegging bedriegende. (Jak 1:22)

## Dafne (plaats)

- Voorstad van Antiochië in Syrië, met een beroemd heiligdom van Apollo en het recht van asiel. (2 Makk 4:33)

## dag der bezoeking (begrip)

- De goede wandel onder de heidenen brengt mee dat zij God verheerlijken in de dag der bezoeking — wanneer Hij komt om te oordelen of te bekeren. (1 Petr 2:12)

## dag der genezing (begrip)

- Profetische aanduiding voor de heilstijd waarin God herstel en heling brengt aan wie Hem vrezen. Tegenovergesteld aan de oordeelsdag voor de goddelozen. (Mal 4:2)

## dag der slachting (begrip)

- Gij hebt op aarde wellustig geleefd en weelderig geweest; gij hebt uw harten gevoed als in een dag der slachting. (Jak 5:5)

## dag des Heeren (begrip)

- De dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan en de elementen branden zullen. (2 Petr 3:10)
- De dag waarop Johannes was en het visioen ontving — vermoedelijk de zondag. (Op 1:10)
- Profetisch begrip voor de dag waarop God beslissend ingrijpt om te oordelen en te verlossen. Heeft zowel een nabije als een eindtijd-betekenis. (Joël 2:1)

## dag van Christus (begrip)

- Verwachting van de wederkomst. (Fil 1:6)

## dag van Jizreël (begrip)

- Profetische aanduiding voor de toekomstige dag waarop God Israël weer in zijn land zal 'zaaien' en herstellen. Speelt op de betekenis van de naam Jizreël. (Hos 1:11)

## dagelijks brood (begrip)

- Het levensonderhoud voor de eerstvolgende dag. In het Onze Vader uitdrukking van vertrouwen op Gods dagelijkse voorziening. (Matt 6:11)

## dagen onderhouden (begrip)

- Het naleven van bepaalde dagen, maanden en jaren als verplichte rituele tijden, door Paulus afgewezen voor wie in Christus vrij is. (Gal 4:10)

## dagen tellen (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het bewustzijn van de kortheid van het leven, opdat men in wijsheid en godsvrucht zou leven (vgl. Psalm 90:12). (Sir 18:9)

## Dagon (begrip)

- Hoofdgod van de Filistijnen, vereerd als god van het koren of (in latere voorstellingen) van de zee. Had grote tempels in onder andere Gaza en Asdod. (Ri 16:23)
- Hoofdgod van de Filistijnen, vooral vereerd in Asdod en Gaza. In de bijbel meermalen genoemd, onder andere bij de ark in 1 Samuël 5. (1 Makk 10:83)

## dakgoot (begrip)

- Goot die regenwater van het dak afvoert. Onderdeel van de bouwwijze in droge gebieden waar regenwater werd opgevangen voor opslag. (Zach 14:7)

## dal Achor (plaats)

- Dal nabij Jericho, met de betekenis 'dal van beroering'. Plaats die Israël lange tijd herinnerde aan de banzonde en haar gevolgen. (Joz 7:26)

## dal der bergen (plaats)

- Profetisch beeld van een nieuw gevormde vallei tussen bergen, ontstaan door Gods machtig ingrijpen. Vluchtweg in de eindtijd. (Zach 14:4)

## dal der dorre beenderen (uitdrukking)

- Profetisch visioen van een dal vol gestorven beenderen die door Gods Geest weer tot leven komen. Beeld van Israëls herstel uit ballingschap en van algemene opstanding. (Ez 37:1)

## dal Hamon-Gog (plaats)

- Profetische plaatsnaam die 'dal van de menigte van Gog' betekent. Wordt voorgesteld als begraafplaats van het verslagen leger. (Ez 39:11)

## dal van Hinnom (plaats)

- Hebr. גֵּי בֶן הִנֹּם (Ge-Hinnom, vandaar 'gehenna'); oorspronkelijk plaats van afgodische kinderoffers (Tofeth) — door Jeremia aangezegd dat het oordeel daar zou plaatsvinden. (Jer 7:31)

## dal van Josafat (plaats)

- Profetische naam, betekent 'JHWH oordeelt'. Plaats waar God in de eindtijd alle volken zal verzamelen voor het oordeel. (Joël 3:2)

## Daleth (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:4)

## Dalfon (persoon)

- Een van de tien zonen van Haman, de Perzische ambtenaar die de uitroeiing van de Joden plande. Werd met zijn broers gedood bij de tegenactie van de Joden. (Esth 9:7)

## Dalmanutha (plaats)

- Onbekend gebleven streek of plaats aan de westoever van het meer van Galilea. Mogelijk te verbinden met Magdala. (Matt 15:39)

## Damaris (persoon)

- Een vrouw die op de Areopagus te Athene tot het geloof kwam, samen met Dionysius. (Hand 17:34)

## Damascus (plaats)

- Hoofdstad van het Aramese rijk Aram, ten noordoosten van Israël. Een van de oudste continu bewoonde steden ter wereld. (Zach 9:1)
- Oude stad in een vruchtbare oase ten noordoosten van Israël, hoofdstad van het Aramese rijk. Belangrijk handelsknooppunt en gedurende eeuwen een geduchte regionale macht naast Israël. (1 Kon 11:24)
- Oordeel over Damascus en Syrië. (Jer 49:23)

## Damaskus (plaats)

- Oude stad in het noorden van Syrië, een van de oudste continu bewoonde steden ter wereld. Geboorteplaats van Abrahams huisbestuurder Eliëzer. (Gen 14:15)
- Stad op weg waarheen Saulus tot bekering kwam. (Hand 9:2)
- Belangrijke stad in Syrië, plaats van Paulus' bekering. Hier ontkwam hij later via een mand over de muur. (2 Kor 11:32)
- Plaats waar Paulus tot bekering kwam en niet. (Gal 1:17)
- Hoofdstad van Aram (Syrië), oude oasestad ten noordoosten van Israël. Een van de oudste voortdurend bewoonde steden ter wereld. (Jdt 1:7)
- Oude hoofdstad van Syrië aan de oostvoet van de Anti-Libanon, gelegen aan een belangrijk knooppunt van handelswegen. (1 Makk 11:62)
- Hoofdstad van het Aramese rijk Aram, ten noordoosten van Israël. Een van de oudste continu bewoonde steden ter wereld. (Am 1:3)

## damp (natuur)

- Waterdamp of nevel. In het scheppingsverhaal bevochtigde een damp de aardbodem voor er regen viel. (Gen 2:6)

## Dan (persoon)

- Vijfde zoon van Jakob (bij Bilha) en de stam die uit hem voortkwam. Naam betekent 'God heeft recht gedaan'. (Gen 30:6)
- Vijfde zoon van Jakob (bij Bilha) en de stam die uit hem voortkwam. Erfde aanvankelijk een gebied in het westen, maar trok later naar het noorden van Israël. (Dt 33:22)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Dan, de zoon van Jakob bij Bilha. Het oorspronkelijke stamgebied lag in de westelijke kustvlakte; later trok de stam naar het noorden. (Joz 19:40)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Dan, de zoon van Jakob bij Bilha. Slaagde er niet in haar oorspronkelijke erfdeel in de kustvlakte vast te houden en trok daarom naar het noorden. (Ri 18:1)
- Stad in het uiterste noorden van Israël, oorspronkelijk Lais geheten. Vormde samen met Berseba in het zuiden de spreekwoordelijke uiterste grenzen van het land. (1 Kon 12:29)

## Dan (plaats) (plaats)

- Stad aan de noordgrens van het beloofde land, oorspronkelijk Lais geheten. Spreekwoordelijk noordpunt in de uitdrukking 'van Dan tot Berseba'. (Gen 14:14)

## Dan (stad) (plaats)

- Stad in het uiterste noorden van Israël, oorspronkelijk Lais geheten. Vormde samen met Berseba in het zuiden de spreekwoordelijke uiterste grenzen van het land ('van Dan tot Berseba'). (Joz 19:47)

## Daniël (persoon)

- Joodse balling aan het Babylonische en Perzische hof in de zesde eeuw v.Chr. Naamgever van het bijbelboek Daniël met visioenen over wereldrijken en eindtijd. (Matt 24:15)
- Joodse profeet uit voorname familie, weggevoerd naar Babel onder Nebukadnezar. Aan hem wordt het bijbelboek Daniël toegeschreven, waarin de visioenen van de vier wereldrijken voorkomen. (4 Ezra 12:11)
- Joodse profeet uit voorname familie, weggevoerd naar Babel onder Nebukadnezar. Stond aan het hof van verschillende koningen en is bekend om zijn wijsheid en visioenen. (Sus 1:45)
- Joodse balling aan het Babylonische en Perzische hof, hoofdfiguur van het naar hem genoemde profetische boek. Bekend om zijn standvastigheid in geloof en zijn profetische visioenen. (Esth 2:5)
- Joodse jongeling uit het koninklijk huis die in 605 v.Chr. naar Babel werd weggevoerd. Trad op als wijze en droomuitlegger aan het Babylonische en Perzische hof. (Ez 14:14)

## Daniël wijzer (uitdrukking)

- Profetische verwijzing naar Daniël als toonbeeld van wijsheid. Bewijs dat Daniël reeds tijdens Ezechiëls profeteren een gevestigde reputatie genoot. (Ez 28:3)

## dank (begrip)

- Erkenning van wat God heeft gedaan; 'belijden' van Zijn goedheid. (Ps 7:18)

## danken (begrip)

- God eren en erkennen om ontvangen weldaden. Antwoord op Gods goedheid. (Ps 7:18)

## dankoffer (cultisch)

- Vrijwillig offer van dankzegging, een soort vrederoffer. Het vlees werd in maaltijdgemeenschap gegeten met priester en familie. (Lev 7:12)
- Offer ter erkenning van Gods weldaden, waarvan een deel werd opgegeten in een gemeenschapsmaaltijd. Vorm van vredeoffer. (Ps 50:14)

## dankzegging (begrip)

- Het uitspreken van dank tot God na ontvangen weldaad of redding. Vaak in de vorm van een lofzang of psalm. (Jdt 16:1)

## dankzegging in gebeden (begrip)

- Het uiten van dank aan God in het persoonlijk gebed, vaak gericht op het geloof en de liefde van medegelovigen. (Flm 1:4)

## dansen op de muren (begrip)

- Aanduiding voor de plechtige dankoptocht over de muren van Jeruzalem bij de inwijding na de herbouw onder Nehemia. Vorm van publieke vreugde-uiting in de oude tempelliturgie. (Neh 12:31)

## dansen voor de ark (begrip)

- Liturgische uiting van vreugde bij religieuze processies, in het oude Israël gewoonlijk uitgevoerd bij het brengen van offers of bij feesten. Vormde een geaccepteerd onderdeel van de eredienst. (1 Kron 15:29)

## danslied (begrip)

- Liederen die in het oude Israël met dans en muziekinstrumenten werden uitgevoerd, vooral bij feestelijke gelegenheden. Vaak verbonden met overwinningen of religieuze processies. (2Sam 6:14)

## Darius (persoon)

- Naam van verschillende Perzische koningen. Darius I de Grote (regeerde 522-486 v.Chr.) consolideerde het rijk en stond de voltooiing van de tweede tempel toe. (3 Ezra 3:1)
- Darius I, koning van het Perzische rijk (522-486 v.Chr.). Onder zijn bewind kreeg de tempelbouw in Jeruzalem nieuwe steun. (Hag 1:1)
- Perzische koning Darius I de Grote (regerend ca. 522-486 v. Chr.). Bekend uit de Schrift om zijn bevestiging van Cyrus' decreet voor de herbouw van de tempel te Jeruzalem. (Ezra 4:24)
- Naam van meerdere Perzische koningen, onder wie Darius I de Grote (regerend ca. 522-486 v. Chr.). Speelde een rol in de geschiedenis van de tweede tempel te Jeruzalem. (Esth 1:1)

## Darius de Pers (persoon)

- Aanduiding voor een van de Perzische koningen Darius, ter onderscheiding van Darius de Mediër. Mogelijk Darius II uit de late vijfde eeuw v. Chr. (Neh 12:22)

## dassenvellen (voorwerp)

- Leerachtig materiaal van zeedieren of dassen, gebruikt als buitenste bedekking van de tabernakel en haar gerei tijdens transport. (Lev 13:1)

## Datan (persoon)

- Met Abiram in opstand tegen Mozes. (Ps 106:17)

## Dathan (persoon)

- Rubeniet die met zijn broer Abiram en Korach een opstand tegen Mozes maakte. Werd met zijn gezin levend door de aarde verzwolgen. (Num 16:1)

## Dathan en Abiram (persoon)

- Twee Rubenieten die met Korach een opstand tegen Mozes en Aäron leidden. Werden met hun gezinnen levend door de aarde verzwolgen als oordeel. (Dt 11:6)

## Dathema (plaats)

- Vesting in Galaäditis ten oosten van de Jordaan, toevluchtsoord voor joden tijdens de Makkabeese opstand. (1 Makk 5:10)

## dauw (begrip)

- Fijne nevel die 's nachts op planten neerslaat. In de bijbel beeld voor verkwikking, zegen en Gods levengevende gunst. (Geb. Az. 1:50)
- Vochtige neerslag die in droge perioden vegetatie levend houdt. Bijbels beeld van Gods stille zegen en verkwikking. (Mi 5:7)

## David (persoon)

- Tweede koning van Israël, herder uit Bethlehem en stamvader van Christus. Veroverde Jeruzalem, dichter van veel psalmen, met wie God het verbond van een eeuwig koningshuis sloot. (1Sam 16:13)

## David Mijn knecht koning (uitdrukking)

- Profetische belofte van een nieuwe davidische heerser die het volk verenigt en weidt. Centraal in de messiaanse heilsprofetie. (Ez 37:24)

## Davids stad (plaats)

- Bethlehem werd genoemd, omdat David daar geboren was. (Luk 2:11)

## Davidshuis (begrip)

- Davids dynastie waaraan God het koningschap eeuwig beloofde. (Ps 89:4)

## Davidsliederen (begrip)

- Verzameling psalmen en gezangen die op naam van David staan, kern van het bijbelse Psalmboek. David gold in Israëls overlevering als bij uitstek de zanger en dichter van de godsdienstige liederen. (1Sam 16:18)

## de andere discipel (persoon)

- De geliefde discipel — vermoedelijk Johannes — die met Petrus naar het hogepriesterlijk paleis ging. (Joh 18:15)

## de Eerste en de Laatste (begrip)

- ChristusIk ben de Eerste en de Laatste, en Die leeft, en Ik ben dood geweest'. (Op 1:17)

## De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen (uitdrukking)

- Klassieke geloofsbelijdenis bij verlies waarin Gods soevereiniteit over leven en dood wordt erkend. Wordt vaak in liturgische context aangehaald. (Job 1:21)

## De HEERE is daar (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor Gods blijvende inwoning bij zijn volk. Vormt het slot van het boek Ezechiël en de climax van zijn heilsprofetie. (Ez 48:35)

## de Heilige Geest viel (theologisch)

- De Heilige Geest viel op alle die het Woord hoorden bij Cornelius — de heidenpinksteren, doorbraak van het Evangelie naar de volkeren. (Hand 10:44)

## 'De stad is geslagen' (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor het bericht over de val van Jeruzalem in 586 v.Chr. Vormt een keerpunt in de profetische literatuur. (Ez 33:21)

## de twaalf (begrip)

- De apostelen die na Mattias' verkiezing weer voltallig waren — de kern van de eerste gemeente. (Hand 6:2)

## de twaalf stammen (begrip)

- De twaalf zonen van Jakob en de stammen die uit hen voortkwamen, samen het volk Israël. Hun grondvesting wordt door de zegen van Jakob (Gen. 49) bezegeld. (Gen 49:28)

## de ure is gekomen (begrip)

- Aanduiding van het door God beschikte tijdstip waarop Jezus zijn lijden ingaat en daarmee de heilsverwerving voltooit. Sleutelmotief in het Johannes-evangelie. (Joh 12:23)

## de Vader die Mij gezonden heeft (begrip)

- Een telkens herhaalde uitdrukking in Johannes — Jezus' missie van de Vader. (Joh 5:30)

## de waarheid zal u vrijmaken (begrip)

- Jezus tot wie in Hem geloofden. (Joh 8:32)

## de Weg (begrip)

- Een vroege aanduiding voor het christelijk geloof, ook door Felix en Agrippa zo verstaan. (Hand 19:9)

## de Zoon doet niets van Zichzelven (begrip)

- Jezus' verhouding tot de Vader: Hij doet alles wat de Vader doet. (Joh 5:19)

## Debir (plaats)

- Stad in het bergland van Juda, ook bekend als Kirjath-sefer ('boekenstad'). Een van de centra van de zuidelijke verovering, later Levitische stad. (Joz 10:38)

## Debora (persoon)

- Voedster van Rebekka, die met haar uit Aram-Naharaïm meekwam. Stierf op hoge leeftijd en werd onder de eik bij Bethel begraven. (Gen 35:8)
- Profetes en richteres in Israël ten tijde van de onderdrukking door Jabin van Hazor. Riep Barak op tegen Sisera op te trekken en bezong de overwinning in een beroemd lied. (Ri 4:4)
- In de bijbel naam van verschillende vrouwen, onder wie de profetes en richteres uit Richteren 4-5 en de min van Rebekka. (Tob 1:8)

## Dedan (persoon)

- Naam van twee verwante voorvaderen van Arabische stammen: een kleinzoon van Cusch en een kleinzoon van Abraham via Ketura. (Gen 10:7)
- Stamverband en oasestad in het noordwesten van Arabië. Bekend om zijn handelsactiviteiten en zijn betrekkingen met de naburige volken. (2 Kron 21:16)

## deelgenoot (begrip)

- Wij zijn deelgenoten van Christus geworden, indien wij het beginsel van deze vaste grond tot het einde toe vasthouden. (Hebr 3:14)

## deelgenoot houden (begrip)

- Iemand beschouwen als geestelijke metgezel; verzoek om een ander te ontvangen zoals men de spreker zelf zou ontvangen. (Flm 1:17)

## deelhebbers van Christus' lijden (begrip)

- Verblijdt u, voor zoveel u der gemeenschap van Christus' lijden deelachtig zijt, opdat u u ook in de openbaring Zijner heerlijkheid mag verblijden met verheuging. (1 Petr 4:13)

## deemoed (begrip)

- Diepe nederigheid voor God. (Ps 131:1)

## deemoedige van harte (begrip)

- Nederigen van geest, ootmoedigen. In de bijbel mensen die zich klein weten voor God en op zijn genade vertrouwen. (Gez. Vuur. 1:87)

## Dekapolis (plaats)

- Federatie van tien hellenistische steden ten oosten en zuidoosten van het meer van Galilea, met overwegend heidense bevolking. (Matt 4:25)

## deksel (begrip)

- Bedekking; van het deksel dat op het hart van Israël ligt bij het lezen van Mozes. Wordt in Christus weggenomen. (2 Kor 3:14)

## Delila (persoon)

- Filistijnse vrouw uit het dal Sorek met wie Simson een verhouding had. Wist hem het geheim van zijn kracht te ontfutselen en leverde hem aan de Filistijnen uit. (Ri 16:4)

## Delos (plaats)

- Klein eiland in de Egeïsche Zee, in de oudheid een belangrijk religieus en handelscentrum gewijd aan Apollo. (1 Makk 15:23)

## Demas (persoon)

- Medearbeider die de groeten doet aan de Kolossenzen. (Kol 4:14)
- Medewerker die Paulus heeft verlaten. (2 Tim 4:10)
- Medewerker van Paulus tijdens diens eerste Romeinse gevangenschap, later afgevallen uit liefde voor de tegenwoordige wereld. (Filem 1:24)

## Demetrius (persoon)

- Naam van twee Seleucidische koningen genoemd in de Bijbel: (1) Demetrius I Soter (185-150 v.Chr.), zoon van Seleucus IV, ontsnapte uit Rome en greep in 162 v.Chr. de troon. Voerde oorlog tegen de Makkabeeën. (2) Demetrius II Nicator (regeerde 145-138 en 129-126 v.Chr.), zoon van Demetrius I, sloot afwisselend vrede en oorlog met Jonathan en Simon. Daarnaast: Demetrius de zilversmid in Hand. 19:24, en Demetrius in 3 Joh. 1:12. (Hand 19:24)

## Demetrius geprezen (persoon)

- Vroegchristelijk voorbeeld van iemand wiens leer en levenswandel door gemeente en apostel als overeenkomstig de waarheid worden bevestigd. (3 Joh 1:12)

## Demetrius I (persoon)

- Seleucidische koning (regeerde 162-150 v.Chr.). Doodde zijn neef Antiochus V om de troon te bestijgen en zond Nicanor en Bacchides tegen de Makkabeeën. (2 Makk 14:1)

## Demetrius I Soter (persoon)

- Seleucidische koning (regeerde 162-150 v.Chr.). Doodde zijn neef Antiochus V om de troon te bestijgen en zond Nicanor en Bacchides tegen de Makkabeeën. (1 Makk 7:1)

## Demetrius II Nicator (persoon)

- Seleucidische koning (regeerde 145-138 en 129-126 v.Chr.). Versloeg Alexander Balas; later door de Parthen gevangengenomen. (1 Makk 10:67)

## demon (begrip)

- Boze geestelijke macht ondergeschikt aan Satan, in de evangeliën verantwoordelijk voor bezetenheid en ziekte. (Matt 7:22)

## denarie (begrip)

- Romeinse munt; in gelijkenissen voorkomend. (Luk 15:8)

## Derbe (plaats)

- Stad in Galatië waar Paulus en Barnabas vele discipelen maakten na de steniging te Lystra. (Hand 14:6)

## derde dag (begrip)

- Jezus' woord: — vervuld in zijn opstanding. (Joh 2:19)

## derde hemel (begrip)

- Aanduiding van de hoogste hemel, plaats van Gods heerlijkheid. Door Paulus in een gezicht aanschouwd. (2 Kor 12:2)

## derde uur (begrip)

- In joodse tijdrekening het derde uur na zonsopgang, omstreeks negen uur 's morgens. (Mark 15:25)
- Petrus' verklaring op pinksterdag. (Hand 2:15)

## dertig (begrip)

- Noemt 'voortreffelijke dingen' (in sommige vertalingen: dertig spreuken) als instructie tot wijsheid. (Spr 22:20)

## dertig helden (begrip)

- De keurbende van Davids elitekrijgers, met diverse heldendaden in zijn dienst. Hun namen, daden en stamlijst zijn opgetekend in de heldenlijst van de Schrift. (1 Kron 11:11)

## dertig zilverlingen (voorwerp)

- Bedrag in zilverstukken dat volgens Exodus 21:32 gold als vergoeding voor een gedode slaaf. In de evangeliën de prijs van Judas' verraad. (Matt 26:15)
- Bedrag in zilverstukken dat gold als vergoeding voor een gedode slaaf. In de evangeliën de prijs van Judas' verraad. (Mark 14:11)

## Dessau (plaats)

- Plaats in Judea, ligging niet met zekerheid bepaald; mogelijk in de buurt van Adasa ten noorden van Jeruzalem. (2 Makk 14:16)

## deugd (begrip)

- Keten van deugden. (2 Petr 1:3)

## deugdelijke huisvrouw (begrip)

- Hebr. אֵשֶׁת חַיִל (esheth chayil) — krachtdadige, capabele vrouw; alfabetisch lied. Zij vreest de HEERE en wordt geprezen door haar man en kinderen. (Spr 31:10)

## deugdrij (begrip)

- Voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid. (2 Petr 1:5)

## Deur (begrip)

- Jezus noemt Zichzelf de Deur van de schapen: alleen door Hem kunnen mensen tot God komen en behouden worden. (Joh 10:7)

## deur van het altaar (begrip)

- De toegang tot de voorhof waar de eredienst werd verricht. Het sluiten daarvan betekende dat de offerdienst gestaakt werd. (Mal 1:10)

## deuren branden (begrip)

- Aanduiding voor de verwoesting van de poorten van Jeruzalem door brand bij de Babylonische verovering. Vormde een blijvend symbool van de schande van de stad tot aan de herbouw onder Nehemia. (Neh 1:3)

## deuren van de hof (begrip)

- Toegangen tot de besloten tuin bij een woning. In het apocriefe verhaal Susanna een belangrijk detail bij de valstrik van de oudsten. (Sus 1:17)

## deurpost (begrip)

- De zijposten en bovendorpel van de huisdeur. In de paasnacht met het bloed van het paaslam bestreken zodat de verderver het huis voorbijging. (Ex 12:22)

## deurwachters (begrip)

- Tempelbedienden die over de poorten van het heiligdom waakten. Zij werden tot de Levieten gerekend. (3 Ezra 5:28)

## diadeem (begrip)

- Koninklijke hoofdband, in de hellenistische tijd het kenmerkende teken van vorstelijke waardigheid bij koningen. (3 Makk 1:14)

## diaken (begrip)

- Letterlijk dienaar; in de vroege kerk een ambtsdrager die belast was met de zorg voor armen, weduwen en de gemeenschappelijke maaltijden. (Hand 6:5)
- Helpend ambt naast de opziener; vereisten. (1 Tim 3:8)

## diakenen (begrip)

- Met opzieners genoemd in de aanhef — gemeente-ambten te Filippi. (Fil 1:1)

## diakones (begrip)

- Vrouwelijke dienares in de gemeente, met taken van barmhartigheid en hulpbetoon. Vroege getuigenis van de plaats van vrouwen in het diaconale werk. (Rom 16:1)

## Diana van de Efeziërs (persoon)

- De godin Artemis van Efeze, wier zilversmeden onder Demetrius een oproer aanvoerden tegen Paulus. (Hand 19:28)

## Diblaim (persoon)

- Persoonsnaam, mogelijk verwant aan een woord voor 'vijgenkoek'. Vader van Gomer, de vrouw van de profeet Hosea. (Hos 1:3)

## didrachme (voorwerp)

- Griekse zilvermunt van twee drachmen, gelijk aan de halve sikkel die elke volwassen jood jaarlijks als tempelbelasting betaalde. (Matt 17:24)

## Didymus (persoon)

- Griekse bijnaam van Thomas, die betekent. (Joh 11:16)

## die Hem doorstoken hebben (begrip)

- Zullen Hem zien bij zijn wederkomst — vervulling van Zacharia. (Op 1:7)

## dief (begrip)

- Iemand die heimelijk andermans bezit ontvreemdt. In het Nieuwe Testament vaak beeld voor de onverwachte komst van de dag des Heren. (Matt 24:43)
- Beeld voor het onverwachte en plotselinge komen van de dag des Heren over wie er niet op verdacht zijn. (1 Tess 5:2)
- Wie steelt; in nood om honger niet veracht, maar moet zevenvoudig vergoeden. (Spr 6:30)
- Persoon die heimelijk goederen van een ander wegneemt. In de wet van Mozes streng veroordeeld en bij ontdekking tot teruggave verplicht. (Zach 5:3)

## dief in den nacht (begrip)

- Beeld voor de plotselinge en onverwachte komst van de dag des Heren, die de mensen onverhoeds overkomt. (1 Th 5:2)

## diefstal (begrip)

- Het wegnemen van andermans goed mild beoordeeld bij honger, maar zwaar gestraft. (Spr 6:30)

## dienen (begrip)

- Het belangeloos beschikbaar zijn voor en zorg dragen voor anderen. In de evangeliën het tegendeel van heersen en kenmerk van het Koninkrijk. (Mark 9:35)
- Werk verrichten ten behoeve van anderen. Door Jezus tot kenmerk van zijn eigen optreden gemaakt en als grondhouding aan zijn discipelen voorgehouden. (Luk 14:32)
- Werk verrichten ten behoeve van anderen. In het Nieuwe Testament gebruikt voor de zorg voor armen en zieken en voor het werk van diakens. (Hand 6:2)
- Dienstknechten aan heren. (Kol 3:22)
- Werken voor of ten behoeve van een ander; in nieuwtestamentisch gebruik vooral het toegewijd dienen van God in goede werken. (Tit 2:7)
- In het Nieuwe Testament: ten behoeve van anderen werken, in het bijzonder voor medegelovigen en rondreizende verkondigers. (3 Joh 1:5)

## dienende geesten (begrip)

- De engelen, door God uitgezonden ten dienste van degenen die de zaligheid zullen beërven. Geestelijke wezens die God dienen. (Hebr 1:14)

## dienst (begrip)

- Het verrichten van dienstwerk voor God of de naaste. In het bijzonder de bediening van Woord en sacrament. (Rom 12:7)

## dienstbaarheid (begrip)

- Toestand van gebondenheid of slavernij; in geestelijke zin de slavernij onder zonde, wet of vrees. Tegenovergesteld aan de vrijheid in Christus. (Rom 8:15)
- Van de wet versus de vrijheid in Christus. (Gal 2:4)

## diensten (begrip)

- De verschillende soorten van bediening die door de Geest in de gemeente worden gegeven. Verscheiden van vorm, één van Heer. (Rom 9:4)

## dienstknecht (begrip)

- Een slaaf of knecht. Jezus zegt dat iedereen die zonde doet, een dienstknecht van de zonde is. (Joh 8:34)
- Slaaf of dienaar; in geestelijke zin wie zich geheel aan Christus heeft overgegeven. Eretitel van apostelen en gelovigen. (1 Kor 7:21)
- Slaven moeten hun heren als waardig achten. (1 Tim 6:1)
- Slaaf of dienaar; in de Grieks-Romeinse wereld iemand zonder vrije juridische status, behorend tot het huishouden van een meester. (Tit 2:9)

## dienstknecht der verdorvenheid (begrip)

- Door wie iemand overwonnen is, diens dienstknecht is hij geworden — wie zonde dient is haar slaaf. (2 Petr 2:19)

## dienstknecht des Heeren (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (2 Tim 2:24)

## dienstknechten (begrip)

- Aanduiding voor personen die in dienst van een meester of de koning stonden, variërend van slaven tot hoge hofbeambten. In Israël werden ook overgebleven Kanaänitische volken als verplichte werklieden ingezet. (1 Kon 9:21)

## dienstknechten getrouw (begrip)

- Vermaning aan slaven om hun meesters in alles welbehaaglijk te dienen, als getuigenis van de leer van God. (Tit 2:9)

## dienstmaagd (begrip)

- Vrouwelijke slavin of dienares in een huishouden. In de Bijbel veelvuldig genoemd, soms ook gegeven aan de hoofdvrouw als bijvrouw voor de man. (Gen 16:1)
- Vrouwelijke dienares. 'Zoon Uwer dienstmaagd' — de bidder noemt zich kind van Gods dienstmaagd. (Ps 86:16)
- Een vrouwelijke dienares. De dienstmaagd bij de deur van het paleis van de hogepriester vroeg Petrus of hij een discipel van Jezus was. (Joh 18:17)
- Hagar, type van het oude verbond, dienstbaar. (Gal 4:22)
- Vrouwelijke slavin of dienares in een huishouden. In de bijbel vaak vertrouwelinge van de meesteres. (Jdt 10:5)

## dienstmaagd bij de poort (persoon)

- De portierster wier vraag Petrus tot zijn eerste verloochening bewoog. (Joh 18:17)

## dienstmaagden (begrip)

- Vrouwelijke dienstpersoneel binnen een huishouden, in het oude Israël zowel slavinnen als vrije dienstvrouwen. Vormden een belangrijk deel van de huishouding van welgestelde families. (Neh 7:67)

## diepe slaap (begrip)

- Door God veroorzaakte staat van bewusteloosheid, dieper dan natuurlijke slaap. God liet zo'n slaap op Adam vallen en op Abraham bij de verbondssluiting. (Gen 2:21)

## diepte (begrip)

- Beeld voor uiterste nood en afstand. (Ps 130:1)
- Verborgen, ondoorgrondelijke ruimte; in geestelijke zin de ondoorgrondelijke wijsheid en raad van God. Ook gebruikt van de diepten der zonde. (Rom 11:33)

## diepten des satans (begrip)

- De zogenaamde die te Thyatire werden voorgehouden door de Jezebel-secte. (Op 2:24)

## diepten Gods (begrip)

- De ondoorgrondelijke verborgenheden van Gods wezen en raad, alleen door de Geest van God geopenbaard. Voor de natuurlijke mens niet te bevatten. (1 Kor 2:10)

## Dikla (persoon)

- Zoon van Joktan en nakomeling van Sem. Stamvader van een zuid-Arabische stam, mogelijk verbonden met dadelpalmen. (Gen 10:27)

## Dimon (plaats)

- Moabitische plaats — bij Jesaja 'Dibon' genoemd; een van de vele genoemde Moabitische steden. (Jer 48:22)

## Dina (persoon)

- Dochter van Jakob en Lea. Werd verkracht door Sichem, wat tot de wraakactie van haar broers Simeon en Levi leidde. (Gen 30:21)

## Dinhaba (plaats)

- Koningsstad van Bela, de eerste koning van Edom. Niet met zekerheid te lokaliseren. (Gen 36:32)

## Diodotus (persoon)

- Seleucidisch generaal en troonpretendent (gestorven 138 v.Chr.), beter bekend onder de bijnaam Tryfon ('verkwister'). (1 Makk 12:39)

## Dionysius de Areopagiet (persoon)

- Lid van de Areopagus die door Paulus' prediking tot het geloof kwam. (Hand 17:34)

## Dionysus (persoon)

- Griekse god van de wijn, vegetatie en extase. Zijn cultus was wijdverbreid in de hellenistische wereld; klimop en wijnrank waren zijn symbolen. (3 Makk 2:29)

## Diotrefes (persoon)

- Vooraanstaand lid van een nieuwtestamentische gemeente, in de derde Johannesbrief gehekeld om zijn heerszucht en weigering om apostolisch gezag te erkennen. (3 Joh 1:9)

## Diotrefes-houding (begrip)

- Spreekwoordelijk geworden aanduiding van eigenmachtigheid en heerszucht in de kerk, naar de gelijknamige tegenstander in de derde Johannesbrief. (3 Joh 1:9)

## Disan (persoon)

- Zoon van Seïr de Horiet en stamvorst van een Horitische clan in Edom. (Gen 36:21)

## discipel (begrip)

- Leerling van een rabbi of meester, die met hem optrok om diens leer en levenswijze over te nemen. In de evangeliën gebruikt voor de volgelingen van Jezus. (Matt 5:1)

## discipline (begrip)

- Tucht; opvoeding ten goede. (Spr 5:23)

## discreet pastoraat (begrip)

- Wijze van geestelijk leiding geven waarbij niet door bevel maar door liefdevolle vermaning wordt opgewekt tot het goede. (Flm 1:9)

## Dison (persoon)

- Zoon van Seïr de Horiet en stamvorst van een Horitische clan in Edom. (Gen 36:21)

## dispensatie (begrip)

- Gods heilsplan om alles in Christus samen te brengen. (Ef 1:10)

## diversiteit (begrip)

- Verscheidenheid in gaven, bedieningen en werkingen die door één en dezelfde Geest in de gemeente worden gewerkt. Eenheid in veelheid. (1 Kor 12:4)

## dochter Babels (uitdrukking)

- Personificatie van Babel als jonge vrouw die zelf het oordeel ondergaat. Wraak voor wat zij Sion deed. (Jer 50:42)

## dochter Egyptes (uitdrukking)

- Personificatie van Egypte. Egypte ten ondergang. (Jer 46:11)

## dochter mijns volks (uitdrukking)

- Geliefde aanduiding bij Jeremia: de gemeente Israëls als geliefde dochter waarover de profeet weent. (Jer 8:11)

## dochter Sions (begrip)

- Profetische personificatie van de stad Jeruzalem als een vrouwelijke persoon, vooral bij vreugde of klacht. Klassiek beeld in de Hebreeuwse poëzie. (Zach 9:9)
- Personificatie van Jeruzalem als jonge vrouw; klaagt en wordt beweend door de profeet. Ook geliefde uitdrukking in Jesaja en Klaagliederen. (Jer 4:31)

## dochter van Juda (begrip)

- Eervolle aanduiding voor een vrome vrouw uit het volk Israël, in het bijzonder uit de stam Juda, in tegenstelling tot afvallige Israëlieten. (Sus 1:57)

## Dodanieten (volk)

- Nakomelingen van Javan, kleinzoon van Jafeth. Mogelijk de bewoners van Rhodos of de Dardanos-streek. (Gen 10:4)

## dode werken (begrip)

- Het bloed van Christus reinigt het geweten van dode werken om de levende God te dienen. (Hebr 9:14)

## dodelijk venijn (begrip)

- De tong is vol van dodelijk venijn — door haar zegenen wij God en vervloeken de mensen, die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn. (Jak 3:8)

## doden aanraken (wet)

- Volgens de wet van Mozes leverde aanraking van een lijk rituele onreinheid op. Voor priesters en nazireërs gold dit verbod in versterkte mate. (Ri 14:9)

## doden bij de poort van Samaria (begrip)

- Aanduiding voor de gewelddadige dood van de hoge ambtenaar van het noordelijke rijk in de stadspoort van Samaria. Vervulling van een profetisch oordeelswoord uit de tijd van het beleg door de Arameeërs. (2 Kon 7:17)

## doden door blaas mond (begrip)

- Aanduiding voor het door Christus' machtswoord vernietigen van de eindtijdelijke tegenstander bij Zijn wederkomst. (2 Th 2:8)

## doden in Christus (begrip)

- Aanduiding voor de overleden gelovigen die in geloofsgemeenschap met Christus gestorven zijn en bij Zijn wederkomst opstaan. (1 Th 4:16)

## doden in het graf (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor de gestorvenen in het dodenrijk, die naar oudtestamentisch besef geen lof tot God meer kunnen brengen. (Bar 2:17)

## dodenrijk (begrip)

- Het Hebreeuwse Sheol — de plaats van de doden, het graf, de onderwereld. In de Open Vertaling consequent zo vertaald (i.p.v. "hel") omdat het in het OT niet specifiek de plaats van straf aanduidt. (Ps 16:10)

## doding (begrip)

- Het sterven aan het oude leven; ook het lichamelijk lijden waarin het sterven van Jezus zichtbaar wordt. Voorwaarde voor het openbaar worden van Zijn leven. (2 Kor 4:10)

## Doeg (persoon)

- Edomiet en hoofd van de herders van koning Saul. Bekend om zijn aandeel in de uitroeiing van de priesters van Nob. (1Sam 21:7)
- Edomiet, dienaar van Saul, die David verraadde bij Achimelech. Is naar deze gebeurtenis genoemd. (Ps 52:2)

## doeken (voorwerp)

- De luiers waarin Maria het Kindje wond — een teken voor de herders. (Luk 2:7)
- Linnen windels of lappen stof waarmee een dode werd omwikkeld voor de begrafenis. Petrus zag de doeken liggen in het lege graf. (Joh 20:5)

## doel (begrip)

- Het boek Spreuken stelt zich tot doel: wijsheid leren kennen, woorden des verstands verstaan, onderwijs van goed verstand aannemen, gerechtigheid en recht en billijkheid. (Spr 1:2)

## Dok (plaats)

- Kleine vesting bij Jericho, gelegen op een berg ten noordwesten van de stad. (1 Makk 16:15)

## dolende (begrip)

- Zwervend, ronddwalend zonder vaste woonplaats. Werd gezegd van Kaïn na de vloek over hem. (Gen 4:12)

## donder (begrip)

- Zwaar gerommel in de wolken bij onweer, in de Bijbel vaak teken van Gods machtige aanwezigheid en oordeel. (Ex 19:16)
- Gods machtige stem in onweer. (Ps 29:3)

## donder JAHWEH (theologisch)

- Bovennatuurlijke ingreep van JAHWEH waarbij Hij door donder en bliksem een vijandelijk leger in verwarring bracht. Wordt in de Schrift gezien als manifestatie van Gods strijd voor zijn volk. (1Sam 7:10)

## donderdag (begrip)

- Aanduiding voor de dag van Gods toorn als een dag van benauwdheid, duisternis en verwoesting. Inspiratiebron voor het middeleeuwse Dies Irae. (Zef 1:15)

## donkerheid der duisternis (begrip)

- Voor de valse leraars is bewaard de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid — uiterste gericht. (2 Petr 2:17)
- Voor de dwalende sterren is de donkerheid der duisternis bewaard in der eeuwigheid — uiterste verlatenheid van God. (Jud 1:13)

## dood (begrip)

- Het einde van het lichamelijke leven en de scheiding van ziel en lichaam. In de Bijbel het loon van de zonde en de macht die God in de opstanding zal verbreken. (Gen 2:17)
- Scheiding van het leven en, in bijbelse zin, scheiding van God. Werkt in heel het bestaan en wordt overwonnen door God die het leven geeft. (Ps 6:6)
- Het einde van het lichamelijke leven, in de Bijbel ook als geestelijke scheiding van God. Door Christus overwonnen in zijn opstanding. (Mark 6:29)
- Drie opwekkingen: de zoon van de weduwe te Naïn, dochter Jaïrus, voorzegging eigen dood. (Luk 1:79)
- Het einde van het aardse leven. Jezus overwon de dood door op te staan uit het graf. (Joh 11:25)
- 'God heeft Hem opgewekt, ontbonden hebbende de smarten van de dood'. (Hand 2:24)
- De scheiding van ziel en lichaam, gevolg van de zonde. In geestelijke zin de scheiding van God; door Christus overwonnen door Zijn opstanding. (Rom 1:32)
- Scheiding van ziel en lichaam; in nieuwtestamentisch denken voor de gelovige een doorgang naar het eeuwige leven door Christus' opstanding. (1 Tess 1:10)
- Eeuwig oordeel; Christus. (Openb 1:17)
- Het einde van het aardse leven. In de bijbel als gevolg van de zondeval en in laatste instantie door God overwonnen. (Wijsh 1:13)

## dood als rust (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip dat de dood voor wie moe en lijdend is, een verlossende rust kan zijn. (Sir 41:2)

## dood door misdaden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de dood, lichamelijk of geestelijk. (Ef 2:1)

## dood gedenken (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het bedacht zijn op de eigen sterfelijkheid, opdat men in wijsheid en godsvrucht zou leven. (Sir 7:36)

## dood iedere mens (begrip)

- Bijbels begrip dat de dood het lot is van alle mensen, na de val van Adam. In de wijsheidsliteratuur stof tot bezinning op het leven. (Sir 41:1)

## dood tenietgedaan (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de dood, lichamelijk of geestelijk. (2 Tim 1:10)

## doodschaduw (begrip)

- Diepste duisternis van de dood. (Ps 23:4)

## doodslaan (begrip)

- Iemand met geweld om het leven brengen. In de Tora streng verboden door het zesde gebod. (Gen 4:8)

## doodslag (begrip)

- Wie zijn broeder haat is een doodslager; geen doodslager heeft eeuwig leven. (1 Joh 3:15)

## doodslager (wet)

- Iemand die zonder opzet of voorbedachte rade een ander had gedood. Mocht volgens de wet van Mozes in een vrijstad veilig wonen tot de hogepriester stierf, beschermd tegen de bloedwreker. (Joz 20:3)

## doodsteken (begrip)

- Het laatste, dodelijke moment dat in de Bijbel ook profetisch wordt verbonden met Gods overwinning op dood en graf. Door Paulus betrokken op Christus' opstanding. (Hos 13:14)
- Het toebrengen van een dodelijke verwonding met een steekwapen. In profetische literatuur ook beeld van Gods oordelend optreden. (Zach 12:10)

## doodstrijd (begrip)

- Doodsangst en uiterste benauwdheid die iemand ten dode toe overweldigt. In de bijbel ook gebruikt voor geestelijke nood. (EstAp 14:1)

## doodt uw leden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de dood, lichamelijk of geestelijk. (Kol 3:5)

## doodverklaring (begrip)

- Officiële vaststelling van iemands overlijden, vooral van belang voor erfopvolging en hertrouwen. Wordt in oude rechtssystemen onder bepaalde voorwaarden ook bij vermissing toegepast. (1Sam 1:1)

## doodvonnis (begrip)

- Officiële uitspraak van de doodstraf door een rechterlijke instantie. In het Perzische rijk gold een strenge wet die toegang tot de koning zonder uitnodiging als doodzonde gaf. (Esth 4:11)

## doop (begrip)

- Rituele onderdompeling of begieting met water als teken van reiniging, bekering en inlijving in de gemeente. (Matt 3:6)
- Door Christus ingesteld sacrament met water in de Naam van Vader, Zoon en Heilige Geest. Teken en zegel van de afwassing der zonden en van de inlijving in Christus. (Rom 6:4)

## doop tegenbeeld (begrip)

- Het tegenbeeld dat ons nu zalig maakt is de doop, niet als afwassing van de vuiligheid des lichaams, maar als vraag van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus. (1 Petr 3:21)

## doopsel (gebruik)

- De doop als sacrament of rituele handeling. In het Nieuwe Testament met name de doop van Johannes en de christelijke doop in de naam van Jezus. (Matt 3:7)

## door de wand graven (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij de profeet door een muur naar buiten gaat als beeld voor heimelijke vlucht. Onderdeel van symboolperformance. (Ez 12:5)

## doorgronden (begrip)

- Gods alwetende kennis van het hart. (Ps 139:1)

## doorn in het vlees (begrip)

- Aanhoudend en pijnlijk lijden dat de gelovige tot ootmoed brengt. Door God toegelaten opdat Zijn kracht in zwakheid wordt volbracht. (2 Kor 12:7)

## doornbos (begrip)

- De brandende braamstruik op de berg Horeb waaruit God volgens Exodus 3 tot Mozes sprak en hem riep tot de bevrijding van Israël uit Egypte. (4 Ezra 14:2)

## doornen (begrip)

- Stekelige planten die in Palestina veel voorkwamen op braak of slecht onderhouden land. In gelijkenissen beeld van wat het geestelijk leven verstikt. (Mark 4:7)

## doornenkroon (voorwerp)

- Krans gevlochten van takken met scherpe doornen, door Romeinse soldaten gebruikt om Jezus te bespotten als koning. Gold als marteling en hoon. (Mark 15:17)

## doornstruik (natuur)

- Stekelige plant van het droge land. Onderdeel van de vloek over de aardbodem na de zondeval. (Gen 3:18)
- Laag, stekelig gewas zonder vrucht of nut, dat in het wild groeide op droge plaatsen. In de Schrift symbool van waardeloosheid, gevaar en zelfgekozen heerschappij. (Ri 9:14)

## doorstoken (begrip)

- Profetische uitdrukking voor iemand die door geweld dodelijk gewond is. In het Nieuwe Testament door Johannes betrokken op de gekruisigde Christus. (Zach 12:10)

## doorwandelen der aarde (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het rondzwerven van de satan over de aarde om die te doorzoeken. Beeld van zijn voortdurend zoeken naar prooi. (Job 1:7)

## Dora (plaats)

- Kustplaats in Israël aan de Middellandse Zee, ten zuiden van Karmel. Belangrijke havenplaats in de oudheid. (1 Makk 15:13)

## Dorcas (persoon)

- De Griekse vertaling van Tabitha — beide betekenen. (Hand 9:36)

## dornen en distelen (natuur)

- Stekelige planten en onkruid die de aardbodem voortbrengt. Onderdeel van de vloek over de aarde na de zondeval, beeld van het zware werk dat de mens moet doen. (Gen 3:18)

## dorre tijd (begrip)

- Periode van droogte en misoogst, in profetische taal vaak uitgelegd als gevolg van Gods tucht. Hemelen die geen dauw geven en aarde die haar vrucht onthoudt. (Hag 1:10)

## dorst (begrip)

- Het verlangen naar water. Jezus gebruikte dorst als beeld: wie in Hem gelooft zal nooit meer dorst hebben. (Joh 4:14)

## dorsten (begrip)

- Brandend verlangen naar God. (Ps 42:3)

## dorsten naar God (begrip)

- Diep verlangen naar Gods nabijheid. (Ps 42:3)

## dorsvloer (begrip)

- Verharde, vlakke plek waar het graan na de oogst werd gedorst. Vaak op een hoog gelegen, winderige plaats om het kaf te kunnen wannen. (Gen 50:10)
- Verharde of geëffende plek, vaak op een verhoging in de wind, waar het geoogste graan werd gedorst en gewand. Diende ook als slaapplaats van de eigenaar tijdens de oogsttijd om de oogst te bewaken. (Ruth 3:2)
- Geëffende, harde plek meestal op een verhoging waar het graan werd gedorst en uitgewand. Symbool van oogst en zegen, soms ook van oordeel. (Joël 2:24)

## dorsvloer Arauna (plaats)

- Verhoogde dorsplaats op de berg Moria in Jeruzalem, eigendom van de Jebusiet Arauna. Werd door David aangekocht als plaats voor het altaar en later voor de bouw van de tempel. (2Sam 24:24)

## Dorymenes (persoon)

- Seleucidische functionaris in de tweede eeuw v.Chr., vader van Ptolemeüs die als veldheer onder Antiochus IV en Demetrius I diende. (2 Makk 4:45)

## Dositheüs (persoon)

- Joodse priester en Leviet, genoemd in de kolofon van het Griekse Esther als degene die de Griekse tekst naar Egypte bracht. (EstAp 11:1)
- In het apocriefe boek 3 Makkabeeën genoemd als afvallige Jood die als hoge functionaris aan het hof van Ptolemeüs IV stond. (3 Makk 1:4)

## Dothan (plaats)

- Plaats ten noorden van Sichem in het bergland van Samaria. Bekend om de waterputten waar Jozef in werd geworpen en aan de Ismaëlieten verkocht. (Gen 37:17)
- Stad in het centrale bergland van Israël, ten noorden van Sichem. Bekend uit zowel de patriarchengeschiedenis als uit de geschiedenis van de profeet Elisa. (2 Kon 6:13)

## doxologie (liturgie)

- Korte lofuitroep aan het eind van een psalm of boek. (Ps 41:14)
- Lofprijzing waarin de heerlijkheid van God wordt bezongen. In de brieven vaak als afsluitend gebed. (Rom 11:36)
- Lofprijzing aan het einde. (Jud 1:25)

## draagster (begrip)

- Vrouw die iets of iemand draagt of overbrengt, in bijbels gebruik soms gezegd van wie verantwoordelijkheid voor anderen draagt. (Mark 5:25)

## draagstoel (begrip)

- Versierde zetel of paleisstoel, soms ook wegvoeringsmiddel voor vorstinnen en hooggeplaatste vrouwen. Symbool van koninklijke status. (Na 2:7)

## draak (begrip)

- Beeld van chaosmacht en boosheid. (Ps 91:13)
- Symbool in de Openbaring voor de duivel; de oude slang die de gelovigen aanvalt. (Openb 12:3)
- In de bijbel grote slang of zeemonster, vaak symbool van chaosmachten en boze geesten. In het apocriefe boek Bel en de draak een levende slang die de Babyloniërs als god aanbaden. (BelDra 1:22)

## drachme (begrip)

- Griekse zilveren munt, basisrekeneenheid in de hellenistische wereld. Ongeveer een dagloon van een arbeider. (Tob 5:21)

## dracht (begrip)

- Verouderd voor zwangerschap of het dragen van een kind. Bij de vrouw onderdeel van de vloek na de zondeval: zwangerschap en baren met smart. (Gen 3:16)

## draken (begrip)

- In de bijbel grote slangen of zeemonsters, vaak symbool van chaosmachten en boze geesten of van vijanden van Gods volk. (EstAp 11:4)
- In de Bijbel aanduiding voor woestijndieren als jakhalzen, of voor mythische zee- en woestijnmonsters. Vaak symbool voor verlatenheid en vijandige machten. (Mi 1:8)

## drakenwoning (uitdrukking)

- Jeruzalem en Juda worden 'een woning der draken' — verlaten en alleen door wilde dieren bewoond. (Jer 9:11)

## drankoffer (begrip)

- Offer van wijn (of bloed in heidens gebruik) dat naast brand- of spijsoffer werd uitgegoten. David weigert drankofferen van bloed te brengen aan andere goden. (Ps 16:4)
- Plengoffer van wijn dat als aanvulling op het brandoffer of het spijsoffer werd uitgegoten. Behoorde tot de standaard offerhandelingen in de tempelritus. (Neh 10:33)

## drankofferschalen (begrip)

- Heilige tempelschotels waarmee plengoffers van wijn over het altaar werden uitgegoten. (3 Ezra 2:13)

## drekgoden (uitdrukking)

- Hebreeuws scheldwoord voor afgoden dat hun materiële vergankelijkheid en weerzinwekkendheid uitdrukt. Bijzonder veel voorkomend in Ezechiël. (Ez 6:4)

## drempel (begrip)

- Voorste rand van het huis. (Ps 84:11)

## drie aangezichten cherubs Ez 41 (uitdrukking)

- Decoratieve voorstelling waarbij de cherubs op de tempelwanden tweevoudige aangezichten hebben, in tegenstelling tot de viervoudige in de troonvisioenen. Onderdeel van de tempelversiering. (Ez 41:19)

## drie dagen en drie nachten (begrip)

- Tijdsaanduiding die in de Bijbel een volledige periode van afzondering of dood markeert. Door Christus opgepakt als 'het teken van Jona' voor zijn dood en opstanding. (Jon 1:17)

## drie dagen feest (begrip)

- Aanduiding voor de uitgebreide feestmaaltijd die werd gehouden bij de plechtige zalving van koning David tot koning over heel Israël. Voorbeeld van publieke feestelijkheden bij koninklijke gebeurtenissen. (1 Kron 12:39)

## drie dagen pestilentie (begrip)

- Pestplaag van korte maar verwoestende duur, in de Schrift soms voorkomend als straf van Gods hand. Markeert de ernst van de zonde maar ook Gods bereidheid om zich te laten verbidden. (2Sam 24:13)

## drie dagen vasten (begrip)

- Plechtige onthouding van voedsel gedurende drie etmalen, als uiterste vorm van verootmoediging voor God. Werd in de Schrift vooral toegepast in tijden van uiterste nood of gevaar. (Esth 4:16)

## drie en een half jaar (begrip)

- Tijdsperiode die in de Schrift verschillende keren voorkomt als duur van een strafgericht of beproeving. Wordt onder andere genoemd als duur van de droogte ten tijde van Elia. (1 Kon 17:1)

## drie geslachten (uitdrukking)

- Profetische gelijkenis waarin drie opeenvolgende generaties als voorbeeld dienen voor persoonlijke verantwoordelijkheid. Onderdeel van Ezechiëls leer. (Ez 18:14)

## drie gespreksrondes (uitdrukking)

- Literaire opbouw van het centrale deel van het boek Job, waarin de drie vrienden achtereenvolgens met Job in gesprek gaan. Dramatische structuur van het wijsheidsdebat. (Job 4:1)

## drie helden (begrip)

- Aanduiding voor de drie hoogste krijgshelden in het leger van koning David. Hun namen en uitzonderlijke wapenfeiten zijn opgetekend in een afzonderlijke heldenlijst. (2Sam 23:8)

## drie herders (begrip)

- Profetische uitdrukking voor leiders of koningen die in korte tijd worden afgezet of vernietigd. De precieze historische identificatie is omstreden. (Zach 11:8)

## drie hoofden (begrip)

- In het vierde visioen van het apocriefe 4 Ezra de drie hoofden van de adelaar, traditioneel geduid als drie Romeinse keizers. (4 Ezra 11:4)

## drie jaar en zes maanden (begrip)

- Het regende niet op de aarde drie jaar en zes maanden, en hij bad wederom en de hemel gaf regen — toonbeeld van krachtig gebed. (Jak 5:17)

## drie jaar honger (begrip)

- Langdurige hongersnood in het land Israël, in de Schrift beschouwd als een goddelijke straf voor onverzoende bloedschuld. Markant voorbeeld van de wijze waarop in Israël de gevolgen van zonde tot een nationaal vraagstuk werden. (2Sam 21:1)

## drie jongelingen (begrip)

- Ananias, Azaria en Misaël, Hebreeuws (Sadrach, Mesach en Abed-Nego, Babylonisch). Volgens Daniël 3 in de vurige oven geworpen omdat zij weigerden het beeld van Nebukadnezar te aanbidden. (Gez. Vuur. 1:51)

## drie jongemannen (begrip)

- In het apocriefe 3 Ezra de drie lijfwachten van Darius die in een wedstrijd opschreven wat het sterkste ter wereld is. (3 Ezra 3:4)

## drie metgezellen (begrip)

- Sadrach, Mesach en Abed-Nego, de drie joodse vrienden van Daniël die volgens Daniël 3 in de vurige oven werden geworpen en ongedeerd bleven. (3 Makk 6:5)

## drie onreine geesten als vorsen (demonisch)

- Demonische geesten gelijk vorsen die uit de mond van de draak, het beest en de valse profeet komen — zinnebeeld van eindtijdelijke leugengeesten die de koningen der aarde verzamelen tot strijd tegen God. (Op 16:13)

## drie poorten elk voorhof (uitdrukking)

- Architectonische beschrijving van de tempel met drie poorten in elk voorhof. Onderdeel van het tempelvisioen van Ezechiël. (Ez 40:24)

## drie reddingen (uitdrukking)

- Profetische uitspraak dat zelfs grote rechtvaardigen alleen hun eigen ziel kunnen behouden, niet die van anderen. Onderdeel van de leer over individuele verantwoordelijkheid. (Ez 14:20)

## drie soorten geschriften (begrip)

- Joodse driedeling van de heilige geschriften: de wet (Tora), de profeten (Nevi'im) en de geschriften (Ketoevim), bekend uit de proloog van Sirach. (Sir 1:1)

## Drie Tabernen (plaats)

- De plaats aan de Via Appia waar de Romeinse broeders Paulus tegemoet kwamen. (Hand 28:15)

## drie voorbidders (uitdrukking)

- Zelfs de grootste voorbidders zouden niets meer kunnen. (Jer 15:1)

## drie wee's (begrip)

- Profetisch literair patroon van opeenvolgende wee-spreuken die zich tegen specifieke zonden of overtreders richten. In de profeten gebruikt om oordeel aan te kondigen. (Hab 2:6)

## drie wegen (begrip)

- In het apocriefe 4 Ezra drie onmogelijke opdrachten waarmee Uriël aan Ezra de begrenzing van het menselijk verstand toont. (4 Ezra 4:3)

## drie weken vasten (begrip)

- Drie keer zeven dagen onthouding van voedsel. In bijbelse en joodse traditie bekende voorbereidingstijd op visioenen of grote inzichten. (4 Ezra 6:35)

## drieduizend kamelen (uitdrukking)

- Aanduiding voor een zeer grote kameelkudde, in de Bijbel teken van rijkdom in een gebied waar de kameel het belangrijkste lastdier was. (Job 1:3)

## drieduizend zielen (begrip)

- Het aantal dat zich op de Pinksterdag bekeerde en gedoopt werd. (Hand 2:41)

## drievoudig getuigenis (begrip)

- Bevestiging van iemands geloofswandel door meerdere onafhankelijke partijen; in juridische context geldt meervoudig getuigenis als sterk bewijs. (3 Joh 1:12)

## drievoudige groet (begrip)

- Apostolische zegenbede in naam van Vader, Zoon en Heilige Geest. Drie-enige formule die de gemeente toebidt genade, liefde en gemeenschap. (2 Kor 13:13)

## drievoudige Naam (begrip)

- Verkoren naar de voorkennis van God de Vader, in de heiliging des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus — drie-eenheid in werking. (1 Petr 1:2)

## drieënhalf dagen (begrip)

- De duur dat de lijken der twee getuigen op de straten van de grote stad zullen liggen. (Op 11:9)

## drijvende bijl (begrip)

- Aanduiding voor het wonder waarbij de profeet Elisa een verloren ijzeren bijlhoofd uit het water deed opdrijven. Voorbeeld van Gods voorzienigheid in een schijnbaar onbeduidende zaak. (2 Kon 6:6)

## drinkbeker (voorwerp)

- Jezus nam de drinkbeker en zeide. (Luk 22:20)
- Een beker om uit te drinken. Jezus gebruikte dit als beeld voor het lijden dat de Vader Hem had gegeven. (Joh 18:11)
- De beker met wijn in het avondmaal, teken van de gemeenschap aan het bloed van Christus. Ook beeld van Gods toorn of van het lijden. (1 Kor 10:16)

## drinkbeker des Heeren (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor het hem toebedeelde Gods oordeel of zijn zegen. Vaak in profetisch en messiaans verband gebruikt. (1 Makk 7:38)

## drinkgelag (begrip)

- Een feestelijke drinkpartij, in de oudheid vaak met overmatig wijngebruik. In de wijsheidsliteratuur als gevaar voor matigheid en wijsheid bekritiseerd. (Sir 31:25)

## droefheid (begrip)

- Verdriet en innerlijk leed, vaak veroorzaakt door verlies of zonde. In de Bijbel onderscheiden van een droefheid naar God, die tot bekering leidt. (Gen 3:16)

## droefheid naar God (begrip)

- Droefheid over de zonde die werkt tot bekering en behoud. Onderscheiden van wereldse smart. (2 Kor 7:10)

## droefheid van de wereld (begrip)

- Verdriet zonder bekering, voortkomend uit eigenliefde of gevolgschade. Werkt de dood en niet het behoud. (2 Kor 7:10)

## droge (begrip)

- Het droge land, in onderscheid van de wateren. In het scheppingsverhaal door God uit de wateren opgeroepen op de derde dag. (Gen 1:9)

## dromen (begrip)

- In de bijbel zowel gewone slaapdromen als bijzondere openbaringsdromen waarin God tot mensen sprak (vgl. Jakob, Jozef, Daniël). (Sir 34:1)

## dromers (begrip)

- Desgelijks ook dezen, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, verwerpen de heerschappij en lasteren de heerlijkheden. (Jud 1:8)

## dronkaard (begrip)

- Wie aan drank verslaafd is; uitloop is armoede. (Spr 23:21)

## dronkaards (begrip)

- Mensen die zich overgeven aan overmatig alcoholgebruik. In de Bijbel scherp veroordeeld als teken van zedelijk verval. (Joël 1:5)

## dronken van bloed (begrip)

- De grote hoer was dronken van het bloed der heiligen en der getuigen van Jezus. (Op 17:6)

## dronkenschap (begrip)

- Toestand van bedwelming door overmatig alcoholgebruik. In de Bijbel sterk afgekeurd als bron van zonde en schande. (Gen 9:21)
- Toestand van bedwelming door overmatig wijngebruik. In de bijbel scherp afgewezen als oorzaak van zedelijk en geestelijk verval. (Jdt 13:3)
- Verlies van zelfbeheersing door drank; brengt verderf. (Spr 23:29)
- Toestand van bedwelming door overmatig wijngebruik, in de Bijbel meestal afgekeurd. Profetisch ook beeld voor verblinding door macht of zonde. (Hos 4:11)
- Toestand van bedwelming door overmatig wijngebruik, in de Bijbel meestal afgekeurd. Profetisch ook beeld voor verblinding door macht of Gods toornbeker. (Hab 2:15)

## droogmaking van de Eufraat (begrip)

- De zesde schaalplaag: de Eufraat werd opgedroogd opdat de weg der koningen van het oosten bereid zou worden. (Op 16:12)

## droogte (natuur)

- Langdurig gebrek aan regen, met grote gevolgen voor land en bevolking. In het droge Oosten een geregelde bedreiging. (Gen 12:10)

## droom (begrip)

- Beelden en gedachten tijdens de slaap. In de Bijbel een van de manieren waarop God Zijn wil openbaart aan profeten en vromen. (Gen 20:3)

## droom van Mordechai (begrip)

- Profetisch nachtgezicht in het apocriefe Esther, dat als inleiding en uitleg het verhaal omlijst. (EstAp 11:2)

## droomuitleg (begrip)

- De goddelijke gave om de betekenis van dromen te verklaren. In de oudheid hoog gewaardeerd, in de Bijbel toegekend aan Jozef en Daniël. (Gen 40:8)

## druif (begrip)

- Vrucht van de wijnstok; beeld van zegen. Ook in beeld van Gods toorn die de druiventreder uitperst. (Ps 78:47)

## druipsteen (begrip)

- Versus woestijn — Gods voorzorg. (Ps 18:3)

## Drusilla (persoon)

- Vrouw van Felix; Joods, voor wie Paulus sprak over rechtvaardigheid en oordeel. (Hand 24:24)

## dubbele eer (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (1 Tim 5:17)

## dubbelhartig (begrip)

- Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijn wegen — die niet ontvangen zal van de Heere wat hij vraagt. (Jak 1:8)

## Dudaim (overig)

- Liefdesappels of vruchten van de mandragora-plant. In de oudheid beschouwd als afrodisiacum en vruchtbaarheidsmiddel. (Gen 30:14)

## duif (natuur)

- Vogel die in de oudheid als rein gold en gangbaar offerdier was. In de Bijbel beeld van zachtmoedigheid en van de Heilige Geest. (Gen 8:8)
- Vredelievende vogel; beeld voor de bedrukte ziel. (Ps 55:7)
- Zachtaardige vogel, in Israël veel gehouden voor offer en voedsel. In de Bijbel symbool van eenvoud, vrede en de Heilige Geest. (Matt 3:16)
- In de bijbel beeld van zachtmoedigheid, eenvoud en reinheid. Ook symbool van de heilige Geest en van het volk Israël. (4 Ezra 5:26)

## duin (begrip)

- Verlaten of woest terrein, vaak beeld van geestelijke verwaarlozing en verval. Tegenovergesteld aan een bewoond en bebouwd land. (Hag 1:9)

## duisterheid (begrip)

- Donkerheid, schemering. Spreekt van duisterheid van wateren en wolken — beeld voor Gods ondoorgrondelijke majesteit. (Ps 18:12)

## duisternis (natuur)

- Afwezigheid van licht. In de Bijbel beeld van het ongeordende, het kwaad en het oordeel; door God in de schepping gescheiden van het licht. (Gen 1:2)
- Afwezigheid van licht. De negende van de tien Egyptische plagen, drie dagen tastbare duisternis over Egypte terwijl Israël licht had in zijn woningen. (Ex 10:22)
- Beeld voor afwezigheid van Gods gunst, voor nood, oordeel of dood. Tegengesteld aan licht als beeld van Gods heil. (Ps 18:12)
- Letterlijk: het donker. In Johannes ook een beeld voor het kwaad, de zonde en het leven zonder God. (Joh 1:5)
- Afwezigheid van licht; in geestelijke zin het rijk van zonde, onwetendheid en de duivel. Tegenovergesteld aan het licht waarin God woont. (Rom 13:12)
- Tegenstelling van licht; God is licht en in Hem is gans geen duisternis. (1 Joh 1:5)
- Het lot van afgevallen engelen en dwaalsterren: eeuwige duisternis. (Jud 1:6)
- Negende van de tien plagen van Egypte (Exodus 10), drie dagen lang een tastbare duisternis over heel het land. (Wijsh 17:2)

## duivel (begrip)

- De satan, de tegenstander van God. Jezus noemt hem een mensenmoorder en de vader van de leugen. (Joh 8:44)
- Concrete vermaning bij toorn. (Ef 4:27)
- Satan, de aartsvijand van God en mens; gevallen engel, vader der leugen en aanvoerder der boze geesten. (Hebr 2:14)
- Boze geest of demon. In de bijbel onderscheiden van engelen en gezien als gevallen geestelijk wezen, vijand van God en mens. (Tob 6:9)
- Boze geest of demon, hoofd van het kwaad. In de bijbel onderscheiden van engelen en gezien als gevallen geestelijk wezen, vijand van God en mens. (Wijsh 2:24)

## duivel weerstaan (begrip)

- Onderwerpt u dan Gode; weerstaat de duivel en hij zal van u vlieden. (Jak 4:7)

## duivelen (begrip)

- Demonen of boze geesten. In de bijbel onderscheiden van engelen en gezien als gevallen geestelijke wezens, vaak verbonden met afgodendienst. (Bar 4:7)

## duivelen geloven (begrip)

- Gij gelooft dat God één is — gij doet wel; ook de duivelen geloven het en zij sidderen. Niet het zuivere weten alleen redt. (Jak 2:19)

## duiven (natuur)

- Vogels die in de oudheid als rein golden. Door arme Israëlieten als offerdier gebracht in plaats van groter vee. (Gen 15:9)

## duivenmest (begrip)

- Mogelijk een aanduiding voor een eetbare plant of het werkelijke uitwerpsel van duiven, dat in tijden van uiterste hongersnood als voedsel diende. Symbool van de meest verregaande schaarste. (2 Kon 6:25)

## duizend (begrip)

- Beeld van overvloed of velen. (Ps 84:11)

## duizend jaar (begrip)

- De duizend jaren waarin de Satan gebonden is en de heiligen met Christus regeren. (Op 20:2)

## duizend jaar als één dag (begrip)

- Eén dag is bij de Heere als duizend jaar en duizend jaar als één dag — Gods wachten is geen vertraging maar lankmoedigheid. (2 Petr 3:8)

## duizenden en tienduizenden (begrip)

- Spreekwoordelijke uitdrukking voor een grote menigte verslagen vijanden, gebruikt in oude lofliederen op overwinnaars. In de geschiedenis van Israël aanleiding tot jaloezie van Saul tegen David. (1Sam 18:7)

## Duma (persoon)

- Zesde zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabische stam in Noord-Arabië. (Gen 25:14)

## Duma (persoon) (persoon)

- Zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:14)

## duur gekocht (begrip)

- Beeld van de verlossing waarmee de gelovige het eigendom van Christus is geworden. Reden tot heiliging van lichaam en geest. (1 Kor 6:20)

## dwaalgeest (demonisch)

- Demonische, misleidende geestelijke macht die mensen van de waarheid afkeert. In de Bijbel onderscheiden van de Geest van God en van de menselijke geest. (Mark 1:23)

## dwaalleer (begrip)

- Onderwijs dat afwijkt van de gezonde apostolische leer en de gemeente schade berokkent. (Kol 2:8)

## dwaalleraar (begrip)

- Leraar die afwijkt van de gezonde leer en anderen meevoert in dwaling. In het bijzonder waarschuwing in de apostolische brieven. (2 Kor 11:13)
- Iemand die een met de apostolische leer strijdige geloofsleer verkondigt, in het bijzonder aangaande de persoon van Christus. (2 Joh 1:7)
- Goddelozen die zijn ingeslopen, de genade verdraaien en Christus verloochenen. (Jud 1:4)

## dwaas (begrip)

- Iemand die handelt zonder God of zonder verstand. In de Bijbel vooral een zedelijk oordeel: dwaasheid is goddeloosheid. (Gen 34:7)
- Hebr. כְּסִיל (kesil) of אֱוִיל (evil) — wie zonder wijsheid en vreze des Heeren leeft; veracht onderwijs. (Spr 1:7)
- Bijbels begrip voor wie zonder wijsheid en zonder God leeft. In de wijsheidsboeken scherp tegenovergesteld aan de wijze. (Sir 22:11)

## dwaasheid (begrip)

- Onverstand of zedelijke domheid, vaak met morele verwerpelijkheid verbonden. In de Bijbel staat zij tegenover de wijsheid die uit de vreze des Heeren is. (Gen 34:7)
- Het tegendeel van wijsheid; in geestelijke zin het oordeel van de wereld over het evangelie. Wat dwaas heet bij de mensen, is Gods wijsheid. (1 Kor 1:18)
- In de Bijbel meer een morele dan een verstandelijke aanduiding: het leven zonder rekening te houden met God en Zijn wet. Tegendeel van wijsheid. (Spr 5:23)

## dwalende schapen (begrip)

- U was als dwalende schapen, maar u zijt nu bekeerd tot de Herder en Opziener uwer zielen. (1 Petr 2:25)

## dwalende sterren (begrip)

- Dwalende sterren, voor welke de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt — beeld van valse leiders zonder vaste koers. (Jud 1:13)

## dwaze vragen mijden (begrip)

- Vermaning om zich verre te houden van vruchteloze theologische strijdvragen, geslachtsregisters en twisten over de wet. (Tit 3:9)

## Ebal (persoon)

- Zoon van Sobal en kleinzoon van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:23)
- Berg in centraal Kanaän bij Sichem, tegenover de berg Gerizim. Door Mozes aangewezen als plaats waar de vloek van het verbond moest worden uitgesproken. (Joz 8:30)

## Ebed-Melech (persoon)

- Hebr. עֶבֶד־מֶלֶךְ — 'knecht van de koning'. Een Moor (Cushiet) aan het hof van Zedekia; trok Jeremia uit de modderkuil van Malchia. (Jer 38:7)

## Eben-haëzer (begrip)

- Naam, betekent 'steen der hulpe', voor een gedenksteen die Gods verlossing herdacht. Symbool van Gods bijstand in moeilijke tijden. (Joz 4:9)
- Naam met de betekenis 'steen der hulpe', gegeven aan een door Samuel opgerichte gedenksteen. Symbool van Gods voortdurende bijstand aan zijn volk. (1Sam 7:12)

## Ebenhaezer (plaats)

- Naam met de betekenis 'steen der hulpe', gegeven aan een door Samuel opgerichte gedenksteen. Symbool van Gods voortdurende bijstand aan zijn volk. (1 Kron 13:6)

## Eber (persoon)

- Voorvader van Abraham en stamvader van het Hebreeuwse volk, naar wie de naam 'Hebreeën' verwijst. Komt in de geslachtslijn van Sem voor. (1 Kron 1:18)

## Ecbatana (plaats)

- Hoofdstad van het Medische rijk, gelegen in het bergland van het huidige west-Iran. Later zomerresidentie van de Perzische grootkoningen. (Tob 3:7)
- Hoofdstad van het oude Medische rijk en zomerresidentie van de Perzische en later Seleucidische koningen, in het bergland van Iran. (2 Makk 9:3)

## Ecclesiasticus (begrip)

- Latijnse benaming voor het apocriefe boek Jezus Sirach ('kerk-boek'), zo genoemd omdat het in de vroege kerk veel werd gebruikt voor onderricht aan catechumenen. (Sir 1:1)

## Echi (persoon)

- Andere schrijfwijze van Ehi, zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. (Gen 46:21)

## echtbreker (begrip)

- Wie overspel pleegt; 'verstandeloos'. (Spr 6:32)
- Iemand die de huwelijkstrouw schendt door seksuele omgang met een ander dan de eigen huwelijkspartner. In de wet van Mozes streng veroordeeld. (Mal 3:5)

## echtbreuk (begrip)

- Geslachtsgemeenschap met de echtgenoot of echtgenote van een ander. Volgens de Tora een doodzonde en in de bergrede uitgebreid tot begerige gedachten. (Matt 5:28)
- Bijbels begrip voor seksuele omgang van een gehuwde met een ander dan de eigen partner. In de Tien Geboden verboden (Exodus 20:14). (Sir 23:22)

## echtscheiding (begrip)

- Wettelijke verbreking van een huwelijk, in Israël onder bepaalde voorwaarden toegestaan met een scheidbrief. Door de profeten als ernstig kwaad beoordeeld. (Mal 2:16)

## edele wijnstok (uitdrukking)

- God plantte Israël als 'edele wijnstok' (Hebr. שֹׂרֵק, soreq). Beeld dat Jezus opneemt. (Jer 2:21)

## Eden (plaats)

- De hof of tuin die God plantte voor de eerste mensen, ergens in het oosten. Plek van oorspronkelijke gemeenschap tussen God en mens, met vier rivieren. (Gen 2:8)

## Eden in de hof van God (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor de oerstaat van de schepping waarin de mens in volkomen gemeenschap met God verkeerde. Symbool van paradijselijke heerlijkheid. (Ez 28:13)

## Eden, kinderen van (plaats)

- Aanduiding voor de bewoners van Bet-Eden, een Aramese stadstaat in het noorden van Mesopotamië. Werden in de achtste eeuw v. Chr. door de Assyrische expansie onderworpen. (2 Kon 19:12)

## Eder (plaats)

- Plaatsnaam, vermoedelijk identiek met Migdal-Eder, een herderswachttoren in de buurt van Bethlehem. (Gen 35:21)

## edict (begrip)

- Officiële koninklijke verordening met bindend karakter voor het hele rijk. Werd in het Perzische rijk eenmaal uitgevaardigd onveranderlijk geacht. (Esth 1:19)

## edik (overig)

- Zure wijn of azijn. Toen Jezus aan het kruis zei, brachten ze een spons met edik aan Zijn mond. (Joh 19:29)

## Edna (persoon)

- In het apocriefe boek Tobit de echtgenote van Raguël en moeder van Sara. (Tob 7:2)

## Edom (persoon)

- Land en volk ten zuidoosten van de Dode Zee, afstammend van Esau. Vanwege deze verwantschap met Israël golden bijzondere bepalingen; vaak in vijandschap met Israël. (Gen 25:30)

## Edom met Dedan en Uz (plaats)

- Bijbelse aanduiding voor het hele Edomitische gebied inclusief naburige streken. Onderdeel van de geografische beschrijvingen in profetische teksten. (Ez 25:13)

## Edoms vijandschap (uitdrukking)

- Profetische aanklacht tegen Edom om hun langdurige vijandschap jegens Israël. Onderdeel van de oudtestamentische volkenoordelen. (Ez 35:5)

## eed (begrip)

- Plechtige bevestiging van een uitspraak of belofte onder aanroeping van God als getuige. In de Bijbel hoog geschat maar ook gevaarlijk om lichtvaardig te doen. (Gen 21:23)
- Plechtige bevestiging van een uitspraak of belofte met een beroep op God of iets heiligs. In de bergrede door Jezus aan strenge beperking onderworpen. (Matt 5:34)
- Plechtige verklaring of belofte met aanroeping van God als getuige. In de bijbel zeer ernstig en bindend. (Jdt 7:30)
- Plechtige verklaring met aanroeping van God; te overdacht doen. (Spr 20:25)

## Eed van onschuld (uitdrukking)

- Plechtige verklaring waarbij iemand zichzelf vervloekt indien hij bepaalde misdaden heeft begaan. Klassieke vorm van zelfverdediging in de oudheid. (Job 31:40)

## een der zottinnen (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor een dwaze vrouw die God en zijn wegen niet erkent. Tegenovergesteld aan de wijze vrouw die in de wijsheidsliteratuur wordt geprezen. (Job 2:10)

## een hart (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor eensgezindheid en gemeenschappelijke wil onder een groep mensen. Drukt vooral verbondsgezindheid en de gerichtheid op één gemeenschappelijk doel uit. (1 Kron 12:38)

## een kudde, een Herder (begrip)

- De ene kudde van Joden en heidenen onder de ene Herder Jezus. (Joh 10:16)

## eenheid (begrip)

- Geestelijke samenbinding van de gelovigen in één lichaam onder één Hoofd Christus. Door de Geest gewerkt en in liefde bewaard. (1 Kor 12:13)

## eenheid des Geestes (theologisch)

- De door de Heilige Geest gewerkte eenheid onder de gelovigen, die door zachtmoedigheid en lankmoedigheid bewaard moet worden in de band des vredes. (Ef 4:3)

## eenhoorn (begrip)

- Vertaling in oude bijbelversies van het Hebreeuwse re'em, vermoedelijk de uitgestorven oeros. Krachtig wild rund dat de mens niet kan temmen. (Job 39:12)

## eenmaal overgeleverd (begrip)

- Het geloof is eenmaal voor altijd aan de heiligen overgeleverd — geen voortdurende vernieuwing van leer, maar bewaring van het ene Evangelie. (Jud 1:3)

## eenmaal sterven (begrip)

- Het is de mensen gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel — basis voor de oproep tot ernst en verwachting. (Hebr 9:27)

## eensgezind (begrip)

- Eindelijk, weest allen eensgezind, medelijdend, broederlijk, barmhartig, vriendelijk. (1 Petr 3:8)

## eenvoud (begrip)

- Onverdeeldheid van hart. (Spr 10:9)

## eenvoudige (begrip)

- Hebr. פֶּתִי (peti) — naïeve, onwetende mens die nog gevormd kan worden, maar ook lichtgelovig is. Spreuken biedt hem wijsheid. (Spr 1:4)

## eenvoudigheid des harten (begrip)

- Bijbels begrip voor onverdeeld vertrouwen op God, zonder bijbedoelingen of dubbelhartigheid. (Wijsh 1:1)

## eer (begrip)

- Hoogachting, gewicht, glorie of waardigheid; in religieuze zin de aan God verschuldigde verheerlijking. (Ps 16:9)

## eer aan heren (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (1 Tim 6:1)

## eer en vreze (begrip)

- Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de koning — vier korte plichten ineen. (1 Petr 2:17)

## Eer Ik u in moeders buik formeerde (uitdrukking)

- Klassieke uitspraak over Gods voorwetenschap. Vaak aangehaald als bewijs van uitverkiezing. (Jer 1:5)

## eer van mensen (begrip)

- Jezus' afkeer van menselijke goedkeuring tegenover de eer van God. (Joh 5:41)

## eerbaarheid (begrip)

- Vrouwen versieren zichzelf en goede werken. (1 Tim 2:2)

## eerlijk handel (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor handel zonder bedrog of valse maten. Voorgeschreven in de wet van Mozes (Lev. 19:36). (Sir 26:29)

## eerlijk wandelen (begrip)

- Levenswandel die ook door buitenstaanders als eerbaar wordt herkend en niemand tot last is. (1 Th 4:12)

## eerlijke wandel (begrip)

- Houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen, opdat zij in hetgeen waarin zij kwalijk van u spreken, uit de goede werken die zij in u zien, God verheerlijken in de dag der bezoeking. (1 Petr 2:12)

## eerlijkheid (begrip)

- Waarheidsgetrouw spreken en handelen. (Ps 15:2)

## eerste beginselen der wereld (begrip)

- Verworpen ten gunste van Christus. (Kol 2:8)

## eerste gebod met belofte (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (Ef 6:2)

## eerste huis (begrip)

- De tempel die Salomo in Jeruzalem bouwde (ca. 960 v.Chr.) en die in 586 v.Chr. door de Babyloniërs werd verwoest. Bekend om zijn pracht. (Hag 2:3)

## eerste liefde (begrip)

- Het verwijt aan Efeze — oproep tot bekering. (Op 2:4)

## eerste mens, eerste zondaar (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor Adam, de eerste mens en stamvader van het mensengeslacht. Door zijn val kwam de zonde in de wereld volgens de bijbelse leer. (Job 31:33)

## eerste opstanding (begrip)

- De opstanding van de gelovigen ten leven, voorafgaand aan het laatste oordeel. (Op 20:5)

## eerste plaats begeren (begrip)

- Streven naar leidende positie en aanzien; in het Nieuwe Testament veroordeeld als strijdig met de geest van Christus. (3 Joh 1:9)

## eerste teken (begrip)

- De bruiloft te Kana waar Jezus water in wijn veranderde — eerste van zijn tekenen. (Joh 2:11)

## eersteling (begrip)

- De eerste opbrengst van vee of gewas. Behoorde aan God toe en moest aan Hem worden gewijd. (Gen 4:4)
- De eerste van een nieuwe oogst, opgedragen aan God; beeld van Christus als de Eersteling der opstanding. Garantie van de volle oogst die volgt. (1 Kor 15:23)

## eerstelinge (begrip)

- Bijbels begrip voor wat als eerste komt of het hoogste in rang is. In de wijsheidsliteratuur toegepast op de Wijsheid bij de schepping. (Wijsh 9:9)

## eerstelingen (begrip)

- Het eerste deel van de oogst dat aan God werd geheiligd; type van Christus en van de wedergeborenen als eerstelingen Gods. (Jak 1:18)
- De eerste vruchten van de oogst en de eerstgeborenen van het vee, die volgens de wet van Mozes aan God gewijd waren. (Tob 1:6)

## eerstgeboorten (begrip)

- Tiende en zwaarste van de tien plagen van Egypte (Exodus 12), waarbij in één nacht alle eerstgeborenen van Egypte stierven. (Wijsh 18:14)

## eerstgeboorterecht (begrip)

- Het bijzondere recht van de oudste zoon op een dubbel erfdeel, het patriarchaat over het huis en bijzondere zegen. Kon worden vervreemd of verloren. (Gen 25:31)
- Esau heeft voor één spijze zijn eerstgeboorterecht weggegeven — waarschuwend voorbeeld tegen wereldsgezindheid. (Hebr 12:16)

## eerstgeborene (begrip)

- Het oudste kind, in de oudheid drager van bijzondere rechten en plichten. In Israël van Godswege aan de Heere gewijd. (Gen 10:15)
- De vooraanstaande, hoogst geprezen. (Ps 89:28)
- Eretitel van de oudste zoon, met recht op het erfdeel; van Christus als de Eerstgeborene van alle creaturen en van de doden. Drukt heerschappij en voorrang uit. (Rom 8:29)
- Eretitel die zowel het recht op de erfenis als voorrang aanduidt; gegeven aan Christus in betrekking tot alle schepsel en alle broederen. (Hebr 1:6)
- De eerstgeboren zoon, die in Israël een bijzondere positie en erfdeel had. In de bijbel ook eretitel voor Israël en voor de Messias. (4 Ezra 6:58)

## eerstgeborene aller kreaturen (begrip)

- Aanduiding voor Christus' rang en heerschappij over heel de schepping. (Kol 1:15)

## eerstgeborene uit de doden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (Kol 1:18)

## eerstgeborenen (begrip)

- De eerstgeboren kinderen en jonge dieren. De tiende plaag waarmee God Egypte sloeg; sindsdien behoorde elk eerstgeborene in Israël Hem toe. (Ex 11:5)

## eerstgevormde vader (persoon)

- Bijbelse omschrijving van Adam als de eerste mens, door God uit de aarde gevormd en stamvader van alle mensen. (Wijsh 10:1)

## eertijds onnut (begrip)

- Aanduiding voor wat of wie vroeger geen nut had, in tegenstelling tot een nieuwe, vruchtbare situatie. (Flm 1:11)

## eet gras gelijk een rund (uitdrukking)

- Bijbelse beschrijving van een groot dier dat ondanks zijn kracht een planteneter is. Onderdeel van de beschrijving van Behemoth. (Job 40:15)

## eeuwig (begrip)

- Zonder einde, blijvend voor altijd. In de Bijbel toegepast op God, op Zijn verbond en op de toekomstige heilstaat. (Gen 17:7)
- Wat zonder begin of einde is; van God zelf en van het leven dat Hij in Christus schenkt. Onderscheiden van het tijdelijke en vergankelijke. (Rom 1:20)
- Zonder einde of begin; in eschatologisch verband aanduiding van de blijvende staat van heil of straf hierna. (2 Tess 1:9)
- Sleutelwoord: eeuwig priesterschap, eeuwige verlossing, eeuwig verbond. (Hebr 6:2)
- Het eeuwige leven, dat in de Zoon is. (1 Joh 1:2)
- Eeuwige banden, eeuwig vuur, eeuwig leven — kernspanning in de brief. (Jud 1:6)
- Frequente lofgroet aan God en het Lam. (Openb 1:6)
- Bijbels begrip voor wat zonder begin en einde is. In de bijbel een eigenschap van God en (afgeleid) van zijn raadsbesluiten en beloften. (Sir 18:1)

## eeuwig Evangelie (begrip)

- De engel vliegende in het midden des hemels met het eeuwige Evangelie om aan alle volken te verkondigen. (Op 14:6)

## eeuwig gewicht (begrip)

- De eeuwige heerlijkheid die boven alle vergelijking uitgaat boven de tijdelijke verdrukking. Door God bereid voor wie Hem liefhebben. (2 Kor 4:17)

## eeuwig huis Davids (begrip)

- Aanduiding voor de plechtige belofte van JAHWEH aan koning David van een eeuwig durend koningshuis. Centrale heilshistorische belofte die uiteindelijk in Christus haar volle vervulling vindt. (1 Kron 17:10)

## eeuwig leven (begrip)

- Het volle, onvergankelijke leven met God dat de gelovige reeds nu heeft en straks in zijn voltooiing zal ontvangen. Tegenpool van de eeuwige dood. (Matt 19:16)

## eeuwig leven in Zoon (begrip)

- Dit is de getuigenis: dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en ditzelve leven is in Zijn Zoon. (1 Joh 5:11)

## eeuwig leven uit Geest (theologisch)

- Wie zaait in de Heilige Geest — door geestelijke werken, gebed en gehoorzaamheid — zal uit de Geest het eeuwige leven maaien. Tegenover wie zaait in zijn vlees. (Gal 6:8)

## eeuwig verbond (begrip)

- Het bloed des eeuwigen verbonds, waardoor God de Vader Christus uit de doden heeft opgewekt als de grote Herder der schapen. (Hebr 13:20)
- Bijbels begrip voor Gods blijvende verbintenis met zijn volk, eerst met Noach, dan met Abraham en zijn nageslacht, en in profetisch perspectief verwacht in volkomen vorm. (Bar 2:35)
- Profetische belofte van een onverbreekbaar verbond tussen God en zijn volk in de heilstijd. Centraal in de na-exilische heilsprofetie. (Ez 37:26)

## eeuwig verbond gedacht (uitdrukking)

- Profetische belofte dat God ondanks de breuk van het volk het verbond gedenkt en herstelt. Centraal in de heilsprofetie. (Ez 16:60)

## Eeuwig verbond met de Levieten (uitdrukking)

- God belooft eeuwige nakomelingschap aan David én aan de Levitische priesters; verbond zo zeker als dag en nacht. (Jer 33:18)

## eeuwig verderf (begrip)

- Eindeloze toestand van verloren zijn als straf voor wie God niet kennen en het evangelie niet gehoorzamen. (2 Th 1:9)

## eeuwig wederhebben (begrip)

- Iemand blijvend en onverliesbaar terugkrijgen, in het bijzonder als geestelijke broeder in Christus. (Flm 1:16)

## Eeuwige (begrip)

- Aanduiding van God als degene die zonder begin en zonder einde bestaat. Drukt zijn onveranderlijkheid en betrouwbaarheid door alle tijden uit. (Hab 1:12)

## eeuwige banden (begrip)

- De afvallige engelen worden onder de duisternis met eeuwige banden bewaard tot het oordeel van de grote dag. (Jud 1:6)

## eeuwige God (begrip)

- Bijbelse Godsnaam die de eeuwigheid en onveranderlijkheid van God uitdrukt. Aanroeping vooral in gebed en lofzang. (Sus 1:42)

## Eeuwige liefde (uitdrukking)

- Klassieke belofte aan Israël (en de gemeente). (Jer 31:3)

## eeuwige vertroosting (begrip)

- Blijvende, niet vergankelijke troost die God in genade aan de gelovigen schenkt door Christus. (2 Th 2:16)

## eeuwigheid (begrip)

- Onmetelijk lange tijd. (Ps 90:2)
- Tijdloze duur van Gods bestaan en heil; aanduiding van het blijvende karakter van de waarheid en het heil in Christus. (2 Joh 1:2)
- Hebr. עוֹלָם — Wijsheid bestond 'van eeuwigheid af'. (Spr 8:23)

## eeuwigheid Gods (begrip)

- Bijbels begrip voor Gods bestaan zonder begin en zonder einde, een van zijn fundamentele eigenschappen. (Sir 18:10)

## Efa (persoon)

- Zoon van Midian en kleinzoon van Abraham via Ketura. Stamvader van een Midianitische clan. (Gen 25:4)
- Inhoudsmaat voor droge stof; 'tweeërlei efa' = ongelijke maat = gruwel. (Spr 20:10)

## Efer (persoon)

- Zoon van Midian en kleinzoon van Abraham via Ketura. Stamvader van een Midianitische clan. (Gen 25:4)

## Efeze (plaats)

- Stad waar Paulus drie jaar werkte; brandend geheim van magische boeken. (Hand 18:19)
- Hoofdstad van de Romeinse provincie Asia. Toneel van langdurige apostolische arbeid van Paulus. (1 Kor 15:32)
- Belangrijke stad in Asia waar Paulus jaren werkte; geadresseerden van de brief. (Ef 1:1)
- Stad waar Timotheüs achterbleef om dwaalleer te bestrijden en de gemeente te ordenen. (1 Tim 1:3)
- Stad waar de huisgemeente van Onesiforus woonde. (2 Tim 1:18)
- Stad in West-Klein-Azië en hoofdstad van de provincie Asia; een van de zeven gemeenten in de Openbaring. (Openb 1:11)

## Effatha (begrip)

- Aramees woord met de betekenis Door Jezus gebruikt bij de genezing van een doofstomme. (Mark 7:34)

## efod (cultisch)

- Schouderkleed van de hogepriester, kunstig vervaardigd uit goud, hemelsblauw, purper, scharlaken en getweernd fijn linnen. Daaraan vastgemaakt was de borstlap met de twaalf edelstenen. (Ex 28:6)
- Priesterlijk schouderkleed waaraan de borsttas met de Urim en Tummim was bevestigd. Werd soms misbruikt of nagemaakt als afgodisch cultusvoorwerp buiten de wettige eredienst. (Ri 8:27)
- Priesterlijk schouderkleed waaraan de borsttas met de Urim en Tummim was bevestigd. In een eenvoudiger linnen vorm ook door anderen dan priesters bij religieuze gelegenheden gedragen. (2Sam 6:14)
- Onderdeel van het hogepriesterlijke gewaad volgens Exodus 28, een soort schort van gouddraad, wol en linnen, waarin de borstlap met edelstenen bevestigd was. (Sir 45:8)

## Efrata (plaats)

- Oude streeknaam voor het gebied rond Bethlehem, ook gebruikt als andere naam voor Bethlehem zelf. Vandaar de samenstelling Bethlehem Efrata. (Mi 5:2)

## Efratha (plaats)

- Oudere naam voor Bethlehem of voor het omringende gebied. De inwoners werden Efrathieten genoemd. (Ruth 4:11)

## Efraïm (persoon)

- Jongste zoon van Joseph en stam die uit hem voortkwam. Werd boven zijn oudere broer Manasse gezegend en groeide uit tot een van de leidende stammen van het noorden. (Gen 41:52)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Efraïm, de jongere zoon van Jozef. Het stamgebied lag in het centrale bergland en werd later kerngebied van het noordelijke rijk. (Joz 16:5)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Efraïm, de jongere zoon van Jozef. Het stamgebied lag in het centrale bergland en de stam streefde herhaaldelijk naar voorrang in het noorden. (Ri 12:1)
- Een van de noordelijke stammen; samen met Manasse beeld voor het noordrijk. (Ps 60:9)
- Een stad nabij de woestijn waar Jezus Zich terugtrok met Zijn discipelen nadat de Joodse leiders besloten hadden Hem te doden. (Joh 11:54)
- Naam van een stam, een berggebied en verschillende steden in centraal Palestina. (1 Makk 11:34)
- Belangrijkste stam van het noordelijk rijk Israël, gevestigd in het centrale bergland. Vaak gebruikt als aanduiding voor het noordelijk tienstammenrijk als geheel. (Hos 4:17)
- Belangrijke stam van Israël, gevestigd in het centrale bergland. Vaak gebruikt als aanduiding voor het noordelijk tienstammenrijk. (Ob 1:19)

## Efraïm mijn lieve zoon (uitdrukking)

- Vaderhart van God voor Zijn afgedwaalde kind. (Jer 31:20)

## Efron (persoon)

- Hethiet uit Hebron, eigenaar van de spelonk van Machpela. Verkocht haar aan Abraham als grafplaats voor Sara en de aartsvaders. (Gen 23:8)
- Versterkte stad in het Overjordaanse, op de weg van Galaäditis naar Bethsan. (1 Makk 5:46)
- Versterkte stad in het Overjordaanse, op de weg van Caspin naar Bethsan. (2 Makk 12:27)

## Eglon (persoon)

- Koning van Moab in de richterentijd, beschreven als een uitzonderlijk dikke man. Onderdrukte Israël in het Overjordaanse achttien jaar lang voordat hij door de richter Ehud werd gedood. (Ri 3:12)

## Egypte (plaats)

- Machtig rijk in noordoost-Afrika, langs de rivier de Nijl. Belangrijke buurstaat van Israël met afwisselend vijandige en bondgenootschappelijke verhoudingen; in de Bijbel ook beeld van wereldse macht. (Gen 12:10)

## Egypte 40 jaar woest (uitdrukking)

- Profetische voorzegging van een veertigjarige verwoesting van Egypte. Onderdeel van de profetische tijdsaanduidingen die op een bepaalde periode wijzen. (Ez 29:12)

## Egypte als jonge koe (uitdrukking)

- Beeld voor het verslaan van Egypte door Babel. (Jer 46:20)

## Egypte loon voor Babel (uitdrukking)

- Profetische uitspraak waarbij God Egypte als beloning voor Nebukadnezars belegering van Tyrus aanwijst. Onderdeel van Gods soevereine vergelding. (Ez 29:20)

## Egyptenaar (volk)

- Inwoner van Egypte. In de Bijbel zowel verwijzing naar individuele personen als verzamelnaam voor het Egyptische volk. (Gen 39:1)

## Egyptenaren (volk)

- Het volk van Egypte, dat Israël knechtte gedurende de Egyptische periode. Werd door de tien plagen geslagen en zijn leger verdronk in de Schelfzee. (Ex 1:13)
- Bewoners van het oude Egypte. In de bijbel vooral bekend als onderdrukkers van het volk Israël tot de uittocht. (Wijsh 11:1)

## Ehi (persoon)

- Zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een Benjaminietische clan. (Gen 46:21)

## Ehud (persoon)

- Linkshandige Benjaminiet, zoon van Gera, en de tweede richter van Israël. Bevrijdde het volk van de Moabitische onderdrukking door Eglon te doden. (Ri 3:15)

## eigen gehuurd huis (begrip)

- Paulus bleef twee gehele jaren in een eigen gehuurd huis in Rome, met onverhinderde prediking. (Hand 28:30)

## eigen schande opschuimend (begrip)

- Wilde baren die hun eigen schande opschuimen — schande die niet langer verborgen blijft, maar publiek tentoongesteld wordt. (Jud 1:13)

## eigen uitlegging (begrip)

- Geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging — want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar door de Heilige Geest gedreven. (2 Petr 1:20)

## eigen volk reinigen (begrip)

- Werk van Christus dat een afzonderlijk, gereinigd volk vergadert, ijverig in goede werken. (Tit 2:14)

## eigen vrouw (begrip)

- Bijbels begrip voor de wettige echtgenote, in tegenstelling tot vreemde of buitenechtelijke vrouwen. Door de wet beschermd. (Sir 7:19)

## eigenhandig schuldbekentenis (begrip)

- Schriftelijke verklaring waarin de schrijver met eigen hand een schuld op zich neemt en zich tot betaling verbindt. (Flm 1:19)

## eik (natuur)

- Grote, oude boom met een uitgespreide kroon. In het Oosten vaak heilige boom of markeerpunt; bij eikenbomen werden vaak verbonden gesloten of personen begraven. (Gen 13:18)
- Grote loofboom met hard hout, veel voorkomend in Palestina. In de bijbel vaak plaats van eredienst, ontmoeting of begrafenis. (Sus 1:58)

## eikenbos (natuur)

- Bosje van eikenbomen, in de oudheid vaak heilige plaats. De eikenbossen van Mamre bij Hebron waren bekend uit het leven van Abraham. (Gen 12:6)

## einde (begrip)

- Hebr. אַחֲרִית — uitkomst, toekomst; voor de wijze hoopvol, voor de goddeloze afgesneden. (Spr 24:14)

## einde aller dingen (begrip)

- Het einde aller dingen is nabij; weest dan matig en waakzaam in de gebeden. (1 Petr 4:7)

## einde des geloofs (begrip)

- Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen. (1 Petr 1:9)

## einde des Heeren (begrip)

- Gij hebt de lijdzaamheid van Job gehoord en het einde des Heeren gezien — dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer. (Jak 5:11)

## einde, einde, einde (uitdrukking)

- Profetisch refrein dat het naderende einde aankondigt. Apocalyptische taal die ook in de Openbaring van Johannes voorkomt. (Ez 7:6)

## eindtijd-tekenen (begrip)

- In bijbelse en joodse apocalyptiek de wonderlijke verschijnselen die het naderende einde van de wereld aankondigen. (4 Ezra 5:1)

## Ekbatana (plaats)

- Hoofdstad van het Medische rijk, gelegen in het bergland van het huidige west-Iran. Later zomerresidentie van de Perzische grootkoningen. (3 Ezra 6:23)

## Ekrebel (plaats)

- In het apocriefe boek Judith een plaats in het bergland van Samaria, gelegen bij de beek Mochmor. (Jdt 7:12)

## Ekron (plaats)

- Een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, gelegen in de noordelijke kustvlakte. Bij de stamverdeling toegewezen aan Juda, hoewel niet werkelijk veroverd. (Joz 15:11)
- Een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, gelegen in het noorden van het Filistijnse gebied. De meest noordelijke en daarmee dichtst bij Israël gelegen Filistijnse hoofdstad. (1Sam 5:10)
- Een van de vijf voornaamste Filistijnse steden, gelegen aan de noordelijke grens van het Filistijnse gebied. Bekend om de tempel van Baäl-Zebub. (Am 1:8)

## El (naam)

- Algemeen Hebreeuws woord voor 'God' of 'godheid'. Komt zowel zelfstandig voor als in samenstellingen zoals El-Sjaddai en El-Eljon. (Ps 5:5)

## El Elyon (begrip)

- Hebreeuwse Godsnaam, betekent 'God de Allerhoogste'. Door Melchizedek gebruikt en daarna ook door Abraham overgenomen. (Gen 14:18)

## El Shaddai (begrip)

- Hebreeuwse Godsnaam, betekent 'God de Almachtige'. Vooral de naam waaronder God Zich aan Abraham, Izak en Jakob openbaarde. (Gen 17:1)

## Ela (persoon)

- Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:41)
- Vierde koning van het noordelijke rijk Israël, zoon en opvolger van Baësa. Regeerde slechts twee jaar voordat hij door zijn dienaar Zimri werd vermoord. (1 Kon 16:8)

## Elam (persoon)

- Derde zoon van Sem en stamvader van het Elamitische rijk ten oosten van Babylonië. Aanduiding voor zowel persoon, volk als land. (Gen 10:22)
- Oordeel over Elam (Perzië). (Jer 49:34)

## Elda (persoon)

- Zoon van Midian en kleinzoon van Abraham via Ketura. Stamvader van een Midianitische clan. (Gen 25:4)

## Eldaa (persoon)

- Zoon van Midian en kleinzoon van Abraham via Ketura. Stamvader van een Midianitische clan. (Gen 25:4)

## Eldad (persoon)

- Een van de zeventig oudsten van Israël. Profeteerde door Gods Geest in het kamp, hoewel hij niet bij de tabernakel was. (Ex 24:1)
- Een van de zeventig oudsten van Israël ten tijde van Mozes, op wie de Geest van JAHWEH viel. Bleef met Medad in de legerplaats profeteren in plaats van naar de tabernakel te gaan. (2 Kon 4:1)

## Eleasa (plaats)

- Plaats in Judea ten noorden van Jeruzalem waar in 160 v.Chr. Judas Makkabeüs sneuvelde in de strijd tegen de Seleucidische veldheer Bacchides. (1 Makk 9:5)

## Eleazar (persoon)

- Derde zoon van Aäron en zijn opvolger als hogepriester. Vader van Pinehas en grondlegger van de hoofdlijn van het Aäronitische priesterschap. (Ex 6:23)
- Derde zoon van Aäron, die hem opvolgde als hogepriester na de dood van Nadab en Abihu. (Lev 10:6)
- Derde zoon van Aäron en zijn opvolger als hogepriester. Stond Jozua bij in het leiden van Israël en bij de verdeling van het beloofde land. (Num 20:26)
- Hogepriester van Israël, derde zoon van Aäron en zijn opvolger in het hogepriesterambt. Werkte met Jozua samen aan de verdeling van het land. (Joz 14:1)
- Naoorlogse nakomeling van David, alleen bekend uit het Nieuwtestamentische geslachtsregister van Jezus. (Matt 1:15)
- Priester en hoofdpersoon in 3 Makkabeeën, die in de uiterste nood van zijn volk in Alexandrië God in een groot gebed aanriep. (3 Makk 6:1)
- Hogepriester van Israël, derde zoon van Aäron en zijn opvolger in het hogepriesterambt. Stamvader van het hogepriesterlijk geslacht via zijn zoon Pinehas. (1 Kron 6:3)

## Eleazar (martelaar) (persoon)

- Volgens 2 Makkabeeën 6 een vooraanstaande joodse schriftgeleerde van negentig jaar die liever de marteldood koos dan varkensvlees te eten. Klassiek voorbeeld van het joodse martelaarschap. (2 Makk 6:18)

## Eleazar Auäran (persoon)

- Broer van Judas Makkabeüs en een van de zeven zonen van Mattathias. Sneuvelde in de slag bij Beth-Zacharia onder een gevechtsolifant. (1 Makk 2:5)
- Broer van Judas Makkabeüs, een van de zeven zonen van Mattathias. Sneuvelde in de slag bij Beth-Zacharia onder een gevechtsolifant. (2 Makk 8:23)

## Eleazar zoon van Pinehas (persoon)

- Hogepriester van Israël, kleinzoon van de eerste hogepriester Aäron. Stamvader van de hogepriesterlijke lijn waaruit later Zadok voortkwam. (1 Kron 6:4)

## element (begrip)

- Kosmische ondergang en vernieuwing. (2 Petr 3:10)

## elementen (begrip)

- In de hellenistische filosofie de vier grondstoffen waaruit alles bestaat (vuur, lucht, water, aarde). Door sommige heidenen zelf vereerd als goddelijk. (Wijsh 13:2)

## elementen branden (begrip)

- In de dag des Heeren zullen de elementen brandende vergaan en de aarde en de werken die daarop zijn zullen verbranden. (2 Petr 3:10)

## elementen der wereld (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wereld tegenover Gods rijk. (Gal 4:9)

## elementen-omkering (begrip)

- In de hellenistisch-joodse literatuur de gedachte dat God de natuur-elementen kan omwisselen of tegen hun aard kan laten dienen om zijn doel te bereiken. (Wijsh 19:18)

## Eleutherus (plaats)

- Rivier in noordelijk Foenicië die de noordgrens vormde tussen het door Jonatan beheerde gebied en het Seleucidische kerngebied. (1 Makk 11:7)

## elf wagens (begrip)

- Aanduiding voor wagens als profetisch symbool. In Zacharia's gezicht vier wagens met paarden in verschillende kleuren als boodschappers van God. (Zach 6:1)

## Eli (persoon)

- Hogepriester en richter te Silo aan het einde van de richterentijd. Voedde Samuel op en stierf op 98-jarige leeftijd na het bericht van de ondergang van zijn zonen en de verovering van de ark. (1Sam 1:9)
- Aramees-Hebreeuws woord voor 'Mijn God'. Vormt het begin van Psalm 22, door Jezus aan het kruis aangehaald. (Matt 27:46)

## Eli's pijlen (voorwerp)

- Niet als zodanig in de Schrift voorkomende uitdrukking. Mogelijk een omschrijving van het oordeelsprofetie over het huis van Eli. (1Sam 1:1)

## Eli, kapitein vijftig (persoon)

- Aanduiding voor een hoofdman over een afdeling van vijftig krijgsknechten in het oude Israël. Stond in dienst van de koning en kon worden uitgezonden voor verschillende officiële opdrachten. (2 Kon 1:9)

## Eli, priester (persoon)

- Hogepriester en richter te Silo aan het einde van de richterentijd. Voedde Samuel op en stierf op 98-jarige leeftijd na het bericht van de ondergang van zijn zonen en de verovering van de ark. (2 Kron 1:3)

## Elia (persoon)

- Israëlitische profeet uit de negende eeuw v.Chr., bekend om zijn strijd tegen de Baäldienst onder koning Achab. Volgens 2 Koningen levend ten hemel opgenomen. (Matt 11:14)
- Oudtestamentische profeet, type van vurige voorbede. Aangehaald in de leer over het overblijfsel. (Rom 11:2)
- Profeet uit het Noordrijk Israël, voorbeeld van krachtig gebed en ijver voor de HEERE. (Jak 5:17)
- Israëlitische profeet uit de negende eeuw v.Chr. (in de tijd van Achab). Bekend uit 1 en 2 Koningen om zijn strijd tegen de Baäl-cultus en zijn hemelvaart in een vurige wagen. (Sir 48:1)
- Israëlitische profeet uit de 9e eeuw v.Chr., bekend om zijn strijd tegen de Baalsdienst onder koning Achab. Volgens 2 Koningen ten hemel opgenomen in een wagen van vuur. (Mal 4:5)
- Profeet uit Tisbe in Gilead, optredend in het noordelijke rijk Israël tijdens de regering van Achab. Voornaamste tegenstander van de Baälsdienst en bekend om zijn wonderen en zijn opname in de hemel. (1 Kon 17:1)
- Profeet uit Tisbe in Gilead, optredend in het noordelijke rijk Israël tijdens de regering van Achab. Bekend om zijn standvastige strijd tegen de Baälsdienst en om zijn opname in de hemel zonder te sterven. (2 Kon 2:11)

## Elia bad (begrip)

- Elia was een mens van gelijke bewegingen als wij; hij bad een gebed dat het niet regenen zou, en het regende niet drie jaar en zes maanden. (Jak 5:17)

## Eliakim (persoon)

- Naoorlogse nakomeling van David, alleen bekend uit het Nieuwtestamentische geslachtsregister van Jezus. (Matt 1:13)

## Elias (persoon)

- De grote profeet Elia uit het Oude Testament. De Joden verwachtten dat Elia zou terugkomen voor de Messias. (Joh 1:21)

## Eliasib (persoon)

- Hogepriester van Jeruzalem in de tijd van Ezra en Nehemia. Bekend om zijn rol bij de herbouw van de muren en zijn omstreden familiebanden met de tegenstanders. (Ezra 10:6)

## Elifaz (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Esau en Ada. Vader van onder anderen Teman en (bij zijn bijvrouw Timna) Amalek. (Gen 36:4)

## Elifazs derde rede (uitdrukking)

- Derde en laatste rede van Elifaz in het boek Job. Bevat concrete maar verzonnen beschuldigingen tegen Job. (Job 22:5)

## Elifazs nachtgezicht (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor een visioen dat in de nacht aan een ziener wordt geopenbaard. In het boek Job de basis van de eerste rede van Elifaz. (Job 4:12)

## Elifazs tweede rede (uitdrukking)

- Tweede van de drie redes van Elifaz in het boek Job. Gekenmerkt door scherpere aanval op Job en beschuldiging van het wegnemen van godsvrucht. (Job 15:2)

## Elihu (persoon)

- Jonge spreker in het boek Job, zoon van Bareachel de Buziet. Treedt op nadat de drie vrienden zwijgen en houdt vier opeenvolgende redes. (Job 32:2)

## Elihu's derde rede (uitdrukking)

- Derde van de vier redes van Elihu in het boek Job. Behandelt de verhouding tussen menselijk handelen en Gods karakter. (Job 35:6)

## Elihu's tweede rede (uitdrukking)

- Tweede van de vier redes van Elihu in het boek Job. Verdedigt de gerechtigheid van Gods handelen. (Job 34:10)

## Elihu's verontwaardiging (uitdrukking)

- Bijbels motief waarin een jonge spreker zich verontwaardigt over de ontoereikende argumenten van ouderen. Onderdeel van het wijsheidsliterair dispuut. (Job 32:2)

## Elihu's vier redes (uitdrukking)

- Aanduiding voor de vier opeenvolgende redes van Elihu in het boek Job. Vormen samen de overgang van het mensendebat naar de godsrede. (Job 32:6)

## Elihu's vierde rede (uitdrukking)

- Vierde en laatste rede van Elihu in het boek Job. Beschrijft Gods grootheid in de natuur en bereidt de godsverschijning voor. (Job 37:5)

## Elim (plaats)

- Pleisterplaats van Israël tijdens de uittocht, met twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. Gelegen tussen Mara en de woestijn Sin. (Ex 15:27)

## Elimaïs (plaats)

- Hellenistische naam voor Elam, het oude rijk in het zuidwesten van het huidige Iran, ten oosten van Mesopotamië. (1 Makk 6:1)

## Elimelech (persoon)

- Man uit Bethlehem in Juda, echtgenoot van Naomi en vader van Machlon en Chiljon. De naam betekent 'mijn God is koning'. (Ruth 1:2)

## Eliphaz (persoon)

- Eerste van de drie vrienden van Job, afkomstig uit Theman in Edom. In het boek Job de oudste en meest bedaarde gespreksvoerder. (Job 2:11)

## Elisa (persoon)

- Zoon van Javan en kleinzoon van Jafeth, stamvader van een volk in het Middellandse zeegebied. (Gen 10:4)
- Israëlitische profeet, opvolger van Elia (negende eeuw v.Chr.). Verrichtte volgens 2 Koningen veel wonderen onder de koningen van Israël. (Sir 48:13)
- Zoon van Safat uit Abel-Mehola, leerling en opvolger van de profeet Elia. Werkte in het noordelijke rijk Israël onder verscheidene koningen en stond bekend om talrijke wonderen. (1 Kon 19:16)

## Elisabeth (persoon)

- Vrouw van de priester Zacharias en moeder van Johannes de Doper. Familielid van Maria, de moeder van Jezus. (Matt 3:1)

## Elishah (persoon)

- Zoon van Javan en kleinzoon van Jafeth. Stamvader van een volk in het westelijke Middellandse zeegebied. (Gen 10:4)

## Eliëzer (persoon)

- Knecht en huisbestuurder van Abraham, afkomstig uit Damaskus. Zou Abrahams erfgenaam zijn geweest indien deze kinderloos was gebleven. (Gen 15:2)
- Tweede zoon van Mozes en Zippora. Naam betekent 'God is mijn hulp'. (Ex 18:4)
- Naoorlogse nakomeling van David, alleen bekend uit het Nieuwtestamentische geslachtsregister van Jezus. (Matt 1:15)
- Profeet uit Maresa in het zuiden van Juda ten tijde van koning Josafat. Bekend om zijn oordeelswoord over diens scheepvaartonderneming met de goddeloze koning Ahazia van Israël. (2 Kron 20:37)

## Eliëzer, leraar (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een Levitisch leraar ten tijde van koning Josafat van Juda. Werd door de koning ingezet bij het godsdienstig onderricht onder het volk. (2 Kron 17:8)

## Eljakim (persoon)

- Hofmeester van koning Hizkia van Juda, zoon van Hilkia. Verantwoordelijk voor het bestuur van het paleis en lid van de afvaardiging die met de Assyrische opperveldheer onderhandelde. (2 Kon 18:18)
- Achttiende koning van Juda, zoon van Josia, oorspronkelijk Eljakim geheten. Werd door de Egyptische farao Necho tot koning aangesteld onder de nieuwe naam Jojakim. (2 Kron 36:4)

## Eljakim als bestuurder (persoon)

- Aanduiding voor Josia's zoon Eljakim, die door de Egyptische farao Necho tot vazalkoning werd aangesteld onder de nieuwe naam Jojakim. Niet te verwarren met de gelijknamige hofmeester onder Hizkia. (2 Kron 36:4)

## Eljon (naam)

- Hebreeuws voor 'Allerhoogste'; Godsnaam. (Ps 91:1)

## Elkana (persoon)

- Levietisch man uit Ramathaïm-zofim in het bergland van Efraïm, vader van Samuel. Had twee vrouwen, Hannah en Peninna. (1Sam 1:1)

## elkander liefhebben (begrip)

- Wij hebben gehoord van het begin, dat wij elkander zouden liefhebben — de boodschap die de gelovigen van de aanvang af gehoord hebben. (1 Joh 3:11)

## Elkos (plaats)

- Onbekende plaats, waarschijnlijk in Galilea of Juda, waarvan de profeet Nahum afkomstig was. Vandaar zijn aanduiding 'de Elkosiet'. (Na 1:1)

## Ellasar (plaats)

- Stadstaat in Mesopotamië, koninkrijk van Arioch. Lid van de coalitie van vier oosterse koningen onder Kedor-Laomer. (Gen 14:1)

## ellen (begrip)

- Oude lengtemaat van ongeveer vijfenveertig centimeter, gebaseerd op de afstand van elleboog tot vingertop. Standaardmaat in de Bijbel voor bouwwerken. (Gen 6:15)

## ellende (begrip)

- Diepe nood, vaak veroorzaakt door vijanden of ziekte. (Ps 25:18)

## ellendige vertroosters (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor wie troost wil bieden maar door zijn woorden juist het lijden vergroot. Spreekwoordelijk geworden uitdrukking. (Job 16:2)

## ellendigen (begrip)

- Verdrukten en lijdenden die op God hopen. In de psalmen vaak parallel met 'armen' en 'nooddruftigen'. (Ps 9:13)

## Elnathan (persoon)

- Zoon van Achbor; door Jojakim naar Egypte gezonden om de profeet Uria gevangen terug te brengen. Trad later op als een van de vorsten die Jojakim smeekten de boekrol niet te verbranden. (Jer 36:25)

## Eloah (begrip)

- Hebreeuwse enkelvoudige godsnaam, verwant aan het meer gangbare Elohim. Vooral in poëtische literatuur gebruikt, met name in het boek Job. (Job 3:4)

## Elohim (begrip)

- Hebreeuws woord voor God, gebruikt zowel voor de ware God als voor heidense goden. Meervoudsvorm die de majesteit en volheid van God uitdrukt. (Gen 1:1)
- Hebreeuws meervoudswoord voor God, gebruikt voor de ene God van Israël. De meervoudsvorm wordt traditioneel uitgelegd als 'meervoud van majesteit'. (Ps 42:2)

## Elon (persoon)

- Hethitische persoonsnaam, vader van een van Esaus vrouwen. Ook naam van een zoon van Zebulon en hoofd van een clan. (Gen 26:34)
- Een van de kleine richters van Israël, afkomstig uit de stam Zebulon. Werd na een korte ambtsperiode begraven in Ajalon in het stamgebied van Zebulon. (Ri 12:11)

## Elon (Zebulon) (persoon)

- Tweede zoon van Zebulon en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Zebulon. (Gen 46:14)

## Eloï Eloï (begrip)

- Aramese vorm van 'Mijn God, mijn God', het begin van een klaagpsalm. Door Jezus aan het kruis aangehaald. (Mark 15:34)

## Elul (begrip)

- Zesde maand van de Joodse kalender (augustus-september), de laatste maand voor de hoogfeesten in Tisri. Hebreeuws אֱלוּל. In 1 Mak 14:27 voltooiing van de muur door Simon, in Neh 6:15 voltooiing van de muur van Jeruzalem onder Nehemia. (1 Mak 14:27)

## Elymais (plaats)

- Griekse naam voor Elam, het oude rijk in het zuidwesten van het huidige Iran, gelegen ten oosten van Mesopotamië. Hoofdstad Susa. (Tob 2:11)

## Elymas (persoon)

- Tovenaar op Cyprus, ook Bar-Jezus, met blindheid geslagen. (Hand 13:8)

## Emieten (volk)

- Reuzenvolk dat ten oosten van de Jordaan in het gebied van Moab woonde. Door Kedor-Laomer verslagen. (Gen 14:5)

## Emmausgangers (persoon)

- De twee discipelen aan wie Jezus zich op de weg naar Emmaüs openbaarde in het breken van het brood. (Luk 24:13)

## Emmaüs (plaats)

- Dorp waar Jezus na opstanding aan twee discipelen verscheen. (Luk 24:13)
- Plaats in Judea ten westen van Jeruzalem (mogelijk identiek met Nicopolis), bekend uit de Makkabese oorlogen en uit Lukas 24. (1 Makk 3:40)

## En-gedi (plaats)

- Oase aan de westkust van de Dode Zee, bekend om haar bronnen, wijngaarden en grotten. Bood schuilplaats aan David tijdens zijn vlucht voor Saul. (1Sam 24:1)

## En-mispat (plaats)

- Oude naam van Kades-Barnea, betekent 'bron van het oordeel'. Plek waar Kedor-Laomer doorkwam op zijn veldtocht. (Gen 14:7)

## Endor (plaats)

- Plaats in het noorden van Israël, ten zuiden van de berg Tabor in het gebied van halve Manasse. In Psalm 83 herinnerd als plaats waar Sisera werd verdelgd. (Ri 4:2)
- Plaats in het noorden van Israël, ten zuiden van de berg Tabor in het gebied van halve Manasse. Bekend als woonplaats van een waarzeggende vrouw die door Saul werd geraadpleegd. (1Sam 28:7)

## Enemessar (persoon)

- Apocriefe naam voor de Assyrische koning Salmanasser V (regeerde 727-722 v.Chr.) of mogelijk Sargon II, onder wie het noordrijk Israël viel en de tien stammen werden weggevoerd. (Tob 1:2)

## ener vrouwe man (begrip)

- Vereiste voor opziener én diaken — huwelijkstrouw. (1 Tim 3:2)

## enge poort (begrip)

- Beeld in de bergrede voor de smalle, weinig begaanbare toegang tot het leven. Tegenovergesteld aan de wijde poort die naar het verderf leidt. (Matt 7:13)

## Engedi (plaats)

- Oase aan de westkust van de Dode Zee, bekend om zijn waterbronnen en wijngaarden. Vluchtoord van David tijdens zijn vervolging door Saul. (Num 1:1)
- Oase aan de westkust van de Dode Zee, bekend om haar bronnen en wijngaarden. Behoorde tot het stamgebied van Juda en bood schuilplaats aan David tijdens zijn vlucht voor Saul. (Joz 15:62)

## engel (begrip)

- Hemelse, geestelijke bode van God, geschapen om Hem te dienen en Zijn boodschappen aan mensen over te brengen. (Gen 16:7)

## engel der gemeente (begrip)

- De geestelijke vertegenwoordiger of bisschop van elke gemeente, aan wie elke brief is gericht. (Op 2:1)

## Engel der verschijning (theologisch)

- God Zelf in zichtbare gestalte, die Israël in de woestijn beschermde en leidde. Beeld van zorgzame nabijheid van God. (Dt 32:11)

## engel der vertroosting (persoon)

- In Gethsemane verscheen een engel uit de hemel die Jezus versterkte. (Luk 22:43)

## Engel des HEEREN (theologisch)

- Bijzondere verschijningsvorm van God, vaak in menselijke gedaante. Spreekt en handelt namens God met Zijn eigen autoriteit. (Num 22:31)
- Bijzondere verschijning van JAHWEH zelf in zichtbare gestalte als zijn eigen bode. Komt herhaaldelijk in de oude geschiedenis voor en wordt in de christelijke uitleg vaak begrepen als een Christofanie. (Ri 6:11)
- Hemelse bode van JHWH die Gods boodschappen overbrengt of zijn oordeel uitvoert. Komt in heel de bijbel voor. (Sus 1:55)
- Hemelse bode van JHWH die Gods boodschappen overbrengt of zijn wil uitvoert. (BelDra 1:33)
- Bijzondere goddelijke gezant die in het Oude Testament soms als boodschapper en soms als vertegenwoordiger van God zelf optreedt. Verschijnt vooral in beslissende momenten. (Zach 1:11)
- Bijzondere verschijning van JAHWEH zelf in zichtbare gestalte als zijn eigen bode. Treedt soms op als uitvoerder van Gods oordeel of als drager van zijn verlossing. (2 Kon 19:35)
- Bijzondere goddelijke gezant die in het Oude Testament soms als boodschapper en soms als vertegenwoordiger van God zelf optreedt. In de uitleg vaak op Christus betrokken. (Ez 40:3)

## engel des Heeren (in de gevangenis) (begrip)

- De engel die de apostelen in de nacht uit de gevangenis verloste en hen gebood in de tempel te prediken. (Hand 5:19)

## engel des lichts (begrip)

- Gedaante waaronder de satan zich kan voordoen om te misleiden. Waarschuwing tegen valse gerechtigheid. (2 Kor 11:14)

## engel des verbonds (begrip)

- Profetische aanduiding voor een goddelijke gezondene die het verbond komt vervullen. In de christelijke uitleg betrokken op Christus. (Mal 3:1)

## Engel Gods (begrip)

- Hemelse boodschapper namens God. Verwante uitdrukking van 'Engel des Heeren', soms ook synoniem met theofanie. (Gen 21:17)
- Hemelse boodschapper van God. Bijbels beeld voor verheven verschijning of voor wie als Gods gezant optreedt. (EstAp 15:11)

## engel JAHWEH (theologisch)

- Bijzondere verschijningsvorm van God, vaak in menselijke gedaante. Spreekt en handelt namens God met Zijn eigen autoriteit. (Ex 23:20)
- Bijzondere verschijning van JAHWEH zelf in zichtbare gestalte als zijn eigen bode. Komt herhaaldelijk in de oude geschiedenis voor en wordt in de christelijke uitleg vaak begrepen als een Christofanie. (1Sam 1:1)
- Bijzondere verschijning van JAHWEH zelf in zichtbare gestalte als zijn eigen bode. Komt herhaaldelijk in de oude geschiedenis voor en treedt soms op als uitvoerder van Gods oordeel. (2Sam 24:16)

## engel met de zegelring (persoon)

- De engel die opklom van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods. (Op 7:2)

## engel met het zwaard (begrip)

- In bijbelse beeldspraak een hemelse bode die Gods oordeel voltrekt; vergelijkbaar met de cherub bij Eden of de engel die Bileam bedreigde. (Sus 1:59)

## engel van de afgrond (persoon)

- De koning over de sprinkhanen — Abaddon in het Hebreeuws, Apollyon in het Grieks. (Op 9:11)

## engel van de Heren (begrip)

- Hemelse boodschapper van God, gezonden om zijn wil bekend te maken of zijn knechten te beschermen. (Geb. Az. 1:49)

## Engel van JAHWEH (begrip)

- Bijzondere verschijningsvorm van God, vaak in menselijke gedaante. Spreekt en handelt namens God met Zijn eigen autoriteit en wordt soms met God Zelf vereenzelvigd. (Gen 16:7)

## engelen (begrip)

- Meervoud van engel; hemelse boden en dienaren van God. In de evangeliën onder meer betrokken bij de wederkomst en het laatste oordeel. (Matt 13:39)
- Geestelijke wezens, dienaren van God, die Hem omgeven en Zijn boodschappen overbrengen. Ook gebruikt van gevallen engelen onder leiding van de satan. (Rom 8:38)
- Hemelse boodschappers en dienaren van God, gezonden om zijn wil bekend te maken en zijn knechten bij te staan. (Gez. Vuur. 1:58)

## engelen die zondigden (begrip)

- God heeft de engelen die gezondigd hebben niet gespaard, maar in de hel geworpen en overgegeven aan ketenen der duisternis om bewaard te worden tot het oordeel. (2 Petr 2:4)

## engelen oordelen (begrip)

- De hoogheid van de heiligen, die in de toekomende eeuw zelfs over engelen zullen oordelen. Argument tegen het kibbelen voor wereldse rechters. (1 Kor 6:3)

## engelen verlatend (begrip)

- De engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de groten dag bewaard. (Jud 1:6)

## engelen-vorst (theologisch)

- Aanduiding voor de aanvoerder van Gods hemelse leger, die in zichtbare gestalte op aarde verscheen. In de christelijke uitleg vaak begrepen als een Christofanie. (Joz 5:14)

## engelenbrood (begrip)

- Bijbelse aanduiding (Psalm 78:25) voor het manna als brood van de engelen of brood uit de hemel. (Wijsh 16:20)

## engelenkoor (begrip)

- Verzameling van engelen die God omringen en lofprijzen. In de Bijbel met name actief bij openbaring en bij de wederkomst van Christus. (Mark 8:38)

## enige Heerser verloochenen (begrip)

- Zij verloochenen de enige Heerser, God, en onze Heere Jezus Christus — kern van afval onder schijn van christen-zijn. (Jud 1:4)

## eniggeboren Zoon (persoon)

- Het unieke kind van God, zelf God; door Hem heeft de Vader het verklaard. (Joh 3:16)

## Eniggeborene (begrip)

- De enige, unieke Zoon. Jezus wordt de genoemd: Hij is de enige Zoon van de Vader, volkomen uniek in Zijn relatie met God. (Joh 1:14)

## Enoch (persoon)

- Naam van twee Genesis-personen: een zoon van Kaïn (en de naar hem genoemde stad) en de zevende van Adam in de lijn van Seth, die met God wandelde. (Gen 4:17)
- De zevende vanaf Adam; Judas citeert zijn profetie over de komst van de Heere met heilige duizenden. (Jud 1:14)

## Enon (plaats)

- Plaats bij Salim waar Johannes de Doper doopte, omdat daar veel water was. (Joh 3:23)

## Enos (persoon)

- Zoon van Seth en kleinzoon van Adam. In zijn dagen begon men de Naam van de Heere openlijk aan te roepen. (Gen 4:26)
- Zoon van Set in Lukas' geslachtsregister. (Luk 3:38)

## Epafras (persoon)

- Verkondiger van het Evangelie te Kolosse, geliefde mededienstknecht. (Kol 1:7)
- Christen uit Kolosse, stichter van de gemeente aldaar en medewerker van Paulus, gedurende een tijd zijn medegevangene. (Filem 1:23)

## Epafras gevangen (begrip)

- Aanduiding voor de gevangenschap van Epafras die hij samen met Paulus om Christus' wil ondervond. (Flm 1:23)

## Epafrodites (persoon)

- In Handelingen impliciet als medewerker van Paulus. (Hand 28:30)

## Epafroditus (persoon)

- Brenger van een gave van de Filippenzen, die ziek werd in dienst van het Evangelie. (Filip 2:25)

## Epenetus (persoon)

- Eersteling van Achaje voor Christus, door Paulus geliefd. Lid van de gemeente te Rome. (Rom 16:5)

## ephah (begrip)

- Hebreeuwse inhoudsmaat voor droge stoffen, ongeveer 22 liter. Werd vooral voor graan gebruikt en kon bij oneerlijke handel worden vervalst. (Am 8:5)
- Hebreeuwse inhoudsmaat voor droge stoffen, ongeveer 22 liter. In profetische visioenen ook gebruikt als symbolisch voorwerp. (Zach 5:6)

## ephod (begrip)

- Priesterlijk schortgewaad, vooral gedragen door de hogepriester. Soms ook gebruikt in afgodische cultus als beeld of orakelinstrument. (Hos 3:4)

## Ephraïm (plaats)

- Jongste zoon van Joseph en de stam die uit hem voortkwam. Werd boven zijn oudere broer Manasse gezegend en groeide uit tot een van de leidende stammen van het noorden. (Dt 33:17)

## Epifanes (persoon)

- Antiochus IV Epifanes (215-164 v.Chr.), Seleucidische koning (regeerde 175-164 v.Chr.), zoon van Antiochus III. Bijnaam Ἐπιφανής (Epifanēs, 'de manifeste/glorieuze god'); door tegenstanders Epimanēs ('de gek'). Plunderde de tempel van Jeruzalem in 169 v.Chr., verbood de Joodse eredienst en ontheiligde het altaar in 167 v.Chr., wat de Makkabeese opstand uitlokte. Stierf in Perzië in 164 v.Chr. Vermoedelijk de 'kleine hoorn' uit Daniël 7-8 en 11. (1 Mak 1:10)

## epiloog (begrip)

- Slotgedeelte van een literair werk dat de hoofdvertelling afrondt. In het boek Job het slotdeel in proza waarin Jobs herstel wordt verteld. (Job 42:7)

## Er (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Juda en zijn Kanaänitische vrouw. Werd door God gedood vanwege zijn boosheid. (Gen 38:3)

## Erastus (persoon)

- Medehelper van Paulus die hij samen met Timotheüs naar Macedonië zond. (Hand 19:22)
- Rentmeester van de stad Korinthe, medewerker en vriend van Paulus. Bracht groeten over. (Rom 16:23)
- Medewerker die in Korinthe achterbleef. (2 Tim 4:20)

## ere (begrip)

- Een vat — gelovigen die zich reinigen worden vaten ter ere. (2 Tim 2:20)
- Eer, aanzien en heerlijkheid. In de bijbel zowel toegeschreven aan God als aan mensen die hun ambt en stand eer aandoen. (1 Makk 5:64)

## Erech (plaats)

- Oude stad in zuidelijk Mesopotamië, behorend tot het oudste rijk van Nimrod. Plek van een van de oudste beschavingen ter wereld. (Gen 10:10)

## erfdeel (wet)

- Het door God aan elke stam, geslacht of familie toegewezen aandeel in het beloofde land. Mocht niet permanent worden verkocht, omdat het uiteindelijk JAHWEH toebehoorde. (Joz 11:23)
- In de bijbel aanduiding voor het land Kanaän en het volk Israël, beide door God als zijn eigendom gegeven en uitverkoren. (EstAp 10:12)

## erfenis (begrip)

- Het bezit dat na iemands dood overgaat op zijn nakomelingen. In de Bijbel ook beeld voor het door God beloofde land en de hemelse zaligheid. (Gen 15:7)
- Wat iemand als erfdeel krijgt — concreet land of bezit, geestelijk Gods gunst en gemeenschap. — Gods toebedeelde lot is rijk en goed. (Ps 16:6)
- De hemelse heerlijkheid die God in Christus aan Zijn kinderen heeft toegezegd, onverderfelijk en onbevlekkelijk. (Hebr 9:15)

## erfgenaam (begrip)

- Degene die een erfenis ontvangt, doorgaans de zoon of een door de erflater aangewezen persoon. In de Bijbel ook geestelijk: gelovigen zijn erfgenamen van Gods belofte. (Gen 15:3)
- Wie een erfdeel ontvangt; van de gelovige als erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus. Verbonden aan het kindschap. (Rom 8:17)
- Iemand die door geboorte, adoptie of testament het bezit van een ander erft; in nieuwtestamentisch gebruik vooral aanduiding van gelovigen als erfgenamen van het eeuwige leven. (Tit 3:7)

## erfgenamen eeuwig leven (begrip)

- Aanduiding van gelovigen die op grond van rechtvaardiging door genade het eeuwige leven beerven. (Tit 3:7)

## Erflater (begrip)

- Christus als Erflater van het nieuwe testament wiens dood het verbond bekrachtigt voor degenen die de eeuwige erfenis ontvangen. (Hebr 9:16)

## ergeren (begrip)

- Aanstoot geven, iemand tot struikelen brengen in het geloof. Jezus vroeg Zijn discipelen: toen velen Zijn leer moeilijk vonden. (Joh 6:61)

## ergernis (begrip)

- Datgene waaraan men zich stoot of ergert; vooral van het kruis dat voor Joden een ergernis is. Onderscheiden van persoonlijke krenking. (Rom 14:13)

## Eri (persoon)

- Zoon van Gad en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Gad. (Gen 46:16)

## ervaring (begrip)

- Het door eigen ondervinding ervaren navolgen van de Heer en Zijn dienstknechten in geloof en lijden. (1 Tess 1:6)
- Bijbels en wijsheidsbegrip voor wat door langdurige praktijk van het leven wordt geleerd. Door de wijsheidsliteratuur hoog gewaardeerd. (Sir 34:11)

## erve (begrip)

- Erfdeel, erfenis — het toebedeelde stuk land of bezit. Voor David is JAHWEH zelf zijn erve: niet land of goed, maar God zelf is zijn voortdurende deel. (Ps 16:5)

## Esarhaddon (persoon)

- Koning van Assyrië, zoon en opvolger van Sanherib. Onder zijn lange regering bereikte het Assyrische rijk zijn grootste uitbreiding tot in Egypte. (2 Kon 19:37)

## Esau (persoon)

- Oudste zoon van Izak en Rebekka, tweelingbroer van Jakob. Verkocht zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzen en werd stamvader van Edom. (Gen 25:25)
- Tweelingbroer van Jakob, eerstgeborene die zijn geboorterecht versmaadde. Voorbeeld in de leer over Gods soevereine verkiezing. (Rom 9:13)
- Zoon van Izak die zijn eerstgeboorterecht voor één spijze verkocht en later geen plaats van berouw meer vond. Voorbeeld van wereldsgezindheid. (Hebr 12:16)
- Tweelingbroer van Jakob en oudste zoon van Izaäk. Stamvader van de Edomieten. In de bijbel vaak tegenover Jakob als drager van het verbond gesteld. (1 Makk 5:3)
- Oudste zoon van Izak en tweelingbroer van Jakob, stamvader van het volk Edom. Hij verkocht zijn eerstgeboorterecht en verloor de zegen aan Jakob. (Ob 1:6)

## Esban (persoon)

- Zoon van Disan en nakomeling van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:26)

## Esdrelon (plaats)

- Griekse vorm van Jizreël, het grote vlaktedal in noord-Israël tussen Galilea en Samaria. Strategische doortocht voor legers. (Jdt 3:13)

## Esdrin (plaats)

- Plaats in Idumea, ligging niet met zekerheid bepaald; mogelijk Cesaron of Hazor. (2 Makk 12:36)

## Esek (plaats)

- Naam van een waterput bij Gerar, betekenend 'twist'. Zo genoemd omdat de herders van Izak en Gerar erom kibbelden. (Gen 26:20)

## Eskol (persoon)

- Amoritisch stamhoofd, broeder van Mamre en Aner. Bondgenoot van Abraham bij de strijd tegen Kedor-Laomer. (Gen 14:13)

## Esra (persoon)

- Joodse priester en schriftgeleerde uit het geslacht van Aäron, leider van de tweede terugkeer uit Babel. Bekend om zijn nauwgezette onderwijs van de wet van Mozes en zijn hervorming inzake de gemengde huwelijken. (Neh 8:1)

## Esrom (persoon)

- Voorvader van David, kleinzoon van Juda, vermeld in het geslachtsregister van Jezus. In het Oude Testament Hezron genoemd. (Matt 1:3)

## Esther (persoon)

- Joodse vrouw uit de stam Benjamin (Hebreeuwse naam Hadassa). Werd koningin van Perzië onder Ahasveros en redde haar volk van de uitroeiing. (EstAp 14:1)
- Joodse vrouw aan het Perzische hof van koning Ahasveros, oorspronkelijk Hadassa geheten. Werd koningin in plaats van Vasti en redde haar volk van de uitroeiing waartoe Haman had besloten. (Esth 2:7)

## Etanim (begrip)

- Oudere naam voor de zevende maand van het Joodse jaar, ongeveer overeenkomend met september-oktober. Maand waarin de grote najaarsfeesten werden gehouden, waaronder Loofhutten. (1 Kon 8:2)

## Etham (plaats)

- Pleisterplaats van Israël aan de rand van de woestijn, vroeg in de uittocht. (Ex 13:20)

## Ethan (persoon)

- Wijze tijdgenoot van Salomo, behoorde tot de levitische zangers. Naam-gever van een psalm. (Ps 89:1)
- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een wijze in Israël en een Levitische zanger. Wordt soms vergeleken met de wijsheid van koning Salomo. (2 Kron 5:12)

## Ethbaäl (persoon)

- Koning van Sidon en stamvader van het Sidonische koningshuis. Vader van Izebel, die door haar huwelijk met Achab de Sidonische cultus in Israël invoerde. (2 Kon 9:30)

## Ethiopische (begrip)

- Vrouw die Mozes had gehuwd, mogelijk een Kusietische. Aanleiding voor Mirjams en Aärons kritiek op Mozes. (Ex 2:21)

## Ethiopië (plaats)

- Het land van de kamerling die Filippus doopte. (Hand 8:27)

## Etiopiër (begrip)

- Bewoner van Kus, het gebied ten zuiden van Egypte (ongeveer het huidige Soedan en Ethiopië). In de Bijbel ook als Cuschiet aangeduid. (Am 9:7)

## Eubulus (persoon)

- Met Pudens, Linus en Klaudia — christenen te Rome die Paulus' groet meedragen. (2 Tim 4:21)

## Eudoxus (persoon)

- Twistende vrouw te Filippi (Euodia), door Paulus tot eensgezindheid opgeroepen samen met Syntyche. (Filip 4:2)

## Eufraat (plaats)

- Grote rivier in Mesopotamië; in de Schrift gezien als oostgrens van het beloofde land. (Openb 9:14)
- Grootste rivier van zuidwest-Azië, samen met de Tigris de hoofdader van Mesopotamië. Vaak grens van het rijk in de bijbel. (4 Ezra 13:43)
- Grote rivier in het Midden-Oosten, ontspringend in Armenië en uitmondend in de Perzische Golf; vormde in de oudheid een van de belangrijkste grenzen van het Seleucidische rijk. (1 Makk 3:32)
- Voornaamste rivier van Mesopotamië, die ontspringt in de bergen van Armenië en uitmondt in de Perzische Golf. Werd in de Schrift beschouwd als de oostelijke ideale grens van het beloofde land. (1 Kon 4:21)

## Eumenes (persoon)

- Eumenes II, koning van Pergamum (regeerde 197-159 v.Chr.). Bondgenoot van Rome bij de overwinning op Antiochus III bij Magnesia (190 v.Chr.). (2 Makk 8:8)

## Eunice (persoon)

- Moeder van Timotheüs, vroom van geloof. (2 Tim 1:5)

## Euodia (persoon)

- Vrouw te Filippi door Paulus vermaand. (Fil 4:2)

## Eupator (persoon)

- Bijnaam ('vaderbeminnaar') van Antiochus V, jonge opvolger van Antiochus IV als Seleucidisch koning (regeerde 164-162 v.Chr.). (2 Makk 10:10)

## Eurakulon (begrip)

- De stormwind die het schip op weg naar Italië wegsloeg. (Hand 27:14)

## Eutyches (persoon)

- Jongeling die uit het venster viel tijdens Paulus' lange preek; opgewekt. (Hand 20:9)

## Eva (persoon)

- De eerste vrouw, door God uit een rib van Adam gemaakt. Naam betekent 'moeder van alle levenden'; werd door de slang verleid om van de verboden vrucht te eten. (Gen 3:20)
- De eerste vrouw, door de slang verleid en in overtreding geraakt. Aangehaald als waarschuwing voor verleiding van het denken. (2 Kor 11:3)
- De eerste vrouw, door God uit Adams zijde gevormd als zijn 'hulp tegenover hem'. Moeder van het hele menselijke geslacht. (Tob 8:6)

## evangelie (begrip)

- Goede boodschap; in het Nieuwe Testament de blijde verkondiging van Gods heil in Jezus Christus voor zondaren. (Ps 68:20)

## Evangelie der heerlijkheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de verkondiging van het evangelie. (1 Tim 1:11)

## evangelische emancipatie (begrip)

- De geleidelijke vrijmaking en gelijkwaardigheid die het evangelie tussen mensen tot stand brengt door de gemeenschappelijke broederschap in Christus. (Flm 1:16)

## evangelist (begrip)

- Een van de gaven die Christus aan Zijn gemeente gaf. (Ef 4:11)

## evenbeeld (begrip)

- Bijbels begrip dat de mens naar het beeld van God geschapen is (Genesis 1:27). Drukt zijn unieke positie en waardigheid in de schepping uit. (4 Ezra 8:44)

## evengelijk (begrip)

- Gelijk aan, van dezelfde waarde. De Joden wilden Jezus doden omdat Hij Zichzelf God evengelijk maakte. (Joh 5:18)

## Evil-Merodach (persoon)

- Babylonische koning, zoon en opvolger van Nebukadnezar. Bekend om de bevoorrechte behandeling die hij gaf aan de gevangen koning Jojachin van Juda. (2 Kon 25:27)
- Babylonische koning, opvolger van Nebukadnezar (562-560 v.Chr.); bracht Jojachin uit de gevangenis aan de hoftafel. (Jer 52:31)

## Ezau (persoon)

- Oudste zoon van Izak en Rebekka, tweelingbroer van Jakob. Rossig en behaard; verkocht zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzen en werd stamvader van Edom. (Gen 25:25)
- Oudste zoon van Isaak en Rebekka, tweelingbroer van Jakob, stamvader van de Edomieten. Verkocht zijn eerstgeboorterecht aan Jakob en kreeg het bergland Seïr als woongebied. (Joz 24:4)
- Tweelingbroer van Jakob en oudste zoon van Izaäk. Stamvader van de Edomieten. In de bijbel vaak tegenover Jakob als drager van het verbond gesteld. (4 Ezra 6:8)

## Ezbon (persoon)

- Zoon van Gad en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Gad. (Gen 46:16)

## Ezechias (persoon)

- Hebreeuws Hizkia; koning van Juda (ca. 715-687 v.Chr.), zoon van Achaz. Bekend om zijn cultushervorming en zijn wonderbaarlijke genezing. (Matt 1:9)

## Ezechias' brief (begrip)

- Aanduiding voor de uitnodigingsbrief die koning Hizkia naar de inwoners van het noordelijke en zuidelijke rijk zond voor een groot Pascha. Vormde een poging het verdeelde volk weer rond JAHWEH te verzamelen. (2 Kron 30:1)

## Ezechiël (persoon)

- Joodse profeet en priester die in 597 v.Chr. naar Babel werd weggevoerd en daar zijn profetische arbeid uitvoerde. Naar hem genoemd het bijbelboek Ezechiël. (Sir 49:8)
- Joodse priester en profeet uit de eerste helft van de 6e eeuw v.Chr., met de eerste deportatie in 597 v.Chr. naar Babel weggevoerd. Trad op onder de ballingen aan het kanaal Chebar. (Ez 1:3)

## Ezechiël zelf wonderteken (uitdrukking)

- Profetische aanduiding waarin de profeet zelf met zijn handelingen tot teken aan het volk wordt gesteld. Klassieke profetische zelfaanduiding. (Ez 12:6)

## Ezechiël's vrouw (persoon)

- Echtgenote van de profeet Ezechiël, in de Bijbel niet bij naam genoemd. Haar plotselinge dood diende als profetisch teken bij de aankondiging van de val van de tempel. (Ez 24:16)

## Ezechiëls morele code (uitdrukking)

- Profetische lijst van morele plichten die God van ieder mens vraagt. Centraal in de leer over individuele rechtvaardiging. (Ez 18:5)

## ezel (natuur)

- Lastdier en rijdier, in het Oosten algemeen gebruikt. Symbool van vredestijd en geduldige arbeid, in onderscheid van het paard van de oorlog. (Gen 12:16)
- Lastdier en rijdier, in het Oosten algemeen gebruikt. In de Tora wettelijk beschermd: men moest helpen wanneer hij onder zijn last bezweek en niet met een os tegelijk inspannen. (Dt 22:10)
- Lastdier dat in het Oude Oosten algemeen werd gebruikt als rijdier en voor het vervoer van goederen. Werd ook door personen van aanzien bereden, vooral in vredestijd. (Ri 19:28)

## ezel hoofd (begrip)

- Aanduiding voor het bijna ondenkbare voedsel dat in tijden van uiterste hongersnood werd verkocht. Symbool van de meest extreme schaarste in een belegerde stad. (2 Kon 6:25)

## ezel veulen (begrip)

- Jong rijdier dat in het oude Nabije Oosten teken was van vrede in tegenstelling tot het paard van de oorlog. Werd gebruikt door koningen die in vrede kwamen. (Zach 9:9)

## ezelin (begrip)

- Vrouwelijk rijdier, vooral bekend uit het verhaal van Bileam, wiens ezelin door God de mond werd geopend om haar meester te berispen. (Num 22:28)
- Vrouwelijk rijdier dat in het Oude Oosten ook werd gebruikt door personen van aanzien. Het rijden op witte ezelinnen of veulens gold als teken van rijkdom en status. (Ri 5:10)

## ezelin Bileam (begrip)

- Het vrouwelijke rijdier van Bileam, dat door God de mond werd geopend om haar meester te berispen toen zij de Engel des Heeren met getrokken zwaard zag. (Dt 23:5)

## ezelinnen (begrip)

- Vrouwelijke ezels, gebruikt als rijdier en lastdier. Het bezit van een groot aantal gold in het oude Israël als teken van rijkdom. (1Sam 9:3)

## ezelskaak (voorwerp)

- Kakebeen van een ezel, een eenvoudig en oneerbaar voorwerp dat in noodgeval als wapen kon dienen. In de Schrift voorbeeld van Gods kracht door zwakke middelen. (1Sam 1:1)

## ezelskinnebakken (voorwerp)

- Kakebeen van een ezel, een eenvoudig en oneerbaar voorwerp dat als wapen kon dienen. In de Schrift voorbeeld van Gods kracht door zwakke middelen. (Ri 15:15)

## ezelveulen (voorwerp)

- Het veulen waarop Jezus reed bij zijn intocht in Jeruzalem. (Luk 19:30)

## Ezeon-geber (plaats)

- Havenstad aan de noordpunt van de Golf van Akaba, in de zuidelijke uitloper van Edom. Belangrijke uitvalsbasis voor de scheepvaart van Salomo en latere Judese koningen. (1 Kon 9:26)

## Ezer (persoon)

- Zoon van Seïr de Horiet en stamvorst van een Horitische clan in Edom. (Gen 36:21)

## Ezer (Horiet) (persoon)

- Zoon van Seïr de Horiet en stamvorst van een Horitische clan in Edom. Vader van Bilhan, Zaävan en Akan. (Gen 36:21)

## Ezion-Geber (plaats)

- Havenstad aan de noordpunt van de Golf van Akaba, in de zuidelijke uitloper van Edom. Later belangrijke uitvalsbasis voor de scheepvaart van Salomo. (Joz 15:2)

## Eziongeber (plaats)

- Andere spelling van Ezeon-geber, havenstad aan de noordpunt van de Golf van Akaba. Zie aldaar. (1 Kon 22:48)
- Havenstad aan de noordpunt van de Golf van Akaba, in de zuidelijke uitloper van Edom. Belangrijke uitvalsbasis voor de scheepvaart van Salomo en latere Judese koningen. (2 Kron 20:36)

## Ezra (persoon)

- Joods schriftgeleerde en priester uit het Davidische tijdvak na de ballingschap. Trok onder Artaxerxes naar Jeruzalem om de wet van Mozes opnieuw in te voeren. (3 Ezra 8:1)
- Joodse priester en schriftgeleerde uit het geslacht van Aäron, leider van de tweede terugkeer uit Babel. Bekend om zijn nauwgezette onderwijs van de wet van Mozes en zijn hervorming inzake de gemengde huwelijken. (Ezra 7:6)

## Ezrahiet (begrip)

- Geslachtsnaam toegevoegd aan Heman en Ethan — afstammelingen van Zerah. (Ps 89:1)

## fabel (begrip)

- Joodse fabelen en geslachtsregisters die twistvragen voortbrengen — door Paulus afgewezen. (1 Tim 1:4)

## fakkel (voorwerp)

- Brandend stuk hout, gebruikt voor verlichting of als wapen. In de strijd ook gebruikt om verwarring en paniek bij de vijand te zaaien. (Ri 7:16)

## Fanuël (persoon)

- De vader van de profetes Anna. (Luk 2:36)

## Farao (overig)

- Titel van de koning van Egypte, betekenend 'groot huis'. In Genesis verschijnen verschillende farao's, zonder dat hun eigennamen worden genoemd. (Gen 12:15)
- Titel van de koning van Egypte. In Exodus de verharde verdrukker van Israël die door God geslagen werd met de tien plagen. (Ex 1:8)
- Titel van de koning van Egypte, beschouwd als een goddelijke heerser. Bekendste farao in de Schrift is degene tegen wie Mozes optrad bij de uittocht. (Joz 24:7)
- Koning van Egypte; in de Psalmen verbonden met de uittocht. (Ps 136:15)
- Titel van de koningen van het oude Egypte. In de Bijbel meestal verwijzend naar één of meerdere specifieke heersers — de Farao van de onderdrukking, van de Exodus, of van Salomo's tijd. (Hand 7:10)
- Titel van de koningen van het oude Egypte. In de bijbel meestal de niet bij name genoemde koning uit de tijd van Mozes en de uittocht. (3 Makk 6:3)
- Titel van de koning van Egypte, beschouwd als een goddelijke heerser. Onderhield in verschillende perioden zowel vijandige als verbintenisrelaties met Israëls koningen. (1 Kon 3:1)

## Farao naar onderwereld (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij de gevallen vorst van Egypte zich bij andere wereldmachten in het dodenrijk voegt. Onderdeel van de oudtestamentische voorstelling van het hiernamaals. (Ez 32:22)

## Farao Necho (persoon)

- Egyptische farao uit de zesentwintigste dynastie, regerend in de late zevende eeuw v. Chr. Bekend om zijn militaire campagnes in Syrië en zijn beslissende rol in de geschiedenis van Juda. (2 Kron 35:20)

## Faraö (persoon)

- Egyptische koning ten tijde van de uittocht, door God verhard. Voorbeeld van Gods soevereine bestuur. (Rom 9:17)

## Fares (persoon)

- Hebreeuws Perez; zoon van Juda en Tamar, voorvader van David en Jezus. (Matt 1:3)

## Farizeeën (volk)

- Joodse religieuze stroming uit de tweede tempelperiode die strikte naleving van de Tora en de mondelinge overlevering propageerde. Politiek invloedrijke leken-elite. (Matt 3:7)

## Farizeeër en tollenaar (begrip)

- Twee mannen gingen op naar de tempel om te bidden; de tollenaar werd gerechtvaardigd, niet de Farizeeër. (Luk 18:10)

## Faselis (plaats)

- Stad aan de zuidkust van Klein-Azië in Lycië, in de hellenistische tijd onder verschillende mogendheden. (1 Makk 15:23)

## Fasta (begrip)

- Naam (mogelijk een Perzische variant) die in deze vorm in de Schrift weinig voorkomt. Verdere gegevens hierover zijn schaars. (Esth 4:3)

## feest (begrip)

- Door God ingestelde dagen van vreugde en herinnering. (Ps 81:4)
- De Joden hadden verschillende jaarlijkse feesten waarop ze naar Jeruzalem gingen. In Johannes worden het Pascha, het Loofhuttenfeest en het feest van de tempelvernieuwing genoemd. (Joh 5:1)
- Vreugdebijeenkomst, in joodse zin meestal verbonden met het herdenken van een verlossing of met de wettelijke jaarfeesten. (3 Makk 6:30)

## feest der Joden (gebruik)

- Niet nader genoemd feest waarbij Jezus naar Jeruzalem ging. (Joh 5:1)

## feest der loofhutten (cultisch)

- Zevendaagse najaarsfeest in de zevende maand, waarbij Israël in loofhutten woonde ter herinnering aan de woestijntocht. Tevens oogstdankfeest voor wijn en olie. (Dt 16:13)
- Joods oogstfeest in de zevende maand waarbij men zeven dagen in loofhutten woonde ter herinnering aan de woestijntijd. Een van de drie hoofdfeesten van Israël. (Zach 14:16)

## feest der ongezuurde broden (cultisch)

- Zevendaagse hoogtijd onmiddellijk na het pascha, in de eerste maand. Israël at zeven dagen ongezuurd brood ter herinnering aan de haastige uittocht uit Egypte. (Dt 16:3)
- Joods feest van zeven dagen, aansluitend aan het Pascha. Herdacht de overhaaste uittocht uit Egypte, waarbij men ongezuurd brood at omdat het zuurdeeg geen tijd had om te rijzen. (Ezra 6:22)

## feest der weken (cultisch)

- Het pinksterfeest, vijftig dagen na pascha. Inzameling van de eerstelingen van de tarweoogst, met vrijwillige offergaven naar gelang van de zegen. (Dt 16:10)

## feest van de loofhutten (begrip)

- Joods najaarsfeest in de zevende maand, waarbij men zeven dagen in loofhutten woonde ter herdenking van de woestijntocht. (3 Ezra 5:52)

## feest van de zeven weken (begrip)

- Bijbels feest, gevierd zeven weken na het Pascha. Ook Wekenfeest of Pinksteren genoemd; herdenkt de oogst en (later) de wetgeving op de Sinaï. (Tob 2:1)

## feest van JAHWEH (cultisch)

- Een van de drie jaarlijkse hoogtijden waarop het mannelijke deel van Israël voor God moest verschijnen: het feest der ongezuurde broden, het wekenfeest en het loofhuttenfeest. (Ex 23:14)

## feest van Purim (begrip)

- Joods feest gevierd op de veertiende en vijftiende Adar, ter herdenking van de redding van het Joodse volk uit de hand van Haman. Naam afgeleid van het Perzische woord 'pur' (lot). (Esth 9:26)

## feestdag (begrip)

- Dag van eredienst en vreugde.; in Psalmen genoemd. (Ps 81:4)
- Ascetische bepalingen over feestdagen, nieuwe maan en sabbat — schaduwen van toekomende dingen. (Kol 2:16)
- Een van de door de wet voorgeschreven jaarlijkse feesten van Israël (Pascha, Wekenfeest, Loofhutten, enz.). (Bar 1:14)

## feestdagen (begrip)

- De vaste feesten van Israël zoals voorgeschreven in de wet van Mozes: Pascha, Wekenfeest, Loofhuttenfeest en andere. (4 Ezra 1:31)
- De vaste jaarlijkse feesten in Israël zoals Pascha, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. Bedoeld om Gods verlossende daden te gedenken. (Am 5:21)

## feesten (cultisch)

- De jaarlijkse hoogtijden van Israël: pascha, ongezuurde broden, weken, bazuinen, Grote Verzoendag en loofhutten. Ook sabbatten en nieuwe maanden vielen onder de cultische feesten. (Num 28:1)

## feesten in de nieuwe tempel (uitdrukking)

- Profetische voorzegging van de hervatting van de jaarlijkse feesten in de nieuwe tempel met aangepaste offervoorschriften. Onderdeel van de heilsprofetie. (Ez 45:21)

## feesten van JAHWEH (cultisch)

- De vaste hoogtijden in Israël: pascha, ongezuurde broden, eerste schoof, weken (pinksteren), bazuinendag, Grote Verzoendag en loofhutten. Heilige samenkomsten op door God bepaalde tijden. (Lev 23:2)

## feestmalen (begrip)

- Uitgebreide gemeenschappelijke maaltijden ter ere van bijzondere gelegenheden. Vormden in de oude wereld een belangrijk politiek en sociaal instrument. (Esth 1:3)

## Felix (persoon)

- Romeinse landvoogd voor wie Paulus zijn zaak verdedigde. (Hand 23:24)

## Fenicië (plaats)

- Kustland aan de Middellandse Zee ten noorden van Israël (huidige Libanon). Bekend om zijn handelssteden Tyrus en Sidon. (3 Ezra 2:17)
- Smalle kuststrook langs de oostelijke Middellandse Zee, het land van de oude Foeniciërs met steden als Tyrus en Sidon. (2 Makk 3:5)

## Fereziet (volk)

- Een van de oude volken van Kanaän, mogelijk een aanduiding voor boerenbevolking buiten de versterkte steden. Door Israël uit het beloofde land te verdrijven. (Gen 13:7)

## Ferezieten (volk)

- Een van de volken van Kanaän die door Israël uit het beloofde land verdreven moest worden. Mogelijk de boerenbevolking buiten de versterkte steden. (Gen 13:7)

## Festus (persoon)

- Romeinse landvoogd, opvolger van Felix, die Paulus aan Agrippa toonde. (Hand 24:27)

## fijn lijnwaad (voorwerp)

- Het rein en blinkend lijnwaad waarin de bruid van het Lam gekleed is — de rechtvaardigmakingen der heiligen. (Op 19:8)

## fijn linnen (overig)

- Kostbare witte stof geweven uit fijn vlas, in Egypte vooral door priesters en aan het hof gedragen. Teken van rijkdom en hoge status. (Gen 41:42)

## Filadelfia (plaats)

- Stad in Lydië, Klein-Azië; een van de zeven gemeenten in de Openbaring. (Openb 1:11)

## Filemon (persoon)

- Welgestelde christen te Kolosse, eigenaar van de slaaf Onesimus, geadresseerde van de brief van Paulus die zijn naam draagt. (Filem 1:1)

## Filetus (persoon)

- Dwaalleraar samen met Hymeneüs. (2 Tim 2:17)

## Filippi (plaats)

- Eerste Europese gemeente; Paulus en Silas in de gevangenis door aardbeving bevrijd. (Hand 16:12)
- Stad in Macedonië waar de gemeente was waaraan de brief gericht is. (Filip 1:1)
- Romeinse colonia in Macedonie, in de eerste eeuw plaats van een vroege christelijke gemeente die uit de prediking van Paulus voortkwam. (1 Tess 2:2)

## Filippus (persoon)

- Een van de twaalf apostelen van Jezus, afkomstig uit Bethsaïda in Galilea. Niet te verwarren met de evangelist Filippus uit Handelingen. (Mark 3:18)
- Een van de twaalf apostelen. (Luk 6:14)
- Een van de twaalf discipelen van Jezus, afkomstig uit Bethsaida. Hij bracht Nathanaël bij Jezus en vroeg Jezus later om de Vader te tonen. (Joh 1:44)
- Een van de zeven diakenen, evangelist; doopte de kamerling. (Hand 1:13)
- Apostel of de evangelist met die naam. In het Nieuwe Testament op verschillende plaatsen vermeld. (1 Kor 4:9)
- In de Makkabese tijd een vertrouweling van Antiochus IV die op zijn sterfbed door hem als regent over zijn jonge zoon Antiochus V werd aangewezen. (1 Makk 6:14)
- In het apocriefe 2 Makkabeeën de Phrygische gouverneur die Antiochus IV in Jeruzalem aanstelde om de stad te onderdrukken na de plundering van de tempel. (2 Makk 5:22)

## Filippus (apostel) (persoon)

- Een van de twaalf apostelen van Jezus, afkomstig uit Bethsaïda in Galilea. Niet te verwarren met de evangelist Filippus uit Handelingen. (Matt 10:3)

## Filippus (tetrarch) (persoon)

- Zoon van Herodes de Grote, tetrarch over Iturea en Trachonitis (4 v.Chr.-34 n.Chr.). Bouwer van Caesarea Filippi en Bethsaïda Julias. (Matt 14:3)

## Filippus de evangelist (persoon)

- Een van de zeven; predikte in Samaria en doopte de Ethiopische kamerling. (Hand 8:5)

## Filippus de tetrarch (persoon)

- Tetrarch over Iturea en Trachonitis ten tijde van Johannes' optreden. (Luk 3:1)

## Filippus van Bethsaida (persoon)

- Discipel uit Bethsaida die Nathanaël tot Jezus bracht. (Joh 1:45)

## Filistea (plaats)

- Land van de Filistijnen aan de kust. (Ps 60:10)

## Filistijn (volk)

- Bewoner van de zuidwestelijke kuststreek van Kanaän. Zeevolk dat oorspronkelijk uit Caftor (mogelijk Kreta) afkomstig was. (Gen 21:32)

## Filistijnen (volk)

- Zeevolk dat de zuidwestelijke kuststreek van Kanaän bewoonde. Oorspronkelijk uit Caftor (vermoedelijk Kreta) afkomstig en aartsvijand van Israël in de tijd der richteren en koningen. (Gen 10:14)
- Volk afkomstig uit de Egeïsche wereld dat zich aan de zuidwestelijke kust van Kanaän vestigde. Belangrijke vijanden van Israël gedurende de richteren- en vroege koningstijd. (Joz 13:2)
- Volk afkomstig uit de Egeïsche wereld dat zich aan de zuidwestelijke kust van Kanaän vestigde. Voornaamste vijand van Israël gedurende de richteren- en vroege koningstijd, met als hoofdsteden Gaza, Askelon, Asdod, Gath en Ekron. (Ri 13:1)
- Volk afkomstig uit de Egeïsche wereld dat zich aan de zuidwestelijke kust van Kanaän vestigde. Voornaamste vijand van Israël gedurende de richteren- en vroege koningstijd, definitief onderworpen onder David. (2Sam 5:17)
- Zeevolk dat zich vestigde aan de zuidwestkust van Kanaän. Geregelde vijand van Israël in de tijd van richters en koningen. (Ps 60:10)
- Volk van Egeïsche oorsprong dat zich vanaf de twaalfde eeuw v.Chr. langs de zuidkust van Palestina vestigde. Belangrijke vijanden van Israël in de richteren- en koningstijd. (1 Makk 3:24)
- Niet-Semitisch volk uit het Egeïsche gebied dat zich vestigde aan de zuidelijke Middellandse-Zeekust van Kanaän. Aartsvijanden van Israël tijdens de richters en eerste koningen. (Zef 2:5)
- Volk afkomstig uit de Egeïsche wereld dat zich aan de zuidwestelijke kust van Kanaän vestigde. Werden in de tijd van David definitief onderworpen, maar bleven als buurvolk bestaan. (1 Kon 4:21)
- Volk afkomstig uit de Egeïsche wereld dat zich aan de zuidwestelijke kust van Kanaän vestigde. Bleven gedurende de koningstijd buurvolk van Juda met afwisselend vijandelijke betrekkingen. (2 Kron 21:16)

## Filistijnen onder Uzzia (begrip)

- Aanduiding voor de successen van koning Uzzia van Juda tegen de Filistijnen aan de zuidwestelijke kust. Onderdeel van zijn militaire expansiepolitiek tegen de buurvolken. (2 Kron 26:6)

## Filopator (persoon)

- Bijnaam ('vaderminnaar') van Ptolemeüs IV, koning van Egypte (regeerde 221-204 v.Chr.). In 3 Makkabeeën hoofdtegenstander van het joodse volk. (3 Makk 1:1)

## firmament (natuur)

- Het hemelgewelf, door God op de tweede scheppingsdag gemaakt om de wateren boven van de wateren beneden te scheiden. Hebreeuws raqia, ook 'uitspansel'. (Gen 1:6)

## fisku (begrip)

- Aanduiding voor de Perzische staatskas of belastingorganisatie. Verdere gegevens over de exacte technische betekenis hierover zijn schaars. (Esth 3:9)

## flesie (begrip)

- Wettische gerichtheid die de kracht van Christus' kruis verloochent. (Gal 2:16)

## flessen vol wijn (uitdrukking)

- Gelijkenis dat alle inwoners van het land tot dronkenschap, ja tot stuk slaan tegen elkaar gevuld zullen worden door de toorn van de HEERE. (Jer 13:12)

## fluit (muziekinstrument)

- Blaasinstrument bij feesten en lof. (Ps 150:4)

## fluitspelers (begrip)

- Beroepsmusici die op fluiten speelden bij feesten en begrafenissen. In het oude Nabije Oosten onderdeel van de eredienst en publieke ceremonies. (Zach 12:10)

## fontein (natuur)

- Natuurlijke bron of waterader. Bij de zondvloed braken de 'fonteinen van de grote afgrond' open en kwam ook het water van onderen op. (Gen 7:11)
- Beeld voor God als bron van leven. (Ps 36:10)
- Een bron of waterbron. Bij de fontein (bron) van Jakob sprak Jezus met de Samaritaanse vrouw over levend water. (Joh 4:6)
- Spruit ook een fontein uit één ader het zoet en het bitter? Onmogelijk dat dezelfde mond zegen en vloek voortbrengt. (Jak 3:11)
- Bron of opwellende waterader. In het droge land van Palestina van levensbelang voor het overleven van een stad. (Jdt 7:7)
- Bron of opwellende waterader. In de bijbel beeld voor levengevende gave en oorsprong. (EstAp 10:6)
- Bron. Ook beeld voor eigen vrouw. (Spr 16:22)
- Bron van levend, opwellend water, onmisbaar in droge gebieden. In de profeten beeld voor reinigende en levenwekkende kracht. (Zach 13:1)

## fontein des levenden waters (uitdrukking)

- Klassieke beeld voor God als levensbron — door Jezus opgenomen. (Jer 2:13)

## fontein van wijsheid (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor God of zijn wet als de oorspronkelijke bron van alle ware kennis en inzicht. (Bar 3:12)

## fonteinen (begrip)

- Bronnen of opwellende wateraderen. In de bijbel deel van Gods scheppingsorde en beeld van levengevende gave. (Gez. Vuur. 1:77)

## fonteinen van het paleis (begrip)

- Aanduiding voor de watervoorzieningen die in en rond een koninklijk paleis aanwezig waren. Belangrijk onderdeel van de hofhouding in een streek met zeldzame neerslag. (1 Kron 11:17)

## fonteinen zonder water (begrip)

- Valse leraars zijn fonteinen zonder water, wolken door wervelwind voortgedreven — voor wie de donkerheid der duisternis is bewaard. (2 Petr 2:17)

## fonteinpoort (plaats)

- Een van de poorten van het naballingschapse Jeruzalem, gelegen in de zuidoostelijke muur. Voerde naar de bron Siloah in het dal Kidron. (Neh 3:15)

## fonteinwater (begrip)

- Water uit een natuurlijke bron, in het oude Israël essentieel voor de bewoonbaarheid van een plaats. De zuiverheid en regelmaat ervan werden vaak als zegen van God ervaren. (2 Kon 2:21)

## formeren (begrip)

- Verouderd voor 'vormen' of 'maken', vooral als boetseren met de handen. God formeerde de mens uit het stof, als een pottenbakker uit klei. (Gen 2:7)
- Vormgeven, zoals een pottenbakker. (Ps 94:9)

## Fortunatus (persoon)

- Lid van de gemeente te Korinthe die met Stefanas en Achaikus Paulus bezocht. Verkwikte zijn geest. (1 Kor 16:17)

## Forum van Appius (plaats)

- De marktplaats aan de Via Appia waar broeders uit Rome Paulus tegemoet trokken. (Hand 28:15)

## Frath (plaats)

- Hebreeuwse naam voor de Eufraat, de grootste rivier van Mesopotamië. Een van de vier rivieren die uit Eden voortkwamen. (Gen 2:14)

## Frygië (plaats)

- Streek door Paulus bezocht; Galatië en Frygië. (Hand 2:10)

## fundament (begrip)

- De grondslag waarop een bouwwerk rust; in de gemeente Christus zelf als enige fundament. Geen ander kan worden gelegd. (1 Kor 3:11)

## fundament der apostelen (begrip)

- De apostolische leer als grondslag waarop de gemeente gebouwd is, met Christus als hoeksteen. (Ef 2:20)

## fundament van de tempel (begrip)

- Aanduiding voor de plechtige legging van de eerste stenen van de tweede tempel. Vond plaats kort na de eerste terugkeer uit de Babylonische ballingschap. (Ezra 3:10)

## fundament van het huis Gods (begrip)

- De grondslag van de tweede tempel, gelegd in 536 v.Chr. door Zerubabel en Jozua na de eerste terugkeer uit ballingschap. (3 Ezra 5:57)

## fundamenten (begrip)

- Bekering van dode werken, geloof in God, leer der dopen, oplegging der handen, opstanding der doden, eeuwig oordeel — de fundamenten van het christelijk onderwijs. (Hebr 6:1)

## Gabaël (persoon)

- In het apocriefe boek Tobit een joodse bloedverwant van Tobit, woonachtig te Rages in Medië, bij wie Tobit een geldsom in bewaring had gegeven. (Tob 1:16)

## Gabbatha (plaats)

- De Hebreeuwse naam voor de plaats waar Pilatus op de rechterstoel zat en Jezus veroordeelde. In het Grieks: Lithostrotos (steenvloer). (Joh 19:13)

## Gabrias (persoon)

- In het apocriefe boek Tobit de vader (of broer) van Gabaël, de bewaarder van Tobits geld te Rages. (Tob 4:21)

## Gabriël (persoon)

- Engel die aan Zacharias en Maria verschijnt. (Luk 1:19)

## Gad (persoon)

- Zevende zoon van Jakob (bij Zilpa) en de stam die uit hem voortkwam. Naam betekent 'geluk' of 'een troep komt'. (Gen 30:11)
- Zevende zoon van Jakob (bij Zilpa) en de stam die uit hem voortkwam. Erfde haar gebied ten oosten van de Jordaan, samen met Ruben en de halve stam Manasse. (Dt 33:20)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Gad, de zoon van Jakob bij Zilpa. Koos samen met Ruben en de halve stam Manasse een erfdeel ten oosten van de Jordaan. (Joz 13:24)
- Naam van een profeet aan het hof van koning David. Niet te verwarren met de gelijknamige stam van Israël. (2Sam 24:11)

## Gad, stam (begrip)

- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Gad, de zoon van Jakob bij Zilpa. Koos een erfdeel ten oosten van de Jordaan, samen met Ruben en de halve stam Manasse. (1 Kron 5:11)

## Gad, ziener (persoon)

- Profeet aan het hof van koning David, naast de profeten Nathan en Samuel. Onderscheidde zich door zijn rol als 'ziener' in tegenstelling tot de meer publieke profeten. (1 Kron 21:9)

## Gadara (plaats)

- Hellenistische stad ten zuidoosten van het meer van Galilea, behorend tot de Dekapolis. Bevolking grotendeels heidens. (Matt 8:28)

## Gaetam (persoon)

- Zoon van Elifaz en kleinzoon van Esau. Stamvorst van een Edomitische clan. (Gen 36:11)

## Gaham (persoon)

- Zoon van Nahor bij zijn bijvrouw Reüma. Neef van Abraham. (Gen 22:24)

## Gaius van Derbe (persoon)

- Een van Paulus' reisgenoten uit Derbe. (Hand 20:4)

## Gajus (persoon)

- Macedoniër die met Paulus reisde. (Hand 19:29)
- Christen uit Korinthe, gastheer van Paulus en van de gehele gemeente. Bekend uit de slotgroet. (Rom 16:23)
- Veelvoorkomende naam in het Nieuwe Testament; in de derde Johannesbrief de geadresseerde, geprezen om gastvrijheid en wandel in de waarheid. (3 Joh 1:1)

## Gajus geliefde (begrip)

- Aanduiding van Gajus als geliefde broeder in een persoonlijke briefopening; uiting van pastorale genegenheid. (3 Joh 1:1)

## gal van de vis (begrip)

- Volgens het apocriefe Tobit het bittere bestanddeel uit het binnenste van een vis dat als geneesmiddel tegen oogkwaal werd gebruikt. (Tob 6:10)

## Galaad (plaats)

- Streek ten oosten van de Jordaan, tussen de Jabbok en het Meer van Galilea. Stamgebied van delen van Manasse, Gad en Ruben. (1 Makk 5:9)

## Galaten (begrip)

- Volk in Klein-Azië (huidige centrale Turkije), van Keltische oorsprong, dat zich daar in de derde eeuw v.Chr. vestigde. Adressaten van Paulus' brief aan de Galaten. (1 Makk 8:2)

## Galatië (plaats)

- Streek waar Paulus gemeenten stichtte. (Hand 16:6)
- Romeinse provincie in Klein-Azië met meerdere door Paulus gestichte gemeenten. Adressant van een eigen brief. (1 Kor 16:1)
- Streek in Klein-Azië waar de gemeenten waren waaraan deze brief gericht is. (Gal 1:2)
- Romeinse provincie in centraal Klein-Azië; vermeld in het opschrift van 1 Petrus. (1 Petr 1:1)

## galg (begrip)

- Hoge paal of gestel waaraan veroordeelden werden gehangen, vaak na hun executie als publieke vertoning van schande. In het Perzische rijk soms uitzonderlijk hoog gemaakt. (Esth 5:14)

## Galgala (plaats)

- Plaats in de Jordaanvallei, in het Oude Testament bekend als de plek waar Israël het land introk onder Jozua; ligging in de Makkabeese tijd onzeker. (1 Makk 9:2)

## Galilea (plaats)

- Noordelijk gebied van Israël, ten westen van het meer van Galilea. Bevatte het bergland van Naftali en omringende streken. (Joz 20:7)
- Noordelijke landstreek van Palestina, gekenmerkt door vruchtbare grond en een gemengde joods-heidense bevolking. Gebied waarin Jezus opgroeide en zijn bediening begon. (Matt 2:22)
- Het noordelijke deel van Palestina, ten westen van het Meer van Galilea. In de hellenistische tijd grotendeels door heidenen bewoond. (1 Makk 5:14)

## Galileërs (volk)

- Bewoners van Galilea. Zij ontvingen Jezus gastvrij nadat ze Zijn tekenen in Jeruzalem hadden gezien. (Joh 4:45)

## Gallio (persoon)

- Romeinse stadhouder die Paulus' zaak afwees. (Hand 18:12)

## Gamaliel (persoon)

- Beroemde Joodse rabbi, leraar van Saulus; pleitte voor terughoudendheid. (Hand 5:34)

## Gamaliël (persoon)

- De wetgeleerde van het Sanhedrin wiens raadgeving de apostelen redde; ook leermeester van Saulus. (Hand 5:34)

## gangen (begrip)

- Schreden, levensloop. (Spr 20:24)

## Garizim (plaats)

- Berg bij Sichem in Samaria, heilige berg van de Samaritanen die er hun eigen tempel hadden (vierde eeuw v.Chr. tot 128 v.Chr.). (2 Makk 5:23)

## Garizin (plaats)

- Andere schrijfwijze voor Garizim, berg bij Sichem in Samaria, heilige berg van de Samaritanen. (2 Makk 6:2)

## gastheer (begrip)

- Iemand die gasten ontvangt en onderdak en voedsel biedt. Gastvrijheid was in het Oude Nabije Oosten een heilige plicht jegens vreemdelingen. (Gen 18:2)

## gastvrij (begrip)

- Bereid om vreemdelingen en reizenden te ontvangen en te verzorgen; in de pastorale brieven een voorwaarde voor het ouderlingenambt. (Tit 1:8)

## gastvrijheid (begrip)

- Liefdevol ontvangen van vreemden en reizigers, in het bijzonder van geloofsgenoten. Christelijke deugd verbonden aan broederliefde. (Rom 12:13)
- Het ontvangen en verzorgen van vreemdelingen; in de oudchristelijke kerk een belangrijke deugd ter ondersteuning van rondreizende verkondigers. (3 Joh 1:5)

## Gat (plaats)

- Een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, gelegen in het laagland tussen Juda en de kustvlakte. Geboorteplaats van de reus Goliath. (2Sam 15:18)

## Gat-hefer (plaats)

- Plaats in het stamgebied van Zebulon in Galilea, vermoedelijk bij het huidige el-Mesjhed. Geboorteplaats van de profeet Jona. (Jon 1:1)

## Gath (plaats)

- Een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, geboorteplaats van de reus Goliath. Plaats waar Anakim achterbleven nadat zij elders waren verdreven. (Joz 11:22)

## Gathieten (begrip)

- Inwoners van de Filistijnse stad Gath, een van de vijf hoofdsteden van het Filistijnse vijfstedenbond. Sommigen sloten zich als trouwe huurkrijgers bij koning David aan. (1 Kron 13:13)

## gave bedienen (begrip)

- Een ieder, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade Gods. (1 Petr 4:10)

## gave Gods (begrip)

- De gift die God wil geven. Jezus zei tegen de Samaritaanse vrouw: als u de gave Gods kende, zou u Hem om levend water vragen. (Joh 4:10)
- Zaligheid uit genade door geloof. (Ef 2:8)

## gave Gods opwekken (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (2 Tim 1:6)

## Gaza (plaats)

- Oude havenstad aan de zuidwestelijke kuststrook van Kanaän, een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen. (Gen 10:19)
- Een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, gelegen aan de zuidwestelijke kust. Belangrijk handelsknooppunt en plaats waar Anakim achterbleven. (Joz 11:22)
- Een van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen, gelegen aan de zuidwestelijke kust van Kanaän. Belangrijk handelsknooppunt aan de karavaanroute naar Egypte. (Ri 16:1)
- Oude Filistijnse stad aan de zuidelijke kustvlakte van Palestina, belangrijke halteplaats op de karavaanroute tussen Egypte en het Oosten. (1 Makk 11:60)
- Een van de vijf voornaamste Filistijnse steden, gelegen aan de zuidelijke Middellandse-Zeekust. Belangrijk handelscentrum aan de weg naar Egypte. (Zef 2:4)

## Gazara (plaats)

- Hellenistische naam voor de oude stad Gezer, gelegen ten westen van Jeruzalem op de weg naar de kust. Belangrijke vesting in de oudheid. (1 Makk 13:43)
- Oude Kanaänitische stad in de Sefela, ten noordwesten van Jeruzalem op de weg naar Joppe; door Simon Makkabeüs ingenomen. (2 Makk 10:32)

## Geba (plaats)

- Stad in het stamgebied van Benjamin ten noorden van Jeruzalem, op een steile heuvel. Strategische versterkingsplaats aan de noordgrens van Juda. (1Sam 13:3)

## gebed (begrip)

- Het zich richten tot God in aanbidding, dank, schuldbelijdenis of smeekbede. Adem van het geloofsleven. (Ps 4:2)
- Het zich in woorden of stilte richten tot God in lof, dank, smeking of voorbede. Centrale uitdrukking van de relatie tussen mens en God. (Matt 21:13)
- Het aanroepen van God door de gelovige in de Naam van Christus. Middel der dankbaarheid en weg van afhankelijkheid. (1 Kor 11:13)
- Het opheffen van het hart tot God in aanbidding, dank, schuldbelijdenis en smeking. (1 Joh 3:22)
- Het richten van smeking, lof of dank tot God. Een grondvorm van godsdienstig leven. (2 Makk 8:29)
- Het zich richten van het hart en de woorden tot God in lof, klacht, belijdenis of voorbede. Soms in psalmvorm en met muzikale begeleiding. (Hab 3:1)

## gebed des armen (begrip)

- Bijbels begrip voor het gebed van wie in nood verkeert. In de bijbel benadrukt dat God dit gebed in het bijzonder verhoort (Psalm 102). (Sir 35:17)

## gebed des geloofs (begrip)

- Het gebed des geloofs zal de zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten; en zo hij zonden gedaan heeft, het zal hem vergeven worden. (Jak 5:15)

## Gebed van Azaria (begrip)

- Apocrief aanhangsel aan Daniël 3 (tussen vers 23 en 24), waarin Azaria namens Israël schuld belijdt en om Gods ontferming bidt vanuit de vurige oven. (Geb. Az. 1:25)

## gebed van Baruch (begrip)

- Lange schuldbelijdenis in Baruch 1:15-3:8, namens de ballingen uitgesproken. Sluit nauw aan bij Daniël 9. (Bar 1:15)

## gebed van Esther (begrip)

- Gebed van koningin Esther in zak en as, opgenomen in de apocriefe toevoegingen aan Esther. Belijdt schuld van het volk en pleit op het verbond. (EstAp 14:3)

## gebed van Judith (begrip)

- Gebed in het apocriefe boek Judith, uitgesproken voordat Judith naar het kamp van Holofernes vertrekt om kracht en wijsheid te vragen. (Jdt 9:1)

## Gebed van Manasse (begrip)

- Apocrief boetegebed in vijftien verzen, traditioneel toegeschreven aan koning Manasse van Juda tijdens zijn Babylonische gevangenschap. (Geb. Man. 1:1)

## gebed van Mordechai (begrip)

- Gebed in de apocriefe toevoegingen aan Esther, waarin Mordechai zijn weigering om Haman te aanbidden voor God verantwoordt. (EstAp 13:8)

## gebed van Sara (begrip)

- Gebed van Sara in het apocriefe Tobit, waarin zij in haar nood God aanroept om verlossing of dood. (Tob 3:13)

## gebed van Sirach (begrip)

- Gebeden in het apocriefe boek Jezus Sirach, waarin de auteur God dankt voor uitkomst en bidt om wijsheid en bescherming (vooral hoofdstuk 51). (Sir 51:1)

## gebed van Tobias (begrip)

- Gebed van Tobit in het apocriefe Tobit, waarin hij in droefheid Gods rechtvaardig oordeel over Israël belijdt en om verlossing bidt. (Tob 3:2)

## gebed voor doden (begrip)

- Bijbelse en joodse gewoonte om voor gestorvenen te bidden. In 2 Makkabeeën 12 een klassiek voorbeeld dat in de katholieke traditie als grondslag voor deze praktijk geldt. (2 Makk 12:43)

## gebeden (begrip)

- Persoonlijke en gemeenschappelijke verzoeken en danksegging tot God; in het Nieuwe Testament tevens wezenlijk middel van pastorale zorg. (Filem 1:4)

## gebeden verhinderd (begrip)

- Mannen moeten hun vrouwen eer geven, opdat hun gebeden niet verhinderd worden — slechte huwelijken belemmeren het gebedsleven. (1 Petr 3:7)

## Geber (persoon)

- Een van de twaalf bestelmeesters van koning Salomo, verantwoordelijk voor het Overjordaanse gebied Gilead. Onderhield de hofhouding gedurende een vaste maand van het jaar. (1 Kon 4:13)

## gebod (begrip)

- Het gebod van het oude priesterschap is door zijn zwakheid teniet gedaan, omdat de wet niets heeft volmaakt. (Hebr 7:18)
- Goddelijke opdracht of voorschrift; in het Nieuwe Testament samengevat in de liefde tot God en de naaste. (2 Joh 1:4)

