# Open Parafrase Weergave (proef) Bijbeltekst: publiek domein. Alle verzen: concept. ## Genesis 1 — God maakt de hemel en de aarde 1. In het begin maakte God de hemel en de aarde. 2. De aarde was ongevormd en leeg. Duisternis lag over de afgrond. De Geest van God zweefde boven het water. 3. God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. 4. God zag dat het licht goed was. Hij scheidde het licht van het donker. 5. God noemde het licht dag en het donker nacht. Het werd avond en het werd morgen: de eerste dag. 6. God zei: Laat er midden in het water een gewelf zijn dat het water in tweeën scheidt. 7. God maakte het gewelf. Hij scheidde het water eronder van het water erboven. Zo gebeurde het. 8. God noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen: de tweede dag. 9. God zei: Laat het water onder de hemel op één plek samenkomen, zodat het droge land zichtbaar wordt. Zo gebeurde het. 10. God noemde het droge land aarde en het verzamelde water zeeën. God zag dat het goed was. 11. God zei: Laat jong groen uit de aarde groeien: planten die zaad vormen en vruchtbomen. Laat de bomen vruchten met zaad dragen, elk naar zijn soort. Zo gebeurde het. 12. De aarde bracht jong groen voort: zaadvormende planten en bomen met vruchten waarin zaad zat, allemaal naar hun soort. God zag dat het goed was. 13. Het werd avond en het werd morgen: de derde dag. 14. God zei: Laat er lichten aan het hemelgewelf zijn om dag en nacht te scheiden. Laat ze als tekenen dienen en de vastgestelde tijden, de dagen en de jaren aangeven. 15. Laat ze aan het hemelgewelf schijnen en de aarde verlichten. Zo gebeurde het. 16. God maakte de twee grote lichten. Het grootste moest over de dag heersen en het kleinere over de nacht. Ook maakte Hij de sterren. 17. God zette ze aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten. 18. De lichten moesten over de dag en de nacht heersen en het licht van het donker scheiden. God zag dat het goed was. 19. Het werd avond en het werd morgen: de vierde dag. 20. God zei: Laat het water in overvloed levende wezens voortbrengen en ervan wemelen. Laat vogels boven de aarde langs het hemelgewelf vliegen. 21. God schiep de grote zeedieren. Ook schiep Hij alle soorten levende wezens waarvan het water in overvloed wemelde. Ook schiep Hij alle vogels met vleugels, elk naar zijn soort. God zag dat het goed was. 22. God zegende de dieren en zei: Krijg jongen, word talrijk en vul het water van de zeeën. Laat ook de vogels op aarde talrijk worden. 23. Het werd avond en het werd morgen: de vijfde dag. 24. God zei: Laat de aarde levende wezens voortbrengen, elk naar zijn soort: vee, dieren die over de grond kruipen en wilde dieren. Zo gebeurde het. 25. God maakte de wilde dieren, elk naar zijn soort, en het vee, elk naar zijn soort. Ook maakte Hij alle dieren die over de grond kruipen, elk naar zijn soort. God zag dat het goed was. 26. God zei: Laten wij mensen maken naar ons beeld en onze gelijkenis. Laat hen heersen over de vissen in de zee, de vogels en het vee. Laat hen ook heersen over de hele aarde en alle dieren die over de grond kruipen. 27. God schiep de mens naar Zijn beeld. Naar Gods beeld schiep Hij hem. Als man en vrouw schiep Hij hen. 28. God zegende hen en zei tegen hen: Krijg kinderen, word talrijk en vul de aarde. Breng de aarde onder jullie gezag. Heers over de vissen in de zee, de vogels en alle dieren die over de grond kruipen. 29. God zei: Kijk, ik geef jullie alle planten op de hele aarde die zaad vormen. Ook geef ik jullie alle bomen met vruchten die zaad bevatten. De planten en de vruchten zijn jullie voedsel. 