## gebod van de Vader (begrip)

- Door God de Vader gegeven opdracht aan de gelovigen, in het bijzonder de oproep tot wandelen in waarheid en onderlinge liefde. (2 Joh 1:4)

## geboden (begrip)

- Gods voorschriften die Hij Israël gaf. (Ps 19:9)
- Zijn geboden zijn niet zwaar; wie ze bewaart, blijft in Christus. (1 Joh 2:3)
- Het geheel van Gods voorschriften aan de gelovigen, samengevat in de liefde. (2 Joh 1:6)

## geboden bewaren (begrip)

- Hieraan kennen wij dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren. (1 Joh 2:3)

## geboden geboden zo (begrip)

- Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben — twee samengaande geboden. (1 Joh 3:23)

## geboden niet zwaar (begrip)

- Dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar. (1 Joh 5:3)

## geboden van het leven (begrip)

- De geboden van Gods wet, die wie ze onderhoudt het leven beloven. Bijbels begrip uit Leviticus 18:5 en Deuteronomium 30. (Bar 3:9)

## geboomte (natuur)

- Verzamelnaam voor bomen. In het scheppingsverhaal door God op de derde dag voortgebracht. (Gen 2:9)
- Verzamelnaam voor bomen, vooral als beeld van vruchtbaarheid en zegen of als plaats van afgoderij onder groene bomen. (Num 1:1)

## geboorte van Aärons zonen (cultisch)

- De wijding van Aäron en zijn zonen tot priester, met zalving, bloedbesprenkeling op oor, duim en grote teen, en een zevendaagse afzondering bij de tabernakel. (Lev 8:23)

## geboorten (begrip)

- Hebreeuws toledot, letterlijk 'verwekkingen' of 'wordingsgeschiedenis'. Structuurwoord van het boek Genesis dat de afstammingsgeschiedenis aanduidt. (Gen 2:4)

## geboren door het Woord (begrip)

- Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid — wedergeboorte door middel van het Evangelie. (Jak 1:18)

## geboren uit God (begrip)

- De gelovigen zijn niet uit het bloed, noch uit de wil des vleses, maar uit God geboren. (Joh 1:13)

## geboren uit water en Geest (theologisch)

- De wedergeboorte uit water (Woord, doop) en de Heilige Geest die toegang geeft tot het Koninkrijk Gods. (Joh 3:5)

## gebraden vis (voorwerp)

- Het stuk vis dat de opgestane Heere voor de discipelen at, ten bewijze dat Hij niet een geest was. (Luk 24:42)

## gebroken bakken (uitdrukking)

- Beeld voor afgoden en eigen-werken die geen leven kunnen geven. (Jer 2:13)

## gedaanteverandering (begrip)

- Geestelijke omvorming naar het beeld van Christus, van heerlijkheid tot heerlijkheid. Werk van de Heere die de Geest is. (2 Kor 3:18)

## gedachten (begrip)

- Innerlijke overleggingen en redeneringen; in geestelijke strijd worden alle gedachten gevangen geleid tot de gehoorzaamheid van Christus. Onderwerp van geestelijke krijg. (2 Kor 10:5)

## gedachten des vredes (uitdrukking)

- Veel geciteerde belofte aan de ballingen. (Jer 29:11)

## Gedalia (persoon)

- Door de Babylonische koning Nebukadnezar aangestelde landvoogd over het overgebleven volk in Juda na de val van Jeruzalem. Werd na enkele maanden vermoord door Ismaël uit het koninklijk geslacht. (2 Kon 25:22)

## Gedalja (persoon)

- Persoonsnaam die 'de HEERE is groot' betekent. In de Bijbel gedragen door verschillende personen, waaronder de landvoogd na de val van Jeruzalem. (Zef 1:1)
- Zoon van Ahikam, kleinzoon van Safan; door de Babyloniërs aangesteld als gouverneur over de in Juda achtergebleven bevolking, gevestigd te Mizpa. Werd door Ismaël vermoord. (Jer 39:14)

## Gedalja vermoord (uitdrukking)

- Ismaël met tien mannen at brood met Gedalja te Mizpa en doodde hem en al de Joden en Chaldeeën die bij hem waren. Op de zevende maand — herdacht als vastendag tot vandaag. (Jer 41:2)

## gedenkboek (begrip)

- Profetisch beeld van een hemels boek waarin God de namen en goede daden van zijn dienaren bewaart. Verzekert hun blijvende plaats in zijn herinnering. (Mal 3:16)

## gedenken (begrip)

- God roept Zich Zijn verbond in herinnering; de bidder gedenkt Gods werken. (Ps 143:5)
- In het hart bewaren. (Spr 3:1)

## gedenkt mijn banden (begrip)

- Vraag om voorbede in zijn gevangenschap. (Kol 4:18)

## gedenkteken (begrip)

- Opgericht steen, monument of altaar ter blijvende herinnering aan een gebeurtenis of openbaring van God. (Gen 28:18)

## gedierte (natuur)

- Verzamelnaam voor wilde dieren in onderscheid van het tamme vee. In het scheppingsverhaal op de zesde dag door God geschapen. (Gen 1:24)

## gedoopt (begrip)

- Onderworpen aan de doop, het rituele wateronderdompelen of begieten als teken van reiniging en inlijving. (Mark 1:4)

## gedreven door de Geest (theologisch)

- De heilige mensen Gods hebben — door de Heilige Geest gedreven — gesproken; fundament van de leer over schriftinspiratie. (2 Petr 1:21)

## geen bedrog in mond (begrip)

- Christus heeft geen zonde gedaan en geen bedrog is in Zijn mond gevonden. (1 Petr 2:22)

## geen brood om niet (begrip)

- Apostolische gewoonte om geen kosteloos onderhoud van de gemeente te ontvangen, maar door eigen arbeid in het levensonderhoud te voorzien. (2 Th 3:8)

## geen dienstbaar of vrij (begrip)

- Sociale onderscheidingen overstijgen in Christus. (Gal 3:28)

## geen hoop (begrip)

- Aanduiding voor de uitzichtloze rouw van wie niet de hoop op de opstanding en het eeuwige leven kent. (1 Th 4:13)

## geen koning in Israël (theologisch)

- Refrein in het slot van het boek Richteren, dat de morele anarchie van die periode samenvat. Bereidt de lezer voor op de instelling van het koningschap in Israël. (Ri 17:6)

## geen leugen kan (begrip)

- Eigenschap van God dat Hij in Zijn wezen waarachtig is en niet kan liegen; grondslag van de zekerheid van Zijn beloften. (Tit 1:2)

## Geen lust aan dood des goddelozen (uitdrukking)

- Profetische uitspraak over Gods verlangen naar bekering boven oordeel. Centraal in de bijbelse leer over zijn karakter. (Ez 33:11)

## geen man of vrouw (begrip)

- De geestelijke gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen in Christus; in Hem zijn deze onderscheidingen voor het heil opgeheven. (Gal 3:28)

## geen meer onderdrukken (uitdrukking)

- Profetische ethische maatstaf voor de toekomstige vorsten die geweld en onderdrukking moeten weren. Klassiek in de leer over rechtvaardig bestuur. (Ez 45:9)

## geen nieuw gebod (begrip)

- Aanduiding dat het gebod der onderlinge liefde geen nieuwe voorschrift is, maar deel uitmaakt van de oorspronkelijke apostolische boodschap. (2 Joh 1:5)

## geen ontvreemding (begrip)

- Eerlijkheid en onthouding van diefstal of verduistering, in het bijzonder voor wie in dienst van een ander werkt. (Tit 2:10)

## geen roof (begrip)

- Christus achtte het Gode evengelijk-zijn — vrijwillige nederbuiging. (Fil 2:6)

## geen rouwhuis ingaan (uitdrukking)

- Jeremia mocht geen rouwhuis ingaan en geen feesthuis bezoeken — beide normale leefvormen waren afgelegd als profetisch teken. (Jer 16:5)

## geen smijter (begrip)

- Opziener mag niet vechtlustig zijn — kenmerk van rijpheid. (1 Tim 3:3)

## geen tempel (begrip)

- In het nieuwe Jeruzalem is geen tempel, want de Heere God de Almachtige is haar Tempel, en het Lam. (Op 21:22)

## geen vleierij (begrip)

- Apostolische zuiverheid waarbij niet door pluimstrijken of bedekte hebzucht, maar door eerlijk getuigenis wordt gewerkt. (1 Th 2:5)

## geen volk (begrip)

- Die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden. (1 Petr 2:10)

## geen zon (begrip)

- De stad behoeft de zon en de maan niet, want de heerlijkheid Gods verlicht haar, en het Lam is haar Kaars. (Op 21:23)

## geen zonde in Hem (begrip)

- U weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem. (1 Joh 3:5)

## geest (begrip)

- De menselijke geest: het innerlijke, niet-stoffelijke deel van de mens — gemoed, gesteldheid, levensadem. Onderscheiden van vlees/lichaam. Bij gelovigen door wedergeboorte vernieuwd (Rom 8:16). (zie 'Geest' met hoofdletter voor de Heilige Geest) (Ps 31:6)
- De Heilige Geest, derde Persoon van de Drie-eenheid; door Vader en Zoon uitgezonden om mensen tot geloof, wedergeboorte en heiliging te brengen. (Matt 1:18)

## Geest der belofte (theologisch)

- De Heilige Geest, in het Oude Testament beloofd en op Pinksteren uitgestort; door Hem worden de gelovigen verzegeld tot het erfdeel. (Ef 1:13)

## geest der dwaling (demonisch)

- Misleidende geestelijke werking die mensen van de waarheid afkeert; tegenovergesteld aan de Geest der waarheid (de Heilige Geest). (1 Joh 4:6)

## Geest der heerlijkheid (theologisch)

- Aanduiding van de Heilige Geest als Geest die in de gelovige rust wanneer hij om Christus' Naam gesmaad wordt — een teken van delen in de heerlijkheid Gods. (1 Petr 4:14)

## Geest der waarheid (theologisch)

- Naam voor de Heilige Geest, die in alle waarheid leidt en niet uit Zichzelven spreekt — Hij verheerlijkt Christus. (Joh 16:13)

## Geest der wijsheid (theologisch)

- Aanduiding voor de Geest van God die wijsheid en inzicht schenkt. In Jesaja 11:2 één van de gaven van de Geest die op de Messias rust. (Wijsh 7:22)

## geest des Almachtigen geeft verstand (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking dat ware wijsheid niet uit ouderdom maar uit Gods Geest voortkomt. Onderdeel van de wijsheidsliteratuur over de bron van inzicht. (Job 32:8)

## Geest des Heeren (theologisch)

- De Geest van JHWH: in het Oude Testament Gods kracht die mensen bekwaamt voor profetie, wijsheid, kunst en bestuur. In christelijke leer de derde Persoon van de Drie-eenheid. (Wijsh 1:7)

## Geest gedreven (theologisch)

- De heilige mensen Gods, door de Heilige Geest gedreven, hebben gesproken — fundament voor de leer over schriftinspiratie. (2 Petr 1:21)

## Geest gegeven (theologisch)

- Het schenken van de Heilige Geest aan de gelovigen als bewijs en zegel dat zij in Christus blijven en Hij in hen. (1 Joh 4:13)

## Geest Gods (theologisch)

- De Heilige Geest, de derde Persoon van de Drie-eenheid. Reeds bij de schepping aanwezig, zwevend op de wateren als levenwekkende kracht. (Gen 1:2)

## geest in gevangenis (begrip)

- Aanduiding van de geesten (zielen) van de ongehoorzamen uit de tijd van Noach. Moeilijke tekst over Christus' werk in de geest, die in apostolische tijd verschillend is uitgelegd. (1 Petr 3:19)

## Geest JAHWEH (theologisch)

- De Geest van JAHWEH/God: goddelijke kracht en aanwezigheid die personen begaaft, leidt en sterkt. In het Oude Testament tijdelijk over richters, koningen en profeten om hen tot hun ambt te bekwamen. In christelijke leer de derde Persoon van de Drie-eenheid. (1Sam 10:6)

## geest jaloers (theologisch)

- Moeilijke tekst die op verschillende manieren is uitgelegd: óf 'de Geest die in ons woont begeert (ons) jaloers' (de Heilige Geest, ijverend over Gods volk), óf 'de geest (van de mens) heeft Hij begeerlijk gemaakt tot jaloersheid'. In beide gevallen klinkt Gods heilige naijver over Zijn volk. (Jak 4:5)

## Geest niet hebbende (theologisch)

- De afvalligen hebben de Heilige Geest niet — zij zijn zonder geestelijk leven, ondanks hun aanwezigheid in de gemeente. (Jud 1:19)

## Geest niet uitblussen (theologisch)

- Apostolische vermaning om de werking van de Heilige Geest in de gemeente — bijzonder in profetie en gaven — niet te onderdrukken of tegen te staan. (1 Th 5:19)

## geest opwekken (begrip)

- Werking van God waardoor Hij in mensen de bereidheid en kracht (in hun innerlijke geest) wekt om een bepaalde taak op zich te nemen — bij Zerubbabel, Josua en het volk de tempelbouw. (Hag 1:14)

## Geest overvloedig (theologisch)

- Aanduiding van de rijke uitstorting van de Heilige Geest door Jezus Christus over de gelovigen — overvloedig en milddadig. (Tit 3:6)

## geest van antichrist (demonisch)

- Demonische werking die de mensgeworden Christus loochent. Geest die zich tegen Christus keert en in valse leraars en valse profeten werkzaam is. (1 Joh 4:3)

## geest van de Heere onthouden (theologisch)

- Aanduiding voor het verwerpen van de apostolische leer, waardoor men feitelijk God afwijst die Zijn Heilige Geest aan de gelovigen heeft gegeven. (1 Th 4:8)

## Geest van de waarheid (theologisch)

- Naam voor de Heilige Geest. Hij leidt de gelovigen in alle waarheid en verheerlijkt Jezus. (Joh 14:17)

## Geest van God (theologisch)

- De aanwezige en werkzame kracht van God, waardoor Hij schept, leven geeft, profeten inspireert en mensen vernieuwt. In christelijke leer de derde Persoon van de Drie-eenheid. (Na 1:3)

## Geest van God kennen (theologisch)

- Toets om de Heilige Geest in Zijn werking te onderscheiden: een geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; wie dat loochent, niet. (1 Joh 4:2)

## Geest van inzicht (theologisch)

- Aanduiding voor de Geest van God die wijsheid en verstand schenkt. In Jesaja 11:2 één van de gaven van de Geest die op de Messias rust. (Sir 39:6)

## geest van JAHWEH (theologisch)

- De Geest van JAHWEH/God: goddelijke kracht en aanwezigheid die personen begaaft, leidt en sterkt. In het Oude Testament tijdelijk over richters, koningen en profeten om hen tot hun ambt te bekwamen. In christelijke leer de derde Persoon van de Drie-eenheid. (Num 11:25)

## geest van kracht (theologisch)

- De Heilige Geest als bron van moed en geestelijke kracht — niet van vreesachtigheid; door God geschonken aan de ambtsdrager. (2 Tim 1:7)

## geest van leugen (demonisch)

- Liegende, demonische geest die in de Schrift wordt voorgesteld als instrument van Gods gericht: hij verleidt valse profeten tot het brengen van een leugenboodschap waardoor Achab in zijn ondergang loopt. (1 Kon 22:22)

## geest van liefde (theologisch)

- De Heilige Geest als Werker van christelijke liefde in de gelovige; één van de drie eigenschappen (kracht, liefde, gematigdheid) die God ons door Zijn Geest geeft. (2 Tim 1:7)

## geest van waarzeggerij (demonisch)

- Demonische geest waarmee waarzeggers verborgen of toekomstige zaken pretenderen te kennen. In Israël streng verboden als heidense praktijk. (Lev 19:31)

## geestelijk (begrip)

- Wat van of door de Heilige Geest is; tegenovergesteld aan het natuurlijke en vleselijke. Kenmerkend voor wie Christus toebehoort. (1 Kor 15:44)

## geestelijk dood (begrip)

- Toestand waarin een mens — hoewel lichamelijk levend — door zonde en wereldgelijkvormigheid van het geestelijke leven uit God is afgesneden. Hier op de wereldsgezinde weduwe toegepast. (1 Tim 5:6)

## geestelijk gegenereerd (begrip)

- Iemand die door iemands prediking tot geloof en wedergeboorte is gekomen, en daarom als geestelijk kind wordt beschouwd. Zo noemt Paulus Onésimus zijn zoon, die hij in zijn banden heeft gewonnen. (Flm 1:10)

## geestelijk huis (begrip)

- U wordt als levende stenen gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom om geestelijke offeranden op te offeren door Jezus Christus. (1 Petr 2:5)

## geestelijk verstand (theologisch)

- Door de Heilige Geest gewerkt inzicht in Gods wil — vrucht van Gods werking in de gelovige. (Kol 1:9)

## geestelijke besnijdenis (theologisch)

- De besnijdenis die niet met handen geschiedt: de innerlijke afsterving van de oude mens door de werking van Christus en Zijn Geest. Tegenover de uitwendige, lichamelijke besnijdenis. (Kol 2:11)

## geestelijke bevalling (begrip)

- Beeld dat Paulus gebruikt voor zijn pastorale arbeid: hij is opnieuw in barensnood over de Galaten totdat Christus in hen een gestalte krijgt. (Gal 4:19)

## geestelijke boze in de lucht (demonisch)

- Demonische machten — gevallen engelen onder de duivel — die in de hemelse gewesten werkzaam zijn tegen Gods gemeente. Tegenstanders in de geestelijke strijd. (Ef 6:12)

## geestelijke hoererij (begrip)

- Profetisch begrip voor het verlaten van de HEERE om afgoden of vreemde machten te dienen. Schending van de verbondsverhouding als van een huwelijk. (Hos 4:12)

## geestelijke mens (begrip)

- Mens die door de Heilige Geest is wedergeboren en zo geestelijke zaken kan onderscheiden en beoordelen. Tegenovergesteld aan de natuurlijke (ongeestelijke) mens. (1 Kor 2:15)

## geestelijke offeranden (begrip)

- Het heilige priesterdom van gelovigen offert geestelijke offeranden door Jezus Christus, die Gode aangenaam zijn. (1 Petr 2:5)

## geestelijke overspel (begrip)

- Beeld waarmee Jakobus de wereldsgezindheid van christenen aanduidt: vriendschap met de wereld is vijandschap tegen God — een geestelijk overspel ten opzichte van de Heere. (Jak 4:4)

## geestelijke wapenrusting (begrip)

- De volledige uitrusting (gordel, borstwapen, schoenen, schild, helm, zwaard) waarmee de gelovige de geestelijke strijd tegen de duivel en zijn machten voert. (Ef 6:11)

## geestelijke zegening (theologisch)

- Alle door de Heilige Geest geschonken weldaden van het heil in Christus — verkiezing, aanneming, verlossing, vergeving, verzegeling. (Ef 1:3)

## geesten beproeven (demonisch)

- Apostolische opdracht om geestelijke werkingen en leraren te toetsen aan de belijdenis aangaande Christus, omdat vele valse profeten — gedreven door dwaalgeesten — uitgegaan zijn in de wereld. (1 Joh 4:1)

## geesten der lucht (begrip)

- In de oudheid gedacht als bovenmenselijke wezens die de luchtruimte bewonen; in de Bijbel onderscheiden van engelen en demonen. In Wijsh 7:20 een onderwerp van natuurkennis. (Wijsh 7:20)

## geesten en zielen van de rechtvaardigen (begrip)

- De gestorven gelovigen, in joods en bijbels spraakgebruik gezien als bewaard door God in afwachting van de opstanding — opgeroepen om de HEERE te loven. (Gez. Vuur. 1:86)

## geesten waarzeggers (demonisch)

- Mensen die met behulp van demonische geesten of magische middelen verborgen kennis of toekomst beweren te peilen. In de wet van Mozes streng verboden. (Mi 5:12)

## geestjes onreine (demonisch)

- Demonische machten die in de Bijbel als verontreinigende invloeden worden beschouwd. Profetisch wordt hun verwijdering uit het land beloofd. (Zach 13:2)

## geformeerd (begrip)

- Gevormd of geboetseerd, als met de handen van een ambachtsman. Aanduiding voor Gods scheppen van de mens uit het stof van de aardbodem. (Gen 2:7)

## Gehazi (persoon)

- Persoonlijke knecht van de profeet Elisa. Werd door zijn meester met melaatsheid gestraft vanwege zijn hebzucht en bedrog tegenover de Aramese veldheer Naäman. (2 Kon 5:20)

## geheel-en-al heiligen (begrip)

- Goddelijke heiligmaking die de gehele mens, naar geest, ziel en lichaam, omvat en onberispelijk bewaart tot Christus' wederkomst. (1 Th 5:23)

## geheel-offer (cultisch)

- Andere benaming voor het brandoffer, omdat het gehele dier op het altaar werd verbrand zonder dat er iets gegeten werd. (Lev 6:9)

## geheiligd (begrip)

- Apart gezet voor God, rein gemaakt. Jezus bad dat de Vader de gelovigen zou heiligen in de waarheid. (Joh 17:17)

## geheiligd door Woord (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (1 Tim 4:5)

## geheiligden (begrip)

- De brief is geadresseerd aan de geroepenen, die door God de Vader geheiligd zijn en door Jezus Christus bewaard. (Jud 1:1)

## geheim bewaren (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het zwijgen over wat in vertrouwen is meegedeeld. In de wijsheidsliteratuur als kenmerk van de wijze. (Sir 27:16)

## geheim openbaren (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het breken van een vertrouwen door bekendmaking van wat verzwegen had moeten blijven. (Sir 22:22)

## geheimenis (begrip)

- Een door God verborgen waarheid die door openbaring bekend wordt gemaakt; in de brieven vooral van het heil in Christus. (1 Kor 15:51)

## geheimenis der ongerechtigheid (begrip)

- Verborgen werking van het kwaad die reeds aanwezig is en uitloopt op de openbaring van de eindtijdelijke tegenstander. (2 Th 2:7)

## gehele wet (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (Gal 5:14)

## Gehenna (begrip)

- Verbastering van het Hebreeuwse Ge-Hinnom, het dal ten zuiden van Jeruzalem waar ooit kinderoffers gebracht waren. In het Nieuwe Testament beeld van de hel. (Matt 5:29)

## gehoorzaamheid (begrip)

- Het opvolgen van Gods geboden of een hogere wil. In de Bijbel het tegendeel van de oerzonde van ongehoorzaamheid. (Gen 22:18)
- Onderwerping aan Gods wil en gebod; in het bijzonder de gehoorzaamheid des geloofs. Vrucht van het werk van de Geest. (Rom 1:5)
- Kinderen aan ouders, vrouwen aan mannen, dienstknechten aan heren in Christus. (Ef 6:1)
- Onderworpenheid aan Gods wil of aan een gezagdrager; in het Nieuwe Testament vrucht van geloof en liefde. (Filem 1:21)
- Onderworpenheid aan Gods wil en geboden; in de Johannesbrieven nauw verbonden met de liefde tot God. (2 Joh 1:4)

## geit (natuur)

- Klein huisdier dat melk, vlees en haar leverde. Tezamen met schapen het gangbare kleinvee van de aartsvaders. (Gen 15:9)

## gejuich (begrip)

- Luide vreugde-uiting. 'Gij die het juichen kent'; 'Onze tong met gejuich'. (Ps 89:16)

## geld in lekke buidel (begrip)

- Beeldspraak voor inkomsten of arbeid die geen blijvend resultaat opleveren. Profetisch beeld voor Gods tucht over verkeerd gerichte inspanningen. (Hag 1:6)

## geld in tienden (begrip)

- Het gedeelte van inkomen of opbrengst dat in geldvorm voor de tempelbelasting of de tiendenplicht werd afgedragen. Onderdeel van de eredienstondersteuning. (Mal 3:8)

## geld liefde (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de onderlinge liefde in de gemeente. (1 Tim 6:10)

## geld voor profetie (begrip)

- Praktijk waarbij profeten of zieners hun woord lieten afhangen van betaling. Door de oudtestamentische profeten ernstig veroordeeld. (Mi 3:11)

## geldgierigheid (begrip)

- Uw wandel zij zonder geldgierigheid; weest tevreden met wat tegenwoordig is, want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven. (Hebr 13:5)

## geldwisselaars (begrip)

- De wisselaars die geld wisselden in de tempel; door Jezus uitgedreven. (Joh 2:14)

## geleerden uitgeleide (begrip)

- Praktische ondersteuning en uitrusting van rondreizende leraars zodat het hun aan niets ontbreekt op hun reis. (Tit 3:13)

## Geliefde (begrip)

- Christus als de Vader-geliefde Zoon, in Wien wij begenadigd zijn. (Ef 1:6)
- Vertrouwde aanspreektitel in nieuwtestamentische brieven, uitdrukking van pastorale genegenheid jegens medegelovigen. (Filem 1:1)

## geliefde discipel (persoon)

- De discipel die Jezus liefhad; aan wie Jezus aan het kruis zijn moeder toevertrouwde. (Joh 13:23)

## geliefde geneesheer (begrip)

- Eretitel in de brieven voor Lukas, de arts en metgezel van Paulus. (Kol 4:14)

## geliefden in God (begrip)

- Aan de geroepenen, geheiligd door God de Vader, en bewaard in Jezus Christus — dubbel zegel van veiligheid. (Jud 1:1)

## gelijk een lieflijk lied (uitdrukking)

- Profetische beschrijving voor een prediker die als amusement wordt beleefd zonder dat zijn woorden gehoorzaamd worden. Klassieke kritiek op oppervlakkige toehoorders. (Ez 33:32)

## gelijkenis (begrip)

- Overeenkomst of evenbeeld. De mens werd geschapen 'naar Gods beeld en gelijkenis', als Zijn afspiegeling op aarde. (Gen 1:26)
- Lukas bevat de meeste unieke gelijkenissen: barmhartige Samaritaan, verloren zoon, rijke man en Lazarus. (Luk 5:36)
- Een vergelijking of beeldspraak om een geestelijke waarheid uit te leggen. Jezus sprak gelijkenissen over de herder en de schapen, de wijnstok en de ranken. (Joh 10:6)
- Verhalend beeld waarin een geestelijke waarheid wordt onderwezen. Veel gebruikt in de wijsheidsliteratuur, de profetie en het onderricht van Jezus. (4 Ezra 4:3)
- Vergelijkend beeld; verwant aan mashal. Noemt. (Spr 1:6)

## gelijkvormig (begrip)

- Gelijkvormig gemaakt aan het beeld van Christus, naar Wie de gelovige gevormd wordt. Doel van Gods voornemen voor de uitverkorenen. (Rom 12:2)

## Geliloth (plaats)

- Plaats nabij de Jordaan, in het grensgebied tussen oost- en westoever. Locatie waar het altaar van de oostelijke stammen werd opgericht. (Joz 22:10)

## gelofte (begrip)

- Plechtige belofte aan God om iets te geven of te doen, vaak onder bepaalde voorwaarde. In de Tora geregeld qua geldigheid en lossing. (Gen 28:20)
- Plechtige belofte aan God om iets te geven of te doen. In de Tora geregeld qua waarde van personen, dieren en bezit. (Lev 27:2)
- Plechtige belofte aan God, vrijwillig aangegaan en bindend zodra zij werd uitgesproken. Onbedachtzame geloften konden in de oude wereld tot ernstige gevolgen leiden. (Ri 11:30)

## geloften (wet)

- Plechtige beloften aan God om iets te geven, te doen of zich te onthouden. In de Tora geregeld qua geldigheid en losprijs. (Num 30:2)
- Plechtige beloften aan God. (Ps 116:14)

## geloof (begrip)

- Vertrouwen op God en aanvaarding van het evangelie van Christus; in het Nieuwe Testament toegespitst op het vertrouwen op Jezus Christus als Verlosser. Vaste grond van de dingen die men hoopt en bewijs van zaken die men niet ziet. (Gen 15:6)

## geloof als overwinning (begrip)

- Wie is het die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus is de Zoon Gods? Het geloof is de zegevierende kracht. (1 Joh 5:5)

## geloof behouden (begrip)

- Trouw tot het einde gebleven. (2 Tim 4:7)

## geloof en liefde (begrip)

- Twee samenhangende kerndeugden van het christelijk leven: vertrouwen op God en daadwerkelijke toewijding aan God en de naaste. (Flm 1:5)

## geloof niet aller (begrip)

- Vaststelling dat niet alle mensen het evangelie aannemen en dat geloof een gave van God is. (2 Th 3:2)

## geloof van het geloof afgedwaald (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (1 Tim 6:21)

## geloof werkt mede (begrip)

- Bij Abraham werkte het geloof met zijn werken mede en het geloof is uit de werken volmaakt geworden — bewijs van levend geloof. (Jak 2:22)

## geloofsdaad (begrip)

- Een handeling die voortkomt uit en getuigt van vertrouwen op God. Bekend voorbeeld is Abrahams bereidheid Izak te offeren. (Gen 22:1)

## geloofsgemeenschap (begrip)

- Onderlinge verbondenheid van gelovigen in een gemeenschappelijk geloof, die zich uit in werkdadige liefde en delen. (Flm 1:6)

## geloofsheld (begrip)

- Verzamelnaam voor de getuigen die door geloof groot werden — een wolk van getuigen rondom de gelovige. (Hebr 12:1)

## geloofsherstel (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (Gal 6:1)

## geloofsstrijd (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (Fil 1:27)

## gelouterd goud (voorwerp)

- Het door vuur beproefde goud dat Christus aan Laodicea aanraadt te kopen — beeld van geestelijke rijkdom. (Op 3:18)

## geluksdag (begrip)

- Profetische tijd waarin God zijn volk verzamelt, herstelt en tot lof onder de volken stelt. Onderdeel van de heilsbeloften na het oordeel. (Zef 3:20)

## Gemarja (persoon)

- Zoon van Safan, ambtenaar in wiens kamer in de tempel Baruch de rol voorlas. Een van de vorsten die Jojakim smeekte de rol niet te verbranden. (Jer 36:10)

## gematigdheid (begrip)

- Gezond verstand of zelfbeheersing. (2 Tim 1:7)

## gemeenschap (begrip)

- Het samen-zijn en samen-delen tussen personen of groepen — kan slaan op (1) verbondenheid van gelovigen onderling (kerkelijke gemeenschap), (2) deelhebben aan iets gezamenlijks (gemeenschap aan brood en wijn, gemeenschap met Christus / met de Geest), of (3) seksuele omgang (gemeenschap hebben). Welk soort gemeenschap bedoeld wordt blijkt uit de context. (Hand 2:42)

## gemeenschap des Geestes (theologisch)

- De door de Heilige Geest gewerkte verbondenheid en gemeenschap onder de gelovigen, vrucht van het delen in dezelfde Geest. (Fil 2:1)

## gemeenschap des lijdens (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het lijden om Christus' wil. (Fil 3:10)

## gemeenschap met de Vader (begrip)

- Onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus — kern van de christelijke ervaring. (1 Joh 1:3)

## gemeenschappelijke ademtocht (begrip)

- De lucht die alle mensen gelijkelijk inademen. In de wijsheidsliteratuur beeld voor de gelijkheid van alle mensen voor God. (Wijsh 7:3)

## gemeente (begrip)

- De gemeenschap van wie door Christus tot God geroepen zijn; in lokaal verband een plaatselijke kerk, in algemene zin de wereldwijde kerk. (Ps 22:23)

## gemene (begrip)

- Gemeenschappelijke verlossing van alle gelovigen. (Jud 1:3)

## gemene zaligheid (begrip)

- De gemene (gemeenschappelijke) zaligheid die alle gelovigen delen — Judas wilde daarvan schrijven, maar moest noodgedwongen vermanen. (Jud 1:3)

## gemengde huwelijken (begrip)

- Huwelijken van Joden met heidense vrouwen. Door de wet van Mozes verboden vanwege het gevaar van afgodendienst en assimilatie. (3 Ezra 9:7)
- Huwelijken van Joden met partners uit de heidense bevolking van het land. Werden in de tijd van Ezra en Nehemia als bedreiging voor de zuiverheid van het verbondsvolk bestreden. (Ezra 9:2)

## gemeste kalf (voorwerp)

- Het kalf dat de vader liet slachten bij de terugkeer van de verloren zoon — beeld van vreugde over bekering. (Luk 15:23)

## gemoed (begrip)

- Innerlijke gesteldheid van het hart. (Spr 17:22)

## gemoed der barmhartigheid (begrip)

- Innerlijk medelijden en ontferming jegens de naaste, door Paulus aangeprezen als christelijke deugd. (Kol 3:12)

## genade (begrip)

- Onverdiende gunst van God jegens zondaren, geschonken om Christus' wil. Grond van de gehele zaligheid. (Gen 6:8)

## genade en vrede (begrip)

- Vaste tweeledige heilgroet aan het begin van de Paulinische brieven, samenvatting van het in Christus geschonken heil. (Flm 1:3)

## genade in ontuchtigheid (begrip)

- Goddelozen veranderen de genade van God in ontuchtigheid — misbruik van vrijheid in Christus tot losbandig leven. (Jud 1:4)

## genade met geest (begrip)

- Vaste slotzegen waarmee Paulus zijn brieven afsluit; bidt dat de genade van de Heere Jezus Christus zal zijn met de innerlijke (menselijke) geest van de geadresseerden. (Flm 1:25)

## genade vinden (begrip)

- Gods welwillende aanvaarding ondervinden, ondanks dat men het niet verdient. Bijbelse uitdrukking voor het onbeloond aangenomen worden. (Gen 6:8)

## genadebond (begrip)

- Aanduiding voor de verbondsverhouding waarin God uit louter genade met Zijn volk handelt. (Tit 1:4)

## genadige God (begrip)

- God wiens wil onze redding is. (Ef 1:5)

## genees-kennis (begrip)

- Kennis van geneeskrachtige planten en hun toepassing. In het oude Nabije Oosten deel van de wijsheidstraditie. (Wijsh 7:20)

## geneeskunde (begrip)

- Kennis en kunst van het genezen van ziekten. In de bijbel als gave van God aan de wijzen erkend, mits met gebed verbonden. (Sir 38:4)

## geneesmeester (begrip)

- Verouderde aanduiding voor een geneesheer of arts. In de oudheid vaak deels gebaseerd op kruidenkennis, deels op gebed. (Sir 38:1)

## Genezareth (plaats)

- Vruchtbare vlakte aan de noordwestkust van het gelijknamige meer (ook meer van Galilea of zee van Tiberias geheten). (Matt 14:34)

## genezing (begrip)

- Herstel van lichamelijke of geestelijke ziekte, in de Bijbel meestal toegeschreven aan Gods macht. In de evangeliën een teken van het aangebroken Koninkrijk. (Matt 4:24)
- Herstel van ziekte, wond of geestelijke breuk, in de Bijbel een werk van God. Vrucht van bekering en verbondsherstel. (Hos 6:1)

## genezing bij Bethesda (begrip)

- Het derde teken: de man die achtendertig jaar krank was werd door Jezus op de Sabbat genezen. (Joh 5:8)

## genezing onder vleugelen (begrip)

- Profetisch beeld waarin de Messias als opgaande zon met genezende stralen verschijnt. Symbool voor heelmaking in de heilstijd. (Mal 4:2)

## genezing van de blindgeborene (begrip)

- Het zesde teken: Jezus maakte slijk uit speeksel, streek het op de ogen, en de blindgeborene zag. (Joh 9:6)

## genezing van de zoon van de hoveling (begrip)

- Het tweede teken te Kana: Jezus genas op afstand de stervende zoon van een hoveling te Kapernaüm. (Joh 4:54)

## Gennesareth (plaats)

- Het Meer van Galilea, een groot zoetwatermeer in het noorden van Israël; ook aanduiding voor het omliggende vruchtbare landschap. (1 Makk 11:67)

## Gennezareth (plaats)

- Bijbelse aanduiding voor het Meer van Galilea (Tiberias) en de aangrenzende vlakte aan de noordwestkust van het meer. (2 Makk 12:34)

## genoegzaam (begrip)

- Het besluit van de Jeruzalemse vergadering. (Hand 15:28)

## geofferd brood (begrip)

- Brood dat als gave aan God op het altaar of de toonbroodstafel werd gelegd. Onderdeel van het spijsoffer en de tempeldienst. (Mal 1:7)

## Gera (persoon)

- Zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een Benjaminietische clan. (Gen 46:21)

## Gerar (plaats)

- Filistijnse stad in het zuidelijke deel van het beloofde land, waar Abimelech koning was. Verblijfplaats van Abraham en Izak als vreemdelingen. (Gen 10:19)

## gerechtigde priester (uitdrukking)

- Profetische aanklacht tegen priesters die hun ambt misbruiken en het heilige ontheiligen. Klassieke kritiek op het priesterschap in profetische literatuur. (Ez 22:26)

## gerechtigheid (begrip)

- Recht doen volgens Gods wet; in het Nieuwe Testament vooral de door Christus verworven rechtvaardigheid die de gelovige door het geloof wordt toegerekend. (Gen 15:6)

## gerechtigheid liefhebben (begrip)

- Bijbels begrip voor het zoeken en doen van wat recht is voor God. Een grondvraag van het wijsheidsonderwijs. (Wijsh 1:1)

## gerechtigheid woont (begrip)

- Op de nieuwe hemelen en aarde woont gerechtigheid — vervulling van Gods herstellingswerk. (2 Petr 3:13)

## gerechtvaardigd (begrip)

- De tollenaar ging gerechtvaardigd af naar zijn huis, en niet de Farizeeër. (Luk 18:14)

## gerechtvaardigd in de Geest (theologisch)

- Christus is door de Heilige Geest in Zijn opstanding bewezen rechtvaardig en Zoon van God te zijn. Onderdeel van de zesvoudige hymne over de verborgenheid der godzaligheid. (1 Tim 3:16)

## gericht (begrip)

- Goddelijk oordeel waarbij God recht doet. Zowel het tijdelijke als het laatste oordeel. (Rom 14:10)
- Bijbels begrip voor Gods rechterlijke oordeel over mensen en volken. In de profetie en apocalyptiek vooral het laatste oordeel. (Sir 11:25)

## gericht houden (begrip)

- Te doen oordeel tegen allen, en te bestraffen alle goddelozen onder hen — uitkomst van de wederkomst voor de afvalligen. (Jud 1:15)

## gerichts-formule (begrip)

- Vaste profetische inleiding 'om drie overtredingen, om vier' waarmee opeenvolgende oordelen over volken worden aangekondigd. Numeriek stijlmiddel uit de oudtestamentische literatuur. (Am 1:3)

## gering hout (begrip)

- Bijbelse en patristische beeldspraak voor de ark van Noach en het mandje van Mozes. In de kerkelijke uitleg ook beeld voor het kruis. (Wijsh 10:4)

## Gerizim (plaats)

- Berg in centraal Kanaän bij Sichem, tegenover de berg Ebal. Door Mozes aangewezen als plaats waar de zegen van het verbond moest worden uitgesproken. (Joz 8:33)

## geroepen (begrip)

- Door God uit duisternis tot Zijn licht geroepen. (Ps 100:3)

## geroepenen Gods (begrip)

- De geroepenen — door God de Vader geheiligd en door Jezus Christus bewaard — kort en krachtig drievoudige aanduiding. (Jud 1:1)

## geroest goud (begrip)

- Uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot een getuigenis en zal uw vlees als een vuur verteren. (Jak 5:3)

## Gersom (persoon)

- Eerste zoon van Mozes en Zippora. Naam betekent 'vreemdeling daar', omdat Mozes zich vreemdeling voelde in een vreemd land. (Ex 2:22)

## Gerson (persoon)

- Oudste zoon van Levi en kleinzoon van Jakob. Stamvader van de Gersonieten, een van de drie families van Levieten. (Gen 46:11)

## gerst (natuur)

- Graansoort die in Israël algemeen werd verbouwd, vroeger rijp dan tarwe. Voedsel van armen en in offergaven en spijswetten gebruikt. (Gen 30:14)
- Graansoort die in Israël als eerste werd geoogst, in het voorjaar rond april of mei. Gold als voedsel voor de armen en als veevoer. (Ruth 1:22)

## gerstebroden (overig)

- Broden gemaakt van gerstemeel, het voedsel van arme mensen. Een jongen had vijf gerstebroden waarmee Jezus vijfduizend mensen te eten gaf. (Joh 6:9)

## gerustheid (begrip)

- Innerlijke rust in God. (Ps 62:2)

## geschenk (begrip)

- Gift; soms middel tot omkoping. (Spr 17:8)

## geschonken door gebed (begrip)

- Verkrijgen van een gunst, in het bijzonder vrijlating uit gevangenschap, door de voorbede van medegelovigen. (Flm 1:22)

## geschrei (begrip)

- Luid weeklagen, hartstochtelijk roepen om hulp. Het smeekgeschrei van de bedrukte komt op tot God, die het hoort en verhoort. (Ps 18:7)

## gesel (overig)

- Een zweep, vaak met stukken been of metaal erin. Jezus maakte een gesel van touwtjes om de handelaren uit de tempel te drijven. (Joh 2:15)

## gesel der tong (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbeeld voor de pijnlijke kwetsing die woorden kunnen toebrengen, vergelijkbaar met die van een geselroede. (Sir 28:17)

## geselen (begrip)

- Slaan met een zweep als straf. Pilatus liet Jezus geselen voordat hij Hem aan de Joden overgaf. (Joh 19:1)

## geseling (begrip)

- Lijfstraf met een zweep, in het Romeinse strafrecht meestal vooraf aan een kruisiging toegediend om de veroordeelde te verzwakken. (Mark 15:15)
- Lichamelijke straf met zweepslagen, in het Romeinse en Joodse strafrecht toegepast. Door Paulus meermalen ondergaan in zijn apostolisch lijden. (2 Kor 11:24)

## Gesem de Arabier (persoon)

- Arabische stamhoofdman of regionale heerser ten tijde van Nehemia. Behoorde met Sanballat en Tobia tot de voornaamste tegenstanders van de herbouw van Jeruzalems muren. (Ezra 4:9)

## geslacht (begrip)

- Een familie of opeenvolgende generatie. In geslachtsregisters wordt de afkomst van een persoon of stam vastgelegd om recht en erfdeel te bewaren. (Gen 2:4)
- Stamboom of opeenvolging van generaties. In de evangeliën gebruikt om de afkomst van Jezus aan te tonen. (Matt 1:1)
- Familie of nakomelingschap. In bijbels spraakgebruik ook generatie of stam. (1 Makk 2:51)

## geslacht der ongerechtigheid (begrip)

- Aanduiding voor mensen die de waarheid van het evangelie niet aanvaarden, maar in hun ongerechtigheid welbehagen vinden. (2 Th 2:12)

## geslacht der priesters (cultisch)

- Het nageslacht van Aäron uit de stam Levi, dat van geslacht op geslacht de offerdienst en eredienst voortzette. (Lev 21:1)

## geslachten (begrip)

- De achtereenvolgende generaties van een volk of familie. In de Tora vaak genoemd om de overdracht van Gods daden en geboden van vader op kind te benadrukken. (Dt 32:7)
- Opeenvolgende generaties van vaders en kinderen binnen een familie of volk. In de profeten ook beeld voor de continuïteit van het verbond. (Mal 4:6)

## geslachtsregister (begrip)

- Stamboom waarin afkomst en familieverwantschap werden bijgehouden. Voor priesters noodzakelijk om hun aanspraak op het ambt te bewijzen. (3 Ezra 5:39)

## geslachtsregisters (begrip)

- Lijsten van afstammelingen of voorouders, een belangrijk literair genre in de Schrift. Dienden in Israël onder andere voor de bevestiging van priesterlijke en koninklijke aanspraken. (1 Kron 1:1)

## geslachtsrekeningen (begrip)

- Vruchteloze speculaties die geen stichting brengen. (1 Tim 1:4)

## geslagen olie (voorwerp)

- Zuivere olie van olijven die in een vijzel waren gestoten in plaats van geperst. De fijnste kwaliteit, voorgeschreven voor de gouden kandelaar. (Lev 24:2)

## gesloten oosterpoort (uitdrukking)

- Profetisch beeld van een tempelpoort die voor altijd gesloten blijft omdat God zelf erdoor is binnengetreden. In de oude christelijke uitleg ook op Maria betrokken. (Ez 44:2)

## Gesur (plaats)

- Klein Aramees vorstendom ten oosten van het meer van Galilea, in het gebied van halve Manasse. Bleef gedurende de richteren- en koningstijd zelfstandig naast Israël bestaan. (2Sam 13:37)

## getal (begrip)

- Bijbels begrip voor de orde en telbaarheid die God in zijn schepping heeft gelegd. Onderdeel van het thema 'in maat, getal en gewicht'. (Wijsh 11:20)

## getal van het beest (begrip)

- Het getal des beestes, getal eens mensen: zeshonderd zes en zestig. (Op 13:18)

## Gether (persoon)

- Zoon van Aram en kleinzoon van Sem. Stamvader van een Aramees volk. (Gen 10:23)

## Gethsemane (plaats)

- Niet bij naam in Lukas; wel. (Luk 19:29)

## Gethsemané (plaats)

- Olijvenhof aan de westvoet van de Olijfberg, vlakbij Jeruzalem. Plaats van Jezus' worsteling in gebed en zijn gevangenneming. (Matt 26:36)

## getrokken met goedertierenheid (uitdrukking)

- Vervolg van — 'getrokken' (Hebr. מָשַׁךְ, mashak): door Jezus opgenomen. God brengt zelf zijn volk tot zich. (Jer 31:3)

## getrouw woord (begrip)

- Vaste formule in de pastorale brieven waarmee een betrouwbare en gezaghebbende uitspraak wordt ingeleid of bevestigd. (Tit 3:8)

## getrouwe (begrip)

- Wie aan God en Zijn verbond trouw blijft. (Ps 12:2)

## getrouwe Schepper (begrip)

- Die naar de wil Gods lijden, dat zij hun zielen Hem als de getrouwe Schepper bevelen met weldoen. (1 Petr 4:19)

## getuige (begrip)

- Wie in een zaak verklaart; valse getuige is gruwel. (Spr 6:19)

## getuigen (begrip)

- Volgens de wet van Mozes (Deuteronomium 19:15) waren minstens twee getuigen vereist om iemand schuldig te verklaren in een rechtszaak. (Sus 1:21)

## getuigenis (begrip)

- Plechtige verklaring of bewijs van een feit. Ook aanduiding voor de Tora als gevallen verklaring van Gods wil. (Gen 31:48)
- Een verklaring over wat men gezien of gehoord heeft. Johannes de Doper getuigde van Jezus. (Joh 1:7)
- Verklaring of bewijs; van Gods getuigenis aangaande Zijn Zoon en van het getuigenis van de gemeente. Wezenlijk voor het apostelschap. (Rom 8:16)
- Drievoudige getuigenis van Geest, water en bloed; en Gods getuigenis van Zijn Zoon. (1 Joh 5:9)
- Mondelinge of schriftelijke bevestiging van een feit of van iemands karakter; in nieuwtestamentisch gebruik vaak getuigenis aangaande het evangelie. (3 Joh 1:12)

## getuigenis Gods (begrip)

- Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis Gods is meerder; want dit is de getuigenis Gods, die Hij van Zijn Zoon getuigd heeft. (1 Joh 5:9)

## getuigenissen (begrip)

- Gods plechtige verklaringen, vooral. (Ps 119:14)

## geur (begrip)

- Welriekende reuk; van het evangelie dat door de apostelen verspreid wordt en voor God een goede reuk is. Werkt onderscheidend ten leven of ten dode. (2 Kor 2:15)

## gevangene (begrip)

- Iemand die in hechtenis is genomen; in apostolische brieven vaak overdrachtelijk geduid als gevangene om Christus' wil. (Filem 1:1)

## gevangene van Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Ef 3:1)
- Aanduiding waarmee Paulus zijn gevangenschap niet politiek maar geestelijk duidt: gebonden om Christus' wil en in dienst van Christus. (Flm 1:1)

## gevangenen (begrip)

- Gedenkt der gevangenen alsof gij medegevangen waart, en dergenen die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zelf in het lichaam waart. (Hebr 13:3)

## gevangenis (begrip)

- Plaats van opsluiting voor wetsovertreders of politieke verdachten. In Egypte een gangbaar middel om personen onder dwang vast te houden. (Gen 39:20)
- Plaats waar gevangenen werden bewaard. In de oudheid vaak slechts tijdelijke bewaring in afwachting van vonnis. (3 Makk 5:6)

## geveinsden (uitdrukking)

- Veelvuldig in Jer (-10; ): mensen die 'des HEEREN tempel' uitroepen maar wier hart afgodisch is. Tegen huichelarij keert Jeremia zich evenzo fel als tegen openlijke afval. (Jer 7:8)

## gevleugeld (begrip)

- Voorzien van vleugels, vliegend. Aanduiding voor vogels en andere vliegende wezens in het scheppingsverhaal. (Gen 1:21)

## gevogelte (natuur)

- Verzamelnaam voor vogels. In het scheppingsverhaal op de vijfde dag door God uit de wateren voortgebracht. (Gen 1:20)

## gewaar worden (begrip)

- Verouderd voor 'beseffen' of 'ontdekken'. Vaak gebruikt voor het komen tot inzicht of bewustwording. (Gen 3:7)

## gewas (natuur)

- Wat de aardbodem voortbrengt aan planten en vruchten. In de Bijbel ook gangbaar als offergave van de oogst. (Gen 1:11)

## geweld (begrip)

- Onrechtvaardige kracht waarmee de boze de zwakke verdrukt. (Ps 7:17)
- Onrechtmatig gebruik van macht waardoor anderen onderdrukt of beschadigd worden. In de profeten een van de hoofdaanklachten tegen volk en leiders. (Mi 6:12)

## geweld tegen Jakob (begrip)

- Aanduiding voor Edoms vijandige houding tegenover Israël, vooral bij de val van Jeruzalem. Schending van de broederband tussen Esau en Jakob. (Ob 1:10)

## geweldenarij (begrip)

- Gewelddadig en onderdrukkend optreden. In de bijbel kenmerk van wereldse machten die God en zijn volk weerstaan. (1 Makk 1:50)

## geweldige hand (theologisch)

- Hebreeuwse uitdrukking voor Gods reddend en machtig handelen. Vooral gebruikt bij de uittocht uit Egypte: 'met sterke hand en uitgestrekte arm'. (Ex 6:1)

## geweldige wind (begrip)

- Het geluid uit de hemel als van een geweldige gedreven wind, waarmee de Geest werd uitgestort. (Hand 2:2)

## geweldigen (begrip)

- Machtige helden of beroemde mannen. In het Oude Testament vooral aanduiding voor reuzen en strijders van faam, zoals de Nephilim. (Gen 6:4)
- Mensen van macht en geweld die de zwakke verdrukken. (Ps 54:5)

## gewemel (begrip)

- Een grote krioelende menigte van levende wezens. In het scheppingsverhaal gebruikt voor de schepselen die de wateren in massa voortbrachten. (Gen 1:20)

## gewen (begrip)

- Het zich beproeven van een bepaalde gezindheid of deugd. Door Paulus gebruikt in vermaning tot mildheid. (2 Kor 5:7)

## geweten (begrip)

- Het innerlijk besef van goed en kwaad in de mens. Werkt na de zondeval als wakende stem die schuld of vrijspraak doet horen. (Gen 3:7)
- Inwendig zedelijk besef van goed en kwaad. Door zonde verduisterd, door bloed van Christus gereinigd. (Rom 2:15)
- Het inwendige besef van goed en kwaad, dat door Gods Woord en Geest geheiligd wordt. (Hebr 9:14)

## gewicht (begrip)

- Bijbels begrip voor de orde en evenwicht die God in zijn schepping heeft gelegd. Onderdeel van het thema 'in maat, getal en gewicht'. (Wijsh 11:20)

## gewoon mens (begrip)

- Bijbels begrip voor de gewone, sterfelijke mens, geboren als alle anderen. In de wijsheidsliteratuur ook de erkenning waarmee een koning zich klein weet voor God. (Wijsh 7:1)

## geworteld in Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Kol 2:7)

## geworteld in liefde (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de onderlinge liefde in de gemeente. (Ef 3:17)

## gewroken (begrip)

- Vergolden of bestraft worden, vooral in geval van moord of bloedvergieten. Bloedwraak was in de oudheid een algemeen aanvaard rechtsmiddel. (Gen 4:15)

## gezalfde (begrip)

- Hij die met heilige olie tot priester of koning is gewijd. In Psalmen vooral de koning, en uiteindelijk de Messias. (Ps 2:2)

## gezalfden (begrip)

- Personen die door zalving met olie tot een bijzonder ambt zijn gewijd, zoals koningen, hogepriesters en soms profeten. Vandaar de Messiaanse titel 'gezalfde'. (Zach 4:14)

## gezamenlijke vreugde (begrip)

- Vreugde die door medegelovigen samen ervaren wordt, opgeroepen door de geestelijke groei en liefde van anderen. (Flm 1:7)

## Gezang in de vuuroven (begrip)

- Tweede apocrief aanhangsel aan Daniël 3, na het Gebed van Azaria. Bevat een uitgebreide lofzang waarin alle delen van de schepping worden opgeroepen God te loven. (Gez. Vuur. 1:51)

## gezant (begrip)

- Bode of afgezant met een opdracht namens een vorst. God beloofde Israël een engel als gezant voor te zenden om hen op de weg te bewaren. (Ex 23:20)
- Bode of afgezant met een opdracht namens een vorst of leider. In de Tora gebruikt voor onderhandelaars en boodschappers tussen volken. (Dt 2:26)
- Door God gezonden vertegenwoordiger; titel van de apostel als gezant van Christus' wege. Roept op tot verzoening. (2 Kor 5:20)
- Bode of afgezant met een opdracht of boodschap, vaak namens een vorst. In profetische taal ook een door God gezonden boodschapper aan de volken. (Ob 1:1)

## gezegd door apostelen (begrip)

- Geliefden, gedenkt der woorden die voorzegd zijn van de apostelen onzes Heeren Jezus Christus — beroep op apostolisch onderwijs. (Jud 1:17)

## gezegende grond (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor het allerheiligste deel van het beloofde land dat aan de priesters wordt toegewezen. Onderdeel van de toekomstige landverdeling. (Ez 45:4)

## Gezer (plaats)

- Belangrijke Kanaänitische stad in het laagland tussen het bergland en de kustvlakte. Werd later een Levitische stad en speelde een rol in de geschiedenis van het koninkrijk. (Joz 10:33)
- Belangrijke Kanaänitische stad in het laagland tussen het bergland en de kustvlakte. Diende als strategische versterkingsplaats aan de westgrens van Juda. (1 Kon 9:16)

## gezichten (begrip)

- Profetische openbaringen die de profeet ontvangt in de vorm van een visioen of innerlijk schouwen. Onderscheiden van het gewone woord van de HEERE. (Hab 1:1)

## gezond (begrip)

- Lichamelijk welbevinden; in pastorale wensen vaak verbonden met geestelijke welstand. (3 Joh 1:2)

## gezond geloof (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (1 Tim 1:10)

## gezond in het geloof (begrip)

- Vrij zijn van dwaling en innerlijk standvastig in de zuivere leer van het evangelie. (Tit 1:13)

## gezond zijn (begrip)

- Vrij zijn van ziekte; in apostolische groeten een gebruikelijke wens voor de geadresseerde. (3 Joh 1:2)

## gezonde leer (begrip)

- Sleutelterm voor de pastorale brieven. (1 Tim 1:10)

## gezonde leer niet velen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de zonde en haar gevolgen. (2 Tim 4:3)

## gezonde leer spreken (begrip)

- Het verkondigen van de zuivere apostolische geloofsleer, in tegenstelling tot dwaalleer en menselijke verzinsels. (Tit 2:1)

## gezondheid (begrip)

- Welzijn van lichaam. (Spr 16:24)
- Bijbels begrip voor lichamelijk welzijn, in de bijbel als gave van God beschouwd en hoog gewaardeerd. (Sir 30:14)

## gezondmaking (begrip)

- Genezing of herstel; in geestelijke zin het werk van Christus tot heil van geest, ziel en lichaam. Vrucht van Zijn verlossing. (1 Kor 12:9)

## Gibea (plaats)

- Stad in het stamgebied van Benjamin, geboorteplaats van koning Saul. Bekend om de gruwelijke daad in Richteren 19. (Num 1:1)
- Stad in het stamgebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem. Berucht om de gruweldaad aan de Levietsbijwijf, die tot een burgeroorlog tussen Israël en Benjamin leidde. (Ri 19:14)
- Stad in het stamgebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem. Geboorteplaats van koning Saul en bekend van een gruwelijke geschiedenis in het boek Richteren. (Hos 9:9)
- Stad in het stamgebied van Benjamin ten noorden van Jeruzalem, op een steile heuvel. Geboorte- en residentieplaats van koning Saul. (1 Kron 11:31)

## Gibea van Benjamin (plaats)

- Stad in het stamgebied van Benjamin ten noorden van Jeruzalem, op een steile heuvel. Geboorte- en residentieplaats van koning Saul. (1 Kon 15:22)

## Gibeon (plaats)

- Hoofdstad van de Hivieten, ten noordwesten van Jeruzalem. De inwoners verkregen door list een verbond met Israël en werden tempeldienaars als houthakkers en waterputters. (Joz 9:3)
- Hoofdstad van de Hivieten ten noordwesten van Jeruzalem. Werd in de tijd van David een Levitische stad en plaats waar tijdelijk de tabernakel stond. (2Sam 2:13)
- Hoofdstad van de Hivieten ten noordwesten van Jeruzalem. Werd in de tijd van David en Salomo een Levitische stad en plaats waar tijdelijk de tabernakel stond. (1 Kon 3:4)

## Gibeonieten (volk)

- Inwoners van de Hivietische stad Gibeon ten noordwesten van Jeruzalem. Hadden in de tijd van Jozua door list een verbond met Israël gesloten en werden tot tempeldienaars gemaakt. (2Sam 21:1)

## Gideon (persoon)

- Zoon van Joas uit het geslacht Abi-ezer in Manasse en de vijfde grote richter van Israël. Bevrijdde het volk van de Midianitische onderdrukking met slechts driehonderd mannen en weigerde het koningschap. (Ri 6:11)
- Richter van Israël, genoemd in de geloofsgalerij als één die door geloof koninkrijken overwon. (Hebr 11:32)

## gierigaard (begrip)

- Een gierige, hebzuchtige mens — iemand wiens hart aan rijkdom hangt. De gierigaard wordt door God niet geprezen maar veracht. (Ps 10:3)

## gierigheid (begrip)

- De valse leraars zullen door gierigheid met geveinsde woorden van u handel drijven; over welke het oordeel niet sluimert en hun verderf niet sluimert. (2 Petr 2:3)

## gierigheid afgoderij (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Kol 3:5)

## Gihon (plaats)

- Een van de vier rivieren die uit Eden voortkwamen. Stroomde rondom het land Cusch. (Gen 2:13)

## Gij hebt mij geproefd (uitdrukking)

- Jeremia beroept zich op God die zijn hart proeft. Tegelijk klacht en verzekering. (Jer 12:3)

## Gilboa (plaats)

- Bergketen in het noorden van Israël, ten zuidoosten van de Jizreëlvlakte. Bekend als plaats waar koning Saul met zijn zonen sneuvelde in de strijd tegen de Filistijnen. (2Sam 1:21)

## Gilead (plaats)

- Bergstreek ten oosten van de Jordaan, deels toegewezen aan de stammen Gad en de halve stam Manasse. Bekend om zijn balsem en weidegronden. (Gen 31:21)
- Bergachtig gebied ten oosten van de Jordaan, vruchtbaar en bekend om zijn balsem. Behoorde tot het stamgebied van Gad en de halve stam Manasse. (Ri 11:1)
- Naam zowel van een gebied ten oosten van de Jordaan als van een stam of geslacht uit Manasse. Bekend om zijn balsem en vruchtbare hoogvlakten. (Ri 12:4)
- Bergachtig gebied ten oosten van de Jordaan. Bekend om balsem en weiden. (Ps 60:9)
- Bergachtig gebied ten oosten van de Jordaan, bewoond door de stammen Ruben, Gad en half-Manasse. Bekend om zijn balsem en weidegronden. (Hos 6:8)

## Gileads herder (begrip)

- Aanduiding voor een herder uit het bergachtige Gilead-gebied ten oosten van de Jordaan. Onderdeel van de profetische beeldspraak over leiderschap. (Zach 11:7)

## Gileäd (plaats)

- Streek ten oosten van de Jordaan, tussen de Jabbok en het Meer van Galilea. Stamgebied van delen van Manasse, Gad en Ruben. (Jdt 15:6)

## Gilgal (plaats)

- Plaats in de Jordaanvallei nabij Jericho, eerste legerplaats van Israël na de doortocht. Werd centrum van de verovering en later een belangrijk cultisch heiligdom. (Joz 4:19)
- Plaats in de Jordaanvallei nabij Jericho, eerste legerplaats van Israël na de doortocht. Bleef gedurende de richteren- en vroege koningstijd een belangrijk cultisch heiligdom. (1Sam 11:14)
- Plaats in de Jordaanvlakte ten oosten van Jericho, eerste pleisterplaats van Israël na de doortocht door de Jordaan. Later afgodisch heiligdom. (Hos 4:15)
- Plaats in de Jordaanvallei nabij Jericho, eerste legerplaats van Israël na de doortocht. Bleef gedurende de richteren- en koningstijd een belangrijk cultisch heiligdom. (1 Kon 19:4)

## Gimel (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:3)

## Girgasiet (volk)

- Een van de oude Kanaänitische volken, afstammelingen van Kanaän. Door Israël uit het beloofde land te verdrijven. (Gen 10:16)

## gistera (begrip)

- Voorraadkamer of opslagplaats voor graan en andere oogstproducten. Onmisbaar onderdeel van de huishouding in een agrarische samenleving. (Joël 1:17)

## Gittith (liturgie)

- Onbekend muziekterm in opschriften. Mogelijk 'volgens de wijs van Gath' of een instrument uit Gath. (Ps 8:1)

## glasachtige zee (begrip)

- De zee als kristal voor de troon — beeld van rust en heiligheid in Gods tegenwoordigheid. (Op 4:6)

## glasachtige zee met vuur gemengd (begrip)

- De glazen zee die met vuur was gemengd, waarop de overwinnaars op het beest stonden met citers Gods. (Op 15:2)

## gloeiende oven (begrip)

- Vuuroven gebruikt voor smelten van metaal of executie. In de bijbel ook beeld van zwaar lijden of beproeving. (4 Ezra 4:48)

## Gloria in excelsis (begrip)

- De engelenzang bij de geboorte. (Luk 2:14)

## God (begrip)

- De Schepper van hemel en aarde, eeuwig en almachtig. Hebreeuws Elohim; openbaart Zich in de Bijbel als Schepper, Onderhouder, Rechter en Verlosser. (Gen 1:1)
- De ene, eeuwige Schepper en Verbondsgod van Israël. In het Oude Testament veelal aangeduid met 'Elohim' of de eigennaam JHWH. (Ps 18:3)

## God aller genade (begrip)

- De God aller genade, die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig zullen geleden hebben, Dezelve volmake u. (1 Petr 5:10)

## god dezer eeuw (begrip)

- Aanduiding van de satan als heerser over de tegenwoordige wereld. Hij verblindt de gedachten van de ongelovigen. (2 Kor 4:4)

## God die niet liegen kan (begrip)

- Aanduiding van Gods onwankelbare waarachtigheid als grondslag voor de zekerheid van het door Hem beloofde heil. (Tit 1:2)

## God geen aannemer des persoons (begrip)

- Petrus' belijdenis bij Cornelius. (Hand 10:34)

## God in het vlees (begrip)

- Kern-belijdenis van het mysterie. (1 Tim 3:16)

## God is licht (begrip)

- God is een Licht en gans geen duisternis is in Hem — fundament voor de wandel der gelovigen in heiligheid. (1 Joh 1:5)

## God is liefde (begrip)

- Wie niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde — fundament van het leven der gelovigen. (1 Joh 4:8)

## God niemand gezien (begrip)

- Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, zo blijft God in ons en Zijn liefde is in ons volmaakt. (1 Joh 4:12)

## God spreekt door dromen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor een van de manieren waarop God zich aan mensen openbaart. Komt vooral voor bij de aartsvaders en in profetische teksten. (Job 33:15)

## God spreekt door pijn (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het opvoedend gebruik dat God van ziekte en lijden maakt om een mens van zonde af te wenden. Onderdeel van de wijsheidsliteratuur. (Job 33:19)

## God van de goden (begrip)

- Bijbelse aanduiding van JHWH als hoogste God, verheven boven alle andere zogeheten goden. (Gez. Vuur. 1:90)

## God werkt in u (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Fil 2:13)

## goddelijke natuur (begrip)

- Door de dierbare beloften wordt u de goddelijke natuur deelachtig — gemeenschap met God in heiligheid, ontvluchtende het verderf in de wereld. (2 Petr 1:4)

## goddeloos (begrip)

- Sleutelwoord: goddelozen veranderen Gods genade in ontuchtigheid. (Jud 1:4)

## goddeloosheid (begrip)

- Levenshouding zonder God of in opstand tegen Hem. In de Bijbel grond voor het oordeel, zoals over Sodom en bij de zondvloed. (Gen 18:20)
- Toestand waarin God geweerd of geloochend wordt; bron van onrecht. Tegenovergesteld aan de godsvrucht. (Rom 4:5)
- Toestand of gedrag van wie God en zijn geboden veracht. In de Bijbel tegenovergesteld aan rechtvaardigheid en vroomheid. (Zach 5:8)

## goddeloze (begrip)

- Mens die God niet vreest en Zijn geboden veracht. In de psalmen vaak vijand van de rechtvaardige. (Ps 1:1)

## goddeloze vijanden (begrip)

- Heidense onderdrukkers van Israël, vooral de Babylonische machthebbers, die door God als tuchtroede over zijn volk werden gebruikt. (Geb. Az. 1:32)

## goddelozen (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor wie zonder God en zijn wet leven. Tegengesteld aan de rechtvaardigen. (Wijsh 2:1)

## godloochenaars (begrip)

- Mensen die ontkennen dat God ingrijpt in de geschiedenis en denken dat Hij geen goed of kwaad doet. Tegenstanders van het profetische woord. (Zef 1:12)

## Gods aangezicht zoeken (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het zich tot God wenden in gebed en aanbidding. Klassieke houding van de gelovige in oudtestamentische literatuur. (Ez 14:7)

## Gods alziendheid (begrip)

- Bijbels begrip dat God alle dingen ziet, ook de verborgen gedachten en daden van de mens. Een van zijn voornaamste eigenschappen. (Sir 17:15)

## Gods barmhartigheid (begrip)

- Gods ontferming over zondaren, vergevingsgezindheid en lankmoedigheid. Een van zijn voornaamste eigenschappen. (Sir 18:13)

## Gods diepheden (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de ondoorgrondelijke geheimen van Gods raad en wezen. Centraal in wijsheidsliteratuur die de grenzen van menselijk begrijpen erkent. (Job 11:7)

## Gods volk apart (begrip)

- Aanduiding van de gelovigen als een door God afgezonderd volk, gereinigd voor Zijn dienst en ijverig in goede werken. (Tit 2:14)

## Gods wil (begrip)

- Wat God wenst en gebiedt, zowel in het algemeen als in concrete situaties. Doen van Gods wil is in de evangeliën kenmerk van een ware leerling. (Matt 6:10)

## Gods Woord niet gelasterd (begrip)

- Het voorkomen dat door een onchristelijke levenswandel van gelovigen het evangelie van God in opspraak wordt gebracht. (Tit 2:5)

## Gods zonen (begrip)

- Mysterieuze figuren die voor de zondvloed huwelijken aangingen met de dochters der mensen. Door uitleggers verschillend opgevat als engelen, vorsten of nakomelingen van Seth. (Gen 6:2)

## godsdienst (begrip)

- De verering van en gemeenschap met God. Uit zich in gebed, offer, lofzang en levenswandel naar Gods geboden. (Gen 4:26)
- De eredienst en het gehele leven gericht op God. Onderscheiden van louter uitwendige vroomheid. (Rom 12:1)
- De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze: weduwen en wezen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld. (Jak 1:27)

## godskennis (begrip)

- Persoonlijke vertrouwde kennis van God en zijn wegen, in de Bijbel meer dan louter weten. Vrucht van het luisteren naar zijn woord en gehoorzaamheid. (Hos 4:6)

## godslastering (begrip)

- Het beledigen of onteren van God. De Joden beschuldigden Jezus van godslastering omdat Hij Zichzelf Gods Zoon noemde. (Joh 10:33)
- Smadelijk spreken van God of Zijn Naam. Een van de zwaarste zonden tegen het eerste gebod. (Rom 2:24)
- Het uitspreken van smaad of vloek tegen God. In de bijbel een ernstige zonde, naar de wet van Mozes met de dood gestraft. (1 Makk 2:6)

## godsspraak Bethlehem (begrip)

- Profetisch woord dat de geboorteplaats van de Messias in Bethlehem aankondigt. In het Nieuwe Testament aangehaald bij de geboorte van Christus. (Mi 5:2)

## godvrezende (begrip)

- Aanduiding voor wie diep ontzag heeft voor God en zijn geboden onderhoudt. In de Bijbel beginsel en samenvatting van alle ware vroomheid. (Job 1:1)

## godvruchtig (begrip)

- Met ontzag en eerbied voor God levend. De genezen blindgeborene zei. (Joh 9:31)

## godvruchtige (begrip)

- Hij die God eerbiedig dient. (Ps 4:4)

## godvruchtigheid (begrip)

- Vroomheid en eerbied voor God, gepaard met gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Houding van de gelovige tegenover zijn Schepper. (Gen 6:9)

## godzalig (begrip)

- Vroom en aan God toegewijd; aanduiding van een levenswandel die overeenkomt met Gods waarheid. (Tit 2:12)

## godzaligheid (begrip)

- Vroomheid; het leven in eerbiedige toewijding aan God, vrucht van het ware geloof. (1 Tess 4:12)

## goed werk (begrip)

- Vrouwen, weduwen en rijken moeten ijverig zijn in goede werken. (1 Tim 2:10)

## goeddadigheid (begrip)

- Vrijwillige weldadigheid jegens anderen; christelijke deugd die uit een vrijwillig hart, niet uit dwang voortkomt. (Filem 1:14)

## goede aarde (begrip)

- Vruchtbare grond die geschikt is om zaad op te nemen en vrucht te dragen. In de gelijkenis van de zaaier beeld van het ontvankelijke hart. (Mark 4:8)

## goede gave (begrip)

- Alle goede gave en alle volmaakte gift komt van boven, van de Vader der lichten — God is de bron van al het goede. (Jak 1:17)

## goede Herder (begrip)

- Een titel die Jezus aan Zichzelf geeft. De goede Herder kent Zijn schapen, geeft Zijn leven voor hen, en niemand kan ze uit Zijn hand roven. (Joh 10:11)

## goede hoop (begrip)

- Door Gods genade geschonken verwachting van het toekomstige heil, samenhangend met blijvende vertroosting. (2 Th 2:16)

## Goede Reden (plaats)

- De Schone Havens op Kreta waar Paulus de overheid raadde te overwinteren. (Hand 27:8)

## goede vrouw (begrip)

- Bijbels begrip voor een vrouw die haar man en huishouden tot zegen is. Bekend uit Spreuken 31, de lof van de degelijke huisvrouw. (Sir 26:1)

## goede werken (begrip)

- Daden die voortvloeien uit het geloof en met Gods wil overeenstemmen; in de brief aan Titus een centraal kenmerk van het christelijk leven. (Tit 2:7)

## goede werken om noden (begrip)

- Goede werken die concreet voorzien in de noden van anderen, en daarmee het geloof vruchtbaar maken. (Tit 3:14)

## goede wijn (voorwerp)

- De hofmeester te Kana verbaasde zich dat de bruidegom de goede wijn tot het laatst had bewaard. (Joh 2:10)

## goedertieren (begrip)

- Vol trouwe liefde — vriendelijk, mild, barmhartig (Hebreeuws chasid). Bij God. (Ps 18:26)

## goedertierenheid (begrip)

- Hebr. chesed — Gods trouwe verbondsliefde. Standvastige goedheid waarmee God Zijn beloften gestand doet. (Ps 5:8)
- Welwillende, weldadige gezindheid van God en mensen. Een van de kenmerken van de liefde en vrucht van de Geest. (1 Kor 13:4)

## goedertierenheid Gods (begrip)

- Vriendelijke goedheid van God jegens de mensen, in nieuwtestamentisch gebruik vooral geopenbaard in de komst van de Heiland. (Tit 3:4)

## goedgunstigheid (begrip)

- Gods welwillende, vriendelijke houding waarmee Hij gaven uitdeelt zonder dat ze verdiend zijn. Verwant aan goedertierenheid maar legt nadruk op Gods bereidwillige genegenheid. (Ps 5:13)

## goferhout (natuur)

- Houtsoort waarvan op Gods bevel de ark van Noach werd gebouwd. De precieze identificatie is onzeker; vaak gedacht aan cipressenhout. (Gen 6:14)

## Gog (persoon)

- Eindtijdsvolkeren die door Satan verleid worden. (Openb 20:8)

## Gog en Magog (begrip)

- De volken die Satan na de duizend jaar verleidt om de heiligen te omsingelen. (Op 20:8)

## Gog op bergen Israëls (uitdrukking)

- Profetische voorzegging dat de eindtijd-vijand op de bergen van Israël door God zelf wordt verslagen. Onderdeel van de eschatologische profetie. (Ez 39:2)

## Gog uit het land Magog (uitdrukking)

- Profetische gestalte van een grote eindtijd-vijand uit het verre noorden. In de Openbaring van Johannes opgenomen als symbool voor de eindstrijd tegen Gods volk. (Ez 38:2)

## Golan (plaats)

- Vrijstad in Basan ten oosten van de Jordaan, in het gebied van halve Manasse. Een van de drie oostelijke vrijsteden voor doodslagers. (Joz 20:8)

## Golgotha (plaats)

- Aramees voor 'schedelplaats'. Heuvel net buiten de muren van Jeruzalem, plaats van Jezus' kruisiging. (Matt 27:33)

## Goliat (persoon)

- Filistijnse reus uit Gat die door de jonge David werd verslagen volgens 1 Samuel 17. (Matt 1:1)

## Goliath (persoon)

- Filistijnse reuzenkrijgsman uit Gath, naar verluidt afstammeling van de Anakim. Bekend om zijn nederlaag tegen de jonge David in een tweegevecht. (1Sam 17:4)
- Filistijnse reus die David versloeg. Niet expliciet genoemd in Psalmen, maar verbonden aan Davids vroege heldendaden. (Ps 18:1)
- Filistijnse reus uit Gath die volgens 1 Samuël 17 door de jonge David met een steen uit een slinger werd verslagen. (Sir 47:4)

## Goliath de Gathiet (persoon)

- Filistijnse reuzenkrijgsman uit Gat, naar verluidt afstammeling van de Anakim. Bekend om zijn nederlaag tegen de jonge David in een tweegevecht. (1 Kron 20:5)

## Goliaths broer (persoon)

- Aanduiding voor Lachmi, een Filistijnse reus uit Gat. Volgens de Schrift een van de afstammelingen van het reuzengeslacht in Filistea. (2Sam 21:19)

## gom (natuur)

- Welriekende harssoort, kostbare handelswaar in de oudheid. Gebruikt als reukwerk en geneesmiddel. (Gen 37:25)

## Gomer (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Jafeth en stamvader van een volk in het noorden, mogelijk de Cimmeriërs. Vader van Askenaz, Rifath en Togarma. (Gen 10:2)
- Vrouwsnaam, in de Bijbel met name bekend als de vrouw van de profeet Hosea. Door God aangewezen om symbool te zijn van het ontrouwe Israël. (Hos 1:3)

## Gomer en Bethtogarma (volk)

- Bijbelse aanduidingen voor volken uit het hoge noorden, vermoedelijk in Klein-Azië. Genoemd onder de zonen van Jafet. (Ez 38:6)

## Gomorra (plaats)

- Stad in het Jordaan-vlakteland bij de Dode Zee, samen met Sodom door God verwoest met vuur en zwavel vanwege haar grote zonde. (Gen 10:19)
- Stad in het Jordaandal die samen met Sodom om haar zonden werd verwoest. (2 Petr 2:6)
- Stad in de Jordaanvlakte die volgens Genesis samen met Sodom door God met vuur en zwavel werd verwoest. Symbool van algehele goddelijke verwoesting. (Mi 1:4)

## Gord nu uw lendenen als een man (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking waarbij iemand wordt opgeroepen zich gereed te maken voor een ernstige ondervraging of taak. Klassieke wending in profetisch spreken. (Job 38:3)

## gordel (begrip)

- Brede band om het middel die het lange opperkleed bijeenhield. Het 'omgorden van de lendenen' staat symbool voor gereedheid tot dienst of strijd. (Joz 1:1)
- Riem die het kleed vasthoudt; beeld voor toerusting. (Ps 18:40)

## Gorgias (persoon)

- Seleucidische veldheer in de tweede eeuw v.Chr., gouverneur van Idumea onder Antiochus IV. Tegenstander van Judas Makkabeüs. (1 Makk 3:38)

## Gorgias' ruiter (persoon)

- In het apocriefe 2 Makkabeeën Dositheüs, een joodse ruiter die de Seleucidische veldheer Gorgias bijna gevangennam in een gevecht. (2 Makk 12:35)

## Gortyna (plaats)

- Belangrijke stad op het eiland Kreta, in de oudheid een van de hoofdsteden van het eiland. (1 Makk 15:23)

## Gosen (plaats)

- Vruchtbare streek in het oostelijk deel van de Nijldelta, woonplaats van Israël tijdens de Egyptische periode. (Gen 45:10)
- Vruchtbare streek in het oostelijk deel van de Nijldelta, woonplaats van Israël tijdens de Egyptische periode. Bleef gespaard van de plagen. (Ex 8:22)

## goud beproefd (begrip)

- Het geloof is veel kostelijker dan goud dat vergaat en nochtans door het vuur beproefd wordt — beeld van loutering door lijden. (1 Petr 1:7)
- Bijbels beeld voor het louteren van het geloof door beproeving, naar de wijze waarop goud in een smeltkroes wordt gezuiverd. (Sir 2:5)

## goud en zilver (begrip)

- De edelmetalen die in het oude Nabije Oosten als waardestandaard golden. Vaak misbruikt voor het maken van afgodsbeelden. (Hos 2:8)
- De edelmetalen die in het oude Nabije Oosten als waardestandaard golden. Volgens de Bijbel behoren alle schatten der aarde aan God toe. (Hag 2:8)

## goud van Juda (begrip)

- De koninklijke en tempelgouden voorraden in Jeruzalem, opgebouwd vanaf de tijd van David en Salomo. Werden door verschillende vijandelijke koningen geheel of gedeeltelijk weggevoerd. (2 Kon 18:15)

## goud van Ofir (begrip)

- Goud uit de niet zeker geïdentificeerde streek Ofir, gold als bijzonder zuiver en kostbaar. Werd in de Schrift vaak als toonbeeld van rijkdom genoemd. (1 Kron 29:4)

## goud van Tharsis (begrip)

- Edelmetaal afkomstig uit het verre handelsland Tharsis, vermoedelijk in Spanje. Symbool van kostbare goederen uit de wereldhandel. (Zach 6:11)

## gouden drinkbeker (voorwerp)

- De gouden beker in de hand van de grote hoer, vol van gruwelen en onreinheid van haar hoererij. (Op 17:4)

## gouden kalf (begrip)

- Het beeld dat Aäron bij Sinaï maakte op aandringen van het volk, van hun gouden oorringen. Symbool van Israëls afgoderij en verbreking van het verbond. (Ex 32:4)
- Het beeld dat Aäron bij Sinaï maakte op aandringen van het volk, terwijl Mozes op de berg was. Symbool van Israëls afgoderij en verbreking van het verbond. (Dt 9:16)

## gouden kalveren (begrip)

- Twee gouden stierbeelden die door Jerobeam in het noordelijke rijk werden opgericht als alternatief voor de tempeldienst in Jeruzalem. Werden door de Schrift consequent als hoofdzonde van het noordrijk veroordeeld. (1 Kon 12:28)

## gouden keten (overig)

- Sieraad of ambtsketen van goud, gedragen om de hals als teken van waardigheid en hoog ambt. In Egypte symbool van koninklijke gunst. (Gen 41:42)

## gouden scepter (begrip)

- Koninklijke staf, teken van vorstelijke macht. In het Perzische hof werd het uitsteken ervan gezien als gunstbewijs aan wie ongeroepen voor de koning verscheen. (EstAp 15:9)
- Stafvormig waardigheidsteken van een Perzische vorst, symbool van zijn heerschappij en gezag. Het uitstrekken ervan naar een onderdaan diende als teken van koninklijke gunst. (Esth 5:2)

## gouden straat (voorwerp)

- De straat der stad is louter goud, gelijk doorluchtig glas. (Op 21:21)

## Gozan (plaats)

- Streek en stad in het noorden van Mesopotamië aan de rivier Habor. Werd door de Assyriërs gebruikt als deportatieoord voor weggevoerde bevolkingsgroepen, waaronder Israëlieten. (2 Kon 17:6)
- Streek en stad in het noorden van Mesopotamië aan de rivier Habor. Werd door de Assyriërs gebruikt als deportatieoord voor weggevoerde bevolkingsgroepen. (2 Kron 30:9)

## graan (begrip)

- Verzamelnaam voor tarwe, gerst en andere broodvruchten. Hoofdgewas in de landbouw van het oude Israël en vaak beeld van geestelijke oogst. (Matt 12:1)
- Verzamelnaam voor tarwe, gerst en andere broodgewassen. In Israël, samen met wijn en olie, een van de hoofdgaven van de oogst en teken van Gods zegen. (Joël 1:10)

## graan van het kwade zaads (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor het kwaad dat in het hart van de mens is gezaaid en daaruit als oogst voortkomt. (4 Ezra 4:30)

## graf (begrip)

- Plaats waar het lichaam wordt begraven; in de psalmen vaak beeld van de macht van de dood en van het dodenrijk. (Ps 5:10)
- Begraafplaats voor de dode, in Israël meestal een uitgehouwen rotsholte gesloten met een steen. (Matt 27:60)

## graf als woning (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking waarbij het graf als woonplaats van de dode wordt voorgesteld. Onderdeel van de oudtestamentische voorstelling van het hiernamaals. (Job 17:13)

## graf der koningen (begrip)

- Familiegraf van het Davidische koningshuis in de stad Davids in Jeruzalem. Bevatte de stoffelijke resten van de meeste koningen van Juda, met enkele uitzonderingen. (2 Kon 21:18)

## graf van profeten (begrip)

- Graf of monument ter nagedachtenis van een profeet uit Israëls geschiedenis. (Luk 11:47)

## grafdoeken (overig)

- Linnen doeken waarmee het lichaam van een overledene werd omwikkeld. In het lege graf van Jezus lagen de doeken nog netjes op hun plaats. (Joh 11:44)

## grafstede (begrip)

- Begraafplaats. In de oudheid vaak een familiegraf in een rotsspelonk, waarin meerdere generaties werden bijgezet. (Gen 23:4)

## gramschap (begrip)

- Hevige toorn of woede, vooral langdurig. Zowel van mensen als van God, waar dan rechtvaardige toorn over zonde wordt bedoeld. (Gen 49:7)

## granaatappel (voorwerp)

- Vrucht van de granaatappelboom, in vorm en kleur veelvuldig in de symboliek van Israël. Sierde de zoom van het bovenkleed van de hogepriester en de tempelzuilen. (Ex 28:33)

## Granaatappels op pilaren (uitdrukking)

- Decoratieve elementen op Jachin en Boaz noemt 96 granaatappels per pilaar — totaal 100 met de buitenste rand. (Jer 52:22)

## grasscheutjes (natuur)

- Jonge, pas opkomende grashalmen. Onderdeel van de plantenwereld die God op de derde dag schiep. (Gen 1:11)

## graven der lust (plaats)

- Plaats waar Israëls hunkering naar vlees met een grote plaag werd bestraft. Hebreeuws: Kibroth-Hattaäva. (Num 11:34)

## grenzen van het land (uitdrukking)

- Profetische beschrijving van de toekomstige grenzen van het land Israël, ook met deel voor de vreemdeling die in het volk woont. Onderdeel van de heilsprofetie. (Ez 47:22)

## Griek (volk)

- In het Nieuwe Testament aanduiding voor een niet-jood, vaak iemand uit de Grieks-sprekende heidenwereld rond de Middellandse Zee. (Mark 7:26)
- Niet-Joden, vooral hellenistische Joden en heidenen. (Hand 14:1)
- Niet-Jood, vaak synoniem met heiden in de brieven van Paulus. In Christus zonder onderscheid met de Jood. (1 Kor 1:22)

## Grieken (volk)

- Niet-Joodse, Griekstalige mensen. Sommige Grieken kwamen naar Jeruzalem om op het feest te aanbidden en wilden Jezus spreken. (Joh 7:35)
- In Handelingen meestal de Griekssprekende Joden in de diaspora (Hellenisten), die het Grieks als moedertaal hadden en de Septuagint gebruikten. Onderscheiden van Hebreeuws-sprekende Joden uit Palestina, met spanningen rond bedeling van weduwen. (Hand 6:1)
- Bewoners van het hellenistische cultuurgebied. Na Alexander de Grote dragers van een wereldwijde Griekse cultuur (hellenisme) over de oude oostelijke rijken. (3 Makk 3:5)

## Grieken bij het feest (persoon)

- Grieken die Jezus wilden zien tijdens het Pascha — teken dat de heidenen kwamen. (Joh 12:20)

## Griekenland (plaats)

- Land in zuidoost-Europa, bakermat van de Griekse beschaving en filosofie; in de Makkabeese tijd politiek versplinterd onder hellenistische heerschappij. (1 Makk 1:1)
- Het land van de Javanen of Grieken, ten westen van Klein-Azië. In oudtestamentische profetie aangeduid als ver gelegen handelsgebied. (Joël 3:6)

## grijsheid (begrip)

- Hoge leeftijd; sieraad van de rechtvaardige. (Spr 16:31)
- Verouderde aanduiding voor hoge ouderdom, gekenmerkt door grijs haar. In de bijbel teken van Gods zegen en wijsheid. (Sir 3:13)

## grimmigheid (begrip)

- Felle toorn; vooral van koning gevreesd. (Spr 27:4)

## groei van geloof (begrip)

- Versterking en toename van het geloof bij gelovigen, dikwijls samen met overvloedige onderlinge liefde. (2 Th 1:3)

## groene olijfboom (uitdrukking)

- Beeld voor verkozen Israël ten ondergang. (Jer 11:16)

## groet (begrip)

- Christelijke begroeting, vaak met genade en vrede toegewenst. Uiting van de gemeenschap der heiligen. (1 Kor 16:21)
- Begroeting van personen; in de oudchristelijke context tevens uiting van geloofsgemeenschap, en daarom geweigerd aan dwaalleraars. (2 Joh 1:10)

## groet allen (begrip)

- Slotgroet waarin de afzender zichzelf en zijn medewerkers laat groeten, en de geadresseerde verzoekt anderen te groeten. (Tit 3:15)

## groet eigenhandig (begrip)

- Eigenhandige slotgroet aan het einde van een brief als waarmerk van echtheid tegenover vervalsing. (2 Th 3:17)

## groeve (begrip)

- Kuil, valstrik, en bij uitbreiding het graf. De goddeloze graaft een groeve voor anderen en valt er zelf in — beeld van vergeldend recht. (Ps 7:16)

## grondlegging der wereld (begrip)

- Christus is voorgekend vóór de grondlegging der wereld — eeuwig raadsbesluit Gods tot de zaligheid van Zijn volk. (1 Petr 1:20)

## grondvesten (begrip)

- Fundamenten; symbool van standvastigheid. (Spr 8:29)

## groot avondmaal (begrip)

- De gelijkenis van het grote avondmaal waarvoor de genodigden zich verontschuldigden, en de heer de armen liet binnenroepen. (Luk 14:16)

## groot gewin (begrip)

- Werkelijke winst; godzaligheid met vergenoeging als blijvend voordeel boven aardse rijkdom. (1 Tim 6:6)

## Groot is Diana (begrip)

- Het twee uren durende geroep van de menigte in het theater te Efeze. (Hand 19:34)

## groot offermaal (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarin vogels en wilde dieren worden uitgenodigd voor een maaltijd van gevallen vijanden. Komt ook voor in de Openbaring van Johannes. (Ez 39:17)

## groot van goedertierenheid (begrip)

- Aanduiding voor Gods overvloedige verbondstrouw en standvastige liefde. Vast onderdeel van de oudtestamentische belijdenis over Gods karakter. (Jon 4:2)

## grootheid (begrip)

- Bijbels begrip voor de macht en heerlijkheid van God of zijn werken, die in de schepping zichtbaar worden. (Wijsh 13:5)

## grootmoeder (begrip)

- Lois, grootmoeder van Timotheüs, droeg het ongeveinsd geloof over. (2 Tim 1:5)

## grootsheid des levens (begrip)

- Hoogmoed of pralerige vertoon van het leven — een van de drievoudige werelddrijfveren tegenover de wil des Vaders. (1 Joh 2:16)

## grootste liefde (begrip)

- 'Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zet voor zijn vrienden'. (Joh 15:13)

## grootste van al die van het oosten (uitdrukking)

- Eervolle aanduiding voor de aanzienlijkste man in de oostelijke woestijngebieden. Verwijst naar bezit, eer en geestelijk aanzien. (Job 1:3)

## grote aardbeving (begrip)

- De grote aardbeving bij de zevende schaal, hoedanige niet is geweest sinds er mensen op de aarde geweest zijn. (Op 16:18)

## grote ceder Assyrië (uitdrukking)

- Profetische gelijkenis waarin Assyrië met een grote ceder van Libanon wordt vergeleken. Beeld van wereldmachten die door God worden geveld. (Ez 31:3)

## grote draak (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor Egypte als een groot zee- of waterdier in de Nijl. Onderdeel van de oudtestamentische beeldspraak voor wereldmachten. (Ez 29:3)

## grote en kleine voorhof (uitdrukking)

- Architectonische onderscheiding tussen het buitenste en binnenste tempelplein. Onderdeel van de tempelarchitectuur. (Ez 40:23)

## grote God en Zaligmaker (begrip)

- Christologische titel waarin Christus uitdrukkelijk als God en Heiland wordt beleden. (Tit 2:13)

## grote Herder (begrip)

- De God des vredes heeft de grote Herder der schapen door het bloed des eeuwigen verbonds uit de doden weergebracht — Jezus onze Heere. (Hebr 13:20)

## grote hoer (persoon)

- De grote hoer Babylon, gezeten op vele wateren — beeld van de tegen God opgestane wereldmacht. (Op 17:1)

## grote letters (begrip)

- Letterlijk geschreven met grote letters; aanduiding van de eigenhandige slotgroet van Paulus in zijn brief aan de Galaten. (Gal 6:11)

## grote rode draak (persoon)

- De grote rode draak met zeven hoofden en tien hoornen, en zeven koninklijke hoeden — de oude slang Satan. (Op 12:3)

## grote schare (begrip)

- De schare die niemand tellen kon, uit alle volken, talen en natiën, met palmtakken in hun handen voor de troon. (Op 7:9)

## grote stad (plaats)

- De stad die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, waar onze Heere ook gekruisigd is — Jeruzalem. (Op 11:8)

## grote stenen onder leem-tegels (uitdrukking)

- Jeremia moet in Tahapanhes grote stenen verbergen in het leem onder de tichelovens — symbool dat Nebukadnezar daar zijn troon zou opslaan en heel Egypte slaan. (Jer 43:9)

## grote verdrukking (begrip)

- De ergste lijdenstijd waaruit de grote schare zijn voortgekomen. (Op 7:14)

## Grote Verzoendag (cultisch)

- Jaarlijkse vasten- en verzoeningsdag op de tiende dag van de zevende maand. De enige dag waarop de hogepriester het Heilige der heiligen binnentrad om verzoening te doen voor het volk. (Lev 16:29)

## grote wind van over de woestijn (uitdrukking)

- Hevige wind uit het zuidoosten of oosten, in het Midden-Oosten gevreesd om zijn verwoestende kracht. Soms aanleiding tot huiseinstortingen. (Job 1:19)

## groter blijdschap (begrip)

- Aanduiding van de allerhoogste vreugde van een geestelijk leidsman: te vernemen dat zijn geestelijke kinderen volharden in het geloof. (3 Joh 1:4)

## groter is Hij (begrip)

- Gij zijt uit God, kinderkens, en hebt hen overwonnen; want Hij die in u is, is meerder dan die in de wereld is. (1 Joh 4:4)

## gruwel (begrip)

- Hebr. תּוֹעֵבָה (toevah) — wat God verafschuwt. Zes (zeven) gruwelen: trotse ogen, valse tong, bloed-vergietende handen, kwaadzinnig hart, snel-tot-kwade voeten, valse getuige, twiststoker. (Spr 6:16)

## gruwel der verwoesting (begrip)

- Uit het boek Daniël afkomstige uitdrukking voor een afgodisch voorwerp dat de tempel ontheiligt. In de evangeliën aangewend voor een eindtijdteken. (Matt 24:15)
- Bijbelse uitdrukking (uit Daniël 9, 11 en 12) voor een afgod of heidens altaar dat in de tempel wordt geplaatst en deze ontwijdt. (1 Makk 1:54)

## Gulden Regel (begrip)

- 'Gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks'. (Luk 6:31)

## gulzig (begrip)

- Onmatig in eten; bereidt schande. (Spr 23:21)

## Guni (persoon)

- Zoon van Naftali en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Naftali. (Gen 46:24)

## gunst (begrip)

- Welwillendheid en goedgezindheid jegens iemand. In de Bijbel vooral Gods onverdiende welwillendheid jegens de mens. (Gen 39:4)

## Gunstgenoot (begrip)

- Iemand die in Gods bijzondere gunst staat — een vertrouweling, vriend van God. David noemt zichzelf zo en spreekt over de "gunstgenoten" als de heiligen op aarde, in wie hij zijn lust heeft. (Ps 16:3)

## gymnasium (begrip)

- Griekse instelling voor lichaamsoefening en culturele vorming van jonge mannen. Centraal in de hellenistische cultuurspreiding. (2 Makk 4:9)

## haag rondom (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor Gods bescherming die als een omtuining om iemand staat. Sluit de gelovige veilig af van vijandelijke machten. (Job 1:10)

## haan (begrip)

- Mannelijke kip, bekend om zijn kraaien voor het aanbreken van de dag. In de evangeliën verbonden met Petrus' verloochening van Jezus. (Matt 26:34)

## haar Absaloms (begrip)

- Beroemd uitzonderlijk lange en zware haardos van Davids zoon Absalom. Werd jaarlijks geknipt en gewogen, en speelde een fatale rol bij zijn dood. (2Sam 14:26)

## haar in drieën (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij geschoren haar in drie delen wordt verdeeld als beeld voor het drievoudig oordeel over een stad. Onderdeel van symboolperformance. (Ez 5:1)

## haar van zijn hoofd (begrip)

- Letterlijk de haren op het hoofd. (BelDra 1:35)

## haarduisteringen (begrip)

- Profetische beelden waarin zon, maan en sterren hun licht verliezen. Begeleiden bij de profeten de aankondiging van de dag des HEEREN. (Joël 2:31)

## haarscheren en stof (uitdrukking)

- Klassieke rouwgebaren in het oude Nabije Oosten waarbij men het hoofd schoor en zich met stof bestrooide. Teken van diepe verootmoediging. (Job 1:20)

## haast tot u komen (begrip)

- Voornemen tot een spoedig persoonlijk bezoek, vaak uitgesproken aan het slot van apostolische brieven. (3 Joh 1:14)

## haastig (begrip)

- Voorbarig, ondoordacht. (Spr 19:2)

## haastig spreken (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor onbedacht en overhaast spreken, in de wijsheidsliteratuur als onverstandig en gevaarlijk gemeden. (Sir 5:11)

## haat (begrip)

- Tegen de bidder gericht door zijn vijanden. (Ps 25:19)
- Wie zijn broeder haat is in de duisternis en is een doodslager. (1 Joh 2:9)
- Bijbels begrip voor diepgaande afkeer van of vijandschap jegens iemand. In de wet van Mozes verboden tegenover de naaste. (Sir 28:6)

## haat is doodslag (begrip)

- Een ieder die zijn broeder haat, is een doodslager; en u weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende. (1 Joh 3:15)

## haat tegen vader en moeder (begrip)

- Hyperbolische uitdrukking voor het stellen van Jezus boven alle andere bindingen. Geen oproep tot werkelijke haat, maar tot onverdeelde toewijding. (Luk 14:26)

## haatdragen (begrip)

- Het bewust koesteren van vijandige gevoelens jegens iemand. In de profeten vooral negatief verbonden met vijandschap tegen Gods boodschappers. (Hos 9:8)

## haatdragend (begrip)

- Aanduiding van een levenshouding die door boosheid en nijdigheid bepaald wordt; in pastorale brieven kenmerk van het leven voor de bekering. (Tit 3:3)

## Habakuk (persoon)

- De profeet wiens woord Paulus in Antiochië Pisidisch aanhaalt. (Hand 13:41)
- Profeet uit Juda van wie het gelijknamige bijbelboek stamt, vermoedelijk werkzaam aan het einde van de zevende eeuw v.Chr. (BelDra 1:32)
- Profeet uit het einde van de 7e eeuw v.Chr., wiens naam mogelijk 'omarming' betekent. Voert in zijn boek een dialoog met God over geweld en gerechtigheid. (Hab 1:1)

## Habor (plaats)

- Rivier in het noorden van Mesopotamië, een belangrijke zijrivier van de Eufraat. Stroomgebied diende als deportatieoord voor Israëlieten na de val van Samaria. (2 Kon 17:6)

## Hadach (begrip)

- Mogelijk een variantspelling van Hadad, de Aramese stormgod. Komt voor in samenstellingen met andere godennamen. (2 Kon 5:18)

## Hadad (persoon)

- Een van de oude koningen van Edom, zoon van Bedad. Versloeg de Midianieten in het veld van Moab. (Gen 36:35)
- Edomitische prins uit het koninklijk huis, ontkomen aan de slachting onder David. Vluchtte naar Egypte en werd daar zwager van Farao, voordat hij als tegenstander van Salomo terugkeerde. (1 Kon 11:14)
- Aramese stormgod, hoofdgod in de Aramese pantheon en vergelijkbaar met de Kanaänitische Baäl. Komt voor in samenstellingen als Hadadezer en Ben-Hadad. (2 Kon 13:24)
- Edomitische prins uit het koninklijk huis, ontkomen aan de slachting onder David. Vluchtte naar Egypte en keerde later als tegenstander van Salomo terug. (2 Kron 8:1)

## Hadad (Ismaël) (persoon)

- Zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:15)

## Hadad-Rimmon (plaats)

- Plaats in de Jizreëlvlakte nabij Megiddo. Werd in de profetische literatuur als toonbeeld genoemd van een rouwklacht over een gestorven koning. (2 Kron 35:24)

## Hadadezer (persoon)

- Aramese koning van Zoba ten noorden van Damascus. Bondgenoot van de Ammonieten in hun strijd tegen Israël en geduchte tegenstander van koning David. (2Sam 8:3)

## Hadadrimmon (plaats)

- Plaats in de vlakte van Megiddo, mogelijk verbonden met de godheid Hadad-Rimmon. Verbonden met grote rouwklacht in profetische literatuur. (Zach 12:11)

## Hadar (persoon)

- Andere naam van Hadad, zoon van Ismaël. Ook naam van een latere koning van Edom. (Gen 25:15)

## Hadassa (persoon)

- Joodse naam van koningin Esther, met de betekenis 'mirteboom'. De mirte gold in het oude Israël als symbool van vrede en welwillendheid. (Esth 2:7)

## Hades (begrip)

- Grieks woord voor het dodenrijk, het verblijf van de overledenen na de dood. In het Nieuwe Testament soms aanduiding van de plaats van straf. (Hand 2:29)
- Gevangenis van de doden, geworpen in de poel des vuurs. (Openb 1:18)

## Hadora (plaats)

- Plaats in het stamgebied van Juda, vermoedelijk gelegen in het zuidwestelijke laagland. Werd door koning Rehabeam versterkt als deel van zijn vestingsgordel. (2 Kron 11:9)

## Hadoram (persoon)

- Zoon van Joktan en nakomeling van Sem. Stamvader van een zuid-Arabische stam. (Gen 10:27)
- Zoon van Toi, koning van Hamath, naar koning David gezonden om hem geluk te wensen met de overwinning op Hadadezer. Bracht koninklijke geschenken van goud, zilver en koper. (1 Kron 18:10)

## Hadrach (plaats)

- Streek in Syrië in het noorden, ten zuiden van Hamath. Vermeld in profetische teksten als deel van het Aramese gebied. (Zach 9:1)

## Hagar (persoon)

- Egyptische slavin van Sara, die haar als bijvrouw aan Abraham gaf. Moeder van Ismaël; werd door God in de woestijn bewaard. (Gen 16:1)
- In Handelingen niet expliciet — wel impliciet in de discussie over Joods en niet-Joods. (Hand 7:8)
- Slavin van Sara en moeder van Ismaël. Type van het verbond van Sinaï in Galaten 4. (Rom 4:19)
- Dienstmaagd van Sara; type van het oude verbond, het Sinaïtische verbond. (Gal 4:24)
- Egyptische slavin van Sara die Abraham op verzoek van Sara als bijvrouw nam. Moeder van Ismaël en stammoeder van de Ismaëlieten. (Bar 3:23)

## hagedis Egyptes (uitdrukking)

- Vooral over Egypte als bondgenoot waarop Juda hoopte. (Jer 17:5)

## hagedis in de woestijn (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 17:6)

## hagel (begrip)

- IJskorrels die uit onweerswolken vallen. De zevende van de tien Egyptische plagen, met zwaar onweer en vuur dat alle gewassen verwoestte. (Ex 9:23)
- Gods wapen tegen Zijn vijanden. (Ps 78:47)
- Stukken bevroren neerslag. In de bijbel meermalen instrument van Gods oordeel over volken (zoals in de plaag in Egypte). (Sir 43:15)

## hagel en vuur (begrip)

- De eerste bazuinplaag: hagel en vuur, met bloed gemengd, op de aarde. (Op 8:7)

## hagelslag (begrip)

- In Stefanus' rede ontbreekt deze, wel de doodslag van Stefanus zelf door stenen. (Hand 7:58)

## hagelstenen (begrip)

- Stukken bevroren neerslag. In de bijbel meermalen instrument van Gods oordeel over volken (zoals in de plaag in Egypte). (Wijsh 5:22)

## Haggai (persoon)

- Oudtestamentische profeet ten tijde van Darius I (rond 520 v.Chr.). Spoorde samen met Zacharia de teruggekeerden aan om de tempelbouw te voltooien. (3 Ezra 6:1)
- Profeet wiens naam 'feestelijk' betekent. Trad samen met Zacharia op in 520 v.Chr. om de teruggekeerde ballingen aan te sporen tot het herbouwen van de tempel. (Hag 1:1)

## Haggaï (persoon)

- Profeet uit het einde van de zesde eeuw v. Chr., tijdgenoot van Zerubbabel en Jesua. Bekend om zijn aansporing tot voortzetting van de tempelbouw na een lange periode van stilstand. (Ezra 5:1)

## Haggi (persoon)

- Zoon van Gad en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Gad. (Gen 46:16)

## Haggith (persoon)

- Een van de vrouwen van koning David, moeder van diens vierde zoon Adonia. Verder is over haar weinig bekend. (1 Kon 1:5)

## Hagri (begrip)

- Stamverband ten oosten van de Jordaan, mogelijk afstammelingen van Hagar. Komt voor in de geslachtsregisters van de Schrift naast andere Arabische groepen. (2 Kron 5:10)

## Halah (plaats)

- Streek of stad in het Assyrische rijk, vermoedelijk in het noorden van Mesopotamië gelegen. Werd door de Assyriërs gebruikt als deportatieoord na militaire campagnes. (2 Kon 17:6)

## halfsikkel waardering (wet)

- Vaste schaal voor het inlossen van geloften, gerangschikt naar leeftijd en geslacht: een man tussen twintig en zestig jaar werd op vijftig sikkels gewaardeerd. (Lev 27:3)

## Halicarnassus (plaats)

- Griekse stad aan de zuidwestkust van Klein-Azië in Karië, beroemd om het mausoleum van Mausolus, een van de zeven wereldwonderen. (1 Makk 15:23)

## Hallel (liturgie)

- Lofzangen die in de joodse eredienst werden gezongen, vooral (Egyptisch Hallel) bij de feesten. (Ps 113:1)

## halleluja (liturgie)

- Liturgische uitroep (Hebr.) die 'looft de HEERE' betekent. Inleiding of slot van diverse psalmen. (Ps 146:1)
- Hebreeuws voor 'looft de HEERE'; lofroep van de hemelse schare. (Op 19:1)

## Hallelujah (liturgie)

- Hebreeuwse oproep.— opschrift en slot van vele psalmen, vooral in het 'kleine Hallel' en 'grote Hallel'. (Ps 104:35)

## hallowing (begrip)

- Engelse term voor 'heiliging', het apart stellen voor God. In het Onze Vader gebruikt voor het hoog houden van de Naam van God. (Matt 6:9)

## halsstarrig (begrip)

- Eigenzinnig en onbuigzaam. Israël wordt soms genoemd. (Ps 78:8)

## halve sikkel (wet)

- Vaste tempelheffing per volwassen man als losgeld voor zijn ziel. Gebruikt voor het onderhoud van de eredienst. (Ex 30:13)

## halve stam Manasse (plaats)

- De helft van de stam Manasse die haar erfdeel ten oosten van de Jordaan ontving, in Basan en Gilead. De andere helft kreeg gebied in centraal Kanaän. (Joz 13:29)

## halve uur stilte (begrip)

- Na de opening van het zevende zegel werd er een halve uur stilte in de hemel. (Op 8:1)

## Ham (plaats)

- Plaats ten oosten van de Jordaan waar Kedor-Laomer de Zuzieten versloeg. Niet met zekerheid te lokaliseren. (Gen 14:5)
- Tweede zoon van Noach, stamvader van een aantal Afrikaanse en Kanaänitische volken. Komt voor in het volkenregister van de geslachtsregisters in de Schrift. (1 Kron 1:8)

## Haman (persoon)

- In Esther de vijand van de Joden aan het Perzische hof. In Tobit verwijst de naam naar Achiachars verrader (Nadab/Nadan), niet naar de Esther-figuur. (Tob 14:10)
- Hofbeambte van Ahasveros uit het bijbelboek Esther, vijand van de Joden. Beraamde hun uitroeiing maar werd zelf opgehangen aan de galg die hij voor Mordechai had bereid. (EstAp 12:6)
- Hoge Perzische staatsambtenaar onder koning Ahasveros, zoon van Hammedatha de Agagiet. Werd berucht om zijn poging het Joodse volk uit te roeien en eindigde aan dezelfde galg die hij voor Mordechai had laten oprichten. (Esth 3:1)

## Hamans val (begrip)

- Aanduiding voor de plotselinge omkeer van het lot van de hoge Perzische ambtenaar Haman. Vormt de scharniergebeurtenis in het verhaal van het boek Esther. (Esth 7:6)

## Hamath (plaats)

- Belangrijke stad aan de Orontes in Syrië, ten noorden van Damaskus. Vormde de noordelijke grens van het ideale Israëlische gebied. (Zach 9:2)
- Aramese stadstaat aan de Orontes in het noorden, ten noorden van Damascus. Onderhield wisselende relaties met Israël, soms vriendschappelijk, soms vijandig. (2 Kon 17:30)

## Hamathiet (volk)

- Een van de Kanaänitische volken, afstammelingen van Kanaän. Bewoners van de stad Hamath in het noorden van Syrië. (Gen 10:18)

## Hamathitisch (volk)

- Een van de Kanaänitische volken, afstammelingen van Kanaän. Bewoners van Hamath in het noorden van Syrië. (Gen 10:18)

## Hammaäloth (liturgie)

- Psalmen die door de pelgrims naar Jeruzalem werden gezongen. (Ps 120:1)

## Hammedatha (persoon)

- Vader van de hoge Perzische ambtenaar Haman, in de Schrift aangeduid als Agagiet. Verdere gegevens over hem zijn schaars. (Esth 3:1)

## Hamul (persoon)

- Tweede zoon van Perez en kleinzoon van Juda. Hoofd van een clan van de stam Juda. (Gen 46:12)

## Hanameël (persoon)

- Neef van Jeremia (zoon van zijn oom Sallum); bood Jeremia het lossersrecht op zijn akker in Anathoth. (Jer 32:7)

## Hanan (persoon)

- Naam (betekenis 'genadig') van meerdere personen in de Schrift. Komt onder andere voor in de naballingschapse gemeenschap als bestuurder en tempelfunctionaris. (Esth 1:14)

## Hanani (persoon)

- Profeet ten tijde van koning Asa van Juda, vader van de profeet Jehu. Werd door koning Asa gevangengezet wegens zijn berispende woord over diens verbond met Aram. (2 Kron 16:7)
- Broer van Nehemia, behorend tot de Joodse gemeenschap in Juda na de ballingschap. Werd door Nehemia in een vertrouwenspositie aangesteld bij het bestuur van het herbouwde Jeruzalem. (Neh 1:2)

## Hananja (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een commandant van de burcht in het naballingschapse Jeruzalem. Stond bekend om zijn godsvrucht en betrouwbaarheid. (Neh 7:2)

## hand (afsnijden) (begrip)

- Beeld in de evangeliën voor radicale verzaking aan wat de mens tot zonde verleidt, ook als het als waardevol als een eigen lichaamsdeel ervaren wordt. (Mark 9:43)

## Hand des HEEREN (uitdrukking)

- Geliefd beeld voor Gods machtige werken — zowel ten kwade als ten goede. (Jer 16:21)

## hand ener vrouw (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor onverwachte uitredding door een schijnbaar zwakke. Centraal motief in het apocriefe boek Judith. (Jdt 13:19)

## hand Gods (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor Gods macht, leiding en bescherming over zijn volk en de zijnen. (Wijsh 3:1)

## hand Gods aan de mond (uitdrukking)

- Symbolische handeling. Inwijding tot profeet. (Jer 1:9)

## hand op de mond (uitdrukking)

- En — gebaar van zwijgen en angst, vaak van Zedekia tegenover de vorsten. (Jer 38:5)

## hand van JAHWEH op mij (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het profetisch in beslag genomen worden door God. Vaak inleiding op een visioen of opdracht. (Ez 1:3)

## handel (begrip)

- Koophandel; aanbeveling van vlijt 'haar koophandel is goed'. (Spr 31:18)

## handkus voor zon en maan (uitdrukking)

- Heidense aanbiddingsritueel waarbij men de hand kuste tot teken van eerbied voor hemellichten. In de Bijbel als vorm van afgoderij verworpen. (Job 31:27)

## handschrift (begrip)

- Eigenhandig geschreven document, vooral schuldbekentenis of contract. In de oudheid juridisch bewijsmiddel. (Tob 5:3)

## handwerker (begrip)

- Vakman die met de handen een ambacht uitoefent. In de wijsheidsliteratuur (Sirach 38) gewaardeerd om zijn bijdrage aan de samenleving. (Sir 38:31)

## hangen aan het hout (begrip)

- Citaat over de kruisdood van Christus. (Gal 3:13)

## Hanna (persoon)

- Bejaarde profetes uit de stam Aser, die met de oude Simeon in de tempel het kind Jezus verwelkomde volgens Lukas 2. (Matt 2:23)
- Bejaarde profetes uit de stam Aser, die met de oude Simeon in de tempel het kind Jezus verwelkomde. (Luk 2:36)

## Hannah (persoon)

- Eerste vrouw van de Levietische Elkana en moeder van Samuel. Bekend om haar gebed in haar onvruchtbaarheid en haar lofzang bij de geboorte van haar zoon. (1Sam 1:2)

## Hanoch (persoon)

- Naam van twee Genesis-personen: een zoon van Ruben (kleinzoon van Jakob) en een kleinzoon van Abraham via Midian. (Gen 46:9)

## Hanoch (Ruben) (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Ruben en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Ruben. (Gen 46:9)

## Hanun (persoon)

- Koning van de Ammonieten, zoon en opvolger van Nahas. Bekend om zijn beledigende behandeling van Davids gezanten, die de aanleiding vormde voor de Ammonitische oorlog. (2Sam 10:4)

## Haran (persoon) (persoon)

- Jongste zoon van Terah en jongere broer van Abraham. Vader van Lot, Milka en Jiska; stierf jong in Ur van de Chaldeeën. (Gen 11:27)

## Haran (plaats) (plaats)

- Stad in het noorden van Mesopotamië, op de handelsroute tussen Ur en Kanaän. Verblijfplaats van Terah en familie en woonplaats van Abrahams verwanten. (Gen 11:31)

## Harbona (persoon)

- Een van de zeven persoonlijke kamerheren (eunuchen) aan het Perzische hof van koning Ahasveros. Speelde een rol bij de val van Haman door de aandacht op diens galg te vestigen. (Esth 7:9)

## hard maken (begrip)

- Het verharden van het hart, zodat iemand niet luistert of berouw heeft. In Exodus zowel een daad van Farao zelf als van God als oordeel. (Ex 7:13)

## hard voorhoofd (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor profetische standvastigheid tegenover de hardnekkigheid van het volk. Klassieke uitdrukking voor onbuigzaamheid in de bediening. (Ez 3:9)

## harde woorden (begrip)

- Alle harde woorden die de goddeloze zondaren tegen Hem gesproken hebben — Henoch's profetie spreekt van rekenschap voor lasterlijke spraak. (Jud 1:15)

## hardheid des harten (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor onontvankelijkheid voor Gods Woord en gebod, een hardnekkig vasthouden aan eigen wil. (Mark 3:5)
- In Lukas niet expliciet zo, maar wel het verzet van Israëls leiders tegen Jezus. (Luk 7:30)

## haren (begrip)

- Met veel haar bedekt, behaard. Esau werd 'rossig en geheel als een haren mantel' geboren, in tegenstelling tot de gladde Jakob. (Gen 25:25)

## Harmagedon (plaats)

- De plaats waar volgens de Openbaring de eindstrijd tussen de koningen der aarde en het Lam plaatsvindt. (Op 16:16)

## harnas (begrip)

- Borstplaat van een soldaat in de oudheid. In de bijbel ook beeld voor gerechtigheid die de gelovige aandoet. (Wijsh 5:18)

## harp (overig)

- Snaarinstrument met klankkast, in de oudheid algemeen gebruikt bij eredienst en feestelijke gelegenheden. (Gen 4:21)
- Snaarinstrument met een raamwerk en doorgaans tien of twaalf snaren. Geliefd in Israëls eredienst en bij de begeleiding van de psalmen. (1Sam 16:23)
- Snareninstrument waarop de Psalmen werden begeleid. (Ps 33:2)

## hars (natuur)

- Welriekende stof gewonnen uit bomen, gebruikt als reukwerk, geneesmiddel en handelsproduct in de oudheid. (Gen 37:25)

## hart als ledige cisterne (uitdrukking)

- Beeld passend. Geschreven in stof — zonder duurzaamheid. (Jer 17:13)

## hart bereiden (begrip)

- Bijbels begrip voor het innerlijk gericht zijn op God of op een bepaalde geestelijke taak. (Sir 2:2)

## hart kwaadzinnig (begrip)

- Hart dat kwade gedachten uitdenkt; gruwel. (Spr 6:18)

## hart van een god (uitdrukking)

- Profetische aanklacht tegen een vorst die zich god waant. Klassieke bijbelse beschrijving van blasfemische trots. (Ez 28:6)

## hart veroordelen (begrip)

- Indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen. (1 Joh 3:20)

## Hasmoneeën (begrip)

- Joodse priesterlijke familie waaruit de Makkabese opstandelingen voortkwamen. Stichters van de Hasmonese dynastie van vorsten en hogepriesters (140-37 v.Chr.). (1 Makk 2:1)

## Hassabja (persoon)

- Vooraanstaande Leviet onder de teruggekeerden met Ezra. Werd samen met Sjerebja belast met het transport van het zilver, goud en de tempelvaten naar Jeruzalem. (Ezra 8:19)

## Hassebja (persoon)

- Vooraanstaande Leviet onder de teruggekeerden uit Babel. Speelde een rol als leider en leraar in de naballingschapse Joodse gemeenschap. (Neh 9:5)

## Hassemua (persoon)

- Lid van het Levitische geslacht van Henadad, behorend tot de naballingschapse gemeenschap. Vestigde zich met andere Levieten in Jeruzalem na de herbouw. (Neh 11:17)

## Hatach (persoon)

- Persoonlijke kamerdienaar (eunuch) van koningin Esther aan het Perzische hof. Bekend uit het boek Esther als boodschapper tussen haar en haar pleegvader Mordechai. (2 Kron 36:22)

## Hatsarmaveth (persoon)

- Zoon van Joktan en nakomeling van Sem. Stamvader van een zuid-Arabische stam in het huidige Hadhramaut. (Gen 10:26)

## Hattus (persoon)

- Lid van het Davidische koningshuis ten tijde van Ezra, leider van een groep teruggekeerden uit Babel. Komt voor in de geslachtslijsten van de tweede terugkeer. (Ezra 8:2)

## have (begrip)

- Verouderd voor bezittingen, vooral aan vee en goederen. Aanduiding voor iemands roerende goederen. (Gen 13:2)

## have en goed (begrip)

- Verouderde uitdrukking voor alle roerende en onroerende bezittingen tezamen. (Gen 12:5)

## havik en arend (begrip)

- Roofvogels die in de Bijbel als voorbeeld dienen van Gods beschikking over de natuur. Onbenaderbaar voor de mens in hun hoge nesten. (Job 39:29)

## Havila (plaats)

- Naam van twee personen (zonen van Cusch en van Joktan) en van een gebied dat door de paradijsrivier Pison werd omspoeld. Bekend om goud en edelstenen. (Gen 2:11)

## Havilah (plaats)

- Streek in Arabië, mogelijk in de zuidoostelijke woestijn. Woongebied van de Ismaëlieten. (Gen 25:18)

## Hazaël (persoon)

- Aramees koning van Damascus, opvolger van Ben-Hadad. Geducht oorlogsvoerder die in de negende eeuw v. Chr. herhaaldelijk Israël en Juda binnenviel. (1 Kon 19:15)

## hazelaar (natuur)

- Loofboom met eetbare noten. Door Jakob gebruikt bij zijn list met de gepelde stokken bij het drenken van Labans vee. (Gen 30:37)

## Hazeroth (plaats)

- Pleisterplaats van Israël in de woestijn na het vertrek uit Sinaï. Plek waar Mirjam met melaatsheid werd geslagen. (Num 12:16)

## Hazezon-thamar (plaats)

- Oude naam van Engedi, een oase aan de westoever van de Dode Zee. Door Kedor-Laomer aangevallen. (Gen 14:7)

## Hazo (persoon)

- Vijfde zoon van Nahor en Milka. Neef van Abraham. (Gen 22:22)

## Hazor (plaats)

- Voornaamste stad in het noorden van Kanaän, gelegen ten noorden van het meer van Galilea. Hoofdzetel van de Kanaänitische koning Jabin en centrum van de noordelijke coalitie tegen Israël. (Joz 11:10)
- Voornaamste stad in het noorden van Kanaän, gelegen ten noorden van het meer van Galilea. Zetel van het Kanaänitische koningshuis van Jabin. (Ri 4:2)
- Oude stad in noord-Galilea, in de bijbel bekend als hoofdstad van een Kanaänitisch koninkrijk dat door Jozua werd verslagen (Jozua 11). (1 Makk 11:67)
- Voornaamste stad in het noorden van Kanaän, gelegen ten noorden van het meer van Galilea. Strategische versterkingsplaats die door verschillende koningen werd uitgebouwd. (1 Kon 9:15)

## Hazor (vrijstad) (plaats)

- Een gelijknamige zuidelijke stad in het Negeb, niet de bekende noordelijke koningsstad Hazor. Genoemd in de stedenlijst van Juda. (Joz 15:23)

## He (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:5)

## Heber (persoon)

- Achterkleinzoon van Sem via Arfachsad en Selah. Vader van Peleg en Joktan; mogelijk naamgever van de Hebreeën. (Gen 10:24)
- Keniet die zich had afgescheiden van zijn stamverwanten en een tent had opgeslagen in het noorden van Kanaän. Zijn vrouw Jaël werd bekend door het doden van Sisera. (Ri 4:11)
- Voorvader van Jezus, naamgever van de Hebreeën. (Luk 3:35)

## Heber (Aser) (persoon)

- Zoon van Berija en kleinzoon van Aser. Hoofd van een clan van de stam Aser. (Gen 46:17)

## hebreeuwse origineel (begrip)

- De Hebreeuwse oorspronkelijke tekst van een bijbelboek (in het bijzonder Sirach), die tot de Tweede Wereldoorlog grotendeels verloren leek maar in fragmenten is teruggevonden. (Sir 1:1)

## Hebreeuwse vrouw (begrip)

- Aanduiding voor een vrouw uit het volk Israël. Vooral door buitenstaanders gebruikt om Israëlieten te benoemen. (Jdt 10:12)

## Hebreeën (begrip)

- Andere naam voor de Israëlieten, vooral gebruikt door en tegenover buitenstaanders. Mogelijk afgeleid van Heber of van een woord dat 'overgekomen' betekent. (Ex 1:15)
- De Aramees-sprekende Joodse christenen, tegenover de Hellenisten. (Hand 6:1)
- Bijbelse aanduiding voor het volk Israël, in het bijzonder met nadruk op zijn afkomst van Heber/Abraham. (2 Makk 7:31)

## Hebreeër (overig)

- Aanduiding voor Abraham en zijn nakomelingen, mogelijk afgeleid van de naam Heber of van een woord dat 'overgekomen' betekent. (Gen 14:13)
- Aanduiding voor een Israëliet, oorspronkelijk vooral gebruikt door of tegenover buitenstaanders. Verbonden met de stamvader Eber. (Jon 1:9)

## Hebron (plaats)

- Oude stad in het zuidelijke bergland van Juda, ongeveer dertig kilometer ten zuiden van Jeruzalem. Plaats van de spelonk van Machpela en eerste hoofdstad van koning David. (Gen 13:18)
- Oude stad in het bergland van Juda, eerder bekend als Kirjath-arba. Verbonden met de aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob, die hier ook werden begraven; later residentie van koning David. (Joz 14:13)
- Oude stad in het bergland van Juda, eerder bekend als Kirjath-arba. Verbonden met de aartsvaders en later eerste hoofdstad van koning David. (1Sam 30:31)
- Oude stad in het bergland van Juda, eerder bekend als Kirjath-arba. Eerste hoofdstad van koning David tijdens zijn regering over Juda alleen. (2Sam 2:1)

## Hebt medelijden met mij, vrienden! (uitdrukking)

- Bijbelse smeking om medeleven van vrienden in tijd van uiterste nood. Klassieke uitdrukking in klaagliteratuur. (Job 19:21)

## hebt Mij liefer dan deze? (begrip)

- De drievoudige vraag van de opgestane Heere aan Petrus, met de opdracht. (Joh 21:15)

## heden (begrip)

- Heden, indien u Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet — een steeds wederkerend appel tot bekering en geloof. (Hebr 3:7)

## heden Beelzebub (begrip)

- Aanduiding voor de satan als 'heer der vliegen', oorspronkelijk een Filistijnse god. In de Bijbel naam voor de overste der demonen. (Zach 3:1)

## heer (begrip)

- Meester, gebieder. Ook eretitel waarmee een man werd aangesproken; in religieuze zin vooral aanduiding voor God. (Gen 18:12)
- Gezagvolle aanspreking, in het Nieuwe Testament zowel beleefdheidsvorm voor een meerdere als titel voor God en voor de verheerlijkte Christus. (Mark 1:3)

## Heer der heiren in Israël (uitdrukking)

- Bijbelse godsbenaming die in Ezechiël weinig voorkomt, in tegenstelling tot 'Adonai JAHWEH'. Onderdeel van de stilistische kenmerken van het boek. (Ez 2:4)

## Heere (naam)

- Eretitel voor God en in het Nieuwe Testament in het bijzonder voor Jezus Christus als Kurios — uitdrukking van Zijn goddelijke heerschappij. (Ex 3:14)
- Traditionele weergave van de Godsnaam JHWH in de Statenvertaling. Drukt Gods soevereine majesteit en trouw als verbondsgod uit. (Spr 3:5)

## Heere als bron der waters (uitdrukking)

- Smeekgebed van Jeremia. (Jer 14:8)

## Heere bestrafe u (begrip)

- Michael durfde zelfs de duivel niet te lasteren, maar zeide: de Heere bestraffe u — voorbeeld van eerbiedige terughoudendheid. (Jud 1:9)

## Heere der heirscharen (naam)

- Naam van JAHWEH als Aanvoerder van de hemelse legers van engelen en sterren. Drukt zijn alomvattende macht uit over de zichtbare en onzichtbare wereld. (Ri 5:23)
- Tot wiens oren het geroep van de bedrogen maaiers is gekomen — God als oppermachtige Verdediger van de onderdrukten. (Jak 5:4)

## Heere der heren (begrip)

- ChristusHeere der heren, en Koning der koningen' — Hij overwint het beest. (Op 17:14)

## Heere des hemels (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor God als hemelse Koning en Rechter voor wiens troon alle dingen openbaar liggen. Klassieke godstitel. (Job 16:19)

## Heere en Meester (begrip)

- Jezus na de voetwassing. (Joh 13:13)

## Heere gekocht (begrip)

- Valse leraars verloochenen de Heere die hen gekocht heeft — kostbare en pijnlijke aanduiding van afval. (2 Petr 2:1)

## Heere geneest (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor Gods levenwekkende werking die zelfs zoute wateren zoet maakt. Onderdeel van de heilsbeloften in profetische literatuur. (Ez 47:9)

## Heere geve vrede (begrip)

- Apostolische zegenwens waarin Christus als Heer van de vrede aangeroepen wordt om de gemeente vrede te schenken. (2 Th 3:16)

## Heere is getrouw (begrip)

- Belijdenis van Gods trouw waarin Hij Zijn beloften vervult en de gelovigen versterkt en bewaart te midden van beproeving. (2 Th 3:3)

## Heere is nabij (begrip)

- Wederkomst-verwachting motiveert christelijke houding. (Fil 4:5)

## Heere kent mij (uitdrukking)

- Vertrouwen ondanks vervolging. (Jer 12:3)

## Heere met uw geest (begrip)

- Vaste apostolische slotzegen waarmee Paulus zijn brieven afsluit, gericht op de innerlijke (menselijke) geest van de geadresseerde — bron van leven en heiliging. (2 Tim 4:22)

## Heere onderzoekt het hart (uitdrukking)

- Klassieke uitspraak over de menselijke verdorvenheid. (Jer 17:9)

## Heere onze gerechtigheid (uitdrukking)

- Profetie over de wettige Spruit uit David — (Hebr. JHWH-Tsidkenu). Messiaanse titel. (Jer 23:6)

## Heere op gerichtsstoel (uitdrukking)

- Klassiek Confession-element. (Jer 11:20)

## Heere Sebaoth (begrip)

- De Heere der heirscharen — tot Wiens oren het geroep van de bedrogen arbeiders gekomen is. (Jak 5:4)

## Heere stond bij (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (2 Tim 4:17)

## Heere tempel, Heere tempel, Heere tempel (uitdrukking)

- Drievoudige bezwering — door Jeremia ontmaskerd als valse zekerheid; alleen waarachtige bekering en gerechtigheid garanderen Gods bescherming. (Jer 7:4)

## Heere vrezen (begrip)

- Bijbels begrip voor de eerbiedige ontzag voor God die zich uit in gehoorzaamheid en wijsheid. Volgens de wijsheidsboeken het beginsel van alle wijsheid. (Sir 1:11)

## Heere zal nederdalen (begrip)

- Eschatologische verwachting van de zichtbare wederkomst van Christus uit de hemel, begeleid door geroep, aartsengelstem en bazuin Gods. (1 Th 4:16)

## Heere zal vergelden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (2 Tim 4:14)

## Heere, Gij hebt mij beweegd (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 15:18)

## Heere, Gij hebt mij overreed (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 20:7)

## heerkrachten (begrip)

- De hemelse legermachten, dat wil zeggen de menigte van engelen die God omringen en dienen. (Gez. Vuur. 1:61)

## heerlijke gemeente (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de gemeente van Christus. (Ef 5:27)

## heerlijkheden lasteren (begrip)

- De dwaalleraars lasteren de heerlijkheden — hemelse machten die zelfs Michael niet zo eerbiedeloos behandelt. (Jud 1:8)

## heerlijkheid (begrip)

- Gods stralende majesteit en eer (kabod). Ook gegeven aan de mens. (Ps 19:2)
- De glans, majesteit en grootheid van God. De discipelen zagen de heerlijkheid van Jezus als de eniggeboren Zoon van de Vader. (Joh 1:14)
- De stralende majesteit van God; ook de toekomende staat van de verlosten. Doel van Gods werk in Christus. (Rom 8:18)
- Christus zal Zijn heiligen onstraffelijk stellen. (Jud 1:24)
- De zichtbare uitstraling van Gods majesteit, kracht en heiligheid. In de Bijbel vaak verbonden met licht, glans en aanbidding. (Hab 2:14)

## Heerlijkheid bekend onder volken (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor de wereldwijde demonstratie van Gods macht na zijn overwinning. Onderdeel van het missionaire perspectief. (Ez 39:21)

## Heerlijkheid des HEEREN (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor de zichtbare manifestatie van Gods aanwezigheid en majesteit. Centraal begrip in de profetische literatuur. (Ez 1:28)

## Heerlijkheid keert terug (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor de terugkeer van Gods aanwezigheid in een nieuw heiligdom na zijn eerdere uittocht. Centraal in de heilsprofetie van Ezechiël. (Ez 43:2)

## heerlijkheid laatste huis (begrip)

- Profetische belofte dat de na-exilische tempel een grotere heerlijkheid zou bezitten dan die van Salomo. In het Nieuwe Testament betrokken op de komst van Christus. (Hag 2:9)

## Heerlijkheid van de cherub naar dorpel (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor Gods stapsgewijze terugtrekking uit de tempel als oordeel over zijn volk. Onderdeel van de visioenen van Ezechiël. (Ez 10:4)

## Heerlijkheid verlaat de cherub (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor de eerste fase van Gods uittocht uit de tempel. Onderdeel van de stapsgewijze terugtrekking in de visioenen van Ezechiël. (Ez 9:3)

## Heerlijkheid verlaat de tempel (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor het uittrekken van Gods aanwezigheid uit de tempel vanwege de zonden van het volk. Diepe theologische crisis in de Bijbel. (Ez 11:23)

## heerschappij (begrip)

- Het uitoefenen van macht en gezag. Door God aan de mens gegeven over de schepping in de scheppingsopdracht. (Gen 1:26)

## heerschappij verachten (begrip)

- Vooral degenen die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen en de heerschappij verachten — de stoute en eigenzinnige. (2 Petr 2:10)

## heerschappijen (begrip)

- Met tronen en machten — geestelijke realiteiten door Christus geschapen. (Kol 1:16)

## heerser (begrip)

- Iemand die met macht en gezag bekleed is. In het scheppingsverhaal worden zon en maan zo genoemd over dag en nacht. (Gen 1:16)

## heersers (begrip)

- Wie macht uitoefenen over volken of staten. In de bijbel verantwoording verschuldigd aan God die hun macht heeft gegeven. (Wijsh 6:2)

## hef-offer voor God en vorst (uitdrukking)

- Profetische bepaling waarbij delen van het beloofde land worden afgezonderd voor de tempel, de priesters en de vorst. Onderdeel van de toekomstige landverdeling. (Ez 45:7)

## hef-offergebied (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor het centrale gebied dat aan de tempel, de priesters, de Levieten en de stad is toegewezen. Onderdeel van de toekomstige landverdeling. (Ez 48:9)

## heffing (cultisch)

- Deel van de buit of opbrengst dat aan de Heere werd opgeheven en aan de priesters of Levieten ten goede kwam. (Num 31:29)

## Hegai (persoon)

- Eunuch en bewaarder van de vrouwen aan het hof van koning Ahasveros. Belast met de voorbereiding van de meisjes die in aanmerking kwamen om koningin te worden. (Esth 2:3)

## heiden (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor een niet-Jood, voor wie de God van Israël niet kent of dient. Verzamelnaam voor alle volken buiten Israël. (1 Makk 1:14)

## heidenen (begrip)

- Volken buiten Israël. (Ps 2:1)
- Niet-joodse volken, in joods en christelijk taalgebruik onderscheiden van Israël. In het Nieuwe Testament eveneens geroepen tot het heil in Christus. (Matt 4:15)
- Volken buiten Israël; in het bijzonder zij die niet de ware God dienden. Door het evangelie tot de gemeente toegebracht. (Rom 1:5)
- Niet-joodse volken; in het Nieuwe Testament aanduiding voor mensen buiten het verbond met Israel en buiten de christelijke gemeente. (3 Joh 1:7)
- Bijbelse aanduiding voor alle volken buiten Israël. Meestal gebruikt voor wie de God van Israël niet kennen of dienen. (4 Ezra 1:11)
- Algemene aanduiding voor de niet-Israëlitische volken. In profetische context vaak werktuigen of voorwerpen van Gods oordeel. (Ob 1:1)
- Algemene aanduiding voor de niet-Israëlitische volken. In de Bijbel zowel onderwerp van oordeel als van Gods reddend handelen. (Jon 1:5)

## Heidenen niet schrikken voor afgoden (uitdrukking)

- Een levendige beschrijving van de afgoderij — afgoden worden uit een boom gehouwen, met zilver en goud overtrokken, met vasthechten van spijkers. (Jer 10:5)

## heidenpinkster (begrip)

- Bij Cornelius werd de Heilige Geest ook aan de heidenen gegeven, zoals aan de Joden op Pinksteren. (Hand 10:45)

## heil (begrip)

- Allesomvattend werk van Gods reddend handelen en de daaruit voortvloeiende staat van welzijn. Omvat vrede, gemeenschap met God en eeuwig leven. (Ps 27:1)

## Heiland (persoon)

- Bijbelse aanduiding voor God als de redder en verlosser van zijn volk. In het Nieuwe Testament op Jezus Christus toegepast. (Sir 51:1)

## heilig (begrip)

- Apartgezet voor God, en daarom rein, verheven en niet gewoon. Centraal Bijbels begrip dat zowel God als wat aan Hem toegewijd is karakteriseert. (Gen 2:3)
- Gods volstrekte verhevenheid en zuiverheid, gescheiden van alle zonde. (Ps 22:4)
- Gelijk Hij die u geroepen heeft heilig is, zo wordt ook gij heilig in al uw wandel; want er is geschreven: zijt heilig, want Ik ben heilig. (1 Petr 1:15)

## Heilig der heiligen (cultisch)

- Het binnenste vertrek van de tabernakel, achter het voorhangsel. Plaats van de ark en van Gods bijzondere aanwezigheid. (Ex 26:34)

## heilig volk (begrip)

- Een heilig volk — Gods volk afgezonderd om Hem te eren en te dienen, geroepen uit de duisternis tot Zijn licht. (1 Petr 2:9)
- Bijbelse aanduiding voor Israël als het door God uitverkoren en aan hem toegewijde volk. (Wijsh 10:15)

## heilig, heilig, heilig (begrip)

- De ononderbroken lofzang der vier dieren om de troon — Trishagion. (Op 4:8)

## heiligdom (plaats)

- De plaats waar God in het bijzonder woont, in de Bijbel achtereenvolgens de tabernakel en de tempel. Ook aanduiding voor het binnenste van die heilige ruimte. (Ps 20:3)
- Christus is doorgegaan in het ware heiligdom, niet door mensenhanden gemaakt. (Hebr 8:2)
- De tempel van God, in het bijzonder het binnenste, meest heilige deel waar alleen aangewezen priesters mochten komen. (Jdt 4:12)
- De tempel van God of een afgod, in het bijzonder het binnenste, meest heilige deel waar alleen aangewezen priesters mochten komen. (3 Makk 1:10)

## Heilige (persoon)

- U hebt de zalving van de Heilige en u weet alle dingen — verwijzing naar de Heilige Geest of naar Christus die de waarheid leert. (1 Joh 2:20)
- Geheiligden in Christus; ook bij Christus' komst. (Jud 1:3)

## heilige berg (begrip)

- De berg Sion in Jeruzalem, waar Salomo de tempel bouwde. Bijbels symbool van Gods uitverkoren woonplaats op aarde. (Wijsh 9:8)
- Aanduiding voor de berg Sion in Jeruzalem als plaats waar Gods tempel staat. Symbool van Gods aanwezigheid onder zijn volk. (Joël 3:17)

## Heilige der heiligen (cultisch)

- Het binnenste vertrek van de tabernakel, achter het voorhangsel. Plaats van de ark; alleen door de hogepriester eenmaal per jaar te betreden op de Grote Verzoendag. (Ex 26:33)
- Het binnenste vertrek van de tabernakel, waar alleen de hogepriester eenmaal per jaar mocht binnengaan met bloed. Type van de hemel waar Christus is ingegaan. (Hebr 9:3)
- Het binnenste vertrek van de tabernakel en de tempel waarin volgens de wet alleen de hogepriester eens per jaar mocht binnengaan. Plaats van de ark des verbonds. (Ez 41:4)

## Heilige Geest (theologisch)

- De Geest van JAHWEH: goddelijke kracht en aanwezigheid die personen begaaft, leidt en sterkt. In de richterentijd kwam zij vooral op de richters om hen tot bevrijdingsdaden te bekwamen. In christelijke leer de derde Persoon van de Drie-eenheid. (Ri 3:10)
- De derde Persoon van de Drie-eenheid, door Vader en Zoon uitgezonden om mensen tot geloof en heiliging te brengen. (Matt 1:18)
- De derde Persoon van de Drie-eenheid, met de Vader en de Zoon één God. Werker van wedergeboorte, geloof en heiliging. (Rom 5:5)
- Derde Persoon van de Drie-eenheid; in het Nieuwe Testament werkzaam in wedergeboorte, heiliging en bekrachtiging van de gelovigen. (1 Th 1:5)
- De Heilige Geest: in het Oude Testament Gods Geest die mensen bekwaamt voor profetie en dienst; in christelijke leer de derde Persoon van de Drie-eenheid. (4 Ezra 14:22)
- De Geest van God: in het Oude Testament Gods kracht die mensen bekwaamt voor profetie en dienst; in christelijke leer de derde Persoon van de Drie-eenheid. (Wijsh 1:5)

## Heilige Geest bedroeven (theologisch)

- Door zonde — bijzonder in woord en wandel — de Heilige Geest, door Wie de gelovige verzegeld is, smart aandoen en Zijn werking weerstaan. (Ef 4:30)

## Heilige Gods (persoon)

- Titel voor de Messias die zijn unieke afzondering en gewijdheid voor God uitdrukt. In de evangeliën door demonen gebruikt voor Jezus. (Mark 1:24)

## heilige handen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (1 Tim 2:8)

## heilige plaats (cultisch)

- Het voorste vertrek van de tabernakel, met de tafel der toonbroden, de gouden kandelaar en het reukaltaar. Alleen toegankelijk voor de priesters. (Ex 26:33)
- Het voorste deel van het inwendige van de tabernakel en de tempel, gelegen vóór het Allerheiligste. Bevatte het reukaltaar, de tafel der toonbroden en de gouden kandelaar(s). (1 Kon 8:8)

## heilige profeet (persoon)

- Bijbelse aanduiding voor een door God geroepen profeet, in het bijzonder voor Mozes als degene die met God van aangezicht tot aangezicht sprak. (Wijsh 10:16)

## heilige roeping (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (2 Tim 1:9)

## heilige Schriften (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (2 Tim 3:15)

## heilige spijs (cultisch)

- Het deel van de offers dat aan de priesters toekwam. Mocht alleen door hen en hun huisgenoten in cultisch reine staat gegeten worden. (Lev 22:2)

## heilige stad (plaats)

- Jeruzalem, woonplaats van Gods tempel en centrum van zijn dienst voor Israël. (Geb. Az. 1:28)
- Bijbelse aanduiding voor Jeruzalem, plaats van de tempel en het centrum van de eredienst aan JHWH. (2 Makk 3:1)

## heilige tempel (begrip)

- Eindbestemming van de gemeentebouw. (Ef 2:21)

## heilige vaten (begrip)

- Het gouden en zilveren tempelgerei dat Nebukadnezar uit Jeruzalem naar Babel meenam en dat door Cyrus aan de teruggekeerden werd teruggegeven. (3 Ezra 2:10)

## heilige zangers (begrip)

- Levitische tempelmuzikanten, georganiseerd door David volgens de geslachten van Asaf, Heman en Jeduthun. (3 Ezra 5:27)

## heiligen (begrip)

- Apartzetten voor God, wijden of toebewijden. God heiligde de zevende dag door erop te rusten van Zijn scheppingswerk. (Gen 2:3)
- Aanduiding voor alle gelovigen, afgezonderd voor God en geheiligd in Christus. Niet beperkt tot enkele uitverkorenen. (Rom 1:7)
- Aanduiding voor alle gelovigen in Christus als door God afgezonderde mensen, behorend tot Zijn volk. (Filem 1:5)

## heiligen kus (begrip)

- Vroegchristelijke groet door middel van een rituele kus, uitdrukking van geloofsgemeenschap onder broeders en zusters. (1 Th 5:26)

## heiligheid den HEERE (begrip)

- Inscriptie van de gouden plaat op de hogepriesterlijke tulband, teken van toewijding aan God. Symbool van de heiliging die God van zijn volk vraagt. (Zach 14:20)

## heiligheidswet (wet)

- Wetscorpus binnen de Tora dat de heiligheid van God en het van Hem afgezonderde leven van Israël centraal stelt. Bevat zowel cultische als ethische voorschriften. (Lev 19:1)

## heiliging (theologisch)

- Het apartzetten van personen of voorwerpen voor de dienst aan God. Ook het proces van zedelijke en geestelijke toewijding aan Hem. (Lev 19:2)
- Het levenslange werk van de Heilige Geest waardoor de gelovige Christus gelijkvormiger wordt. Onderscheiden van de eenmalige rechtvaardiging. (Rom 6:19)
- Het werk van de Heilige Geest waardoor de gelovige meer en meer aan Christus gelijkvormig wordt en in goede werken wandelt. (Hebr 12:14)

## heiligmaking (begrip)

- Het werk van de Geest waardoor de gelovige van zonde vrijgemaakt en aan God toegewijd wordt. Doel: heiligheid in lichaam en geest. (1 Kor 1:30)
- Werk van de Heilige Geest waardoor de gelovige van zonde wordt afgezonderd en aan God toegewijd. (1 Tess 3:13)

## heiligmaking des Geestes (theologisch)

- Het door de Heilige Geest gewerkte proces van afzondering van de zonde en toewijding aan God; vrucht van Gods verkiezing. (2 Th 2:13)

## heimelijke toegang (begrip)

- Verborgen onderaardse gang of doorgang. In de bijbel teken van bedrog of geheime toegang tot afgesloten ruimten. (BelDra 1:12)

## heirleger (begrip)

- Legermacht of menigte. Vaak gebruikt voor de hemelse legerscharen van engelen of voor zon, maan en sterren. (Gen 32:2)
- Georganiseerde gewapende strijdmacht. In profetische taal vaak symbool voor Gods werktuigen van oordeel, of voor de hemelse heerscharen. (Joël 2:11)

## hekamerige zijkamers (uitdrukking)

- Architectonische bijkamers van de tempel in drie verdiepingen, ondersteund door inkrimpende muren. Onderdeel van de tempelarchitectuur. (Ez 41:6)

## hel (begrip)

- In de Bijbel veelal aanduiding voor het dodenrijk (sjeool), of voor de plaats van Gods toornende oordeel. In de Statenvertaling soms gelijkgesteld met 'graf'. (Ps 5:10)
- De plaats of toestand van eeuwige straf voor de verworpenen. In de evangeliën vaak met termen als Gehenna en buitenste duisternis aangeduid. (Matt 5:22)
- Aanduiding voor de plaats of staat van eeuwige straf voor de goddelozen. (2 Tess 1:9)

## helden Davids (begrip)

- Eliteleger van koning David, ingedeeld in de drie eersten, dertig hoofdmannen en de leiding van Joab, Abisai en Benaja. Hun namen en heldendaden zijn opgetekend in een uitgebreide lijst. (2Sam 23:8)

## helden van David (begrip)

- Eliteleger van koning David, ingedeeld in groepen rondom een centrale kerngroep van uitzonderlijk dappere krijgers. Hun namen en heldendaden zijn opgetekend in een uitgebreide lijst. (1 Kron 11:10)

## Heli (persoon)

- Vader van Jozef volgens Lukas' geslachtsregister. (Luk 3:23)

## Heliodorus (persoon)

- Hoge functionaris onder Seleucus IV (begin tweede eeuw v.Chr.) die volgens 2 Makkabeeën 3 de tempelschat van Jeruzalem trachtte te roven. (2 Makk 3:7)

## helle (begrip)

- Oudere term voor sheol; afgrond, dodenrijk. (Spr 15:11)

## hellenisering (begrip)

- De verspreiding van Griekse taal, cultuur en gewoonten in de oosterse landen na Alexander de Grote (vierde tot eerste eeuw v.Chr.). (1 Makk 1:14)

## Hellenisten (volk)

- De Grieks-sprekende Joodse christenen wier weduwen werden veronachtzaamd, aanleiding tot het diakenambt. (Hand 6:1)

## helm (begrip)

- Hoofdbeschermer van een soldaat in de oudheid. In de bijbel ook beeld voor de zaligheid of het oprechte oordeel. (Wijsh 5:18)

## helm der hoop (begrip)

- Beeldspraak waarin de hoop op de zaligheid voorgesteld wordt als helm in de geestelijke wapenrusting van de gelovige. (1 Th 5:8)

## helm der zaligheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (Ef 6:17)

## Hem zien gelijk Hij is (begrip)

- Wij zullen Hem zien gelijk Hij is, en een ieder die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is. (1 Joh 3:2)

## Hemam (persoon)

- Zoon van Lotan en kleinzoon van Seïr de Horiet. Behoort tot de oude Horitische bewoners van Edom. (Gen 36:22)

## Heman (persoon)

- Levitische zanger uit de familie van Korach, aangesteld door David. Naam-gever van een psalm. (Ps 88:1)
- Naam (betekenis 'getrouw') van meerdere personen in de Schrift, waaronder een wijze in Israël en een liedzanger uit de stam Levi. Wordt soms vergeleken met de wijsheid van koning Salomo. (1 Kon 4:31)
- Levitische zanger uit het geslacht van Kahath, een van de drie hoofden van de tempelmuziek onder koning David. Stond bekend om zijn talrijke nageslacht en zijn rol als 'ziener' aan het hof. (1 Kron 6:33)

## Heman, ziener des konings (begrip)

- Aanduiding voor de Levitische zanger Heman in zijn dubbele functie van koorleider en hofprofeet. Onderstreept de verbondenheid van zang, profetie en hofdienst aan het hof van koning David. (1 Kron 25:5)

## Hemdan (persoon)

- Zoon van Disan en nakomeling van Seïr de Horiet. Behoort tot de oude Horitische bewoners van Edom. (Gen 36:26)

## hemel geopend (begrip)

- Stefanus zag de hemelen geopend en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand. (Hand 7:56)

## hemel scheurde (begrip)

- Bijbels beeld voor het openbreken van de scheiding tussen hemel en aarde, zodat God zich openbaart en zijn Geest neerdaalt. (Mark 1:10)

## hemellichten (begrip)

- Zon, maan en sterren als de lichten van het hemelgewelf, geschapen op de vierde scheppingsdag (Genesis 1). (Wijsh 13:2)

## hemels (begrip)

- Wat tot de hemel of de hemelse staat behoort. Tegenover het aardse en stoffelijke gesteld. (1 Kor 15:40)

## hemels Koninkrijk (begrip)

- Eindbestemming na alle vervolging. (2 Tim 4:18)

## hemels patroon (begrip)

- Bijbels begrip dat de aardse tabernakel werd gebouwd naar een hemels voorbeeld dat Mozes op de Sinaï werd getoond (Exodus 25:9, 40). (Wijsh 9:8)

## hemelsblauw (begrip)

- Een van de drie heilige kleuren voor het tabernakelweefsel en de priesterklederen, naast purper en scharlaken. Symbool van de hemel. (Ex 25:4)

## hemelse gave (begrip)

- De hemelse gave die door de verlichten gesmaakt wordt; aanduiding van de geestelijke zegeningen in Christus. (Hebr 6:4)

## hemelse Vader (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor God in zijn vaderlijke betrekking tot zijn volk en zijn kinderen. In het Nieuwe Testament centrale Godsnaam in het onderricht van Jezus. (Sir 23:1)

## hemelse vrederijk (begrip)

- Profetische aanduiding voor de heilstijd waarin alle volken de HEERE zullen dienen en oorlog plaatsmaakt voor vrede. Onderdeel van het eschatologische heilsperspectief. (Mi 4:1)

## hemelse wijsheid (begrip)

- Wijsheid die niet uit de mens maar van God komt. In de bijbel onderscheiden van menselijke wijsheid die slechts aards is. (Wijsh 9:17)

## hemelvaart (begrip)

- Zichtbaar opgenomen worden in de hemel. In het Nieuwe Testament met name de gebeurtenis waarbij Jezus na zijn opstanding naar de hemel ging. (Mark 16:19)
- Jezus werd opgenomen in de hemel terwijl Hij de discipelen zegende. (Luk 24:51)

## Hemor (persoon)

- Heviet en heer van de stad Sichem, vader van Sichem die Dina onteerde. Werd met zijn zoon en alle mannen van zijn stad door Simeon en Levi gedood. (Gen 33:19)
- Hivietische vorst van Sichem ten tijde van de aartsvaders, vader van een gelijknamige zoon. Van hem kocht Jakob het stuk land bij Sichem. (Joz 24:32)

## Henoch (persoon)

- Zevende geslacht van Adam in de lijn van Seth, vader van Methusalach. Wandelde met God en werd weggenomen zonder de dood te zien; leefde 365 jaar. (Gen 5:18)
- De zevende van Adam, die met God wandelde; voorvader van Jezus volgens Lukas. (Luk 3:37)
- Aartsvader die met God wandelde en zonder te sterven werd opgenomen. (Hebr 11:5)
- Vroege aartsvader uit Genesis 5, zevende geslacht na Adam. Volgens Genesis 5:24 'wandelde hij met God' en werd hij door God 'weggenomen'. (Sir 44:16)

## Henoch (Midian) (persoon)

- Zoon van Midian en kleinzoon van Abraham via Ketura. Stamvader van een Midianitische clan. (Gen 25:4)

## Henoch profeteerde (persoon)

- Henoch, de zevende vanaf Adam, heeft ook van dezen geprofeteerd, zeggende: ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen. (Jud 1:14)

## Hephzibah (persoon)

- Vrouw van koning Hizkia van Juda en moeder van zijn zoon Manasse. De naam betekent 'mijn lust is in haar' en wordt door Jesaja ook beeldend voor Sion gebruikt. (1 Kron 3:13)

## herberg (plaats)

- De herberg waar voor Maria en Jozef geen plaats was bij Jezus' geboorte. (Luk 2:7)
- Plaats van logies of onderdak voor reizigers; in apostolische brieven gevraagd ten behoeve van bezoeken aan gemeenten. (Filem 1:22)

## herberg in de woestijn (uitdrukking)

- Verlangen om weg te vluchten van het ontrouwe volk. (Jer 9:2)

## herbergzaamheid (begrip)

- Vergeet de herbergzaamheid niet — de gastvrijheid waardoor sommigen onwetend engelen geherbergd hebben. (Hebr 13:2)
- Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murmureren — gastvrijheid behoort tot het christelijk leven. (1 Petr 4:9)

## herder (begrip)

- Hoeder van schapen of geiten. In de Bijbel hoog geacht beroep en beeld voor God en Zijn dienstknechten die het volk leiden. (Gen 4:2)
- Aanduiding voor God als leider en verzorger van Zijn volk. Ook beeld voor koningen en oversten die het volk leiden. (Ps 23:1)
- Herders te Bethlehem; ook. (Luk 2:8)
- Een van de gaven van Christus aan Zijn gemeente. (Ef 4:11)
- Christus als de goede Herder van Zijn gemeente; ook de opzieners die in Zijn opdracht over de schapen waken. (1 Petr 2:25)
- In de bijbel zowel letterlijk de schaaphoeder als beeld van koningen, leiders en uiteindelijk God en de Messias als verzorgers van het volk. (4 Ezra 2:34)
- Verzorger en leider van een kudde schapen of geiten. In de Bijbel beeld voor koningen, leiders en voor God of de Messias zelf. (Mi 5:4)

## herder en kuddenschapen (uitdrukking)

- Profetie tegen slechte herders die de schapen verstrooien; God belooft Zelf de overige schapen te verzamelen en getrouwe herders te verwekken — geheel parallel aan Ez 34. (Jer 23:4)

## Herder en Opziener (begrip)

- Christus is de Herder en Opziener van de zielen — tot Wie de bekeerde gelovigen zijn teruggebracht. (1 Petr 2:25)

## herderverwerping (begrip)

- Profetisch motief waarin de door God gezonden herder of leider door het volk wordt afgewezen. Heeft profetische lading van messiaans lijden. (Zach 11:12)

## heren naar het vlees (begrip)

- Aardse meesters tegenover de Heere in den hemel. (Ef 6:5)

## Hermas (persoon)

- Lid van de gemeente te Rome, door Paulus gegroet. Verder onbekend. (Rom 16:14)

## Hermes (persoon)

- Lid van de gemeente te Rome, door Paulus gegroet. Verder onbekend. (Rom 16:14)

## Hermogenes (persoon)

- Met Phygellus zich van Paulus afgewend tijdens zijn tweede gevangenschap. (2 Tim 1:15)

## Hermon (plaats)

- Berg in het noorden; 'als de dauw van Hermon'. (Ps 42:7)
- In 3 Makkabeeën genoemd als de olifantmeester aan het hof van Ptolemeüs IV. (3 Makk 5:1)

## Herodes (persoon)

- Naam van een Idumees-joods koningshuis dat door de Romeinen over Palestina werd aangesteld (37 v.Chr.-c. 100 n.Chr.). Herodes de Grote was de stichter. (Matt 2:1)

## Herodes Antipas (persoon)

- Tetrarch van Galilea bij wie Pilatus Jezus heenzond; hij verheugde zich Hem te zien. (Luk 23:7)

## Herodianen (volk)

- Joodse politieke groep uit de eerste eeuw die de belangen van het Herodische koningshuis steunde. In de evangeliën samen met Farizeeën genoemd. (Matt 22:16)

## Herodias (persoon)

- Kleindochter van Herodes de Grote, eerst gehuwd met haar oom Filippus, daarna met diens halfbroer Herodes Antipas. Zette de onthoofding van Johannes de Doper door. (Matt 14:3)

## Herodion (persoon)

- Bloedverwant van Paulus, lid van de gemeente te Rome. Bekend uit de slotgroet. (Rom 16:11)

## herrezen Jeruzalem (begrip)

- Het hemelse of toekomstige Jeruzalem dat in apocalyptische literatuur in heerlijkheid wordt verwacht (vgl. Jesaja 60-62; Openbaring 21). (4 Ezra 10:27)

## herstel door gebed (uitdrukking)

- Bijbels motief waarin iemand wordt hersteld nadat hij voor anderen heeft gebeden. Onderdeel van de epiloog van het boek Job. (Job 42:10)

## herstel Israël (begrip)

- Profetische verwachting dat God na ballingschap en oordeel zijn volk weer in zijn land zal vestigen en zegenen. Vast thema bij de profeten. (Ob 1:21)

## herstel van Israël (uitdrukking)

- God belooft de gevangenis van Zijn volk te wenden. Jakobs benauwdheid, Davids zoon, nieuwe verbond. (Jer 30:3)

## herstelde de gevangenis van Job (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor Gods omkeren van de neergang en het herstellen van de oorspronkelijke staat. Klassiek motief in profetische heilsbeloften. (Job 42:10)

## hert (begrip)

- Dier dat naar waterstromen smacht; beeld voor de dorstige ziel. (Ps 42:2)

## Hesbon (plaats)

- Hoofdstad van de Amoritische koning Sihon, ten oosten van de Jordaan. Door Israël veroverd op weg naar het beloofde land. (Dt 2:24)
- Hoofdstad van het Amoritische rijk van koning Sihon, ten oosten van de Jordaan. Werd door Mozes ingenomen en aan de stam Ruben toegewezen. (Joz 13:17)
- Stad ten oosten van de Jordaan, oude Amoritische hoofdstad plaats van oordeel over Moab. (Jer 48:2)

## Heshbon en Eleale (plaats)

- Moabitische steden, samen met Jahaz — toonbeelden van Moabitische trots die door God gebroken worden. (Jer 48:34)

## het altaar (uitdrukking)

- Aanduiding voor het brandofferaltaar dat in het voorhof van de tempel stond. Centrale plek van de offerdienst in de oudtestamentische eredienst. (Ez 43:13)

## het goede ontvangen, en niet het kwade? (uitdrukking)

- Bijbelse wijsheidsuitspraak over het evenwichtig aanvaarden van zowel voorspoed als tegenspoed uit Gods hand. Klassieke geloofsbelijdenis bij beproeving. (Job 2:10)

## het haar des hoofds (uitdrukking)

- Bijbels beeld waarbij de Geest van God iemand bij het hoofdhaar opneemt en transporteert. Onderdeel van de profetische ervaringen. (Ez 8:3)

## het is geschied (begrip)

- De stem uit de tempel des hemels van de troon — bij de uitstorting van de zevende schaal. (Op 16:17)

## het is volbracht (begrip)

- Jezus' laatste kruiswoord: het verlossingswerk is voltooid. (Joh 19:30)

## het kruid is daar (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor planten die zonder voldoende water snel verdorren. Toegepast op wie zich op anderen verlaat dan op God. (Job 8:12)

## het leem in de hand des pottenbakkers (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de mens als boetseerwerk in Gods soevereine hand. Komt voor in profetische literatuur en bij Paulus in het Nieuwe Testament. (Job 10:9)

## het oog dat mij gezien heeft, zal mij niet meer zien (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de eindigheid van het leven en de afwezigheid na de dood. Klassieke klaaglied-uitspraak. (Job 7:8)

## het vleugelpaar van de struisvogel (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de struisvogel die met haar wieken slaat ondanks haar onvermogen om te vliegen. Onderdeel van de godsrede over de natuur. (Job 39:16)

## hete kameel (uitdrukking)

- Beeld voor het ontemmelijke najagen van afgoden. (Jer 2:23)

## hete oostenwind (begrip)

- Droge en verschroeiende wind uit het oosten of zuidoosten, in Israël bekend als de chamsin of sirocco. Vaak verbonden met Gods oordeel of beproeving. (Jon 4:8)

## Heth (persoon)

- Zoon van Kanaän en kleinzoon van Cham. Stamvader van de Hethieten, oudere bewoners van het bergland rondom Hebron. (Gen 10:15)

## Hethieten (volk)

- Een van de oude Kanaänitische volken, afstammelingen van Heth. Een tak van het machtige Hethitische rijk dat in Klein-Azië heerste. (Gen 15:20)
- Een van de zeven Kanaänitische volken die Israël moest verdrijven. Een tak van het machtige Hethitische rijk dat in Klein-Azië heerste. (Dt 7:1)
- Een van de zeven volken van Kanaän die door Israël hadden moeten worden verdreven. Mogelijk een tak van het grotere Hettitische rijk uit Klein-Azië. (Joz 3:10)
- Een van de zeven volken van Kanaän, mogelijk een tak van het grotere Hettitische rijk uit Klein-Azië. Sommige individuele Hethieten dienden ook in Israëlitische gelederen. (2Sam 11:3)

## Hethkomma (begrip)

- Onduidelijke of verouderde term, niet algemeen gangbaar in de Bijbel. (Ex 1:1)

## Hetzelve (begrip)

- Ouderwets woord voor of, hier verwijzend naar het Woord (Jezus). (Joh 1:3)

## heup (begrip)

- Lichaamsdeel waar been en romp samenkomen. In de oudheid plek waar bij eden de hand werd gelegd; ook Jakobs heup werd ontwricht bij zijn worsteling met de Engel. (Gen 24:2)

## heuvel (begrip)

- Heuvel; vóór de heuvelen was Ik geboren. (Spr 8:25)

## Heva (persoon)

- Andere schrijfwijze van Eva, de eerste vrouw. Door God uit een rib van Adam geformeerd; haar naam betekent 'moeder van alle levenden'. (Gen 3:20)

## Heviet (volk)

- Een van de oude Kanaänitische volken, afstammelingen van Kanaän. Bewoners onder anderen van Sichem en Gibeon. (Gen 10:17)

## Hezron (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Perez en kleinzoon van Juda. Een van de voorvaderen van koning David en van de Messias. (Gen 46:9)

## Hiddekel (plaats)

- Hebreeuwse naam voor de Tigris, een van de twee grote rivieren van Mesopotamië. Een van de vier rivieren die uit Eden voortkwamen. (Gen 2:14)

## Hierapolis (plaats)

- Stad in Frygië, samen met Laodicea waar Epafras voor zwaar werkte. (Kol 4:13)

## Hij Die was, en Die is, en Die komen zal (begrip)

- Drievoudige aanduiding van God de Almachtige die de tijden omvat. (Op 1:4)

## Hij dreigde niet (begrip)

- Toen Hij gescholden werd, schold Hij niet weder; als Hij leed, dreigde Hij niet, maar gaf het over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. (1 Petr 2:23)

## Hij hangt de aarde op aan het niet (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor Gods scheppingsmacht waarbij de aarde zonder zichtbare ondersteuning zweeft. Opmerkelijk juiste kosmologische uitspraak. (Job 26:7)

## Hij heeft mij in modder geworpen (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor uiterste vernedering waarbij iemand in slijk of modder wordt geworpen. Klassieke klaagtaal. (Job 30:19)

## Hij ontdekt diepheden uit duisternis (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor Gods macht om verborgen dingen aan het licht te brengen. Onderdeel van loftuitingen op zijn alwetendheid. (Job 12:22)

## Hij stelt zijn pijlen tegen mij (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor het ervaren van Gods vijandig optreden, vergeleken met de schichten van een schutter. Klassieke klaagtaal. (Job 16:12)

## Hij telt onze schreden (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor Gods nauwgezette observatie van het menselijk leven. Onderdeel van de wijsheidsliteratuur over Gods alwetendheid. (Job 14:16)

## Hij verzegelt de sterren (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor Gods volstrekte heerschappij over de hemellichten. Onderdeel van de loftaal op zijn scheppingsmacht. (Job 9:7)

## Hij weet de weg die ik gegaan ben (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking van vertrouwen dat God ondanks menselijk onbegrip het hele levenspad overziet. Klassieke geloofsuitspraak. (Job 23:10)

## hijgen (begrip)

- Smachtend naar adem; beeld voor diep verlangen. (Ps 119:131)

## Hilkia (persoon)

- Hogepriester ten tijde van koning Josia van Juda. Bekend om de vondst van het wetboek bij de tempelreparatie, die de aanleiding vormde tot de grote reformatie van Josia. (2 Kon 22:4)
- Vader van Jeremia, priester uit Anathoth in het land Benjamin. Niet te verwarren met de hogepriester Hilkia. (Jer 1:1)

## Hilkia, vader van Eljakim (persoon)

- Vader van Eljakim, de hofmeester van koning Hizkia. Niet te verwarren met de gelijknamige hogepriester die ten tijde van koning Josia de tempelhervorming begeleidde. (2 Kon 18:18)

## hinden (begrip)

- Vrouwelijke herten — beeld van snelheid en zekerheid in onbegaanbaar terrein. = God geeft mij behendigheid op moeilijke wegen. (Ps 18:34)

## hinderlaag (begrip)

- Verborgen aanslag; goddelozen leggen hinderlaag voor hun eigen bloed. (Spr 1:11)

## Hira (persoon)

- Inwoner van Adullam in het zuidelijke heuvelland van Juda. Vriend van Juda toen deze zich bij hem vestigde. (Gen 38:1)

## Hirad (persoon)

- Persoonsnaam in het geslachtsregister van Kaïn, in de lijn van Henoch. (Gen 4:18)

## Hiram (persoon)

- Koning van Tyrus en Sidon aan de Fenicische kust, tijdgenoot van David en Salomo. Onderhield vriendschappelijke betrekkingen met Israël en leverde bouwmaterialen voor het paleis en de tempel. (2Sam 5:11)

## Hiram de werkman (persoon)

- Vakkundig brons- en metaalbewerker uit Tyrus, zoon van een vrouw uit de stam Naftali en een Tyrische vader. Bekend om zijn vervaardiging van het koperwerk voor de tempel van Salomo. (1 Kon 7:13)

## Hiram van Tyrus (persoon)

- Koning van Tyrus en Sidon aan de Fenicische kust, tijdgenoot van David en Salomo. Onderhield vriendschappelijke betrekkingen met Israël en leverde bouwmaterialen voor het paleis en de tempel. (1 Kon 5:1)

## Hiram-Abi (persoon)

- Vakkundig brons- en metaalbewerker uit Tyrus, zoon van een vrouw uit Israël en een Tyrische vader. Bekend om zijn vervaardiging van het koperwerk voor de tempel van Salomo. (2 Kron 2:13)

## Hivieten (volk)

- Een van de zeven Kanaänitische volken die Israël moest verdrijven. Onder hen behoorden de Gibeonieten die door list een verbond met Israël sloten. (Dt 7:1)
- Een van de zeven volken van Kanaän, woonachtig in het bergland en bij Sichem. Hieronder vielen ook de inwoners van Gibeon. (Joz 9:7)
- Een van de zeven volken van Kanaän, woonachtig in het bergland en bij Sichem. Werden door God in het land gelaten om Israël te beproeven in haar trouw aan het verbond. (Ri 3:3)

## Hizkia (persoon)

- Koning van Juda onder wiens mannen aanvullende spreuken van Salomo werden verzameld. (Spr 25:1)
- Vrome koning van Juda (regeerde 715-687 v.Chr.). Hervormde de eredienst, weerstond de Assyriërs onder Sanherib en werd door Jesaja begeleid. (Sir 48:17)
- Koning van Juda (ca. 715-686 v.Chr.), bekend om zijn godsdienstige hervormingen en het standhouden tegen de Assyriërs. Geprezen om zijn vroomheid. (Hos 1:1)
- Dertiende koning van Juda, zoon en opvolger van Achaz. Bekend om zijn godsdienstige hervormingen en zijn vertrouwen op JAHWEH bij de Assyrische dreiging onder Sanherib. (2 Kon 18:1)

## Hizkia's tunnel (begrip)

- Ondergrondse waterleiding die door koning Hizkia werd aangelegd om water uit de Gihonbron veilig binnen de muren van Jeruzalem te brengen. Belangrijk waterbouwkundig werk uit de oudheid. (2 Kon 20:20)

## Hiël de Bethelliet (persoon)

- Bewoner van Bet-El ten tijde van koning Achab, bekend om de herbouw van de stad Jericho. Vervulde daarbij de oude vloek van Jozua dat de bouwer zijn zonen zou verliezen. (1 Kon 16:34)

## Hoba (plaats)

- Plaats ten noorden van Damaskus, tot waar Abraham de oosterse koningen achtervolgde na hun overval op Sodom. (Gen 14:15)

## Hobab (persoon)

- Zoon van Reüel (Jethro), schoonbroer van Mozes. Door Mozes gevraagd als gids door de woestijn. (Ex 18:1)

## hoe lang (begrip)

- Klacht-formule waarmee de bidder de tijd van zijn lijden aan God voorhoudt. (Ps 13:2)

## hoe lang nog? (begrip)

- De roep der martelaren onder het altaar. (Op 6:10)

## hoek (begrip)

- Plaats; 'hoek van het dak'. (Spr 21:9)

## hoek der wegen (begrip)

- Kruispunt; daar staat Wijsheid en roept. (Spr 8:2)

## hoeksteen (begrip)

- Eerste of belangrijkste steen aan de hoek van een gebouw, waarop muren samenkomen. In de Bijbel beeld van Christus als fundament van de gemeente. (Matt 21:42)

## hoeksteen der aarde (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de aarde als een zorgvuldig gebouwd bouwwerk met een fundamentsteen. Onderdeel van de oudtestamentische scheppingstaal. (Job 38:6)

## hoer (begrip)

- Prostituee, vrouw die zich tegen betaling overgeeft. In de Bijbel ook beeldspraak voor afgoderij en geestelijke ontrouw aan God. (Gen 38:15)
- Vrouw die zich tegen betaling prostitueerde, in Israël een verboden levenswijze. In de profetische literatuur ook beeld voor afgodendienst en ontrouw aan het verbond. (Joz 2:1)
- Vrouw die ontucht bedrijft; in het Nieuwe Testament ook beeld van afgoderij en geestelijk overspel. (1 Kor 5:1)
- De prostituée; de man die haar bezoekt komt op een doodsweg. (Spr 7:10)
- Vrouw die zich tegen betaling aan mannen geeft. In de profeten ook profetisch beeld voor het volk dat zijn God verlaat voor afgoden. (Hos 1:2)

## hoer onder elke groene boom (uitdrukking)

- Israëls afgodendienst beschreven als prostitutie. Klassieke profetische beelden. (Jer 2:20)

## hoererij (wet)

- Onreine geslachtelijke gemeenschap buiten het huwelijk, zowel letterlijk als beeldspraak voor afgoderij. In de Tora streng verboden, ook in cultische vorm verbonden met heidense tempels. (Dt 23:17)
- Ontucht, seksuele zonde. De Joden zeiden tegen Jezus: — zij bedoelden dat zij echte kinderen van Abraham waren. (Joh 8:41)
- Bijbelse aanduiding voor seksuele omgang buiten het huwelijk, en (overdrachtelijk) voor afgodendienst. Door de wet van Mozes verboden. (Tob 4:13)

## hof (begrip)

- Tuin of lustpark. In het scheppingsverhaal de tuin die God in Eden plantte als woonplaats voor de eerste mensen. (Gen 2:8)
- Een tuin of boomgaard. Jezus ging met Zijn discipelen naar een hof aan de overkant van de beek Kedron, waar Hij werd gearresteerd. (Joh 18:1)
- Besloten tuin, vaak bij een huis gelegen, met bomen, water en privéruimte. Plaats van verkwikking en ontmoeting. (Sus 1:4)

## hof aan de overzijde van Kedron (plaats)

- De hof waarin Jezus dikwijls met zijn discipelen vergaderde — Gethsemane. (Joh 18:1)

## hof in de plaats van kruisiging (plaats)

- De hof bij Golgotha waarin het nieuwe graf lag waar Jozef Jezus legde. (Joh 19:41)

## hofmeester (overig)

- De persoon die verantwoordelijk was voor de bediening op een feest. De hofmeester op de bruiloft te Kana proefde het water dat wijn was geworden. (Joh 2:9)

## Hofni (persoon)

- Een van de twee zonen van Eli, samen met zijn broer Pinehas priester te Silo. Berucht om hun goddeloze gedrag in het heiligdom; sneuvelden gezamenlijk in een veldslag tegen de Filistijnen. (1Sam 1:3)

## hoge berg (plaats)

- Verhoogde plaats van openbaring; in de evangeliën vooral de berg van de verheerlijking van Jezus, traditioneel vereenzelvigd met de Tabor of Hermon. (Matt 17:1)

## hoge priester (begrip)

- Hoofd van de Aäronitische priesterklasse en hoogste cultische ambtsdrager in Israël. Mocht als enige eenmaal per jaar het Allerheiligste betreden op de Grote Verzoendag. (1 Kon 2:35)

## hogepriester (cultisch)

- Hoogste functionaris in de eredienst, alleen door wie de Grote Verzoendag verricht kon worden. Droeg bijzondere kledij waaronder borstlap, efod en gouden plaat met 'Heiligheid des Heeren'. (Ex 28:1)
- Hoogste functionaris van de tempelcultus en voorzitter van het Sanhedrin. Bracht jaarlijks op de Grote Verzoendag het bloed in het heilige der heiligen. (Matt 26:57)
- Het hoofd van de oudtestamentische priesterdienst; in het Nieuwe Testament vervuld in Christus als hogepriester naar de ordening van Melchizedek. (1 Kor 1:1)
- In Israël het hoofd van het priesterschap, die eenmaal per jaar in het heilige der heiligen mocht ingaan met verzoenend bloed. Type van Christus, de eeuwige Hogepriester naar de orde van Melchizedek. (Hebr 2:17)
- Hoogste geestelijke ambtsdrager van Israël, hoofd van de tempeldienst en de enige die op de Grote Verzoendag het allerheiligste mocht binnengaan. (1 Makk 10:20)
- Hoofd van de Aäronitische priesterklasse en hoogste cultische ambtsdrager in Israël. Mocht als enige eenmaal per jaar het Allerheiligste betreden op de Grote Verzoendag. (Ezra 3:2)

## Hogepriester Jozua (persoon)

- Hogepriester ten tijde van de terugkeer uit ballingschap, zoon van Josedech. Leidde samen met Zerubbabel het herstel van de eredienst en de tempelbouw. (Zach 3:1)

## hogepriester Simon (persoon)

- Joodse hogepriester (Simon II, regeerde ca. 219-196 v.Chr.) die volgens Sirach 50 in zijn pracht in de tempel diende. Geprezen als een van de grote vromen van Israël. (Sir 50:1)

## hogepriesterlijk gebed (begrip)

- Jezus' gebed voor Zichzelf, zijn discipelen en alle gelovigen die door hun woord zouden geloven. (Joh 17:1)

## Holofernes (persoon)

- In het apocriefe boek Judith de opperbevelhebber van het Assyrische leger onder Nebukadnezar. Naam mogelijk Perzisch. (Jdt 2:4)

## hond (begrip)

- Lazarus en de rijke man. (Luk 16:21)
- Joods-christelijke dwaalleraars. (Filip 3:2)
- Huisdier dat in het oude oosten meestal als half-wild en onrein gold, maar als wachter en jachthond werd gehouden. (Tob 5:25)

## hond tot uitbraaksel (begrip)

- Het is hun overkomen het waarachtige spreekwoord: een hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en een gewassen zeug tot wenteling in het slijk. (2 Petr 2:22)

## honden (begrip)

- In de Schrift onreine dieren; beeld voor verachtelijke vijanden. (Ps 22:17)
- Waarschuwing tegen Judaïsten. (Fil 3:2)

## honden likken bloed (begrip)

- Bijbels beeld voor een vernederende dood waarbij het lijk niet behoorlijk wordt begraven. Gold als zware schande in de oude oosterse cultuur en als zichtbare straf van God. (1 Kon 21:19)

## honderd palmen (begrip)

- Aanduiding voor de uitgebreide versiering van een Perzisch koninklijk feest, met linnen voorhangsels, marmeren pilaren en kostbare meubels. Vormden de pracht van de Perzische hofcultuur. (Esth 1:6)

## honderd pond (voorwerp)

- De honderd pond mirre en aloë die Nikodemus bracht voor Jezus' begrafenis. (Joh 19:39)

## honderd talenten goud (begrip)

- Grote hoeveelheid goud, equivalent aan ongeveer drie ton. Diende in het oude Oosten als rekeneenheid voor zeer grote vermogens. (1 Kron 22:14)

## honderd talenten zilver (begrip)

- Grote hoeveelheid zilver, equivalent aan ongeveer drie ton. Diende in het oude Oosten als rekeneenheid voor zeer aanzienlijke bedragen. (Neh 7:71)

## honderd voorhuiden (begrip)

- Bruidsschat die door Saul aan David werd opgelegd voor het huwelijk met diens dochter Michal. Bedoeld als gevaarlijke opdracht waarbij David in de strijd zou omkomen. (1Sam 18:25)

## honderd zevenentwintig brieven (begrip)

- Aanduiding voor de officiële edicten die door het Perzische rijk in alle bestuursdistricten werden verspreid. Het aantal verwijst naar de honderdzevenentwintig provinciën van het rijk. (Esth 8:9)

## honderd zilverlingen (wet)

- Vaste boete voor wie zijn jonggehuwde vrouw vals beschuldigde van geen maagdelijkheid. Het geld kwam aan de vader van de vrouw, en de man mocht haar nooit verstoten. (Dt 22:19)

## honderdduizend (begrip)

- Groot aantal, in de Schrift vaak gebruikt om de omvang van een leger of een ramp aan te duiden. Komt voor bij beschrijvingen van veldslagen en plagen. (2Sam 24:15)

## honderdveertig jaar (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor de lange leeftijd van een patriarch, in de aartsvaderlijke periode niet ongebruikelijk. Onderdeel van de levensbeschrijving in het boek Job. (Job 42:16)

## honderdvierenveertigduizend (begrip)

- De verzegelden uit alle stammen van Israël; symbool van de volkomen schare van Gods bewaarde dienstknechten. (Openb 7:4)

## honderdzevenentwintig provinciën (begrip)

- Aantal provinciën van het Perzische rijk onder Ahasveros, volgens Esther 1:1. Drukt de wereldwijde reikwijdte van het rijk uit. (EstAp 13:1)
- Aanduiding voor het aantal bestuurlijke districten van het Perzische rijk onder Ahasveros. Reikte van India in het oosten tot Cusch (Ethiopië) in het zuidwesten. (Esth 1:1)

## honger (begrip)

- Hongersnood, vaak veroorzaakt door droogte, plagen of oorlog. In de Schrift soms uitleg gegeven als beproeving of oordeel van God over een land. (Ruth 1:1)
- Lichamelijke behoefte aan voedsel, in de Bijbel ook beeld voor sterk geestelijk verlangen. (Matt 5:6)
- Gebrek aan voedsel, in de bijbel vaak het gevolg van oorlog, droogte of belegering. Soms door God als straf gezonden. (2 Makk 6:11)
- Gebrek aan voedsel; God laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren. (Spr 10:3)

## honger en hoer (begrip)

- Aanduiding voor uiterste hongersnood in een belegerde stad, zo extreem dat moeders hun kinderen aten. Vorm van rampspoed die in de wet van Mozes als oordeel over verbondsovertreding wordt voorzegd. (2 Kon 6:28)

## honger in Samaria (begrip)

- Hongersnood in de hoofdstad van het noordelijke rijk tijdens een Aramese belegering. Bereikte zulke uiterste omvang dat er onder de bewoners zelfs kannibalisme voorkwam. (2 Kon 6:25)

## hongerigen (begrip)

- Lukas' versie van de zaligsprekingen. (Luk 6:21)

## hongersnood (begrip)

- Periode van ernstige voedselschaarste door misoogst, droogte of oorlog. In het Oude Oosten een geregelde bedreiging waarvoor men dikwijls naar Egypte uitweek. (Gen 12:10)

## hongersnood in Jeruzalem (uitdrukking)

- Tijdens het beleg ontstond zware honger. (Jer 52:6)

## hongerssnood naar het Woord (begrip)

- Profetisch beeld voor een tijd waarin God zijn openbaring inhoudt en de mensen vergeefs naar zijn woord zoeken. Vorm van geestelijk oordeel. (Am 8:11)

## honig (natuur)

- Honing, gewonnen uit bijenraten. Symbool van zoetheid en welvaart; het beloofde land werd 'vloeiende van melk en honig' genoemd. (Gen 43:11)
- Zoete vloeistof van bijen, in Israël zowel uit korven als wilde nesten gewonnen. In de Bijbel beeld van overvloed en zoetheid van Gods Woord. (Matt 3:4)
- Zoete vloeistof. Niet te veel. (Spr 24:13)

## honingbij (begrip)

- Insect dat honing voortbrengt. Soms beeld van een talrijke vijandelijke menigte die over het land valt. (Dt 1:1)
- Insect dat honing produceert. In de bijbel beeld van vlijt en (bij overdrachtelijk gebruik) van het volk dat zich tegen vijanden stelt. (Sir 11:3)

## honingdruppel (begrip)

- Beeldspraak voor overvloedige zoetheid en zegen, in de profeten verbonden met de heilstijd. Onderdeel van het beeld van een land dat vloeit van melk en honing. (Joël 3:18)

## honingraat (begrip)

- Wassen cellenstructuur in een bijenkorf waarin honing wordt opgeslagen. Gold in het Oude Oosten als zoete delicatesse en symbool van overvloed. (1Sam 14:27)
- Bron van honing; beeld voor liefelijke woorden. (Spr 16:24)
- Bijbels beeld voor zoetheid en goede smaak. In de wijsheidsliteratuur ook beeld voor de aangenaamheid van Gods woorden of de wijsheid. (Sir 24:20)
- De wasstructuur waarin bijen honing opslaan, in de Bijbel symbool van zoetheid en aangenaamheid. Vaak gebruikt voor Gods woord en wijsheid. (Zef 3:17)

## honingvloeiend land (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor het beloofde land Kanaän, vruchtbaar en overvloedig. (Jer 11:5)

## honingzeem (begrip)

- Honing die rechtstreeks uit de raat lekt — de zoetste, zuiverste honing. Beeld voor de zoetheid van Gods Woord en oordelen. (Ps 19:11)

## honingzoet (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de zoetheid van Gods woord op de lippen van wie het ontvangt, ondanks zware inhoud. Vergelijking ontleend aan de zoetheid van honing. (Ez 3:3)

## hoofd der gemeente (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de gemeente van Christus. (Ef 1:22)

## hoofd der koningen der aarde (begrip)

- ChristusDe Eerstgeborene uit de doden, en de Overste der koningen der aarde'. (Op 1:5)

## hoofd der oude bende (begrip)

- De aanduiding van Cornelius — hoofdman over honderd in de Italiaanse bende. (Hand 10:1)

## hoofd onder schande (uitdrukking)

- Verwerping van bondgenootschappen met heidenen. (Jer 2:37)

## hoofd-afhakken (begrip)

- Het afsnijden van het hoofd, in de oudheid een gangbare wijze van executie en symbolische triomf over de verslagene. (Jdt 13:8)

## hoofddoek (voorwerp)

- Doek waarmee in het oude Israël het hoofd van een dode werd bedekt of waarmee een gestorvene werd ingewikkeld. (Mark 15:46)

## hoofdman (begrip)

- Romeinse centurio, officier over honderd soldaten in een legioen. In de evangeliën meermalen positief getekend. (Matt 8:5)

## hoofdman over honderd (begrip)

- Cornelius, godvruchtig en vrezend voor God, was hoofdman over honderd der Italiaanse bende. (Hand 10:1)

## hoofdmannen van het leger (begrip)

- Bevelhebbers over de twaalf legerafdelingen die maandelijks bij toerbeurt onder koning David in dienst waren. Vormden een georganiseerde militie naast de vaste lijfwacht. (1 Kron 27:1)

## Hoog vertrek (begrip)

- Een hooggelegen burcht of vesting, onbereikbaar voor de vijand. Beeld voor God als toevlucht voor de verdrukte. (Ps 9:10)

## hooglied (begrip)

- Lyrisch lied of psalm van lof, dank of klacht. Onderdeel van het oudtestamentische gebedsleven en de tempelliturgie. (Jon 2:1)

## hoogmoed (begrip)

- Trotse zelfverheffing tegen God. (Ps 73:6)
- Overdreven zelfverheffing tegenover God en mensen. In de bijbel een grondzonde die God tegenstaat. (Jdt 6:15)
- Hebr. גַּאֲוָה — trotse zelfverheffing; door God gehaat. (Spr 8:13)

## hoogste plaats (begrip)

- Jezus berispte gasten die op de hoogste plaats aanzaten. (Luk 14:8)

## hoogste plaatsen (begrip)

- Beeld van bergtoppen of verhevenheden waarop iemand veilig en zegevierend kan staan. Profetisch teken van geestelijke overwinning. (Hab 3:19)

## hoogten (begrip)

- Heuvels en heuveltoppen waar buiten de centrale eredienst altaren werden opgericht en offers gebracht. Werden door de meeste koningen van Juda en Israël geduld of zelfs bevorderd, maar door de Schrift veroordeeld. (1 Kon 3:2)

## hoogten gebroken (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor de afbraak van afgodische cultusplaatsen op heuvels en bergen. Onderdeel van de bekeringsoproep en het oordeel. (Ez 6:3)

## hooi (begrip)

- Gemaaid en verdord gras; beeld voor de mens die haastig vergaat. (Ps 90:6)

## hoop (begrip)

- Vertrouwend wachten op God en Zijn beloften. 'Mijn ziel, hoop op God'. Wie op de HEERE hoopt zal niet beschaamd worden. (Ps 31:25)
- Verwachting van toekomstig heil, in de Bijbel toegespitst op de komst van Gods Koninkrijk en de verlossing van Israël. (Luk 7:19)
- Vast en zeker uitzien naar de in Christus beloofde heerlijkheid. Door de Heilige Geest in het hart uitgestort. (Rom 4:18)
- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de christelijke hoop. (Ef 1:18)
- Op God gegrond verwachten van het toekomstige heil, in het bijzonder van het eeuwige leven en de wederkomst van Christus. (1 Tess 1:3)
- Vast en zeker vertrouwen op de toekomstige zaligheid die God in Christus beloofd heeft. (Hebr 6:19)
- Verwachtende uitzien naar Gods toekomstig handelen, gegrond in zijn beloften. Belangrijke geloofshouding in zowel Oude als Nieuwe Testament. (Mi 7:7)

## hoop der heerlijkheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (Kol 1:27)

## hoop des eeuwigen levens (begrip)

- Verwachting van het door God beloofde eeuwige leven, gegrond in Zijn waarachtige toezegging. (Tit 1:2)

## hoop in u (begrip)

- Wees bereid om rekenschap te geven van de hoop die in u is — kern van christelijk getuigenis tegenover de wereld. (1 Petr 3:15)

## hoop op onsterfelijkheid (begrip)

- In de hellenistisch-joodse literatuur het uitzien naar het eeuwige leven dat God de rechtvaardigen geven zal. (Wijsh 3:4)

## hoop weggelegd (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de christelijke hoop. (Kol 1:5)

## hoorder (begrip)

- Wie wijsheid hoort. (Spr 1:33)

## hoorder vergetende (begrip)

- Wie hoorder is en geen dader, is gelijk een man die zijn aangezicht in een spiegel beziet en heengaat en terstond vergeet hoedanig hij was. (Jak 1:23)

## hoorn (begrip)

- Kracht van Gods hulp. (Ps 18:3)

## hoorn (van het altaar) (cultisch)

- De vier uitsteeksels op de hoeken van het brand- en reukaltaar. Bij offers werd er bloed op gestreken; aanvatten ervan gold als toevluchtsoord. (Lev 4:7)

## hoorn der zaligheid (begrip)

- Beeldspraak voor een sterke verlosser, ontleend aan de hoorn van een dier als zinnebeeld van kracht. Aanduiding van de Messias uit het huis van David. (Luk 1:69)

## hopen (begrip)

- Bijbels begrip voor het uitzien naar Gods belofte en uitkomst. In de bijbel ten nauwste verbonden met geloof en vertrouwen. (Sir 2:6)

## Hor (plaats)

- Berg aan de grens van Edom waar Aäron stierf en werd begraven. Niet met zekerheid te lokaliseren. (Num 20:22)

## Horeb (plaats)

- Andere naam voor de Sinaï, de berg waar God het verbond met Israël sloot en de Tien Geboden gaf. (Ex 3:1)
- Andere naam voor de Sinaï, de berg waar God het verbond met Israël sloot en de Tien Geboden gaf. In Deuteronomium de gangbare benaming. (Dt 1:6)
- Andere naam voor de berg Sinaï, gelegen op het schiereiland Sinaï. Plaats waar JAHWEH de wet aan Mozes en Israël gaf en waar Hij zich later opnieuw aan Elia openbaarde. (1 Kon 19:8)

## Hori (persoon)

- Zoon van Lotan en nakomeling van Seïr de Horiet. Behoort tot de oude Horitische bewoners van Edom. (Gen 36:22)

## Horiet (volk)

- Lid van een oud volk dat oorspronkelijk in het bergland van Seïr (Edom) woonde, voordat zij door de Edomieten werden verdreven. (Gen 14:6)

## Horieten (volk)

- Oorspronkelijke bewoners van het bergland van Seïr (Edom). Werden door Esaus nakomelingen, de Edomieten, verdreven. (Gen 14:6)

## horzelen (begrip)

- Stekende insecten die volgens de Schrift door JAHWEH vóór Israël werden uitgezonden om de Kanaänitische volken te verjagen. Beeld van Gods onzichtbare strijdkrachten ten dienste van zijn volk. (Joz 24:12)

## Hosa (persoon)

- Levitische poortwachter in de tempel ten tijde van koning David, behorend tot het geslacht van Merari. Belast met de bewaking van een bepaalde toegang tot het tempelterrein. (1 Kron 26:10)

## Hosanna (begrip)

- Hebreeuwse uitroep met de oorspronkelijke betekenis 'red toch'. Werd in joodse liturgie tot een lofroep en gold als messiaanse begroeting. (Matt 21:9)

## Hosanna, ten bezing (begrip)

- Hebreeuwse uitroep met de betekenis 'red toch' of 'help toch', oorspronkelijk een gebed om hulp aan JAHWEH. Werd later ook als juichkreet bij feestelijke gelegenheden gebruikt. (2 Kon 11:14)

## Hosea (persoon)

- Profeet in het noordelijke koninkrijk Israël in de achtste eeuw v.Chr., wiens prediking is opgenomen in het naar hem genoemde bijbelboek. (Matt 2:15)
- Oudtestamentische profeet wiens woorden over Israëls roeping door Paulus aangehaald worden. Spreekt van Gods ontferming over een verworpen volk. (Rom 9:25)
- Laatste koning van het noordrijk Israël (regeerde 732-722 v.Chr.), onder wie het rijk door Salmanasser V werd veroverd en de tien stammen werden weggevoerd. (4 Ezra 13:40)

## Hosea, koning van Israël (persoon)

- Negentiende en laatste koning van het noordelijke rijk Israël. Onder zijn regering werd Samaria door Salmaneser belegerd en het noordelijke rijk in ballingschap weggevoerd. (2 Kon 17:1)

## houdt aan in gebed (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het gebed. (Kol 4:2)

## houten altaar (uitdrukking)

- Klein altaar van hout in het heilige van de tempel, vermoedelijk voor het reukoffer. Onderdeel van de tempelinrichting. (Ez 41:22)

## houten beeld (begrip)

- Godenbeeld vervaardigd uit hout. In de bijbel veelvuldig voorwerp van profetische spot tegen de afgodendienst van de heidenen. (Wijsh 13:11)

## houten en ijzeren juk (uitdrukking)

- Jeremia draagt een houten juk om zijn nek als beeld dat alle volken Nebukadnezar moeten dienen. Hananja breekt het houten juk; God laat door Jeremia een ijzeren juk aankondigen. (Jer 28:13)

## houthakkers en waterputters (begrip)

- Aanduiding voor de laagste klasse van dienaars bij het heiligdom, belast met de zwaarste handenarbeid. Status die de Gibeonieten kregen na hun list met Israël. (Joz 9:21)

## houtoffer (begrip)

- Aanduiding voor de regelmatige aanvoer van brandhout naar de tempel ten behoeve van het altaar. Werd in de naballingschapse periode bij loting onder de geslachten verdeeld. (Neh 10:34)

## houtsnijder (begrip)

- Vakman die uit hout beelden of voorwerpen vervaardigt. In de bijbel ook negatief gebruikt voor de maker van afgodsbeelden. (Wijsh 13:11)

## hovaardelijk (begrip)

- Hoogmoedig, trots, verwaand — bijwoord. De goddelozen spreken hovaardelijk; staan tegenover de zachtmoedigen die God verhoogt. (Ps 17:10)

## hovaardig (begrip)

- Trots, opgeblazen; door de HEERE een gruwel. (Spr 16:5)

## hovaardige (begrip)

- Hoogmoedig mens die zich tegen God verheft. 'Hovaardige overtreders'. (Ps 119:51)

## hovaardige roem (begrip)

- Gij roemt in uw hoogmoed; alle zodanige roem is boos — een waarschuwing tegen zelfvertrouwen in plannen. (Jak 4:16)

## hovaardigen (begrip)

- Trotse, opgeblazen mensen. (Ps 73:6)
- Hoogmoedige mensen die zichzelf verheffen boven God en hun medemens. In de profetische literatuur vaak voorwerp van oordeel. (Mal 3:15)

## hovaardigheid (begrip)

- Hoogmoed, verwaande zelfverheffing. In de bijbel een grondzonde die God tegenstaat. (Tob 4:14)

## hovaardij (begrip)

- Hoogmoed of trots, bron van verzet tegen God. Door God weerstaan. (Rom 12:16)
- Hoogmoed, verwaandheid. In de bijbel een grondzonde die God tegenstaat. (EstAp 13:12)
- Hoogmoed, verwaande zelfverheffing tegenover God en mensen. In de bijbel een grondzonde die God tegenstaat. (3 Makk 6:3)
- Hooghartigheid, opgeblazen trots. (Spr 16:18)

## hovaardij in schoonheid (uitdrukking)

- Bijbels universeel principe waarbij hoogmoed over eigen pracht tot val leidt. Klassieke wijsheidsuitspraak. (Ez 28:17)

## hoveling (persoon)

- Een ambtenaar aan het koninklijk hof. Een koninklijke hoveling uit Kapernaüm smeekte Jezus om zijn zieke zoon te genezen. (Joh 4:46)

## huichelaar (begrip)

- Wie van buiten vroom lijkt maar in zijn hart bedrog draagt. (Ps 26:4)
- Iemand die uiterlijk vroom en oprecht lijkt maar innerlijk anders is. Het Griekse woord verwijst oorspronkelijk naar een toneelspeler. (Matt 6:2)

## huichelarij (begrip)

- Petrus' huichelarij te Antiochië door zich van de heidenen af te zonderen. (Gal 2:13)

## huid (begrip)

- Verbonden met lijden en uittering. (Ps 102:6)

## huid en horen (begrip)

- De huid en horens van het offerdier; bij sommige offers kwam de huid aan de priester toe. Hoorns golden ook als zinnebeeld van kracht. (Lev 7:8)

## huid voor huid (uitdrukking)

- Spreekwoordelijke uitdrukking dat een mens alles wat hij heeft over zal hebben voor zijn leven. In het boek Job gebruikt door de satan in de hemelse zaak. (Job 2:4)

## huilen (begrip)

- Tranen van smart of berouw. (Ps 6:7)

## huis bouwen (begrip)

- Spreekwijze voor het stichten van een geslacht of huishouden door wijsheid. (Spr 24:3)

## huis Davids (begrip)

- Aanduiding voor het koningsgeslacht van David, drager van Gods belofte van een eeuwige troon. Geslacht waaruit de Messias zal voortkomen. (Zach 12:8)

## huis der lering (begrip)

- Bijbels en joods begrip voor een leerhuis of school waarin de Thora en de wijsheid werden onderwezen, voorloper van de latere rabbijnse academie. (Sir 51:23)

## huis der schatten (begrip)

- Bewaarplaats voor de gewijde gaven en kostbaarheden in het tempelcomplex. Werden door speciaal aangewezen Levieten beheerd. (1 Kron 26:24)

## huis des goddelozen (begrip)

- Aanduiding voor de macht of dynastie van wie tegenover God en zijn volk staat. In profetische taal vaak voor een vreemde wereldmacht. (Hab 3:13)

## huis des HEEREN (plaats)

- De tempel waar God woont. (Ps 122:1)
- Aanduiding voor de tempel in Jeruzalem als plaats waar God onder zijn volk woont. Centrum van eredienst, offer en gebed. (Hag 1:2)
- Aanduiding voor het centrale heiligdom in Israël, in het bijzonder de tempel te Jeruzalem die door Salomo werd gebouwd. Werd beschouwd als de plaats waar JAHWEH zijn naam liet wonen. (1 Kon 6:1)

## huis Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (1 Tim 3:15)
- De tempel te Jeruzalem als woonplaats van Gods heilige naam. Aanduiding voor zowel de eerste (Salomo) als de tweede tempel. (3 Ezra 5:44)
- Aanduiding voor de tempel in Jeruzalem als plaats waar God onder zijn volk woont. Centrum van eredienst, offer en gebed. (Joël 1:9)
- Aanduiding voor het centrale heiligdom in Israël, in het bijzonder de tempel te Jeruzalem. Wordt zowel voor de eerste tempel van Salomo als voor de tweede tempel van Zerubbabel gebruikt. (Ezra 1:3)

## huis Gods voltooid (begrip)

- Aanduiding voor de voltooiing van de tweede tempel te Jeruzalem in de regering van koning Darius I van Perzië. Markeerde het einde van een lange periode van bouwperikelen na de ballingschap. (Ezra 6:15)

## huis Israëls (begrip)

- Aanduiding voor het volk Israël als geheel, soms ook voor het noordelijk tienstammenrijk. Verwijst naar de afstamming van Jakob/Israël. (Hos 1:4)

## huis Jakobs (begrip)

- Aanduiding voor het volk Israël als nakomelingen van de aartsvader Jakob. Vaak gebruikt in poëtisch parallellisme met 'Israël'. (Ob 1:18)

## huis Jozefs (begrip)

- Aanduiding voor de afstammelingen van Jozef, met name de stammen Efraïm en Manasse. Vaak gebruikt voor het noordelijk rijk Israël. (Ob 1:18)

## huis uit den hemel (begrip)

- Het verheerlijkte opstandingslichaam dat de gelovige na dit leven ontvangt. Beeld voor de eeuwige woning bij God. (2 Kor 5:1)

## huis van Eli (begrip)

- Het hogepriesterlijk geslacht dat van Eli afstamde, in de lijn van Aärons zoon Itamar. Verloor het hogepriesterschap nadat Salomo Eli's afstammeling Abjathar afzette. (1 Kron 24:3)

## huis van Onesiforus (begrip)

- Het huisgezin van Onesiforus, christelijke familie te Efeze die Paulus in zijn gevangenschap te Rome heeft bijgestaan. (2 Tim 1:16)

## huis voorstaan (begrip)

- Het huisgezin op goede wijze leiden en besturen; vereiste voor wie in de gemeente een ambt bekleedt. (1 Tim 3:4)

## huisbeesten (begrip)

- Het tamme vee zoals runderen, schapen en geiten dat tot het huishouden behoorde. Belangrijk voor melk, vlees en arbeid. (Joël 1:18)

## huiselijk (begrip)

- Gericht op de zorg voor het huishouden; in de pastorale brieven een aanbevolen deugd voor jonge vrouwen. (Tit 2:5)

## huiselijke trouw (begrip)

- Toewijding aan de eigen man, kinderen en het bewaren van het huis, als christelijke roeping voor jonge vrouwen. (Tit 2:4)

## huiselijke vrede (begrip)

- Harmonie en goede verhoudingen binnen het gezin tussen ouders en kinderen. In de heilstijd hersteld als teken van Gods heil. (Mal 4:6)

## huisgemeente (begrip)

- Plaatselijke gemeente die in een woonhuis samenkomt. Gewone vorm van de vroege kerk. (Rom 16:5)
- Vroegchristelijke gemeente die haar samenkomsten hield in het woonhuis van een gemeentelid, kenmerkend voor de eerste eeuwen. (Flm 1:2)

## huisgenoten Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Ef 2:19)

## huisgenoten van het geloof (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (Gal 6:10)

## huisgenoten van keizer (begrip)

- Christenen aan het Romeinse hof. (Fil 4:22)

## huisgezin (begrip)

- Familie; door wijsheid bewaard. (Spr 31:15)

## huishoudelijke godvrucht (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (1 Tim 5:4)

## huishuid (begrip)

- Aanduiding voor het levensonderhoud en de voorrechten die aan een hoge ambtenaar toekwamen. Werd in het bijzonder gebruikt voor de toelage van de landvoogd ten laste van het volk. (Neh 5:14)

## huisknechten (begrip)

- Gij huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig aan de heren, niet alleen aan de goede en bescheiden, maar ook aan de wrange. (1 Petr 2:18)

## huisslaaf (begrip)

- Slaaf werkzaam in het huishouden van zijn meester; in de Grieks-Romeinse wereld een veelvoorkomende juridische status. (Flm 1:16)

## huisverzorger Gods (begrip)

- Aanduiding van de opziener als beheerder en rentmeester die over Gods huishouding gesteld is. (Tit 1:7)

## huisvloeiing (begrip)

- Schimmel of plaag in de muren van een huis ('melaatsheid van het huis'). De priester onderzocht het en kon reiniging of afbraak van het besmette deel voorschrijven. (Lev 14:34)

## huisvrouw (begrip)

- Verouderd voor 'echtgenote' of 'wettige vrouw'. De vrouw als hoofd van het huishouden naast haar man. (Gen 2:24)
- Verouderde aanduiding voor 'echtgenote', oorspronkelijk in de zin van 'vrouw des huizes'. Drukt zowel de huwelijksband als de positie binnen het gezin uit. (Ruth 1:1)
- Echtgenote die het huis leidt. Prijst wier waarde ver boven robijnen uitgaat. (Spr 31:10)

## huizen gewelfd (begrip)

- Met houten panelen of cederbedekking afgewerkte huizen, teken van welvaart en luxe. Tegengesteld aan eenvoudige of vervallen woningen. (Hag 1:4)

## Hul (persoon)

- Tweede zoon van Aram en achterkleinzoon van Sem. Stamvader van een Aramees volk. (Gen 10:23)

## Hulda (persoon)

- Profetes in Jeruzalem ten tijde van koning Josia, gehuwd met de hofbeambte Sallum. Werd door de koning geraadpleegd over het in de tempel gevonden wetboek. (2 Kon 22:14)

## hulp (begrip)

- Gods bijstand in nood. De bidder roept gedurig. (Ps 22:20)

## hulpe (begrip)

- Verouderd voor 'hulp' of 'helper'. De vrouw werd voor de man geschapen als 'hulpe tegenover hem', een gelijkwaardige levenspartner. (Gen 2:18)

## Huppim (persoon)

- Zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een Benjaminietische clan. (Gen 46:21)

## Hur (persoon)

- Israëliet uit de stam Juda, vader van Uri en grootvader van de tabernakelbouwer Bezáleël. Steunde samen met Aäron de armen van Mozes in de strijd tegen Amalek. (Ex 17:10)

## Husai (persoon)

- Persoonlijke vriend en raadgever van koning David, uit het geslacht van de Architijten. Speelde een belangrijke rol als spion tijdens de opstand van Absalom. (2Sam 15:32)

## Husam (persoon)

- Een van de oude koningen van Edom, afkomstig uit het land der Temanieten in het zuiden van Edom. (Gen 36:34)

## Husim (persoon)

- Zoon van Dan en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Dan. (Gen 46:23)

## huurling (begrip)

- Iemand die werkt voor loon, zonder echte betrokkenheid. Jezus vergelijkt valse leiders met huurlingen die de schapen in de steek laten als er gevaar dreigt. (Joh 10:12)

## huwelijk (begrip)

- De door God ingestelde levenslange verbintenis tussen man en vrouw. Grondslag van het gezin en kerngebod van de scheppingsorde. (Gen 2:24)
- Door God ingestelde levensverbintenis tussen één man en één vrouw. Beeld van Christus en de gemeente. (1 Kor 7:38)
- Het huwelijk is eerlijk onder allen en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen. (Hebr 13:4)

## huwelijk en Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Ef 5:25)

## huwelijk priester (wet)

- Voorschriften over wie een priester tot vrouw mocht nemen. Hij mocht geen hoer of weggezondene huwen; de hogepriester moest een maagd uit zijn eigen volk trouwen. (Lev 21:13)

## huwelijksgeschenk (begrip)

- De bruidsschat of geschenken die bij een huwelijk werden gegeven, hetzij door de bruidegom aan de vader van de bruid, hetzij omgekeerd. (Dt 1:1)

## huwelijksgift (begrip)

- In de oudheid de gift die de bruidegom (of zijn familie) aan de bruid of haar familie gaf bij het sluiten van het huwelijk. (Sir 7:25)

## huwelijksnacht (begrip)

- De eerste nacht na de huwelijksvoltrekking, waarin het huwelijk lichamelijk werd geconsumeerd. In de oudheid omringd met feestelijkheden en gebruiken. (Gen 29:23)

## huwelijksplicht (begrip)

- Wederzijdse echtelijke verplichting tot lichamelijke gemeenschap. Door de apostel als wederzijds recht onderwezen. (1 Kor 7:3)

## Hymeneüs (persoon)

- Dwaalleraar samen met Alexander, aan satan overgeleverd om niet meer te lasteren. (1 Tim 1:20)
- Dwaalleraar, samen met Filetus, die de opstanding loochende. (2 Tim 2:17)

## hymne aan de Schepper (begrip)

- In de wijsheidsliteratuur en de psalmen een lofzang waarin God wordt geprezen als maker van hemel en aarde en al wat erin is. (Sir 18:1)

## Hyrkanus (persoon)

- Naam gedragen door verschillende joodse leiders in de Hasmonese tijd, onder wie Johannes Hyrkanus I (regeerde 134-104 v.Chr.). (1 Makk 16:23)

## hysop (begrip)

- Plant gebruikt bij rituele besprenkeling. — beeld van Gods reinigend werk. (Ps 51:9)
- Een plant die werd gebruikt bij reinigingsrituelen. Bij de kruisiging werd een spons met edik op een hysopstengel naar Jezus' mond gebracht. (Joh 19:29)

## hyssop (voorwerp)

- Aromatische plantsoort, vermoedelijk marjolein. Gebruikt bij reinigingsplechtigheden om water of bloed te besprenkelen. (Ex 12:22)

## Ibzan (persoon)

- Een van de kleine richters van Israël, afkomstig uit Bethlehem. Bekend om zijn talrijke nageslacht en de huwelijksverbintenissen die hij voor zijn kinderen sloot. (Ri 12:8)

## Ichabod (persoon)

- Naam met de betekenis 'de eer is weg', gegeven door de weduwe van Pinehas aan haar zoon. Verwijst naar het wegnemen van Gods heerlijkheid uit Israël door de verovering van de ark. (1Sam 4:21)

## Iconium (plaats)

- Stad in Klein-Azië waar Paulus en Barnabas predikten. (Hand 13:51)

## Iddo (persoon)

- Persoonsnaam die in de Bijbel verschillende keren voorkomt. Grootvader van de profeet Zacharia en zelf vermoedelijk priester en profeet. (Zach 1:1)
- Profeet en geschiedschrijver ten tijde van koning Salomo en zijn opvolgers. Zijn boeken worden in de Schrift genoemd als bronnen voor de kronieken van het koningshuis. (1 Kon 13:1)
- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een leider van de Levitische tempelhulpen in Babel. Speelde een rol bij de werving van personeel voor de tempeldienst onder Ezra. (Ezra 8:17)

## Iddo, ziener (persoon)

- Profeet en geschiedschrijver ten tijde van koning Salomo en zijn opvolgers. Zijn boeken worden in de Schrift genoemd als bronnen voor de kronieken van het koningshuis. (2 Kron 9:29)

## idolatrie (begrip)

- Afgoderij, het vereren van afgoden in plaats van de levende God. In de bijbel scherp afgewezen als de grondzonde van de heidenen. (Wijsh 13:1)

## Idumea (plaats)

- Naam voor het oude Edom in de hellenistische en romeinse tijd. Het zuidelijke grensgebied van Judea, waar de Idumeeërs (Edomieten) woonden. (1 Makk 4:29)

## Idumeeën (persoon)

- Edomieten, nakomelingen van Esau, die in en na de ballingschap het zuiden van Judea binnentrokken. In hellenistische tijd geleidelijk gejudaïseerd. (3 Ezra 4:45)

## Iduméa (plaats)

- Griekse vorm van Edom, het bergachtige land ten zuidoosten van de Dode Zee. In nieuwtestamentische tijd uitgebreid tot het zuiden van Juda. (Zach 14:14)

## iedere ziel zal sterven (uitdrukking)

- Bijbelse uitspraak over de persoonlijke verantwoordelijkheid van ieder mens voor zijn eigen daden. Centraal in Ezechiëls onderwijs. (Ez 18:4)

## iemand staan in de bres (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor wie in een opening van de muur de aanval afweert. Toegepast op leiders en voorbidders die Gods oordeel proberen af te wenden. (Ez 22:30)

## ijdele bezigheden (begrip)

- Zinloze of nutteloze handelingen waarmee men zich bezighoudt zonder eerlijke arbeid te verrichten. (2 Th 3:11)

## ijdele eer (begrip)

- Verworpen door christelijke nederigheid. (Fil 2:3)

## ijdele klanken (begrip)

- Nutteloze religieuze speculatie. (1 Tim 6:20)

## ijdelheid (begrip)

- Leegte, vluchtigheid. (Ps 39:6)
- Vergankelijkheid en zinloosheid; toestand waaraan de schepping om der zonde wil onderworpen is. Wachtend op de bevrijding. (Rom 8:20)
- Bijbels begrip voor leegheid, hoogmoed en zinloosheid. Centraal thema in het boek Prediker. (2 Makk 7:34)
- Bijbels begrip voor leegheid, zinloosheid en vergeefsheid. Centraal thema van het boek Prediker. (Wijsh 3:11)

## ijdelheidsprekers (begrip)

- Mensen die loze en zinledige praat verkondigen en daarmee anderen op een dwaalspoor brengen. (Tit 1:10)

## ijver (begrip)

- Bijbels begrip voor brandende toewijding aan God en zijn wet. Bekend uit de figuur van Pinehas (Numeri 25). (1 Makk 2:24)

## ijver Gods (begrip)

- Gods hartstochtelijke betrokkenheid bij zijn eer en zijn volk, die zich openbaart in toorn over het kwaad en in vurige liefde voor de zijnen. (Na 1:2)

## ijver voor de sabbat (begrip)

- Aanduiding voor de hervorming waarbij sabbatschending werd bestreden. Vormde een centraal aandachtspunt van de godsdienstige hervorming in de naballingschapse tijd. (Neh 13:15)

## ijverig in goede werken (begrip)

- Toegewijd en bereidwillig tot het verrichten van daden die God welgevallig zijn; kenmerk van het door Christus gereinigde volk. (Tit 2:14)

## ijzeren banden (begrip)

- Boeien van ijzer waarmee gevangenen werden vastgelegd. In de bijbel beeld van vernedering, gevangenschap en onmacht. (Geb. Man. 1:10)

## ijzeren pan (uitdrukking)

- Profetisch symbool voor de scheidende muur tussen God en zijn ontheiligde stad. Onderdeel van de symbolische tekenhandelingen van de profeet. (Ez 4:3)

## Ik ben de Deur (begrip)

- 'Ik ben de Deur der schapen; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden'. (Joh 10:9)

## Ik ben de Goede Herder (begrip)

- 'Ik ben de Goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen'. (Joh 10:11)

## Ik ben de Opstanding (begrip)

- 'Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven'. (Joh 11:25)

## Ik ben de Weg (begrip)

- 'Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij'. (Joh 14:6)

## Ik ben de Wijnstok (begrip)

- 'Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman'. (Joh 15:1)

## Ik ben het Brood (begrip)

- 'Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren'. (Joh 6:35)

## Ik ben het Licht (begrip)

- 'Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben'. (Joh 8:12)

## Ik ben jong (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 1:6)

## Ik ben te gering (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking van uiterste verootmoediging waarmee men zijn onbekwaamheid voor God belijdt. Klassieke wending in de Bijbel bij Gods openbaring. (Job 40:4)

## Ik kom haastiglijk (begrip)

- ChristusZie, Ik kom haastiglijk' — drievoudig herhaald. (Op 22:7)

## Ik verfoei mij (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking van uiterste verootmoediging voor God. Onderdeel van de slotbelijdenis van Job. (Job 42:6)

## Ik weet, mijn Verlosser leeft (uitdrukking)

- Bijbelse geloofsbelijdenis over de levende Verlosser die de gelovige uit de dood zal opwekken. Klassieke uitspraak over opstandingshoop in het Oude Testament. (Job 19:25)

## ik zal betalen (begrip)

- Persoonlijke garantieverklaring waarmee iemand zich verbindt de schuld van een ander te voldoen. (Flm 1:19)

## Ik zal hun zonde niet meer gedenken (uitdrukking)

- Slot van de profetie van het nieuwe verbond. Volle vergiffenis als grond van het verbond. (Jer 31:34)

## Ik zal mijn schapen weiden (uitdrukking)

- Profetische belofte dat God zelf de zorg voor zijn volk op zich neemt na het falen van menselijke leiders. Voorloper van de leer over Christus als de goede Herder. (Ez 34:11)

## Ik zal mijn wet schrijven (uitdrukking)

- Echo van; samen met Ez fundamentele profetie over inwendige vernieuwing onder het nieuwe verbond. (Jer 31:33)

## IK ZAL ZIJN (naam)

- De Naam die God aan Mozes onthulde bij het braambos: 'IK ZAL ZIJN, DIE IK ZIJN ZAL'. Verwijst naar God als de Eeuwige, zelfbestaande en altijd-trouwe. (Ex 3:14)

## Illyrië (plaats)

- Romeinse provincie aan de Adriatische kust, noordwestelijke uitloper van Paulus' arbeid. Genoemd als bereik van zijn evangelieprediking. (Rom 15:19)

## in alles dankzeggen (begrip)

- Apostolische vermaning om in alle omstandigheden God te danken; volgens de wil van God in Christus Jezus. (1 Th 5:18)

## in banden geteeld (begrip)

- Tot geloof brengen tijdens gevangenschap; aanduiding van geestelijke voortbrenging onder moeilijke omstandigheden. (Flm 1:10)

## in bekwamen tijd (begrip)

- Op het door God bestemde, geschikte tijdstip van openbaring of vervulling van Zijn raad. (Tit 1:3)

## in de as leggen (begrip)

- God heeft de steden van Sodom en Gomorra in de as gelegd, en met omkering veroordeeld tot een voorbeeld dergenen die goddeloos zouden leven. (2 Petr 2:6)

## in de geest opgenomen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor profetische vervoering waarbij iemand door Gods Geest wordt verplaatst of in vervoering raakt. Behoort tot het profetisch ervaringsterrein. (Ez 3:14)

## in de gemeente der heiligen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de gemeente van Christus. (Kol 1:2)

## in de gestaltenis Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Fil 2:6)

## in de tempel zitten (begrip)

- Aanduiding voor het zich aanmatigen van goddelijke eer door de eindtijdelijke tegenstander, die zich in Gods heiligdom als god voordoet. (2 Th 2:4)

## in de wolken (begrip)

- Beeldspraak voor het opgenomen worden van de gelovigen om Christus tegemoet te gaan bij Zijn wederkomst. (1 Th 4:17)

## in den beginne (begrip)

- Openingsformule van het Johannes-evangelie, parallel aan de openingsformule van de Tora. Onderstreept dat het Woord er reeds was vóór de schepping. (Joh 1:1)

## in den geest (begrip)

- Toestand van profetische verrukking waarin Johannes de visioenen ontving op Patmos — zijn (menselijke) geest werd door de Heilige Geest opgenomen in de hemelse openbaring. (Op 1:10)

## in den Heere sterk (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Ef 6:10)

## in der eeuwigheid (begrip)

- Aanduiding van het blijvende, onvergankelijke karakter van Gods waarheid en heil. (2 Joh 1:2)

## in Geest en in waarheid (theologisch)

- Wezenlijk kenmerk van de nieuwtestamentische aanbidding: niet meer plaatsgebonden, maar door de Heilige Geest en in Christus, Die de waarheid is. (Joh 4:23)

## in Hem volmaakt (begrip)

- Het door Christus aan de gelovige geschonken volmaakte heil, waarin niets ontbreekt. (Kol 2:10)

## in het wit gekleden (begrip)

- In bijbelse en apocalyptische beeldspraak de gestorven heiligen of overwinnaars, gekleed in witte gewaden als teken van reinheid en heerlijkheid. (4 Ezra 2:40)

## in huis ontvangen (begrip)

- Gastvrijheid verlenen aan rondtrekkende leraars; in de oudchristelijke gemeenten een teken van geloofsgemeenschap, daarom geweigerd aan dwaalleraars. (2 Joh 1:10)

## in Mij blijven (begrip)

- Voorwaarde voor vruchtdragen. (Joh 15:4)

## in Mijn Naam bidden (begrip)

- Belofte aan de discipelen. (Joh 14:13)

## in Mijn Vaders huis (begrip)

- Belofte van bereide plaats. (Joh 14:2)

## in mijn vlees zal ik God aanschouwen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de hoop op een persoonlijk en lichamelijk aanschouwen van God na de dood. Een van de helderste oudtestamentische opstandingsteksten. (Job 19:26)

## in Naam van Heere (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Kol 3:17)

## in waarheid en liefde (begrip)

- Vaste tweeledige aanduiding van de twee kernwaarden van de Johanneïsche brieven: zuiverheid van leer en daadwerkelijke onderlinge liefde. (2 Joh 1:3)

## in waarheid liefhebben (begrip)

- Oprechte, op de waarheid van het evangelie gegronde liefde tot medegelovigen, in tegenstelling tot louter formele genegenheid. (3 Joh 1:1)

## inbrekers (begrip)

- Geweldenaars, indringers — die met geweld binnendringen. In de Psalmen het beeld voor vijanden die het leven van de psalmist bedreigen. (Ps 17:4)

## indachtig (begrip)

- Zich herinnerend. De discipelen werden indachtig (herinnerden zich) wat er geschreven stond, nadat Jezus was opgestaan. (Joh 2:17)

## India (plaats)

- Aanduiding voor het westelijke deel van het Indische subcontinent, onder de Perzen onderworpen door Darius I. Vormde de oostelijke grens van het Perzische rijk. (Esth 1:1)

## indien de Heere wil (begrip)

- U behoorde te zeggen: indien de Heere wil en wij leven, zo zullen wij dit of dat doen — onderwerping aan Gods voorzienigheid. (Jak 4:15)

## indien geen broeder (begrip)

- Pleidooi om iemand niet langer als slaaf maar als broeder in Christus te ontvangen. (Flm 1:16)

## indien wij sterven (begrip)

- Pastoraal lied van vertroosting. (2 Tim 2:11)

## Indië (plaats)

- Aanduiding voor de oostelijke grensgebieden van het Perzische rijk, het stroomgebied van de Indus. (EstAp 13:1)
- Het uiterste oosten van het Seleucidische gezichtsveld; bij de Grieken een algemene aanduiding voor het Indische subcontinent. (1 Makk 8:8)

## ingaan (begrip)

- Christus is met Zijn eigen bloed eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. (Hebr 9:12)

## ingang in eeuwig koninkrijk (begrip)

- Alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. (2 Petr 1:11)

## ingeborene (begrip)

- Iemand die geboren is in het huishouden van een meester, als kind van een slaaf of slavin. Hoorde tot de huishouding en moest mee besneden worden. (Gen 17:12)

## ingeplante woord (begrip)

- Ontvangt met zachtmoedigheid het ingeplante woord, hetwelk uw zielen kan zaligmaken. (Jak 1:21)

## ingeslopen (begrip)

- Daar zekere mensen ingeslopen zijn, die eertijds tot ditzelfde oordeel tevoren opgeschreven waren, goddelozen die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid. (Jud 1:4)

## ingewandelijk verkwikt (begrip)

- Diepe innerlijke bemoediging en verkwikking die door christelijke liefde aan medegelovigen wordt geschonken. (Flm 1:7)

## ingewanden (begrip)

- Het diepste van de mens; zetel van diepste gevoelens. (Ps 22:15)
- Letterlijk de inwendige delen van het lichaam; in bijbels Grieks overdrachtelijk voor het hart als zetel van diepe genegenheid. (Filem 1:7)

## ingewanden sluiten (begrip)

- Wie nu het goed der wereld heeft, en zijn broeder ziet gebrek hebben, en sluit zijn ingewanden voor hem toe, hoe blijft de liefde Gods in hem? (1 Joh 3:17)

## inkt (begrip)

- In de oudheid uit roet en gom bereide schrijfvloeistof, gebruikt op papyrus en perkament met een rietpen. (2 Joh 1:12)

## instelling (begrip)

- Door Christus zelf vastgestelde ordening, in het bijzonder van het avondmaal. Norm voor de gemeente. (1 Kor 11:23)

## inwendige mens (begrip)

- De geestelijke kern van de gelovige, door de Geest van dag tot dag vernieuwd. Tegenover de uitwendige, vergankelijke mens. (2 Kor 4:16)

## inwijding van de muur (begrip)

- Plechtige ceremonie waarmee de herbouwde stadsmuur van Jeruzalem na voltooiing aan JAHWEH werd toegewijd. Vond plaats met dankoptochten, koren en muziekinstrumenten. (Neh 12:27)

## inwonen (begrip)

- Wonen in het lichaam als tijdelijke verblijfplaats. Tegenovergesteld aan het uitwonen van de Heere. (2 Kor 5:8)

## inwoner (begrip)

- Bewoner van een land of stad. Onderscheiden van vreemdelingen en bijwoners. (Gen 23:4)

## inzettingen (begrip)

- Verordeningen, vaste voorschriften. (Ps 19:9)
- Mondeling of schriftelijk overgeleverde apostolische voorschriften en geloofsleringen die door de gemeente moeten worden vastgehouden. (2 Th 2:15)

## inzicht (begrip)

- Hebr. בִּינָה (binah) — vermogen om onderscheid te maken tussen waar en onwaar, goed en kwaad. Hangt nauw samen met wijsheid en kennis. (Spr 1:2)

## Iram (persoon)

- Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:43)

## Irija (persoon)

- Wachthoofd in de Benjaminspoort die Jeremia greep met de beschuldiging dat hij naar de Chaldeeën overliep; Jeremia ontkent het en werd alsnog gevangengezet. (Jer 37:13)

## Isai (persoon)

- Inwoner van Bethlehem en vader van koning David, ook wel Jesse genoemd. Stamvader van het koninklijke huis van Juda. (Matt 1:5)

## Isaï (persoon)

- Bethlehemiet uit de stam Juda, kleinzoon van Boaz en Ruth en vader van koning David. Had acht zonen, van wie David de jongste was. (1Sam 16:1)

## Isboseth (persoon)

- Zoon van koning Saul, na de dood van zijn vader door Abner over de noordelijke stammen tot koning gemaakt. Regeerde slechts kort en werd in zijn slaap door twee van zijn legerhoofden vermoord. (2Sam 2:8)

## Ischi (begrip)

- Hebreeuws woord dat 'mijn man' betekent. Profetische aanduiding waarmee de relatie tussen God en zijn volk als een liefdevolle huwelijksband wordt uitgedrukt. (Hos 2:16)

## Iskariot (persoon)

- Bijnaam van Judas, vermoedelijk afgeleid van zijn herkomstplaats Keriot in Judea. Onderscheidt hem van andere personen met dezelfde naam. (Matt 10:4)

## Ismael (persoon)

- Zoon van Hagar, type van wettische dienstbaarheid (impliciet, vgl. Ismael door). (Gal 1:16)

## Ismaël (persoon)

- Zoon van Abraham bij de slavin Hagar. Naam betekent 'God hoort'; werd vader van twaalf vorsten en stamvader van Arabische volken. (Gen 16:11)
- Zoon van Nethanja, uit koninklijk geslacht; vermoordde Gedalja en zeventig pelgrims uit Sichem, Silo en Samaria; vluchtte daarna naar de Ammonieten. (Jer 40:14)

## Ismaël, zoon van Nethanja (persoon)

- Lid van het Davidische koningshuis ten tijde van de Babylonische ballingschap. Bekend om de moord op de landvoogd Gedalia en de daarop volgende vlucht van het overblijfsel naar Egypte. (2 Kon 25:25)

## Ismaëliet (volk)

- Afstammeling van Ismaël, lid van een nomadisch handelsvolk in de Arabische woestijn. In de Bijbel ook ruime aanduiding voor Arabische karavaanhandelaren. (Gen 37:25)

## Ismaëlieten (volk)

- Nomadische Arabische volken die afstamden van Ismaël. Vooral handelaren die karavanen tussen Arabië en Egypte voerden. (Gen 37:25)

## Israel (plaats)

- Naam zowel van het hele verbondsvolk als van de afzonderlijke stammen. Verwijst naar Jakob, die door God de naam Israël ontving en stamvader werd van de twaalf stammen. (1 Kron 11:1)

## Israël (persoon)

- Naam zowel van de aartsvader Jakob als van het verbondsvolk dat uit hem voortkwam; na de scheuring van het rijk ook van het noordelijke tienstammenrijk. (Gen 32:28)

## Israël (naam) (begrip)

- De erenaam die God aan Jakob gaf na zijn worsteling met de Engel bij de Jabbok. Betekent 'die met God strijdt' of 'God strijdt voor hem'. (Gen 32:28)

## Israël (noord) (plaats)

- Het noordelijke koninkrijk dat na de scheuring van het verenigde koninkrijk uit tien stammen bestond. Eindigde met de val van Samaria onder de Assyrische koning Salmaneser in 722 v. Chr. (2 Kron 13:4)

## Israël (verbonds-naam) (plaats)

- Aanduiding voor het hele verbondsvolk als afstammelingen van Jakob, die de naam Israël ontving. Drukt de eenheid van het volk uit ondanks de politieke scheiding tussen het noord- en zuidrijk. (2 Kron 30:1)

## Israël als getrouwde bruid (uitdrukking)

- God herinnert zich Israëls eerste liefde. (Jer 2:2)

## Israël als wijnstok zonder vrucht (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij het volk Israël met een onvruchtbare wijnstok wordt vergeleken. Komt ook voor in het Nieuwe Testament. (Ez 15:6)

## Israël en Job (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding dat Job buiten het volk Israël staat maar wel de ware God dient. Voorbeeld van Gods openbaring buiten Israël om. (Job 1:1)

## Israël en Juda samengevoegd (uitdrukking)

- Hereniging van het verdeelde rijk. (Jer 3:18)

## Israël en Juda één (uitdrukking)

- Profetische belofte van het herstel van het verdeelde rijk tot één volk onder één heerser. Centraal in de heilsprofetie van Ezechiël. (Ez 37:17)

## Israël Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Gal 6:16)

## Israël overspelig wijf (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarin het ontrouwe Israël met een overspelige vrouw wordt vergeleken. Klassiek motief in de oudtestamentische profetie. (Ez 16:32)

## Israël uit Babel uittrekken (uitdrukking)

- Profetische roep tot de ballingen die herhaalt. (Jer 51:6)

## Israël wijsheid (begrip)

- In de wijsheidsliteratuur de gedachte dat God de wijsheid in het bijzonder heeft toebedeeld aan zijn volk Israël, in de Thora. (Sir 24:8)

## Israël zaad van de hartstocht (uitdrukking)

- Beeld van geestelijke verbastering. (Jer 2:21)

## Israëliet (volk)

- Iemand die tot het volk Israël behoort. Jezus noemde Nathanaël. (Joh 1:48)

## Israëls bloed aan zomen (uitdrukking)

- Beeld van moord en onderdrukking. (Jer 2:34)

## Israëls geschiedenis als afgoderij (uitdrukking)

- Profetische terugblik op Israëls geschiedenis vanaf de uittocht waarin telkens herhaalde afgoderij wordt blootgelegd. Onderdeel van de profetische bekeringsoproep. (Ez 20:9)

## Issaschar (persoon)

- Negende zoon van Jakob (bij Lea) en de stam die uit hem voortkwam. Naam betekent 'er is loon'. (Gen 30:18)
- Negende zoon van Jakob (bij Lea) en de stam die uit hem voortkwam. Erfde een vruchtbaar gebied in de vlakte van Jizreël. (Dt 33:18)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Issaschar, de zoon van Jakob en Lea. Het stamgebied lag in en rondom de vruchtbare Jizreëlvlakte. (Joz 19:17)

## Italiaanse bende (begrip)

- De Romeinse legereenheid waaronder Cornelius diende. (Hand 10:1)

## Italië (plaats)

- Paulus reisde naar Italië als gevangene; Rome was eindbestemming. (Hand 18:2)

## Ithamar (persoon)

- Vierde zoon van Aäron. Diende met zijn broer Eleazar als priester na de dood van Nadab en Abihu. (Ex 6:23)

## Ithiël (persoon)

- Persoon tot wie Agur zijn woorden richtte. (Spr 30:1)

## Ithran (persoon)

- Zoon van Disan en nakomeling van Seïr de Horiet. Behoort tot de oude Horitische bewoners van Edom. (Gen 36:26)

## Ittai (persoon)

- Filistijnse vluchteling uit Gat die met zijn manschappen in dienst van David trad. Bleef de koning trouw tijdens de opstand van Absalom en kreeg het bevel over een derde van het leger. (2Sam 15:19)

## Iturea (plaats)

- Streek van Filippus de tetrarch. (Luk 3:1)

## Izak (persoon)

- Zoon van Abraham en Sara, geboren toen zij hoogbejaard waren. Tweede aartsvader; vader van Esau en Jakob; naam betekent 'hij lacht'. (Gen 17:19)
- Tweede aartsvader van Israël, zoon van Abraham en Sara, vader van Esau en Jakob. Ontving de verbondsbelofte die aan Abraham was gegeven. (Joz 24:3)
- Tweede aartsvader van Israël, zoon van Abraham en Sara. Vader van Jakob en Ezau. (Ps 105:9)
- Tweede aartsvader, zoon van Abraham en Sara en vader van Jakob en Esau. Drager van het verbond met Abraham. (Matt 1:2)
- Zoon van Abraham en Sara, kind der belofte. Type van Christus en van de kinderen der belofte. (Rom 9:7)
- Zoon van Abraham en Sara, kind der belofte en aartsvader van Israël. (Hebr 11:9)
- Zoon van Abraham en Sara en tweede van de aartsvaders van Israël. Vader van Esau en Jakob. (Sir 44:22)

## Izaäk (persoon)

- Zoon van Abraham en Sara en tweede van de aartsvaders van Israël. Vader van Esau en Jakob. (Geb. Man. 1:1)
- Zoon van Abraham en Sara, vader van Esau en Jakob. Tweede van de aartsvaders en drager van de beloften van het verbond. (Am 7:9)

## Izebel (persoon)

- Sidonische prinses, dochter van koning Ethbaäl, gehuwd met Achab van Israël. Bekend om de invoering van de Baälsdienst in Israël en de vervolging van de profeten van JAHWEH. (1 Kon 16:31)

## ja en amen (begrip)

- Vaste bevestiging van Gods beloften, die in Christus alle ja en amen zijn. Grond van het vertrouwen. (2 Kor 1:20)

## ja zij ja (begrip)

- Uw ja zij ja, en uw neen zij neen, opdat u in geen oordeel valt — eerlijkheid in plaats van zweren. (Jak 5:12)

## ja, broeder (begrip)

- Vertrouwelijke aansporing aan een geestelijke broeder, uitdrukking van pastorale verbondenheid en verwachting. (Flm 1:20)

## ja-zegging (begrip)

- Toestemmend antwoord; van Gods beloften die in Christus volkomen vervuld zijn. Tegenovergesteld aan onbestendige menselijke woorden. (2 Kor 1:18)

## jaar des HEEREN (begrip)

- Tijdrekening van de heilige cyclus van feesten en sabbatten, die het hele jaar in Israël ordent volgens Gods bestel. (Ex 23:14)

## Jaazania zoon Habazinja (persoon)

- Familiehoofd van de Rechabieten die Jeremia in de tempel binnenleidde. (Jer 35:3)

## Jaazania zoon van Azur (persoon)

- Persoonsnaam in de Bijbel, een van de leidende figuren in het na-exilische Jeruzalem. Onderdeel van de profetische klacht over de leiders van het volk. (Ez 11:1)

## Jaazania zoon van Safan (persoon)

- Lid van het beroemde geslacht van Safan, dat hoofdrollen vervulde in de tijd van koning Josia en daarna. Onderdeel van de hofkringen van Juda. (Ez 8:11)

## Jabal (persoon)

- Zoon van Lamech bij Ada, in de lijn van Kaïn. Stamvader van de tentbewoners en kuddehouders. (Gen 4:20)

## Jabbok (plaats)

- Rivier ten oosten van de Jordaan die in deze rivier uitmondt. Plek waar Jakob 's nachts met de Engel worstelde en de naam Israël ontving. (Gen 32:22)

## Jabes-gilead (plaats)

- Stad in Gilead ten oosten van de Jordaan, in het stamgebied van Gad of halve Manasse. Bekend uit verschillende episoden in de geschiedenis van Israël, waaronder de Saulskroniek. (Ri 21:8)
- Stad in Gilead ten oosten van de Jordaan, in het stamgebied van Gad of halve Manasse. Bekend uit verschillende episoden in Israëls geschiedenis, waaronder de redding door Saul en de begrafenis van zijn beenderen. (1Sam 11:1)
- Stad in Gilead ten oosten van de Jordaan, in het stamgebied van Gad of halve Manasse. Bekend uit verschillende episoden in Israëls geschiedenis, waaronder de redding door Saul. (2 Kon 15:14)

## Jabin (persoon)

- Naam van een of meer Kanaänitische koningen van Hazor in het noorden van Kanaän. Leider van de noordelijke coalitie tegen Israël tijdens de verovering. (Joz 11:1)
- Naam van een of meer Kanaänitische koningen van Hazor in het noorden van Kanaän. Verdrukker van Israël in de richterentijd, verslagen door Debora en Barak. (Ri 4:2)

## Jachin (persoon)

- Tweede zoon van Simeon en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Simeon. (Gen 46:10)
- Naam van een van de twee koperen zuilen voor het voorhuis van de tempel te Jeruzalem. Betekent 'Hij zal bevestigen' en vormt samen met Boaz een symbolisch paar. (1 Kon 7:21)

## Jachleël (persoon)

- Zoon van Zebulon en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Zebulon. (Gen 46:14)

## Jachseël (persoon)

- Zoon van Naftali en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Naftali. (Gen 46:24)

## Jafeth (persoon)

- Een van de drie zonen van Noach, naast Sem en Cham. Stamvader van vele westerse en noordelijke volken; ontving Noachs zegen 'God breide Jafeth uit'. (Gen 5:32)
- Een van de drie zonen van Noach, stamvader van de noordelijke en europese volken. Komt voor in het volkenregister van de geslachtsregisters in de Schrift. (1 Kron 1:5)

## jager (begrip)

- Iemand die wilde dieren vangt of doodt. In de oudheid zowel beroep als vorstelijk vermaak; Nimrod en Esau waren bekende jagers in Genesis. (Gen 10:9)

## Jahasiël (persoon)

- Levitische profeet uit het geslacht van Asaf ten tijde van koning Josafat van Juda. Bekend om zijn profetisch woord van bemoediging vóór een grote militaire crisis. (2 Kron 20:14)

## Jahleel (persoon)

- Zoon van Zebulon en kleinzoon van Jakob. Andere schrijfwijze van Jachleël; hoofd van een clan van de stam Zebulon. (Gen 46:14)

## JAHWEH (begrip)

- De eigennaam van Israëls God, die Hij aan Mozes openbaarde bij de brandende braamstruik. Verbondsnaam van de Eeuwige en Trouwe; in de Statenvertaling als 'HEERE' weergegeven. (Gen 2:4)
- De eigennaam van Israëls God, geopenbaard aan Mozes bij de brandende braamstruik. Verwijst naar God als de Eeuwige en Trouwe verbondsgod. (Ex 3:15)
- Verbondsnaam van God, in de Statenvertaling met 'HEERE' weergegeven. Drukt Gods trouw aan zijn volk uit en wordt aangeroepen door allen die zich tot Hem bekeren. (Ruth 1:16)
- De Verbondsnaam van God in het Oude Testament (Hebr. יהוה), traditioneel weergegeven met HEERE. Naam betekent 'Hij is' of 'Hij doet zijn' en drukt Gods eeuwige trouw aan Zijn verbond uit. (Ps 8:2)

## JAHWEH ware God (uitdrukking)

- Centraal belijdenis tegenover de afgoden. (Jer 10:10)

## JAHWEH ziet ons niet (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de praktische godloochening waarin men meent dat God zijn schepping niet langer waarneemt. Klassieke uiting van geestelijk verval. (Ez 8:12)

## JAHWEH-Jireh (begrip)

- Naam die Abraham gaf aan de plek waar God in een ram voorzag in plaats van Izak. Betekent 'JAHWEH zal voorzien' of 'JAHWEH ziet'. (Gen 22:14)

## JAHWEH-Nissi (naam)

- Naam die Mozes aan een altaar gaf na de overwinning op Amalek bij Refidim. Betekent 'JAHWEH is mijn Banier'. (Ex 17:15)

## JAHWEH-Sjamma (uitdrukking)

- Profetische naam voor de toekomstige stad Gods die letterlijk 'de HEERE is daar' betekent. Slot van het boek Ezechiël. (Ez 48:35)

## JAHWEH-Tsidkenu (uitdrukking)

- Hebr. יְהוָה צִדְקֵנוּ. Naam van de Messiaanse Spruit (. ). (Jer 23:6)

## Jahzeel (persoon)

- Zoon van Naftali en kleinzoon van Jakob. Andere schrijfwijze van Jachseël; hoofd van een clan van de stam Naftali. (Gen 46:24)

## Jair (persoon)

- Nakomeling van Manasse die een groep dorpen in Basan veroverde. Naar hem werden deze nederzettingen 'Havoth-jaïr' (dorpen van Jair) genoemd. (Joz 13:30)

## Jake (persoon)

- Vader van Agur. (Spr 30:1)

## jakhalzen en struisen mijn broeders (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor uiterste eenzaamheid waarbij iemand zich verwant voelt met wilde dieren in de woestijn. Klassieke klaagtaal. (Job 30:29)

## Jakob (persoon)

- Derde aartsvader van Israël, zoon van Izaäk en Rebekka, vader van de twaalf stamvaders. Door God na het worstelen bij de Jabbok de naam Israël gegeven. (Gen 25:26)

## Jakob (aartsvader) (persoon)

- Derde aartsvader, zoon van Izak en Rebekka, na zijn worsteling Israël genoemd. Vader van de twaalf stamhoofden van Israël. (Matt 1:2)

## Jakob (vader van Jozef) (persoon)

- Vader van Jozef, de man van Maria, alleen bekend uit het geslachtsregister van Jezus in Mattheus. (Matt 1:16)

## Jakobs benauwdheid (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor een tijd van grote nood die over de nakomelingen van Jakob (Israël) komt, gevolgd door verlossing. (Jer 30:7)

## Jakobsbron (plaats)

- De put bij Sichar in Samaria waar Jezus de Samaritaanse vrouw ontmoette. (Joh 4:6)

## Jakobus (persoon)

- Apostel, zoon van Zebedeüs en broer van Johannes. Behoorde met Petrus en Johannes tot Jezus' meest vertrouwde kring; rond 44 n.Chr. door Herodes Agrippa onthoofd. (Matt 4:21)
- Apostel of broeder des Heeren; schrijver van de gelijknamige brief in het Nieuwe Testament. (Jak 1:1)

## Jakobus de broeder des Heeren (persoon)

- Leider van de gemeente te Jeruzalem; sprak het beslissende woord op het apostelconvent. (Hand 15:13)

## Jakobus de Mindere (persoon)

- Apostel, zoon van Alfeüs. Wordt onderscheiden van Jakobus de zoon van Zebedeüs en van Jakobus de broer van de Heer. (Matt 10:3)

## Jakobus de zoon van Alfeüs (persoon)

- Apostel, ook bekend als Jakobus de Mindere. Wordt onderscheiden van Jakobus de zoon van Zebedeüs. (Mark 3:18)
- Apostel, te onderscheiden van Jakobus de zoon van Zebedeüs. (Luk 6:15)

## jaloerse vrouw (begrip)

- Bijbels begrip voor een vrouw die haar echtgenoot voortdurend met argwaan bewaakt. In de wijsheidsliteratuur als zware last beschreven. (Sir 26:6)

## jaloersheid (begrip)

- IJver of naijver; in goede zin de heilige ijver Gods, in kwade zin sektarische naijver. Bron van twist in de gemeente. (Rom 11:14)

## jaloërsheid (begrip)

- Afgunst, naijver. Sterke gevoelens van wrok over wat een ander toebehoort. In de Bijbel ook van God gezegd, als heilige ijver voor Zijn verbond. (Gen 37:11)

## Jambres (persoon)

- Andere tovenaar die Mozes weerstond, samen met Jannes. (2 Tim 3:8)

## Jamin (persoon)

- Tweede zoon van Simeon en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Simeon. (Gen 46:10)

## Jamnia (plaats)

- Filistijnse kuststad ten zuiden van Jaffa (huidige Yavne in Israël). Belangrijk in de Makkabese oorlogen en later (na 70 n.Chr.) een joods leercentrum. (1 Makk 5:55)

## Jannes (persoon)

- Egyptische tovenaar die Mozes weerstond — type van vroege dwaalleraars. (2 Tim 3:8)

## Jarach (persoon)

- Zoon van Joktan en nakomeling van Sem. Stamvader van een zuid-Arabische stam. (Gen 10:26)

## Jareb (persoon)

- Naam of titel die in de profetische literatuur op een Assyrische koning wordt toegepast. De naam betekent vermoedelijk 'twistmaker' of 'grote koning'. (Hos 5:13)

## Jared (persoon)

- Zoon van Mahalaleël in Lukas' geslachtsregister. (Luk 3:37)

## Jaribi (persoon)

- Naam (mogelijk een variantspelling) die in geslachtsregisters van Juda voorkomt. Verdere gegevens over deze persoon zijn schaars. (1 Kron 2:34)

## Jasobam (persoon)

- Zoon van Hachmoni en hoofd van de drie eerste helden van koning David. Bekend om zijn uitzonderlijke wapenfeiten met de speer. (1 Kron 11:11)

## Jason (persoon)

- De gastheer van Paulus te Tessalonica, die een onderpand moest stellen toen het oproer ontstond. (Hand 17:5)
- Joodse hogepriester (regeerde 175-172 v.Chr.) die het ambt door geld van Antiochus IV verkreeg en in Jeruzalem een hellenistische cultuur invoerde. (2 Makk 4:7)

## Jason van Cyrene (persoon)

- Joodse historicus (tweede eeuw v.Chr.) wiens vijfdelig werk over de Makkabese opstand de bron is van het boek 2 Makkabeeën. (2 Makk 2:23)

## Javan (persoon)

- Vierde zoon van Jafeth, stamvader van het Griekse en Ionische volk in het westelijke Middellandse zeegebied. (Gen 10:2)

## Javan, Tubal, Mesech (volk)

- Bijbelse aanduidingen voor volken in het oude Klein-Azië en Griekenland. Bekend om handel in slaven en koperen voorwerpen. (Ez 27:13)

## Jazer (plaats)

- Stad in het Overjordaanse in Galaäditis, oorspronkelijk Amoritisch, later Israëlitisch (Numeri 21). (1 Makk 5:8)

## Jaär (plaats)

- Veld of gebied in de buurt van Kirjath-jearim. Naam mogelijk verbonden met de wouden of bossen die er groeiden. (1 Kron 13:5)

## Jaël (persoon)

- Vrouw van Heber de Keniet, woonachtig in het noorden van Kanaän. Werd bekend door het doden van de gevluchte Kanaänitische bevelhebber Sisera in haar tent. (Ri 4:17)

## Jaëlam (persoon)

- Zoon van Esau en Aholibama, een van de Edomitische stamvorsten. (Gen 36:5)

## Jaïr (persoon)

- Een van de kleine richters van Israël, afkomstig uit Gilead ten oosten van de Jordaan. Wordt herinnerd om zijn talrijke nageslacht dat dorpen in Basan in bezit had. (Ri 10:3)
- In de bijbel naam van verschillende personen, onder wie de vader van Mordechai uit de stam Benjamin. (EstAp 11:2)

## Jaïrus (persoon)

- Synagoge-overste in een plaats aan het meer van Galilea, wiens dochter door Jezus uit de dood werd opgewekt. (Matt 9:18)

## Jaïrus' dochter (persoon)

- Twaalfjarig meisje, dochter van een synagoge-overste, die volgens de evangeliën door Jezus uit de dood werd opgewekt. (Mark 5:42)

## Jeboseth (persoon)

- Variantspelling van Isboseth, zoon van koning Saul. Zie aldaar. (2Sam 2:8)

## Jebusiet (volk)

- Een van de Kanaänitische volken, afstammelingen van Kanaän. Bewoners van Jebus, het latere Jeruzalem, tot zij door David werden verdreven. (Gen 10:16)

## Jebusieten (volk)

- Een van de zeven volken van Kanaän, oorspronkelijke bewoners van Jeruzalem. Bleven in de stad wonen tot David hen verdreef en Jeruzalem zijn hoofdstad maakte. (Joz 15:63)

## Jechazia (persoon)

- Een van de personen uit de naballingschapse gemeenschap die in genealogische lijsten voorkomt. Verdere gegevens over deze persoon zijn schaars. (Ezra 10:15)

## Jechonia (persoon)

- Hebreeuws Jojachin; koning van Juda (598-597 v.Chr.), zoon van Jojakim. Na drie maanden door Nebukadnezar in ballingschap weggevoerd. (Matt 1:11)
- Koning van Juda (ook Jojachin genoemd), in 597 v.Chr. door Nebukadnezar uit Jeruzalem naar Babel weggevoerd. (Bar 1:3)

## Jechonias (persoon)

- Koning van Juda (Jojachin), in 597 v.Chr. door Nebukadnezar uit Jeruzalem naar Babel weggevoerd. (EstAp 11:3)

## Jeduthun (persoon)

- Levitische zanger en muziekleider uit de tijd van David. Naam genoemd in enkele psalmopschriften. (Ps 39:1)
- Levitische zanger, een van de drie hoofden van de tempelmuziek onder koning David. Stamvader van een geslacht van zangers dat naast Asaf en Heman optrad. (1 Kron 16:41)

## Jefta (persoon)

- Zoon van een hoer uit Gilead, door zijn halfbroers verstoten en later teruggeroepen om Israël tegen Ammon te leiden. Een van de grote richters, vooral bekend om zijn ondoordachte gelofte. (Ri 11:1)
- Richter van Israël, genoemd onder de geloofshelden die door geloof gerechtigheid hebben gewerkt. (Hebr 11:32)

## Jegar-sahadutha (overig)

- Aramese naam die Laban gaf aan de stenen hoop bij het verbond met Jakob in Gilead. Betekent 'hoop der getuigenis'. (Gen 31:47)

## Jehu (persoon)

- Koning van het noordelijk rijk Israël (ca. 841-814 v.Chr.) die op Gods bevel het huis van Achab uitroeide. Stichter van een dynastie die ongeveer een eeuw bestond. (Hos 1:4)
- Tiende koning van het noordelijke rijk Israël, zoon van Nimsi en stichter van een nieuwe dynastie. Bekend om zijn vurige uitroeiing van het huis van Achab en de Baälsdienst. (2 Kon 9:2)

## Jehu, profeet (persoon)

- Profeet ten tijde van koning Baësa van Israël en koning Josafat van Juda. Bekend om zijn berispend woord aan beide koningen. (2 Kron 19:2)

## Jehu, zoon van Hanani (persoon)

- Profeet ten tijde van koning Baësa van Israël en koning Josafat van Juda. Bekend om zijn oordeelsaankondiging over het huis van Baësa. (1 Kon 16:1)

## Jehu, zoon van Nimsi (persoon)

- Tiende koning van het noordelijke rijk Israël, gezalfd op aanwijzing van de profeet Elisa. Bekend om zijn vurige uitroeiing van het huis van Achab en de Baälsdienst. (1 Kon 19:16)

## Jehus (persoon)

- Zoon van Esau en Aholibama, een van de Edomitische stamvorsten. (Gen 36:5)

## Jemima (persoon)

- Persoonsnaam die 'duif' of 'dag' kan betekenen. In de Bijbel een van de drie dochters van Job na zijn herstel. (Job 42:14)

## Jemuël (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Simeon en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Simeon. (Gen 46:10)

## jeneverboom (begrip)

- Houtige struik of kleine boom die in droge gebieden van het Nabije Oosten voorkomt. Bood enige beschutting in de woestijn en gaf hout dat lang bleef branden. (1 Kon 19:4)

## Jerah (persoon)

- Zoon van Joktan en nakomeling van Sem. Stamvader van een zuid-Arabische stam. (Gen 10:26)

## Jered (persoon)

- Zesde geslacht van Adam in de lijn van Seth, vader van Henoch. Leefde 962 jaar. (Gen 5:15)

## Jeremia (persoon)

- Profeet in Juda eind zevende, begin zesde eeuw v.Chr., die de val van Jeruzalem aankondigde en meemaakte. Naamgever van het bijbelboek Jeremia. (Matt 2:17)
- Profeet uit Anatoth, werkzaam van ca. 627 tot na de val van Jeruzalem in 586 v.Chr. Voorzegde de zeventig jaren ballingschap. (3 Ezra 2:1)
- Profeet uit Anatoth, werkzaam van ca. 627 tot na de val van Jeruzalem in 586 v.Chr. Naar hem genoemd het bijbelboek Jeremia en de Klaagliederen. (Bar 6:1)
- Profeet uit Anathoth in Benjamin, optredend in de laatste decennia van het koninkrijk Juda. Bekend om zijn verkondiging van Gods oordeel en zijn klaagliederen over de val van Jeruzalem. (2 Kon 24:2)
- Profeet uit Anathoth, zoon van priester Hilkia, geroepen in 627 v.Chr. Profeteerde meer dan veertig jaar over Juda en Jeruzalem en is bekend als de 'wenende profeet'. (Jer 1:1)

## Jeremia 52 (uitdrukking)

- Slothoofdstuk; geschreven door of toegevoegd door een latere hand. Vrijwel identiek. (Jer 52:1)

## Jeremia bekent zwakheid (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 17:14)

## Jeremia in de stok (uitdrukking)

- Pasjur sloeg Jeremia en zette hem in de stok bij de bovenpoort van Benjamin in het huis des HEEREN. Bijzonder vernederend voor een profeet. (Jer 20:2)

## Jeremia in Egypte (uitdrukking)

- Slot van Jeremiat laatst tegen de afgoderij. Volgens overlevering daar gestenigd. (Jer 43:6)

## Jeremia's klaaglied (begrip)

- Aanduiding voor een rouwklacht die de profeet Jeremia opstelde naar aanleiding van de dood van koning Josia. Werd in de joodse traditie tot vast onderdeel van klaagliederen gemaakt. (2 Kron 35:25)

## Jeremia's persoonlijkheid (uitdrukking)

- Tegelijk hardnekkig profeet en wenend mens; klagende confessions tonen zijn worsteling met de roeping. Type van Christus die 'de wenende profeet' werd. (Jer 9:1)

## Jeremiël (persoon)

- In het apocriefe 4 Ezra de naam van een aartsengel die de zielen van de rechtvaardigen antwoordt over de eindtijd. (4 Ezra 4:36)

## Jericho (plaats)

- Oude stad in het Jordaandal, vlakbij de monding van de Jordaan in de Dode Zee. Eerste door Israël veroverde stad in Kanaän. (Num 22:1)
- Oude stad in de Jordaanvallei, een van de oudste stedelijke nederzettingen ter wereld. Bekend als de eerste stad die Israël onder Jozua veroverde, waarbij de muren wonderbaarlijk vielen. (Joz 6:1)
- Oude stad in de Jordaanvallei, ook 'stad der palmbomen' genoemd. In de richterentijd gold een vloek over de herbouw van de muren. (Ri 1:16)
- Oude stad in de Jordaanvallei, een van de oudste stedelijke nederzettingen ter wereld. Gold gedurende de richteren- en koningstijd als belangrijke voorpost aan de oostgrens van Juda en Benjamin. (1Sam 1:1)
- Oude stad in het Jordaandal, ongeveer 250 meter beneden zeeniveau, ten noordoosten van Jeruzalem. Een van de oudste bewoonde plaatsen ter wereld. (Matt 20:29)
- Oude oasestad in de Jordaanvallei, ten noordoosten van Jeruzalem; tot de oudst bewoonde plaatsen ter wereld behorend. (1 Makk 9:50)
- Oude stad in de Jordaanvallei, een van de oudste stedelijke nederzettingen ter wereld. In de tijd van Elisa zetel van een gemeenschap van profetenleerlingen. (2 Kon 2:5)
- Oude stad in de Jordaanvallei, een van de oudste stedelijke nederzettingen ter wereld. Belangrijke voorpost aan de oostgrens van Juda en Benjamin. (2 Kron 28:15)

## Jerobeam (persoon)

- Jerobeam II, koning van het noordelijk rijk Israël (ca. 786-746 v.Chr.). Onder zijn lange regering bereikte het rijk grote welvaart en militaire macht. (Hos 1:1)

## Jerobeam (I) (persoon)

- Zoon van Nebat uit de stam Efraïm, eerste koning van het noordelijke rijk Israël na de scheuring. Diende met de gouden kalverdienst gedurende eeuwen als negatief voorbeeld voor latere koningen. (2 Kron 10:2)

## Jerobeam II (persoon)

- Dertiende koning van het noordelijke rijk Israël, zoon en opvolger van Joas. Regeerde lang en met militaire successen, hoewel hij godsdienstig de oude lijn van Jerobeam I voortzette. (2 Kon 14:23)

## Jeroboam (persoon)

- Eerste koning van het noordrijk Israël na de scheuring van het rijk (regeerde ca. 931-910 v.Chr.). Voerde de kalverdienst in te Bethel en Dan. (Sir 47:23)
- Zoon van Nebat uit de stam Efraïm, eerste koning van het noordelijke rijk Israël na de scheuring. Diende met de gouden kalverdienst gedurende eeuwen als negatief voorbeeld voor latere koningen. (1 Kon 11:26)

## Jerubbaäl (persoon)

- Bijnaam van Gideon, met de betekenis 'laat Baäl met hem twisten'. Door zijn vader Joas gegeven nadat Gideon het Baälsaltaar in Ofra had afgebroken. (Ri 6:32)

## Jeruzalem (plaats)

- Hoofdstad van het oude koninkrijk Juda, gelegen in het bergland; plaats van de tempel en het centrum van de eredienst aan JHWH. In het Nieuwe Testament tevens bakermat van de christelijke gemeente. (Joz 10:1)

## Jeruzalem als ontuchtige (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarin Jeruzalem als ontrouwe vrouw of hoer wordt voorgesteld. Klassiek beeld in de oudtestamentische profetie voor verbondsbreuk. (Ez 16:33)

## Jeruzalem wijsheid (plaats)

- In de wijsheidsliteratuur de gedachte dat de wijsheid haar woonplaats heeft gevonden in Jeruzalem, in de tempel en de Thora. (Sir 24:11)

## Jeruzalemse vergadering (begrip)

- De vergadering van apostelen en oudsten te Jeruzalem die besliste dat heidenen niet de wet van Mozes hoefden te onderhouden. (Hand 15:6)

## Jesaja (persoon)

- Profeet in Jeruzalem in de tweede helft van de achtste eeuw v.Chr. Naamgever van het bijbelboek Jesaja, dat veel messiaanse voorzeggingen bevat. (Matt 4:14)
- Oudtestamentische profeet, in de brieven veelvuldig aangehaald. Profeteerde uitvoerig over Christus en het overblijfsel. (Rom 9:27)
- Joodse profeet uit Jeruzalem (achtste eeuw v.Chr.), werkzaam onder Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia. Naar hem genoemd het bijbelboek Jesaja. (Sir 48:22)
- Profeet uit Jeruzalem in de achtste eeuw v. Chr., zoon van Amoz. Voornaamste raadgever van koning Hizkia en auteur van het naar hem genoemde bijbelboek. (2 Kon 19:2)

## Jeschuron (naam)

- Erenaam voor Israël, met de betekenis 'de oprechte' of 'de rechtvaardige'. Komt voor in dichterlijke gedeelten en zegeningen. (Dt 32:15)

## Jesua (persoon)

- Hogepriester ten tijde van de eerste terugkeer uit de ballingschap, zoon van Jozadak. Stond samen met Zerubbabel aan het hoofd van de teruggekeerde gemeenschap en de herbouw van de tempel. (Ezra 2:2)

## Jesua zoon van Jozadak (persoon)

- Joodse hogepriester die rond 538 v.Chr. met Zerubbabel uit Babel terugkeerde en de tempeldienst herstelde. (Sir 49:12)

## Jetheth (persoon)

- Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:40)

## Jethro (persoon)

- Priester van Midian en schoonvader van Mozes. Adviseerde Mozes om oversten over duizenden, honderden, vijftigen en tienden aan te stellen om recht te spreken. (Ex 18:1)

## Jetur (persoon)

- Zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabische stam, mogelijk de latere Itureeërs. (Gen 25:15)

## jeugd (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor de levensfase van het jong-zijn. Tijd van vorming, oefening en ontvankelijkheid voor wijsheid. (Sir 6:18)

## jeugd kuisen (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het opvoeden van kinderen tot reinheid en zedigheid, met aanvaarding van tucht door de ouders. (Sir 9:5)

## jeugdig overspel (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor seksuele zonden van jonge mensen, in de wijsheidsliteratuur scherp afgeraden vanwege de blijvende schade. (Sir 25:2)

## jeugdig vrolijk (begrip)

- Bijbelse en wijsheidsbegrip voor de blijdschap die past bij de jonge jaren, met de raad om die zonder zonde te beleven. (Sir 30:21)

## jeugdsvrouw (begrip)

- De vrouw met wie men in zijn jonge jaren is gehuwd. In de Bijbel staat zij onder bijzondere bescherming van Gods verbond. (Mal 2:14)

## Jezebel (persoon)

- De vrouw te Thyatire die zich profetes noemde en de dienstknechten Gods verleidde tot hoererij en afgodenoffer. (Op 2:20)

## Jezer (persoon)

- Zoon van Naftali en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Naftali. (Gen 46:24)

## Jezreel (plaats)

- Naam zowel van een vlakte in het noorden van Israël als van een stad daarin. Vruchtbaar gebied dat vele veldslagen heeft gezien en waar koningen van Israël een paleis hadden. (2Sam 2:2)
- Naam zowel van een vlakte in het noorden van Israël als van een stad daarin. Vruchtbaar gebied dat vele veldslagen heeft gezien en waar de koningen van het noordrijk een paleis hadden. (2 Kron 22:7)

## Jezus (persoon)

- Griekse vorm van het Hebreeuwse Jesjoea, dat 'JHWH redt' betekent. Persoonsnaam van de vleesgeworden Zoon van God, geboren te Bethlehem, gekruisigd en opgewekt te Jeruzalem; in het Nieuwe Testament beleden als Christus en Heere. (Matt 1:1)

## Jezus Barabbas (persoon)

- Het volk eiste Barabbas vrij in plaats van Jezus van Nazareth. (Luk 23:18)

## Jezus de Nazarener (persoon)

- Jezus van Nazareth, de stad waar Hij opgroeide. Dit stond ook op het opschrift boven het kruis. (Joh 18:5)

## Jezus is de Zoon Gods (begrip)

- Zo wie zal beleden hebben dat Jezus de Zoon Gods is, God blijft in hem, en hij in God — keer-belijdenis. (1 Joh 4:15)

## Jezus zoon van Sirach (persoon)

- Hebreeuws Jesjoea ben Sira, joods schriftgeleerde te Jeruzalem (eind derde, begin tweede eeuw v.Chr.). Auteur van het naar hem genoemde apocriefe wijsheidsboek. (Sir 50:27)

## Jichmer (persoon)

- Naam die in geslachtsregisters van een van de noordelijke stammen voorkomt. Verdere gegevens over deze persoon zijn schaars. (1 Kron 7:36)

## Jidlaf (persoon)

- Zevende zoon van Nahor en Milka. Neef van Abraham. (Gen 22:22)

## Jimna (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Aser en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Aser. (Gen 46:17)

## Jisbak (persoon)

- Vijfde zoon van Abraham bij Ketura. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:2)

## Jiska (persoon)

- Dochter van Haran en zus van Lot en Milka. Nicht van Abraham. (Gen 11:29)

## Jisva (persoon)

- Tweede zoon van Aser en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Aser. (Gen 46:17)

## Jisvi (persoon)

- Derde zoon van Aser en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Aser. (Gen 46:17)

## Jizreël (persoon)

- Vlakte en stad in het noorden van Israël, ten zuiden van de berg Karmel. De naam betekent 'God zaait' en kreeg in de profetie een dubbele lading van oordeel en herstel. (Hos 1:4)
- Naam zowel van een vlakte in het noorden van Israël als van een stad daarin. Vruchtbaar gebied dat vele veldslagen heeft gezien en waar de koningen van het noordrijk een paleis hadden. (2 Kon 9:16)

## Joab (persoon)

- Zoon van Davids zus Zeruja, broer van Abisai en Asaël. Opperbevelhebber van het leger van koning David, geducht en trouw maar berucht om zijn wreedheid. (2Sam 2:13)
- Zoon van Davids zus Zeruja, opperbevelhebber van het leger van koning David. Geducht en trouw maar berucht om zijn wreedheid; werd op zijn oude dag op bevel van Salomo gedood. (1 Kon 1:7)
- Zoon van Davids zus Zeruja, opperbevelhebber van het leger van koning David. Geducht en trouw maar berucht om zijn wreedheid en eigenmachtigheid. (1 Kron 11:6)
- Zoon van Davids zus Zeruja, opperbevelhebber van het leger van koning David. Geducht en trouw maar berucht om zijn wreedheid. (2 Kron 11:6)

## Joah (persoon)

- Hofbeambte (kanselier of registrator) ten tijde van koning Hizkia, zoon van Asaf. Lid van de afvaardiging die namens de koning met de Assyrische opperveldheer onderhandelde. (2 Kon 18:18)

## Joah, kroniekschrijver (persoon)

- Hofbeambte (kanselier of registrator) ten tijde van koning Josia van Juda. Belast met het bewaren van de officiële archieven van het koninkrijk. (2 Kron 34:8)

## Joahaz (persoon)

- Elfde koning van het noordelijke rijk Israël, zoon en opvolger van Jehu. Onder zijn regering werd Israël zwaar onderdrukt door de Aramese koning Hazaël. (2 Kon 13:1)
- Zeventiende koning van Juda, zoon en opvolger van Josia. Regeerde slechts drie maanden voordat hij door de Egyptische farao Necho werd afgezet en weggevoerd. (2 Kron 36:1)
- Ook Sallum genoemd; zoon van Josia, regeerde slechts drie maanden in 609 v.Chr. en werd door Necho naar Egypte gevoerd, waar hij stierf. Jeremia voorspelde dat hij niet zou terugkeren. (Jer 22:11)

## Joahaz, zoon van Josia (persoon)

- Zeventiende koning van Juda, zoon en opvolger van Josia. Regeerde slechts drie maanden voordat hij door de Egyptische farao Necho werd afgezet en weggevoerd. (2 Kon 23:31)

## Joakim (persoon)

- Naam van verschillende personen in de bijbel, onder wie de hogepriester ten tijde van Ezra en Nehemia. (Jdt 4:5)
- Joodse balling te Babylon en man van Susanna in het apocriefe verhaal. Gold als de aanzienlijkste van de Joden in Babel. (Sus 1:1)

## Joanna (persoon)

- Een van de vrouwen die op de paasmorgen het lege graf vonden. (Luk 24:10)

## Joarib (begrip)

- Eerste van de vierentwintig priesterklassen die David volgens 1 Kronieken 24 voor de tempeldienst instelde. Geslacht waaruit de Hasmoneeën stamden. (1 Makk 2:1)

## Joas (persoon)

- Vader van de richter Gideon, uit het geslacht Abi-ezer in de stam Manasse. Aanvankelijk eigenaar van een Baälsaltaar, verdedigde hij later zijn zoon na diens optreden tegen Baäl. (Ri 6:11)
- Persoonsnaam die 'de HEERE heeft gegeven' betekent. Onder andere de naam van een koning van Israël en vader van Jerobeam II. (Hos 1:1)

## Joas, koning van Israël (persoon)

- Twaalfde koning van het noordelijke rijk Israël, zoon en opvolger van Joahaz. Behaalde overwinningen op de Arameeërs en op koning Amazia van Juda. (2 Kon 13:10)

## Joas, koning van Juda (persoon)

- Achtste koning van Juda, zoon van Ahazia. Werd als kind door de hogepriester Jojada uit de slachting onder de koninklijke familie gered en op zevenjarige leeftijd op de troon gezet. (2 Kon 11:2)

## Joatham (persoon)

- Hebreeuws Jotham; koning van Juda (ca. 750-735 v.Chr.), zoon van Uzzia (Azaria) en vader van Achaz. (Matt 1:9)

## Job (persoon)

- Derde zoon van Issaschar en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan; niet te verwarren met de Job uit het gelijknamige bijbelboek. (Gen 46:13)
- Voorbeeld van lijdzaamheid: u hebt de lijdzaamheid van Job gehoord en het einde des Heeren gezien — dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer. (Jak 5:11)
- Hoofdpersoon van het bijbelboek dat zijn naam draagt. Voorgesteld als een rijke, vrome man uit het land Uz; door Ezechiël en Jakobus genoemd als toonbeeld van rechtvaardigheid en lijdzaamheid. (Job 1:1)

## Job 's literaire genre (uitdrukking)

- Aanduiding voor het bijzondere genre van het boek Job als dramatisch dichtwerk met prozaomlijsting. Uniek in het Oude Testament. (Job 1:1)

## Job als hemelse zaak (uitdrukking)

- Aanduiding voor het kerngegeven van het boek dat Jobs lijden niet uit straf maar uit een hemels overleg voortkomt. Alleen de lezer kent de proloog. (Job 1:8)

## Job de profeet (uitdrukking)

- Aanduiding voor Job als profetische figuur in de Bijbel, ook gebruikt in het Nieuwe Testament als toonbeeld van lijdzaamheid. Genoemd door Ezechiël en Jakobus. (Job 1:1)

## Job's drinkbeker (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de beker van Gods toorn die de goddeloze moet drinken. Klassieke uitdrukking in profetische literatuur. (Job 21:20)

## Job's gezicht op Gods soevereiniteit (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor de slotbelijdenis waarin de almacht en ondoorgrondelijkheid van Gods raadsbesluit wordt erkend. Climax van het boek Job. (Job 42:2)

## Job's huidige vernedering (uitdrukking)

- Bijbels motief waarin een gevallen aanzienlijke wordt bespot door wie eens onder hem stond. Onderdeel van de klaagtaal. (Job 30:1)

## Job's slotbelijdenis (uitdrukking)

- Het laatste antwoord van Job aan God in het boek Job, waarin hij zijn vroegere klachten herroept en zich verootmoedigt. Climax van het boek. (Job 42:6)

## Job's verloren grootheid (uitdrukking)

- Bijbels motief waarin een gevallen heerser of patriarch zich zijn vroegere aanzien herinnert. Onderdeel van de klaagtaal in wijsheidsliteratuur. (Job 29:2)

## Job-vrienden zijn rond Job (uitdrukking)

- Aanduiding voor de drie vrienden van Job die uit verschillende streken naar hem toe komen om hem te troosten. Klassiek voorbeeld van wijsheidsdebat. (Job 2:11)

## Jobab (persoon)

- Naam van twee Genesis-personen: een zoon van Joktan (Arabisch volk) en een Edomitische koning uit Bozra. (Gen 10:29)

## Jobs eigen Adam (uitdrukking)

- Aanduiding voor de oudtestamentische verwijzing naar Adam in het boek Job. Een van de vroegste expliciete oudtestamentische verwijzingen naar de eerste mens. (Job 31:33)

## Jobs erfdeel aan dochters (uitdrukking)

- Bijbels detail waarin Job zijn dochters mee laat erven met hun broers, in zijn tijd uitzonderlijk. Onderdeel van de epiloog van het boek Job. (Job 42:15)

## Jobs medicijnmeesters (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor wie troost wil bieden maar door zijn woorden juist het lijden vergroot. Onderdeel van het wijsheidsliterair dispuut. (Job 13:4)

## Jobs offers voor zonen (uitdrukking)

- Bijbels beeld van patriarchale priesterzorg waarbij de huisvader voor zijn kinderen offert. Karakteristiek voor de aartsvaderlijke offerpraktijk. (Job 1:5)

## Jobs reuk voor zijn vrouw (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de uiterste eenzaamheid waarbij zelfs naaste verwanten zich afkeren vanwege lichamelijke ellende. Onderdeel van de klaagliteratuur. (Job 19:17)

## Jobs verlangen naar dood (uitdrukking)

- Bijbels motief in klaagliteratuur waarbij iemand uit nood om de dood vraagt. Onderdeel van de uiterste klaagtaal die ook bij andere profeten voorkomt. (Job 6:8)

## Jobs vrouw (persoon)

- Echtgenote van de patriarch Job, in de Bijbel niet bij naam genoemd. Treedt op als tegenstem in zijn beproeving. (Job 2:9)

## Jochebed (persoon)

- Vrouw van Amram en moeder van Mozes, Aäron en Mirjam. Uit de stam Levi. (Ex 6:20)

## Jod (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:11)

## Joden (volk)

- Het volk van Israël, afstammelingen van Abraham. In Johannes verwijst vaak specifiek naar de Joodse leiders die Jezus vijandig gezind waren. (Joh 1:19)
- Lid van het uit Juda voortgekomen volk Israel; in het Nieuwe Testament aanduiding voor wie joods van afkomst en godsdienst is. (1 Tess 2:14)
- Bewoners van het oude Juda en hun nakomelingen. Na de ballingschap algemene aanduiding voor het verbondsvolk Israël en zijn diaspora. (3 Makk 1:8)
- Aanduiding voor de afstammelingen van de stammen Juda en Benjamin, en bij uitbreiding voor het hele bijbelse verbondsvolk. Werd algemeen na de Babylonische ballingschap. (Esth 3:6)

## Joden geesten doden (begrip)

- Aanduiding voor het doden van de profeten en de Heiland en het vervolgen van de apostelen, waardoor de Joden Gods toorn over zich brachten. Hier verwijst 'geesten' naar de mensen zelf in hun innerlijk wezen. (1 Th 2:15)

## Joden van de ballingschap (begrip)

- De Joden die na de val van Jeruzalem (586 v.Chr.) naar Babel werden weggevoerd, en hun nakomelingen die later mochten terugkeren. (3 Ezra 7:13)

## Jodengenoot (begrip)

- Een niet-Jood (heiden) die zich tot het Jodendom heeft bekeerd door besnijdenis en aanvaarding van de Wet van Mozes (proseliet). Onderscheiden van de 'godvrezenden' die wel de God van Israël aanbaden maar zich niet lieten besnijden. (Hand 6:5)

## joelende sprinkhaan (begrip)

- Een van de soorten of stadia van sprinkhanen die in een plaag het land kaal vreten. Onderdeel van de oudtestamentische plaagbeschrijvingen. (Joël 1:4)

## Joh (persoon)

- Apostel Johannes; ontvanger van het visioen. (Openb 1:1)

## Johanan (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een hogepriester ten tijde van Nehemia of kort daarna. Behoorde tot de geslachtslijn van Eliasib. (Neh 12:23)
- Zoon van Kareah; legerhoofd die Gedalja waarschuwde voor Ismaël en na de moord het overblijfsel verzamelde. Wilde Jeremia raad vragen maar gehoorzaamde niet aan Gods bevel — voerde het volk en Jeremia naar Egypte. (Jer 40:8)

## Johanan haalt Ismaël in (uitdrukking)

- Johanan zoon van Kareah verzamelt de hoofden van het leger en haalt Ismaël in bij Gibeon — zij maakten alle gevangenen vrij; Ismaël ontkomt met acht mannen naar de Ammonieten. (Jer 41:14)

## Johanna (persoon)

- Vrouw van Chuzas, Herodes' rentmeester; volgde Jezus en diende Hem uit haar goederen. (Luk 8:3)

## Johannes (persoon)

- Apostel, zoon van Zebedeüs en broer van Jakobus. Volgens kerkelijke traditie de schrijver van het vierde evangelie, drie brieven en de Openbaring. (Matt 3:1)

## Johannes (apostel) (persoon)

- Een van de twaalf discipelen, waarschijnlijk en de schrijver van dit evangelie. Zoon van Zebedeüs. (Joh 21:24)

## Johannes de Doper (persoon)

- De profeet die door God gezonden was om de weg voor Jezus te bereiden. Hij doopte mensen in de Jordaan en wees Jezus aan als het Lam van God. (Joh 1:6)
- Joodse profeet uit het begin van de eerste eeuw die optrad als wegbereider van Christus en doopte aan de Jordaan. In het Nieuwe Testament met de profetische Elia-figuur verbonden. (Mal 4:5)

## Johannes Hyrkanus (persoon)

- Joodse hogepriester en vorst (regeerde 134-104 v.Chr.), zoon van Simon Makkabeüs. Onder hem werd het Hasmonese rijk uitgebreid en versterkt. (1 Makk 16:21)

## Johannes Jaddis (persoon)

- Oudste van de vijf zonen van Mattathias en oudere broer van Judas Makkabeüs. Sneuvelde in 160 v.Chr. in een hinderlaag. (1 Makk 9:36)

## Johannes Markus (persoon)

- Neef van Barnabas; oorspronkelijk medehelper van Paulus, oorzaak van scheiding tussen Paulus en Barnabas. (Hand 13:5)

## Johannes' getuigenis (begrip)

- Johannes de Doper verklaarde. (Joh 1:29)

## Jojachin (persoon)

- Achttiende koning van Juda, zoon en opvolger van Jojakim. Regeerde slechts drie maanden voordat hij door Nebukadnezar werd weggevoerd naar Babel. (2 Kon 24:8)
- Koning van Juda (598-597 v.Chr.), opvolger van Jojakim. Werd na drie maanden door Nebukadnezar in ballingschap gevoerd. (Jer 22:24)
- Koning van Juda die in 597 v.Chr. door Nebukadnezar werd weggevoerd naar Babel. Slechts drie maanden geregeerd; nakomeling in de geslachtslijn van David. (Ez 1:2)

## Jojachin uit gevangenis (uitdrukking)

- Slothistorie. Evil-Merodach hief Jojachins hoofd op uit het gevangenhuis; gaf hem dagelijks brood, plaatste hem boven de troon van andere koningen. (Jer 52:31)

## Jojachin verhoogd (uitdrukking)

- Slot van het hele OT-canon volgens sommige: na Jojachins lange gevangenschap (37 jaar) wordt hij eervol behandeld door Evil-Merodach. Stille hoop op davidisch herstel. (Jer 52:31)

## Jojada (persoon)

- Persoonsnaam die 'de HEERE weet' betekent. In de Bijbel onder andere de naam van een hogepriester uit de tijd van koning Joas. (Zach 6:11)
- Hogepriester ten tijde van koningin Atalia en koning Joas van Juda. Bekend om zijn rol in de verberging van het kind Joas en zijn herstel van de eredienst van JAHWEH. (2 Kon 11:4)
- Naam van meerdere hogepriesters en hofbeambten in de Schrift, waaronder een hogepriester ten tijde van Nehemia. Niet te verwarren met de eerdere Jojada uit de tijd van koningin Atalia. (Neh 13:28)

## Jojada de hogepriester (persoon)

- Hogepriester ten tijde van koningin Atalia en koning Joas van Juda. Bekend om zijn rol in de verberging van het kind Joas en zijn herstel van de eredienst van JAHWEH. (Neh 12:11)

## Jojakim (persoon)

- Koning van Juda (regeerde 609-598 v.Chr.), zoon van Josia. In de bijbel ook naam van de hogepriester die ten tijde van Ezra en Nehemia diende. (Bar 1:7)
- Achttiende koning van Juda, zoon van Josia. Werd door de Egyptische farao Necho tot koning aangesteld onder de nieuwe naam Jojakim, ter vervanging van zijn weggevoerde broer Joahaz. (2 Kon 23:34)
- Koning van Juda (609-598 v.Chr.), zoon van Josia. Bekend om zijn vijandschap tegenover Jeremia en het verbranden van diens boekrol. (Jer 22:18)

## jokkende (begrip)

- Verouderd voor 'spelend' of 'liefkozend'. Gebruikt voor de wijze waarop Izak zich met Rebekka vermaakte en daardoor verried dat zij zijn vrouw was. (Gen 26:8)

## Joksan (persoon)

- Tweede zoon van Abraham bij Ketura. Vader van Seba en Dedan, voorvader van Arabische stammen. (Gen 25:2)

## Joktan (persoon)

- Tweede zoon van Heber en broer van Peleg. Vader van dertien zonen die stamvaders werden van Arabische stammen. (Gen 10:25)

## Jona (persoon)

- Profeet uit de achtste eeuw v.Chr., gezonden naar Nineve. Naamgever van het bijbelboek Jona, bekend om zijn drie dagen in een grote vis. (Matt 12:41)
- Israëlitische profeet uit de achtste eeuw v.Chr. Naar hem genoemd het bijbelboek dat zijn zending naar Ninevé en zijn verblijf in de vis verhaalt. (Tob 14:6)

## Jona, zoon van Amittai (persoon)

- Profeet uit Gat-Hefer in het stamgebied van Zebulon. Bekend uit het naar hem genoemde bijbelboek over zijn zending naar de stad Nineve. (2 Kon 14:25)

## Jonadab (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder de neef van Amnon en de stamvader van de Rechabieten. Wordt in beide gevallen geassocieerd met opvallende karaktertrekken. (1Sam 1:1)
- Zoon van Davids broer Simea, neef van prins Amnon en bekend als geslepen raadgever. Speelde een rol in de tragische geschiedenis rond Tamar. (2Sam 13:3)
- Zoon van Rechab, stamvader van de Rechabieten. Stond bekend om zijn strenge levenswijze en zijn ijver voor JAHWEH tegen de Baälsdienst. (2 Kon 10:15)

## Jonadab Rechabiet (persoon)

- Zoon van Rechab en stamvader van de Rechabieten, een groep die zich aan een strenge levenswijze had gewijd. Bekend om zijn ijver voor JAHWEH en zijn afkeer van de Baälsdienst. (2 Kon 10:15)

## Jonadab zoon van Rechab (persoon)

- Stamvader van de Rechabieten; verbood zijn nakomelingen wijn te drinken, huizen te bouwen, akker te zaaien — al gedaan om hen vroom en nomadisch te bewaren. (Jer 35:6)

## Jonadab, zoon van Sima (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een neef van Davids zoon Amnon en de stamvader van de Rechabieten. Beide personen worden om hun karaktertrekken geportretteerd. (2 Kon 10:15)

## Jonas (persoon)

- De vader van Simon Petrus. Jezus noemt Petrus. (Joh 21:15)

## Jonatan (persoon)

- Levietische jongeling, zoon van Gersom. Werd huispriester bij een man uit Efraïm en later door de stam Dan geroepen om priester van hun gesneden beeld te zijn. (Ri 18:30)
- Oudste zoon van koning Saul en kroonprins van Israël. Bekend om zijn dappere aanvallen op de Filistijnen en zijn diepe vriendschapsverbond met David. (1Sam 14:1)
- Vijfde zoon van Mattathias (bijnaam Sapfus), broer en opvolger van Judas Makkabeüs. Hogepriester en vorst van de joden tot zijn dood in 143 v.Chr. (1 Makk 2:5)

## Jonath-elem-rechokim (liturgie)

- Opschrift van: (of 'op verre eilanden') — een melodieaanduiding. (Ps 56:1)

## Jonathan (persoon)

- Oudste zoon van koning Saul en kroonprins van Israël. Bekend om zijn dappere aanvallen op de Filistijnen en zijn diepe vriendschapsverbond met David. (1 Kron 8:33)

## jong gezel (begrip)

- Verouderde aanduiding voor een jongeman of jonggehuwde. In het verhaal Susanna deel van de valse beschuldiging van de oudsten. (Sus 1:21)

## jonge bruid bedenkt haar tooi (uitdrukking)

- Beeld van het ondenkbare. (Jer 2:32)

## jonge man in het wit (persoon)

- Verschijning bij het lege graf van Jezus volgens Markus, doorgaans uitgelegd als een engel die de opstanding aankondigt. (Mark 16:5)

## jonge mannen (begrip)

- Aanduiding voor mannelijke leden van de gemeente in jeugdige leeftijd; in de pastorale brieven afzonderlijk vermaand tot zelfbeheersing. (Tit 2:6)

## jonge raven die roepen (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor Gods voorzienige zorg voor zelfs de kleinste schepsels. Onderdeel van de loftaal op Gods alomvattende voorzienigheid. (Job 38:41)

## jonge vrouwen (begrip)

- Vrouwelijke leden van de gemeente in jeugdige leeftijd; in de pastorale brieven onderwerp van onderwijs door de oudere vrouwen. (Tit 2:4)

## jongedochter (begrip)

- Jonge vrouw. — alle leeftijden geroepen tot lofprijzing. (Ps 148:12)

## jongeling (begrip)

- Jonge man, doorgaans tussen kindertijd en volwassenheid. In de Bijbel ook breder gebruikt voor jonge mannen in dienst. (Gen 37:2)
- Jongeman, in het Nieuwe Testament aanduiding voor een ongehuwde mannelijke jongere die nog onder ouderlijk gezag staat. (Mark 10:22)
- Jonge man, in de Bijbel meestal aanduiding voor wie nog niet de volwassen leeftijd of stand bereikt heeft. Vaak in dienstbaar verband. (Zach 2:4)

## jongelingen (begrip)

- Aangesproken groep: jongelingen, die sterk zijn en de boze hebben overwonnen. (1 Joh 2:13)
- De jongere generatie; doelgroep van het boek. (Spr 7:7)
- Verouderde aanduiding voor jonge mannen. In de wijsheidsliteratuur in het bijzonder doelgroep van het wijsheidsonderricht. (Sir 7:23)

## jongelingse begeerten (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (2 Tim 2:22)

## jongen onderworpen (begrip)

- Insgelijks gij jongen, zijt de ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderworpen, zijt met de nederigheid bekleed. (1 Petr 5:5)

## jongens spotten (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de uiterste vernedering waarbij zelfs kinderen iemand bespotten. Onderdeel van de klaagtaal. (Job 19:18)

## jongheid (begrip)

- Tijd van jeugd. (Ps 71:5)

## Jood (volk)

- Lid van het volk dat afstamt van de stam Juda en in ruimere zin van heel Israël. In het Nieuwe Testament aanduiding van het hele volk en zijn godsdienst. (Matt 2:2)
- Lid van het oudtestamentische bondsvolk Israël. In het Nieuwe Testament ook aanduiding voor wie de wet onderhoudt. (Rom 1:16)
- Lid van het uit Juda voortgekomen volk Israel; in het Nieuwe Testament aanduiding voor wie joods van afkomst en godsdienst is. (Tit 1:10)
- Inwoner van Juda of afstammeling van het volk Israël. Na de ballingschap algemene aanduiding voor het verbondsvolk. (BelDra 1:27)

## Joods leven (begrip)

- Levenswandel naar joodse wet en gebruiken, na de komst van Christus voor heidenen niet bindend. (Gal 2:14)

## Joodse fabelen (begrip)

- Aanduiding voor speculatieve verhalen en menselijke uitleggingen van joodse oorsprong die in pastorale brieven worden afgewezen. (Tit 1:14)

## Joppe (plaats)

- Stad waar Petrus bij Simon de leerlooier verbleef. (Hand 9:36)
- Havenstad aan de Middellandse Zeekust van Israël (huidige Jaffa), de voornaamste haven voor Jeruzalem in de oudheid. (3 Ezra 5:55)
- Belangrijke havenstad aan de Middellandse-Zeekust van Israël, het huidige Jaffa. Een van de weinige natuurlijke havens van de Israëlitische kuststreek. (Jon 1:3)

## Joram (persoon)

- Koning van Juda (ca. 848-841 v.Chr.), zoon van Josafat. Trouwde met Athalia, dochter van Achab, en bevorderde de Baäldienst. (Matt 1:8)
- Vijfde koning van Juda, zoon en opvolger van Josafat. Volgde door zijn huwelijk met Achabs dochter Athalja de afgodische gewoonten van het noordelijke rijk. (2 Kron 21:1)

## Joram, koning van Israël (persoon)

- Negende koning van het noordelijke rijk Israël, zoon van Achab en broer van Ahazia. Werd door Jehu doodgeschoten in het kader van de uitroeiing van het huis van Achab. (2 Kon 3:1)

## Joram, koning van Juda (persoon)

- Vijfde koning van Juda, zoon en opvolger van Josafat. Volgde door zijn huwelijk met Achabs dochter Athalja de afgodische gewoonten van het noordelijke rijk. (2 Kon 8:16)

## Joram, zoon van Josafat (persoon)

- Vijfde koning van Juda, zoon en opvolger van Josafat. Volgde door zijn huwelijk met Achabs dochter Athalja de afgodische gewoonten van het noordelijke rijk. (1 Kon 22:50)

## Jordaan (plaats)

- De voornaamste rivier van Israël, die van het noorden naar de Dode Zee in het zuiden stroomt. Vormde de oostgrens van het beloofde land. (Gen 13:10)
- Voornaamste rivier van het beloofde land, die van noord naar zuid stroomt en uitmondt in de Dode Zee. Vormde de oostelijke grens van Kanaän en werd door Israël wonderlijk overgestoken. (Joz 3:13)
- Voornaamste rivier van het beloofde land, die van noord naar zuid stroomt en uitmondt in de Dode Zee. Vormde de oostelijke grens van het kerngebied van Israël. (2Sam 17:22)
- Belangrijkste rivier van Israël, die van het Hermongebergte naar de Dode Zee stroomt. Vormde de oostgrens van het beloofde land. (Ps 42:7)
- Belangrijkste rivier van Palestina, die van het bergland in het noorden door het meer van Galilea naar de Dode Zee in het zuiden stroomt. (Matt 3:5)
- De voornaamste rivier van Palestina, stromend van het Hermongebergte in het noorden via het Meer van Galilea naar de Dode Zee. (1 Makk 5:24)

## Josafat (persoon)

- Koning van Juda (ca. 870-848 v.Chr.), zoon van Asa. Stond bekend om zijn vroomheid en hervormingen in rechtspraak en eredienst. (Matt 1:8)
- Vierde koning van Juda na de scheuring van het rijk, zoon en opvolger van Asa. Stond bekend om zijn godsdienstige toewijding en bondgenootschappen met het noordelijke rijk. (1 Kon 22:2)

## Josafat de schrijver (persoon)

- Hofbeambte aan het hof van koning Salomo, kanselier of registrator. Niet te verwarren met de gelijknamige latere koning van Juda. (1 Kon 4:3)

## Joseba (persoon)

- Dochter van koning Joram van Juda en zuster van koning Ahazia. Bekend om haar redding van het kind Joas uit de moordpartij die Atalia onder de koninklijke familie aanrichtte. (2 Kon 11:2)

## Josedech (persoon)

- Vader van de hogepriester Jozua, zelf zoon van de hogepriester Seraja die door Nebukadnezar werd gedood. Behoort tot het hogepriesterlijk geslacht in ballingschap. (Hag 1:1)

## Josedek (persoon)

- Vader van de hogepriester Jozua die met Zerubabel uit Babel terugkeerde. Zoon van de laatste hogepriester voor de ballingschap, Seraja. (3 Ezra 5:5)

## Joseph (plaats)

- Elfde zoon van Jakob, geliefdste zoon van Rachel. Tot onderkoning van Egypte verheven en behoeder van zijn familie tijdens de hongersnood; vader van Manasse en Efraïm. (Dt 33:13)
- Zoon van Jakob en Rachel; als 'huis van Jozef' aanduiding voor de gezamenlijke stammen van zijn zoons Efraïm en Manasse. Ontving via deze twee stammen een dubbel erfdeel in Israël. (Joz 16:1)

## Joseph Barsabas (persoon)

- Ook Justus genoemd; medekandidaat bij de keuze van Matthias als twaalfde apostel. (Hand 1:23)

## Joses (persoon)

- Veelvoorkomende joodse naam (Grieks voor Josef). In de evangeliën onder andere de naam van een broer van Jezus en van een zoon van Maria, de moeder van Jakobus de Mindere. (Mark 6:3)
- Andere naam voor Barnabas (zie Hand 4:36) — een Leviet uit Cyprus, bijgenaamd Barnabas ('zoon van vertroosting') door de apostelen. Joses is de Hebreeuwse vorm van Jozef. (Hand 4:36)

## Josia (persoon)

- Koning van Juda (regeerde 640-609 v.Chr.), bekend om zijn herstel van de tempeldienst en zijn grote reformatie naar de gevonden wet van Mozes. (3 Ezra 1:1)
- Koning van Juda (640-609 v.Chr.) die op jonge leeftijd grote godsdienstige hervormingen doorvoerde. Onder zijn bewind werd het wetboek in de tempel teruggevonden. (Zef 1:1)
- Zestiende koning van Juda, zoon van Amon. Bekend om de meest grondige godsdienstige reformatie in de geschiedenis van Juda, gebaseerd op het herontdekte wetboek. (2 Kon 22:1)
- Koning van Juda (640-609 v.Chr.) bekend om zijn godsdienstige hervormingen. Onder zijn bewind werd Jeremia tot profeet geroepen. (Jer 1:2)

## Josias (persoon)

- Hebreeuws Josia; koning van Juda (ca. 640-609 v.Chr.) die een grote cultushervorming doorvoerde na de vondst van een wetboek in de tempel. (Matt 1:10)

## jota (begrip)

- De kleinste letter van het Griekse alfabet (i), in het Hebreeuws de jod. Symbool voor het allerkleinste onderdeel. (Matt 5:18)

## jota of tittel (begrip)

- De kleinste letter en het kleinste leesteken van het Hebreeuwse schrift. Samen aanduiding voor het allerminste detail van de Schrift. (Matt 5:18)

## Jotham (persoon)

- Jongste zoon van Gideon, ontkomen aan de massamoord die zijn halfbroer Abimelech onder zijn broers aanrichtte. Bekend om de gelijkenis van de bomen die hij vanaf de berg Gerizim sprak. (Ri 9:5)
- Koning van Juda (ca. 750-735 v.Chr.), zoon van Uzzia. In de Bijbel beoordeeld als een vrome koning die deed wat recht was in de ogen van de HEERE. (Hos 1:1)
- Elfde koning van Juda, zoon en opvolger van Uzzia. Regeerde aanvankelijk als regent toen zijn vader met melaatsheid was geslagen, en wordt in de Schrift positief beoordeeld. (2 Kon 15:32)

## Jozef (persoon)

- Elfde zoon van Jakob, geliefdste zoon van Rachel. Tot onderkoning van Egypte verheven en behoeder van zijn familie tijdens de hongersnood; vader van Manasse en Efraïm. (Gen 30:24)
- Zoon van Jakob en Rachel, die door zijn broers naar Egypte werd verkocht en daar onderkoning werd. Stamvader van de stammen Efraïm en Manasse. (Ps 81:6)
- Timmerman uit Nazareth, verloofde en latere echtgenoot van Maria en wettelijke vader van Jezus. Afstammeling van koning David. (Matt 1:16)
- Jongste-na-Benjamin van de twaalf zonen van Jakob, geboren uit Rachel. Door zijn broers verkocht naar Egypte; werd onderkoning onder Farao en redde zijn familie van hongersnood. (Hand 7:9)
- In de bijbel naam van verschillende personen, onder wie de zoon van Jakob en (in de Makkabese tijd) een van de bevelhebbers onder Judas Makkabeüs. (1 Makk 5:18)
- Zoon van Jakob en Rachel. Door zijn broers naar Egypte verkocht, klom hij daar op tot onderkoning en redde zo Egypte en zijn familie van de hongersnood. (Wijsh 10:13)
- Voorlaatste zoon van Jakob en Rachel, na een omzwerving onderkoning van Egypte geworden. Stamvader van de stammen Efraïm en Manasse, die hun aandeel in Israël ontvingen. (1 Kron 2:2)

## Jozef (zoon van Jakob) (persoon)

- De zoon van Jakob die in Egypte over alles werd gesteld — in Stefanus' rede. (Hand 7:9)

## Jozef van Arimathea (persoon)

- Welgesteld lid van het Sanhedrin en heimelijk leerling van Jezus, afkomstig uit Arimathea. Gaf zijn pas uitgehouwen graf voor Jezus' begrafenis. (Matt 27:57)

## Jozua (persoon)

- Zoon van Nun uit de stam Efraïm, dienaar en opvolger van Mozes. Voerde Israël aan in de strijd tegen Amalek en mocht met Mozes de berg Gods opklimmen. (Ex 17:9)
- Zoon van Nun uit de stam Efraïm, dienaar en opvolger van Mozes. Leidde Israël bij de verovering van Kanaän. (Num 27:18)
- Zoon van Nun uit de stam Efraïm, dienaar en opvolger van Mozes. Leidde Israël door de Jordaan, veroverde Kanaän en verdeelde het land onder de twaalf stammen; zijn naam betekent 'JAHWEH redt'. (Joz 1:1)
- De opvolger van Mozes onder wie de vaderen het beloofde land binnentrokken. (Hand 7:45)
- Naam van verschillende personen, onder wie de hogepriester (zoon van Josedek) die rond 538 v.Chr. met Zerubabel uit Babel terugkeerde en de eredienst herstelde. (3 Ezra 5:48)
- Opvolger van Mozes, leidde Israël het beloofde land Kanaän binnen en verdeelde het onder de twaalf stammen (vgl. het bijbelboek Jozua). (Sir 46:1)
- Hogepriester ten tijde van de terugkeer uit ballingschap, zoon van Josedech. Leidde samen met Zerubbabel het herstel van de eredienst en de tempelbouw. (Hag 1:1)
- Hogepriester ten tijde van de terugkeer uit ballingschap, zoon van Josedech. Leidde samen met Zerubbabel het herstel van de eredienst. (Zach 3:1)

## Joël (persoon)

- Oudtestamentische profeet wiens boek onder de twaalf kleine profeten is opgenomen. Bevat onder meer de aankondiging van de uitstorting van Gods Geest. (Hand 2:16)
- Profeet uit Juda wiens naam 'JHWH is God' betekent. Datering onzeker, maar vermoedelijk uit de na-exilische periode. (Joël 1:1)

## Joël en Abia (persoon)

- De twee zonen van de profeet Samuel die door hem als richters werden aangesteld in Berseba. Bekend om hun ontaard ambtsoptreden, dat aanleiding gaf tot het verzoek om een koning. (1Sam 8:2)

## Jubal (persoon)

- Zoon van Lamech bij Ada, in de lijn van Kaïn. Stamvader van alle muziekinstrumenten als harp en orgel. (Gen 4:21)

## jubelen (begrip)

- Met diepe vreugde Gods Naam bezingen. (Ps 35:27)

## Jubeljaar (wet)

- Het vijftigste jaar, dat volgde op zeven sabbatsjaren. Het land kwam terug bij de oorspronkelijke eigenaars, schulden werden kwijtgescholden en Hebreeuwse slaven kwamen vrij. (Lev 25:10)
- Het in de Tora ingestelde vijftigste jaar waarin schulden werden kwijtgescholden, slaven vrijgelaten en land aan oorspronkelijke eigenaars werd teruggegeven. Beeld van het messiaanse heil. (Luk 4:19)

## Jucal (persoon)

- Zoon van Selemja; namens Zedekia naar Jeremia gezonden om voor het volk te bidden; later een van de vorsten die zijn dood eisten. (Jer 37:3)

## Juda (persoon)

- Vierde zoon van Jakob en Lea; ook de naar hem genoemde stam van Israël en het zuidelijke koninkrijk dat na de scheuring van het rijk overbleef met Jeruzalem als hoofdstad. (Gen 29:35)

## Juda (zoon van Jakob) (persoon)

- Vierde zoon van Jakob en Lea, naamgever van de gelijknamige stam waaruit het koningshuis van David en Christus voortkwam. (Matt 1:2)

## Judas (persoon)

- Een van de twaalf apostelen, bijgenaamd Iskariot. Verraadde Jezus aan de Joodse leiders en pleegde daarna zelfmoord. (Matt 10:4)

## Judas (broer van Jakobus) (persoon)

- Apostel; te onderscheiden van Judas Iskariot. (Hand 1:13)

## Judas (broer van Jezus) (persoon)

- Een van de broers van Jezus volgens de evangeliën, naast Jakobus, Joses en Simon. Soms beschouwd als de schrijver van de brief van Judas. (Mark 6:3)

## Judas (niet Iskariot) (persoon)

- Een van de twaalf discipelen, niet te verwarren met Judas Iskariot. Hij vroeg Jezus waarom Hij Zichzelf aan de discipelen openbaarde en niet aan de wereld. (Joh 14:22)

## Judas de Galileeër (persoon)

- Aanvoerder van een opstand ten tijde van de beschrijving, door Gamaliël aangehaald. (Hand 5:37)

## Judas de Galileër (persoon)

- Joodse rebellenleider die rond 6 n.Chr. een opstand aanvoerde tegen de Romeinse volkstelling onder Quirinius. Niet te verwarren met Judas Iskariot of Judas de broer van Jakobus; door Gamaliël genoemd als voorbeeld van een mislukte messiaanse beweging. (Hand 5:37)

## Judas de zoon van Jakobus (persoon)

- Apostel, ook Thaddeüs of Lebbeüs. (Luk 6:16)

## Judas Iskariot (persoon)

- Een van de twaalf discipelen die Jezus verraadde voor geld. Hij beheerde de gemeenschappelijke beurs en stal daaruit. (Joh 6:71)

## Judas Jakobus' broer (persoon)

- Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus — vermoedelijk Judas, broeder van de Heere en van Jakobus die Jeruzalem leidde. (Jud 1:1)

## Judas Lebbeüs (persoon)

- Een van de twaalf apostelen, ook Thaddeüs genoemd. Wordt onderscheiden van Judas Iskariot en is mogelijk dezelfde als Judas de zoon van Jakobus uit Lukas. (Matt 10:3)

## Judas Makkabeüs (persoon)

- Joodse vrijheidsstrijder (gestorven 160 v.Chr.), zoon van Mattathias en derde van zijn zeven zonen. Leider van de Makkabese opstand tegen Antiochus IV. (1 Makk 2:4)

## Judea (plaats)

- Zuidelijke landstreek van Palestina met Jeruzalem als hoofdstad, oorspronkelijk grondgebied van de stammen Juda en Benjamin. Onder Rome eerst koninkrijk, later provincie. (Matt 2:1)
- Het zuidelijke deel van het oude Israël, met Jeruzalem als hoofdstad. Naam vanaf de Perzische tijd voor de provincie van het terugkerende verbondsvolk. (Jdt 1:12)
- Gebied in zuidelijk Israël rondom Jeruzalem. Naam afgeleid van de stam Juda; oorspronkelijk het zuidelijke koninkrijk Juda. Onder de Perzen, Hellenisten en Romeinen administratieve provincie. In het Nieuwe Testament het hartland van het Joodse volk, plaats van het optreden van Jezus en de eerste gemeente. (1 Mak 3:34)
- Aanduiding voor het zuidelijke deel van het oude Israël, met Jeruzalem als hoofdstad; in de Makkabeese tijd onder Seleucidische heerschappij. (3 Makk 5:28)

## Judith (persoon)

- Vrouw van Esau, dochter van Beëri de Hethiet. Haar huwelijk was een grote beproeving voor Izak en Rebekka. (Gen 26:34)
- Hoofdpersoon van het apocriefe boek Judith. Vrome joodse weduwe uit de stad Bethulië. Naam betekent 'joodse vrouw'. (Jdt 8:1)

## Judith (vrouw Ezau) (persoon)

- Vrouw van Esau, dochter van Beëri de Hethiet. Haar huwelijk was een grote beproeving voor Izak en Rebekka. (Gen 26:34)

## juichen (begrip)

- Luid van vreugde uitroepen voor God. (Ps 5:12)

## juk (begrip)

- Beeld voor onderworpenheid of dienstbaarheid, soms voor onderdrukking, soms voor de heilzame leiding van God. (Ps 81:7)

## juk der wet (begrip)

- Petrus tot de Jeruzalemse vergadering. (Hand 15:10)

## jukken aan vorsten van zuiden (uitdrukking)

- God laat Jeremia jukken maken en sturen naar de koningen van Edom, Moab, Ammon, Tyrus en Sidon — beeld dat zij allen onder Babel moeten buigen. (Jer 27:3)

## jukos (voorwerp)

- De jukos van koeien — in de gelijkenis van het grote avondmaal. (Luk 14:19)

## Julius (persoon)

- De hoofdman over honderd van de keizerlijke bende die Paulus naar Rome geleidde. (Hand 27:1)

## Junias (persoon)

- Bloedverwant van Paulus en mede-gevangene, geacht onder de apostelen. Bekend uit de slotgroet aan Rome. (Rom 16:7)

## Jupiter Olympius (begrip)

- De Olympische Zeus, hoofdgod van het Griekse pantheon. Aan hem werd de tempel van Jeruzalem volgens 2 Makkabeeën 6 door Antiochus IV gewijd. (2 Makk 6:2)

## Jupiter Xenius (begrip)

- Zeus 'de gastvrije', een hellenistisch epitheton van de god Zeus. Aan hem werd volgens 2 Makkabeeën de Samaritaanse tempel op de Garizim gewijd. (2 Makk 6:2)

## Justus (persoon)

- Titius Justus te Korinthe, in wiens huis Paulus predikte naast de synagoge. (Hand 18:7)
- Genoemd als — medearbeider uit de besnijdenis. (Kol 4:11)

## kaalheid (begrip)

- Het verlies van haar op het hoofd. In de Tora niet als onreinheid beschouwd, in tegenstelling tot melaatsheid op de huid. (Lev 13:40)

## kaars (voorwerp)

- In de Statenvertaling vertaling van het Griekse woord voor olielamp. Klein bakje van klei of metaal met olie en wiek voor verlichting. (Mark 4:21)

## kabouter (begrip)

- Verouderde of onduidelijke term, niet algemeen voorkomend in de Bijbel. (Ex 1:1)

## Kabzeël (plaats)

- Stad in het zuidelijke deel van het stamgebied van Juda, op de grens met Edom. Geboorteplaats van de held Benaja, een van de aanvoerders van koning Davids leger. (1 Kron 11:22)

## Kades (plaats)

- Oase in de woestijn Zin, ook Kades-Barnea genoemd. Lange tijd verblijfplaats van Israël tijdens de woestijntocht. (Ex 16:1)
- Stad in noordelijk Galilea, ten noordwesten van het meer Gennesareth, in de Schrift ook bekend als Kedes-Naftali. (1 Makk 11:62)

## Kades-Barnea (plaats)

- Pleisterplaats in de noordelijke Sinaï-woestijn, vanwaar de twaalf verspieders naar Kanaän werden uitgezonden. (Num 13:26)

## Kadmoniet (volk)

- Een van de tien volken die in Gods verbond met Abraham als bewoners van het beloofde land worden genoemd. Mogelijk een oosters volk. (Gen 15:19)

## kaf (begrip)

- Het lichte koren-omhulsel dat bij het wannen wegwaait. Beeld voor de goddelozen die geen stand houden in het oordeel: — in tegenstelling tot de boom geplant aan waterstromen. (Ps 1:4)
- De lichte schillen om het graan, die bij het wannen door de wind worden weggeblazen. Bijbels beeld voor het waardeloze en vergankelijke. (Wijsh 5:14)

## Kahatieten (begrip)

- Een van de drie hoofdgeslachten van de stam Levi, afstammend van Kahath. Hieruit kwam de priesterlijke lijn van Aäron en Mozes voort. (1 Kron 6:33)

## Kajafas (persoon)

- Hogepriester te Jeruzalem van ongeveer 18 tot 36 n.Chr., schoonzoon van Annas. Voorzat het Sanhedrin dat Jezus ter dood liet veroordelen. (Matt 26:57)

## Kalach (plaats)

- Stad in Assyrië, gebouwd door Assur (of Nimrod). Belangrijk centrum van het oude Assyrische rijk, later Nimrud genoemd. (Gen 10:11)

## Kaleb (persoon)

- Zoon van Jefunne, een van de twaalf verspieders die Mozes naar Kanaän zond. Een van de slechts twee verspieders die God geloofden, beloond met het stamgebied rond Hebron. (Joz 14:6)
- Zoon van Jefunne, een van de twee verspieders die God geloofden ten tijde van Mozes. Ontving het bergland rond Hebron als erfdeel en wordt herinnerd om zijn moed en geloof tot in zijn ouderdom. (Ri 1:12)
- Een van de twaalf verspieders die Mozes naar Kanaän zond. Samen met Jozua de enige van zijn generatie die het beloofde land mocht binnengaan (Numeri 13-14). (1 Makk 2:56)

## kalebas-plant (begrip)

- Snelgroeiende klimplant of struik met grote bladeren die schaduw geeft, in de Bijbel als wonderboom door God beschikt. Symbool van vergankelijke gunst. (Jon 4:6)

## kalender (wet)

- De cyclische ordening van het jaar in maanden en feesten. In Israël gebaseerd op de maan, met Abib (Nisan) als eerste maand sinds de uittocht. (Ex 12:2)

## kalf (begrip)

- Gegoten beeld van een jonge stier dat in afgodisch gebruik als voetstuk voor een godheid diende. In Israël door Aäron en Jerobeam I als beeld voor de HEERE opgesteld. (Hos 8:5)

## Kalne (plaats)

- Stad in Mesopotamië of Noord-Syrië die in de profeten als voorbeeld van een verwoeste handelsplaats wordt genoemd. De precieze ligging is onzeker. (Am 6:2)

## kalveren (begrip)

- Jonge runderen die in de wet van Mozes als offerdier konden dienen. Symbool van waardevol bezit dat aan God werd toegewijd. (Mi 6:6)
- Gegoten beelden van jonge stieren die in het oude Nabije Oosten als afgodsbeelden of voetstuk voor goden dienden. Geliefd object van Israëls afgoderij. (Na 1:14)

## kalveren des stals (begrip)

- Goed gevoede jonge runderen die uit de stal worden vrijgelaten en uitgelaten rondspringen. Bijbels beeld van vreugde en vrijheid. (Mal 4:2)

## kameel (begrip)

- Lastdier dat in het Oude Oosten werd gebruikt voor lange reizen door de woestijn. Belangrijk bezit van de nomadische volken zoals de Midianieten en Arabieren. (Ri 6:5)
- Groot lastdier dat in droge gebieden van het Midden-Oosten leeft. Werd onder andere gebruikt voor karavaanvervoer en in spreekwoorden vaak als beeld van iets onmogelijks. (Mark 10:25)

## kamerheer Tobia (begrip)

- Aanduiding voor het ongeoorloofd verblijf van de Ammoniet Tobia in een tempelvertrek dat hem door de hogepriester werd toegewezen. Vorm van ongepaste vermenging tussen heidense en heilige sferen. (Neh 13:5)

## kamerheren (begrip)

- Hoge persoonlijke hofbeambten (vaak eunuchen) aan oosterse koninklijke hoven. Hadden directe toegang tot de koning en vervulden vertrouwelijke functies in het hofleven. (Esth 1:10)

## kamerling (begrip)

- Ethiopische kamerling die Filippus doopte. (Hand 8:27)
- Hofbeambte in een vorstelijke huishouding, vaak een eunuch. In oosterse hoven verantwoordelijk voor het binnenste vertrek of de harem. (Jdt 12:10)

## kamers voor priester wisseling (uitdrukking)

- Bijzondere ruimten in de tempel waar de priesters hun heilige kleding bewaarden. Onderdeel van de tempelinrichting. (Ez 42:14)

## kampen wettelijk (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (2 Tim 2:5)

## Kana (plaats)

- Een dorp in Galilea waar Jezus Zijn eerste wonder deed: het veranderen van water in wijn op een bruiloft. Nathanaël kwam ook uit Kana. (Joh 2:1)

## Kana, brieven uit (begrip)

- Aanduiding voor schriftelijke aanklachten en boodschappen die de tegenstanders van Nehemia naar Jeruzalem zonden. Vormden een belangrijke factor in de pogingen tot vertraging van de muurbouw. (Neh 6:7)

## Kanaan (plaats)

- Oude benaming voor het land tussen de Middellandse Zee en de Jordaan, dat door God aan Abraham en zijn nakomelingen werd beloofd. (Mark 4:19)

## Kanaän (plaats)

- Het beloofde land tussen Jordaan en Middellandse Zee, door God aan Abrahams nakomelingen toegezegd. Ook de naam van een zoon van Cham, vervloekt door Noach. (Gen 9:18)
- Het beloofde land tussen Jordaan en Middellandse Zee, door God aan Abrahams nakomelingen toegezegd. Vloeiende van melk en honig. (Ex 3:8)
- Het beloofde land tussen Jordaan en Middellandse Zee, door God aan Abrahams nakomelingen toegezegd. Bewoond door Kanaänitische volken. (Num 13:2)
- Het door God aan Abraham en zijn nageslacht beloofde land, gelegen tussen de Jordaan en de Middellandse Zee. Werd na de verovering verdeeld onder de twaalf stammen van Israël. (Joz 5:12)
- Het door God aan Abraham en zijn nageslacht beloofde land tussen de Jordaan en de Middellandse Zee. Werd door Israël slechts gedeeltelijk in bezit genomen, met blijvende strijd tegen de overgebleven volken. (Ri 3:1)
- Het beloofde land aan Abraham en zijn nakomelingen, ongeveer het gebied tussen de Jordaan en de Middellandse Zee. Genoemd naar Kanaän, kleinzoon van Noach; later bekend als Israël. (Hand 7:11)
- Het door God aan Abraham beloofde land; type van de hemelse rust. (Hebr 4:1)
- Land dat God aan Abraham en zijn nageslacht beloofde, bewoond door de Kanaänieten. In bijbels spraakgebruik soms gebruikt voor goddeloosheid en heidendom. (Sus 1:56)
- Het beloofde land tussen de Middellandse Zee en de Jordaan, door God aan Abraham en zijn nakomelingen toegezegd. Naam stamt van een van de zonen van Cham. (Ob 1:20)

## Kanaän (land) (plaats)

- Het beloofde land tussen Jordaan en Middellandse Zee. Door God aan Abrahams nakomelingen toegezegd, vloeiende van melk en honig. (Gen 10:19)

## Kanaän (persoon) (persoon)

- Vierde zoon van Cham en kleinzoon van Noach. Door Noach vervloekt na de zonde van Cham; stamvader van de Kanaänitische volken. (Gen 9:18)

## Kanaäniet (volk)

- Lid van een van de oorspronkelijke volken van het beloofde land. Verzamelnaam voor de bewoners die door Israël verdreven moesten worden. (Gen 10:18)

## Kanaänieten (volk)

- Verzamelnaam voor de oorspronkelijke bewoners van het beloofde land, afstammend van Kanaän. Door God bestemd om door Israël verdreven te worden. (Gen 10:18)
- Een van de zeven volken die God Israël gebood te verdrijven. Verzamelnaam voor de oorspronkelijke bewoners van het beloofde land. (Ex 3:8)
- Een van de zeven volken die Kanaän bewoonden, vaak ook als verzamelnaam voor alle voorbewoners van het land. Bleven gedeeltelijk in het land wonen tot in latere tijd. (Joz 3:10)
- Verzamelnaam voor de oude bewoners van het land Kanaän, die volgens de bijbel door God vanwege hun zonden uit het land werden verdreven. (Wijsh 12:3)

## kandelaar (cultisch)

- De zevenarmige gouden lamp (menora) in het heilige van de tabernakel. Brandde van avond tot morgen met zuivere olijfolie. (Ex 25:31)
- Standaard waarop een olielamp werd geplaatst om beter licht te geven. In de tempeldienst ook de zevenarmige menora. (Mark 4:21)
- Zevenarmige luchter uit de tabernakel; in de Openbaring beeld van de gemeenten. (Hebr 9:2)
- De zevenarmige gouden kandelaar (menora) in de tabernakel en tempel, voorgeschreven in Exodus 25. Symbool van het licht van Israël en van de tempeldienst. (4 Ezra 10:22)
- Zevenarmige standaard met olielampen die in de tabernakel en de tempel stond, symbool voor het licht dat God onder zijn volk laat schijnen. Door Mozes naar hemels voorbeeld vervaardigd. (Zach 4:2)

## kandelaars (begrip)

- Gouden lampenstandaards in de tabernakel en de tempel, met meestal zeven armen. Hun olielampen werden door de priesters dagelijks bijgevuld om voortdurend te branden. (1 Kon 7:49)

## kandelaars, gouden (begrip)

- Gouden lampenstandaards in de tabernakel en de tempel, met meestal zeven armen. Hun olielampen werden door de priesters dagelijks bijgevuld om voortdurend te branden. (2 Kron 4:7)

## kankerwoord (begrip)

- Woord van een dwaalleer dat zich als een gezwel verspreidt en de gezonde leer aantast. (2 Tim 2:17)

## kanselier (begrip)

- Hoge ambtenaar belast met het opstellen van koninklijke documenten en het beheren van archieven. In het Perzische rijk een vertrouwenspositie aan het hof. (Neh 1:11)

## kantel (begrip)

- Verouderde of onduidelijke term, niet algemeen gangbaar in de Bijbel. (Dt 1:1)

## kanttekening (begrip)

- Aantekening in de marge van een bijbeltekst, ter verklaring of toelichting. Vooral bekend uit de Statenvertaling van 1637. (Dt 4:9)

## Kapernaüm (plaats)

- Een stad aan het Meer van Galilea die als uitvalsbasis diende voor Jezus' bediening. Hier sprak Hij over het brood des levens in de synagoge. (Joh 2:12)

## Kaphtor (plaats)

- Eiland of kustgebied, vermoedelijk Kreta. Oorspronkelijke woonplaats van de Filistijnen voor zij naar Kanaän trokken. (Gen 10:14)

## kapitein (begrip)

- Bevelhebber van een schip, ook wel opperschipper genoemd. Verantwoordelijk voor bemanning, vaarroute en lading. (Jon 1:6)
- Aanvoerder van een legereenheid, vergelijkbaar met een hoofdman of officier. In profetische taal vaak in een rij naast vorsten en oversten genoemd. (Na 3:17)

## Kappadocië (plaats)

- Provincie in oostelijk Klein-Azië; vermeld in het opschrift van 1 Petrus. (1 Petr 1:1)

## Karië (plaats)

- Landstreek in zuidwest-Klein-Azië aan de Egeïsche kust, in hellenistische tijd deel van wisselende koninkrijken. (1 Makk 15:23)

## Karkemis (plaats)

- Stad aan de Eufraat in het noorden van Syrië, plaats van een beslissende veldslag in 605 v.Chr. waarin Babel het Egyptisch-Assyrische leger versloeg. (Na 3:8)
- Stad aan de Eufraat waar Nebukadnezar in 605 v.Chr. Necho versloeg; keerpunt in de wereldgeschiedenis. (Jer 46:2)

## Karmaniërs (persoon)

- Inwoners van Carmania, een streek in zuidoost-Iran (huidige Kerman-provincie), in apocalyptische literatuur soms genoemd als eindtijdvolk. (4 Ezra 15:30)

## Karmel (plaats)

- Stad in het zuidelijke bergland van Juda, niet te verwarren met de gelijknamige berg in het noorden. Bekend als woonplaats van Nabal en Abigaïl. (1Sam 15:12)
- Bergrug aan de Middellandse-Zeekust van Israël, bekend om vruchtbaarheid en bossen. Plaats van Elia's confrontatie met de Baalspriesters. (Am 9:3)
- Bergrug aan de Middellandse-Zeekust in het noorden van Israël, ten zuidwesten van Galilea. Bekend om zijn vruchtbaarheid en als plaats van enkele beslissende profetische gebeurtenissen. (1 Kon 18:19)

## Karmi (persoon)

- Vierde zoon van Ruben en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Ruben. (Gen 46:9)

## Karnaïn (plaats)

- Versterkte stad in Galaäditis ten oosten van de Jordaan, met een tempel voor de godin Atargatis. (1 Makk 5:26)

## Karnion (plaats)

- Versterkte stad in Galaäditis ten oosten van de Jordaan, met een tempel; vermoedelijk identiek met Karnaïn. (2 Makk 12:21)

## Karpas (plaats)

- Karpas, één van de heidense gewesten genoemd (de 'overgebleven van Caphtor'). Eiland Kreta, oorsprong van de Filistijnen. (Jer 47:4)

## Karpus (persoon)

- Christen te Troas bij wie Paulus een mantel had achtergelaten. (2 Tim 4:13)

## kasdis (begrip)

- Verouderde of onduidelijke term, mogelijk variant van 'Chaldeeuws' of een onbekend woord. (Lev 1:1)

## kasteiding des Almachtigen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor Gods opvoedend lijden waarmee Hij zijn kinderen tucht en vormt. Centraal in de wijsheidsliteratuur en het Nieuwe Testament. (Job 5:17)

## kastijden (begrip)

- Tuchtigen of streng straffen tot verbetering. Door de gelovige toegepast op het eigen lichaam, en door God op Zijn kinderen. (1 Kor 9:27)
- Tuchtigen, fysiek of door woorden; uit liefde. (Spr 3:12)

## kastijding (begrip)

- Vaderlijke tucht van God, waarmee Hij Zijn kinderen opvoedt en aan Christus' beeld gelijkvormig maakt. (Hebr 12:6)
- Bijbels begrip voor opvoedende tucht door God, gericht op ommekeer en herstel, in tegenstelling tot definitief oordeel. (2 Makk 6:12)

## Kaïn (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Adam en Eva. Akkerbouwer wiens offer niet werd aangezien; vermoordde zijn broer Abel en werd door God tot zwerveling gemaakt. (Gen 4:1)
- Oudste zoon van Adam; doodde uit afgunst zijn broer Abel. (Hebr 11:4)
- Oudste zoon van Adam en Eva. Volgens Genesis 4 doodde hij uit afgunst zijn broer Abel, de eerste broedermoord in de bijbel. (Wijsh 10:3)

## Kaïnsteken (begrip)

- Het teken dat God op Kaïn plaatste tot zijn bescherming, zodat niemand die hem zou tegenkomen hem zou doden. De aard ervan is in de Bijbel niet aangeduid. (Gen 4:15)

## Kedar (persoon)

- Tweede zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een grote Arabische stam in Noord-Arabië. (Gen 25:13)

## Kedar en Hazor (volk)

- Arabische stammen in de woestijn die door Nebukadnezar verslagen worden. (Jer 49:28)

## Kedes (plaats)

- Stad in het bergland van Naftali in Galilea, een van de zes vrijsteden voor doodslagers. Later geboorteplaats van de richter Barak. (Joz 20:7)
- Vrijstad in het bergland van Naftali in Galilea, een van de zes vrijsteden voor doodslagers. Geboorteplaats van de richter Barak. (Ri 4:6)

## Kedma (persoon)

- Jongste zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:15)

## Kedor-laomer (persoon)

- Koning van Elam, leider van een coalitie van vier oosterse koningen. Onderwierp twaalf jaar lang de vijf koningen van het Jordaan-vlakteland; verslagen door Abraham na de gevangenneming van Lot. (Gen 14:1)

## Kedron (plaats)

- De beek waarover Jezus naar de Olijfberg ging — in Lukas alleen impliciet. (Luk 22:39)
- Plaats in de zuidelijke kustvlakte van Judea, niet te verwarren met de gelijknamige beek bij Jeruzalem. (1 Makk 15:39)

## keel (begrip)

- Plaats waar adem en stem doorgaan. 'Mijn keel is heesch' — beeld van uitputting in gebed. (Ps 69:4)

## keer der gevangenis (uitdrukking)

- Leidmotief van het boek der vertroosting — God zal 'de gevangenis' van zijn volk wenden. Geliefde formulering. (Jer 30:3)

## keer u en leef (uitdrukking)

- Profetische oproep tot bekering met de belofte van leven. Klassieke uitdrukking van Gods uitnodigend genade-aanbod. (Ez 33:11)

## Kehath (persoon)

- Tweede zoon van Levi en kleinzoon van Jakob. Voorvader van Mozes en Aäron via Amram. (Gen 46:11)

## keizer (persoon)

- Hoogste heerser van het Romeinse rijk. In de tijd van Jezus de Romeinse keizer Tiberius (14-37 n.Chr.). (Mark 12:14)
- De Romeinse machthebber, de hoogste gezagdrager in het Romeinse Rijk. De Joden riepen tegen Pilatus. (Joh 19:12)

## keizerschatting (begrip)

- Personeelsbelasting (census) die elke inwoner van een Romeinse provincie aan de keizer moest betalen. In Judea zwaar omstreden vanwege religieuze bezwaren. (Mark 12:14)

## kelder (begrip)

- Ondergrondse opslagruimte voor wijn of voorraden. In de profetische taal soms verbonden met luxe en uitspatting. (Am 6:4)

## kelk (begrip)

- Drinkbeker, in de Bijbel vaak beeld van wat God iemand te ondergaan geeft, hetzij van zegen hetzij van lijden of toorn. (Mark 10:38)

## kemel (natuur)

- Verouderd voor kameel. Lastdier en rijdier dat in de oudheid onmisbaar was voor de karavaanhandel in droge streken. (Gen 12:16)

## kemelhaar (voorwerp)

- Grof geweven stof gemaakt uit kameelhaar, gebruikt voor eenvoudige kleding van bedoeïenen en woestijnbewoners. (Matt 3:4)

## kemels (begrip)

- Kamelen, lastdieren die in het oude Nabije Oosten werden gebruikt voor karavanen door de woestijn. (Tob 9:3)

## kemelshaar (begrip)

- Stof van geweven kameelhaar — ruwe, sobere kleding die ook de profeet Elia droeg (2 Kon 1:8). Symbool van profetische roeping en boete; Johannes de Doper kleedde zich zo als verbinding met de Oude-Testamentische profetenlijn. (Mar 1:6)

## Kemuel (persoon)

- Derde zoon van Nahor en Milka. Vader van Aram, neef van Abraham. (Gen 22:21)

## Kemuël (persoon)

- Derde zoon van Nahor en Milka. Vader van Aram, neef van Abraham. (Gen 22:21)

## Kenan (persoon)

- Vierde geslacht van Adam in de lijn van Seth, vader van Mahalaleël. Leefde 910 jaar. (Gen 5:9)
- Zoon van Enos in Lukas' geslachtsregister. (Luk 3:37)

## Kenaz (persoon)

- Zoon van Elifaz en kleinzoon van Esau. Stamvorst van een Edomitische clan en mogelijk voorvader van de Kenizzieten. (Gen 36:11)

## Kenaz (vorst) (persoon)

- Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:42)

## Kenchreëen (plaats)

- Oostelijke havenstad van Korinthe waar een eigen gemeente bestond. Diakones Phebe was hier werkzaam. (Rom 16:1)

## Keniet (volk)

- Een van de tien volken die in Gods verbond met Abraham als bewoners van het beloofde land worden genoemd. Verwant aan de Midianieten. (Gen 15:19)

## Kenieten (volk)

- Nomadenvolk verwant aan Mozes' schoonvader Jethro. Trokken met Israël mee bij de intocht en bleven onder de stammen wonen, vooral in het zuiden. (Ri 1:16)

## Keniziet (volk)

- Een van de tien volken die in Gods verbond met Abraham als bewoners van het beloofde land worden genoemd. Mogelijk afstammelingen van Kenaz. (Gen 15:19)

## kennis (begrip)

- In bijbelse zin meer dan verstandelijk weten: persoonlijke omgang en gehoorzame betrokkenheid. In Spreuken nauw verbonden met de vreze des HEEREN. (Ps 19:3)
- Het geestelijk verstaan van God en Zijn waarheid. Door de Geest geschonken en in liefde gebruikt. (1 Kor 8:1)
- In de Bijbel meer dan louter weten: vertrouwde omgang met God en het kennen van zijn geboden. Vrucht van het luisteren naar zijn woord. (Mi 3:1)

## kennis der waarheid (begrip)

- Inzicht in en aanvaarding van de geopenbaarde waarheid van het evangelie, leidend tot een godzalig leven. (Tit 1:1)

## kennis Gods (begrip)

- De kennis van God in het aangezicht van Jezus Christus. Geschonken door de verlichting van de Geest. (2 Kor 4:6)
- Persoonlijke vertrouwde kennis van God die zich uit in geloof en gehoorzaamheid. In de Bijbel hoger gewaardeerd dan zuivere offerdienst. (Hos 6:6)

## kennis van Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Fil 3:10)
- De kennis van Christus — kerngedachte van de brief — door welke ons alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken is. (2 Petr 1:3)

## kenosis (begrip)

- Vergeestelijkte aanduiding voor — Christus' zelfontlediging. (Fil 2:7)

## Kerenhappuch (persoon)

- Persoonsnaam die 'hoorn van schmink' of 'doosje oogverf' betekent. In de Bijbel een van de drie dochters van Job na zijn herstel. (Job 42:14)

## Kerith (plaats)

- Beek ten oosten van de Jordaan, mogelijk in Gilead gelegen. Plaats waar de profeet Elia zich verborg tijdens de droogte en door raven werd gevoed. (1 Kon 17:3)

## kerk (begrip)

- De vergadering van de uit alle volken geroepen gelovigen. Lichaam en bruid van Christus. (1 Kor 1:2)
- Aan wie de brief gericht is. (Gal 1:2)
- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de gemeente van Christus. (Kol 1:18)

## kerker (begrip)

- Onderaardse of streng bewaakte gevangenis, vaak vochtig, donker en zonder ramen. Werd gebruikt voor zware criminelen en politieke gevangenen. (Hand 5:19)

## kermen (begrip)

- Klagende stem van diepe ellende. (Ps 38:9)

## Kerstgedachte (begrip)

- De Christus-hymne in 2:6-11 — kerngedachte over de menswording. (Filip 2:8)

## kerub-aangezicht (uitdrukking)

- Profetisch beeld van de viervoudige aangezichten van de cherubs in de visioenen van Ezechiël. Variatie op de eerdere beschrijving in hoofdstuk 1. (Ez 10:14)

## keten (voorwerp)

- De keten waarmee Paulus als gevangene aan een soldaat geketend was in Rome. (Hand 28:20)
- Halssieraad; in Spreuken beeld voor moederlijke wet die siert. (Spr 1:9)

## keten in de hand (voorwerp)

- De engel met de sleutel des afgronds en met een grote keten in zijn hand om de draak te binden. (Op 20:1)

## ketenen der duisternis (begrip)

- God heeft de engelen die gezondigd hebben in de hel geworpen en overgegeven aan ketenen der duisternis om tot het oordeel bewaard te worden. (2 Petr 2:4)

## ketter (begrip)

- Van valse leraren. (2 Petr 2:1)

## ketterse mens (begrip)

- Iemand die hardnekkig vasthoudt aan een met de gezonde leer strijdige leerstelling en daardoor scheuring veroorzaakt. (Tit 3:10)

## Ketura (persoon)

- Tweede vrouw van Abraham, die hij na de dood van Sara nam. Moeder van zes zonen die voorvaderen werden van Arabische stammen, waaronder Midian. (Gen 25:1)

## keuze (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het verkiezen tussen goed en kwaad, leven en dood, dat God de mens als verantwoordelijke schepsel voorlegt. (Sir 15:17)

## kever (begrip)

- Insect dat in de Bijbel als een van de soorten of stadia van de sprinkhanenplaag wordt genoemd. Vreet wat eerdere zwermen hebben overgelaten. (Joël 1:4)

## Kezia (persoon)

- Persoonsnaam die 'kassia' of 'welriekend kruid' betekent. In de Bijbel een van de drie dochters van Job na zijn herstel. (Job 42:14)

## Kibroth-Taäva (plaats)

- Letterlijk 'graven der begeerte'. Plaats in de woestijn waar God Israël met een plaag strafte voor hun vleeshonger. (Num 11:34)

## kikvors (begrip)

- Amfibie. De tweede van de tien Egyptische plagen waarmee God Egypte sloeg. (Ex 8:6)

## kikvorsen (begrip)

- Tweede van de tien plagen van Egypte (Exodus 8), waarbij God het land met kikkers vervulde tot zelfs in de huizen van de Egyptenaren. (Wijsh 19:10)

## kind des Heeren (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor wie God toebehoort en hem als Vader vreest. In de wijsheidsliteratuur synoniem met de godvrezende rechtvaardige. (Wijsh 2:13)

## kindbed (begrip)

- Het barenproces van een vrouw, in de Bijbel vaak beeld voor zware nood en hulpeloosheid. Soms ook voor onverstand wanneer het niet voltooid wordt. (Hos 13:13)

## kindeken (begrip)

- Zuigeling; beeld van geheel afhankelijke vroomheid. (Ps 131:2)

## kinderen Anaks (volk)

- Reuzenvolk in Hebron en het zuidelijke bergland van Juda. Werden door Caleb verslagen na de intocht in het beloofde land. (Dt 1:28)

## kinderen der gehoorzaamheid (begrip)

- Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden die tevoren in uw onwetendheid waren. (1 Petr 1:14)

## kinderen der ongehoorzaamheid (begrip)

- Mensen onder de heerschappij van de boze geest die in hen werkt. (Ef 2:2)

## kinderen der wegvoering (begrip)

- Aanduiding in de naballingschapse literatuur voor de gemeenschap van teruggekeerde ballingen en hun nakomelingen. Drukt de gedeelde ervaring van wegvoering en herstel uit. (Ezra 6:19)

## kinderen des daags (begrip)

- Aanduiding voor de gelovigen als mensen die tot het licht en de dag behoren, en niet tot de duisternis van de wereld. (1 Th 5:5)

## kinderen des duivels (begrip)

- Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar — wie de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God. (1 Joh 3:10)

## kinderen des lichts (begrip)

- 'Gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn'. (Joh 12:36)

## kinderen des toorns (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Gods oordeel. (Ef 2:3)

## kinderen door het vuur doen gaan (begrip)

- Heidense gebruik waarbij kinderen aan een afgod (vooral Molech) werden geofferd door verbranding. In de wet van Mozes streng verboden en in de Schrift consequent veroordeeld. (2 Kon 16:3)

## kinderen geloof (begrip)

- Vereiste voor het ouderlingenambt dat de eigen kinderen tot het geloof behoren en niet in een losbandig of ongehoorzaam leven leven. (Tit 1:6)

## kinderen Gods (begrip)

- Aanduiding voor degenen die door God worden aangenomen als zijn kinderen, hetzij Israël als verbondsvolk, hetzij hemelse wezens. In het Nieuwe Testament toegepast op gelovigen door wedergeboorte. (1Sam 1:1)

## kinderen in waarheid (begrip)

- Geestelijke leerlingen die volharden in de geopenbaarde waarheid van het evangelie. (3 Joh 1:4)

## kinderen Israëls (begrip)

- Aanduiding voor het volk Israël als afstammelingen van Jakob, die de naam Israël ontving. Drukt zowel de stamverwantschap als de gemeenschappelijke verbondsband met JAHWEH uit. (1 Kon 6:1)

## kinderen Korachs (begrip)

- De zonen van Korach, die niet met hun vader omkwamen in de opstand. Werden voorvaderen van een geslacht van tempelzangers. (Num 26:11)

## kinderen niet meer (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (Ef 4:14)

## kinderen van God (begrip)

- Mensen die door geloof in Jezus deel uitmaken van Gods gezin. Wie Jezus aanneemt, krijgt het recht om een kind van God te worden. (Joh 1:12)

## kinderen van het oosten (volk)

- Verzamelnaam voor nomadische stammen ten oosten van Kanaän, voorbij de Jordaan en in de Arabische woestijn. Sloten zich vaak aan bij Midian en Amalek in plundertochten tegen Israël. (Ri 6:3)

## kinderen van Sjisak (begrip)

- Aanduiding voor de nakomelingen of opvolgers van de Egyptische farao Sheshonk I. Bleven gedurende verschillende generaties een rol spelen in de relaties tussen Egypte en de levantijnse staten. (2 Kon 17:7)

## kinderen van uw zuster (begrip)

- Aanduiding van leden van een verwante gemeente, in beeldspraak voorgesteld als kinderen van een zustervrouw. (2 Joh 1:13)

## kinderkens (begrip)

- Kleine kinderen wier mond God lof toebrengt. (Ps 8:3)
- Lieve kinderen, een teder woord. Jezus gebruikte dit woord voor Zijn discipelen als teken van Zijn liefde voor hen. (Joh 13:33)
- Ik schrijf u, kinderkens, omdat u de Vader gekend hebt — beginstadium van geestelijk leven. (1 Joh 2:13)

## kinderlijke roep (begrip)

- Uitroep van de Geest in het hart van het kind. (Gal 4:6)

## kindermoord (begrip)

- Het doden van ongeboren of pasgeboren kinderen, in de profeten als bijzonder ernstige misdaad veroordeeld. Vaak verbonden met oorlog of afgodendienst. (Am 1:13)

## kinnebakslag (overig)

- Een klap in het gezicht. Een van de dienaars gaf Jezus een kinnebakslag tijdens het verhoor bij de hogepriester. (Joh 18:22)

## Kir (plaats)

- Plaats van herkomst van de Aramese volken volgens de Bijbel, vermoedelijk gelegen in Mesopotamië of het bergland ten oosten ervan. Ook bestemming van de wegvoering. (Am 1:5)

## Kir-Heres (plaats)

- Belangrijke vesting in Moab (Kir-Hareseth) wordt over haar geweend bij de val van Moab. (Jer 48:31)

## Kirjath-jearim (plaats)

- Stad op de grens van Juda en Benjamin, ten westen van Jeruzalem. Plaats waar de ark des verbonds lange tijd verbleef voordat David haar naar Jeruzalem bracht. (Joz 9:17)
- Stad op de grens van Juda en Benjamin, ten westen van Jeruzalem. Bewaarplaats van de ark des verbonds gedurende een lange periode tot David haar naar Jeruzalem bracht. (1Sam 7:1)

## Kirjath-sefer (plaats)

- Stad in het bergland van Juda, ook bekend als Debir. De naam betekent 'boekenstad' en wijst mogelijk op een Kanaänitisch cultureel of bestuurlijk centrum. (Ri 1:11)

## Kis (persoon)

- Benjaminiet uit Gibea, vader van koning Saul. Wordt in de Schrift beschreven als een vermogend en aanzienlijk man. (1Sam 9:1)

## Kislev (begrip)

- Negende maand van de joodse kalender (november-december). De maand waarin het Chanoeka-feest valt. (1 Makk 4:52)

## Kison (plaats)

- Beek die door de vlakte van Jizreël loopt en in de Middellandse Zee uitmondt. Beroemd als slagveld waar Sisera versloeg en Elia de Baäl-priesters doodde. (Num 1:1)
- Beek die door de Jizreëlvlakte stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee bij de berg Karmel. Plaats van enkele beslissende veldslagen in Israëls geschiedenis. (Joz 19:11)

## Kittim (persoon)

- Zoon van Javan en kleinzoon van Jafeth. Stamvader van het volk dat Cyprus en de westelijke Middellandse Zeekusten bewoonde. (Gen 10:4)

## klaaglied (begrip)

- Lied of gedicht dat de dood van een geliefde of een nationale ramp betreurt. Vormt een belangrijk genre in de oude Hebreeuwse poëzie, met vaste stijlfiguren en metra. (2Sam 1:17)

## klaaglied Farao (uitdrukking)

- Profetisch klaaglied over de Egyptische koning, in poëtische vorm. Onderdeel van de oudtestamentische volkenoordelen. (Ez 32:2)

## 'klaagliederen, zuchting en wee' (uitdrukking)

- Drievoudige aanduiding voor de zware inhoud van een profetische boodschap. Onderdeel van de profetische literatuur over Gods oordeel. (Ez 2:10)

## klaagzang van de kooplieden (begrip)

- De koningen, kooplieden en zeevaarders die over de val van Babylon weenden, omdat niemand meer hun waren kocht. (Op 18:11)

## klacht (begrip)

- Gebed of lied waarin nood, lijden of onbegrip aan God wordt voorgelegd. Belangrijk genre in de psalmen en bij de profeten. (Hab 1:2)

## klagen (begrip)

- Voor God brengen van leed en nood, vaak in vragende of aanklagende vorm. Centraal in de klaagpsalmen. (Ps 55:18)
- Typering van dwaalleraars. (Jud 1:16)

## klappen (begrip)

- Onbeheerst praten, roddelen. (Spr 13:3)

## Klauda (plaats)

- Eilandje waarbij Paulus' schip beschutting zocht. (Hand 27:16)

## Klaudia (persoon)

- Christen-vrouw uit Rome die Paulus laat groeten, met Pudens, Linus en Klaudia. (2 Tim 4:21)

## klederen op de weg (begrip)

- De discipelen spreidden hun klederen op de weg toen Jezus de stad introk. (Luk 19:36)

## klederen, koninklijke (begrip)

- Bijzondere kledingstukken in koninklijke kleuren die alleen door de vorst en zijn naasten mochten worden gedragen. In het Perzische rijk doorgaans wit, blauw en purper. (Esth 8:15)

## kleed (begrip)

- Bekleding; ook beeld voor Gods majesteit. (Ps 104:2)
- Kledingstuk dat in het oude Nabije Oosten warmte bood en sociale status liet zien. Profetisch beeld voor materiële zorgen en bescherming. (Hag 1:6)

## kleed verscheuren (gebruik)

- Symbolisch gebaar van rouw, ontzetting of berouw in het Oude Oosten. Werd doorgaans gepaard met asse op het hoofd en het aandoen van rouwgewaad. (Ri 11:35)

## klein kuddeke (begrip)

- 'Vrees niet, gij klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven'. (Luk 12:32)

## klein vee (begrip)

- Verzamelnaam voor schapen en geiten, in onderscheid van het grootvee (runderen). Gewone offerdieren in de eredienst. (Lev 1:10)

## klein vuur (begrip)

- Ziet, hoe klein een vuur, hoe groten hoop hout het aansteekt — beeld van de tong die een wereld van ongerechtigheid is. (Jak 3:5)

## kleinood (begrip)

- Iets dat heel kostbaar is — een schat, juweel, dierbaar bezit. Vaak figuurlijk. (Ps 16:1)

## kleinzoon-vertaler (persoon)

- Anonieme kleinzoon van Jezus ben Sira die volgens de proloog van het apocriefe boek omstreeks 132 v.Chr. in Egypte het Hebreeuwse origineel in het Grieks vertaalde. (Sir 1:1)

## Klemens (persoon)

- Medearbeider die Paulus laat groeten. (Filip 4:3)

## klimopblad (begrip)

- Symbool van de cultus van Dionysus, vaak op gewijde voorwerpen en als brandmerk gebruikt door zijn vereerders. (3 Makk 2:29)

## kloekzinnigheid (begrip)

- Schranderheid, slimme oplettendheid waarmee de wijze valstrikken vermijdt. Komt in Spreuken vaak naast 'voorzichtigheid' voor. (Spr 8:12)

## klomp vijgen (begrip)

- Geperste massa van gedroogde vijgen, een algemeen voedingsmiddel in het oude Israël. Werd ook in de geneeskunde gebruikt als kompres op zweren of zwellingen. (2 Kon 20:7)

## klompen aarde (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de mens als boetseerwerk uit aarde, geformeerd door God. Onderdeel van de bijbelse antropologie die op Genesis 2 teruggaat. (Job 10:9)

## klooster (begrip)

- Verzameling gebouwen waar mensen in religieuze afzondering leven. Het bijbelse jodendom kent dit instituut niet, maar wel verwante vormen van afzondering. (Zach 8:23)

## Klopas (persoon)

- Echtgenoot van Maria die bij het kruis van Jezus stond. (Joh 19:25)

## kluister (begrip)

- Boei die gebondenen vasthoudt. 'Wij waren als gebondenen'; God breekt de kluisters van de gevangenen. (Ps 107:14)

## knapen (begrip)

- Aanduiding voor jongens of jonge mannen, in het Hebreeuws met een breed leeftijdsbereik. Konden zowel kleine kinderen als jongelingen tot ongeveer twintig jaar omvatten. (2 Kon 2:23)

## Knecht David in eeuwigheid (uitdrukking)

- Profetische belofte van een eeuwige davidische dynastie. Messiaanse voorzegging in de heilsprofetie. (Ez 37:25)

## knecht des HEEREN (naam)

- Eretitel voor wie God in bijzondere dienst aanstelt, zoals Mozes en de profeten. In Jesaja de aanduiding van de lijdende Messias. (Dt 34:5)
- Eretitel voor uitverkoren dienaars van JAHWEH zoals Mozes en de profeten. In de profetische literatuur ook gebruikt voor de toekomstige Messias. (Joz 1:1)

## knecht JAHWEH (naam)

- Eretitel voor uitverkoren dienaars van JAHWEH zoals Mozes, de profeten en koning David. In de profetische literatuur ook gebruikt voor de toekomstige Messias. (1Sam 19:4)

## knechten en dienstmaagden (begrip)

- Aanduiding voor mannelijke en vrouwelijke slaven of dienstpersoneel. In de profetische heilsbelofte allen ontvangen Gods Geest, ongeacht stand. (Joël 2:29)

## knechten van de Heren (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor de profeten en alle godvrezenden die God dienen. In het bijzonder gebruikt voor de oudtestamentische profeten. (4 Ezra 1:32)
- Aanduiding voor wie God dienen, in het bijzonder priesters, profeten en alle vromen uit Israël. (Gez. Vuur. 1:85)

## knersing der tanden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor pijn, woede en wanhoop. In de evangeliën beeld van het lijden van wie buiten Gods Koninkrijk geworpen worden. (Matt 8:12)

## Knidus (plaats)

- Griekse havenstad aan de zuidwestkust van Klein-Azië in Karië, in de oudheid bekend om zijn medische school. (1 Makk 15:23)

## knie (begrip)

- Gewricht in het been; het buigen van de knie is een houding van eerbied, gebed of onderworpenheid. (Ps 95:6)

## knielen (begrip)

- Op de knieën gaan in eerbied en gebed. (Ps 95:6)
- Gebaar van eerbied of onderwerping, in het oude Oosten ook gebruikt bij hofceremoniëel. Drukte zowel beleefdheid als loyaliteit aan de heerser uit. (Esth 3:2)

## knieën van mijn hart (begrip)

- Beeldspraak voor innerlijke verootmoediging, waarbij niet slechts het lichaam maar het binnenste van de mens zich voor God buigt. (Geb. Man. 1:11)

## koe (natuur)

- Vrouwelijk volwassen rund. In het Oude Oosten kostbaar dier, vooral voor melk, vlees en arbeid op het land. (Gen 41:2)

## koe op de heuvel (uitdrukking)

- Efraim erkent zijn ongetemde gedrag. (Jer 31:18)

## koeken met mensenmest (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij het bakken van brood op uitwerpselen de onreinheid van de ballingschap uitbeeldt. Onderdeel van symboolperformance. (Ez 4:12)

## koeken voor de koningin des hemels (uitdrukking)

- De vrouwen kneedden deeg om koeken te maken voor de Sterrenkoningin. Een hardnekkige vrouwenpraktijk waar zij in Egypte mee doorgingen. (Jer 7:18)

## koeken vrouwen Egypte (uitdrukking)

- De Joodse vrouwen in Egypte verklaren dat zij blijven offeren aan de koningin des hemels — ze schrijven hun rampen toe aan het feit dat zij dáármee gestopt waren. Hardnekkige afgoderij. (Jer 44:17)

## koerioos (begrip)

- Verouderde term, mogelijk uit het Grieks (kurios = heer). Niet gangbaar in de Statenvertaling. (Lev 1:1)

## Kohath (persoon)

- Tweede zoon van Levi en stamvader van een van de drie families van Levieten. Voorvader van Mozes en Aäron via Amram. (Ex 6:16)

## Kohathieten (cultisch)

- Een van de drie families van Levieten, afstammelingen van Kahath. Belast met het dragen van de heilige voorwerpen van de tabernakel op hun schouders. (Num 4:4)

## kolenvuur (overig)

- Een vuur van gloeiende kolen. Petrus warmde zich bij een kolenvuur toen hij Jezus verloochende. (Joh 18:18)

## Kolosse (plaats)

- Stad in Klein-Azië waar de gemeente was waaraan deze brief gericht is. (Kol 1:2)
- Stad in Frygie in het zuidwesten van Klein-Azie, gelegen aan de rivier de Lycus, waar in de eerste eeuw een christelijke gemeente bestond. (Flm 1:1)

## komen rechtdoor in Uw heiligdom (uitdrukking)

- Geloofsbelijdenis temidden van klacht. (Jer 17:12)

## komst van het Koninkrijk (begrip)

- De doorbraak en voltooiing van Gods heerschappij op aarde. In de evangeliën zowel reeds aangebroken in Christus als nog te verwachten in zijn wederkomst. (Matt 6:10)

## konijn (begrip)

- Klipdas; kwetsbaar dier dat toch wijs woont in rotsen. (Spr 30:26)

## koning aan de tweesprong (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarin een vorst aan een wegsplitsing zijn besluit neemt door waarzeggerij. Onderdeel van Gods soevereine leiding van de geschiedenis. (Ez 21:19)

## koning aan tweesprong (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarin een vorst aan een wegsplitsing zijn besluit neemt door waarzeggerij. Onderdeel van Gods soevereine leiding van de geschiedenis. (Ez 21:21)

## Koning der koningen (begrip)

- Op het kleed en op de heup van de Witte Ruiter geschreven. (Op 19:16)
- Bijbelse eretitel voor God of voor de Messias. In hellenistische tijd ook gebruikt voor wereldheersers, hier polemisch op God toegepast. (3 Makk 5:35)

## koning der verschrikkingen (uitdrukking)

- Bijbelse personificatie van de dood als een vorst die schrik aanjaagt. Onderdeel van de oudtestamentische beeldspraak voor het sterven. (Job 18:14)

## koning op ezel (begrip)

- Profetisch beeld van de vredeskoning die niet op een oorlogspaard maar op een lastdier zijn intrede doet. Symbool van een nederige en rechtvaardige vorst. (Zach 9:9)

## koning over alle hovaardige dieren (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor Leviathan als de grootste en trotste van alle dieren. Slot van de godsrede in het boek Job. (Job 41:34)

## koning ten oorlog (begrip)

- Beeld uit een gelijkenis van Jezus over een vorst die voor de strijd zijn troepen telt, gebruikt om bezinning op de prijs van het discipelschap af te dwingen. (Luk 14:31)

## Koning van de hemel (begrip)

- Bijbelse Godsnaam die God aanduidt als hoogste heerser over hemel en aarde, in tegenstelling tot aardse vorsten. (3 Ezra 4:46)

## koning van Nineve (persoon)

- Aanduiding voor de Assyrische heerser in zijn hoofdstad Nineve. Welke koning ten tijde van Jona regeerde wordt in de Bijbel niet bij name genoemd. (Jon 3:6)

## koning van Tyrus (uitdrukking)

- Profetisch onderwerp van een klaaglied dat zijn hoogmoedige godheidspretentie aan de kaak stelt. In de oude christelijke uitleg ook betrokken op de val van satan. (Ez 28:14)

## koning vermag niets (uitdrukking)

- Pijnlijke zwakheid van Zedekia: hij geeft de vorsten Jeremia in handen met de woorden. Beeld van koninklijk wegduiken. (Jer 38:5)

## koning ware vader had (uitdrukking)

- Profetische woordkeus om aan te geven dat een koning een betere voorganger had — beeld van het verschil tussen vroom en goddeloos vorstendom. (Jer 22:16)

## koningen (begrip)

- Heersers van de aarde. De koningen worden opgeroepen de Zoon te kussen. (Ps 2:10)
- Aardse heersers, in de bijbel zowel rechtmatige vorsten over Israël als de heersers van de volken. Door God ingesteld en aan hem verantwoording verschuldigd. (Wijsh 6:1)

## koningen en priesters (begrip)

- Christus heeft ons gemaakt — uit de groet aan de zeven gemeenten. (Op 1:6)

## koningen van Egypte (begrip)

- De Farao's, alleenheersers van Egypte. De eerste die Jozef niet kende, begon Israël te verdrukken en luidde de slaventijd in. (Ex 1:8)

## koningin des hemels (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 7:18)

## koningin van Scheba (persoon)

- Vorstin uit het rijk Scheba in het zuidwesten van Arabië, bekend om haar bezoek aan koning Salomo. Bracht hem grote schatten en bewonderde zijn wijsheid en welvaart. (1 Kon 10:1)

## koningklijk (begrip)

- U zult uw naaste liefhebben als uzelf. (Jak 2:8)

## koningschap (wet)

- Bestuursvorm waarbij één persoon als monarch het gezag uitoefent, in het Oude Oosten doorgaans erfelijk. In Israël ingesteld na de richterentijd, met de bedoeling dat de koning onder Gods wet zou regeren. (1Sam 8:5)
- Heerschappij; in de Psalmen voortdurend toegeschreven aan God. (Ps 93:1)

## koningskleed (begrip)

- Vorstelijke gewaden, kenmerk van koninklijke waardigheid. Niet aangeboren maar later verkregen. (Wijsh 7:5)

## koningsverering (begrip)

- Het vereren van een koning als god of goddelijk wezen. In de hellenistische en Romeinse wereld wijdverbreid; in de bijbel afgewezen als afgoderij. (Wijsh 14:17)

## Koninklijk priesterdom (begrip)

- Kerk als Israël. (1 Petr 2:5)

## koninklijke kroon (begrip)

- Hoofdtooi als waardigheidsteken van de koning of koningin. In het Perzische rijk gold de kroon als symbool van het bezit van de koninklijke macht. (Esth 6:8)

## koninkrijk (begrip)

- Gods rijk dat alles omvat. (Ps 145:13)
- De heerschappij van God die in Jezus is aangebroken en zich uitstrekt over alle gebieden van het bestaan. Centraal thema in de prediking van Jezus. (Matt 3:2)
- De heerschappij van God die in Christus is gekomen en zal volkomen worden geopenbaard. Reeds aanwezig en nog komend. (Rom 14:17)
- Heerschappij van God in Christus over Zijn volk; in eschatologisch verband de toekomstige voltooiing van Zijn heerlijkheid. (1 Tess 2:12)
- Aards rijk of staatsgebied onder een koning — bijv. het Seleucidische rijk, het Ptolemeïsche rijk of het Hellenistische Hasmoneeën-koninkrijk. In de Makkabeeën-context vooral het politieke koninkrijk dat na Alexander de Grote werd opgesplitst. (1 Mak 6:57)

## Koninkrijk der hemelen (begrip)

- Mattheus' aanduiding voor het Koninkrijk van God, waarschijnlijk uit eerbied voor Gods Naam. Inhoudelijk gelijk aan 'Koninkrijk Gods' bij de andere evangelisten. (Matt 4:17)

## koninkrijk des HEEREN (begrip)

- Het wereldwijde, eeuwige heerschappij van God die in de eindtijd openlijk zichtbaar zal worden. Eschatologisch perspectief van de profeten. (Ob 1:21)

## Koninkrijk van God (begrip)

- Het geestelijke rijk waar God regeert. Jezus zei tegen Nicodemus dat je opnieuw geboren moet worden om het Koninkrijk van God te kunnen zien. (Joh 3:3)

## koninkrijk van priesters (theologisch)

- Israëls roeping volgens het verbond op de Sinaï: een koninkrijk waarin de natie als geheel priesterlijk God dient en bekendmaakt aan de volken. (Ex 19:6)

## kooplieden (begrip)

- Reizende handelaren die op de markten en bij de stadspoorten hun waren verkochten. Vormden in de oude wereld een belangrijke schakel in de internationale handelsnetwerken. (Neh 13:16)

## koopman (begrip)

- Handelaar die goederen koopt en verkoopt, vaak op grote afstand. In de oudheid algemeen rondtrekkend met karavanen. (Gen 37:28)
- Handelaar vergeleken met de deugdelijke huisvrouw die uit de verte voedsel haalt. (Spr 31:14)
- Wie waren koopt en verkoopt voor winst. In de bijbel zowel een gangbaar beroep als (bij oneerlijkheid) voorwerp van profetische kritiek. (Sir 26:29)

## koopman-leven (begrip)

- Welaan nu gij die zegt: wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen en aldaar koopmanschap drijven — gij weet niet wat morgen geschieden zal. (Jak 4:13)

## koopwaar (begrip)

- Goederen voor handel; door deugdelijke huisvrouw gemaakt en verkocht. (Spr 31:24)

## koorts (begrip)

- Verhoogde lichaamstemperatuur door ziekte. In de Tora genoemd als een van de oordelen die God over een ongehoorzaam volk kan brengen. (Lev 26:16)

## kop (begrip)

- Opheffen van het hoofd in dankzegging. (Ps 23:5)

## koperen pilaren (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 52:17)

## koperen slang (voorwerp)

- Beeld van een slang op een paal, door Mozes vervaardigd op Gods bevel. Wie ernaar opzag werd genezen van de beet van de vurige slangen. (Num 21:9)
- Slang van koper die Mozes volgens Numeri 21 op een paal oprichtte; wie naar haar zag werd genezen van slangenbeten. In Johannes 3:14 verwijzing naar Christus. (Wijsh 16:5)

## koperen slang Nehustan (begrip)

- Bronzen slang die door Mozes in de woestijn was opgericht voor de genezing van de slangenbeten. Werd later door Israël afgodisch vereerd, totdat zij door koning Hizkia werd vernietigd. (2 Kon 18:4)

## koperen wasvat (cultisch)

- Het ronde koperen vat in de voorhof van de tabernakel waarin de priesters hun handen en voeten wasten. Gemaakt van de koperen spiegels van de dienstdoende vrouwen. (Ex 30:18)

## koperen zee (begrip)

- Groot rond bekken van brons in de voorhof van de tempel te Jeruzalem. Diende voor de wassingen van de priesters en rustte op twaalf bronzen runderen. (1 Kon 7:23)
- Het grote koperen waterbekken in de tempel; ook gebroken en weggevoerd bij de val van Jeruzalem. (Jer 52:17)

## koperen zuilen (begrip)

- De twee massieve bronzen zuilen Jachin en Boaz die voor het voorhuis van de tempel te Jeruzalem stonden. Werden bij de verovering door de Babyloniërs gebroken en als ruw metaal weggevoerd. (2 Kron 3:15)

## Koph (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:20)

## Korach (persoon)

- Leviet uit de familie van Kahath die met 250 vorsten een opstand tegen Mozes en Aärons priesterschap leidde. Werd met zijn aanhangers door de aarde verzwolgen of door vuur verteerd. (Ex 6:21)
- Voorvader van een geslacht van levitische zangers en poortwachters bij de tempel. Aan zijn nakomelingen wordt een groep psalmen toegeschreven. (Ps 42:1)
- Leviet die in opstand kwam tegen Mozes en Aäron en door God geoordeeld werd. (Jud 1:11)

## Korach opstand (begrip)

- Wee hen, want zij zijn vergaan in de tegenspreking van Korach — verwijzing, opstand tegen door God ingesteld gezag. (Jud 1:11)

## Korah (persoon)

- Zoon van Esau en Aholibama, een van de Edomitische stamvorsten. Niet te verwarren met de Korach uit Numeri. (Gen 36:5)

## korban (begrip)

- Hebreeuws-Aramees woord voor Verklaring waarmee men bezit aan de tempel kon wijden, zodat het aan andere bestemmingen werd onttrokken. (Mark 7:11)

## koren (natuur)

- Verzamelnaam voor de granen, vooral tarwe en gerst. Hoofdvoedsel in de oudheid en gangbaar handelsproduct. (Gen 42:1)
- Graan dat God doet groeien. 'Korenair' is onderdeel van het beeld van een gezegend land. (Ps 65:14)
- Graan; basis-voedsel; wie het achterhoudt wordt vervloekt. (Spr 11:26)

## koren, most en olie (begrip)

- De drie hoofdgaven van het beloofde land: graan, jonge wijn en olijfolie. Vaste drie-eenheid in oudtestamentische zegenformules. (Joël 2:19)

## korenmaat (voorwerp)

- Houten of aarden vat dat als inhoudsmaat voor graan diende, ongeveer negen liter. Werd vaak omgekeerd gebruikt om iets onder te bedekken. (Matt 5:15)

## korenoogst (wet)

- De jaarlijkse inzameling van het graan, vooral tarwe en gerst. Wettelijk geregeld dat hoeken van de akker en aren onaangeroerd moesten blijven voor de armen. (Lev 19:9)

## korenschoof (begrip)

- Bundel afgesneden korenhalmen na de oogst. In Bijbelse symboliek beeld van vruchten en oogst, ook van personen die zich buigen of opstaan. (Gen 37:7)

## korf zomerfruit (begrip)

- Mand met rijp zomerfruit, in profetische visioenen door een woordspel verbonden met het einde of de oogst van Gods oordeel. Onderdeel van de visioenenreeks bij Amos. (Am 8:2)

## Korinthe (plaats)

- Belangrijke Romeinse stad waar Paulus achttien maanden werkte. (Hand 18:1)
- Belangrijke handels- en havenstad in Achaje, met een door Paulus gestichte gemeente. Adressant van twee brieven. (1 Kor 1:2)

## kortzichtig (begrip)

- Bij wie deze dingen niet zijn, die is blind, kortzichtig, hebbende vergeten de reiniging van zijn vorige zonden. (2 Petr 1:9)

## Kosbi (persoon)

- Midianitische vorstendochter, samen met de Israëliet Zimri door Pinehas met een spies doorstoken om de plaag te stillen. (Num 25:15)

## kosmos (begrip)

- De geschapen wereld, vaak met negatieve klank als de van God vervreemde mensheid. In Christus met God verzoend. (Rom 1:25)

## kostelijk geloof (begrip)

- Aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onze God en Zaligmaker Jezus Christus. (2 Petr 1:1)

## kostelijke beloften (begrip)

- Door welke (deugd en heerlijkheid) ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat u door dezelve de goddelijke natuur deelachtig zou worden. (2 Petr 1:4)

## koudvlam tussen de cherubs (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor de vurige atmosfeer rond Gods troon waarin de hemelse wezens als brandende kolen verschijnen. Onderdeel van de troonvisioenen. (Ez 1:13)

## Koös (plaats)

- Eiland in de Egeïsche Zee bij de zuidwestkust van Klein-Azië, geboorteplaats van Hippocrates. (1 Makk 15:23)

## kraamvrouw (begrip)

- Vrouw die kort tevoren een kind heeft gebaard. Volgens de Tora gedurende een bepaalde periode onrein, met een afsluitend reinigingsoffer. (Lev 12:2)

## kraamvrouwen (begrip)

- Vrouwen die pas een kind hebben gebaard. Volgens de wet van Mozes (Lev. 12) gedurende een bepaalde tijd cultisch onrein. (Bar 6:28)

## kracht (begrip)

- Sterkte die God geeft.; ook van Gods kracht. (Ps 18:2)
- Goddelijke werkkracht, in het bijzonder geopenbaard in opstanding en evangelieprediking. Volbracht in zwakheid. (1 Kor 1:18)
- Vermogen of macht; in het Nieuwe Testament zowel goddelijke kracht als aanduiding van satanische werkingen die de antichrist begeleiden. (2 Tess 1:7)

## kracht (Gods) (begrip)

- Gods machtige werken in schepping en verlossing. 'Geef sterkte den koning'. (Ps 21:14)

## kracht en macht (begrip)

- Heerlijkheid, majesteit, kracht en macht aan God de Zaligmaker — vierdelige lof in de doxologie. (Jud 1:25)

## kracht in zwakheid (begrip)

- Het beginsel waardoor Gods kracht juist door menselijke onmacht heen openbaar wordt. Reden van apostolisch roemen. (2 Kor 12:9)

## kracht uit de hoogte (begrip)

- De kracht uit de hoogte waarmee de discipelen bekleed zouden worden — vervulling op Pinksteren. (Luk 24:49)

## krachtig gebed (begrip)

- Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel — voorbeeld is Elia, die bad dat het niet regenen zou. (Jak 5:16)

## krachtig geloof (begrip)

- Geloof dat zich werkdadig betoont door delen, weldadigheid en bekendmaking van het goede. (Flm 1:6)

## krachtige dwaling (begrip)

- Een door God toegelaten verblinding waardoor wie de waarheid heeft afgewezen aan de leugen wordt prijsgegeven. (2 Th 2:11)

## krakeel (begrip)

- Ruzie, twist. (Spr 17:1)

## krank (begrip)

- Ziek. Lazarus was krank (ziek) voordat hij stierf. (Joh 5:5)

## krank gelaten (begrip)

- Apostolisch realisme over zieken. (2 Tim 4:20)

## krans (begrip)

- Versiering van bladeren, twijgen of bloemen om het hoofd of een voorwerp gewikkeld. Teken van overwinning, eerbetoon of feest. (Jdt 15:15)

## Kremalum (plaats)

- Spellingsvariant of verwijzing naar de berg Karmel in noord-Israël. Bekend om vruchtbaarheid en bossen. (Am 9:3)

## Krescens (persoon)

- Medewerker die naar Galatië was gereisd. (2 Tim 4:10)

## Kreta (plaats)

- Eiland waar het schip met Paulus langs voer. (Hand 27:7)
- Groot eiland in de oostelijke Middellandse Zee, ten zuiden van het Egeische gebied; in de eerste eeuw bestonden er christelijke gemeenten. (Tit 1:5)

## Kreten (plaats)

- Aanduiding voor de Cherethieten, een volk aan de zuidelijke kust van Kanaän, vermoedelijk afkomstig van het eiland Kreta. Sterk verbonden met de Filistijnen. (Zef 2:5)

## Krethi en Plethi (begrip)

- Buitenlandse huurkrijgers die de persoonlijke lijfwacht van koning David vormden. Vermoedelijk afkomstig uit Kreta of de Filistijnse kustvlakte. (1 Kon 1:38)

## Krets de poortwachter (persoon)

- Lid van een geslacht van Levitische poortwachters in de naballingschapse tempel. Verdere gegevens over deze persoon zijn schaars. (Neh 7:45)

## kreupel offer (begrip)

- Offerdier met een gebrek of verminking. Volgens de wet van Mozes uitdrukkelijk afgewezen als ongeschikt voor de eredienst. (Mal 1:8)

## kreupele bij de Schone Poort (persoon)

- De man die door Petrus en Johannes genezen werd in de Naam van Jezus Christus de Nazarener. (Hand 3:6)

## krib (voorwerp)

- De voederbak waarin Maria het Kindje legde, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg. (Luk 2:7)

## krijg (begrip)

- Verouderd voor oorlog of gewapend conflict. In de oude wereld een veel voorkomend middel om geschillen tussen volken te beslechten. (Gen 14:2)

## krijgen en vechten (begrip)

- Vanwaar komen krijgen en vechtingen onder u? Komen zij niet hieruit, namelijk uit uw wellusten die in uw leden strijd voeren? (Jak 4:1)

## krijgsknecht (begrip)

- Soldaat in dienst van een vorst; in de brieven van Paulus beeld voor de gelovige die strijdt onder Christus. (Mark 15:16)

## krijgsknechten (overig)

- Soldaten. De Romeinse krijgsknechten vochten Jezus' kruis aan en verdeelden Zijn kleren onder elkaar. (Joh 19:23)
- Beroepsmilitairen of geoefende strijders in dienst van een koning of stad. Onderscheiden van de algemene weerbare mannen. (Joël 3:9)

## krijgsraad (begrip)

- Beraadslaging van legeroversten over een te volgen krijgsplan. In de bijbel ook plaats van gebed en wijding voor de strijd. (1 Makk 3:46)

## krijgsvolk (begrip)

- Soldaten, leger; troepen die de koning te velde meenam. (3 Makk 1:1)

## kromgebogen vrouw (persoon)

- De vrouw die achttien jaar door een geest gebonden was; door Jezus op de Sabbat opgericht. (Luk 13:11)

## kronen (begrip)

- Hoofddeksels van koningen of hogepriesters, teken van waardigheid en macht. Vaak van edelmetaal en versierd met edelstenen. (Zach 6:11)

## kroning (begrip)

- Plechtige aanstelling van de koning. ( over de mens). (Ps 21:4)

## kroon (begrip)

- Hoofdtooi van koningen; ook gegeven aan de mens en aan de gezalfde koning. (Ps 8:6)
- Een sieraad op het hoofd als teken van koningschap. De soldaten maakten een kroon van doornen en zetten die op Jezus' hoofd als bespotting. (Joh 19:2)
- Erekrans van de overwinnaar; in geestelijke zin de toekomstige beloning van de getrouwen. Onverwelkelijk en hemels. (1 Kor 9:25)
- Krans of erekrans als beloning voor overwinning; in nieuwtestamentisch gebruik beeldspraak voor de hemelse beloning. (1 Tess 2:19)
- Die de Heere op die dag zal geven. (2 Tim 4:8)
- Symbool van overwinning en heerlijkheid, in het bijzonder de kroon des levens en der gerechtigheid die de Heere de Zijnen geeft. (Jak 1:12)
- Hoofdsieraad; grijsheid is een sierlijke kroon. (Spr 16:31)

## kroon der heerlijkheid (begrip)

- Wanneer de Overste Herder verschijnt, zullen trouwe ouderlingen de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid ontvangen. (1 Petr 5:4)

## kroon der wijsheid (begrip)

- Bijbels beeld voor de bekroning of voltooiing van wijsheid, in de wijsheidsliteratuur verbonden met de vreze des Heeren. (Sir 1:18)

## kroon des levens (begrip)

- De erekrans die God belooft aan wie Hem trouw blijft tot in de dood. (Jak 1:12)

## kroon des roems (begrip)

- Erekrans waarin een apostel zich bij Christus' wederkomst kan beroemen op de geestelijke vrucht van zijn arbeid. (1 Th 2:19)

## kroon en armband (voorwerp)

- Koninklijke insignia van de heerser, aanduiding van zijn waardigheid. Het overhandigen of dragen ervan gold als plechtig teken van overdracht of erkenning van het koningschap. (2Sam 1:10)

## kroon van Vasti (begrip)

- Aanduiding voor de koninklijke hoofdtooi van koningin Vasti, eerste vrouw van koning Ahasveros. Symbool van haar koninginschap dat zij na haar weigering te verschijnen verloor. (Esth 1:11)

## kruid (natuur)

- Plant of groen gewas, vooral eetbaar of geneeskrachtig. Bij de schepping op de derde dag uit de aarde voortgebracht. (Gen 1:11)
- Plant; door God doen groeien. (Ps 104:14)

## kruid van de akker (begrip)

- Eenvoudig plantaardig voedsel in de oudheid: groene gewassen of kruiden van het veld, in tegenstelling tot vlees of brood. (4 Ezra 9:26)

## kruidworm (begrip)

- Een van de soorten of stadia van sprinkhanen in de Bijbel die in een plaag de gewassen verteert. Onderdeel van de opeenvolgende verwoesting. (Joël 1:4)

## kruik manna (voorwerp)

- Gouden kruik met een omer manna, in de tabernakel bewaard naast de ark als gedenkteken aan Gods voorziening in de woestijn. (Ex 16:33)
- Gouden kruik met een gomer manna, in de tabernakel bewaard naast de ark als gedenkteken aan Gods voorziening in de woestijn. (Num 17:10)

## kruipend gedierte (natuur)

- Verzamelnaam voor de kleine dieren die over de grond kruipen. In het scheppingsverhaal apart genoemd naast vee en wild gedierte. (Gen 1:24)

## kruis (begrip)

- Romeins executiewerktuig dat in de Schrift later het instrument van Christus' verzoenend lijden werd. Beeld van plaatsvervangend dragen van schuld en oordeel. (Joz 7:25)
- Romeins werktuig van de wreedste doodstraf, in gebruik vooral voor slaven en oproerlingen. In het christendom symbool van Jezus' offerdood. (Matt 10:38)
- Het instrument van Christus' lijden en dood; in de prediking het centrum van de boodschap. Voor de wereld een dwaasheid, voor de gelovigen een kracht. (1 Kor 1:17)