30. Maar aan alle dieren op aarde geef ik de groene planten als voedsel. Dat geldt voor alle vogels en alles wat over de grond kruipt en leeft. Zo gebeurde het. 31. God zag alles wat Hij had gemaakt. Het was heel goed! Het werd avond en het werd morgen: de zesde dag. ## Genesis 2 — De mens in de tuin van Eden 1. Zo waren de hemel en de aarde voltooid, met alles wat daarin was. 2. Op de zevende dag had God al Zijn werk afgemaakt. Op die zevende dag rustte Hij van al het werk dat Hij had gedaan. 3. God zegende de zevende dag en maakte die dag heilig. Want op die dag rustte Hij van al Zijn werk: alles wat Hij had geschapen en afgemaakt. 4. Dit is het verhaal van het ontstaan van de hemel en de aarde, toen ze werden geschapen. De HEERE God maakte toen de aarde en de hemel. 5. Er waren nog geen struiken op het land. Veldplanten waren nog niet opgekomen. De HEERE God had het namelijk nog niet laten regenen op aarde. Er was ook nog geen mens om de grond te bewerken. 6. Maar er steeg damp uit de aarde op. Die damp maakte de hele grond vochtig. 7. De HEERE God had de mens gevormd uit het stof van de aarde. Hij blies levensadem in zijn neusgaten. Zo werd de mens een levend wezen. 8. De HEERE God had ook een tuin geplant in Eden, in het oosten. Daar zette Hij de mens die Hij had gevormd. 9. De HEERE God had allerlei bomen uit de grond laten groeien, mooi om te zien en met goed eetbare vruchten. Midden in de tuin stond de boom van het leven. Er stond ook de boom van de kennis van goed en kwaad. 10. Vanuit Eden stroomde een rivier die de tuin van water voorzag. Verderop splitste die zich in vier rivieren. 11. De eerste rivier heet Pison. Die stroomt om het hele land Havila heen, waar goud te vinden is. 12. Het goud uit dat land is van goede kwaliteit. Ook het materiaal bedolah en de edelsteen sardonix zijn er te vinden. 13. De tweede rivier heet Gihon. Die stroomt om het hele land Cusch heen. 14. De derde rivier heet Hiddekel en stroomt ten oosten van Assur. De vierde rivier heet Frath. 15. De HEERE God nam de mens mee en zette hem in de tuin van Eden om die te bewerken en te bewaken. 16. De HEERE God gaf de mens dit bevel: Je mag vrij eten van alle bomen in deze tuin. 17. Maar je mag niet eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Want op de dag dat je daarvan eet, zul je zeker sterven. 18. De HEERE God had ook gezegd: Het is niet goed dat de mens alleen is. Ik zal iemand maken die hem helpt en bij hem past. 19. De HEERE God had alle wilde dieren en alle vogels uit de aarde gemaakt. Hij bracht ze bij Adam om te zien welke namen Adam hun zou geven. Adam gaf elk levend wezen een naam, en zo heette het voortaan. 20. Adam gaf dus namen aan al het vee, alle vogels en alle wilde dieren. Maar Adam vond niemand die hem kon helpen en bij hem paste. 21. Toen liet de HEERE God Adam diep in slaap vallen. Terwijl Adam sliep, nam Hij een van zijn ribben weg. Hij sloot die plek weer met vlees. 22. Van de rib die Hij uit Adam had genomen, bouwde de HEERE God een vrouw. Hij bracht haar bij Adam. 23. Adam zei: Dit is nu bot uit mijn botten en vlees uit mijn vlees! Ze zal vrouw heten, want ze is uit de man genomen. 24. Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw verbinden. Samen zullen ze één vlees worden. 25. Adam en zijn vrouw waren allebei naakt, en ze schaamden zich niet. ## Genesis 3 — De mens eet van de verboden boom 1. De slang was listiger dan alle andere wilde dieren die de HEERE God had gemaakt. Toen vroeg de slang de vrouw: Heeft God echt gezegd: Jullie mogen van geen enkele boom in de tuin eten? 2. De vrouw antwoordde de slang: Wij mogen wel van de vruchten van de bomen in de tuin eten. 3. Maar over de vruchten van de boom midden in de tuin heeft God gezegd: Jullie mogen er niet van eten en ze niet aanraken. Anders sterven jullie. 