## kruishout (voorwerp)

- De houten dwarsbalk (patibulum) die de veroordeelde naar de plaats van executie moest dragen, om daar aan een staande paal bevestigd te worden. (Mark 15:21)

## kruisigen (begrip)

- Iemand aan een kruis vastspijkeren als doodstraf. De Romeinen kruisigden Jezus op verzoek van de Joodse leiders. (Joh 19:16)

## kruisiging (begrip)

- Romeinse wijze van terechtstelling waarbij de veroordeelde aan een kruis werd vastgebonden of -genageld en bezweek. Gold als de meest schandelijke executiemethode. (Matt 26:2)

## kruisiging met Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Gal 2:20)

## kruithoorn (begrip)

- Hoorn of beker waarin de zalfolie werd bewaard, gebruikt bij de zalving van koningen en priesters. Symbool van de overvloed en duurzaamheid van Gods zegen. (2Sam 1:1)

## kudde (begrip)

- Groep weidende dieren, vooral schapen en geiten. Voornaamste rijkdom van de aartsvaders en onderwerp van de zorg van de herder. (Gen 4:2)
- Beeld voor het volk Gods dat onder de hoede van de Herder staat. (Ps 100:3)
- Een groep schapen. Jezus zei dat er een kudde en een Herder zal zijn: alle gelovigen samen onder Zijn leiding. (Joh 10:16)

## kuil (begrip)

- Diepe put; beeld voor doodsnood. 'Een ruisende kuil'. (Ps 40:3)

## kuil van de leeuwen (plaats)

- Diepe kuil waarin leeuwen werden gehouden, in het Perzische rijk gebruikt als executieplaats. Bekend uit Daniël 6. (BelDra 1:30)

## kuilgraf (begrip)

- Diep graf; beeld voor het sterven. (Ps 88:4)

## kuip in de waterleiding (begrip)

- Aanduiding voor het waterbouwkundige werk waarbij koning Hizkia de Gihonbron via een ondergrondse leiding tot binnen de muren van Jeruzalem leidde. Belangrijke voorbereiding op de Assyrische belegering. (2 Kron 32:30)

## kuise wandel (begrip)

- Vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, opdat ook indien sommigen het Woord ongehoorzaam zijn, zij door de wandel der vrouwen zonder woord mogen gewonnen worden. (1 Petr 3:1)

## kuisheid (begrip)

- Seksuele zuiverheid en zedelijke ingetogenheid. In de Bijbel hoog gewaardeerde deugd, in het bijzonder voor het huwelijk. (Gen 39:9)
- Reinheid van denken en handelen op het gebied van seksualiteit; bijbelse deugd die het lichaam in heiliging en eer doet bezitten. (1 Tess 3:13)
- Reinheid van denken en handelen op het gebied van seksualiteit; bijbelse deugd in het bijzonder vereist voor jongeren en gehuwden. (Tit 1:8)
- Reinheid en zelfbeheersing in seksuele en zedelijke zin. In de bijbel hoog gewaardeerd als deugd, vooral in onthouding tot het huwelijk. (4 Ezra 6:32)

## kunnen deze beenderen leven? (uitdrukking)

- Profetische retorische vraag waarmee menselijke onmacht en goddelijke mogelijkheid worden tegenovergesteld. Klassieke uitdrukking van geloofstaal. (Ez 37:3)

## kus (begrip)

- Begroeting tussen verwanten en vrienden, in de oudheid op de wang of mond gegeven. In de evangeliën gebruikt door Judas als verradersteken. (Mark 14:45)
- De kus waarmee Judas Jezus aan de overpriesters overleverde. (Luk 22:48)
- Christelijke broedergroet, teken van de heilige gemeenschap. Onderscheiden van wereldse aanhankelijkheid. (Rom 16:16)

## kus den Zoon (begrip)

- Eerbiedige onderwerping aan de Gezalfde. (Ps 2:12)

## kus der liefde (begrip)

- Groet elkander met een kus der liefde — broederlijke begroeting onder gelovigen. (1 Petr 5:14)

## kus van het kalf (begrip)

- Eerbiedig kusgebaar gericht op een afgodsbeeld als teken van aanbidding. Veelvoorkomende vorm van afgoderij in het oude Nabije Oosten. (Hos 13:2)

## Kusan-rischatáim (persoon)

- Koning van Mesopotamië die Israël acht jaar onderdrukte. Verslagen door de richter Othniël. (Num 1:1)
- Koning van Aram-naharaïm (Mesopotamië) in de vroege richterentijd. Eerste vreemde verdrukker van Israël na Jozua's dood, verslagen door de richter Othniël. (Ri 3:8)

## kwaad (begrip)

- Wat moreel verkeerd is, in strijd met Gods wil; tegengesteld aan het goede. (3 Joh 1:11)

## kwaad voor kwaad (begrip)

- Beginsel van vergelding dat in het Nieuwe Testament wordt afgewezen ten gunste van het zoeken van het goede voor allen. (1 Th 5:15)
- Vergeldt geen kwaad voor kwaad of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen, wetende dat u daartoe geroepen zijt. (1 Petr 3:9)

## kwaaddoener (begrip)

- Bedrijver van kwaad; door de HEERE gehaat. (Spr 17:4)

## kwaadspreken (begrip)

- Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander; die kwalijk spreekt van zijn broeder, spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet. (Jak 4:11)

## kwade (begrip)

- Het zedelijk verkeerde; door de wijze verafschuwd. (Spr 3:7)

## kwade dag (begrip)

- Dag van rampspoed; God heeft ook deze gemaakt. (Spr 16:4)

## kwakkel (begrip)

- Vogel waarmee God Israël in de woestijn voedde. (Ps 105:40)
- Kwartel, kleine trekvogel waarvan in Exodus 16 en Numeri 11 verteld wordt dat God ze als voedsel aan het volk Israël in de woestijn gaf. (4 Ezra 1:15)

## kwalijk bidden (begrip)

- Gij bidt en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt. (Jak 4:3)

## kwartelen (begrip)

- Kleine trekvogels die God in grote zwermen aan Israël gaf om hun vleeshonger te stillen, samen met het manna. (Ex 16:13)

## kwasten (voorwerp)

- Hemelsblauwe franje aan de zoom van de klederen van de Israëlieten. Zichtbare herinnering aan Gods geboden. (Num 15:38)

## laagste plaats (begrip)

- Jezus' onderwijs over nederigheid. (Luk 14:10)

## laatste (begrip)

- Zullen er spotters zijn — eindtijdverwachting. (Jud 1:18)

## laatste dag van het feest (gebruik)

- De grote dag van het Loofhuttenfeest waarop Jezus uitriep. (Joh 7:37)

## laatste dagen (begrip)

- De tijd vanaf Pinksteren tot de wederkomst. (Hand 2:17)
- In deze laatste dagen heeft God tot ons gesproken door de Zoon — aanduiding van de tijd van het nieuwe verbond. (Hebr 1:2)

## laatste oordeel (begrip)

- Het oordeel voor de grote witte troon, waar de boeken werden geopend en wie niet in het boek des levens stond werd geworpen in de poel. (Op 20:11)

## laatste ure (begrip)

- Het is de laatste ure; en gelijk u gehoord hebt dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden — waardoor wij weten dat het de laatste ure is. (1 Joh 2:18)

## Laban (persoon)

- Zoon van Bethuël en broer van Rebekka. Schoonvader van Jakob, die hem twintig jaar diende voor zijn dochters Lea en Rachel en voor diens kudden. (Gen 24:29)

## Lacedemoniërs (begrip)

- Andere naam voor de Spartanen, inwoners van Sparta in de Peloponnesus. Bekend om hun militaire leefwijze in het klassieke Griekenland. (1 Makk 12:2)

## Lachai-Roi (plaats)

- Bron in de zuidelijke woestijn, tussen Kades en Bered. Plek waar de Engel des Heeren aan de vluchtende Hagar verscheen; naam betekent 'van de Levende Die mij ziet'. (Gen 16:14)

## Lachai-roï (plaats)

- Bron in de zuidelijke woestijn waar de Engel des Heeren aan Hagar verscheen. Naam betekent 'van de Levende Die mij ziet'. (Gen 16:14)

## lachen (begrip)

- Door God gegeven vreugde. Ook God lacht over de aanslagen van de heidenen. (Ps 126:2)
- Bijbels begrip voor de uiting van blijdschap of (negatief) van spot. In de wijsheidsliteratuur op zijn juiste tijd gewaardeerd. (Sir 21:23)

## Lachis (plaats)

- Belangrijke vestingstad in de Sjefela van Juda, ten zuidwesten van Jeruzalem. Werd in 701 v.Chr. door de Assyriërs onder Sanherib veroverd. (Mi 1:13)
- Versterkte stad in het laagland van Juda, ten zuidwesten van Jeruzalem. Geldt na Jeruzalem als de belangrijkste vesting van Juda en speelde een rol in de Assyrische veldtocht onder Sanherib. (2 Kon 14:19)
- Versterkte stad in het laagland van Juda, ten zuidwesten van Jeruzalem. Geldt na Jeruzalem als de belangrijkste vesting van Juda. (2 Kron 25:27)

## ladder (begrip)

- Bouwwerk van treden om naar boven te klimmen. Ook de hemelse trap die Jakob in zijn droom te Bethel zag, met engelen die op- en neergingen. (Gen 28:12)

## lagen (begrip)

- Hinderlagen, verraderlijke valstrikken. "Lagen leggen" = een valstrik zetten. De goddelozen leggen lagen voor de oprechten om hen onverwacht te overrompelen. (Ps 11:9)

## Lais (plaats)

- Stad in het uiterste noorden van Kanaän, oorspronkelijk bewoond door een rustig en zorgeloos volk. Werd door de stam Dan veroverd en hernoemd tot Dan. (Ri 18:7)

## laken uit de hemel (begrip)

- Het visioen dat Petrus op het dak in Joppe ontving — een groot laken met allerlei dieren. (Hand 10:11)

## lam (natuur)

- Jong schaap, het meest gebruikte offerdier voor brand-, dank- en pesachoffer. In het Nieuwe Testament zinnebeeld van Christus. (Gen 22:7)
- Jong schaap, het meest gebruikte offerdier voor brand-, dank- en pesachoffer. Vereist zonder gebrek; in het Nieuwe Testament zinnebeeld van Christus. (Lev 1:10)
- Jong schaap; beeld voor onschuld en weerloosheid. Vaak in de psalmen verbonden met Gods herderlijke zorg. (Ps 114:4)
- Aanduiding van Christus als het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. Vervulling van het Pascha en van Jesaja 53. (1 Kor 5:7)
- Aanduiding van Christus als het door God gezonden offerlam dat de zonde der wereld wegneemt. (1 Petr 1:19)

## Lam Gods (persoon)

- Christus als het door God geleverde offerlam, dat de zonde der wereld wegneemt. (Op 5:6)

## Lam onbevlekt (begrip)

- Christus als een Lam onbestraffelijk en onbevlekt — Hij is voorgekend van vóór de grondlegging der wereld. (1 Petr 1:19)

## Lam op de berg Sion (begrip)

- Het Lam staande op de berg Sion met de honderdvierenveertigduizend, hebbende de Naam van zijn Vader op het voorhoofd. (Op 14:1)

## lam ter slachting (uitdrukking)

- Beeld dat het NT op Christus toepast. (Jer 11:19)

## Lam van God (begrip)

- De titel waarmee Johannes de Doper Jezus aanwees: Net zoals in het Oude Testament lammeren werden geofferd, zo offerde Jezus Zichzelf voor de zonden van de wereld. (Joh 1:29)

## Lamech (persoon)

- Naam van twee personen in Genesis: een nakomeling van Kaïn die zich op moord beroemt, en een nakomeling van Seth die de vader van Noach is. (Gen 4:19)
- Vader van Noach in Lukas' geslachtsregister. (Luk 3:36)

## Lamech (vader Noach) (persoon)

- Negende geslacht van Adam in de lijn van Seth, vader van Noach. Niet te verwarren met de Lamech uit het geslacht van Kaïn. (Gen 5:25)

## Lamed (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:13)

## lammetje (begrip)

- Jong schaap. In de bijbel beeld van zachtmoedigheid, onschuld en in profetisch beeldspraak van de lijdende rechtvaardige of Messias. (4 Ezra 5:26)

## lamp (begrip)

- Beeld voor leven, leiding en hoop.; ook. (Ps 18:29)
- Klein bakje van klei of metaal met olie en een wiek, gebruikt voor verlichting binnenshuis. In de evangeliën beeld van getuigenis en geestelijke waakzaamheid. (Matt 25:1)
- Klein open of gesloten verlichtingsinstrument met olie en pit. In de tempel onderdeel van de zevenarmige kandelaar. (Zach 4:10)

## lamp uitgeblust (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de ondergang en het einde van iemands leven of geluk. Klassieke uitdrukking voor sterven en verdwijnen. (Job 18:5)

## lampen (begrip)

- Klein open of gesloten verlichtingsinstrument met olie en pit. Profetisch beeld voor Gods doorzoekend onderzoek of voor zijn leidend woord. (Zef 1:12)

## Lampsacus (plaats)

- Stad in Klein-Azië aan de Hellespont. Belangrijk in de hellenistische en romeinse tijd als havenplaats. (1 Makk 15:23)

## land der belofte (plaats)

- Het land Kanaän waarin Abraham als vreemdeling heeft gewoond, in tenten — uitkijkend naar de stad die fundamenten heeft. (Hebr 11:9)

## Land in zeven delen (uitdrukking)

- Profetische beschrijving van de toekomstige grenzen van het beloofde land. Onderdeel van de heilsprofetie van Ezechiël. (Ez 47:14)

## land sabbaten (begrip)

- De rustjaren waarin het land braak lag. Wanneer Israël deze niet hield, zou het land tijdens de ballingschap zijn gemiste rust alsnog ontvangen. (Lev 26:34)

## land van melk en honig (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor het land Kanaän, het door God aan Israël beloofde land, beeld van overvloed en zegen. (Bar 1:20)

## landbouwer eerstvruchten (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (2 Tim 2:6)

## Landman (begrip)

- Een boer, landbouwer. Jezus noemt de Vader de Landman in de gelijkenis van de wijnstok: Hij snoeit de ranken zodat ze meer vrucht dragen. (Joh 15:1)

## landvoogd (begrip)

- Romeins gezagsdrager (procurator of prefect) over een keizerlijke provincie zoals Judea. Verantwoordelijk voor bestuur, belastingen en rechtspraak. (Matt 27:2)

## lange leeftijd (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor de hoge levensduur die in de aartsvaderlijke periode aan vromen werd toegekend. Teken van Gods bijzondere zegen. (Job 42:16)

## lange leven (begrip)

- Bijbels begrip voor een lang aards bestaan. In de bijbel als zegen van God beschouwd, vooral als gevolg van het eren van de ouders (vijfde gebod). (Sir 1:12)

## lankmoedig (begrip)

- Geduldig in plaats van snel toornend. (Ps 103:8)
- Geduldig, niet snel toornig; teken van wijsheid. (Spr 14:29)

## lankmoedigheid (begrip)

- Geduld en uitstel van toorn, vooral van Gods kant tegenover zondige mensen. Geeft ruimte voor bekering. (Gen 6:3)
- Geduld van God die niet snel toornt. (Ps 103:8)
- Lankmoedige geduld waarmee God de zondaar verdraagt en waarmee de gelovige zijn naaste verdraagt. Vrucht van de Geest. (1 Kor 13:4)
- Vierde vrucht van de Geest. (Gal 5:22)
- Christus' grote geduld die Hij in Paulus, de voornaamste zondaar, betoonde. (1 Tim 1:16)
- Wachten op Christus' komst als de landman op vrucht. (Jak 5:7)
- De Heere vertraagt de belofte niet, maar is lankmoedig over ons, niet willende dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. (2 Petr 3:9)
- Gods geduld en traagheid tot toorn, waardoor hij de zondaar tijd geeft tot bekering. Een van zijn voornaamste eigenschappen. (Wijsh 11:23)
- Eigenschap waardoor God langdurig geduld heeft met de zonde van mensen en niet snel toornt. Geeft ruimte voor inkeer en bekering. (Jon 4:2)

## lankmoedigheid bestraffen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Gods oordeel. (2 Tim 4:2)

## lankmoedigheid is zaligheid (begrip)

- Acht de lankmoedigheid van onze Heere voor zaligheid — het uitstel is niet onverschilligheid maar genadetijd voor bekering. (2 Petr 3:15)

## Laodicea (plaats)

- Naburige stad van Kolosse; Paulus vraagt de brieven uit te wisselen. (Kol 2:1)
- Stad in Frygië, Klein-Azië; een van de zeven gemeenten in de Openbaring. (Openb 1:11)

## Lasa (plaats)

- Plaats die als grenspunt van het Kanaänitische gebied werd genoemd. Niet met zekerheid te lokaliseren. (Gen 10:19)

## last (begrip)

- Wij moeten alle last afleggen en de zonde die ons lichtelijk omringt, om de loopbaan met volharding te kunnen lopen. (Hebr 12:1)

## last des HEEREN (uitdrukking)

- Hebr. מַשָּׂא (massa) — 'last' of 'spreuk'. Keert Jeremia tegen mensen die het profetisch woord schamper 'last' noemen — God draait het om: zíj zelf zijn de last die Hij wegwerpt. (Jer 23:33)

## laster tegen de Geest (theologisch)

- Het liegen tegen de Heilige Geest. Ananias en Saffira logen tegen Hem en stierven aan de voeten der apostelen — ernstige waarschuwing tegen huichelarij. (Hand 5:3)

## lasteraars (begrip)

- Wie kwaadspreekt en valselijk beschuldigt. (Ps 101:5)

## lasteren (wet)

- Het smadelijk spreken over God of Zijn Naam. In Israël een zware overtreding waarop de doodstraf door steniging stond. (Lev 24:11)
- Bijbels begrip voor het kwaadspreken van een ander, met de bedoeling diens eer te schaden. In de bijbel als zonde tegen de naaste veroordeeld. (Sir 28:13)

## lasteren wat zij niet weten (begrip)

- Dezen lasteren hetgeen zij niet weten, en hetgeen zij natuurlijk weten als de onredelijke dieren — daardoor verderven zij zichzelf. (Jud 1:10)

## later erger (begrip)

- De laatste dingen zijn voor hen erger geworden dan de eerste — wie de weg der gerechtigheid gekend heeft en zich daarvan afkeert. (2 Petr 2:20)

## latere jaren tegen Israël (uitdrukking)

- Profetische tijdsaanduiding voor een eindtijd-aanval op het herstelde Israël. Onderdeel van de eschatologische profetie. (Ez 38:8)

## lauw (begrip)

- Het verwijt aan Laodicea. (Op 3:16)

## Lazarus (persoon)

- De arme Lazarus uit de gelijkenis (alleen in Lukas) — niet de broer van Maria en Martha. (Luk 16:20)
- Broer van Martha en Maria uit Bethanië, een goede vriend van Jezus. Hij stierf en lag vier dagen in het graf, maar Jezus wekte hem op uit de dood. (Joh 11:1)

## Lazarus van Bethanië (persoon)

- Broer van Maria en Martha; in Lukas niet genoemd, wel Lazarus uit de gelijkenis. (Luk 10:38)
- Broer van Maria en Martha; door Jezus uit de dood opgewekt na vier dagen in het graf. (Joh 11:43)

## Lea (persoon)

- Oudste dochter van Laban en eerste vrouw van Jakob. Moeder van zes van de twaalf stamhoofden, waaronder Levi en Juda; werd in Hebron begraven. (Gen 29:16)
- Oudste dochter van Laban en eerste vrouw van Jakob. Moeder van zes van de twaalf stamhoofden, waaronder Levi en Juda. (Ex 1:3)

## Lebanon (plaats)

- Bergachtig kustgebied ten noorden van Israël, beroemd om zijn ceders. Symbool van weelde, vruchtbaarheid en pracht. (Hos 14:5)

## Lebanon-cederen (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 22:6)

## Lebbeus (persoon)

- Een van de twaalf apostelen, ook Thaddeüs genoemd. Mogelijk dezelfde als Judas de zoon van Jakobus uit het Lukasevangelie. (Mark 3:18)

## leden (begrip)

- De delen van het lichaam; in geestelijke zin de gelovigen als leden van het lichaam van Christus. Onderling onmisbaar. (1 Kor 12:14)

## leden van Zijn lichaam (begrip)

- Diepe vereniging met Christus. (Ef 5:30)

## ledig en onvruchtbaar (begrip)

- Indien deze dingen bij u zijn en in u overvloedig zijn, zo zullen zij u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onze Heere Jezus Christus. (2 Petr 1:8)

## ledigganger (begrip)

- Iemand die ordeloos leeft door geen werk te verrichten en zich met zinloze dingen bezighoudt. (2 Th 3:11)

## Leef! (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking van Gods levenwekkende roep over wie aan de dood was overgegeven. Klassieke uitspraak van soevereine genade. (Ez 16:6)

## leeftijd (begrip)

- De duur van iemands leven of het bereiken van een bepaalde leeftijdsgrens. In de Tora vaak met cultische of juridische gevolgen verbonden. (Ex 7:7)

## leem en koper (begrip)

- Gewone bouw- en gietmaterialen. In bijbelse polemiek tegen afgodsbeelden vaak gebruikt om de stof aan te wijzen waaruit zogeheten goden bestaan. (BelDra 1:6)

## leer (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (1 Tim 1:3)
- Geheel van geloofsonderwijs aangaande God en Christus, overgeleverd door de apostelen. (Tit 1:9)
- Niet allen moeten leraren zijn. (Jak 3:1)
- De inhoud van het onderwijzen; vergelijk 'leer mijner moeder'. (Spr 1:8)

## leer en vermaning des Heeren (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Ef 6:4)

## leer niet ondersteunen (begrip)

- Apostolisch beginsel dat de gemeente geen levensonderhoud verschuldigd is aan wie weigert te werken. (2 Th 3:10)

## leer van Bileam (begrip)

- Te Pergamus was er die de leer van Bileam vasthield, die Balak leerde de kinderen Israëls hoererij en afgodendienst. (Op 2:14)

## leer van Christus (begrip)

- De apostolische geloofsleer aangaande de persoon en het werk van Jezus Christus, in het bijzonder Zijn ware menswording en goddelijkheid. (2 Joh 1:9)

## leer van Christus overtreden (begrip)

- Het verlaten of verdraaien van de apostolische leer aangaande Christus; volgens de Johannesbrieven een verlies van gemeenschap met God. (2 Joh 1:9)

## leer versieren (begrip)

- De leer van God door een godvruchtig leven aanbevelen en aantrekkelijk maken voor de buitenwereld. (Tit 2:10)

## leerbereider (begrip)

- Ambachtsman die dierenhuiden bewerkt tot leer, ook wel leerlooier genoemd. Beroep dat in de oudheid vaak buiten de stadsmuren werd uitgeoefend vanwege de geur. (Hand 10:6)

## leerling (begrip)

- Niet als zodanig in de tekst, maar de aangesprokene 'mijn zoon' is in essentie de leerling van de wijsheid. (Spr 1:8)

## leerlingen der profeten (begrip)

- Gezelschappen van profetenleerlingen die in de richteren- en koningstijd in verschillende plaatsen rondom een leider leefden. Vorm van georganiseerde profetische gemeenschap. (2 Kon 2:3)

## leermeester (begrip)

- De vader die onderwijst en Wijsheid zelf als leermeester. (Spr 8:32)

## leerzaam (begrip)

- Een opziener moet zijn — bekwaam om Gods Woord te onderwijzen. (1 Tim 3:2)

## leeskamer in de tempel (begrip)

- Aanduiding voor een vertrek in het tempelcomplex dat door priesters voor studie of stilte werd gebruikt. Diende in de naballingschapse periode soms ook als verblijfsruimte voor verootmoediging en gebed. (Ezra 10:6)

## leeuw (begrip)

- Roofdier dat in het oude Israël nog in het bergland en de Jordaanvallei voorkwam. Symbool van koninklijke macht, moed en gevaar. (Ri 14:5)
- Roofdier; beeld voor wrede vijanden. Ook. (Ps 7:3)
- Roofdier dat in het oude Nabije Oosten voorkwam. In de bijbel beeld van koninklijke macht, gevaar en oordeel; ook symbool van de Messias als 'leeuw uit Juda'. (4 Ezra 11:37)
- Roofdier, in de bijbel beeld van koninklijke macht, gevaar of woest oordeel. Hier toegepast op de Perzische grootkoning. (EstAp 14:13)
- Sterkste dier; vier dingen treffend; ook beeld voor koningstoorn. (Spr 19:12)
- Roofdier dat in de Bijbel staat voor kracht, koninklijke majesteit of wrede vijandelijkheid. Soms ook beeld voor God in zijn oordeel of verlossing. (Hos 5:14)
- Roofdier dat in de Bijbel staat voor kracht, koninklijke majesteit of wrede vijandelijkheid. Profetisch beeld van veroverende wereldmachten. (Na 2:11)

## Leeuw uit Juda (begrip)

- Messiaanse titel van Christus die op Zijn koninklijke heerschappij en overwinning wijst. (Op 5:5)

## leeuwen (begrip)

- Roofdieren die in het oude Nabije Oosten voorkwamen. In de bijbel beeld van koninklijke macht, gevaar en oordeel. (BelDra 1:31)

## leeuwen onder de heidenen (begrip)

- Aanduiding voor leeuwen die in het oude Israël nog in het bergland en de Jordaanvallei voorkwamen. Werden soms als instrument van Gods oordeel gezien. (2 Kon 17:25)

## leeuwengebrul (begrip)

- Bijbels beeld voor Gods machtige spreken, dat schrik aanjaagt zoals een leeuw die zijn prooi nadert. Onderdeel van de profetische theofanietaal. (Am 1:2)

## leeuwin met welpen (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarin de koningen van een geslacht met jonge leeuwen worden vergeleken. Klassiek motief in de oudtestamentische klaagliteratuur. (Ez 19:2)

## leger (begrip)

- Het Israëlitische kamp tijdens de woestijntocht, geordend rondom de tabernakel in vier afdelingen van drie stammen elk. (Num 2:2)
- Krijgsmacht. In de bijbel zowel het wereldse leger van koningen als (in apocalyptische zin) het hemelse heerleger van engelen. (1 Makk 3:18)
- Georganiseerde gewapende strijdmacht van een volk of vorst. In de profetische taal vaak symbool voor Gods werktuig of voor menselijke overmoed. (Hab 1:8)
- Georganiseerde gewapende strijdmacht van een volk of vorst. In de Bijbel ook aanduiding voor de hemelse heerscharen. (Zach 4:6)

## leger op het dak (begrip)

- Aanduiding voor de plek vanwaar koning David in een eerdere geschiedenis Bath-seba zag baden. Het platte dak van een Oosters huis diende als geliefde verblijfplaats in de avond. (1 Kron 20:1)

## legerplaats (begrip)

- Kampement van een leger, een karavaan of een trekkend volk. Vaak omgeven door een wagenburcht of haastig opgeworpen verschansing. (Gen 32:2)

## legio (begrip)

- Belangrijkste eenheid van het Romeinse leger, ongeveer 5000 tot 6000 manschappen sterk. In de evangeliën ook gebruikt als naam van een groep demonen. (Mark 5:9)

## legioen (begrip)

- Belangrijkste eenheid van het Romeinse leger, ongeveer 5000 tot 6000 manschappen sterk. In de evangeliën ook gebruikt voor een groot aantal demonen. (Matt 26:53)

## Lehabieten (volk)

- Nakomelingen van Mitsraïm, zoon van Cham. Mogelijk de Libiërs of een aanverwant Noord-Afrikaans volk. (Gen 10:13)

## leiden (begrip)

- God geleidt Zijn volk veilig. (Ps 23:3)

## Leidsman (begrip)

- Christus is de Overste Leidsman van het geloof en der zaligheid, die door lijden tot heerlijkheid is gegaan. (Hebr 2:10)

## lelie (begrip)

- Bloem in Palestina, in de bijbel beeld van schoonheid, eenvoud en Gods voorzienige zorg. (4 Ezra 5:24)

## leliën (begrip)

- Wilde veldbloemen die in het voorjaar in Palestina massaal opkwamen. In de bergrede beeld van Gods zorg voor zijn schepselen. (Matt 6:28)

## Lemuel (persoon)

- Koning wiens moeder hem onderwees; auteur. Zij waarschuwde hem voor wijn en vrouwen, en gebood gerechtigheid voor de armen. (Spr 31:1)

## lendenen (begrip)

- Onderlijf; sterkte en arbeid. (Spr 31:17)

## lendenen omgord (begrip)

- Daarom omgordt de lendenen uws verstands, zijt nuchter en hoopt volkomenlijk op de genade die u toegebracht wordt. (1 Petr 1:13)

## lenen (begrip)

- Bijbels begrip voor het tijdelijk afstaan van geld of goederen. In de wet van Mozes met regels omkleed om uitbuiting te voorkomen. (Sir 29:1)

## lener (begrip)

- Wie leent; in Spreuken: eigenaar wordt knecht van schuldeiser. (Spr 22:7)

## lentsoep (overig)

- Verouderde of onduidelijke spelling van linzensoep. Verwijst naar het gerecht waarvoor Esau zijn eerstgeboorterecht aan Jakob verkocht. (Gen 25:34)

## lenzen (overig)

- Verouderde spelling van linzen, een soort peulvrucht. Voor velen in het Oosten een dagelijks gerecht. (Gen 25:34)

## Leraar (begrip)

- Iemand die onderwijs geeft. Nicodemus erkende Jezus als Zie ook: Meester, Rabbi. (Joh 3:2)

## leraressen van het goede (begrip)

- Aanduiding van oudere vrouwen in de gemeente die door woord en voorbeeld jongere vrouwen onderwijzen in het goede. (Tit 2:3)

## lering (begrip)

- Onderwijs of leer; in het bijzonder het apostolisch onderricht. Norm voor de gemeente. (Rom 12:7)
- Het ontvangen onderwijs; de leerstof van de vader. (Spr 4:2)

## leringen der duivelen (begrip)

- Demonische doctrines die mensen wegtrekken van het geloof. (1 Tim 4:1)

## letter (begrip)

- De geschreven wet beschouwd los van de Geest, die slechts veroordeelt. Tegenovergesteld aan het levendmakende werk van de Geest. (Rom 7:6)

## letter en geest (theologisch)

- De tegenstelling tussen de doodbrengende letter van de wet en de levendmakende Heilige Geest van het nieuwe verbond. Karakteristiek voor het apostolisch dienstwerk. (2 Kor 3:6)

## Letusieten (volk)

- Nakomelingen van Dedan, kleinzoon van Abraham via Ketura. Een van de Arabische stammen. (Gen 25:3)

## leugen (begrip)

- Onwaarheid die de boze spreekt. (Ps 5:7)
- Bewuste valse voorstelling van de werkelijkheid; in eschatologisch verband het met goddelijke pretentie optredende bedrog van de tegenstander. (2 Tess 2:9)
- Bijbels begrip voor onwaarheid, opzettelijk uitgesproken om te bedriegen. In de bijbel afgeleid van de duivel als 'vader van de leugen'. (Sir 20:24)

## leugen geloven (begrip)

- Toestand van wie de waarheid heeft afgewezen en als gevolg daarvan aan de bedrieglijke werking van de leugen wordt overgegeven. (2 Th 2:11)

## leugen tegen God (begrip)

- Wie God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van Zijn Zoon. (1 Joh 5:10)

## leugenaar (begrip)

- Wie de waarheid verdraait. (Ps 101:7)
- Iemand die liegt. Jezus noemt de duivel de vader van de leugen en een leugenaar van het begin af. (Joh 8:44)
- Wie zegt God lief te hebben en zijn broeder haat, is een leugenaar. (1 Joh 1:10)
- Wie liegt; door God gehaat. (Spr 19:22)

## leugendichters (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor wie onware redeneringen bedenkt om hun standpunt te verdedigen. Onderdeel van de profetische en wijsheidsliterair scherpe taal. (Job 13:4)

## leugengetuigenis (begrip)

- Vals getuigenis tegen de naaste, in de Tien Geboden uitdrukkelijk verboden (Exodus 20:16). Volgens de wet straffeloos gestraft met dezelfde straf als het beoogde slachtoffer zou krijgen. (Sus 1:43)

## Leummieten (volk)

- Nakomelingen van Dedan, kleinzoon van Abraham via Ketura. Een van de Arabische stammen. (Gen 25:3)

## Leven (begrip)

- In Johannes meer dan alleen het lichamelijke bestaan: het ware, eeuwige leven dat van God komt. (Joh 1:4)
- Door God geschonken bestaan; in geestelijke zin het eeuwige leven dat in Christus is. Tegenovergesteld aan de dood door de zonde. (Rom 8:2)
- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geestelijk of eeuwig leven. (2 Tim 1:1)
- Christus zelf is het Leven; in Hem is het eeuwige leven. (1 Joh 1:1)
- In de Bijbel meer dan natuurlijk bestaan: gemeenschap met God, de bron van het leven. Vrucht van Gods zegen en het houden van Zijn geboden. (Spr 3:2)

## leven afleggen (begrip)

- Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. (1 Joh 3:16)

## leven en godzaligheid (begrip)

- Zijn goddelijke kracht heeft ons alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken door de kennis van Hem die ons geroepen heeft. (2 Petr 1:3)

## leven is Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Fil 1:21)

## levend water (begrip)

- Stromend, fris water, in tegenstelling tot stilstaand water. Jezus gebruikt het als beeld voor de Heilige Geest en het eeuwige leven dat Hij geeft aan wie in Hem gelooft. (Joh 4:10)

## levende God (begrip)

- Het is een schrikkelijke zaak te vallen in de handen van de levende God — die de zonde wreekt en de Zijnen behoudt. (Hebr 10:31)
- Bijbelse Godsnaam die JHWH onderscheidt van de dode afgoden. Drukt uit dat God werkelijk bestaat en handelt in geschiedenis en schepping. (BelDra 1:4)

## levende hoop (begrip)

- God heeft ons naar Zijn grote barmhartigheid wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. (1 Petr 1:3)

## levende Woord (begrip)

- Het levende en eeuwig blijvende Woord van God waardoor wij zijn wedergeboren — anders dan vlees dat als gras vergaat. (1 Petr 1:23)

## levende ziel (begrip)

- Aanduiding voor het levende wezen, mens of dier. De mens werd een levende ziel toen God hem de levensadem inblies. (Gen 2:7)

## levendgemaakt (begrip)

- Geestelijk opgewekt uit de doodstaat van zonde; wedergeboorte tot een nieuw leven door de werking van Gods Geest. (Ef 2:5)

## lever-waarzeggerij (uitdrukking)

- Heidense waarzeggerij waarbij men de lever van een offerdier bestudeert om de toekomst te peilen. In de Babylonische cultuur algemeen verbreid. (Ez 21:21)

## Levi (persoon)

- Derde zoon van Jakob en Lea, en de stam die uit hem voortkwam. De stam waaruit de priesters en Levieten werden geroepen tot de eredienst. (Gen 29:34)
- Stam van Levi, dragers van het priesterambt. (Ps 135:20)
- Andere naam voor de apostel Mattheus, die voor zijn roeping tollenaar was te Capernaüm. (Matt 9:9)

## Levi verbond (begrip)

- Het verbond dat God met de stam Levi sloot waardoor zij werden afgezonderd voor de eredienst. Verleende leven, vrede en het recht op de tempeldienst. (Mal 2:5)

## Levi, zonen van (begrip)

- De drie hoofdgeslachten van de stam Levi: Gerson, Kahath en Merari. Vormden samen het uitgangspunt voor alle Levitische diensten in tabernakel en tempel. (1 Kron 6:1)

## Levi-stam (plaats)

- De stam Levi, waaruit Mozes en Aäron voortkwamen. Stam zonder grondbezit, geheel toegewijd aan de dienst rond het heiligdom. (Ex 6:16)

## Leviatan (persoon)

- Zee-monster, symbool voor chaosmacht, 104. (Ps 104:26)

## Leviathan (begrip)

- Reusachtig zeedier dat in Job 41 en Psalm 74 wordt beschreven. In joodse apocalyptiek als tegenhanger van Behemoth voor de eindtijd bewaard. (4 Ezra 6:49)
- Bijbelse naam voor een groot zee- of waterdier, meestal opgevat als de krokodil. In de oude Nabije-Oosterse mythologie ook een chaosmonster. (Job 41:1)

## Leviathan opwekken (uitdrukking)

- Beeld uit de oude Nabije-Oosterse mythologie waarin bezweerders het zeemonster Leviathan tot beroering brengen. In de Bijbel symbool voor chaotische krachten. (Job 3:8)

## Leviathan's hart hard als steen (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de onverstoorbaarheid en onbevreesdheid van het zeedier Leviathan. Onderdeel van de godsrede over Gods schepselen. (Job 41:24)

## Leviet (begrip)

- Lid van de stam Levi, één van de twaalf stammen van Israël, apart gezet voor dienst in de tabernakel/tempel. Levieten assisteerden de priesters (alleen Aärons nakomelingen waren priester), zorgden voor de eredienst, muziek en het onderwijs in de Wet. (Hand 4:36)

## Levieten (cultisch)

- Afstammelingen van Levi, in plaats van de eerstgeborenen aan God gewijd. Geen priesters, maar dienaren die de tabernakel droegen en de priesters bijstonden. (Ex 32:26)
- Afstammelingen van Levi, derde zoon van Jakob. Zonder grondbezit en geheel toegewijd aan de dienst rond de tabernakel; alleen de lijn van Aäron diende als priester. (Lev 25:32)
- Afstammelingen van Levi, in plaats van de eerstgeborenen aan God gewijd. Geen priesters, maar dienaren die de tabernakel droegen en de priesters bijstonden; zonder eigen erfdeel. (Dt 18:1)
- Stam afstammend van Levi, zonder eigen aaneengesloten stamgebied. Belast met de tempeldienst en de zorg voor het heiligdom; ontvingen 48 steden verspreid over de andere stamgebieden. (Joz 13:14)
- Stam afstammend van Levi, zonder eigen aaneengesloten stamgebied. Belast met de tempeldienst en de zorg voor het heiligdom; alleen het geslacht van Aäron mocht het priesterambt bekleden. (1Sam 6:15)
- Leden van de stam Levi die in de tempel dienden als helpers van de priesters. Samen met priesters werden zij naar Johannes de Doper gestuurd. (Joh 1:19)
- Afstammelingen van Levi (een van de twaalf zonen van Jakob), aangesteld voor dienst in de tempel als helpers van de Aäronitische priesters. (3 Ezra 1:3)

## Levieten als rechters (begrip)

- Aanduiding voor de rechterlijke functie die Levieten en priesters in Juda uitoefenden. Vormden onder koning Josafat een aparte rechterlijke instantie voor godsdienstige aangelegenheden. (2 Kron 19:8)

## Levieten gedegradeerd (uitdrukking)

- Profetische bepaling waarin afgedwaalde Levieten van de priesterdienst worden uitgesloten en ondergeschikt werk in het heiligdom verrichten. (Ez 44:10)

## leviraat (begrip)

- Het gebruik dat een man de weduwe van zijn kinderloos gestorven broer huwde, om voor de overledene nageslacht te verwekken. Geregeld in de Tora om de naam en het erfdeel te bewaren. (Gen 38:8)

## leviraatshuwelijk (wet)

- De plicht van een man om de weduwe van zijn kinderloos gestorven broer te huwen. De eerstgeborene werd dan op naam van de overledene gesteld om diens geslacht in stand te houden. (Dt 25:5)

## Leviten (begrip)

- Stam afstammend van Levi, zonder eigen aaneengesloten stamgebied. Belast met de tempeldienst en de zorg voor het heiligdom; alleen het geslacht van Aäron mocht het priesterambt bekleden. (2 Kron 5:4)

## Levitisch dienst (cultisch)

- De dienst van de stam Levi bij de tabernakel: het dragen van het heiligdom en de gerei, het assisteren van de priesters en de eredienst, maar geen offerdienst. (Ex 32:29)

## Levitisch priesterschap (begrip)

- Het priesterschap uit de stam Levi dat afhankelijk was van geboorte en sterven; vervangen door Christus' eeuwig priesterschap naar de orde van Melchizedek. (Hebr 7:11)

## Levitische bescherming (begrip)

- Aanduiding voor de gewapende rol die de Levieten bij bijzondere gelegenheden konden vervullen. Werd vooral ingezet bij de bescherming van de jonge troonopvolger en de tempel. (2 Kron 23:7)

## Levitische bijwijf (begrip)

- Bijvrouw met een lagere juridische status dan een hoofdvrouw, maar wel binnen de huwelijksband behorend. Het slachtoffer van de gruweldaad te Gibea was zo'n bijvrouw van een Leviet. (Ri 19:25)

## Levitische steden (wet)

- De 48 steden die de overige stammen aan de Levieten afstonden als woon- en weidegebied. Onder deze steden bevonden zich ook de zes vrijsteden voor doodslagers. (Joz 21:3)

## Levitische zangers (begrip)

- Levieten belast met de muzikale dienst in de tempel, ingedeeld in vaste afdelingen onder leiders. Begeleidden de offers en de feestdagen met zang en instrumentale muziek. (2 Kron 5:12)

## lezen aan allen (begrip)

- Apostolische bezwering om een brief in zijn geheel aan alle gemeenteleden voor te lezen. (1 Th 5:27)

## Libanon (plaats)

- Bergland ten noorden van Israël, vermaard om zijn ceders. Zinnebeeld van pracht, kracht en hoogte. (Ps 29:5)
- Bergachtig kustgebied ten noorden van Israël, beroemd om zijn ceders. Symbool van weelde, vruchtbaarheid en pracht. (Joël 3:18)
- Bergketen langs de Middellandse-Zeekust ten noorden van Israël, beroemd om haar cederbomen. Vormde een belangrijke leverancier van bouwmateriaal voor de oude wereld. (1 Kon 4:33)

## libanonceder (begrip)

- De ceder uit het Libanongebergte, in de oudheid hoog gewaardeerd om kwaliteit en duurzaamheid voor tempel- en paleisbouw. (Sir 24:13)

## Libertijnen (begrip)

- Joodse vrijgelatenen, oorspronkelijk Joden die als slaven naar Rome waren weggevoerd (door Pompeius, 63 v.Chr.) en later vrijgelaten. Velen keerden terug naar Jeruzalem en hadden er een eigen synagoge. (Hand 6:9)

## Libië (plaats)

- Gebied in Noord-Afrika ten westen van Egypte, in de Bijbel meestal als Lubim aangeduid. Verschafte huursoldaten aan Egypte. (Na 3:9)

## Libna (plaats)

- Stad in het laagland van Juda, ten westen van Hebron. Levitische stad die in verschillende episoden in de geschiedenis van Juda een rol speelde. (2 Kon 19:8)

## Libnath (plaats)

- Plaats in het stamgebied van Aser, vermoedelijk gelegen aan een gelijknamige rivier in het noorden van Israël. Komt voor in geografische lijsten van het noordelijke kustgebied. (1 Kon 9:17)

## lichaam (begrip)

- Het stoffelijk omhulsel van de mens; in de Bijbel ook beeld voor de gemeente als lichaam van Christus. (Mark 5:29)

## lichaam des vleses (begrip)

- Christus' menselijk lichaam in de verzoening. (Kol 1:22)

## lichaam van Christus (begrip)

- De gemeente als geestelijk lichaam waarvan Christus het Hoofd is. Eenheid in verscheidenheid van leden. (1 Kor 12:27)

## lichaamsgebrek (wet)

- Aangeboren of verworven lichamelijke afwijking. Een priester met zo'n gebrek mocht wel het heilige brood eten, maar niet de offerdienst verrichten. (Lev 21:17)

## lichaamsoefening (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de gemeente van Christus. (1 Tim 4:8)

## licht (natuur)

- Het eerste wat God schiep door Zijn woord 'Daar zij licht'. In de Bijbel ook beeld van Gods aanwezigheid, waarheid en heil. (Gen 1:3)
- In Johannes een belangrijke naam voor Jezus. Hij is het Licht van de wereld dat de duisternis verdrijft. (Joh 1:4)

## licht der wereld (begrip)

- Bijbels beeld voor wie de waarheid van God doorgeeft aan anderen. In de evangeliën zowel op Jezus zelf als op zijn leerlingen toegepast. (Matt 5:14)

## licht in de duisternis (begrip)

- 'Het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen'. (Joh 1:5)

## licht in duistere plaats (begrip)

- Het profetisch woord is als een licht schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in uw harten. (2 Petr 1:19)

## licht uit de hemel (begrip)

- Het licht omscheen Saulus op de weg naar Damaskus; hij viel ter aarde en hoorde een stem. (Hand 9:3)

## lichte verdrukking (begrip)

- De tijdelijke en betrekkelijk geringe verdrukking, gemeten aan de eeuwige heerlijkheid. Werkt het eeuwige gewicht der heerlijkheid uit. (2 Kor 4:17)

## lichten in de wereld (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wereld tegenover Gods rijk. (Fil 2:15)

## lichtwacht (begrip)

- Periode van de nacht waarin een wachtdienst werd onderhouden, in het oude Israël meestal verdeeld in drie wachten. In Romeinse tijd verdeeld in vier wachten. (1Sam 1:1)

## lied (liturgie)

- Gezongen tekst, in de psalmen vaak ten dienste van de tempelliturgie of het persoonlijk geloofsleven. (Ps 30:1)

## lied van Mozes en het Lam (begrip)

- Het lied dat de overwinnaars op de glazen zee zongen — combinatie van Exodus en Pasen. (Op 15:3)

## liefde (begrip)

- De goddelijke deugd van zelfvergetende toewijding aan God en de naaste; in de Bijbel kern van Gods wezen en samenvatting van de wet. (Ps 5:8)

## liefde der ondertrouw (uitdrukking)

- Bruidsbeeld voor Israëls eerste tijd na de uittocht; door Hosea ook gebruikt. Israël als geliefde bruid van God. (Jer 2:2)

## liefde geopenbaard (begrip)

- Hieraan is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. (1 Joh 4:9)

## liefde Gods (begrip)

- Bijbels begrip voor Gods welwillende toewending tot zijn schepselen, in het bijzonder tot de mens. Bron van verlossing en toewijding. (Wijsh 11:24)
- De diepe, trouwe genegenheid van God voor zijn volk, ook wanneer dit ontrouw is. Vergeleken met liefde van een vader voor zijn kind of van een man voor zijn vrouw. (Hos 11:1)

## liefde Gods volmaakt (begrip)

- Wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden — daaraan kennen wij dat wij in Hem zijn. (1 Joh 2:5)

## liefde is wandel (begrip)

- De Johanneïsche gedachte dat ware liefde tot God zich uit in concrete gehoorzaamheid aan Zijn geboden. (2 Joh 1:6)

## liefde met de daad (begrip)

- Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met het woord noch met de tong, maar met de daad en waarheid. (1 Joh 3:18)

## liefde tot Heere (begrip)

- Bijbels begrip voor de eerste hoofdverplichting van de mens (Deuteronomium 6:5): God liefhebben met heel het hart, met heel de ziel en met al de kracht. (Sir 7:30)

## liefde tot mensen (begrip)

- Aanduiding van Gods welwillende genegenheid jegens mensen; geopenbaard in de zending en het verlossingswerk van Christus. (Tit 3:4)

## liefde voor de vijanden (begrip)

- Jezus' onderwijs in de vlakte-rede. (Luk 6:27)

## liefdegave (begrip)

- Gift aan armen (Statenvertaling: aalmoes), in jodendom en vroege kerk een centrale daad van vroomheid. Vaak in één adem genoemd met gebed en vasten. (Matt 6:1)
- Gift aan de armen (Statenvertaling: aalmoes). In de bijbel een belangrijke vorm van gerechtigheid en barmhartigheid; in joods en christelijk leven hoog gewaardeerd. (Sir 3:30)

## liefdegaven (begrip)

- Giften aan de armen (Statenvertaling: aalmoezen). In de bijbel als belangrijke vorm van gerechtigheid en barmhartigheid; in joods en christelijk leven hoog gewaardeerd. (Tob 1:3)
- Giften aan de armen (Statenvertaling: aalmoezen). In de bijbel een belangrijke vorm van gerechtigheid en barmhartigheid; in joods en christelijk leven hoog gewaardeerd. (Sir 17:22)

## liefdemaaltijd (begrip)

- Vroege gemeenschapsmaaltijden waarbij dwaalleraars ergernis gaven. (Jud 1:12)

## liefelijkheid (begrip)

- Bekoorlijkheid, gunst van uiterlijk; vergankelijk. (Spr 31:30)

## liefhebben (begrip)

- Genegenheid hebben tot; wijsheid liefhebben = leven liefhebben. (Spr 4:6)

## liefhebben in geloof (begrip)

- Wederzijdse liefde van gelovigen die haar grond en kenmerk vindt in het gemeenschappelijke geloof. (Tit 3:15)

## liefhebster (begrip)

- Vrouwelijke vorm voor wie iemand liefheeft. In de wijsheidsliteratuur de vrouwelijk gepersonifieerde Wijsheid die haar minnaars trekt. (Wijsh 8:2)

## Lieflijkheid (begrip)

- Profetische naam voor een herdersstaf in Zacharia, symbool voor het verbondsverband. Het breken ervan beeldt de verbreking van het verbond uit. (Zach 11:7)

## liegen (begrip)

- Onwaarheid spreken; gruwel voor God. (Spr 12:22)
- Bijbels begrip voor het uitspreken van onwaarheid. In het negende gebod (Exodus 20:16) verboden in zijn ergste vorm: vals getuigenis. (Sir 7:13)

## Light der wereld (begrip)

- Een van Jezus' zelfopenbaringen. (Joh 8:12)

## lijden (begrip)

- Pijn en verdrukking; in geestelijke zin de gemeenschap aan het lijden van Christus. Weg tot de heerlijkheid. (Rom 5:3)
- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het lijden om Christus' wil. (Gal 6:17)
- Lijden om het evangelie is een centraal thema van de brief. (2 Tim 3:11)
- Het lijden van Christus voor zondaren, en de verdrukking die de gelovigen om Zijnentwil te dragen krijgen. (1 Petr 1:11)

## lijden als christen (begrip)

- Indien iemand lijdt als een christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen dele. (1 Petr 4:16)

## lijden om weldoen (begrip)

- Indien u welgedaan hebbende en daarover lijdende dit verdraagt, dat is genade bij God. (1 Petr 2:20)

## lijden tot banden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het lijden om Christus' wil. (2 Tim 2:9)

## lijden van Paulus (begrip)

- Het lichamelijk en geestelijk lijden van de apostel om Christus' wil. Bewijs van zijn ware apostelschap. (2 Kor 11:23)

## lijden voor Evangelie (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de verkondiging van het evangelie. (2 Tim 1:8)

## lijdt iemand (begrip)

- Lijdt iemand onder u, dat hij bidde; is iemand goedsmoeds, dat hij psalmzinge. (Jak 5:13)

## lijdtsaamheid (begrip)

- Bijbelse deugd van het volharden onder lijden zonder de hoop op God te verliezen. Centraal in het Nieuwe Testament als kenmerk van het christelijk leven. (Job 1:21)

## lijdzaamheid (begrip)

- Geduldig dragen van het kruis. Kan niet, maar de bidder leert wachten op God. (Ps 37:7)
- Geduldig volharden in lijden en verdrukking. Vrucht van het geloof en van de hoop. (Rom 5:3)
- Geduldig volharden onder beproeving en vervolging; christelijke deugd die geloof en hoop in stand houdt. (2 Tess 1:4)
- De volharding en het geduld waarmee de gelovige de loopbaan loopt, ziende op Jezus de Voleinder van het geloof. (Hebr 12:1)
- Bij de matigheid lijdzaamheid (volharding) — een gewichtige schakel in de groei naar christelijke volwassenheid. (2 Petr 1:6)

## lijdzaamheid van Christus (begrip)

- Het volhardend lijden van Christus als voorbeeld en bron voor het geduld van de gelovigen. (2 Th 3:5)

## lijfeigene (begrip)

- Iemand die als bezit van een ander wordt beschouwd, een huisslaaf. In de Bijbel onderdeel van de huishouding, met bepaalde rechten en de plicht om besneden te worden. (Gen 17:12)

## lijfwacht-wedstrijd (begrip)

- Beroemde scène in 3 Ezra 3-4 waarin drie lijfwachten van Darius een wedstrijd houden over wat het sterkste is in de wereld. (3 Ezra 3:5)

## lijkstaatsie (begrip)

- Plechtige rouwstoet bij een begrafenis. In de oudheid groot vertoon van rouw, vooral bij vooraanstaande personen. (Gen 50:7)

## lijst (begrip)

- Verouderd voor 'list', dat is sluwheid of bedrog. In de Bijbel zowel positief (wijsheid) als negatief (bedrog) gewaardeerd. (Gen 3:1)

## lijst van Ezra 2 (begrip)

- Aanduiding voor het uitvoerige register van de eerste teruggekeerde ballingen uit Babel. Bevat gedetailleerde aantallen per geslacht en is van groot belang voor de naballingschapse identiteit. (Ezra 2:1)

## lijst van vreemde vrouwen (begrip)

- Aanduiding voor het naamregister van de Joodse mannen die met heidense vrouwen waren getrouwd ten tijde van Ezra. Bevat namen uit alle geledingen van de naballingschapse gemeenschap. (Ezra 10:18)

## linkerzijde 390 dagen (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij de profeet symbolisch het ongerechtigheid van Israël draagt door op zijn linkerzijde te liggen. Onderdeel van symboolperformance. (Ez 4:5)

## linnen (begrip)

- Stof gewonnen uit de vlasplant, fijn en koel. In de tabernakel en bij de priesterklederen het gangbare materiaal voor heilige dienst. (Ex 26:1)

## linnen doek (voorwerp)

- Doek geweven van vlas (linnen). In het Nieuwe Testament onder andere gebruikt voor het inwikkelen van het lichaam van Jezus voor de begrafenis. (Mark 15:46)
- Het fijne linnen waarin Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus wikkelde. (Luk 23:53)

## linnen doeken (voorwerp)

- De grafdoeken die Petrus en Johannes in het lege graf vonden, naast de afzonderlijk gevouwen zweetdoek. (Joh 20:6)

## linnen gordel (uitdrukking)

- Jeremia moest een linnen gordel kopen, dragen, en daarna verbergen bij de Eufraat. Toen hij hem na vele dagen terugnam, was hij verteerd. (Jer 13:1)

## linnen klederen (voorwerp)

- Eenvoudige witte priesterkledij van fijn linnen. Gedragen door de hogepriester wanneer hij op de Grote Verzoendag het Heilige der heiligen binnenging. (Lev 16:4)

## linnen kleren der priesters (uitdrukking)

- Voorgeschreven kleding van priesters in dienst, gemaakt van linnen om zweetvorming te voorkomen. Onderdeel van de oudtestamentische priestervoorschriften. (Ez 44:17)

## Linus (persoon)

- Christen te Rome die Paulus laat groeten. (2 Tim 4:21)

## linzensoep (overig)

- Eenvoudige maaltijd van gekookte linzen, in het Oosten een gangbaar gerecht. Esau verkocht zijn eerstgeboorterecht aan Jakob voor een schotel ervan. (Gen 25:34)

## lippen rein (begrip)

- Profetisch beeld van zuivere taal en aanbidding zonder afgodische namen. Vooronderstelt een door God gegeven nieuwe spraak voor de volken. (Zef 3:9)

## list (begrip)

- Sluwheid of bedrog. In de Bijbel toegeschreven aan de slang in Eden, en aan Jakob bij het verkrijgen van de zegen; ook door Laban gebruikt. (Gen 3:1)

## Lithostrotos (plaats)

- Grieks voor — Hebreeuws Gabbatha — waar Pilatus Jezus oordeelde. (Joh 19:13)

## litteken in zijn handen (begrip)

- Thomas wilde de teken der nagelen in Jezus' handen zien — daarna riep hij. (Joh 20:25)

## Lo-Ammi (persoon)

- Hebreeuwse profetische naam die 'niet-mijn-volk' betekent. Door God aan een van Hosea's kinderen gegeven als oordeelsteken over Israël. (Hos 1:9)

## Lo-Debar (plaats)

- Stad ten oosten van de Jordaan in het stamgebied van Gad. Schuilplaats van Sauls kleinzoon Mefiboseth na de ondergang van het huis van Saul. (2Sam 9:4)
- Plaats in Gilead, ten oosten van de Jordaan. De naam betekent letterlijk 'niets' of 'geen woord'. (Am 6:13)

## Lo-Ruhama (persoon)

- Hebreeuwse profetische naam die 'geen ontferming' betekent. Door God aan een van Hosea's kinderen gegeven als oordeelsteken over Israël. (Hos 1:6)

## lof (begrip)

- Eerbiedige verheerlijking van God om wie Hij is en wat Hij doet. Centraal element in de psalmen. (Ps 22:4)

## lof aan JAHWEH (begrip)

- Het bezingen of belijden van Gods grootheid en weldaden, kern van de oudtestamentische eredienst. Komt vooral tot uitdrukking in de psalmen en in liederen na grote verlossingen. (2Sam 22:2)

## lof der vaderen (begrip)

- Naam voor het laatste deel van het apocriefe boek Sirach (hoofdstukken 44-50), waarin de auteur de grote mannen van Israël lovend opsomt. (Sir 44:1)

## lof der wijsheid (begrip)

- Hellenistisch en bijbels literair genre waarin de wijsheid wordt bezongen of gepersonifieerd, vooral in Spreuken 8 en Sirach 24. (Sir 24:1)

## lof-offer (cultisch)

- Een soort dankoffer (todah) gebracht bij dankzegging voor verlossing of weldaad. Het vlees moest op dezelfde dag gegeten worden. (Lev 7:12)

## lofoffer (begrip)

- Offer van dank en lof. Beter dan stieren. (Ps 50:14)
- Wij moeten door Christus altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is de vrucht der lippen die Zijn Naam belijden. (Hebr 13:15)

## lofzang (begrip)

- Lied van lof en dankzegging aan God, vaak verbonden met dank- en vrederoffers in de eredienst. (Lev 7:12)
- Gezongen prijzing van God. De Psalmen zijn één doorlopende lofzang. (Ps 65:2)
- Met psalmen en geestelijke liederen — gemeentegezang vol Geest. (Ef 5:19)

## lofzang van David (begrip)

- Aanduiding voor de plechtige dankzegging van koning David tegenover JAHWEH bij de overdracht van de tempelvoorraad. Vormt een hoogtepunt van bijbelse koninklijke vroomheid en theologische bezinning. (1 Kron 29:10)

## lofzang van Hannah (begrip)

- Loflied van de moeder van Samuel waarin zij Gods macht en omkering van de menselijke verhoudingen bezingt. Geldt als voorloper van de lofzang van Maria (Magnificat) in het Nieuwe Testament. (1Sam 2:1)

## lofzang van Judith (begrip)

- Slotlied in het apocriefe boek Judith, waarin Judith en het volk God danken voor de overwinning op het Assyrische leger. (Jdt 16:1)

## lofzangen van David (begrip)

- Aanduiding voor de psalmen en gezangen die op naam van koning David staan. Vormden de basis voor de muzikale dienst in de tempel onder leiding van de Levieten. (2 Kron 29:30)

## Logos (begrip)

- Het Griekse — Jezus als het eeuwige Woord dat in den beginne was bij God. (Joh 1:1)
- Grieks woord voor 'woord' of 'rede'. In de hellenistische filosofie en de hellenistisch-joodse literatuur gepersonifieerd als Gods scheppende rede; in Johannes 1 op Christus toegepast. (Wijsh 18:15)

## Lois (persoon)

- Grootmoeder van Timotheüs, vroom van geloof. (2 Tim 1:5)

## lokken (begrip)

- De zeven haarvlechten van een nazireër, teken van zijn wijding aan JAHWEH. Mochten volgens de wet niet worden afgeschoren zolang de gelofte gold. (Ri 16:13)

## lonen voor de profeet (uitdrukking)

- Het complot tegen Jeremia. (Jer 18:18)

## loochenen (begrip)

- Ontkennen. Petrus loochende (ontkende) driemaal dat hij een discipel van Jezus was. (Joh 18:25)

## loochenen Christus (begrip)

- Wie loochent dat Jezus de Christus is, die is de antichrist — die de Vader en de Zoon loochent. (1 Joh 2:22)

## lood (begrip)

- Een aan een touwtje hangende metalen verzwaring waarmee bouwers controleren of een muur loodrecht staat. Profetisch beeld voor Gods rechtvaardig oordeel. (Am 7:7)
- Zwaar grijs metaal dat in de oudheid voor verzwaringen, soldeer en deksels werd gebruikt. Gemakkelijk te bewerken vanwege zijn lage smeltpunt. (Zach 5:7)

## loof (begrip)

- Bladeren van de boom. (Ps 1:3)

## loofhutten (cultisch)

- Het zevendaagse najaarsfeest in de zevende maand, waarbij Israël in loofhutten woonde ter herinnering aan de woestijntocht. Tevens oogstdankfeest. (Lev 23:34)
- Tijdelijke onderkomens van bladeren en takken, opgericht tijdens het Loofhuttenfeest ter herdenking van de woestijntocht van Israël. (3 Ezra 5:52)
- Tijdelijke onderkomens van takken en bladeren die tijdens het Loofhuttenfeest werden opgericht. Herinneren aan Israëls woestijntijd. (Zach 14:16)

## Loofhutten in Kislev (begrip)

- Andere aanduiding voor het Chanoeka-feest in Kislev, omdat het na de tempelreiniging in 164 v.Chr. werd gevierd in de geest van het Loofhuttenfeest. (2 Makk 1:9)

## loofhuttenfeest (begrip)

- Een jaarlijks Joods feest van zeven dagen, waarbij het volk in hutten van takken woonde ter herinnering aan de woestijnreis. Jezus ging in het midden van dit feest naar de tempel om te onderwijzen. (Joh 7:2)
- Een van de drie grote pelgrimsfeesten in Israël, gevierd in de zevende maand. Herdacht de tocht door de woestijn waarin Israël in tenten woonde, en het binnenhalen van de oogst. (1 Kon 8:2)

## loon (begrip)

- Beloning voor verrichte arbeid. Ook beeldspraak voor wat God Zijn dienstknechten geeft als beloning of als oordeel over hun werk. (Gen 15:1)
- Vergoeding voor verrichte arbeid. In de Tora geregeld dat het loon van een dagloner nog dezelfde dag betaald moest worden. (Ex 22:1)
- Beloning voor verrichte arbeid; in het Koninkrijk niet uit verdienste maar uit genade gegeven. Aanmoediging tot getrouwheid. (1 Kor 3:14)
- Door God beloofde vergelding van het geloofswerk uit genade, niet uit verdienste. (Jak 5:4)
- Beloning of vergelding; in nieuwtestamentisch gebruik vooral de hemelse beloning voor volharding in geloof en goede werken. (2 Joh 1:8)

## loon Bileam (begrip)

- Zij hebben zich uitgegoten in de dwaling van Bileam om loon — geestelijk werk verkocht voor geld. (Jud 1:11)

## loon der maaiers (begrip)

- Het loon der werklieden die uw landen gemaaid hebben en door u verkort is, roept; en het geroep der maaiers is gekomen tot in de oren van de Heere Sebaoth. (Jak 5:4)

## loon der ongerechtigheid (begrip)

- Het geld waarmee Judas een akker kocht en waar hij omkwam — Akeldama. (Hand 1:18)
- Bileam liefkreeg het loon der ongerechtigheid — winzucht als drijfveer van valse leraars. (2 Petr 2:15)

## loop (begrip)

- Beeld van de geestelijke wedloop die de gelovige loopt naar het einddoel. Vereist matigheid en uithouding. (1 Kor 9:24)

## loopbaan (begrip)

- Het christenleven als wedloop die met lijdzaamheid moet worden gelopen, met de ogen op Jezus gericht. (Hebr 12:1)

## losbandig (begrip)

- Onbeteugeld; brengt de mens om. (Spr 29:18)

## losbandigheid (begrip)

- Het ontbreken van tucht. (Spr 5:23)

## loskoping eerstgeborenen (wet)

- Het inlossen van elke eerstgeboren zoon en elk eerstgeboren dier in Israël, omdat zij God toebehoorden sinds de paasnacht in Egypte. (Ex 13:13)

## lossen (wet)

- Het vrijkopen of terugkopen van eigendom, een verarmd familielid of een veld door een naaste verwant. Sociale plicht binnen de familieband. (Lev 25:25)
- Het terugkopen van een verloren bezit of de vrijheid van een verarmde verwant door een naaste bloedverwant. Hoorde tot de wettelijke plichten in Israël en omvatte ook het leviraatshuwelijk met een kinderloze weduwe. (Ruth 4:4)

## lossen onder Israël (wet)

- Het terugkopen of vervangen van een familielid, bezit of recht door een naaste verwant. Beschermde de eenheid en het voortbestaan van de stam in Israël. (Ri 21:17)

## losser (wet)

- Naaste verwant met het recht en de plicht om verloren bezit terug te kopen, een verarmd familielid los te kopen of bloedwraak uit te oefenen. (Lev 25:25)
- Naaste mannelijke bloedverwant met het recht en de plicht een verarmde of overleden verwant te 'lossen'. In de christelijke uitleg type van Christus, die zijn volk uit slavernij verlost. (Ruth 2:20)

## Lot (persoon)

- Zoon van Haran en neef van Abraham. Trok met hem mee naar Kanaän, koos het Jordaan-vlakteland en werd door God uit Sodom gered; vader van Moab en Ben-Ammi. (Gen 11:27)
- Neef van Abraham, zoon van diens broer Haran. Vader van Moab en Ammon door incest met zijn dochters na de verwoesting van Sodom. (Dt 2:9)
- Werpen van stenen of staafjes om Gods wil te ontdekken in zaken als verdeling, aanwijzing van schuldigen of ambtsbenoeming. Beschouwd als een door God geleide beslissing. (Joz 18:6)
- Het werpen van een lot (steentjes, stokjes) om een beslissing aan God toe te vertrouwen. Spreekt van Goddelijke leiding. (Ps 16:5)
- Neef van Abraham, die met hem uit Ur trok en zich vestigde te Sodom. Werd door engelen uit de stad gered voordat zij vergaan werd. (Matt 24:37)
- Hebr. גּוֹרָל — manier om een beslissing te nemen. (Spr 16:33)
- Neef van Abraham, woonachtig te Sodom. Volgens Genesis 19 door engelen uit de stad geleid voordat zij door God werd verwoest. (Wijsh 10:6)
- Oude wijze van besluiten of verdelen door middel van stenen of staafjes, geloofd als een uitspraak van God of het noodlot. Werd gebruikt om een schuldige of een opdracht aan te wijzen. (Jon 1:7)

## lot werpen (begrip)

- Oude wijze van besluiten of verdelen door middel van stenen of staafjes, geloofd als een uitspraak van God of het noodlot. Werd ook gebruikt om buit te verdelen. (Ob 1:11)

## lot, pur (begrip)

- Werpen van stenen of staafjes om een willekeurige beslissing te nemen, in vele oude culturen gebruikt voor godsdienstige of rechterlijke aangelegenheden. Het Perzische woord 'pur' gaf zijn naam aan het Joodse Purimfeest. (Esth 3:7)

## Lotan (persoon)

- Zoon van Seïr de Horiet en stamvorst van een Horitische clan in Edom. (Gen 36:20)

## loten (begrip)

- Stenen of stokjes die geworpen werden om Gods of het noodlots beslissing te bepalen. In de bijbel veelvuldig gebruikt bij verdeling, aanwijzing en rechtspraak. (EstAp 10:10)

## loting (wet)

- Het werpen van loten om de wil van God te leren kennen. Gebruikt bij de verdeling van het land en bij andere belangrijke beslissingen. (Num 26:55)
- Werpen van stenen of staafjes om Gods wil te ontdekken in zaken als verdeling, aanwijzing van schuldigen of ambtsbenoeming. Beschouwd als een door God geleide beslissing. (Ri 1:3)
- De priesterdienst werd door loting bepaald; zo viel het lot op Zacharias om reukoffer te brengen. (Luk 1:9)

## loting (apostel) (gebruik)

- De apostelen wierpen het lot om te kiezen tussen Joseph Barsabas en Matthias. (Hand 1:26)

## loting bij de tempelreparatie (begrip)

- Aanduiding voor de wijze waarop in de tempel zilver werd verzameld voor de bekostiging van het onderhoud. Werd in een bewaarkist naast het altaar verzameld en aan de werkmeesters uitbetaald. (2 Kon 12:9)

## Lots vrouw (persoon)

- Waarschuwing tegen omkijken naar het achtergelatene. (Luk 17:32)

## loven (begrip)

- Eerbiedig verheerlijken van God om Zijn grote daden en eigenschappen. (Ps 7:18)

## Luchaph (begrip)

- Aanduiding voor de wijze waarop iets vliegt of wordt gedragen, vermoedelijk verwant aan de Hebreeuwse stam voor 'vleugel'. Voorkomend in profetische beeldspraak. (Zach 5:9)

## Lucius (persoon)

- Naam gedragen door verschillende Romeinen in de Bijbel: (1) Lucius (1 Mak 15:16), Romeinse consul die rond 142 v.Chr. een brief stuurde aan koning Ptolemeüs ten behoeve van de Joden — algemeen geïdentificeerd met Lucius Caecilius Metellus Calvus (consul 142 v.Chr.) of Lucius Calpurnius Piso (139 v.Chr.). (2) Lucius van Cyrene (Hand. 13:1), profeet/leraar in de gemeente van Antiochië. (3) Lucius (Rom. 16:21), medewerker en bloedverwant van Paulus. (1 Mak 15:16)
- Bloedverwant of medewerker van Paulus die hem groeten doet vanuit Korinthe. Bekend uit de slotgroet. (Rom 16:21)

## Lucius van Cyrene (persoon)

- Een der profeten en leraars te Antiochië, naast Barnabas en Saulus. (Hand 13:1)

## Lud (persoon)

- Vierde zoon van Sem en stamvader van een volk, mogelijk de Lydiërs in Klein-Azië. (Gen 10:22)

## Lud (persoon) (persoon)

- Vierde zoon van Sem en stamvader van een Aziatisch volk, mogelijk de Lydiërs. (Gen 10:22)

## Lud, Put, Cush (volk)

- Afrikaanse en Aziatische huurlingen in het Egyptische leger genoemd; verbeelden Egyptes uitgestrekte bondgenootschap dat toch zal vallen. (Jer 46:9)

## Ludieten (volk)

- Nakomelingen van Mitsraïm, zoon van Cham. Een van de oude Egyptisch-Afrikaanse volken. (Gen 10:13)

## lui (begrip)

- Hebr. עָצֵל (atsel) — luiaard; krijgt in Spreuken ironische vermaning. (Spr 6:6)

## luiaard (begrip)

- Werkschuwe; thema. Zijn wijngaard raakt overgroeid. (Spr 6:6)

## luier (begrip)

- Doek waarin pasgeboren kinderen werden gewikkeld. In de wijsheidsliteratuur beeld voor de gewone afkomst van iedere mens. (Wijsh 7:4)

## luiheid (begrip)

- Hebr. עַצְלוּת — werkschuwheid; brengt armoede. (Spr 19:15)

## luipaard (begrip)

- Roofdier van de katachtigen, bekend om zijn snelheid en gevlekte vacht. In de Bijbel beeld van wreedheid en onveranderlijkheid. (Ex 1:1)
- Gevlekt roofdier uit de kattenfamilie, bekend om snelheid en kracht. Bijbels beeld van geslepen en wrede vijanden. (Hab 1:8)

## luipaardvlekken (uitdrukking)

- Tweede deel van: — beeld van diep-ingewortelde zonde die niet door eigen kracht weg te wassen is. (Jer 13:23)

## luis (begrip)

- Klein bloedzuigend insect. De derde van de tien Egyptische plagen, ontstaan uit het stof van de aarde door Aärons staf. (Ex 8:17)

## luisteren (begrip)

- Bijbels begrip voor aandachtig en gehoorzaam ontvangen van wat een ander spreekt, vooral van God en zijn dienaren. (Sir 6:33)

## luit (muziekinstrument)

- Snareninstrument verwant aan de harp. (Ps 33:2)

## Lukas (persoon)

- Geneesheer van Antiochië, reisgezel van Paulus en schrijver van het Evangelie naar Lukas en het boek Handelingen. (Hand 2:8)

## lust (begrip)

- Diep welbehagen. Niet zinnelijk, maar geestelijk genot. (Ps 1:2)

## lust van alle heidenen (begrip)

- Profetische uitdrukking voor het kostbare dat de volken zullen aandragen of voor degene op wie zij hun verlangen richten. In de christelijke uitleg vaak op Christus betrokken. (Hag 2:7)

## Lycië (plaats)

- Landstreek aan de zuidkust van Klein-Azië, in hellenistische tijd onder verschillende heerschappijen. (1 Makk 15:23)

## Lydda (plaats)

- Stad waar Petrus Eneas genas. (Hand 9:32)
- Stad in de Sefela van Judea, ten noordwesten van Jeruzalem op de weg naar Joppe. (1 Makk 11:34)

## Lydia (persoon)

- Purperverkoopster te Filippi, Paulus' eerste bekeerling in Europa. (Hand 16:14)

## Lydië (plaats)

- Landstreek in west-Klein-Azië, oude koninkrijk dat in 547 v.Chr. door de Perzen werd onderworpen. (1 Makk 8:8)

## Lysanias (persoon)

- Tetrarch van Abiléne in Lukas' historische datering. (Luk 3:1)

## Lysias (persoon)

- De overste die Paulus uit de handen van het Joodse volk redde in Jeruzalem. (Hand 23:26)
- Seleucidisch hofmeester en bloedverwant van Antiochus IV en V (gestorven 162 v.Chr.). Voogd over Antiochus V; gedood door Demetrius I. (1 Makk 3:32)

## Lysimachus (persoon)

- Broer van de joodse hogepriester Menelaüs en zijn plaatsvervanger te Jeruzalem in de tweede eeuw v.Chr. (2 Makk 4:29)

## Lystra (plaats)

- Stad waar Paulus en Barnabas voor goden werden aangezien. (Hand 14:6)

## maagden (begrip)

- Jonge ongetrouwde vrouwen. In de bruiloftsgewoonte van de oudheid begeleidsters van bruid of bruidegom met lampen. (Matt 25:1)

## maaien (begrip)

- Inzamelen van de oogst. 'Met gejuich maaien'. (Ps 126:5)

## maaksel Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Ef 2:10)

## maaltijd (begrip)

- Het samen eten en drinken, vaak met sociale of religieuze betekenis. Maaltijden bezegelden in de oudheid verbonden en vriendschappen. (Gen 18:6)
- Gemeenschappelijke maaltijd, in de oudheid vaak verbonden met religieuze of politieke samenhorigheid en met offers aan goden. (3 Makk 4:1)

## maan (natuur)

- Het 'kleine licht' dat God op de vierde dag schiep om over de nacht te heersen. In de oudheid van groot belang voor tijdrekening en kalender. (Gen 1:16)

## Maaseja (persoon)

- Naam (betekenis 'werk van JAHWEH') van meerdere personen in de Schrift. Komt onder andere voor in de naballingschapse priesterlijke en levitische geslachten. (Neh 8:4)

## Maaseja, koorleider (persoon)

- Een van de priesterlijke trompetters bij de inwijding van de muren van Jeruzalem. Behoorde tot een geslacht van priesterlijke koorleiders in de naballingschapse tempel. (Neh 12:42)

## Maaseja, oversten der stad (persoon)

- Aanduiding voor stadsbestuurders van Jeruzalem ten tijde van koning Josia van Juda. Werden door de koning ingezet bij de organisatie van de tempelreparatie. (2 Kron 34:8)

## maat (begrip)

- Bijbels begrip voor de orde en grens die God in zijn schepping heeft gelegd. Geliefd citaat uit Wijsheid 11:20: 'in maat, getal en gewicht'. (Wijsh 11:20)

## Maccabeüs (begrip)

- Bijnaam van Judas, leider van de joodse opstand tegen Antiochus IV. Mogelijk afgeleid van Hebreeuws maqqab ('hamer'). (2 Makk 8:1)

## Macedonisch visioen (begrip)

- Het nachtelijk gezicht waarin God Paulus naar Europa riep — keerpunt in de zending. (Hand 16:10)

## Macedonië (plaats)

- Streek waar Paulus vandaan werd geroepen door de visioen-man. (Hand 16:9)
- Romeinse provincie in Noord-Griekenland met onder meer Filippi en Thessalonica. Bron van bekende collectes voor Jeruzalem. (Rom 15:26)
- Streek waar Filippi lag; eerste Europese gemeente. (Filip 4:15)
- Romeinse provincie in het noorden van het oude Griekenland, met steden als Filippi, Tessalonica en Beroea. (1 Tess 1:7)
- Streek waar Paulus heen reisde toen hij Timotheüs in Efeze achterliet. (1 Tim 1:3)
- Rijk in noord-Griekenland dat onder Filippus II en Alexander de Grote (vierde eeuw v.Chr.) heel Griekenland onderwierp en het Perzische rijk veroverde. (1 Makk 1:1)

## Macedoniër (begrip)

- Inwoner van Macedonië, het noord-Griekse rijk dat onder Alexander de Grote het Perzische rijk omverwierp. In de Griekse Esther polemisch op Haman toegepast. (EstAp 16:10)
- Inwoner van Macedonië, het noord-Griekse rijk dat onder Alexander de Grote het Perzische rijk omverwierp. De Ptolemaeïsche en Seleucidische dynastieën waren van Macedonisch-Griekse oorsprong. (3 Makk 4:11)

## Machalath (liturgie)

- Opschrift en 88; mogelijk 'in droefheid' of een instrument. (Ps 53:1)

## Machir (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Manasse en kleinzoon van Jozef. Stamvader van een Manassitische clan die ten oosten van de Jordaan woonde. (Gen 50:23)
- Zoon van Ammiël uit Lo-Debar in het Overjordaanse gebied. Bekend als beschermer van Sauls kleinzoon Mefiboseth en als trouwe steun voor koning David tijdens de opstand van Absalom. (2Sam 9:4)

## Machlon (persoon)

- Oudste zoon van Elimelech en Naomi, gestorven in Moab zonder nakomelingen. Was getrouwd met de Moabitische Ruth. (Ruth 1:2)

## Machpela (plaats)

- Akker en spelonk bij Hebron, door Abraham gekocht van Efron de Hethiet als familiegraf. Begraafplaats van Sara, Abraham, Izak, Rebekka, Lea en Jakob. (Gen 23:9)

## macht (begrip)

- Vermogen om iets te doen of te beheersen. In de bijbel altijd herleid tot God als oorsprong en grens van alle aardse macht. (Wijsh 6:3)

## machten (begrip)

- Geestelijke heerschappijen, zowel goede als kwade. Onder Christus gesteld als overwinnaar. (Rom 8:38)

## machtig te bewaren (begrip)

- Hem nu, die machtig is u van struikelen te bewaren en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid in vreugde. (Jud 1:24)

## machtige hand Gods (begrip)

- Vernedert u dan onder de machtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd; werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. (1 Petr 5:6)

## Madai (persoon)

- Derde zoon van Jafeth en stamvader van de Meden in het noordwesten van het huidige Iran. (Gen 10:2)

## Madian (plaats)

- Het land waarheen Mozes vluchtte na de doodslag van de Egyptenaar — in Stefanus' rede. (Hand 7:29)
- Nomadisch volk uit het noordwesten van het Arabisch schiereiland, afstammend van Abraham via Ketura. Frequent in contact met Israël tijdens de woestijntijd. (Hab 3:7)

## Magadan (plaats)

- Streek of plaats aan de westkust van het meer van Galilea, ligging onbekend. Mogelijk dezelfde als Magdala. (Matt 15:39)

## Magdalena (persoon)

- Bijnaam van Maria, afkomstig uit Magdala aan het meer van Galilea. Een van de vrouwen die Jezus volgden en getuige was van zijn opstanding. (Matt 27:56)

## Magdiël (persoon)

- Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:43)

## Magnificat (begrip)

- Lofzang van Maria, beginnend met 'Mijn ziel maakt groot de Heere'. Tot de vaste liturgische lofzangen van de kerk gerekend. (Luk 1:46)

## Magog (persoon)

- Tweede zoon van Jafeth en stamvader van een volk in het noorden. In de profetie symbool voor toekomstige vijanden van Gods volk. (Gen 10:2)
- Bijbelse aanduiding voor een ver gelegen volk in het noorden, mogelijk de Scythen ten noorden van de Kaukasus. Genoemd onder de zonen van Jafet. (Ez 38:2)

## Magor-missabib (uitdrukking)

- Hebr. מָגוֹר מִסָּבִיב — 'Schrik van rondom'. Naam die Jeremia aan Pasjur gaf, met de profetie dat hij en al zijn vrienden in ballingschap naar Babel zouden gaan en daar sterven. (Jer 20:3)

## Magor-missabib bij Pasjur (uitdrukking)

- Zie Magor-missabib — Jeremia geeft Pasjur de symbolische naam 'Schrik van rondom' als profetie dat hij en zijn vrienden in Babel zullen sterven. (Jer 20:3)

## Magus (begrip)

- Tovenaar; Simon de tovenaar in Samaria, en Bar-Jezus op Cyprus. (Hand 13:6)

## Mahalal-el (persoon)

- Vijfde geslacht van Adam in de lijn van Seth, vader van Jered. Leefde 895 jaar. (Gen 5:12)

## Mahalaleël (persoon)

- Zoon van Kenan in Lukas' geslachtsregister. (Luk 3:37)

## Mahalath (persoon)

- Vrouw van Esau, dochter van Ismaël en zuster van Nebajoth. Door hem genomen toen hij merkte dat zijn vorige vrouwen Izak en Rebekka tot last waren. (Gen 28:9)

## Mahanaim (plaats)

- Plaats ten oosten van de Jordaan waar Jakob na zijn vertrek bij Laban engelen Gods ontmoette. Naam betekent 'twee legerkampen' of 'tweelegerplaats'. (Gen 32:2)
- Stad ten oosten van de Jordaan in het stamgebied van Gad. Bekend uit Jakobs ontmoeting met de Engel waar deze plaats haar naam aan ontleende. (2 Kron 16:1)

## Mahanaïm (plaats)

- Stad ten oosten van de Jordaan in het stamgebied van Gad. Tijdelijk hoofdstad van Sauls zoon Isboseth en later toevluchtsoord van koning David. (2Sam 2:8)
- Plaats in Gilead ten oosten van de Jordaan, waarvan de naam 'twee legers' of 'twee legerplaatsen' betekent. Verbonden met de geschiedenis van Jakob en David. (Zach 14:5)

## Mahanaïm-toevlucht (begrip)

- Aanduiding voor de gastvrije ontvangst van koning David in de stad Mahanaïm tijdens de opstand van Absalom. Belichaming van de trouw van enkele oostelijke notabelen tegenover de wettige koning. (2Sam 17:27)

## Mahasia (persoon)

- Voorvader van Baruch volgens de geslachtslijst aan het begin van het boek Baruch. (Bar 1:1)

## Mahol (persoon)

- Vader van enkele van de wijzen van Israël ten tijde van koning Salomo. De namen van zijn zonen staan in genealogische lijsten en worden met de wijsheidsoverlevering verbonden. (1 Kron 2:6)

## majesteit (begrip)

- Gods koninklijke verhevenheid. Hij omhult Zich met majesteit als met een mantel. (Ps 8:2)
- De majesteit Gods in den hoge waar Christus aan de rechterhand is gezeten na de reiniging der zonden te hebben teweeggebracht. (Hebr 1:3)
- Lofgroet aan God onze Zaligmaker. (Jud 1:25)

## majesteit van Christus (begrip)

- Petrus en de andere ooggetuigen waren aanschouwers van de majesteit van Christus op de berg der verheerlijking. (2 Petr 1:16)

## majesteiten lasteren (begrip)

- Stoute en eigenzinnige mensen die niet schromen de heerlijkheden te lasteren — anders dan engelen die hen geen lasterend oordeel tegenbrengen. (2 Petr 2:10)

## Maked (plaats)

- Versterkte stad in Galaäditis ten oosten van de Jordaan, in de Makkabeese tijd door Judas Makkabeüs ingenomen. (1 Makk 5:26)

## Maker (persoon)

- Synoniem voor Schepper; respect voor Hem blijkt uit ontferming over de arme. (Spr 14:31)
- Bijbelse Godsnaam die God aanduidt als de schepper en vormer van hemel en aarde en al wat erin is. (Wijsh 13:1)

## Makkabees (begrip)

- Bijnaam van Judas, leider van de joodse opstand tegen Antiochus IV. Mogelijk afgeleid van Hebreeuws maqqab ('hamer'); geslachtsnaam voor de hele beweging. (1 Makk 2:4)

## Makkabeüs (begrip)

- Bijnaam van Judas, leider van de joodse opstand tegen Antiochus IV. Mogelijk afgeleid van Hebreeuws maqqab ('hamer'). (2 Makk 8:1)

## Maktes (plaats)

- Stadsdeel of vallei in Jeruzalem, waarschijnlijk een plaats waar handelaren samenkwamen. De naam betekent letterlijk 'mortier' of 'kom'. (Zef 1:11)

## Mal-akhi (begrip)

- Hebreeuwse vorm van de naam Maleachi, die 'mijn bode' of 'mijn gezant' betekent. Kan zowel als eigennaam als als titel gelezen worden. (Mal 3:1)

## Malchia (persoon)

- Naam (betekenis 'mijn koning is JAHWEH') van meerdere personen in de Schrift. Komt onder andere voor in de naballingschapse geslachten van bouwers en leiders. (Neh 3:11)
- Zoon van de koning; in zijn modderkuil werd Jeremia neergelaten — geen water, alleen modder, zodat hij wegzonk. (Jer 38:6)

## Malchiël (persoon)

- Zoon van Berija en kleinzoon van Aser. Hoofd van een clan van de stam Aser. (Gen 46:17)

## Malchus (persoon)

- De knecht van de hogepriester wiens rechteroor Petrus afsloeg en Jezus genas — Lukas vermeldt de genezing. (Luk 22:51)
- De dienstknecht van de hogepriester wiens rechteroor Petrus afkapte met een zwaard bij de gevangenneming van Jezus. (Joh 18:10)

## Maleachi (persoon)

- Laatste profeet van het Oude Testament wiens naam 'mijn bode' betekent. Trad vermoedelijk op rond 450 v.Chr. in de tijd van Ezra en Nehemia. (Mal 1:1)

## maliënkolder (begrip)

- Lichtgewicht harnas van in elkaar gevlochten ijzeren of stalen ringetjes (chain mail), gedragen door zwaarbewapend voetvolk. In de oudheid en middeleeuwen het standaard pantser tegen zwaard- en speerslagen. (1 Mak 6:35)

## Mallo (plaats)

- Stad in Cilicië aan de zuidkust van Klein-Azië, gelegen aan de rivier de Pyramus. (2 Makk 4:30)

## Malta (plaats)

- Eiland waar Paulus na de schipbreuk strandde. (Hand 28:1)

## mammon (begrip)

- Aramees woord voor geld of bezit, in de evangeliën gepersonifieerd als afgod die met God om de toewijding van de mens strijdt. (Matt 6:24)

## Mamre (persoon)

- Amoritisch stamhoofd, broeder van Eskol en Aner en bondgenoot van Abraham. Ook naam van de eikenbossen bij Hebron waar Abraham woonde. (Gen 13:18)

## man Gods (begrip)

- Eretitel voor een door God gezonden bode, vooral een profeet. Drukt zowel de bijzondere relatie met JAHWEH als de zending namens Hem uit. (1 Kon 13:1)

## man met meetrietje (uitdrukking)

- Profetische gestalte die in een visioen de tempel uitmeet en aan de profeet toont. In de uitleg vaak betrokken op een hemels wezen of de Engel des HEEREN. (Ez 40:3)

## Manahath (persoon)

- Zoon van Sobal en kleinzoon van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:23)

## Manasse (persoon)

- Oudste zoon van Joseph en stam die uit hem voortkwam. Ontving via zijn vader een dubbele zegen verdeeld over twee halve stammen, één ten oosten en één ten westen van de Jordaan. (Gen 41:51)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Manasse, de oudste zoon van Jozef. De stam was verdeeld in twee helften: één in Basan en Gilead ten oosten van de Jordaan, één in centraal Kanaän. (Joz 17:1)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Manasse, de oudste zoon van Jozef. Verdeeld in twee helften aan beide zijden van de Jordaan; uit deze stam kwamen onder andere Gideon en Jefta voort. (Ri 1:27)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Manasse, de oudste zoon van Jozef. Verdeeld in twee helften aan beide zijden van de Jordaan. (1Sam 1:1)
- Stam genoemd naar Jozefs zoon. 'Manasse is mijn'. (Ps 60:9)
- Koning van Juda (ca. 687-642 v.Chr.), zoon van Hizkia. Berucht om zijn lange regering vol afgoderij en onderdrukking. (Matt 1:10)
- Koning van Juda (ca. 697-643 v.Chr.), zoon en opvolger van Hizkia. Volgens 2 Kronieken 33 weggevoerd naar Babel, daar bekeerd en weer in zijn rijk hersteld. (Geb. Man. 1:1)
- Naam van verschillende personen in de bijbel, onder wie de zoon van Jozef (stamvader van een Israëlitische stam) en de koning van Juda (697-643 v.Chr.). (Tob 14:11)
- Veertiende koning van Juda, zoon en opvolger van Hizkia. Berucht om de langste regering in Juda en de meest verregaande afgodendienst, ondanks een latere bekering. (2 Kon 21:1)
- Veertiende koning van Juda, zoon en opvolger van Hizkia. Berucht om de langste regering in Juda en de meest verregaande afgodendienst, ondanks een latere bekering tijdens een gevangenschap in Babel. (2 Kron 33:1)

## Manasse's gebed (begrip)

- Aanduiding voor het berouwvolle gebed waarmee koning Manasse van Juda zich tot God bekeerde tijdens een Assyrische gevangenschap. Werd in de joodse traditie als afzonderlijk apocrief gebed bewaard. (2 Kron 33:12)

## Manasse, halve stam (begrip)

- De helft van de stam Manasse die haar erfdeel ten oosten van de Jordaan ontving, in Basan en Gilead. Werd in de achtste eeuw v. Chr. door de Assyrische koning Tiglath-Pileser in ballingschap gevoerd. (1 Kron 5:23)

## Manasse, helden van (begrip)

- Aanduiding voor krijgers uit de stam Manasse die zich in Davids ballingstijd bij hem voegden. Vormden een welkome uitbreiding van zijn aanvankelijk kleine strijdmacht. (1 Kron 12:19)

## Manasse, hele stam (begrip)

- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Manasse, de oudste zoon van Jozef. Het westelijke deel ontving zijn erfdeel in centraal Kanaän, het oostelijke deel in Basan en Gilead. (1 Kron 7:14)

## Manaën (persoon)

- Een der profeten en leraars te Antiochië, die met Herodes de viervorst was opgevoed. (Hand 13:1)

## mand uit het venster (begrip)

- Discipelen lieten Saulus in een mand neer langs de muur van Damaskus om hem te redden. (Hand 9:25)

## manlijk lam (cultisch)

- Mannelijk jong schaap zonder gebrek, voorgeschreven voor het brandoffer. Uitdrukking van volkomen toewijding aan God. (Lev 1:10)

## manna (theologisch)

- Hemelse spijs die Israël veertig jaar lang in de woestijn voedde. Een fijne, zoete substantie als korianderzaad die elke morgen op de grond verscheen. (Ex 16:15)
- Hemels brood dat JAHWEH veertig jaar lang aan Israël gaf tijdens de woestijnreis. Het hield op zodra het volk van de opbrengst van het beloofde land kon eten. (Joz 5:12)
- Hemels brood waarmee God Israël in de woestijn voedde. (Ps 78:24)
- Het hemelse brood dat God dagelijks gaf aan het volk Israël tijdens hun reis door de woestijn. De Joden verwezen ernaar toen Jezus over het brood des levens sprak. (Joh 6:31)
- Het hemelse brood waarmee God Israël veertig jaar in de woestijn voedde. Type van Christus, het ware brood des levens. (Hebr 9:4)
- Hemelse spijs waarmee God volgens Exodus 16 het volk Israël veertig jaar lang in de woestijn voedde. (Wijsh 16:20)

## manna uit de hemel (begrip)

- Het brood dat de vaderen in de woestijn aten, beeld van het ware brood Gods uit de hemel — Christus zelf. (Joh 6:31)

## mannelijk en vrouwelijk (begrip)

- De twee geslachten van de mens, beide naar Gods beeld geschapen. Grondstructuur van de menselijke schepping en van de huwelijksverbintenis. (Gen 1:27)

## mannelijke zoon (persoon)

- Het kind dat de vrouw baarde, dat de heidenen zou hoeden met een ijzeren staf — Christus zelf. (Op 12:5)

## mannen van Anathoth (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 11:21)

## mannen van naam (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor beroemde, grote mannen uit het verleden, vooral helden van het geloof. (Sir 44:1)

## Manninne (begrip)

- Verouderde Nederlandse vorm voor 'vrouw', letterlijk 'mannin'. Vrouwelijke vorm van 'man', omdat zij uit de man genomen is. (Gen 2:23)

## Manoach (persoon)

- Man uit de stam Dan, vader van de richter Simson. Aan hem en zijn vrouw verscheen de Engel des HEEREN met de aankondiging van Simsons geboorte. (Joz 1:1)
- Daniet uit Zora, vader van de richter Simson. Aan hem en zijn aanvankelijk onvruchtbare vrouw verscheen de Engel des HEEREN met de aankondiging van Simsons geboorte. (Ri 13:2)

## mantel (begrip)

- Wijde overkleding. Beeld voor Gods omhulling. (Ps 104:1)

## mantel des konings (begrip)

- Statiekleed van een vorst dat zijn waardigheid en macht symboliseerde. Het afleggen ervan was teken van diepe verootmoediging of rouw. (Jon 3:6)

## mantel scheuren (uitdrukking)

- Klassiek rouwgebaar in de Bijbel waarbij men de bovenkleding scheurt als teken van diepe smart. Onderdeel van de oudtestamentische rouwrituelen. (Job 1:20)

## mantel van Elia (begrip)

- Profetenmantel van de profeet Elia, symbool van zijn bediening en geestelijke macht. Werd op zijn opvolger Elisa overgedragen als teken van diens roeping. (1 Kon 19:19)

## Maon (plaats)

- Stad en aangrenzend woestijngebied in het bergland van Juda, ten zuiden van Hebron. Woongebied van Nabal en schuilplaats van David tijdens zijn vlucht voor Saul. (1Sam 23:24)

## Mara (plaats)

- Eerste pleisterplaats van Israël na de doortocht door de Schelfzee, waar het bittere water door een hout zoet werd gemaakt. Naam betekent 'bitter'. (Ex 15:23)
- Naam met de betekenis 'bittere', door Naomi voor zichzelf gekozen na het verlies van haar man en zonen. Drukt de scherpe ervaring van Gods beproevingen uit. (Ruth 1:20)
- Plaats van bittere wateren; niet expliciet in Psalmen, maar verbonden aan Israëls woestijnreis. (Ps 78:15)
- Plaats in de Sinaïwoestijn waar Israël na de uittocht bitter water vond, dat door God zoet werd gemaakt. De naam betekent 'bitterheid'. (Hab 1:3)

## Mara-water (begrip)

- Het bittere water bij Mara dat God door middel van een hout zoet maakte. Beeld van Gods macht om bitterheid te verzoeten. (Ex 15:25)

## Maranatha (begrip)

- Aramees voor 'Onze Heere, kom!' of 'Onze Heere komt!'. Vroeg-christelijke roep van verwachting. (1 Kor 16:22)
- Aramees — niet expliciet in Openbaring, wel impliciet in 22:20. (Op 22:20)

## Mardocheüs (persoon)

- Latijnse en Griekse vorm van de naam Mordechai, de Joodse hofbeambte uit het boek Esther. Komt onder deze vorm voor in de Vulgaat en in westerse literatuur. (Esth 2:5)

## Maresa (plaats)

- Stad in de Sjefela van Juda, vermoedelijk het huidige Tell Sandahanna. De naam vertoont in profetische klaagzangen een woordspel met 'erfgenaam'. (Mi 1:15)

## Mareza (plaats)

- Stad in het zuidelijke laagland van Juda, ten zuidoosten van Lachis. Geboorteplaats van de profeet Eliëzer en plaats van een beroemde overwinning van koning Asa. (2 Kron 14:9)

## Maria (persoon)

- Moeder van Jezus, ondertrouwd met Jozef uit Nazareth. Volgens de evangeliën ontving zij Jezus door de Heilige Geest, terwijl zij maagd was. (Matt 1:16)

## Maria (moeder van Jezus) (persoon)

- De moeder van Jezus. Zij was aanwezig bij de bruiloft te Kana en stond bij het kruis. (Joh 2:1)

## Maria (van Jakobus) (persoon)

- Een van de vrouwen die Jezus uit Galilea volgden, moeder van de apostel Jakobus de Mindere en van Joses. (Matt 27:56)

## Maria (vrouw van Klopas) (persoon)

- Een van de vrouwen die bij het kruis van Jezus stond. Zij was de zuster van Jezus' moeder. (Joh 19:25)

## Maria de moeder van Jakobus (persoon)

- Een van de vrouwen die Jezus uit Galilea volgden en getuige was van zijn kruisiging en opstanding. Moeder van de apostel Jakobus de Mindere en van Joses. (Mark 15:40)
- Een van de vrouwen bij het lege graf op de paasmorgen. (Luk 24:10)

## Maria de moeder van Jezus (persoon)

- Maria volhardde met de discipelen in het gebed in de bovenzaal vóór Pinksteren. (Hand 1:14)

## Maria Magdalena (persoon)

- Een trouwe volgelinge van Jezus uit de stad Magdala. Zij was de eerste die het lege graf zag en de eerste aan wie de opgestane Jezus verscheen. (Joh 19:25)

## Maria van Bethanië (persoon)

- Zus van Martha en Lazarus; zat aan Jezus' voeten en koos het beste deel. (Luk 10:39)
- Zuster van Martha en Lazarus. Zij zalfde Jezus' voeten met kostbare narduszalf en droogde ze af met haar haar. (Joh 11:1)

## Marisa (plaats)

- Stad in Idumea, ten zuidwesten van Jeruzalem; in hellenistische tijd belangrijke Idumese plaats. (2 Makk 12:35)

## Markus (persoon)

- Johannes Markus, neef van Barnabas en metgezel van Paulus en Petrus. Volgens overlevering schrijver van het tweede evangelie. (Mark 14:51)
- Johannes Markus, neef van Barnabas; tijdelijk gezel van Paulus. (Hand 12:12)
- Zendingsmedewerker van Paulus en Barnabas, traditioneel auteur van het tweede evangelie. Door Paulus opnieuw aanvaard. (1 Kor 1:1)
- Markus, neef van Barnabas, doet de groeten. (Kol 4:10)
- Vroegchristelijke verkondiger, neef van Barnabas, schrijver van het tweede evangelie en gedurende een tijd medewerker van Paulus. (Filem 1:24)
- Metgezel van Petrus en Paulus; schrijver van het tweede Evangelie. (1 Petr 5:13)

## Marsena (persoon)

- Een van de zeven hoogste vorsten van Perzië en Medië die regelmatig toegang tot het koninklijk aangezicht hadden. Behoorde tot de adviesraad van koning Ahasveros. (Esth 1:14)

## martelaar (begrip)

- Iemand die om zijn geloof in God de dood ondergaat. Vooral bekend uit de joodse martelaarsverhalen rond Antiochus IV (vgl. 2 Makkabeeën 6-7). (2 Makk 6:18)

## Martha (persoon)

- Zus van Maria en Lazarus, gastvrouw van Jezus. (Luk 10:38)
- Zuster van Maria en Lazarus uit Bethanië. Zij beleed dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. (Joh 11:1)

## Masaloth (plaats)

- Plaats in de buurt van Arbele in Galilea; ligging niet met zekerheid bepaald. (1 Makk 9:2)

## Maskil (liturgie)

- Hebreeuwse aanduiding boven verschillende psalmen, vermoedelijk 'leerdicht' of 'kunstig lied'. Afgeleid van een werkwoord dat 'inzicht geven' betekent. (Ps 32:1)

## Masreka (plaats)

- Koningsstad van Samla, een van de oude koningen van Edom. Niet met zekerheid te lokaliseren. (Gen 36:36)

## Massa (persoon)

- Zevende zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een noord-Arabische stam. (Gen 25:14)
- Plaats in de woestijn waar Israël door dorst de Heere verzocht. Naam betekent 'verzoeking' en wordt verbonden met Meriba. (Dt 6:16)
- Plaats van verzoeking. (Ps 95:8)

## Massa (persoon) (persoon)

- Zevende zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een noord-Arabische stam. (Gen 25:14)

## Massa en Meriba (plaats)

- Plaatsen in de woestijn waar Israël met de Heere twistte om water. Mozes sloeg de rots en water stroomde eruit. (Ex 17:7)

## mastiekboom (begrip)

- Kleine, hars-leverende boom uit de pistachefamilie, voorkomend in het Middellandse Zeegebied. Levert een welriekende hars (mastiek). (Sus 1:54)

## maten (begrip)

- Hoeveelheidseenheden voor graan en vloeistoffen. In het Oosten algemeen gebruikt voor tienden, oogst en handel. (Gen 26:12)

## matig rechtvaardig godzalig (begrip)

- Drievoudige aanduiding van christelijke deugden: zelfbeheersing tegenover zichzelf, gerechtigheid tegenover de naaste en vroomheid tegenover God. (Tit 2:12)

## matigheid (begrip)

- Negende vrucht van de Geest, ook genoemd. (Gal 5:23)
- Bij de kennis matigheid (zelfbeheersing) — een schakel in de keten van christelijke deugden. (2 Petr 1:6)
- Een van de vier kardinale deugden in de Griekse filosofie: zelfbeheersing in begeerten en hartstochten. (Wijsh 8:7)
- Bijbels en wijsheidsbegrip voor zelfbeheersing in eten, drinken en andere lichamelijke begeerten. Een van de vier kardinale deugden. (Sir 31:19)

## Matred (persoon)

- Moeder van Mehetabeël, de vrouw van koning Hadar van Edom. Genoemd in de Edomitische koningslijst. (Gen 36:39)

## matrozen (begrip)

- Bemanningsleden van een schip, in de oudheid vaak afkomstig uit verschillende volken en met verschillende godsdiensten. In de Bijbel meestal als heidenen aangeduid. (Jon 1:5)

## Mattanja (persoon)

- Naam van meerdere Levitische zangers in de naballingschapse tempel. Behoorden tot het geslacht van Asaf en speelden een leidende rol in de tempelmuziek. (Neh 11:17)

## Mattatias (persoon)

- Joodse priester uit Modin (gestorven 166 v.Chr.) uit het geslacht van Joarib. Begon in 167 v.Chr. de joodse opstand tegen Antiochus IV en is stamvader van de Hasmoneeën. (1 Makk 2:1)

## Matthan (persoon)

- Naoorlogse nakomeling van David, alleen bekend uit het Nieuwtestamentische geslachtsregister van Jezus. Vader van Jakob, de grootvader van Jozef. (Matt 1:15)

## Mattheüs (persoon)

- Tollenaar uit Capernaüm, geroepen tot apostel en volgens overlevering schrijver van het eerste evangelie. Ook Levi genoemd. (Matt 9:9)

## Matthias (persoon)

- Door loting onder Joseph Barsabas en Matthias gekozen om Judas Iskariot in het apostolaat te vervangen. (Hand 1:26)

## Mattias (persoon)

- Door loting verkozen om Judas' plaats in te nemen. (Hand 1:23)

## Mattithja (persoon)

- Levitische tempelambtenaar uit het geslacht van Korach, eerstgeboren zoon van Sallum. Belast met de bereiding van de pannenkoeken voor de tempeldienst. (1 Kron 9:31)

## Maz (persoon)

- Vierde zoon van Aram en achterkleinzoon van Sem. Stamvader van een Aramees volk. (Gen 10:23)

## Maächa (persoon)

- Zoon van Nahor bij zijn bijvrouw Reüma. Neef van Abraham. (Gen 22:24)
- Vrouw van koning David en dochter van Talmai, koning van Gesur. Moeder van Davids derde zoon Absalom en van zijn dochter Tamar. (2Sam 3:3)
- Naam van meerdere vrouwen in de Schrift, waaronder de moeder of grootmoeder van koning Asa van Juda. Bekend om haar betrokkenheid bij de Asjera-cultus en haar afzetting als koningin-moeder. (1 Kon 15:13)

## Me-zahab (persoon)

- Voorvader van Mehetabeël, de vrouw van koning Hadar van Edom. Naam betekent 'water van goud'. (Gen 36:39)

## Mechetabeël (persoon)

- Andere schrijfwijze van Mehetabeël, vrouw van koning Hadar van Edom. (Gen 36:39)

## Mechujael (persoon)

- Vierde geslacht van Kaïn, vader van Methusael en grootvader van Lamech. (Gen 4:18)

## Medad (persoon)

- Een van de zeventig oudsten van Israël. Profeteerde door Gods Geest in het kamp, samen met Eldad. (Num 11:26)

## Medan (persoon)

- Derde zoon van Abraham bij Ketura. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:2)

## mede-erfgenaam (begrip)

- Vrouwen zijn mede-erfgenamen der genade des levens; mannen moeten haar eer geven, opdat hun gebeden niet verhinderd worden. (1 Petr 3:7)

## medearbeider (begrip)

- Paulus' aanduiding voor mede-evangeliedienaars zoals Epafroditus en Klemens. (Filip 3:2)
- Medewerker in de zaak van het evangelie; aanduiding voor wie samen met de apostelen aan de prediking en gemeenteopbouw werkten. (Filem 1:1)
- Iemand die met een ander samenwerkt aan een gemeenschappelijk doel; in het Nieuwe Testament gebruikt voor wie de zaak van het evangelie ondersteunt. (3 Joh 1:8)

## medearbeiders (begrip)

- Aanduiding voor de groep medewerkers van een apostel die met hem aan de verkondiging en de zorg voor de gemeenten arbeidden. (Flm 1:24)

## medearbeiders waarheid (begrip)

- Aanduiding van gelovigen die door materiele en praktische steun aan verkondigers deelhebben aan het werk van het evangelie. (3 Joh 1:8)

## Medeba (plaats)

- Stad in het Overjordaanse, ten zuiden van Hesbon, in de oudheid afwisselend Moabitisch en Israëlitisch. (1 Makk 9:36)

## medegevangene (begrip)

- Iemand die samen met een ander in gevangenschap verkeert, in het Nieuwe Testament met name om Christus' wil. (Filem 1:23)

## Meden (volk)

- Volk in noordwest-Iran (achtste tot zesde eeuw v.Chr.). Verbondspartner van Babel bij de val van Ninevé; in 550 v.Chr. door Cyrus van Perzië verslagen. (Jdt 1:1)
- Indo-Europees volk dat woonde in het bergland ten oosten van Mesopotamië. Vormden samen met de Perzen later het Medisch-Perzische rijk dat het Babylonische rijk omverwierp. (2 Kon 17:6)

## medestrijder (begrip)

- Mederiddermaker in de geestelijke strijd voor het evangelie; aanduiding van trouwe gemeentewerkers naast de apostel. (Filem 1:2)

## medicijn (begrip)

- Geneesmiddel; tong der wijzen; vrolijk hart. (Spr 12:18)

## medicijnmeesters (begrip)

- Verouderde aanduiding voor geneesheren of artsen. In de oudheid vaak deels gebaseerd op kruidenkennis, deels op magie. (Tob 2:11)

## Medische storm (begrip)

- Aanduiding voor de invasie door de Meden, een Indo-Europees volk uit het bergland van het huidige Iran. Samen met Babel verwoestten zij Nineve in 612 v.Chr. (Na 2:1)

## Medië (plaats)

- Rijk in noordwest-Iran (achtste tot zesde eeuw v.Chr.). Bondgenoot van Babel bij de val van Ninevé; door Cyrus de Grote in 550 v.Chr. ingelijfd bij Perzië. (3 Ezra 6:23)
- Rijk in noordwest-Iran (achtste tot zesde eeuw v.Chr.). Bondgenoot van Babel bij de val van Ninevé (612 v.Chr.); door Cyrus de Grote in 550 v.Chr. ingelijfd bij Perzië. (Tob 1:15)
- Antiek koninkrijk in noordwest-Iran (huidige Iraanse provincies Hamadan en Azerbeidzjan), oostelijk van het Tigris-gebied. Bondgenoot van de Babyloniërs bij de val van Nineveh (612 v.Chr.); later opgegaan in het Perzische rijk onder Cyrus de Grote (550 v.Chr.). In het OT vaak samen met de Perzen genoemd ('Mediërs en Perzen'). (1 Mak 14:1)
- Gebied in het noordwesten van Iran, oorspronkelijk een eigen rijk dat in de zesde eeuw v. Chr. door de Perzen werd geannexeerd. Vormde samen met Perzië het kerngebied van het Perzische rijk. (Esth 1:3)

## meel (begrip)

- Fijngemalen graan, hoofdbestanddeel van het dagelijks brood en van het spijsoffer. Maat van levensonderhoud. (Hag 1:6)

## meer Gode dan de mensen (begrip)

- Petrus' antwoord aan de hogepriester. (Hand 5:29)

## meer van Galilea (plaats)

- Zoetwatermeer in het noorden van Palestina, ongeveer 21 kilometer lang en 13 kilometer breed. Ook bekend als zee van Tiberias of meer van Genezareth. (Mark 1:16)

## meer van Genesareth (plaats)

- Het meer van Galilea, ook Genesareth genoemd, waar Jezus de wonderbare visvangst deed. (Luk 5:1)

## Meester (begrip)

- Eretitel voor een leraar. De discipelen en anderen noemden Jezus Het Hebreeuwse woord is. (Joh 1:39)

## Mefa-baäl (persoon)

- Naam die in de Schrift niet als zodanig voorkomt; mogelijk een verschrijving of latere toevoeging. Vergelijk Mefiboseth, kleinzoon van Saul. (Ri 1:1)

## Mefiboseth (persoon)

- Zoon van Jonatan en kleinzoon van koning Saul, kreupel aan beide voeten door een val in zijn jeugd. Werd door David om de vriendschap met diens vader Jonatan met grote welwillendheid bejegend. (2Sam 9:6)

## Mefiboseth-stam (begrip)

- Aanduiding voor de afstammelingen van Sauls kleinzoon Mefiboseth, zoon van Jonatan. Bleven onder bescherming van het Davidisch koningshuis tot de val van Jeruzalem. (Neh 7:7)

## Megiddo (plaats)

- Belangrijke vestingstad aan de zuidrand van de vlakte van Jizreël. Strategisch gelegen aan de internationale weg langs de kust. (Zach 12:11)
- Belangrijke stad in de Jizreëlvlakte, op de strategische doorgangsroute tussen Egypte en Mesopotamië. Plaats van vele beslissende veldslagen door de eeuwen heen. (1 Kon 9:15)

## Mehetabel (persoon)

- Naam (betekenis 'God doet wel') die in de Schrift slechts spaarzaam voorkomt. Komt onder andere voor in genealogische lijsten als naam van een vrouwelijke voorouder. (Neh 6:10)

## Mehetabeël (persoon)

- Vrouw van Hadar, een van de oude koningen van Edom. Dochter van Matred. (Gen 36:39)
- Naam (betekenis 'God doet wel') die in de Schrift slechts spaarzaam voorkomt. Komt onder andere voor in genealogische lijsten en als naam van een vrouwelijke voorouder. (Ezra 10:30)

## melaatse (begrip)

- Iemand die aan melaatsheid lijdt, in de oudheid uitgesloten van de samenleving en de eredienst om besmettingsgevaar en cultische onreinheid. (Matt 8:2)

## melaatsheid (begrip)

- Verzamelnaam voor allerlei huidziekten, en ook plagen aan kleren of huizen. De priester stelde reinheid of onreinheid vast volgens nauwkeurige voorschriften. (Lev 13:2)
- Verzamelnaam voor verschillende ernstige huidziekten, niet noodzakelijk de moderne ziekte van Hansen. In de Tora aanleiding voor strenge reinheidsvoorschriften. (Matt 8:3)
- Ernstige besmettelijk geachte huidziekte, waaronder vermoedelijk meerdere aandoeningen werden samengevat. Bracht volgens de wet van Mozes rituele onreinheid en sociale uitsluiting met zich mee. (2 Kon 5:1)

## Melchizedek (persoon)

- Koning van Salem en priester van God de Allerhoogste. Zegende Abraham na diens overwinning op Kedor-Laomer; in het Nieuwe Testament beeld van Christus' eeuwige priesterschap. (Gen 14:18)
- Koning van Salem en priester des Allerhoogsten ten tijde van Abraham. Type van Christus' eeuwige en koninklijke priesterschap. (Hebr 5:6)

## Mem (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:14)

## Memphis (plaats)

- Oude hoofdstad van Beneden-Egypte aan de Nijl, in het Hebreeuws Mof of Nof genoemd. Belangrijke administratieve en religieuze stad. (Hos 9:6)

## Memucan (persoon)

- Een van de zeven hoogste vorsten van Perzië en Medië die regelmatig toegang tot het koninklijk aangezicht hadden. Behoorde tot de adviesraad van koning Ahasveros. (Esth 1:14)

## Menahem (persoon)

- Zestiende koning van het noordelijke rijk Israël, kwam aan de macht door een staatsgreep. Onderwierp zich aan de Assyrische koning tegen een hoge afkoopsom. (2 Kon 15:14)

## Menelaüs (persoon)

- Joodse hogepriester (regeerde 172-162 v.Chr.), niet uit het rechtmatige geslacht. Verkreeg het ambt door geld van Antiochus IV; door Antiochus V geëxecuteerd. (2 Makk 4:23)

## menigte van zonden (begrip)

- Hebt boven alles vurige liefde tot elkander, want de liefde zal menigte van zonden bedekken. (1 Petr 4:8)

## mens der zonde (begrip)

- Aanduiding voor de eindtijdelijke tegenstander van Christus die zich tegen God verheft en zichzelf als god aanbeden wil zien. (2 Th 2:3)

## mens Gods (begrip)

- Eerste van de pastorale-aansprekingen. (1 Tim 6:11)

## Mens niet bij zichzelve (uitdrukking)

- Pelgrimsbelijdenis van afhankelijkheid. (Jer 10:23)

## mens uit aarde (begrip)

- Bijbels begrip dat de mens volgens Genesis 2:7 door God uit het stof van de aarde is gevormd en met levensadem bezield. (Sir 17:1)

## mens van vrouw geboren (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de menselijke broosheid en vergankelijkheid. Klassiek motief in de wijsheidsliteratuur en in klaagliederen. (Job 14:1)

## menselievende geest (theologisch)

- Eigenschap van de Wijsheid (en van Gods Geest): gericht op het welzijn van de mens — filantropisch in de oorspronkelijke betekenis. (Wijsh 1:6)

## menselijke geboden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (Kol 2:22)

## menselijke ordening (begrip)

- Zijt onderdanig aan alle menselijke ordening, om des Heeren wil, hetzij de koning als de hoogste macht, hetzij de stadhouders. (1 Petr 2:13)

## mensenkind (begrip)

- De mens in zijn vergankelijkheid. (Ps 8:5)
- Hebreeuwse uitdrukking die letterlijk 'zoon des mensen' betekent. In Ezechiël de vaste aanspraak van God tot de profeet, die zijn nederige menselijke staat onderstreept. (Ez 2:1)

## mensenkinderen (begrip)

- De mensheid in haar vergankelijkheid en zondigheid. (Ps 14:2)

## Mensenzoon (begrip)

- Titel die Jezus het meest voor zichzelf gebruikte, ontleend aan Daniël 7. Verwijst naar een hemelse figuur aan wie heerschappij over alle volken is gegeven. (Matt 8:20)
- Titel die Jezus het meest voor zichzelf gebruikte. Verwijst naar een hemelse figuur aan wie heerschappij over alle volken is gegeven. (Mark 2:10)
- Bijbelse uitdrukking voor 'mens'. In Daniël 7 een hemelse figuur die het rijk van God ontvangt; in het Nieuwe Testament zelfaanduiding van Jezus. (4 Ezra 13:3)

## Mensenzoon (Op 1) (persoon)

- De gestalte als Eens Mensen Zoon te midden van de zeven kandelaren, met witte hoofdharen en ogen als vlammen. (Op 1:13)

## Mensenzoon op de wolken (begrip)

- 'Dan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid'. (Luk 21:27)

## mensgelijkende gestalte (uitdrukking)

- Profetisch beeld van een mensvormige gestalte op Gods troon. Onderdeel van de oudtestamentische theofanietaal. (Ez 1:26)

## Merari (persoon)

- Jongste zoon van Levi en stamvader van een van de drie families van Levieten. (Gen 46:11)
- Jongste zoon van Levi en stamvader van een van de drie families van Levieten. Belast met het dragen van de planken, balken en pinnen van de tabernakel. (Num 4:29)
- In de bijbel naam van een zoon van Levi en stamvader van een van de drie levitische geslachten. Ook (in Judith) de vader van Judith. (Jdt 8:1)

## Meres (persoon)

- Een van de zeven hoogste vorsten van Perzië en Medië die regelmatig toegang tot het koninklijk aangezicht hadden. Behoorde tot de adviesraad van koning Ahasveros. (Esth 1:14)

## Meriba (plaats)

- Plaats in de woestijn waar Israël met de Heere twistte om water. Mozes sloeg (Num 20:13)
- Plaats waar Israël de HEERE verzocht. (Ps 95:8)

## merkteken op de hand (begrip)

- Het merkteken van het beest op de rechterhand of het voorhoofd; zonder dit kon niemand kopen of verkopen. (Op 13:16)

## Merodach-Baladan (persoon)

- Babylonische koning, zoon van Baladan, die in de tijd van Hizkia tijdelijk de macht in Babel uitoefende. Onderhield diplomatieke contacten met andere staten in de strijd tegen Assyrië. (2 Kon 20:12)

## Merom (plaats)

- Plaats met wateren in het noorden van Kanaän, ten noorden van het meer van Galilea. Toneel van de beslissende slag tegen de noordelijke coalitie van Kanaänitische koningen. (Joz 11:5)

## Meroz (plaats)

- Plaats in het noorden van Israël, vermoedelijk gelegen nabij het slagveld bij de Kison. Werd vervloekt omdat haar inwoners niet meetrokken in de strijd tegen Sisera. (Ri 5:23)

## Merran (plaats)

- Plaatsnaam, mogelijk in Arabië of Madian gelegen, soms geïdentificeerd met Median; bekend uit oude oosterse handels- en wijsheidstradities. (Bar 3:23)

## Mesa (persoon)

- Koning van Moab in de negende eeuw v. Chr., schaapfokker van beroep. Bekend uit de Schrift en van de naar hem genoemde Mesa-stèle, die zijn opstand tegen Israël beschrijft. (2 Kon 3:4)

## Mescha (plaats)

- Westelijke grens van het woongebied van de zonen van Joktan in Arabië. Niet met zekerheid te lokaliseren. (Gen 10:30)

## Mesech (persoon)

- Zesde zoon van Jafeth en stamvader van een volk in het noorden, mogelijk de Mosjokjers in Klein-Azië. (Gen 10:2)

## Mesech en Tubal (volk)

- Volken in het oude Klein-Azië, vermoedelijk de Frygiërs en aanverwante stammen. In de Bijbel symbool voor verafgelegen heidense volken. (Ez 38:2)

## Mesopotamië (plaats)

- Letterlijk 'tussen de rivieren'; de vruchtbare landstreek tussen Eufraat en Tigris in het huidige Irak. Streek waar Abraham vandaan kwam. (Gen 24:10)
- Land dat genoemd wordt bij Stefanus' rede en pinkster-bezoekers. (Hand 2:9)
- Land tussen Eufraat en Tigris (huidige Irak en oost-Syrië). Bakermat van oude beschavingen en thuisland van Abrahams familie. (Jdt 2:13)

## messiaanse Koning (begrip)

- Profetische titel voor de door God beloofde gezalfde heerser uit het huis van David. Brenger van rechtvaardigheid en vrede. (Zach 9:9)

## Messias (begrip)

- De door God beloofde Verlosser uit het zaad van de vrouw, Abraham en David. In het Nieuwe Testament vervuld in Jezus Christus. (Gen 3:15)
- Hebr. 'gezalfde'; aanduiding voor de beloofde koning uit het huis van David die Gods rijk zou oprichten. Door christenen vervuld gezien in Jezus Christus. (Ps 2:2)
- Hebreeuws voor 'gezalfde'. In het Oude Testament titel voor koning, priester of profeet, in het jodendom toegespitst op de eindtijdelijke redder. (Matt 1:1)

## Messiasbelofte (begrip)

- De goddelijke toezegging van een toekomstige Verlosser uit het zaad van de vrouw. Eerste vermelding in de moederbelofte direct na de zondeval. (Gen 3:15)

## messiasgeheim (begrip)

- Term uit de exegese voor het opvallend kenmerk in vooral het Markusevangelie dat Jezus zijn messiasschap voor de opstanding niet openbaar wil laten worden. (Mark 8:30)

## mestpoort (plaats)

- Een van de poorten van het naballingschapse Jeruzalem, gelegen in de zuidelijke muur. Diende als uitgang voor het wegvoeren van afval naar het dal van Hinnom. (Neh 3:14)

## Mesullam (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder verschillende leden van de naballingschapse gemeenschap. Komt voor in geslachtsregisters van priesters, Levieten en leken. (Neh 6:18)

## met Christus (begrip)

- De gemeenschap van de gelovige met Christus; in de brieven gebruikt voor het geestelijk samenleven, sterven en verheerlijkt worden met Hem. (Fil 1:23)

## met een ijzeren griffie en lood (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het uithakken van een tekst in steen, met lood gevuld voor blijvende leesbaarheid. Beeld van eeuwige gedenking. (Job 19:24)

## Met het gehoor des oors had ik U gehoord (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het verschil tussen tweedehands kennis van God en eigen ontmoeting met Hem. Klassieke uitspraak over de overgang van horen naar zien. (Job 42:5)

## meten van de tempel (begrip)

- Johannes moest met een rietstok de tempel Gods en het altaar meten en de aanbidders. (Op 11:1)

## metgezel (begrip)

- Wie tot dezelfde gemeenschap behoort. (Ps 119:63)
- Vriend, gezel of deelgenoot in een gemeenschappelijke onderneming. (Filem 1:17)
- Reisgenoot, vriend. (Spr 13:20)

## Methusael (persoon)

- Zesde geslacht van Kaïn, zoon van Mechujael en vader van Lamech. (Gen 4:18)

## Methusalach (persoon)

- Zoon van Henoch en vader van Lamech, grootvader van Noach. De langstlevende mens in de Bijbel: 969 jaar. (Gen 5:21)

## Methusalah (persoon)

- Voorvader van Jezus, oudste mens; vader van Lamech. (Luk 3:37)

## metreet (begrip)

- Griekse vloeistofmaat van ongeveer 39 liter. Gebruikt als inhoudsmaat voor olie en wijn. (BelDra 1:2)

## metreten (overig)

- Een Griekse inhoudsmaat van ongeveer 40 liter. De watervaten op de bruiloft te Kana bevatten elk twee of drie metreten. (Joh 2:6)

## Meünieten (begrip)

- Volk uit de woestijn ten zuidoosten van Juda, mogelijk verbonden met de stad Maon in Edom. Werden in coalitie met Moab en Ammon door koning Josafat verslagen. (2 Kron 20:1)

## Mibsam (persoon)

- Vijfde zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:13)

## Mibzar (persoon)

- Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:42)

## Micha (persoon)

- Man uit het bergland van Efraïm, bekend om zijn huiselijke afgodendienst. Liet een gesneden beeld vervaardigen en stelde een Leviet aan als priester voor zijn eigen heiligdom. (Ri 17:1)
- Profeet uit Juda in de tweede helft van de achtste eeuw v.Chr., tijdgenoot van Jesaja. Naamgever van het gelijknamige bijbelboek. (Matt 2:5)
- Profeet ten tijde van koning Achab, zoon van Jimla. Bekend om zijn standvastige weigering om in plaats van Gods waarheid het koning welgevallige te spreken. (1 Kon 22:8)

## Micha de Morasthiet (uitdrukking)

- Profetische precedent voor Jeremia (vgl. Mi ). (Jer 26:18)

## Micha Morasthiet (persoon)

- Profeet uit Moreseth-Gath in de Sjefela van Juda, tijdgenoot van Jesaja. Trad op onder de koningen Jotham, Achaz en Hizkia in de tweede helft van de 8e eeuw v.Chr. (Mi 1:1)

## Michael (persoon)

- De aartsengel die in de Schrift optreedt als beschermer van Gods volk. (Jud 1:9)

## Michal (persoon)

- Jongste dochter van koning Saul en eerste vrouw van David. Hielp David vluchten voor haar vader; werd na zijn vlucht aan een ander gegeven en later weer aan David teruggegeven. (1Sam 18:20)
- Jongste dochter van koning Saul en eerste vrouw van David. Werd na zijn vlucht aan een ander gegeven en later weer aan David teruggegeven; bleef kinderloos. (2Sam 3:13)

## Michmas (plaats)

- Plaats ten noorden van Jeruzalem, gelegen aan een steile bergpas; in het Oude Testament bekend van koning Saul (1 Sam. 13). (1 Makk 9:73)

## middageten (begrip)

- Maaltijd op het midden van de dag. In het oosten gewoonlijk eenvoudig, met brood en pap of vruchten. (BelDra 1:33)

## Middelaar (persoon)

- De wet door middelaars, de belofte rechtstreeks. (Gal 3:20)
- Christus is de Middelaar van een beter en nieuw verbond, dat op betere beloften gegrond is. Hij staat tussen God en mensen. (Hebr 8:6)

## middelmuur (begrip)

- Afbreking van de scheiding tussen Jood en heiden. (Ef 2:14)

## Midian (persoon)

- Vierde zoon van Abraham bij Ketura. Stamvader van de Midianieten in het noorden van Arabië. (Gen 25:2)
- Volk afstammend van Abraham en Ketura, levend ten oosten van de Golf van Akaba. Land waarheen Mozes vluchtte na de moord op de Egyptenaar. (Ex 2:15)
- Volk afstammend van Abraham en Ketura, levend ten oosten van de Golf van Akaba. Verleidde Israël tot afgoderij bij Baäl-Peor. (Num 31:2)
- Volk afstammend van Abraham en Ketura, levend ten oosten van de Golf van Akaba. Volk van Mozes' schoonvader Jethro. (Dt 1:1)

## Midianiet (volk)

- Lid van een Arabisch nomadisch volk afstammend van Midian. Vooral handelaren en herders in de noordelijke Arabische woestijn. (Gen 37:28)

## Midianieten (volk)

- Arabisch nomadisch volk afstammend van Midian. Vooral karavaanhandelaren in de noordelijke Arabische woestijn. (Gen 37:28)

## Midjan (volk)

- Volk in het noordwesten van Arabië, afstammend van een zoon van Abraham bij Ketura. Verdrukten Israël in de richterentijd door jaarlijkse plundertochten met kamelen. (Ri 6:1)

## mier (begrip)

- Klein insect; lesgever in vlijt voor de luiaard. (Spr 6:6)

## Migdal-eder (plaats)

- Letterlijk 'toren der kudde'. Plaats in de buurt van Bethlehem waar Jakob zijn tent opsloeg na de dood van Rachel. (Gen 35:21)

## Migdol (plaats)

- Plaats in het noordoosten van Egypte, dicht bij de grens met Kanaän. Komt in de Schrift verschillende keren voor als grenspost of vluchtoord. (2 Kon 23:33)

## Migdol tot Syene (plaats)

- Bijbelse aanduiding voor de hele lengte van Egypte, van het noordelijke Migdol tot het zuidelijke Syene (Aswan). Drukt totaliteit uit. (Ez 29:10)

## Migdol, Nof, Pathros (plaats)

- Egyptische plaatsen waar Joodse ballingen woonden; aangesproken door Jeremia met het oordeel over hun terugval in afgodendienst. (Jer 44:1)

## Migdol-Eder (plaats)

- Plaats in de Bijbel die 'toren der kudde' betekent, gelegen nabij Bethlehem. Verbonden met de geschiedenis van de aartsvaders. (Zach 9:9)

## Mij dorst (begrip)

- Jezus' kruiswoord van menselijke uitputting — vervulling der Schrift. (Joh 19:28)

## Mijn arm uit het schouderblad (uitdrukking)

- Bijbelse zelfvervloeking waarbij iemand in geval van schuld lichamelijke straf op zich roept. Onderdeel van plechtige onschuldsverklaringen. (Job 31:22)

## Mijn bloed drinken (begrip)

- Jezus' Eucharistische rede. (Joh 6:54)

## mijn ene dag is als gras (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de vergankelijkheid van het menselijk leven, vergeleken met snel opkomend en verwelkend gras. Klassieke wijsheidsuitspraak. (Job 14:2)

## Mijn Geest in u (uitdrukking)

- Profetische belofte van Gods Heilige Geest die in de gelovigen woont en hen tot gehoorzaamheid in staat stelt. Centraal in de leer over de Heilige Geest in het nieuwe verbond. (Ez 36:27)

## Mijn Getuige is in de hemel (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het geloof dat God zelf de getuige en advocaat is van wie onschuldig lijdt. Verlangen naar hemelse rechtspraak. (Job 16:19)

## Mijn harp is tot rouwklage geworden (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de omkering van vreugde in rouw. Klassieke wending in klaagliteratuur waarbij muziekinstrumenten de stemming markeren. (Job 30:31)

## Mijn Heere en mijn God (begrip)

- Thomas' belijdenis voor de opgestane Heere — climax van Johannes' evangelie. (Joh 20:28)

## mijn knecht David (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor de beloofde messiaanse heerser uit het Davidische geslacht. Klassieke titel in de heilsprofetie. (Ez 37:24)

## Mijn knecht Job (uitdrukking)

- Eretitel waarmee God in het boek Job de patriarch aanduidt. Klassieke uitdrukking voor wie God bijzonder heeft aangenomen tot zijn dienst. (Job 1:8)

## mijn oprechtheid zal ik vasthouden (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het volhardend vasthouden aan eigen integriteit. Klassieke geloofsbelijdenis onder beproeving. (Job 27:6)

## Mijn rivier is mijn (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor de hoogmoed van Egypte dat zich eigenaar van de Nijl waant. Klassiek voorbeeld van menselijke arrogantie tegen God. (Ez 29:3)

## Mijn schapen (begrip)

- 'Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij'. (Joh 10:27)

## Mijn toorn is ontstoken tegen Elifaz (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor Gods misnoegen over wie verkeerd over Hem heeft gesproken. Slot van het boek Job over de drie vrienden. (Job 42:7)

## mijn vel zwart (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor lichamelijke ondergang door ziekte, mogelijk verbrandingen of melaatsheid. Klassieke uitdrukking in klaagliteratuur. (Job 30:30)

## Mijn vlees eten (begrip)

- 'Tenzij dat gij eet het vlees van den Zoon des mensen, en drinkt Zijn bloed, zo hebt gij geen leven in uzelven'. (Joh 6:53)

## Mijn voet heeft Zijn gangen vastgehouden (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor trouwe gehoorzaamheid aan Gods weg zonder afwijking. Klassieke uitspraak van geloofstrouw. (Job 23:11)

## Mijn volk vervloekt mij (uitdrukking)

- 'Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel den gansen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven; nochtans vloekt mij een ieder van hen.' Klacht van de eenzame profeet. (Jer 15:10)

## 'Mijn volk' tot Israël (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking waarmee God zijn blijvende verbondsverhouding met Israël bevestigt ondanks oordeel. Klassieke verbondsformule. (Ez 36:8)

## Mijn vrede geef Ik u (begrip)

- Afscheidsgeschenk van Jezus aan zijn discipelen, niet de wereldse rust maar de heilsvrede die in Hem haar grond heeft. (Joh 14:27)

## Mijn woord als een vuur en als een hamer (uitdrukking)

- Klassiek aangehaalde uitspraak over de kracht van Gods woord. (Jer 23:29)

## mijter weg, kroon af (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor het wegnemen van koninklijke en priesterlijke waardigheid bij Gods oordeel. Komt voor in messiaanse profetieën. (Ez 21:27)

## Mikaja (persoon)

- Zoon van Gemarja, hoorde de boekrol voorlezen door Baruch en bracht het bericht over aan de vorsten in het paleis. (Jer 36:11)

## Mikhtam (liturgie)

- Opschrift van, 56-60; betekenis onzeker, mogelijk 'gouden gedicht' of 'vergelding'. (Ps 16:1)

## Milcom (begrip)

- Voornaamste afgod van de Ammonieten, ook wel Moloch genoemd. Aan hem werden volgens de Bijbel kinderoffers gebracht. (Zef 1:5)
- Hoofdgod van de Ammonieten, ook bekend onder de naam Molech. Vereerd met onder andere kinderoffers en in de Schrift consequent als gruwelafgod gekwalificeerd. (1 Kon 11:5)

## milddadigheid (begrip)

- Vrijgevigheid en mededeelzaamheid bij het geven aan de armen. Vrucht van de genade Gods. (2 Kor 8:2)

## Milete (plaats)

- Plaats waar Paulus de Efeziërs ontmoette voor zijn afscheidsrede. (Hand 20:15)
- Plaats waar Paulus Trofimus krank achterliet. (2 Tim 4:20)

## Milete-rede (begrip)

- Paulus' afscheidsrede aan de oudsten van Efeze die hij naar Milete ontbood. (Hand 20:17)

## Milka (persoon)

- Dochter van Haran en zus van Lot, gehuwd met Nahor (Abrahams broer). Moeder van Bethuël en grootmoeder van Rebekka. (Gen 11:29)

## Millo (plaats)

- Versterking of terrasconstructie in het oude Jeruzalem, mogelijk in het noordelijke deel van de stad Davids. Werd door verschillende koningen versterkt en uitgebreid. (1 Kon 9:15)

## Mira (plaats)

- Stad in Lycië waar Paulus overstapte op een Alexandrijns schip dat naar Italië zou varen. (Hand 27:5)

## Mirjam (persoon)

- Oudere zus van Mozes en Aäron, profetes en aanvoerster van de vrouwen na de doortocht door de Schelfzee. (Ex 15:20)
- Oudere zus van Mozes en Aäron, profetes en aanvoerster van de vrouwen na de doortocht door de Schelfzee. Stierf in Kades. (Num 12:1)
- Oudere zuster van Mozes en Aäron, profetes in Israël. Leidde de vrouwen na de doortocht door de Schelfzee in een loflied. (Joz 24:5)
- Oudste zus van Mozes en Aäron, profetes en aanvoerster van de vrouwen na de doortocht door de Schelfzee. Speelde een rol bij de leiding van Israël tijdens de woestijnreis. (Mi 6:4)

## Mirjams lied (begrip)

- De lofzang met de tamboerijn die Mirjam met de vrouwen zong na de overwinning op Farao bij de Schelfzee. (Ex 15:21)

## mirre (overig)

- Welriekende harssoort gewonnen uit de mirreboom. Kostbaar in de oudheid; gebruikt als reukwerk, in heilige zalfolie en bij balseming. (Gen 43:11)
- Bittere geurige hars uit een doornige struik, gebruikt voor parfum, geneesmiddel en balseming. Ook bestanddeel van de heilige zalfolie. (Mark 15:23)
- Een kostbare, geurige hars die werd gebruikt bij het balsemen van doden. Nicodemus bracht mirre en aloë voor Jezus' begrafenis. (Joh 19:39)

## Misal van Achab (begrip)

- Aanduiding voor de talrijke nakomelingen of leden van het koningshuis van Achab. Werden in het kader van Gods oordeel door koning Jehu volledig uitgeroeid. (2 Kon 10:7)

## Misaël (persoon)

- Hebreeuwse naam ('Wie is wat God is?') van een van de drie vrienden van Daniël; Babylonisch Mesach genoemd. (Gez. Vuur. 1:88)

## Misma (persoon)

- Vierde zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:14)

## Mispa (plaats)

- Naam (betekenis 'wachttoren') van meerdere plaatsen in Israël, onder andere in Benjamin. Diende in de richteren- en vroege koningstijd vaak als bijeenkomstplaats van het volk. (1Sam 7:5)

## Mithridates (persoon)

- Perzische naam, gedragen door verschillende functionarissen. In Ezra 1 de schatmeester van Cyrus die de tempelvaten teruggaf. (3 Ezra 2:11)

## Mitsraim (persoon)

- Tweede zoon van Cham en stamvader van het Egyptische volk. Hebreeuwse naam voor Egypte zelf. (Gen 10:6)

## Mizmor (liturgie)

- Hebreeuws voor 'psalm', een gezongen lofzang met snarenspel. Het meest voorkomende opschrift in het Psalmboek. (Ps 3:1)

## Mizpa (plaats)

- Plaats in Gilead waar Jakob en Laban een verbond sloten en een steenhoop oprichtten. Naam betekent 'wachtpost' of 'uitkijkplaats'. (Gen 31:49)
- Naam (betekenis 'wachttoren') van meerdere plaatsen in Israël, onder andere in Gilead en in Benjamin. Diende vaak als bijeenkomstplaats voor het volk in tijden van crisis. (Ri 11:11)
- In de bijbel naam van verschillende plaatsen, onder meer een berg ten noorden van Jeruzalem waar Israël vanouds samenkwam voor gebed en gericht. (1 Makk 3:46)
- Naam (betekenis 'wachttoren') van meerdere plaatsen in Israël, onder andere in Benjamin. Diende na de val van Jeruzalem als bestuurszetel van het overgebleven volk onder Gedalia. (2 Kon 25:23)
- Naam (betekenis 'wachttoren') van meerdere plaatsen in Israël, onder andere in Benjamin en Gilead. Diende vaak als bijeenkomstplaats van het volk. (1 Kron 11:8)
- Naam (betekenis 'wachttoren') van meerdere plaatsen in Israël, onder andere in Benjamin. Diende vaak als bijeenkomstplaats van het volk en werd door Asa als grensvesting versterkt. (2 Kron 16:6)
- Naam (betekenis 'wachttoren') van meerdere plaatsen in Israël, onder andere in Benjamin. Diende vaak als bestuurszetel en bijeenkomstplaats voor het volk. (Neh 3:7)
- Hebr. מִצְפָּה — stad in Benjamin waar Gedalja zijn zetel had na de val van Jeruzalem; daar werd hij door Ismaël vermoord. (Jer 40:6)

## Mizpa-overwinning (begrip)

- Beslissende overwinning van Israël op de Filistijnen na een nationale verootmoediging onder leiding van Samuel. Markeerde het einde van de Filistijnse onderdrukking in de richterentijd. (1Sam 7:10)

## Mizpah-altaar (voorwerp)

- Gedenksteen die door Samuel te Mizpa werd opgericht ter herinnering aan een grote overwinning op de Filistijnen. Werd Eben-haëzer ('steen der hulpe') genoemd. (1Sam 7:12)

## Mizpe (plaats)

- Variant van Mizpa (betekenis 'wachttoren'), naam van meerdere plaatsen in Israël. In Gilead diende Mizpe als bijeenkomstplaats van de oostelijke stammen. (Ri 11:11)

## Mizraïm (plaats)

- Hebreeuwse naam voor Egypte, in het Oude Testament veelvuldig gebruikt. Genoemd naar een van de zonen van Cham. (Ex 1:1)
- Hebreeuwse naam voor Egypte, het land aan de Nijl ten zuidwesten van Israël. Plaats van Israëls vroegere slavernij. (Zach 14:18)

## Mizraïm-zee (plaats)

- De Egyptische zee, dat is de Schelfzee. Zee waarin Farao's leger met paard en wagen verging. (Ex 14:21)

## Mizza (persoon)

- Zoon van Rehuël en kleinzoon van Esau. Stamvorst van een Edomitische clan. (Gen 36:13)

## Mnason (persoon)

- Cypriaan, oude discipel, bij wie Paulus en zijn gezelschap in Jeruzalem zouden logeren. (Hand 21:16)

## Moab (persoon)

- Land en volk ten oosten van de Dode Zee, afstammend van Lot. Wisselende verhouding met Israël: soms vijand, soms verbonden door huwelijk (Ruth). (Gen 19:37)

## Moabieten (volk)

- Volk en land ten oosten van de Dode Zee, afstammelingen van Moab, de oudste zoon van Lot. Vaak vijandig aan Israël maar verwant aan hen. (Gen 19:37)
- Afstammelingen van Moab, de oudste zoon van Lot. Door de Tora uitgesloten van toegang tot de gemeente van de Heere tot in het tiende geslacht. (Dt 23:3)
- Volk ten oosten van de Dode Zee, nakomelingen van Lot. Vaak in conflict met Israël gedurende de oudtestamentische geschiedenis. (Jdt 5:2)

## Moabitische (begrip)

- Vrouw uit het volk Moab. De toevoeging benadrukt vaak het vreemde of niet-Israëlitische karakter van de persoon binnen Israël. (Ruth 1:22)

## modder (begrip)

- Slijk waarin de bedrukte vastzit. (Ps 40:3)

## Modin (plaats)

- Joods dorp ten noordwesten van Jeruzalem, geboorteplaats en familiezetel van de Hasmonese (Makkabese) familie. (1 Makk 2:1)

## moed (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor standvastigheid en kracht van geest in tegenslag. Een van de vier kardinale deugden. (Sir 19:5)

## moedeloosheid (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor de toestand van vermoeidheid en gebrek aan moed. In de wijsheidsliteratuur als gevaar voor lichaam en ziel beschreven. (Sir 30:23)

## moeder (persoon)

- Bijbelse aanduiding voor degene die kinderen baart en opvoedt. In 2 Makkabeeën 7 in het bijzonder de moeder van de zeven martelaars. (2 Makk 7:20)

## moeder der hoererijen (begrip)

- De grote hoer als oermoeder van alle afgoderij en geestelijke ontucht op aarde. (Op 17:5)

## moeder eren (begrip)

- Bijbels gebod uit de Tien Geboden (vijfde gebod), waarmee de eerbied voor de ouders als grond van het maatschappelijk leven wordt vastgelegd. (Sir 3:2)

## moeder Hethietin, vader Amoriet (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor de heidense oorsprong van het volk Israël uit de oorspronkelijke bevolking van Kanaän. Onderdeel van de profetische zelfkritiek. (Ez 16:3)

## moeder Sion (begrip)

- Personificatie van de stad Jeruzalem (Sion) als moeder van haar inwoners. Bijbels beeld in profetie en apocalyptiek. (4 Ezra 10:7)

## moederschoot (begrip)

- Beeld voor Gods vorming van de mens vanaf het allereerste begin. (Ps 139:13)

## moederwijngaard verwoest (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarin een wijngaard symbool staat voor het volk dat door Gods oordeel wordt verwoest. Onderdeel van de klaagliteratuur. (Ez 19:10)

## moedwil (begrip)

- Opzettelijk en weloverwogen kwaad doen, zonder verzachtende omstandigheden. In de Tora een verzwarende factor bij overtredingen. (Gen 49:6)

## moedwillige zonde (wet)

- Zonde 'met opgeheven hand', dat wil zeggen welbewust en in verachting van God. Hiervoor was geen verzoening door offer mogelijk. (Lev 20:3)

## moegestreden (begrip)

- Uitgeput van strijd. (Ps 6:7)

## moerbeibomen (begrip)

- Loofbomen die in het oude Israël werden geteeld voor hun zoete vruchten en eetbare bladeren. Worden in een veldtocht van koning David als plaats van een goddelijk teken genoemd. (1 Kron 14:14)

## moerbezie (begrip)

- Vrucht van de moerbeiboom (Morus spp.); donkerrood-zwart van kleur. Het rode sap werd in de oudheid soms gebruikt om strijd-olifanten op te zwepen door hun bloed-gelijkende kleur. Modern Nederlands: moerbei. (1 Mak 6:34)

## moerbezien (begrip)

- Vruchten van de wilde vijgenboom, in het oude Israël een eenvoudig voedingsmiddel. Vooral door arme bevolkingsgroepen geplukt en bewerkt. (Am 7:14)

## moerbeziënboom (voorwerp)

- De wilde vijgenboom waarin Zacheüs klom om Jezus te zien. (Luk 19:4)

## molech (begrip)

- Heidense godheid van de Ammonieten aan wie kinderen werden geofferd door verbranding. In Israël streng verboden op straffe van de dood. (Lev 18:21)
- Hoofdgod van de Ammonieten, ook bekend onder de naam Milcom. Vereerd met onder andere kinderoffers en in de Schrift consequent als gruwelafgod gekwalificeerd. (2 Kon 23:10)

## molen (begrip)

- Werktuig om graan te malen, doorgaans bediend door vrouwen of slaven. Het werken aan de molen werd in de oudheid beschouwd als een vernederende slavenarbeid. (Ri 16:21)

## molensteen (voorwerp)

- Ronde steen waarmee koren werd gemalen, doorgaans in een paar (boven- en onderkruik). In de Tora beschermd als onmisbaar levensonderhoud, niet als pand te nemen. (Dt 24:6)
- Zware ronde steen die gebruikt werd voor het malen van graan, gewoonlijk hanteerbaar door één vrouw. In de oude oorlogvoering ook van de stadsmuur geworpen om belegeraars te treffen. (Ri 9:53)
- Zware steen die in een handmolen of standaardmolen wordt gebruikt om graan te malen. In de Bijbel ook gebruikt als beeld voor onverwoestbare hardheid. (Job 41:24)

## molensteen in de zee (begrip)

- De sterke engel hief een steen op als een grote molensteen en wierp hem in de zee — beeld van Babylons val. (Op 18:21)

## Moloch (begrip)

- Afgod aan wie volgens de Bijbel kinderoffers werden gebracht, vooral aanbeden door de Ammonieten. In de wet van Mozes streng verboden. (Am 5:26)

## mond des Allerhoogsten (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor het sprekende en scheppende handelen van God. Bron waaruit volgens Sirach 24 de wijsheid voortkomt. (Sir 24:3)

## mond geopend (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het einde van een profetische zwijgperiode waarna nieuwe boodschappen volgen. Onderdeel van de profetische cyclus. (Ez 33:22)

## mond tot mond (begrip)

- Aanduiding van rechtstreekse persoonlijke ontmoeting tegenover schriftelijke communicatie. (2 Joh 1:12)

## monden stoppen (begrip)

- Het door gezaghebbende terechtwijzing tot zwijgen brengen van dwaalleraars die door hun leer schade aanrichten. (Tit 1:11)

## moord (begrip)

- Wederrechtelijk doden; één van de zes/zeven gruwelen. (Spr 6:17)

## moordenaar (begrip)

- Wie het bloed vergiet. — gebed om verlossing van bloedschuld. (Ps 51:16)

## moordenaar aan het kruis (persoon)

- De berouwvolle misdadiger naast Jezus aan wie Hij beloofde. (Luk 23:43)

## moordenaars (begrip)

- Mensen die andermans leven gewelddadig beëindigen. In het Nieuwe Testament soms ook ruimer voor zware misdadigers en oproerlingen. (Mark 15:27)

## moordenaarskuil (uitdrukking)

- Door Jezus geciteerd bij de tempelreiniging (Mt ). (Jer 7:11)

## Moorman zijn huid veranderen (uitdrukking)

- Spreekwoordelijk geworden. Onmacht van eigenwerk-bekering. (Jer 13:23)

## Mordechai (persoon)

- Joodse hoveling te Susan, neef en pleegvader van Esther, uit de stam Benjamin. Redde door zijn trouw zijn volk van uitroeiing. (EstAp 10:4)
- Joodse hofbeambte aan het Perzische hof in de tijd van koning Ahasveros. Bekend uit het boek Esther als pleitbezorger van zijn volk tegen de plannen van Haman. (2 Kron 36:23)
- Joodse hofbeambte uit de stam Benjamin aan het Perzische hof van koning Ahasveros, pleegvader van koningin Esther. Werd na de val van Haman tot tweede in het rijk verheven en speelde een sleutelrol bij de redding van het Joodse volk. (Esth 2:5)

## More (plaats)

- Eikenbos bij Sichem, eerste plek waar God aan Abraham in Kanaän verscheen en hem het land beloofde. (Gen 12:6)

## Morenland (plaats)

- Verouderde naam voor Kus of Ethiopië, het gebied ten zuiden van Egypte langs de Nijl. Aangeduid als westelijke grens van het Perzische rijk. (EstAp 13:1)

## Moreseth-Gath (plaats)

- Plaats in de Sjefela van Juda nabij de Filistijnse stad Gath. Geboorteplaats van de profeet Micha. (Mi 1:14)

## morgenrood (begrip)

- De gloed aan de hemel kort voor zonsopgang. In de Bijbel symbool voor zekerheid, hoop en het aanbreken van Gods heil. (Hos 6:3)

## morgenster (begrip)

- Aanduiding van Christus als de heldere komende dageraad; ook gegeven aan de overwinnaars. (2 Petr 1:19)

## morgensterren juichten (uitdrukking)

- Bijbels beeld waarin de hemellichten of engelen worden voorgesteld als juichend bij de schepping. Onderdeel van de poëtische scheppingsliteratuur. (Job 38:7)

## Moria (plaats)

- Berg in Jeruzalem waar Abraham Izak moest offeren en waarop Salomo later de tempel bouwde. (Gen 22:2)
- Berg in Jeruzalem waarop de tempel van Salomo werd gebouwd. Volgens de overlevering ook de plaats waar Abraham zijn zoon Isaak wilde offeren. (2 Kron 3:1)

## Moses (persoon)

- Stefanus' rede behandelt Mozes uitgebreid. (Hand 3:22)

## most (begrip)

- Pas geperst druivensap dat nog niet of slechts beginnend gegist is. Onderdeel van de oogst en symbool van vruchtbaarheid en zegen. (Hos 4:11)

## mosterdzaad (begrip)

- Spreekwoordelijk klein zaad van de mosterdplant, die in Palestina meer dan twee meter hoog kon worden. Beeld van bescheiden begin met groot gevolg. (Matt 13:31)

## Mount Seïr (plaats)

- Bergachtig gebied ten zuidoosten van de Dode Zee, oude naam voor het kerngebied van Edom. Genoemd naar de eerste bewoners voor de komst van Esau. (Ez 35:2)

## Mozes (persoon)

- Door God geroepen leider die Israël uit Egypte voerde, het volk de wet bij de Sinaï bracht en het door de woestijn naar de grenzen van Kanaän leidde. Schrijver van de eerste vijf boeken van de Bijbel. (Gen 50:26)

## Mozes en Elia (persoon)

- Twee oudtestamentische gestalten die in de evangeliën samen op de berg van de verheerlijking met Jezus verschijnen, vertegenwoordigend de Wet en de Profeten. (Mark 9:4)
- Verschenen op de berg der verheerlijking en spraken met Jezus over zijn te Jeruzalem. (Luk 9:30)

## Mozes en Samuel als voorbidders (uitdrukking)

- Noemt deze twee als de paradigmatische voorbidders van het OT — Mozes voor het volk in de woestijn, Samuel voor het volk te Mizpa. (Jer 15:1)

## Mozes lichaam (begrip)

- Michael twistte met de duivel over het lichaam van Mozes — een gebeurtenis die Judas aanhaalt om eerbiedige terughoudendheid te tonen. (Jud 1:9)

## Mozes' afscheidszegen (begrip)

- De plechtige zegen die Mozes voor zijn dood over elk der twaalf stammen uitsprak, met profetische woorden over hun toekomst. (Dt 33:1)

## Mozes' lied (begrip)

- Het lied dat Mozes en Israël zongen na de doortocht door de Schelfzee. Eerste lied van de Bijbel, een lofzang op Gods overwinning. (Ex 15:1)
- Het profetische lied dat Mozes voor zijn dood Israël leerde, over Gods trouw en Israëls ontrouw. Diende als getuige tegen het volk in latere geslachten. (Dt 32:1)

## muil (begrip)

- Beeld voor levensbedreigend gevaar. (2 Tim 4:17)

## muizen en spenen (begrip)

- Schuldoffer dat de Filistijnen meegaven met de teruggezonden ark, in goud nagebootst. Vijf gouden gezwellen en vijf gouden muizen, één voor elke Filistijnse hoofdstad. (1Sam 6:4)

## Muppim (persoon)

- Zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een Benjaminietische clan. (Gen 46:21)

## muren herbouwd (begrip)

- Aanduiding voor de wederopbouw van de stadsmuren van Jeruzalem onder leiding van Nehemia. Vond plaats in een opvallend kort tijdsbestek ondanks aanhoudende externe tegenstand. (Neh 6:15)

## muren van Jericho (begrip)

- Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij zeven dagen rondom geleid waren. (Hebr 11:30)

## murmureerders (begrip)

- Dezen zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden — kenmerken van de afvalligen. (Jud 1:16)

## murmureren (begrip)

- Mopperen, zachtjes klagen. De Joden murmureerden (mopperden) over Jezus toen Hij zei dat Hij het brood uit de hemel was. (Joh 6:41)
- Mopperen, klagen — kenmerk van dwaalleraars. (Jud 1:16)

## musje (begrip)

- Klein vogeltje dat een huis vindt bij Gods altaren. (Ps 84:4)

## Muth-labben (liturgie)

- Opschrift van: betekenis onzeker, mogelijk 'over de dood van de zoon' of een melodie. (Ps 9:1)

## muts (begrip)

- Hoofddeksel of doek, in de oudheid niet de moderne muts. In de Statenvertaling soms gebruikt voor priesterlijke hoofdbedekking of vrouwenkapsel. (Matt 9:16)

## muziek (begrip)

- Opschrift; aanwijzingen voor begeleiding. (Ps 4:1)

## Myndos (plaats)

- Griekse havenstad aan de zuidwestkust van Klein-Azië in Karië. (1 Makk 15:23)

## myrtenstruiken (begrip)

- Geurige groenblijvende heesters met witte bloemen, in Israël veel voorkomend in dalen. Onderdeel van het feestelijk groen bij het Loofhuttenfeest. (Zach 1:8)

## naakt (begrip)

- Zonder kleding. Voor de zondeval natuurlijke staat van Adam en Eva, daarna oorzaak van schaamte en bedekking. (Gen 2:25)
- Toestand zonder bekleding; beeld van de afgescheiden ziel die het opstandingslichaam nog mist. Tegenovergesteld aan overkleed worden. (2 Kor 5:3)

## naakt uit moeders buik (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de mens die zonder bezit ter wereld komt en zonder bezit weer heengaat. Klassieke geloofsbelijdenis bij verlies. (Job 1:21)

## naald (voorwerp)

- Klein metalen werktuig met een oog voor draad, gebruikt voor het naaien van stoffen. In een spreekwoord beeld van een uiterst nauwe doorgang. (Mark 10:25)

## Naam boven allen naam (begrip)

- Verhoogde Naam van Christus. (Fil 2:9)

## naam des HEEREN (begrip)

- Aanduiding voor God zelf zoals Hij zich heeft geopenbaard, met name onder de naam JHWH. Het aanroepen ervan is uiting van geloof en aanbidding. (Joël 2:32)

## naam genaamd het Woord Gods (begrip)

- De Witte Ruiter wordt genoemd — verwijzing. (Op 19:13)

## Naam van de stad (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor de nieuwe naam die de toekomstige stad ontvangt als teken van Gods inwoning. Onderdeel van de heilsprofetie. (Ez 48:35)

## Naam van Jezus (begrip)

- 'Er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden'. (Hand 4:12)

## Naam verheerlijkt (begrip)

- Het tot eer brengen van de Naam van Christus door het leven en getuigenis van de gelovigen. (2 Th 1:12)

## naam-betekenis (begrip)

- Retorische verbinding tussen de letterlijke betekenis van een eigennaam en de eigenschappen of daden van de naamdrager. (Flm 1:11)

## naar hun begeerlijkheden (begrip)

- Spotters in de laatste dagen wandelen naar hun eigen begeerlijkheden — niet naar de waarheid Gods. (2 Petr 3:3)

## naar lichaam en geest (begrip)

- Aanduiding van de hele mens — uitwendig (lichaam) en innerlijk (geest); (Fil 4:15)

## naar Zijn wil bidden (begrip)

- Dit is de vrijmoedigheid die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort. (1 Joh 5:14)

## naaste (wet)

- Medemens met wie men in dagelijkse omgang verkeert, in de Tora vooral de medeburger van Israël. 'Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf' is de samenvatting van de tweede tafel der wet. (Lev 19:18)
- Medemens, vooral volksgenoot. (Ps 15:3)
- Medemens; door Spreuken vermaand tot trouw, eerlijkheid en barmhartigheid. (Spr 3:28)

## naastenliefde (begrip)

- Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf — de koninklijke wet die heel de Schrift vervult. (Jak 2:8)

## Nabadath (plaats)

- Plaats in het Overjordaanse, ligging niet met zekerheid bepaald, vermoedelijk in Galaäditis. (1 Makk 9:37)

## Nabajoth (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:13)

## Nabal (persoon)

- Rijke maar dwaze schaapsfokker uit Maon en Karmel, eerste echtgenoot van Abigaïl. Zijn naam betekent 'dwaas' en past bij zijn optreden in de geschiedenis met David. (1Sam 25:3)

## Nabateeën (volk)

- Arabisch/Aramees handelsvolk dat tussen ca. 4e eeuw v.Chr. en 2e eeuw n.Chr. een rijk vormde rondom Petra (huidig Jordanië) en Negev. Beheerden de karavaanroutes voor wierook en specerijen. In de Makkabeeën-tijd bondgenoten van Jonathan tegen Bacchides. (1 Mak 5:25)

## Naboth (persoon)

- Bewoner van Jizreel in het stamgebied van Issaschar, eigenaar van een wijngaard naast het paleis van koning Achab. Werd door valse getuigen veroordeeld en gestenigd, waarop het oordeel over het huis van Achab werd uitgesproken. (1 Kon 21:1)

## Nabuchodonosor (persoon)

- Koning van het Nieuw-Babylonische rijk (regeerde 605-562 v.Chr.). Veroverde Jeruzalem en voerde de Joden in ballingschap. Ook Nebukadnezar genoemd. (3 Ezra 2:10)
- Koning van het Nieuw-Babylonische rijk (regeerde 605-562 v.Chr.), in de boeken uit het Hebreeuws Nebukadnezar genoemd. Nabuchodonosor is de Griekse en Latijnse vorm van die naam, zoals de Septuagint en de Vulgaat hem schrijven. De Statenvertaling vertaalde de apocriefe boeken uit het Grieks en nam die spelling over. Het boek Judith noemt hem koning van de Assyriërs, al was hij Babyloniër. (Jdt 1:1)

## nabuur (begrip)

- Buurman; vaak praktisch belangrijker dan verre familie. (Spr 27:10)

## Nachor (persoon)

- Vader van Therah en grootvader van Abraham. Komt voor in de geslachtslijn van Sem als schakel naar de aartsvaders. (1 Kron 1:26)

## nachtvisioenen (begrip)

- Profetische gezichten die in de nacht aan een ziener worden geopenbaard. Vorm van openbaring die in de Bijbel meermalen voorkomt. (Zach 1:8)

## nachtwaken (begrip)

- Delen waarin de nacht werd verdeeld. (Ps 63:7)

## Nadab (persoon)

- Oudste zoon van Aäron. Mocht met Mozes en de zeventig oudsten de berg opgaan om God te zien; werd later om vreemd vuur door Gods vuur gedood. (Ex 24:1)
- Oudste zoon van Aäron. Werd samen met zijn broer Abihu door vuur van God gedood wegens het brengen van vreemd vuur. (Lev 10:1)
- Tweede koning van het noordelijke rijk Israël, zoon en opvolger van Jerobeam. Werd na slechts twee jaar regeren vermoord door Baësa, die het hele huis van Jerobeam uitroeide. (1 Kon 15:25)

## naderen tot de koning (begrip)

- Aanduiding voor het verschijnen voor de Perzische koning, dat alleen op uitnodiging veilig was. Wie ongeroepen naderde, riskeerde de doodstraf. (Esth 4:11)

## naderen tot God (begrip)

- Naderen tot God en Hij zal tot u naderen; reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen. (Jak 4:8)

## Naema (persoon)

- Dochter van Lamech bij Zilla en zuster van Tubal-Kaïn, in het geslacht van Kaïn. (Gen 4:22)

## Nafis (persoon)

- Elfde zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:15)

## Naftali (persoon)

- Zesde zoon van Jakob (bij Bilha) en de stam die uit hem voortkwam. Naam betekent 'mijn worsteling'. (Gen 30:8)
- Zesde zoon van Jakob (bij Bilha) en de stam die uit hem voortkwam. Erfde een gebied in het noorden van Kanaän rondom het meer van Galilea. (Num 1:42)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Naftali, de zoon van Jakob bij Bilha. Het stamgebied lag in het noordelijke bergland boven Galilea. (Joz 19:32)
- Zesde zoon van Jakob, naamgever van de gelijknamige Israëlitische stam die haar grondgebied in het noorden van Galilea had. (Matt 4:13)
- Zesde zoon van Jakob (bij Bilha) en stamvader van de gelijknamige stam in noordelijk Galilea. (Tob 1:1)

## Naftuchieten (volk)

- Nakomelingen van Mitsraïm, zoon van Cham. Een van de oude Egyptische volkstammen. (Gen 10:13)

## Nahas (persoon)

- Koning van de Ammonieten in de tijd van Saul. Bekend om zijn wreedheid tegenover de bewoners van Jabes-Gilead, die hij bedreigde met het uitsteken van het rechteroog. (1Sam 11:1)

## Nahath (persoon)

- Zoon van Rehuël en kleinzoon van Esau. Stamvorst van een Edomitische clan. (Gen 36:13)

## Nahor (persoon)

- Naam van twee personen in Genesis: een grootvader van Abraham, en een broer van Abraham gehuwd met Milka. (Gen 11:22)
- Broer van Abraham en zoon van Therah, stamvader van Aramese geslachten. Zijn nakomelingen woonden in Mesopotamië en bleven met Abrahams familie verbonden. (Joz 24:2)

## Nahor (broer Abraham) (persoon)

- Broer van Abraham, gehuwd met Milka, een dochter van Haran. Vader van Bethuël en grootvader van Rebekka. (Gen 22:20)

## Nahor (vader Terah) (persoon)

- Zoon van Serug en vader van Terah, grootvader van Abraham. In de lijn van Sem. (Gen 11:22)

## Nahum (persoon)

- Profeet uit Elkos wiens naam 'troost' betekent. Profeteerde tussen 663 en 612 v.Chr. de val van Nineve aan. (Na 1:1)

## nakomeling (begrip)

- Afstammeling van een persoon of geslacht. Centraal in de Genesisbeloften aan de aartsvaders, die op hun nakomelingen gericht waren. (Gen 12:7)

## nalezen (gebruik)

- Het oprapen van wat na de oogst op het veld was achtergebleven. Wettelijk recht van de armen, weduwen, wezen en vreemdelingen. (Lev 19:10)

## Naomi (persoon)

- Echtgenote van Elimelech en schoonmoeder van Ruth. De naam betekent 'lieflijke' of 'aangename'. (Ruth 1:2)

## nap (begrip)

- Verouderd voor drinkbeker. In de oudheid vaak van metaal, soms zilver of goud; teken van iemands waardigheid. (Gen 44:2)

## Naphli (begrip)

- Naam die in deze vorm in de Schrift niet als zodanig voorkomt. Mogelijk een verbastering of variantspelling van Naftali of een soortgelijke naam. (2Sam 1:1)

## Narcissus (persoon)

- Persoon te Rome wiens huisgenoten in de Heere zijn. Door Paulus gegroet. (Rom 16:11)

## nardus (voorwerp)

- Kostbare reukolie uit de wortel van de nardusplant uit India of de Himalaya. Een van de duurste parfums in de oudheid. (Mark 14:3)
- Een zeer kostbare geurstof gemaakt van de nardusplant uit India. Maria zalfde Jezus' voeten met een pond zalf van onvervalste nardus. (Joh 12:3)

## Nasbas (persoon)

- In het apocriefe boek Tobit een neef van Achiachar. (Tob 11:19)

## Nathan (persoon)

- Profeet aan het hof van koning David, vertrouwensman in geestelijke zaken. Bekend om zijn aankondiging van het Davidisch verbond en zijn bestraffing van David na de zonde met Bath-seba. (2Sam 7:2)
- Profeet die David op zijn zonde wees. Genoemd in opschrift. (Ps 51:2)
- Zoon van David in Lukas' geslachtsregister, langs wie de afstamming van Maria zou lopen. (Luk 3:31)
- Profeet aan het hof van koning David, bekend om zijn berisping van David na de zonde met Bathseba (2 Samuël 12). (Sir 47:1)
- Profeet aan het hof van koning David, vertrouwensman in geestelijke zaken. Bekend om zijn aankondiging van het Davidisch verbond en zijn rol bij de troonsbestijging van Salomo. (1 Kon 1:8)

## Nathanaël (persoon)

- Een discipel van Jezus uit Kana in Galilea, die door Filippus bij Jezus werd gebracht. Hij beleed: Waarschijnlijk dezelfde als Bartholomeüs. (Joh 1:46)

## natuurlijk (begrip)

- Wat tot de natuurlijke, onwedergeboren mens behoort. Onbekwaam tot het geestelijke. (1 Kor 15:44)

## natuurlijke mens (begrip)

- De mens zoals hij van nature is, zonder de werking van de Heilige Geest. Bevattende geestelijke dingen niet. (1 Kor 2:14)
- De natuurlijke mens — de mens zoals hij is door geboorte zonder de Geest, die de dingen Gods niet verstaat. (Jud 1:19)

## navolgen het goede (begrip)

- Aansporing om het deugdzame en met Gods wil overeenstemmende na te streven, in tegenstelling tot het navolgen van het kwaad. (3 Joh 1:11)

## navolger leer (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (2 Tim 3:10)

## navolgers der gemeenten (begrip)

- Aanduiding voor christelijke gemeenten die in geloof en lijden dezelfde weg gaan als de eerste gemeenten in Judea. (1 Th 2:14)

## navolgers Gods (begrip)

- Gelovigen geroepen om God te imiteren in heiligheid, liefde en barmhartigheid. (Ef 5:1)

## navolgers van ons (begrip)

- Aanduiding voor gelovigen die het voorbeeld van de apostelen en in laatste instantie van de Heer in geloof en wandel volgen. (1 Th 1:6)

## navolging (begrip)

- Het Jezus volgen als leerling, gekenmerkt door zelfverloochening en gehoorzaamheid aan zijn weg, ook ten koste van eigen leven. (Matt 4:19)

## Nazareth (plaats)

- Klein dorp in Beneden-Galilea, ongeveer 25 kilometer ten westen van het meer van Galilea. Woonplaats van Jozef en Maria en Jezus' jeugd. (Matt 2:23)

## nazireër (wet)

- Iemand die zich door een speciale gelofte aan God toewijdde. Onthield zich van wijn, schoor zijn haar niet en raakte geen dode aan. (Num 6:2)
- Iemand die zich door een gelofte bijzonder aan JAHWEH had gewijd. Mocht geen wijn drinken, geen scheermes over zijn hoofd laten gaan en geen dode aanraken. (Ri 13:5)

## Nazor (plaats)

- Vlakte in het noorden van Galilea, mogelijk te identificeren met het oudtestamentische Hazor. (1 Makk 11:67)

## Naäman (persoon)

- Zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een Benjaminietische clan. (Gen 46:21)
- Syrische legeroverste die door de profeet Elisa van melaatsheid werd genezen door zich zevenmaal in de Jordaan te baden. (Ex 1:1)
- De Syrische krijgsoverste; Jezus haalde hem aan in de synagoge te Nazareth als heiden die genezing ontving. (Luk 4:27)
- Aramees opperbevelhebber van het leger van koning Ben-Hadad van Damascus. Bekend om zijn genezing van melaatsheid door de profeet Elisa, waarna hij zich tot JAHWEH bekeerde. (2 Kon 5:1)

## Naäman (Benjamin) (persoon)

- Zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een Benjaminietische clan. (Gen 46:21)

## Naämathiet (begrip)

- Aanduiding voor een bewoner van Naäma, een verder onbekende plaats in Arabië of Edom. Komt voor als bijnaam van een van Jobs vrienden. (Job 2:11)

## Naässon (persoon)

- Hebreeuws Nahesson; stamhoofd van Juda ten tijde van de woestijntocht onder Mozes en voorvader van koning David. (Matt 1:4)

## Naïn (plaats)

- Stadje in Galilea waar Jezus de zoon van een weduwe uit de dood opwekte. (Luk 7:11)

## Nebajot (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Ismaël, kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabisch stamverband ten zuiden van Kanaän. (1 Kron 1:29)

## Nebo (plaats)

- Top in het Abarim-gebergte tegenover Jericho, ten oosten van de Jordaan. Vanaf hier zag Mozes vlak voor zijn dood het beloofde land. (Dt 32:49)
- Berg in het overjordaanse, vanwaar Mozes volgens Deuteronomium 34 het beloofde land mocht zien voor zijn dood. (2 Makk 2:4)

## Nebo-Saradan (persoon)

- Babylonische opperbevelhebber van de lijfwacht van Nebukadnezar. Bekend als de uitvoerder van de verwoesting van Jeruzalem en de wegvoering van het volk in ballingschap. (2 Kon 25:8)

## Nebukadnezar (persoon)

- Koning van Babel in de zesde eeuw v. Chr., grondlegger van het nieuw-Babylonische rijk. Bekend om zijn verwoesting van Jeruzalem en de wegvoering van Juda in ballingschap. (2 Kon 24:1)
- Koning van Babel (605-562 v.Chr.) die Juda overwon en Jeruzalem in 586 v.Chr. verwoestte. Voerde het volk in ballingschap. (Jer 21:2)

## Nebuzaradan (persoon)

- Hebr. נְבוּזַרְאֲדָן — overste van de trawanten van Nebukadnezar; voltrok de verwoesting van Jeruzalem en zond Jeremia vrij naar Mizpa bij Gedalja. (Jer 39:9)

## Necho (persoon)

- Egyptische farao uit de zesentwintigste dynastie, regerend in de late zevende eeuw v. Chr. Bekend om zijn militaire campagnes in Syrië en zijn beslissende rol in de geschiedenis van Juda. (2 Kon 23:29)
- Farao van Egypte (610-595 v.Chr.); doodde Josia bij Megiddo, zette Jojakim aan als vazal en werd zelf bij Karkemis door Nebukadnezar verslagen. (Jer 46:2)

## Necho zoon van Psammetichus (persoon)

- Voluit. Farao Necho II — vader van Hofra. (Jer 46:2)

## nederdalen (begrip)

- Het uit de hemel afdalen; in eschatologisch verband de zichtbare wederkomst van Christus uit de hemel. (1 Tess 4:16)

## nederdaling (begrip)

- Beweging naar beneden, in de Bijbel vaak ook in figuurlijke zin als verwijdering van God of afdaling in nood. Tegengesteld aan opgang en verheffing. (Jon 1:3)

## nederig (begrip)

- Wie zich klein weet; wordt door de HEERE verhoogd. (Spr 16:19)
- Bijbels begrip voor wie zich klein weet voor God en niet boven anderen verheft. Een van de hoofddeugden van de wijsheidsliteratuur. (Sir 3:18)

## nederigheid (begrip)

- Zich klein maken voor God. (Ps 51:19)
- Bescheidenheid, ootmoed; voorwaarde voor wijsheid. (Spr 22:4)

## nederigheid bekleden (begrip)

- Wordt met de nederigheid bekleed, want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade. (1 Petr 5:5)

## neef van Barnabas (begrip)

- Over wie zij eerder bevelen ontvingen. (Kol 4:10)

## neem aan als mij (begrip)

- Verzoek om iemand met dezelfde liefde en eer te ontvangen als de spreker zelf zou worden ontvangen. (Flm 1:17)

## neerbuigen (begrip)

- Zich vernederen voor God in eerbied. (Ps 5:8)

## neergedaald in lagere delen (begrip)

- Christus' incarnatie of nederdaling. (Ef 4:9)

## Negeb (plaats)

- Het droge zuidelijke deel van Kanaän, ten zuiden van Hebron. Steppen- en woestijngebied met weinig regenval. (Num 13:17)
- Het droge zuidelijke gebied van Kanaän, tussen het bergland van Juda en de woestijn van Sinaï. Behoorde tot het stamgebied van Juda en Simeon. (Joz 10:40)

## negen visioenen (begrip)

- Aanduiding voor de reeks profetische gezichten waarin God zijn boodschap aan de profeet openbaart. Bij Amos vijf opeenvolgende visioenen. (Am 7:1)

## negende uur (begrip)

- In joodse tijdrekening het negende uur na zonsopgang, omstreeks drie uur 's middags. Vast gebedsuur in de tempel. (Mark 15:34)

## negenenvijftig (vleugelen) (begrip)

- Verzamelde aanduiding van de getalmatige delen van de adelaarvisioen in 4 Ezra: vleugels, vederen en hoofden, geduid als opeenvolgende heersers. (4 Ezra 11:11)

## Negev (plaats)

- Het droge zuidelijke gebied van Israël, tussen Juda en de Sinaï-woestijn. Voornamelijk steppeland met sporadische bewoning. (Ob 1:19)

## Negina (begrip)

- Muziekaanwijzing in opschriften. (Ps 4:1)

## Neginot (begrip)

- Snaarinstrumenten; in opschriften. (Ps 4:1)

## Neginoth (muziekterm)

- Hebreeuws נְגִינוֹת — snaarinstrumenten. Opschrift dat aangeeft dat een psalm met snarenspel begeleid werd. (Ps 4:1)
- Hebreeuwse muziekterm in psalmopschriften, vermoedelijk verwijzend naar snareninstrumenten of begeleiding daarmee. Liturgische aanduiding voor de uitvoering. (Hab 3:19)

## Nehemia (persoon)

- Joodse hofbeambte aan het Perzische hof, in de vijfde eeuw v.Chr. door Artaxerxes als landvoogd naar Jeruzalem gezonden om de stadsmuren te herbouwen. (3 Ezra 5:8)
- Joodse leider uit de 5e eeuw v.Chr. die als landvoogd van Juda de muren van Jeruzalem herbouwde en het volk hervormde. Hoffunctionaris aan het Perzische hof. (Mal 2:11)
- Joodse hofbeambte aan het Perzische hof in de vijfde eeuw v. Chr., later landvoogd van Juda. Bekend om de herbouw van de muren van Jeruzalem en zijn godsdienstige en sociale hervormingen. (Neh 1:1)

## Nehiloth (liturgie)

- Vermoedelijk fluiten of blaasinstrumenten. (Ps 5:1)

## Nehustan (begrip)

- Spotnaam, ('koperding'), die koning Hizkia gaf aan de oude koperen slang van Mozes toen hij haar liet vernietigen. Drukt zijn afkeer uit van de afgodische verering die zij in zijn tijd genoot. (2 Kon 18:4)

## neig Uw oor (begrip)

- Smeking dat God luisteren wil. 'Neig Uw oor, o HEERE!'. (Ps 86:1)

## Nephilim (overig)

- Reuzenachtige wezens die voor de zondvloed op aarde waren. 'Geweldigen, mannen van naam' uit de oudheid; hun precieze aard is in de Bijbel niet uitgewerkt. (Gen 6:4)

## Nephtali (begrip)

- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Naftali, de zoon van Jakob bij Bilha. Het stamgebied lag in het noordelijke bergland boven Galilea. (1 Kron 7:13)

## Nereus (persoon)

- Lid van de gemeente te Rome, door Paulus gegroet. Verder onbekend. (Rom 16:15)

## Neria (persoon)

- Vader van Baruch en zijn broer Seraja, beiden in dienst van koning en profeet ten tijde van Jeremia. (Bar 1:1)

## Nerija (persoon)

- Vader van Baruch en grootvader van Seraja. (Jer 32:12)

## net (begrip)

- Vangtuig; beeld voor de hinderlaag der goddelozen. (Ps 9:16)
- Visnet van geknoopte koorden, in Galilea zowel als werpnet als sleepnet gebruikt. Werd vanuit boten of vanaf de oever uitgeworpen. (Matt 4:20)

## Nethinim (begrip)

- 'Gegevenen', een groep tempelhulpen van vermoedelijk niet-Joodse afkomst die het laagste werk in de tempeldienst verrichtten. Werden volgens de overlevering door David aan de Levieten ten dienste gesteld. (Ezra 2:43)

## netten en pijlen falen (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de onvatbaarheid van het zeedier Leviathan voor menselijke wapens. Onderdeel van de godsrede over Gods scheppingsmacht. (Job 41:27)

## neusgaten (begrip)

- De openingen van de neus waardoor de mens ademt. God blies de levensadem in de neusgaten van de eerste mens. (Gen 2:7)

## nevel (natuur)

- Damp of mist, fijne wolkjes waterdamp dichtbij de grond. In het scheppingsverhaal bevochtigde een nevel de aardbodem voor er regen viel. (Gen 2:6)

## Nicanor (persoon)

- Een der zeven diakenen. (Hand 6:5)
- Naam van verschillende Seleucidische veldheren in de tweede eeuw v.Chr., onder wie de bevelhebber die in 161 v.Chr. door Judas Makkabeüs werd verslagen en gedood. (1 Makk 7:26)

## Nicanor-dag (begrip)

- Joods herdenkingsfeest op 13 Adar, ingesteld na de overwinning van Judas Makkabeüs op de Seleucidische veldheer Nicanor in 161 v.Chr. (2 Makk 15:36)

## Nicodemus (persoon)

- Een Farizeeër en leider van de Joden. Hij kwam 's nachts bij Jezus om Hem vragen te stellen. (Joh 3:1)

## Nicolaus (persoon)

- Een van de zeven eerste diakenen, een Jodengenoot uit Antiochië (proseliet, een heiden die zich tot het Jodendom had bekeerd vóór hij christen werd). Volgens latere kerkvaders zou een dwaalleer ('Nikolaïeten', Op 2:6,15) op zijn naam zijn gesteld; de historische verbinding is onzeker. (Hand 6:5)

## Nicolaüs (persoon)

- Een van de zeven diakenen, een proseliet uit Antiochië. (Hand 6:5)

## Nicolaüs van Antiochië (persoon)

- Een der zeven, een Jodengenoot uit Antiochië. (Hand 6:5)

## niemand op aarde gelijk hem (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de uniciteit van het zeedier Leviathan in de schepping. Slot van de godsrede in het boek Job. (Job 41:33)

## nieren (begrip)

- In het Hebreeuws zetel van geweten en innerlijke beweging. (Ps 7:10)
- Innerlijk, zetel van diepste gevoelens en geweten. (Spr 23:16)

## nieren en hart (uitdrukking)

- Hebreeuws beeld voor de diepste binnenste mens — God. Door opgenomen. (Jer 11:20)

## niet eigenzinnig (begrip)

- Vereiste voor de opziener dat hij niet zijn eigen wil drijft maar zich onderwerpt aan de gemeenschappelijke leer en regel. (Tit 1:7)

## niet gehuwd (uitdrukking)

- Jeremia kreeg van God het bevel ongetrouwd te blijven: geen vrouw te nemen, geen kinderen te krijgen — als profetisch teken dat de gewone bestaansvormen zouden ophouden. (Jer 16:2)

## niet gierig (begrip)

- Bijbels en wijsheidsgebod tegen vrekkigheid en geldgierigheid, die het hart van de naaste en van God afwenden. (Sir 14:3)

## Niet goede wetten (uitdrukking)

- Profetische uitspraak die op de overgave aan vreemde gewoonten wijst als gevolg van Gods straf. Onderdeel van de profetische geschiedenisbeschouwing. (Ez 20:25)

## niet groeten (begrip)

- Weigering van de gebruikelijke begroeting als teken van afwijzing van geloofsgemeenschap met dwaalleraars. (2 Joh 1:11)

## niet in de bres geklommen (uitdrukking)

- Profetische aanklacht tegen herders die hun verantwoordelijkheid bij een aanval verzaken. Tegenovergestelde van wie in de bres staat. (Ez 13:5)

## niet lasteren (begrip)

- Verbod op het kwaadspreken van anderen; christelijke deugd van zachtmoedigheid en bescheidenheid jegens alle mensen. (Tit 3:2)

## niet meer als dienstknecht (begrip)

- Aanduiding van een nieuwe verhouding tussen meester en slaaf op grond van hun gemeenschappelijke broederschap in Christus. (Flm 1:16)

## niet meer van mij gezien (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het verdwijnen uit het zicht door de dood. Klassieke klaagtaal over de menselijke eindigheid. (Job 7:21)

## niet naar bedwang (begrip)

- Aanduiding dat christelijke weldadigheid niet onder dwang of verplichting plaats moet vinden, maar uit een vrijwillig hart. (Flm 1:14)

## Niet om uwentwil (uitdrukking)

- Profetische uitspraak dat Gods reddend handelen niet voortkomt uit menselijke verdienste maar uit zijn eigen heiligheid. Klassieke tekst over soevereine genade. (Ez 36:22)

## niet roemen (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het zich onthouden van zelfverheerlijking, in plaats daarvan God de eer toe te brengen. (Sir 11:4)

## niet roven, geen overspel (uitdrukking)

- Profetische beschrijving van de praktische gerechtigheid die God van zijn volk verlangt. Onderdeel van de morele code in Ezechiël. (Ez 18:7)

## niet snel boos (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor lankmoedigheid en zelfbeheersing in de toorn. Een van Gods eigenschappen die de gelovige moet navolgen. (Sir 28:8)

## niet snel oordelen (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het zich onthouden van overhaast oordelen over anderen, voor men de zaak ten volle kent. (Sir 11:7)

## niet tot toorn (begrip)

- Aanduiding voor de bestemming van de gelovigen, die niet tot de goddelijke toorn maar tot de zaligheid in Christus geroepen zijn. (1 Th 5:9)

## niet uit werken (begrip)

- Theologisch beginsel dat het heil niet door eigen rechtvaardige werken maar uit Gods barmhartigheid wordt verkregen. (Tit 3:5)

## niet verachten (begrip)

- Aansporing aan een gemeenteleider om zijn ambt zo te vervullen dat zijn gezag niet door anderen wordt geringgeschat. (Tit 2:15)
- Bijbels en wijsheidsgebod om medemensen, vooral ouderen, armen en vromen, niet te minachten of te schande te maken. (Sir 8:5)

## niet vermengen (begrip)

- Apostolische tuchtmaatregel waarbij gelovigen geen omgang houden met een ongehoorzame medegelovige om hem tot inkeer te brengen. (2 Th 3:14)

## niet vetten en wol (uitdrukking)

- Profetische aanklacht tegen leiders die zichzelf verzorgen ten koste van het volk. Klassieke kritiek op zelfzuchtige herders. (Ez 34:3)

## niet voorbarig (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor zich te onthouden van overhaast oordelen of beslissingen, voor men de zaak ten volle kent. (Sir 11:7)

## niet wanhopen (begrip)

- Bijbels en wijsheidsgebod om in tegenspoed niet alle hoop op God en zijn uitkomst op te geven, omdat hij barmhartig en machtig is. (Sir 2:10)

## niet werken op de sabbat (uitdrukking)

- God beveelt door Jeremia. Concrete sabbatsethiek. (Jer 17:22)

## niets van heidenen (begrip)

- Vroegchristelijk zendingsbeginsel om geen financiele steun van niet-gelovigen aan te nemen; daarmee samenhangend de plicht van gelovigen tot ondersteuning. (3 Joh 1:7)

## nieuw (begrip)

- In het Nieuwe Testament vaak gebruikt voor wat met Christus is doorgebroken: het nieuwe verbond, de nieuwe mens en de nieuwe schepping. (Mark 1:27)

## nieuw gebod (begrip)

- Jezus' nieuwe gebod bij het Avondmaal. (Joh 13:34)
- Een nieuw gebod schrijf ik u, hetgeen waarachtig is in Hem en in u — dat de duisternis voorbijgaat en het waarachtige licht reeds schijnt. (1 Joh 2:8)

## nieuw graf (plaats)

- Het graf in de hof, waarin nog niemand was gelegd, waar Jozef en Nikodemus Jezus haastig neerlegden. (Joh 19:41)

## nieuw hart en nieuwe geest (uitdrukking)

- Profetische belofte van innerlijke vernieuwing waarbij God het oude harde hart vervangt door een nieuw, ontvankelijk hart en een nieuwe, geneigde geest. Klassieke profetie van wedergeboorte. (Ez 36:26)

## nieuw Jeruzalem (plaats)

- Het hemelse Jeruzalem dat uit de hemel nederdaalt; volkomen woonplaats van God bij de mensen. (Op 21:2)

## nieuw lied (begrip)

- Het nieuwe lied dat de vier dieren en vierentwintig ouderlingen voor het Lam zongen. (Op 5:9)

## nieuw schepsel (begrip)

- Wie in Christus is, is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan. Vrucht van de wedergeboorte. (2 Kor 5:17)

## nieuw schepsel in Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Gal 6:15)

## Nieuw Testament (begrip)

- Bij het Avondmaal. (Luk 22:20)

## nieuw verbond (begrip)

- Christus' verbond is beter. (Hebr 8:8)

## nieuwe hemel en nieuwe aarde (begrip)

- De eerste hemel en aarde gingen voorbij, en de zee was niet meer — Johannes zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. (Op 21:1)

## nieuwe hemelen en aarde (begrip)

- Wij verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont. (2 Petr 3:13)

## nieuwe maan (cultisch)

- Eerste dag van elke maand in de Joodse maankalender. Gevierd met bijzondere brandoffers en bazuingeschal. (Num 28:11)
- Het begin van de joodse maand, dat als feestdag werd gevierd met bijzondere offers en samenkomsten. (Jdt 8:6)
- De eerste dag van iedere maand in de Joodse kalender, gemarkeerd door bijzondere offers. Werd in het Oude Testament als feestdag gerekend. (Neh 10:33)

## nieuwe verbond (begrip)

- Het in Christus' bloed gestichte verbond, waarin de wet in het hart geschreven wordt. Onderscheiden van het oude verbond. (2 Kor 3:6)
- Belofte van Gods wet in het hart en algemene kennis van God. Door het NT op Christus toegepast (Heb ). (Jer 31:31)

## nieuwheid (begrip)

- Vernieuwde levenswandel als vrucht van de wedergeboorte. Tegenovergesteld aan de oudheid van de letter. (Rom 7:6)

## nijd des duivels (begrip)

- Bijbelse en joodse uitleg van de zondeval (Genesis 3): de afgunst van de duivel zou de oorzaak zijn dat de dood in de wereld kwam. (Wijsh 2:24)

## nijdigheid (begrip)

- Afgunstige, kwaadwillige gezindheid jegens anderen. Werk van het vlees, niet van de liefde. (1 Kor 13:4)

## Nijl (plaats)

- De grote rivier van Egypte, levensader van het land. Werd in de eerste plaag door God in bloed veranderd. (Ex 7:20)
- Grote rivier van Egypte. Levensader van het oude land en in de bijbel meermalen toneel van Gods machtsdaden bij de uittocht. (Wijsh 11:6)

## Nikodemus (persoon)

- Farizeeër en overste der Joden die in de nacht tot Jezus kwam; later hielp hij Jezus begraven met mirre en aloë. (Joh 3:1)

## Nikolaïten (volk)

- Sekte berispt te Efeze en Pergamus; verleiding tot afgodenoffer en hoererij. (Openb 2:6)

## Nikopolis (plaats)

- Naam van meerdere steden in de oudheid, in de pastorale brieven vermoedelijk Nikopolis in Epirus aan de westkust van Griekenland. (Tit 3:12)

## Nimrod (persoon)

- Zoon van Cusch en kleinzoon van Cham. Geweldig jager voor het aangezicht van God, stichter van het oudste rijk in Sinear met Babel als hoofdstad. (Gen 10:8)
- Volgens Genesis een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE, stichter van een rijk in Mesopotamië rond Babel en Nineve. Symbool van de heidense wereldmacht. (Mi 5:6)
- Kleinzoon van Cham en achterkleinzoon van Noach, in de Schrift beschreven als een machtige jager voor JAHWEH. Wordt verbonden met de stichting van de eerste rijken in Mesopotamië. (1 Kron 1:10)

## Nineve (plaats)

- Hoofdstad van het Assyrische rijk aan de Tigris. Wereldstad in de oudheid, gesticht door Nimrod of Assur. (Gen 10:11)
- Hoofdstad van het Assyrische rijk aan de Tigris, in 612 v.Chr. door Meden en Babyloniërs verwoest. In het boek Jona doel van de profetische zending. (Matt 12:41)
- Hoofdstad van het Assyrische rijk, gelegen aan de Tigris (huidige Mosul). Verwoest in 612 v.Chr. door een coalitie van Meden en Babyloniërs. (Tob 1:3)
- Hoofdstad van het Assyrische rijk, gelegen aan de Tigris bij het huidige Mosul. In zijn bloeitijd een van de grootste steden van de oude wereld. (Jon 1:2)
- Hoofdstad van het Assyrische rijk, gelegen aan de Tigris bij het huidige Mosul. Werd in 612 v.Chr. door Meden en Babyloniërs verwoest. (Na 1:1)
- Hoofdstad van het Assyrische rijk, gelegen aan de Tigris in het noorden van Mesopotamië. Bekend uit de Schrift als doel van Jona's profetie en als plaats waar Sanherib werd vermoord. (2 Kon 19:36)
- Hoofdstad van het Assyrische rijk, gelegen aan de Tigris in het noorden van Mesopotamië. Werd in 612 v. Chr. door de Babyloniërs en Meden verwoest. (Esth 1:1)

## Nisan (begrip)

- Eerste maand van het joodse jaar (maart-april), de maand van het Pascha. (3 Ezra 5:6)

## Nisroch (begrip)

- Assyrische godheid, vermoedelijk vereerd in een tempel in Nineve. Verder zijn er weinig gegevens over deze god bekend buiten de Schrift. (2 Kon 19:37)

## No-Amon (plaats)

- Hebreeuwse naam voor Thebe, de hoofdstad van Opper-Egypte aan de Nijl. Werd in 663 v.Chr. door de Assyriërs onder Assurbanipal verwoest. (Na 3:8)

## Noach (persoon)

- Tiende geslacht van Adam, vader van Sem, Cham en Jafeth. De enige rechtvaardige van zijn tijd; bouwde de ark op Gods bevel en overleefde met zijn gezin de zondvloed. (Gen 5:29)
- Volgens Genesis 6-9 de rechtvaardige man die met zijn familie en de dieren in een ark de zondvloed overleefde. (Matt 24:37)
- De rechtvaardige man die met zijn familie en de dieren in een ark de zondvloed overleefde. (Luk 17:26)
- Aartsvader die door de ark met zijn gezin de zondvloed overleefde. (Hebr 11:7)
- Rechtvaardige man die volgens Genesis 6-9 met zijn gezin door de zondvloed werd gespaard in de ark, en stamvader werd van de hele mensheid na de vloed. (4 Ezra 3:11)
- Aartsvader na de zondvloed, door God uitverkoren om met zijn gezin in een ark de verwoesting te overleven. Stamvader van het hele menselijke geslacht na de vloed. (1 Kron 1:4)

## Noach, Daniël en Job (uitdrukking)

- Drietal bijbelse figuren dat in de profetische literatuur als toonbeeld van rechtvaardigheid wordt genoemd. Symbool van uitzonderlijke godvrucht. (Ez 14:14)

## Noadja (persoon)

- Joodse profetes ten tijde van Nehemia, behorend tot de tegenstanders van zijn werk. Verdere gegevens over haar zijn schaars. (Neh 6:14)

## Nob (plaats)

- Priesterstad in het stamgebied van Benjamin, vlakbij Jeruzalem. Belangrijk centrum van de eredienst nadat Silo verwoest was, totdat Saul (1Sam 21:1)

## Nobpriesters (begrip)

- De priestergemeenschap te Nob, hoofdzetel van de eredienst na de val van Silo. Werd door koning Saul uitgemoord omdat zij David ongewild hadden geholpen. (1Sam 22:18)

## Nod (plaats)

- Land ten oosten van Eden waarheen Kaïn ging na de vloek. Naam betekent 'omzwerving' of 'land der zwervers'. (Gen 4:16)

## node (begrip)

- Nodig. betekent: het is niet nodig. (Joh 2:25)

## noegmer (begrip)

- Onduidelijke of verouderde term, niet voorkomend in de gangbare bijbeluitgaven. (Lev 1:1)

## nood (begrip)

- Verdrukking en ellende waaruit God de Zijnen verlost. (Ps 31:8)

## nooddruftige (begrip)

- Hij die in dringende nood verkeert. (Ps 10:17)
- Wie het hoogst nodige mist; aan hem moet eer geschonken worden. (Spr 31:20)

## noordelijke koningen (begrip)

- Verbond van Kanaänitische koningen onder leiding van Jabin van Hazor, gevormd om de Israëlitische opmars in het noorden af te slaan. Werden bij de wateren van Merom verslagen. (Joz 11:1)

## nu zeer nuttig (begrip)

- Aanduiding voor de geestelijke ommekeer waardoor iemand die voorheen onnut was, na bekering tot grote dienst wordt. (Flm 1:11)

## nuchter (begrip)

- Bezonnen en zelfbeheerst; in de pastorale brieven kenmerk dat van gelovigen en met name van oudere mannen wordt gevraagd. (Tit 2:2)

## nuchter zijn (begrip)

- Zijt nuchter en hoopt volkomenlijk op de genade die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus. (1 Petr 1:13)

## nuchterheid (begrip)

- Bezonnenheid en zelfbeheersing; in eschatologisch verband een houding van waakzaamheid in afwachting van Christus' wederkomst. (1 Th 5:6)

## Nun (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:15)

## Nunc dimittis (begrip)

- Lofzang van de oude Simeon bij de aanbieding van Jezus in de tempel, beginnend met 'Heere, nu laat Gij Uw dienstknecht gaan in vrede'. Tot de vaste lofzangen van de kerk gerekend. (Luk 2:29)

## nuttig (begrip)

- Bruikbaar, dienstig; tevens de letterlijke betekenis van de Griekse naam Onesimus. (Filem 1:11)

## Nymfa (persoon)

- Genoemd in de slot­groeten; in haar huis is een gemeente. (Kol 4:15)

## Obadja (persoon)

- Profeet wiens naam 'dienaar van de HEERE' betekent. Auteur van het kortste boek van het Oude Testament, dat een oordeel over Edom bevat. (Ob 1:1)
- Naam (betekenis 'dienaar van JAHWEH') van meerdere personen in de Schrift, waaronder een vroom hofbeambte aan het hof van Achab. Wordt herinnerd om zijn bescherming van honderd profeten van JAHWEH tijdens de vervolging. (1 Kon 18:3)

## Obal (persoon)

- Zoon van Joktan en nakomeling van Sem. Stamvader van een zuid-Arabische stam. (Gen 10:28)

## Obed (persoon)

- Zoon van Boaz en Ruth, vader van Isaï en grootvader van koning David. De naam betekent 'dienaar'. (Ruth 4:17)
- Zoon van Boöz en Ruth, vader van Isaï en grootvader van koning David. (Matt 1:5)

## Obed-Edom (persoon)

- Gathiet, mogelijk een Leviet uit Gath-rimmon. Bekend als degene in wiens huis tijdelijk de ark des verbonds verbleef en wiens huishouden door God werd gezegend. (2Sam 6:10)

## Obed-Edom als poortwachter (begrip)

- Aanduiding voor de Levitische dienstfunctie die Obed-Edom met zijn nakomelingen vervulde aan de tempelpoorten. Vormde een uitbreiding van zijn eerdere rol bij het tijdelijk huisvesten van de ark. (1 Kron 26:4)

## Och, dat mijn hoofd water ware (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 9:1)

## Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het vurige verlangen om God persoonlijk te ontmoeten. Onderdeel van de klaag- en zoektaal. (Job 23:3)

## Odollam (plaats)

- Oude stad in de Sefela van Juda, ten zuidwesten van Jeruzalem; in het Oude Testament bekend als Adullam (1 Sam. 22). (2 Makk 12:38)

## Oester-poort (plaats)

- Aanduiding voor een van de poorten van het naballingschapse Jeruzalem. De stadsmuur kende verschillende poorten met namen die verwezen naar hun functie of de waar die er werd verhandeld. (Neh 3:13)

## offer (begrip)

- Een gave aan God, doorgaans een dier dat geslacht en op het altaar verbrand werd. Drukte dankbaarheid, verzoening of toewijding uit. (Gen 4:3)
- Gave die aan God gebracht wordt om te eren, te danken of te verzoenen. Centraal in de wet van Mozes en wijst heen naar de verzoening door Christus. (Ps 4:6)
- Cultische gave aan God, in het oude Israël meestal een dier of plantaardig product. Diende als verzoening, dank of toewijding. (Mark 9:49)
- Een gave die aan God wordt gebracht. In de tempel werden dieren geofferd. (Joh 1:29)
- Aan God opgedragen gave; in Christus is het ene volmaakte offer voor de zonde gebracht. Door gelovigen gebracht als geestelijke offers. (1 Kor 8:1)

## offerande (begrip)

- De daad of het geschenk van het offeren. Oudere term voor de gave die op het altaar aan God werd gebracht. (Gen 4:3)
- Het opdragen van zichzelf of zijn leven aan God als geestelijke dienst. Door Paulus toegepast op het apostolisch werk. (Rom 12:1)
- Bijbels begrip voor het brengen van een offer aan God, vrijwillig of als dankzegging, in de tempeldienst voorgeschreven. (Sir 35:1)

## offers van David (begrip)

- Aanduiding voor de offers die koning David op de dorsvloer van Ornan bracht na de pestilentie. Werden door God beantwoord met vuur uit de hemel en gaven de plaats voor de toekomstige tempel aan. (1 Kron 21:26)

## offerschalen (begrip)

- Schalen van goud of zilver waarin het bloed van offerdieren werd opgevangen of gewijde gaven werden aangeboden. Behoorden tot de standaarduitrusting van de tempel in Jeruzalem. (Ezra 1:9)

## offerwijn (begrip)

- Wijn die als plengoffer aan een afgod gewijd was. Voor vrome Joden onrein en verboden om van te drinken. (EstAp 14:17)

## Ofir (persoon)

- Zoon van Joktan en nakomeling van Sem. Ook naam van een spreekwoordelijk goudrijk land in Arabië. (Gen 10:29)
- Verre, niet zeker geïdentificeerde streek waaruit goud, edelhout en edelstenen werden aangevoerd. Mogelijk gelegen in het zuiden van Arabië, in Oost-Afrika of in India. (1 Kon 9:28)

## Ofir-goud (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor goud van de hoogste kwaliteit, afkomstig uit het ver gelegen land Ofir. Symbool voor het kostbaarste op aarde. (Job 28:16)

## Ofschoon Hij mij doodde, zou ik op Hem hopen (uitdrukking)

- Bijbelse geloofsbelijdenis van het uiterste vertrouwen op God, zelfs in geval van eigen ondergang. Kerntekst over volkomen overgave. (Job 13:15)

## Og (persoon)

- Reuzenkoning van Basan ten oosten van de Jordaan. Door Israël onder Mozes verslagen; zijn ijzeren bedstede was vermaard om haar grootte. (Num 21:33)
- Reuzenkoning van Basan ten oosten van de Jordaan. Door Israël onder Mozes verslagen; zijn ijzeren bedstede was vermaard om haar grootte van negen el lang. (Dt 3:11)
- Reuzenkoning van Basan, een van de laatste vertegenwoordigers van het oude reuzenvolk Refaïeten. Werd vóór de Jordaanovertocht door Mozes verslagen, waarna zijn rijk aan halve Manasse toeviel. (Joz 12:4)
- Koning van Basan, verslagen door Israël. (Ps 135:11)

## ogen als een vlam vuurs (begrip)

- De ogen van de Mensenzoon waren gelijk een vlam vuurs — beeld van doordringend oordeelsvermogen. (Op 1:14)

## ogen des Heeren (begrip)

- De ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen. (1 Petr 3:12)

## ogen verblind (begrip)

- Die zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en weet niet waar hij heengaat — de duisternis heeft zijn ogen verblind. (1 Joh 2:11)

## ogen vol overspel (begrip)

- Hebbende de ogen vol overspel en die niet ophouden van zondigen, verlokkende de onvaste zielen. (2 Petr 2:14)

## ogen voor de blinde, voet voor de kreupele (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor barmhartige zorg jegens hulpelozen. Klassieke beschrijving van godvruchtige gerechtigheid in de wijsheidsliteratuur. (Job 29:15)

## ogen, hoge (begrip)

- Hoogmoedige blik; één van de zes/zeven gruwelen. (Spr 6:17)

## Ohad (persoon)

- Derde zoon van Simeon en kleinzoon van Jakob. (Gen 46:10)

## Ohola (uitdrukking)

- Profetische naam die 'haar tent' betekent. Symbool voor het noordelijk rijk Israël met zijn eigen heiligdommen buiten Sion. (Ez 23:4)

## Ohola en Oholiba (uitdrukking)

- Profetische namen voor de twee zusters in een gelijkenis die Samaria en Jeruzalem vertegenwoordigen. Beeld van de afgoderij van beide rijken. (Ez 23:4)

## Oholiba (uitdrukking)

- Profetische naam die 'mijn tent in haar' betekent. Symbool voor Jeruzalem als plaats waar God zelf zijn tabernakel heeft gevestigd. (Ez 23:4)

## olie (voorwerp)

- In de Bijbel meestal olijfolie, gebruikt voor voeding, verlichting, zalving en als geneesmiddel. Vaak symbool van de Heilige Geest. (Matt 25:3)

## olie boven hen uitstorten (begrip)

- Beeld uit een oude gelijkenis waarin verschillende bomen worden gevraagd koning te worden over de overige. De waardevolle bomen weigeren, de doornstruik aanvaardt het ambt; satire op het zelf gekozen koningschap. (Ri 9:8)

## olie der vreugde (begrip)

- Beeld voor de vreugdezalving. (Ps 45:8)

## olie der weduwe (begrip)

- Aanduiding voor het wonder waarbij de profeet Elisa een arme weduwe uit haar schulden hielp door de wonderlijke vermenigvuldiging van haar laatste fles olie. Voorbeeld van Gods voorzienigheid voor de armen. (2 Kon 4:1)

## olie der zalving (begrip)

- Heilige olie van bijzondere samenstelling, gebruikt bij de zalving van priesters, koningen en cultusvoorwerpen. Symbool van Gods aanstelling en de gave van zijn Geest. (1 Kon 1:39)

## olie en wijn (voorwerp)

- De Samaritaan goot olie en wijn op de wonden van de gewonde — eerste hulp van die tijd. (Luk 10:34)

## olifant (begrip)

- Krijgsdier dat in de hellenistische legers werd ingezet, vooral door de Seleuciden en Ptolemeeën. Geïmporteerd uit India of Afrika. (1 Makk 6:30)

## olifanten (begrip)

- Grote dikhuidige zoogdieren uit Afrika en India. In de oude wereld bekend als oorlogsdieren in de hellenistische tijd. (Zach 14:15)

## olifantgalg (begrip)

- Aanduiding voor een buitengewoon hoge galg, naar verluidt vijftig el (ongeveer 22 meter). Diende als teken van een schandelijke en ongewoon publieke executie. (Esth 7:10)

## Olijfberg (plaats)

- Heuvelrug ten oosten van Jeruzalem, gescheiden van de stad door het Kidron-dal. Bekend uit verschillende episoden in de geschiedenis van koningen, profeten en uiteindelijk Christus. (2Sam 15:30)
- Heuvelrug ten oosten van Jeruzalem, gescheiden van de stad door het Kidrondal. Genoemd naar de olijfgaarden op haar hellingen. (Matt 21:1)
- Bergrug ten oosten van Jeruzalem, gescheiden van de stad door het Kidrondal. Bekend om zijn olijfgaarden en plaats van profetische vervulling. (Zach 14:4)

## Olijfberg (gebed) (plaats)

- Jezus ging naar zijn gewoonte naar de Olijfberg om te bidden voor zijn lijden. (Luk 22:39)

## olijfblad (natuur)

- Blad van de olijfboom. Door de duif uit de ark naar Noach gebracht als teken dat het water van de zondvloed zakte. (Gen 8:11)

## olijfboom (begrip)

- Boom waarvan de vruchten olie leverden voor voedsel, verlichting, zalving en eredienst. Symbool van vrede, vruchtbaarheid en Gods zegen. (Joz 24:13)
- Boom waarvan de vruchten olie leverden voor voedsel, verlichting, zalving en eredienst. Symbool van vrede, vruchtbaarheid en Gods zegen over Israël. (Ri 9:9)
- Vruchtbare en duurzame boom; beeld voor de vrome in Gods huis. (Ps 52:10)
- Beeld van Israël in Gods heilsplan, waarop de heidenen als wilde takken zijn ingeënt. Spreekt van Gods trouw aan Zijn verbond. (Rom 11:17)
- Karakteristieke vruchtboom van het Middellandse-Zeegebied die olie levert. Symbool van vrede, vruchtbaarheid en zegen. (Hos 14:6)

## olijfboomverwoesting (begrip)

- Het aantasten van de olijfboomgaarden door plagen, droogte of insecten. In de Bijbel teken van Gods tucht over land en volk. (Am 4:9)

## olijfhof (begrip)

- Boomgaard met olijfbomen, in Palestina alom voorkomend. De olijfboom is een van de zeven gewassen die volgens Deuteronomium 8 het beloofde land kenmerken. (4 Ezra 16:30)

## olijfolie (cultisch)

- Olie geperst uit olijven, gebruikt in de eredienst voor spijsoffers, voor de heilige zalving en als brandstof voor de gouden kandelaar. (Ex 30:25)
- Olie waarmee priesters en koningen gezalfd werden; teken van vreugde en uitverkiezing. (Ps 23:5)

## olijftakken (begrip)

- Twijgen van de olijfboom. In de bijbel teken van vrede, vruchtbaarheid en zegen. (Jdt 15:15)

## Olympas (persoon)

- Lid van de gemeente te Rome, door Paulus gegroet. Verder onbekend. (Rom 16:15)

## om Christus lijden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Fil 1:29)

## om der liefde wil (begrip)

- Aanduiding voor een verzoek dat niet gegrond is op gezagsbevel, maar op de wederzijdse liefde tussen gelovigen. (Flm 1:9)

## om Mijns Naams wil (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor Gods sparen van zijn volk niet om hun verdienste maar om de eer van zijn eigen Naam. Centraal in de leer van Gods soevereine genade. (Ez 20:14)

## Omar (persoon)

- Zoon van Elifaz en kleinzoon van Esau. Stamvorst van een Edomitische clan. (Gen 36:11)

## omgang (begrip)

- Het omgaan met andere mensen; vormt karakter. (Spr 13:20)

## omgang met goddelozen (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het verkeren met wie zonder God leven, dat volgens de bijbel het hart bederft en op afdwaling brengt (vgl. Psalm 1). (Sir 11:29)

## omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd (uitdrukking)

- Profetische drievoudige uitroep over de tijdelijke verstoring van het Davidische koningschap. Klassieke messiaanse uitspraak in Ezechiël. (Ez 21:27)

## omgord (begrip)

- Beeld van waakzaamheid. (Luk 12:35)

## omkering (begrip)

- Hoofdthema in het boek Esther: het volledig tegengestelde resultaat van een ondernomen actie. Drukt de wonderlijke wending van het lot uit waarmee Gods voorzienigheid wordt aangeduid. (Esth 9:1)

## omkoping (begrip)

- Geschenk dat de rechtspraak vervalst. (Spr 17:23)

## Omri (persoon)

- Koning van het noordelijk rijk Israël (ca. 885-874 v.Chr.), stichter van een dynastie en bouwer van Samaria als hoofdstad. Vader van Achab. (Mi 6:16)
- Zesde koning van het noordelijke rijk Israël, voormalig opperbevelhebber van het leger. Stichter van een dynastie en bouwer van Samaria als nieuwe hoofdstad. (1 Kon 16:16)

## On (plaats)

- Stad in Egypte, het Griekse Heliopolis ('Zonnestad'). Bekend om haar tempel van de zonnegod Re; geboorteplaats van Jozefs vrouw Asnath. (Gen 41:45)
- Zoon van Peleth uit de stam Ruben, in het begin betrokken bij Korachs opstand. Volgens de overlevering door zijn vrouw afgehouden. (Num 16:1)

## On en Pibeseth (plaats)

- Belangrijke Egyptische religieuze centra: het bekende Heliopolis en Bubastis. Plaatsen van zonneverering en kattengodsdienst. (Ez 30:17)

## Onam (persoon)

- Zoon van Sobal en kleinzoon van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:23)

## Onan (persoon)

- Tweede zoon van Juda. Weigerde zijn schoonzus Tamar nakomelingen voor zijn gestorven broer te verwekken; daarom door God gedood. (Gen 38:4)

## onbekende God (begrip)

- Het altaar te Athene met het opschrift dat Paulus aanving om de waren God bekend te maken. (Hand 17:23)

## onbesmet (begrip)

- Zichzelf onbesmet bewaren van de wereld behoort tot de zuivere en onbevlekte godsdienst. (Jak 1:27)

## onbevlekkelijke erfenis (begrip)

- De erfenis is onverderfelijk, onbevlekkelijk en onverwelkelijk — bewaard in de hemelen voor de gelovigen. (1 Petr 1:4)

## onbevlekt en onbestraffelijk (begrip)

- Daar u deze dingen verwacht, benaarstigt u dat u onbevlekt en onbestraffelijk Hem bevonden moogt worden in vrede. (2 Petr 3:14)

## onbewegelijk koninkrijk (begrip)

- Wij ontvangen een onbewegelijk koninkrijk; daarom laat ons de genade vasthouden om Gode aangenaam te dienen met eerbied en godvruchtigheid. (Hebr 12:28)

## onderdanig (begrip)

- Zich vrijwillig schikkend onder een rechtmatig gezag; in nieuwtestamentisch gebruik gevraagd in maatschappelijke en gezinsverhoudingen. (Tit 2:5)

## ondergang priesters (begrip)

- Aanduiding voor het verval van het priesterschap door verachting van Gods naam en eredienst. Door de profeten met vloek en oordeel bedreigd. (Mal 2:1)

## ondergang van de stad (begrip)

- De val en verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar in 586 v.Chr., met de tempel en wegvoering van het volk in ballingschap. (4 Ezra 3:1)

## onderhoud leraar (begrip)

- Materiële zorg voor de leraar — Pauline regel ook. (Gal 6:6)

## onderkoning (begrip)

- Tweede in rang onder een koning, met grote bestuursmacht over een rijk of provincie. Jozef werd onderkoning van Egypte naast farao. (Gen 41:40)

## onderling vrede (begrip)

- Onderlinge eensgezindheid en harmonie binnen de gemeente. (1 Th 5:13)

## onderpand (begrip)

- Iets dat als waarborg wordt achtergelaten voor een belofte of schuld. Tot de schuld is voldaan, kan men er aanspraak op maken. (Gen 38:17)
- Borg of waarborg; van de Heilige Geest als onderpand van de toekomstige erfenis. Garantie van de volkomen verlossing. (2 Kor 1:22)

## onderscheiding (begrip)

- Geestelijk vermogen om geesten en zaken te onderscheiden. Gave van de Geest tot opbouw van de gemeente. (1 Kor 12:10)

## onderste delen van de aarde (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor het dodenrijk, gedacht als de diepste plaats onder de aarde. (Geb. Man. 1:12)

## ondersteuning (begrip)

- Praktische, financiele of materiele steun aan rondreizende verkondigers en zendelingen. (3 Joh 1:6)

## ondervoogd (begrip)

- Onderbestuurder van een Perzische provincie, plaatsvervanger van de satraap. In de Septuaginta vertaling van Perzisch ambtelijk woord. (3 Ezra 6:3)

## onderwerpen (begrip)

- Onder gezag brengen of overwinnen. In het scheppingsverhaal opgedragen aan de mens om de aarde te onderwerpen en te bewerken. (Gen 1:28)

## onderwijs (begrip)

- Hebr. לֶקַח (leqach) — leer, lering die wordt aangenomen. (Spr 1:5)

## onderworpenheid (begrip)

- Gewillige plaatsing onder een hoger gezag, in het bijzonder onder God en Zijn ordeningen. Vrucht van het geloof. (Rom 13:1)

## ondoodlijkheid (begrip)

- Eigenschap niet meer aan de dood onderhevig te zijn. Bezit van het verheerlijkte opstandingslichaam. (1 Kor 15:53)

## oneerlijke zaak (begrip)

- Verzwegen kwaad, schande of overspel. In bijbels spraakgebruik aanduiding van zedelijke ongerechtigheid. (Sus 1:63)

## Onesiforus (persoon)

- Christen die Paulus heeft en zich niet schaamde voor zijn keten. (2 Tim 1:16)

## Onesimus (persoon)

- Vroegchristelijke slaaf van Filemon te Kolosse, weggelopen en door Paulus tot het geloof gebracht; volgens de overlevering later bisschop van Efeze. (Kol 4:9)

## Onesimus betekenis (begrip)

- De Griekse naam Onesimus betekent 'nuttig' of 'bruikbaar', een gangbare slavennaam in de oudheid. (Flm 1:11)

## ongebondenheid (begrip)

- Het ontbreken van tucht. (Spr 29:18)

## ongedierte (begrip)

- Verzamelnaam voor kleine kruipende dieren en ongewervelden. In de spijswetten als onrein bestempeld en daarom verboden om te eten. (Lev 11:20)

## ongehevelde broden (begrip)

- Brood zonder zuurdesem, gebakken bij het Pascha en gegeten gedurende het zevendaagse feest van de ongezuurde broden. (3 Ezra 1:10)

## ongehoorzaamheid (begrip)

- Het niet opvolgen van een gegeven gebod, in het bijzonder van Gods wil. Oerzonde van de mens in Eden. (Gen 3:6)
- Bewuste afwijking van Gods geboden. Bron van Gods toorn over de zonde. (Rom 5:19)

## ongehuwd (begrip)

- Wie niet getrouwd is en geheel aan de Heere is toegewijd. Door Paulus aanbevolen voor wie deze gave heeft. (1 Kor 7:8)

## ongelijk juk (begrip)

- Ongelijke verbintenis tussen gelovige en ongelovige, in het bijzonder in huwelijk of compagnonschap. Door de apostel verboden. (2 Kor 6:14)

## ongeloof (begrip)

- Het ontbreken of weigeren van geloof in God of zijn boodschap. Bijbels beschouwd als zonde en oorzaak van geestelijke onvruchtbaarheid. (Mark 6:6)
- Het niet geloven in God of in Jezus. Ondanks vele tekenen geloofden velen niet in Jezus, waarmee de profetie van Jesaja werd vervuld. (Joh 12:37)
- Het ontbreken of weigeren van het geloof in Gods Woord. Wortel van alle zonde en oorzaak van Gods oordeel. (Rom 11:20)

## ongelovige (begrip)

- Mens zonder het zaligmakend geloof in Christus. Nog onder oordeel en duisternis. (1 Kor 7:12)

## ongelovigheid (begrip)

- Vanwege ongelovigheid zijn zij niet ingegaan in Gods rust; ziet toe dat niet in iemand een boos en ongelovig hart zij om af te wijken van de levende God. (Hebr 3:19)

## ongerechtigheid (begrip)

- Afwijking van Gods recht en wil; zonde. Bestaat zowel uit verkeerde daden als uit verkeerde gezindheid. (Ps 32:5)
- Wetteloosheid en onrecht voor God. Tegenovergesteld aan de gerechtigheid die uit het geloof is. (Rom 1:18)
- Tegen Gods wet ingaande gezindheid en gedragingen; in het Nieuwe Testament kenmerk van de wereld buiten Christus. (2 Tess 2:7)

## ongeregeld wandelen (begrip)

- Ordeloze levenswandel waarbij men zich onttrekt aan eerlijke arbeid en ten laste komt van anderen. (2 Th 3:6)

## ongestadigheid (begrip)

- De dubbelhartige is ongestadig in al zijn wegen — kenmerk van wankelend geloof. (Jak 1:8)

## ongeveinsd geloof (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (1 Tim 1:5)

## ongeveinsde liefde (begrip)

- Reinigt uw zielen tot ongeveinsde broederlijke liefde door de Geest, en hebt elkander vurig lief uit een rein hart. (1 Petr 1:22)

## ongevormde stof (begrip)

- In de hellenistische filosofie de oerstof zonder vorm of orde. In het apocriefe Wijsheid van Salomo verbonden met de chaos van Genesis 1:2. (Wijsh 11:17)

## ongezuurd (begrip)

- Brood gemaakt zonder gist. Snel te bereiden, daarom voor onverwachte gasten en bij overhaast vertrek. (Gen 19:3)

## ongezuurde broden (cultisch)

- Brood zonder gist, gegeten tijdens het zevendaagse feest dat onmiddellijk op het pascha volgde. Herinnering aan de haastige uittocht uit Egypte. (Ex 12:8)
- Brood gebakken zonder gist of zuurdesem, in het jodendom voorgeschreven tijdens het zevendaagse feest dat aansluit op het Pascha. (Mark 14:1)
- Brood zonder zuurdesem, gebakken bij het Pascha en gegeten gedurende het zevendaagse feest van de ongezuurde broden. (3 Ezra 7:14)

## ongoddelijk ijdelroepen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (2 Tim 2:16)

## Onias (persoon)

- Naam van verschillende joodse hogepriesters in de derde en tweede eeuw v.Chr. Onias III werd in 171 v.Chr. te Daphne vermoord. (1 Makk 12:7)

## Onias III (persoon)

- Joodse hogepriester (begin tweede eeuw v.Chr.), in de bijbel geprezen om zijn vroomheid. Verdrongen door zijn broer Jason en omgebracht door Andronicus. (2 Makk 3:1)

## onkruid (begrip)

- Ongewenste planten tussen de gewassen op de akker. In de gelijkenis vermoedelijk dolik, een graslook die op tarwe lijkt en niet aan zijn vrucht te onderscheiden is. (Matt 13:25)

## onrecht (begrip)

- Tegendeel van Gods recht. (Ps 94:20)

## onrechtvaardige koning (persoon)

- Aanduiding voor Nebukadnezar, koning van Babel, die Israël onderwierp en de tempel verwoestte. (Geb. Az. 1:32)

## onrechtvaardige rechter (begrip)

- De rechter die niet vreesde voor God noch om de mens gaf, maar de aandringende weduwe haar recht gaf. (Luk 18:2)

## onrechtvaardige rentmeester (begrip)

- De rentmeester die de schulden van zijn heers debiteuren verminderde om een welkom huis te krijgen. (Luk 16:1)

## onredelijke dieren (begrip)

- Deze valse leraars zijn als onredelijke dieren, die de natuur volgen, geboren tot vangst en verderving — lasterende hetgeen zij niet verstaan. (2 Petr 2:12)
- Dwaalleraars handelen als onredelijke dieren, die slechts hun natuurlijke instincten volgen — geen geestelijk onderscheidingsvermogen. (Jud 1:10)

## onrein (begrip)

- Cultische staat die toegang tot het heiligdom verhinderde. Veroorzaakt door dood, ziekte, lichamelijke vloeiing of contact met onreine dieren. (Gen 7:2)
- Cultische staat die toegang tot de tabernakel of tempel verhinderde. Veroorzaakt door dood, ziekte, lichamelijke vloeiing of contact met onreine dieren of personen. (Lev 11:24)

## onreine geest (demonisch)

- Demonische, kwade geestelijke macht die mensen kan beheersen of bezetten. In de evangeliën door Jezus uitgedreven met enkel een woord van gezag. (Mark 1:23)

## onreinheid (begrip)

- Afgesneden van het leven Gods. (Ef 4:19)

## ons niet aannemen (begrip)

- Weigering om apostolisch gezag of de boodschap van een gezant te erkennen; uiting van kerkelijke verzelfstandiging tegen apostolische leiding. (3 Joh 1:9)

## onschuldig (begrip)

- Vrij van zonde. (Spr 10:9)

## onschuldig bloed (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor het bloed van iemand die ten onrechte ter dood gebracht zou worden. Vergieten ervan brengt grote schuld. (Sus 1:62)

## onschuldige handen (begrip)

- Beeld voor zuiverheid van handelen. (Ps 24:4)

## onsterfelijkheid (begrip)

- Het bezit van een leven dat niet meer aan de dood onderhevig is. Eigen aan God en geschonken in de opstanding. (1 Kor 15:54)
- Het niet-sterfelijk zijn. In de hellenistisch-joodse literatuur en het Nieuwe Testament gave van God aan de gelovigen, naar lichaam en ziel. (Wijsh 2:23)

## onstraffelijk stellen (begrip)

- God is machtig om de gelovigen onstraffelijk voor Zijn heerlijkheid te stellen, met grote vreugde. (Jud 1:24)

## ontbinden (begrip)

- Rabbijnse term voor het toestaan of vergeven, tegenovergesteld aan binden. In het Nieuwe Testament gebruikt voor het tucht- en vrijspraakgezag van de gemeente. (Matt 16:19)

## ontelbare menigte (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor een mensenmassa zo groot dat zij niet kan worden geteld; vaak in apocalyptische beelden voor legers of de verloste schare. (4 Ezra 13:11)

## ontembaar kwaad (begrip)

- De tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn. (Jak 3:8)

## ontferming (begrip)

- Gods diepe medelijden waarmee Hij Zich neerbuigt over de bedrukten. (Ps 103:13)
- De ontferming van God over ellendigen, die zich in barmhartigheid uit. Bron van het heil en grond van de zending. (Rom 9:16)
- Innerlijke barmhartigheid en deernis van God met wie in nood is. Centraal kenmerk van Gods karakter in de bijbel. (3 Makk 2:19)
- Gods barmhartige bewogenheid met mensen in nood, die zich uit in vergeving, hulp en bescherming. Centraal aspect van zijn karakter. (Hos 2:23)
- Gods barmhartige bewogenheid met mensen in nood, die zich uit in vergeving, hulp en bescherming. Strekt zich in de Bijbel ook uit tot heidenen. (Jon 4:11)
- Gods barmhartige bewogenheid met mensen in nood, die zich uit in vergeving, hulp en bescherming. (Na 1:7)

## ontferming met onderscheid (begrip)

- Ontfermt u dan over sommigen, onderscheid makende — pastoraal handelen met geestelijk onderscheidingsvermogen. (Jud 1:22)

## ontheiliging (begrip)

- Het wegnemen van het heilige karakter van iets of iemand door verontreiniging of nalatigheid. Tegengesteld aan heiliging. (Hag 2:13)

## ontkomen met de huid mijner tanden (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor wie nauwelijks levend uit groot gevaar ontsnapt. Spreekwoordelijk geworden in de Nederlandse taal. (Job 19:20)

## ontkomenen (begrip)

- Het overblijfsel dat na een oordeel of ramp behouden blijft. Belangrijk profetisch begrip voor het door God geredde deel van het volk. (Joël 2:32)

## ontroerd (begrip)

- Diep bewogen, geschokt. Jezus was ontroerd in de geest bij het graf van Lazarus en toen Hij het verraad van Judas aankondigde. (Joh 11:33)

## ontroerd in gemoed (begrip)

- Innerlijke verstoring of verschrikking, in het bijzonder veroorzaakt door valse leringen aangaande de eindtijd. (2 Th 2:2)

## ontslapenen (begrip)

- Aanduiding voor gestorven gelovigen, in nieuwtestamentisch gebruik gekleurd door de hoop op de opstanding. (1 Th 4:13)

## ontstoken (begrip)

- Verouderd voor 'in toorn ontstoken' of 'kwaad geworden'. Gebruikt voor heftige emotionele reacties. (Gen 4:5)

## ontuchtige wandel (begrip)

- Lot werd gekweld door de ontuchtige wandel der gruwelijken, ziende en horende hun ongerechtige werken dag op dag. (2 Petr 2:7)

## ontuchtigheid (begrip)

- Losbandigheid; dwaalleraars veranderen Gods genade in ontuchtigheid. (Jud 1:4)

## ontvang als ingewanden (begrip)

- Aansporing om iemand met diepste hartelijkheid te ontvangen, alsof hij de eigen innerlijke mens betreft. (Flm 1:12)

## ontvang de Heilige Geest (theologisch)

- De opgestane Heere blies over Zijn discipelen en gaf hun de Heilige Geest, met volmacht zonden te vergeven — voorafschaduwing van de volle uitstorting op Pinksteren. (Joh 20:22)

## ontvangen schuldig (begrip)

- De zedelijke verplichting voor gelovigen om rondreizende verkondigers gastvrij op te nemen en te ondersteunen. (3 Joh 1:8)

## ontvangst van de Geest (theologisch)

- Het ontvangen van de Heilige Geest door de gelovigen — niet uit werken der wet, maar uit de prediking van het geloof. (Gal 3:2)

## ontvluchte slaaf (begrip)

- Slaaf die zonder toestemming zijn meester verlaten heeft; in de Grieks-Romeinse wereld een ernstig misdrijf met zware straffen. (Flm 1:15)

## ontwaak (begrip)

- Roep tot God in nood. (Ps 44:24)

## ontwapend (begrip)

- Christus' overwinning over de boze. (Kol 2:15)

## ontworteld (begrip)

- Bomen ontworteld — geen levensverbinding meer met Christus de Wijnstok; uitgerukt om verbrand te worden. (Jud 1:12)

## ontzieling (begrip)

- Verouderde aanduiding voor het ontwijden of beroven van iets heiligs. (2 Makk 6:4)

## onuitsprekelijke vreugde (begrip)

- Christus liefhebbende, in Wie u u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, hoewel Hij niet gezien wordt. (1 Petr 1:8)

## onverderfelijk (begrip)

- Een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. (1 Petr 1:4)

## onverderfelijke (begrip)

- Onaantastbaar, niet onderhevig aan dood of bederf; eigenschap van God en van de erfenis die voor de gelovigen weggelegd is. (1 Tim 1:17)

## onverderfelijkheid (begrip)

- Onaantastbaarheid voor verderf en bederf. In bijbelse en hellenistische zin een eigenschap van God die de gelovigen wordt geschonken. (Wijsh 2:23)

## onverderfelijkheid aan het licht (begrip)

- Door Christushet leven en de onverderfelijkheid aan het licht' gekomen. (2 Tim 1:10)

## onverdiend lijden (begrip)

- Het is genade indien iemand om het geweten voor God zwarigheden verdraagt, lijdende ten onrechte. (1 Petr 2:19)

## onverdraaielijk (begrip)

- Niet aan te tasten of te weerleggen; aanduiding van het gezonde, onaangevochten karakter van de zuivere leer. (Tit 2:8)

## onvergankelijk zaad (begrip)

- U bent wedergeboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. (1 Petr 1:23)

## onverstandige (begrip)

- Wie zonder verstand handelt; nog te onderwijzen, maar in gevaar. (Spr 7:7)

## onvruchtbaar (begrip)

- Zonder goede werken of geestelijke vrucht; tegengesteld aan een geloof dat zich werkdadig betoont. (Tit 3:14)

## onvruchtbaarheid (begrip)

- Het niet in staat zijn kinderen te krijgen. In de oudheid grote schande voor een vrouw; in de Bijbel vaak voorspel van Gods wonderbare ingrijpen. (Gen 11:30)

## onwaardig (begrip)

- Op een wijze die de heiligheid van het sacrament miskent. Brengt oordeel in plaats van zegen. (1 Kor 11:27)

## oog des lichaams (begrip)

- 'De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam verlicht'. (Luk 11:34)

## ooggetuigen (begrip)

- Wij hebben Zijn majesteit gezien als wij geen kunstig verdichte fabelen nagevolgd hebben, maar zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. (2 Petr 1:16)

## oogst (begrip)

- Inzameling van de vruchten. (Ps 126:5)
- Het binnenhalen van rijp gewas. In de Bijbel vaak beeld van de eindtijdelijke verzameling van mensen voor het oordeel of het Koninkrijk. (Matt 9:37)
- Inzameling; tijd van vrucht. (Spr 6:8)

## oogst der aarde (begrip)

- De oogst die door de Mensenzoon op de wolk werd ingezameld met een scherpe sikkel. (Op 14:15)

## oogwenk (begrip)

- Een ondeelbaar moment; van de plotselinge verandering bij de wederkomst van Christus. Zo snel zal de opstanding geschieden. (1 Kor 15:52)

## oogzalf (voorwerp)

- De geestelijke oogzalf die Christus de Laodicensen aanraadt te kopen, opdat zij mogen zien. (Op 3:18)

## ooi (begrip)

- Vrouwelijk schaap; in de Psalmen beeld van Gods kudde die wordt geweid. Ook als beeld in Nathans gelijkenis. (Ps 78:71)

## ooien (natuur)

- Vrouwelijke schapen. Belangrijkste melk- en wolproducerende schapen in de kudde. (Gen 31:38)

## ooievaar weet zijn tijd (uitdrukking)

- De vogels weten meer dan de mensen. (Jer 8:7)

## oorblazer (begrip)

- Roddelaar, lasteraar; ontwricht vriendschappen. (Spr 16:28)

## oordeel (begrip)

- Gods rechtvaardige uitspraak en vergelding over zonde. Soms ook menselijk recht spreken over een zaak of persoon. (Gen 6:7)
- Gods rechterlijke uitspraak over rechtvaardigen en goddelozen. Aan het eind der dagen komt Hij om de aarde te oordelen in gerechtigheid. (Ps 1:5)
- Het rechterlijke handelen van God, waarin Hij ieder mens beoordeelt en beloont of straft. Komt zowel reeds in de geschiedenis als definitief aan het einde. (Matt 25:31)
- Goddelijk gericht waarbij God recht doet. Het laatste oordeel zal in gerechtigheid zijn door Jezus Christus. (Rom 2:2)
- Goddelijk gericht waarin God recht doet en aan ieder vergeldt naar zijn werken; in eschatologisch verband het laatste oordeel. (2 Tess 1:5)
- Gods rechterlijke oordeel over mensen en volken. In de profetie en apocalyptiek vooral het laatste oordeel aan het einde van de tijden. (4 Ezra 7:43)

## oordeel der wereld (begrip)

- 'Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden'. (Joh 12:31)

## oordeel van het huis Gods (begrip)

- Het is de tijd dat het oordeel beginne van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen die het Evangelie Gods ongehoorzaam zijn? (1 Petr 4:17)

## oordeel zonder barmhartigheid (begrip)

- Een onbarmhartig oordeel zal geschieden over hem die geen barmhartigheid gedaan heeft — daarom is barmhartigheid wezenlijk in het Christen-zijn. (Jak 2:13)

## oordelen (begrip)

- Recht spreken. In bijbelse en apocalyptische zin ook de eindtaak van God of zijn heiligen om recht te doen aan alle mensen. (Wijsh 3:8)

## oordelen over de volken (uitdrukking)

- Groot blok van profetieën tegen Egypte, de Filistijnen, Moab, Ammon, Edom, Damascus, Kedar/Hazor, Elam en Babel. Bewijst dat de HEERE God van alle volken is. (Jer 46:1)

## oorlog in de hemel (begrip)

- Michael en zijn engelen voerden krijg tegen de draak en zijn engelen — de draak werd uitgeworpen. (Op 12:7)

## Oosten (begrip)

- De richting van de zonsopgang. In Genesis vaak verwijzend naar Mesopotamië en Arabië, herkomstgebied van Israël en zijn buren. (Gen 25:6)

## oosterpoort (uitdrukking)

- De oostelijke ingang van het tempelterrein, in profetische visioenen van bijzondere betekenis. Plaats waardoor Gods heerlijkheid uittrekt en terugkeert. (Ez 40:6)

## ootmoed (begrip)

- Diepe nederigheid voor God. (Ps 25:9)
- Hebr. עֲנָוָה — nederigheid voor God en mens; gaat aan eer vooraf. (Spr 15:33)
- Bijbels begrip voor nederigheid voor God en mensen. In de bijbel hoog gewaardeerd als grondhouding van de gelovige. (Sir 3:17)
- Houding van nederigheid en bescheidenheid, in de Bijbel hoog gewaardeerd. Tegenovergesteld aan trots en hoogmoed. (Zach 9:9)

## ootmoedige (begrip)

- Wie zich klein maakt voor God. (Ps 147:6)

## ootmoedigen (begrip)

- God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade — daarom moet ootmoedig zijn voor God. (Jak 4:6)
- Mensen die zich klein weten voor God en oprecht zijn wil zoeken. In de profeten vaak aangeduid als het godvruchtige overblijfsel. (Zef 2:3)

## ootmoediging (begrip)

- Verootmoediging waarbij iemand zich klein weet voor God en zijn afhankelijkheid erkent. Tegenovergesteld aan de verharding die ondanks tucht volhardt in zonde. (Am 4:6)

## ootmoediglijk wandelen (begrip)

- Levenswandel waarin men nederig en in afhankelijkheid met God omgaat. Onderdeel van de bijbelse samenvatting van wat God van mensen vraagt. (Mi 6:8)

## opbeuren (begrip)

- Oprichten wie gevallen of bedrukt is. (Ps 145:14)

## opdat gij gelooft (begrip)

- Het uitgesproken doel van Johannes' evangelie: het tot stand brengen van geloof. (Joh 20:31)

## opdat heidenen weten (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking dat Gods handelen gericht is op zijn erkenning onder de volken. Onderdeel van het missionaire perspectief. (Ez 36:23)

## opdracht in de tempel (gebruik)

- Jezus werd op de achtste dag besneden en in de tempel opgedragen volgens de wet. (Luk 2:22)

## open boekje (voorwerp)

- Het kleine geopende boek dat Johannes uit de hand van de engel moest opeten — zoet in de mond, bitter in de buik. (Op 10:2)

## open deur (begrip)

- De belofte aan Filadelfia. (Op 3:8)

## openbare zonden (begrip)

- Terwijl andere later openbaar worden. (1 Tim 5:24)

## openbaring (begrip)

- Het door God bekendmaken van wat anders verborgen zou blijven. Hoogtepunt in Jezus Christus. (1 Kor 2:10)
- Paulusdoor de openbaring van Jezus Christus' ontvangen, niet van mensen. (Gal 1:12)

## openbaring der heerlijkheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (Kol 3:4)

## openbaring van de boze (begrip)

- Het in het openbaar treden van de eindtijdelijke tegenstander aan het einde van de tegenwoordige eeuw. (2 Th 2:8)

## openbaring van Heere (begrip)

- Het zichtbaar verschijnen van Christus uit de hemel met de engelen Zijner kracht bij Zijn wederkomst. (2 Th 1:7)

## openbaring van Jezus Christus (begrip)

- Hoopt volkomenlijk op de genade die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus — de wederkomst. (1 Petr 1:13)

## opening der Schriften (begrip)

- De opgestane Heere opende hun verstand opdat zij de Schriften zouden verstaan. (Luk 24:45)

## openlijke bestraffing (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Gods oordeel. (1 Tim 5:20)

## Opgang uit de hoogte (begrip)

- Beeldspraak voor de Messias als opgaande zon die Gods volk verlicht, gebruikt in de lofzang van Zacharias. (Luk 1:78)

## opgeblazen mond (begrip)

- Hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om gewins wil — opvallend gedrag. (Jud 1:16)

## opgeblazenheid (begrip)

- Hoogmoedig opzwellen door valse kennis of partij. Tegenovergesteld aan de liefde die opbouwt. (1 Kor 13:4)

## opgeheven hand (uitdrukking)

- Bijbels gebaar van eed waarbij iemand de hand verheft om zijn woord te bekrachtigen. Klassieke uitdrukking voor verbondssluiting. (Ez 20:5)

## opgenomen in heerlijkheid (begrip)

- Slotfrase van het mysterie van godzaligheid. (1 Tim 3:16)

## opgesloten in huis (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij de profeet zich in zijn huis opsluit als symbolische beperking van zijn taak. Onderdeel van de symbolische bediening. (Ez 3:25)

## opgevaren door de wolken (begrip)

- Sleutelvers van de wederkomst. (Op 1:7)

## opheffen (begrip)

- De handen of de ziel naar God uitstrekken. (Ps 28:2)

## ophefoffer (cultisch)

- Deel van het offer dat door de priester omhoog geheven werd voor God. Het kwam vervolgens aan de priester toe als zijn aandeel. (Ex 29:27)
- Deel van het dank- of vrederoffer dat door de priester omhoog geheven werd voor God. Het kwam vervolgens aan de priester toe als zijn aandeel. (Lev 7:30)
- Deel van het offer dat door de priester omhoog geheven werd voor de Heere en daarna aan de priesters toekwam. (Num 31:29)

## ophitsen (begrip)

- Het aanzetten van een ander tot kwaad of opstand, vooral tegen God of de overheid. (Ex 1:1)

## ophitsers (begrip)

- Leiders die het volk verleiden of opzetten tot kwaad door hebzucht of valse leer. Door de profeten scherp aangeklaagd. (Mi 3:5)

## oplegging der handen (gebruik)

- De plechtige handeling waarmee de apostelen de zeven diakenen tot hun ambt stelden. (Hand 6:6)

## opname (begrip)

- Jezus' opgang naar Jeruzalem en hemelvaart. (Luk 9:51)

## opnemen (begrip)

- Het bij Christus' wederkomst tegelijk worden weggevoerd van de levende gelovigen om Hem in de lucht te ontmoeten. (1 Tess 4:17)

## opnemen en wegvoeren door de Geest (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor profetische vervoering waarbij iemand door Gods Heilige Geest wordt verplaatst. Komt ook voor bij Filippus in Handelingen 8. (Ez 8:3)

## opnieuw geboren (begrip)

- Wedergeboorte, geestelijk opnieuw beginnen. Jezus zei tegen Nicodemus dat je opnieuw (van boven) geboren moet worden om het Koninkrijk van God te zien. (Joh 3:3)

## opperschipper (begrip)

- Hoofd van de bemanning van een schip, vergelijkbaar met de kapitein. Verantwoordelijk voor de leiding tijdens de vaart. (Jon 1:6)

## opperzangmeester (liturgie)

- Leider van de tempelzang, aan wie diverse psalmen liturgisch zijn opgedragen. Vermeld in opschriften als 'voor den opperzangmeester'. (Ps 4:1)

## oprecht (begrip)

- Eerlijk en zonder veinzerij voor God en mensen. Belangrijke karaktereigenschap die God van Zijn dienstknechten verlangt. (Gen 6:9)
- Eigenschap van wie eenvoudig en ongeveinsd in geloof en wandel is. Een van de kerneigenschappen die in de Bijbel een godvrezende persoon kenmerken. (Job 1:1)

## oprechte (begrip)

- Hij wiens hart één is met God, zonder dubbelheid. (Ps 7:11)
- Wie zonder veinzerij en in oprechtheid wandelt; geliefd bij de HEERE. (Spr 2:7)

## oprechte zin (begrip)

- In beide zendbrieven wek ik door vermaning uw oprecht gemoed op, opdat u gedenkt aan de woorden van de heilige profeten en het gebod van de apostelen. (2 Petr 3:1)

## oprechtheid (begrip)

- Hebr. יֹשֶׁר (yosher) — rechtheid van hart en weg. (Spr 11:3)

## oprichten (begrip)

- Wie neergebogen is overeind helpen. (Ps 146:8)

## oproer in de tempel (begrip)

- Het oproer in Jeruzalem dat tot Paulus' arrestatie leidde, na valse beschuldiging dat hij heidenen in de tempel had gebracht. (Hand 21:28)

## opschrift (voorwerp)

- Inscriptie of bordje, in de Romeinse strafprocedure boven het kruis aangebracht met de aanklacht tegen de gekruisigde. (Mark 15:26)
- Een tekst die boven het kruis werd geplaatst. Pilatus schreef: in het Hebreeuws, Grieks en Latijn. (Joh 19:19)

## opspringen (begrip)

- Het ongeboren kind Johannes sprong op van vreugde in Elisabeths schoot toen Maria binnenkwam. (Luk 1:41)

## opstand (begrip)

- Het zich verheffen van de eindtijdelijke tegenstander tegen God en alles wat goddelijk genoemd wordt. (2 Tess 2:4)
- Gewapend verzet tegen een gevestigd gezag. In bijbelse zin meestal in religieus en nationaal kader, zoals de Makkabese opstand tegen Antiochus IV. (1 Makk 2:27)

## opstanding (begrip)

- Het lichamelijk levend worden uit de dood; in het bijzonder de opstanding van Christus en de toekomstige opstanding van de doden bij Zijn wederkomst. (Matt 1:24)

## opstanding al geschied (begrip)

- Hymeneüs en Filetus zeggen. (2 Tim 2:18)

## opstanding der doden (begrip)

- Bijbels en joods geloof dat God aan het einde van de tijden de gestorvenen uit de doden zal opwekken voor het laatste oordeel of het eeuwige leven. (4 Ezra 7:32)
- Bijbels en joods geloof dat God aan het einde van de tijden de gestorvenen uit de doden zal opwekken. In 2 Makkabeeën 7 een vroege duidelijke belijdenis. (2 Makk 7:14)

## opvoeding (begrip)

- Hebr. tucht en lering. (Spr 22:6)
- Bijbels begrip voor het geestelijk en zedelijk vormen van kinderen, een verantwoordelijkheid van ouders en (in joodse zin) van de Thora-onderwijzer. (Sir 30:1)

## opwaken (begrip)

- Opstaan uit slaap — letterlijk en figuurlijk. David verlangt op te waken in Gods gelijkenis — tot een nieuw leven na de dood, of dagelijks tot vernieuwde gemeenschap met God. (Ps 17:15)

## opwekken op de uiterste dag (begrip)

- Belofte dat de gelovigen op de jongste dag uit de doden zullen worden opgewekt. In het Johannes-evangelie meermalen herhaald als kenmerk van Jezus' werk. (Joh 6:40)

## opwekking van Lazarus (begrip)

- Het zevende teken: Jezus riep Lazarus, vier dagen dood, uit het graf — voorboding van zijn eigen opstanding. (Joh 11:43)

## opziener (begrip)

- Door God aangestelde dienaar in de gemeente, belast met opzicht en herderlijke zorg. (1 Petr 2:25)

## opzieners (begrip)

- De oudsten van Efeze die Paulus (episkopoi) noemde, gesteld door de Heilige Geest. (Hand 20:28)
- Eerste vermelding ambten in een Pauline brief. (Fil 1:1)

## orde van Melchizedek (begrip)

- De priesterlijke orde waaraan Christus deel heeft — niet uit afkomst van Levi, maar door de kracht van een onvergankelijk leven. (Hebr 7:17)

## ordening (begrip)

- Vaste regel, instelling. (Ps 110:4)

## Oreb (persoon)

- Vorst van Midian, gedood in de tijd van richter Gideon. De rotsspleet waar hij viel werd naar hem genoemd. (Num 1:1)
- Een van de Midianitische vorsten ten tijde van Gideons strijd. Werd na de slag gedood en de plaats van zijn dood (de rots Oreb) werd naar hem genoemd. (Ri 7:25)
- Andere naam (Horeb) voor de berg Sinaï waar Mozes van God de wet ontving. (3 Ezra 1:11)

## oren jeuken (begrip)

- Beeld voor verlangen naar aangenaam-klinkende boodschappen. (2 Tim 4:3)

## orgel (overig)

- Verouderd voor een blaasinstrument, mogelijk een soort fluit of doedelzak. Niet het moderne orgel. (Gen 4:21)

## Orion en het Zevengesternte (begrip)

- Twee bekende sterrenbeelden van de avondhemel die in de Bijbel als bewijs van Gods scheppingsmacht worden genoemd. Het Zevengesternte is de Pleiaden. (Job 9:9)

## Ornan de Jebusiet (persoon)

- Jebusitische bewoner van Jeruzalem ten tijde van koning David. Bekend als de eigenaar van de dorsvloer waarop David een altaar bouwde, latere plaats van de tempel. (1 Kron 21:18)

## Orpa (persoon)

- Moabitische schoondochter van Naomi en weduwe van Chiljon. Keerde na de dood van haar man terug naar haar volk en goden. (Ruth 1:4)

## Orthosias (plaats)

- Foenicische havenstad aan de Middellandse Zee, ten noorden van Tripolis. (1 Makk 15:37)

## os (natuur)

- Gecastreerde stier, gebruikt als trek- en lastdier in de landbouw. Ook offerdier in bepaalde gevallen. (Gen 32:5)

## ossenstok (voorwerp)

- Lange stok met een puntig uiteinde waarmee boeren ossen voortdreven bij het ploegen. Eenvoudig werktuig dat in noodgeval ook als wapen kon dienen. (Ri 3:31)

## Othniël (persoon)

- Zoon van Kenaz en eerste richter van Israël. Versloeg Kusan-Risataïm, koning van Mesopotamië, en bracht het volk veertig jaar rust. (Dt 1:1)
- Zoon van Kenaz, neef of jongere broer van Kaleb. Eerste richter van Israël na Jozua's dood, die het volk van de Mesopotamische onderdrukking bevrijdde. (Ri 3:9)

## Otniël (persoon)

- Zoon van Kenaz, neef of jongere broer van Kaleb. Veroverde de stad Kirjath-sefer en werd later de eerste richter van Israël. (Joz 15:17)

## oud (begrip)

- Op gevorderde leeftijd; in pastorale brieven soms genoemd ter versterking van een verzoek of vermaning. (Filem 1:9)

## oud en der dagen zat (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor wie in vrede en voldoening de hoge ouderdom bereikt. Klassieke afsluiting van het levensverhaal van een patriarch. (Job 42:17)

## oude man (wet)

- Bejaarde, grijsaard. In de Tora moest men opstaan voor het grijze haar als blijk van eerbied voor ouderdom. (Lev 19:32)

## oude mannen (begrip)

- Aanduiding voor mannelijke leden van de gemeente op gevorderde leeftijd; in de pastorale brieven afzonderlijk vermaand tot bezadigde deugden. (Tit 2:2)
- Mannen op gevorderde leeftijd, in Israël hooggeacht om hun ervaring en wijsheid. In de profetische heilstijd ontvangen ook zij Gods openbaring. (Joël 2:28)

## oude mens (begrip)

- De van Adam geërfde, zondige natuur die in de gelovige met Christus gekruisigd is. Tegenovergesteld aan de nieuwe mens. (Rom 6:6)

## oude mens uitgedaan (begrip)

- Kern van christelijke heiliging. (Kol 3:9)

## oude paden (uitdrukking)

- Symbool voor de beproefde wegen van de godsdienst der vaderen, in tegenstelling tot de eigen-uitgevonden afgoderij. Veel geciteerde uitdrukking. (Jer 6:16)

## oude slang (persoon)

- Aanduiding van de duivel, die in het paradijs als slang de mens verleidde. (Op 12:9)

## oude verbond (begrip)

- Het verbond dat God door Mozes met Israël sloot; vervuld en vervangen door het nieuwe verbond in Christus. (Hebr 8:7)

## oude vrouwen (begrip)

- Vrouwelijke leden van de gemeente op gevorderde leeftijd; in de pastorale brieven geroepen tot een eerbare wandel en het onderwijzen van jongere vrouwen. (Tit 2:3)

## ouden (begrip)

- De ouderen of oudsten van een volk, die door hun leeftijd en ervaring gezag dragen. Vaak betrokken bij bestuur en rechtspraak. (Joël 1:2)

## ouden van dagen (begrip)

- Aanduiding voor mensen die hoge leeftijd hebben bereikt. In de Bijbel teken van zegen en vrede in een land. (Zach 8:4)

## ouderdom (begrip)

- Levensavond, waarin Gods bewaring zichtbaar wordt. (Ps 71:9)
- Hoge leeftijd. In de bijbel beschouwd als zegen van God en teken van een gevuld leven. (Tob 14:13)

## ouderdom van David (begrip)

- Aanduiding voor de laatste levensfase van koning David, beschreven als 'goeden ouderdom, vol van dagen'. Eindigde met een vredige dood en de overdracht van het koningschap aan zijn zoon Salomo. (1 Kron 29:28)

## ouderen (begrip)

- Oudere mannen en vrouwen in de gemeente, met eer en aandacht omringd. Onderwerp van pastorale zorg. (Rom 8:38)

## ouderling (begrip)

- Vooraanstaand lid en leider van een nieuwtestamentische gemeente, belast met onderwijs, bestuur en zielszorg. (Tit 1:5)
- Door de Heilige Geest aangestelde opziener in de gemeente, geroepen tot leer, regering en pastoraat. (1 Petr 5:1)

## ouderling Johannes (persoon)

- Aanduiding waarmee de auteur van de tweede en derde Johannesbrief zichzelf presenteert; volgens de overlevering de apostel Johannes op hoge leeftijd. (3 Joh 1:1)

## ouderlingen (begrip)

- Hoofden van het volk, oudere mannen die in stam en stad leiding gaven en recht spraken. Stonden Mozes bij in het bestuur en optreden namens Israël. (Ex 24:9)
- De zeventig oudsten van Israël, op wie God Zijn Geest legde om Mozes bij te staan in het bestuur van het volk. (Num 11:16)
- De oudsten van een geslacht, stam of stad, samen vormend een raad van bestuur of rechtspraak. Vertegenwoordigden het volk bij belangrijke beslissingen en verbondssluitingen. (Joz 23:2)
- Oudsten van het volk. (Ps 107:32)
- Is iemand krank onder u, dat hij tot zich roepe de ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in de Naam des Heeren. (Jak 5:14)

## ouderlingen aanstellen (begrip)

- Vroegchristelijke praktijk om in elke plaatselijke gemeente ouderlingen te benoemen ter voorziening in onderwijs en bestuur. (Tit 1:5)

## ouderlingen Israëls (begrip)

- De oudsten van de stammen en geslachten van Israël, samen vormend een raad van vertegenwoordigers van het volk. Speelden een rol bij belangrijke beslissingen en bij het overbrengen van het volk hun verzoeken aan de leiders. (1Sam 8:4)

## ouderlingen vermanen (begrip)

- De ouderlingen die onder u zijn, vermaan ik, ik die mede-ouderling ben, en getuige van het lijden van Christus. (1 Petr 5:1)

## ouderlingschap (begrip)

- Collectieve raad van oudsten. (1 Tim 4:14)
- Het ambt van ouderling, met de daaraan verbonden taken van onderwijs, leiding en zielszorg in de gemeente. (Tit 1:5)

## ouderschap (begrip)

- Verantwoordelijkheid en eer van vaders en moeders binnen de geloofsgemeenschap. Door God gegeven en geboden. (1 Kor 3:1)

## oudste zoon (begrip)

- De broer van de verloren zoon die ontstak in toorn en niet wilde binnenkomen — beeld van de Farizeeën. (Luk 15:25)

## oudsten (begrip)

- Vooraanstaande mannen die naast schriftgeleerden en hogepriesters deel uitmaakten van het Sanhedrin en lokale joodse besturen. (Matt 16:21)
- Aangestelde leiders en rechters in een Joodse gemeenschap. Verantwoordelijk voor bestuur en rechtspraak; in ballingschap kerngezag van de gemeente. (Sus 1:5)
- Aangestelde leiders van een joodse gemeenschap. Verantwoordelijk voor bestuur, rechtspraak en geestelijk leiderschap. (3 Makk 6:1)

## oudvader (begrip)

- Aanduiding voor oudere mannen in de gemeente, geroepen tot waakzaamheid, eerbaarheid en standvastig geloof. (Tit 2:2)

## oudvader Tertullus (persoon)

- De redenaar door wie de hogepriesters Paulus voor Felix beschuldigden. (Hand 24:1)

## oven (begrip)

- Vuuroven (smelt- of bakoven) zoals in Babylon gebruikt. In Daniël 3 instrument van koninklijke executie van wie weigerde het beeld te aanbidden. (Geb. Az. 1:24)

## ovenbrood (begrip)

- Brood dat in een gewone oven of voorraadbakkerij van de tempel werd bereid. Hiervan werden onder andere de twaalf toonbroden gebakken voor de heilige plaats. (1 Kron 9:31)

## overblijfsel (begrip)

- Het door God uitverkoren rest van Israël dat het geloof bewaart. Bewijs van Gods trouw aan Zijn verbond. (Rom 11:5)
- Het deel van Gods volk dat na oordeel of ramp door God bewaard wordt. Belangrijk profetisch begrip voor de drager van de heilsbeloften. (Mi 2:12)

## overdekkende cherub (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor een hoog hemels wezen dat een beschermende functie heeft. In de uitleg ook betrokken op de oorspronkelijke staat van de gevallen engel. (Ez 28:14)

## overdenken (begrip)

- In het hart bewegen, mediteren over God. (Ps 1:2)

## overgezet in het Koninkrijk (begrip)

- Bekering als overgang van duisternis naar het Koninkrijk van Christus. (Kol 1:13)

## overheden onderdanig (begrip)

- Christelijke gehoorzaamheid aan de burgerlijke overheid in zaken die niet met Gods wet strijden. (Tit 3:1)

## overheid (begrip)

- Door God ingestelde wereldlijke regering, dienares Gods ten goede. Aan onderworpenheid van de gelovigen toevertrouwd. (Rom 13:1)

## overkleed (begrip)

- Het worden bekleed met het opstandingslichaam, waarmee de sterfelijkheid wordt verslonden. Beeld van de toekomende heerlijkheid. (2 Kor 5:2)

## overleg (begrip)

- Beraad; brengt vastheid. (Spr 20:18)

## overlevering der mensen (begrip)

- Met filosofie — niet naar Christus. (Kol 2:8)

## overpriester (begrip)

- Statenvertaling voor de overpriesters: hoofden van de priesterklassen die met de hogepriester de tempelcultus bestuurden en in het Sanhedrin zaten. (Mark 8:31)
- Hogepriester, hoofd van de priesterdienst en enige die op de Grote Verzoendag het allerheiligste mocht binnengaan. (3 Ezra 5:40)

## overpriesters (begrip)

- De leidende priesters in Israël, inclusief de hogepriester en voormalige hogepriesters. Zij speelden een hoofdrol in het complot om Jezus te doden. (Joh 7:32)

## overschaduwen (begrip)

- Engelboodschap aan Maria. (Luk 1:35)

## overspel (begrip)

- Ontrouw in het huwelijk. De Schriftgeleerden brachten een vrouw bij Jezus die op overspel was betrapt. (Joh 8:3)
- Echtbreuk het zwaarste vergrijp tegen de naaste, met onuitwisbare schade. (Spr 6:32)

## overspel met de ogen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het zondigen door begerige blikken. In het Nieuwe Testament door Christus opgenomen in de Bergrede. (Job 31:1)

## overste (begrip)

- Iemand met hoge rang of bevel. In Egypte bijzonder gebruikt voor de hoofden van de paleisdienst, leger en werkkrachten. (Gen 37:36)
- Een leider, bestuurder. Nicodemus was een overste (leider) van de Joden. (Joh 3:1)

## Overste Herder (begrip)

- Wanneer de Overste Herder verschijnen zal, zo zult u de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid ontvangen. (1 Petr 5:4)

## overste van de macht der lucht (begrip)

- Aanduiding voor de duivel als heerser over de demonische machten. (Ef 2:2)

## overste van deze wereld (begrip)

- De duivel, die nu nog invloed heeft op de wereld. Jezus zei dat de overste van deze wereld buiten geworpen en geoordeeld zal worden. (Joh 12:31)

## overtreden (begrip)

- Buiten de grenzen van Gods wet of de apostolische leer treden; afwijken van de juiste weg. (2 Joh 1:9)

## overtreder (begrip)

- Wie de wet van God overtreedt. (Spr 13:15)

## overtreding (begrip)

- Daad waarmee een grens wordt overschreden, een gebod wordt geschonden. Een van de bijbelse termen voor zonde. (Ps 32:1)
- Bewuste schending van Gods gebod. Onderscheiden van zonden uit zwakheid of onkunde. (Rom 5:18)

## overtuigen van zonde (begrip)

- De Geest zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. (Joh 16:8)

## overwinnaar (begrip)

- Formule in alle zeven brieven. (Openb 2:7)

## overwinning (begrip)

- Triomf over de macht van zonde, dood en duivel, in en door Christus aan de Zijnen geschonken. Aanleiding tot voortdurende dankzegging. (1 Kor 15:54)

## overwint de wereld (begrip)

- Al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en deze is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof. (1 Joh 5:4)

## Ozias (persoon)

- Hebreeuws Uzzia (ook Azaria); koning van Juda (ca. 783-742 v.Chr.). Bekend om zijn militaire successen en zijn melaatsheid in zijn latere jaren. (Matt 1:8)
- In de bijbel naam van verschillende personen, onder wie koning Uzzia (Azarja) van Juda en (in Judith) de eerste overste van Bethulië. (Jdt 6:11)

## paadjes naar de hoogten (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 3:2)

## paard (begrip)

- Vier paarden van apocalyptische ruiters: wit, rood, zwart, vaal. (Openb 9:7)
- In de Bijbel vooral bekend als oorlogsdier, krachtig en moedig in de strijd. Lyrische lof op zijn strijdvaardigheid in de godsrede van Job. (Job 39:22)

## paard rood (begrip)

- Paard met rossige vacht, in profetische visioenen vaak symbool voor strijd of bloed. Onderdeel van de symbolische beeldtaal. (Zach 1:8)

## paard ruikt de strijd (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de strijdmoed van het oorlogspaard dat de naderende slag voorvoelt. Onderdeel van de godsrede over de schepping. (Job 39:25)

## paard van de koning (begrip)

- Persoonlijk rijdier van de Perzische koning, symbool van koninklijke waardigheid. Het mogen berijden ervan gold als uitzonderlijk teken van koninklijke gunst. (Esth 6:8)

## paard, snel naar de strijd (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor de mens die zich onbedacht in zonde of strijd stort. (Jer 8:6)

## paardelopen tegen voetlopen (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 12:5)

## paarden (begrip)

- Strijdros; symbool van menselijke kracht. (Ps 20:8)

## paarden vier (begrip)

- Profetisch motief van vier paarden of paardenspannen die de vier windrichtingen of Gods boodschappers vertegenwoordigen. Onderdeel van de symbolische gezichten. (Zach 6:2)

## paarden-poort (plaats)

- Een van de poorten van het naballingschapse Jeruzalem, gelegen ten oosten van de tempel. Mogelijk gebruikt voor de toegang van paarden tot het koninklijke kwartier. (Neh 3:28)

## Paddan (plaats)

- Verkorte vorm van Paddan-Aram, het gebied in noordelijk Mesopotamië rondom Haran. (Gen 48:7)

## Paddan-aram (plaats)

- Letterlijk 'vlakte van Aram'. Streek in noordelijk Mesopotamië rondom Haran, woongebied van Labans familie en plek van Jakobs ballingschap. (Gen 25:20)

## Pafos (plaats)

- Stad op Cyprus waar Sergius Paulus stadhouder was en tot geloof kwam. (Hand 13:6)

## Pahu (plaats)

- Koningsstad van Hadar, een van de oude koningen van Edom. Niet met zekerheid te lokaliseren. (Gen 36:39)

## paleis te Susan (plaats)

- Versterkte koninklijke residentie binnen de stad Susa, een van de hoofdresidenties van het Perzische rijk. Plaats van handeling van het hele boek Esther. (Esth 1:2)

## paleis van Salomo (begrip)

- Het uitgestrekte koninklijke paleizencomplex dat koning Salomo gedurende dertien jaar in Jeruzalem liet bouwen. Omvatte onder andere de troonzaal, een zuilenhal en een aparte vleugel voor zijn voornaamste vrouw. (1 Kon 7:1)

## Palestijnen (plaats)

- Verouderde aanduiding voor de Filistijnen, een niet-Semitisch volk uit het Egeïsche gebied dat zich vestigde aan de Middellandse-Zeekust. Aartsvijanden van Israël. (Joël 3:4)

## Pallu (persoon)

- Tweede zoon van Ruben en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Ruben. (Gen 46:9)

## palmbomen (natuur)

- Bomen met grote bladeren. Het volk zwaaide met palmtakken toen Jezus Jeruzalem binnenreed, als teken van eer en vreugde. (Joh 12:13)

## palmboom (begrip)

- Hoge en rechte boom; beeld voor de bloeiende rechtvaardige. (Ps 92:13)

## palmtakken (voorwerp)

- De palmtakken in de handen van de grote schare voor de troon — beeld van overwinning. (Op 7:9)
- Takken van de palmboom, in de oudheid teken van overwinning en feestelijke vreugde. In de bijbel ook symbool van de heiligen die overwonnen hebben. (4 Ezra 2:45)

## Palti (persoon)

- Zoon van Lais uit Gallim aan wie koning Saul zijn dochter Michal als vrouw gaf nadat David was gevlucht. Moest later Michal weer afstaan toen David haar terug eiste. (1Sam 25:44)

## Pamfilië (plaats)

- Landstreek aan de zuidkust van Klein-Azië, gelegen tussen Lycië en Cilicië. (1 Makk 15:23)

## Pamfylië (plaats)

- Streek waar Perge lag; Paulus en Barnabas daar geland. (Hand 2:10)

## papier (begrip)

- Schrijfmedium dat hier niet voorkomt — Johannes prefereert mondelinge ontmoeting in 2/3 Joh. (1 Joh 1:4)
- Schrijfmateriaal van papyrus, in de oudheid het gangbare draagvlak voor brieven en boekrollen. (2 Joh 1:12)
- Verouderde aanduiding voor papyrus, het belangrijkste schrijfmateriaal in de oudheid. Werd uit de papyrusplant in Egypte vervaardigd. (3 Makk 4:15)

## papier en inkt (begrip)

- Vaste aanduiding voor schriftelijke communicatie in de oudheid, tegenover het mondelinge gesprek. (2 Joh 1:12)

## paradijs (begrip)

- Letterlijk 'tuin' of 'park', uit het Perzisch. Aanduiding voor de hof van Eden als oorspronkelijke woonplaats van de mens. (Gen 2:8)
- De plaats van zaligheid waar Jezus de berouwvolle moordenaar binnenbeloofde. (Luk 23:43)
- De plaats van zaligheid waar de gelovigen na hun sterven zijn. Door Paulus in een gezicht aanschouwd. (2 Kor 12:4)
- De tuin van Eden waarin God volgens Genesis 2 de eerste mensen plaatste. In joodse en christelijke traditie ook beeld voor de hemelse rust van de gelovigen. (4 Ezra 3:6)

## Parakleet (begrip)

- De of — de Heilige Geest die Jezus' werk voortzet bij de discipelen. (Joh 14:26)

## Paran (plaats)

- Woestijngebied in het noordelijke deel van het schiereiland Sinaï. Verblijfplaats van Ismaël en later op de woestijntocht door Israël doorkruist. (Gen 21:21)
- Woestijngebied op het schiereiland Sinaï, ten zuiden van Kanaän. Plaats waar Israël tijdens de woestijnreis langere tijd verbleef en die later David tot toevluchtsoord diende. (1Sam 25:1)
- Bergachtig woestijngebied tussen Sinaï en Kanaän, doortrokken door Israël tijdens de woestijntijd. Verbonden met de openbaring aan Sinaï. (Hab 3:3)

## parel (begrip)

- Kostbare, organisch gevormde edelsteen uit een schelp, in de oudheid hooggewaardeerd. In Mattheus' gelijkenissen beeld van het Koninkrijk. (Matt 13:46)
- Kostbaarheid; — over de deugdelijke huisvrouw. (Spr 31:10)

## parel uit de zee (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor edelstenen uit zee zoals koraal en kristal. In de wijsheidsliteratuur als vergelijking voor zeldzame waarde gebruikt. (Job 28:18)

## parels en koraal (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor edelstenen en kostbaarheden uit zee. In wijsheidsliteratuur tegenover de overstijgende waarde van wijsheid gesteld. (Job 28:18)

## parels voor de zwijnen (begrip)

- Spreekwoordelijke uitdrukking voor het verspillen van iets kostbaars aan wie het niet waardeert of begrijpt. (Matt 7:6)

## Parmastha (persoon)

- Een van de tien zonen van Haman, de Perzische ambtenaar die de uitroeiing van de Joden plande. Werd met zijn broers gedood bij de tegenactie van de Joden. (Esth 9:9)

## Parmenas (persoon)

- Een der zeven diakenen. (Hand 6:5)

## Parshandatha (persoon)

- Eerstgenoemde van de tien zonen van Haman, de Perzische ambtenaar die de uitroeiing van de Joden plande. Werd met zijn broers gedood bij de tegenactie van de Joden. (Esth 9:7)

## partijdigheid (begrip)

- Aanzien van het persoon in het gericht; door God veroordeeld. (Spr 24:23)

## pascha (cultisch)

- Joods feest ter herdenking van de uittocht uit Egypte, gevierd met het paaslam; in het Nieuwe Testament vervuld in Christus, het Lam Gods. (Ex 12:11)
- Joods voorjaarsfeest ter herdenking van de uittocht uit Egypte. Werd op 14 Nisan gevierd met de slacht van het paaslam en een rituele maaltijd. (Matt 26:2)
- Het Joodse feest ter herinnering aan de uittocht uit Egypte; vervuld in Christus als ons Pascha. Maaltijd van het bevrijde volk. (1 Kor 5:7)
- Joods voorjaarsfeest ter herdenking van de uittocht uit Egypte. Werd Nisan gevierd met de slacht van het paaslam en een rituele maaltijd. (Hebr 11:28)
- Joods feest in de eerste maand van het jaar ter herdenking van de uittocht uit Egypte. Wordt gevierd met het slachten van een lam en het eten van ongezuurde broden. (3 Ezra 1:1)
- Joods feest ter gedachtenis aan de uittocht uit Egypte, toen JAHWEH de eerstgeborenen van Israël spaarde. Werd jaarlijks op de veertiende dag van de eerste maand gevierd met een lam. (2 Kon 23:21)

## Pascha der Joden (gebruik)

- De Joodse paasviering die Johannes drie tot vier keer noemt om de duur van Jezus' bediening aan te geven. (Joh 2:13)

## Pascha-maaltijd (gebruik)

- Rituele maaltijd op de avond van Pascha, met paaslam, ongezuurde broden, bittere kruiden en wijn, ter gedachtenis aan de uittocht uit Egypte. (Mark 14:12)

## Pashur zoon Melchia (persoon)

- Onderscheiden van Pasjur ben Immer: deze Pashur was een van de vier vorsten die Zedekia onder druk zetten Jeremia in de modderkuil te werpen. (Jer 38:1)

## Pasjur (persoon)

- Hebr. פַּשְׁחוּר — priester en opziener van het huis des HEEREN; sloeg Jeremia en zette hem in de stok bij de bovenpoort van Benjamin. Jeremia gaf hem een nieuwe naam.(Schrik van rondom). (Jer 20:1)

## paslood (begrip)

- Touw met een loden gewicht aan het uiteinde, gebruikt om muren loodrecht te stellen. In de profetische taal beeld voor Gods rechtvaardig meten van zijn volk. (Am 7:7)

## Patara (plaats)

- Havenstad waar Paulus van schip wisselde op zijn laatste reis naar Jeruzalem. (Hand 21:1)

## Pathros (plaats)

- Aanduiding voor Opper-Egypte, het zuidelijke deel langs de Nijl. Woongebied van de Pathrusieten. (Gen 10:14)

## Pathrusieten (volk)

- Nakomelingen van Mitsraïm, zoon van Cham. Bewoners van Pathros, het zuidelijke deel van Egypte. (Gen 10:14)

## Patmos (plaats)

- Eiland in de Egeïsche zee waar Johannes verbannen was en de Openbaring ontving. (Openb 1:9)

## Patmos (verbanning) (plaats)

- Het eiland in de Egeïsche Zee waar Johannes verbannen was. (Op 1:9)

## patriarch (begrip)

- Stamvader of familiehoofd. Eretitel voor Abraham, Izak en Jakob als grondleggers van het volk Israël. (Gen 12:1)
- Stamvader; in de Bijbel meestal Abraham, Izak en Jakob (de aartsvaders), of de twaalf zonen van Jakob als stamhoofden van de twaalf stammen van Israël. (Hand 7:8)

## Patrobas (persoon)

- Lid van de gemeente te Rome, door Paulus gegroet. Verder onbekend. (Rom 16:14)

## Paulus (persoon)

- Apostel der heidenen, geboren te Tarsus, oorspronkelijk vervolger van de gemeente, na zijn ontmoeting met de opgestane Christus geroepen tot apostelschap. Schrijver van dertien nieuwtestamentische brieven. (Hand 13:7)

## Paulus arbeid (begrip)

- Het door Paulus zelf verrichte handwerk waarmee hij in zijn eigen onderhoud voorzag, om geen last te zijn voor de gemeenten. (2 Th 3:8)

## Paulus brieven (begrip)

- Paulus heeft naar de wijsheid die hem gegeven is u geschreven, alsook in alle zijn zendbrieven — bevestiging dat Paulus' brieven Schrift zijn. (2 Petr 3:16)

## Paulus oud man (begrip)

- Aanduiding van Paulus als bejaarde apostel ten tijde van zijn Romeinse gevangenschap, tegen het einde van zijn leven. (Flm 1:9)

## Pe (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:18)

## Pedaja (persoon)

- Naam (betekenis 'JAHWEH heeft verlost') van meerdere personen in de Schrift. Komt onder andere voor in de naballingschapse gemeenschap als leider en mede-organisator. (Neh 8:4)

## peinzen (begrip)

- In stilte over God nadenken. (Ps 1:2)

## pek (begrip)

- Asfaltachtige stof, gebruikt om bouwwerken en schepen waterdicht te maken. Gewonnen uit natuurlijke bronnen, vooral rond de Dode Zee. (Gen 6:14)
- Brandbare zwarte teerstof, gewonnen uit asfalt. In de bijbel gebruikt als brandstof en als breeuwmiddel voor scheepswanden en manden. (Geb. Az. 1:46)

## pek, vet en haar (begrip)

- Brandbare en kleverige bestanddelen, in de bijbel meermalen genoemd als brandstof of als grondstof voor list. (BelDra 1:26)

## Pekach (persoon)

- Achttiende koning van het noordelijke rijk Israël, zoon van Remalia. Kwam aan de macht door een staatsgreep en sloot een verbond met Aram tegen Juda. (2 Kon 15:25)

## Pekach, samenzwering (begrip)

- Aanduiding voor de paleisrevolutie waarmee de Israëlitische legeroverste Pekach de troon greep. Eén van de vele bloedige troonsovergangen in de geschiedenis van het noordelijke rijk. (2 Kon 15:25)

## Pekahia (persoon)

- Zeventiende koning van het noordelijke rijk Israël, zoon en opvolger van Menahem. Werd na slechts twee jaar regeren in zijn paleis vermoord door zijn legeroverste Pekach. (2 Kon 15:23)

## Pelatja sterft tijdens visioen (uitdrukking)

- Profetisch teken waarbij iemand sterft op het moment dat de profeet over hem spreekt. Bevestiging van de werkelijkheid van het profetisch woord. (Ez 11:13)

## Pelatja zoon van Benaja (persoon)

- Vorst in Jeruzalem ten tijde van de profeet Ezechiël, in de Bijbel slechts kort vermeld. Zijn dood gold als bevestiging van het profetisch woord. (Ez 11:13)

## Peleg (persoon)

- Zoon van Heber en vader van Rehu. In zijn dagen werd de aarde verdeeld; naam betekent 'verdeling'. (Gen 10:25)

## pelgrim (begrip)

- Reiziger naar Gods huis. (Ps 39:13)

## pelgrimage (begrip)

- Reis naar Gods huis. (Ps 84:6)

## Pelistim (volk)

- Hebreeuwse naam voor de Filistijnen, zoals deze in het Oude Testament gebruikelijk is. Verwijst naar het volk dat aan de zuidwestelijke kust van Kanaän woonde. (1Sam 4:1)

## Pelusium (plaats)

- Egyptische grensvesting in de oostelijke Nijldelta, in het Hebreeuws Sin genoemd. Strategisch belangrijke stad aan de weg naar Israël. (Ez 30:15)

## pen (begrip)

- In de oudheid een uit riet of veer vervaardigd schrijfgereedschap, gebruikt met inkt op papyrus of perkament. (3 Joh 1:13)

## Pen der schrijvers omgekeerd (uitdrukking)

- Aanklacht tegen schriftgeleerden die Gods wet vervalst weergeven. (Jer 8:8)

## Peninna (persoon)

- Tweede vrouw van Elkana, de Levietische vader van Samuel. Had wel kinderen, in tegenstelling tot haar medevrouw Hannah. (1Sam 1:2)

## penning (voorwerp)

- Statenvertaling voor de Romeinse denarius, een zilvermunt die overeenkwam met het dagloon van een gewone arbeider. (Matt 20:2)

## penningen (voorwerp)

- Kleine koperen muntstukjes (lepta), de geringste muntsoort in omloop. Een lepton was ongeveer een 128ste van een denarius. (Mark 12:42)
- Munten, geld. Een penning (denarius) was het dagloon van een arbeider. (Joh 6:7)

## Penuel (plaats)

- Andere schrijfwijze van Pniël, plaats aan de Jabbok waar Jakob met de Engel worstelde. Naam betekent 'aangezicht Gods'. (Gen 32:31)
- Plaats ten oosten van de Jordaan in Gilead, bekend uit Jakobs ontmoeting met de Engel waar deze plaats haar naam aan ontleende. In de richterentijd gestraft door Gideon vanwege weigering van hulp. (Ri 8:8)

## Perez (persoon)

- Tweelingbroer van Zerah, zoon van Juda en Tamar. Voorvader van koning David en van de Messias; naam betekent 'doorbraak'. (Gen 38:29)

## Pergamus (plaats)

- Stad in Mysië, Klein-Azië; een van de zeven gemeenten in de Openbaring. (Openb 1:11)

## Perge (plaats)

- Stad in Pamfylië waar Johannes Markus zich van Paulus en Barnabas afscheidde. (Hand 13:13)

## Perizzieten (volk)

- Een van de zeven Kanaänitische volken die Israël moest verdrijven. Mogelijk een verwijzing naar boerenbevolking buiten de versterkte steden. (Dt 7:1)
- Een van de zeven volken van Kanaän die Israël hadden moeten verdrijven. Woonden vooral in de bosrijke gebieden van het bergland. (Joz 3:10)
- Een van de zeven volken van Kanaän die door Israël hadden moeten worden verdreven. Woonden vooral in de bosrijke gebieden van het bergland. (Ri 3:5)

## persen (begrip)

- Het inrichten of bewerken van een wijn- of olijfpers, ook gebruikt voor de oogst die wordt geperst. Onderdeel van de landbouwcyclus in Israël. (Mal 3:11)

## Persepolis (plaats)

- Belangrijke residentie van het oude Perzische rijk in zuid-Iran, gesticht door Darius I (rond 515 v.Chr.). In 330 v.Chr. door Alexander de Grote verbrand. (2 Makk 9:2)

## Perseus (persoon)

- Laatste koning van Macedonië (regeerde 179-168 v.Chr.), zoon van Filippus V. Verloor de Slag bij Pydna in 168 v.Chr. tegen de Romeinse generaal Lucius Aemilius Paulus, waarna Macedonië ophield als zelfstandig koninkrijk. (1 Mak 8:5)

## Persia (plaats)

- Wereldrijk in het oosten dat na de val van Babel in 539 v.Chr. de macht overnam onder Cyrus de Grote. Behoort tot de grote rijken van het Oude Testament. (Na 2:1)
- Wereldrijk in het oosten dat na de val van Babel in 539 v.Chr. de macht overnam onder Cyrus de Grote. Onder zijn bestuur keerden de Joden uit ballingschap terug. (Zach 1:1)

## Persis (persoon)

- Geliefde vrouwelijke medewerker te Rome, die veel gearbeid heeft in de Heere. Bekend uit de slotgroet. (Rom 16:12)

## Persië (plaats)

- Rijk in het oude Iran dat in de zesde eeuw v. Chr. onder Cyrus de macht overnam van het Babylonische rijk. Onder Perzische heerschappij keerden de Joden in golven uit de ballingschap terug. (2 Kron 36:20)

## perskuipen (begrip)

- Bak waarin druiven of olijven werden geperst om wijn of olie te winnen. Vaak uitgehouwen in rotsen, met een opvangbak op een lager niveau. (Joël 3:13)

## Persoonlijke profetie aan Baruch (uitdrukking)

- God spreekt tot Baruch toen hij klaagde. God belooft hem het leven als buit, ook al verstoort Hij wat Hij gebouwd heeft. (Jer 45:5)

## Perzen (volk)

- Volk in zuidwest-Iran dat onder Cyrus de Grote vanaf 550 v.Chr. uitgroeide tot heerser over een wereldrijk. (Jdt 16:12)

## Perzia (plaats)

- Wereldrijk in het oosten dat na de val van Babel in 539 v.Chr. de macht overnam onder Cyrus de Grote. Onder zijn bestuur keerden de Joden uit ballingschap terug. (Mal 1:8)

## perzische hofbedienden (begrip)

- Aanduiding voor de uitgebreide groep ambtenaren en functionarissen aan het Perzische koninklijke hof. Vormden een belangrijke bestuurslaag in het uitgestrekte rijk. (Neh 2:7)

## perzische wet (begrip)

- Aanduiding voor het rechtssysteem van het Perzische rijk, dat eenmaal uitgevaardigde koninklijke edicten als onveranderlijk beschouwde. Vormde een fundamenteel beginsel van het Perzisch-Medische bestuur. (Esth 1:19)

## Perzië (plaats)

- Rijk in het huidige Iran dat onder Cyrus de Grote vanaf 550 v.Chr. uitgroeide tot een wereldrijk en in 539 v.Chr. Babel innam. (3 Ezra 2:1)
- Rijk in het huidige Iran. Onder Cyrus de Grote vanaf 550 v.Chr. een wereldrijk; in de hellenistische tijd onderdeel van het Seleucidische rijk. (1 Makk 3:31)

## Perzië, Cush, Put (volk)

- Bijbelse aanduidingen voor volken uit verschillende windrichtingen die als bondgenoten optreden. Symbool voor het wereldwijde heidendom. (Ez 38:5)

## Pesach (begrip)

- Joods feest in de eerste maand van het jaar ter herdenking van de uittocht uit Egypte. Wordt gevierd met het slachten van een lam en het eten van ongezuurde broden. (1 Makk 4:42)

## pest (begrip)

- Verwoestende ziekte. — God beschermt tegen. (Ps 91:6)

## pest, drie dagen (begrip)

- Pestplaag van korte maar verwoestende duur, in de Schrift soms voorkomend als straf van Gods hand. Markeert de ernst van de zonde maar ook Gods bereidheid om zich te laten verbidden. (1 Kron 21:14)

## Petor (plaats)

- Stad aan de Eufraat in Mesopotamië, woonplaats van de profeet Bileam. (Num 22:5)

## Petrus (persoon)

- Apostel van Jezus Christus, oorspronkelijk Simon, de visser uit Bethsaïda. Aangewezen tot leider onder de twaalf; schrijver van twee brieven. (Matt 4:18)

## Petrus' bezoek (begrip)

- Kort apostolisch contact. (Gal 1:18)

## Pharao's dochter (persoon)

- Egyptische prinses die de baby Mozes uit het water trok en als zoon opvoedde aan het hof. Gaf hem zijn naam, die 'uit het water getrokken' betekent. (Ex 2:5)

## Pharez (persoon)

- Zoon van Juda bij Thamar, stamvader van een van de voornaamste geslachten in de stam Juda. Voorvader van Boaz, koning David en Christus. (Ruth 4:12)

## Phebe (persoon)

- Diakones van de gemeente te Kenchreëen, aanbevolen aan de gemeente te Rome. Bracht waarschijnlijk de brief over. (Rom 16:1)

## Phrygië (plaats)

- Streek waar Kolosse, Laodicea en Hierapolis liggen. (Kol 4:13)

## Pi-Hahiroth (plaats)

- Plaats aan de Schelfzee waar Israël legerde, ingeklemd tussen zee en bergen. Daar bevocht God de wonderbare doortocht door de zee. (Ex 14:2)
- Plaats aan de Schelfzee waar Israël legerde, ingesloten tussen zee en bergen, voordat de wonderbare doortocht plaatsvond. (Ex 14:2)

## Pichol (persoon)

- Legeroverste van koning Abimelech van Gerar, die hem vergezelde bij het sluiten van het verbond met Abraham en later Izak. (Gen 21:22)

## pijl (begrip)

- Wapen beeld voor giftige woorden van vijanden. Ook 'pijlen Gods' van Zijn oordeel. (Ps 38:3)
- Geschoten projectiel. In de bijbel beeld voor snelheid, gerichtheid en (overdrachtelijk) voor het oordeel van God of de woorden van mensen. (Wijsh 5:12)

## pijler en vastigheid (begrip)

- Steunpunt en grondslag; in de brieven gebruikt voor de gemeente als drager en bewaarder van de waarheid. (1 Tim 3:15)

## pilaar (begrip)

- Opgericht stenen monument, vaak ter herinnering aan een gebeurtenis of als verbondsteken. Soms ook in afgodische context als heilig beeld. (Gen 28:18)

## pilaar in den tempel (begrip)

- De belofte aan de overwinnaar te Filadelfia om gemaakt te worden tot een pilaar in Gods tempel. (Op 3:12)

## Pilatus (persoon)

- Pontius Pilatus, Romeins prefect van Judea van 26 tot 36 n.Chr. Veroordeelde Jezus tot de kruisdood na druk van het Sanhedrin en het volk. (Matt 27:2)

## Pildas (persoon)

- Zesde zoon van Nahor en Milka. Neef van Abraham. (Gen 22:22)

## Pinehas (persoon)

- Zoon van Eleazar en kleinzoon van Aäron. Stilde de plaag bij Baäl-Peor door Zimri en de Midianitische Kosbi met een spies te doorsteken; ontving een eeuwig priesterverbond. (Num 25:7)
- Zoon van de hogepriester Eleazar en kleinzoon van Aäron. Bekend om zijn ijver voor JAHWEH en zijn rol als bemiddelaar bij conflicten binnen Israël. (Joz 22:13)
- Zoon van de hogepriester Eleazar en kleinzoon van Aäron. Werd zelf hogepriester en wordt herinnerd om zijn ijver voor JAHWEH en zijn rol als bemiddelaar binnen Israël. (Ri 20:28)
- Een van de twee zonen van Eli, samen met zijn broer Hofni priester te Silo. Niet te verwarren met de eerdere Pinehas, kleinzoon van Aäron. (1Sam 1:3)
- IJverig priester die Gods toorn afwendde. (Ps 106:30)
- Kleinzoon van Aäron, priester in de woestijntijd. In Numeri 25 geprezen om zijn ijver tegen afgodendienst; stamvader van het hogepriesterlijk geslacht. (3 Ezra 5:5)

## pinksteren (cultisch)

- Het wekenfeest, vijftig dagen na pascha. Inzameling van de eerstelingen van de tarweoogst, gevierd met twee gezuurde broden. (Lev 23:15)
- Het feest van de vijftigste dag, waarop de Heilige Geest werd uitgestort en de gemeente met drieduizend zielen aangroeide. (Hand 2:1)
- Joodse Wekenfeest, vijftig dagen na het Pascha gevierd. Oogstfeest dat later ook de wetgeving op de Sinaï herdacht. (Tob 2:1)

## Pinon (persoon)

- Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:41)

## Pirathon (plaats)

- Stad in het bergland van Efraïm. Later geboorteplaats van de richter Abdon en van een van Davids helden. (Joz 19:50)

## Pisga (plaats)

- Top van het Abarim-gebergte in Moab, ten oosten van de Jordaan. Vanaf hier zag Mozes vlak voor zijn dood het beloofde land. (Num 21:20)
- Top van het Abarim-gebergte in Moab, ten oosten van de Jordaan. Vanaf hier zag Mozes voor zijn dood het beloofde land. (Dt 3:27)
- Bergketen ten oosten van de Jordaan, behorend tot het Abarimgebergte. Vanaf een van de toppen zag Mozes het beloofde land voor zijn dood. (Joz 12:3)

## Pisga (top) (plaats)

- Top van het Pisgagebergte ten oosten van de Jordaan, waarvandaan men het beloofde land kon overzien. Plaats waar Mozes het land zag voordat hij stierf. (Joz 13:20)

## Pisidia (plaats)

- Streek waar Antiochië in Pisidië lag; Paulus' synagoge-rede daar. (Hand 13:14)

## Pison (plaats)

- Een van de vier rivieren die uit Eden voortkwamen. Stroomde rondom het land Havila waar goud, bedolah en sardonix waren. (Gen 2:11)

## pistachenoten (natuur)

- Eetbare noten van de pistacheboom. Kostbare delicatesse in het Oosten en gangbaar geschenk in handelsreizen. (Gen 43:11)

## Pithom (plaats)

- Een van de twee voorraadsteden die Israël onder dwang voor Farao bouwde, samen met Raämses. Gelegen in de oostelijke Nijldelta. (Ex 1:11)

## plaag (begrip)

- Door God gezonden oordeel zoals ziekte, sprinkhanen of dood. In Numeri herhaaldelijk gebruikt als straf op Israëls opstand. (Num 16:46)
- Ziekte, slag of straf. (Ps 38:12)

## plaag van plagen (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor opeenstapelende rampspoed die een land treft. Onderdeel van de oordeelstaal in profetische literatuur. (Ez 7:5)

## plaats bereiden (begrip)

- Belofte van Jezus dat Hij in het huis van zijn Vader een verblijfplaats voor zijn discipelen gereedmaakt en hen daarheen tot zich zal nemen. (Joh 14:3)

## plaats die JAHWEH kiezen zal (cultisch)

- Het centrale heiligdom waar Israël zijn offers moest brengen, in plaats van overal waar men wilde. Later vervuld in de tempel te Jeruzalem. (Dt 12:5)

## plaats om te offeren (begrip)

- De tempel met het brandofferaltaar, het door God gegeven centrum van de offercultus van Israël. (Geb. Az. 1:39)

## plaats van mijn troon (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor de definitieve woonplaats van God onder zijn volk. Onderdeel van de heilsbeloften over de eindtijdelijke tempel. (Ez 43:7)

## plaatsvervanging (begrip)

- Het in iemands plaats staan, vooral in de eredienst en het offer. Centrale gedachte in de offerwetten en in de verzoeningstheologie. (Gen 22:13)

## plagen (begrip)

- De tien rampen waarmee God Egypte sloeg om Israël te bevrijden: bloed, kikvorsen, luizen, vliegen, veepest, zweren, hagel, sprinkhanen, duisternis en de dood van de eerstgeborenen. (Ex 7:14)
- De tien slagen waarmee God Egypte trof. En 105 vertellen ze uitgebreid na. (Ps 78:43)

## plagen Egypte (begrip)

- De tien wonderbare oordelen waarmee God volgens Exodus 7-12 de Farao van Egypte trof om Israël uit de slavernij te bevrijden. (Wijsh 11:5)

## plant van naam (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor een door God toegezegde plant die overvloedige zegen brengt. Onderdeel van de heilsbeloften. (Ez 34:29)

## plataan (natuur)

- Loofboom met afpellende schors. Door Jakob gebruikt voor zijn list met gepelde stokken bij het drenken van Labans vee. (Gen 30:37)

## platte vlakte (begrip)

- Profetisch beeld waarin een grote berg of obstakel wordt geslecht tot een effen vlakte. Symbool voor het wegnemen van moeilijkheden door God. (Zach 4:7)

## Plethieten (begrip)

- Buitenlandse huurkrijgers die samen met de Krethieten de persoonlijke lijfwacht van koning David vormden. Vermoedelijk afkomstig uit Kreta of de Filistijnse kustvlakte. (2Sam 8:18)

## Pleïaden (begrip)

- Zichtbare sterrenhoop in het sterrenbeeld Stier, in het Nederlands ook het Zevengesternte genoemd. In de Bijbel symbool van Gods scheppermacht. (Am 5:8)

## plichtenleer (begrip)

- Vrouwen, mannen, kinderen, vaders, dienstknechten, heren — onderlinge plichten in Christus. (Kol 3:18)

## ploeg (begrip)

- Landbouwwerktuig om de bodem te scheuren voor het zaaien, in het oude Israël doorgaans getrokken door een os. Symbool van vreedzame arbeid, in tegenstelling tot het zwaard. (2Sam 1:1)
- Werktuig om de aarde voor het zaaien om te keren. In de bijbel ook beeld voor toewijding en (bij omkering) voor vrede (Jes. 2:4). (Sir 38:25)

## ploegen (begrip)

- Akker bewerken; in lente bevolen, anders armoede. (Spr 20:4)

## ploegen onrechtvaardig (begrip)

- Profetisch beeld waarbij het zaaien van zonde een oogst van oordeel oplevert. Onderdeel van de wijsheids- en profetische beeldspraak. (Hos 10:13)

## ploegijzers (begrip)

- Beeldspraak waarin oorlogswapens worden omgesmeed tot landbouwwerktuigen. Profetisch beeld van de wereldwijde vrede in de heilstijd. (Mi 4:3)

## ploegijzers tot zwaarden (begrip)

- Profetische beeldspraak waarin landbouwwerktuigen worden omgesmeed tot wapens. Tegenovergestelde van het bekende vredesbeeld bij Jesaja en Micha. (Joël 3:10)

## Pniël (plaats)

- Plaats aan de Jabbok waar Jakob met de Engel worstelde en zijn nieuwe naam Israël ontving. Naam betekent 'aangezicht Gods'. (Gen 32:30)
- Plaats aan de Jabbok ten oosten van de Jordaan waar Jakob volgens Genesis met God worstelde. De naam betekent 'aangezicht van God'. (Hos 12:4)

## poel (begrip)

- Eeuwige bestemming van satan, beest, valse profeet. (Openb 19:20)

## poel des vuurs (plaats)

- De plaats van eeuwige straf en scheiding van God, bestemd voor de duivel en allen die God verwerpen. (Op 19:20)

## poetisch boek (begrip)

- Aanduiding voor de bijbelboeken die in dichterlijke parallellie zijn geschreven. Omvat Job, Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied. (Job 3:1)

## ponden (voorwerp)

- De gelijkenis van de tien ponden — over rentmeesterschap en wat met de gaven gedaan is. (Luk 19:13)

## Pontus (plaats)

- Streek waar Aquila vandaan kwam. (Hand 2:9)
- Provincie in noordoost Klein-Azië; een van de gebieden waar de uitverkoren vreemdelingen woonden tot wie Petrus schrijft. (1 Petr 1:1)

## poort des konings (plaats)

- Toegangspoort tot het koninklijk paleis, in het oude Oosten ook plaats van rechtspraak en officiële audiëntie. Hier vergaderden de hofbeambten en wachtten zij op opdrachten. (Esth 2:19)

## poorten des doods (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de toegangspoorten van het dodenrijk die voor de levenden ontoegankelijk zijn. Onderdeel van de oudtestamentische voorstelling van het hiernamaals. (Job 38:17)

## poortwachters (begrip)

- Levieten belast met het bewaken van de toegangen tot het tempelterrein. Hun dienst was verdeeld over alle vier de hemelsstreken en geregeld bij toerbeurt. (1 Kron 26:1)
- Levieten belast met het bewaken van de toegangen tot het tempelterrein en de stad. Hun dienst was verdeeld over alle vier de hemelsstreken en geregeld bij toerbeurt. (Neh 7:45)

## popelier (natuur)

- Loofboom met bleke bast (witte populier). Door Jakob gebruikt voor zijn list met gepelde stokken bij het drenken van Labans vee. (Gen 30:37)

## Poratha (persoon)

- Een van de tien zonen van Haman, de Perzische ambtenaar die de uitroeiing van de Joden plande. Werd met zijn broers gedood bij de tegenactie van de Joden. (Esth 9:8)

## Potifar (persoon)

- Egyptische hoveling, overste van de lijfwacht van farao. Kocht Jozef van de Ismaëlieten; zijn vrouw beschuldigde Jozef vals van aanranding. (Gen 37:36)

## Potifera (persoon)

- Egyptische priester van On (Heliopolis), vader van Asnath en schoonvader van Jozef. (Gen 41:45)

## potscherf (begrip)

- Stuk gebroken aardewerk, in de oudheid soms gebruikt om de huid mee te schrabben of als schrijfmateriaal. Beeld van uiterste armoede en vernedering. (Job 2:8)

## pottenbakker (begrip)

- Beeld voor God die soeverein over Zijn schepselen beschikt als de pottenbakker over het leem. Drukt Gods absolute vrijheid uit. (Rom 9:21)
- Vakman die uit klei vaten vormt op de schijf. In de bijbel ook beeld voor God als Schepper en voor de mens als zijn maaksel (vgl. Jeremia 18; Romeinen 9). (Wijsh 15:7)

## pottenbakker en zijn klei (uitdrukking)

- Klassieke uitdrukking voor Gods soevereiniteit. Door Paulus opgenomen. (Jer 18:6)

## pottenbakkersakker (plaats)

- Stuk grond, vermoedelijk uitgeput door kleiwinning, dat door de hogepriesters met Judas' verradersgeld werd gekocht als begraafplaats voor vreemdelingen. (Matt 27:7)

## pottenbakkerswiel (uitdrukking)

- Jeremia daalt af naar het huis van de pottenbakker; ziet hoe de pottenbakker een vat dat misvormt opnieuw bewerkt tot een ander. Beeld. (Jer 18:6)

## prachtig kleed (voorwerp)

- Het schitterende kleed dat Herodes Antipas Jezus liet aandoen om Hem te bespotten. (Luk 23:11)

## predestinatie (begrip)

- Goddelijke voorbeschikking; Gods eeuwige raadsbesluit waarin Hij naar Zijn welbehagen mensen tot het heil verkiest. (Rom 8:29)

## predikatie der priesters (begrip)

- Het onderwijzen en uitleggen van Gods wet aan het volk, een van de hoofdtaken van de Levitische priesters. Onderscheiden van de offerdienst. (Mal 2:7)

## prediker (begrip)

- Wie het evangelie verkondigt; verbonden aan de gezondene. Werktuig waardoor God het geloof werkt. (Rom 10:14)

## prediker der gerechtigheid (begrip)

- Noach wordt door Petrus genoemd als de prediker der gerechtigheid die door God in de zondvloed bewaard werd. (2 Petr 2:5)

## predikingen (begrip)

- Het verkondigen van het evangelie van het kruis. Door God gebruikt om gelovigen zalig te maken. (1 Kor 1:21)

## Pretorium (plaats)

- Officiële residentie en hoofdkwartier van een Romeinse landvoogd in een provincie. In Jeruzalem doorgaans gevestigd in het paleis van Herodes of de burcht Antonia. (Mark 15:16)

## priester (begrip)

- Gewijde dienaar in het heiligdom die offers brengt en het volk vertegenwoordigt voor God; in het Nieuwe Testament ook van Christus als hogepriester en van de gemeente als priesterschap. (Gen 14:18)

## priester en koning (begrip)

- Profetische combinatie van twee in Israël gescheiden ambten in één messiaanse figuur. Vooruitwijzing naar Christus die beide bekleedt. (Zach 6:13)

## priester-eetkamers (uitdrukking)

- Bijzondere kamers in de tempel waar de priesters de heiligste offers gebruikten en hun heilige kleding bewaarden. Onderdeel van de tempelinrichting. (Ez 42:13)

## priesterdom (begrip)

- Het ambt of de gemeenschap van de priesters; in het Nieuwe Testament ook de gemeente als koninklijk priesterdom dat God dient. (Hebr 5:6)

## priesterkamers (uitdrukking)

- Kamers in het tempelcomplex bestemd voor de priesters die aldaar offers bereidden of hun dienst voorbereidden. Onderdeel van de tempelarchitectuur. (Ez 40:45)

## priesterkleed (begrip)

- Het door God in Exodus 28 voorgeschreven ambtsgewaad van de priesters, bestaande uit linnen onderkleed, gordel, mantel en (voor de hogepriester) efod en borstlap. (Sir 45:8)

## priesterlijke kleding (begrip)

- De ambtsgewaden voor de priesters, zoals voorgeschreven in Exodus 28: linnen onderkleed, gordel, mantel en (voor de hogepriester) efod en borstlap. (3 Ezra 5:45)

## Priesterloze tijd (begrip)

- Aanduiding voor de periode tussen het laatste oudtestamentische profeet en het optreden van Johannes de Doper, ook intertestamentair tijdvak genoemd. Beslaat ongeveer vier eeuwen. (Mal 4:5)

## priesters (begrip)

- Mannen uit de stam Levi die in de tempel dienden en offers brachten voor het volk. Zij werden samen met Levieten naar Johannes de Doper gestuurd. (Joh 1:19)
- In Israël afstammelingen van Aäron, belast met de offerdienst, het bewaren van het heiligdom en het onderwijs in de wet van Mozes. (Sir 7:29)
- Nakomelingen van Aäron uit de stam Levi die in tabernakel of tempel offers brachten en het volk onderwezen in Gods wet. Bemiddelaars in de eredienst. (Joël 1:13)
- Aäronitische dienaars van het heiligdom, belast met het brengen van offers, het bedienen van de cultus en het onderwijzen van de wet. Alleen mannen uit het geslacht van Aäron mochten dit ambt vervullen. (1 Kron 24:5)

## priesters in linnen (begrip)

- Aanduiding voor de Aäronitische priesters in hun voorgeschreven witte linnen ambtskleding. Symbool van rituele zuiverheid bij de uitoefening van de tempeldienst. (2 Kron 5:12)

## priesters mogen geen wijn drinken bij dienst (uitdrukking)

- Voorschrift dat priesters tijdens hun dienst onthouding moesten betrachten. Onderdeel van de oudtestamentische priestervoorschriften. (Ez 44:21)

## priesters van Bel (persoon)

- Priesters die in Babylon de eredienst van de god Bel verzorgden. In het apocriefe boek Bel en de draak ontmaskerd als bedriegers. (BelDra 1:9)

## priesters van de Heren (begrip)

- Afstammelingen van Aäron, belast met de offerdienst en het onderwijs in de wet bij de tempel. (Gez. Vuur. 1:84)

## priesterzonen (begrip)

- Aanduiding voor mannen uit het priestergeslacht die in tabernakel of tempel dienst deden. In afgodische context ook voor priesters van afgoden gebruikt. (Zef 1:4)

## prijs (begrip)

- Bedrag of waarde waarvoor iets wordt verkocht of gekocht. In de oudheid vaak na onderhandeling vastgesteld. (Gen 23:9)

## prijzen (begrip)

- Verheerlijken van God om Zijn naam, werken en deugden. Synoniem van loven. (Ps 145:1)

## prikkel (begrip)

- Stekel of pijl; in het bijzonder de prikkel van de dood die door Christus is weggenomen. Beeld van wat kwelt en steekt. (1 Kor 15:55)

## prikkels (begrip)

- Christus' woord tot Saulus. (Hand 26:14)

## Priscilla (persoon)

- Vrouw van Aquila; samen met haar man Paulus' medewerker. (Hand 18:2)
- Echtgenote van Aquila en medewerker van Paulus. Onderwezen Apollos in de weg Gods. (Rom 16:3)

## Priska (persoon)

- Vrouw van Aquila, medewerkster van Paulus (ook bekend als Priscilla). (2 Tim 4:19)

## Prochorus (persoon)

- Een van de zeven eerste diakenen van de gemeente in Jeruzalem, gekozen om de dagelijkse bediening van de weduwen te verzorgen. Volgens latere overlevering metgezel van apostel Johannes en bisschop van Nicomedië. (Hand 6:5)

## proclamatie van Cyrus (begrip)

- Bekendmaking waarmee de Perzische koning Cyrus de Joden toestemming gaf naar Jeruzalem terug te keren en de tempel te herbouwen. Markeerde het einde van de Babylonische ballingschap. (2 Kron 36:23)

## Procorus (persoon)

- Een der zeven diakenen die door de gemeente werden gekozen om de tafels te dienen. (Hand 6:5)

## profeet (begrip)

- Door God geroepen spreker die Zijn woord doorgeeft aan het volk; in het Oude en Nieuwe Testament zowel voorzeggende als vermanende dienaren. (Gen 20:7)

## profeet als ik (theologisch)

- Mozes' profetie van een toekomstige profeet uit Israëls midden, gelijk hem zelf. In het Nieuwe Testament toegepast op Christus. (Dt 18:15)

## profeet, profeten (begrip)

- Door God geroepen personen die zijn woord ontvangen en doorgeven aan het volk. In Israël werden zij vooral in tijden van koningen actief als roeper tot bekering en als brengers van het verbondswoord. (2 Kron 11:2)

## profeten (begrip)

- Mannen en vrouwen die door God geroepen zijn om zijn woord aan zijn volk door te geven. In ruimere zin ook aanduiding van het profetische deel van het Oude Testament. (Matt 5:17)

## profeten als voorbeeld (begrip)

- Mijn broeders, neemt tot een voorbeeld des lijdens en der lijdzaamheid de profeten die in de Naam des Heeren gesproken hebben. (Jak 5:10)

## profeten en leraars (begrip)

- De vijf leiders van de gemeente te Antiochië die door de Geest Barnabas en Saulus afzonderden. (Hand 13:1)

## profeten valse (begrip)

- Personen die zich onterecht als profeten van God voordoen en het volk een vredesboodschap verkondigen die niet van God komt. Vaak onderwerp van kritiek door de echte profeten. (Mi 3:5)

## profeten-school (begrip)

- Gezelschap van profeten dat zich rondom een leider verzamelde voor onderricht, gebed en lofprijzing. Vorm van georganiseerde profetische gemeenschap die in Israël ontstond. (1Sam 19:20)

## profetie (begrip)

- Goddelijke voorzegging of geestelijke uitspraak namens God. Vaak gericht op de toekomst, maar ook op het heden of op verborgen geheimen. (Gen 49:1)
- Door God ingegeven uitspraak die zijn wil, oordeel of toekomst openbaart. Kan bestaan uit prediking, voorzegging of zinnebeeldige handeling. (Matt 1:22)
- Door de Heilige Geest gegeven gave van het bekendmaken van Gods Woord tot stichting van de gemeente. Hoog gewaardeerd boven andere gaven. (Rom 12:6)
- Door de Heilige Geest gegeven openbaring of toespraak ter opbouw, vermaning en vertroosting van de gemeente. (1 Tess 5:20)

## proloog (begrip)

- Inleidend prozagedeelte van een literair werk dat de scène opzet voor het hoofdverhaal. In het boek Job de eerste twee hoofdstukken. (Job 1:1)

## proloog Sirach (begrip)

- De voorrede van het apocriefe boek Sirach, geschreven door de Griekse vertaler (de kleinzoon van de auteur) omstreeks 132 v.Chr. in Egypte. (Sir 1:1)

## protrepticum (begrip)

- Hellenistische literaire vorm van een aansporings- of vermaningsrede, vaak gericht aan jongeren of vorsten om zich tot wijsheid en deugd te bekeren. (Wijsh 6:1)

## provinciën (begrip)

- Bestuurlijke districten van een groot rijk, bestuurd door door de centrale regering aangestelde gouverneurs. Het Perzische rijk telde er onder Ahasveros honderdzevenentwintig. (Esth 1:22)

## psalm (begrip)

- Religieus lied of gedicht, vaak met muzikale begeleiding. Komen in grote getale voor in het gelijknamige bijbelboek, doorgaans toegeschreven aan David en andere zangers. (2Sam 22:1)
- Lied of gebed, opgenomen in het bijbelboek Psalmen, bestemd voor zang in de tempel- en synagogedienst. Hebr. mizmor, betekent 'lied bij snarenspel'. (Ps 3:1)

## psalmist Israëls (naam)

- Eretitel voor koning David, vooral wegens zijn rol als dichter en zanger van de psalmen. Drukt zijn betekenis uit voor de godsdienstige liedcultuur van Israël. (2Sam 23:1)

## psalmzingen (begrip)

- Gods lof zingen onder begeleiding van snarenspel. (Ps 9:12)
- Is iemand goedsmoeds, dat hij psalmzinge — de gepaste reactie op blijdschap. (Jak 5:13)

## psalterion (begrip)

- Antiek snaarinstrument, in de oudheid gebruikt bij muzikale begeleiding van zang en lofzang. (Wijsh 19:18)

## Ptolemais (plaats)

- Havenstad waar Paulus' schip aanlegde tussen Tyrus en Cesarea. (Hand 21:7)

## Ptolemaïs (plaats)

- Hellenistische naam (naar Ptolemeüs II) voor de havenstad Akko aan de Middellandse Zeekust van noord-Israël. (1 Makk 5:15)

## Ptolemeüs (persoon)

- Naam van verschillende Egyptische koningen uit de Ptolemeïsche dynastie (323-30 v.Chr.). (EstAp 11:1)
- Naam van de koningen van Egypte uit de Ptolemaeïsche dynastie (323-30 v.Chr.); ook gedragen door verschillende Seleucidische functionarissen. (2 Makk 4:45)

## Ptolemeüs Filometor (persoon)

- Egyptische koning Ptolemeüs VI Filometor (regeerde 180-145 v.Chr.). Sneuvelde in 145 v.Chr. in een veldslag tegen Alexander Balas. (1 Makk 10:51)

## Ptolomaïs (plaats)

- Hellenistische naam voor de oude havenstad Acco aan de noordkust van Israël, hernoemd door Ptolemeüs II. (3 Makk 7:15)

## Ptolomeüs (persoon)

- Naam van de koningen van Egypte uit de Ptolemaeïsche dynastie (323-30 v.Chr.), gesticht door Ptolemeüs I, een veldheer van Alexander de Grote. (3 Makk 1:1)

## Pua (persoon)

- Tweede zoon van Issaschar en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Issaschar. (Gen 46:13)
- Een van de twee Hebreeuwse vroedvrouwen die Farao's moordbevel weerstonden uit vreze Gods. (Ex 1:15)

## Publius (persoon)

- Hoofd van het eiland Malta; Paulus genas zijn vader. (Hand 28:7)

## Pudens (persoon)

- Christen te Rome die de groeten doet aan Timotheüs. (2 Tim 4:21)

## puin en as (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor uiterste vernedering en rouw, waarbij men in puin of asbergen verblijft. Onderdeel van de oudtestamentische rouwliteratuur. (Job 2:8)

## Pul (persoon)

- Babylonische naam voor de Assyrische koning Tiglath-Pileser III. Voerde in de achtste eeuw v. Chr. een agressieve expansiepolitiek tegen de westelijke staten waaronder Israël. (2 Kon 15:19)

## Purim (begrip)

- Joods feest op 14 en 15 Adar ter herdenking van de redding van de Joden uit het complot van Haman, beschreven in het bijbelboek Esther. Naam afgeleid van 'pur', het lot dat Haman wierp. (EstAp 10:13)
- Joods feest gevierd op de veertiende en vijftiende Adar, ter herdenking van de redding van het Joodse volk uit de hand van Haman. Naam afgeleid van het Perzische woord 'pur' (lot). (Esth 9:26)

## purper (begrip)

- Een van de drie heilige kleuren voor het tabernakelweefsel en de priesterklederen. Donkerrode kostbare kleurstof gewonnen uit purperslakken. (Ex 25:4)
- Kostbare paarsrode kleurstof, gewonnen uit een zeeslak. Symbool van koninklijke en hoge waardigheid in de oudheid. (3 Ezra 3:6)

## purper en hyacinten (uitdrukking)

- Kostbare textielen in purper en blauw uit Foenicische verfwerken. Symbool van koninklijke en luxueuze kleding in de oudheid. (Ez 27:7)

## purperen kleed (overig)

- Een mantel van dure purperen (roodpaarse) stof, symbool van koningschap. De soldaten deden Jezus een purperen kleed om Hem te bespotten als koning. (Joh 19:2)

## purperen mantel (voorwerp)

- Mantel in de purperkleur, in de oudheid voorbehouden aan koningen en hoge functionarissen vanwege de kostbaarheid van de purperverf. (Mark 15:17)

## Put (persoon)

- Derde zoon van Cham en stamvader van een Noord-Afrikaans volk, mogelijk de Libiërs of Puntieten. (Gen 10:6)
- Afrikaans volk, vermoedelijk in het huidige Libië of Soedan, dat in de Bijbel vaak als bondgenoot van Egypte voorkomt. Genoemd onder de zonen van Cham. (Na 3:9)

## Puteoli (plaats)

- Stad in Italië waar Paulus broeders vond die hem zeven dagen bij hen lieten blijven. (Hand 28:13)

## Putiel (persoon)

- Schoonvader van Eleazar, de zoon van Aäron. Genoemd in het geslachtsregister van de stam Levi. (Ex 6:25)

## Putiël (persoon)

- Schoonvader van Eleazar, de zoon van Aäron. Genoemd in het geslachtsregister van de stam Levi. (Ex 6:25)

## Puwa (persoon)

- Andere schrijfwijze van Pua, zoon van Issaschar en kleinzoon van Jakob. (Gen 46:13)

## Pythonsgeest (demonisch)

- Demonische, waarzeggende geest in de slavin te Filippi, die Paulus in de Naam van Jezus uitwierp. Genoemd naar de slang Python uit Griekse mythologie. (Hand 16:16)

## Quartus (persoon)

- Een broeder die met Paulus groet doet aan Rome. Verder onbekend. (Rom 16:23)

## Quemarim (begrip)

- Hebreeuws woord voor afgodspriesters, met name die van Baäl. Onderscheiden van de Levitische priesters van de HEERE. (Zef 1:4)

## raad des HEEREN (uitdrukking)

- Hebr. סוֹד יְהוָה (sod) — vertrouwelijke vergadering van God en zijn dienaren; alleen ware profeten hebben er deel. (Jer 23:18)

## raadgeving (begrip)

- Goede raad geven; ( vrij). (Spr 27:9)

## raadsbesluit (begrip)

- Gods vaste plan dat niet wankelt. (Ps 33:11)

## raadsel (begrip)

- Ingewikkelde vraag of duistere uitspraak die de hoorders moeten zien op te lossen. Gold in het Oude Oosten als geliefd vermaak bij feesten en weddenschappen. (Ri 14:14)
- Diepzinnige uitspraak die om uitlegging vraagt; ook door wijzen geliefd. (Spr 1:6)

## raadslag (begrip)

- Beraadslaging. ( — herzien). (Ps 1:1)

## Raadslagen (begrip)

- Beraadslagingen, overleg, plannen. De zijn hun samenzweringen tegen de rechtvaardige; Gods raadslagen zijn Zijn vaste, eeuwige besluiten. (Ps 33:11)

## raaf (natuur)

- Grote zwarte vogel, in de Bijbel als onrein bestempeld. Door Noach als eerste uit de ark losgelaten om te zien of de wateren zakten. (Gen 8:7)

## raak Mij niet aan (begrip)

- Jezus tot Maria Magdalena. (Joh 20:17)

## raat des honigs (voorwerp)

- De honigraat die sommige handschriften vermelden bij het maal na de opstanding. (Luk 24:42)

## Rabba (plaats)

- Hoofdstad van de Ammonieten ten oosten van de Jordaan, voluit Rabbat-Ammon. Belegerd en uiteindelijk veroverd door David tijdens de Ammonitische oorlog. (2Sam 11:1)

## rabbi (begrip)

- Hebreeuws-Aramese eretitel voor een joodse leraar van de wet, letterlijk 'mijn meester'. In de evangeliën gebruikt voor Jezus en andere onderwijzers. (Matt 23:7)

## Rabbouni (begrip)

- Een Aramese vorm van Rabbi, die of betekent. Maria Magdalena gebruikte dit woord toen zij de opgestane Jezus herkende. (Joh 20:16)

## Rabsake (begrip)

- Titel van een hoge Assyrische ambtenaar, vermoedelijk de opperste schenker of een legerleider met diplomatieke bevoegdheden. Bekend uit de geschiedenis van Sanheribs veldtocht tegen Hizkia. (1 Kon 22:1)

## Rabsaris (persoon)

- Titel van een hoge Assyrische hofbeambte, mogelijk de oppereunuch of opperste der hofdienaars. Werd vaak gebruikt voor diplomatieke missies. (2 Kon 18:17)

## raca (begrip)

- Aramees scheldwoord, vermoedelijk 'leeghoofd' of 'lege kerel'. In de bergrede door Jezus genoemd als ernstige belediging. (Matt 5:22)

## Rachab (persoon)

- Hoer in Jericho die de Israëlitische verspieders verborg en daardoor met haar familie werd gespaard bij de val van de stad. Werd opgenomen in Israël en is opgenomen in het geslachtsregister van Christus. (Joz 2:1)
- Kanaänitische vrouw uit Jericho die de Israëlitische verspieders verborg en daarom met haar familie werd gespaard. Voormoeder van koning David. (Matt 1:5)

## Rachel (persoon)

- Jongste dochter van Laban en geliefde vrouw van Jakob. Moeder van Jozef en Benjamin; stierf in het kraambed van Benjamin nabij Bethlehem. (Gen 29:6)
- Tweede en geliefde vrouw van Jakob, moeder van Jozef en Benjamin. Aartsmoeder van Israël, vaak naast Lea genoemd als bouwer van het 'huis van Israël'. (Ruth 4:11)
- Tweede vrouw van Jakob, moeder van Jozef en Benjamin. Stierf bij de geboorte van Benjamin en werd begraven nabij Bethlehem. (Matt 2:18)

## Rachel weent (uitdrukking)

- Door Mattheüs op de kindermoord van Bethlehem toegepast (Mt ). (Jer 31:15)

## rad der geboorte (begrip)

- De tong steekt het rad onzer geboorte aan en wordt aangestoken van de hel — beeld van haar verwoestende invloed. (Jak 3:6)

## Rafael (persoon)

- Een van de aartsengelen volgens joodse en christelijke traditie. Naam betekent 'God geneest'. Speelt de hoofdrol in het apocriefe boek Tobit. (Tob 3:25)

## Rafia (plaats)

- Plaats in zuidelijk Palestina aan de kust, vlak bij de grens met Egypte. Toneel van de slag in 217 v.Chr. tussen Ptolemeüs IV en Antiochus III. (3 Makk 1:2)

## Rafon (plaats)

- Plaats in Galaäditis ten oosten van de Jordaan, gelegen aan een beek; toneel van een veldslag in de Makkabeese tijd. (1 Makk 5:37)

## Rages (plaats)

- Stad in Medië bij het huidige Teheran (oud-Perzisch Raga). Belangrijke handelsplaats in de oudheid. (Tob 1:16)

## Raguël (persoon)

- In het apocriefe boek Tobit een vrome joodse bloedverwant van Tobit, woonachtig te Ecbatana en vader van Sara. (Tob 7:1)

## Rahab (begrip)

- Mythologische zeegedrocht; ook poëtische naam voor Egypte. (Ps 89:11)

## ram (natuur)

- Volwassen mannelijk schaap. Gangbaar offerdier en voorzien door God als plaatsvervangend offer in de plaats van Izak. (Gen 22:13)
- Bijbelse persoonsnaam, in het boek Job genoemd als voorouder van Elihu. Mogelijk verwant aan de naam Aram en de Aramese stammen. (Job 32:2)

## Rama (plaats)

- Stad in het bergland van Efraïm, geboorteplaats en vaste woonplaats van de profeet Samuel. Vanuit deze plaats hield hij zijn rondtrekkend richterschap. (1Sam 1:19)
- Stadje ongeveer acht kilometer ten noorden van Jeruzalem in het gebied van Benjamin, op de oude weg naar het noorden. (Matt 2:18)
- Naam van meerdere plaatsen in Israël, onder andere een stad in het stamgebied van Benjamin op de noordgrens van Juda. Strategische versterkingsplaats in de strijd tussen Juda en het noordelijke rijk. (2 Kon 15:37)
- Stad in het stamgebied van Benjamin op de noordgrens van Juda. Strategische versterkingsplaats in de strijd tussen Juda en het noordelijke rijk. (2 Kron 16:1)
- Stad in Benjamin plaats waar Rachel haar kinderen beweent. Klassieke verwijzing in evangelies. (Jer 31:15)

## ramah (plaats)

- Plaatsnaam die 'hoogte' betekent. Bekendste Rama lag in Benjamin, ten noorden van Jeruzalem, en was geboorteplaats van de profeet Samuel. (Hos 5:8)

## Ramatha (plaats)

- Streek of stad in Samaria, in de tweede eeuw v.Chr. door de Seleucidische koning aan Judea toegevoegd. (1 Makk 11:34)

## Ramathaïm-zofim (plaats)

- Voluit de naam van Samuels geboorteplaats, gelegen in het bergland van Efraïm. Doorgaans verkort tot Rama. (1Sam 1:1)

## Rameses (plaats)

- Vruchtbaar gebied in het oostelijk deel van de Nijldelta, gelijk aan of binnen Gosen. Door farao aan Jakobs familie toegewezen. (Gen 47:11)

## Ramoth in Gilead (plaats)

- Vrijstad in Gilead ten oosten van de Jordaan, in het stamgebied van Gad. Later strijdtoneel tussen Israël en de Arameeërs. (Joz 20:8)

## Ramoth-Gilead (plaats)

- Stad in Gilead ten oosten van de Jordaan, in het stamgebied van Gad. Een van de zes vrijsteden voor doodslagers en strategisch grenspunt tussen Israël en het Aramese rijk. (1 Kon 22:3)

## ramshoorn (voorwerp)

- Bazuin gemaakt van een gebogen ramshoorn (sjofar), gebruikt bij de eredienst, op feestdagen en in de strijd. Symbool van Gods aanwezigheid en oordeel. (Joz 6:4)

## rank aan de neus (uitdrukking)

- Onbegrepen heidens ritueel dat in profetische teksten wordt vermeld. Mogelijk een gebaar van afgodische verachting. (Ez 8:17)

## ranken (natuur)

- De takken van een wijnstok die de druiven dragen. Jezus vergelijkt Zijn volgelingen met ranken die in Hem (de Wijnstok) moeten blijven om vrucht te dragen. (Joh 15:5)

## rantsoen (begrip)

- Losgeld dat betaald wordt om iemand uit slavernij of gevangenschap vrij te kopen; in het Nieuwe Testament toegepast op het zelfgegeven offer van Christus tot vrijkoping van zondaren. (Mark 10:45)

## ras tot horen (begrip)

- Een ieder mens zij ras om te horen, traag om te spreken — kern van pastorale wijsheid. (Jak 1:19)

## raven (begrip)

- Grote zwarte vogels uit de kraaienfamilie, in de Tora als onrein aangemerkt. In de Bijbel soms beeld van Gods voorzienig onderhoud. (Matt 6:26)
- Aaseters die in de Schrift soms door God worden ingezet voor zijn voorzienigheid. Onder de wet van Mozes als onreine vogels gerekend. (1 Kon 17:6)

## Razis (persoon)

- Volgens 2 Makkabeeën 14 een vrome oude joodse leider in de tweede eeuw v.Chr. die liever zelfmoord pleegde dan in heidense handen te vallen. (1 Makk 7:13)
- Volgens 2 Makkabeeën 14 een vrome oude joodse leider die liever zelfmoord pleegde dan in heidense handen te vallen. (2 Makk 14:37)

## Raämses (plaats)

- Voorraadstad in de Nijldelta, samen met Pithom door Israël onder dwang gebouwd. Vanuit Raämses begon de uittocht. (Ex 1:11)

## Raëma (persoon)

- Zoon van Cusch en kleinzoon van Cham. Vader van Scheba en Dedan, stamvaders van Arabische handelsvolken. (Gen 10:7)

## Rebekka (persoon)

- Vrouw van Izak en moeder van Esau en Jakob. Dochter van Bethuël en kleindochter van Nahor; door Abrahams knecht uit Mesopotamië gehaald. (Gen 22:23)
- Vrouw van Izak en moeder van Esau en Jakob. Genoemd in verband met Gods voorkennis en uitverkiezing. (Rom 9:10)

## rebellie (begrip)

- Opstand. Niet als ondertoon van de bidder, maar van de vijanden tegen God. (Ps 2:1)

## rebellieus huis (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor het volk Israël als hardnekkig in zijn weerspannigheid tegen God. Centraal in de profetische literatuur. (Ez 2:5)

## Rechabieten (volk)

- Volk dat de inzettingen van hun voorvader Jonadab streng onderhield. God laat ze door Jeremia in de tempel komen en weigert hun wijn — ten teken voor Juda dat zij hun God niet zo trouw zijn als de Rechabieten hun aardse vader. (Jer 35:1)

## Rechabieten als voorbeeld (uitdrukking)

- God prijst de Rechabieten dat zij het bevel van hun aardse vader Jonadab gehoorzamen — Juda gehoorzaamt zelfs Mij niet. Belofte. (Jer 35:19)

## Recheb (persoon)

- Een van de twee legerhoofden van Sauls zoon Isboseth, broer van Baäna. Berucht om de moord op zijn eigen koning en de aanbieding van diens hoofd aan David. (2Sam 4:5)

## recht (begrip)

- Gods rechtsorde en rechtvaardige beschikking. Vaak parallel met 'gerechtigheid'. (Ps 9:5)
- Hebr. מִשְׁפָּט (mishpat) — wat juist en billijk is, ook bij rechtspraak. Noemt het naast gerechtigheid. (Spr 1:3)

## recht doen (begrip)

- Het handelen volgens Gods rechtvaardige geboden, vooral in sociale verhoudingen. Onderdeel van de bijbelse samenvatting van wat God van mensen vraagt. (Mi 6:8)

## recht en gerechtigheid (begrip)

- Bijbels begrippenpaar voor het handelen volgens Gods rechtvaardige geboden, vooral in sociaal opzicht. Kernhouding van het verbondsleven. (Am 5:24)

## rechte leer (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (1 Tim 1:3)

## rechte paden (begrip)

- Bijbels beeld voor een leven dat in overeenstemming is met Gods wil, in tegenstelling tot de kromme wegen van de zondaar. (Wijsh 9:18)

## rechte schaamte (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor de juiste vorm van schaamte die de mens weerhoudt van zonde en oneerlijkheid. (Sir 41:16)

## rechte straat (plaats)

- De straat in Damaskus waar Saulus na zijn bekering wachtte in het huis van Judas. (Hand 9:11)

## rechte tijd (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het juiste moment om te spreken, te zwijgen of te handelen. Bekend uit Prediker 3. (Sir 20:6)

## Rechter (begrip)

- In het Oude Testament door God verwekte leider die het volk verloste en bestuurde, vóór de instelling van het koningschap. Ook algemene aanduiding voor wie recht spreekt. (Ps 7:12)
- 'God heeft Hem verordineerd tot een Rechter van levenden en doden'. (Hand 7:27)
- In bijbels spraakgebruik wie recht spreekt. Toegepast op God als hoogste rechter en op de aangestelde mensen die in zijn naam recht spreken. (2 Makk 7:6)

## rechter Israëls (begrip)

- Aanduiding voor degene die in Israël het rechtsgezag uitoefent. In de profeten ook gebruikt als titel voor de Messias of de heersende koning. (Mi 5:1)

## rechter voor de deur (begrip)

- Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat u niet veroordeeld wordt; ziet, de Rechter staat voor de deur. (Jak 5:9)

## rechterhand (begrip)

- Plaats van eer en kracht. (Ps 16:11)
- Plaats van eer en macht naast de troon. Christus zit aan de rechterhand des Vaders. (Rom 8:34)
- Christus is gezeten aan de rechterhand der majesteit in de hoogste hemelen — teken van Zijn voltooide werk en koninklijke heerschappij. (Hebr 1:3)

## rechterhand en linkerhand (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor het vermogen tot onderscheid tussen goed en kwaad. Wie dit niet kan, geldt als onmondig of onschuldig kind. (Jon 4:11)

## rechterhand Gods (begrip)

- Beeldspraak voor de plaats van hoogste eer en macht naast God. Wordt in het Nieuwe Testament toegekend aan de verheerlijkte Christus. (Mark 12:36)
- Christus' verhoging. (Ef 1:20)
- Bijbelse beeldspraak voor Gods scheppende en reddende macht. Aan zijn rechterhand zit hij die met hem gelijke ere ontvangt. (4 Ezra 3:6)

## rechters (begrip)

- Aangestelden om recht te spreken in geschillen, naar de wet van Mozes. In Israël meestal uit de oudsten van de gemeente gekozen. (Sus 1:50)

## rechters van Israël (begrip)

- Burgerlijke en rechterlijke ambtsdragers in het oude Israël, naast de priesterlijke en koninklijke ambten. Onder koning David werden zij georganiseerd voor het hele land. (1 Kron 23:4)

## rechterstoel (overig)

- De stoel waarop de rechter zat om vonnis te vellen. Pilatus zat op de rechterstoel toen hij het oordeel over Jezus uitsprak. (Joh 19:13)
- De zetel van een rechter. In de bijbel ook beeld van Gods of Christus' troon waar het laatste oordeel zal worden geveld. (4 Ezra 7:33)

## rechterstoel van Christus (begrip)

- De toekomstige rechterstoel waarvoor alle gelovigen geopenbaard zullen worden. Daar wordt rekenschap gegeven van het in het lichaam gedane. (2 Kor 5:10)

## rechterzijde 40 dagen (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij de profeet symbolisch het ongerechtigheid van Juda draagt door op zijn rechterzijde te liggen. Onderdeel van symboolperformance. (Ez 4:6)

## rechthuis (plaats)

- Het gerechtsgebouw, de Romeinse rechtszaal. Pilatus verhoorde Jezus in het rechthuis (praetorium). (Joh 18:28)

## rechtschapenheid (begrip)

- Recht handelen in overeenstemming met Gods wet. 'Die gerechtigheid werkt'. (Ps 15:2)

## rechtsgeding (begrip)

- Juridisch dispuut tussen partijen, in het oude Israël meestal afgehandeld door de stadsoudsten in de poort. Belangrijk middel voor het handhaven van recht en gemeenschapsorde. (2Sam 15:4)

## rechtspraak (begrip)

- Het uitspreken van recht; door de Wijsheid bestuurd. (Spr 8:15)

## rechtsvergadering (begrip)

- Plechtige bijeenkomst van het volk Israël waarbij verbondszaken werden behandeld of vernieuwd. Vond doorgaans plaats bij belangrijke heiligdommen of grenzen van het land. (Joz 24:1)

## rechtszaak (begrip)

- Geding voor de wereldlijke rechter; door Paulus afgeraden tussen broeders. Bedroeft de gemeente naar buiten. (1 Kor 6:1)

## rechtvaardig (begrip)

- In overeenstemming met Gods wil levend. In het Oude Testament beantwoorden aan de eisen van het verbond, vooral door geloof en gehoorzaamheid. (Gen 6:9)
- Wat overeenkomt met Gods recht en wil; van God Zelf en van wie in Christus voor Hem rechtvaardig staat. (Rom 3:10)
- Jezus Christus is, onze Voorspraak bij de Vader. (1 Joh 2:1)
- Eigenschap van wie handelt naar Gods wil en het verbond. Bij God: volkomen trouw aan zijn beloften en eerlijk in zijn oordeel. (Zef 3:5)
- Eigenschap van wie naar Gods wil leeft en het verbond houdt. In de Bijbel ook eigenschap van God die volkomen recht doet. (Job 1:1)

## rechtvaardig oordeel (begrip)

- Goddelijk gericht waarin God volkomen recht doet en de waardigheid van de gelovigen voor het Koninkrijk openbaar wordt. (2 Th 1:5)

## rechtvaardige (begrip)

- Mens die in geloof leeft naar Gods geboden en in Zijn verbondsgemeenschap staat. Tegengesteld aan goddeloze. (Ps 1:5)
- Mens die voor God in geloof en gehoorzaamheid leeft. In de wijsheids- en profetische literatuur ook prefiguratie van de Lijdende Knecht en van Christus. (Wijsh 2:12)
- Iemand die naar Gods wil leeft en het verbond houdt. In de profeten en wijsheidsliteratuur tegenover de goddeloze gesteld. (Am 2:6)

## rechtvaardige Lot (persoon)

- God heeft de rechtvaardige Lot, die door de ontuchtige wandel der gruwelijken vermoeid was, ontrukt — voorbeeld van de redding der godzaligen uit de verzoeking. (2 Petr 2:7)

## rechtvaardige nauwelijks zalig (begrip)

- Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen? (1 Petr 4:18)

## rechtvaardige rechter (begrip)

- Bijbelse Godsnaam die God aanduidt als degene die zonder aanzien des persoons recht spreekt over alle mensen en volken. (2 Makk 7:36)

## rechtvaardige Spruit (uitdrukking)

- Messiaanse profetie van een betere Davidide. (Jer 23:5)

## rechtvaardige veroordeeld (begrip)

- Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood de rechtvaardige; en hij wederstaat u niet — getuigenis tegen de onderdrukkers. (Jak 5:6)

## rechtvaardige zal door geloof leven (begrip)

- Profetische uitspraak dat de rechtvaardige zijn leven en behoud vindt door vertrouwen op God. Door Paulus gebruikt als kerntekst voor de rechtvaardiging door geloof. (Hab 2:4)

## rechtvaardigen (begrip)

- Mensen die voor God in geloof en gehoorzaamheid leven. In bijbelse en joodse traditie hen die deel zullen krijgen aan het eeuwige leven. (4 Ezra 8:33)
- Mensen die voor God in geloof en gehoorzaamheid leven. In de bijbel vaak gebruikt voor de aartsvaders en andere heiligen. (Geb. Man. 1:8)

## rechtvaardigheid (begrip)

- Wacht voor allen die Zijn verschijning hebben liefgehad. (2 Tim 2:22)

## rechtvaardigheid uit de wet (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (Fil 3:6)

## rechtvaardigheid uit God (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Fil 3:9)

## rechtvaardiging (begrip)

- De daad waardoor God de goddeloze die in Christus gelooft, om Christus' wil rechtvaardig verklaart. Geschiedt zonder werken der wet. (Rom 2:13)
- Centraal: rechtvaardiging is uit geloof, niet uit werken van de wet. (Gal 2:16)
- Goddelijke daad waardoor de zondaar uit louter genade rechtvaardig verklaard wordt voor God; centrale heilsweldaad in het Paulinische denken. (Tit 3:7)
- Gods rechterlijke daad waarbij Hij de zondaar om Christus' wil van schuld vrijspreekt en rechtvaardig verklaart. (Jak 2:21)
- Bijbels begrip voor het verklaren of maken van iemand tot rechtvaardige voor God. In het Nieuwe Testament door Paulus uitgewerkt rond geloof in Christus. (2 Makk 7:9)

## rechtvaardiging door geloof (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (Gal 2:16)

## rechtvaardigmaking (begrip)

- Abraham werd gerechtvaardigd uit de werken, toen hij Izak zijn zoon op het altaar geofferd had — geloof werkte mede met zijn werken. (Jak 2:21)

## redden (begrip)

- Uit nood verlossen. 'Hij redt en bevrijdt'. Een kernwoord van Gods optreden. (Ps 22:9)

## redding (begrip)

- Bevrijding uit nood en gevaar door God. Synoniem voor verlossing en heil. (Ps 14:7)
- Bevrijding van de toorn en het verderf, geschonken in Christus. Volbracht en nog te verwachten. (Rom 1:16)

## rede (begrip)

- Spreekwijze, uiting; in Spreuken vaak. Ook: woorden van wijsheid. (Spr 1:2)

## redelijke onvervalste melk (begrip)

- Als nieuwgeboren kinderkens, weest zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door dezelve mag opwassen. (1 Petr 2:2)

## redenen (begrip)

- Gods uitspraken, woorden. (Ps 119:103)

## reepschot (voorwerp)

- De zeerlieden lieten zich met de boot in zee zakken om te ontvluchten — Paulus voorkwam dit. (Hand 27:30)

## Refaïet (volk)

- Lid van een reuzenvolk dat in de oudheid ten oosten van de Jordaan en in delen van Kanaän woonde. (Gen 14:5)

## Refaïeten (volk)

- Reuzenvolk dat in de oudheid ten oosten van de Jordaan en in delen van Kanaän woonde. Door Kedor-Laomer verslagen bij Asteroth-Karnaim. (Gen 14:5)

## Refaïm (plaats)

- Vlakte ten zuidwesten van Jeruzalem, vruchtbaar landbouwgebied. Plaats van enkele beslissende veldslagen tegen de Filistijnen in de tijd van David. (1 Kron 11:15)

## Refidim (plaats)

- Pleisterplaats van Israël in de woestijn, waar het volk twistte om water (Massa en Meriba) en waar Amalek hen aanviel. (Ex 17:1)

## refrein (liturgie)

- Steeds terugkerende zin. Is het refrein. (Ps 42:6)

## regen op de woestijn (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor Gods soevereine vrijheid die ook regen geeft waar geen mens woont. Onderdeel van de wijsheidsliteratuur over Gods vrije gunst. (Job 38:26)

## regen ter zegening (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor neerslag die als gave van God overvloedig zegen brengt. Onderdeel van de heilsbeloften in profetische literatuur. (Ez 34:26)

## regen tijdens vergadering (begrip)

- Aanduiding voor de uitzonderlijk zware regenbui die viel tijdens een grote volksbijeenkomst in Jeruzalem in de winter. Versterkte de ontroering en het gevoel van schuld bij de aanwezigen. (Ezra 10:9)

## regen vroege en late (begrip)

- De twee regenseizoenen in Israël: in oktober-november en in maart-april. Beide onmisbaar voor het slagen van de graanoogst. (Zach 10:1)

## regenboog (begrip)

- De gekleurde boog die na regen aan de hemel verschijnt. Door God als blijvend teken van Zijn verbond met Noach en alle leven gegeven. (Gen 9:13)
- Rondom Gods troon en boven het hoofd van de sterke engel. (Openb 4:3)
- Lichtboog die ontstaat door breking van zonlicht in regendruppels. In Genesis 9 door God ingesteld als teken van zijn verbond met Noach. (Sir 43:11)

## regenboog rondom troon (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarin een regenboog de troon van God omgeeft als teken van zijn verbondsgenade. Komt ook voor in de Openbaring van Johannes. (Ez 1:28)

## Rehabeam (persoon)

- Zoon en opvolger van Salomo als koning te Jeruzalem (regeerde ca. 931-913 v.Chr.). Onder hem scheurde het rijk in twee: Juda en Israël. (Sir 47:23)
- Zoon van Salomo en eerste koning van het zuidelijke rijk Juda na de scheuring van het rijk. Verloor de tien noordelijke stammen door zijn harde antwoord aan de oudsten over hun verzoek om verlichting van lasten. (1 Kon 11:43)

## Rehoboth (plaats)

- Naam van een waterput bij Gerar, betekenend 'ruimte', omdat er over deze put geen twist was. Ook naam van een stad in Assyrië. (Gen 26:22)

## Rehu (persoon)

- Achtste geslacht na Sem, zoon van Peleg en vader van Serug. Voorvader van Abraham. (Gen 11:18)

## Rehum (persoon)

- Perzisch ambtenaar in de provincie 'aan de overzijde van de rivier' ten tijde van Artaxerxes. Mede-ondertekenaar van een aanklachtsbrief tegen de herbouw van Jeruzalem. (Ezra 4:8)

## Rehuël (persoon)

- Tweede zoon van Esau bij Basmath. Vader van Nahath, Zerah, Samma en Mizza. (Gen 36:4)

## Rehuël (Ezau) (persoon)

- Tweede zoon van Esau bij Basmath. Vader van Nahath, Zerah, Samma en Mizza, hoofden van Edomitische clans. (Gen 36:4)

## rei (begrip)

- Vreugdedans, oorspronkelijk een rond­dans van vrouwen bij feesten. In de Statenvertaling staat 'rei' waar het Hebreeuws een feestdans aanduidt; tegenovergestelde van rouw en weeklage. (Ps 30:12)
- Reidans, vooral van vrouwen, met zang en muziek. Bekend uit oudtestamentische overwinningsfeesten zoals dat van Mirjam. (Jdt 15:14)

## rein (begrip)

- Cultisch geschikt voor God, in tegenstelling tot onrein. Van reine dieren werd geofferd en gegeten. (Gen 7:2)
- Innerlijk en uiterlijk zuiver voor God.; 'Schep mij een rein hart'. (Ps 24:4)
- In bijbels spraakgebruik vrij van wat onreinheid veroorzaakt, hetzij cultisch, moreel of geestelijk. Tegenovergesteld aan onrein. (Matt 5:8)
- Zonder zonde of bedrog. (Spr 20:9)

## rein dier (wet)

- Dier dat volgens de spijswetten gegeten mocht worden: herkauwers met gespleten hoeven, vissen met vinnen en schubben en bepaalde vogels. (Lev 11:3)

## rein en onrein (begrip)

- Onderscheid in de Tora tussen dieren die wel en niet gegeten of geofferd mochten worden. Reeds in Genesis bekend bij Noach voor de zondvloed. (Gen 7:2)
- Onderscheid uit de wet van Mozes tussen wat geschikt is voor de eredienst en wat daarvan uitsluit. Onreinheid kan worden overgedragen, heiligheid niet zonder meer. (Hag 2:11)

## rein offer (begrip)

- Offer dat aan alle voorschriften van zuiverheid en gebrekloosheid voldoet. Tegenovergesteld aan de bezoedelde offers die door de profeten worden veroordeeld. (Mal 1:11)

## rein water op u sprenkelen (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor Gods reinigende werk waarbij hij het volk van zijn onreinheden zuivert. Voorloper van het bijbelse doopbeeld. (Ez 36:25)

## reinheidswetten (wet)

- Voorschriften over reine en onreine spijzen, lichamelijke vloeiingen, melaatsheid en huiselijke besmetting, met daarbij behorende reinigingsritualen. (Lev 11:1)

## reiniging (begrip)

- Gods verzoenende werk waardoor de zondaar wit gewassen wordt. (Ps 51:9)
- Cultische handeling om iemand of iets weer rein te maken na contact met onreinheid. In de Tora geregeld door wassingen, offers of wachttijden. (Mark 7:4)
- Het ritueel schoonmaken of zuiveren volgens de Joodse wet. De stenen watervaten op de bruiloft te Kana waren bestemd voor de reiniging van de Joden. (Joh 2:6)
- Christus heeft door Zichzelf de reiniging van onze zonden teweeggebracht en is gezeten aan de rechterhand der majesteit in de hoogste hemelen. (Hebr 1:3)
- Het bloed van Christus reinigt ons van alle zonde. (1 Joh 1:7)

## reiniging der Joden (gebruik)

- De rituele wassing waarvoor de stenen watervaten te Kana stonden. (Joh 2:6)

## reiniging van de tempel (begrip)

- De zuivering van de tempel van Jeruzalem door Judas Makkabeüs in 164 v.Chr., na de ontwijding door Antiochus IV. Aanleiding tot het Chanoeka-feest. (1 Makk 4:36)

## reis naar Egypte tegen Gods verbod (uitdrukking)

- Het overblijfsel vraagt Jeremia om Gods raad — wachten 10 dagen — krijgen het bevel in het land te blijven en niet naar Egypte te gaan. Toch trekken Johanan en de zijnen naar Egypte; nemen Jeremia en Baruch mee. (Jer 43:7)

## reis naar Jeruzalem (begrip)

- Sleutelvers in Lukas (9:51). (Luk 9:51)

## reiszak (voorwerp)

- De reiszak die de zendelingen niet mochten meenemen — vertrouwen op God. (Luk 10:4)

## reizen (begrip)

- Het zich begeven naar verre plaatsen. In de bijbel en de wijsheidsliteratuur ook gezien als bron van ervaring en wijsheid. (Sir 34:9)

## reizen naar de hoogte van Sion (uitdrukking)

- Beeld van eindeloze pelgrimage. (Jer 31:12)

## reizen wijsheid (begrip)

- In de wijsheidsliteratuur de gedachte dat de wijze door reizen in vreemde landen ervaring en inzicht opdoet. (Sir 39:4)

## rekenschap geven (begrip)

- Zij zullen rekenschap geven aan Hem die bereid staat te oordelen de levenden en de doden — daarom hoeft de gelovige hun spot niet te vrezen. (1 Petr 4:5)

## renbaan (begrip)

- Het hippodroom of stadion in een Griekse stad, een langwerpig terrein voor wagenrennen en andere wedstrijden. (3 Makk 4:11)

## rentmeester (begrip)

- Beheerder van andermans goederen; van de apostelen en gelovigen als rentmeesters van Gods verborgenheden en gaven. Trouw is hier vereist. (1 Kor 4:1)

## rentmeester Gods (begrip)

- Aanduiding voor wie als beheerder over Gods huishouding gesteld is en daarvan rekenschap heeft af te leggen. (Tit 1:7)

## rentmeesters (begrip)

- Beheerders van de koninklijke financiën in de Perzische provincies. Verantwoordelijk voor inning van belastingen en uitkering van koninklijke gelden. (3 Ezra 4:47)

## repatriatie (begrip)

- Terugkeer van een verdreven of gedeporteerd volk naar het eigen land. Chr. (3 Ezra 5:1)

## Rephaïm (volk)

- Reuzenvolk dat in de oudheid ten oosten van de Jordaan en in delen van Kanaän woonde. Tot hen behoorde koning Og van Basan. (Dt 3:11)

## Resch (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:21)

## Resen (plaats)

- Stad in Assyrië tussen Nineve en Kalach, deel uitmakend van het oude Assyrische steden-complex. (Gen 10:12)

## Reuel (persoon)

- Andere naam voor Jethro, de schoonvader van Mozes. Priester van Midian, vader van Mozes' vrouw Sippora. (Ex 2:18)

## reuk (begrip)

- Geur of welriekende geur; van het evangelie dat een reuk des levens of des doods is. Onderscheidende werking van het Woord. (2 Kor 2:16)

## reuk van het water (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de levenwekkende kracht waarmee zelfs een afgehouwen boom weer kan uitspruiten. Klassieke uitdrukking voor hoop op vernieuwing. (Job 14:9)

## reukaltaar (cultisch)

- Klein gouden altaar in het heilige van de tabernakel waarop dagelijks reukwerk werd gebrand. Stond voor het voorhangsel van het Heilige der heiligen. (Ex 30:1)

## reukoffer (cultisch)

- Het dagelijkse branden van welriekend reukwerk op het gouden reukaltaar in het heilige. Beeld van het opstijgende gebed van het volk. (Lev 16:13)
- Het reukoffer dat Zacharias bracht in het heiligdom toen Gabriël hem verscheen. (Luk 1:9)
- Offer van welriekend hars op het reukofferaltaar. Bracht een welriekende rook voort, beeld van het opstijgend gebed. (Tob 6:19)

## reukwerk (cultisch)

- Mengsel van welriekende specerijen volgens een vast recept, alleen voor de eredienst gebruikt. Werd dagelijks op het reukaltaar gebrand. (Ex 30:34)
- Geurig offer; beeld van het gebed dat opstijgt voor God. (Ps 141:2)
- Het welriekend offer dat dagelijks werd gebracht; type van de gebeden van de heiligen en van Christus' voorbede. (Hebr 9:4)
- Mengsel van welriekende harsen dat op het reukofferaltaar in de tempel werd verbrand. Beeld van het opstijgend gebed. (Jdt 9:1)

## reukwerk en gebeden (voorwerp)

- De gouden wierookvat met reukwerk waarmee de gebeden der heiligen voor God werden gebracht. (Op 8:3)

## reus (persoon)

- Bijbelse aanduiding voor mensen van bovennatuurlijke gestalte uit de oertijd (Genesis 6:4) en voor reuzenvolken in Kanaän (Refaïeten, Enakieten). (Sir 47:4)

## reuzen (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor mensen van bovennatuurlijke gestalte uit de oertijd (Genesis 6:4) en voor reuzenvolken in Kanaän (Refaïeten, Enakieten). (Bar 3:26)
- Aanduiding voor de leden van het oude reuzenvolk Refaïm, vooral nog in de Filistijnse hoofdsteden voorkomend. Werden door de helden van koning David in verschillende gevechten verslagen. (1 Kron 20:4-8)

## Rezin (persoon)

- Aramese koning van Damascus in de tweede helft van de achtste eeuw v. Chr. Sloot een verbond met Pekach van Israël tegen Juda en werd door de Assyrische koning Tiglath-Pileser verslagen. (2 Kon 15:37)

## Rezon (persoon)

- Aramees prins en stichter van het zelfstandige koninkrijk Damascus. Werd in de tijd van Salomo door God als tegenstander van Israël verwekt. (1 Kon 11:23)

## Reüma (persoon)

- Bijvrouw van Nahor, broer van Abraham. Moeder van Tebah, Gaham, Tahas en Maächa. (Gen 22:24)

## Rhegium (plaats)

- Stad aan de Italiaanse kust waar Paulus' schip aanlegde voor het naar Puteoli voer. (Hand 28:13)

## rib (begrip)

- Een van de gebogen botten aan weerszijden van de borstkas. God nam een rib uit de slapende Adam en bouwde daaruit de eerste vrouw. (Gen 2:21)

## ribbe (begrip)

- Verouderde vorm van 'rib', een van de gebogen borstbotten. Uit een rib van de slapende Adam bouwde God de eerste vrouw. (Gen 2:21)

## Ribla (plaats)

- Stad in het land Hamath aan de Orontes; militair hoofdkwartier van Nebukadnezar bij de bestraffing van Zedekia. (Jer 39:5)

## Riblah (plaats)

- Stad in het noorden van Syrië aan de Orontes, in het gebied van Hamath. Diende verschillende vreemde koningen als hoofdkwartier voor hun veldtochten tegen Palestina. (2 Kon 23:33)

## richter (wet)

- Door God verwekte leider in Israël tussen de tijd van Jozua en de instelling van het koningschap. Vervulde zowel een militaire als een rechterlijke functie om het volk uit de hand van verdrukkers te verlossen. (Ri 2:16)

## richters (wet)

- Door God verwekte leiders in Israël tussen de tijd van Jozua en de instelling van het koningschap. Vervulden zowel een militaire als een rechterlijke functie om het volk uit de hand van verdrukkers te verlossen. (Ruth 1:1)
- Door God verwekte leiders die Israël in de tijd tussen Jozua en het koningschap van Saul aanvoerden. Hun verhalen staan in het bijbelboek Richteren. (Sir 46:11)

## richtsnoer (begrip)

- Maatstaf, regel. Gods Woord is leiddraad. (Ps 119:105)

## riet (voorwerp)

- Holle plantenstengel die langs water groeit, in de oudheid gebruikt als pen, meetstok of wandelstok. (Mark 15:19)

## riet voor Israël (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor een onbetrouwbare bondgenoot, vergeleken met een rietstaf die breekt als men erop leunt. Klassieke uitdrukking voor valse hulp. (Ez 29:6)

## Rifath (persoon)

- Tweede zoon van Gomer en kleinzoon van Jafeth. Stamvader van een volk in het noorden. (Gen 10:3)

## rijk (begrip)

- Iemand met veel bezit. In de Bijbel kan rijkdom zowel een zegen als een gevaar voor het geestelijke leven zijn. (Mark 10:22)
- Lukas heeft scherpere weeën dan Mattheus. (Luk 1:53)

## rijk vergaat (begrip)

- De rijke zal in zijn wegen verwelken — een troost voor de geringen en een waarschuwing voor de rijken. (Jak 1:11)

## rijkdom (begrip)

- Overvloedige volheid, in het bijzonder van Gods genade, barmhartigheid en heerlijkheid. Onderscheiden van wereldse rijkdom. (Rom 11:33)
- Bezit, vermogen; in Spreuken relatief — beter weinig met vrees voor JAHWEH dan grote schat met onrust. (Spr 8:18)
- Bezit van veel aardse goederen. In de bijbel zowel zegen van God als gevaar voor het hart en obstakel op de weg naar het rijk Gods. (Sir 11:14)

## rijkdom in heerlijkheid (begrip)

- Bron van Gods voorzieningen. (Fil 4:19)

## rijke (begrip)

- Wie veel bezit; soms gewaarschuwd, soms geprezen — afhankelijk van zijn houding. (Spr 22:7)
- Bijbels begrip voor wie veel aards bezit heeft. In de bijbel zowel positief gewaardeerd als (vaak) bekritiseerd om hardheid jegens de armen. (Sir 13:2)

## rijke dwaas (begrip)

- De gelijkenis van de rijke wiens land veel vruchten droeg en die zijn schuren wilde afbreken. (Luk 12:16)

## rijke man (begrip)

- De rijke die in zijn purper en fijn linnen ging en in de hel geworpen werd — tegenover de arme Lazarus. (Luk 16:19)

## rijken (begrip)

- Aansporing aan rijken om weldadig te zijn en niet op rijkdom te vertrouwen. (1 Tim 6:17)

## rijm (begrip)

- Bevroren dauw. Het manna lag er 's morgens fijn en wit bij, zoals rijm. (Ex 16:14)
- Bevroren dauw; door God neergelegd. (Ps 147:16)
- Bevroren dauw; in het lied een van de weerverschijnselen die God prijzen. (Gez. Vuur. 1:68)
- Bevroren dauw, een dun laagje ijskristallen; beeld van iets dat bij het eerste zonlicht weg is. (Wijsh 5:15)
- Bevroren dauw, die de vorst als zout over de aarde uitstrooit. (Sir 43:21)
- Bevroren dauw; in Job een van de dingen die niemand maakt dan God. (Job 38:29)

## rijs (begrip)

- Twijgen, takken of takkenbossen, gebruikt als brandstof. (Geb. Az. 1:46)

## Rimmon (begrip)

- Aramese god, vereerd in Damascus, vermoedelijk een storm- of weersgod. Geassocieerd met de naam Hadad-Rimmon. (Am 1:5)
- Plaatsnaam die 'granaatappel' betekent. Verschillende plaatsen in Israël droegen deze naam, ten zuiden van Jeruzalem en in andere streken. (Zach 14:10)
- Aramese godheid, vereerd in een grote tempel te Damascus. Mogelijk een lokale vorm van de stormgod Hadad of een van de manifestaties daarvan. (2 Kon 5:18)

## ring van de koning (begrip)

- Koninklijke zegelring waarmee bevelen en sluitingen van wege de koning werden bekrachtigd. Verbreking van het zegel was halsmisdaad. (BelDra 1:11)

## Rispa (persoon)

- Bijwijf van koning Saul, moeder van twee van diens zonen. Bekend om haar maandenlange waken bij de lichamen van haar gehangen zonen. (2Sam 21:8)

## rivier (natuur)

- Stromend natuurlijk water dat in een groter water uitmondt. In de oudheid van levensbelang voor landbouw, transport en grenzen tussen rijken. (Gen 2:10)
- In de aartsvadergeschiedenis aanduiding voor de Eufraat, de grote rivier van Mesopotamië. 'Aan de overzijde der rivier' betekent het oorspronkelijke woongebied van Abraham. (Joz 24:2)

## rivier Cusch (plaats)

- Aanduiding voor de wateren in Ethiopië en het zuidelijke gebied, vooral de bovenloop van de Nijl. Symbool van een ver gelegen gebied. (Zef 3:10)

## rivier des waters des levens (begrip)

- De rivier helder als kristal die voortkomt uit de troon Gods en des Lams, in het midden van de straat. (Op 22:1)

## rivier groeiend (uitdrukking)

- Profetisch beeld van een waterstroom die zonder zijbeken steeds breder en dieper wordt. Beeld voor Gods overlopende genade. (Ez 47:5)

## rivier mijn (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor de hoogmoed van Egypte dat zich eigenaar van de Nijl waant. Onderdeel van de profetische ontmaskering. (Ez 29:9)

## rivier Thera (plaats)

- In het apocriefe 3 Ezra een rivier in Babylonië, mogelijk een van de kanalen, waar Ezra zijn karavaan voor de reis naar Jeruzalem verzamelde. (3 Ezra 8:43)

## rivieren der zee (begrip)

- Profetisch beeld voor wateren of stromingen die machten en hun verdedigingswerken kunnen vernietigen. Suggereert overstroming of vloed. (Na 1:8)

## rivieren van Egypte (plaats)

- Aanduiding voor de Nijl en haar zijrivieren of armen in de delta. Bron van Egyptes vruchtbaarheid en welvaart. (Hos 9:6)

## Rizpa (persoon)

- Bijwijf van koning Saul, moeder van twee van diens zonen. Bekend om haar maandenlange waken bij de lichamen van haar gehangen zonen. (1 Kon 2:22)

## robberij in tienden (begrip)

- Het inhouden of niet afdragen van het wettelijk verschuldigde tiende deel van de oogst aan de tempel. In de profetische taal als beroving van God beschreven. (Mal 3:8)

## Roboam (persoon)

- Hebreeuws Rehabeam; eerste koning van het zuidelijke rijk Juda na de scheuring (ca. 931-913 v.Chr.), zoon van Salomo. (Matt 1:7)

## Rodanieten (volk)

- Nakomelingen van Javan, kleinzoon van Jafeth. Mogelijk de bewoners van Rhodos of de Dardanos-streek. (Gen 10:4)

## roddel (begrip)

- Achterklap;. (Spr 18:8)

## rode jonge koe (cultisch)

- Volkomen rood vrouwelijk rund zonder gebrek, buiten het kamp geslacht en geheel verbrand. Haar as werd bewaard voor het bereiden van reinigingswater. (Num 19:2)

## Rode Zee (begrip)

- Door het geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan als door het droge — dat de Egyptenaren ook beproevende, zijn verdronken. (Hebr 11:29)
- De zeeïnham tussen Afrika en het Arabisch schiereiland; in de Bijbel beroemd om de doortocht van Israël onder Mozes (Exodus 14). (1 Makk 4:9)
- Zee die volgens Exodus 14 door God werd gespleten zodat Israël veilig overstak, terwijl de achtervolgende Egyptenaren in het wederkerende water omkwamen. (Wijsh 10:18)

## roede (begrip)

- Tuchtmiddel, stok; (. -14). (Spr 13:24)

## roem (begrip)

- Het beroemen op iets; voor de gelovige uitsluitend in de Heere. Alle vleselijk roemen wordt afgesneden. (1 Kor 1:31)
- Wil schade geacht'. (Filip 1:26)
- Eer en lof die iemand toekomt of wordt toegezwaaid. In de bijbel meestal aan God toegekend; menselijke roem vaak vergankelijk. (Wijsh 8:10)

## roem in gemeenten (begrip)

- Apostolische gewoonte om in andere gemeenten met dankzegging te spreken over het geloof en de volharding van een bepaalde gemeente. (2 Th 1:4)

## roem in zwakheid (begrip)

- Het paradoxaal roemen in eigen onmacht, omdat dan Christus' kracht openbaar wordt. Apostolisch principe van Paulus. (2 Kor 12:9)

## roepen (begrip)

- Luid en aanhoudend tot God bidden, vooral in nood; ook uitroepen van Gods naam. (Ps 4:4)

## roeping (begrip)

- Gods uitnodiging en opdracht aan een mens voor een bijzondere taak of dienst. Centraal in het verhaal van Abraham en de profeten. (Gen 12:1)
- De goddelijke nodiging tot het heil door het evangelie. Onderscheiden in uitwendige en inwendige roeping. (1 Kor 7:20)

## roeping van Jeremia (uitdrukking)

- God spreekt. Jeremia werd voor zijn geboorte uitgekozen. (Jer 1:5)

## roeping van koningen (begrip)

- Bijbels besef dat koningen door God geroepen en gesteld zijn, en aan hem verantwoording schuldig zijn voor hun bewind. (Wijsh 9:7)

## roest blijft (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor diepgewortelde zonde die zelfs door zware loutering niet wordt verwijderd. Onderdeel van de profetische oordeelstaal. (Ez 24:6)

## roestige pot (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor een stad of volk dat door zonde dermate verontreinigd is dat zelfs vuur niet voldoende reinigt. Onderdeel van de oordeelstaal. (Ez 24:6)

## rok (begrip)

- Gewaad. ( over de koningsdochter). (Ps 45:14)
- De onderkleed dat Jezus zijn discipelen niet liet meenemen op zending; er waren er ook twee verboden. (Luk 9:3)

## rok scheuren (gebruik)

- Symbolisch gebaar van rouw, ontzetting of berouw in het Oude Oosten. Werd doorgaans gepaard met asse op het hoofd en het aandoen van rouwgewaad. (2Sam 1:11)

## rok van gerechtigheid (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor het gewaad waarmee God zijn volk bekleedt als teken van vrijspraak en herstel; vergelijk Jesaja 61:10. (Bar 5:2)

## rok van veel kleuren (voorwerp)

- Bijzonder kleed met lange mouwen of veelkleurig weefsel. Onderscheidde de drager van anderen, in de Schrift gedragen door koningsdochters of geliefde zonen. (2Sam 13:18)

## rok van vlees bevlekt (begrip)

- Hatende ook de rok die van het vlees bevlekt is — zelfs de schijn van zonde moet gehaat worden bij het reddingswerk. (Jud 1:23)

## rokende oven (begrip)

- Brandende vuurschaal, hier symbool van Gods aanwezigheid bij de plechtige verbondssluiting met Abraham. Ging tussen de gehalveerde offerdieren door. (Gen 15:17)

## rokken van vellen (begrip)

- Kleding van dierenhuiden die God maakte voor Adam en Eva na de zondeval. Eerste vermelding van dierenbloed dat ten behoeve van de mens vloeide. (Gen 3:21)

## rolle (begrip)

- Geschreven boek in de vorm van een opgerold perkament of papyrus. De gangbare boekvorm in de oudheid. (Lev 1:1)

## Rome (plaats)

- Hoofdstad van het Romeinse rijk en eindbestemming van Paulus' zendingsreizen. Vroeg christelijk centrum waar volgens overlevering Petrus en Paulus de marteldood stierven. (Hand 18:2)
- Hoofdstad van het Romeinse Rijk en zetel van een vroeg-christelijke gemeente. Adressant van de brief aan de Romeinen. (Rom 1:7)
- Plaats van Paulus' tweede gevangenschap, waaruit hij 2 Tim schrijft kort voor zijn dood. (2 Tim 1:17)
- Symbolisch in — Rome als wereldmacht. (Openb 14:8)
- Stad in Italië, in de tweede eeuw v.Chr. uitgegroeid tot de toonaangevende mediterrane macht. Sloot verdragen met de Hasmoneeën tegen de Seleuciden. (1 Makk 8:1)

## Romein (volk)

- Burger of inwoner van het Romeinse rijk dat tijdens het Nieuwe Testament heel het Middellandse Zeegebied beheerste. (Matt 8:5)

## Romeinen (volk)

- Het volk dat in Jezus' tijd over Israël heerste. De Joodse leiders waren bang dat de Romeinen hun tempel en volk zouden afnemen als Jezus' invloed groeide. (Joh 11:48)
- Burgers van Rome of inwoners van het Romeinse Rijk. Geadresseerden van Paulus' brief. (Rom 1:7)
- Inwoners van het Romeinse rijk, in de hellenistische tijd opkomende grootmacht in het westelijke Middellandse Zeegebied. (1 Makk 8:1)

## Romeins (volk)

- Romeinse burger; Paulus was Romeins burger en beriep zich daarop. (Hand 22:26)

## Romeins burger (begrip)

- Paulus' beroep op zijn Romeins burgerrecht beschermde hem tegen geseling. (Hand 22:25)

## rommelen der ingewanden (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 31:20)

## rondas (begrip)

- Klein rond schild. (Ps 35:2)

## rondgang langs de muren (begrip)

- Aanduiding voor Nehemia's nachtelijke verkenning van de toestand van de stadsmuren bij zijn aankomst in Jeruzalem. Vorm van zorgvuldige planning vóór een grote bouwonderneming. (Neh 2:13)

## rondloop in Jeruzalem (uitdrukking)

- Diogenes-achtige zoektocht. (Jer 5:1)

## rood paard (begrip)

- Het rode paard uit de Openbaring; beeld van oorlog en bloedvergieten. (Op 6:4)

## rook (begrip)

- Beeld van vergankelijkheid en van Gods toorn. (Ps 18:9)
- Bijbels beeld voor wat snel verdwijnt zonder substantie achter te laten. Symbool van vergankelijkheid en ijdelheid. (Wijsh 5:14)

## rookpannen (begrip)

- Heilige vaten in de tempeldienst voor het ontsteken en dragen van wierook of brandende kolen. (3 Ezra 2:13)

## rookzuilen van Behemoth (uitdrukking)

- Bijbels beeld in poëtische beschrijvingen van mythische dieren. Onderdeel van de godsrede over Gods scheppingsmacht. (Job 40:15)

## Rooms (volk)

- Behorend tot Rome of het Romeinse rijk, dat tijdens het Nieuwe Testament Palestina als provincie bestuurde. (Matt 22:17)

## Ros (persoon)

- Persoonsnaam in de Benjaminitische geslachtsregisters, zoon van Benjamin en kleinzoon van Jakob. (Gen 46:21)

## ros wit (begrip)

- Wit paard, in profetische visioenen vaak symbool voor overwinning of vrede. Onderdeel van de symbolische beeldtaal. (Zach 6:3)

## Rosch (plaats)

- Hebreeuws woord dat 'hoofd' betekent, in profetische teksten mogelijk gebruikt als plaatsnaam. De precieze identificatie is omstreden. (Ez 38:2)

## Ros­hasjana (begrip)

- Joods nieuwjaar; verwijzing in de marge naar de joodse feestkalender. (1 Kor 1:1)

## rots (theologisch)

- Beeldspraak voor God als onwankelbare toevlucht en vaste burcht. Vooral in liederen en psalmen veelvuldig gebruikt. (Dt 32:4)
- Beeld voor God als onwankelbare toevlucht en vaste grond van vertrouwen. Drukt Gods kracht en bestendigheid uit. (Ps 18:32)
- Hard, vast gesteente, in Palestina veelvuldig aanwezig. Bijbels beeld van vastheid, betrouwbaarheid en doorgaans van God of Christus zelf. (Matt 7:24)
- Vaste steenrots; beeld van Christus als de geestelijke Rots die het volk in de woestijn vergezelde. Drukt onwankelbaarheid uit. (1 Kor 10:4)
- Bijbels beeld voor God als vaste burcht en bron van uitkomst. Ook letterlijk de rots in de woestijn waaruit God Israël water gaf. (Wijsh 11:4)

## rots Horeb (begrip)

- De rots in de woestijn waaruit Mozes op Gods bevel met zijn staf water sloeg om Israëls dorst te lessen. In het Nieuwe Testament beeld van Christus. (Ex 17:6)

## rotsen (begrip)

- Beeld voor God als onwankelbaar toevluchtsoord. Op de rots staat de bidder onaantastbaar. (Ps 18:3)

## rotskloof (plaats)

- Smalle spleet of holte in de rotswanden van het bergland, geschikt als schuilplaats voor mensen of dieren. Speelden een belangrijke rol in de oorlogvoering en bij het schuilen voor vervolgers. (1Sam 24:3)

## rotsklove (plaats)

- Spleet of holte in de rotsen, in Edom gebruikt als versterkte woonplaats. Verwijst naar de bergvestingen zoals Sela en Petra. (Ob 1:3)

## rotsslag (begrip)

- De daad van Mozes te Meriba waarmee hij de rots tweemaal sloeg in plaats van haar toe te spreken. Daardoor mocht hij het beloofde land niet binnengaan. (Num 20:11)

## rotssteen JAHWEH (theologisch)

- Bijbels beeld voor JAHWEH als de onwankelbare grond en sterkte van zijn volk. Komt vooral voor in psalmen en gebeden waarin Gods bescherming wordt bezongen. (2Sam 22:2)

## rotsstenen wegnemen (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de langzame maar onvermijdelijke werking van natuurlijke krachten. Toegepast op de menselijke vergankelijkheid. (Job 14:18)

## rouw (begrip)

- Smart om verlies of zonde. (Ps 30:12)
- Bijbels begrip voor de uiting van smart over een sterfgeval of ander groot verlies, met klacht, zakkleed en aslegging. (Sir 38:16)
- Uiterlijke uiting van verdriet om de dood of een grote ramp, in het oude Israël met vaste rituelen omkleed. Ging gepaard met scheuren der klederen, asse op het hoofd en het dragen van rouwgewaad. (Esth 4:1)

## rouwbeklag (begrip)

- Het openlijk uiten van rouw over een overledene, vaak gepaard met klagen, weeklacht en specifieke rituelen. (Gen 50:3)

## rouwgewaad (begrip)

- Eenvoudig kledingstuk van geitenhaar of grof linnen, gedragen als uiterlijk teken van rouw, boete of vernedering. Werd in het Oosten in plaats van het gewone bovenkleed aangetrokken. (2 Kon 19:1)

## rouwklacht over Josia (uitdrukking)

- Vermeldt dat Jeremia een klaaglied over Josia maakte; sommige uitleggers identificeren delen van Klaagliederen daarmee, maar het oorspronkelijke lied is verloren. (Jer 1:2)

## rouwmaal (gebruik)

- Maaltijd die werd gehouden ter ere van een overledene, vaak verzorgd door buren of verre familie van de rouwenden. Diende om de nabestaanden te troosten en de gemeenschap te tonen. (1Sam 1:1)

## rover (begrip)

- Wie gewelddadig wegneemt; einde van eigen verderf. (Spr 23:28)
- Iemand die met geweld plundert of buit maakt. In de profeten vaak beeld van veroverende rijken die volken uitplunderen. (Na 2:9)

## rover van mijn huis (uitdrukking)

- Door Jezus geciteerd: het tempelhuis tot rover-spelonk gemaakt; eerste van vele Jeremia-citaten in het NT. (Jer 7:11)

## rover van zielen (begrip)

- Satan, de oude slang die de gehele wereld verleidt. (Openb 12:9)

## rovershol (begrip)

- Schuilplaats van rovers, vaak een grot in een afgelegen gebied. In de Bijbel beeld van een plaats die voor onrechtmatig gebruik is misbruikt. (Mark 11:17)

## Ruben (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Jakob en Lea, en de stam die uit hem voortkwam. Verloor zijn eerstgeboorterecht door zonde en erfde haar deel ten oosten van de Jordaan. (Gen 29:32)
- Eerstgeboren zoon van Jakob en Lea, en de stam die uit hem voortkwam. Erfde haar deel ten oosten van de Jordaan. (Num 32:1)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Ruben, de oudste zoon van Jakob en Lea. Koos samen met Gad en halve Manasse een erfdeel ten oosten van de Jordaan. (Joz 13:15)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Ruben, de oudste zoon van Jakob en Lea. Koos zijn erfdeel ten oosten van de Jordaan en bleef vaak afzijdig in de strijd van het westelijke Israël. (Ri 5:15)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Ruben, de oudste zoon van Jakob en Lea. Koos zijn erfdeel ten oosten van de Jordaan. (1Sam 1:1)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Ruben, de oudste zoon van Jakob en Lea. Koos een erfdeel ten oosten van de Jordaan, samen met Gad en de halve stam Manasse. (1 Kron 5:1)

## Rufus (persoon)

- Zoon van Simon van Cyrene en kennelijk bekend bij de eerste lezers van het Markusevangelie. (Mark 15:21)
- Lid van de gemeente te Rome, uitverkoren in de Heere. Mogelijk de in Markus genoemde Rufus. (Rom 16:13)

## ruim hart (begrip)

- Bijbels begrip voor vrijgevigheid, grootmoedigheid en open gezindheid tegenover God en mensen. (2 Makk 1:3)

## ruimte (begrip)

- Open vrije plaats; beeld van bevrijding na engte. (Ps 18:20)

## ruisende krijg (begrip)

- Het naderende geluid van een vijandelijk leger, vol wapengekletter en gerucht. In de profeten beeld voor onontkoombare invasie. (Hos 10:14)

## ruiters (begrip)

- Strijders te paard. Vaak in geschiedpsalmen. (Ps 76:7)

## rund (begrip)

- Volwassen rund (stier of koe). Behoort tot het grootvee en geldt als hoogwaardig offerdier voor brand- en zondoffers. (Lev 1:3)
- Trekdier en offerdier. — beeld van bedreigende vijanden. (Ps 22:13)

## runderen (natuur)

- Volwassen runderen, mannelijk en vrouwelijk. Belangrijkste grootvee in de oudheid, gebruikt voor melk, vlees, leder en offers. (Gen 18:7)

## rust (theologisch)

- Het einde van de strijd en de gave van vrede. Toegezegd in het beloofde land en wekelijks geproefd in de sabbat als rustdag. (Ex 33:14)
- Het einde van de strijd en de gave van vrede in het beloofde land. Beeld van het uiteindelijke heil dat God Zijn volk geeft. (Dt 12:10)
- Toestand van vrede en zekerheid in het beloofde land, na de overwinning op de vijanden. In de Schrift ook beeld voor de uiteindelijke rust die God zijn volk in Christus schenkt. (Joz 21:44)
- Vrede en stabiliteit door God geschonken. (Ps 116:7)
- Sabbat en feestdagen zijn. (Kol 2:17)
- Verlichting en verkwikking; in eschatologisch verband de rust die de gelovigen ontvangen bij Christus' wederkomst. (2 Tess 1:7)
- Die nog overig is voor het volk Gods. (Hebr 3:11)
- Sereniteit, vrede. (Spr 17:1)

## rust (geestelijk) (begrip)

- Plaats van Gods aanwezigheid waar Hij eeuwig wonen wil — de tempel/Sion als rustplaats van de HEERE, beeld van geestelijke rust. (Ps 132:14)

## rust Gods (begrip)

- Er blijft een sabbatsrust over voor het volk Gods; wie in Zijn rust ingegaan is, heeft zelf ook gerust van zijn werken, gelijk God van de Zijne. (Hebr 4:9)

## rust met de koningen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de gelijkmakende werking van de dood, waarin koningen en armen dezelfde rust delen. Onderdeel van de klaagliteratuur. (Job 3:14)

## rust met ons (begrip)

- Aanduiding voor de gemeenschappelijke verkwikking die alle vervolgde gelovigen samen ontvangen bij Christus' wederkomst. (2 Th 1:7)

## rust van de tempel (begrip)

- Bijbels begrip voor de toestand van vrede en veiligheid waarin het volk Gods zich rondom het heiligdom kan ontwikkelen. Geldt als zegen van God die volgt op trouw aan het verbond. (2 Kron 14:6)

## Ruth (persoon)

- Moabitische vrouw, schoondochter van Naomi en stammoeder van koning David via haar huwelijk met Boaz. Voorbeeld van trouwhartigheid en aanvaarding van vreemden in Israël; opgenomen in het geslachtsregister van Christus. (Ruth 1:4)
- Moabitische vrouw, schoondochter van Naomi, die met haar terugkeerde naar Bethlehem en hertrouwde met Boöz. Voormoeder van koning David. (Matt 1:5)

## Sa'ul (persoon)

- Variantspelling van Saul, de eerste koning van Israël. Zie aldaar. (1Sam 9:2)

## Saba (persoon)

- Zoon van Raëma en kleinzoon van Cusch. Stamvader van een Arabisch volk; niet te verwarren met Scheba, zoon van Joktan. (Gen 10:7)

## Sabanasser (persoon)

- Apocriefe naamvorm voor Sjesbazzar, een Joods leider die volgens Ezra 1 onder Cyrus als landvoogd in Judea werd aangesteld. (3 Ezra 6:18)

## sabbat (begrip)

- Wekelijkse rustdag, de zevende dag, door God ingesteld bij de schepping en in de wet aan Israël geboden als teken van het verbond. (Gen 2:2)
- Joodse rustdag, gevierd van vrijdagavond tot zaterdagavond. Vierde gebod van de Decaloog en teken van het verbond met Israël. (Matt 12:2)

## Sabbat als teken (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor de sabbat als zichtbaar onderscheidend teken tussen God en zijn volk. Centraal in het verbond. (Ez 20:12)

## sabbat-strijd (begrip)

- De vraag of joden zich op sabbat mogen verdedigen. In de Makkabese opstand werd besloten dat de wet van zelfverdediging boven het sabbatsgebod uitgaat. (1 Makk 2:41)

## sabbatdag (begrip)

- De zevende dag van de week, door God geheiligd na de schepping als rustdag. Wettelijk verankerd in de Tien Geboden. (Gen 2:3)

## sabbathjaren (begrip)

- Elke zevende jaar moest het land in Israël braak liggen volgens de wet van Mozes. Bedoeld als rust voor het land en als oefening van vertrouwen op Gods voorzienigheid. (2 Kron 36:21)

## sabbatjaar (wet)

- Elk zevende jaar moest het land braak liggen. Wat vanzelf opkwam was bestemd voor armen, vreemdelingen en wilde dieren. (Lev 25:4)

## Sabbatsdag (wet)

- De zevende dag van de week, dag van rust en heilige samenkomst. Heiliging ervan was kerngebod van het verbond. (Num 15:32)

## sabbatsheiliging (uitdrukking)

- Prediking in de poorten van Jeruzalem dat sabbatsheiliging behoud, sabbatschending verderf brengt — last dragen op die dag wordt verboden. (Jer 17:21)

## sabbatsrust (begrip)

- De toekomstige rust Gods die nog overig is voor het volk van God; type van de eeuwige zaligheid. (Hebr 4:9)

## sabel (begrip)

- Kort, gebogen of recht zwaard. In de bijbel wapen voor man-tegen-man-gevecht. (Jdt 13:7)

## Sabeërs (volk)

- Bewoners van het oude koninkrijk Saba in Zuid-Arabië, in het huidige Jemen. Bekend om hun handelsactiviteiten en in het oude Israël ook om rovende invallen. (Job 1:15)

## Sabta (persoon)

- Derde zoon van Cusch en kleinzoon van Cham. Stamvader van een Afrikaans of Arabisch volk. (Gen 10:7)

## Sabtecha (persoon)

- Vijfde zoon van Cusch en kleinzoon van Cham. Stamvader van een Afrikaans of Arabisch volk. (Gen 10:7)

## Sadduceeën (volk)

- Joodse priesterlijke aristocratie uit de tweede tempelperiode die alleen de geschreven Tora aanvaardde en de opstanding ontkende. Politiek samenwerkend met de Romeinse macht. (Matt 3:7)
- Joodse religieus-politieke partij verbonden aan de tempel-aristocratie en het hogepriesterschap. Erkenden alleen de Tora als gezaghebbend, ontkenden de opstanding van de doden, engelen en een hiernamaals — daarin verschilden zij scherp van de Farizeeën. (Hand 5:17)

## Sadok (persoon)

- Naoorlogse nakomeling van David, alleen bekend uit het Nieuwtestamentische geslachtsregister van Jezus. (Matt 1:14)

## Safan (persoon)

- Schrijver of secretaris aan het hof van koning Josia van Juda. Speelde een sleutelrol bij het herstel van de tempel en het overhandigen van het herontdekte wetboek aan de koning. (2 Kon 22:3)

## Saffier (begrip)

- Edelsteen in de muren van het nieuwe Jeruzalem. (Openb 21:19)

## Saffira (persoon)

- Vrouw van Ananias; loog over de opbrengst en stierf. (Hand 5:1)

## Salam (persoon)

- Naam (variantspelling van Sallum) die in de naballingschapse geslachtsregisters voorkomt. Verdere gegevens over deze persoon zijn schaars. (Neh 3:12)

## Salamander (begrip)

- Klein dier dat volgens oude opvattingen in vuur kon leven. Wordt door middeleeuwse schrijvers met vuurloutering verbonden. (Zach 13:9)

## Salamis (plaats)

- Stad op Cyprus waar Paulus en Barnabas predikten. (Hand 13:5)

## Salathiël (persoon)

- Hebreeuws Sealthiël; zoon van koning Jojachin (Jechonia), in Babylonische ballingschap geboren. Vader van Zerubbabel. (Matt 1:12)
- Vader van Zerubabel volgens Ezra-Nehemia, uit het geslacht van koning David. In Mattheüs 1 voorvader van Christus. (3 Ezra 5:5)

## Salatiël (persoon)

- In het apocriefe 4 Ezra een naam waaronder de visionair Ezra wordt aangeduid. Verwijst mogelijk naar Sealthiël uit het geslachtsregister van Jezus. (4 Ezra 5:16)
- Zoon van koning Jojachin uit het huis van David en vader van Zerubbabel. Drager van de Davidische lijn in de ballingschap. (Hag 1:1)

## Salem (plaats)

- Oude naam voor Jeruzalem, door Hebreeën verbonden met de naam Melchizedek als 'koning des vredes'. (Gen 14:18)

## salf (begrip)

- Heilige zalfolie waarmee priesters en koningen werden gezalfd. Beeld voor eensgezindheid. (Ps 133:2)

## Salim (plaats)

- Plaats in de buurt van Enon waar Johannes de Doper doopte. (Joh 3:23)

## Sallum (persoon)

- Naam (betekenis 'vergelding' of 'vrede') van meerdere personen in de Schrift. Komt onder andere voor in geslachtsregisters en als naam van koningen en priesters. (Ri 1:1)
- Vijftiende koning van het noordelijke rijk Israël, zoon van Jabes. Regeerde slechts één maand voordat hij door Menahem werd vermoord. (2 Kon 15:10)
- Naam (betekenis 'vergelding' of 'vrede') van meerdere personen in de Schrift. Komt onder andere voor als bestuurder en bouwer in de naballingschapse gemeenschap. (Neh 3:12)

## Salman (persoon)

- Naam van een Assyrische heerser, vermoedelijk een afkorting van Salmaneser of een verwante koning. In de profeten verbonden met verwoestende veldtochten. (Hos 10:14)

## Salmanasser (persoon)

- Assyrisch koning. Salmanasser V (regeerde 727-722 v.Chr.) belegerde Samaria; onder hem of zijn opvolger Sargon II viel het noordrijk Israël en werden de tien stammen weggevoerd. (4 Ezra 13:40)

## Salmaneser (persoon)

- Naam van meerdere Assyrische koningen, onder wie Salmaneser V. Bekend om de belegering en uiteindelijke verovering van Samaria, de hoofdstad van het noordelijke rijk Israël. (2 Kon 17:3)

## Salmon (persoon)

- Vader van Boaz en voorvader van koning David, opgenomen in het geslachtsregister van Christus. Volgens het Mattheüs-evangelie was zijn vrouw Rachab. (Ruth 4:21)
- Voorvader van koning David, echtgenoot van Rachab en vader van Boöz volgens het geslachtsregister. (Matt 1:4)

## Salmons hof (begrip)

- Aanduiding voor het hofstelsel onder koning Salomo, met talrijke bestelmeesters, hofbeambten en ambtenaren. Vormde een uitgebreide bureaucratie naar het model van het Egyptische en Aramese hof. (1 Kon 4:7)

## Salome (persoon)

- Een van de vrouwen die Jezus uit Galilea volgden en getuige was van zijn kruisiging. Mogelijk de moeder van Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs. (Matt 27:56)

## Salome (vrouw bij het kruis) (persoon)

- Een van de vrouwen die Jezus uit Galilea volgden en getuige was van zijn kruisiging en opstanding. Mogelijk de moeder van Jakobus en Johannes. (Mark 15:40)

## Salomo (persoon)

- Zoon van David en derde koning van Israël. Bouwer van de tempel te Jeruzalem, om zijn wijsheid wereldberoemd; schrijver van Spreuken, Prediker en het Hooglied. (Ps 72:1)

## Salomo gebed (begrip)

- Het in 1 Koningen 3 (en in vrije bewerking in het apocriefe Wijsheid van Salomo) opgenomen gebed van koning Salomo te Gibeon, waarin hij God om wijsheid vraagt. (Wijsh 9:1)

## Salomo's tempel (begrip)

- Het eerste vaste heiligdom van JAHWEH in Jeruzalem, gebouwd door koning Salomo op de berg Moria. Werd in 587/586 v. Chr. door de Babyloniërs verwoest, na ongeveer 380 jaar te hebben bestaan. (2 Kron 3:1)

## Salomo's zalving (begrip)

- Plechtige tweede zalving van Salomo tot koning over Israël na de dood van zijn vader David. Vormde de officiële bevestiging van het koningschap voor heel het volk. (1 Kron 29:22)

## Salomo's zonde (begrip)

- Aanduiding voor het verval van koning Salomo door zijn vele heidense vrouwen. Diende in de naballingschapse periode als waarschuwend voorbeeld tegen gemengde huwelijken. (Neh 13:26)

## Salomon (persoon)

- Zoon van David en koning van Israël (ca. 970-930 v.Chr.). Bekend om zijn wijsheid en de bouw van de eerste tempel in Jeruzalem. (Am 9:11)

## Salomos val (begrip)

- Bijbels en kerkelijk thema: de geestelijke neergang van koning Salomo aan het einde van zijn leven, toen hij zich liet verleiden tot afgodendienst (1 Koningen 11). (Sir 47:19)

## Samaria (plaats)

- Landstreek tussen Galilea en Judea, met als bewoners de Samaritanen. Dezen werden door joden minachtend bejegend om hun gemengde afkomst en afwijkende eredienst. (Matt 10:5)
- Hoofdstad van het oude noordrijk Israël en de gelijknamige provincie in de Perzische en hellenistische tijd, gelegen tussen Galilea en Judea. (1 Makk 10:30)
- Hoofdstad van het noordelijk rijk Israël, gesticht door koning Omri. Werd in 722 v.Chr. door de Assyriërs verwoest. (Hos 7:1)
- Stad in het centrale bergland van Efraïm, gesticht door Omri op een door hem gekochte berg. Werd hoofdstad van het noordelijke rijk Israël en bleef dat tot de val van het rijk in 722 v. Chr. (1 Kon 16:24)
- Stad in het centrale bergland van Efraïm, gesticht door Omri op een door hem gekochte berg. Hoofdstad van het noordelijke rijk Israël tot de val van het rijk in 722 v. Chr. (2 Kon 6:24)

## Samaritaan (persoon)

- Halfbloed Joods-heidense; in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan en de tien melaatsen. (Luk 10:33)

## Samaritaans dorp (plaats)

- Het dorp dat Jezus niet wilde ontvangen omdat zijn aangezicht op Jeruzalem gericht was. (Luk 9:53)

## Samaritaanse godsdienst (begrip)

- Mengvorm van JAHWEH-dienst en heidense afgoderij, ontstaan in het gebied van het voormalige noordelijke rijk Israël na de Assyrische deportaties. Vormde een vroegere fase van wat later de Samaritaanse godsdienst werd. (2 Kon 17:33)

## Samaritaanse vrouw (persoon)

- Een naamloze vrouw uit Samaria die Jezus ontmoette bij de bron van Jakob. Jezus sprak met haar over levend water en openbaarde dat Hij de Messias was. (Joh 4:7)

## Samaritanen (volk)

- Bewoners van Samaria, een mengvolk dat ontstaan was na de Assyrische ballingschap. De Joden hadden geen omgang met hen. (Joh 4:9)

## Samarië (plaats)

- Hoofdstad van het oude noordrijk Israël en de gelijknamige provincie in de Perzische en hellenistische tijd, gelegen tussen Galilea en Judea. (3 Ezra 2:16)
- Streek in centraal Israël tussen Galilea en Judea. Genoemd naar de gelijknamige hoofdstad gebouwd door Omri (1 Kon 16:24). Na de val van het Noordrijk (722 v.Chr.) bevolkt met heidenen die met overgebleven Israëlieten vermengd raakten — de Samaritanen. In het Nieuwe Testament toneel van Jezus' ontmoeting met de Samaritaanse vrouw (Joh 4). (1 Mak 3:10)

## Samech (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:16)

## samen levendgemaakt (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geestelijk of eeuwig leven. (Kol 2:13)

## samen opgenomen (begrip)

- Eschatologische gebeurtenis waarbij ontslapen en levende gelovigen tegelijk worden opgenomen om de Heer in de wolken te ontmoeten. (1 Th 4:17)

## Samenbinders (begrip)

- Profetische naam voor een herdersstaf in Zacharia, symbool voor de eenheid tussen de stammen of broederschap. Het breken ervan duidt op verbreking van die band. (Zach 11:14)

## samenkomst (begrip)

- Bijeenkomst van de gemeente voor onderwijs, gebed en sacramenten. Geordend tot stichting. (1 Kor 11:18)
- Laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen. (Hebr 10:25)

## Samgar (persoon)

- Een van de kleine richters van Israël, zoon van Anath. Bevrijdde het volk van een Filistijnse aanval met een eenvoudige ossenstok als wapen. (Ri 3:31)

## Samla (persoon)

- Een van de oude koningen van Edom, afkomstig uit Masreka. (Gen 36:36)

## Samma (persoon)

- Zoon van Rehuël en kleinzoon van Esau. Stamvorst van een Edomitische clan. (Gen 36:13)

## Samos (plaats)

- Eiland in de oostelijke Egeïsche Zee bij de westkust van Klein-Azië, in de oudheid welvarend handelscentrum. (1 Makk 15:23)

## Sampsames (plaats)

- Plaats genoemd in de brief van de Romeinen, vermoedelijk een havenstadje aan de Zwarte Zee in Klein-Azië. (1 Makk 15:23)

## Samson (persoon)

- Richter van Israël, genoemd in de geloofsgalerij als één die door geloof sterk werd uit zwakheid. (Hebr 11:32)

## Samuel (persoon)

- Profeet en laatste richter van Israël, opgevoed in het heiligdom te Silo. Zalfde zowel Saul als David tot koning; zijn naam betekent 'gehoord van God'. (1Sam 1:20)
- Profeet en richter van Israël, genoemd onder de geloofshelden. (Hebr 11:32)
- Profeet, priester en laatste richter van Israël (eind elfde eeuw v.Chr.). Zalfde Saul en David tot koning. (Sir 46:13)

## Samuël (persoon)

- Profeet en richter. (Ps 99:6)
- Profeet en laatste richter van Israël, opgevoed in het heiligdom te Silo. Zalfde zowel Saul als David tot koning; zijn naam betekent 'gehoord van God'. (1 Kron 6:33)

## Sanballat (persoon)

- Persisch landvoogd van Samaria ten tijde van Nehemia, mogelijk afkomstig uit Bet-Horon. Behoorde met Tobia en Gesem tot de voornaamste tegenstanders van de herbouw van Jeruzalems muren. (Ezra 4:7)

## sandalen (voorwerp)

- Lederen voetbedekking met riemen, het gebruikelijke schoeisel in het oude Midden-Oosten. Aantrekken en uitdoen behoorde tot de taken van een dienstknecht. (Matt 3:11)

## Sanhedrin (begrip)

- Hoogste joodse raads- en rechtscollege in de tweede tempelperiode, bestaand uit hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden. Telde 71 leden. (Matt 26:59)

## Sanhedrin (Paulus) (begrip)

- De Joodse hoge raad waar Paulus de Sadduceeën en Farizeeën tegen elkaar uitspeelde over de opstanding. (Hand 23:1)

## Sanherib (persoon)

- Koning van Assyrië (regeerde 705-681 v.Chr.) wiens leger volgens 2 Koningen 19 bij Jeruzalem door een engel werd geslagen. (3 Makk 6:4)
- Koning van Assyrië in de late achtste en vroege zevende eeuw v. Chr., zoon en opvolger van Sargon II. Bekend om zijn veldtocht tegen Juda en de wonderlijke ondergang van zijn leger voor Jeruzalem. (2 Kon 18:13)

## Sapfus (begrip)

- Bijnaam van Jonatan, jongste van de vijf zonen van Mattathias en broer van Judas Makkabeüs. (1 Makk 2:5)

## Sara (persoon)

- Vrouw van Abraham, oorspronkelijk Saraï geheten. Moeder van Izak op haar negentigste; stierf op honderdzevenentwintig jaar te Hebron en werd in de spelonk van Machpela begraven. (Gen 11:29)
- Vrouw van Abraham en moeder van Isaak, stammoeder van Israël. Bekend als de vrouw die op hoge leeftijd door Gods belofte een zoon kreeg. (Joz 24:3)
- Vrouw van Abraham en moeder van Izak. Type van het verbond der belofte. (Rom 4:19)
- Moeder van het beloftezaad — type van het hemels Jeruzalem. (Gal 4:22)
- Vrouw van Abraham; ontving door geloof kracht om in haar ouderdom Izak te baren. (Hebr 11:11)
- Naam van Abrahams vrouw en (in het apocriefe boek Tobit) van de dochter van Raguël te Ecbatana, die Tobias trouwde. (Tob 3:7)

## Saraf (persoon)

- In Lukas niet — wel impliciet bij engelen. (Luk 1:11)

## Saraj (persoon)

- Vrouw van Abraham, later door God Sara genoemd. Moeder van Izak op hoge leeftijd door bovennatuurlijke geboorte. (Ex 1:1)

## Sardis (plaats)

- Stad in Lydië, Klein-Azië; een van de zeven gemeenten in de Openbaring. (Openb 1:11)

## sardonix (overig)

- Edelsteen, een variant van onyx met afwisselende lagen. Een van de schatten van het paradijsland Havila. (Gen 2:12)

## Sareas (persoon)

- In het apocriefe 4 Ezra een van de vijf schrijvers die Ezra in veertig dagen de tweehonderdvier boeken zou hebben gedicteerd. (4 Ezra 14:24)

## Sarefath (plaats)

- Fenicische kuststad tussen Tyrus en Sidon, gelegen in het gebied van de Sidoniërs. Bekend uit de geschiedenis van Elia en de weduwe die hem gastvrijheid verleende tijdens de droogte. (1 Kon 17:9)

## Sarezer (persoon)

- Een van de zonen van de Assyrische koning Sanherib. Pleegde samen met zijn broer Adrammelech een aanslag op het leven van hun vader. (2 Kon 19:37)

## Satan (persoon)

- Hebreeuws voor 'tegenstander'. In de Bijbel de gevallen geest die Gods tegenstander en aanklager van mensen is, ook duivel genoemd. (Matt 4:10)
- De grote tegenstander van God en mensen, ook wel duivel of boze genoemd. Hebreeuws śāṭān betekent letterlijk 'aanklager' of 'tegenstander'; in het Nieuwe Testament de aanvoerder van de gevallen engelen. (Hand 5:3)
- De tegenstander van God en mensen; aanvoerder van de gevallen engelen. Door Christus overwonnen, nog werkzaam tot zijn definitieve oordeel. (1 Kor 5:5)
- Hebreeuws woord dat 'tegenstander' of 'aanklager' betekent. In de Bijbel ook eigennaam voor de geestelijke macht die de mens van God afkeert. (Zach 3:1)

## satan verhinderde (begrip)

- Aanduiding voor het werk van de tegenstander om apostolische bezoeken aan gemeenten tegen te houden. (1 Th 2:18)

## Sathrabusan (persoon)

- Perzische ambtenaar in Syrië en Fenicië in de tijd van Darius I, genoemd naast Sisinnes in verband met de tempelbouw. (3 Ezra 6:3)

## Saul (persoon)

- Naam van twee Genesis-personen: een zoon van Simeon bij een Kanaänitische vrouw, en een van de oude koningen van Edom uit Rehoboth. (Gen 36:37)
- Zoon van Kis uit de stam Benjamin, eerste koning van Israël. Verloor het koningschap door ongehoorzaamheid aan Gods bevel en sneuvelde uiteindelijk in een veldslag tegen de Filistijnen op de berg Gilboa. (1Sam 9:2)
- Eerste koning van Israël (ca. 1050-1010 v.Chr.) uit de stam Benjamin. Werd door God verworpen wegens ongehoorzaamheid en opgevolgd door David. (Ps 18:1)
- Zoon van Kis uit de stam Benjamin, eerste koning van Israël. Verloor het koningschap door ongehoorzaamheid aan Gods bevel en sneuvelde uiteindelijk in een veldslag tegen de Filistijnen. (Esth 2:5)

## Saul (Edom) (persoon)

- Een van de oude koningen van Edom, afkomstig uit Rehoboth aan de rivier. (Gen 36:37)

## Saul (Simeon) (persoon)

- Zoon van Simeon bij een Kanaänitische vrouw. Hoofd van een clan van de stam Simeon. (Gen 46:10)

## Saul gilboa (begrip)

- Aanduiding voor het laatste gevecht en de dood van koning Saul op de berg Gilboa. Markeerde het einde van zijn dynastie en de overgang naar het koningschap van David. (1Sam 31:6)

## Saul tussen profeten (begrip)

- Spreekwoordelijke uitdrukking die ontstond toen koning Saul onverwachts in profetische vervoering raakte. Werd gebruikt voor iemand die zich onverwacht onder een groep schaarde waarbij hij niet thuis hoorde. (1Sam 10:11)

## Saul, wat vervolgt gij Mij (begrip)

- Christus' vraag tot Saulus op de weg naar Damaskus — vervolging van de gemeente is vervolging van Christus. (Hand 26:14)

## Saul-huis verzwakt (begrip)

- Aanduiding voor het geleidelijke verval van het koningshuis van Saul na de dood van de eerste koning. Maakte plaats voor de opkomst van het huis van David als koningshuis van heel Israël. (2Sam 3:1)

## Saulus (persoon)

- Paulus' Joodse naam; vóór bekering vervolger van de gemeente. (Hand 7:58)

## Saulus van Tarsus (persoon)

- De vervolger der gemeente die op weg naar Damaskus door Christus verschenen werd. (Hand 9:1)

## scepter (begrip)

- Koningsstaf; beeld voor heerschappij. (Ps 45:7)
- Koninklijke staf, teken van vorstelijke macht en heerschappij. In de bijbel ook beeld voor regering en (profetisch) voor de Messias. (Wijsh 10:14)
- Stafvormig waardigheidsteken van een vorst of stamhoofd, symbool van zijn heerschappij en gezag. In de Schrift ook beeld van koninklijke macht in profetische uitspraken over de Messias. (1 Kon 11:31)

## Sceva (persoon)

- Joodse hogepriester wiens zeven zonen probeerden duivelen uit te werpen. (Hand 19:14)

## Sceva's zeven zonen (persoon)

- De zonen van een Joodse overpriester die de Naam Jezus probeerden te gebruiken — de boze geest sprong op hen. (Hand 19:14)

## schaamte (begrip)

- Het pijnlijke besef van naaktheid, schuld of oneer. Eerste optreden bij Adam en Eva direct na de zondeval. (Gen 3:7)
- Christelijke vrouwendeugd — godvrezende schroom. (1 Tim 2:9)
- Schande, verlegenheid of vernedering. In de bijbel zowel zedelijk besef van zonde als sociale vernedering of nederlaag. (Jdt 14:15)
- Bijbels begrip voor het besef van zonde of vernedering. In de wijsheidsliteratuur onderscheiden in goede (zedige) en slechte (verkeerd gerichte) schaamte. (Sir 41:14)
- Beschamende vernedering en verlies van eer, vaak als gevolg van Gods oordeel. In profetische taal het tegendeel van eer en aanzien. (Ob 1:10)

## schaap (natuur)

- Tam herkauwend dier dat wol, vlees en melk levert. Voornaamste kuddedier in de oudheid en gangbaar offerdier. (Gen 4:2)
- Gods volk als kudde van Zijn weide. (Ps 100:3)
- Veelvoorkomend huisdier in Palestina, gehouden om wol, melk en vlees. In de Bijbel vaak beeld van de gelovige in zijn afhankelijkheid van de herder. (Matt 12:11)

## schaapherders die verstrooien (uitdrukking)

- Aanklacht tegen leiders en vooral koningen. God belooft trouwe herders te verwekken. (Jer 23:1)

## schaapscheerdersfeest (begrip)

- Jaarlijks feest bij de schapenscheerders, gepaard met overvloedige maaltijden en drank. Vergelijkbaar met een oogstfeest, waarbij vrienden en familie werden uitgenodigd. (2Sam 13:23)

## schaapscot (begrip)

- Omheinde ruimte voor schapen om hen 's nachts te beschermen tegen wilde dieren en dieven. (Num 32:24)

## schaapskooi (begrip)

- Omheinde ruimte waar schapen 's nachts werden samengebracht ter bescherming. In de oude poëzie ook beeld van rust en gemak waar men ten onrechte aan vasthoudt. (Ri 5:16)

## Schaapspoort (plaats)

- Een poort in de muur van Jeruzalem, nabij het badwater Bethesda. Hier werden schapen voor de tempeloffers binnengebracht. (Joh 5:2)
- Een van de poorten van het naballingschapse Jeruzalem, gelegen in de noordelijke muur nabij de tempel. Naar verluidt genoemd naar de markt waar schapen voor het tempeloffer werden binnengebracht. (Neh 3:1)

## schade om Christus (begrip)

- Wil schade geacht'. (Fil 3:7)

## schade rekening (begrip)

- Verzoek om geleden schade of een schuld op rekening van een derde toe te schrijven, die zich tot betaling verbindt. (Flm 1:18)

## schaduw (begrip)

- Onwerkelijke afspiegeling; in de brieven onderscheid tussen schaduwachtige oudtestamentische instellingen en de wezenlijke vervulling in Christus. (Num 24:17)

## schaduw als die van een huurling (uitdrukking)

- Bijbels beeld waarin het verlangen naar rust wordt vergeleken met dat van een vermoeide arbeider die naar de avondschaduw uitziet. Klassiek in de wijsheidsliteratuur. (Job 7:2)

## schaduw der toekomende dingen (begrip)

- Voorlopige aanduiding of vooruitschaduwing van het wezenlijke en blijvende dat in Christus geopenbaard wordt. (Kol 2:17)

## schaduw der vleugelen (begrip)

- Bijbels beeld voor Gods bescherming en geborgenheid bij Hem, ontleend aan de uitgespreide vleugels van de cherubs over de ark. Vormt een geliefd beeld in de psalmen. (1 Kon 8:6)

## schaduw is ons leven (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de vergankelijkheid van het menselijk bestaan. Klassieke wijsheidsuitspraak die in psalmen en wijsheidsboeken wordt herhaald. (Job 8:9)

## schaduw op de zonnewijzer (begrip)

- Aanduiding voor een wonderteken waarbij de schaduw op een trapvormige zonnewijzer naar achter werd gedraaid. Diende als bevestiging aan koning Hizkia van zijn genezing en levensverlenging. (2 Kron 32:24)

## schaduw op de zonnewijzer van Achaz (begrip)

- Aanduiding voor een wonderteken waarbij de schaduw op een trapvormige zonnewijzer naar achter werd gedraaid. Diende als bevestiging aan koning Hizkia van zijn genezing en levensverlenging. (2 Kon 20:11)

## schaduw van de Almachtige (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor Gods beschermende nabijheid die als koele schaduw rust biedt. Klassieke uitdrukking in psalmen en wijsheidsliteratuur. (Job 36:32)

## schaduw van deze wereld (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor de vergankelijkheid en betrekkelijkheid van het aardse leven, tegenover de blijvende hemelse heerlijkheid. (4 Ezra 2:36)

## schaduw van omkering (begrip)

- Bij de Vader der lichten is geen verandering of schaduw van omkering — Gods onveranderlijkheid in al Zijn weldoen. (Jak 1:17)

## schaduw van Petrus (begrip)

- Zelfs de schaduw van Petrus zou kranken genezen — gelijk hij hen voorbij ging. (Hand 5:15)

## schande (begrip)

- Oneer, smaad en publieke vernedering. In de Bijbel ernstige zaak in een eerschuldcultuur, vooral bij seksuele zonde. (Gen 34:7)
- Smaad of oneer; in het bijzonder die om Christus' wil geleden wordt. Wordt ten goede gekeerd door God. (1 Kor 1:27)
- Vernedering, eerverlies. In de bijbel vaak tegenover eer geplaatst en verbonden met het oordeel van God of mensen. (2 Makk 9:1)
- Schaamte, eerverlies; deel van de zot. (Spr 3:35)

## schapen-herder (begrip)

- Iemand die schapen weidt en hoedt. In de Bijbel hoog geacht beroep en beeld voor God en Zijn dienstknechten die het volk leiden. (Ex 3:1)

## schare (begrip)

- Een grote menigte mensen. Grote scharen volgden Jezus vanwege Zijn tekenen en wonderen. (Joh 6:2)

## scharlaken (begrip)

- Een van de drie heilige kleuren voor het tabernakelweefsel en de priesterklederen, naast hemelsblauw en purper. Felrode kleurstof gewonnen uit een soort luis. (Ex 25:4)

## scharlaken beest (persoon)

- Het scharlakenrode beest waarop de grote hoer gezeten was, met zeven hoofden en tien hoornen. (Op 17:3)

## scharlaken koord (voorwerp)

- Rode koord dat Rachab uit haar venster moest hangen als herkenningsteken bij de val van Jericho. In de christelijke uitleg vaak gezien als type van het bloed van Christus dat redt van het oordeel. (Joz 2:18)

## schat (theologisch)

- Een kostbaar bezit. Israël wordt door God Zijn 'eigendom uit alle volken' genoemd, een bijzondere schat van Hem. (Ex 19:5)
- Verzameling kostbaarheden, vaak verborgen of opgeslagen voor de toekomst. In de Bijbel beeld van het hart waarop de mens zich richt. (Matt 6:21)
- Iets kostbaars; in het bijzonder de schat van het evangelie dat in aarden vaten gedragen wordt. Drukt overweldigende waarde uit. (Rom 2:5)
- Verzameling kostbaarheden. In de bijbel zowel letterlijk als beeld voor wat het hart het meest dierbaar is. (Sir 6:14)

## schat in hemel (begrip)

- Bijbels begrip voor blijvende hemelse beloning, opgespaard door barmhartigheid en goede werken op aarde. Bekend uit Mattheüs 6. (Sir 29:11)

## schat van Davids huis (begrip)

- De koninklijke voorraad aan goud, zilver en kostbaarheden in het paleis te Jeruzalem. Werd in de loop van de geschiedenis bij verschillende gelegenheden geheel of gedeeltelijk geplunderd. (1 Kon 14:26)

## schat van de tempel (begrip)

- De voorraad aan goud, zilver, kostbare voorwerpen en gewijde gaven die in de tempel te Jeruzalem werd bewaard. Werd door speciaal aangestelde Levieten beheerd. (Neh 13:13)

## schat van Haman (begrip)

- Aanduiding voor het zeer grote bedrag dat Haman aan koning Ahasveros aanbood ter financiering van de uitroeiing van de Joden. Vormde een aanzienlijk deel van de Perzische staatsinkomsten. (Esth 3:9)

## schat van onsterfelijkheid (begrip)

- In joodse en christelijke literatuur beeld voor de hemelse erfenis en het eeuwige leven dat de gelovigen wacht. (4 Ezra 8:54)

## schat-toon van Hizkia (begrip)

- Aanduiding voor het bezoek van Babylonische gezanten aan koning Hizkia, waarbij hij zijn voorraadkamers toonde. Vormde aanleiding tot een profetie over de latere ballingschap. (2 Kron 32:31)

## schatkamer (begrip)

- Bewaarplaats voor goud, zilver en kostbare voorwerpen, hetzij in de tempel hetzij in het koninklijk paleis. (3 Ezra 8:19)
- Voorraadruimte bij de tempel waar tienden, gaven en overige bijdragen werden bewaard. Bestemd voor het levensonderhoud van priesters en Levieten. (Mal 3:10)

## schatkameren der sneeuw (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor Gods bewaarplaatsen van weersverschijnselen, waarover Hij naar zijn welbehagen beschikt. Onderdeel van de loftaal op Gods scheppingsmacht. (Job 37:6)

## schatkamers (begrip)

- Beveiligde ruimten in een paleis of tempel waar de kostbaarheden van een koning of het heiligdom werden bewaard. Vormden een belangrijk deel van de koninklijke voorraad en bestuursvermogen. (2 Kon 20:13)
- Beveiligde ruimten in een paleis of tempel waar de kostbaarheden van een koning of het heiligdom werden bewaard. Werden in Israël door speciaal aangestelde Levieten beheerd. (1 Kron 26:20)

## schatkist (voorwerp)

- Bewaarplaats voor offergaven en geld in de tempel te Jeruzalem, doorgaans gesitueerd in de voorhof der vrouwen met dertien trompetvormige bussen. (Mark 12:41)
- De plaats in de tempel waar de offergaven werden bewaard. Jezus sprak bij de schatkist in de tempel. (Joh 8:20)

## schatten in laatste dagen (begrip)

- Gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen — onthullende waarschuwing aan de rijke onderdrukker. (Jak 5:3)

## schatting (begrip)

- Door de overheid geheven belasting. Door de gelovige gewillig opgebracht. (Rom 13:7)
- Belasting die onderworpen volken aan een overheersende macht moesten betalen, vaak jaarlijks in geld of in natura. (1 Makk 8:7)

## Schave (plaats)

- Dal nabij Salem (Jeruzalem), ook 'koningsdal' genoemd. Plek waar de koning van Sodom Abraham tegemoet kwam na zijn overwinning. (Gen 14:17)

## Schave-kiriathaim (plaats)

- Plaats ten oosten van de Jordaan waar Kedor-Laomer de Emieten versloeg. (Gen 14:5)

## Scheba (persoon)

- Naam van twee personen in Genesis: een zoon van Joktan (zuid-Arabisch) en een zoon van Raëma (Cusjitisch). Stamvaders van Arabische handelsvolken. (Gen 10:28)
- Oude koninkrijk in het zuiden van het Arabisch schiereiland, in het huidige Jemen. Bekend om handel in goud, specerijen en wierook. (Job 6:19)

## Scheba, koningin van (persoon)

- Vorstin uit het rijk Scheba in het zuidwesten van Arabië, bekend om haar bezoek aan koning Salomo. Bracht hem grote schatten en bewonderde zijn wijsheid en welvaart. (2 Kron 9:1)

## Schedelplaats (plaats)

- De plaats van de hoofdschedel waar Jezus werd gekruisigd; in Lukas zo genoemd in plaats van Golgotha. (Luk 23:33)

## scheermes (voorwerp)

- Scherp instrument om haar of baard af te snijden. Mocht volgens de nazireërwet niet over het hoofd komen van iemand die door een gelofte aan JAHWEH was gewijd. (Ri 13:5)

## scheidbrief (wet)

- Schriftelijke verklaring van een man waarmee hij zijn vrouw verstootte. Maakte hertrouwen met een ander mogelijk maar gaf de vrouw juridisch een zekere bescherming. (Dt 24:1)
- Schriftelijke akte van echtscheiding die volgens Deuteronomium 24 door de man aan de weggezonden vrouw moest worden gegeven. (Matt 5:31)
- Schriftelijke akte van echtscheiding die door de man aan de weggezonden vrouw moest worden gegeven. (Mark 10:4)

## scheiding (begrip)

- Het apart zetten of verdelen. In het scheppingsverhaal centraal: God scheidde licht en duisternis, wateren boven en beneden, droog en zee. (Gen 1:4)
- Het uiteengaan, in het bijzonder van echtelieden of van leden van de gemeente. Door God in beginsel verboden. (Rom 8:38)

## scheidsman (begrip)

- Aanduiding voor een arbiter of middelaar tussen twee partijen. In het boek Job het verlangen naar iemand die tussen de mens en God kan staan. (Job 9:33)

## Schelfzee (plaats)

- De Rode Zee of Golf van Akaba, waardoor Israël droogvoets uit Egypte trok. Plek van Israëls bevrijding en Farao's ondergang. (Ex 14:21)
- Zee aan de oostgrens van Egypte, mogelijk de Rietzee in het noorden of een arm van de Rode Zee. Plaats waar JAHWEH Israël droogvoets doorvoerde en het Egyptische leger verdronk. (Joz 24:6)
- De zee die God spleet bij de uittocht. (Ps 106:9)

## Scheminith (muziekterm)

- Hebreeuws שְׁמִינִית — letterlijk "achtste". Mogelijk een lage stempartij (octaaf lager) of een achtsnarig instrument. (Ps 6:1)

## schenker (persoon)

- Hofbeambte die de wijn voor de koning inschonk. In de oudheid een vertrouwensambt; de overste der schenkers van farao werd door Jozef in de gevangenis ontmoet. (Gen 40:1)
- Hofbeambte belast met het serveren van wijn aan de koning. Vormde in het oude Oosten een vertrouwensfunctie van groot belang vanwege de mogelijkheid van vergiftiging. (Neh 1:11)

## schenkkan (voorwerp)

- Vat met een handvat en een tuit waarin vloeistoffen werden bewaard en geschonken, vooral wijn of olie. Behoorde tot het standaardvaatwerk van een huishouden in het oude Oosten. (1Sam 1:1)

## schenkoffer (cultisch)

- Drankoffer van wijn dat bij de brand- en spijsoffers werd uitgegoten op of bij het altaar. (Lev 23:13)

## scheol (begrip)

- Hebreeuws voor het dodenrijk; in de Statenvertaling vaak met 'graf' of 'hel' weergegeven. (Ps 16:10)

## schepel (begrip)

- Inhoudsmaat voor droge waar (graan, meel) van ongeveer 13 liter. Vertaling van Grieks medimnos of Latijns modius. (BelDra 1:2)

## schepen (begrip)

- De schepen, hoe groot zij ook zijn, worden door een zeer klein roer gewend werwaarts ook de begeerte des stuurders wil — beeld voor de tong. (Jak 3:4)

## schepen van Tharsis (begrip)

- Aanduiding voor grote zeewaardige handelsschepen, oorspronkelijk verbonden met de vaart op het verre Tarsis (waarschijnlijk Spanje). Symbool van de internationale handelsmacht van Salomo en latere koningen. (1 Kon 10:22)

## scheppen (begrip)

- Gods voortbrengen uit niets. (Ps 33:9)

## Schepper (begrip)

- God als degene die hemel en aarde uit niets heeft voortgebracht en in stand houdt. Centrale belijdenis van het geloof. (Ps 95:6)
- Aanduiding voor God als degene die hemel en aarde en al wat erin is heeft voortgebracht. Centraal in het bijbelse geloof. (Mark 13:19)
- Bijbelse Godsnaam die God aanduidt als de maker van hemel en aarde. Een van de fundamentele eigenschappen waaruit zijn macht en recht voortvloeien. (4 Ezra 5:44)

## schepper van eeuwigheid (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor God als degene wiens jaren ondoorgrondelijk zijn. Onderdeel van de loftaal op zijn eeuwigheid en grootheid. (Job 36:26)

## schepping (begrip)

- Het door God uit niets voortbrengen van hemel en aarde en al wat daarin is; ook gebruikt voor de nieuwe schepping in Christus. (Gen 1:1)

## schepping uit niets (begrip)

- Theologisch begrip (creatio ex nihilo) dat God hemel en aarde niet uit bestaande stof maar uit het niets heeft gemaakt. Klassiek geformuleerd in 2 Makkabeeën 7:28. (2 Makk 7:28)

## schepping uit ongevormde stof (begrip)

- In de hellenistisch-joodse literatuur een interpretatie van Genesis 1:2 in de taal van de Griekse natuurfilosofie, waar God de chaos ordent. (Wijsh 11:17)

## schepsel (begrip)

- Door God geschapen wezen; van mens en zuchtende creatuur in afwachting van de verlossing. Onderscheiden van de Schepper. (Rom 1:25)
- Al wat door God geschapen is. In bijbelse zin onderscheiden van de Schepper en aan hem onderworpen. (4 Ezra 5:44)

## schepselen aan Davids tafel (begrip)

- Aanduiding voor de hofhouding en de mensen die regelmatig aan de koninklijke tafel werden ontvangen. Vormden een belangrijk onderdeel van de koninklijke uitstraling en patronage. (1 Kron 27:25)

## schepters van Juda (begrip)

- Aanduiding voor de koninklijke heerschappij van het huis van David over Juda. Symbool van het verbond dat God met David sloot over een eeuwig koningshuis. (2 Kron 9:8)

## schepters van Levi (begrip)

- Aanduiding voor de hoofden of leiders van de Levitische families. Hadden gezag over de afzonderlijke geslachten binnen de stam Levi. (1 Kron 23:9)

## schepters van priesters (begrip)

- Aanduiding voor de wapens en koninklijke insignia die in de tempel werden bewaard. Werden onder de hoede van de priesters gehouden en bij gelegenheden van staatsbelang uitgereikt. (2 Kon 11:10)

## scherp bestraffen (begrip)

- Met grote ernst en duidelijkheid terechtwijzen, met als doel de geestelijke gezondheid en bekering van de bestrafte. (Tit 1:13)

## scheuren des harten (begrip)

- Beeldspraak voor oprechte, innerlijke verootmoediging tegenover het slechts uiterlijk scheuren van kleren als rouwgebaar. Profetische oproep tot werkelijke bekering. (Joël 2:13)

## schibboleth (begrip)

- Hebreeuws woord (betekenis 'stroom' of 'aar') dat als wachtwoord werd gebruikt aan de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan. De Efraïmieten konden de sj-klank niet uitspreken en zeiden 'sibboleth', waardoor zij ontmaskerd werden. (Ri 12:6)

## schiboleth (begrip)

- Hebreeuws woord voor 'aar' of 'stroom', gebruikt als wachtwoord. Stamgenoten van Efraïm konden de sj-klank niet uitspreken en werden zo herkend en gedood. (Ex 1:1)

## Schichor-Libnath (plaats)

- Riviertje of beek aan de zuidgrens van het stamgebied van Aser, langs de noordwestelijke kuststreek. Mogelijk te identificeren met een van de kleine kuststromen ten zuiden van Dor. (2 Kon 4:42)

## Schiggajon (liturgie)

- Hebreeuws שִׁגָּיוֹן — onbekende psalmsoort, mogelijk een hartstochtelijk klaaglied of vrij-vormig dwaal-lied. Alleen bij David en Habakuk. (Ps 7:1)

## schijn van godzaligheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (2 Tim 3:5)

## schijnsel (begrip)

- Stralend licht; het schijnsel van Gods heerlijkheid in het aangezicht van Christus. Door God in het hart gegeven. (2 Kor 4:6)

## schild (begrip)

- Verdedigingswapen om slagen op te vangen. In de Bijbel ook beeld voor Gods bescherming van de gelovige. (Gen 15:1)
- Defensief wapen dat een krijger tegen pijlen, speren en zwaarden beschermde. In de Schrift ook geliefd beeld van Gods bescherming over zijn volk en de gelovigen. (2Sam 22:3)
- Verdedigingswapen; beeld voor God als bescherming tegen alle gevaar en aanval. (Ps 3:4)
- Verdedigingswapen waarmee een soldaat aanvallen afweerde. In de bijbel ook beeld voor God als bescherming van de gelovigen. (Wijsh 5:19)
- Verdedigingswapen van leer, hout of metaal, vaak met rood pek bestreken zodat het in de zon glansde. Onmisbaar onderdeel van de bewapening. (Na 2:3)

## schild des geloofs (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (Ef 6:16)

## Schilo (plaats)

- Plaats in het bergland van Efraïm waar Israël na de verovering de tabernakel oprichtte. Bleef gedurende de richterentijd het centrale heiligdom van Israël tot de tijd van Eli. (1 Kon 14:2)

## Schin (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:22)

## schip (begrip)

- Vaartuig voor reizen, handel of oorlog over zee. In de oudheid vaak houten constructies met zeil en riemen, kwetsbaar voor stormen. (Jon 1:3)

## schip op zee (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor wat snel voorbijgaat zonder spoor na te laten. Beeld van vergankelijkheid van het aardse leven. (Wijsh 5:10)

## schipbreuk (begrip)

- Het stranden op zee; door Paulus ervaren op zijn reizen. Beeld van diepe nood en wonderbare uitredding. (2 Kor 11:25)
- Wie het goed geweten verstoot, lijdt. (1 Tim 1:19)

## schipbreuk geloof (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (1 Tim 1:19)

## schipbreukig geluk (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor het instorten van schijnbaar veilige welvaart. Onderdeel van de wijsheidsliteratuur over de val van wie God niet vrezen. (Job 18:14)

## schitteren (begrip)

- Bijbels beeld voor stralende heerlijkheid, vooral van de rechtvaardigen in de toekomende wereld. (Wijsh 3:7)

## schoeisel (begrip)

- Beschermend voetwerk. — teken van overheersing. (Ps 60:10)

## schoeisel des vredes (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Gods genade en vrede. (Ef 6:15)

## schoen uittrekken (gebruik)

- Beschamende symbolische handeling tegenover de zwager die de leviraatsplicht weigerde te vervullen. De weduwe trok hem de schoen uit en spuwde voor hem. (Dt 25:9)
- Symbolische rechtshandeling in het oude Israël waarmee men afstand deed van een recht of bezit. Het uitgetrokken sandaal werd aan de wederpartij overhandigd in tegenwoordigheid van getuigen. (Ruth 4:7)

## schoenen (voorwerp)

- De zendelingen mochten geen schoenen meenemen onderweg — teken van vertrouwen. (Luk 10:4)
- Sandalen of voetbedekking van leer, in het oude Nabije Oosten ook gebruikt bij rechtshandelingen zoals lossing of verkoop. Symbool van geringe waarde. (Am 2:6)

## schoenen uitdoen (gebruik)

- Gebaar van eerbied bij het betreden van heilige grond, ook bij gasten en in rouw gebruikelijk. Erkenning dat de plaats geheiligd is door Gods aanwezigheid. (Joz 5:15)

## schoenenriem (begrip)

- Veter of band waarmee een sandaal aan de voet werd vastgemaakt. Symbool van het meest geringe in een mensenleven, ook gebruikt in plechtige rechtshandelingen. (2Sam 1:1)

## schoenenriem (verbond) (begrip)

- Symbolische rechtshandeling waarbij het overdragen of uittrekken van een sandaalriem afstand of overdracht van een recht bezegelde. Vorm van plechtige bevestiging in het oude Israël. (2Sam 1:1)

## schoenriem (overig)

- De riem of veter waarmee een sandaal werd vastgemaakt. Johannes de Doper zei dat hij niet waardig was om Jezus' schoenriem los te maken — het werk van de laagste slaaf. (Joh 1:27)

## Schone Poort (plaats)

- De poort van de tempel waar de kreupele dagelijks werd neergezet om aalmoezen te bidden. (Hand 3:2)

## schoof (begrip)

- Bos van afgesneden korenhalmen na de oogst. In Bijbelse symboliek beeld van vruchten en oogst, ook van personen die zich buigen of opstaan. (Gen 37:7)
- Bos van afgesneden korenhalmen na de oogst. De eerste schoof werd voor God bewogen als wijding van de oogst. (Num 1:1)
- Bundel afgesneden korenaren. (Ps 126:6)

## schoof-offer (cultisch)

- De eerste schoof van de gersteoogst, op de dag na de sabbat van het ongezuurdebrodenfeest voor God bewogen. Ingewijde aanvang van de oogst. (Lev 23:11)

## school der wijsheid (begrip)

- Beeld voor de plaats waar wijsheid wordt onderwezen. In de hellenistische tijd ook letterlijk een onderwijsinstelling waar de Thora en wijsheid werden gedoceerd. (Sir 51:23)

## school van Tyrannus (plaats)

- De plaats waar Paulus twee jaar lang dagelijks redekavelde nadat hij uit de synagoge te Efeze vertrok. (Hand 19:9)

## schoon profeet (begrip)

- Beeld van de boodschapper die op de bergen verschijnt om vrede en goed nieuws te brengen. In het Nieuwe Testament toegepast op de verkondigers van het evangelie. (Na 1:15)

## schoon vertonen in vlees (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het vlees of de natuurlijke mens. (Gal 6:12)

## schoonheid (begrip)

- Lichamelijke aantrekkelijkheid. In de bijbel vaak vermeld bij vrouwen, soms als gave Gods en soms als gevaar. (Jdt 10:7)
- Lichamelijke aantrekkelijkheid; in de bijbel vaak verbonden met vrome vrouwen, maar ook gevaar voor wie ernaar begeert. (Sus 1:2)
- Lichamelijke schoonheid is bedrieglijk en 'ijdel'; vrees voor de HEERE is wat blijft. (Spr 31:30)
- In de bijbel zowel lichamelijke aantrekkelijkheid als de aanblik van Gods werken in de schepping, waarin de Schepper kan worden gekend. (Wijsh 13:5)

## schoonheid Levi (begrip)

- Lof voor de stam Levi, die door God boven alle anderen verkozen is voor de eredienst en het onderwijzen van de Tora. (Dt 33:8)

## schoonmoeder (begrip)

- Moeder van iemands echtgenoot of echtgenote. In de oude oosterse familieverbanden vaak een belangrijke gezagsfiguur in het huishouden. (Ruth 1:14)

## schoonschrift van Sefanja (begrip)

- Aanduiding voor schriftelijke documenten in verband met de profeet of priester Sefanja. Verdere gegevens hierover zijn schaars. (2 Kron 34:8)

## schoonzoon (begrip)

- De man van iemands dochter. In de oudheid juridisch verbonden met de familie van de schoonvader. (Gen 19:14)
- Echtgenoot van iemands dochter, in de oude samenleving opgenomen in de bredere familieband van zijn schoonvader. Stond gewoonlijk in een ondergeschikte verhouding tot het hoofd van de familie. (1Sam 25:44)

## schoonzuster (begrip)

- Vrouw die met de broer van iemands echtgenoot of echtgenote is getrouwd. Aanduiding voor de familieverbinding tussen vrouwen door huwelijk met broers. (Ruth 1:15)

## schoot (begrip)

- Slip van het bovenkleed of de boezem als plaats van bescherming en geborgenheid. Werd ook gebruikt om iets in te dragen of een kind te koesteren. (Ruth 3:15)
- Innerlijk; ook letterlijk. (Spr 16:33)

## schoot Abrahams (begrip)

- Beeldspraak in het jodendom voor de verzamelplaats van de gestorven rechtvaardigen tot de opstanding. In het Nieuwe Testament gebruikt door Christus in de gelijkenis van de rijke man en Lazarus. (2Sam 1:1)

## schoot der eigen vrouw (begrip)

- Beeld voor de eheliche liefde tegengesteld aan de schoot van een vreemde vrouw. (Spr 5:20)

## schoot des ijzes (uitdrukking)

- Bijbels beeld waarin natuurverschijnselen als ijs en rijp als gebaarde wezens worden voorgesteld. Onderdeel van de poëtische scheppingsliteratuur. (Job 38:29)

## schoot van moeder (begrip)

- De baarmoeder. In de bijbel ook beeldspraak voor het begin van het leven, waarvan God de Schepper en Bewaarder is. (4 Ezra 5:35)

## schorpioen (begrip)

- Giftige geleedpotige van de woestijn. In de Bijbel beeld van pijnlijke straf en kwaad. (Ex 1:1)
- Klein torsie-katapult uit de Hellenistische en Romeinse oudheid. Wierp pijlen of stenen met grote kracht. Genoemd onder de belegeringswapens van Antiochus V in 1 Mak 6:51. (1 Mak 6:51)

## schorpioenen (begrip)

- Zware gesels of stekelroeden, zo genoemd naar de ernstige verwondingen die zij veroorzaakten. Symbool van een wrede en harde uitoefening van macht. (1 Kon 12:11)

## schorten (begrip)

- Verouderd voor lendenbedekking. Adam en Eva maakten zich na de zondeval schorten van vijgenbladeren om hun naaktheid te bedekken. (Gen 3:7)

## schouderkleed (voorwerp)

- Andere naam voor de efod, het kunstig geweven schouderstuk van de hogepriesterlijke kleding. (Ex 28:4)

## schouwspel (begrip)

- Toneel waarop iets te zien is; de apostelen gesteld tot een schouwspel voor wereld, engelen en mensen. Drukt openbaar lijden uit. (1 Kor 4:9)

## schraag (voorwerp)

- Verticale draagstang van koper waarop de planken van de tabernakel rustten. Twee schragen voor elke plank, in zilveren voetstukken gezet. (Ex 26:19)

## schranderheid (begrip)

- Scherpzinnig inzicht, vlugheid van begrip. Sieraad van de wijze. (Spr 14:8)

## schrede (begrip)

- Voetstap; in Spreuken: levensgang die door God geleid wordt. (Spr 4:12)

## schreden (begrip)

- Stappen van de wandelaar. (Ps 37:23)

## schreien (begrip)

- Luid roepen om hulp. (Ps 22:6)

## schreien van zijn akker (uitdrukking)

- Bijbels beeld waarbij het gestolen of misbruikte land om recht roept tot God. Onderdeel van de oudtestamentische gerechtigheidsleer. (Job 31:38)

## Schrift (begrip)

- Aanduiding voor het gezaghebbende, door God ingegeven boek of de boekenverzameling van het Oude (en later Nieuwe) Testament. (Matt 21:42)

## schrift en taal (begrip)

- Aanduiding voor de meertalige en multiculturele structuur van het Perzische rijk. Officiële edicten werden vertaald en in alle plaatselijke talen en schriften verspreid. (Esth 1:22)

## Schrift Godgeademd (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (2 Tim 3:16)

## schriftgeleerde (begrip)

- Kenner en leraar van de wet van Mozes en de joodse traditie. Vanaf de tijd van Ezra (vijfde eeuw v.Chr.) een herkenbare beroepsgroep in het jodendom. (3 Ezra 8:3)

## schriftgeleerde-werk (begrip)

- Het beroep van de schriftgeleerde, dat in Sirach 38-39 boven het handwerk wordt geplaatst omdat het zich op de wijsheid en de Thora richt. (Sir 39:1)

## Schriftgeleerden (volk)

- Joodse experts in de Tora en de overlevering, die als leraren en rechters fungeerden. Vaak verbonden met de richting der Farizeeën. (Matt 2:4)
- Kenners en leraren van de wet van Mozes en de joodse traditie. Vanaf de tijd van Ezra (vijfde eeuw v.Chr.) een herkenbare beroepsgroep in het jodendom. (1 Makk 7:12)

## Schrijf dezen man kinderloos (uitdrukking)

- Over Jojachin: 'Schrijft dezen zelfden man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op den troon Davids, en heersende meer in Juda.' Einde van de davidische troonopvolging via Jojachin. (Jer 22:30)

## schrijftafel (voorwerp)

- Zacharias vroeg om een schrijftafel om de naam Johannes neer te schrijven. (Luk 1:63)

## schrijven van Sanballat (begrip)

- Aanduiding voor de open brief die de Persische landvoogd van Samaria aan Nehemia richtte. Bevatte beschuldigingen die bedoeld waren om Nehemia bij de Persische koning verdacht te maken. (Neh 6:5)

## schrijver (begrip)

- Beroepsmatige opsteller en kopiist van documenten in de oudheid. In hellenistische staten vaak verbonden aan koninklijke kanselarijen. (3 Makk 4:15)

## schrijver met schrijftuig (uitdrukking)

- Profetisch beeld van een hemelse schrijver die de uitverkorenen merkt voor bescherming. Komt ook voor in de Openbaring van Johannes. (Ez 9:2)

## schrijversmes (begrip)

- Hebr. תַּעַר הַסֹּפֵר — pennenmes voor het bijschaven van rietpennen, gebruikt door Jojakim om de profetenrol stuk te snijden. Beeld van koninklijke verachting van het profetisch woord. (Jer 36:23)

## schrik (begrip)

- Vrees of ontzetting. In de bijbel vaak veroorzaakt door Gods machtsdaden of door zijn engelen. (2 Makk 3:24)

## schubben van Leviathan (uitdrukking)

- Bijbelse beschrijving van het gepantserde lichaam van het zeedier Leviathan, meestal de krokodil. Beeld van onkwetsbaarheid voor menselijke wapens. (Job 41:7)

## schudden van volken (begrip)

- Profetisch beeld voor een ingrijpende beweging onder de volken waardoor God zijn doel met de geschiedenis bereikt. Vaak verbonden met de komst van zijn rijk. (Hag 2:7)

## schudding (begrip)

- Nog eenmaal zal God niet alleen de aarde schudden, maar ook de hemel — opdat het onbewegelijke zou blijven. (Hebr 12:26)

## schuilen (begrip)

- Een toevlucht zoeken bij God. (Ps 7:2)

## schuilplaats (begrip)

- Verborgen plaats van veiligheid bij God. (Ps 91:1)
- Plaats van bescherming; voor wie de HEERE vreest is er hoop in de dood. (Spr 14:26)

## schuim (begrip)

- Wat lichtgewicht op het wateroppervlak drijft en door storm wordt verstrooid. Bijbels beeld voor het vergankelijke en waardeloze. (Wijsh 5:14)
- Drijvend laagje op een vloeistof of het oppervlak van het water. In de profeten beeld voor vergankelijkheid en weerloosheid. (Hos 10:7)

## schuim van zilver (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor wat na zuivering als waardeloze rest overblijft. Onderdeel van de oordeelstaal in profetische literatuur. (Ez 22:18)

## schuld (begrip)

- Het verantwoordelijk zijn voor een overtreding of zonde. In de Bijbel zowel feitelijk (een verschuldigd bedrag) als zedelijk (zondeschuld). (Gen 38:26)
- De verantwoordelijkheid en strafwaardigheid die voortvloeit uit zonde. Veroorzaakt scheiding tussen God en mens en vraagt om verzoening. (Ps 38:5)
- Wat men aan God of mensen verschuldigd is; in het bijzonder de schuld van de zonde. Door Christus voldaan. (Rom 8:12)

## schuldbelijdenis (begrip)

- Het openlijk erkennen van zonden tegenover God, vaak verbonden met gebed om vergeving en herstel van het verbond. (Geb. Az. 1:29)

## schuldeiser (begrip)

- Wie geld vordert; meester van de schuldenaar. (Spr 22:7)

## schuldenaar (begrip)

- Iemand die schuld heeft te voldoen; in de brieven ook de gelovige die door Gods genade aan Christus toebehoort. (Gal 5:3)

## schuldenboek (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor Gods optekening van menselijke overtredingen. Klassiek motief in profetische en wijsheidsliteratuur. (Job 14:17)

## schuldgebed van Ezra (begrip)

- Aanduiding voor de plechtige belijdenis en voorbede die Ezra namens het volk uitsprak over de gemengde huwelijken. Geldt als toonbeeld van priesterlijk smeekgebed in de Schrift. (Ezra 9:6)

## schuldig (begrip)

- Verplicht tot voldoening van iets aan een ander, hetzij geldelijk hetzij zedelijk. (Filem 1:18)

## schuldig elkander lief te hebben (begrip)

- Geliefden, indien God ons alzo lief gehad heeft, zo zijn wij ook schuldig elkander lief te hebben. (1 Joh 4:11)

## schuldoffer (cultisch)

- Offer voor zonden tegen God of de naaste die met materiële schade gepaard gingen. De overtreder moest naast het offer ook volledige restitutie plus een vijfde extra geven. (Ex 29:14)
- Het oudtestamentische offer voor schuld; vervuld in Christus die de schuld van Zijn volk volledig heeft betaald. (Hebr 10:8)

## schuldovername (begrip)

- Het op zich nemen van andermans schuld; in nieuwtestamentisch denken een voorafschaduwing van Christus' plaatsvervangend lijden. (Flm 1:18)

## Schuni (persoon)

- Andere schrijfwijze van Suni, zoon van Gad en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Gad. (Gen 46:16)

## Scyth (volk)

- Cultureel onderscheid weggevallen. (Kol 3:11)

## Scythopolis (plaats)

- Hellenistische naam voor Bethsan, gelegen in het noorden van Israël aan de samenvloeiing van het Jezreëldal en de Jordaanvallei. (2 Makk 12:29)

## Seba (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Cusch en kleinzoon van Cham. Stamvader van een Afrikaans of Arabisch volk. (Gen 10:7)
- Een van de Midianitische vorsten ten tijde van Gideons strijd. Werd samen met zijn medevorst Zalmuna door Gideon achtervolgd en gedood. (Ri 8:5)

## Sebanja (persoon)

- Naam van meerdere personen in de naballingschapse gemeenschap, waaronder leiders en Levitische leraars. Komt voor in verschillende geslachtsregisters en lijsten van geestelijken. (Ezra 8:5)

## Sebat (begrip)

- Elfde maand van de joodse kalender, ongeveer januari-februari. Behoort tot de regenrijke periode in Israël. (Zach 1:7)

## Sebatzar (persoon)

- Mogelijk een variantspelling van Sjesbazar, een Joodse leider uit de Babylonische ballingschap. Speelde een rol bij de eerste terugkeer naar Jeruzalem onder de Perzische heerschappij. (2 Kon 25:22)

## Sebaïm (plaats)

- Een van de steden in de Jordaanvlakte die volgens Genesis samen met Sodom en Gomorra werden verwoest. Symbool van algehele goddelijke verwoesting. (Hos 11:8)

## Sebna (persoon)

- Hofbeambte (mogelijk schrijver of hofmeester) ten tijde van koning Hizkia. Wordt door de profeet Jesaja in scherpe bewoordingen vanwege zijn hoogmoed veroordeeld. (2 Kon 18:18)

## Sebna, schrijver (persoon)

- Hofbeambte (mogelijk schrijver of hofmeester) ten tijde van koning Hizkia. Wordt door de profeet Jesaja in scherpe bewoordingen vanwege zijn hoogmoed veroordeeld. (2 Kon 18:18)

## Sebuel (persoon)

- Levitische tempelambtenaar uit het geslacht van Gersom, kleinzoon van Mozes. Belast met het beheer van de gewijde schatten in het tempelcomplex. (1 Kron 26:24)

## Sechanja (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een leider in de naballingschapse gemeenschap. Speelde een rol bij het voorstel tot ontbinding van de gemengde huwelijken onder Ezra. (Ezra 10:2)
- Naam van meerdere personen in de naballingschapse gemeenschap, waaronder leiders en bouwers. Komt voor in verschillende geslachtsregisters. (Neh 6:18)
- Naam van meerdere personen in de naballingschapse Joodse gemeenschap. Komt vooral voor in de boeken Ezra en Nehemia. (Esth 1:14)

## Sechem (vrijstad) (plaats)

- Sichem in het bergland van Efraïm, een van de zes vrijsteden voor doodslagers. Centraal gelegen aan de westzijde van de Jordaan. (Joz 20:7)

## Secundus (persoon)

- Een van de Thessalonicenzen die Paulus vergezelden. (Hand 20:4)

## Sefala (plaats)

- Het laagland van Juda, het heuvelland tussen het bergland van Juda en de kustvlakte; vruchtbaar gebied met strategische steden. (1 Makk 12:38)

## Sefama (persoon)

- Naam (mogelijk een variantspelling) die in de Schrift slechts spaarzaam voorkomt. Verdere gegevens over deze persoon zijn onzeker. (2 Kon 18:18)
- Naam die in de naballingschapse Levitische lijsten voorkomt. Verdere gegevens over deze persoon zijn schaars. (Neh 12:14)

## Sefama, brieven (begrip)

- Aanduiding voor schriftelijke documenten in verband met de profeet of priester Sefanja. Verdere gegevens hierover zijn schaars. (2 Kron 34:14)

## Sefama, profeet (persoon)

- Naam (mogelijk een variantspelling) die in de Schrift slechts spaarzaam voorkomt. Verdere gegevens over deze persoon zijn schaars. (2 Kron 34:22)

## Sefama, schrijver (persoon)

- Hofbeambte (mogelijk schrijver) ten tijde van koning Josia van Juda. Was betrokken bij de organisatie van de tempelreparatie. (2 Kron 34:8)

## Sefanja (persoon)

- Profeet ten tijde van koning Josia van Juda, mogelijk uit koninklijke afkomst. Auteur van het naar hem genoemde profetische boek dat oordeel en herstel verkondigt. (2 Kron 34:14)

## Sefar (plaats)

- Berg of streek in het oosten, oostelijke grens van het woongebied van de zonen van Joktan in Arabië. (Gen 10:30)

## Sefarad (plaats)

- Plaats van ballingschap voor inwoners van Jeruzalem, vermoedelijk Sardes in Klein-Azië. In de latere Joodse traditie geïdentificeerd met Spanje. (Ob 1:20)

## Sefarvaim (plaats)

- Stad in Mesopotamië waarvan de bevolking door de Assyrische koning naar het gebied van het voormalige noordelijke rijk Israël werd gedeporteerd. Bron van een van de afgodische cultusvormen die daar werden ingevoerd. (2 Kon 17:31)

## Sefarvieten (begrip)

- Inwoners van de Mesopotamische stad Sefarvaim, door de Assyrische koning naar het gebied van het voormalige noordelijke rijk Israël gedeporteerd. Bron van een van de afgodische cultusvormen die daar werden ingevoerd. (2 Kron 28:18)

## Sefath (plaats)

- Stad in het Negeb, gelegen in het zuidelijke grensgebied van Juda en Simeon. Later door de stam Juda hernoemd tot Horma. (Joz 19:4)

## Sefatja (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een van de zonen van koning Josafat van Juda. Werd door zijn broer Joram bij diens troonsbestijging vermoord. (2 Kron 21:2)

## Sefatja zoon Mattan (persoon)

- Vorst onder Zedekia die met drie anderen Jeremia ter dood eiste. (Jer 38:1)

## Sefatja, Gedalja, Jukal, Pashur (persoon)

- Vier vorsten die Zedekia overhaalden Jeremia ter dood te brengen omdat zijn woorden de handen van de strijders verzwakten. Lieten hem in de modderkuil van Malchia werpen. (Jer 38:1)

## Sefirath (plaats)

- Plaatsnaam in de Sjefela van Juda, vermeld in profetische klaagzangen. De naam is verwant aan een woord dat 'mooi' betekent. (Mi 1:11)

## Sefo (persoon)

- Zoon van Elifaz en kleinzoon van Esau. Stamvorst van een Edomitische clan. (Gen 36:11)

## Sefo (persoon) (persoon)

- Zoon van Sobal en kleinzoon van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:23)

## seizoenen (begrip)

- De jaargetijden en het ritme van de tijd. In de bijbel deel van Gods scheppingsorde voor de aarde. (Wijsh 7:18)

## Sela (persoon)

- Derde zoon van Juda. Werd door zijn vader Tamar onthouden uit vrees dat hij ook zou sterven zoals zijn broers Er en Onan. (Gen 38:5)
- Versterkte rotsstad van Edom, mogelijk identiek met het latere Petra. Bekend om haar onneembare ligging. (Num 1:1)
- Versterkte rotsstad in het bergland van Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee. Belangrijke vestiging die later werd ingenomen door Amazia van Juda. (Ri 1:36)
- Liturgisch tussenwoord in de Psalmen, vermoedelijk een muzikale aanwijzing om te pauzeren, krachtig te spelen of te verheffen. Het nodigt uit tot bezinning op het voorgaande. (Ps 3:3)
- Hebreeuwse term in psalmen, vermoedelijk een liturgische pauze of aanwijzing voor versterking door instrumenten. Exacte betekenis is onzeker. (Hab 3:3)
- Hebr. סֶלַע — rotsstad in Edom (vgl. Petra), genoemd. (Jer 49:16)

## Sela, rots van (plaats)

- Versterkte rotsstad in het bergland van Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee. Belangrijke vestiging die later werd ingenomen door Amazia van Juda. (2 Kron 25:12)

## Sela-stad (plaats)

- Hoofdstad van Edom; niet veel in Psalmen, vooral in Obadja. (Ps 60:11)

## Selah (persoon)

- Zoon van Arfachsad en vader van Heber. Voorvader van Abraham in de lijn van Sem. (Gen 10:24)

## Selef (persoon)

- Zoon van Joktan en nakomeling van Sem. Stamvader van een zuid-Arabische stam. (Gen 10:26)

## Selemja Cushi (persoon)

- Schrijversvader van Jucal; ook genoemd. (Jer 36:14)

## Seleucia (plaats)

- De havenstad van Antiochië Syrië, vanwaar Barnabas en Saulus afvoeren naar Cyprus. (Hand 13:4)

## Seleucië (plaats)

- Havenstad aan de monding van de Orontes in Syrië, gesticht door Seleucus I; haven van Antiochië. (1 Makk 11:8)

## Seleucus (persoon)

- Seleucus IV Filopator (zoon van Antiochus III de Grote, regeerde 187-175 v.Chr.), koning van het Seleucidische rijk. Vader van Demetrius I. Werd vermoord door zijn minister Heliodorus en opgevolgd door zijn broer Antiochus IV Epifanes. (1 Mak 7:1)

## Seleucus IV (persoon)

- Seleucidische koning (regeerde 187-175 v.Chr.), zoon van Antiochus III en oudere broer van Antiochus IV. Vermoord door Heliodorus. (1 Makk 7:1)

## Sem (persoon)

- Oudste zoon van Noach en stamvader van de Semitische volken, waaronder Abraham en Israël. Door Noach plechtig gezegend boven zijn broers. (Gen 5:32)
- Oudste zoon van Noach en stamvader van de Semitische volken, waaronder Abraham en het volk Israël. (Matt 1:1)
- Oudste zoon van Noach, volgens Genesis 10 stamvader van de Semitische volken (waaronder Israël). (Sir 49:16)
- Oudste zoon van Noach, stamvader van de Semitische volken in Mesopotamië, Klein-Azië en het Arabische schiereiland. Voorvader van Abraham via de generaties van Eber. (1 Kron 1:4)

## Sema (theologisch)

- De grondbelijdenis van Israël uit Deuteronomium 6:4: 'Hoor, Israël, de Heere onze God is een enig Heere'. Hartstuk van het Joodse geloof en dagelijks gebed. (Dt 6:4)

## Semaja (persoon)

- Profeet ten tijde van koning Rehabeam van Juda. Bekend om zijn boodschap die de koning weerhield van een burgeroorlog tegen het noordelijke rijk. (2 Kron 11:2)
- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een profeet ten tijde van Nehemia. Behoorde in het laatste geval tot de tegenstanders die werden ingezet om Nehemia in een godsdienstige overtreding te lokken. (Neh 6:10)

## Semaja Nehelamiet (persoon)

- Valse profeet onder de ballingen die uit Babel een brief stuurde aan Sefanja om Jeremia in de stok te zetten; God voorzegt dat Semaja geen zaad zal hebben dat de heilstijd ziet. (Jer 29:24)

## Semeber (persoon)

- Koning van Zeboïm in de tijd van Abraham, lid van de coalitie van vijf koningen die door Kedor-Laomer werd verslagen. (Gen 14:2)

## Sennacherib (persoon)

- Koning van Assyrië (regeerde 705-681 v.Chr.). Belegerde Jeruzalem onder Hizkia maar trok zich terug; werd later door zijn eigen zonen vermoord. (Tob 1:17)
- Assyrische koning (705-681 v.Chr.) die Juda binnenviel en Jeruzalem belegerde, maar volgens de Bijbel door Gods ingrijpen werd gestopt. Vermoord door zijn eigen zonen. (Na 1:11)

## Sephanja (persoon)

- Naam van meerdere personen in de naballingschapse gemeenschap. Niet te verwarren met de profeet Sefanja uit de tijd van koning Josia. (Ezra 10:30)

## Sera (persoon)

- Andere schrijfwijze van Serah, dochter van Aser en kleindochter van Jakob. (Gen 46:17)

## Serah (persoon)

- Dochter van Aser en kleindochter van Jakob. Een van de weinige vrouwen die in de geslachtsregisters van Israël wordt genoemd. (Gen 46:17)

## Seraja (persoon)

- Broer van Baruch, hofmaarschalk onder Zedekia, die met de boekrol van Jeremia tegen Babel naar Babel werd gezonden om die in de Eufraat te werpen. (Jer 51:59)

## Seraja de hogepriester (persoon)

- Hogepriester ten tijde van Zedekia; ter dood gebracht in Ribla. Slot van de davidische lijn van hogepriesters. (Jer 52:24)

## Sered (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Zebulon en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Zebulon. (Gen 46:14)

## Sergius (persoon)

- Stadhouder van Cyprus die door Paulus' wonderwerk tot geloof kwam. (Hand 13:7)

## Sergius Paulus (persoon)

- De stadhouder van Cyprus die door Paulus' prediking tot het geloof kwam. (Hand 13:7)

## Seron (persoon)

- Seleucidisch bevelhebber in Coelesyrië in de tweede eeuw v.Chr., tegenstander van Judas Makkabeüs en bij Beth-Horon door hem verslagen. (1 Makk 3:13)

## Serug (persoon)

- Negende geslacht na Sem, zoon van Rehu en vader van Nahor. Voorvader van Abraham. (Gen 11:20)

## Sesbazar (persoon)

- Joodse leider in de tijd van de eerste terugkeer uit Babel onder Cyrus. Mogelijk een Perzische naam voor Zerubbabel of een aparte voorganger van hem. (Ezra 1:8)

## Set (persoon)

- Zoon van Adam in Lukas' geslachtsregister van Jezus. (Luk 3:38)
- Derde zoon van Adam en Eva, geboren na de moord op Abel door Kaïn. Volgens Genesis 5 voorvader in de geslachtslijn die naar Noach voert. (Sir 49:16)

## Seth (persoon)

- Derde genoemde zoon van Adam en Eva, geboren na de dood van Abel. Voorvader van Noach en de heilslijn die uitloopt op Abraham. (Gen 4:25)

## Sethar (persoon)

- Een van de zeven hoogste vorsten van Perzië en Medië die regelmatig toegang tot het koninklijk aangezicht hadden. Behoorde tot de adviesraad van koning Ahasveros. (Esth 1:14)

## Sethar de wijze (persoon)

- Aanduiding voor een van de wijzen aan het Perzische hof die geraadpleegd werden over juridische en bestuurlijke aangelegenheden. Vormden een belangrijke adviesgroep voor de koning. (Esth 1:13)

## Seïr (plaats)

- Berggebied ten zuidoosten van de Dode Zee, woonplaats van Esaus nakomelingen (Edom). Door God aan hen tot bezit gegeven. (Gen 14:6)
- Berggebied ten zuidoosten van de Dode Zee, woonplaats van Esaus nakomelingen (Edom). Door God aan hen tot bezit gegeven en daarom door Israël ongemoeid gelaten. (Dt 2:5)

## sferen-rede (begrip)

- In het apocriefe 4 Ezra Uriëls reeks gelijkenissen waarmee hij de begrenzing van het menselijk verstand voor Gods raadsbesluiten illustreert. (4 Ezra 4:5)

## Shaddai (begrip)

- Hebreeuws bestanddeel van de Godsnaam El Shaddai, vertaald als 'Almachtige'. Vooral de naam waaronder God Zich aan de aartsvaders openbaarde. (Gen 35:11)

## Shelah (persoon)

- Andere schrijfwijze van Selah, zoon van Arfachsad en vader van Heber. Voorvader van Abraham in de lijn van Sem. (Gen 10:24)

## Siba (persoon)

- Voormalig knecht van het huis van Saul, na de overdracht van Sauls bezittingen aan Mefiboseth diens beheerder. Speelde een dubbelzinnige rol tijdens de opstand van Absalom. (2Sam 9:2)

## Sibcai (persoon)

- Een van de helden van koning David, afkomstig uit Husa. Bekend om zijn overwinning op een van de Filistijnse reuzen uit het geslacht der Refaïeten. (1 Kron 20:4)

## Sichar (plaats)

- Een stad in Samaria nabij de bron van Jakob, waar Jezus de Samaritaanse vrouw ontmoette. (Joh 4:5)

## Sicheli, oudsten (begrip)

- Aanduiding voor de zeventig zonen of nakomelingen van het huis van Achab in Samaria. Werden in opdracht van koning Jehu omgebracht in het kader van de uitroeiing van het koninklijk geslacht. (2 Kon 10:1)

## Sichem (plaats)

- Stad in centraal Kanaän tussen de bergen Ebal en Gerizim. Plek waar Abraham eerst aankwam en waar Jozua de wet voor het volk vernieuwde. (Dt 11:30)
- Belangrijke stad in het centrale bergland van Efraïm, gelegen tussen de bergen Ebal en Gerizim. Plaats van verbondssluitingen, en waar Jozef werd begraven. (Joz 24:1)
- Belangrijke stad in het centrale bergland van Efraïm, gelegen tussen de bergen Ebal en Gerizim. Plaats van verbondssluitingen, en in de richterentijd centrum van Abimelechs koningschap. (Ri 9:1)
- Stad in centraal Israël. 'Ik zal Sichem delen' — Gods uitspraak van bezit. (Ps 60:8)
- De plaats waar de aartsvaders begraven werden volgens Stefanus' rede. (Hand 7:16)
- Belangrijke stad in het bergland van Efraïm, gelegen tussen de bergen Ebal en Gerizim. Sterk verbonden met de aartsvaders en de geschiedenis van Israël. (Hos 6:9)
- Belangrijke stad in het centrale bergland van Efraïm, gelegen tussen de bergen Ebal en Gerizim. Plaats van verbondssluitingen en de eerste residentie van Jerobeam. (1 Kon 12:1)
- Belangrijke stad in het centrale bergland van Efraïm, gelegen tussen de bergen Ebal en Gerizim. Plaats van verbondssluitingen en de scheuring van het rijk. (2 Kron 10:1)

## Sichem (persoon) (persoon)

- Zoon van Hemor de Heviet, vorst van de stad Sichem. Onteerde Dina en werd daarom met zijn vader en alle mannen van zijn stad door Simeon en Levi gedood. (Gen 34:2)

## Sichem (plaats) (plaats)

- Stad in centraal Kanaän tussen de bergen Ebal en Gerizim. Plek waar Abraham eerst aankwam en waar Jakob een stuk land kocht. (Gen 12:6)

## Sicht in geestelijke zaken (begrip)

- Aanduiding voor het godsdienstig onderricht dat in Juda door rondreizende Levieten en priesters werd gegeven. Was bedoeld om de wet van Mozes onder het volk levend te houden en geestelijk inzicht te bevorderen. (2 Kron 17:9)

## Sicionen (plaats)

- Inwoners van Sicyon, een Griekse stadstaat in de Peloponnesos ten westen van Korinte. (1 Makk 15:23)

## Siddim (plaats)

- Vlakte aan de zuidkant van de Dode Zee, in de oudheid vol asfaltputten. Slagveld waar Kedor-Laomer de vijf koningen van het vlakteland versloeg. (Gen 14:3)

## Side (plaats)

- Griekse havenstad aan de zuidkust van Klein-Azië in Pamfilië, in de oudheid een welvarende handelsstad. (1 Makk 15:23)

## Sidon (plaats)

- Oude Fenicische havenstad ten noorden van Tyrus aan de Middellandse Zee, bekend om handel en zeevaart. (Gen 10:15)

## Sidoniet (volk)

- Inwoner van Sidon, de Fenicische havenstad. Bekend in de oudheid als zeevaarders en handelaren. (Gen 10:15)

## Sidonië wierook (uitdrukking)

- Verwerping van pomp zonder hart. (Jer 6:20)

## Sidoniërs en Tyriërs (persoon)

- Inwoners van de Foenicische steden Sidon en Tyrus aan de Middellandse Zee. Bekend als zeevaarders, kooplieden en houtleveranciers. (3 Ezra 5:55)

## Sifra (persoon)

- Een van de twee Hebreeuwse vroedvrouwen die Farao's moordbevel weerstonden uit vreze Gods. (Ex 1:15)

## Sihon (persoon)

- Amoritische koning van Hesbon ten oosten van de Jordaan. Werd door Israël verslagen toen hij de doortocht weigerde. (Num 21:21)
- Amoritische koning van Hesbon ten oosten van de Jordaan. Werd vóór de Jordaanovertocht door Mozes verslagen, waarna zijn gebied aan Ruben en Gad werd toegewezen. (Joz 12:2)
- Koning der Amorieten, verslagen bij Israëls intocht. (Ps 135:11)

## sikkel (begrip)

- Hebreeuwse gewichts- en muntheenheid, ongeveer elf gram. Standaardmaat in handelstransacties van zilver en goud. (Gen 23:15)
- De scherpe sikkel waarmee de Mensenzoon en de engel de oogst der aarde maaiden. (Op 14:14)
- Gebogen mes voor het maaien van graan tijdens de oogst. In profetische taal beeld van het binnenhalen van Gods oordeel. (Joël 3:13)

## sikkel vergroten (begrip)

- Het vervalsen van gewichten door de standaardsikkel zwaarder te maken zodat de koper meer zilver moest geven. Vorm van bedrog die door de profeten scherp werd veroordeeld. (Am 8:5)

## Silas (persoon)

- Metgezel van Paulus op tweede zendingsreis. (Hand 15:22)

## Sillem (persoon)

- Vierde zoon van Naftali en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Naftali. (Gen 46:24)

## Silo (begrip)

- Profetische titel in Jakobs zegen over Juda. Door velen messiaans uitgelegd als verwijzing naar de komende Messias. (Gen 49:10)
- Plaats in het bergland van Efraïm waar Israël na de verovering de tabernakel oprichtte. Bleef gedurende de richterentijd het centrale heiligdom van Israël. (Joz 18:1)
- Plaats in het bergland van Efraïm waar Israël na de verovering de tabernakel oprichtte. Bleef gedurende de richterentijd het centrale heiligdom van Israël tot de tijd van Eli. (Ri 21:19)
- Eerste plaats waar de tabernakel werd opgericht in Kanaän; verwoest door de Filistijnen na de slag bij Eben-Haëzer. Door Jeremia als waarschuwingsbeeld voor Jeruzalem gebruikt. (Jer 7:12)

## Silo gedenken (uitdrukking)

- God herinnert aan Silo, waar zijn Naam eerst woonde maar dat verlaten werd vanwege de boosheid Israëls. Tempel kan dezelfde lot ondergaan. (Jer 7:12)

## Siloam (plaats)

- Een badwater (vijver) in Jeruzalem. De naam betekent Jezus stuurde de blindgeborene om zich te wassen in Siloam, waarna hij kon zien. (Joh 9:7)

## Silvanus (persoon)

- Medewerker van Paulus, ook Silas genoemd. Mede-prediker van de Zoon van God. (2 Kor 1:19)
- Vroegchristelijk leider, ook bekend als Silas, reisgenoot van Paulus en mede-afzender van enkele nieuwtestamentische brieven. (1 Tess 1:1)
- Medewerker van Paulus en Petrus; ook Silas genoemd in Handelingen. (1 Petr 5:12)

## Simei (persoon)

- Benjaminiet uit het geslacht van Saul, woonachtig in Bahurim. Bekend om zijn vervloeking van koning David tijdens diens vlucht voor Absalom en de latere verzoening daarna. (2Sam 16:5)

## Simeon (persoon)

- Tweede zoon van Jakob en Lea, en de stam die uit hem voortkwam. Kreeg een erfdeel binnen het gebied van Juda en raakte daarin opgenomen. (Gen 29:33)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Simeon, de tweede zoon van Jakob en Lea. Het stamgebied lag in het zuiden binnen het grotere gebied van Juda. (Joz 19:1)
- Vrome man in de tempel die Jezus in de armen nam. (Luk 2:25)
- In de bijbel naam van verschillende personen, onder wie de tweede zoon van Jakob (stamvader van een Israëlitische stam) en de grootvader van Mattathias. (1 Makk 2:1)

## Simeon de Niger (persoon)

- Een der profeten en leraars te Antiochië. (Hand 13:1)

## Simeon Petrus (persoon)

- Apostel die zichzelf in deze brief noemt. (2 Petr 1:1)

## Simeï (persoon)

- Benjaminiet uit het geslacht van Saul, woonachtig in Bahurim. Bekend om zijn vervloeking van koning David tijdens de opstand van Absalom en de latere afrekening onder Salomo. (1 Kon 2:8)

## Simon (persoon)

- Veelvoorkomende joodse mannennaam in de eerste eeuw. In de evangeliën onder andere de naam van Petrus voor zijn naamswijziging. (Matt 4:18)
- Naam van verschillende joodse hogepriesters in de hellenistische tijd. In het apocriefe 3 Makkabeeën de hogepriester die voor de tempel bidt. (3 Makk 2:1)

## Simon (tempelopzichter) (persoon)

- In het apocriefe 2 Makkabeeën een joodse tempelfunctionaris die in conflict kwam met hogepriester Onias III en Heliodorus naar Jeruzalem riep. (2 Makk 3:4)

## Simon de IJveraar (persoon)

- Een van de twaalf apostelen, ook Zelôot genoemd, vermoedelijk verwijzend naar zijn afkomst uit de joodse beweging der Zeloten. (Luk 6:15)
- Apostel die met de elf vergaderde na Jezus' hemelvaart. (Hand 1:13)

## Simon de Kananeër (persoon)

- Een van de twaalf apostelen, ook 'de IJveraar' genoemd. De bijnaam wijst vermoedelijk op zijn herkomst uit de joodse beweging der zeloten. (Matt 10:4)

## Simon de looier (persoon)

- De looier in Joppe in wiens huis Petrus logeerde toen hij het visioen van het laken zag. (Hand 9:43)

## Simon de Melaatse (persoon)

- Bewoner van Bethanië, vermoedelijk een door Jezus genezen melaatse. In zijn huis vond een zalving van Jezus plaats. (Matt 26:6)

## Simon Thassi (persoon)

- Tweede zoon van Mattathias (gestorven 134 v.Chr.). Werd na Judas en Jonatan leider van het joodse volk en stichter van de Hasmonese vorstendom. (1 Makk 2:3)
- Broer van Judas Makkabeüs en een van de zeven zonen van Mattathias. Werd na Judas en Jonatan leider van het joodse volk en stichter van de Hasmonese dynastie. (2 Makk 8:22)

## Simon van Cyrene (persoon)

- Joodse pelgrim uit de Noord-Afrikaanse stad Cyrene, vader van Alexander en Rufus. Door de Romeinen gedwongen het kruis van Jezus te dragen. (Mark 15:21)

## Simron (persoon)

- Vierde zoon van Issaschar en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Issaschar. (Gen 46:13)

## Simsai (persoon)

- Persisch schrijver in dienst van Rehum, ten tijde van koning Artaxerxes. Mede-ondertekenaar van de aanklachtsbrief tegen de herbouw van Jeruzalem. (Ezra 4:8)

## Simson (persoon)

- Daniet uit Zora, zoon van Manoach, van zijn moeders schoot af aan JAHWEH gewijd als nazireër. Een van de grote richters, met bovennatuurlijke kracht waarmee hij de Filistijnen bestreed; werd door Delila verraden. (Ri 13:24)

## Sinab (persoon)

- Koning van Adama in de tijd van Abraham, lid van de coalitie van vijf koningen die door Kedor-Laomer werd verslagen. (Gen 14:2)

## Sinai (plaats)

- Berg waar God Zijn wet gaf. (Ps 68:9)
- De berg waar het oude verbond werd gesloten met vuur, donder en schrik — gesteld tegenover de berg Sion van het nieuwe verbond. (Hebr 12:18)

## Sinaï (plaats)

- Berg in het zuiden van het schiereiland Sinaï waar God Zijn wet aan Mozes gaf. Centrum van het verbondssluiten met Israël. (Ex 19:11)
- Berg in het zuiden van het schiereiland Sinaï waar God Zijn wet aan Mozes gaf. In Deuteronomium meestal Horeb genoemd. (Dt 33:2)
- Bondgesloten met het aardse Jeruzalem. (Gal 4:25)

## Sinear (plaats)

- Oude naam voor de Babylonische vlakte tussen Eufraat en Tigris. Plek van het oudste rijk van Nimrod en van de torenbouw van Babel. (Gen 10:10)
- Bijbelse aanduiding voor het zuidelijk Mesopotamische gebied, met name Babylonië. Plaats van Babels bouw en latere ballingschap. (Zach 5:11)

## Siniet (volk)

- Een van de Kanaänitische volken, afstammelingen van Kanaän. Bewoners van een stad of streek in het noorden. (Gen 10:17)

## Sion (plaats)

- Aanvankelijk de Jebusietische burcht binnen Jeruzalem; later in bredere zin de tempelberg en de stad Jeruzalem zelf, en daarmee aanduiding voor het volk van God. (Ps 2:6)

## Sions Koning (begrip)

- Aanduiding voor de HEERE als koning te midden van zijn volk, gevestigd op de berg Sion. Profetische naam voor de Messias. (Zef 3:15)

## Sionsburcht (plaats)

- Vesting op de berg Sion in Jeruzalem, oorspronkelijk in handen van de Jebusieten. Werd door David ingenomen en tot zijn koninklijke residentie gemaakt. (2Sam 5:7)

## Sirach (persoon)

- Naam van de vader van Jezus de auteur van het apocriefe boek; ook gebruikt als verkorte naam voor het hele boek. (Sir 50:27)

## Sisera (persoon)

- Krijgsoverste van koning Jabin van Hazor, met zijn machtige strijdwagenleger. Werd door Barak verslagen en op zijn vlucht door Jaël met een tentpin gedood. (Ri 4:2)

## Sisinnes (persoon)

- Perzische satraap (ondervoogd) van Syrië en Fenicië in de tijd van Darius I, mogelijk identiek met Tattenai uit Ezra 5-6. (3 Ezra 6:3)

## Sitna (plaats)

- Naam van een waterput bij Gerar, betekenend 'vijandschap'. Zo genoemd omdat de herders van Izak en van Gerar erom kibbelden. (Gen 26:21)

## Sittim (plaats)

- Plaats in de vlakte van Moab ten oosten van de Jordaan, laatste legerplaats van Israël vóór de overtocht. Hier kwam Israël tot afgodendienst met de dochters van Moab. (Joz 2:1)
- Vlakte in Moab ten oosten van de Jordaan, laatste pleisterplaats van Israël voor de intocht in Kanaän. Plaats van de afgoderij van Baäl-Peor. (Hos 5:2)

## Sivan (begrip)

- Derde maand van de joodse kalender (mei-juni). De maand waarin het Wekenfeest (Pinksteren) valt. (Bar 1:8)

## Sjaddai (naam)

- Hebreeuws voor 'Almachtige'; Godsnaam in o.a. (Ps 91:1)

## Sjeba (persoon)

- Benjaminiet, zoon van Bichri en verwant van Saul. Leider van een opstand tegen koning David na het neerslaan van de opstand van Absalom. (2Sam 20:1)

## Sjeba en Dedan kooplieden (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor Arabische handelsvolken die in profetische teksten als belangstellende waarnemers van internationale gebeurtenissen verschijnen. Onderdeel van de eschatologische scène. (Ez 38:13)

## Sjeba en Raëma (volk)

- Arabische handelsvolken uit het zuiden van het Arabisch schiereiland. Bekend om handel in goud, edelstenen en specerijen. (Ez 27:22)

## Sjeba zoon van Bichri (persoon)

- Benjaminiet, zoon van Bichri en verwant van Saul. Leider van een opstand tegen koning David na het neerslaan van de opstand van Absalom. (1 Kron 11:42)

## Sjeba, zonen van (begrip)

- Aanduiding voor de afstammelingen of inwoners van het rijk Scheba in het zuidwesten van Arabië. Bekend om hun handelsactiviteiten in goud, edelstenen en specerijen. (2 Kon 19:23)

## Sjefelot (plaats)

- Hebreeuwse aanduiding voor de heuvelland tussen het bergland van Juda en de kustvlakte. Vruchtbare overgangsstreek met veel vestingsteden. (Ez 26:18)

## sjekel (voorwerp)

- Hebreeuwse zilveren munteenheid en gewichtsmaat, ongeveer 11 gram. De halve sjekel diende als jaarlijkse tempelbelasting voor elke joodse man. (Matt 17:24)

## Sjelomith (persoon)

- Israëlitische vrouw uit de stam Dan, moeder van de man die de Naam van God lasterde en daarvoor gestenigd werd. (Lev 24:11)

## Sjeminith (liturgie)

- Muziekterm in opschrift en 12; mogelijk 'op de achtste' (octaaf), basstem. (Ps 6:1)

## Sjeool (begrip)

- Hebreeuwse aanduiding voor het dodenrijk waar volgens oudtestamentisch beeld alle gestorvenen verblijven. Plaats van schaduw en stilte. (Job 7:9)

## Sjerebja (persoon)

- Vooraanstaande Leviet uit het geslacht van Mahli, terugkeerder uit Babel onder Ezra. Speelde een rol als leider en leraar in de naballingschapse Joodse gemeenschap. (Ezra 8:18)

## Sjeschach (plaats)

- Verborgen naam (Atbasj-cijfer) voor Babel en — gebruikt om de oordeelsprofetie aanvankelijk te versluieren. (Jer 25:26)

## Sjieboleth-pelgrimsweg (uitdrukking)

- Belofte van pelgrimsmars naar de eredienst. (Jer 31:6)

## Sjiggajon (begrip)

- Hebreeuwse muzikale of poëtische aanduiding bij Psalm 7, waarvan de exacte betekenis onbekend is. Mogelijk 'klaaglied' of 'lied met sterke wisseling'. (Ps 7:1)

## Sjigjonoth (begrip)

- Muzikale aanduiding in psalmopschriften, mogelijk een wijs of een hartstochtelijk lied. De precieze betekenis is onbekend. (Hab 3:1)

## Sjir (liturgie)

- Hebreeuws voor 'lied'. Vaak in opschriften. (Ps 48:1)

## Sjisak (persoon)

- Egyptische farao (Sheshonk I), stichter van de tweeëntwintigste dynastie. Onderdrukte in de tiende eeuw v. Chr. een grote veldtocht tegen Juda en Israël. (1 Kon 14:25)

## Sjoah (plaats)

- Bedoeïenenstam (vgl. ook Bus en Tema); Arabische volken die de beker van Gods toorn moeten drinken. (Jer 25:23)

## Sjosjannim (liturgie)

- Opschriftterm; betekent 'leliën' — mogelijk een melodie of instrument. (Ps 45:1)

## sla en eet (begrip)

- De stem die Petrus driemaal beval te eten van de onreine dieren in het laken — beeld dat heidenen rein verklaard zijn. (Hand 10:13)

## slaaf (begrip)

- Onvrij persoon in het bezit van een meester. In de oudheid algemeen verbreid; de Tora regelde de behandeling en grenzen van de slavernij in Israël. (Gen 9:25)
- Onvrije persoon, eigendom van een ander. In de oudheid wijdverbreid; behandeling varieerde sterk per cultuur en periode. (3 Makk 7:5)

## slaaf der zonde (begrip)

- Jezus' woord aan de Joden. (Joh 8:34)

## slaap (begrip)

- Beeld van geestelijke onachtzaamheid of van de dood van de gelovige. Wachtend op het ontwaken in de opstanding. (Rom 13:11)
- In nieuwtestamentisch gebruik zowel beeld voor geestelijke onachtzaamheid als verzachtende aanduiding voor de dood van gelovigen. (1 Tess 5:6)

## slang (natuur)

- Reptiel zonder poten dat over de buik kruipt. In Genesis instrument van de verleiding in Eden; daarna door God vervloekt en symbool van het kwaad. (Gen 3:1)
- Mozes had in de woestijn een koperen slang op een stok verhoogd om het volk te genezen. Jezus vergeleek Zijn eigen kruisiging hiermee: zoals de slang verhoogd werd, zo moet de Zoon des Mensen verhoogd worden. (Joh 3:14)

## slapeloosheid (begrip)

- In de wijsheidsliteratuur als kwaal beschreven die voortkomt uit zorgen, rijkdom of geestelijke onrust. (Sir 31:1)

## slapeloze nacht (begrip)

- Aanduiding voor een nacht waarin koning Ahasveros niet kon slapen en zich uit de hofkronieken liet voorlezen. Vormde in het verhaal het scharniermoment waarop Mordechais redding van de koning aan het licht kwam. (Esth 6:1)

## Slavenvrij maken en weer terugnemen (uitdrukking)

- Zedekia maakt een verbond om alle Hebreeuwse slaven los te laten — toen het beleg even verlicht werd door Egyptes opmars, namen ze hun slaven terug. God veroordeelt deze trouwbreuk. (Jer 34:11)

## slechte vrouw (begrip)

- Bijbels begrip voor een vrouw wier gedrag haar man en huishouden schade berokkent. In de wijsheidsliteratuur uitvoerig beschreven en gemeden. (Sir 25:13)

## sleepnet (begrip)

- Groot visnet dat door twee boten of vanaf de oever door het water werd getrokken om vissen onverschillig welke soort op te vangen. (Matt 13:47)

## sleepriem (begrip)

- In de oudheid het touw waarmee misdadigers werden voortgesleept op weg naar martelpaal of executieplaats. (2 Makk 6:19)

## sleutel der kennis (begrip)

- Beeldspraak voor het geestelijk inzicht in de Schrift, die volgens Jezus door de wetgeleerden was weggenomen waardoor het volk werd belemmerd het Koninkrijk binnen te gaan. (Luk 11:52)

## sleutel des afgronds (voorwerp)

- De sleutel die aan de gevallen ster werd gegeven om de put des afgronds te openen. (Op 9:1)

## sleutel van David (voorwerp)

- De volmacht van Christus die opent zonder dat iemand sluit, en sluit zonder dat iemand opent. (Op 3:7)

## sleutel van Hades (voorwerp)

- De sleutels van de hel en van de dood die Christus heeft — onderdeel van zijn macht. (Op 1:18)

## sleutelen (voorwerp)

- Werktuigen om te openen of te sluiten, in de Bijbel beeld voor gezag en toegang. De 'sleutels van het Koninkrijk' staan voor het volmachtig oordelen in geestelijke zaken. (Matt 16:19)

## slijk (begrip)

- Modder die de voet vasthoudt; beeld voor uitzichtloze nood. Spreekt van 'modderig slijk' waaruit God de bidder ophaalt. (Ps 40:3)
- Modder, een mengsel van aarde en speeksel. Jezus maakte slijk en smeerde dat op de ogen van de blindgeborene als deel van de genezing. (Joh 9:6)

## slijk uit speeksel (voorwerp)

- Jezus maakte slijk van speeksel en streek het op de ogen van de blindgeborene. (Joh 9:6)

## slinger (voorwerp)

- Eenvoudig wapen bestaande uit een leren of stoffen riem met een verbreed middendeel waarin een steen werd gelegd. Werd door herders gebruikt tegen wilde dieren en vormde in de oude oorlogvoering een effectief verdragingswapen. (1Sam 17:40)

## slothymne (begrip)

- Lofzang aan het einde van een literair geheel, in de bijbel vaak gebruikt om het thema in een eindbegroeting van God samen te vatten. (Wijsh 19:22)

## sluier (begrip)

- Doek waarmee een vrouw haar gezicht verhult, vooral in het bijzijn van vreemden of bij het huwelijk. In de oudheid teken van bescheidenheid en eerbaarheid. (Gen 24:65)
- In Lukas niet expliciet als kledingstuk; wel impliciet bij vrouwen. (Luk 2:36)
- Doek waarmee gehuwde vrouwen in het oosten hun gezicht of haar bedekten. Teken van eerbaarheid en vaak ook van rouw of nederigheid. (Sus 1:32)

## sluiting van de baarmoeder (begrip)

- Onvruchtbaarheid bij vrouwen, in de Bijbel toegeschreven aan een handeling van God. Soms tijdelijk als oordeel, soms blijvend als beproeving. (Gen 20:18)

## smaad (begrip)

- Beschimping en oneer om Christus' wil. Door de apostel met blijdschap aanvaard. (2 Kor 1:6)
- Beschimping en vernedering van iemands eer en aanzien. In de Bijbel zowel onverdiend lijden voor Gods zaak als verdiende straf voor zonde. (Zach 8:13)

## smaadheid (begrip)

- Schande, vernedering, openlijke beschimping. In het Nieuwe Testament vaak gebruikt voor het lijden dat gelovigen ondergaan vanwege Christus. (Hand 5:41)

## smaadheid van Christus (begrip)

- Mozes achtte de smaadheid van Christus meerdere rijkdom dan de schatten van Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. (Hebr 11:26)

## smaadrede (begrip)

- Beledigende toespraak; honende, smadende woorden. Vaak hetgeen vijanden tegen de psalmist of tegen God spreken. (Ps 15:3)

## smaakloos zout (begrip)

- 'Het zout is goed; maar als het zout smakeloos is geworden, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?' (Luk 14:34)

## smader (begrip)

- Wie God of de gelovige hoont. (Ps 44:17)

## smalle weg (begrip)

- Beeld in de bergrede voor de moeilijke, weinig begane weg van het discipelschap die naar het leven leidt. Tegenovergesteld aan de brede weg die naar het verderf leidt. (Matt 7:14)

## smart (begrip)

- Pijn en verdriet, lichamelijk of geestelijk. Onderdeel van de vloek over de vrouw na de zondeval: 'in smart zult gij kinderen baren'. (Gen 3:16)
- Hartzeer; tegengestelde van blijdschap. (Spr 15:13)

## smarten (begrip)

- Pijn, lijden, droefheid. In de Psalmen zowel lichamelijke als geestelijke smart; smarten van de afgodendienaars vermenigvuldigen zich. (Ps 16:4)

## smeken (begrip)

- Dringend gebed waarin men God om ontferming en hulp vraagt, vaak in nood. (Ps 28:2)

## Smelten zonder zilver (uitdrukking)

- Beeld van het volk dat niet te louteren valt. (Jer 6:30)

## smelter (begrip)

- Vakman die metalen door verhitting zuivert van slakken en onreinheden. In profetische taal beeld voor Gods loutering van mensen of volken. (Mal 3:3)

## smeltkroes (begrip)

- Vuurvaste pot waarin zilver of goud werd gesmolten en gezuiverd. Beeld voor Gods reine, beproefde Woord — gelouterd zevenmaal in een smeltkroes van aarde. (Ps 12:7)
- Bijbelse beeldspraak voor de plaats van loutering. Verwijst naar de oven waarin metaal wordt gesmolten en gezuiverd. (Wijsh 3:6)

## smeltoven (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij God zijn volk als metalen in een oven samenbrengt om hen te louteren of te oordelen. Klassiek motief in de profetische literatuur. (Ez 22:20)

## smetteloos (begrip)

- Onbevlekt; passend voor wie tot Gods berg opklimt. (Ps 24:4)

## smid (begrip)

- Vakman die metaal smeedt en bewerkt. In de bijbel een belangrijk beroep voor de vervaardiging van werktuigen en wapens. (Sir 38:28)

## Smyrna (plaats)

- Havenstad in Klein-Azië; een van de zeven gemeenten in de Openbaring. (Openb 1:11)

## snaar (muziekinstrument)

- Onderdeel van de harp en luit. Ook beeld voor het zelfde fijne snaartje van de ziel waarop God speelt. (Ps 45:9)

## snappen (begrip)

- Veel praten, kletsen. (Spr 10:19)

## snel hoorder (begrip)

- Een ieder mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn — kern van praktische godsvrucht. (Jak 1:19)

## snijden (wet)

- Het maken van insnijdingen in het lichaam, vaak als rouwgebruik bij de doden. In Israël verboden als heidens gebruik. (Lev 19:28)

## snijden tegen Jeremia (uitdrukking)

- Voortdurende complotten van priester en wijzen tegen de profeet — bewijs dat Gods boodschap nooit goedkoop ontvangen wordt. (Jer 18:18)

## snoer (begrip)

- Koord of ketting, vaak van zilver of goud, gedragen als sieraad. In de oudheid teken van rijkdom of waardigheid. (Gen 38:18)

## snoeren (begrip)

- Meetkoord, perceelsgrens. = het stuk land dat mij is toegewezen ligt op een mooie plek — beeld voor. God heeft mij een goed levenslot gegeven. (Ps 16:6)

## snoodsten (begrip)

- Overtreffende trap van "snood": de allerergste, de slechtsten, de meest verdorven mensen. Vaak in psalmen voor de godlozen die de rechtvaardigen vervolgen. (Ps 12:9)

## So (persoon)

- Egyptische farao of legerleider in de tijd van Hosea van Israël. Mogelijk te identificeren met een van de Libische farao's uit de late achtste eeuw v. Chr. (2 Kon 17:4)

## Soa, plaats van (plaats)

- Plaats die in de naballingschapse geografische lijsten voorkomt. Verdere gegevens over de exacte locatie zijn onzeker. (Neh 11:30)

## Sobal (persoon)

- Zoon van Seïr de Horiet en stamvorst van een Horitische clan in Edom. (Gen 36:20)

## Sodom (plaats)

- Stad in het Jordaan-vlakteland aan de zuidpunt van de Dode Zee, berucht om haar zonden. Verwoest door God met vuur en zwavel uit de hemel. (Gen 10:19)
- Een van de steden in de vlakte van de Jordaan die door God werd verwoest om haar zonde. Bleef in de Schrift hét voorbeeld van goddeloosheid en goddelijk oordeel. (Joz 15:62)
- Stad in het Jordaandal, samen met Gomorra door God met vuur uit de hemel verwoest om de zonden van haar inwoners. Spreekwoordelijk beeld van goddelijk oordeel. (Matt 10:15)
- Stad in het Jordaandal die om haar zonden door God met vuur en zwavel werd verwoest. (2 Petr 2:6)
- Stad in de Jordaanvlakte die volgens Genesis 19 vanwege haar zonden door God met vuur en zwavel werd verwoest. Spreekwoordelijk voor goddeloosheid en oordeel. (4 Ezra 2:8)
- Stad in de Jordaanvlakte die volgens Genesis door God met vuur en zwavel werd verwoest om haar zonden. Symbool van algehele goddelijke verwoesting. (Jon 3:4)

## Sodom en Gomorra (plaats)

- Sodom en Gomorra en de omliggende steden, die op gelijke wijze als deze ontuchtigheid bedreven hebben, zijn voorgesteld tot een voorbeeld, het oordeel des eeuwigen vuurs ondergaande. (Jud 1:7)
- Twee steden in de Jordaanvlakte die volgens Genesis door God met vuur en zwavel werden verwoest om hun zonden. Symbool van algehele goddelijke verwoesting. (Am 4:11)

## Sodom-zwaard (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij Gods oordeelszwaard wordt voorgesteld als geslepen voor uitvoering van het oordeel. Onderdeel van de oorlogspoëzie. (Ez 21:14)

## Sodoma (plaats)

- Naast Gomorra — voorbeeld van Gods oordeel over ontucht en gehoereerd zijn. (Jud 1:7)

## Sodomierij (begrip)

- Heidense religieuze praktijk waarbij cultische mannelijke prostitutie werd uitgeoefend bij hoogten en heiligdommen. In de wet van Mozes streng verboden en door de godvrezende koningen van Juda uitgeroeid. (2 Kron 17:6)

## Sodomieten (begrip)

- Inwoners van Sodom, een van de steden in de Jordaanvlakte die volgens Genesis 19 vanwege hun zonden door God met vuur en zwavel werden vernietigd. (3 Makk 2:5)
- Aanduiding voor cultische mannelijke prostituees verbonden aan heidense heiligdommen. In de wet van Mozes streng verboden en door verschillende koningen van Juda uit het land verwijderd. (2 Kron 17:6)

## Sodomieten verwijderd (begrip)

- Aanduiding voor de verwijdering van cultische mannelijke prostituees uit het land Juda. Maakte deel uit van het reformatieprogramma van verschillende godvrezende koningen. (2 Kron 14:3)

## Sodomieten weggedaan (begrip)

- Aanduiding voor de godsdienstige hervorming waarbij cultische mannelijke prostituees uit het land werden verwijderd. Maakte deel uit van het reformatieprogramma van verschillende godvrezende koningen van Juda. (2 Kron 15:8)

## soevereiniteit (begrip)

- Gods oppermachtige heerschappij over alles. Hij regeert vrij over schepping, geschiedenis en het lot van mensen, zonder rekenschap verschuldigd te zijn. (Gen 18:14)
- Hoogste, onafhankelijke macht. In de bijbel toegekend aan God als alleenheerser over hemel en aarde. (Wijsh 11:20)

## soldij (begrip)

- Loon of bezoldiging van soldaten. In de hellenistische legers vaak hoofdvorm waarin troepen werden geworven en behouden. (1 Makk 10:36)

## Solomon (persoon)

- Tweede zoon van David en Bath-seba, derde koning van Israël en bouwer van de tempel te Jeruzalem. Bekend om zijn wijsheid en de bloei van Israël onder zijn lange regering. (2Sam 12:24)

## Sopater (persoon)

- Een van de reisgenoten van Paulus uit Berea op zijn laatste reis naar Jeruzalem. (Hand 20:4)

## Sopatros (persoon)

- Variant van Sopater — medereiziger van Paulus. (Hand 20:4)

## sophia (begrip)

- Grieks woord voor wijsheid. In de hellenistisch-joodse literatuur ook gebruikt als personificatie van Gods scheppende inzicht en als gestalte naast God. (Wijsh 7:22)

## Sorek (plaats)

- Dal aan de grens tussen Juda en Filistea, bekend om zijn wijngaarden. Woongebied van Delila, met wie Simson een verhouding had die hem zijn ondergang bracht. (Ri 16:4)

## Sosipater (persoon)

- Bloedverwant van Paulus die hem groeten doet aan Rome. Bekend uit de slotgroet. (Rom 16:21)

## Sostenes (persoon)

- Christen-broeder en medewerker van Paulus. Mogelijk de eerder genoemde overste van de synagoge te Korinthe. (1 Kor 1:1)

## Sosthenes (persoon)

- Overste van de synagoge te Korinthe. (Hand 18:17)

## spaden tegen Nineve (begrip)

- Beleg van een stad met militaire werken zoals stormrammen, schansen, paarden en strijdwagens. In de profetische taal beeld van een onontkoombare belegering. (Na 2:1)

## Spanje (plaats)

- Westelijk gebied van het Romeinse Rijk dat Paulus voornemens was te bezoeken. Mogelijk later daadwerkelijk bereikt. (Rom 15:24)
- Schiereiland in zuidwest-Europa, in de tweede eeuw v.Chr. door de Romeinen veroverd in de Punische oorlogen. (1 Makk 8:3)

## Sparta (plaats)

- Griekse stadstaat in de Peloponnesos, in de oudheid bekend om haar militaristische cultuur en aristocratische samenleving. (1 Makk 14:16)

## Spartanen (begrip)

- Inwoners van Sparta in de Peloponnesus, in het klassieke Griekenland bekend om hun militaire leefwijze. In hellenistische tijd politiek onbetekenend. (1 Makk 12:2)

## Spartiaten (volk)

- Burgers van Sparta, een belangrijke stadstaat in het zuiden van Griekenland (Peloponnesos). Bekend om hun militaire discipline en eenvoudige leefwijze. Volgens 1 Mak 12:5-23 stuurden de Spartanen al ten tijde van koning Areus (3e eeuw v.Chr.) een brief naar Jeruzalem, waarin zij de Joden 'broeders' noemden — vermoedelijk legendarisch. (1 Mak 12:2)

## specerijen (overig)

- Welriekende kruiden en harsen voor parfum, reukwerk en geneeskunde. Kostbare handelswaar in de karavanen tussen Arabië en Egypte. (Gen 37:25)
- Welriekende stoffen voor zalfolie en reukwerk: stakte, oniche, galban, wierook, mirre, kaneel, kalmus en cassia. Volgens vast recept bereid. (Ex 30:23)
- Welriekende plantaardige stoffen, gebruikt voor zalfolie, parfum en het balsemen van doden. In de oudheid kostbare handelswaar. (Mark 16:1)
- De vrouwen bereidden specerijen om Jezus' lichaam te zalven en gingen naar het graf op de eerste dag. (Luk 23:56)
- Geurige stoffen zoals mirre en aloë die werden gebruikt bij het begraven van een lichaam, om de ontbinding tegen te gaan. (Joh 19:40)
- Aromatische kruiden en harsen die in het oude Oosten als kostbare luxegoederen werden verhandeld. Werden gebruikt bij de eredienst, in de geneeskunde en als parfum. (2 Kron 9:9)

## speeksel (voorwerp)

- Vocht uit de mond, in de oudheid soms gebruikt bij geneeshandelingen omdat het werd toegeschreven werd geneeskrachtige werking. (Mark 7:33)

## speer (overig)

- Een lang wapen met een scherpe punt. Een soldaat doorstak Jezus' zijde met een speer, waaruit bloed en water kwam. (Joh 19:34)

## spel (begrip)

- Wedstrijd of strijdspel; beeld van de geestelijke loopbaan die om de onverwelkelijke kroon gestreden wordt. Vereist tucht en uithouding. (1 Kor 4:9)

## spelder (begrip)

- Onduidelijke of verouderde term, niet voorkomend in de gangbare Bijbel. (Num 1:1)

## spelonk (begrip)

- Natuurlijke grot in een rotswand. In de oudheid algemeen gebruikt als woonruimte, schuilplaats en vooral familiegraf. (Gen 23:9)
- Een grot of hol in de rots. Het graf van Lazarus was een spelonk met een steen ervoor. (Joh 11:38)
- Geloofshelden hebben rondgewandeld in schaapsvellen en geitenvellen, in spelonken en holen der aarde, omdat de wereld hen niet waardig was. (Hebr 11:38)

## spelonk op Horeb (begrip)

- Grot in de berg Horeb of Sinaï, plaats van schuiling en openbaring. In de Schrift verbonden met de godsverschijning aan Mozes en aan Elia. (1 Kon 19:9)

## spelonken (begrip)

- Holen of grotten in de rotsen, in de Bijbel vaak gebruikt als schuilplaats voor vluchtelingen of overlevenden. Symbool van vernedering en angst. (Mi 7:17)

## spelonken op Karmel (plaats)

- Aanduiding voor de talrijke grotten in de bergrug van de Karmel langs de Middellandse-Zeekust. Dienden vanouds als woonplaats van kluizenaars en profeten. (2 Kon 4:25)

## spenen (gezwellen) (begrip)

- Pijnlijke zwellingen of bulten waarmee de Filistijnen volgens de Schrift door God werden geslagen. Vermoedelijk te identificeren met aambeien of pestbuilen. (1Sam 5:9)

## spiegel (begrip)

- Vlak om in te schouwen; in oude tijd onvolmaakt en wazig. Beeld van het tegenwoordige onvolkomen kennen tegenover het toekomstige aanschouwen. (1 Kor 13:12)
- Bijbelse beeldspraak voor heldere weerschijn van iemands wezen of werk. In de oudheid van gepolijst metaal gemaakt. (Wijsh 7:26)

## spiegelen (begrip)

- Het terugkaatsen van een beeld in een glanzend oppervlak. In de oudheid waren spiegels van gepolijst koper of brons. (Ex 38:8)

## spies (voorwerp)

- Lange werpspeer met ijzeren punt, gebruikt als wapen in oorlog en jacht. (Num 25:7)
- Werpwapen met een lange schacht en een puntige metalen kop, voor zowel werpen als steken te gebruiken. Behoorde tot de standaardbewapening van een krijger in het oude Israël. (1Sam 18:11)
- Speer; wapen van strijd. — gebed om Gods militaire bijstand. (Ps 35:3)

## spies en waterkruik (voorwerp)

- Persoonlijke voorwerpen van een krijger op veldtocht: zijn wapen aan zijn hoofdeinde en zijn drinkkruik daarnaast. Het wegnemen ervan zonder de eigenaar te wekken gold als bewijs van overmacht. (1Sam 26:11)

## spies, zwaard en boog (begrip)

- Standaardbewapening van een krijger in het oude Israël: werpwapen, slagwapen en verdragingswapen. Vormden samen de drie hoofdcategorieën van het oude oosterse arsenaal. (Neh 4:13)

## spijken (begrip)

- Metalen pinnen voor het bevestigen of doorboren van materialen. In de Bijbel ook gebruikt bij het vasthechten van constructies of bij executies. (Zach 12:10)

## spijs (begrip)

- Voedsel; in geestelijke zin van de vaste leer voor de volwassen gelovige. Tegenovergesteld aan de melk voor onmondigen. (Rom 14:17)

## spijsoffer (cultisch)

- Onbloedig offer van fijn meel met olie en wierook, soms gebakken of geroosterd. Een deel werd op het altaar verbrand, de rest was voor de priesters. (Lev 2:1)
- Onbloedig offer van fijn meel, olie en wierook, vaak samen met het brandoffer gebracht. Symbool van de vruchten van menselijke arbeid die aan God worden toegewijd. (Ri 13:19)
- Meeloffer van fijn meel en olie. (Ps 20:4)
- Onbloedig offer van meel en olie in het oude verbond; type van Christus' menselijke heiligheid in volkomen toewijding. (Hebr 9:9)
- Offer van meel, olie of brood dat samen met of in plaats van een dieroffer werd gebracht. Een van de vaste offervormen in de tempeldienst. (Geb. Az. 1:38)
- Offer van meel, olie en wierook dat dagelijks bij het brandoffer in de tempel werd gebracht. Onderdeel van de vaste eredienst. (Joël 1:9)

## spijszak (begrip)

- Reine zak waarin een joodse reiziger zijn koosjere voedsel meedroeg om in onreine omgeving niet verontreinigd te raken. (Jdt 13:11)

## spijze (begrip)

- Verouderd voor voedsel of eten. In de Bijbel zowel letterlijk gebruikt als geestelijk voor wat de ziel voedt. (Gen 1:29)
- Voedsel, eten. Jezus zei. (Joh 4:34)

## spijzigen (begrip)

- Voorzien van voedsel. (Ps 147:9)

## spinnekop (begrip)

- Spin (of hagedis); woont in koningspaleizen. (Spr 30:28)

## spinnenweb der hoop (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de hoop van de huichelaar die zo broos is als een spinnenweb. Beeld van schijnzekerheid die bij geringe druk ineenstort. (Job 8:14)

## spinrokken (begrip)

- Stok waaromheen vrouwen wol of vlas wikkelden om te spinnen. Symbool van het huiselijke vrouwenwerk in de oudheid. (Ri 5:28)

## splinter (begrip)

- Klein stukje hout, in de bergrede beeld van een geringe fout bij een ander tegenover de eigen, veel grotere tekortkoming (de balk). (Matt 7:3)

## spotrede (begrip)

- Spreuk of lied waarin een vijand of overtreder belachelijk wordt gemaakt. Profetisch genre om hoogmoed te ontmaskeren. (Hab 2:6)

## spotten (begrip)

- Wijsheid en God belachelijk maken; door God zelf bespot. (Spr 3:34)

## spotter (begrip)

- Wie God of Zijn Woord verachtelijk hoont. (Ps 1:1)
- Hebr. לֵץ (lets) — verharde dwaas die wijsheid en vermaning bespot; voor hem is geen onderwijs meer mogelijk. (Spr 1:22)

## spotters (begrip)

- In de laatste dagen zullen spotters komen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen en zeggen: waar is de belofte Zijner toekomst? (2 Petr 3:3)

## spotters in laatste tijd (begrip)

- In de laatste tijd zullen er spotters zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden zullen wandelen. (Jud 1:18)

## spreken Gods woorden (begrip)

- Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient, die diene als uit kracht die God verleent. (1 Petr 4:11)

## spreuk (begrip)

- Hebr. מָשָׁל (mashal) — vergelijkende, kernachtige levenswijze uitspraak. Het gehele boek heet naar deze vorm. (Spr 1:1)

## spreuk over Israëls land (uitdrukking)

- Profetische ontmaskering van een cynisch spreekwoord dat zegt dat Gods woorden uitblijven. Onderdeel van de profetische bekeringsoproep. (Ez 12:23)

## spreuken (begrip)

- Korte, kernachtige uitspraken die levenswijsheid en zedelijke onderwijzing vatten. In Israël een belangrijk literair en didactisch genre, vooral verbonden aan de naam van Salomo. (1 Kon 4:32)

## sprinkhaan (begrip)

- Kaalvretend insect dat in zwermen verschijnt. De achtste van de tien Egyptische plagen, met een ontelbare zwerm die al het groen verteerde. (Ex 10:13)
- Insect; trekt op zonder koning, doch in orde. (Spr 30:27)

## sprinkhanen (voorwerp)

- Springende insecten, in de Tora als rein voedsel toegestaan en in woestijngebieden gegeten. Konden bij een plaag hele oogsten vernietigen. (Matt 3:4)
- Achtste van de tien plagen van Egypte (Exodus 10), waarbij God grote zwermen sprinkhanen over het land bracht die alle gewassen vernielden. (Wijsh 16:9)
- Insecten die in zwermen kunnen optreden en hele velden kaalvreten. Bijbels beeld voor onafzienbare legers of voor verdwijnende menigten. (Na 3:17)

## sprinkhanen uit de afgrond (begrip)

- De vijfde bazuinplaag: sprinkhanen uit de rook van de put des afgronds, met macht als die der schorpioenen. (Op 9:3)

## sprinkhanen-visioen (begrip)

- Profetisch gezicht waarin God sprinkhanen formeert om de oogst te verteren. Onderdeel van de visioenenreeks waarin Gods oordeel wordt aangekondigd. (Am 7:1)

## sprinkhanenplaag (begrip)

- Massale invasie van sprinkhaanzwermen die in korte tijd alle gewassen kunnen kaalvreten. In de Bijbel een van de plagen waarmee God volken kan tuchtigen. (Joël 1:4)

## Spruit (begrip)

- Profetische naam voor de beloofde Messias als nakomeling van David die uit het koningsgeslacht zal opkomen. Beeld van een nieuwe loot uit een afgehouwen tronk. (Mi 5:2)

## Spruit van David (uitdrukking)

- Hebr. צֶמַח (Tsemach). Messiaanse profetie. (Jer 23:5)

## spruiten (begrip)

- Verouderd voor 'opgroeien' of 'voortbrengen'. Ook beeldspraak voor het opkomen van een nageslacht of een tak van een boom. (Gen 2:9)

## sta op (begrip)

- Roep tot God om in te grijpen. (Ps 3:8)

## Sta op uw voeten (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking waarmee iemand wordt opgeroepen om uit een liggende of geknielde houding op te staan. Vaak inleiding op een goddelijke opdracht. (Ez 2:1)

## Stachys (persoon)

- Geliefde van Paulus te Rome. Bekend uit de slotgroet. (Rom 16:9)

## stad Davids (plaats)

- Naam voor het oudste deel van Jeruzalem, gelegen op de zuidelijke uitloper van de berg Sion. Werd door David op de Jebusieten veroverd en tot zijn koninklijke residentie gemaakt. (2Sam 5:7)
- Naam voor het oudste deel van Jeruzalem, gelegen op de zuidelijke uitloper van de berg Sion. Bevatte het familiegraf van de Davidische koningen. (2 Kon 14:20)

## stad Gods (begrip)

- De stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is; doel van Abrahams pelgrimsreis. (Hebr 11:10)

## stad op de berg (begrip)

- Beeld in de bergrede voor de zichtbare, niet te verbergen aanwezigheid van Jezus' leerlingen in de wereld. (Matt 5:14)

## stad tot stad (begrip)

- Aanduiding voor het aanstellen van ouderlingen in elke afzonderlijke plaatselijke gemeente binnen een groter gebied. (Tit 1:5)

## stadhouder (begrip)

- Bestuurder over een provincie of streek namens de koning. In de hellenistische rijken een hoge militair-bestuurlijke functie. (1 Makk 10:69)

## stadhouders (begrip)

- Onderwerping aan stadhouders, die door God gezonden worden tot straf der boosdoeners en tot prijs dergenen die goed doen. (1 Petr 2:14)

## stadiën (overig)

- Een Griekse lengtemaat van ongeveer 185 meter. Bethanië lag vijftien stadiën (bijna 3 km) van Jeruzalem. (Joh 6:19)

## stadsoppervlak gelijk (uitdrukking)

- Profetische beschrijving van het centrale heilige vierkant in de toekomstige landverdeling. Onderdeel van het tempelvisioen. (Ez 48:20)

## stadspoort (begrip)

- Versterkte ingang van een ommuurde stad, met overdekte gangen voor recht- en marktbedrijf. Plek waar de oudsten vergaderden en publieke handelingen plaatsvonden. (Gen 23:10)
- Versterkte hoofdtoegang van een ommuurde stad, de zwakste plek in de verdediging. Diende tevens als ontmoetings-, markt- en rechtsplaats voor de inwoners. (Ri 16:3)

## staf (begrip)

- Wandelstok of herdersstaf, in de Bijbel ook teken van gezag van een leider of profeet. Soms drager van een persoonlijk merkteken. (Gen 38:18)
- Wandelstok of herdersstaf, in de Bijbel ook teken van gezag van een leider of profeet. Mozes' staf werd door God gebruikt voor wonderen en oordelen. (Ex 4:2)
- De wandelstaf die Jezus zijn zendelingen niet liet meenemen. (Luk 9:3)
- Aärons staf die gebloeid had, bewaard in de ark als teken van het door God gekozen priesterschap. (Hebr 9:4)

## stam (begrip)

- Een groep met een gemeenschappelijke voorvader, vaak ondergroep van een volk. In Israël de twaalf stammen die uit Jakobs zonen voortkwamen. (Gen 49:28)

## stam van Israël (begrip)

- Een van de twaalf stammen die uit de zonen van Jakob voortkwamen en samen het volk Israël vormden. Elk had een eigen erfdeel in het beloofde land. (Gen 49:28)

## stater (voorwerp)

- Griekse zilvermunt ter waarde van vier drachmen, gelijk aan een halve sikkel maal twee. Voldoende om twee personen aan de tempelbelasting te laten voldoen. (Matt 17:27)

## statig (begrip)

- Waardig en eerbiedwaardig in voorkomen en gedrag; in de pastorale brieven een deugd die aan oudere mannen is voorgehouden. (Tit 2:2)

## steekpenning (begrip)

- Felix hoopte dat Paulus hem geld zou geven; daarom liet hij hem in de boeien. (Hand 24:26)

## steen des aanstoots (begrip)

- Christus is voor de ongelovigen geworden een steen des aanstoots en een rots der ergernis — door de prediking ergeren zij zich. (1 Petr 2:8)

## steen door de bouwlieden verworpen (begrip)

- Beeld uit de psalmen voor de hoeksteen die door bouwers afgewezen werd, in het Nieuwe Testament toegepast op Christus die door zijn volk verworpen is. (Hand 4:11)

## steen weggewenteld (begrip)

- Op de paasmorgen vond Maria Magdalena de steen van het graf weggenomen. (Joh 20:1)

## steenachtige plaats (begrip)

- Grondsoort waarbij een dunne laag aarde over een rotsbodem ligt. Hierop ontkiemt zaad snel maar kan niet diep wortelen. (Mark 4:5)

## steengeit (begrip)

- Wilde berggeit die in de rotsen van het bergland leeft. In de Bijbel voorbeeld van een dier dat door God wordt verzorgd zonder dat de mens er weet van heeft. (Job 39:1)

## Steenrots (begrip)

- Een uitvergroting van het beeld 'rots': massieve, onbeweeglijke rots. Een geliefkoosde Godsnaam in de Psalmen. (Ps 18:3)

## Stefanas (persoon)

- Eersteling van Achaje voor Christus en huisvader van een gezin dat zich aan de heiligen wijdde. Door Paulus zelf gedoopt. (1 Kor 16:15)

## Stefanus (persoon)

- Eerste martelaar van de gemeente; gestenigd na zijn rede. (Hand 6:5)

## Stel toch borg voor mij bij Uzelven (uitdrukking)

- Bijbelse smeekbede waarin God zelf wordt gevraagd als borg of zekerheidsteller op te treden. Onderdeel van het verlangen naar middelaarschap. (Job 17:3)

## stem (begrip)

- De hoorbare uiting van een mens of God. In de Bijbel ook beeld van Gods openbaring en oproep tot de mens. (Gen 3:8)
- Het hoorbare spreken, in de Bijbel vaak van God uit de hemel als wijze van openbaring. (Matt 3:17)
- Wijsheid verheft haar stem. (Spr 8:4)

## stem als een bazuin (begrip)

- De stem achter Johannes als van een bazuin, die hem gebood te schrijven aan de zeven gemeenten. (Op 1:10)

## stem des archangels (begrip)

- Bovenmenselijke roepstem die volgens de eschatologie de wederkomst van Christus en de opstanding der doden begeleidt. (1 Th 4:16)

## stem in mijn oor (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor het ontvangen van een goddelijke openbaring of mededeling. Komt vaak voor in profetische teksten waar God zich rechtstreeks tot een mens richt. (2Sam 1:1)

## stem JAHWEH (theologisch)

- Hoorbare openbaring van God, vooral op de Sinaï waar Israël Gods stem uit het vuur hoorde. Wekt eerbied en vrees in de hoorders. (Ex 20:19)

## stem op de berg (begrip)

- Een zodanige stem werd van Hem gebracht door de hoogwaardige heerlijkheid: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb. (2 Petr 1:17)

## stem uit de hemel (begrip)

- Bijbels verschijnsel waarbij God zich hoorbaar van boven openbaart. In het Nieuwe Testament onder andere bij de doop en de verheerlijking van Jezus. (Mark 1:11)
- Bij doop en transfiguratie. (Luk 3:22)

## stenen hart en vlesen hart (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij Gods werk een verhard hart vervangt door een ontvankelijk en gevoelig hart. Onderdeel van de leer over de innerlijke vernieuwing. (Ez 36:26)

## stenen huizen (begrip)

- Huizen gebouwd van gehouwen steen, in Israël teken van rijkdom en duurzaamheid. Door de profeten vaak verbonden met onrechtmatig verworven welvaart. (Am 5:11)

## stenen op te richten (gebruik)

- Het oprichten van een gedenksteen of -hoop ter herinnering aan een belangrijke gebeurtenis of als getuige van een verbond. Een algemeen Oosters gebruik dat in Israël theologisch werd geladen. (Joz 4:9)
- Het oprichten van een gedenksteen of -hoop ter herinnering aan een belangrijke gebeurtenis of als teken van overwinning. Een algemeen Oosters gebruik dat in Israël theologisch werd geladen. (1Sam 15:12)

## stenen tafelen (voorwerp)

- De twee stenen platen waarop God de Tien Geboden eigenhandig schreef. Mozes verbrak de eerste twee bij het zien van het gouden kalf. (Ex 24:12)
- De twee tafelen waarop God de Tien Geboden eigenhandig schreef. Bewaard in de ark van het verbond. (Num 17:7)

## stenen voor Jozua (begrip)

- Profetisch symbool van een edelsteen met een gegraveerde inscriptie, verbonden met heiliging en verkiezing. Onderdeel van de gezichten over Jozua de hogepriester. (Zach 3:9)

## stenigen (begrip)

- Iemand doden door met stenen te gooien. Dit was de Joodse doodstraf voor godslastering. (Joh 8:59)

## steniging van Stefanus (begrip)

- De eerste martelaar werd buiten de stad gestenigd; Saulus bewaakte de klederen der stenigers. (Hand 7:59)

## ster uit Jakob (theologisch)

- Beeldspraak uit Bileams profetie voor een toekomstige heerser uit Israël. Door velen messiaans uitgelegd als verwijzing naar de Messias. (Num 24:17)

## sterke engel (persoon)

- De sterke engel uit de hemel met een open boekje in zijn hand, met zijn voet op de zee en op de aarde. (Op 10:1)

## sterkt uw harten (begrip)

- Weest gij ook lijdzaam, versterkt uw harten, want de toekomst des Heeren genaakt. (Jak 5:8)

## sterkte (begrip)

- Gods kracht waarin Zijn volk schuilt. (Ps 18:2)
- Een van de vier kardinale deugden in de Griekse filosofie: moed en standvastigheid in het volharden bij het goede. (Wijsh 8:7)

## sterkten (begrip)

- Versterkte bolwerken; in geestelijke zin de redeneringen die zich tegen de kennis Gods verheffen. Door geestelijke wapenen geslecht. (2 Kor 10:4)

## sterren (natuur)

- Hemellichten die bij nacht stralen. Door God op de vierde dag geschapen; ook beeld voor Gods talrijke beloften aan Abraham. (Gen 1:16)

## sterren des hemels (begrip)

- In de eindtijdrede zullen er tekenen zijn aan zon, maan en sterren. (Luk 21:25)

## sterven is gewin (begrip)

- De overtuiging dat de dood voor de gelovige geen verlies is, maar voert tot het volle leven met Christus. (Fil 1:21)

## Steun (begrip)

- Het waarop iemand leunt; toeverlaat. JAHWEH is voor de bedrukte een vaste steun in de dag van zijn ongeluk. (Ps 18:19)

## Sthar-Boznai (persoon)

- Persisch ambtenaar in de provincie 'aan de overzijde van de rivier' ten tijde van Darius I. Voerde samen met Tatnai een onderzoek uit naar de wettigheid van de tempelbouw te Jeruzalem. (Ezra 5:3)

## stichten elkaar (begrip)

- Wederzijdse opbouw van gelovigen door bemoediging, vermaning en onderwijs. (1 Th 5:11)

## stichting (begrip)

- Geestelijke opbouw van de gemeente. Maatstaf voor het gebruik van de gaven. (Rom 14:19)

## stichting Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (1 Tim 1:4)

## stier (begrip)

- Volwassen mannelijk rund. In de Tora aansprakelijk voor schade aan mens en dier; ook het kostbaarste offerdier voor zondoffers. (Ex 21:28)
- Volwassen mannelijk rund. Het kostbaarste offerdier, voorgeschreven voor zondoffers van de hogepriester en van de hele gemeente. (Lev 4:3)
- Krachtig rund; beeld voor sterke vijanden. (Ps 22:13)
- Krachtdier dat in de Bijbel staat voor kracht en koninklijke macht. Beelden ervan dienden in afgodendienst soms als voetstuk voor de godheid. (Am 4:4)
- Krachtdier dat in de Bijbel staat voor kracht en koninklijke macht. In de oude wereld ook offer- en vruchtbaarheidsdier. (Na 2:3)

## stier in de stal (begrip)

- Vetgemest rund, gehouden in een afgesloten stal in plaats van op de weide. Symbool van rijkdom en welvaart in een huishouden. (1 Kon 4:23)

## stieren en bokken (begrip)

- Het bloed van stieren en bokken kan de zonden niet wegnemen; daarom moest Christus komen om eens voor altijd te offeren. (Hebr 10:4)

## stierwagen (begrip)

- Strijdwagen getrokken door paarden of stieren, in het oude Nabije Oosten een belangrijk element van het leger. Symbool van militair vertrouwen. (Mi 5:10)

## stil zijn (begrip)

- Zwijgend wachten op God. (Ps 37:7)

## stille arbeid (begrip)

- Eerlijke en bezadigde arbeid waarmee men in het eigen levensonderhoud voorziet, zonder anderen tot last te zijn. (2 Th 3:12)

## stille leven (begrip)

- Bezadigd en eerbaar leven waarin men zich bezighoudt met het eigen werk en met eigen handen in zijn levensonderhoud voorziet. (1 Th 4:11)

## stillen oostenwind (begrip)

- Drukkende, hete wind uit het oosten zonder opfrissing. Onderdeel van de chamsin-windsoorten die in Israël uitputting kunnen veroorzaken. (Jon 4:8)

## stilte (begrip)

- De stilte des doods, of de stille hoop op God. (Ps 62:2)

## stiltegebed (begrip)

- Voorbede van de gemeente voor de voortgang en de eer van het Woord van de Heer. (2 Th 3:1)

## stilzwijgen (begrip)

- In joodse apocalyptiek de zevendaagse periode van wereldstilte die voorafgaat aan de opstanding der doden en het laatste oordeel. (4 Ezra 7:30)

## stof (begrip)

- Fijne losse aarddeeltjes. Materie waaruit God de mens formeerde en waartoe hij na zijn dood weerkeert. (Gen 2:7)
- Teken van vergankelijkheid.; ook teken van vernedering. (Ps 103:14)
- Aardse materie; van de eerste mens uit het stof der aarde. Tegenovergesteld aan de hemelse stof van de tweede Adam. (1 Kor 15:48)

## stof afschudden (gebruik)

- Symbolische handeling waarmee men aangaf elke verbondenheid met een plaats of haar bewoners af te leggen. In het jodendom gebruikt bij terugkeer uit heidens gebied. (Mark 6:11)

## stof en as (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de menselijke nietigheid en vergankelijkheid. Onderdeel van het bijbelse mensbeeld dat de mens uit aarde herinnert. (Job 4:19)

## stof op het hoofd strooien (uitdrukking)

- Klassiek rouwgebaar in het oude Nabije Oosten, teken van diepe verootmoediging. Vaak gepaard met scheuren van klederen en aandoen van zakken. (Job 2:12)

## stokbewaarder (persoon)

- De gevangenisbewaarder te Filippi die zichzelf wilde doden, maar zalig werd door Paulus' woord. (Hand 16:27)

## stokslagen (begrip)

- Zware lijfstraf met stokken; door Paulus meermalen ondergaan. Behoort tot het apostolisch lijden. (2 Kor 11:25)

## stomme ezel (begrip)

- De stomme ezel sprak met mensenstem en heeft de dwaasheid van de profeet verhinderd — verwijzing naar Bileams ezelin. (2 Petr 2:16)

## stoppel (begrip)

- Restanten van graan die na de oogst op het veld bleven staan en gemakkelijk in brand gestoken werden. Beeld van vergankelijkheid en weerloosheid voor het vuur. (Ob 1:18)

## storm (begrip)

- Plotselinge, hevige wind die op het meer van Galilea geregeld voorkwam door de ligging in een diep dal omringd door bergen. (Matt 8:24)
- Hevige wind met opzwepende zee, in de Bijbel vaak teken van Gods machtig ingrijpen of oordeel. God wordt geschilderd als heer over wind en zee. (Jon 1:4)

## stormwind (begrip)

- Gods machtige instrument. (Ps 148:8)
- Hevige wind die in de Bijbel vaak Gods komst en oordeel begeleidt. Onderdeel van de profetische theofanie. (Na 1:3)

## stormwind, plasregen, grote hagelstenen (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor Gods machtig oordelend ingrijpen in de natuur. Onderdeel van de profetische theofanietaal. (Ez 13:13)

## stortregen (begrip)

- Hevige neerslag, beeld van overvloedige zegen of nood. 'Een milde regen'. (Ps 68:10)

## straat (begrip)

- Openbare weg; Wijsheid roept op de straten. (Spr 1:20)

## straf (begrip)

- Vergeldend leed dat een rechter of God oplegt voor een overtreding. In de Bijbel onmisbaar onderdeel van Gods rechtvaardige bestuur. (Gen 4:13)

## striemen genezen (begrip)

- Door Wiens striemen u genezen zijt — verwijzing over de plaatsbekledende straf van de Knecht des Heeren. (1 Petr 2:24)

## strijd (begrip)

- Conflict of gewapende uitvechting van een geschil. In de Bijbel zowel letterlijk (oorlog) als geestelijk (worsteling met God of zonde) gebruikt. (Gen 14:2)
- Voortdurende worsteling met vijanden. (Ps 35:1)
- Geestelijke kampstrijd tegen zonde, vlees en duivel. Met geestelijke wapenen gestreden. (1 Kor 9:26)

## strijd in zijn boezem (uitdrukking)

- Beeld. God Zelf treedt op tegen zijn volk. (Jer 21:5)

## strijd voor de gemeente (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de gemeente van Christus. (Kol 2:1)

## strijders (begrip)

- Krijgsgenoten in de slag. (Ps 18:35)

## strijdrumoer (begrip)

- Lawaai van de slag. (Ps 46:10)

## strik (begrip)

- Vangtuig om vogels te vangen; beeld voor list van vijanden. (Ps 124:7)
- Valstrik of klem; beeld van de gevaren die de gelovige bedreigen, in het bijzonder van de duivel. Waarschuwing tot waakzaamheid. (Rom 11:9)
- Geheime val; versus 'wie verstand heeft'. (Spr 29:6)

## strikje voor de neus (uitdrukking)

- Bijbelse retorische vraag over de onmogelijkheid om Behemoth met menselijke middelen te vangen. Onderdeel van de godsrede in het boek Job. (Job 40:24)

## strikken voor de leeuw (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de jacht op machtige roofdieren als bewijs van Gods alleenheerschappij over de natuur. Onderdeel van de godsrede. (Job 38:39)

## stromen (begrip)

- Waterstromen door Gods beleid. (Ps 46:5)

## struik (natuur)

- Lage houtachtige plant met meerdere stammen vanaf de grond. Onderdeel van de plantenwereld die God op de derde dag voortbracht. (Gen 2:5)

## struikelen (begrip)

- Wij struikelen allen in vele dingen; indien iemand in een woord niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in toom te houden. (Jak 3:2)
- God is machtig om u. (Jud 1:24)
- Vallen op de weg; beeld van zedelijke val. De wijze struikelt niet. (Spr 4:12)

## struis (begrip)

- De struisvogel, een grote loopvogel uit Afrika en Arabië. In de Bijbel bekend om haar onbezorgde nestgewoonten en grote snelheid. (Job 39:16)

## struisvogel-eieren (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de schijnbaar zorgeloze nestgewoonte van de struisvogel die haar eieren in het zand legt. Onderdeel van de godsrede. (Job 39:14)

## Sua (persoon)

- Kanaäniet wiens dochter Juda tot vrouw nam. Moeder van Juda's zonen Er, Onan en Sela. (Gen 38:2)

## Suah (persoon)

- Vierde zoon van Abraham bij Ketura. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:2)

## Suchiet (begrip)

- Aanduiding voor wie afstamt van het geslacht Suah, een zoon van Abraham bij Ketura. Komt in de Bijbel met name als bijnaam van Bildad voor. (Job 2:11)

## Sud (plaats)

- Rivier in Babylonië, mogelijk een van de kanalen aan de Eufraat. Vermeld als plaats van samenkomst van de joodse ballingen. (Bar 1:4)

## Sudie's poort (plaats)

- Aanduiding voor een van de poorten van het naballingschapse Jeruzalem. De stadsmuur kende verschillende poorten met namen die verwezen naar hun functie of locatie. (Neh 3:3)

## Suf (plaats)

- De Schelfzee (Rietzee), die door God werd gespleten bij de uittocht. Genoemd in geschiedpsalmen als bewijs van Gods macht. (Ps 106:7)

## Sukkoth (plaats)

- Plaats ten oosten van de Jordaan waar Jakob na zijn ontmoeting met Esau een huis bouwde en hutten voor zijn vee. Naam betekent 'hutten' of 'loofhutten'. (Gen 33:17)
- Stad ten oosten van de Jordaan in het stamgebied van Gad, bekend uit de geschiedenis van Jakob die hier hutten bouwde. In de richterentijd gestraft door Gideon vanwege weigering van hulp. (Ri 8:5)

## Sunamietische (persoon)

- Welgestelde vrouw uit Sunem in Issaschar, bekend uit de geschiedenis van Elisa. Voorbeeld van vrome gastvrijheid en geloof in moeilijke omstandigheden. (2 Kon 4:8)

## Sunem (plaats)

- Plaats in het stamgebied van Issaschar in de Jizreëlvlakte, ten zuiden van de berg Tabor. Komt herhaaldelijk voor in de geschiedenis van Israël als woonplaats van bekende personen. (1 Kon 1:3)

## Suni (persoon)

- Zoon van Gad en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Gad. (Gen 46:16)

## Sur (plaats)

- Woestijngebied in het noordoosten van Egypte, op de weg van Kanaän naar Egypte. Plek waar de Engel des Heeren aan Hagar verscheen. (Gen 16:7)

## Susa (plaats)

- Oude stad in het zuidwesten van Iran, een van de hoofdresidenties van de Perzische koningen. Bekend uit de Schrift vooral als plaats van handeling van het boek Esther. (Ezra 4:9)
- Oude stad in het zuidwesten van Iran, een van de hoofdresidenties van de Perzische koningen. Hoofdplaats van handeling van het boek Esther. (Esth 1:2)

## Susan (plaats)

- Hoofdstad van het Perzische rijk (ook Susa of Sjoesjan), gelegen in het zuidwesten van het huidige Iran. Winterresidentie van de grootkoning. (EstAp 11:2)
- Oude stad in het zuidwesten van Iran, een van de hoofdresidenties van de Perzische koningen. Bekend uit de Schrift vooral als plaats van handeling van het boek Esther. (Neh 1:1)

## Susan-paleis (plaats)

- Versterkte koninklijke residentie binnen de stad Susa, een van de hoofdresidenties van het Perzische rijk. Plaats van handeling van het hele boek Esther. (Esth 1:5)

## Susanna (persoon)

- Een der vrouwen die Jezus uit haar goederen diende. (Luk 8:3)
- Joodse vrouw in het apocriefe verhaal Susanna (toevoeging aan Daniël). Door twee oudsten valselijk van overspel beschuldigd en door Daniëls wijsheid vrijgesproken. (Sus 1:1)

## symfonie (begrip)

- Het samenklinken van verschillende stemmen of klanken. In de wijsheidsliteratuur beeld voor de harmonie van Gods scheppingsorde. (Wijsh 19:18)

## synagoge (begrip)

- Joodse vergaderplaats voor gebed, schriftlezing en onderwijs, ontstaan in en na de ballingschap. Aanwezig in vrijwel iedere joodse stad of dorp. (Matt 4:23)
- Joodse vergaderplaats voor gebed en schriftlezing. Beginpunt van de prediking van de apostelen onder de Joden. (1 Kor 1:2)
- Joodse bidplaats en plaats van schriftlezing, ontstaan in de ballingschap of vroeg-hellenistische tijd. In de diaspora hét centrum van het joodse leven. (3 Makk 7:20)

## synagoge des satans (begrip)

- De Joden die zeggen dat zij Joden zijn maar het niet zijn — te Smyrna en Filadelfia. (Op 2:9)

## synkrisis (begrip)

- Hellenistische literaire vorm waarin twee zaken systematisch met elkaar worden vergeleken om hun overeenkomst of verschil te tonen. (Wijsh 11:5)

## Syracuse (plaats)

- Stad op Sicilië waar Paulus' schip drie dagen aanlegde op weg naar Rome. (Hand 28:12)

## Syria (plaats)

- Streek waarin Antiochië lag. (Hand 15:23)

## Syrië (plaats)

- Romeinse provincie ten noorden en noordoosten van Palestina, met Antiochië als hoofdstad. Bestuurde tijdelijk ook Judea. (Matt 4:24)
- Land aan de oostkust van de Middellandse Zee. In de hellenistische tijd kerngebied van het Seleucidische rijk met Antiochië als hoofdstad. (1 Makk 11:2)
- Land ten noorden van Palestina, in de Makkabeese tijd kerngebied van het Seleucidische rijk met hoofdstad Antiochië. (2 Makk 3:5)
- Land ten noorden van Palestina, in de hellenistische tijd kerngebied van het Seleucidische rijk met hoofdstad Antiochië. (3 Makk 3:10)
- Aanduiding voor het Aramese gebied ten noordoosten van Israël, met Damascus als belangrijkste stad. Gold gedurende de tijd van David als tegenstander en cijnsplichtige van Israël. (1 Kron 18:5)

## Syriër (volk)

- Bewoner van Aram (Syrië) in noordelijk Mesopotamië. Veelgebruikte aanduiding voor de Aramese stammen waarvan Jakobs familie afkomstig was. (Gen 25:20)

## Syriër verloren (begrip)

- Aanduiding voor Jakob in de belijdenis bij de eerstelingen: 'Een Syriër (Aramees) op het punt van vergaan was mijn vader'. Verwijst naar Jakobs zwerftocht in Aram. (Dt 26:5)

## Syrofenicische vrouw (persoon)

- Heidense vrouw uit het gebied van Tyrus en Sidon (Fenicië), van Syrische afkomst. Door Jezus genezing van haar dochter geschonken om haar geloof. (Mark 7:26)

## taal (begrip)

- Spraak of tongentaal; door de Heilige Geest geschonken om God groot te maken. In de gemeente alleen met uitlegging te gebruiken. (1 Kor 12:10)

## Tabbeel (persoon)

- Aramese persoon wiens zoon door Aram en Israël tot tegenkoning over Juda werd uitgeroepen. Het plan kwam echter niet tot uitvoering door het Assyrische ingrijpen. (2 Kon 16:5)

## tabernakel (cultisch)

- De draagbare tent der samenkomst die Israël tijdens de woestijntocht als heiligdom diende. Plaats waar God onder Zijn volk woonde en sprak. (Ex 25:9)
- De draagbare tent der samenkomst die Israël tijdens de woestijntocht als heiligdom diende. Stond centraal in het legerkamp omringd door de twaalf stammen. (Num 1:50)
- De draagbare tent der samenkomst die Israël tijdens de woestijntocht als heiligdom diende. Voorloper van de tempel; plaats waar God onder Zijn volk woonde. (Dt 16:2)
- De draagbare 'tent der samenkomst' die Israël in de woestijn bouwde naar Gods voorschrift. Plaats waar JAHWEH onder zijn volk woonde en de eredienst zich concentreerde tot de bouw van de tempel. (Joz 18:1)
- Verplaatsbare tent waarin God onder Israël woonde tijdens de woestijnreis en in de richterentijd. Voorloper van de tempel. (Ps 15:1)
- Tijdelijke tent; beeld van het aardse lichaam als voorlopige woning. Wordt afgelegd voor het hemelse huis. (2 Kor 5:1)
- De draagbare heiligdomtent waarin God onder Israël woonde tijdens de woestijnreis. Schaduw van het hemelse heiligdom waarin Christus is ingegaan. (Hebr 8:5)
- De draagbare tent (mishkan) die Mozes volgens Gods aanwijzing in de woestijn liet bouwen als plaats van de aanwezigheid en eredienst van God. (1 Makk 4:49)

## tabernakel afleggen (begrip)

- Ik acht het billijk, zolang ik in deze tabernakel ben, u door vermaning op te wekken; wetende dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal. (2 Petr 1:14)

## tabernakel Davids (cultisch)

- Tent die David op de berg Sion oprichtte als bewaarplaats voor de ark des verbonds. Tijdelijke woonplaats van de ark vóór de bouw van de tempel door Salomo. (2Sam 6:17)

## tabernakel Gods (begrip)

- Vervulling van de woon-belofte. (Op 21:3)

## tabernakel te Gibeon (begrip)

- De tent der samenkomst die door Mozes in de woestijn was vervaardigd, in de tijd van David op de hoogte te Gibeon opgesteld. Bevatte het brandofferaltaar en werd door Aäronitische priesters bediend. (1 Kron 16:39)

## tabernakel van rust (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor de tempel als de plaats waar God zijn naam doet wonen en zijn rust laat geschieden. (Jdt 9:9)

## tabernakel-gordijnen (voorwerp)

- De tien geweven gordijnen van fijn linnen met cherubs die de woning van de tabernakel vormden. Daarboven kwamen elf geitenharen kleden, een dekkleed van rode ramsvellen en een buitenste van dassenvellen. (Ex 26:1)

## tabernakelen (begrip)

- (geskènosen) — beeld van de tabernakel waarin Gods heerlijkheid was. (Joh 1:14)

## Tabitha (persoon)

- Naam van Dorcas, opgewekt door Petrus. (Hand 9:36)

## Tabitha sta op (begrip)

- Petrus' woord tot de overleden Tabitha in Joppe waarop zij de ogen opende. (Hand 9:40)

## Tabor (plaats)

- Markante alleenstaande berg in het noorden van Israël, op de grens van Issaschar, Zebulon en Naftali. Strategisch hoogtepunt vanwaar verschillende veldslagen werden gevoerd. (Ri 4:6)
- Berg in het noorden van Israël. (Ps 89:13)

## tachtig priesters (begrip)

- Aanduiding voor de groep priesters die zich onder leiding van de hogepriester Azaria tegen koning Uzzia verzetten. Voorbeeld van standvastig priesterlijk optreden tegen koninklijke aanmatiging. (2 Kron 26:17)

## Tadeüs (persoon)

- Een van de twaalf apostelen, ook Lebbeüs genoemd. Mogelijk dezelfde als Judas de zoon van Jakobus uit het Lukasevangelie. (Matt 10:3)

## Tadmor (plaats)

- Belangrijke oasestad in de Syrische woestijn, op de karavaanroute tussen Mesopotamië en de Middellandse Zee. Later bekend als Palmyra in de Romeinse tijd. (1 Kon 9:18)

## tafel (begrip)

- Eetmeubel, in de oudheid laag en omringd door rustbedden waarop men aanlag. Plaats van gemeenschap en in de evangeliën beeld van het messiaanse maal. (Matt 8:11)

## tafel der toonbroden (cultisch)

- Gouden tafel in het heilige van de tabernakel waarop de twaalf toonbroden werden gelegd, één voor elke stam van Israël. (Ex 25:23)

## tafel des aanschijns (cultisch)

- Andere naam voor de tafel der toonbroden, omdat de twaalf broden voor het aangezicht van God werden gelegd. (Ex 25:30)

## tafel des harten (begrip)

- Beeld voor het diepe geheugen. (Spr 3:3)

## tafel des HEEREN (begrip)

- Aanduiding voor het altaar of de toonbroodstafel in de tempel. Symbool voor de gemeenschap tussen God en zijn volk in de eredienst. (Mal 1:7)

## tafelen der wet (voorwerp)

- De twee stenen platen waarop God de Tien Geboden eigenhandig schreef. Bewaard in de ark van het verbond. (Ex 31:18)

## tafelen des verbonds (begrip)

- De twee stenen tafelen waarop God Zijn wet schreef — bewaard in de ark als kern van het oude verbond. (Hebr 9:4)

## tafels (begrip)

- Stenen platen waarop de wet werd geschreven; tegenover de tafelen des harten waarop de Geest schrijft. Onderscheidt het oude en nieuwe verbond. (2 Kor 3:3)

## Tahapanhes (plaats)

- Hebr. תַּחְפַּנְחֵס — Egyptische grensplaats waarheen Johanan, Jeremia en het overblijfsel vluchtten na de moord op Gedalja; daar verrichtte Jeremia het bijl-en-stenen-teken. (Jer 43:7)

## Tahas (persoon)

- Zoon van Nahor bij zijn bijvrouw Reüma. Neef van Abraham. (Gen 22:24)

## tak (begrip)

- Loot van een boom; van de natuurlijke en wilde takken aan de olijfboom van Israël. Beeld van inenting en afsnijding. (Rom 11:17)

## talen (begrip)

- De verschillende menselijke talen, in Genesis ontstaan door Gods verwarring van de spraak bij de toren van Babel. Tot dan sprak heel de aarde één taal. (Gen 11:7)

## talent (begrip)

- Grote munt- en gewichtseenheid, gelijk aan ongeveer 6000 denariën. In de gelijkenissen beeld van een aanzienlijk toevertrouwd kapitaal. (Matt 18:24)
- Grote oude gewichts- en geldmaat, in de hellenistische wereld 6000 drachmen. Een talent zilver vertegenwoordigde een aanzienlijk vermogen. (3 Ezra 5:45)

## talenten (voorwerp)

- Meervoud van talent, een grote munt- en gewichtseenheid van ongeveer 6000 denariën. In gelijkenissen beeld van toevertrouwde gaven en verantwoordelijkheid. (Matt 25:15)

## talenten zware hagel (voorwerp)

- De grote hagel uit de hemel, een talent zwaar elke steen, op de mensen die God lasterden. (Op 16:21)

## talenwonder (begrip)

- De vreemde talen die de discipelen op Pinksteren spraken — verstaan door Joden uit alle naties. (Hand 2:8)

## Talitha cumi (begrip)

- Aramees voor Woorden waarmee Jezus volgens Markus de dochter van Jaïrus uit de dood opwekte. (Mark 5:41)

## Talmai (persoon)

- Koning van het Aramese vorstendom Gesur ten oosten van het meer van Galilea. Schoonvader van koning David via diens vrouw Maächa. (2Sam 13:37)

## Tamar (persoon)

- Schoondochter van Juda, eerst gehuwd met Er en daarna met Onan. Verleidde Juda zelf om door hem nakomelingen te krijgen; moeder van Perez en Zerah. (Gen 38:6)
- Dochter van koning David en zus van Absalom uit dezelfde moeder. Slachtoffer van de verkrachting door haar halfbroer Amnon, daarna in stilte levend in het huis van haar broer. (2Sam 13:1)
- Schoondochter van Juda, moeder van Perez en Zerah. Voormoeder van koning David volgens het geslachtsregister. (Matt 1:3)

## tamarisk (voorwerp)

- Loofboom die in droge gebieden van het Oosten voorkomt, met fijne grijsgroene takken en kleine bloemen. Diende vaak als markante boom waaronder personen werden begraven of vergaderingen werden gehouden. (1Sam 31:13)

## Tammuz (persoon)

- Mesopotamische vegetatiegod, in het Sumerisch Dumuzi genoemd. Zijn jaarlijkse 'sterven' in de zomerse droogte werd door rituele rouw begeleid. (Ez 8:14)

## Tarsis (persoon)

- Tweede zoon van Javan en kleinzoon van Jafeth. Stamvader van een volk in het westelijke Middellandse zeegebied; ook naam van een ver havenland. (Gen 10:4)
- Verre handelsplaats in het westen, gewoonlijk geïdentificeerd met Tartessus in Zuid-Spanje. Symbool van het verste uiteinde van de bekende wereld. (Jon 1:3)
- Verre haven of streek in het westen van de Middellandse Zee, mogelijk te identificeren met het Tartessos in het zuiden van Spanje. Bron van zilver, ijzer, tin en lood in de oude wereld. (2 Kron 20:36)

## Tarsis-handel (plaats)

- Aanduiding voor het verre handelsland Tarsis, vermoedelijk in Spanje. Bron van metalen en bestemming van Foenicische handelsschepen. (Ez 27:12)

## Tarsus (plaats)

- Belangrijke stad in Cilicië aan de zuidkust van Klein-Azië, in hellenistische tijd centrum van Griekse cultuur en handel. (2 Makk 4:30)

## Tartan (persoon)

- Titel van de Assyrische opperveldheer of plaatsvervanger van de koning. Werd doorgaans bij belangrijke veldtochten of diplomatieke zendingen ingezet. (2 Kon 18:17)

## Tartarus (begrip)

- God heeft de zondige engelen in de hel geworpen — Petrus gebruikt het Griekse (in de Statenvertaling) voor een gevangenis tot het oordeel. (2 Petr 2:4)

## tarwe (natuur)

- Belangrijkste graansoort in Israël, vermalen tot meel voor brood. In offerwetten en spijswetten geregeld. (Gen 30:14)
- Belangrijkste graangewas in het oude Israël, gebruikt voor het bakken van het beste brood. In gelijkenissen beeld van de oprechte gelovigen. (Matt 13:25)

## tarwe en gerst (voorwerp)

- De prijzen van tarwe en gerst in het derde zegel — beeld van schaarste. (Op 6:6)

## tarwe-wapen (begrip)

- Aanduiding die in de Schrift weinig voorkomt. Mogelijk een verwijzing naar economische sancties of voedselblokkades als oorlogsmiddel. (Esth 9:1)

## tarwegraan (natuur)

- Een graankorrel van tarwe. Jezus vergelijkt Zichzelf met een tarwegraan dat in de aarde moet vallen en sterven om veel vrucht voort te brengen — een beeld van Zijn dood en opstanding. (Joh 12:24)

## tarwegraan dat sterft (begrip)

- Beeld van Jezus' dood. (Joh 12:24)

## tarwemeel (begrip)

- Fijngemalen meel van tarwe. Bestanddeel van het spijsoffer, met olie en wierook bereid. (Lev 2:1)

## tarweoogst (begrip)

- De oogst van tarwe in Israël, die enkele weken na de gersteoogst plaatsvond. Viel doorgaans in de maand mei of juni. (Ruth 2:23)
- De jaarlijkse oogsttijd van de tarwe, in Palestina in mei-juni. Belangrijk landbouwmoment in het oudtestamentische jaarritme. (Jdt 2:17)

## tasten met handen (begrip)

- Hetgeen wij gehoord en gezien hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens — getuigenis van de menswording. (1 Joh 1:1)

## Tatnai (persoon)

- Persisch landvoogd van de provincie 'aan de overzijde van de rivier' ten tijde van Darius I. Voerde een onderzoek uit naar de wettigheid van de tempelbouw te Jeruzalem. (Ezra 5:3)

## Tau-teken (uitdrukking)

- Profetisch teken dat in een visioen op het voorhoofd van de godvruchtigen wordt gezet ter bescherming. In de oude christelijke exegese verbonden met het kruisteken. (Ez 9:4)

## Tav (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:22)

## Tebah (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Nahor bij zijn bijvrouw Reüma. Neef van Abraham. (Gen 22:24)

## Tebez (plaats)

- Stad in het centrale bergland van Efraïm, niet ver van Sichem. Plaats waar Abimelech omkwam tijdens de belegering van een toren. (Ri 9:50)

## teder gebaard (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor Gods kunstige formerende werk in de moederschoot. Onderdeel van de poëtische scheppingstaal. (Job 10:11)

## teelt (begrip)

- Voortbrengen van geestelijke kinderen door prediking van het evangelie; iemand tot wedergeboorte brengen. (Filem 1:10)

## Tefilla (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 17:1)

## Tefo (plaats)

- Plaats in Judea, in de tweede eeuw v.Chr. door Bacchides versterkt; mogelijk identiek met Tefon, ten zuidwesten van Bethlehem. (1 Makk 9:50)

## tegenedict (begrip)

- Aanvullende koninklijke verordening die een eerder onherroepelijk edict in zijn werking compenseerde. Werd in het Perzische rijk gebruikt wanneer een eerdere wet niet kon worden ingetrokken. (Esth 8:11)

## tegenpartij (begrip)

- De duivel, de tegenpartij van de gelovige, moet weerstaan worden, vast in het geloof. (1 Petr 5:8)

## tegenspoed (begrip)

- Niet als zodanig in tekst;. 'kwade dag' van de goddeloze. (Spr 16:4)

## tegensprekers wederleggen (begrip)

- Het met de gezonde leer overtuigen en weerleggen van wie de apostolische geloofsleer bestrijden. (Tit 1:9)

## tegenspreking (begrip)

- Wee hen, die in de tegenspreking van Korach vergaan — opstand tegen door God ingesteld gezag eindigt in oordeel. (Jud 1:11)

## tegenstander (begrip)

- Aanduiding voor de eindtijdelijke vijand van God die zich verheft boven al wat God genoemd of als god vereerd wordt. (2 Th 2:4)

## tegenstanders (begrip)

- Aanduiding voor de bewoners van het land en hun bondgenoten die zich verzetten tegen de herbouw van de tempel en de muren van Jeruzalem. Vooral afkomstig uit het noordelijke Samaria-gebied. (Ezra 4:1)

## tegenstanders beschaamd (begrip)

- Het beschamen van tegenstanders door een onberispelijke wandel die hun geen aanleiding geeft tot lastering. (Tit 2:8)

## tegenvergelding (begrip)

- Goddelijke vergelding waarbij wie de gelovigen verdrukt op zijn beurt de verdrukking als rechtvaardige straf ontvangt. (2 Th 1:6)

## tegenwoordige eeuw (begrip)

- Aanduiding van de huidige wereldperiode tot aan de wederkomst van Christus, waarin de gelovigen een godzalig leven moeten leiden. (Tit 2:12)

## tegenwoordige wereld (begrip)

- Drijfveer van Demas' afval. (2 Tim 4:10)

## Tehilla (liturgie)

- Hebreeuws voor 'lofzang'. Het opschrift van; ook de naam van het hele Psalmboek (Tehilliem). (Ps 145:1)

## teken (begrip)

- Zichtbaar bewijs of merkteken dat iets aanduidt. In de Bijbel vooral verbondsteken of waarmerk van Gods bijzondere handelen. (Gen 4:15)
- Een door God gegeven uiterlijk verschijnsel dat naar een dieperliggende waarheid verwijst, vaak ter bevestiging van een boodschap of zending. (Matt 12:38)
- Bovennatuurlijk verschijnsel; in eschatologisch verband ook satanische schijnwonderen die de eindtijdelijke tegenstander begeleiden. (2 Tess 2:9)

## teken der zaligmaking (begrip)

- Bijbels begrip voor een door God ingesteld zichtbaar teken dat de redding aanduidt of bewerkt. Vaak prefiguratief op het kruis betrokken. (Wijsh 16:6)

## teken in elke brief (begrip)

- Eigenhandige groet als waarmerk van Paulus' brieven, ter onderscheiding van vervalsingen. (2 Th 3:17)

## teken voor het huis Israëls (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking waarin de symbolische handelingen van de profeet als teken voor het volk worden aangemerkt. Onderdeel van de symbolische bediening. (Ez 12:11)

## tekenen (begrip)

- Zichtbare merken in de hemel, vooral van zon, maan en sterren. Door God gegeven om tijden, dagen en jaren te bepalen. (Gen 1:14)

## tekenen der leugen (begrip)

- Door satanische werking veroorzaakte schijnwonderen die het bedrieglijke optreden van de eindtijdelijke tegenstander begeleiden. (2 Th 2:9)

## Tekoa (plaats)

- Stad in het bergland van Juda, ten zuidoosten van Bethlehem. Geboorteplaats van de profeet Amos en bekend om de wijze vrouw die in de geschiedenis van David optreedt. (2Sam 14:2)
- Stadje in het bergland van Juda, ten zuiden van Bethlehem. Geboorteplaats van de profeet Amos. (Am 1:1)

## Tel-Abib (plaats)

- Joodse ballingnederzetting bij de rivier Chebar in Babylonië. De naam betekent 'heuvel van de aren' of 'heuvel van het voorjaar'. (Ez 3:15)

## telling (begrip)

- Volkstelling van de mannen vanaf twintig jaar, vooral met het oog op de oorlogsdienst. In Numeri tweemaal verricht: bij Sinaï en in de velden van Moab. (Num 1:2)

## Tema (plaats)

- Belangrijke karavanenoase op het Arabisch schiereiland, gelegen tussen Edom en Babel. Genoemd in profetische teksten als plaats van handel. (Job 6:19)

## Teman (persoon)

- Zoon van Elifaz en kleinzoon van Esau. Naam ook gebruikt voor het zuidelijke deel van Edom en zijn bewoners; bekend om zijn wijzen. (Gen 36:11)
- Belangrijke stad of district in Edom, bekend om zijn wijzen. Genoemd naar een kleinzoon van Esau. (Ob 1:9)

## Teman (persoon) (persoon)

- Zoon van Elifaz en kleinzoon van Esau. Stamvader en naamgever van een streek en clan in Edom. (Gen 36:11)

## Teman (vorst) (persoon)

- Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:42)

## Temanieten (volk)

- Bewoners van Teman, een streek in het zuiden van Edom. Bekend om hun wijsheid; uit hen kwam een van Jobs vrienden. (Gen 36:34)

## tempel (plaats)

- Het 'huis van JHWH' op de berg Sion in Jeruzalem; in het Nieuwe Testament ook de gemeente en de gelovige als tempel van de Heilige Geest. (Ps 5:8)

## tempel des Heiligen Geestes (theologisch)

- Het lichaam van de gelovige als woonplaats van de Heilige Geest. Reden tot heiliging in lichaam en geest. (1 Kor 6:19)

## tempel des levenden Gods (begrip)

- De gemeente als geestelijke tempel waarin God woont en wandelt. Reden tot afzondering van de afgoden. (2 Kor 6:16)

## tempel van Bel (begrip)

- Het heiligdom voor de god Bel in Babylon, een van de grootste tempelcomplexen van het oude Nabije Oosten. (BelDra 1:21)

## tempel van uw heilige heerlijkheid (begrip)

- De hemelse woning van God, in de bijbel het oer-heiligdom waarvan de aardse tempel een afbeelding was. (Gez. Vuur. 1:53)

## tempel-rede (uitdrukking)

- Beroemde rede van Jeremia in de tempelpoort. Het volk meende veilig te zijn omdat de tempel in hun midden stond. (Jer 7:4)

## tempel-visioen (begrip)

- Profetisch gezicht waarin de HEERE bij of boven het altaar verschijnt om het oordeel te voltrekken. Bij Amos het laatste visioen in de reeks. (Am 9:1)

## tempelbouw (begrip)

- De bouw van het centrale heiligdom van Israël in Jeruzalem onder koning Salomo. Markeerde de overgang van de draagbare tabernakel naar een vast stenen huis voor JAHWEH. (1 Kon 6:1)
- Aanduiding voor de bouw van de tweede tempel te Jeruzalem onder Zerubbabel en Jesua. Werd na een lange onderbreking voltooid onder de regering van koning Darius I van Perzië. (Ezra 3:8)

## tempelbouw Salomo (begrip)

- De bouw van de eerste tempel te Jeruzalem door koning Salomo, voltooid omstreeks 957 v.Chr. Beschreven in 1 Koningen 5-8 en 2 Kronieken 2-7. (Sir 47:13)

## tempelbouw-tegenstand (begrip)

- Verzet van omliggende volken en lokale ambtenaren tegen de wederopbouw van de tempel na de ballingschap, beschreven in Ezra 4-6. (3 Ezra 2:16)

## tempelfundament (begrip)

- De grondslag waarop de tempel werd gebouwd, na de ballingschap opnieuw gelegd onder Zerubbabel. Het leggen ervan ging gepaard met een plechtige eredienst. (Hag 2:18)

## tempelinwijding (begrip)

- De plechtige inwijding of herinwijding van het heiligdom met offers en gebed. In 164 v.Chr. door Judas Makkabeüs voltrokken na de ontwijding door Antiochus IV. (1 Makk 4:36)

## tempelpatroon (begrip)

- De gedetailleerde bouwtekening van het huis van JAHWEH met al haar voorwerpen. Volgens de Schrift door koning David ontvangen onder leiding van de Geest en aan Salomo overgedragen. (1 Kron 28:11)

## tempelplannen (theologisch)

- Davids verlangen om voor JAHWEH een blijvend heiligdom te bouwen. Werd door God uitgesteld tot de regering van zijn zoon Salomo, maar gold als oorsprong van het Davidisch verbond. (2Sam 7:13)

## tempelpoort (plaats)

- Toegang tot Gods huis. (Ps 118:19)

## tempelpoort, hoge (begrip)

- Aanduiding voor een van de belangrijkste toegangspoorten van de tempel in Jeruzalem. Werd door koning Jotham gebouwd of versterkt en stond in een van de bovenste niveaus van het complex. (2 Kon 15:35)

## Tempelrede aanklacht (uitdrukking)

- Gevolg van de tempelrede — priesters en profeten grijpen Jeremia, eisen zijn dood. De vorsten en het volk verdedigen hem; oudsten herinneren aan Micha (Mi ). (Jer 26:8)

## tempelreiniging (begrip)

- Jezus dreef de geldwisselaars uit de tempel met een gesel van touwen. (Joh 2:15)
- Ritueel herstel en zuivering van de tempel na een periode van verwaarlozing of afgoderij. Vond plaats onder verschillende godvrezende koningen als onderdeel van een bredere godsdienstige hervorming. (2 Kron 29:15)

## tempelreparatie (begrip)

- Aanduiding voor het herstel en onderhoud van de tempel te Jeruzalem onder verschillende koningen van Juda. Werd doorgaans bekostigd uit een speciale collecte onder de bevolking. (2 Kon 12:5)

## tempelschat (begrip)

- De schat- en voorraadkamer van de tempel waarin geld, kostbaarheden en deposito's voor weduwen en wezen werden bewaard. (2 Makk 3:6)

## tempelschatten (begrip)

- De voorraad aan goud, zilver en kostbare voorwerpen die in de tempel te Jeruzalem werden bewaard. Werden in de loop van de geschiedenis bij verschillende gelegenheden geheel of gedeeltelijk weggevoerd. (2 Kon 12:18)

## tempelschatting (wet)

- Vaste heffing van een halve sikkel per volwassen man voor het onderhoud van het heiligdom en de eredienst. (Lev 27:25)

## tempelvaten (begrip)

- Aanduiding voor het gouden en zilveren cultusgerei van de tempel. Werden door Nebukadnezar uit de eerste tempel weggevoerd en door Cyrus aan de teruggekeerde ballingen teruggegeven. (Ezra 1:7)

## tempelvernieuwing (begrip)

- Een Joods feest (ook wel Chanoeka) ter herinnering aan de herinwijding van de tempel na de ontheiliging door de Syriërs. Het werd in de winter gevierd. (Joh 10:22)

## tempelvisioen (uitdrukking)

- Lang profetisch visioen waarin een toekomstige tempel met al zijn maten en eredienst wordt beschreven. Vormt het slot van het boek Ezechiël. (Ez 40:2)

## tempelvoorraad (begrip)

- De grote hoeveelheid kostbare materialen die koning David verzamelde voor de toekomstige bouw van de tempel. Omvatte ongekende hoeveelheden goud, zilver, koper en ijzer. (1 Kron 22:14)
- De voorraad aan goud, zilver, kostbare voorwerpen en gewijde gaven die in de tempel te Jeruzalem werd bewaard. Werd in de loop van de geschiedenis bij verschillende gelegenheden geheel of gedeeltelijk weggevoerd. (2 Kron 5:1)

## ten dale van Ben-Hinnom (plaats)

- Dal ten zuiden van Jeruzalem waar in de tijd van afvallige koningen kinderoffers aan Molech werden gebracht. Werd door koning Josia ontheiligd en in latere tijd symbool voor de plaats van het oordeel. (2 Kron 28:3)

## ten eeuwigen leven (begrip)

- Verwacht de barmhartigheid van Christus ten eeuwigen leven — doel van het christelijk verwachten. (Jud 1:21)

## ten hemel zien (begrip)

- Bijbelse gebedshouding waarbij men het hoofd, de ogen en/of de handen omhoog richt naar God in de hemel. (1 Makk 4:10)

## tent (begrip)

- Draagbare woning van vilt of huiden, gespannen over palen. Vaste behuizing van nomaden zoals de aartsvaders, beeld van de tijdelijkheid van het aardse leven. (Gen 4:20)

## tent der samenkomst (cultisch)

- Andere naam voor de tabernakel, omdat God daar met Mozes en Israël samenkwam. Plaats van Gods openbaring en eredienst. (Ex 33:7)

## tenten (begrip)

- Abraham woonde in tenten met Izak en Jakob, mede-erfgenamen van dezelfde belofte — een teken van geloof in een toekomstige stad. (Hebr 11:9)

## tentenmakers (begrip)

- Het beroep waarmee Paulus, Aquila en Priscilla in hun onderhoud voorzagen tijdens de zending. (Hand 18:3)

## tentpin (voorwerp)

- Houten of metalen pen waarmee de zijkant van een tent in de grond werd verankerd. In de oude geschiedenis ook gebruikt als geïmproviseerd wapen. (Ri 4:21)

## ter (begrip)

- Verkorte vorm van "tot de" of "tot ter" — naar/aan. Voorbeeld: "ter helle nederdalen" = naar het dodenrijk afdalen; "ter ere van" = tot eer. (Ps 7:6)

## teraf (voorwerp)

- Klein huisafgodsbeeld dat in oudoosterse families werd vereerd, vermoedelijk verbonden met voorouder- of waarzeggerijcultus. In de Schrift veroordeeld als afgoderij. (1Sam 19:13)

## terafim (overig)

- Huisgodjes of afgodsbeeldjes die in een huishouden werden bewaard. Hun aard is omstreden; speelden mogelijk een rol in waarzeggerij en erfrechtbescherming. (Gen 31:19)

## Terah (persoon)

- Zoon van Nahor en vader van Abraham, Nahor en Haran. Trok uit Ur van de Chaldeeën naar Haran, waar hij stierf. (Gen 11:24)
- Vader van Abraham en Nahor, afkomstig uit Ur der Chaldeeën. Diende andere goden voordat zijn nakomelingen door JAHWEH werden geroepen. (1 Kron 1:26)

## terebint (natuur)

- Grote loofboom van het Middellandse zeegebied (Pistacia terebinthus). In de oudheid vaak heilige boom of markeerpunt; soms verward met de eik. (Gen 12:6)

## Teresj (persoon)

- Een van de twee Perzische hofbeambten die een aanslag op koning Ahasveros beraamden. Werd na ontdekking van het complot opgehangen. (Esth 2:21)

## terpentijnnoten (natuur)

- Noten van de pistacheboom. Kostbare delicatesse in het Oosten en gangbaar geschenk in handelsreizen. (Gen 43:11)

## Tertius (persoon)

- Schrijver die de brief aan de Romeinen op last van Paulus heeft opgetekend. Voegt zijn eigen groet toe. (Rom 16:22)

## Tertullus (persoon)

- Joodse aanklager voor Felix tegen Paulus. (Hand 24:1)

## Tessalonica (plaats)

- Stad waar Paulus drie sabbatten lang in de synagoge predikte; oproer ontstond door de Joden. (Hand 17:1)
- Belangrijke havenstad in Macedonie, in de eerste eeuw hoofdstad van de Romeinse provincie van die naam. (1 Th 1:1)

## testament (begrip)

- Een testament wordt vast door de dood; daarom moest ook bij het nieuwe testament de dood van de Erflater plaatsvinden — de dood van Christus. (Hebr 9:16)

## Teth (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:9)

## tevredenheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Gods genade en vrede. (Fil 4:11)

## tezamen leven (begrip)

- Eschatologische heilstoestand waarin levenden en ontslapen gelovigen door Christus' werk tezamen met Hem leven. (1 Th 5:10)

## Thamar (persoon)

- Schoondochter van Juda en moeder van diens zonen Pharez en Zerah. Voorouder van koning David en Christus, opgenomen in het geslachtsregister bij Mattheüs. (Ruth 4:12)

## Thamnasa (plaats)

- Plaats in Judea, mogelijk te identificeren met Timna in het bergland van Efraïm; in de Makkabeese tijd door Bacchides versterkt. (1 Makk 9:50)

## Thamnasa Faratoni (plaats)

- Plaats(en) in Judea, mogelijk Timnath-Pirathon — combinatie van Timnath-Serach (de stad van Jozua, Joz 19:50) en Pirathon (geboortestad van Abdon, Richt 12:13-15). Door Bacchides versterkt in 1 Mak 9:50. (1 Mak 9:50)

## Thapsus (plaats)

- Stad aan de westoever van de Eufraat in het noorden van Mesopotamië. Vormde een belangrijke doorwaadbare plaats en handelspost. (1 Kon 4:24)

## Tharra (persoon)

- In de bijbel naam van enkele personen, onder wie een hoveling die in een complot tegen de Perzische koning was betrokken (vgl. Esther 2:21). (2 Makk 14:19)

## Tharsis (plaats)

- Verre haven of streek in het westen van de Middellandse Zee, mogelijk te identificeren met het Tartessos in het zuiden van Spanje. Bron van zilver, ijzer, tin en lood in de oude wereld. (1 Kon 22:48)

## Tharsis, vorst (persoon)

- Een van de zeven hoogste vorsten van Perzië en Medië die regelmatig toegang tot het koninklijk aangezicht hadden. Behoorde tot de adviesraad van koning Ahasveros. (Esth 1:14)

## Thebe (plaats)

- Hoofdstad van Opper-Egypte aan de Nijl, in het Hebreeuws No of No-Amon genoemd. Verwoest door de Assyriërs in 663 v.Chr. (Na 3:8)

## Thekoa (plaats)

- Plaats in het bergland van Juda, ten zuiden van Bethlehem; aan de rand van de woestijn van Juda. (1 Makk 9:33)

## Thema (persoon)

- Negende zoon van Ismaël en kleinzoon van Abraham. Stamvader van een Arabische stam in het noorden van Arabië. (Gen 25:15)

## Theman (plaats)

- Stad of stamgebied in Edom, in de bijbel beroemd om zijn wijsheid. Stamde af van Eliphaz, kleinzoon van Esau. (Bar 3:22)

## Themaniet (begrip)

- Bewoner van Theman, een streek of stad in Edom die bekend stond om haar wijzen. Genoemd naar een kleinzoon van Esau. (Job 2:11)

## theodicee (begrip)

- Theologisch vraagstuk over Gods rechtvaardigheid in een wereld vol lijden. Centraal in het boek Job en de bijbelse wijsheidsliteratuur. (Job 1:8)

## Theofilus (persoon)

- Geadresseerde van het Lukasevangelie en Handelingen. (Luk 1:3)
- De geadresseerde van Lukas' beide boeken — evangelie en Handelingen. (Hand 1:1)

## Therah (persoon)

- Vader van Abraham en Nahor, afkomstig uit Ur der Chaldeeën. Diende andere goden voordat zijn nakomelingen door JAHWEH werden geroepen. (Joz 24:2)

## Thessalonicenzen (volk)

- Inwoners van de stad Tessalonica in Macedonie; in het Nieuwe Testament aanduiding voor de leden van de plaatselijke christelijke gemeente. (2 Tess 1:1)

## Theudas (persoon)

- Aanvoerder van een eerdere oproer, door Gamaliël aangehaald als waarschuwing tegen overhaaste straf. (Hand 5:36)

## Thimnath (plaats)

- Filistijnse stad in het laagland aan de grens van Juda en Dan. Plaats waar Simson zijn eerste vrouw vond en het begin van zijn conflict met de Filistijnen. (Ri 14:1)

## Thiras (persoon)

- Zevende zoon van Jafeth en stamvader van een volk, mogelijk in het noordelijke Egeïsche zeegebied (Tyrseners). (Gen 10:2)

## Thirsa (persoon)

- Een van de vijf dochters van Zelafead uit de stam Manasse. Verkreeg met haar zusters het recht op een erfdeel toen er geen mannelijke erfgenamen waren. (Joz 17:3)

## Thisbe (plaats)

- In het apocriefe boek Tobit de geboorteplaats van Tobit, gelegen in noordelijk Galilea in het stamgebied van Naftali. (Tob 1:2)

## Thola (persoon)

- Een van de kleine richters van Israël, zoon van Pua uit de stam Issaschar. Richtte het volk vanuit Samir in het bergland van Efraïm. (Ri 10:1)

## Thomas (persoon)

- Een van de twaalf apostelen, ook Didymus ('tweeling') genoemd. Bekend uit Johannes' evangelie om zijn aanvankelijke twijfel aan de opstanding. (Matt 10:3)

## Thoï (persoon)

- Koning van het Aramese stadstaatje Hamath ten noorden van Israël. Onderhield vriendschappelijke betrekkingen met David als gemeenschappelijke vijand van Hadadezer. (2Sam 8:9)

## Thyatire (plaats)

- Vierde gemeente berispt. (Openb 1:11)

## Tiberias (plaats)

- Romeinse keizer Tiberius; datering van Johannes' optreden. (Luk 3:1)
- Een stad aan het Meer van Galilea, gebouwd door Herodes Antipas. Het meer werd ook de Zee van Tiberias genoemd. (Joh 6:1)

## Tiberius (persoon)

- Romeinse keizer in wiens vijftiende regeringsjaar Johannes optrad. (Luk 3:1)

## Tibni (persoon)

- Israëlische edelman, zoon van Ginath, die door een deel van het volk tot koning werd uitgeroepen. Verloor de strijd om de troon van Omri en stierf vroeg. (1 Kon 16:21)

## tichelsteen Jeruzalem (uitdrukking)

- Profetische symboolhandeling waarbij een stad als figuur op klei wordt geboetseerd om een belegering uit te beelden. Onderdeel van profetische tekenhandelingen. (Ez 4:1)

## Tideal (persoon)

- Koning der heidenen, lid van de coalitie van vier oosterse koningen onder Kedor-Laomer. (Gen 14:1)

## tien bijwijven (begrip)

- Tien vrouwen van koning David die in Jeruzalem werden achtergelaten tijdens zijn vlucht voor Absalom. Werden door Absalom in het openbaar verkracht ter bevestiging van zijn machtsovername. (2Sam 16:22)

## tien dagen verdrukking (begrip)

- De tien dagen verdrukking voorzegd aan de gemeente te Smyrna; getrouw zijn tot de dood. (Op 2:10)

## Tien Geboden (wet)

- De tien grondregels van Gods verbond, door Hemzelf gesproken op de Sinaï en op twee stenen tafelen geschreven. Samenvatting van de zedelijke wet. (Ex 20:1)

## tien jaar (begrip)

- Een gangbare termijn voor een ambt of bestuur in de hellenistische wereld. Door het volk soms verlengd of voor altijd bevestigd. (1 Makk 14:41)

## tien mannen (gebruik)

- Het aantal getuigen of stadsoudsten dat volgens Joods gebruik vereist was bij belangrijke rechtshandelingen. Vormde tevens het minimum (minjan) voor een geldige openbare bijeenkomst. (Ruth 4:2)
- Profetisch beeld voor een groot getal volkeren of personen, soms met een symbolische lading van volheid. In de Joodse traditie ook minimum voor een gemeente. (Zach 8:23)

## tien melaatsen (begrip)

- De tien die Jezus reinigde op weg naar Jeruzalem; alleen de Samaritaan keerde terug om te danken. (Luk 17:12)

## tien plagen (begrip)

- De rampen waarmee God Egypte sloeg om Israël te bevrijden: bloed, kikvorsen, luizen, vliegen, veepest, zweren, hagel, sprinkhanen, duisternis en de dood van de eerstgeborenen. (Ex 7:17)

## tien stammen (begrip)

- De tien noordelijke stammen van Israël die in 722 v.Chr. door de Assyriërs werden weggevoerd en sindsdien als 'verloren' golden. (4 Ezra 13:40)
- De tien noordelijke stammen van Israël die zich na de dood van Salomo van het huis van David afscheidden. Vormden samen het noordelijke rijk Israël tegenover het zuidelijke rijk Juda. (1 Kon 11:31)

## tien woorden (wet)

- Hebreeuwse aanduiding voor de Tien Geboden. Door God Zelf gesproken op de Sinaï en op stenen tafelen geschreven. (Ex 34:28)

## tien zonen van Haman (begrip)

- Aanduiding voor de tien zonen van de Perzische ambtenaar Haman, die met name in het boek Esther worden opgenoemd. Werden door de Joden gedood en hun lichamen openlijk opgehangen ter waarschuwing. (Esth 9:7)

## tienden van de munt (begrip)

- Jezus berispt het zwaartepunt op kleinigheden. (Luk 11:42)

## tienden van het olie (begrip)

- Aanduiding voor het tiende deel van de olijvenolie-oogst dat volgens de wet van Mozes aan JAHWEH was gewijd. Vormde naast graan en wijn een van de belangrijkste landbouwoffers. (Neh 13:12)

## tienduizend talenten zilver (begrip)

- Buitengewoon grote som zilver, equivalent aan honderden tonnen edelmetaal. Vormde een aanzienlijk deel van de jaarlijkse staatsinkomsten van het Perzische rijk. (Esth 3:9)

## tienduizenden tienduizenden (begrip)

- De ontelbare schare engelen die rondom de troon en het Lam zongen — uitdrukking van Daniël. (Op 5:11)

## tiental snaren (muziekinstrument)

- Tien-snarige luit. (Ps 33:2)

## Tiglath-Pileser (persoon)

- Naam van meerdere Assyrische koningen, onder wie Tiglath-Pileser III in de achtste eeuw v. Chr. Bekend om zijn agressieve expansiepolitiek waarbij delen van het noordelijke rijk Israël werden veroverd. (2 Kon 15:29)

## Tiglath-Pilneser (persoon)

- Naam van meerdere Assyrische koningen, onder wie Tiglath-Pileser III in de achtste eeuw v. Chr. Bekend om zijn agressieve expansiepolitiek waarbij delen van het noordelijke rijk Israël werden veroverd. (2 Kron 28:20)

## Tigris (plaats)

- Grote rivier in Mesopotamië, samen met de Eufraat de hoofdader van het tweestromenland. Aan haar oevers lagen Ninevé en andere oude steden. (Tob 6:1)

## tijd geopenbaard (begrip)

- Het door God bestemde moment waarop de eindtijdelijke gebeurtenissen openbaar worden, in afwachting van Zijn beschikking. (2 Th 2:6)

## tijd uitkopen (begrip)

- Bewust gebruik van de tijd in deze boze dagen. (Ef 5:16)

## tijden (begrip)

- Vaste perioden of seizoenen, vooral vastgelegd in de cyclus van zon en maan. Onmisbaar voor de jaarkalender en de feesten. (Gen 1:14)
- Door God bepaalde tijden en gelegenheden. In Zijn macht en raad gesteld. (2 Kor 6:2)

## tijden der heidenen (begrip)

- 'Jeruzalem zal door de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn'. (Luk 21:24)

## tijden en gelegenheden (begrip)

- Aanduiding voor de door God bepaalde tijdvakken en momenten waarop Zijn heilshandelen zich voltrekt. (1 Th 5:1)

## tijdiglijk en ontijdiglijk (begrip)

- Bij gelegenheid en zonder gelegenheid. (2 Tim 4:2)

## tijdrekenaars (begrip)

- Aanduiding voor de leiders uit de stam Issaschar die de Schrift kenmerkt als wijzen 'die wisten wat Israël doen moest naar de tijden'. Drukt het bezit van politieke en religieuze inzicht uit. (1 Kron 12:32)

## Timna (persoon)

- Bijvrouw van Elifaz en moeder van Amalek. Ook naam van een zus van Lotan de Horiet en van een Edomitische stamvorst. (Gen 36:12)

## Timna (persoon) (persoon)

- Bijvrouw van Elifaz, zoon van Esau, en moeder van Amalek. Zus van Lotan de Horiet. (Gen 36:12)

## Timna (vorst) (persoon)

- Edomitische stamvorst, in de geslachtsregisters van Esaus nakomelingen genoemd. (Gen 36:40)

## Timnath-serah (plaats)

- Stad in het bergland van Efraïm, persoonlijk erfdeel van Jozua. Volgens de overlevering ook zijn begraafplaats. (Joz 19:50)

## Timon (persoon)

- Een der zeven diakenen. (Hand 6:5)

## Timotheus (persoon)

- Medearbeider van Paulus, in de slotgroet van Hebreeën genoemd als losgelaten uit gevangenschap. (Hebr 13:23)

## Timotheüs (persoon)

- Geliefde geestelijke zoon en medewerker van Paulus. Mede-zender van verschillende brieven. (1 Kor 4:17)
- Mede-afzender; Paulus prijst zijn oprechte zorg voor de Filippenzen. (Filip 1:1)
- Mede-afzender van de brief. (Kol 1:1)
- Vroegchristelijke leider, leerling en trouwe medewerker van Paulus, geadresseerde van twee nieuwtestamentische pastorale brieven. (1 Tess 1:1)
- Geadresseerde, geestelijke zoon van Paulus, achtergelaten te Efeze. (1 Tim 1:2)
- Geadresseerde, geestelijke zoon van Paulus. (2 Tim 1:2)
- In het apocriefe 1 en 2 Makkabeeën een Seleucidische bevelhebber van heidense troepen in Galaad in de tweede eeuw v.Chr. (1 Makk 5:11)
- In het apocriefe 2 Makkabeeën een Seleucidische bevelhebber van heidense troepen in Galaad en de overzeese gebieden in de tweede eeuw v.Chr. (2 Makk 8:30)

## tinne (begrip)

- Top of kanteel van een muur of toren, het hoogste punt van een vestingwerk. (Jdt 14:1)

## tipje van de mantel (begrip)

- Slip of zoom van een bovenkleed, vaak met een symbolische waarde van eer of bescherming. Het afsnijden ervan was een teken van vernedering of hartelijkheid en gold als plechtige rechtshandeling. (1Sam 24:5)

## tiran (begrip)

- In de Griekse oudheid een alleenheerser zonder wettelijke titel; in bredere zin een wrede of goddeloze heerser. (3 Makk 3:1)

## tirannie (begrip)

- Wrede en onwettige heerschappij van een alleenheerser. In de Griekse oudheid technische term voor regering buiten de wet om. (2 Makk 4:25)

## Tirhaka (persoon)

- Cuschitisch-Egyptische farao uit de 25e dynastie (ca. 690-664 v.Chr.). Trad op tegen de Assyriërs ten tijde van koning Hizkia. (Zach 9:1)

## Tirsa (plaats)

- Stad in het centrale bergland van Efraïm, een van de eerste residenties van het noordelijke rijk Israël. Bekend om haar schoonheid, waarnaar de bruid in het Hooglied wordt vergeleken. (1 Kon 14:17)

## Tirsata (begrip)

- Perzische titel voor de stadhouder van een provincie. In de naballingschapse literatuur gebruikt voor Joodse leiders die door de Perzische koning waren aangesteld. (Ezra 2:63)

## Titanen (begrip)

- In de Griekse mythologie reuzengoden, kinderen van Uranus en Gaia, voorgangers van de Olympische goden. In bijbels spraakgebruik beeld van wederstrevige reuzen. (Jdt 16:8)

## tittel (begrip)

- Klein streepje of haakje aan een Hebreeuwse letter waarmee verwante letters van elkaar onderscheiden worden. Beeld van het allerkleinste detail van de Schrift. (Matt 5:18)

## Titus (persoon)

- Heidens-christelijke medewerker van Paulus, gezonden naar Korinthe. Drager van de tweede Korinthebrief. (2 Kor 2:12)
- Mede-medewerker; werd niet gedwongen besneden te worden — testcase voor heidenchristen. (Gal 2:1)
- Medewerker die naar Dalmatië was gegaan. (2 Tim 4:10)
- Heidenchristen, leerling en medewerker van Paulus, door hem als zijn afgevaardigde achtergelaten op het eiland Kreta. (Tit 1:3)

## Tobia de Ammoniet (persoon)

- Hoogwaardigheidsbekleder van Ammonitische afkomst die in nauwe verbinding stond met de Joodse aristocratie. Behoorde met Sanballat en Gesem tot de voornaamste tegenstanders van Nehemia. (Neh 2:10)

## Tobiaden (begrip)

- Hellenistisch gezinde joodse familie in Jeruzalem in de derde en tweede eeuw v.Chr., afstammelingen van Tobias. Politiek invloedrijk in de hellenistische periode. (2 Makk 3:11)

## Tobias (persoon)

- In de bijbel naam van verschillende personen, onder wie de hoofdpersoon van het apocriefe boek Tobit en (in de Makkabese tijd) de stamvader van de Tobiaden-familie. (2 Makk 3:11)

## Tobias (vader) (persoon)

- Hoofdpersoon van het apocriefe boek Tobit (ook Tobit genoemd): vrome Israëliet uit de stam Naftali, weggevoerd naar Assyrië en in ballingschap blind geworden. (Tob 1:3)

## Tobias (zoon) (persoon)

- Zoon van Tobit en Anna in het apocriefe boek Tobit. Reist met de engel Rafael naar Medië, trouwt Sara en geneest zijn vader van blindheid. (Tob 1:9)

## tocht (begrip)

- Een reis of doorgang. In de Bijbel vaak gebruikt voor verplaatsingen van karavanen, legers of nomadenfamilies. (Gen 12:9)

## toebrenging (begrip)

- Het door God bijeenbrengen van Zijn uitverkorenen, in het bijzonder van de heidenen. Werk van de Vader door Christus. (Rom 11:12)

## toebrenging van de Geest (theologisch)

- Toevoer van de Heilige Geest, door Wie God Paulus in zijn lijden bijstaat en versterkt — antwoord op de gebeden der gelovigen. (Fil 1:19)

## toekomst (begrip)

- In de Statenvertaling vaak vertaling van het Griekse parousia, dat de komst of aanwezigheid van Christus aanduidt, met name zijn wederkomst. (Matt 24:3)
- De toekomende komst van de Heere; voorwerp van christelijke verwachting. Gevat in de oproep Maranatha. (1 Kor 16:22)
- Aanduiding voor de aanstaande wederkomst van Christus aan het einde van de tegenwoordige eeuw. (1 Tess 2:19)
- In Spreuken.van rechtvaardige (lonend) of van goddeloze (afgesneden). (Spr 23:18)

## toerekenen (begrip)

- Iets op rekening van een ander schrijven; in nieuwtestamentisch gebruik vooral het toerekenen van schuld of gerechtigheid. (Flm 1:18)

## toespijs (begrip)

- Bijgerecht, iets wat bij het brood gegeten wordt, vaak vis. Jezus vroeg na de opstanding aan Zijn discipelen. (Joh 21:5)

## toevergadering (begrip)

- Bijeenvergadering van de gelovigen tot Christus bij Zijn wederkomst. (2 Tess 2:1)

## toevlucht (begrip)

- Plaats van veiligheid; beeld voor God bij wie de gelovige bescherming en geborgenheid vindt. (Ps 46:2)

## toevoegen of wegnemen (begrip)

- De waarschuwing — bewaring van het boek. (Op 22:18)

## toevoegsel (begrip)

- Sieraad, toevoeging. (Spr 1:9)

## Tofet (plaats)

- Plaats in het Hinnomdal bij Jeruzalem waar in tijden van afgoderij kinderen aan Moloch werden geofferd. Door de profeten verafschuwd. (Am 5:26)

## Tofet brandstapels (uitdrukking)

- Plaats in het dal van Hinnom waar in de tijd van Israëls afval kinderen aan de afgod Moloch werden geofferd; door de profeten scherp veroordeeld. (Jer 7:31)

## Tofeth (plaats)

- Plaats in het dal Ben-Hinnom ten zuiden van Jeruzalem waar kinderoffers aan Molech werden gebracht. Werd door koning Josia ontheiligd en in latere tijd symbool voor de plaats van het oordeel. (2 Kon 23:10)
- Plaats in het dal van Hinnom bij Jeruzalem, waar kinderen door het vuur aan Moloch werden geofferd. Profetisch genoemd 'het dal des doodslags'. (Jer 7:31)

## Togarma (persoon)

- Derde zoon van Gomer en achterkleinzoon van Jafeth. Stamvader van een volk in het oosten van Klein-Azië, mogelijk de Armeniërs. (Gen 10:3)

## Toi (persoon)

- Koning van het Aramese stadstaatje Hamath ten noorden van Israël. Onderhield vriendschappelijke betrekkingen met David als gemeenschappelijke vijand van Hadadezer. (1 Kron 18:9)

## Tola (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Issaschar en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Issaschar. (Gen 46:13)
- Oudste zoon van Issaschar en stamvader van een geslacht binnen de gelijknamige stam. Niet te verwarren met de richter Tola, die later naar hem werd genoemd. (1 Kron 7:1)

## tollenaar (begrip)

- Inner van douane- en tolrechten in dienst van de Romeinen. Door joden geminacht vanwege medewerking aan de bezetter en frequente afpersing. (Matt 5:46)

## tollenaars (begrip)

- Inners van douane- en tolrechten in dienst van de Romeinen. Door joden geminacht vanwege medewerking aan de bezetter en frequente afpersing. (Mark 2:15)

## tong aan gehemelte (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het opzettelijk niet kunnen spreken, in profetische context als symbolische beperking. Komt ook voor in psalmen. (Ez 3:26)

## tong als vuur (begrip)

- De tong is een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet. (Jak 3:6)

## tong wijken (begrip)

- Wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwade en zijn lippen dat zij geen bedrog spreken. (1 Petr 3:10)

## tong, valse (begrip)

- Liegende tong; gruwel. (Spr 6:17)

## toog aan (begrip)

- Verouderd voor 'trok aan' of 'kleedde'. Vorm van het werkwoord 'aandoen' in de zin van kleding aantrekken. (Gen 3:21)

## toonbroden (cultisch)

- Twaalf broden, één voor elke stam van Israël, die wekelijks vers op de gouden tafel in het heilige werden gelegd. Alleen de priesters mochten ze eten. (Ex 25:30)
- Twaalf broden die elke sabbat op een gouden tafel in het heilige van de tabernakel of tempel werden geplaatst. Mochten alleen door priesters worden gegeten. (Mark 2:26)

## toonbrood (cultisch)

- De twaalf broden die wekelijks vers op de gouden tafel in het heilige van de tabernakel of tempel werden gelegd, symbool voor de twaalf stammen van Israël. Mochten alleen door de priesters worden gegeten. (1Sam 21:6)

## toorn (begrip)

- Diepe verbolgenheid; in de Bijbel ook de rechtvaardige toorn van God over zonde en kwaad. (Gen 27:44)

## toorn Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Kol 3:6)

## toorn tot het einde (begrip)

- Aanduiding voor de over een volk komende goddelijke toorn die haar volle uitwerking bereikt door volharding in zonde. (1 Th 2:16)

## toorn van God (begrip)

- Gods rechtvaardige boosheid over de zonde. Wie de Zoon niet gehoorzaamt, blijft onder Gods toorn. (Joh 3:36)

## toorn van het Lam (begrip)

- De rijken en machtigen verbergen zich voor — paradox van het Lam dat oordeelt. (Op 6:16)

## toornen zonder zonde (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de zonde en haar gevolgen. (Ef 4:26)

## toornig (begrip)

- Snel boos; brengt strijd. (Spr 22:24)

## top-saffierstroon (uitdrukking)

- Profetisch beeld van Gods troon als een saffierblauwe steen. Verbinding met de oudtestamentische voorstelling van de hemel als saffierkleurig. (Ez 1:26)

## topscheut van de ceder (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor een door God geplante loot uit het Davidische geslacht die tot een grote boom zal groeien. Messiaanse profetie in Ezechiël. (Ez 17:22)

## Tora (wet)

- Hebreeuws woord voor 'wet' of 'onderwijzing'. Aanduiding voor de eerste vijf boeken van Mozes, het wettelijke en lerende fundament van Israëls godsdienst. (Lev 6:9)
- Hebreeuwse aanduiding voor de wet van Mozes, de eerste vijf boeken van de bijbel. Het centrum van het joodse geloof en leven. (1 Makk 1:57)

## Tora wijsheid (begrip)

- In de wijsheidsliteratuur (bijzonder in Sirach) de identificatie van de wijsheid met de Thora, de wet van Mozes. (Sir 24:23)

## toren (begrip)

- Hoog vrijstaand bouwwerk, vaak voor verdediging of als uitkijk. Bekend bijbels voorbeeld is de toren van Babel, gebouwd om tot de hemel te reiken. (Gen 11:4)
- Hoge sterke plaats. (Spr 18:10)

## toren bouwen (begrip)

- Gelijkenis over discipelschap. (Luk 14:28)

## toren des doods (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor het graf als een onontkoombare bestemming. Onderdeel van de klaagliteratuur over de menselijke eindigheid. (Job 17:16)

## toren van Lebanon (uitdrukking)

- Aanduiding van het paleis te Jeruzalem — 'Lebanon-bos' wegens de cedern van de bouw. Trotse architectuur die geveld zal worden. (Jer 22:23)

## tot alle goed werk (begrip)

- Christelijke houding van bereidheid tot iedere vorm van weldaad in de samenleving. (Tit 3:1)

## tot alle goed werk verwerpelijk (begrip)

- Aanduiding voor mensen die door hun verdorvenheid voor geen enkele goede daad nog geschikt of bruikbaar zijn. (Tit 1:16)

## tot bekering komen (begrip)

- God wil dat allen tot bekering komen — daarom is Zijn lankmoedigheid in het uitstel van het oordeel een bewijs van Zijn genade. (2 Petr 3:9)

## tot den dood (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de dood, lichamelijk of geestelijk. (Fil 2:8)

## tot God bekeerd (begrip)

- Innerlijke ommekeer waarbij men zich van afgoden afkeert om de levende en waarachtige God te dienen. (1 Th 1:9)

## tot heiligmaking (begrip)

- Goddelijke roeping waarbij de gelovigen niet tot onreinheid maar tot een heilig en aan God toegewijd leven worden geroepen. (1 Th 4:7)

## tot zonde gemaakt (begrip)

- Christus is voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij in Hem rechtvaardigheid Gods zouden worden. Hart van de plaatsbekledende verzoening. (2 Kor 5:21)

## Toubin (plaats)

- Streek in het Overjordaanse, het gebied van de Tobianen ten oosten van het meer van Galilea. (1 Makk 5:13)

## tovenaar (wet)

- Iemand die door geheime kunsten verborgen krachten oproept of toekomst voorspelt. In Israël streng verboden als heidense gruwel. (Dt 18:10)
- Iemand die door magische handelingen of waarzeggerij contact zocht met geesten of de toekomst voorspelde. Door de wet van Mozes streng verboden in Israël. (1Sam 28:3)

## tovenaars (begrip)

- Beoefenaars van magie en geheime kunsten. In het Oude Testament verbonden aan heidense religies en in de Tora streng verboden. (Gen 41:8)
- Egyptische magiërs die met hun bezweringen en geheime kunsten Mozes' wonderen aanvankelijk konden nadoen. Volgens overlevering Jannes en Jambres. (Ex 7:11)
- Beoefenaars van magische of occulte praktijken om verborgen kennis of macht te verkrijgen. In de wet van Mozes streng verboden. (Mal 3:5)

## tovenarij (begrip)

- Het beoefenen van geheime kunsten om door geestelijke machten resultaten af te dwingen. In de Tora streng verboden en met de doodstraf bedreigd. (Mark 1:32)

## toverboeken (voorwerp)

- De boeken die de Efezische gelovigen verbrandden ter waarde van vijftigduizend zilverlingen. (Hand 19:19)

## traag (begrip)

- Loom, niet ijverig; tegengesteld aan vlijtig. (Spr 18:9)

## traag tot toorn (begrip)

- De toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet; daarom traag te zijn tot toorn. (Jak 1:20)

## Tracho (plaats)

- De landstreek Trachonitis waarover Filippus regeerde — historische datering door Lukas. (Luk 3:1)

## Trachonitis (plaats)

- Streek van Filippus de tetrarch in Lukas' historische datering. (Luk 3:1)

## traditie (begrip)

- Mondeling of schriftelijk overgeleverde apostolische leer die door de gemeente vastgehouden moet worden. (2 Tess 2:15)

## tranen (begrip)

- Teken van diepe smart en gebed. (Ps 6:7)
- Uitdrukking van diep leed en pastorale bewogenheid. Door Paulus vermeld als kenmerk van zijn arbeid. (2 Kor 2:4)

## transfiguratie (begrip)

- Gebeurtenis op een berg waarbij Jezus voor de ogen van Petrus, Jakobus en Johannes verheerlijkt werd en met Mozes en Elia sprak. (Matt 17:2)

## trappen (plaats)

- De trappen van het kasteel waar Paulus stond om het volk in het Hebreeuws toe te spreken. (Hand 21:40)

## Trees (begrip)

- Onduidelijke of verouderde term, niet algemeen gangbaar in de Bijbel. (Num 1:1)

## treffelijk werk (begrip)

- Het opzienersambt is — geen geringe roeping. (1 Tim 3:1)

## trekken van de Vader (begrip)

- 'Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke'. (Joh 6:44)

## treuren (begrip)

- Diepe rouw of droefheid, vaak om verlies of zonde. In de zaligsprekingen toegezegd dat dergelijke droefheid door God vertroost wordt. (Matt 5:4)
- Bijbels begrip voor het uiten van diepe droefheid, vooral over de dood van naasten of over zonde en oordeel. (Sir 38:17)

## treuren en wenen (begrip)

- Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren en uw blijdschap in bedroefdheid. (Jak 4:9)

## treurkleren (begrip)

- Eenvoudige donkere of grove kleding (vaak van zakkenstof) die in tijden van rouw of verootmoediging werd gedragen, in plaats van feestkleren. (EstAp 14:2)

## Trifena (persoon)

- Vrouwelijke medewerker te Rome die in de Heere arbeidt. Door Paulus gegroet. (Rom 16:12)

## Trifosa (persoon)

- Vrouwelijke medewerker te Rome die in de Heere arbeidt. Door Paulus gegroet. (Rom 16:12)

## Tripolis (plaats)

- Foenicische havenstad aan de Middellandse Zee (huidige Tripoli in Libanon). Belangrijke handelsplaats in de hellenistische tijd. (2 Makk 14:1)

## Troas (plaats)

- Stad waar Paulus het visioen kreeg van de Macedoniër; ook waar Eutychus uit het venster viel. (Hand 16:8)
- Havenstad in Klein-Azië aan de Egeïsche Zee. Door Paulus bezocht op zijn reizen. (2 Kor 2:12)
- Plaats waar Paulus zijn mantel en boeken had achtergelaten. (2 Tim 4:13)

## trofee (begrip)

- Zegeteken na een overwinning, vaak in de vorm van veroverde wapens van de verslagene. In de Griekse wereld op het slagveld opgericht. (1 Makk 3:12)

## Trofimus (persoon)

- Medewerker die Paulus krank te Milete achterliet. (2 Tim 4:20)

## trommel (muziekinstrument)

- Slaginstrument bij dans en lof. (Ps 150:4)

## trompet (begrip)

- Blaasinstrument van metaal of ramshoorn voor signalen in oorlog, eredienst en feest. In de Bijbel verbonden met aankondiging en oordeel. (Hab 3:19)
- Blaasinstrument van zilver of brons, gebruikt in de tempeldienst en op militair gebied. Diende ook als signaalinstrument bij verzamelen of waarschuwing. (Neh 4:20)

## tronen (begrip)

- Al door Christus geschapen. (Kol 1:16)

## troon (begrip)

- Zetel van de koning; God Zelf heeft Zijn troon gezet in de hemelen. De Davidstroon is door God gegrondvest. (Ps 9:5)
- De zetel van Gods majesteit, vanwaar Hij over hemel en aarde regeert. (Openb 1:4)

## troon der genade (begrip)

- Laat ons met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden. (Hebr 4:16)

## troon Gods (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor de plaats van Gods heerschappij in de hemel. Bron van zijn rechtspraak en koningschap. (Wijsh 9:4)

## troon van saffier (uitdrukking)

- Profetisch beeld van Gods troon als blauwgekleurde edelsteen. Verwijst naar de hemelse heerlijkheid en Gods majesteit. (Ez 1:26)

## troon van Satan (begrip)

- De plaats te Pergamus waar Satan woont en zijn troon heeft — vermoedelijk de keizercultus. (Op 2:13)

## Trooster (begrip)

- Een naam voor de Heilige Geest die Jezus beloofde te zenden. De Trooster (Parakleet) staat de gelovigen bij, onderwijst hen, en overtuigt de wereld van zonde, gerechtigheid en oordeel. (Joh 14:16)

## trots (begrip)

- Zelfverheffing; brengt twist. (Spr 13:10)

## trots Edoms (begrip)

- Hoogmoed van het volk Edom dat zich onaantastbaar achtte vanwege zijn moeilijk toegankelijke bergvestingen. Kernverwijt in profetische oordeelsteksten over Edom. (Ob 1:3)

## trotse (begrip)

- Wie zich boven God verheft. Vaak parallel met 'hovaardige'. (Ps 31:24)

## trouw (begrip)

- Betrouwbaarheid en standvastigheid in beloften en relaties. In de Bijbel een centrale eigenschap van God en kerngebod voor de mens. (Gen 24:27)
- Gods standvastige betrouwbaarheid in het houden van Zijn beloften en verbond. Ook gevraagd van mensen jegens God en elkaar. (Ps 36:6)
- Onveranderlijke betrouwbaarheid in verbond, woord en daad. Belangrijke eigenschap van God en kerneis voor zijn volk. (Hos 4:1)
- Onveranderlijke betrouwbaarheid van God en zijn verbond, ook in tijden van benauwdheid. Belangrijk attribuut van God in het Oude Testament. (Na 1:7)

## trouw is Hij (begrip)

- Belijdenis van Gods trouw waarin Hij Zijn beloften vervult en het in Zijn kinderen begonnen werk van heiliging voltooit. (1 Th 5:24)

## trouw werken (begrip)

- Daadwerkelijke en betrouwbare inzet voor medegelovigen en vreemdelingen; uiting van christelijke gastvrijheid. (3 Joh 1:5)

## Trouwe en Waarachtige (begrip)

- Christus' titel als de Ruiter op het witte paard die in gerechtigheid oordeelt en krijg voert. (Op 19:11)

## trouwe en wijze huisbezorger (begrip)

- De gelijkenis van de huisbezorger die getrouw waakt op de komst van zijn heer. (Luk 12:42)

## trouwe Heere (begrip)

- Belijdenis van Christus als de getrouwe Heer die de gelovigen versterkt en hen bewaart voor de aanvallen van de boze. (2 Th 3:3)

## trouwe vermaning (begrip)

- Pastorale aansporing die niet door bevel maar door liefdevolle bewogenheid plaatsvindt. (Flm 1:9)

## trouwe vriend (begrip)

- Bijbels begrip voor wie zijn vriend in voor- en tegenspoed bijstaat. In de wijsheidsliteratuur prijzenswaardig en zeldzaam geacht. (Sir 6:14)

## trouweloos (begrip)

- Beschrijving van wie zijn beloofde verbondenheid breekt, in huwelijk, vriendschap of verbond met God. Schending van de fundamentele trouw. (Mal 2:11)

## trouweloos Israël (begrip)

- Profetische aanduiding voor het volk Israël dat het verbond met God breekt door afgoderij en onrecht. Centraal thema in de oudtestamentische profetie. (Hos 5:7)

## trouweloze Juda (uitdrukking)

- Naam voor het tweestammenrijk — omdat zij ondanks Israëls voorbeeld toch in dezelfde fouten bleef. (Jer 3:8)

## trouwhartig (begrip)

- Standvastig in trouw. ( — herzien). (Ps 31:24)

## trouwheid (begrip)

- Onwankelbare betrouwbaarheid; eigenschap van God en eis voor de dienstknecht. Vrucht van de Geest. (1 Kor 4:2)

## Tryfon (persoon)

- Diodotus Tryfon, Seleucidisch generaal en troonpretendent (regeerde 142-138 v.Chr.). Maakte Antiochus VI tot koning en doodde hem later. (1 Makk 11:39)

## Tsade (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:19)

## Tsemariet (volk)

- Een van de Kanaänitische volken, afstammelingen van Kanaän. Bewoners van de stad Sumur in het noorden van Fenicië. (Gen 10:18)

## Tubal (persoon)

- Vijfde zoon van Jafeth en stamvader van een volk in het noorden van Klein-Azië, mogelijk de Tibareners. (Gen 10:2)

## Tubal-Kaïn (persoon)

- Zoon van Lamech en Zilla, in de lijn van Kaïn. Stamvader van alle smeden in koper en ijzer. (Gen 4:22)

## tucht (begrip)

- Heilzame correctie binnen de gemeente, gericht op behoud en heiliging. Oefening van Christus' Koninkrijk. (1 Kor 5:5)
- Opvoedende vermaning en kastijding, zowel van mensen onderling als van God jegens de Zijnen. Doel is leven naar Gods wegen. (Spr 1:2)

## tucht der gemeente (begrip)

- Kerkelijke ordemaatregelen tegen ongehoorzame gemeenteleden, met als doel hun beschaming en bekering. (2 Th 3:14)

## tuchtmeester tot Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Gal 3:24)

## tuinfeest (begrip)

- Feestmaaltijd in de tuin van een paleis of villa, geliefd in het oude Oosten. Vormde een typisch onderdeel van de Perzische hofcultuur. (Esth 1:5)

## tulband van heerlijkheid (begrip)

- Hoofdgewaad van de hogepriester (vgl. Ex. 28:36-39), in profetisch beeldspraak ook teken van koninklijke of geestelijke verheffing. (Bar 5:2)

## tussentijds verbond (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Gods verbond of beloften. (Gal 3:17)

## tussenwijk (begrip)

- Aanduiding voor een wijk binnen het stedelijke gebied van Jeruzalem in de naballingschapse periode. Vormde een aparte bestuurseenheid binnen de stad. (Neh 3:11)

## twaalf afdelingen (begrip)

- Indeling van Davids leger in twaalf maandelijkse afdelingen die bij toerbeurt in dienst waren. Vorm van georganiseerde militie naast de vaste lijfwacht en de keurbende. (1 Kron 27:1)

## twaalf bokken (begrip)

- Aantal geitenbokken dat in de Schrift symbolisch wordt gebruikt voor de twaalf stammen van Israël. Werden bij grote verbonds- en verzoeningsplechtigheden in de tempel gebracht. (Ezra 6:17)

## twaalf broden (cultisch)

- De toonbroden, één voor elke stam van Israël, wekelijks vers op de gouden tafel in het heilige gelegd. Beeld van de gemeenschap met God. (Lev 24:5)

## twaalf delen (begrip)

- In het apocriefe 4 Ezra de schematische verdeling van de wereldgeschiedenis in twaalf perioden, waarvan tien en een half voorbij zouden zijn. (4 Ezra 14:11)

## twaalf fundamenten (begrip)

- De twaalf fundamenten van de muur der stad, met de namen der twaalf apostelen des Lams. (Op 21:14)

## twaalf juk runderen (begrip)

- Twaalf paren ploegende runderen, teken van een welvarend boerenbedrijf in het oude Israël. Het slachten en opofferen ervan markeerde een definitieve breuk met het oude leven. (1 Kon 19:19)

## twaalf koningskinderen (begrip)

- Aanduiding voor de zonen die koning David uit zijn verschillende vrouwen kreeg. Worden zowel naar Hebron als naar Jeruzalem ingedeeld in genealogische lijsten. (1 Kron 3:1)

## twaalf manden (voorwerp)

- De overgebleven brokken na de wonderbare spijziging van vijfduizend, evenveel als de twaalf stammen van Israël. (Matt 14:20)

## twaalf parels (voorwerp)

- De twaalf poorten van het nieuwe Jeruzalem zijn elk een afzonderlijke parel. (Op 21:21)

## twaalf poorten (begrip)

- De twaalf poorten van het nieuwe Jeruzalem, met twaalf engelen, en namen der twaalf stammen Israëls. (Op 21:12)

## twaalf priesters (begrip)

- Aanduiding voor de groep van twaalf Aäronitische priesters die door Ezra werd belast met het transport van het zilver, goud en de tempelvaten. Symbolisch verwijzend naar de twaalf stammen van Israël. (Ezra 8:24)

## twaalf profeten (persoon)

- Aanduiding voor de twaalf 'kleine profeten' van het Oude Testament, van Hosea tot Maleachi, samen verzameld in een boekrol. (Sir 49:10)

## twaalf stadspoorten (uitdrukking)

- Profetisch beeld van een stad met twaalf poorten, drie aan elke zijde, genoemd naar de twaalf stammen. Komt ook voor in de Openbaring van Johannes. (Ez 48:31)

## twaalf stammen (begrip)

- Geadresseerden van de brief — Joodse christenen buiten het land. (Jak 1:1)

## twaalf stammen-verdeling (uitdrukking)

- Profetische beschrijving van een nieuwe verdeling van het beloofde land onder de twaalf stammen van Israël. Onderdeel van het tempelvisioen. (Ez 48:1)

## twaalf staven (voorwerp)

- De wandelstaven van de twaalf stamhoofden, op Gods bevel in de tabernakel gelegd. Aärons staf bloeide en bracht amandelen voort als bevestiging van zijn priesterschap. (Num 17:6)

## twaalf stenen (voorwerp)

- Stenen die door twaalf mannen, één uit elke stam, uit de Jordaan werden genomen en als gedenkteken werden opgericht. Bedoeld als blijvend teken voor het nageslacht van Gods wonderlijke leiding. (Joz 4:3)

## twaalf verspieders (begrip)

- Verkenners die door Mozes naar Kanaän werden gestuurd om het land te onderzoeken. Tien brachten een ontmoedigend verslag, alleen Jozua en Caleb hielden vast aan Gods belofte. (Num 13:1)

## twaalf vleugelen (begrip)

- In het vierde visioen van het apocriefe 4 Ezra de twaalf grote vleugels van de adelaar, geduid als twaalf opeenvolgende heersers van het Romeinse rijk. (4 Ezra 11:1)

## twaalf vruchten (voorwerp)

- De twaalf vruchten van de boom des levens — een vrucht in elke maand, beeld van overvloedige genezing. (Op 22:2)

## twaalfde jaar wegvoering (uitdrukking)

- Profetische tijdsaanduiding gemeten vanaf de eerste deportatie naar Babel. Markeert het bericht over de val van Jeruzalem in Ezechiël. (Ez 33:21)

## twaalfde maand Adar (begrip)

- Twaalfde maand van het Joodse jaar, ongeveer overeenkomend met februari-maart. Bekend uit het boek Esther als maand waarin het Purimfeest werd ingesteld. (Neh 6:15)

## twaalfduizend stadiën (begrip)

- De maten van het nieuwe Jeruzalem — symbolisch volkomen. (Op 21:16)

## twaalftal (begrip)

- De twaalf apostelen die met Jezus aanzaten bij het Avondmaal. (Luk 22:14)

## twaalfvoudig gericht (uitdrukking)

- Profetische literaire structuur waarin het oordeel als gestructureerde climax verloopt. Onderdeel van de gezichten van Ezechiël. (Ez 8:6)

## twaalven (begrip)

- Aanduiding voor de twaalf door Jezus uitgekozen apostelen, het getal verwijst naar de twaalf stammen van Israël. (Matt 9:20)

## twee aan twee (begrip)

- Vorm van uitzending in tweetallen, in het jodendom gebruikt voor getuigenis. Volgens de Tora is een uitspraak rechtsgeldig op het woord van twee getuigen. (Mark 6:7)
- Jezus zond zijn discipelen twee aan twee uit; ook reisformule voor de zeventig. (Luk 10:1)

## twee adelaars (uitdrukking)

- Profetisch symbool voor twee opeenvolgende wereldmachten in een politieke crisis. Onderdeel van de gelijkenissen in Ezechiël. (Ez 17:3)

## twee berinnen (begrip)

- Aanduiding voor de twee berinnen die in de Schrift uit het bos kwamen om jongens te verscheuren die de profeet Elisa bespotten. Markant voorbeeld van Gods bescherming van zijn profeten. (2 Kon 2:24)

## twee boosheden (uitdrukking)

- Het kernverwijt aan Israël. (Jer 2:13)

## twee broers (begrip)

- Andreas bracht zijn broer Simon Petrus tot Jezus, met de woorden. (Joh 1:41)

## twee dagen, derde dag (begrip)

- Profetische tijdsaanduiding die spreekt van een korte periode na welke God herstelt en doet opstaan. In de christelijke uitleg betrokken op de opstanding van Christus. (Hos 6:2)

## twee discipelen van Johannes (persoon)

- Andreas en een andere die Johannes' getuigenis hoorden en Jezus volgden. (Joh 1:35)

## twee en dertig koningen (begrip)

- Aantal vazalkoningen dat onder een groot Aramees vorst optrok in een veldtocht tegen Israël. Drukt de uitgestrektheid van de Aramese invloedssfeer uit. (1 Kon 20:1)

## twee engelen in het wit (persoon)

- De engelen in het lege graf die Maria vroegen waarom zij weende. (Joh 20:12)

## twee getuigen (wet)

- Vereist minimum aan ooggetuigen voor een rechterlijke veroordeling. Niemand kon op het woord van één getuige ter dood worden gebracht. (Dt 17:6)
- Jezus beriep zich op zijn Vader als tweede getuige naast Zichzelf — Joods rechtsbeginsel. (Joh 8:17)
- De twee profetische getuigen uit de Openbaring die voor Gods aangezicht profeteren en daarna gedood en opgewekt worden. (Openb 11:3)

## twee getuigen (Henoch en Elia) (persoon)

- De twee getuigen die 1260 dagen in zakken geprofeteerd hebben en door het beest gedood worden. (Op 11:3)

## twee gezalfden (begrip)

- Profetisch motief van twee personen die in Gods dienst zijn afgezonderd, vaak een koning en een hogepriester. Onderdeel van de symbolische taal van de visioenen. (Zach 4:14)

## twee gouden schilden (begrip)

- Aanduiding voor de gouden ceremoniële schilden die in de koninklijke voorraadkamer werden bewaard. Werden bij koninklijke processies door de lijfwacht gedragen als teken van koninklijke pracht. (2 Kron 12:9)

## twee jonge duiven (voorwerp)

- Het reinigingsoffer dat Maria bracht in de tempel — armelui-offer. (Luk 2:24)

## twee koeien (begrip)

- Bij de Filistijnen gebruikt als godsoordeel om vast te stellen of een ramp van Israëls God afkomstig was. Wanneer twee melkende koeien zonder leiding hun jongen verlieten en naar Israël trokken, gold dit als bewijs van Gods hand. (1Sam 6:7)

## twee koren (begrip)

- Aanduiding voor de twee plechtige zangkoren die bij de inwijding van de muren van Jeruzalem in tegenovergestelde richtingen optrokken. Voorbeeld van rituele symmetrie in de oude tempelliturgie. (Neh 12:31)

## twee korven vijgen (uitdrukking)

- Na Jojachins ballingschap toont God Jeremia twee korven vijgen voor de tempel — één met zeer goede vroege vijgen, één met zeer slechte. Beeld: de ballingen in Babel zijn de goede (zal God terugbrengen), Zedekia en zijn metgezellen zijn de slechte. (Jer 24:1)

## twee maanden (begrip)

- Tijdsperiode genoemd in verband met de tragische gelofte van Jefta. Tijd waarin zijn dochter haar maagdelijkheid mocht bewenen voordat de gelofte werd voltrokken. (Ri 11:37)

## twee mannen in glinsterende klederen (persoon)

- De engelen in het lege graf die de vrouwen zeiden. (Luk 24:4)

## twee mannen in witte klederen (persoon)

- De twee engelen die bij Jezus' hemelvaart aan de discipelen verschenen en zijn wederkomst aankondigden. (Hand 1:10)

## twee miljoen ruiters (begrip)

- Het getal der ruiterlegers bij de zesde bazuinplaag — twee miljoen ruiters. (Op 9:16)

## twee of drie (begrip)

- Verwijzing naar het minimum aantal getuigen dat volgens de Tora vereist was om een uitspraak rechtsgeldig te maken. In Mattheus toegepast op de gemeenschap die in Jezus' Naam vergadert. (Matt 18:20)

## twee olijfbomen (begrip)

- De twee olijfbomen en twee kandelaren staande voor de God der aarde — de twee getuigen. (Op 11:4)

## twee oudsten (persoon)

- De twee Joodse rechters in het verhaal Susanna die Susanna belaagden, valselijk beschuldigden en uiteindelijk volgens de wet zelf ter dood werden gebracht. (Sus 1:8)

## twee penningen (voorwerp)

- De twee penningen die de Samaritaan aan de waard gaf voor de zorg van de gewonde reiziger. (Luk 10:35)

## twee schuldenaars (begrip)

- De gelijkenis aan Simon de Farizeeër over twee schuldenaars; wie meer kwijtgescholden is, heeft meer lief. (Luk 7:41)

## Twee soorten herders (uitdrukking)

- De leiders worden geoordeeld; God Zelf wordt de Herder. (Jer 50:6)

## twee stammen (begrip)

- Aanduiding voor de stammen Juda en Benjamin die na de scheuring van het rijk trouw bleven aan het huis van David. Vormden samen het zuidelijke koninkrijk Juda. (1 Kon 12:21)

## twee staven verenigd (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij twee staven worden samengebonden als beeld voor de hereniging van Juda en Israël. Onderdeel van symboolperformance. (Ez 37:17)

## twee tafelen (voorwerp)

- De twee stenen platen waarop God de Tien Geboden eigenhandig schreef. Bewaard in de ark van het verbond. (Dt 9:10)

## twee tortelduiven (voorwerp)

- Het armelui-offer dat Maria en Jozef brachten bij Jezus' opdracht in de tempel. (Luk 2:24)

## twee uittochtprofetieën (uitdrukking)

- Profetische combinatie van twee opstandingsbeelden die het herstel van Gods volk uit ballingschap aankondigen. Onderdeel van de heilsprofetie. (Ez 37:11)

## twee verbonden (begrip)

- Hagar en Sara als twee verbonden: het wettische en het belofte-verbond. (Gal 4:24)

## twee visjes (voorwerp)

- De twee visjes die het knechtjen aanbood en die Jezus vermenigvuldigde. (Joh 6:9)

## twee vissen (voorwerp)

- Onderdeel van het schaarse voedsel waarmee Jezus volgens de evangeliën een grote menigte spijzigde. (Matt 14:17)

## twee zusters (uitdrukking)

- En — twee zustervolken die God beide ontrouw waren. Voorloper van Ez 23. (Jer 3:8)

## tweede bezoek (begrip)

- Apostolische voorgenomen tweede komst naar de gemeente. Onderwerp van Paulus' verdediging tegen verwijten van wankelmoedigheid. (2 Kor 1:23)

## tweede dood (begrip)

- De eeuwige scheiding van God in de poel des vuurs, na de eerste lichamelijke dood. (Op 20:14)

## tweede komst van Nehemia (begrip)

- Aanduiding voor het tweede bezoek van Nehemia aan Jeruzalem na een tussenliggend verblijf aan het Perzische hof. Werd gekenmerkt door scherpe maatregelen tegen ondertussen ontstane misstanden. (Neh 13:6)

## tweede leeuwenkuil (begrip)

- Het tweede verhaal in het apocriefe Bel en de draak waarin Daniël in een leeuwenkuil wordt geworpen, parallel aan Daniël 6 maar met andere details. (BelDra 1:30)

## Tweede Makkabeeën (begrip)

- Apocrief boek van het Oude Testament, een verkorte bewerking (in het Grieks) van het vijfdelige werk van Jason van Cyrene over de Makkabese opstand. (2 Makk 2:23)

## tweede Pascha (begrip)

- Vervangende viering van het Pascha in de tweede maand voor wie in de eerste maand verhinderd was. Voorzien in de wet van Mozes voor situaties van rituele onreinheid of afwezigheid. (2 Kron 30:2)

## tweede wetgeving (begrip)

- Letterlijke betekenis van het Griekse 'Deuteronomium': een herhaling en uitwerking van de wet door Mozes voor het Israël dat het beloofde land binnen zou gaan. (Dt 1:5)

## tweede zalving (begrip)

- Hernieuwde plechtige bevestiging van een koning in zijn ambt, doorgaans openbaar voor het volk. Vond in Israël plaats wanneer eerdere zalving in beperkte kring had plaatsgevonden. (1Sam 11:14)

## tweedracht (begrip)

- Verdeeldheid, onenigheid. Er ontstond meerdere keren tweedracht onder het volk over wie Jezus was. (Joh 7:43)
- Verdeeldheid en partijschap binnen de gemeente. Werk van het vlees en strijdig met de eenheid van het lichaam. (Rom 16:17)

## tweehonderdvier boeken (begrip)

- In het apocriefe 4 Ezra het totale aantal boeken dat Ezra door inspiratie zou hebben opgeschreven: 24 openbaar (de Hebreeuwse canon) en 70 geheim. (4 Ezra 14:44)

## tweehoorn (begrip)

- Verouderde of onduidelijke term, mogelijk verwijzend naar een dier met twee hoorns of een muzikaal instrument. (Lev 1:1)

## tweeling (begrip)

- Twee kinderen die uit een en dezelfde zwangerschap geboren worden. In de Bijbel bekende voorbeelden zijn Esau en Jakob, en Perez en Zerah. (Gen 25:24)

## tweemaal gestorven (begrip)

- Bomen tweemaal verstorven en ontworteld — beeld van valse leraren die in zonde leven en geestelijk dood zijn, zonder hoop. (Jud 1:12)

## tweesnijdend zwaard (voorwerp)

- Zwaard met snede aan beide kanten, geschikt voor zowel houwen als steken. In de Schrift ook beeld van het scherpe en doordringende Woord van God. (Ri 3:16)
- Vergelijking voor het Woord Gods dat scheiding maakt tussen ziel en geest, gewrichten en merg, en de gedachten en overleggingen des harten oordeelt. (Hebr 4:12)
- Uit de mond van de Mensenzoon ging een tweesnijdend scherp zwaard — beeld van het oordelende Woord. (Op 1:16)

## twijfel (begrip)

- Onzekerheid in geloof of gewetenszaken. Wat niet uit geloof is, is zonde. (Rom 14:23)

## twijfeling (begrip)

- Wie wijsheid begeert, bidde in geloof en twijfele niet, want die twijfelt is een baar der zee gelijk, die van de wind gedreven en op- en nedergeworpen wordt. (Jak 1:6)

## twist (begrip)

- Geestelijk verdeeldheid en woordenstrijd. Werk van het vlees en hindernis voor de eenheid. (1 Kor 1:11)
- Ruzie. Vermijd in vroege fase. (Spr 17:14)
- Conflict of strijd, vaak in juridische zin van een rechtszaak of geschil. In profetische taal teken van een ontwricht samenleven. (Hab 1:3)

## twist met God (begrip)

- Worsteling van een gelovige met Gods handelen of besluiten. In de Bijbel niet ongebruikelijk, maar steeds gericht op het herstel van vertrouwen. (Jon 4:1)

## twist met vriend (begrip)

- Bijbels begrip voor onenigheid met een vriend. In de wijsheidsliteratuur reden tot voorzichtigheid en herstel. (Sir 22:22)

## twist mijden (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het ontwijken van ruzie en geschillen, omdat zij vrede en wijsheid verstoren. (Sir 28:10)

## twisten (begrip)

- Strijden; eerlijk te beoordelen, niet snel te beginnen. (Spr 25:8)

## twiststoker (begrip)

- Wie ruzie veroorzaakt; door God gehaat. (Spr 6:19)

## Tychikus (persoon)

- Brenger van de brief en geliefde broeder die de Kolossenzen op de hoogte brengt. (Kol 4:7)
- Medewerker die Paulus naar Efeze gezonden had. (2 Tim 4:12)
- Vroegchristelijke medewerker van Paulus afkomstig uit Asia, gebruikt als bode bij meerdere brieven en als afgezant naar verschillende gemeenten. (Tit 3:12)

## Tyrus (plaats)

- Welvarende Fenicische havenstad aan de Middellandse Zee, beroemd om handel, scheepvaart en purper. Profeten kondigden over haar de val aan. (Ps 87:4)

## Tyrus als koopman der volken (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor de Foenicische stad Tyrus als handelscentrum van het oude Middellandse-Zeegebied. Onderdeel van de volkenoordelen. (Ez 27:3)

## Tyrus als koopstad (uitdrukking)

- Beeld van Tyrus als belangrijkste handelsstad van het oude Middellandse-Zeegebied. Bekend om de invoer en uitvoer naar tal van volken. (Ez 27:5)

## Tyrus oordeel (uitdrukking)

- Profetische voorzeggingen over de val van de Foenicische handelsstad Tyrus. In de Bijbel gebruikt als voorbeeld van Gods oordeel over hoogmoed en koophandel. (Ez 26:3)

## Uchal (persoon)

- Tweede persoon tot wie Agur sprak. (Spr 30:1)

## uit de besnijdenis (begrip)

- Aanduiding voor joodse christenen, in het bijzonder voor wie hechtten aan handhaving van de joodse wet binnen de kerk. (Tit 1:10)

## uit de diepten (begrip)

- Inleiding van het diepste gebed. (Ps 130:1)

## uit de dood in het leven (begrip)

- Wij weten dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven omdat wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood. (1 Joh 3:14)

## uit de duivel (begrip)

- Jezus' scherpste woord tot zijn tegenstanders. (Joh 8:44)
- Die de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt van het begin af. Hiertoe is de Zoon Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. (1 Joh 3:8)

## uit de synagoge geworpen (begrip)

- De Joden besloten dat wie Jezus als Christus beleed, uit de synagoge geworpen zou worden — lot van de blindgeborene. (Joh 9:22)

## uit de wereld (begrip)

- Zij zijn uit de wereld, daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen. (1 Joh 4:5)

## uit genade (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Gods genade en vrede. (Ef 2:8)

## uit God geboren (begrip)

- Een ieder die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een ieder die liefheeft Dengene die geboren heeft, die heeft ook lief degene die uit Hem geboren is. (1 Joh 5:1)

## uit Hem geboren (begrip)

- Indien u weet dat Hij rechtvaardig is, zo weet u dat een ieder die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is. (1 Joh 2:29)

## uit het noorden (uitdrukking)

- Sleuteluitdrukking van Jeremia: het oordeel komt 'uit het noorden' — wijst op Babel, dat hoewel ten oosten gelegen, via de Eufraat-route door het noorden binnenviel. (Jer 1:14)

## uit het vuur rukken (begrip)

- Behoudt anderen door vrees, en rukt hen uit het vuur — dringend reddingswerk voor wie op de rand van afval staan. (Jud 1:23)

## uit mijn vlees zal ik God aanschouwen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de hoop op een persoonlijk en lichamelijk aanschouwen van God na de dood. Klassieke oudtestamentische opstandingstaal. (Job 19:26)

## uit ons uitgegaan (begrip)

- Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn. (1 Joh 2:19)

## uitdelers (begrip)

- Goede uitdelers van de menigerlei genade Gods — gelovigen als beheerders van Gods veelvormige genadegaven. (1 Petr 4:10)

## uitdrijving der Joden (begrip)

- Claudius had bevolen dat alle Joden uit Rome zouden vertrekken; daarom kwamen Aquila en Priscilla naar Korinthe. (Hand 18:2)

## uiterste dag (begrip)

- De laatste dag, de dag waarop God alles zal oordelen en de doden zal opwekken. Jezus belooft dat Hij de gelovigen zal opwekken op de uiterste dag. (Joh 6:39)

## uiterste einden Zijner wegen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het besef dat wat de mens van God kent slechts de buitenkant is. Onderdeel van de wijsheidsliteratuur over Gods ondoorgrondelijkheid. (Job 26:14)

## uiterste hoeksteen (begrip)

- Fundament van de hele bouw. (Ef 2:20)

## uitersten (begrip)

- Bijbels en kerkelijk begrip voor de laatste dingen: dood, oordeel, hemel en hel. Een veelvuldig overwogen onderwerp in de wijsheidsliteratuur. (Sir 7:36)

## uitgang (begrip)

- Mozes en Elia spraken met Jezus over zijn (exodus) die Hij te Jeruzalem zou volbrengen — zijn dood. (Luk 9:31)

## uitgedrukte beeld (begrip)

- Christus is het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid; in Hem wordt de Vader gekend. (Hebr 1:3)

## uitgegaan om Naam (begrip)

- Vertrek tot zending of verkondiging om Christus' wil; vroegchristelijke aanduiding voor missionaire arbeid. (3 Joh 1:7)

## uitgestrekte hand en sterke arm (uitdrukking)

- Klassieke uittochttaal die omgekeerd wordt — dezelfde macht die Israël verloste, treedt nu tegen het ontrouwe Israël. (Jer 21:5)

## uitgieten (begrip)

- Kenosis: Christus heeft zichzelf ontledigd. (Filip 2:7)

## uitgieten van de Geest (theologisch)

- Profetische belofte dat God in de heilstijd Zijn Heilige Geest in overvloed over alle vlees zal schenken. In het Nieuwe Testament door Petrus op Pinksteren als vervuld beleden. (Joël 2:28)

## uitgieting van de Geest (theologisch)

- Profetische belofte dat God in de heilstijd Zijn Heilige Geest in overvloed zal schenken aan Zijn volk. Vrucht is bekering, gebed en geestelijk leven. (Zach 12:10)

## uithelpen (begrip)

- God grijpt in en bevrijdt. (Ps 18:20)

## Uithelper (begrip)

- God als Bevrijder uit benauwdheid. (Ps 18:3)

## uitkiezing (begrip)

- Gods soevereine handelen waardoor Hij Israël boven andere volken heeft uitgekozen om zijn verbondsvolk te zijn. Brengt zowel voorrecht als verantwoordelijkheid mee. (Am 3:2)

## uitkleding van vlees (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het vlees of de natuurlijke mens. (Kol 2:11)

## uitkomst (begrip)

- Gods bevrijding uit nood. (Ps 18:20)

## uitlandse vrouwen (begrip)

- Vrouwen uit de heidense volken rondom Juda. In Ezra 9-10 verboden voor de teruggekeerden om mee te trouwen. (3 Ezra 9:7)

## uitlegger, een uit duizend (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor een zeldzame middelaar of voorspraak die een mens met God kan verzoenen. Vooruitwijzend verlangen naar de Messias. (Job 33:23)

## uitlegging (begrip)

- Uitlegging van de tongentaal als geestelijke gave. Vereist opdat de gemeente gesticht wordt. (1 Kor 12:10)
- Verklaring van een spreuk of raadsel stelt het uitleggen van wijzen op één lijn met het verstaan van de wijsheid. (Spr 1:6)

## uitnemend wonderlijk (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor Gods werken die alle menselijk begrip te boven gaan. Klassieke wending in loftaal over Gods scheppingsmacht. (Job 5:9)

## uitnemende verheugen (uitdrukking)

- Belofte van eeuwige zegen. (Jer 33:9)

## uitnemendheid (begrip)

- Overtreffende voortreffelijkheid van de kennis van Christus. Bron van apostolisch roemen. (2 Kor 4:7)

## uitroeien (begrip)

- Volledig vernietigen of uit het volk wegnemen. Strafmaat in de Tora voor ernstige overtredingen tegen God of het verbond. (Gen 17:14)

## uitschieten (begrip)

- Verouderd voor 'uitbotten' of 'voortbrengen'. Gebruikt voor het opkomen van planten of nageslacht. (Gen 1:11)

## uitschudden (gebruik)

- Symbolisch gebaar waarbij men het kleed of de schoot uitschudde om te verklaren dat men onschuldig was of niets meer te maken wilde hebben met iets. Vorm van plechtige verklaring in de oudheid. (1Sam 12:3)

## uitspansel (natuur)

- Het hemelgewelf, door God op de tweede scheppingsdag gemaakt om de wateren boven van die beneden te scheiden. Hebreeuws raqia. (Gen 1:6)
- De hemelkoepel zoals door God gespannen — het zichtbare gewelf boven de aarde, met zon, maan en sterren. In Genesis noemt God het uitspansel "hemel" verkondigt het Gods scheppingswerk. (Ps 19:2)

## uitspansel boven hun hoofden (uitdrukking)

- Profetisch beeld van een hemels gewelf boven de troondragende wezens. Sluit aan bij de oudtestamentische voorstelling van de hemel als uitspansel. (Ez 1:22)

## uitspraak (begrip)

- Profetisch woord of last waarin God door zijn profeet een oordeel of belofte uitspreekt. Vaste profetische literaire vorm. (Zach 9:1)

## uitstorten (begrip)

- Voor God de ziel leeg maken in gebed. (Ps 62:9)

## uitstorting (begrip)

- De uitstorting van de Heilige Geest op alle vlees — vervulling van Joëls profetie. (Hand 2:17)

## uitstorting van overdadigheid (begrip)

- De heidenen vinden vreemd dat u niet medeloopt tot dezelfde uitstorting der overdadigheid, en zij lasteren u. (1 Petr 4:4)

## uittocht (theologisch)

- De wonderbare bevrijding van Israël uit de slavernij van Egypte onder leiding van Mozes. Centraal heilsfeit van het Oude Testament. (Ex 12:51)
- De bevrijding van Israël uit Egypte onder leiding van Mozes (ca. 13e eeuw v.Chr.). Grondgebeuren van Gods verlossing in het Oude Testament. (Ps 114:1)
- De bevrijding van Israël uit de slavernij in Egypte onder leiding van Mozes (ca. 13e eeuw v.Chr.). Het centrale heilsfeit van het Oude Testament. (Wijsh 11:1)

## uittocht groter dan eerste (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 23:7)

## uittochtweg (begrip)

- Het pad door de zee dat God maakte. (Ps 77:20)

## uitvallen tot de Chaldeeën (uitdrukking)

- Gods raad om tot de belegeraars over te gaan en zo het leven te behouden — voor velen onverdraaglijk hard, klonk als verraad. (Jer 21:9)

## uitverkiezing (begrip)

- Gods soevereine keuze van bepaalde personen of een volk om Zijn heilsdoelen door hen te verwerkelijken. In Genesis Abraham, Izak en Jakob. (Gen 25:23)
- Gods soevereine keuze van Zijn volk en Zijn knechten. (Ps 132:13)
- Gods soevereine verkiezing van zondaren tot zaligheid in Christus, vóór de grondlegging der wereld. Vrucht van Zijn welbehagen. (Rom 9:11)
- Goddelijke verkiezing waardoor God uit louter genade gelovigen tot het heil bestemt. (1 Th 1:4)
- Gods eeuwige besluit waardoor Hij in Christus mensen tot zaligheid bestemt. (Jak 2:5)

## uitverkoren (begrip)

- 'Israël Mijn uitverkorene'. (Ps 105:43)
- Door God uitgezocht en apart gezet. Jezus zei: God kiest wie bij Hem mogen horen. (Joh 15:16)

## uitverkoren geslacht (begrip)

- Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat u zou verkondigen de deugden van Hem die u uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht geroepen heeft. (1 Petr 2:9)

## uitverkoren steen (begrip)

- Ik leg in Sion een uiterste hoeksteen, uitverkoren en dierbaar, en wie in Hem gelooft zal niet beschaamd worden. (1 Petr 2:6)

## uitverkoren tot zaligheid (begrip)

- Goddelijke verkiezing van gelovigen tot het heil, vanaf de aanvang en gewerkt door heiligmaking van de Geest en geloof in de waarheid. (2 Th 2:13)

## uitverkoren vat (begrip)

- Aanduiding waarmee de verheerlijkte Heere Saulus van Tarsus tot apostel der heidenen bestempelde. Beeldspraak voor een door God bestemd werktuig van zijn Naam. (Hand 9:15)

## uitverkoren vreemdelingen (begrip)

- De uitverkoren vreemdelingen in de verstrooiing — geliefde aanduiding van christenen die op aarde een tijdelijke woonplaats hebben. (1 Petr 1:1)

## uitverkoren vrouw (begrip)

- Geadresseerde van de tweede Johannesbrief; algemeen opgevat als een symbolische aanduiding voor een gemeente, mogelijk ook een individuele christin. (2 Joh 1:1)

## uitverkorene (begrip)

- Saulus is om Christus' Naam te dragen. (Hand 1:2)
- Door God uitgekozene tot het heil; in de tweede Johannesbrief tevens aanduiding van de geadresseerde vrouw of gemeente. (2 Joh 1:1)

## uitverkorenen (begrip)

- Door God in Christus uitgekozen tot het heil; aanduiding van de gemeente als Gods uitverkoren volk. (Tit 1:1)

## uitvloeiing (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor wat onmiddellijk uit een bron of oorsprong voortkomt, zonder onderbreking of vermenging. (Wijsh 7:25)

## uitwendig (begrip)

- Wat tot het zichtbare en vergankelijke behoort. Tegenovergesteld aan het inwendige dat vernieuwd wordt. (2 Kor 4:16)

## uitwendige mens (begrip)

- Het vergankelijke lichamelijke bestaan dat van dag tot dag verdwijnt. Tegenover de inwendige mens die vernieuwd wordt. (2 Kor 4:16)

## uitwerpen (begrip)

- Verwijderen van iemand uit een gemeenschap; in kerkelijk verband uitsluiting uit de gemeente. (3 Joh 1:10)

## uitwerpen uit gemeente (begrip)

- Tuchtmaatregel waarbij iemand uit de gemeente wordt verwijderd; in negatieve zin misbruikt door eigenmachtige leidslieden. (3 Joh 1:10)

## uitwerping (begrip)

- Verbanning of buitensluiting; in het bijzonder van de kerkelijke ban tegen openbare zonde. Tot behoud van de geest. (1 Kor 5:13)
- Citaat over Hagar en Ismaël. (Gal 4:30)

## uitwonen (begrip)

- Verblijven buiten de blijvende woonplaats; van het tegenwoordige inwonen in het lichaam tegenover het bij de Heere zijn. Beeld van het pelgrimsleven. (2 Kor 5:8)

## ulieden (begrip)

- Verouderde Nederlandse aanspreekvorm voor 'jullie' of 'u allen'. In de Statenvertaling gebruikt voor de meervoudige aangesproken groep. (Hag 1:5)

## Ur (plaats)

- Oude stad in zuidelijk Mesopotamië aan de Eufraat. Geboorteplaats van Abraham, vanwaar God hem riep om naar het beloofde land te trekken. (Gen 11:28)
- Oude stad in zuidelijk Mesopotamië, geboorteplaats van Abraham. Vanwaar God hem riep om naar het beloofde land te trekken. (Ex 1:1)

## Ur der Chaldeeën (plaats)

- Oude stad in zuidelijk Mesopotamië bij de Perzische golf. Geboorteplaats van Abraham, vanwaar God hem riep om naar Kanaän te trekken. (Gen 11:28)

## Urbanus (persoon)

- Medewerker van Paulus in Christus te Rome. Door Paulus gegroet. (Rom 16:9)

## ure (begrip)

- Jezus' verwijzing naar het uur van zijn lijden en verheerlijking. (Joh 2:4)

## ure der verzoeking (begrip)

- De grote verzoeking die over de hele wereld zal komen — Filadelfia wordt ervan bewaard. (Op 3:10)

## Uria (persoon)

- Een van de dapperste helden in het leger van koning David, oorspronkelijk een Hethiet. Werd op listig bevel van David in de strijd in de voorste linie geplaatst om hem te laten omkomen. (2Sam 11:3)
- Hethitische krijgsman in dienst van koning David. Echtgenoot van Bathseba, op Davids bevel doelbewust ten dode opgesteld in de strijd. (Matt 1:6)

## Uria de Hethiet (persoon)

- Een van de dapperste helden in het leger van koning David, oorspronkelijk een Hethiet. Werd op listig bevel van David in de strijd in de voorste linie geplaatst om hem te laten omkomen. (1 Kron 11:41)

## Uria zoon van Semaja (persoon)

- Profeet uit Kirjath-Jearim die soortgelijke woorden sprak als Jeremia; vluchtte naar Egypte maar werd door Jojakim teruggehaald en met het zwaard gedood. (Jer 26:20)

## Urim en Thummim (cultisch)

- Heilige voorwerpen in de borstlap van de hogepriester, gebruikt om de wil van God te leren kennen. Hun precieze aard is onbekend. (Ex 28:30)
- Heilige voorwerpen in de borstlap van de hogepriester, gebruikt om de wil van God te weten te komen. Hun precieze aard is onbekend. (Lev 8:8)
- Heilige loten of voorwerpen in de borstlap van de hogepriester, gebruikt om Gods wil te vragen in belangrijke aangelegenheden. De preciezere aard ervan blijft onzeker. (1Sam 28:6)
- Twee voorwerpen in de borstlap van de hogepriester (Exodus 28:30) waarmee God geraadpleegd werd in beslissende vragen. Aard precies onbekend. (Sir 45:10)

## Urim en Tummim (begrip)

- Heilige loten of voorwerpen in de borstlap van de hogepriester, gebruikt om Gods wil te vragen in belangrijke aangelegenheden. De preciezere aard ervan blijft onzeker. (Ezra 2:63)

## Uriël (persoon)

- In de joodse traditie een van de aartsengelen, naam betekent 'God is mijn licht'. Speelt de hoofdrol als hemelse uitlegger in het apocriefe 4 Ezra. (4 Ezra 4:1)

## Usal (persoon)

- Zoon van Joktan en nakomeling van Sem. Stamvader van een zuid-Arabische stam. (Gen 10:27)

## Uw woord (begrip)

- Gods openbaring en belofte. Het hele is één meditatie op Gods Woord. (Ps 119:105)

## uwentwil (begrip)

- Verouderd voor 'om u' of 'omwille van u'. 'Om uwentwil' betekent vanwege u, ten gevolge van uw daad. (Gen 3:17)

## Uz (persoon)

- Naam van twee Genesis-personen: een zoon van Aram (kleinzoon van Sem) en een eerstgeboren zoon van Nahor. (Gen 10:23)

## Uz (persoon) (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Nahor en Milka. Neef van Abraham; mogelijk naamgever van het land Uz waar Job woonde. (Gen 22:21)

## Uza (persoon)

- Zoon van Abinadab uit Kirjath-jearim, betrokken bij het vervoer van de ark des verbonds naar Jeruzalem. Werd door God onmiddellijk gedood toen hij de ark aanraakte tijdens een struikelpartij van de ossen. (2Sam 6:6)

## Uzal (persoon)

- Zoon van Joktan en nakomeling van Sem. Stamvader van een zuid-Arabische stam, vaak verbonden aan San'a in Jemen. (Gen 10:27)

## uzelf opbouwen (begrip)

- Geliefden, bouwt gij uzelf op uw allerheiligst geloof — christelijke groei is actieve opbouw. (Jud 1:20)

## uzelf schuldig (begrip)

- Aanduiding voor een geestelijke schuld die iemand heeft aan wie hem tot het geloof heeft gebracht. (Flm 1:19)

## Uzza (persoon)

- Zoon van Abinadab uit Kirjath-jearim, betrokken bij het vervoer van de ark des verbonds naar Jeruzalem. Werd door God onmiddellijk gedood toen hij de ark aanraakte tijdens een struikelpartij van de runderen. (1 Kron 13:9)

## Uzza, hof van (plaats)

- Aanduiding voor een tuin of begraafplaats bij het paleis te Jeruzalem. Diende als alternatief graf voor enkele koningen die niet in het reguliere koningsgraf werden bijgezet. (2 Kon 21:18)

## Uzzia (persoon)

- Koning van Juda (ca. 783-742 v.Chr.), ook Azarja genoemd. Bracht het rijk tot grote welvaart maar werd melaats wegens hoogmoed in de tempel. (Hos 1:1)
- Tiende koning van Juda, ook bekend onder de naam Azaria, zoon en opvolger van Amazia. Regeerde lang en welvarend, maar werd op zijn oude dag met melaatsheid geslagen. (2 Kon 15:13)

## vaal paard (begrip)

- Het vale paard uit de Openbaring; beeld van pestilentie en de dood. (Op 6:8)

## vaandelen (begrip)

- Veldtekens, banieren — strijdvanen die door legers werden meegevoerd. Gehesen bij overwinning of als verzamelpunt. — onze overwinning aan God toeschrijven. (Ps 20:6)

## vaandels (voorwerp)

- Stamvanen waaronder de afdelingen van Israël zich legerden en optrokken. Elke stamafdeling had haar eigen banier. (Num 2:2)

## vader (persoon)

- Aanduiding voor de mannelijke ouder, in de Bijbel ook voor voorouder of geestelijk leidsman. In het Nieuwe Testament bij uitstek aanduiding van God. (Mark 14:36)
- Ouder; ook geestelijk vaderschap van een apostel die de gelovigen door het evangelie heeft verwekt. Verbonden aan zorg en onderwijs. (Rom 1:7)
- Aanspraak voor God als bron en oorsprong van het bestaan en het heil, en in het bijzonder als Vader van Jezus Christus. (1 Tess 1:1)

## vader der lichten (begrip)

- Alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering. (Jak 1:17)

## Vader der regen (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor God als oorsprong van de natuurlijke neerslag. Onderdeel van de loftaal op zijn scheppingsmacht. (Job 38:28)

## vader des leugens (begrip)

- Aanduiding voor de duivel als oorspronkelijke en blijvende bron van de leugen. (Joh 8:44)

## vader en zoon (begrip)

- Jezus' beeld van Gods Vaderhart. (Luk 11:11)
- Aanduiding van de eerste twee Personen van de Drie-eenheid in hun onderlinge betrekking; samen bron van genade, barmhartigheid en vrede. (2 Joh 1:3)

## vader eren (begrip)

- Bijbels gebod uit de Tien Geboden (vijfde gebod), waarmee de eerbied voor de ouders als grond van het maatschappelijk leven wordt vastgelegd. (Sir 3:1)

## Vader in de hemelen (begrip)

- Karakteristieke aanduiding van God in het Mattheusevangelie, die zijn vaderlijke betrokkenheid en zijn hemelse verhevenheid combineert. (Matt 6:9)

## Vader is meerder dan Ik (begrip)

- Jezus' troostwoord aan de discipelen. (Joh 14:28)

## Vader loochenen (begrip)

- Een ieder die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet — Johannes verbindt orthodoxe Christologie en kennis van de Vader. (1 Joh 2:23)

## Vader, in Uw handen (begrip)

- Het laatste woord van Jezus aan het kruis, een aan een psalm ontleend gebed van overgave aan zijn Vader. (Luk 23:46)

## Vader, vergeef het hun (begrip)

- Jezus' kruiswoord van vergeving. (Luk 23:34)

## vader-bediening (begrip)

- Pastorale zorg waarin een gemeenteleider de gelovigen vermaant en troost zoals een vader zijn kinderen. (1 Th 2:11)

## vaderland (begrip)

- Het hemelse vaderland dat de geloofshelden zochten; God schaamt Zich niet hun God genoemd te worden, want Hij heeft hun een stad bereid. (Hebr 11:14)

## vaderlijke kastijding (begrip)

- God handelt met u als met zonen — wat zoon is er die de vader niet kastijdt? Verdraagt dan de kastijding tot uw nut, opdat u Zijn heiligheid deelachtig wordt. (Hebr 12:7)

## Vaders Naam op het voorhoofd (begrip)

- De Naam van de Vader geschreven op het voorhoofd der honderdvierenveertigduizend — tegenstelling met het beestmerk. (Op 14:1)

## vaders niet tergen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Ef 6:4)

## vader­huis (begrip)

- Familieverband. Zelden in Psalmen, vaker in historische boeken. (Ps 45:11)

## Vajezatha (persoon)

- Jongste van de tien zonen van Haman, de Perzische ambtenaar die de uitroeiing van de Joden plande. Werd met zijn broers gedood bij de tegenactie van de Joden. (Esth 9:9)

## val van Babylon (begrip)

- De tweede engel volgde, zeggende. (Op 14:8)

## val van Egypte (uitdrukking)

- Profetische voorzegging van het verval van het Egyptische rijk als wereldmacht. Onderdeel van de oudtestamentische volkenoordelen. (Ez 30:1)

## val van Jeruzalem (uitdrukking)

- En 52 verhalen de inname (586 v.Chr.) na 18-maanden beleg: muren doorbroken, Zedekia gevangen bij Jericho, koningskinderen voor zijn ogen geslacht, Zedekias veertigjarige bediening. (Jer 39:2)

## val van Jeruzalem aankomen (uitdrukking)

- Centraal historisch keerpunt waarbij het bericht van de verwoesting van Jeruzalem in 586 v.Chr. de ballingen bereikt. Markeert overgang van oordeels- naar heilsprofetie. (Ez 33:21)

## vals (begrip)

- Onbetrouwbaar, bedrieglijk; 'valse getuige'. (Spr 6:19)

## valse apostel (begrip)

- Iemand die zich ten onrechte voor apostel uitgeeft. Door Paulus scherp ontmaskerd. (2 Kor 11:13)

## valse brief (begrip)

- Vervalste brief die ten onrechte op naam van een apostel in omloop wordt gebracht om dwaalleer ingang te doen vinden. (2 Th 2:2)

## valse broeders (begrip)

- Onoprechte mensen die zich onder de gelovigen mengen om hen te schaden. Bron van bedreiging in de jonge gemeente. (2 Kor 11:26)
- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de onderlinge liefde in de gemeente. (Gal 2:4)

## valse droom (uitdrukking)

- God veroordeelt profeten die elkaars dromen rondvertellen om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten — Hij stelt zich tegen. (Jer 23:31)

## valse getuige (begrip)

- Wie loog in een zaak; één van de zes/zeven gruwelen. (Spr 6:19)

## valse herders (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor leiders die hun ambt misbruiken voor eigen voordeel in plaats van het volk te dienen. Klassieke aanklacht in de profetische literatuur. (Ez 34:2)

## valse leraars (begrip)

- Mensen die binnen de gemeente onschriftuurlijke leer brengen en de gelovigen verleiden. (2 Petr 2:1)

## valse maat (begrip)

- Bijbels begrip voor bedrog in handel door verkeerde maten of gewichten te gebruiken. Door de wet van Mozes (Lev. 19:36) streng verboden. (Sir 42:4)

## valse profeet (wet)

- Iemand die in de naam van God of een andere god spreekt wat hij niet ontvangen heeft. Volgens de Tora strafbaar met de dood. (Dt 18:20)
- Iemand die zich ten onrechte als profeet voordoet en mensen van de waarheid afleidt. (Op 19:20)

## valse profeten (begrip)

- Mensen die ten onrechte beweren namens God te spreken en zo het volk misleiden. In de Bijbel meermaals onderwerp van waarschuwing en oordeel. (Matt 7:15)
- Personen die zich als profeet voordeden zonder werkelijk door God geroepen of gezonden te zijn. Hun boodschap stond doorgaans in dienst van het politieke gezag of van eigen voordeel. (2 Kon 3:13)
- Lange aanklacht tegen profeten die in Mijn Naam leugen profeteren — De Heere onderscheidt Zijn woord van hun fantasie als vuur en hamer. (Jer 23:14)

## valse profeten witten muren (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij valse profeten als pleisteraars worden gezien die de gebrekkigheid van hun bouwwerk verdoezelen. Klassieke profetische kritiek. (Ez 13:10)

## valse schaamte (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor een verkeerd gerichte schaamte, waarbij men zich schaamt voor wat goed is of niet schaamt voor wat kwaad is. (Sir 41:17)

## valse veiligheid in de pot (uitdrukking)

- Profetische aanklacht tegen leiders die in tijden van crisis de mensen valse zekerheid bieden. Onderdeel van de profetische ontmaskering. (Ez 11:3)

## valse vrede (uitdrukking)

- Profeten en priesters die 'vrede vrede' roepen 'doch er is geen vrede'. Klassieke profetische beschuldiging. (Jer 6:14)

## valse vriend (begrip)

- Bijbels begrip voor wie zich vriend voordoet maar in tijden van nood ontrouw blijkt. In de wijsheidsliteratuur scherp afgeraden. (Sir 6:8)

## valse vrienden (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor wie zich vriend voordoen maar in tijden van nood ontrouw blijken. In de wijsheidsliteratuur scherp afgeraden. (Sir 12:8)

## valselijk genaamde wetenschap (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (1 Tim 6:20)

## valsheid (begrip)

- Onwaarheid en bedrog. (Ps 5:10)

## valstrik (begrip)

- Verborgen lokaas.; de bidder vraagt God hem voor de strikken te bewaren. (Ps 141:9)
- Verborgen gevaar op de weg, vooral van de goddeloze. (Spr 22:25)

## vanaf het begin (begrip)

- Aanduiding van wat tot de oorspronkelijke, vroegste apostolische boodschap behoort en dus geen nieuwigheid is. (2 Joh 1:5)

## vanzelf (begrip)

- Bijwoord voor het uit zichzelf geschieden van iets, zonder zichtbare oorzaak. In de gelijkenis van het groeiend zaad beeld voor het verborgen werken van Gods Koninkrijk. (Mark 4:28)

## varkens (voorwerp)

- Volgens de Mozaïsche wet onreine dieren, in joods gebied niet gehouden. Hun aanwezigheid in een streek wijst op een heidense bevolking. (Matt 8:31)

## varkensvlees (begrip)

- Vlees van het varken, volgens de wet van Mozes (Lev. 11:7) onrein voor Israël. Centraal in de joodse martelaarsverhalen onder Antiochus IV. (1 Makk 1:47)

## varren (begrip)

- Jonge stieren — geofferd als brand- of zoenoffer in de tempeldienst. Als beeld voor sterke vijanden. (Ps 22:13)

## vast fundament Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (2 Tim 2:19)

## vast in het geloof (begrip)

- Wederstaat de duivel, vast zijnde in het geloof, wetende dat dezelfde lijdingen aan uw broederschap die in de wereld is volbracht worden. (1 Petr 5:9)

## vast profetisch woord (begrip)

- Wij hebben het profetische woord dat zeer vast is, en u doet wel dat u daarop acht hebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats. (2 Petr 1:19)

## vast roeping (begrip)

- Daarom, broeders, benaarstigt u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want indien u deze dingen doet, zo zult u nimmermeer struikelen. (2 Petr 1:10)

## vaste grond (begrip)

- Het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet. (Hebr 11:1)

## vaste spijs (begrip)

- De vaste spijs is voor de volwassenen die door de gewoonte de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding van goed en kwaad. (Hebr 5:14)

## vasten (gebruik)

- Het zich onthouden van voedsel als uitdrukking van rouw, boete of verootmoediging voor God. Vaak verbonden met intens gebed. (Ex 34:28)
- Het zich onthouden van voedsel als uitdrukking van rouw, boete of verootmoediging voor God. Op de Grote Verzoendag verplicht voorgeschreven. (Lev 16:29)
- Het zich onthouden van voedsel als uitdrukking van rouw, boete of verootmoediging voor God. Op de Grote Verzoendag wettelijk voorgeschreven. (Num 29:7)
- Vrijwillige onthouding van voedsel als uiting van rouw, boete of verootmoediging voor God. Gewoonlijk gepaard met gebed en het zoeken van Gods aangezicht. (Ri 20:26)
- Vrijwillig afzien van voedsel als uiting van rouw, verootmoediging of intens gebed. In het jodendom onder andere op Grote Verzoendag verplicht. (Matt 6:16)
- Onthouding van voedsel als geestelijke oefening, vaak verbonden met gebed, rouw of boete. (Tob 12:9)
- Onthouding van voedsel en soms drank gedurende een bepaalde periode als uiting van rouw, verootmoediging of toewijding aan gebed. (Joël 1:14)

## vasten David (begrip)

- Gebruik van koning David om in tijden van nood of berouw geheel of gedeeltelijk van voedsel af te zien. Diende als uitdrukking van verootmoediging en gebed tot God. (2Sam 12:23)

## vasten Davidsmannen (begrip)

- Voorval waarin Davids manschappen in geestelijke nood toonbroden uit het heiligdom aten. Door Christus aangehaald als argument dat barmhartigheid boven offer gaat. (1Sam 21:6)

## vasten en bidden (gebruik)

- Te Antiochië hielden de leraars zich vastend en biddend, toen de Heilige Geest sprak. (Hand 13:2)

## vasten en zelfvernedering (begrip)

- Plechtige uitingen van rouw, boete of verootmoediging voor God in het oude Israël. Gewoonlijk gepaard met onthouding van voedsel, dragen van rouwgewaad en gebed. (Ezra 8:23)

## vasten Saul Endor (begrip)

- Voorval waarin de troonloze koning Saul vóór zijn bezoek aan de waarzegster te Endor de hele dag niet at. Beeld van zijn verwarring en geestelijke nood. (1Sam 28:20)

## vasten zonder hart (uitdrukking)

- Openbaar vasten in het 9e maand van Jojakims 5e jaar — gedurende dat vasten las Baruch de boekrol voor in de tempel; weinig vrucht, want Jojakim verbrandde de rol. (Jer 36:9)

## vasthouden van traditie (begrip)

- Het standvastig bewaren en doorgeven van de overgeleverde apostolische leer, mondeling en schriftelijk. (2 Th 2:15)

## vasthouden Woord (begrip)

- Het standvastig vasthouden aan het overgeleverde, betrouwbare woord van het evangelie, met het oog op vermaning en weerlegging. (Tit 1:9)

## Vasti (persoon)

- Eerste vrouw van de Perzische koning Ahasveros. Werd op een feest afgezet vanwege haar weigering te verschijnen voor de gasten van de koning. (Esth 1:9)

## vastigheid (begrip)

- Wacht u dat u niet door de verleiding der gruwelijken medeafgerukt wordt en uitvalt van uw vastigheid. (2 Petr 3:17)

## vastigheid van de hemel (begrip)

- Het hemelgewelf of firmament, dat in Genesis 1 als gewelf tussen de wateren wordt geschapen. (Gez. Vuur. 1:56)

## vat bezitten (begrip)

- Beeldspraak voor het in heiligheid en eer regeren over het eigen lichaam, vrij van onreine begeerlijkheid. (1 Th 4:4)

## vaten van het huis des Heeren (begrip)

- Het gouden en zilveren tempelgerei dat Nebukadnezar uit Jeruzalem naar Babel meenam (vgl. Daniël 1:2; 5). (Bar 1:8)

## Vau (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:5)

## vee (natuur)

- Tamme dieren die voor melk, vlees, wol of arbeid gehouden worden. Voornaamste rijkdom van de aartsvaders en van veel oude oosterse volken. (Gen 1:24)
- Verzamelnaam voor gehouden landbouwhuisdieren als runderen, schapen en geiten. Belangrijkste bron van rijkdom en levensonderhoud in de oude agrarische samenleving. (1Sam 15:9)
- Is van God — uitdrukking van Gods bezit van alle schepselen. (Ps 50:10)
- Beesten; deugdelijke huisvrouw kent haar vee. (Spr 27:23)

## vee-fokker (begrip)

- Iemand die zich beroepsmatig met de zorg voor schapen, geiten of runderen bezighoudt. In Israël een gewoon agrarisch beroep, soms gecombineerd met landbouw. (Am 7:14)

## veel te schrijven (begrip)

- Briefformule waarmee een schrijver aangeeft dat hij niet alles schriftelijk wil meedelen, maar persoonlijk wil komen. (3 Joh 1:13)

## veel verleiders (begrip)

- Aanduiding van het talrijke optreden van valse leraars in de vroegchristelijke gemeenten, vooral betreffende de leer aangaande Christus. (2 Joh 1:7)

## veelvervige rok (begrip)

- Bijzonder bewerkt of veelkleurig gewaad. Door Jakob aan zijn lievelingszoon Jozef gegeven, hetgeen jaloezie wekte bij zijn broers. (Gen 37:3)

## veelvuldige wijsheid Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Ef 3:10)

## veelwijverij (begrip)

- Het tegelijk hebben van meer dan één vrouw. In het oude Oosten algemeen aanvaard, maar afwijkend van de scheppingsorde van één man en één vrouw. (Gen 4:19)

## veepest (begrip)

- Besmettelijke ziekte onder vee. De vijfde van de tien Egyptische plagen, waarbij Egyptes vee stierf maar Israëls vee gespaard bleef. (Ex 9:3)

## veertien jaar (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (Gal 2:1)

## veertien zonen Heman (begrip)

- Aanduiding voor het talrijke nageslacht van de Levitische zanger Heman. Allen waren betrokken bij de muzikale dienst in de tempel onder leiding van hun vader. (1 Kron 25:5)

## veertig dagen (begrip)

- In de bijbel symbolische periode van beproeving of voorbereiding (Mozes op de Sinaï, Israël in de woestijn, Jezus in de woestijn). (4 Ezra 14:23)
- Symbolische tijdsduur in de Bijbel die vaak een periode van beproeving, voorbereiding of uitstel van oordeel aanduidt. Komt voor bij de zondvloed, Mozes en Christus. (Jon 3:4)
- Symbolische tijdsperiode die in de Schrift veelvuldig voorkomt bij momenten van beproeving, voorbereiding of openbaring. Komt onder andere voor bij Mozes, Elia en Christus. (2 Kon 20:5)

## veertig dagen en nachten (begrip)

- Symbolische tijdsperiode die in de Schrift veelvuldig voorkomt bij momenten van beproeving, voorbereiding of openbaring. Komt onder andere voor bij Mozes, Elia en Christus. (1 Kon 19:8)

## veertig duizend stallen (begrip)

- Aanduiding voor de uitgebreide paardenstallen die in het Davidisch en Salomonisch Israël werden onderhouden. Vormden de basis voor het wagenleger van het koninkrijk. (1 Kron 18:4)

## veertig herders (begrip)

- Aanduiding voor leiders of overheidspersonen, in de Bijbel beeld voor wie geestelijk of politiek de leiding heeft. Veertig is symbolisch getal van een generatie. (Zach 11:5)

## veertig jaar (begrip)

- De duur van Israëls woestijnreis als straf voor het ongeloof na het verslag der verspieders. Eén jaar voor elke dag dat het land was verkend. (Num 14:34)
- De duur van Gods walging over het geslacht in de woestijn, dat door ongeloof Zijn werken zag en toch verharden. (Hebr 3:9)

## veertig man (begrip)

- De ruim veertig Joden die zich vervloekten dat ze niet zouden eten of drinken voor zij Paulus zouden hebben gedood. (Hand 23:13)

## veiligheid (begrip)

- Beschutting bij God. (Ps 4:9)

## velden zijn wit (begrip)

- Jezus over de Samaritaanse zending. (Joh 4:35)

## veldoverste (begrip)

- Opperbevelhebber van een leger te velde, hoogste militaire titel onder de koning. (Jdt 2:4)

## veldslag (begrip)

- Beslissende militaire confrontatie tussen twee legers in het open veld. Centraal element van de oude oorlogvoering, waarvan de uitslag vaak het lot van een heel volk bepaalde. (2Sam 5:25)
- Treffen tussen twee legers in open veld. In de bijbel het toneel van Gods uitkomst voor zijn volk of van zijn oordeel over hun vijanden. (1 Makk 4:14)

## vele antichristen (begrip)

- Niet één toekomstige antichrist alleen, maar vele antichristen zijn reeds in de wereld — Johannes ziet er bewijs in dat de laatste ure er is. (1 Joh 2:18)

## vele duizenden heiligen (begrip)

- De Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen om gericht te houden tegen allen — Henoch's profetie aangehaald door Judas. (Jud 1:14)

## vele meesters (begrip)

- Mijn broeders, weest niet vele meesters, wetende dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen — onderwijzen brengt grote verantwoordelijkheid. (Jak 3:1)

## vele woningen (begrip)

- De vele plaatsen in het Vadershuis die Jezus voor de Zijnen ging bereiden. (Joh 14:2)

## vele-verloren (begrip)

- In het apocriefe 4 Ezra de gedachte dat aan het einde meer mensen verloren gaan dan worden behouden, een centraal thema van Ezra's klacht. (4 Ezra 9:15)

## venster (begrip)

- Opening in de wand van een gebouw of voertuig om licht en lucht binnen te laten. Soms ook beeldspraak voor de openingen van de hemel. (Gen 8:6)
- Opening in de wand van een huis, vaak voorzien van traliewerk of een rooster. Plaats vanwaar vrouwen in de oudheid uitkeken naar gebeurtenissen op straat. (Ri 5:28)

## veracht profetie niet (begrip)

- Apostolische vermaning om profetische gaven in de gemeente niet te minachten, maar in eer te houden en te toetsen. (1 Th 5:20)

## verachten van het licht (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor wie het licht van Gods aangezicht miskent of bedekt. Onderdeel van de wijsheidsliteratuur over de relatie met God. (Job 22:11)

## veranderen vernederd lichaam (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de gemeente van Christus. (Fil 3:21)

## verandering (begrip)

- De plotselinge omvorming van de levenden bij de wederkomst van Christus. Geschiedt in een ondeelbaar oogwenk. (1 Kor 15:51)

## verantwoording (begrip)

- Zijt altijd bereid tot verantwoording aan een ieder die u rekenschap afeist van de hoop die in u is, met zachtmoedigheid en vreze. (1 Petr 3:15)

## verberg niet (begrip)

- Klacht-formule. (Ps 27:9)

## verberging (begrip)

- Schuilplaats, het verborgen-zijn voor gevaar. God maakt duisternis tot Zijn verberging — Hij verschijnt verhuld in storm en wolken. (Ps 18:12)

## verbergt aangezicht in bergen (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor het verlangen van Israël om als de heidenen te leven, en Gods reactie daarop. Onderdeel van de profetische oordeelstaal. (Ez 20:35)

## verbintenis der hedendaagse (uitdrukking)

- De symbolische akkoop van de akker van Hanameël, met alle juridische details (geld weegsel, gezegelde brief, getuigen). Bewijs dat het herstel zo concreet komt als deze koop. (Jer 32:11)

## verbittering (begrip)

- De plaats in de woestijn waar Israël met verbittering tegenstond; gebruikt als waarschuwing dat geen boos hart zich keert van de levende God. (Hebr 3:8)

## verblijden (begrip)

- Innerlijke vreugde in God. (Ps 32:11)

## verblinding (begrip)

- Verharding van het verstand waardoor men de heerlijkheid van het evangelie niet ziet. Werk van de god dezer eeuw. (2 Kor 4:4)

## verbod van huwelijk (begrip)

- Het verbieden van het huwelijk als gevolg van dwaalleer die het lichaam en de schepping veracht. (1 Tim 4:3)

## verboden bloedverwantschap (wet)

- Seksuele gemeenschap tussen nauwe verwanten, in de Tora streng verboden. De heidenen die deze gruwelen bedreven werden door God uit het land geworpen. (Lev 18:6)

## verbolgenheden (begrip)

- Meervoud van verbolgenheid: vlagen van toorn, uitbarstingen van woede. Bij God: vergeldende toorn die over de goddelozen losbarst. (Ps 88:17)

## verbolgenheid (begrip)

- Hevige toorn of woede. In de Bijbel zowel rechtvaardige verontwaardiging als zondige drift. (Gen 49:7)

## verbond (begrip)

- Plechtige overeenkomst of bondgenootschap. Kan zijn (1) tussen God en mensen — bv. het verbond met Noach, Abraham, Mozes, of het Nieuwe Verbond in Christus — meestal initiërt God en bepaalt Hij de voorwaarden, of (2) tussen mensen onderling — bv. een huwelijksverbond, vredesverbond tussen volken, of bondgenootschap tussen koningen. (Gen 6:18)

## verbond Abraham (begrip)

- Het verbond dat God volgens Genesis 12, 15 en 17 met Abraham sloot, met de belofte van land, talloos nageslacht en zegen voor alle volken. (Sir 44:21)

## verbond Davids (theologisch)

- Plechtige belofte van JAHWEH aan David dat zijn koningshuis tot in eeuwigheid zou bestaan. Centrale heilshistorische belofte die uiteindelijk in Christus haar volle vervulling vindt. (2Sam 7:16)

## verbond des vredes (theologisch)

- Eeuwig priesterverbond dat God met Pinehas sloot vanwege diens ijver bij Baäl-Peor. (Num 25:12)
- Profetische aanduiding voor het toekomstig verbond waarin God en zijn volk in volledige vrede samenleven. Centraal in de heilsprofetie. (Ez 34:25)

## verbond hernieuwd (theologisch)

- De plechtige bevestiging van het verbond met een nieuwe generatie of in een nieuwe situatie. In Deuteronomium herhaald in het land Moab voor de intocht. (Dt 29:1)

## verbond inzake de huwelijken (begrip)

- Aanduiding voor de plechtige overeenkomst die de naballingschapse gemeenschap sloot om de gemengde huwelijken te ontbinden. Vorm van publieke verbintenis voor het hele volk. (Ezra 10:3)

## verbond met Abraham (begrip)

- Plechtige belofte van JAHWEH aan Abraham van een talrijk nageslacht, een eigen land en een zegen voor alle volken. Vormt de grondslag van het hele bijbelse heilshistorisch denken. (1 Kron 16:16)

## verbond met dag en nacht (uitdrukking)

- Beeld: zoals niemand het verbond van dag en nacht kan verbreken, zo onverbrekelijk is Gods verbond met David en de Levieten. (Jer 33:20)

## verbond met de dood (begrip)

- Profetisch beeld voor een onheilig politiek verbond met heidense machten in de hoop op redding. In de Schrift consequent veroordeeld als een uiting van wantrouwen jegens JAHWEH. (2 Kron 28:20)

## verbond met de Heere (begrip)

- Aanduiding voor de plechtige overeenkomst tussen JAHWEH en zijn volk Israël. Werd na de ballingschap door de teruggekeerde gemeenschap herhaaldelijk vernieuwd, onder andere bij ontbinding van gemengde huwelijken. (Ezra 10:3)

## verbond met de ogen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor de bewuste discipline om de blik niet op verleidende voorwerpen te richten. Onderdeel van de oudtestamentische sexualeer. (Job 31:1)

## verbond met de vaderen (uitdrukking)

- Jeremia roept op tot getrouwheid aan het Mozaïsche verbond. (Jer 11:3)

## verbond met mens (begrip)

- Bijbels begrip voor Gods verbintenis met de mensheid, eerst met Adam, dan met Noach na de zondvloed (Genesis 9). (Sir 17:12)

## verbond verbroken (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor het schenden van het door God gesloten verbond. Centraal in de profetische aanklacht. (Ez 16:59)

## verbond, drievoudig (begrip)

- Plechtige verbintenis tussen drie partijen, in het bijbels denken vooral tussen JAHWEH, koning en volk. Vormde de basis voor godsdienstige hervormingen onder bepaalde koningen van Juda. (2 Kon 11:17)

## verbondenheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Gods verbond of beloften. (Filip 2:2)

## verbondsboek (wet)

- Het boek waarin Mozes de woorden en wetten van het verbond met de Heere optekende. Hij las het voor het volk voor bij het sluiten van het verbond op de Sinaï. (Ex 24:7)

## verbondsgebed (begrip)

- Aanduiding voor een plechtig belijdenisgebed waarin Gods trouw door de geschiedenis heen wordt geprezen tegenover de menselijke ontrouw. Vormde een belangrijk genre in de naballingschapse Joodse vroomheid. (Neh 9:5)

## verbondsluiting (begrip)

- De plechtige ceremonie waarmee een verbond werd aangegaan, vaak met offerdieren, eden en een zichtbaar teken. Bond beide partijen voor God. (Gen 15:17)

## verbondsteken (begrip)

- Een zichtbaar of voelbaar teken dat een gesloten verbond bezegelt en herinnert. In de Bijbel onder andere de regenboog, de besnijdenis en later de sabbat. (Gen 9:12)

## verborgen (begrip)

- Aan het zicht onttrokken, niet openbaar. In de Bijbel zowel letterlijk (zich verstoppen) als geestelijk (Gods verborgen bedoelingen). (Gen 3:8)

## verborgen dingen (begrip)

- Wat voor mensen onzichtbaar of onbekend is. In de bijbel een gebied dat alleen God doorgrondt; vaak voorwerp van zijn alwetendheid. (Sus 1:42)
- Bijbels begrip voor wat voor mensen onzichtbaar of onbekend is. Volgens Deuteronomium 29:29 voor God, niet voor mensen. (Sir 3:22)

## verborgen leven (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geestelijk of eeuwig leven. (Kol 3:3)

## verborgen manna (begrip)

- De belofte aan de overwinnaar te Pergamus. (Op 2:17)

## verborgen mens des harten (begrip)

- Het versiersel der vrouwen ligt in de verborgen mens des harten, in het onverderfelijke sieraad van een zachtmoedige en stille geest, die kostelijk is voor God. (1 Petr 3:4)

## verborgen oordelen (begrip)

- Bijbels begrip voor Gods raadsbesluiten die voor mensen niet doorgrondelijk zijn. Voorwerp van eerbiedig zwijgen, niet van vermetel onderzoek. (Sir 11:4)

## verborgenheden (begrip)

- De diepere geheimenissen van Gods raad en heil. Door de Geest aan de gelovigen geopenbaard. (1 Kor 4:1)

## verborgenheid (begrip)

- Een vroeger verborgen, nu in Christus geopenbaarde heilswaarheid. Door de apostelen aan de gemeente bekend gemaakt. (1 Kor 2:7)
- Op het voorhoofd van de hoer was geschreven. (Op 17:5)

## verborgenheid der ongerechtigheid (begrip)

- Verborgen werking van het kwaad die reeds in de wereld aanwezig is en in de eindtijd ten volle openbaar wordt. (2 Th 2:7)

## verborgenheid des geloofs (begrip)

- Het door God geopenbaarde geheimenis van het christelijk heil, dat in vroegere tijden niet bekend was maar nu in Christus is bekendgemaakt. (1 Tim 3:9)

## verborgenheid godzaligheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (1 Tim 3:16)

## verborgenheid van Christus (begrip)

- Voorheen verborgen, nu geopenbaard aan apostelen en profeten. (Ef 3:4)

## verborgenheid van het Evangelie (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de verkondiging van het evangelie. (Ef 6:19)

## verbrande tempel (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 52:13)

## verbroken hart (begrip)

- Bijbelse aanduiding voor een verootmoedigde, berouwvolle gezindheid, die door God geliefd is en als geestelijk offer aanvaard wordt. (Geb. Az. 1:40)

## verderf (begrip)

- Ondergang en verloren gaan; in eschatologische zin de blijvende straf voor wie buiten Christus blijven. (2 Tess 1:9)
- Ondergang, ruïne; thema in Spreuken. (Spr 14:28)

## verderf in de wereld (begrip)

- Door de dierbare beloften ontvliedt u het verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid — kern van christelijk leven in twee wereldorden. (2 Petr 1:4)

## verderfelijke ketterijen (begrip)

- Valse leraars voeren bedektelijk verderfelijke ketterijen in en brengen daardoor over zichzelf een haastig verderf. (2 Petr 2:1)

## verderfenis (begrip)

- Ondergang, vernietiging. Judas wordt genoemd — de enige discipel die verloren ging. (Joh 17:12)
- De eeuwige ondergang die over de goddelozen komt. Tegenovergesteld aan het eeuwige leven. (Rom 8:21)

## verderver (theologisch)

- God Zelf of een door Hem gezonden engel die oordeel en dood brengt over zondaren. In de paasnacht ging de verderver door Egypte om de eerstgeborenen te slaan. (Ex 12:23)
- Aanduiding voor God of een door Hem gezonden engel of plaag die oordeel en verwoesting brengt over zondaren of vijanden van Zijn volk. (Lev 26:25)
- De engel die de eerstgeborenen sloeg in Egypte werd geweerd door het bloed van het Pascha, dat door geloof bestreken werd. (Hebr 11:28)

## verdichte fabelen (begrip)

- Wij hebben geen kunstig verdichte fabelen nagevolgd toen wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heere Jezus Christus. (2 Petr 1:16)

## verdoemenis (begrip)

- Het eeuwige oordeel, de straf voor de zonde. Wie in Jezus gelooft, komt niet in de verdoemenis maar is overgegaan van de dood in het leven. (Joh 5:24)

## verdorven verstand (begrip)

- Een door zonde en dwaling aangetast inzicht, niet meer in staat de waarheid te onderscheiden. (2 Tim 3:8)

## verdorvenheid (begrip)

- Diepgaande zedelijke verdorvenheid en verval. In de tijd van Noach was de aarde verdorven en vol geweld voor Gods aangezicht. (Gen 6:11)
- Toestand van bederf, zedelijke en geestelijke ontaarding. In de bijbel zowel kenmerk van zonde als van de vergankelijke wereld. (4 Ezra 7:31)

## verdraagzaamheid (begrip)

- Geduldig dragen van zwakheden en gebreken van anderen. Vrucht van de liefde. (1 Kor 13:7)

## verdraagzaamheid der hoop (begrip)

- Geduldig volharden dat voortvloeit uit de hoop op Christus en op het door Hem beloofde heil. (1 Th 1:3)

## verdraaien der Schrift (begrip)

- De ongeleerden en onvasten verdraaien Paulus' brieven gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf. (2 Petr 3:16)

## verdrag (begrip)

- Plechtig politiek bondgenootschap tussen staten of volken, in de oudheid vaak met onderlinge gunsten en hulpverplichtingen. (1 Makk 8:17)

## verdragen elkaar (begrip)

- Kern van christelijke gemeenschap. (Ef 4:2)

## verdriet (begrip)

- Bijbels begrip voor diepe innerlijke smart, vaak om verlies of zonde. In de wijsheidsliteratuur ook als gevaar voor lichaam en ziel beschreven. (Sir 38:18)

## verdrukken met boze woorden (begrip)

- Het kwaadspreken over of beschuldigen van anderen met boosaardige bedoelingen. (3 Joh 1:10)

## verdrukker (begrip)

- Wie de armen onderdrukt. (Ps 10:18)
- Paulus omschreef zichzelf vóór zijn bekering als godslasteraar, vervolger en verdrukker. (1 Tim 1:13)

## verdrukking (begrip)

- Zware last die op de bidder rust. (Ps 9:10)
- Druk en benauwdheid om Christus' wil. Werkt lijdzaamheid en hoop. (2 Kor 4:8)
- Lijden en bedreiging die gelovigen ondervinden om wille van hun geloof in Christus. (2 Tess 1:4)
- Sommigen zijn uitgerekt geweest, anderen verzocht, gegeseld, doorgezaagd, gedood door het zwaard — om een betere opstanding te verkrijgen. (Hebr 11:35)
- Onderdrukking, onrechtvaardige behandeling, vervolging van wie machteloos zijn. In de bijbel vaak verbonden met Gods komende gericht over de verdrukker. (2 Makk 6:12)

## verdrukking armen (begrip)

- Het onderdrukken en uitbuiten van de zwakkeren in de samenleving. In de profeten een van de zwaarste aanklachten tegen Israël. (Mi 2:2)

## verdrukking lijden (begrip)

- Christelijke roeping om te lijden om wille van het geloof, naar het voorbeeld van Christus en de apostelen. (1 Th 3:3)

## verdubbeling (uitdrukking)

- Bijbels motief waarin Gods herstellend handelen het verlorene in dubbele mate teruggeeft. Onderdeel van de epiloog van het boek Job. (Job 42:12)

## vereenzaamd huis (begrip)

- Aanduiding voor de afzonderlijke woning waar een melaatse volgens de wet van Mozes moest verblijven. Drukt de sociale en rituele isolatie uit die met de ziekte gepaard ging. (2 Kron 26:21)

## vereeuwiging (wet)

- Het tot blijvende inzetting maken van een gebod of feest. Het pascha is door God bevolen als een eeuwige inzetting voor Israël. (Ex 12:14)

## verfoeisel (begrip)

- Wat verafschuwd wordt; synoniem van gruwel. (Spr 11:1)

## vergaderen (begrip)

- Bijeenbrengen of verzamelen, vooral van personen of hoeveelheden. In het scheppingsverhaal werden de wateren door God in zeeën vergaderd. (Gen 1:9)

## vergaderen voor God (begrip)

- Bijbels begrip voor het bijeenkomen van Gods volk in zijn naam, vooral voor eredienst, leerhuis of gebed. (Sir 14:3)

## vergadering (begrip)

- Verzameling of samengebrachte hoeveelheid. Ook aanduiding voor een georganiseerde bijeenkomst van personen. (Gen 1:10)
- Samenkomst van Gods volk. (Ps 1:5)

## vergankelijk lichaam (begrip)

- Bijbelse en hellenistische uitdrukking voor het sterfelijke menselijke lichaam, dat aan dood en bederf onderworpen is. (Wijsh 9:15)

## vergankelijkheid (begrip)

- Het korte, broze van het mensenleven. (Ps 39:6)

## vergeefse vasten (begrip)

- Veertien dagen lang aten de schipbreukelingen niet — Paulus vermaande hen tot eten. (Hand 27:33)

## vergeet je vaderen (uitdrukking)

- Onderdeel. Israël heeft 'twee boosheden' bedreven: de fontein des levenden waters verlaten, en zich bakken uitgehouwen, gebroken bakken die geen water houden. (Jer 2:13)

## vergelding (begrip)

- Gods rechtvaardig terugbetalen, zowel zegen voor de vrome als straf voor de boze. (Ps 62:13)
- Het beginsel van gelijke straf of beloning voor wat iemand een ander aandoet, in de Tora geformuleerd als 'oog om oog, tand om tand'. (Matt 5:38)
- Het terugbrengen van wat iemand gedaan heeft op zijn eigen hoofd. In de Bijbel uiting van Gods rechtvaardig oordeel over goed en kwaad. (Joël 3:7)

## vergeldingsleer (uitdrukking)

- Theologische opvatting dat alle aardse voorspoed beloning is voor goedheid en alle lijden straf voor zonde. Door het boek Job nadrukkelijk weersproken. (Job 4:7)

## vergenoeging (begrip)

- Innerlijke tevredenheid en rust met datgene wat God geeft; vrucht van godzaligheid. (1 Tim 6:6)

## vergeten (begrip)

- In de Psalmen vaak ontkennend van God. Maar ook in klacht. (Ps 9:13)
- In het hart niet bewaren; 'vergeet mijn wet niet'. (Spr 3:1)

## vergeven (begrip)

- Kwijtschelden van schuld of zonde; in het Nieuwe Testament zowel goddelijke als menselijke vergeving als kerngedachte. (Filem 1:18)
- Schuld kwijtschelden; impliciet door liefde die overtredingen toedekt. (Spr 10:12)
- Bijbels begrip voor het kwijtschelden van schuld of zonde, hetzij door God aan de mens hetzij door mensen onderling. (Sir 28:1)

## vergeving (begrip)

- Het kwijtschelden van schuld of vergeven van een zonde. Centrale daad van Gods barmhartigheid en kerngebod voor de gelovige. (Gen 50:17)
- Het wegnemen van schuld door God, waardoor de gebroken gemeenschap met Hem wordt hersteld. Berust op Gods genade en — in de bijbelse heilsorde — op verzoening. (Ps 130:4)
- Het kwijtschelden van schuld, hetzij door God van de zonde, hetzij door mensen van elkaars onrecht. In de evangeliën nauw verbonden met het Onze Vader en de gemeente. (Matt 6:12)
- De kwijtschelding van zonden om Christus' wil. Wordt door God geschonken en moet door gelovigen onderling worden geoefend. (2 Kor 2:10)
- Bijbels begrip voor het wegnemen van zonde en schuld door God. In het Oude Testament verbonden met offers, in het Nieuwe Testament met Christus. (Sir 28:2)

## vergeving der zonden (begrip)

- Centraal in Lukas: Johannes predikt de doop der bekering tot vergeving der zonden. (Luk 3:3)

## vergiffenis (begrip)

- Het vergeven en wegnemen van schuld door God, kern van zijn barmhartig handelen met zijn volk. Vrijwillige daad die rust op zijn verbondstrouw. (Mi 7:18)

## verharden (begrip)

- De Farizeeën beschouwden zichzelf rechtvaardig en verachtten anderen. (Luk 18:9)

## verhardheid (begrip)

- Hardheid en onbekeerlijkheid van het hart, zodat men niet luistert of berouw heeft. Bij Farao zowel zelfveroorzaakt als door God gegeven als oordeel. (Ex 7:13)

## verharding (begrip)

- Verstoktheid van het hart waardoor men het Woord niet aanneemt. Soms door God als oordeel toegelaten. (Rom 11:25)
- Verhardt uw hart niet zoals in de verbittering ten dage der verzoeking in de woestijn — God zwoer dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan. (Hebr 3:8)

## verheerlijken (begrip)

- Groot maken, eer geven. Jezus verheerlijkte de Vader door Zijn werk te volbrengen. (Joh 17:1)

## verheerlijking (begrip)

- Het ontvangen of openbaar worden van goddelijke heerlijkheid. In de evangeliën met name de gebeurtenis op de hoge berg waar Jezus van glans omgeven verscheen. (Matt 17:2)
- De voltooiende daad waardoor God Zijn kinderen tot heerlijkheid brengt. Voorlaatste schakel in de gouden keten van het heil. (Rom 8:30)

## verheerlijking in heiligen (begrip)

- Christus' eer en heerlijkheid die bij Zijn wederkomst zichtbaar zal worden in de gelovigen die Hem hebben aangenomen. (2 Th 1:10)

## verheerlijkt lichaam (begrip)

- Eindbestemming van het opstandingslichaam. (Fil 3:21)

## verheugd zeer (begrip)

- Uitdrukking van diepe vreugde over de geestelijke standvastigheid van medegelovigen. (2 Joh 1:4)

## verheven dingen (begrip)

- Bijbels begrip voor zaken die boven het menselijk verstand uitgaan. In de wijsheidsliteratuur waarschuwing tegen vermetel onderzoek van Gods raadsbesluiten. (Sir 3:21)

## verheven huizen (begrip)

- Statige paleizen of grote huizen van de welgestelden. In de profetische taal teken van weelde die vaak met onderdrukking samenging. (Am 6:1)

## verhogen (begrip)

- Omhoog heffen. Jezus sprak over Zijn: Hij zou aan het kruis verhoogd worden, zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogde. (Joh 3:14)

## verhoging (begrip)

- Het oprichten of verheffen, ook van iemand naar een hogere rang. In de Bijbel ook geestelijk: God verhoogt nederigen en deemoedigt hoogmoedigen. (Gen 4:7)
- De verhoging van de Mensenzoon aan het kruis als heilsmiddel — Johanneïsch thema. (Joh 12:32)

## verhoren (begrip)

- God antwoordt op het gebed met daden. (Ps 6:10)

## verhoring (begrip)

- Bijbels begrip voor het verkrijgen van wat men van God in gebed heeft afgesmeekt. (Sir 35:14)

## verhoring gebed (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het gebed. (Fil 1:19)

## verhuisgereedschap (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij de profeet zich gereed maakt voor wegvoering om de aanstaande ballingschap uit te beelden. Onderdeel van symboolperformance. (Ez 12:3)

## verjaging Sanballats schoonzoon (begrip)

- Aanduiding voor de verwijdering van een lid van de hogepriesterlijke familie uit Jeruzalem, vanwege diens huwelijk met de dochter van Sanballat. Vorm van zuivering van het hogepriesterlijk geslacht. (Neh 13:28)

## verkeerd zelfveroordeeld (begrip)

- Aanduiding voor iemand die door zijn eigen volharden in de zonde zichzelf reeds heeft veroordeeld. (Tit 3:11)

## verkeerde gedachten (begrip)

- Bijbels begrip voor zondige overwegingen die de mens van God scheiden en het hart bezoedelen. (Wijsh 1:3)

## verkeerde gezelschap (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor omgang met goddelozen of dwazen, die volgens de wijsheidsleraren bezoedelt en het hart bederft. (Sir 13:1)

## verkiezing (begrip)

- Gods souvereine kiezen. (Ps 65:5)
- Gods soevereine keuze van personen tot zaligheid, niet uit werken maar uit Zijn welbehagen. Vrucht van eeuwige liefde. (Rom 11:5)

## verkiezing vast maken (begrip)

- Maakt uw roeping en verkiezing vast — niet alsof zij van uw werken afhankelijk zou zijn, maar door deze deugden zekerheid te ontvangen. (2 Petr 1:10)

## verkondigd onder ganse schepping (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de verkondiging van het evangelie. (Kol 1:23)

## verkondigen (begrip)

- Het openbaar bekendmaken van het evangelie. Apostolische roeping en taak van de gemeente. (1 Kor 11:26)
- Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook u met ons gemeenschap zou hebben. (1 Joh 1:3)
- Wijsheid verkondigt openlijk. (Spr 1:21)

## verkondiging (begrip)

- Het uitdragen van het evangelie van Christus. Middel waardoor God het geloof werkt. (1 Kor 2:4)

## verkregen volk (begrip)

- Een verkregen volk — gekocht door het bloed van Christus, om Gods deugden te verkondigen. (1 Petr 2:9)

## verkrijgen geloof (begrip)

- Aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben — geloof als gave Gods, niet door eigen verdienste. (2 Petr 1:1)

## verkrijging der heerlijkheid (begrip)

- Eschatologisch heilsdoel waardoor de gelovigen deel ontvangen aan de heerlijkheid van Christus. (2 Th 2:14)

## verkwik mijn ingewanden (begrip)

- Verzoek om de spreker innerlijk te bemoedigen en te verblijden door een daad van liefde of gehoorzaamheid. (Flm 1:20)

## verkwikt door broeders (begrip)

- Innerlijke bemoediging die gelovigen ontvangen door de liefde en goede daden van medegelovigen. (Flm 1:7)

## verlamde (begrip)

- Iemand wiens ledematen door ziekte of beschadiging niet of slecht functioneren. In de evangeliën meermalen door Jezus genezen. (Matt 9:2)

## verlangen (begrip)

- Diep heimwee naar God. (Ps 84:3)

## verlaten vrouw (begrip)

- Een vrouw die door haar man verstoten of weggezonden is. Door de profeten onder bijzondere bescherming van God geplaatst. (Mal 2:14)

## verlatenheid Gods (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het ervaren van Gods afwezigheid en zwijgen in tijden van nood. Klassieke geloofscrisis in oudtestamentische literatuur. (Job 23:8)

## verlatenheid van Babylon (begrip)

- Babylon werd een woonstede der duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten. (Op 18:2)

## verleidende geesten (demonisch)

- Demonische, misleidende geesten die door valse leraren werkzaam zijn en mensen van het geloof afkerig maken door leringen der duivelen. (1 Tim 4:1)

## verleider (begrip)

- Iemand die anderen tot dwaling of zonde brengt; in de Johannesbrieven in het bijzonder iemand die de menswording van Christus loochent. (2 Joh 1:7)
- De draak/Satan die de gehele wereld verleidt — uitgeworpen op de aarde. (Op 12:9)

## verleiders (begrip)

- Dit heb ik u geschreven van degenen die u verleiden — Johannes wijst op gevaarlijke leraars in de gemeente. (1 Joh 2:26)

## verleiding (begrip)

- Het aanzetten of verlokken tot zonde of dwaling. In de Bijbel werk van de duivel of van zondige hartstochten. (Gen 3:1)
- Bedrieglijke werking die mensen van de waarheid afwendt; in de eindtijd in het bijzonder verbonden met de werking van de tegenstander. (2 Tess 2:10)

## verlichten (begrip)

- Licht geven aan ogen of hart. (Ps 13:4)

## verlichting (begrip)

- Zij die eens verlicht zijn geweest en de hemelse gave hebben gesmaakt en deelgenoten zijn geworden van de Heilige Geest — gewichtige waarschuwing. (Hebr 6:4)

## verlokken (begrip)

- Met grote opgeblazen woorden van ijdelheid verlokken zij door begeerlijkheden des vleses hen die waarlijk waren ontvloden van degenen die in dwaling wandelen. (2 Petr 2:18)

## verlokking (begrip)

- Een ieder wordt verzocht als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt — proces dat in de zonde uitloopt. (Jak 1:14)

## verloochenen (begrip)

- Ontkennen dat je iemand kent. Petrus verloochende Jezus driemaal bij het kolenvuur in het paleis van de hogepriester. (Joh 13:38)

## verloochening (begrip)

- Het openlijk ontkennen iemand te kennen of bij hem te horen. In de evangeliën met name gebruikt voor Petrus' driemaal ontkennen Jezus te kennen. (Matt 26:75)

## verloochening goddeloosheid (begrip)

- Christelijke roeping om goddeloosheid en wereldse begeerten af te leggen en in plaats daarvan een godzalig leven te leiden. (Tit 2:12)

## verloren (begrip)

- Wat van zijn plaats is geraakt of niet langer bereikt kan worden. In de gelijkenissen beeld van mensen die God zoekt en redt. (Luk 15:6)

## verloren gaan (begrip)

- Onder Gods oordeel verloren raken voor de eeuwigheid. Lot van wie het evangelie verwerpt. (2 Kor 4:3)

## verloren leven (begrip)

- Bijbels begrip voor een bestaan in zonde en zonder God, dat geen blijvende vrucht draagt en leidt tot ondergang. (Wijsh 5:6)

## verloren olijftakken (begrip)

- In Lukas niet expliciet — wel het thema van Israëls bezoeking en oordeel. (Luk 13:34)

## verloren penning (begrip)

- De vrouw die haar tien penningen had en er een verloor; vond hem en riep haar buurvrouwen om mee te verheugen. (Luk 15:8)

## verloren schaap (begrip)

- De herder die negenennegentig schapen achterlaat om het ene verlorene te zoeken. (Luk 15:4)

## verloren zoon (begrip)

- De zoon die zijn erfdeel verbraste in een ver land en bekeerde zich; door zijn vader met een feestmaal ontvangen. (Luk 15:11)

## verlossen ongerechtigheid (begrip)

- Werk van Christus die door Zijn zelfovergave gelovigen vrijmaakt van de heerschappij en schuld van de zonde. (Tit 2:14)

## verlossen uit verzoeking (begrip)

- De Heere weet de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag des oordeels om gestraft te worden. (2 Petr 2:9)

## verlossen van alle kwaad (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (2 Tim 4:18)

## Verlosser (begrip)

- God als Bevrijder uit nood, vijanden en dood. (Ps 19:15)
- In het Oude Testament de naaste verwant die voor zijn familielid optrad om hem of haar uit nood vrij te kopen. Toegepast op God en op Christus. (Mark 10:45)
- Wie tegen losprijs vrijkoopt; van Christus die Zijn volk uit zonde en dood heeft losgekocht. Vervulling van de oudtestamentische goël. (Rom 11:26)
- Bijbelse Godsnaam, in het Oude Testament gebruikt voor JHWH die zijn volk uit nood en gevangenschap redt. In het Nieuwe Testament toegepast op Christus. (Sus 1:60)
- Bijbelse aanduiding voor de losser, een naaste bloedverwant die in Israël het recht en de erfenis van een ander herstelde. In de profetie ook titel voor God en de Messias. (Job 19:25)

## Verlosser der wereld (begrip)

- De belijdenis van de Samaritanen. (Joh 4:42)

## verlossers (begrip)

- Personen die door God worden gebruikt om zijn volk te redden of te bevrijden. In profetisch perspectief leiders van Israëls eindtijdelijk herstel. (Ob 1:21)

## verlossing (begrip)

- Bevrijding uit nood, slavernij of zonde door een verlosser. In het Oude Testament vooral toegezegd aan Israël en in heel de Bijbel uitgewerkt in Christus. (Gen 3:15)
- De daad van bevrijden uit slavernij, gevangenschap of dood. Centraal in Israëls belijdenis: God verloste Zijn volk uit Egypte met sterke hand. (Ex 6:6)
- Bevrijding uit nood, gevangenschap of macht van vijanden, door God bewerkt. In bredere zin het hele heilswerk waardoor God Zijn volk redt. (Ps 3:9)
- Het vrijkopen of bevrijden uit slavernij of nood. In het Nieuwe Testament toegepast op de bevrijding van zonde, dood en duivel door Christus. (Mark 10:45)
- Bevrijding uit zonde, schuld en oordeel, in het Nieuwe Testament toegespitst op het werk van Christus. (Luk 1:68)
- Bevrijding van zonde en schuld door Christus, in het Nieuwe Testament de heilskern van het apostolisch getuigenis. (Hand 4:12)
- Bevrijding tegen losprijs uit de slavernij van zonde, dood en duivel. Volbracht door het bloed van Christus. (Rom 3:24)
- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (Ef 1:7)
- De bevrijding van zonde, dood en duivel door het werk van Christus. (1 Petr 1:18)
- Bijbels begrip voor Gods reddend handelen, waardoor hij zijn volk uit nood, slavernij of zonde bevrijdt. (Sir 51:2)

## verlossing door bloed (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (Ef 1:7)

## verlossing in een wagen (begrip)

- Beeld voor de wijze waarop hooggeplaatste personen in het oude Oosten een profeet of heilige plaats konden bezoeken. Strijdwagens en koninklijke wagens golden als teken van status en macht. (2 Kon 5:9)

## verlossing van de armen (begrip)

- Aanduiding voor de sociaal-economische hervorming waarbij Nehemia de oversten dwong de aan zich verbonden armen hun bezit terug te geven. Vorm van toepassing van de oudtestamentische sociale wetgeving. (Neh 5:11)

## verlost door bloed (begrip)

- U weet dat u verlost zijt geworden niet door vergankelijke dingen, maar door het dierbare bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. (1 Petr 1:18)

## verlost van toorn (begrip)

- Door Christus geschonken bevrijding van de toekomende goddelijke toorn over de zonde. (1 Th 1:10)

## vermaak (begrip)

- Innige vreugde, vooral in Gods Wet. (Ps 119:24)

## vermaan (begrip)

- Korte vorm voor vermaning; ernstige aansporing tot het goede. (Spr 13:18)

## vermaant ongeregelden (begrip)

- Pastorale opdracht om wie ordeloos leven te vermanen, kleinmoedigen te vertroosten en zwakken te ondersteunen. (1 Th 5:14)

## vermageren door honger (begrip)

- Aanduiding voor de zware sociale nood onder de armen van de naballingschapse Joodse gemeenschap. Werd door Nehemia met scherpe maatregelen tegen woekerpraktijken verholpen. (Neh 5:1)

## vermanen (begrip)

- Iemand met gezag onderwijzen, terechtwijzen of waarschuwen; pastorale taak van gemeenteleiders. (3 Joh 1:10)
- Judas schrijft om te vermanen tot strijd voor het geloof. (Jud 1:3)

## vermaning (begrip)

- Pastorale aansporing waarbij gelovigen elkaar onderling opbouwen en bemoedigen. (1 Tess 5:11)
- Pastorale aansporing tot bekering, geloof of een ordelijk leven; vaste taak van apostelen en gemeenteleiders. (2 Tess 3:12)
- Pastorale aansporing tot bekering, geloof of een godvruchtig leven; vaste taak van ouderlingen en opzieners. (Tit 1:9)
- Ernstige aansporing tot het goede en waarschuwing tegen het kwade. In Spreuken vaak gericht van vader aan zoon. (Spr 1:23)

## vermaning blijven (begrip)

- Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel u het weet en in de tegenwoordige waarheid versterkt zijt. (2 Petr 1:12)

## vermaning in Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Fil 2:1)

## vermaning leven (begrip)

- Apostolische voorschriften die gegeven zijn door de Heer Jezus en als richtsnoer dienen voor het christelijk leven. (1 Th 4:2)

## vermenging (begrip)

- Bijbels begrip voor het zich vermengen met heidense gewoonten of afgodendienst, in het bijzonder door joden tijdens de hellenisering onder Antiochus IV. (2 Makk 14:3)
- Het in elkaar schuiven van afgodendienst en eredienst voor God, of van Israël met heidense volken. Door de wet streng verboden. (Mi 1:7)

## vermenigvuldigd (begrip)

- Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God en van Jezus, onze Heere. (2 Petr 1:2)

## vermenigvuldigen (begrip)

- Talrijk worden of doen worden, vooral door voortplanting. Eerste opdracht van God aan mens en dier bij de schepping. (Gen 1:28)
- Barmhartigheid en vrede en liefde zij u vermenigvuldigd — typische apostolische zegengroet, hier met liefde uitgebreid. (Jud 1:2)

## vermenigvuldiging (begrip)

- Toename in aantal, met name het talrijk worden van een volk. Vervulling van de belofte aan Abraham dat zijn nageslacht als de sterren zou zijn. (Ex 1:7)

## vermoedheid (begrip)

- Uitputting van geest. (Ps 119:28)

## vermoeit u niet (begrip)

- Aansporing om in het verrichten van het goede niet moedeloos te worden, ondanks tegenstand en ondankbaarheid. (2 Th 3:13)

## Vermomming als olifant (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 23:29)

## vermomming van Achab (begrip)

- List waarbij koning Achab in onherkenbare kleding ten strijde trok, terwijl zijn bondgenoot zijn koninklijke kleding droeg. Pogingen om Gods aangekondigde oordeel te ontwijken bleken vergeefs. (1 Kon 22:30)

## vermorzelen (begrip)

- Geheel verbrijzelen of verpletteren. Gebruikt voor het breken van weerstand, vijanden of geestelijke macht. (Gen 3:15)

## vernederen (begrip)

- Vernedert u voor de Heere en Hij zal u verhogen — wettige weg tot ware verheffing. (Jak 4:10)

## vernieuwing (begrip)

- Het vernieuwd worden van denken en levenswandel door de Heilige Geest. Vrucht van de wedergeboorte. (Rom 12:2)

## vernieuwing van Geest (theologisch)

- Innerlijke vernieuwing van de mens door de werking van de Heilige Geest, samenhangend met wedergeboorte en heiliging. (Tit 3:5)

## Vernieuwingsfeest (gebruik)

- Het Chanoeka- of Tempelvernieuwingsfeest in de winter, toen Jezus in de zuilengang van Salomo wandelde. (Joh 10:22)

## verontreinigen vlees (begrip)

- De dwaalleraars verontreinigen het vlees door losbandig leven; hun zonde begint in dromen en dwaalwegen. (Jud 1:8)

## veroordeeld (begrip)

- Door Gods rechtvaardig oordeel getroffen worden vanwege het afwijzen van de waarheid en het welbehagen aan de ongerechtigheid. (2 Th 2:12)

## veroordeling (begrip)

- De uitspraak van schuld en straf; door Christus van de gelovigen weggenomen. Geen verdoemenis voor wie in Hem zijn. (Rom 8:1)

## verootmoedigen (begrip)

- Bijbels begrip voor zich vernederen voor God, in besef van zonde of nood. Vaak gepaard met vasten, gebed en aslegging. (Sir 3:18)

## verootmoediging (begrip)

- Het verootmoedigen van de ziel door vasten, rouw en boete. Vereiste houding op de Grote Verzoendag. (Lev 16:31)

## verootmoediging der ziel (begrip)

- Hebreeuwse uitdrukking voor vasten en zelfvernedering voor God. Verplicht voorgeschreven op de Grote Verzoendag. (Lev 16:29)

## veroudering (begrip)

- Wanneer God van een nieuw verbond spreekt, heeft Hij het eerste oud gemaakt; wat oud wordt en ververoudert is nabij de verdwijning. (Hebr 8:13)

## verraad (begrip)

- Het uitleveren of bekendmaken van iemand aan zijn vijanden. In de evangeliën speciaal gebruikt voor Judas' uitleveren van Jezus. (Matt 26:14)
- Trouwbreuk tegenover wie men verbond of vriendschap heeft. In de bijbel zwaar veroordeeld als een grove zonde tegen God en de naaste. (1 Makk 12:48)

## verraad geheim (begrip)

- Bijbels begrip voor het bekendmaken van wat in vertrouwen was meegedeeld. In de wijsheidsliteratuur als grove zonde tegen de vriendschap veroordeeld. (Sir 27:17)

## verraden (begrip)

- Iemand die je vertrouwt overleveren aan de vijand. Judas Iskariot verraadde Jezus door de soldaten naar de hof te brengen waar Jezus was. (Joh 6:71)

## verrotte rijkdom (begrip)

- Uw rijkdom is verrot en uw klederen zijn van de motten gegeten — beeld van de vergankelijkheid van aards bezit. (Jak 5:2)

## versaagd (begrip)

- Angstig, bevreesd, moedeloos. Jezus zei: — wees niet bang. (Joh 14:27)

## verschijning (begrip)

- Zichtbaar optreden van Christus, in het bijzonder Zijn toekomstige wederkomst in heerlijkheid. (2 Tess 2:8)
- Wederkomstgrond voor de instructie. (1 Tim 6:14)
- Zichtbaar optreden van Christus, zowel met betrekking tot Zijn eerste komst als Zijn toekomstige wederkomst in heerlijkheid. (Tit 2:13)
- Bijbelse aanduiding voor het zichtbaar worden van God, een engel of een hemels teken aan mensen. (2 Makk 5:2)

## verschijning aan de elf (begrip)

- De opgestane Heere verscheen aan de elf en at een stuk gebraden vis voor hun ogen om aan te tonen dat Hij geen geest was. (Luk 24:36)

## verschijning Zaligmaker (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (2 Tim 1:10)

## verschrikking (begrip)

- Hevige angst of ontzetting, vaak veroorzaakt door bovennatuurlijke verschijning of dreigend onheil. (Gen 15:12)

## versierselen (begrip)

- Sieraad; wijsheid is. (Spr 1:9)

## verslagen (begrip)

- Verbroken, terneergedrukt. (Spr 17:22)

## versmaden (begrip)

- Verachten; wie de wijsheid versmaadt, krijgt geen antwoord in benauwdheid. (Spr 1:24)

## versnijdenis (begrip)

- Spottende benaming voor de Judaïsten die op besnijdenis stonden — tegenover de echte. (Fil 3:2)

## verspieden (begrip)

- Bespieden, in het geheim onderzoeken; in de Bijbel ook van valse broeders die de vrijheid in Christus willen ondermijnen. (Gal 2:4)

## verspieders (begrip)

- Verkenners die door Mozes naar Kanaän werden gestuurd om het land te onderzoeken. Tien brachten een ontmoedigend verslag, alleen Jozua en Caleb hielden vast aan Gods belofte. (Dt 1:22)
- Mannen die werden uitgezonden om in het geheim het land en de vijand te verkennen vóór een militaire onderneming. Gebruikelijk middel in oorlogvoering, ook in Israël. (Joz 2:1)
- Spionnen of belagers die heimelijk de psalmist bespieden om hem ten val te brengen. Vaak beeld voor vijanden die loeren op een misstap. (Ps 56:7)

## verstaat en Mij kent (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 9:24)

## verstand (begrip)

- Vermogen om te denken en te begrijpen; door de Geest verlicht tot kennis van God. Wordt vernieuwd door de Geest. (1 Kor 2:16)
- Vermogen om met begrip in zaken in te gaan; in Spreuken vrucht van de vreze des HEEREN. (Spr 3:5)

## verstand om te kennen (begrip)

- De Zoon van God is gekomen en heeft ons het verstand gegeven, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. (1 Joh 5:20)

## verstandig (begrip)

- Iemand met inzicht; verbergt schande, terwijl de zot openbaart. (Spr 14:8)

## verstandig samenwonen (begrip)

- Gij mannen, woont met uw vrouwen verstandig met haar als een zwakker vat, gevende haar eer als die ook mede-erfgenamen der genade des levens zijn. (1 Petr 3:7)

## verstandige (begrip)

- Wie inzicht bezit. (Spr 15:14)

## versteende menselijke wijsheid (uitdrukking)

- Aanduiding voor het vastlopen van louter menselijke pogingen om Gods wegen te begrijpen. Onderdeel van het bijbelse onderwijs over de grenzen van wijsheid. (Job 38:2)

## versterkte stad, ijzeren pilaar, koperen muren (uitdrukking)

- Gods belofte bij de roeping van Jeremia: tegen alle vijanden. (Jer 1:18)

## verstikte (begrip)

- Vlees van dieren die niet door uitbloeden gedood waren — verboden door de Jeruzalemse vergadering. (Hand 15:29)

## verstokt hart (begrip)

- Hart dat niet meer wil horen. (Ps 95:8)

## verstrooiing (begrip)

- De diaspora; de over de wereld verspreide Joden of christenen buiten het beloofde land. (Jak 1:1)

## verstrooiing onder alle volken (begrip)

- De Joden zullen door het zwaard vallen en gevangen weggevoerd worden — Jezus' voorzegging. (Luk 21:24)

## verterend vuur (begrip)

- Onze God is een verterend vuur — heilige eerbied past degenen die genadig een onbewegelijk koninkrijk ontvangen. (Hebr 12:29)

## vertroost elkander (begrip)

- Apostolische vermaning aan gelovigen om elkaar onderling te troosten met het uitzicht op de wederkomst en de opstanding. (1 Th 4:18)

## vertroosten (begrip)

- God spreekt het bedrukte hart. (Ps 23:4)

## vertroosting (begrip)

- Bemoediging door Gods woord en aanwezigheid. (Ps 119:50)
- Bemoediging en versterking in lijden, vooral van de Vader der barmhartigheden. Gegeven om anderen te kunnen vertroosten. (2 Kor 1:3)
- Bemoediging en troost in geestelijke zin; in apostolische brieven dikwijls verbonden met vreugde en liefde. (Filem 1:7)

## vertroosting geweest (begrip)

- Over Aristarchus, Markus en Justus. (Kol 4:11)

## vertrouwen (begrip)

- Zich met heel zijn nood op God verlaten. Een sleutelwoord van de Psalmen. (Ps 4:6)
- Bijbels begrip voor het zich verlaten op God of een ander. In het bijzonder geloofsvertrouwen op God in alle omstandigheden. (Sir 2:6)

## vertrouwen op de Heere (begrip)

- Pastoraal vertrouwen dat door Christus' werking de gelovigen het geboden zullen volbrengen. (2 Th 3:4)

## vertrouwen op gehoorzaamheid (begrip)

- Pastorale grondhouding waarin een leider zijn verzoek baseert op het vertrouwen dat de geadresseerde gehoorzaam zal zijn. (Flm 1:21)

## vervallen van genade (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Gods genade en vrede. (Gal 5:4)

## vervloeken (begrip)

- Een vloek uitspreken; het tegenovergestelde van zegenen. Plechtig oordeel met wensende kracht ten kwade. (Gen 3:14)

## vervloeken zijner geboortedag (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor uiterste klacht waarbij men de eigen geboortedag betreurt. Klassiek motief in de klaagliteratuur, ook bij Jeremia. (Job 3:1)

## vervloeking (begrip)

- Banvloek of verwerping; ook de vloek der wet die op de zonde rust. Door Christus voor ons gedragen. (1 Kor 12:3)
- Toewensing van onheil; gevolg van Gods toorn over goddeloosheid. (Spr 3:33)

## vervloekt (begrip)

- Onder een vloek geplaatst, zowel door God als door mensen. In de Bijbel met blijvende gevolgen voor de getroffene. (Gen 3:14)

## vervloekt in hun hart (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor inwendige zonde die niet uitwendig zichtbaar wordt. Onderdeel van de oudtestamentische leer over de subtiliteit van de zonde. (Job 1:5)

## vervloekt vertrouwen op vlees (uitdrukking)

- Klassieke contrast met — versus. (Jer 17:5)

## Vervloekt zij de dag waarin ik geboren ben (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 20:14)

## vervolgd worden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het lijden om Christus' wil. (2 Tim 3:12)

## vervolgen om Geest (theologisch)

- Zoals Ismaël Izak vervolgde, zo vervolgen wettische mensen (uit het vlees geboren) de gelovigen die uit de Geest geboren zijn — typologische lijn van de twee verbonden. (Gal 4:29)

## vervolger (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het lijden om Christus' wil. (Gal 1:13)

## vervolgers der profeten (begrip)

- Aanduiding voor wie binnen Israel de oudtestamentische profeten en uiteindelijk ook de Heiland en de apostelen vervolgden. (1 Th 2:15)

## vervolging (begrip)

- Het lastigvallen, verdrukken of mishandelen van mensen om hun geloof of gedrag. In de zaligsprekingen toegezegd met de belofte van het Koninkrijk der hemelen. (Matt 5:10)
- Stelselmatig opjagen, kwellen of ter dood brengen van mensen vanwege hun geloof of afkomst. (3 Makk 4:1)

## vervolgingen Antiochië (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het lijden om Christus' wil. (2 Tim 3:11)

## vervuld met de Geest (theologisch)

- Apostolische vermaning om — tegenover de dronkenschap met wijn — vol te zijn van de Heilige Geest, wat zich uit in lofzang, dankzegging en onderdanigheid. (Ef 5:18)

## vervulling (begrip)

- Het in vervulling gaan van een belofte of profetie. Centraal in het Bijbelse heilsverhaal, dat zijn voltooiing vindt in Christus. (Gen 21:1)

## vervulling lijden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het lijden om Christus' wil. (Kol 1:24)

## verwachten (begrip)

- Hoopvol zien naar Gods komst. (Ps 27:14)

## verwachten en haasten (begrip)

- Verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods, in welke de hemelen door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan. (2 Petr 3:12)

## verwachten Zoon (begrip)

- De op Christus gerichte hoop dat Hij, door God uit de doden opgewekt, uit de hemel zal terugkeren. (1 Th 1:10)

## verwachting (begrip)

- Vol vertrouwen uitzien naar de toekomende heerlijkheid. Vrucht van geloof en hoop. (Rom 8:19)
- Hoop; van de rechtvaardige niet beschaamd, van de goddeloze afgesneden. (Spr 11:7)

## Verwachting Israëls (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 14:8)

## verwonderen om gewin (begrip)

- Zij verwonderen zich over de personen om gewins wil — vleien rijken om er zelf beter van te worden. (Jud 1:16)

## verworpen zilver (uitdrukking)

- Naam die God aan zijn volk geeft na de mislukte loutering — onbruikbaar metaal dat weggegooid wordt. (Jer 6:30)

## verworpene (begrip)

- Iemand die door God of mensen is afgewezen. In de Psalmen vaak de goddeloze die uit Gods gemeenschap valt; soms ook de vrome die zich verlaten voelt. (Ps 15:4)

## verzadiging des vleses (begrip)

- Over ascetische verboden. (Kol 2:23)

## verzamel-naar-onderwereld (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarin gevallen wereldmachten in het dodenrijk samenkomen. Voorloper van latere voorstellingen over het hiernamaals. (Ez 32:21)

## verzegeld boek (voorwerp)

- Het boek met de zeven zegels in de rechterhand van Hem die op den troon zat. (Op 5:1)

## verzegelde rol (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de verborgen of bewaarde rekening van overtredingen. Onderdeel van de oudtestamentische beeldspraak over Gods archief. (Job 14:17)

## verzegelen (begrip)

- Iets bekrachtigen met een zegel als teken van echtheid. Wie Jezus' getuigenis aanneemt, verzegelt daarmee dat God waarachtig is. (Joh 3:33)

## verzegeling (begrip)

- Het door God plaatsen van Zijn zegel; door de gave van de Heilige Geest aan de gelovigen geschonken. Onderpand van de erfenis. (2 Kor 1:22)

## verzegeling met de zegelring (begrip)

- Aanduiding voor het bekrachtigen van een koninklijk document met de zegelafdruk van de koning. Maakte een edict in het Perzische rechtssysteem onherroepelijk. (Esth 3:10)

## verzenen (begrip)

- Verouderd voor 'hielen' of 'hakken'. In de moederbelofte zou de slang het zaad van de vrouw 'de verzenen vermorzelen'. (Gen 3:15)
- De hielen die Saulus tegen de prikkels sloeg — beeld van vergeefse weerstand tegen Christus. (Hand 26:14)

## verzocht door God (begrip)

- Niemand als hij verzocht wordt, zegge: ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade en Hij zelf verzoekt niemand. (Jak 1:13)

## verzoeken (begrip)

- God op de proef stellen. (Ps 78:18)
- In bijbels spraakgebruik God op de proef stellen, twijfel zaaien aan zijn macht of trouw. Door de bijbel afgewezen als zonde. (Wijsh 1:2)

## verzoeker (begrip)

- Aanduiding voor de satan in zijn werkzaamheid om gelovigen tot zonde of geloofsafval te verleiden. (1 Th 3:5)

## verzoeking (begrip)

- Beproeving of verzoeking van iemands geloof en trouw. God beproeft Zijn dienstknechten, maar verzoekt nooit tot zonde. (Gen 22:1)
- Beproeving die de mens tot zonde wil verleiden. Kan voortkomen uit Satan, eigen begeerten of moeilijke omstandigheden. (Matt 6:13)
- Beproeving die hetzij door God ter loutering, hetzij door de duivel tot zonde wordt aangewend. (Jak 1:13)
- Beproeving van het geloof of verleiding tot zonde. In de bijbel zowel toelating van God ter loutering als aanval van de boze. (4 Ezra 16:74)

## verzoeking (Gethsemane) (begrip)

- Jezus' onderwijs in Gethsemane. (Luk 22:40)

## verzoeking Gods (begrip)

- Het op de proef stellen of uitdagen van God, in de Bijbel meestal verboden. Slechts in enkele gevallen door God zelf uitgenodigd om zijn trouw te tonen. (Mal 3:10)

## verzoekingen (begrip)

- Voor een weinig tijds, zo het nodig is, bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen — beproevingen die het geloof louteren. (1 Petr 1:6)

## verzoendeksel (cultisch)

- De gouden plaat boven op de ark van het verbond, met twee cherubs erop. Plaats waar God Zijn aanwezigheid openbaarde en waar het bloed van het zondoffer werd gesprenkeld. (Ex 25:17)
- Het gouden deksel op de ark des verbonds, waarop het bloed der verzoening werd gesprenkeld. Beeld van Christus als plaats van verzoening tussen God en mens. (Hebr 9:5)

## verzoenen (begrip)

- Het door Gods werk in Christus herstellen van de gebroken verhouding tussen God en de zondige mens. (Tit 2:14)
- Bijbels begrip voor het wegnemen van schuld en herstel van de relatie met God, in de oude bedeling door offers, in het Nieuwe Testament door Christus. (1 Makk 4:21)
- Bedekken van zonde; door barmhartigheid en trouw. (Spr 16:6)

## verzoening (begrip)

- Het herstel van een verbroken verhouding tussen God en mens, of tussen mensen onderling. In de Bijbel kerngedachte van het offer. (Gen 32:20)
- Het bedekken of wegdoen van zonde door bloedstorting, waardoor de schuldige weer in gemeenschap met God kan komen. Kerngedachte van de offerdienst. (Lev 17:11)
- Gods bedekken van de schuld zodat de gemeenschap hersteld is. (Ps 32:1)
- Herstel van de gebroken verhouding tussen God en mens, door het bloed van Christus tot stand gebracht. Apostolisch ambt van de bediening der verzoening. (Rom 5:11)
- Het wegnemen van Gods toorn over de zonde door het offer van Christus, waardoor de zondaar weer met God in vrede komt. (Hebr 9:15)
- Bedekking van schuld. (Spr 16:6)
- Bijbels begrip voor het wegnemen van schuld en herstel van de relatie met God, in de oude bedeling door offers, in het Nieuwe Testament door Christus. (Sir 3:30)

## verzoening (met broer) (begrip)

- Het herstellen van een verbroken broederrelatie. In Genesis voorbeeldig in de ontmoeting van Jakob met Esau en in Jozefs verzoening met zijn broers. (Gen 33:4)

## verzoening gevonden (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het vinden van een grond waarop God de zonde kan vergeven en de mens kan sparen. Voorafschaduwing van het bijbelse verzoeningswerk. (Job 33:24)

## verzoening voor zonden (begrip)

- Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld. (1 Joh 2:2)

## verzorger (begrip)

- Met beeld voor de positie van het volk onder de wet, vóór Christus' komst. (Gal 4:2)

## verzwakt verstand (begrip)

- Aanduiding voor de geestelijke achteruitgang die soms met de hoge ouderdom gepaard gaat. In de wijsheidsliteratuur reden tot eerbied en niet tot verachting. (Sir 3:13)

## verzwarende cijns (begrip)

- In de Schrift de aanduiding voor een onevenredig zware belasting die ontevredenheid wekt onder het volk. Speelde later een rol bij de splitsing van het rijk onder Rehabeam. (2Sam 24:13)

## verzwolgen (begrip)

- Term voor wie volledig wordt overweldigd of opgeslokt door tegenspoed of vijanden. In de Bijbel ook beeld van Gods oordeel. (Zach 9:8)

## vesting (begrip)

- Versterkte plaats; beeld voor God als onneembare bescherming. (Ps 31:3)
- Versterkte plaats voor militaire verdediging. In de hellenistische tijd vaak strategisch op heuveltoppen of bij wegen aangelegd. (1 Makk 9:50)

## vesting van Juda (begrip)

- Versterkte steden die rondom Juda werden aangelegd ter verdediging van het koninkrijk. Werden door verschillende godvrezende koningen uitgebreid en versterkt. (2 Kron 11:5)

## vetstuk (cultisch)

- Het inwendige vet rondom de ingewanden, lever en nieren van het offerdier. Behoorde aan God toe en werd op het altaar verbrand; eten ervan was verboden. (Lev 3:14)
- Het beste deel van een offerdier, met name het vet rondom de ingewanden, dat aan JAHWEH werd verbrand. Mocht volgens de wet van Mozes nooit door mensen worden gegeten. (1Sam 2:15)

## vette en magere schapen (uitdrukking)

- Profetische gelijkenis waarbij God het sterke vee dat het zwakke vertrapt in zijn eigen kudde oordeelt. Onderdeel van de leer over individuele verantwoordelijkheid. (Ez 34:17)

## vier aangezichten (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij de troondragende wezens een mensen-, leeuwen-, ossen- en arendsaangezicht hebben. In de oude christelijke uitleg met de vier evangelisten verbonden. (Ez 1:10)

## vier ankers (voorwerp)

- De vier ankers die uit het achterschip werden geworpen om in de storm bij land te kunnen blijven. (Hand 27:29)

## vier boodschappers (uitdrukking)

- Bijbels motief waarin opeenvolgende boden zonder onderbreking slechte berichten brengen. Onderdeel van de proloog van het boek Job. (Job 1:16)

## vier broers (begrip)

- In het apocriefe 2 Makkabeeën de vier broers van Judas Makkabeüs (Simon, Jozef, Jonatan en Eleazar) die als bevelhebbers in de Makkabese opstand dienden. (2 Makk 8:22)

## vier dagen (begrip)

- Lazarus had vier dagen in het graf gelegen toen Jezus hem opwekte — voorbij elke menselijke hoop. (Joh 11:17)

## vier deugden (begrip)

- De vier kardinale deugden van de Griekse filosofie (matigheid, voorzichtigheid, gerechtigheid en sterkte), in de hellenistisch-joodse literatuur overgenomen. (Wijsh 8:7)

## vier dieren (begrip)

- De indeling van het dierenrijk in de spijswetten: landdieren, waterdieren, vogels en kruipende dieren, elk met eigen criteria voor reinheid. (Lev 11:1)
- Vier hemelse wezens rondom Gods troon, die de schepping vertegenwoordigen en God onophoudelijk aanbidden. (Op 4:7)
- De vier dieren uit het visioen van Daniël 7, geduid als vier opeenvolgende wereldrijken die voor het rijk van God uit gaan. (4 Ezra 11:39)

## vier dingen (begrip)

- De vier zaken die heidenchristenen moesten mijden: afgodenoffer, bloed, het verstikte, en hoererij. (Hand 15:29)

## vier elementen (begrip)

- In de hellenistische natuurfilosofie de vier grondstoffen waaruit alles bestaat: vuur, lucht, water en aarde. Door sommige heidenen zelf vereerd als goddelijk. (Sir 39:26)

## vier en veertig duizend (begrip)

- Het totale aantal mannen van Israël (exclusief priesters, Levieten en personeel) volgens een naballingschapse telling. Geeft een indruk van de omvang van de teruggekeerde gemeenschap. (Neh 7:66)

## vier engelen aan de Eufraat (persoon)

- De vier engelen die gebonden waren bij de grote rivier de Eufraat, voor één uur en één dag en één jaar. (Op 9:14)

## vier geslachten zien (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor het mogen aanschouwen van kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en achter-achterkleinkinderen. Teken van bijzondere zegen. (Job 42:16)

## vier halleluja's (begrip)

- De vier halleluja's die de val van Babylon en de bruiloft van het Lam vieren. (Op 19:1)

## vier hoornen (begrip)

- Profetisch symbool voor wereldmachten of koninkrijken die het volk Gods verstrooien. Hoorn staat in de Bijbel voor kracht en macht. (Zach 1:18)

## vier melaatsen (begrip)

- Aanduiding voor de vier melaatse mannen die buiten de stad Samaria zaten tijdens een belegering door de Arameeërs. Speelden volgens de Schrift een onverwachte rol bij de ontdekking van het wonderlijke einde van het beleg. (2 Kon 7:3)

## vier rode bloeden (begrip)

- Aanduiding die niet als zodanig in de Schrift voorkomt. Mogelijk een omschrijving van een specifieke offerritus of bloedplengingsbepaling. (1Sam 1:1)

## vier ruiters (begrip)

- De vier ruiters van de Apocalyps die bij de eerste vier zegels uitgaan over de aarde. (Op 6:1)

## vier smeden (begrip)

- Profetisch symbool voor werktuigen die God gebruikt om de wereldmachten te breken. Onderdeel van de gezichten over Israëls bevrijding. (Zach 1:20)

## vier soorten oordelen (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 15:3)

## vier visioenen (begrip)

- De grote middendelen van het apocriefe 4 Ezra: de treurende vrouw (Sion), de adelaar (vierde wereldrijk), de Mensenzoon en het herstel van de geschriften. (4 Ezra 9:38)

## vier wagens (begrip)

- Profetisch motief van vier strijdwagens die als boodschappers van God de aarde doorkruisen. Onderdeel van de symbolische gezichten in Zacharia. (Zach 6:1)

## vier wezens (uitdrukking)

- Profetische visioenwezens met meerdere aangezichten en vleugels die Gods troonwagen dragen. In het Nieuwe Testament opgenomen in de Openbaring van Johannes. (Ez 1:5)

## vier winden (begrip)

- De vier hemelstreken (noord, zuid, oost, west). In de bijbel ook beeld voor heel de aarde of voor de werking van Gods Geest. (4 Ezra 13:5)
- Bijbelse aanduiding voor de vier hoofdwindrichtingen die ook staan voor de vier hoeken van de aarde. Symbool voor universele werking. (Ez 37:9)

## vier zonen Davids (begrip)

- De eerste vier zonen die David uit zijn vrouwen kreeg in zijn Hebron-tijd: Amnon, Chileab, Absalom en Adonia. Drie van hen kwamen vroegtijdig om door geweld of opstand. (2Sam 3:2)

## vier zonen van Mattatias (begrip)

- De vier broers van Judas Makkabeüs (Johannes, Simon, Eleazar en Jonatan), zonen van de priester Mattathias uit Modin. (1 Makk 2:5)

## vier zware oordelen (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor het oordeel door zwaard, honger, wilde dieren en pestilentie. Klassieke combinatie in profetische oordeelsteksten. (Ez 14:21)

## vier-honderd mannen (begrip)

- Aantal volgelingen dat zich aanvankelijk rondom David verzamelde tijdens zijn vlucht voor Saul. Bestond grotendeels uit benauwden, schuldenaars en bittergeestigen die zijn aanvoerderschap zochten. (1Sam 22:2)

## vier-koninkrijken-leer (begrip)

- Apocalyptisch schema waarin de wereldgeschiedenis in vier opeenvolgende rijken wordt verdeeld, gevolgd door het rijk van God. Bekend uit Daniël 2 en 7. (4 Ezra 12:11)

## vierentwintig ouderlingen (persoon)

- Symbolische schare in de hemel, voorstelling van de volle gemeente uit beide verbonden, die God en het Lam aanbidt. (Op 4:4)

## vierhonderd dertig jaar (begrip)

- Tijdspanne tussen belofte aan Abraham en de wet — bewijs dat de wet de belofte niet tenietdoet. (Gal 3:17)

## vierhonderd profeten (begrip)

- Aanduiding voor de groep hofprofeten die aan het hof van koning Achab functioneerden. Bekend om hun gewoonte de koning naar de mond te spreken zonder zich aan Gods waarheid te houden. (2 Kon 3:13)

## vierhonderd profeten van het bos (begrip)

- Profeten van de Asjera-cultus die door Izebel werden onderhouden, naast de Baälsprofeten. Genoemd naar de heilige bossen of palen waarbij hun cultus werd uitgeoefend. (1 Kon 18:19)

## vierhonderdvijftig profeten van Baäl (begrip)

- De groep priesters en profeten van de Baälscultus die door Achab en Izebel werden onderhouden. Vormden de officiële cultusgemeenschap aan het hof van het noordelijke rijk. (1 Kon 18:19)

## vierkante stad (begrip)

- Het nieuwe Jeruzalem ligt vierkant; de lengte zo groot als de breedte — twaalfduizend stadiën. (Op 21:16)

## vijand (begrip)

- Wie de bidder of Gods volk haat en bedreigt; in de Psalmen voortdurend aanwezig. Soms persoonlijke belagers, soms heidense volken; altijd uiteindelijk vijanden van God Zelf. (Ps 3:8)
- Tegenstander, persoonlijk of collectief. In de bergrede onderwerp van het radicale gebod tot liefhebben en bidden voor wie ons kwaad doet. (Matt 5:44)
- Wie tegenover God of de gelovige staat; van nature is de mens een vijand van God. Door Christus tot vriend gemaakt. (Rom 5:10)

## vijand van God (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor wie God niet vreest en zijn geboden afwijst. In het boek Job ook gebruikt als gevoelsmatige klacht over schijnbare verwerping. (Job 13:24)

## vijandschap (begrip)

- Vijandige verhouding tussen personen of groepen. Door God ingesteld tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang. (Gen 3:15)
- Bijbels begrip voor diepe vijandige verhouding. In de bijbel kenmerk van de toestand tussen de zondige mens en God, en tussen mensen onderling. (Sir 28:6)

## vijandschap tenietgedaan (begrip)

- Het door Christus' kruis weggenomen zijn van de scheiding tussen Joden en heidenen en tussen God en mens. (Ef 2:15)

## vijf broden (voorwerp)

- Onderdeel van het schaarse voedsel waarmee Jezus volgens de evangeliën vijfduizend mannen spijzigde. (Matt 14:17)

## vijf gerstebroden (voorwerp)

- De vijf broden van het knechtjen die Jezus zegende voor de wonderbare spijziging. (Joh 6:9)

## vijfde jaar wegvoering (uitdrukking)

- Profetische tijdsaanduiding gemeten vanaf de eerste deportatie naar Babel in 597 v.Chr. Markeert het begin van Ezechiëls bediening. (Ez 1:2)

## vijfduizend ellen voor stad (uitdrukking)

- Profetische maat voor het stedelijk gebied van de toekomstige stad in het tempelvisioen. Onderdeel van de symmetrische stadsplanning. (Ez 48:17)

## vijfhonderd ezelinnen (uitdrukking)

- Aanduiding voor een grote ezelinnenkudde, in de oudheid waardevol vanwege melk en jonge dieren. Onderdeel van het bezit van een welgesteld grondeigenaar. (Job 1:3)

## vijfhonderd juk runderen (uitdrukking)

- Aanduiding voor een grote ploegrunderen-veestapel, gerekend in 'jukken' van twee samengespannen dieren. Maatstaf voor agrarische rijkdom. (Job 1:3)

## vijfsteden (plaats)

- De vijf steden van de Jordaanvlakte (Sodom, Gomorra, Adma, Zeboïm en Soar/Bela), waarvan vier volgens Genesis 19 door God werden verwoest. (Wijsh 10:6)

## vijftien jaar (begrip)

- Tijdsperiode die in de Schrift vooral genoemd wordt als de levensverlenging die JAHWEH aan koning Hizkia toevoegde na zijn ziekte. Onderstreept Gods macht over leven en dood. (2 Kon 20:6)

## vijftien jaar levensverlenging (begrip)

- Tijdsperiode die in de Schrift vooral genoemd wordt als de levensverlenging die JAHWEH aan koning Hizkia toevoegde na zijn ziekte. Onderstreept Gods macht over leven en dood. (2 Kron 32:24)

## vijftiende Adar (begrip)

- Tweede dag van het Joodse Purimfeest, gevierd in de hoofdstad Susa. Onderscheid in vieringsdatum tussen versterkte steden en het platteland leeft voort tot in latere joodse traditie. (Esth 9:18)

## vijftig sikkels (begrip)

- Hoeveelheid zilver, ongeveer 600 gram, gebruikt als rekeneenheid in handel en rechtspraak. Was een aanzienlijk maar geen overdreven hoog bedrag voor de aankoop van grond of een offerdier. (2Sam 24:24)

## vijftigduizend zilverlingen (voorwerp)

- De waarde van de verbrande toverboeken te Efeze — teken van radicale bekering. (Hand 19:19)

## vijgeboom (natuur)

- Een boom met grote bladeren en zoete vruchten. Jezus zag Nathanaël onder de vijgeboom zitten nog voordat Filippus hem riep — een teken van Zijn alwetendheid. (Joh 1:49)

## vijgenboom (natuur)

- Loofboom met grote bladeren en zoete vruchten. Algemeen verbreid in Israël; Adam en Eva maakten zich na de zondeval schorten van vijgenbladeren. (Gen 3:7)
- Vruchtboom die in heel Kanaän voorkwam en zoete vijgen voortbracht. Symbool van vrede, welvaart en Gods zegen, vaak naast de wijnstok genoemd. (Ri 9:11)
- Vruchtboom in Israël. Onder Gods plagen op Egypte. (Ps 105:33)
- Veelvoorkomende vruchtboom in Palestina, met grote bladeren en zoete vruchten. In de Bijbel beeld van Israël en van geestelijke vruchtdraging. (Matt 21:19)
- Vruchtboom met grote bladeren en zoete vruchten, samen met wijnstok en olijfboom een van de drie kenmerkende cultuurgewassen van Israël. Symbool van vrede en welzijn. (Am 4:9)

## vijgenboom in de wijngaard (begrip)

- De gelijkenis van de vruchteloze vijgenboom die nog een jaar gespaard werd — oproep tot bekering. (Luk 13:6)

## vijgenboom werpt onrijpe vruchten (begrip)

- Bij het zesde zegel werd de hemel weggetrokken als een boekrol — kosmische ineenstorting. (Op 6:13)

## vijgenpersen (begrip)

- Werktuigen of installaties voor het persen van vijgen tot vijgenkoeken. Werden in het oude Israël gebruikt om vijgen te conserveren als wintervoorraad. (Neh 13:15)

## vijver van Samaria (plaats)

- Waterreservoir bij de Samaritaanse hoofdstad, mogelijk met een dubbele functie als waterput en wasplaats. Plaats waar volgens een profetie het bloed van koning Achab werd weggewassen. (1 Kon 22:38)

## vinger Gods (begrip)

- Beeldspraak voor Gods directe en machtige handelen. De Egyptische tovenaars erkenden bij de plaag der luizen: 'dit is de vinger Gods'. (Ex 8:19)
- Beeldspraak voor het rechtstreekse ingrijpen of werken van God. In de Schrift gebruikt voor wonderen, voor het schrijven van de wet op de stenen tafelen en voor het uitwerpen van duivelen door Christus. (2Sam 1:1)

## vis (natuur)

- Waterdier dat door God op de vijfde scheppingsdag in de wateren werd voortgebracht. De mens kreeg heerschappij over de vissen der zee. (Gen 1:21)

## vishaak voor Leviathan (uitdrukking)

- Bijbelse retorische vraag die de onmogelijkheid uitdrukt om met menselijke middelen Leviathan te vangen. Onderdeel van de godsrede. (Job 41:1)

## visioen (begrip)

- Goddelijke openbaring in beeldvorm, vaak in droom of trance ontvangen door profeten en gelovigen. (Gen 15:1)

## vispoort (plaats)

- Een van de poorten van het naballingschapse Jeruzalem, gelegen in de noordelijke muur. Genoemd naar de vismarkt die zich in de buurt bevond. (Neh 3:3)

## vissen aan jagers gegeven (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij Egypte als groot waterdier wordt opgevangen en aan zijn vijanden ten prooi gegeven. Onderdeel van de volkenoordelen. (Ez 29:4)

## vissers (begrip)

- Beoefenaars van de visserij op het meer van Galilea, doorgaans in familieverband met meerdere boten en netten. (Matt 4:19)

## vissers en jagers (uitdrukking)

- Beeld van Babylonische deportatie. (Jer 16:16)

## vissers van Engedi tot Eneglaim (uitdrukking)

- Profetisch beeld van het herstelde leven aan de oevers van een tempelrivier waar zelfs de Dode Zee zoet wordt. Symbool van de geneeskracht van Gods werk. (Ez 47:10)

## vlam (begrip)

- Vuur, vooral het vuur dat van God uitging om offers te verteren of als oordeel over zonde. (Lev 9:24)
- Vuur, vooral het vuur van God dat offers verteerde of als oordeel over zonde dienst deed. (Num 16:35)
- Tongen van vuur; Gods vluchtige boden. Ook beeld voor de hete liefde of toorn. (Ps 29:7)
- Lichtgevend gas dat bij verbranding ontstaat. In de Bijbel meermalen gebruikt als verschijningsvorm van Gods Geest of tegenwoordigheid. (Hand 2:3)
- Christusals een vlam vuurs'. (Openb 1:14)
- Het opslaande vuur. In de bijbel beeld van Gods toorn, oordeel en heiligheid, en ook van zijn beschermende tegenwoordigheid. (Geb. Az. 1:47)

## vlam uit zijn neusgaten (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de schrikwekkende verschijning van het zeedier Leviathan. Mythische versterking van de beschrijving in de godsrede. (Job 41:20)

## vlammend (begrip)

- Brandend en verterend; in eschatologisch verband aanduiding voor het oordeelsvuur waarmee Christus bij Zijn wederkomst verschijnt. (2 Tess 1:8)

## vlammend vuur (begrip)

- Bijbels beeld voor Gods oordeel; in eschatologisch verband begeleidt het de wederkomst van Christus en de wraak over de goddelozen. (2 Th 1:8)

## vlammig lemmer (begrip)

- Vlammend zwaard. Door God na de verdrijving uit Eden gesteld bij de cherubs om de weg naar de boom des levens te bewaken. (Gen 3:24)

## vlassen kleed (begrip)

- Kledingstuk van wol of linnen waarop een schimmel- of melaatse plek verscheen. Bij hardnekkige besmetting moest het verbrand worden. (Lev 13:47)

## vlechting van haar (begrip)

- Welker versiersel zij niet in het uiterlijke, in vlechting van het haar en omhanging van goud en aandoening van klederen — maar in de verborgen mens des harten. (1 Petr 3:3)

## vlees als gras (begrip)

- Alle vlees is als gras en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem des grases — vergankelijk, anders dan het Woord des Heeren. (1 Petr 1:24)

## vlees en bloed (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor de menselijke natuur in haar zwakheid en sterfelijkheid. In het Johannes-evangelie ook gebruikt om natuurlijke afkomst tegenover wedergeboorte uit God te plaatsen. (Joh 1:13)
- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het vlees of de natuurlijke mens. (Ef 6:12)
- Aangezien de kinderen vlees en bloed deelachtig zijn, heeft Christus eveneens daaraan deelgekregen om door de dood de duivel teniet te doen. (Hebr 2:14)

## vlees en Geest (theologisch)

- De fundamentele innerlijke strijd in de wedergeboren gelovige tussen het vlees (oude natuur) en de Heilige Geest, die tegenover elkaar staan en strijden. (Gal 5:17)

## vlees en pot (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij Jeruzalem als een veilige kookpot wordt voorgesteld. Door de profeet omgekeerd tot een beeld van het oordeel. (Ez 11:3)

## vlees gekruisigd (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het vlees of de natuurlijke mens. (Gal 5:24)

## vlees geworden (begrip)

- Het Woord werd vlees — sleutelvers van de incarnatie. (Joh 1:14)

## vlees vs geest (begrip)

- Bijbelse en theologische tegenstelling tussen het vergankelijke, sterfelijke menszijn (vlees) en het door Gods Geest geheiligde of toekomstige onsterfelijke leven (geest). (4 Ezra 2:45)

## vlees-aanvang (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het vlees of de natuurlijke mens. (Gal 3:3)

## vleeselijk (begrip)

- Wat tot het vlees behoort, in onderscheiding van het geestelijke. Bij gelovigen een gestalte die overwonnen moet worden. (2 Kor 10:4)

## vleeselijk minne (begrip)

- Vleselijke gezindheid die de geestelijke groei tegenstaat. Tegenovergesteld aan de zin van de Geest. (2 Kor 1:17)

## vleesgordel-roep tot bekering (uitdrukking)

- Oproep tot innerlijke besnijdenis. (Jer 4:4)

## vleeshaak (voorwerp)

- Werktuig met haken waarmee de priester delen van het offervlees uit de offerketel of van het altaar nam. (Lev 7:31)

## vleeshaken (begrip)

- Tempelgereedschap, vorkachtige werktuigen waarmee de priesters het offervlees uit de potten of van het altaar haalden. Werden in de tempel van Salomo van massief goud gemaakt. (1 Kon 7:50)

## vleeswerk (begrip)

- Beeldspraak van naaktheid en publieke schande die in de profetische taal de vernedering van een trotse stad of vorstin uitdrukt. (Na 3:5)

## vleeswerpen tot offer (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor het brengen van offerdieren door de huisvader, kenmerkend voor de patriarchale offerpraktijk vóór de instelling van de tempelcultus. (Job 1:5)

## vleien (begrip)

- Met gladde lof verleiden; gevaarlijk in Spreuken. (Spr 29:5)
- Bijbels begrip voor het iemand met onoprechte mooie woorden om eigen voordeel te behagen. In de wijsheidsliteratuur als gevaarlijk gemeden. (Sir 27:23)

## vleier (begrip)

- Wie met gladde woorden bedriegt. (Ps 12:3)
- Wie met gladde woorden vleit. (Spr 26:28)

## vlekken in liefdemalen (begrip)

- Dezen zijn vlekken in uw liefdemalen, brassende met u zonder vrees, zichzelf weidende — schaamteloze indringers in het gemeentelijk leven. (Jud 1:12)

## vleselijk oordelen (begrip)

- Naar uitwendige maatstaven oordelen, niet naar de Geest. Bedreiging voor de gemeenschap. (2 Kor 5:16)

## vleselijke begeerlijkheden (begrip)

- De vleselijke begeerlijkheden voeren krijg tegen de ziel — daarom moet de gelovige zich daarvan onthouden. (1 Petr 2:11)
- Ontvluchten het verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid — kern van de geestelijke strijd. (2 Petr 1:4)

## vleugel (begrip)

- Slip of zoom van het bovenkleed, beeld van bescherming en geborgenheid. Iemand 'onder zijn vleugel nemen' kon ook duiden op het sluiten van een huwelijk of verbond. (Ruth 3:9)
- Beeld voor Gods veilige toevlucht; ontleend aan de moedervogel die haar jongen onder haar vleugels dekt. (Ps 17:8)

## vleugel des tempels (plaats)

- In Handelingen niet expliciet, wel impliciet bij Paulus' verdediging vanaf de tempeltrappen. (Hand 21:40)

## vleugelen (begrip)

- Bijbels beeld voor bescherming, zorg en heling, zoals een vogel haar jongen onder de vleugels neemt. Ook attribuut van de Messias en van God. (Mal 4:2)

## vleugelen ooievaar (begrip)

- Beeldspraak ontleend aan de grote vleugels van de ooievaar, in de profetie verbonden met snel en krachtig vervoer over grote afstand. (Zach 5:9)

## vleugelen van de grote arend (begrip)

- De twee vleugelen van de grote arend gegeven aan de vrouw, opdat zij zou wegvliegen naar de wildernis. (Op 12:14)

## vleugelgeluid als waterval (uitdrukking)

- Profetisch beeld van het geluid van engelvleugels dat als geruis van vele wateren klinkt. Komt ook voor in de Openbaring van Johannes. (Ez 1:24)

## vlied (begrip)

- Vermaning aan Timotheüs. (2 Tim 2:22)

## vlieden (begrip)

- Vluchten, wegrennen. De schapen vlieden (vluchten) van een vreemde, omdat ze zijn stem niet kennen. (Joh 10:5)

## vlieg (begrip)

- Insect dat zich aan vuilnis en wonden hecht. De vierde van de tien Egyptische plagen, in zware zwermen over heel Egypte behalve Gosen. (Ex 8:21)

## vliegen (begrip)

- Vierde van de tien plagen van Egypte (Exodus 8), waarbij God ongediertenscharen over het land bracht; volgens sommige uitleggers hondsvliegen. (Wijsh 16:9)

## vliegende boekrol (begrip)

- Profetisch beeld van een door de lucht zwevende schriftrol die Gods vloek of woord uitdraagt. Onderdeel van de gezichten van Zacharia. (Zach 5:1)

## vlies (begrip)

- Schapenvacht zoals gebruikt om wol af te werpen of als kleed. Diende ook als middel om door waarneming van vocht of droogte een teken van God te ontvangen. (Ri 6:37)

## vlijtig (begrip)

- IJverig in arbeid. (Spr 10:4)

## vlijtige (begrip)

- De ijverige werker; door God gezegend met overvloed. (Spr 13:4)

## vloed (begrip)

- Een grote watermassa die land overstroomt. In het bijzonder de zondvloed waarmee God de aarde strafte in de dagen van Noach. (Gen 6:17)

## vloed in oude wereld (begrip)

- De toenmalige wereld is met water overstroomd geweest en vergaan; maar de hemelen die nu zijn, zijn door hetzelfde Woord ten vure bewaard. (2 Petr 3:6)

## vloeiing (begrip)

- Lichamelijke uitscheiding zoals menstruatie, zaadlozing of een ziekelijke stroom. Maakte tijdelijk cultisch onrein en vereiste reiniging. (Lev 15:2)

## vloek (begrip)

- Door God uitgesproken oordeel over zonde of ongehoorzaamheid. Tegenovergestelde van de zegen en onderdeel van de verbondsstructuur. (Gen 3:14)
- Door God uitgesproken oordeel over ongehoorzaamheid, in tegenstelling tot de zegen. Onderdeel van de verbondsstructuur. (Lev 26:14)
- Door God uitgesproken oordeel over ongehoorzaamheid, in tegenstelling tot de zegen. Onderdeel van de verbondsstructuur en plechtig op de berg Ebal afgekondigd. (Dt 27:14)
- Goddelijk vervloeking en oordeel; door Christus voor ons gedragen aan het kruis. Tegenovergesteld aan de zegen. (Rom 3:8)
- Tegendeel van zegen: door God of namens God uitgesproken oordeel waardoor heil, leven en gemeenschap worden afgesneden. In het verbond gekoppeld aan ongehoorzaamheid. (Spr 3:33)

## vloek der moeder (begrip)

- Bijbels begrip voor het tegendeel van de zegen: een vervloeking door de moeder die volgens oude opvatting werkelijke kracht had om kwaad over de zoon te brengen. (Sir 3:9)

## vloek der wet (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (Gal 3:13)

## vlucht (begrip)

- Het wegtrekken voor gevaar of vervolging. In de Bijbel onderdeel van vele biografieën, van Jakob tot David en de heilige familie. (Gen 27:43)
- Het wegtrekken voor dreigend gevaar. In de evangeliën onder andere gebruikt voor de tocht van Jozef en Maria met het kind Jezus naar Egypte. (Matt 24:20)
- Het zich onttrekken aan een opdracht, gevaar of verantwoordelijkheid door weg te gaan. In de Bijbel vaak beschreven als een reis weg van Gods aangezicht. (Jon 1:3)

## vlucht der vrees (begrip)

- Aanduiding voor de schrik die over de heidense bevolking viel toen de positie van de Joden onverwachts versterkt werd. Leidde volgens het boek Esther zelfs tot bekering tot het jodendom. (Esth 8:17)

## vluchten (begrip)

- Zich haasten naar God als toevlucht. (Ps 71:1)

## vluchten naar Pathros (plaats)

- Het achterliggende noorden van Boven-Egypte; daar woonden de Joodse ballingen ook bij wie de afgoderij voortwoekerde. (Jer 44:1)

## voeden (begrip)

- God spijzigt al wat leeft. (Ps 145:15)

## voederbak (voorwerp)

- De krib waarin het Kindje werd gelegd — synoniem voor krib. (Luk 2:7)

## voedsel (begrip)

- Spijs voor het lichaam; in geestelijke zin het Woord en het avondmaal. Voor de gewetensvraag van de afgodenoffers van belang. (1 Kor 8:1)

## voedster (begrip)

- Zoogvrouw die een baby de borst geeft. Mozes' eigen moeder Jochebed werd door de prinses ingehuurd om hem te zogen. (Ex 2:7)
- Vrouw die kinderen koestert en zoogt; in apostolische brieven beeld voor pastorale tederheid van de verkondiger jegens de gemeente. (1 Th 2:7)

## voetbank (begrip)

- Lage steun voor de voeten; in de Bijbel beeld voor de aarde of voor de overwonnen vijanden onder de heerschappij van God of Zijn Gezalfde. (Ps 110:1)

## voeten als blinkend koper (begrip)

- De voeten van de Mensenzoon waren als blinkend koper, gelouterd in een oven. (Op 1:15)

## voeten der apostelen (begrip)

- De gelovigen brachten de opbrengst van hun verkochte goederen aan de voeten der apostelen. (Hand 4:35)

## voeten haastig (begrip)

- Voeten die snel naar het kwaad lopen; gruwel. (Spr 6:18)

## voeten van Saulus (begrip)

- De getuigen legden hun klederen aan de voeten van Saulus tijdens Stefanus' steniging. (Hand 7:58)

## voeten wassen (begrip)

- Vereiste voor de geregistreerde weduwen. (1 Tim 5:10)

## voetpad (begrip)

- Smalle gebaande baan; 'de gerechte paden'. (Spr 2:9)

## voetstappen (begrip)

- Afdrukken van de voet in zachte ondergrond. In de bijbel soms beeld van leiding (Gods voetstap) of van bewijs (afdrukken in stof of as). (BelDra 1:19)

## voetstappen navolgen (begrip)

- Wij moeten Christus' voetstappen navolgen — Hij die geen zonde gedaan heeft en in Wiens mond geen bedrog gevonden is. (1 Petr 2:21)

## voettrede (begrip)

- Indien u zegt tot de rijke: zit gij hier, en tot de arme: sta gij daar, of zit hier onder mijn voettrede — zo onderscheidt u in uzelf en zijt rechters van kwade overleggingen. (Jak 2:3)

## voetwassing (begrip)

- Het wassen van iemands voeten, normaal het werk van een slaaf. Jezus waste de voeten van Zijn discipelen als voorbeeld van dienstbaarheid en nederigheid. (Joh 13:5)

## voetwassing (avondmaal) (gebruik)

- Bij het laatste avondmaal waste Jezus de voeten der discipelen — voorbeeld van dienend leiderschap. (Joh 13:5)

## vogel in lucht (begrip)

- Bijbelse beeldspraak voor wat snel voorbijgaat zonder spoor na te laten. Beeld van vergankelijkheid. (Wijsh 5:11)

## vogelen van de hemel (begrip)

- Alle vogels, deel van Gods scheppingsorde en in de bijbel vaak verbonden met de zorg en voorzienigheid van de Schepper. (Gez. Vuur. 1:80)

## vogelverschrikker (begrip)

- Beeld op het veld om vogels te verjagen. In bijbelse polemiek tegen afgodendienst spreekwoordelijk gebruikt voor machteloze beelden. (Bar 6:69)

## vogelverschrikker in komkommerveld (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 10:5)

## vol loon (begrip)

- Volledige hemelse beloning voor volharding in geloof; tegengesteld aan een door ontrouw verminderd loon. (2 Joh 1:8)

## vol ogen rondom (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor Gods alziendheid waarbij de wielen of wezens rondom met ogen bedekt zijn. Onderdeel van de troonvisioenen. (Ez 1:18)

## vol wijsheid en schoonheid (uitdrukking)

- Profetische beschrijving van een vorst als toonbeeld van geschapen volmaaktheid. In de uitleg vaak ook op de oorspronkelijke staat van satan betrokken. (Ez 28:12)

## voleinder (begrip)

- Jezus is de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs — Hij begint en voltooit het geloof in de Zijnen. (Hebr 12:2)

## voleinding (begrip)

- Voltooiing of afsluiting, in het Nieuwe Testament aanduiding voor het einde van deze wereldperiode bij de wederkomst van Christus. (Matt 24:3)

## volharding (begrip)

- Bijbels begrip voor het standvastig blijven in geloof en gehoorzaamheid, ondanks tegenslag of beproeving. (Sir 2:4)

## volheid (begrip)

- De overvloed, de rijkdom. Uit de volheid van Jezus hebben wij allen genade op genade ontvangen. (Joh 1:16)

## volheid der Godheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Kol 2:9)

## volheid der wijsheid (begrip)

- Bijbels begrip voor de complete en rijpe wijsheid, in de wijsheidsliteratuur verbonden met de vreze des Heeren. (Sir 1:16)

## volk hoort als vermaak (uitdrukking)

- Profetische aanklacht tegen toehoorders die het profetisch woord wel beluisteren maar niet doen. Klassieke kritiek op uiterlijk vroom kerkbezoek. (Ez 33:32)

## volk uit Egypte (begrip)

- De Heere heeft het volk uit Egypteland verlost en daarna degenen die niet geloofden verdorven — eerste waarschuwend voorbeeld. (Jud 1:5)

## volken (begrip)

- Naties van de aarde, vaak parallel met 'heidenen'. (Ps 2:1)
- De niet-joodse volken, samen aanduiding voor de mensheid buiten Israël. In het Nieuwe Testament eveneens doel van de evangelieverkondiging. (Matt 28:19)

## volkenoordelen (uitdrukking)

- Verzameling van profetische oordelen tegen vreemde volken, in de profetische literatuur vaak in een aparte cyclus bijeen. Onderdeel van de profetische literatuur. (Ez 25:1)

## volkstelling (begrip)

- Het tellen van het volk in militaire weerbaren, in de Schrift een gevoelige aangelegenheid. Mocht alleen op uitdrukkelijke goddelijke last plaatsvinden, omdat zij de soevereiniteit van JAHWEH raakte. (1 Kron 21:1)

## volmaakt voorstellen in Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Kol 1:28)

## volmaakte mens Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (2 Tim 3:17)

## volmaaktheid (begrip)

- De lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat u volmaakt en gans oprecht zijt en in geen ding gebrek hebt. (Jak 1:4)

## volmaken bevestigen (begrip)

- De God aller genade Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere u — pastorale zegenbede aan het einde van de brief. (1 Petr 5:10)

## volwassenheid (begrip)

- Wij moeten ons begeven tot de volmaaktheid, de eerste beginselen van Christus verlatende, en niet weer fundamenten leggen. (Hebr 6:1)

## vondeling in haar bloed (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarin Jeruzalem als een weggeworpen pasgeboren kind wordt voorgesteld. Onderdeel van de oudtestamentische beeldspraak over Israëls oorsprong. (Ez 16:6)

## voor alle eeuwen (begrip)

- Aan de alleen wijze God Zaligmaker zij heerlijkheid... beide nu en in alle eeuwigheid — eeuwig durende lof. (Jud 1:25)

## voor de tijden der eeuwen (begrip)

- Aanduiding voor wat van eeuwigheid, voor de schepping der tijden, in Gods raadsbesluit vaststond. (Tit 1:2)

## voor een uur gescheiden (begrip)

- Aanduiding voor een korte tijdelijke verwijdering die door Gods voorzienigheid leidt tot blijvende, geestelijke hereniging. (Flm 1:15)

## voor evangelie houden (begrip)

- Iemand bij zich behouden ter ondersteuning in het werk van het evangelie tijdens gevangenschap. (Flm 1:13)

## voor het vuur bewaard (begrip)

- De hemelen die nu zijn en de aarde, zijn door hetzelfde Woord opgelegd en ten vure bewaard tegen de dag des oordeels en der verderving der goddeloze mensen. (2 Petr 3:7)

## voor koningen bidden (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het gebed. (1 Tim 2:2)

## voor uw aangezicht (begrip)

- Aanduiding voor het verschijnen van de gelovigen in heiligheid voor God de Vader bij Christus' wederkomst. (1 Th 3:13)

## voor Zijn heerlijkheid (begrip)

- De gelovigen worden voor Gods heerlijkheid gesteld in vreugde — hoogtepunt van Gods reddend werk. (Jud 1:24)

## voorbede (begrip)

- Gebed namens of voor een ander. In de Bijbel hoog geacht; Abrahams pleidooi voor Sodom is een vroeg voorbeeld. (Gen 18:23)
- Gebed voor anderen, in het bijzonder voor de heiligen. Door Christus en de Geest verricht en aan de gemeente geboden. (Rom 8:26)

## voorbede aan veelt (begrip)

- Voorbede van de gehele gemeente voor de noden van een ander gelovige, met name voor vrijlating uit gevangenschap. (Flm 1:22)

## voorbede gevraagd (begrip)

- Verzoek van een apostel of gemeenteleider om door anderen in het gebed gedragen te worden in zijn werk en noden. (2 Th 3:1)

## voorbede Mozes (begrip)

- Het bemiddelende gebed van Mozes voor het zondigende volk, vooral na het gouden kalf en bij Korachs opstand. Wendt Gods toorn af. (Dt 9:18)

## voorbeeld (begrip)

- Sodoma en Gomorra zijn — waarschuwing. (Jud 1:7)

## voorbeeld der gelovigen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (1 Tim 4:12)

## voorbeeld in alles (begrip)

- Voorbeeldfunctie van een gemeenteleider die zich in alle dingen als voorbeeld van goede werken betoont. (Tit 2:7)

## voorbeeld in arbeid (begrip)

- Apostolisch voorbeeld van eerlijke arbeid en ordelijk leven, dat door de gemeente moet worden nagevolgd. (2 Th 3:7)

## voorbeeld in lijden (begrip)

- Christus heeft voor ons geleden, ons een voorbeeld nalatende, opdat u Zijn voetstappen zou navolgen. (1 Petr 2:21)

## voorbeeld van eeuwig vuur (begrip)

- De steden van de vlakte zijn een voorbeeld dat het oordeel des eeuwigen vuurs ondergaat — voor alle eeuwen ter waarschuwing. (Jud 1:7)

## voorbeeld van geloof (begrip)

- Paulusvoorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven'. (1 Tim 1:16)

## voorbeelden (begrip)

- Aanduiding voor gelovigen wier geloofsleven en wandel als toonbeeld dienen voor andere gemeenten. (1 Th 1:7)

## voorbeelden van de kudde (begrip)

- Niet als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde. (1 Petr 5:3)

## voorbereiding (begrip)

- De dag voor de sabbat of een feestdag, waarop alles werd klaargemaakt. Jezus werd gekruisigd op de dag van de voorbereiding van het Pascha. (Joh 19:14)

## voorbereiding van het Pascha (gebruik)

- De dag waarop Jezus werd gekruisigd, terwijl de Joden hun Paaslam slachtten. (Joh 19:14)

## voorbidder (begrip)

- Christus leeft altijd om voor de Zijnen te bidden; daarom kan Hij volkomen zalig maken die door Hem tot God gaan. (Hebr 7:25)

## voorbij gegaan (begrip)

- Wat tot het oude leven behoorde is in Christus voorbijgegaan. Alle dingen zijn nieuw geworden. (2 Kor 5:17)

## voorganger (begrip)

- De goede herder gaat de schapen voor, en de schapen volgen Hem omdat zij zijn stem kennen. (Joh 10:4)
- Leidsman in geestelijke of bestuurlijke zin, in het bijzonder een priester of leraar van Israël. (Geb. Az. 1:38)

## voorgangers (begrip)

- Gedenkt uwer voorgangeren die u het Woord Gods gesproken hebben; volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling. (Hebr 13:7)

## voorgangers eren (begrip)

- Apostolische vermaning om wie in de gemeente arbeiden en haar leiden te erkennen en in liefde hoog te schatten. (1 Th 5:12)

## voorgekend (begrip)

- Christus, voorgekend wel van vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard in deze laatste tijden om uwentwil. (1 Petr 1:20)

## voorhang (cultisch)

- Het zware geweven gordijn dat in de tabernakel het Heilige scheidde van het Heilige der heiligen. Gemaakt van blauw, purper, scharlaken en getweernd fijn linnen, met cherubs. (Ex 26:31)
- Het zware geweven gordijn dat in de tabernakel het Heilige scheidde van het Heilige der heiligen. Alleen de hogepriester mocht er eenmaal per jaar door. (Lev 16:2)
- Geweven gordijn dat in de tabernakel en de tempel het heilige van het heilige der heiligen scheidde. Symbool van de afstand tussen de heilige God en de zondige mens. (1Sam 1:1)
- Zware geweven gordijn dat in de tempel het heilige van het heilige der heiligen scheidde. Mocht alleen door de hogepriester worden doorschreden. (Matt 27:51)

## voorhang Mozes (voorwerp)

- De sluier die Mozes voor zijn stralende gelaat deed na elke ontmoeting met God. Beeld dat Paulus gebruikt voor de bedekking van de oude bedeling. (Ex 34:33)

## voorhangsel (voorwerp)

- Zware geweven gordijn dat in de tempel het heilige van het heilige der heiligen scheidde. Mocht alleen door de hogepriester worden doorschreden. (Mark 15:38)
- Het tempelvoorhangsel scheurde middendoor op het ogenblik van Jezus' dood. (Luk 23:45)
- Het gordijn dat de Heilige der heiligen afsloot; Christus heeft door Zijn vlees als een nieuw geopende weg het voorhangsel ingewijd. (Hebr 10:20)

## voorhof (cultisch)

- Open ruimte rondom de tabernakel, omsloten door een linnen omheining. Bevatte het brandofferaltaar en het wasvat. (Ex 27:9)
- Het buitengedeelte van de tabernakel; type van het zichtbare en voorbijgaande in de eredienst van het oude verbond. (Hebr 9:2)
- Open binnenplaats voor de tempel, waar het volk samenkwam en waar het brandofferaltaar stond. (3 Ezra 5:47)

## voorhof van Salomo (plaats)

- Een overdekte zuilengang aan de oostkant van de tempel in Jeruzalem. Jezus wandelde daar tijdens het feest van de tempelvernieuwing. (Joh 10:23)
- De zuilengang aan de tempel waar Petrus na de genezing tot het volk sprak. (Hand 3:11)

## voorhoofd (begrip)

- Beeld; ook plaats van eer of schande. (Spr 7:13)

## voorhoven (plaats)

- Open ruimten rondom de tempel waar de gelovigen verzamelden. (Ps 84:3)

## voorhuid (begrip)

- Huidplooi aan de top van het mannelijk geslachtsdeel. Het wegnemen ervan op de achtste dag was het verbondsteken sinds Abraham. (Gen 17:11)
- Uiterlijke onderscheidingen tellen niet meer. (Gal 6:15)

## voorhuis Hebreeuws (begrip)

- Onduidelijke term, mogelijk verwijzend naar een onderdeel van een heiligdom of tempelgebouw. (Dt 1:1)

## voorkennis (begrip)

- Gods kennis van wat in de toekomst gebeuren zal, ook van vrije keuzes van mensen. Grondslag van Zijn voorbeschikkende leiding. (Gen 15:13)
- Gods voorafgaand kennen van de Zijnen, gronden van de uitverkiezing. Niet bloot vooruitzien, maar liefdevol erkennen. (Rom 8:29)

## voorkennis Gods (begrip)

- De gelovigen zijn uitverkoren naar de voorkennis van God de Vader — eeuwig welbehagen ten grondslag aan zaligheid. (1 Petr 1:2)

## voorlezen van de Wet (begrip)

- Plechtige openbare voorlezing van de Thora, met name die door Ezra in 444 v.Chr. te Jeruzalem (Nehemia 8). Werd later vaste praktijk in de synagoge. (3 Ezra 9:42)

## voorraadschuren (begrip)

- Grote opslagplaatsen voor graan of andere voorraden. In Egypte door Jozef gebouwd om de zeven vette jaren op te slaan voor de hongersnood. (Gen 41:35)

## voorschriften (begrip)

- Gods aanwijzingen voor het leven. Synoniem met geboden, inzettingen, rechten. (Ps 119:4)

## voorspoed (begrip)

- Geluk en welslagen in onderneming, gezondheid en bezit. In de Bijbel vaak gezien als zegen van God. (Gen 39:2)
- Welvaart, slagen; vrucht van wijsheid en gerechtigheid. (Spr 13:21)

## Voorspoed der goddelozen (uitdrukking)

- Bijbels probleem waarin de profeet of psalmist worstelt met het feit dat het voorspoedig gaat met de goddelozen, terwijl de rechtvaardigen lijden. (Jer 12:1)

## voorspoedig zijn (begrip)

- Welvaren in lichamelijke en uiterlijke zaken; in apostolische heilwensen verbonden met geestelijk welzijn. (3 Joh 1:2)

## voorspraak (begrip)

- Wie pleit voor een ander; van Christus als Voorspraak bij de Vader en van de Heilige Geest in de gelovige. Pleiten op grond van de verdienste. (Rom 8:34)
- Jezus Christus, de Rechtvaardige, is onze Voorspraak bij de Vader. (1 Joh 2:1)

## voorstaan goede werken (begrip)

- Zich beijveren voor het verrichten van goede werken; christelijke roeping voor wie tot geloof in God gekomen zijn. (Tit 3:8)

## voorstander van het goede (begrip)

- Iemand die zich daadwerkelijk inzet voor het bevorderen van wat goed is; vereiste voor het opzienersambt. (Tit 1:8)

## voortbrengen waardig Gode (begrip)

- Iemand op een Gode welgevallige wijze uitgeleide doen of voorzien van het nodige voor de verdere reis. (3 Joh 1:6)

## voortebrengen eerstelingen (cultisch)

- Het aanbieden van de eerste vruchten van de oogst aan God in het heiligdom. Ging gepaard met een geloofsbelijdenis over Gods verlossing van Israël. (Dt 26:5)

## voortgang in heiliging (begrip)

- Christelijke groei waarbij gelovigen overvloediger worden in een Gode welgevallige levenswandel. (1 Th 4:1)

## voortrekken (begrip)

- Bevoordelen of voorrang geven aan iemand boven anderen. Bron van familieconflicten in de geslachten van de aartsvaders. (Gen 37:3)

## vooruitlopen op de eindtijd (begrip)

- Onjuiste voorstelling dat de dag van Christus' wederkomst reeds aangebroken zou zijn, terwijl deze pas na bepaalde tekenen plaatsvindt. (2 Th 2:3)

## voorvaders (begrip)

- De vaderen, in joodse zin vooral de aartsvaders Abraham, Izaäk en Jakob en de geslachten van Israël tot op heden. (3 Makk 1:23)

## voorvallende zaken (begrip)

- Verouderde aanduiding voor lopende staats- of bestuurlijke aangelegenheden in een ambtelijke briefwisseling. (3 Ezra 2:17)

## voorwerp (begrip)

- Werktuig (Statenvertaling: vat); van de mens als voorwerp in de hand van de pottenbakker. Tot heerlijkheid of tot oneer bestemd. (Rom 9:22)
- Iets dat tot een bestemming gemaakt is; van mensen als voorwerpen van Gods barmhartigheid of van Zijn toorn. Drukt Gods soevereiniteit uit. (Rom 9:22)
- In een groot huis — beeld voor gelovigen (Statenvertaling: vat). (2 Tim 2:21)

## voorzanger (liturgie)

- Leider van de tempelzang; in opschriften vaak gelijkgesteld met de opperzangmeester (lamenatseach). (Ps 4:1)

## voorzichtigheid (begrip)

- Een van de vier kardinale deugden in de Griekse filosofie: praktische wijsheid om in elke situatie het juiste te doen. (Wijsh 8:7)

## voorzienigheid (begrip)

- Gods zorgzame leiding en bestuur over alle dingen. Hij voorziet, plant en richt de geschiedenis naar Zijn heilsdoel. (Gen 22:8)

## voorzitting in synagoge (begrip)

- De Farizeeën hadden de eerste plaatsen lief in de synagoge en de groetingen op de markt. (Luk 11:43)

## vorst (begrip)

- Aanvoerder of stamhoofd, ook adellijke heerser onder een koning. In de Bijbel veelvuldig voor stamhoofden van Edom, Ismaël en de stammen van Israël gebruikt. (Gen 23:6)
- Wereldlijke heerser, vaak naast of onder een koning. In de Hasmonese tijd ook nieuwe titel voor de joodse leider die geen koning kon zijn. (1 Makk 14:41)
- Plaatselijk heerser; zegt de Wijsheid. (Spr 8:16)
- Profetische aanduiding voor een leider of koning in het herstelde Israël. Heeft eigen erfdeel en bijzondere verantwoordelijkheden in de eredienst. (Ez 44:3)

## vorst eet voor JAHWEH (uitdrukking)

- Profetische bepaling waarbij de vorst een bijzonder voorrecht heeft in de gesloten oosterpoort. Onderdeel van de toekomstige eredienst. (Ez 44:3)

## Vorst Israëls (begrip)

- Aanduiding voor de koning of leider van Israël. In de profeten vaak in negatieve zin gebruikt voor onwettige of afgodische heersers. (Hos 8:4)

## Vorst van het heir des HEEREN (theologisch)

- Hemelse aanvoerder van Gods leger die in zichtbare gestalte aan Israëls leider verscheen. In de christelijke uitleg vaak begrepen als een verschijning van de pre-existente Christus. (Joz 5:14)

## vorst-erfdeel (uitdrukking)

- Profetische bepaling waarbij de vorst aan beide zijden van het centrale heiligdom land ontvangt. Bedoeld om hem te onderhouden zodat hij het volk niet onderdrukt. (Ez 45:8)

## vorsten (begrip)

- Heersers en machthebbers. (Ps 2:2)
- Hooggeplaatste leiders, in de bijbel meestal naast of onder de koning gedacht. (Wijsh 6:1)

## vorsten des oosten (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor de aanzienlijke wijzen en heersers uit Edom en Arabië. In de oudheid bekend om hun wijsheidstraditie. (Job 1:3)

## vorsten dienen (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor de hoge taak van wijzen en raadgevers aan het hof van koningen en vorsten. (Sir 39:4)

## vossen (begrip)

- Slimme roofdieren die in groot aantal voorkwamen in de heuvels van Kanaän. Werden in de oude oorlogvoering soms ingezet om brandstichting in vijandelijk gebied te veroorzaken. (Ri 15:4)

## vossen en hagedissen (uitdrukking)

- Beeld van verlatenheid (over Babel). Klassieke beeldspraak voor verwoesting. (Jer 50:39)

## vossen in puin (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor valse profeten als schadelijke roofdieren in een verwoest gebied. Onderdeel van de profetische kritiek op valse leiders. (Ez 13:4)

## vraag van een goed geweten (begrip)

- De doop is geen lichamelijke wassing maar de vraag van een goed geweten tot God — gefundeerd in de opstanding van Christus. (1 Petr 3:21)

## vraagsteen (voorwerp)

- Grote steen die als getuige van een verbond werd opgericht. Diende als blijvend gedenkteken waaraan latere geslachten herinnerd konden worden aan de gemaakte afspraken. (Joz 24:26)

## vragenslijst Tatnai (begrip)

- Aanduiding voor het officiële onderzoek dat de Perzische landvoogd Tatnai naar de wettigheid van de tempelbouw te Jeruzalem instelde. Leidde tot bevestiging van het oorspronkelijke decreet van Cyrus. (Ezra 5:9)

## vrede (begrip)

- Heilstoestand van veiligheid, voorspoed en harmonie; in het Hebreeuws 'sjaloom'. In het Nieuwe Testament vooral verzoening met God door Christus' werk. (Gen 26:29)

## vrede en liefde met geloof (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geloof in Christus. (Ef 6:23)

## vrede en welvaart van de stad (uitdrukking)

- Brief aan de ballingen — Onderwijs in burgerschap onder vreemd bestuur. (Jer 29:7)

## vrede en zekerheid (begrip)

- Aanduiding voor het zorgeloze beroep van mensen op uiterlijke veiligheid, kort voordat het haastige verderf hen overkomt. (1 Th 5:3)

## vrede Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Fil 4:7)

## vrede maken (begrip)

- Onderhandelen of verzoening zoeken, in het bijzonder tussen vorsten of partijen die anders strijdig staan tegenover elkaar. (Luk 14:32)

## vrede van Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Kol 3:15)

## vrede vrede en geen vrede (uitdrukking)

- En. Aanklacht tegen valse leiders die het volk geruststellen. (Jer 6:14)

## vrede zij dezen huize (begrip)

- De vredegroet die de zendelingen bij het binnentreden van een huis moesten uitspreken. (Luk 10:5)

## vrede zij u (begrip)

- Hartelijke heilwens, geworteld in het Joodse 'sjaloom', gangbaar als groet en zegenwens in de oudchristelijke kerk. (3 Joh 1:14)

## vrede zij ulieden (begrip)

- De groet van de opgestane Heere bij zijn verschijning aan de discipelen achter gesloten deuren. (Joh 20:19)

## vrede zoeken (begrip)

- Hij wijke af van het kwade en doe het goede; hij zoeke vrede en jage dezelve na. (1 Petr 3:11)

## vredemakers (begrip)

- Mensen die in conflicten verzoening zoeken en bevorderen. In de zaligsprekingen toegezegd dat zij Gods kinderen genoemd zullen worden. (Matt 5:9)

## vrederoffer (cultisch)

- Offer waarbij offeraar, priester en God symbolisch een gemeenschapsmaaltijd hielden. Uitdrukking van vrede en gemeenschap met God. (Ex 24:5)

## vreemd vlees (begrip)

- Sodom en Gomorra zijn ander vlees nagegaan (vreemd vlees) en daarom voorgesteld als voorbeeld van het eeuwige vuur. (Jud 1:7)

## vreemd vuur (cultisch)

- Vuur dat niet van het brandofferaltaar was genomen, en dus niet door God geheiligd. Het brengen ervan in de eredienst was een ernstige overtreding. (Lev 10:1)

## vreemde vrouw (begrip)

- De overspelige vrouw die de eenvoudige tot ondergang verleidt; thema. (Spr 7:5)
- Bijbelse en wijsheidsuitdrukking voor een ontuchtige vrouw of voor een vrouw uit een vreemd volk. In Spreuken 5-7 uitvoerig gemeden. (Sir 9:1)

## vreemde vrouwen (begrip)

- Vrouwen uit de omringende heidense volken, die in de Schrift met argwaan worden bezien vanwege hun mogelijke invloed op de godsdienst van Israël. De wet van Mozes verbood huwelijk met haar uitdrukkelijk. (1 Kon 11:1)
- Vrouwen uit de heidense bevolking van het land, met wie Joodse mannen tegen de wet van Mozes waren getrouwd. Vormden een belangrijk onderwerp van zorg voor de godsdienstige leiders na de ballingschap. (Ezra 9:1)

## vreemdeling deelt erfdeel (uitdrukking)

- Profetische bepaling waarbij ook niet-Israëlieten die in het volk wonen erfdeel ontvangen. Inclusieve heilsbelofte voor proselieten. (Ez 47:22)

## vreemdeling onder mijn dak (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor herbergzaamheid jegens reizigers en niet-verwanten. Klassieke deugd in het oude Nabije Oosten en de Bijbel. (Job 31:32)

## vreemdelingen (begrip)

- Zij die als gast in een vreemd land leven. God ontfermt Zich over hen. (Ps 119:19)
- Mensen van elders, niet behorend tot de plaatselijke gemeenschap; in het Nieuwe Testament vaak rondreizende christenen die op gastvrijheid waren aangewezen. (3 Joh 1:5)

## vreemdelingen huisvesten (begrip)

- Het bieden van onderdak en verzorging aan reizende christenen; centrale uiting van vroegchristelijke gastvrijheid. (3 Joh 1:5)

## vreemdelingschap (begrip)

- Het leven als vreemdeling in een land dat niet het eigen land is. Beeld van het leven der gelovigen in deze wereld als reizigers naar het hemelse vaderland. (Gen 17:8)
- De geloofshelden hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren en zochten een hemels vaderland. (Hebr 11:13)
- Toestand van het verblijven in een vreemd land, zonder eigen erfdeel. In de bijbel zowel feitelijk als beeld voor het leven van Gods volk op aarde. (4 Ezra 8:39)
- Toestand van het verblijven in een vreemd land, zonder eigen erfdeel. In de bijbel zowel feitelijk (ballingschap) als beeld voor het leven van Gods volk op aarde. (Bar 3:7)

## vrees (begrip)

- Wandelt in vrees de tijd uwer inwoning, wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt geworden. (1 Petr 1:17)
- De volmaakte liefde drijft de vrees buiten. (1 Joh 4:18)
- Korte vorm; vrees voor God = veilige burcht. (Spr 14:26)

## vrees des doods (begrip)

- Christus heeft hen verlost die door vrees des doods hun gehele leven der dienstbaarheid onderworpen waren. (Hebr 2:15)

## vrees des HEEREN is wijsheid (uitdrukking)

- Bijbelse kernuitspraak van de wijsheidsliteratuur waarin eerbied voor God als bron en wezen van alle wijsheid wordt aangeduid. Komt ook voor in Spreuken en Psalmen. (Job 28:28)

## vrees niet (begrip)

- De Mensenzoon legde zijn rechterhand op Johannes en zei. (Op 1:17)

## vrees uitwerpen (begrip)

- In de liefde is geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn en die vreest is niet volmaakt in de liefde. (1 Joh 4:18)

## vreesachtige (persoon)

- De Joodse waarzegster met een geest van Python te Filippi, die Paulus' bediening verstoorde. (Hand 16:16)

## vreugde (begrip)

- Vreugde gegrond in God en Zijn heil, vrucht van Zijn nabijheid. Centraal kenmerk van wie deelt in het verbond. (Ps 16:11)

## Vreugde van geheel de aarde (uitdrukking)

- Spotbenaming voor Babel. Trotse stad ten val gebracht. (Jer 51:41)

## vreugdekleren (begrip)

- Feestelijke en sierlijke kleding, in tegenstelling tot de zak en treurkleren van rouw of boete. (Jdt 10:3)

## vreze (begrip)

- De vreze des HEEREN: eerbiedige ontzag voor God die het begin van wijsheid is. Geen slaafse angst, maar liefdevolle eerbied die God dient en Zijn geboden onderhoudt. (Ps 19:10)
- Heilige eerbied voor God; onderscheiden van slaafse vrees voor straf. Begin van wijsheid. (Rom 8:15)

## vreze des doods overwonnen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de dood, lichamelijk of geestelijk. (Fil 1:20)

## vreze des Heeren (begrip)

- Bijbels begrip voor de eerbiedige ontzag voor God die zich uit in gehoorzaamheid en wijsheid. Volgens de wijsheidsboeken het beginsel van alle wijsheid (vgl. Spreuken 1:7). (Sir 1:11)
- Eerbiedig ontzag voor God dat zich uit in aanbidding en gehoorzaamheid. Vast bijbels begrip voor het begin van de wijsheid. (Jon 1:16)

## vreze en beven (begrip)

- Eerbiedige christelijke houding tegenover Gods werk. (Fil 2:12)

## vreze Gods (begrip)

- Eerbied en ontzag voor God, gepaard met gehoorzaamheid aan Zijn geboden. In de Bijbel het beginsel van wijsheid en kenmerk van de ware gelovige. (Gen 20:11)
- Bijbels begrip voor de eerbiedige ontzag voor God die zich uit in gehoorzaamheid en wijsheid. Volgens de wijsheidsboeken het beginsel van alle wijsheid. (Sir 25:10)

## Vreze van Izak (begrip)

- Bijzondere Godsnaam, gebruikt door Jakob in zijn eed met Laban. Aanduiding voor de God die door Izak in heilig ontzag werd gediend. (Gen 31:42)

## vrezen (begrip)

- In Spreuken positief. God vrezen = Hem eerbiedig ontzag betonen en het kwade haten. (Spr 3:7)

## vriend (begrip)

- Jezus' woord tot de discipelen. (Joh 15:14)
- Bijbels begrip voor wie een ander met liefde en trouw bejegent. In de wijsheidsliteratuur uitvoerig behandeld als hoge waarde van het leven. (Sir 6:5)

## vriend bij naam (begrip)

- Persoonlijke begroeting van afzonderlijke gemeenteleden, in tegenstelling tot een algemene groet. (3 Joh 1:14)

## vriend Gods (begrip)

- Abraham heeft God geloofd en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend Gods genaamd geweest. (Jak 2:23)

## vriend te middernacht (begrip)

- De gelijkenis van de man die om middernacht brood vraagt bij zijn vriend — beeld van volhardend gebed. (Luk 11:5)

## vrienden (begrip)

- Naasten en vertrouwden. Vaak in klacht. (Ps 38:12)
- Aanduiding voor medegelovigen die door persoonlijke band en gemeenschappelijk geloof verbonden zijn. (3 Joh 1:15)

## vriendschap (begrip)

- In hellenistische politieke taal een formeel bondgenootschap tussen staten, met onderlinge verplichtingen tot wederzijdse hulp. (1 Makk 8:1)

## vriendschap der wereld (begrip)

- De vriendschap der wereld is een vijandschap Gods; al wie van de wereld een vriend wil zijn, die wordt een vijand Gods gesteld. (Jak 4:4)

## vrije (begrip)

- Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten Gods. (1 Petr 2:16)

## vrije priester (theologisch)

- In de Schrift vaak een tegenstelling tussen ontaarde priesters en een door God beloofde 'getrouwe priester'. Belofte die uiteindelijk in Christus haar volle vervulling vindt. (1Sam 2:35)

## vrije wil (begrip)

- Theologisch begrip voor het vermogen van de mens om vrij tussen goed en kwaad te kiezen. In Sirach 15 sterk benadrukt: God heeft de mens niet tot zonde gedwongen. (Sir 15:14)

## vrijgevigheid (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor de bereidheid om gul aan anderen te geven, vooral aan de armen. In de bijbel hoog gewaardeerd. (Sir 4:1)

## vrijheid (begrip)

- Het vrij zijn van slavernij of dwang. In de Bijbel ook geestelijke vrijheid, geschonken door verlossing uit zonde. (Gen 40:14)
- Loslating uit slavernij of schuld. In het jubeljaar werd vrijheid uitgeroepen voor alle Israëlitische slaven en kwamen verkochte gronden terug bij hun oorspronkelijke families. (Lev 25:10)
- 'Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn'. (Joh 8:36)
- Door Christus geschonken bevrijding van zonde, wet en vergankelijkheid. Niet ten dienste van het vlees, maar van de liefde. (Rom 8:21)

## vrijheid beloven (begrip)

- De valse leraars beloven hun vrijheid, terwijl zij zelf dienstknechten van de verdorvenheid zijn — door wie iemand overwonnen is, diens dienstknecht is hij geworden. (2 Petr 2:19)

## vrijheid in Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Gal 5:1)

## vrijheidsstrijd (begrip)

- Gewapende strijd voor politieke en godsdienstige zelfstandigheid van een onderdrukt volk. (1 Makk 13:41)

## vrijmaken (begrip)

- Bevrijden. Jezus zei: en — vrij van de slavernij van de zonde. (Joh 8:32)

## vrijmaking (begrip)

- Het door Christus vrijgemaakt zijn van de zonde en de wet. Grond van christelijke vrijheid. (Rom 8:21)

## vrijmoedigheid (begrip)

- Openheid van spreken en optreden, in het Nieuwe Testament gegrond in het besef van Gods genade en de verbondenheid in Christus. (Filem 1:8)
- Wij hebben een vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de versgemaakte en levende weg. (Hebr 10:19)
- Vrijmoedigheid bij God in het gebed en op de oordeelsdag. (1 Joh 2:28)

## vrijmoedigheid bevelen (begrip)

- Het apostolisch recht om met gezag voor te schrijven wat passend is, dat in Filemon bewust wordt vervangen door liefdevol verzoek. (Flm 1:8)

## vrijmoedigheid in gebed (begrip)

- Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid hebbende tot God; en wat wij ook bidden, ontvangen wij van Hem. (1 Joh 3:21)

## vrijmoedigheid in God (begrip)

- Apostolische openheid en vrijmoedigheid om het evangelie van God te spreken, ook onder tegenstand en lijden. (1 Th 2:2)

## vrijstad (wet)

- Een van de zes Levitische steden waarheen iemand die per ongeluk een doodslag had begaan kon vluchten. Bood bescherming tegen de bloedwreker tot het oordeel der gemeente. (Num 35:6)
- Een van de zes door Mozes en Jozua aangewezen steden waarheen iemand die per ongeluk een doodslag had begaan kon vluchten. Drie ten oosten en drie ten westen van de Jordaan, om bescherming te bieden tegen de bloedwreker. (Joz 20:2)

## vrijwillig offer (cultisch)

- Offer dat niet voorgeschreven was, maar uit eigen beweging gebracht werd uit dankbaarheid of toewijding. (Lev 7:16)
- Offer dat niet door een wettelijke verplichting was opgelegd, maar uit dankbaarheid of toewijding werd gebracht. Vorm van persoonlijke godsdienstigheid in de Israëlitische eredienst. (1Sam 1:11)

## vrijwillig open mijn deur (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor herbergzaamheid jegens reizigers en vreemdelingen. Klassieke deugd in het oude Nabije Oosten. (Job 31:32)

## vrijwillige gaven (begrip)

- Offers en bijdragen die niet door een wettelijke verplichting waren opgelegd, maar uit dankbaarheid of toewijding werden gebracht. Vorm van persoonlijke godsdienstigheid in de Israëlitische eredienst. (1 Kron 29:6)

## vrijwillige gaven Davids (begrip)

- Aanduiding voor de persoonlijke bijdrage van koning David aan de tempelbouw. Bestond uit een ongewoon grote hoeveelheid goud uit Ofir en gelouterd zilver uit zijn eigen schat. (1 Kron 29:4)

## vrijwillige goeddadigheid (begrip)

- Weldaad die uit eigen beweging en niet onder dwang wordt verricht; christelijk ideaal van weldadigheid. (Flm 1:14)

## vrijwilligheid (begrip)

- Vrije innerlijke instemming als grondslag voor weldaden en gehoorzaamheid in het christelijk leven. (Filem 1:14)

## vroedheid (begrip)

- Oudere term voor wijsheid en verstand. (Spr 8:1)

## vroedvrouwen (persoon)

- Sifra en Pua, Hebreeuwse vroedvrouwen die Farao's bevel om alle pasgeboren jongetjes te doden weerstonden uit vreze Gods. Werden door God gezegend met eigen huizen. (Ex 1:15)

## vroege en late regen (begrip)

- De twee regenseizoenen in Israël: in oktober-november en in maart-april. Beide onmisbaar voor het slagen van de graanoogst. (Joël 2:23)

## vroege en spade regen (begrip)

- De landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lijdzaam zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen. (Jak 5:7)

## vroege morgen (begrip)

- Tijd van ontwaken en gebed. 'Des morgens vroeg'. (Ps 57:9)

## vroeggestorven kind (begrip)

- In de wijsheidsliteratuur volgens een oude verklaring een mogelijke oorsprong van afgoderij: een vader die een beeld van zijn vroeg gestorven kind vereert. (Wijsh 14:15)

## vroegoffer (begrip)

- Het dagelijkse ochtendoffer in de tempel, een lam dat als brandoffer werd opgedragen, met meeloffer en plengoffer. (3 Ezra 1:11)

## vrolijk hart (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor een blij en opgewekt gemoed, in de wijsheidsliteratuur gezien als gave van God en bron van gezondheid. (Sir 30:22)

## vrome (begrip)

- Wie God dient in oprechtheid. (Ps 12:2)
- Iemand die God vreest en oprecht naar zijn wil leeft. In de oudtestamentische literatuur tegenover de goddeloze gesteld. (Mal 3:16)

## vromen (begrip)

- Gelovigen die in eerbied en trouw met God leven; synoniem voor godvruchtigen. (Ps 12:2)

## vroom (begrip)

- Eerbiedig en godsdienstig; in Spreuken: gelijk aan rechtvaardig. (Spr 11:5)
- Eigenschap van wie godvruchtig en oprecht voor God leeft. In de Bijbel verbonden met gehoorzaamheid aan zijn geboden. (Job 1:1)

## vrouw die treurt (begrip)

- In het derde visioen van het apocriefe 4 Ezra een rouwende weduwe die haar zoon verloor, geduid als beeld voor het verwoeste Jeruzalem. (4 Ezra 9:38)

## vrouw in ephah (begrip)

- Profetisch symbool van de goddeloosheid die in een korenmaat wordt opgesloten. Onderdeel van de gezichten van Zacharia. (Zach 5:7)

## vrouw met de zon bekleed (begrip)

- De zonbeschenen vrouw met de maan onder haar voeten en een kroon van twaalf sterren — beeld van Israël/de gemeente. (Op 12:1)

## vrouw omvangt een man (uitdrukking)

- Cryptische uitspraak die door de oude exegese vaak op Maria en Christus is toegepast. (Jer 31:22)

## vrouw zegeland (begrip)

- Profetische uitdrukking voor de vrouwen van de stedelijke elite die in weelde leven en hun mannen tot onrecht aanzetten. Spotnaam in de profetische literatuur. (Am 4:1)

## vrouw, zie uw zoon (begrip)

- Jezus' kruiswoord aan zijn moeder, waarmee Hij haar aan de geliefde discipel toevertrouwde. (Joh 19:26)

## vrouwe (persoon)

- Aanspreektitel voor een vrouw van aanzien; in de tweede Johannesbrief gebruikt voor de geadresseerde, mogelijk symbool voor een gemeente. (2 Joh 1:1)

## vrouwen met kussens en koffers (uitdrukking)

- Profetische aanklacht tegen vrouwen die zich met magische voorwerpen en bezweringen bezighouden. Onderdeel van de profetische kritiek op afgoderij. (Ez 13:18)

## vrouwen Mijns volks (begrip)

- Aanduiding voor de vrouwen, weduwen en moeders binnen Israël. In de profeten vaak betrokken in aanklachten over sociale onderdrukking. (Mi 2:9)

## vrouwen vereren met instemming der mannen (uitdrukking)

- Joodse vrouwen verklaren brutaal dat zij blijven offeren aan de koningin des hemels — en de mannen instemmen. Beeld van diepe afval. (Jer 44:15)

## vrouwen wenen om Tammuz (uitdrukking)

- Heidens rouwritueel waarbij vrouwen het sterven van de vegetatiegod Tammuz bewenen. Vorm van afgodendienst die ook in Jeruzalem werd beoefend. (Ez 8:14)

## vrouwen-eis (begrip)

- Vereisten voor de vrouwen van diakenen — of voor diakonessen. (1 Tim 3:11)

## vrouwen-vertrek (begrip)

- Apart gedeelte in een paleis of huis dat gereserveerd was voor de vrouwen en kinderen. Vormde in het oude Oosten een gesloten ruimte waar buitenstaanders geen toegang hadden. (2 Kon 11:2)

## vrouwendans te Silo (gebruik)

- Jaarlijkse rituele dans van de jonge vrouwen van Silo bij een feest van JAHWEH. Vond plaats in de wijngaarden buiten de stad en gold als publieke gelegenheid. (Ri 21:21)

## vrouwenhuis (plaats)

- Apart paleisdeel waar de vrouwen en bijvrouwen van een oosterse vorst verbleven onder bewaking van eunuchen. Vormde een gesloten ruimte waar buitenstaanders geen toegang hadden. (Esth 2:3)

## vrouwenparterre (begrip)

- Apart gedeelte in een paleis dat gereserveerd was voor de vrouwen en kinderen van het koninklijk huis. Vormde in het oude Oosten een gesloten ruimte waar buitenstaanders geen toegang hadden. (2 Kron 22:11)

## vrucht (begrip)

- Letterlijk de opbrengst van een boom of plant; in geestelijk gebruik beeld van wat een mens uit zichzelf voortbrengt aan goed of kwaad gedrag. (Matt 7:16)
- Wat het leven voortbrengt; in geestelijke zin de vrucht van de Geest in de gelovige. Tegenovergesteld aan de werken van het vlees. (Rom 1:13)
- Voortbrengsel van een levensbeginsel; in nieuwtestamentisch gebruik vooral de geestelijke uitwerking van het geloof in heiliging en goede werken. (1 Tess 1:6)
- Voortbrengsel van een levensbeginsel; in nieuwtestamentisch gebruik vooral de zedelijke en geestelijke uitwerking van het geloof. (Tit 3:14)

## vrucht der gemeente (begrip)

- Vrucht — gemeentegeven als geestelijke vruchtopname. (Fil 4:17)

## vrucht der gerechtigheid (begrip)

- Alle kastijding schijnt droefheid te zijn, maar daarna geeft zij een vreedzame vrucht der gerechtigheid degenen die door dezelve geoefend zijn. (Hebr 12:11)

## vrucht des Geestes (theologisch)

- De goede vruchten — goedheid, rechtvaardigheid en waarheid — die de Heilige Geest in de gelovige werkt. Vergelijk de uitvoeriger lijst in Galaten 5:22. (Ef 5:9)

## vrucht dragen (begrip)

- Gevolg van het blijven in Christus. (Joh 15:8)

## vrucht in dubbele zin (begrip)

- Vrucht des Geestes en vruchten van werken. (Gal 5:22)

## vrucht van de Geest (theologisch)

- De negenvoudige vrucht — liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid — die de Heilige Geest in de gelovige werkt; tegenover de werken van het vlees. (Gal 5:22)

## vruchtbaar (begrip)

- In staat tot voortbrengen van nageslacht of vrucht. Eerste opdracht van God aan mens en dier bij de schepping. (Gen 1:28)

## vruchtbaarheid (begrip)

- Door God geschonken zegen, vooral op kinderen en oogst. (Ps 128:3)

## vruchtbomen aan de rivier (uitdrukking)

- Profetisch beeld van bomen langs een levenwekkende stroom die voortdurend vrucht dragen en bladeren tot genezing geven. Komt ook voor in Openbaring. (Ez 47:12)

## vruchten van wijsheid (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbeeld voor de geestelijke zegeningen en de goede werken die uit de wijsheid voortkomen. (Sir 24:19)

## vuil gewin (begrip)

- Schandelijk geldelijk voordeel dat door oneerlijke of onbetamelijke middelen verkregen wordt. (Tit 1:11)

## vuile woorden (begrip)

- Onreine spraak, behoort tot de oude mens die afgelegd moet worden. (Kol 3:8)

## vuilgewinnigheid (begrip)

- Ouderlingen moeten de kudde niet weiden om vuilgewinnigheid (oneerlijke winzucht), maar met een volvaardig gemoed. (1 Petr 5:2)

## vuren oven (begrip)

- Smeltoven waarin metalen werden gezuiverd door verhitting. In de profeten beeld voor Gods louterende beproeving van mensen. (Zach 13:9)

## vurig (begrip)

- In de Schrift vaak beeld voor de heiligheid en toorn van God. JAHWEH wordt herhaaldelijk een 'verterend vuur' genoemd dat de zonde niet kan dulden. (1Sam 15:23)

## vurig kolen (begrip)

- Gloeiende kolen die op het reukaltaar werden gelegd om het reukwerk te verbranden. Genomen van het brandofferaltaar. (Ex 30:7)

## vurig oordeel (begrip)

- Profetisch beeld voor Gods alles verterende toorn waarbij vuur het beeld is van zuivering en vernietiging. Vooral verbonden met de dag des HEEREN. (Zef 1:18)

## vurig venijn (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor het verzengende werk van Gods toorn in de ziel, vergeleken met vergiftigde pijlen. Klassieke klaagtaal. (Job 6:4)

## vurig wierookvat (voorwerp)

- De engel wierp het wierookvat met vuur op de aarde — beeld van het oordeel dat ontbrandt. (Op 8:5)

## vurige adem (begrip)

- In apocalyptische literatuur de adem van de Messias of God, beeld voor zijn verterende oordeel over de vijanden (vgl. Jes. 11:4). (4 Ezra 13:10)

## vurige beker (begrip)

- In het apocriefe 4 Ezra de drank waarmee God Ezra wijsheid en geheugen schenkt voor het opschrijven van de heilige boeken. (4 Ezra 14:39)

## vurige fakkel (begrip)

- Brandende toorts. In de plechtige verbondssluiting met Abraham symbool van Gods aanwezigheid die tussen de offerdieren door ging. (Gen 15:17)

## vurige hitte (begrip)

- Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwam. (1 Petr 4:12)

## vurige kolen tussen wielen (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij brandende kolen uit het hemelse heiligdom op de stad worden gestrooid als oordeel. Onderdeel van de visioenen van Ezechiël. (Ez 10:2)

## vurige oven (begrip)

- Vuuroven gebruikt voor executie. In Daniël 3 het instrument van koninklijke straf voor wie weigerde Nebukadnezars beeld te aanbidden. (Geb. Az. 1:24)

## vurige paarden en wagen (begrip)

- Aanduiding voor het hemelse strijdwagengezelschap dat in de Schrift verschillende keren optreedt. Symbool van de onzichtbare hemelse strijdkrachten van JAHWEH ten dienste van zijn volk. (2 Kon 2:11)

## vurige slangen (begrip)

- Giftige slangen die God onder Israël zond als oordeel over hun morren. Wie naar de koperen slang opzag werd genezen. (Num 21:6)

## vurige tong (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbeeld voor opvliegende of branderige spraak, in de bijbel zowel positief (profetisch) als negatief (verdraaid) gebruikt. (Sir 28:22)

## vurige tongen (begrip)

- De verdeelde tongen als van vuur die op elke discipel kwamen op de Pinksterdag. (Hand 2:3)

## vurigheid van de zon (begrip)

- De zon is opgegaan met de hitte en het gras heeft verdord en zijn bloem is afgevallen — beeld van de rijke die in zijn wegen zal verwelken. (Jak 1:11)

## vuur en hamer-toets (uitdrukking)

- Test van Goddelijke kracht. (Jer 23:29)

## vuur en water (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbeeld voor twee tegengestelde mogelijkheden die God de mens voorlegt: leven en dood, zegen en vloek (vgl. Sirach 15:16-17). (Sir 15:16)

## vuur Gods (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor een natuurverschijnsel, vaak bliksem, dat als rechtstreekse goddelijke daad wordt ervaren. Onderdeel van de profetische theofanietaal. (Job 1:16)

## vuur in Manasses tijd (begrip)

- Aanduiding voor de heidense praktijk van kinderoffers door verbranding ten tijde van koning Manasse van Juda. Vond plaats in het dal van Ben-Hinnom ten zuiden van Jeruzalem. (2 Kron 33:6)

## vuur in mijn beenderen (uitdrukking)

- Het profetenwoord laat zich niet onderdrukken. (Jer 20:9)

## vuur in water (begrip)

- In de wijsheidsliteratuur beeld voor Gods macht over de elementen, die hij naar zijn wil tegen hun aard kan laten optreden. (Wijsh 19:20)

## vuur onder de pot stoken (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor het opvoeren van Gods oordeel als een steeds heter wordend vuur. Onderdeel van de gelijkenis van de kookpot. (Ez 24:10)

## vuur op de aarde (begrip)

- 'Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen; en wat wil Ik, indien het reeds ontstoken is?' (Luk 12:49)

## vuur uit de hemel (begrip)

- Jakobus en Johannes wilden vuur uit de hemel laten vallen op het Samaritaans dorp; Jezus bestrafte hen. (Luk 9:54)
- Bovennatuurlijk vuur dat door God werd gezonden om een offer aan te steken of een oordeel te voltrekken. Werd in de Schrift beschouwd als zichtbaar bewijs van Gods aanvaarding of toorn. (1 Kon 18:38)

## vuur uit de mond (begrip)

- Indien iemand de twee getuigen wil beschadigen, gaat vuur uit hun mond uit en verteert hun vijanden. (Op 11:5)

## vuur uit zijn mond (uitdrukking)

- Bijbelse beeldspraak voor de schrikwekkende verschijning van het zeedier Leviathan. Onderdeel van de mythische dimensie in de beschrijving. (Job 41:18)

## vuur-visioen (begrip)

- Profetisch gezicht waarin een verterend vuur over land of volk wordt aangekondigd. Onderdeel van de visioenenreeks bij Amos. (Am 7:4)

## vuurkolom (theologisch)

- Kolom van vuur waarmee God Israël 's nachts voorging in de woestijn, complement van de wolkkolom. Gaf licht en zekerheid van Gods nabijheid. (Ex 13:21)
- De wolk- en vuurkolom waarmee God volgens Exodus 13-14 Israël door de woestijn leidde, teken van zijn beschermende tegenwoordigheid. (4 Ezra 1:14)

## waakzaamheid (begrip)

- Geestelijke wakkerheid in het oog houden van zonde en wederkomst. Door Christus geboden aan al de Zijnen. (1 Kor 16:13)

## Waar waart gij toen Ik de aarde grondde? (uitdrukking)

- Bijbelse retorische vraag waarmee Gods scheppingsmajesteit tegenover de menselijke kleinheid wordt gesteld. Onderdeel van de godsrede in het boek Job. (Job 38:4)

## waarachtig (begrip)

- Waar, betrouwbaar, echt. God is waarachtig — alles wat Hij zegt is waar. (Joh 1:9)
- God is waarachtig; Christus is. (1 Joh 2:8)

## waarheid (begrip)

- Werkelijkheid zoals zij is, in de Bijbel vooral Gods getrouwheid en de zuivere openbaring van het evangelie in Christus. (Gen 24:27)

## waarheid in liefde (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de onderlinge liefde in de gemeente. (Ef 4:15)

## waarheid liefhebben (begrip)

- Hechten aan en volharden in de geopenbaarde waarheid van het evangelie als grondslag van christelijke liefde. (2 Joh 1:1)

## waarom leven de goddelozen? (uitdrukking)

- Bijbelse vraag over de schijnbare voorspoed van wie God niet vrezen. Klassiek probleem van de wijsheidsliteratuur en de psalmen. (Job 21:7)

## waarom vervolgt gij Mij? (begrip)

- Christus' vraag aan Saulus: — Christus identificeert zich met zijn gemeente. (Hand 9:4)

## waarvan (begrip)

- Voornaamwoord met betekenis 'van wat' of 'over wat'. Algemeen Nederlands, ook in oudere Bijbelvertalingen. (Gen 2:17)

## waarzeggerij (begrip)

- Het door bovennatuurlijke middelen voorspellen van de toekomst of ontdekken van verborgen zaken. In Israël streng verboden als heidense praktijk. (Gen 44:5)
- Het voorzeggen van de toekomst door wichelarij of magie. In de wet van Mozes (Deuteronomium 18) verboden als heidense praktijk. (Sir 34:5)

## wacht voor mond (begrip)

- Bijbels en wijsheidsgebod om de eigen woorden zorgvuldig te bewaken, om geen schade toe te brengen aan zichzelf of aan anderen. (Sir 22:27)

## wachten (begrip)

- Geduldig uitzien naar Gods uitkomst. (Ps 27:14)

## wachten dag en nacht (begrip)

- Aanduiding voor een onafgebroken bewakingsdienst tegen vijandelijke aanvallen. Vorm van militaire voorzorg in tijden van verhoogde dreiging. (Neh 4:9)

## wachter (uitdrukking)

- In de oudheid degene die op een muur of toren uitkijk hield over een stad of legerplaats. In de profetische taal beeld voor wie geestelijk waakt over Gods volk. (Ez 3:17)

## wachter weer aangesteld (uitdrukking)

- Profetische heraanstelling van de profeet als wachter na de val van Jeruzalem. Onderdeel van de structuur van het boek Ezechiël. (Ez 33:7)

## wachters (uitdrukking)

- De profeten als wachters; door God Zelf gesteld. (Jer 6:17)

## wachttoren (begrip)

- Hooggelegen post waar een wachter uitkijk hield over stad of veld. Profetisch beeld voor het waakzaam wachten op Gods openbaring. (Hab 2:1)

## wagen (overig)

- Voertuig op wielen, getrokken door dieren. In de oudheid zowel voor vervoer als voor de oorlog gebruikt; gold als teken van rijkdom en macht. (Gen 45:19)
- Hebreeuwse aanduiding voor een sterrenbeeld, vermoedelijk de Grote Beer. In de Bijbel onderdeel van de loftaal op Gods scheppingsmacht. (Job 38:32)

## wagen en ruiters (begrip)

- Strijdwagens en bereden eenheden, in de oude oorlogvoering een teken van militaire en koninklijke macht. Werden in Israël pas onder Salomo op grote schaal in het leger ingevoerd. (1 Kon 10:26)

## wagen op het paleis (begrip)

- Aanduiding voor de plek waar koning Joas van Juda door zijn knechten in een samenzwering werd vermoord. Bevond zich in het centrum van het paleizencomplex te Jeruzalem. (2 Kron 24:25)

## wagen van Achab (begrip)

- De koninklijke strijdwagen van het huis van Achab, symbool van zijn militaire macht. Werd in de Schrift verbonden met het oordeel dat over zijn dynastie kwam. (2 Kon 9:25)

## wagen, vermomming (begrip)

- List waarbij een koning in onherkenbare kleding ten strijde trok om aan vijandelijke aandacht te ontkomen. Pogingen om Gods aangekondigde oordeel te ontwijken bleken in de Schrift vergeefs. (2 Kron 18:29)

## wagens (begrip)

- Strijdwagens, in de oudheid een geducht wapen in de oorlog. Farao's keurkorps van zeshonderd uitgelezen wagens verging in de Schelfzee. (Ex 14:7)

## wagens en ruiteren (begrip)

- Strijdwagens en bereden eenheden, in de oude oorlogvoering een teken van militaire en koninklijke macht. Werden in Israël pas onder Salomo op grote schaal in het leger ingevoerd. (1 Kron 18:4)

## wagens en ruiters (begrip)

- Strijdwagens en bereden eenheden, in de oude oorlogvoering een teken van militaire en koninklijke macht. Werden in Israël pas onder Salomo op grote schaal in het leger ingevoerd. (2Sam 15:1)

## wagens met zeisen (begrip)

- Strijdwagens met aan de wielen bevestigde sikkels of scherpe ijzers. In hellenistische legers gebruikt om vijandelijke gelederen open te scheuren. (2 Makk 13:2)

## wagensteden (begrip)

- Steden in Israël die door koning Salomo en zijn opvolgers werden ingericht voor het stationeren van strijdwagens. Belangrijk onderdeel van de militaire infrastructuur van het koninkrijk. (2 Kon 23:11)

## waken (begrip)

- Geestelijke waakzaamheid en nuchterheid; christelijke houding in afwachting van de dag des Heren. (1 Tess 5:6)

## wal (begrip)

- Het droge land langs het water, tegenovergesteld aan de zee. Symbool van veilige terugkeer uit gevaar. (Jon 2:10)

## walvis (natuur)

- Groot zeedier. Algemener in de Bijbel aanduiding voor alle grote zeewezens die God op de vijfde scheppingsdag voortbracht. (Gen 1:21)
- Verouderde vertaling van het Hebreeuwse woord voor 'grote vis'. Het bijbelverhaal specificeert geen biologische soort. (Jon 1:17)

## walvissen (begrip)

- De grote zeedieren. In de bijbel deel van Gods scheppingswerk en beeld van zijn macht over de zee. (Gez. Vuur. 1:79)

## wandel (begrip)

- Levenswijze, gedrag. 'In Zijn wegen wandelen'. (Ps 128:1)
- De gehele levenswandel als getuigenis van het geloof. Gegrond in Christus en geleid door de Geest. (1 Kor 3:3)
- Burgerschap is hemels. (Filip 3:20)
- Levenswijze; in het Nieuwe Testament vooral de godvruchtige levenswandel die uit het geloof voortkomt. (2 Petr 2:7)
- Beeldspraak voor de levenswijze of zedelijke gedragslijn van de gelovige. (2 Joh 1:4)

## wandel der wereld (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wereld tegenover Gods rijk. (Ef 2:2)

## wandel door geloof (begrip)

- Het leven uit geloof en niet uit aanschouwen. Karakteristiek van het tegenwoordige leven van de gelovige. (2 Kor 5:7)

## wandel in licht (begrip)

- Indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus reinigt ons van alle zonde. (1 Joh 1:7)

## wandel in liefde (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de onderlinge liefde in de gemeente. (Ef 5:2)

## wandel naar geboden (begrip)

- Levenswijze die in overeenstemming is met Gods geboden; uiting van liefde tot God in concrete gehoorzaamheid. (2 Joh 1:6)

## wandelen door de Geest (theologisch)

- Heel het christelijk leven gedragen, geleid en gevormd door de werking van de Heilige Geest; tegen de begeerlijkheid van het vlees. (Gal 5:16)

## wandelen gelijk Hij (begrip)

- Wie zegt dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft. (1 Joh 2:6)

## wandelen in de wet (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor het leven volgens Gods geboden. Het centrale ideaal van het oudtestamentische geloofsleven. (1 Makk 2:67)

## wandelen in het licht (begrip)

- 'Wandelt terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange'. (Joh 12:35)

## wandelen in waarheid (begrip)

- Levenswijze die overeenstemt met de geopenbaarde waarheid van het evangelie, zowel in leer als in praktijk. (2 Joh 1:4)

## wandelen met God (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor een leven in nauwe gemeenschap en gehoorzaamheid aan God. Gezegd van Henoch en Noach als toonbeelden van vroomheid. (Gen 5:22)

## wandelen naar begeerlijkheden (begrip)

- Zij wandelen naar hun goddeloze begeerlijkheden — leven gestuurd door zondige verlangens, niet door Gods Woord. (Jud 1:18)

## wandelen naar de wetten (begrip)

- Bijbels begrip voor leven volgens Gods geboden. Het centrale ideaal van het oudtestamentische geloofsleven. (2 Makk 6:1)

## wandelen op de zee (begrip)

- Het vijfde teken: Jezus wandelde op de zee naar de boot der discipelen toe. (Joh 6:19)

## wandelen waardig (begrip)

- Levenswandel die in overeenstemming is met de heerlijke roeping waarmee God de gelovigen tot Zijn Koninkrijk geroepen heeft. (1 Th 2:12)

## wandelen waardig de Heere (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Kol 1:10)

## wandelende tempel (begrip)

- Aanduiding voor de tabernakel in de tijd vóór de bouw van de tempel, toen JAHWEH nog niet in een vast huis woonde. Beeld van Gods aanwezigheid die met zijn volk meereisde. (1 Kron 17:5)

## wandeling der heidenen (begrip)

- De voorgaande tijd des levens is genoeg om de wil der heidenen volbracht te hebben, in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen. (1 Petr 4:3)

## wangen (begrip)

- Beeld voor smart en tranen of voor schoonheid. (Ps 42:4)

## wantrouwen (begrip)

- Twijfelen aan iemands trouw of waarheidsgehalte. In bijbels spraakgebruik vaak verbonden met ongeloof tegenover God. (Wijsh 1:2)

## wapen (begrip)

- Geestelijk en lichamelijk strijdgereedschap. (Ps 35:2)

## wapendrager (begrip)

- Jongeman die de wapens van een soldaat of vorst droeg en hem in de strijd terzijde stond. (Num 1:1)
- Jongeman die als persoonlijk dienaar de wapens van een krijger droeg en hem in de strijd terzijde stond. Vergelijkbare functie als de schildknaap in latere ridderlijke tradities. (1Sam 14:6)

## wapenen onzes krijgs (begrip)

- De geestelijke wapenen die niet vleselijk zijn maar krachtig door God. Dienen tot het slechten van bolwerken. (2 Kor 10:4)

## wapenrusting (voorwerp)

- Geheel van defensieve en offensieve wapenuitrusting van een krijger, zoals helm, harnas, schild, zwaard en speer. In de oude oorlogvoering werd vaak een persoonlijke aanpassing aan de drager vereist. (1Sam 17:38)
- Het geheel van geestelijke wapenen waarmee de gelovige tegen de boze strijdt. Door God verschaft. (1 Kor 16:13)
- Gordel, borstwapen, schoeisel, schild, helm, zwaard, gebed. (Ef 6:11)
- Beeld van de geestelijke uitrusting waarmee de gelovige tegen de duivel strijdt. (Hebr 12:1)
- De volledige uitrusting van een soldaat: helm, harnas, schild, zwaard en andere wapens. In de bijbel ook beeld voor de geestelijke uitrusting van de gelovige. (1 Makk 3:3)

## wapenrusting Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Ef 6:11)
- Bijbelse beeldspraak voor Gods toerusting van zijn rechters of voor de geestelijke uitrusting van de gelovige (vgl. Efeze 6). (Wijsh 5:17)

## wapenrusting Sauls (begrip)

- De militaire uitrusting van koning Saul, achtergelaten op de berg Gilboa na zijn dood. Werd door de Filistijnen als trofee aan hun goden gewijd. (2Sam 1:6)

## wapenwerktuigen (begrip)

- Aanduiding voor mechanische belegerings- of verdedigingswapens, voorlopers van de latere catapulten en blijden. Werden in het oude Oosten bij vesting- en stadsverdediging ingezet. (2 Kron 26:15)

## ware apostel (begrip)

- Echte gezant van Christus, gekenmerkt door tekenen en geduld. Tegenover de valse apostelen gesteld. (2 Kor 12:12)

## ware besnijdenis (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (Fil 3:3)

## ware kind (begrip)

- Geestelijk kind in het geloof; aanduiding voor iemand die door iemands prediking tot wedergeboorte is gekomen. (Tit 1:4)

## wasem (begrip)

- Damp of nevel. In het apocriefe Wijsheid van Salomo gebruikt als beeld voor de wijsheid die direct uit Gods kracht voortkomt. (Wijsh 7:25)

## wassen (begrip)

- Reinigen met water. (Ps 51:4)
- Groeien, toenemen. Johannes de Doper zei: — Jezus moet toenemen en ik moet afnemen. (Joh 3:30)

## wassen door kennis (begrip)

- Geestelijke groei door het Woord. (Kol 1:10)

## wassen in genade (begrip)

- Wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus — Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in de dag der eeuwigheid. (2 Petr 3:18)

## wassen voor dienst (cultisch)

- Rituele wassing van handen en voeten die de priesters moesten verrichten in het wasvat voor zij het altaar of het heilige binnengingen. (Lev 8:6)

## wassend lichaam (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de gemeente van Christus. (Kol 2:19)

## Wassing (begrip)

- Aanduiding voor de doop als bad waarmee de wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest worden uitgebeeld. (Tit 3:5)

## wasvat (cultisch)

- Koperen vat in de voorhof van de tabernakel waarin de priesters hun handen en voeten wasten voor zij de eredienst verrichtten. (Ex 30:18)

## wat is de mens (begrip)

- Verbazing over Gods aandacht voor de mens. (Ps 8:5)

## wat is de mens, dat Gij hem groot acht? (uitdrukking)

- Bijbelse retorische vraag over de geringheid van de mens tegenover de aandacht die God hem schenkt. Komt ook voor in Psalm 8. (Job 7:17)

## water bevroor (begrip)

- In de wijsheidsliteratuur verwijzing naar Gods macht om de elementen tegen hun natuur in te laten werken (vgl. de plagen in Egypte). (Wijsh 19:21)

## water bij maat (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor schrale rantsoenering tijdens een belegering of hongersnood. Onderdeel van de oorlogsprofetieën. (Ez 4:11)

## water in bloed (begrip)

- Eerste van de tien plagen van Egypte (Exodus 7), waarbij God de Nijl en alle wateren van Egypte in bloed veranderde. (Wijsh 11:6)

## water in wijn (begrip)

- Het wonder te Kana waarmee Jezus zijn heerlijkheid openbaarde aan zijn discipelen. (Joh 2:9)

## water met beving (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor de paniek tijdens een belegering of ramp. Onderdeel van de oorlogsprofetieën. (Ez 12:18)

## water uit Bethlehem (begrip)

- Aanduiding voor het water uit de put bij de stadspoort van Bethlehem, geboorteplaats van David. In de heldengeschiedenis voorbeeld van de toewijding van zijn drie eerste helden. (2Sam 23:16)

## water uit de tempel (uitdrukking)

- Profetisch beeld van een rivier die uit het heiligdom voortkomt en het land vruchtbaar maakt. Symbool voor de uitstroming van Gods leven en zegen. (Ez 47:1)

## water uit rots (begrip)

- Wonder uit Exodus 17 en Numeri 20 waarbij Mozes water uit de rots sloeg in de woestijn voor het volk Israël en zijn vee. (Wijsh 11:4)

## water vermaalt stenen (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor de slijpende werking van water dat zelfs stenen aantast. In klaagliteratuur toegepast op Gods slijpende werking in een mensenleven. (Job 14:19)

## wateren (natuur)

- Het natuurlijke water in zee, rivier en hemel. In het scheppingsverhaal door God op de tweede dag gescheiden in wateren boven en beneden. (Gen 1:2)

## wateren boven de hemel (begrip)

- Volgens Genesis 1:7 de wateren die God boven het hemelgewelf scheidde van de wateren beneden. Beeld van de wateren-bron achter de regen. (Gez. Vuur. 1:60)

## wateren der twist (plaats)

- Hebreeuws: Meriba. Plaats waar Israël met de Heere twistte om water en Mozes' geslagen rots water voortbracht. (Num 20:13)

## wateren der zonde (begrip)

- Aanduiding voor de Schelfzee, waar JAHWEH duisternis tussen Israël en de Egyptenaren plaatste. Toneel van Gods machtige verlossing en oordeel. (Joz 24:7)

## wateren in het kruisdal (begrip)

- Aanduiding voor de wonderlijke watervoorziening in een dal in Edom door middel van regenwater of bovennatuurlijke voorziening. Voorbeeld van Gods voorziening in militair-strategische omstandigheden. (2 Kon 3:17)

## wateren van Jericho (begrip)

- De bron of bronnen bij de oude stad Jericho in de Jordaanvallei. Cruciaal voor de bewoonbaarheid van de plaats in de droge omgeving van de Jordaanvlakte. (1 Kon 16:34)

## wateren van Merom (plaats)

- Watergebied in het noorden van Kanaän, ten noorden van het meer van Galilea. Toneel van de beslissende slag tegen de noordelijke coalitie van Kanaänitische koningen. (Joz 11:7)

## waterpoort (plaats)

- Een van de poorten van het naballingschapse Jeruzalem, gelegen in de oostelijke muur. Voor deze poort lag een open plein dat als bijeenkomstplaats voor het volk diende. (Neh 8:1)

## waterstromen (begrip)

- Beeld van duurzame voeding voor de boom. Ook beeld van overweldigende noden. (Ps 1:3)

## watervaten (overig)

- Grote stenen potten voor water. Op de bruiloft te Kana stonden zes stenen watervaten die Jezus liet vullen met water, dat Hij in wijn veranderde. (Joh 2:6)

## waterzucht (begrip)

- De man met waterzucht die Jezus op de Sabbat genas in het huis van een Farizeeër. (Luk 14:2)

## wedergeboorte (begrip)

- Geestelijke vernieuwing van een mens door God, waardoor hij deelt aan een nieuw leven uit God. Term vooral uitgewerkt door Johannes en Paulus. (Mark 1:14)
- Het door de Heilige Geest gewerkte nieuwe leven in de mens. Onmisbaar voor het zien van het Koninkrijk Gods. (Rom 6:4)
- Werk van de Heilige Geest waardoor de mens een nieuw, geestelijk leven ontvangt; in het Nieuwe Testament met de doop verbonden. (Tit 3:5)
- Het werk van de Heilige Geest waardoor een mens van boven opnieuw geboren wordt tot een nieuw geestelijk leven. (Hebr 6:4)

## wedergezonden (begrip)

- Aanduiding voor het terugzenden van iemand naar zijn vroegere meester of plaats van herkomst. (Flm 1:12)

## wederhouder (begrip)

- Aanduiding voor de macht of persoon die de openbaring van de eindtijdelijke tegenstander tegenhoudt totdat Gods bestemde tijd is gekomen. (2 Tess 2:6)

## wederkeren (begrip)

- Het zich weer toewenden naar God na een afdwaling, kernbegrip van de bijbelse bekering. Tweezijdig: ook God zelf keert zich tot zijn volk. (Hos 11:7)

## wederkomst (begrip)

- De zichtbare terugkeer van Christus aan het einde der tijden om te oordelen en zijn Koninkrijk te voltooien. (Matt 24:3)
- De zichtbare terugkeer van Christus aan het einde van de tijden. Voorwerp van de hoop van de gemeente. (1 Kor 15:23)

## wederlegging (begrip)

- Een van de vier nuttigheden van de Schrift. (2 Tim 3:16)

## wedervinden (begrip)

- Het terugkrijgen van wat men verloren had, in het Nieuwe Testament vaak in geestelijke zin gekleurd. (Flm 1:15)

## wederwoord (begrip)

- Het antwoorden of terugkeren tot iemand. In de profetische taal vooral de wederkering van mens tot God en omgekeerd. (Zach 1:3)

## wedijver (begrip)

- Naijver, het zich willen meten met of overtreffen van anderen. In de bijbel ook negatieve drijfveer tot afgunst en strijd. (1 Makk 1:14)

## weduwe (begrip)

- Vrouw wier man gestorven is, in het oude Israël vaak in een kwetsbare sociaal-economische positie. De wet van Mozes voorzag in beschermende regels zoals lossing, leviraat en het recht op aren-lezen. (Ruth 1:5)
- Vrouw wier echtgenoot is overleden. In de Bijbel een type van wie maatschappelijk kwetsbaar is en bijzondere bescherming verdient. (Mark 12:42)
- Weduwe te Naïn; weduwe met de penning; aandringende weduwe. (Luk 2:37)
- Vrouw wier echtgenoot gestorven is; in de gemeente onderwerp van bijzondere zorg en eer. Met eigen levensstaat. (1 Kor 7:8)
- Uitgebreid onderwijs over zorg voor weduwen en hun rol in de gemeente. (1 Tim 5:3)
- Hart van zuivere godsdienst. (Jak 1:27)
- Vrouw van wie de man overleden is. In de bijbel een sociaal kwetsbare positie, waarvoor God en de wet bijzondere bescherming voorschreven. (Jdt 8:4)

## weduwe van Sarefath (persoon)

- Heidense vrouw uit de Fenicische kuststad Sarefath, in nood verkerend tijdens de droogte. Bekend uit de geschiedenis van de profeet Elia, die door haar werd opgenomen en haar zoon uit de dood opwekte. (1 Kon 17:9)

## weduwe van Sarepta (persoon)

- De weduwe naar wie Elia werd gezonden — door Jezus aangehaald als heidense ontvangster van wonder. (Luk 4:26)

## weduwen (begrip)

- Vrouwen zonder beschermer; door God beschut. (Ps 68:6)

## weduwen-bediening (begrip)

- De dagelijkse uitdeling aan de weduwen die aanleiding gaf tot de instelling van het diakenambt. (Hand 6:1)

## weduwen-olie (begrip)

- Aanduiding voor het wonder waarbij de profeet Elisa een arme weduwe uit haar schulden hielp door de wonderlijke vermenigvuldiging van haar laatste fles olie. Zie ook 'olie der weduwe'. (2 Kon 4:1)

## weduwnaar Ezechiël (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij de profeet zijn gestorven echtgenote niet op de gewone wijze mag bewenen. Symbolische voorbereiding op de val van de tempel. (Ez 24:18)

## Wee (begrip)

- Wee-uitroep tegen dwaalleraars. (Jud 1:11)

## Wee hem die zijn huis bouwt (uitdrukking)

- Aanklacht tegen Jojakims onbetaalde slavenarbeid. (Jer 22:13)

## wee-liederen (begrip)

- Profetisch literair patroon waarin opeenvolgende wee-uitroepen zonden en hun oordeel aankondigen. Vooral gericht tegen onderdrukkers en hoogmoedigen. (Hab 2:6)

## weegschaal (voorwerp)

- De weegschaal in de hand van de ruiter op het zwarte paard — beeld van honger en duurte. (Op 6:5)
- Symbool van eerlijkheid. (Spr 11:1)

## weegschaal der gerechtigheid (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor Gods rechtvaardige weging van menselijk handelen. Klassiek motief in profetische en wijsheidsliteratuur. (Job 31:6)

## weegsteen (begrip)

- Steen om gewicht te bepalen; volkomen weegsteen is welgevallig. (Spr 16:11)

## weeklage over Sallum (uitdrukking)

- Treur niet om Josia, maar om Joahaz. (Jer 22:10)

## weemoed (begrip)

- Stil verdriet. 'Mijn ziel is bedroefd' — refrein. (Ps 42:6)

## weent en huilt (begrip)

- Welaan nu gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden die over u komen — profetische aanklacht tegen onrechtvaardige rijkdom. (Jak 5:1)

## weerspannig huis (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor een volk dat zich verzet tegen Gods woord. Onderdeel van de profetische beschrijving van Israël. (Ez 2:5)

## wees (begrip)

- Kind dat een of beide ouders verloren heeft. In de bijbel samen met de weduwe en de vreemdeling object van Gods bijzondere zorg en wettelijke bescherming. (Sir 35:14)

## wees en weduwe (wet)

- Personen zonder vader of man, en daarom kwetsbaar in een patriarchale samenleving. In de Tora bijzonder beschermd; zorg voor hen is teken van waar geloof. (Dt 24:17)

## weeskind (begrip)

- Kind dat zijn vader of beide ouders heeft verloren. In de wet van Mozes onder bijzondere bescherming van God en het volk geplaatst. (Job 31:17)

## weeën (begrip)

- De tegenhanger van de zaligsprekingen, uniek bij Lukas. (Luk 6:24)
- Geboorteweeën van een vrouw in barensnood. In de bijbel beeld voor de plotseling komende, onafwendbare smarten van het laatste oordeel. (4 Ezra 16:39)

## Weg (begrip)

- Jezus noemt Zichzelf de Weg: de enige toegang tot God de Vader. (Joh 14:6)

## weg der gerechtigheid (begrip)

- Het was hun beter geweest dat zij de weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij die gekend hebbende, weder afkeren van het heilige gebod. (2 Petr 2:21)

## weg der waarheid (begrip)

- Door wier verderving (van de valse leraars) zal de weg der waarheid gelasterd worden — gemeente moet zich daartegen wapenen. (2 Petr 2:2)

## weg van Kaïn (begrip)

- Wee hen, want zij zijn de weg van Kaïn ingegaan — afgunstige haat tegen de rechtvaardige broeder. (Jud 1:11)

## wegbereider (begrip)

- Persoon die de weg effent of voorbereidt voor de komst van een vorst of belangrijke figuur. In de Bijbel toegepast op Johannes de Doper als voorloper van Christus. (Mal 3:1)

## wegen Davids (begrip)

- Beeld voor de godvruchtige levenswijze van koning David, die als ideaal voor zijn opvolgers gold. Latere koningen werden in de Schrift gemeten aan de mate waarin zij in 'zijn wegen wandelden'. (1 Kon 3:14)

## wegen van de Allerhoogste (begrip)

- Bijbelse uitdrukking voor Gods raadsbesluiten en handelen, dat voor mensen vaak ondoorgrondelijk is. (4 Ezra 4:11)

## wegloper (begrip)

- De tweede bok op de Grote Verzoendag, beladen met de zonden van het volk en door een aangewezen man de woestijn ingestuurd. Beeld van de wegdraging van de schuld. (Lev 16:21)

## weid Mijn lammeren (begrip)

- Jezus' opdracht aan Petrus na zijn drievoudige liefdesverklaring. (Joh 21:15)

## weid Mijn schapen (begrip)

- De herhaalde opdracht aan Petrus om de kudde van Christus te hoeden. (Joh 21:16)

## weiden (begrip)

- God als Herder die voedt en verzorgt. (Ps 23:2)

## weidsheid Efraïms (begrip)

- Trots en zelfgenoegzaamheid van het noordelijk rijk Israël op zijn rijkdom en macht. Door de profeten als wortel van zijn val ontmaskerd. (Hos 12:8)

## weidt de kudde (begrip)

- Weidt de kudde Gods die onder u is, opziende, niet uit bedwang, maar gewillig; noch om vuilgewinnigheid, maar met een volvaardig gemoed. (1 Petr 5:2)

## weinig heiligdom in vreemde land (uitdrukking)

- Profetische belofte dat God zelf voor de ballingen tot heiligdom werd in het vreemde land. Klassieke uitspraak die de synagoge-gedachte fundeert. (Ez 11:16)

## weinig in de slip (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij een klein aantal haren in de zoom van een kleed wordt gebonden als beeld voor het overblijfsel. Onderdeel van symboolperformance. (Ez 5:3)

## weinig zaaien veel oogsten omgekeerd (begrip)

- Profetisch beeld voor de tucht waarbij arbeid weinig opbrengt en zegen wordt onthouden. Bedoeld om tot inkeer te roepen. (Hag 1:6)

## weinigen-redding (begrip)

- In het apocriefe 4 Ezra de gedachte dat slechts weinigen worden behouden, terwijl velen verloren gaan; centraal thema van Ezra's klacht. (4 Ezra 8:1)

## welbehaaglijk vervullen (begrip)

- Goddelijke vervulling van Zijn welbehagen aan goedheid en de werkdadige uitwerking van het geloof in de gelovigen. (2 Th 1:11)

## welbehagen (begrip)

- Onze redding is. (Ef 1:5)
- Goddelijke vrije wil en goedgunstigheid waaruit Hij Zijn raadsbesluiten en weldaden voortbrengt. (2 Tess 1:11)
- Citaat uit de verheerlijking op de berg. (2 Petr 1:17)

## welbehagen Gods (begrip)

- Drijfveer van Gods heilsplan. (Ef 1:5)

## welbron (begrip)

- Bron, fontein; beeld voor wijsheid. (Spr 16:22)

## weldadigheden (begrip)

- Daden van goedheid, weldaden — Gods barmhartige bewijzen van trouw en zorg. Vaak in de Psalmen opgesomd als reden tot lof en dank. (Ps 17:7)

## weldadigheid (begrip)

- Goedheid jegens de naaste. (Spr 16:6)

## weldoen (begrip)

- Vergeet de weldadigheid en mededeelzaamheid niet, want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen. (Hebr 13:16)
- Goed doen aan een ander. (Spr 11:17)
- Bijbels begrip voor het doen van goed aan anderen, in het bijzonder aan armen, weduwen en wezen. Een hoofdvorm van bijbelse gerechtigheid. (Sir 12:1)

## weldoende kracht (begrip)

- In de Schrift de werking van Gods Geest of zegen die anderen ten goede komt. Wordt vooral aan personen toegeschreven die door God worden gebruikt voor zijn werk in de wereld. (1Sam 1:1)

## welgelukzalig (begrip)

- Diep gezegend in Gods gunst; een toestand van ware zaligheid die alleen bij God te vinden is. Opent met deze zaligspreking over hem die niet wandelt in de raad der goddelozen, maar zijn lust heeft in de wet des HEEREN. (Ps 1:1)

## wellust op de dag (begrip)

- Zij houden de wellust voor lust op de dag, vlekken en smetten zijn zij, brassende in hun bedriegerijen, terwijl zij met u maaltijd houden. (2 Petr 2:13)

## wellusten (begrip)

- Uw wellusten voeren strijd in uw leden — de bron van twist en oorlog onder mensen. (Jak 4:1)

## wellustliefde (begrip)

- Overdreven gehechtheid aan zinnelijk genot; in de Bijbel een kenmerk van de afval in de laatste dagen. (2 Tim 3:4)

## welvaart (begrip)

- Voorspoed in uiterlijke omstandigheden; in apostolische heilwensen verbonden met lichamelijke en geestelijke welstand. (3 Joh 1:2)

## wenen (begrip)

- Tranen storten van smart. (Ps 30:6)
- Uiting van rouw, smart of berouw, in de Bijbel vaak begeleid door zak en as. Onderdeel van profetische klaagzangen over volk of stad. (Mi 1:8)

## wenen om de stad (begrip)

- Bijbels beeld voor diepe rouw en gebed over een stad in nood. Vorm van koninklijke en profetische verootmoediging in tijden van crisis. (2 Kon 19:14)

## wenen om Mozes (begrip)

- De dertigdaagse rouwperiode die Israël hield na de dood van Mozes in het land Moab. (Num 20:29)

## wenenden (begrip)

- 'Zalig zijt gij, die nu weent, want gij zult lachen'. (Luk 6:21)

## wens (begrip)

- Apostolische zegenwens, in deze brief gericht op de heiliging van de gehele mens door de God des vredes. (1 Tess 5:23)

## wereld (begrip)

- Gods schepping, en in het bijzonder de mensheid in haar onderscheid en vaak vijandschap tegenover God. In de evangeliën zowel object van Gods liefde als van zijn oordeel. (Matt 4:8)
- Het van God afgekeerde menselijke geheel met zijn begeerlijkheden, in tegenstelling tot het Koninkrijk Gods. (Jak 1:27)
- Bijbels begrip dat zowel de geschapen kosmos als het tijdperk (aion) kan aanduiden. Vaak onderscheiden tussen 'deze wereld' en 'de toekomende'. (4 Ezra 7:43)

## wereld der goddelozen (begrip)

- God heeft de oude wereld niet gespaard, maar Noach, de prediker der gerechtigheid, behouden, toen Hij de zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht. (2 Petr 2:5)

## wereld gekruisigd (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wereld tegenover Gods rijk. (Gal 6:14)

## wereld haat (begrip)

- Verwondert u niet, mijn broeders, zo u de wereld haat. Wij weten dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. (1 Joh 3:13)

## wereld in boze ligt (begrip)

- Wij weten dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze. (1 Joh 5:19)

## wereld liefhebben (begrip)

- Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is. Zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. (1 Joh 2:15)

## wereld vergaat (begrip)

- De wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar wie de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. (1 Joh 2:17)

## wereldbeheersers der duisternis (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (Ef 6:12)

## wereldgelijkvormigheid (begrip)

- De vriendschap der wereld is een vijandschap Gods; daarom moet de gelovige zich niet conformeren aan haar lusten en zeden. (Jak 4:4)

## Wereldrijken in cycli (uitdrukking)

- Zelfs Babel kent zijn eigen ondergang in vooruitgekenden tijd. (Jer 27:7)

## wereldverzoening (begrip)

- De verzoening van de wereld met God, in Christus geopenbaard. Grond van de prediking onder alle volken. (2 Kor 5:19)

## werk (begrip)

- Vlas- of hennepafval, gebruikt als brandbaar materiaal en als breeuwsel. (Geb. Az. 1:46)

## werk des geloofs (begrip)

- Concrete werkdadige uitwerking van het geloof in arbeid, liefde en volharding. (1 Th 1:3)

## werken der wet (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (Gal 2:16)

## werken des duivels verbreken (begrip)

- Hiertoe is de Zoon Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou — Christus' missie omvat de overwinning over satan. (1 Joh 3:8)

## werken des geloofs (begrip)

- De werken zijn het bewijs dat het geloof leeft. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen. (Jak 2:18)

## werken Gods (begrip)

- Bijbels begrip voor de daden van God in schepping en geschiedenis, waarin zijn macht en wijsheid kunnen worden gekend. (Sir 42:15)

## werken van het vlees (begrip)

- Lijst: overspel, hoererij, onreinigheid... afgoderij, vijandschappen, twisten... (Gal 5:19)

## werkmeester (begrip)

- Bouwmeester, hoofduitvoerder van een werk. In de bijbel ook beeld voor God of Wijsheid die meewerkt aan de schepping. (Wijsh 7:21)

## werkmeesterse (begrip)

- Vrouwelijke vorm van werkmeester. Aanduiding voor de gepersonifieerde Wijsheid in de hellenistisch-joodse literatuur. (Wijsh 7:21)

## werkt uw zaligheid (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (Fil 2:12)

## wervelwind (begrip)

- Stormachtige wind; beeld van Gods machtige verschijning. (Ps 83:16)
- Krachtige natuurverschijnsel in de vorm van een hevige draaiende wind. In de Schrift soms beeld van Gods machtige verschijning of oordeel. (2 Kon 2:1)

## wervelwinden (begrip)

- Beeld van Gods machtig en omkerend ingrijpen in de wereldgeschiedenis, waarbij koninkrijken worden omvergeworpen. Onderdeel van profetische eindtijdtaal. (Hag 2:22)

## wespen (begrip)

- Stekende insecten. In Exodus 23:28 en Deuteronomium 7:20 beeld voor het instrument waarmee God de Kanaänieten geleidelijk uit het beloofde land verdreef. (Wijsh 12:8)

## wet (wet)

- Door God gegeven onderwijzing en gebod, in het bijzonder de wet van Mozes met haar morele, ceremoniële en burgerlijke voorschriften. (Ex 24:12)

## wet der vrijheid (begrip)

- Die in de volmaakte wet, die der vrijheid, inziet en daarbij blijft, zal in zijn doen zalig zijn — niet een vergetelijk hoorder maar een dader des werks. (Jak 1:25)

## wet in hun binnenste (uitdrukking)

- Kernkenmerk van het nieuwe verbond — geen uitwendige stenen tafelen meer, maar inwendige beleving. (Jer 31:33)

## wet van Christus (begrip)

- De norm van het christelijk leven die zich vat laat samenvatten in de geboden van liefde tot God en de naaste. (Gal 6:2)

## wet van God (begrip)

- De door God gegeven onderwijzing en geboden, in het Hebreeuws aangeduid als Tora. Grondslag van Israëls eredienst en samenleving. (Hos 8:12)

## wet van Medië en Perzië (begrip)

- Aanduiding voor het rechtssysteem van het Perzische rijk, dat eenmaal uitgevaardigde koninklijke edicten als onveranderlijk beschouwde. Vormde een fundamenteel beginsel van het Perzisch-Medische bestuur. (Esth 1:19)

## wet van Mozes (wet)

- De door Mozes ontvangen en opgetekende wetgeving, fundament van het verbond tussen JAHWEH en Israël. Omvat zowel rituele, morele als burgerlijke voorschriften. (Joz 8:32)
- De Thora, de eerste vijf boeken van de bijbel met de wetten en geboden die God door Mozes aan Israël gaf. (3 Ezra 8:3)
- De vijf boeken van de Tora die de wetgeving en geschiedenis van Israël tot aan de intocht in Kanaän bevatten. Grondslag van Israëls eredienst en samenleving. (Mal 4:4)

## wet wettiglijk (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (1 Tim 1:8)

## wet wijsheid (begrip)

- In de wijsheidsliteratuur (bijzonder in Sirach) de identificatie van de wijsheid met de Thora, de wet van Mozes. (Sir 24:23)

## wet, boek der (begrip)

- De door Mozes opgetekende wetgeving, fundament van het verbond tussen JAHWEH en Israël. Werd in een afschrift in het heiligdom bewaard voor de koningen en het volk. (2 Kron 34:14)

## weten (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor inzicht en kennis. In de wijsheidsliteratuur omvat het kennis van God, de schepping en de juiste levenswandel. (Wijsh 7:17)

## weten eeuwig leven (begrip)

- Deze dingen heb ik u geschreven, opdat u weet dat u het eeuwige leven hebt, u die gelooft in de Naam van de Zoon van God. (1 Joh 5:13)

## weten te overvloeien (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (Fil 4:12)

## wetenschap (begrip)

- Oudere Statenvertaling-vorm voor 'kennis' (daat). Stelt dat de vreze des Heeren het beginsel van alle echte wetenschap is. (Spr 1:7)

## Wetgever (begrip)

- Er is één Wetgever die behouden kan en verderven; wie zijt gij die een ander oordeelt? (Jak 4:12)

## wetleraars (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de wet of de eisen daarvan. (1 Tim 1:7)

## wetlezing (cultisch)

- De plechtige voorlezing van de Tora voor het hele volk eens in de zeven jaar, op het loofhuttenfeest van het sabbatsjaar. Diende tot onderwijs en verbondsvernieuwing. (Dt 31:10)

## wetsgetrouwe (begrip)

- Iemand die naar de wet van God leeft. Aanduiding voor de vromen in Israël die de Thora trouw onderhouden. (1 Makk 2:42)

## wetteloosheid (begrip)

- Een ieder die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; en de zonde is de ongerechtigheid (wetteloosheid). (1 Joh 3:4)

## weverspoel (uitdrukking)

- Het snel heen en weer schietende werktuig van een wever waarmee hij de inslagdraad door de schering brengt. In de Bijbel beeld voor snel verstrijkende tijd. (Job 7:6)

## wie goed doet (begrip)

- Bondige nieuwtestamentische maatstaf om aan iemands daden zijn geestelijke afkomst te onderscheiden: het goede uit God, het kwade buiten God. (3 Joh 1:11)

## Wie heeft in de raad des HEEREN gestaan? (uitdrukking)

- God daagt de valse profeten uit — alleen wie in Zijn 'raad' (sod, vertrouwelijke kring) heeft gestaan kent Zijn woord. Test van de ware profeet. (Jer 23:18)

## Wie is hij die den raad verduistert? (uitdrukking)

- Bijbelse aanvang van de godsrede waarin God de menselijke spreker verwijt zijn raad te verdoezelen door onkundige woorden. Klassieke wending in profetische tekst. (Job 38:2)

## Wie is rechtvaardig voor God? (uitdrukking)

- Bijbelse grondvraag over de gerechtigheid van de mens tegenover Gods volkomen heiligheid. Centraal in de oudtestamentische wijsheidsliteratuur en in Paulus. (Job 9:2)

## wie niet werkt eet niet (begrip)

- Apostolisch beginsel dat wie de eerlijke arbeid bewust afwijst, geen recht heeft op het levensonderhoud van de gemeenschap. (2 Th 3:10)

## wie was Abner (begrip)

- Aanduiding voor de retorische klacht waarmee koning David het verlies van Abner betreurde. Drukt diens grote betekenis uit voor zowel het huis van Saul als voor heel Israël. (2Sam 3:38)

## Wie weet niet uit alle deze? (uitdrukking)

- Retorische vraag in de wijsheidsliteratuur waarbij de spreker zijn gesprekspartners meedeelt dat zij niets nieuws toevoegen. Klassieke wending in dispuut. (Job 12:3)

## Wie zal Mij eerst geven? (uitdrukking)

- Bijbelse retorische vraag over Gods absolute soevereiniteit en zijn niet-afhankelijkheid van enig schepsel. In het Nieuwe Testament door Paulus aangehaald. (Job 41:11)

## wielen heten galgal (uitdrukking)

- Profetische aanduiding voor de troonwagenwielen met een Hebreeuwse term die 'wervelend' betekent. Onderdeel van de visioenen van Ezechiël. (Ez 10:13)

## wielen in wielen (uitdrukking)

- Profetisch beeld van een vrij voortbewegende troonwagen waarbij wielen elkaar kruisen. Onderdeel van de visioenen van Ezechiël. (Ez 1:16)

## wierook (overig)

- Welriekend hars dat bij verbranding aangename rook geeft. In de eredienst gebrand op het reukaltaar als beeld van het opstijgende gebed. (Gen 37:25)
- Welriekend hars, gebrand op het reukaltaar of gevoegd bij het spijsoffer. Beeld van het gebed dat tot God opstijgt. (Lev 2:1)
- Welriekend hars dat op het reukofferaltaar werd verbrand als offer aan God. Beeld van het gebed dat tot God opstijgt. (Bar 1:10)

## wierookvat (voorwerp)

- Pan of vuurpot waarin gloeiende kolen werden gelegd om er reukwerk op te branden. Door de priester gebruikt bij de eredienst. (Lev 10:1)
- Het gouden reukvat in het heiligdom, waarop de hogepriester reukwerk ontstak. Type van het gebed dat opstijgt voor God. (Hebr 9:4)

## Wij hebben Hem gevonden (begrip)

- De getuigenis van de eerste discipelen aan elkaar over Jezus. (Joh 1:41)

## wij hebben Hem lief (begrip)

- Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst liefgehad heeft — alle liefde tot God is antwoord op Zijn voorgaande liefde. (1 Joh 4:19)

## wij hebben Hem niet liefgehad (begrip)

- Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. (1 Joh 4:10)

## wij waren onverstandig (begrip)

- Aanduiding voor de toestand van de mens voor de bekering, gekenmerkt door onwijsheid, ongehoorzaamheid en onderworpenheid aan begeerten. (Tit 3:3)

## wij zijn nu (begrip)

- Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen. (1 Joh 3:2)

## wijding (cultisch)

- Het apartzetten en heiligen van personen of zaken voor de dienst aan God. De wijding van Aäron en zijn zonen tot priester duurde zeven dagen. (Ex 29:9)

## wijken (begrip)

- Het zich terugtrekken of omkeren, vooral als oordeel of beproeving. Israël moest na het verzet bij Kades terug naar de woestijn wijken. (Num 14:25)

## wijkende van het kwaad (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor wie het kwaad bewust mijdt en de zonde achterwege laat. Vrucht en kenmerk van werkelijke godsvrucht. (Job 1:1)

## wijn die geen lucht heeft (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor opgekropte gedachten en woorden die op het punt staan zich te uiten. Ontleend aan de gisting van wijn in afgesloten zakken. (Job 32:19)

## wijn schenken (begrip)

- Het aanbieden van wijn aan iemand, in de Bijbel ook gebruikt om een bewuste verleiding tot zondige genieting aan te duiden. Vooral problematisch bij wie zich aan onthouding verbonden hadden. (Am 2:12)

## wijnbezie (begrip)

- Verouderde aanduiding voor een druif. In de bijbel beeld van vrucht, oogst en (in profetisch beeldspraak) van het overblijfsel. (4 Ezra 9:21)

## wijngaard (begrip)

- Aangelegd perceel met druivenstokken voor de wijnbouw. Voor het eerst geplant door Noach na de zondvloed. (Gen 9:20)
- Aangelegd perceel met druivenstokken voor de wijnbouw. Bij de oogst moesten achtergebleven trossen voor armen en vreemdelingen blijven. (Ex 23:11)
- Beeld voor Israël als Gods uitverkoren bezit, dat Hij plantte en verzorgde. (Ps 78:47)
- Aangelegde aanplant van wijnstokken, in Palestina veel voorkomend. In de Bijbel vaak beeld van het volk Israël of van Gods Koninkrijk. (Matt 20:1)
- Met druiven beplante akker, in Palestina van groot economisch belang. In de bijbel veelvuldig beeld voor Israël als Gods volk. (4 Ezra 16:31)

## wijngaard en vijgenboom (begrip)

- Beeldspraak voor het rustige bezit en de vrede in eigen erf. Vast bijbels beeld van de heilstijd waarin niemand meer beangstigd wordt. (Mi 4:4)

## wijngaard onbruikbaar hout (uitdrukking)

- Profetische gelijkenis waarbij hout van de wijnstok als enkel voor brandstof bruikbaar wordt voorgesteld. Beeld van vruchteloos volk. (Ez 15:3)

## wijngaard van Naboth (begrip)

- Erfdeel van de bewoner Naboth te Jizreel, gelegen naast het paleis van koning Achab. Onderwerp van een berucht onrecht waarbij de eigenaar door valse getuigen werd gedood, met grote gevolgen voor het huis van Achab. (1 Kon 21:1)
- Erfdeel van de bewoner Naboth te Jizreel, gelegen naast het paleis van koning Achab. Onderwerp van een berucht onrecht waaraan in latere generaties het oordeel over het huis van Achab werd verbonden. (2 Kon 9:21)

## wijngaarden (begrip)

- Aangelegde percelen waar druiven werden geteeld voor wijn en rozijnen. Symbool van vruchtbaarheid, welvaart en Gods zegen over het beloofde land. (Joz 24:13)

## wijngaardenier (begrip)

- Pachter of arbeider die voor de eigenaar een wijngaard bewerkt en bewaakt. In de gelijkenissen beeld van de leiders van Israël. (Matt 21:33)

## wijngaardeniers (begrip)

- Pachters die voor de eigenaar een wijngaard bewerken en bewaken. In de gelijkenissen beeld van de leiders van Israël. (Mark 12:1)

## wijngaardgesteente (begrip)

- Stenen die op een terrein bij een wijngaard lagen, of werden opgestapeld als afscheiding. Konden in een noodgeval ook als steniging-materiaal dienen bij een executie buiten de stad. (1 Kon 21:13)

## wijnpers van Gods toorn (begrip)

- De grote wijnpers van de toorn Gods waarin de wijngaard der aarde geworpen werd. (Op 14:19)

## wijnstok (natuur)

- Klimplant die druiven voortbrengt. In de Bijbel ook beeld voor Israël en in het Nieuwe Testament voor Christus. (Gen 9:20)
- Geliefde cultuurplant in Kanaän, leverancier van druiven voor wijn, rozijnen en most. Symbool van vreugde, vruchtbaarheid en Israëls plaats als Gods volk. (Ri 9:13)
- Beeld voor Israël door God uit Egypte overgeplant. De volkeren breken hem af; God wordt aangeroepen om Zijn wijngaard weer te bezoeken. (Ps 80:9)
- Jezus noemt Zichzelf de ware Wijnstok. Gelovigen zijn de ranken die in Hem moeten blijven om vrucht te dragen. (Joh 15:1)
- De druivenplant. In de bijbel beeld voor Israël (Jes. 5; Ps. 80) en in het Nieuwe Testament voor Christus en zijn gemeente (Joh. 15). (4 Ezra 5:23)
- Klimplant die druiven voortbrengt voor druiven en wijn, in Israël een van de belangrijkste cultuurgewassen. Symbool van vruchtbaarheid en zegen. (Joël 1:7)

## wijnstok en ranken (begrip)

- De gelijkenis waarin Jezus de Wijnstok is en de gelovigen de ranken die in Hem moeten blijven. (Joh 15:5)

## wijroken (begrip)

- Brandende reukwerk dat opstijgt; beeld voor het gebed. (Ps 141:2)

## wijsbegeerte (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (Kol 2:8)

## wijsheid (begrip)

- Het vermogen om met inzicht en oordeel naar Gods wil te handelen. In de Bijbel het beginsel van het leven en gave van Gods Geest. (Gen 41:39)
- Het vermogen om in afhankelijkheid van God te leven naar de orde die Hij in de schepping en in Zijn wet heeft gelegd. In Spreuken gepersonifieerd als een vrouw die mensen tot inzicht roept. (Ps 19:8)
- Door God geschonken inzicht in het geheim van Christus. Onderscheiden van wereldse wijsheid. (1 Kor 1:17)
- Geestelijk inzicht en bekwaamheid om naar Gods wil te leven; ware wijsheid daalt van boven neer. (Jak 1:5)
- Bijbels begrip voor inzicht in Gods orde voor het leven. In de wijsheidsboeken vaak gepersonifieerd; in Spreuken 8 en Sirach beschreven als bij God van eeuwigheid. (4 Ezra 14:40)
- Bijbels begrip voor inzicht in Gods orde voor het leven. In de wijsheidsboeken vaak gepersonifieerd; in Spreuken 8 en het apocriefe Wijsheid van Salomo beschreven als bij God van eeuwigheid. (Wijsh 1:1)

## Wijsheid lied (uitdrukking)

- Bijbelse hymnische passage over de zoektocht naar wijsheid die niet door menselijk vernuft te vinden is. Eindigt met de erkenning dat de vreze des HEEREN wijsheid is. (Job 28:12)

## wijsheid van boven (begrip)

- De wijsheid die van boven is, is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeglijk, vol van barmhartigheid en goede vruchten — gesteld tegenover aardse wijsheid. (Jak 3:17)

## wijsheid van de wereld (begrip)

- De menselijke wijsheid die buiten Christus om wil weten. Door God dwaas verklaard. (1 Kor 1:20)

## wijsheid van Salomo (begrip)

- Bijzondere gave van inzicht en oordeelsvermogen die God aan koning Salomo schonk. Spreidde zich uit over rechtspraak, bestuur, natuurkennis en literaire activiteit. (1 Kon 4:30)

## wijwater (begrip)

- Geheiligd water voor cultische reiniging. In de tempeldienst gebruikt om priesters, gerei en ruimten te reinigen. (1 Makk 4:50)

## wijze (begrip)

- Wie wijsheid bezit en beoefent; tegenover de zot. (Spr 1:5)
- Bijbels begrip voor wie wijsheid bezit en die in zijn leven en spreken toepast. In de wijsheidsboeken tegengesteld aan de dwaas. (Sir 6:34)

## wijze man (begrip)

- Iemand die met geestelijk inzicht en kennis van Gods wegen handelt. In de bijbelse wijsheidsliteratuur tegengesteld aan de dwaas. (Mark 6:2)

## wijze vrouw van Abel-beth-maächa (persoon)

- Vrouw uit de noordelijke stad Abel-beth-maächa, bekend om haar wijsheid en politiek inzicht. Wist door onderhandeling de stad te redden van vernietiging. (2Sam 20:16)

## wijze vrouw van Tekoa (begrip)

- Vrouw uit de stad Tekoa, bekend om haar bedrevenheid in welsprekendheid. Werd door Joab gebruikt om met een gelijkenis koning David te overtuigen Absalom uit ballingschap terug te roepen. (2Sam 14:2)

## wijzeloos (begrip)

- Inzettingen die wel een hebben, maar geen kracht. (Kol 2:4)

## wijzen (begrip)

- Geleerde raadgevers of waarzeggers aan een vorstelijk hof. In de Bijbel vaak in negatieve zin, omdat zij geen toegang hadden tot de echte wijsheid van God. (Gen 41:8)
- Magoi, geleerden uit het oosten die zich met sterrenwichelarij en astronomie bezighielden. Volgens Mattheus brachten zij Jezus geschenken. (Matt 2:1)
- Meervoud; klasse van leraars wier woorden voortgezet onderwijs vormen ( 'de woorden der wijzen'). (Spr 22:17)

## wil (begrip)

- Gods wilsbesluit, zowel het geopenbaarde als het verborgene. Oorsprong van zaligheid en heiliging. (Rom 12:2)

## wil van God heiliging (begrip)

- Aanduiding van Gods wil dat de gelovigen heilig leven, in het bijzonder door zich te onthouden van seksuele onreinheid. (1 Th 4:3)

## wil-godsdienst (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Kol 2:23)

## wilde baren (begrip)

- Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende — beeld van schaamteloze losbandigheid die alle waardigheid verspoelt. (Jud 1:13)

## wilde dieren (begrip)

- In de bijbel meermalen instrument van Gods oordeel over volken die hem ongehoorzaam zijn (vgl. Leviticus 26:22). (Wijsh 11:15)

## wilde gedierten (begrip)

- De wilde dieren van het veld, onderscheiden van het vee. Deel van Gods scheppingsorde. (Gez. Vuur. 1:81)

## wildernis (plaats)

- De plaats die God voor de vrouw bereid had, waar zij zou worden gevoed duizendtweehonderdzestig dagen. (Op 12:6)

## willens onwetend (begrip)

- Het is hun moedwillens onbekend dat door het Woord Gods de hemelen van overlang geweest zijn, en de aarde uit het water bestaande. (2 Petr 3:5)

## wind der leer (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de heerlijkheid en eer van God. (Ef 4:14)

## wind zaaien (begrip)

- Profetisch spreekwoord waarbij ijdele inspanning leidt tot een veel ergere oogst. Beeld van de keten waarin zonde haar eigen oordeel voortbrengt. (Hos 8:7)

## winden (begrip)

- De vier windrichtingen of luchtstromen. In de bijbel teken van Gods macht over hemel en aarde en instrument van zijn handelen. (Gez. Vuur. 1:65)

## winden vier (begrip)

- De vier hoofdwindrichtingen die in de Bijbel ook staan voor de vier hoeken van de aarde of voor Gods boodschappers. Symbool voor universaliteit. (Zach 6:5)

## windvanger (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor wat ledig en zonder inhoud is. Onderdeel van de klaagliteratuur over vergeefse moeite. (Job 7:3)

## winter (begrip)

- Verwijzing naar de aanstaande dood en het naderende einde. (2 Tim 4:21)

## winter te Nikopolis (begrip)

- Voornemen van een reiziger om de winter, ongeschikt voor zeevaart, in een bepaalde stad door te brengen. (Tit 3:12)

## wisselaars (overig)

- Geldwisselaars in de tempel die buitenlands geld omwisselden in de tempelmunt. Jezus dreef hen uit de tempel omdat zij het huis van Zijn Vader tot een huis van koophandel maakten. (Joh 2:14)

## wisselen van wachten (begrip)

- Militaire organisatievorm waarbij wachtdienst in vaste afdelingen werd verdeeld. Vormde in oorlogstijd een belangrijke voorzorgsmaatregel tegen verrassingsaanvallen. (Neh 4:18)

## wisseling (begrip)

- Met het priesterschap moet ook de wet veranderd worden; er heeft een verandering plaatsgevonden van het ene verbond naar het andere. (Hebr 7:12)

## wit (begrip)

- Wit kleed van de overwinnaars; witte paard van de Ruiter; witte troon van Gods oordeel. (Openb 1:14)

## wit paard (begrip)

- Het witte paard uit de Openbaring; beeld van overwinning, geleid door Christus. (Op 6:2)

## witgepleisterde wand (begrip)

- Paulus' woord tegen Ananias de hogepriester die hem op de mond liet slaan. (Hand 23:3)

## witte hoofdharen (begrip)

- Het hoofd en het haar van de Mensenzoon waren wit als witte wol, gelijk sneeuw — beeld. (Op 1:14)

## witte keursteen (voorwerp)

- De witte steen met een nieuwe naam erop, gegeven aan de overwinnaar te Pergamus. (Op 2:17)

## witte klederen (voorwerp)

- De gerechtigheid der heiligen waarin de overwinnaars zullen wandelen. (Op 3:5)

## witte lange rok (voorwerp)

- De lange witte klederen die aan elke martelaar werden gegeven — wachtende op de voleinding. (Op 6:11)

## witte paard (overwinnaar) (begrip)

- Het witte paard waarop de Trouwe en Waarachtige zit, die met gerechtigheid oordeelt en krijg voert. (Op 19:11)

## witte schellen (begrip)

- Vlies of staar op de ogen, in de oudheid bekend oogletsel dat tot blindheid leidt. (Tob 2:10)

## witte troon (begrip)

- De grote witte troon vanwaar God het laatste oordeel zal voltrekken. (Op 20:11)

## woeker (begrip)

- Onbillijke rente; geld lenen tegen overdreven voorwaarden. De wet verbiedt het ten koste van een arme broeder prijst wie zonder woeker leent. (Ps 15:5)

## woekeraar (begrip)

- Wie geld leent tegen overdreven rente; door God veroordeeld. (Spr 28:8)

## woekeren (begrip)

- Lenen tegen onrechtmatige rente. (Spr 28:8)

## woest en ledig (begrip)

- De toestand van de aarde aan het begin van de schepping: vormloos en leeg, voordat God orde en leven aanbracht. Hebreeuws tohoe wabohoe. (Gen 1:2)

## woestenij van wegen (uitdrukking)

- Klassieke uitnodiging tot herontdekking van de oude vroomheid. (Jer 6:16)

## woestijn (natuur)

- Droog en onherbergzaam gebied met weinig vegetatie. Plaats van beproeving, eenzaamheid en ontmoeting met God in de Bijbel. (Gen 14:6)
- Onbewoond, droog gebied, in Palestina vooral aan de oostelijke en zuidelijke randen. In de Bijbel zowel plaats van beproeving als van Godsontmoeting. (Joh 1:23)
- Onbewoond, onbebouwd gebied. In de bijbel vooral de woestijn waar Israël veertig jaar trok tussen Egypte en het beloofde land. (Wijsh 11:2)

## wolf (natuur)

- Een roofdier dat schapen aanvalt. Jezus gebruikte de wolf als beeld voor gevaar: de huurling laat de schapen in de steek als de wolf komt, maar de goede Herder beschermt ze. (Joh 10:12)

## wolk van getuigen (begrip)

- De ontelbare schare geloofshelden die ons omringen en ons aansporen tot volharding en het loslaten van wat ons hindert. (Hebr 12:1)

## wolken zonder water (begrip)

- Wolken zonder water, die door winden omgedreven worden — beeld van valse leraren die geen geestelijk voordeel brengen. (Jud 1:12)

## wolkenkolom (begrip)

- De wolk- en vuurkolom waarmee God volgens Exodus 13-14 Israël door de woestijn leidde, teken van zijn beschermende tegenwoordigheid. (Sir 24:4)

## wolkje als eens mans hand (begrip)

- Klein wolkje boven de zee, in de Schrift voorbode van een naderende regenbui na een lange droogte. Voorbeeld van een schijnbaar onbeduidend teken dat Gods grote werk aankondigt. (1 Kon 18:44)

## wolkkolom (theologisch)

- De wolk waarin God overdag voor Israël uitging in de woestijn. Plaatste zich tussen Israël en de Egyptenaren bij de Schelfzee als bescherming. (Ex 13:21)
- De wolk waarin God overdag voor Israël uitging in de woestijn, en die 's nachts veranderde in een vuurkolom. Zichtbaar teken van Gods leiding en aanwezigheid. (Dt 1:33)
- Wolk waarin God Israël leidde door de woestijn. (Ps 78:14)

## wolven (begrip)

- Paulus voorzegde dat na zijn vertrek zouden inkomen, de kudde niet sparend. (Hand 20:29)

## wonde (begrip)

- Slag of letsel; door God geslagen of door God geheeld. (Ps 147:3)

## wonder (begrip)

- Een bovennatuurlijke daad van God. Johannes noemt Jezus' wonderen omdat ze laten zien wie Hij is. (Joh 4:48)
- Kenmerken de apostolische prediking. (Hand 2:19)
- Bovennatuurlijk teken van Gods kracht. Begeleidde de bediening van Christus en de apostelen. (1 Kor 12:10)
- Bovennatuurlijke daad of teken; in nieuwtestamentisch gebruik vaak gepaard met de prediking als bevestiging van het evangelie. (1 Tess 1:5)
- Bovennatuurlijke daad; in eschatologisch verband ook bedrieglijke schijnwonderen die de eindtijdelijke tegenstander vergezellen. (2 Tess 2:9)
- Bovennatuurlijk teken van Gods macht. In de bijbel teken van Gods aanwezigheid en handelen ten gunste van zijn volk. (2 Makk 3:30)

## wonderbaar (begrip)

- Wonderbaarlijk, wonderlijk — wat Gods kracht en wijsheid uitstijgt boven menselijk begrip. Vaak gezegd van Gods werken in schepping en verlossing. (Ps 17:7)

## wonderbaar licht (begrip)

- Geroepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht — beeld van bekering en verlichting. (1 Petr 2:9)

## wonderbaar worden (begrip)

- De openbare verheerlijking van Christus die bij Zijn wederkomst in al Zijn gelovigen bewonderd zal worden. (2 Th 1:10)

## wonderbare spijziging (begrip)

- Het vierde teken: Jezus voedde vijfduizend met vijf gerstebroden en twee visjes. (Joh 6:11)

## wonderbare visvangst (begrip)

- De visvangst waarbij Petrus' netten scheurden — Jezus' eerste roeping aan Simon. (Luk 5:6)

## wonderbare visvangst (na de opstanding) (begrip)

- Bij de zee van Tiberias verscheen Jezus aan zeven discipelen die niets gevangen hadden — de netten werden vol. (Joh 21:6)

## wonderboom (begrip)

- Snelgroeiende plant met grote bladeren die schaduw geeft, in de Bijbel door God speciaal beschikt. Vermoedelijk de wonderboom (Ricinus) of een kalebasplant. (Jon 4:6)

## wonderen aan hemel (begrip)

- Buitengewone hemelverschijnselen zoals verduisteringen, vuur en rookpilaren. In de Bijbel begeleiders van Gods machtig ingrijpen in de geschiedenis. (Joël 2:30)

## wonderen van Elisa (begrip)

- Verzamelnaam voor de talrijke tekenen die de profeet Elisa verrichtte tijdens zijn lange bediening. Zij overtreffen in aantal die van zijn voorganger Elia en bestrijken een breed terrein van menselijke nood. (2 Kon 2:21)

## wonderkrachten (begrip)

- Geestelijke gaven waardoor God krachten uitwerkt. Een van de gaven van de Geest in de gemeente. (1 Kor 12:10)

## woonstede (begrip)

- Engelen verlieten — verlieten hun door God gegeven plaats. (Jud 1:6)

## woonstede Gods (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (Ef 2:22)

## woord der getuigenis (begrip)

- De broederen overwonnen door het bloed des Lams en door het woord van hun getuigenis. (Op 12:11)

## Woord der waarheid (begrip)

- Naar Zijn wil heeft God ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen. (Jak 1:18)

## Woord des levens (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het geestelijk of eeuwig leven. (Fil 2:16)
- Het Woord des levens dat van het begin was, dat de apostelen gehoord en gezien hebben — Christus zelf. (1 Joh 1:1)

## Woord Gods (begrip)

- Het Woord Gods is levend en krachtig en scherpsnijdender dan een tweesnijdend zwaard, doordringende tot scheiding van ziel en geest. (Hebr 4:12)
- Bijbels begrip voor het scheppende, sprekende en oordelende handelen van God in de geschiedenis. In Johannes 1 op Christus toegepast. (Wijsh 18:15)

## Woord Gods blijft (begrip)

- Het Woord Gods blijft in u, en u hebt de boze overwonnen — hierom worden de jongelingen sterk genoemd. (1 Joh 2:14)

## Woord niet gebonden (begrip)

- Overwinnende kracht van Gods Woord. (2 Tim 2:9)

## Woord ontvangen als Gods Woord (begrip)

- Het door gelovigen aanvaarden van de apostolische prediking als werkelijk woord van God, krachtig werkzaam in wie geloven. (1 Th 2:13)

## Woord van Christus (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot Christus, voorkomend in de brieven van Paulus. (Kol 3:16)

## Woord vrije loop (begrip)

- Ongehinderde voortgang en verheerlijking van het Woord des Heren in zijn verkondiging onder de mensen. (2 Th 3:1)

## Woord werd vlees (begrip)

- Belijdenis dat de eeuwige Zoon van God in Jezus Christus mens is geworden. Kern van de leer van de incarnatie. (Joh 1:14)

## woord wordt niet uitgesteld (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking dat Gods woord onverwijld zal worden vervuld, tegenover het cynisme van wie meent dat het uitblijft. Klassieke profetische bevestiging. (Ez 12:28)

## woorden (begrip)

- Uitingen van het hart; krachtig ten leven of ten dode. (Spr 18:21)

## woorden der wijzen (begrip)

- Verzameltitel binnen Spreuken en. Bevat dertig wijze raadgevingen. (Spr 22:17)

## woordenstrijd (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor een dispuut of juridisch geding tussen twee partijen. Komt veel voor in de wijsheidsliteratuur en de profeten. (Job 9:3)

## worm (begrip)

- Klein dier dat in rottende stof leeft. In de Bijbel beeld van vergankelijkheid en van het niet ophoudende oordeel. (Mark 9:44)
- Klein kruipend dier dat planten kan aantasten of dode lichamen verteert. In de Bijbel vaak symbool van vergankelijkheid en nederigheid. (Jon 4:7)

## wormen (begrip)

- In de bijbel zowel letterlijk als beeld voor verderf en oordeel. Een door wormen verteerd lichaam was een schrikwekkend teken van Gods gericht. (2 Makk 9:9)

## wormpje (begrip)

- Beeld voor uiterste vernedering. (Ps 22:7)

## Worstelaar (begrip)

- Iemand die strijd voert. Beeld voor zowel de tegenstander die David belaagt als voor God die voor de psalmist strijdt: "JAHWEH is een worstelaar" ( SV). (Ps 35:1)

## worsteling (begrip)

- Lichamelijke strijd man tegen man, met grijpen en omverpogen. In Genesis bekende episode van Jakobs nachtelijke worsteling met de Engel bij de Jabbok. (Gen 32:24)

## wortel (begrip)

- Het diepste begin van iets, waaruit het verdere voortkomt; van Israël waaruit de heidense gelovigen voeding ontvangen. Drukt afhankelijkheid uit. (Rom 11:16)

## Wortel Davids (begrip)

- Messiaanse titel van Christus, die zowel oorsprong als nakomeling van David is. (Op 5:5)

## wortel der bitterheid (begrip)

- Toezien dat niet enige wortel der bitterheid opwaarts spruitende beroerte make en velen door deze besmet worden. (Hebr 12:15)

## wortel der wijsheid (begrip)

- Bijbels beeld voor de oorsprong en grondslag van wijsheid, in de wijsheidsliteratuur verbonden met de vreze des Heeren. (Sir 1:20)

## wortelen (begrip)

- De ondergrondse delen van een plant die voor stevigheid en voeding zorgen. In de Bijbel beeld voor blijvende geestelijke vastigheid. (Hos 14:5)

## woudezel (begrip)

- Wilde, niet getemde ezel uit de woestijngebieden. In de Bijbel beeld van vrijheid en onbeheersbaarheid. (Job 39:8)

## woudezelin in haar tijd (uitdrukking)

- Onbeheersbare drift naar afgoden. (Jer 2:24)

## wraak (begrip)

- Vergelding van geleden onrecht. In de Tora overgegeven aan God en aan de wettelijke rechtsgang, niet aan persoonlijke vergelding. (Gen 4:15)
- Het vergelden van kwaad. In de Tora overgegeven aan God ('Mij komt de wraak toe') en aan de wettelijke rechtsgang, niet aan persoonlijke vergelding. (Ex 17:14)
- Gods rechtmatig herstel van het recht door de boze te treffen. — niet menselijke wrok, maar goddelijke gerechtigheid. (Ps 94:1)
- Vergelding van het kwaad; aan God voorbehouden, niet aan de mens. Geoefend door de overheid en in het laatste oordeel. (Rom 12:19)
- Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere — daarom is het verschrikkelijk te vallen in de handen van de levende God. (Hebr 10:30)

## wraakdoening (begrip)

- Goddelijke vergelding die bij Christus' wederkomst plaatsvindt over wie God niet kennen en het evangelie niet gehoorzamen. (2 Th 1:8)

## wraakgierige (begrip)

- Iemand die brandt van wraakzucht. Stelt God de stem van zuigelingen tegenover de wraakgierige vijand — het zwakke verstomt het sterke. (Ps 8:3)

## wraakzucht (begrip)

- Bijbels begrip voor de zondige neiging om persoonlijk wraak te nemen op wie kwaad heeft gedaan. In de bijbel verworpen omdat de wraak God toebehoort. (Sir 28:1)

## wreedheid (begrip)

- Hardvochtige ruwheid. Vaak verbonden met de tirannie van vijanden. (Ps 27:12)

## wreker des Heeren (begrip)

- Aanduiding voor de Heer als rechtvaardige vergelder over wie zijn broeders bedriegt en onrecht aandoet. (1 Th 4:6)

## wremelend (begrip)

- Verouderd voor 'krioelend' of 'wemelend'. Aanduiding voor een grote menigte bewegende wezens, vooral in het water. (Gen 1:21)

## Xanthicus (begrip)

- Macedonische maand in de hellenistische kalender, ongeveer overeenkomend met de joodse maand Nisan (maart-april). (2 Makk 11:30)

## zaad blijft (begrip)

- Een ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet; want Zijn zaad blijft in hem en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is. (1 Joh 3:9)

## zaad van bedrieglijke runderen (uitdrukking)

- Beeld voor Babel. Babels jubel over Israëls val keert tegen haar. (Jer 50:11)

## zaad van Kanaän (begrip)

- Schimpwoord voor afvallige Israëlieten of slechte mensen, alsof zij geestelijk geen kinderen van Israël maar van de heidense Kanaänieten zijn. (Sus 1:56)

## zaaddragend (begrip)

- Voortbrengend van zaad waarmee de plant zich vermenigvuldigt. In het scheppingsverhaal kenmerk van de planten die God op de derde dag schiep. (Gen 1:11)

## zaaien (begrip)

- Het zaad strooien; beeld voor moeite die op vreugde uitloopt. (Ps 126:5)
- Beeld van het werk van uitstrooien dat tot oogst leidt. Toegepast op de mildheid in geven en op de boodschap. (2 Kor 9:6)
- In de aarde uitstrooien van zaad; ook beeld. (Spr 22:8)

## zaaier (begrip)

- Iemand die zaad uitstrooit op de akker, in de oudheid meestal met de hand. In de gelijkenissen beeld van wie het Woord verkondigt. (Matt 13:3)
- Wie het zaad uitstrooit; beeld van wie weldoet en zal maaien. Drukt de wet van zaaien en oogsten uit. (2 Kor 9:6)

## Zaavan (persoon)

- Zoon van Ezer en kleinzoon van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:27)

## Zacharia (persoon)

- Oudtestamentische profeet ten tijde van Darius I (rond 520 v.Chr.). Spoorde samen met Haggai de teruggekeerden aan om de tempelbouw te voltooien. (3 Ezra 6:1)
- In de bijbel naam van verschillende personen, onder wie de oudtestamentische profeet en (in de Makkabese tijd) de vader van een van Judas' bevelhebbers. (1 Makk 5:18)
- Profeet in Juda na de ballingschap, zoon van Berechja en kleinzoon van Iddo. Trad samen met Haggai op vanaf 520 v.Chr.; zijn naam betekent 'JHWH gedenkt'. (Zach 1:1)
- Profeet uit het einde van de zesde eeuw v. Chr., zoon of kleinzoon van Iddo. Tijdgenoot van Haggaï, samen met wie hij de teruggekeerden tot voortzetting van de tempelbouw aanspoorde. (Ezra 5:1)

## Zacharia (zoon van Berechja) (persoon)

- Profeet gedood tussen altaar en tempel; door Jezus genoemd in de wee-roep. (Luk 11:51)

## Zacharia, koning van Israël (persoon)

- Veertiende koning van het noordelijke rijk Israël, zoon van Jerobeam II. Laatste koning uit het huis van Jehu, regeerde slechts zes maanden voordat hij werd vermoord. (2 Kon 15:8)

## Zacharia, profeet (persoon)

- Naam van meerdere profeten in de Schrift, waaronder de zoon van de hogepriester Jojada. Werd om zijn berispend optreden door koning Joas in de voorhof van de tempel gestenigd. (2 Kron 24:20)

## Zacharias (persoon)

- Oudtestamentische profeet (zoon van Berechja) of priester die in de tempel werd gedood. In de evangeliën aangevoerd als het laatste oudtestamentische martelaarsbloed. (Matt 23:35)

## Zacheüs (persoon)

- Tollenaar te Jericho die in de moerbeziënboom klom om Jezus te zien. (Luk 19:2)

## zacht suizen (begrip)

- Beeld voor een stille, zachte vorm van Gods openbaring, in tegenstelling tot machtige natuurverschijnselen. Onderstreept dat God zich niet altijd op overweldigende wijze openbaart. (1 Kon 19:12)

## zachtmoedig (begrip)

- Eigenschap van wie zonder hardheid en agressie omgaat met anderen. In de zaligsprekingen toegezegd dat zachtmoedigen de aarde zullen beërven. (Matt 5:5)
- Mild, geduldig. (Spr 15:4)

## zachtmoedige (begrip)

- Wie zonder hoogmoed en geweld voor God leeft. (Ps 25:9)

## zachtmoedige geest (begrip)

- Innerlijke gesteldheid van zachtmoedigheid en stille gemoed; menselijke geest die door de Heilige Geest gevormd wordt en voor God zeer kostelijk is. Het ware sieraad van christenvrouwen. (zie 'Geest' met hoofdletter voor de Heilige Geest) (1 Petr 3:4)

## zachtmoedigen (begrip)

- Stille, deemoedige mensen die op God wachten. (Ps 37:11)

## zachtmoedigheid (begrip)

- Zachte, ootmoedige gezindheid — het tegendeel van hoogmoed. JAHWEH leidt en verhoogt de zachtmoedigen; zij zullen het aardrijk beërven. (Ps 25:9)
- Zachte, ootmoedige gezindheid naar het voorbeeld van Christus. Vrucht van de Geest. (2 Kor 10:1)
- Mildheid van geest; vrucht van wijsheid. (Spr 25:15)

## Zadok (persoon)

- Aäronitische priester in dienst van koning David, samen met Abjathar belast met het hogepriesterschap. Stamvader van het hogepriesterlijk geslacht dat tot in de tijd van de Maccabeeën in functie bleef. (2Sam 8:17)

## Zafnath Paaneah (overig)

- De Egyptische naam die farao aan Jozef gaf bij zijn aanstelling tot onderkoning. De precieze betekenis is omstreden, mogelijk 'verklaarder van geheimen'. (Gen 41:45)

## Zain (liturgie)

- Liturgische aanduiding bij de psalmen. (Ps 25:7)

## zak (begrip)

- Grof rouwkleed van geitenharen, om de lendenen gedragen in tijden van rouw, boete en verootmoediging. (Jdt 4:9)

## zak van smeking (begrip)

- Rouwkleed van grove geitenharen, gedragen in tijden van rouw, boete en smeking voor God. (Bar 4:20)

## zalen voor priesterspijs (uitdrukking)

- Bijzondere kamers in de tempel waar de priesters de heiligste offers gebruikten. Onderdeel van de tempelinrichting. (Ez 42:13)

## zalf en zeep (begrip)

- Verzorgingsmiddelen bij het bad. Zalf was geparfumeerde olie, 'zeep' een loog uit plantaardige as. (Sus 1:17)

## zalfolie (cultisch)

- Heilige met specerijen bereide olijfolie waarmee priesters, koningen en de tabernakel met haar gerei werden gezalfd ter heiliging. (Lev 8:10)

## Zalig (begrip)

- Aanduiding voor gelukkig of bevoorrecht in een blijvend, geestelijk opzicht. Vaste opening van de zaligsprekingen in de bergrede. (Matt 1:21)

## zalig wie God vreest (begrip)

- Bijbelse uitspraak (zaligspreking) waarin wie God vreest en zijn geboden onderhoudt, gezegend wordt verklaard. (Sir 34:14)

## zalige God (begrip)

- God in Zijn volkomen welbehagen. (1 Tim 1:11)

## zalige hoop (begrip)

- Aanduiding voor de gelukzalige verwachting van de wederkomst van Christus en het daarmee verbonden eeuwige heil. (Tit 2:13)

## zaligheid (begrip)

- Behoudenis, het door God geschonken heil dat redding van zonde, dood en duivel inhoudt en uitloopt op het eeuwige leven. (Ps 3:9)

## zaligmakende genade (begrip)

- Aanduiding voor Gods reddende genade in Christus, die aan alle mensen verschenen is en het heil aanbiedt. (Tit 2:11)

## Zaligmaker (persoon)

- Engelboodschap aan de herders. (Luk 1:47)
- Redder, Heiland. De Samaritanen noemden Jezus nadat zij Hem zelf hadden gehoord. (Joh 4:42)
- God en Christus Jezus worden beiden genoemd. (1 Tim 1:1)
- Heiland of Redder; titel die in het Nieuwe Testament zowel aan God als aan Christus wordt toegekend. (Tit 1:3)
- Christus en/of de drie-enige God. (Jud 1:25)

## Zaligmaker aller mensen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (1 Tim 4:10)

## Zaligmaker der wereld (begrip)

- De titel die de Samaritanen aan Jezus gaven na zijn verblijf in hun stad. (Joh 4:42)
- Wij hebben aanschouwd en getuigen dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld. (1 Joh 4:14)

## zaligmaking (begrip)

- Het reddend handelen van God waardoor mensen worden behouden uit nood, oordeel en zonde. Centrale heilsbelofte van zowel Oud als Nieuw Testament. (Mi 7:20)

## zaligspreking (begrip)

- Bijbelse uitspraak in de vorm 'zalig is wie...', waarbij iemand wordt geprezen vanwege een bepaalde geestelijke gesteldheid of omstandigheid. (Sir 50:28)

## zaligsprekingen (begrip)

- Reeks gelukzaligprijzingen waarmee Jezus de bergrede opent. Schetsen het karakter en de toezeggingen aan wie het Koninkrijk binnengaan. (Matt 1:21)

## Zalmuna (persoon)

- Een van de Midianitische vorsten ten tijde van Gideons strijd. Werd samen met zijn medevorst Zeba door Gideon achtervolgd en gedood. (Ri 8:5)

## zalving (begrip)

- De rite waarin iemand met heilige olie wordt gewijd. (Ps 89:21)
- Het ingieten of uitstrijken van olie op iemand of iets als wijding tot een ambt of als eerbetoon. In de Bijbel verbonden met koningen, priesters en profeten. (Matt 26:7)

## zalving leert (begrip)

- De zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet van node dat iemand u lere, maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij waarachtig. (1 Joh 2:27)

## zand (begrip)

- Los aardmateriaal langs zee of rivier. In de bergrede beeld van een ondeugdelijk fundament voor het leven, tegenover de rots. (Matt 7:26)

## zandkorrel (begrip)

- Bijbels beeld voor wat ontelbaar of zeer klein is. Spreekwoordelijk voor het talrijke nageslacht van Abraham (Genesis 22:17). (Sir 18:10)

## Zaphnath-Paäneah (begrip)

- De Egyptische naam die farao aan Jozef gaf bij zijn aanstelling tot onderkoning. De precieze betekenis is omstreden. (Gen 41:45)

## Zarefath (plaats)

- Andere spelling van Sarefath, Fenicische kuststad tussen Tyrus en Sidon. Zie aldaar. (1 Kon 17:9)

## Zarfath (plaats)

- Foenicische kuststad tussen Tyrus en Sidon, het huidige Sarafand in Libanon. Bekend uit de geschiedenis van Elia en de weduwe. (Ob 1:20)

## Zarthan (plaats)

- Plaats in de Jordaanvallei nabij de stad Adam, ten noorden van Jericho. Genoemd in verband met de wonderlijke doortocht van Israël door de Jordaan. (Joz 3:16)
- Plaats in de Jordaanvallei nabij Sukkoth, bekend om haar leemgrond. Werd in de tijd van Salomo gebruikt als gietplaats voor de bronzen voorwerpen van de tempel. (1 Kon 7:46)

## Zaävan (persoon)

- Zoon van Ezer en kleinzoon van Seïr de Horiet, in de geslachtsregisters van Edom genoemd. (Gen 36:27)

## Zebadja (persoon)

- Naam van meerdere personen in de Schrift, waaronder een hofbeambte aan het hof van koning Josafat van Juda. Belast met de leiding van de koninklijke rechtsbedeling. (2 Kron 19:11)

## Zebedeüs (persoon)

- Visser uit Galilea, vader van de apostelen Jakobus en Johannes en echtgenoot van Salome. Werkzaam aan het meer van Galilea. (Matt 4:21)

## Zeboim (plaats)

- Een van de vijf steden in het Jordaan-vlakteland aan de zuidpunt van de Dode Zee. Samen met Sodom door God verwoest. (Gen 14:2)

## Zebul (persoon)

- Stadhouder van Abimelech in Sichem, vertegenwoordiger van diens koninklijk gezag. Onderdrukte de opstand van Gaäl tegen Abimelech. (Ri 9:28)

## Zebulon (persoon)

- Tiende zoon van Jakob (bij Lea) en de stam die uit hem voortkwam. Naam betekent 'woning' of 'inwoning'. (Gen 30:20)
- Tiende zoon van Jakob (bij Lea) en de stam die uit hem voortkwam. Erfde een gebied in het noorden van Israël, deels grenzend aan de Middellandse Zee. (Dt 33:18)
- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Zebulon, de zoon van Jakob en Lea. Het stamgebied lag in het noorden, in en rondom de Jizreëlvlakte. (Joz 19:10)
- Zesde zoon van Jakob bij Lea, naamgever van de gelijknamige Israëlitische stam wier gebied in het zuiden van Galilea lag. (Matt 4:13)

## Zebulun (begrip)

- Een van de twaalf stammen van Israël, afstammend van Zebulon, de zoon van Jakob en Lea. Het stamgebied lag in het noorden, in en rondom de Jizreëlvlakte. (1 Kron 12:33)

## Zedekia (persoon)

- Laatste koning van Juda (regeerde 597-586 v.Chr.). Onder zijn bewind werd Jeruzalem door Nebukadnezar verwoest en het volk in ballingschap weggevoerd. (Bar 1:8)
- Twintigste en laatste koning van Juda, oom van Jojachin en oorspronkelijk Mattanja geheten. Werd door Nebukadnezar tot vazalkoning aangesteld en zijn opstand tegen Babel leidde tot de val van Jeruzalem. (2 Kron 36:11)
- Laatste koning van Juda (597-586 v.Chr.), door Nebukadnezar op de troon gezet. Onder zijn regering werd Jeruzalem verwoest. (Jer 21:1)
- Laatste koning van Juda (597-586 v.Chr.), aangesteld door Nebukadnezar. Brak na enkele jaren met Babel, wat tot de val van Jeruzalem leidde. (Ez 17:13)

## Zedekia in Ribla (uitdrukking)

- Plaats in Syrië waar Nebukadnezar Zedekia veroordeelde: zijn zonen werden voor zijn ogen gedood, dan zijn ogen uitgestoken, en hij in koperen ketenen naar Babel gevoerd. (Jer 39:5)

## Zedekia, koning van Juda (persoon)

- Twintigste en laatste koning van Juda, oom van Jojachin en oorspronkelijk Mattanja geheten. Werd door Nebukadnezar tot vazalkoning aangesteld en zijn opstand tegen Babel leidde tot de val van Jeruzalem. (2 Kon 24:17)

## Zedekia, zoon van Kenaäna (persoon)

- Een van de hofprofeten ten tijde van koning Achab van Israël. Hoofd van de groep valse profeten die de koning naar de mond spraken bij de tocht tegen Ramoth-Gilead. (1 Kon 22:11)

## zee als bloed (begrip)

- De tweede schaalplaag: de zee werd bloed als van een dode, en alle levende ziel in de zee stierf. (Op 16:3)

## zee als troon (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor de hoogmoed van een vorst die zich god in zijn zeestad waant. Onderdeel van de profetische ontmaskering van trots. (Ez 28:2)

## zee als zalfpot (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor het door Leviathan bewogen zeewater dat als ziedende vloeistof bruist. Onderdeel van de poëtische beschrijving in de godsrede. (Job 41:31)

## zee met deuren besloten (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor Gods grenzen aan de zee, waardoor zij niet over haar oevers gaat. Onderdeel van de scheppingsliteratuur over Gods orde. (Job 38:8)

## zee van Galilea (plaats)

- Een groot meer in het noorden van Israël, ook de Zee van Tiberias genoemd. Jezus liep over dit meer, vermenigvuldigde er brood en vissen, en verscheen er na Zijn opstanding aan de discipelen. (Joh 6:1)

## zee, koperen (begrip)

- Groot rond bekken van brons in de voorhof van de tempel te Jeruzalem. Diende voor de wassingen van de priesters en rustte op twaalf bronzen runderen. (1 Kon 7:23)

## Zefanja (persoon)

- Profeet uit de tweede helft van de 7e eeuw v.Chr., wiens naam 'de HEERE heeft verborgen' betekent. Trad op onder koning Josia van Juda. (Zef 1:1)

## Zefo (persoon)

- Zoon van Elifaz en kleinzoon van Esau. Stamvorst van een Edomitische clan. (Gen 36:11)

## zegel (begrip)

- Teken van eigendom en bescherming; in de Openbaring de zeven zegelen van het boek der toekomst. (Openb 6:3)
- Stempel of gegraveerde steen waarmee documenten werden bekrachtigd of voorwerpen verzegeld. Teken van eigendom en bekrachtiging. (Zach 3:9)

## zegel des HEEREN (begrip)

- Beeld voor de heiligheid en het onaantastbare karakter van wat aan JAHWEH gewijd is. Drukt Gods aanspraak op zijn eigendom en zijn dienaars uit. (1 Kron 22:8)

## zegel op het voorhoofd (begrip)

- Het teken Gods op het voorhoofd van zijn dienstknechten — bescherming tegen de plagen. (Op 7:3)

## zegelbewaarder (begrip)

- Hoge hofambt aan oosterse en hellenistische hoven. De zegelbewaarder bewaarde de koninklijke zegelring waarmee bevelen werden bekrachtigd. (Tob 1:25)

## zegelen (begrip)

- Het verzegelen van een document of deur met een zegel of zegelring, om vervalsing of indringen te voorkomen. (BelDra 1:11)

## zegelmateriaal (begrip)

- De Heilige Geest als pand. (Ef 1:14)

## zegelring (begrip)

- Vingerring met daarin een gegraveerde zegel waarmee een persoonlijk merk in klei of was werd gestempeld. Onmisbaar voor het waarmerken van documenten en eigendomsstukken. (Gen 41:42)
- Ring met een gegraveerd zegel waarmee documenten werden bekrachtigd, teken van koninklijk gezag en vertegenwoordiging. Profetisch beeld van uitverkiezing en macht. (Hag 2:23)
- Vingerring met een ingegraveerd zegelteken, gebruikt om documenten te bekrachtigen door een afdruk in was of klei. Symbool van koninklijke macht en delegatie van gezag. (Esth 3:10)

## zegelring afgerukt (uitdrukking)

- Onomkeerbaar oordeel over Jojachin. (Jer 22:24)

## zegelstempel (overig)

- Persoonlijk stempel waarmee documenten of eigendomsstukken werden gewaarmerkt. Vaak in een ring gevat of aan een snoer om de hals gedragen. (Gen 38:18)

## zegen (begrip)

- Door God geschonken gunst en welbevinden, vaak uitgedrukt in vruchtbaarheid van land en vee, vrede en overwinning op vijanden. Tegenhanger van de vloek. (Gen 1:22)
- Door God geschonken gunst en welbevinden, vaak uitgedrukt in vruchtbaarheid van land en vee, vrede en overwinning op vijanden. Op de berg Gerizim plechtig afgekondigd. (Dt 28:2)
- Goddelijke gunst en kracht ten leven, gegeven door God of namens God uitgesproken. Omvat heil, voorspoed, vrede en gemeenschap met God. (Ps 3:9)
- Door God geschonken weldaad of het uitspreken daarvan. Tegenovergesteld aan de vloek. (2 Kor 13:13)
- Bijbels begrip voor Gods gunst die welzijn, vrede en vruchtbaarheid schenkt. Wordt door God of door zijn dienaren over mensen uitgesproken. (1 Makk 2:69)

## zegen Aärons (cultisch)

- De plechtige driedelige zegenformule waarmee de priester het volk Israël zegende: 'De Heere zegene u en behoede u...' Bekend als de hogepriesterlijke zegen. (Lev 9:22)

## zegen des vaders (begrip)

- Bijbels begrip voor de zegen die de vader op zijn sterfbed of bij belangrijke gelegenheden over zijn kinderen uitspreekt en die volgens oude opvatting werkelijke kracht had. (Sir 3:9)

## zegen en vloek (theologisch)

- De tegenstellende verbondssancties: zegen op gehoorzaamheid en vloek op ongehoorzaamheid. Centraal in de afsluiting van Gods wet. (Lev 26:14)

## zegen God en sterf (uitdrukking)

- Bijbelse eufemistische uitdrukking waarin 'zegenen' bedoeld is als 'vervloeken'. Voorkomt blasfemie in directe formulering. (Job 2:9)

## zegenen (begrip)

- Goeds toewensen of toekennen, vooral van Gods kant aan mensen of in de mond van een vader aan zijn kinderen. Vaak begeleid door handoplegging of profetische woorden. (Gen 1:22)
- God schenkt heil en goedertierenheid. (Ps 5:13)
- Vergeldt geen kwaad voor kwaad, maar zegent — wij zijn geroepen om de zegen te beërven. (1 Petr 3:9)
- Gunst toebrengen; door volken gezegend wordt wie koren wegdoet voor schaarste. (Spr 11:26)

## zegenspreuken (begrip)

- Plechtige profetische woorden waarmee een vader zijn kinderen zegende. Bekend voorbeeld is Jakobs zegen over zijn twaalf zonen aan het einde van zijn leven. (Gen 49:1)

## Zelafead (persoon)

- Man uit de stam Manasse die geen zonen naliet. Zijn vijf dochters vroegen erfdeel en kregen dat, wat aanleiding gaf tot de erfrechtwet voor dochters. (Num 27:1)
- Man uit de stam Manasse die alleen dochters had en geen zonen. Op grond van een door Mozes uitgevaardigde wet kregen zijn vijf dochters het recht op zijn erfdeel. (Joz 17:3)

## zelfbeheersing (begrip)

- Christelijke deugd waardoor men zijn driften, hartstochten en begeerten in toom houdt. (Tit 1:8)

## zelfde dag van Jeruzalemval (uitdrukking)

- Profetische datering die exact samenvalt met de aanvang van de belegering van Jeruzalem in 588 v.Chr. Onderdeel van de chronologische gegevens. (Ez 24:2)

## zelfliefde (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de onderlinge liefde in de gemeente. (2 Tim 3:2)

## zelfonderzoek (begrip)

- Het onderzoeken van het eigen hart, in het bijzonder voor het avondmaal. Tot zelfkennis en vernieuwing. (2 Kor 13:5)

## Zemaritisch (volk)

- Een van de Kanaänitische volken, afstammelingen van Kanaän. Bewoners van de stad Sumur in het noorden van Fenicië. (Gen 10:18)

## Zenas (persoon)

- Vroegchristelijke wetgeleerde, in de pastorale brieven genoemd als reisgenoot van Apollos. (Tit 3:13)

## zenden (begrip)

- Bijbels begrip voor het uitzenden van een bode of van Gods Geest. In het bijzonder het zenden van wijsheid of de Geest van boven. (Wijsh 9:10)

## zenden van porties (begrip)

- Joods feestelijk gebruik bij Purim, waarbij de gelovigen elkaar voedselgaven sturen. Symboliseert de gemeenschap van het volk en de vreugde over de verlossing. (Esth 9:22)

## zending (begrip)

- Het door Christus uitzenden van zijn leerlingen om het evangelie te verkondigen aan alle volken en mensen tot leerlingen te maken. (Matt 28:19)

## zendingsbevel (begrip)

- Opdracht van de opgestane Christus aan zijn leerlingen om het evangelie aan alle volken te verkondigen en hen te dopen. (Mark 16:15)

## Zerah (persoon)

- Naam van twee Genesis-personen: een zoon van Juda bij Tamar (tweelingbroer van Perez) en een zoon van Rehuël uit Esaus lijn. (Gen 38:30)
- Cuschitische (Ethiopische of Soedanese) veldheer die in de tiende eeuw v. Chr. een grootscheepse aanval op Juda ondernam. Werd door koning Asa met goddelijke hulp verslagen. (2 Kron 14:9)

## Zeresj (persoon)

- Vrouw van de hoge Perzische ambtenaar Haman. Bekend om haar adviezen aan haar man en haar uiteindelijke voorzegging van zijn val. (Esth 5:14)

## Zerua (persoon)

- Vrouw uit Sereda in het bergland van Efraïm, weduwe en moeder van de latere koning Jerobeam. Verder is over haar weinig bekend. (1 Kon 11:26)

## Zerubabel (persoon)

- Joods leider uit het huis van David, kleinzoon van koning Jojachin. Bracht omstreeks 538 v.Chr. de eerste terugkeerders naar Jeruzalem en begon de tempelbouw. (3 Ezra 4:13)

## Zerubbabel (persoon)

- Davidische leider die na de ballingschap rond 538 v.Chr. de eerste groep ballingen terugbracht naar Jeruzalem en de herbouw van de tempel begon. (Matt 1:12)
- Joods leider uit het huis van David, kleinzoon van koning Jojachin. Bracht omstreeks 538 v.Chr. de eerste terugkeerders naar Jeruzalem en begon de tempelbouw. (Sir 49:11)
- Davidische landvoogd van Juda na de terugkeer uit ballingschap, kleinzoon van koning Jojachin. Leidde samen met Jozua de herbouw van de tempel. (Hag 1:1)
- Joodse leider uit het Davidische koningshuis, kleinzoon van koning Jojachin. Stond als landvoogd aan het hoofd van de eerste terugkeer uit de Babylonische ballingschap en leidde de bouw van de tweede tempel. (Ezra 2:2)

## Zeruja (persoon)

- Zus van koning David en moeder van Joab, Abisai en Asaël. Haar zonen worden in de Schrift gewoonlijk naar haar genoemd in plaats van naar hun vader. (2Sam 2:13)

## zes deel van een hin (uitdrukking)

- Inhoudsmaat van ongeveer 0,6 liter water, in profetische tekenhandelingen gebruikt om hongerrantsoenering uit te beelden. Onderdeel van symboolperformance. (Ez 4:11)

## zes mannen met verbrijzelend wapen (uitdrukking)

- Profetisch beeld in een visioen van Ezechiël van zes engelen of werktuigen van Gods oordeel. Vergezeld door een zevende met schrijftuig. (Ez 9:2)

## zes watervaten (voorwerp)

- De zes stenen vaten te Kana voor de reiniging der Joden waarin Jezus water in wijn veranderde. (Joh 2:6)

## zes-ellen meetrietje (uitdrukking)

- Profetisch meetinstrument van zes lange ellen, ongeveer 3,2 meter, gebruikt in het tempelvisioen. Standaardmaat voor het hele bouwwerk. (Ez 40:5)

## zes-honderd mannen (begrip)

- Aantal waartoe Davids strijdmacht in zijn ballingstijd geleidelijk groeide. Volgde hem tijdens zijn omzwervingen door het bergland en het Filistijnse gebied. (1Sam 23:13)

## zes-mensafstand visioen (uitdrukking)

- Profetisch visioen dat aanvangt met het neerkomen van Gods hand op de profeet. Onderdeel van de profetische ervaringen. (Ez 8:1)

## zesde uur (begrip)

- In joodse tijdrekening het zesde uur na zonsopgang, omstreeks twaalf uur 's middags. (Mark 15:33)

## zesde zegel (begrip)

- Bij het zesde zegel werd de zon zwart als een haren zak en de maan als bloed — kosmische tekenen. (Op 6:12)

## zeug in slijk (begrip)

- Een gewassen zeug keert weder tot wenteling in het slijk — beeld van wie na uiterlijke reiniging tot zonde terugkeert. (2 Petr 2:22)

## zeven bazuinen (voorwerp)

- De zeven bazuinen die door zeven engelen worden geblazen, elk met een nieuwe oordeelsplaag. (Op 8:6)

## zeven broers (begrip)

- In het apocriefe 2 Makkabeeën 7 zeven joodse broers die met hun moeder de marteldood ondergingen omdat zij weigerden varkensvlees te eten. Klassiek voorbeeld van het joodse martelaarschap. (2 Makk 7:1)

## zeven dagen en zeven nachten (uitdrukking)

- Bijbelse tijdsaanduiding die volkomenheid uitdrukt en in het oude Nabije Oosten ook de duur van een rouwperiode aanduidde. Tijd van inkeer en bezinning. (Job 2:13)

## zeven dagen verbijsterd (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor een week van diepe innerlijke beroering na een ontmoeting met God. Klassieke periode van rouw of bezinning. (Ez 3:15)

## zeven dagen verstomd (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor een week van diepe innerlijke beroering, waarin men niet spreken kan. Onderdeel van het profetisch ervaringsproces. (Ez 3:15)

## zeven donderslagen (begrip)

- De zeven donderslagen die hun stemmen lieten horen, maar Johannes mocht niet schrijven wat zij zeiden. (Op 10:3)

## zeven engelen (begrip)

- In joodse en vroegchristelijke traditie de zeven aartsengelen die voor Gods aangezicht staan en de gebeden van de heiligen voor hem brengen. (Tob 12:15)

## zeven gaven (begrip)

- Bijbelse en kerkelijke aanduiding voor de zeven gaven van de heilige Geest, ontleend aan Jesaja 11:2. (Wijsh 7:22)

## zeven Geesten Gods (theologisch)

- De zeven Geesten Gods die voor de troon branden als zeven vurige lampen — beeld van de volheid van de Heilige Geest in Zijn zevenvoudige werking. (Op 4:5)

## zeven gemeenten (begrip)

- De zeven gemeenten in Asia waaraan Johannes brieven schreef: Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardis, Filadelfia, Laodicea. (Op 1:4)

## zeven jaar wapenen branden (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor de overvloed aan buit na een grote overwinning, vergeleken met brandhout dat lang voorraad geeft. Onderdeel van de profetische beeldspraak. (Ez 39:9)

## zeven kandelaren (voorwerp)

- De zeven gouden kandelaren waartussen de Zoon des mensen wandelt — beeld van de zeven gemeenten. (Op 1:12)

## zeven laatste plagen (begrip)

- De zeven laatste plagen waarin de toorn Gods voleindigd is — de zeven schaalplagen. (Op 15:1)

## zeven maanden begraven (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking voor een lange periode van reiniging van het land na een grote slachting. Onderdeel van de eschatologische profetie. (Ez 39:12)

## zeven manden (voorwerp)

- De overgebleven brokken na de wonderbare spijziging van vierduizend, in onderscheid met de twaalf manden bij de eerdere spijziging. (Matt 15:37)

## zeven pilaren (begrip)

- Symbool van volkomenheid; Wijsheid heeft haar huis op zeven pilaren gebouwd. (Spr 9:1)

## zeven Saulieten opgehangen (begrip)

- Voorval waarin zeven nakomelingen van koning Saul aan de Gibeonieten werden uitgeleverd ter zoen van zijn bloedschuld. Vorm van plechtige genoegdoening voor een verbroken verbond. (2Sam 21:6)

## zeven schalen (voorwerp)

- De zeven gouden schalen vol van de toorn Gods, die op de aarde worden uitgegoten. (Op 16:1)

## zeven sterren (voorwerp)

- De zeven sterren in de rechterhand van de Zoon des mensen — de engelen der zeven gemeenten. (Op 1:16)

## zeven trappen (uitdrukking)

- Trappenverzameling van zeven treden naar de poorten van het tempelvoorhof. Symbool van geleidelijke heiligheid bij het naderen tot Gods aanwezigheid. (Ez 40:22)

## zeven varren en zeven rammen (uitdrukking)

- Bijbelse offergrootheid die overvloed en volledigheid uitdrukt. Onderdeel van het zoenoffer dat aan Job in de epiloog wordt opgedragen. (Job 42:8)

## zeven zegels (begrip)

- De zeven zegels van het boek; bij elk zegel begint een nieuwe gebeurtenis in de eindtijd. (Op 6:1)

## zeven zonen en drie dochters (begrip)

- In de Bijbel een veel voorkomende combinatie van getallen die volledigheid en harmonie uitdrukt. Vooral kenmerkend voor Job, voor en na zijn beproeving. (Job 1:2)

## zevende jaar (wet)

- Het sabbatsjaar, waarin het land moest braak liggen. De opbrengst die vanzelf opkwam was voor armen en wilde dieren. (Lev 25:4)

## zevende-maand-vasten (uitdrukking)

- De moord op Gedalja wordt nog altijd door joden herdacht op de derde van Tisri — 'tsom Gedaljah'. (Jer 41:2)

## zevenduizend (begrip)

- Het overblijfsel van godvrezenden in Israël ten tijde van Achab, dat zich niet aan de Baälsdienst had overgegeven. Vormt een leerstuk over Gods bewaring van zijn gemeente in tijden van afval. (1 Kon 19:18)

## zevenduizend schapen (uitdrukking)

- Aanduiding voor een zeer grote schaapskudde, in de Bijbel teken van uitzonderlijke welvaart bij een nomadische of half-nomadische landheer. (Job 1:3)

## zeventien sikkelen zilvers (uitdrukking)

- De koopsom voor de akker van Hanameël. Bewust opgenomen detail om de juridische geldigheid te benadrukken in een tijd dat alles op verval stond. (Jer 32:9)

## zeventienjarige Esther (begrip)

- Aanduiding voor de jonge leeftijd van Esther toen zij koningin werd, mogelijk ergens in haar tienerjaren. Onderstreept de bijzondere weg waarlangs Gods voorzienigheid haar tot redster van haar volk maakte. (Esth 2:16)

## zeventig jaar (begrip)

- Tijdsperiode die door Jeremia werd voorzegd als duur van de Babylonische ballingschap. Werd in de Schrift verbonden met het inhalen van de niet gehouden sabbatjaren van het land. (2 Kron 36:21)

## zeventig jaar ballingschap (uitdrukking)

- En. Daniël berekende hieruit het einde van de ballingschap. (Jer 25:11)

## zeventig pelgrims gedood (uitdrukking)

- Ismaël lokt zeventig pelgrims uit Sichem, Silo en Samaria die naar het verwoeste tempelterrein wilden, doodt hen en werpt ze in een put. (Jer 41:7)

## Zeëb (persoon)

- Een van de Midianitische vorsten ten tijde van Gideons strijd. Werd na de slag gedood en de plaats van zijn dood (de wijnpers Zeëb) werd naar hem genoemd. (Ri 7:25)

## Zibeon (persoon)

- Heviet, vader van Ana en grootvader van Aholibama, een van Esaus vrouwen. (Gen 36:20)

## zichzelf weiden (begrip)

- Zij zichzelf weidende — herders die de kudde verzorgen voor eigen voordeel, niet voor de schapen. (Jud 1:12)

## Zie het Lam (begrip)

- Johannes de Doper wees zijn discipelen op Jezus. (Joh 1:36)

## ziedende pot (uitdrukking)

- Tweede visioen van Jeremia: een ziedende pot, het aangezicht van het noorden tegemoet — beeld van het kwaad dat uit het noorden over alle inwoners van het land zou komen. (Jer 1:13)

## ziekenzalving (begrip)

- De ouderlingen zalven de zieken met olie in de Naam des Heeren, en het gebed des geloofs zal de zieke behouden. (Jak 5:14)

## ziekte (begrip)

- Lichamelijke kwaal waarin God soms tucht en soms beproeving zendt. (Ps 41:4)
- Lichamelijke kwaal of aandoening. In de bijbel zowel onderdeel van het gevallen mensenbestaan als soms straf van God of beproeving. (Sir 38:9)

## ziel (begrip)

- Het levensbeginsel van de mens, ook aanduiding voor het hele innerlijke leven. Mens en dier worden 'levende ziel' genoemd door de levensadem die God geeft. (Gen 2:7)
- Het levensbeginsel van de mens, ook aanduiding voor het hele innerlijke leven. 'Met uw ganse ziel' duidt op volledige toewijding aan God. (Dt 6:5)
- Hebr. נֶפֶשׁ (nefesj) — de mens als levend, ademend wezen, of zijn innerlijk leven. Niet zozeer een afzonderlijk deel als wel de mens zelf in zijn bezieldheid. (Ps 6:4)
- Bijbelse aanduiding voor het levende, persoonlijke wezen van de mens, soms onderscheiden van het lichaam en bestemd voor eeuwig leven of dood. (Matt 2:20)
- De levensadem en geestelijke zijde van de mens. Door God geschapen en aan Hem verantwoordelijk. (1 Kor 15:45)
- Geestelijke en innerlijke kant van de mens; in het Nieuwe Testament soms ook de gehele persoon of het leven aanduidend. (3 Joh 1:2)

## ziel binden (begrip)

- Idiomatische uitdrukking voor diepe innerlijke verbondenheid en vriendschap tussen twee personen. Drukt een liefde uit die verder gaat dan louter sympathie of bondgenootschap. (1Sam 18:1)

## ziel en lichaam (begrip)

- Drievoudige aanduiding van geest, ziel en lichaam waarin de mens als gehele persoon naar al zijn aspecten wordt aangeduid. (1 Th 5:23)

## ziel kwellen (begrip)

- De rechtvaardige Lot, onder hen wonende, kwelde dag op dag zijn rechtvaardige ziel door het zien en horen van hun ongerechtige werken. (2 Petr 2:8)

## ziel voorspoedig (begrip)

- Geestelijke welstand; in apostolische heilwensen de norm waaraan ook lichamelijk welzijn wordt afgemeten. (3 Joh 1:2)

## zielen (begrip)

- Het innerlijke, bezielende beginsel van de mens. In de bijbel zowel het levenscentrum als de mens zelf als levend wezen. (Wijsh 3:1)

## zielen onder het altaar (begrip)

- Bij het vijfde zegel: de zielen der gedoden om het Woord Gods, die roepen om wraak. (Op 6:9)

## ziener (begrip)

- Oudere benaming voor een profeet, met de nadruk op het ontvangen van visioenen of openbaringen. Werd in de loop der tijd geleidelijk vervangen door de term 'profeet'. (1Sam 9:9)

## ziet toe op uzelf (begrip)

- Pastorale waarschuwing tot waakzaamheid over het eigen geloofsleven, met het oog op volharding tot het einde. (2 Joh 1:8)

## Zif (plaats)

- Stad en aangrenzend woestijngebied in het bergland van Juda. Bekend als schuilplaats van David tijdens zijn vlucht voor Saul. (1Sam 23:14)
- Oudere naam voor de tweede maand van het Joodse jaar, ongeveer overeenkomend met april-mei. Voorjaarsmaand waarin onder andere de bouw van de tempel van Salomo werd begonnen. (1 Kon 6:1)

## Zifjon (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Gad en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Gad. (Gen 46:16)

## ziften (begrip)

- Het scheiden van koren en kaf door middel van een zeef. Profetisch beeld voor Gods scheidend oordeel waarbij Hij goeden van slechten onderscheidt. (Am 9:9)

## zij brassen zonder vrees (begrip)

- De afvalligen brassen onder u zonder vrees, zichzelf weidende — geen ontzag voor God of het heilige avondmaal/liefdemaal. (Jud 1:12)

## zij zullen weten dat Ik de HEERE ben (uitdrukking)

- Refrein in Ezechiël waarmee zowel oordeel als heil eindigt. Drukt uit dat Gods handelen gericht is op de erkenning van zijn naam. (Ez 6:7)

## Ziklag (plaats)

- Stad in het zuidelijke deel van het Filistijnse gebied, op de grens met Juda. Werd door de Filistijnse koning Achis aan David geschonken en diende als hoofdkwartier in zijn ballingstijd. (1Sam 27:6)

## Zilla (persoon)

- Tweede vrouw van Lamech in de lijn van Kaïn. Moeder van Tubal-Kaïn en Naema. (Gen 4:19)

## Zilpa (persoon)

- Dienstmaagd van Lea, die zij aan Jakob als bijvrouw gaf. Moeder van Gad en Aser, twee van de twaalf stamhoofden van Israël. (Gen 29:24)

## zilte plaats (uitdrukking)

- Beeld van de mens die op vlees vertrouwt. (Jer 17:6)

## zilte spijs (uitdrukking)

- Bijbelse beeldspraak voor smaakloos voedsel of voor wat geen werkelijke voeding biedt. Onderdeel van de klaagtaal in wijsheidsliteratuur. (Job 6:6)

## zilver in de straten (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor de waardeloosheid van rijkdom op de dag van Gods oordeel. Onderdeel van de oordeelstaal. (Ez 7:19)

## zilveren bazuin (voorwerp)

- Trompet van zilver die door de priesters werd geblazen om het volk te verzamelen, voor het opbreken en bij feesten en oorlog. (Ex 19:13)

## zilveren penning (uitdrukking)

- Geldstuk in de oudheid met zilverwaarde, ook gebruikt als geschenk bij feestelijke gelegenheden. Onderdeel van de epiloog van het boek Job. (Job 42:11)

## zilveren spoor (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor het glanzende kielzog dat een groot zeedier achter zich laat. Onderdeel van de poëtische beschrijving van Leviathan. (Job 41:32)

## zilversmid (begrip)

- Demetrius en zijn zilversmeden te Efeze die zilveren tempels van Diana maakten en oproer aanstookten. (Hand 19:24)

## zilverstukken dertig (begrip)

- Som van geld die in het oude Israël gold als de prijs van een slaaf. In het Nieuwe Testament aangehaald als de prijs waarvoor Judas Christus verried. (Zach 11:12)

## zilveruitgang en goudader (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor het delven van edelmetalen door menselijk vernuft. Wordt in de wijsheidsliteratuur tegenover de zoektocht naar wijsheid gesteld. (Job 28:1)

## Zimran (persoon)

- Eerstgeboren zoon van Abraham bij Ketura. Stamvader van een Arabische stam. (Gen 25:2)

## Zimri (persoon)

- Israëlitische vorst uit Simeon die openlijk een Midianitische vrouw zijn tent binnenbracht tijdens een plaag. Door Pinehas met een spies doorstoken. (Num 25:14)
- Vijfde koning van het noordelijke rijk Israël, voormalig bevelhebber van een deel van de strijdwagens van Ela. Regeerde slechts zeven dagen alvorens hij in zijn brandende paleis omkwam. (1 Kon 16:9)

## Zin (plaats)

- Woestijn ten zuiden van Kanaän, langs de zuidgrens van het beloofde land. Plek waar Mirjam stierf en waar Mozes de rots sloeg. (Dt 32:51)
- Verstand of gezindheid van het hart. Door de Geest vernieuwd tot kennis en wil van God. (1 Kor 2:16)

## Zin (woestijn) (plaats)

- Woestijn ten zuiden van Kanaän, langs de zuidgrens van het beloofde land. Plek waar Mirjam stierf en waar Mozes de rots sloeg. (Ex 16:1)

## zingen (begrip)

- Met de stem God prijzen. (Ps 30:5)

## zinkend zilver (begrip)

- Beeld voor rijkdom die op de dag van Gods oordeel geen redding biedt. Profetische ontmaskering van het vertrouwen op materieel bezit. (Zef 1:18)

## Zion (plaats)

- Naam voor de zuidoostelijke heuvel in Jeruzalem, oorspronkelijk de Jebusitische vesting. In de psalmen ook bredere aanduiding voor heel Jeruzalem als plaats van Gods aanwezigheid. (2Sam 5:7)

## Zippora (persoon)

- Dochter van Jethro en vrouw van Mozes. Moeder van zijn zonen Gersom en Eliëzer; besneed haar zoon onderweg om Mozes voor Gods toorn te bewaren. (Ex 2:21)

## zo betaamt het heiligen (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot het heil in Christus. (Ef 5:3)

## zo zegt de Heere HEERE (uitdrukking)

- Vaste profetenformule waarmee de profeet de goddelijke oorsprong van zijn boodschap bevestigt. Komt zeer veel voor in Ezechiël. (Ez 2:4)

## zoals de Vader Mij gezonden heeft (begrip)

- Zending van de elf na de opstanding. (Joh 20:21)

## zoals het kalf in tweeën (uitdrukking)

- Verwijzing naar het oude verbondsritueel. Wie het verbond breekt deelt het lot van het opengesneden dier. (Jer 34:18)

## Zoar (plaats)

- Een van de vijf steden in het Jordaan-vlakteland, oorspronkelijk Bela geheten. Door God gespaard op smeking van Lot, die er zijn toevlucht zocht. (Gen 14:2)

## Zoba (plaats)

- Aramees koninkrijk in Syrië ten noorden van Damascus. Belangrijke regionale macht waartegen Israël onder Saul en David oorlog voerde. (1Sam 14:47)

## zoek de HEERE en leef (begrip)

- Profetische oproep tot persoonlijke en gemeenschappelijke wending naar God als enige weg tot leven en behoud. Centraal motief in de profetische prediking. (Am 5:6)

## zoeken (begrip)

- God en Zijn aangezicht begeren te ontmoeten. (Ps 27:8)

## zoeken en vinden (begrip)

- 'Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden'. (Luk 11:9)

## zoekt geen grote dingen (uitdrukking)

- Gods raad aan Baruch. Bemoediging in moeilijke tijden. (Jer 45:5)

## zoet in de mond (begrip)

- Het opgegeten boekje was zoet als honig in de mond, maar bitter in de buik — beeld van de profetische roeping. (Op 10:9)

## Zofars eerste rede (uitdrukking)

- Eerste van de twee redes van Zofar in het boek Job. Wordt gekenmerkt door scherpe vermaning en het eisen van berouw. (Job 11:2)

## Zofars tweede rede (uitdrukking)

- Tweede van de twee redes van Zofar in het boek Job. Gekenmerkt door scherpe beschrijving van de straf der goddelozen. (Job 20:14)

## Zohar (persoon)

- Hethiet uit Hebron, vader van Efron, van wie Abraham de spelonk van Machpela kocht. (Gen 23:8)

## Zohar (Simeon) (persoon)

- Vijfde zoon van Simeon en kleinzoon van Jakob. Hoofd van een clan van de stam Simeon. (Gen 46:10)

## Zoheleth (plaats)

- Steen of rotspunt nabij de bron Rogel, in het Kidrondal ten zuidoosten van Jeruzalem. Werd gebruikt als verzamelplaats voor offers en bijeenkomsten van Davids zonen. (1 Kon 1:9)

## zomerfruit (begrip)

- Vruchten die in de late zomer rijp worden, zoals vijgen en granaatappels. In profetische taal beeld voor het einde van een tijd of cyclus. (Am 8:2)

## zon (natuur)

- Het 'grote licht' dat God op de vierde dag schiep om over de dag te heersen. Onmisbaar voor leven en groei op aarde. (Gen 1:16)

## Zon der gerechtigheid (begrip)

- Profetische naam voor de komende heilsbrenger die als opgaande zon licht en genezing brengt. In de christelijke uitleg een titel voor Christus. (Mal 4:2)

## zon des verstands (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor wijsheid en levenslicht dat als een opgaande zon de mens verlicht. Onderdeel van de wijsheidsliteratuur over inzicht. (Job 11:17)

## zon in duisternis (begrip)

- Profetisch beeld waarin de zon haar licht verliest, vaak vergezeld van een rood gekleurde maan. Onderdeel van de tekenen bij de dag des HEEREN. (Joël 2:31)

## zon, sta stil (begrip)

- Wonder waarbij op gebed van Jozua de zon en maan stilstonden boven Gibeon en het dal Ajalon. Beschouwd als een unieke ingreep van JAHWEH in de loop van de natuur ten behoeve van zijn volk. (Joz 10:12)

## zon-aanbidders (uitdrukking)

- Bedrijvers van de cultus waarbij de zon als godheid wordt vereerd. In de wet van Mozes streng verboden vorm van afgodendienst. (Ez 8:16)

## zondaar (begrip)

- Iemand die Gods geboden overtreedt, in joodse spreektaal vooral wie openlijk of beroepsmatig de Tora schond, zoals tollenaars en prostituees. (Matt 9:10)
- Wie de doel van Gods wet mist; in Spreuken vaak parallel aan goddeloze. (Spr 1:10)

## zondaars (begrip)

- Zij die de wet Gods overtreden en in de raad der goddelozen wandelen. Staan zij tegenover de rechtvaardigen: zij zullen niet bestaan in het gericht, noch in de vergadering der vromen. (Ps 1:5)

## zonde (begrip)

- Overtreding van Gods gebod, hetzij in gedachte, woord of daad. Bron van schuld, dood en verbroken gemeenschap met God. (Gen 3:6)
- Overtreding van Gods wet of het verbreken van de gemeenschap met Hem. Wordt in de Bijbel met diverse termen aangeduid (chattat, awon, pesja). (Ps 32:1)
- Het overtreden van Gods wet en het missen van zijn doel met het leven. Veroorzaakt scheiding van God en de mens. (Matt 1:21)
- Overtreding van Gods wet en gebrek aan Zijn heerlijkheid. Door Christus' offer verzoend en overwonnen. (Rom 2:12)
- Overtreding van Gods wet en afval van Zijn gemeenschap; in het Nieuwe Testament zowel een innerlijke macht als een afzonderlijke daad. (Tit 2:14)
- Bijbels begrip voor overtreding van Gods wet en breuk met zijn wil. In de wet van Mozes voorzien van offers tot verzoening. (2 Makk 6:14)
- Overtreding van Gods wil, in de Bijbel zowel daad als toestand van vervreemding van God. Brengt schuld en oordeel met zich mee. (Jon 1:2)

## zonde door nalaten (begrip)

- Wie weet goed te doen en het niet doet, dien is het zonde — niet alleen het kwaad maar ook het nalaten van het goede. (Jak 4:17)

## zonde tegen JAHWEH (begrip)

- Overtreding niet alleen tegen mensen, maar rechtstreeks tegen God. Vereiste een bijzonder schuldoffer voor verzoening. (Num 5:6)

## zonde tot de dood (begrip)

- Er is een zonde tot de dood — voor dezelve zonde zegge ik niet dat hij zal bidden. Moeilijke uitspraak die op afval wijst. (1 Joh 5:16)

## zonde vergeven (begrip)

- Het kwijtschelden van schuld tegenover God. Jezus gaf de discipelen de opdracht. (Joh 20:23)

## zonde voldragen (begrip)

- De zonde voleindigd zijnde baart de dood — keten van begeerlijkheid, zonde en dood. (Jak 1:15)

## zonden gedragen (begrip)

- Christus heeft onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout, opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden. (1 Petr 2:24)

## zonden meer dan het zand aan de zee (begrip)

- Spreekwoordelijke bijbelse beeldspraak voor een ontelbare menigte; toegepast op de overstelpende last van zonden. (Geb. Man. 1:9)

## zonder God (begrip)

- Staat van de heidenen. (Ef 2:12)

## zonder murmureren (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot de zonde en haar gevolgen. (Fil 2:14)

## zonder oorzaak (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor lijden dat niet door eigen schuld is veroorzaakt. Centraal in het boek Job als kenmerk van Jobs beproeving. (Job 2:3)

## zonder ophouden bidden (begrip)

- Apostolische vermaning om voortdurend en zonder onderbreking in gebed te leven. (1 Th 5:17)

## zonder pijl en boog (uitdrukking)

- Bijbels beeld voor onverwachte aanvallen van Gods toorn die als pijlen treffen. Onderdeel van de klaagtaal in het boek Job. (Job 6:4)

## zonder volk geen koning (uitdrukking)

- Beeld. Vooruitwijzing naar de Priester-Koning. (Jer 30:21)

## zonderbouwers (begrip)

- Verouderde of onduidelijke term, niet voorkomend in gangbare bijbeluitgaven. (Num 1:1)

## zondeval (begrip)

- De ongehoorzaamheid van Adam en Eva in de hof van Eden, waardoor zonde en dood in de hele schepping kwamen. Begin van de heilsgeschiedenis. (Gen 3:6)

## zondoffer (cultisch)

- Offer voor onopzettelijk begane zonden, met het type dier afhankelijk van de overtreder (hogepriester, vorst, gewone Israëliet of arme). (Ex 29:14)
- Het offer voor de zonde dat in het oude verbond werd gebracht; eindigt in Christus die eenmaal voor altijd Zichzelf offerde. (Hebr 10:6)
- Offer voor verzoening van bepaalde zonden, voorgeschreven in Leviticus 4-5. Een van de vaste offervormen in de tempeldienst. (Bar 1:10)

## zondvloed (begrip)

- De wereldwijde watervloed waarmee God de aarde reinigde van de menselijke verdorvenheid in de dagen van Noach. Alleen Noach en zijn gezin werden in de ark gespaard. (Gen 6:17)
- Volgens Genesis 6-9 het oordeel van God waarmee hij de aarde overstroomde, behalve Noach en zijn gezin in de ark. Universeel teken van Gods gericht. (4 Ezra 3:9)

## zonen Gods (begrip)

- Aanduiding voor hemelse wezens die deel uitmaken van de hemelse hofhouding. In sommige bijbelse teksten ook gebruikt voor mensen die als Gods kinderen worden aangeduid. (Job 1:6)

## zonen Gods buigen (uitdrukking)

- Bijbels beeld waarin de hemelse hofhouding voor Gods troon verschijnt. Onderdeel van de proloog van het boek Job. (Job 1:6)

## zonen van Aäron (begrip)

- Het priesterlijk geslacht in Israël, afstammend van Aäron en zijn zonen. Werd door David in vierentwintig dienstdoende afdelingen verdeeld. (1 Kron 6:50)

## zonen van Haman opgehangen (begrip)

- Aanduiding voor de openbare ophanging van de lichamen van de tien zonen van Haman na hun dood. Diende als waarschuwend voorbeeld voor het hele Perzische rijk. (Esth 9:13)

## zonen van Israël (begrip)

- Aanduiding voor het volk Israël als afstammelingen van Jakob, die de naam Israël ontving. Drukt zowel de stamverwantschap als de gemeenschappelijke verbondsband met JAHWEH uit. (Ezra 9:1)

## zonen van Korach (begrip)

- Levitisch geslacht van zangers binnen de stam Levi, behorend tot de Kahatieten. Naar hen worden enkele psalmen genoemd in het opschrift. (1 Kron 6:22)

## zonen van Zadok (uitdrukking)

- Priesterlijk geslacht dat zijn afkomst herleidt op Zadok, de hogepriester onder Salomo. In Ezechiël aangewezen als enige rechtmatige priesters in de nieuwe tempel. (Ez 44:15)

## zonnewagens (begrip)

- Symbolische wagens met paarden die in heidense culturen aan de zonnegod werden gewijd. In Juda door enkele koningen ingevoerd en door koning Josia in zijn reformatie verwijderd. (2 Kon 23:11)

## zoom (voorwerp)

- De rand of franje van een kledingstuk; aan de mantel van een vrome jood waren ter herinnering aan Gods geboden kwastjes (tsitsit) bevestigd. (Matt 9:20)

## Zoon Christus (persoon)

- In een opvallend christelijk klinkende passage van het apocriefe 4 Ezra de aanduiding van een messiaanse heersersfiguur die de eindtijd inluidt. (4 Ezra 7:29)

## zoon des mensen (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking voor een mens in zijn menselijke nederigheid. In het Nieuwe Testament door Christus als zelfaanduiding overgenomen. (Ez 2:1)

## zoon des mensen sta op (uitdrukking)

- Bijbelse standaardroep waarmee God de profeet uit een neergevallen houding doet opstaan. Onderdeel van de profetische roepingsgeschiedenis. (Ez 2:1)

## zoon des verderfs (begrip)

- Aanduiding voor de eindtijdelijke tegenstander van Christus, bestemd voor het eeuwige verderf. (2 Th 2:3)

## Zoon Gods (persoon)

- Titel die in het Nieuwe Testament Jezus' unieke verhouding tot God de Vader uitdrukt. Wijst op zijn goddelijk wezen en messiaanse zending. (Matt 4:3)

## Zoon van de Mensen (begrip)

- Een titel die Jezus voor Zichzelf gebruikte. Het verwijst naar de hemelse figuur uit het boek Daniël die alle macht en heerschappij ontvangt. (Joh 1:52)

## zoon van de wet (begrip)

- Joodse jongen die op dertienjarige leeftijd godsdienstig meerderjarig wordt en zelf de geboden van de wet moet onderhouden (bar mitswa). (1 Makk 1:60)

## Zoon van God (begrip)

- Een titel van Jezus die aangeeft dat Hij op unieke wijze Gods Zoon is, gelijk aan God. De Joden wilden Hem daarom doden. (Joh 1:34)
- Bijbelse titel die in het Oude Testament gebruikt wordt voor engelen, koningen en Israël. In het Nieuwe Testament op Jezus van Nazareth toegepast als unieke Zoon van de Vader. (4 Ezra 2:47)
- Bijbelse titel die in het Oude Testament gebruikt wordt voor engelen, koningen en Israël. In het Nieuwe Testament op Jezus van Nazareth toegepast. (Wijsh 2:13)

## Zophar (persoon)

- Derde van de drie vrienden van Job, een Naämathiet. In het boek Job de heftigste in zijn beschuldigingen. (Job 2:11)

## Zora (plaats)

- Stad in het laagland in het oorspronkelijke stamgebied van Dan. Geboorte- en woonplaats van Simson, en plaats waar hij volgens de overlevering werd begraven. (Ri 13:2)

## zorg (begrip)

- Bijbels en wijsheidsbegrip voor knagende bezorgdheid over de toekomst of over het levensonderhoud, in de bijbel onderscheiden van wijze voorzorg. (Sir 30:24)

## zorg voor de gemeenten (begrip)

- Dagelijkse zorg en spanning die op de apostel rust voor alle gemeenten. Bewijs van zijn ware apostelschap. (2 Kor 11:28)

## zot (begrip)

- Synoniem van dwaas; in oudere taal vaak gebruikt voor de morele dwaas die God veracht. (Spr 10:14)
- Verouderde aanduiding voor een dwaas. In de wijsheidsboeken iemand die God en zijn wijsheid veracht. (Sir 21:14)

## zotheid (begrip)

- Synoniem van dwaasheid. (Spr 19:3)

## zotte vrouw (begrip)

- Personificatie van de dwaasheid; zit aan haar deur en roept de eenvoudigen toe; haar gasten komen in het diepst der hel. (Spr 9:13)

## Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? (uitdrukking)

- Retorische vraag uit het boek Job die de vanzelfsprekende meerderheid van Gods rechtvaardigheid boven de menselijke uitdrukt. Klassieke wending in wijsheidsliteratuur. (Job 4:17)

## zout (natuur)

- Mineraal voor smaakgeving en bewaring van voedsel. In de Bijbel ook beeld van duurzaamheid en van Gods oordeel; Lots vrouw werd in een zoutpilaar veranderd. (Gen 19:26)

## zout der zee (uitdrukking)

- Bijbelse aanduiding voor zoute moeraspoelen die niet door zoetwater worden gezuiverd. In profetische beelden onderdeel van de oordeelstaal. (Ez 47:11)

## zout en hagel (uitdrukking)

- Symbool van de zomer-droogte. Onvruchtbaar terrein. (Jer 17:6)

## zout op offer (uitdrukking)

- Voorgeschreven toevoeging van zout aan offers, in de Bijbel teken van het zoutverbond. Symbool voor blijvende verbondsverhouding. (Ez 43:24)

## zout van rede (begrip)

- Christelijke gespreksvoering met smaak en oprechtheid. (Kol 4:6)

## zoutgehalte (begrip)

- Hoeveelheid zout in iets. In de bijbel beeld voor pittigheid en bewarende kracht; ook teken van blijvend verbond (zoutverbond). (Sir 39:23)

## zoutpilaar (begrip)

- Zuilvormige verharding van zout, zoals voorkomt rond de Dode Zee. Aanduiding voor de gedaante waarin Lots vrouw veranderde toen zij omkeek naar het brandende Sodom. (Gen 19:26)
- De vrouw van Lot werd volgens Genesis 19:26 in een zoutpilaar veranderd toen zij ondanks Gods verbod naar het vergaande Sodom omkeek. (Wijsh 10:7)

## zoutverbond met de offers (uitdrukking)

- Uitdrukking ontleend aan dit bijbelboek. (Jer 33:18)

## Zoutzee (plaats)

- Andere naam voor de Dode Zee, het zoutmeer aan de zuidpunt van het Jordaandal. Bekend om haar uitzonderlijke zoutgehalte. (Gen 14:3)

## zuchten (begrip)

- Diepe verzuchting van de bedrukte. (Ps 38:10)
- Diep, woordeloos verzuchten van schepping, gelovige en de Geest naar de verlossing. Kenmerkend voor het tegenwoordige tijdperk. (Rom 8:23)

## zuigeling (begrip)

- God ontvangt lof zelfs uit de monden der kleinsten. (Ps 8:3)

## zuil (begrip)

- Opgericht stenen monument, vaak ter herinnering aan een godsverschijning of verbond. Vaak werd er olie op gegoten om de wijding aan te duiden. (Gen 28:18)

## zuilen, koperen (begrip)

- De twee massieve bronzen zuilen Jachin en Boaz die voor het voorhuis van de tempel te Jeruzalem stonden. Werden bij de verovering door de Babyloniërs gebroken en als ruw metaal weggevoerd. (2 Kon 25:13)

## Zuph (plaats)

- Land of district in het bergland van Efraïm, woongebied van Samuels familie. Naam verwant aan de geslachtsnaam van Elkana. (1Sam 9:5)

## zure druiven der vaderen (uitdrukking)

- Spreekwoord uit de oudtestamentische tijd waarin de zonden van vaderen op kinderen worden afgeschoven. In Ezechiël door God uitdrukkelijk verworpen. (Ez 18:2)

## zusters Sodom en Samaria (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking waarin Jeruzalem met haar 'zusters' wordt vergeleken. Drukt de gemeenschappelijke schuld van zonde uit. (Ez 16:48)

## zusters tot dochters (uitdrukking)

- Profetische uitdrukking waarbij eens verworpen volken in de heilstijd onder Israëls verbond worden gerekend. Universele heilsbelofte. (Ez 16:61)

## zuurdesem (cultisch)

- Gist voor het brood. Tijdens het feest der ongezuurde broden mocht het niet in huis gevonden worden; symbool van zonde die de hele klomp doorzuurt. (Ex 12:15)
- Gist voor het brood. Op het altaar verboden, maar wel gebruikt in het dankbrood en in de twee broden van het wekenfeest. (Lev 2:11)
- Stukje gegist deeg dat een hele klomp meeldeeg doet rijzen. In de Bijbel beeld voor doordringende invloed, hetzij ten goede hetzij ten kwade. (Matt 13:33)
- Beeld van geestelijke besmetting die het geheel doortrekt; zo werkt zonde of dwaling in de gemeente. Reden tot uitzuivering. (1 Kor 5:6)

## Zuzieten (volk)

- Volk dat ten oosten van de Jordaan woonde, mogelijk een tak van de Refaïeten. Door Kedor-Laomer verslagen bij Ham. (Gen 14:5)

## zwaar te verstaan (begrip)

- In Paulus' brieven zijn sommige dingen zwaar te verstaan, die de ongeleerden en onvasten verdraaien tot hun eigen verderf. (2 Petr 3:16)

## zwaard (begrip)

- Algemeen wapen voor man-tegen-mangevecht in de oudheid, met snede aan een of beide kanten. In de Schrift ook beeld van geweld, oordeel en het scherpe Woord van God. (2Sam 12:10)
- Wapen, ook beeld voor de scherpe tong van vijanden. (Ps 7:13)
- Steekwapen met snijdend blad, in de Bijbel zowel werkelijk gebruikt als beeld van oorlog, oordeel en het Woord van God. (Matt 10:34)
- Beeld voor scherpe woorden. (Spr 12:18)
- Wapen voor man-tegen-man-gevecht. In de bijbel ook beeld voor het Woord van God en voor zijn oordeel. (Wijsh 5:20)
- Steekwapen met handvat en lemmet, het meest gebruikte wapen in de oudtestamentische oorlogvoering. In profetische taal vaak beeld van Gods oordeel. (Am 2:14)

## zwaard des Geestes (theologisch)

- Het Woord van God als wapen in de geestelijke strijd; door de Heilige Geest aan de gelovige in handen gegeven en krachtig gemaakt. (Ef 6:17)

## zwaard gewet (uitdrukking)

- Profetisch beeld waarbij Gods oordeelszwaard wordt geslepen voor de slag. Onderdeel van de profetische oorlogspoëzie. (Ez 21:9)

## zwaard tegen de zuiderwoud (uitdrukking)

- Profetisch beeld voor Gods oordeel dat als een trekkend vuur door het land gaat. Onderdeel van de oordeelsprofetieën van Ezechiël. (Ez 21:3)

## zwaard van Goliath (voorwerp)

- Het wapen van de Filistijnse reus, dat na zijn nederlaag aan David als oorlogstrofee toeviel. Werd later in het heiligdom te Nob bewaard. (1Sam 21:9)

## zwaard, honger en pestilentie (uitdrukking)

- Drievoudige strafdrieklank van Jeremia ( enz.) — de drie standaardrampen waarmee God zijn volk bezoekt. (Jer 14:12)

## zwager (wet)

- Broer van een overleden gehuwde man. Volgens het leviraatsrecht in Israël had hij de plicht zijn schoonzuster te huwen om voor nageslacht voor zijn broer te zorgen. (Ruth 1:15)

## zwakheid (begrip)

- Menselijke onmacht en gebrek; de plaats waar Gods kracht volbracht wordt. Bron van apostolisch roemen. (2 Kor 11:30)

## zwakheidsdoorn (begrip)

- De aan Paulus gegeven doorn in het vlees, beeld van blijvend lijden. Door God toegelaten opdat hij zich niet zou verheffen. (2 Kor 12:7)

## zwakke (begrip)

- Wie in geloofsinzicht of geweten nog onbevestigd is. Door de sterken in liefde gedragen. (Rom 14:1)

## zwakkebrood met mest gebakken (uitdrukking)

- Profetische tekenhandeling waarbij brood van diverse granen wordt gebakken op uitwerpselen, beeld van onreinheid in ballingschap. Onderdeel van symbooltaal. (Ez 4:12)

## zwakken niet versterkt (uitdrukking)

- Profetische beschrijving van de plichten van goede herders tegenover zwakken, zieken en verdwaalden. Klassieke maat voor geestelijk leiderschap. (Ez 34:4)

## zwakker vat (begrip)

- Mannen moeten verstandig wonen met hun vrouwen als met een zwakker vat — niet met geweld of verachting maar met eer. (1 Petr 3:7)

## zwaluw (begrip)

- Trekvogel die nestelt bij Gods altaren; beeld van de gelovige die zijn rust vindt bij God. (Ps 84:4)

## zware storm (begrip)

- Hevige weersgesteldheid met krachtige wind en hoge golven die schepen in gevaar brengt. In de Bijbel vaak verbonden met Gods machtig ingrijpen. (Jon 1:4)

## zwarigheid (begrip)

- Last of moeite die op iemand drukt. Mozes klaagde tegen God over de zwarigheid van het volk; God gaf hem zeventig oudsten als hulp. (Dt 1:9)

## zwart paard (begrip)

- Het zwarte paard uit de Openbaring; beeld van honger en schaarste. (Op 6:5)

## zwarte gebracht (uitdrukking)

- Jeremia: — beeld van rouw en troosteloosheid om het lot van zijn volk. (Jer 8:21)

## zwavel (natuur)

- Brandbaar geel mineraal, in de Bijbel beeld van Gods oordeel. Liet samen met vuur uit de hemel op Sodom en Gomorra regenen. (Gen 19:24)
- Geel, sterk brandbaar mineraal. In de bijbel vaak verbonden met goddelijk oordeel (Sodom en Gomorra) en met hellevuur. (Geb. Az. 1:46)

## zwavelregen (begrip)

- Het neerregenen van brandende zwavel uit de hemel. Door God gebruikt als oordeel over Sodom en Gomorra. (Gen 19:24)

## zweer (begrip)

- Etterende ontsteking op de huid. De zesde van de tien Egyptische plagen, met blaren en pijnlijke zweren op mens en dier. (Ex 9:10)

## zweetdoek (overig)

- Een doek die om het hoofd van een overledene werd gewonden. In het lege graf lag de zweetdoek apart opgerold, niet bij de andere doeken. (Joh 20:7)

## zwelger (begrip)

- Wie zich te buiten gaat aan eten en drinken. (Spr 23:21)

## zweren (begrip)

- Een eed afleggen onder aanroeping van God of een hoger gezag als getuige. In de Bijbel hoog opgenomen als plechtige verbintenis. (Gen 21:24)
- Voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch enige andere eed; maar uw ja zij ja en uw neen zij neen. (Jak 5:12)
- Het uitspreken van een eed, met aanroeping van God als getuige. In de bijbel toegestaan, maar door de wijsheidsliteratuur tot het noodzakelijke beperkt. (Sir 23:9)

## zwervende ster (begrip)

- Beeld van afvalligen die geen vaste koers hebben. Gebruikt voor dwaalleraars. (2 Kor 11:14)

## zwijg niet (begrip)

- Roep dat God spreken zal. (Ps 83:2)

## zwijgen (begrip)

- Wijs zwijgen wordt in Spreuken hoger geacht dan veel spreken. (Spr 17:28)
- Bijbels en wijsheidsbegrip voor het beheerst zwijgen op het juiste moment, vaak hoger gewaardeerd dan onbedacht spreken. (Sir 20:1)

## zwijgen is wijsheid (uitdrukking)

- Bijbelse uitdrukking dat het soms wijzer is te zwijgen dan onbedacht te spreken. Klassieke wijsheidsspreuk in oudtestamentische literatuur. (Job 13:5)

## Zwitserse hulptroepen (begrip)

- Verouderde aanduiding voor huurlingen uit verre streken. Hier doelt de tekst op vreemde huurtroepen die het Seleucidische leger versterkten. (1 Makk 11:38)

## één God (begrip)

- Bijbelse uitdrukking met betrekking tot God en zijn werk. (1 Tim 2:5)

## één hart en een nieuwe geest (uitdrukking)

- Profetische belofte van eenheid en innerlijke vernieuwing van Gods volk. Voorloper van de bredere belofte van wedergeboorte (Ez 36). (Ez 11:19)

## één Herder David (uitdrukking)

- Profetische belofte van een nieuwe davidische heerser die het volk verenigt en weidt. Messiaanse voorzegging in de profetische literatuur. (Ez 34:23)

## één zijn (begrip)

- Eenheid in liefde en doel, door Jezus voor zijn gemeente afgebeden naar het beeld van zijn eigen eenheid met de Vader. (Joh 17:21)