4. De slang zei tegen de vrouw: Jullie zullen beslist niet sterven. 5. God weet namelijk dat jullie ogen opengaan op de dag dat jullie ervan eten. Jullie zullen dan als God zijn en goed en kwaad kennen. 6. De vrouw zag dat de boom goed was om van te eten en er prachtig uitzag. Het leek haar aantrekkelijk om door die boom verstandig te worden. Ze plukte een vrucht en at ervan. Ze gaf er ook van aan haar man, die bij haar was, en hij at ervan. 7. Toen gingen hun ogen open. Ze beseften allebei dat ze naakt waren. Ze maakten vijgenbladeren aan elkaar vast tot een bedekking voor hun middel. 8. Toen de wind van de dag waaide, hoorden ze de stem van de HEERE God terwijl Hij door de tuin liep. Adam en zijn vrouw verstopten zich tussen de bomen voor Hem. 9. De HEERE God riep Adam en vroeg: Waar ben je? 10. Adam antwoordde: Ik hoorde Uw stem in de tuin. Ik werd bang, want ik ben naakt. Daarom verstopte ik me. 11. God vroeg: Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten? 12. Adam zei: De vrouw die U mij hebt gegeven, gaf mij iets van die boom. En ik heb ervan gegeten. 13. De HEERE God vroeg aan de vrouw: Wat heb je gedaan? De vrouw antwoordde: De slang heeft me bedrogen, en ik heb ervan gegeten. 14. De HEERE God zei tegen de slang: Omdat je dit hebt gedaan, ben je vervloekt, meer dan al het vee en alle wilde dieren. Je zult op je buik gaan en stof eten, je hele leven lang. 15. Ik zal vijandschap laten ontstaan tussen jou en deze vrouw, en tussen jouw nageslacht en haar nageslacht. Haar nageslacht zal je kop verbrijzelen, en jij zult zijn hiel verbrijzelen. 16. Tegen de vrouw zei Hij: Ik zal je pijn bij je zwangerschap veel groter maken. Met pijn zul je kinderen krijgen. Je zult naar je man verlangen, en hij zal over je heersen. 17. Tegen Adam zei Hij: Je hebt naar je vrouw geluisterd en van de boom gegeten, hoewel ik je had bevolen daar niet van te eten. Daarom is de grond door jouw toedoen vervloekt. Met moeite zul je ervan eten, je hele leven lang. 18. De grond zal doornen en distels voor je laten groeien, en je zult de planten van het veld eten. 19. Met het zweet op je gezicht zul je je brood eten, totdat je terugkeert naar de aarde waaruit je bent genomen. Want je bent stof, en je zult weer stof worden. 20. Adam noemde zijn vrouw Eva, omdat zij de moeder van alle levende mensen is. 21. De HEERE God maakte kleren van dierenhuiden voor Adam en zijn vrouw. Hij kleedde hen ermee. 22. De HEERE God zei: Kijk, de mens is nu als een van ons: hij kent goed en kwaad. Nu zou hij ook zijn hand kunnen uitsteken naar de boom van het leven. Hij zou daarvan kunnen nemen en eten, en zo voor altijd leven. Dat moet worden voorkomen. 23. Daarom stuurde de HEERE God hem weg uit de tuin van Eden. De mens moest de grond bewerken waaruit hij was genomen. 24. God verdreef de mens. Ten oosten van de tuin van Eden plaatste Hij cherubs en een vlammend zwaard dat heen en weer draaide. Zo liet Hij de weg naar de boom van het leven bewaken. ## Genesis 4 — Kaïn, Abel en hun familie 1. Adam sliep met zijn vrouw Eva. Ze werd zwanger en kreeg Kaïn. Ze zei: Ik heb van de HEERE een zoon gekregen! 2. Daarna kreeg ze ook zijn broer Abel. Abel werd schaapherder, en Kaïn werd landbouwer. 3. Na verloop van tijd bracht Kaïn een deel van de opbrengst van zijn land als offer aan de HEERE. 4. Ook Abel bracht een offer: eerstgeboren dieren uit zijn schaapskudde en hun vet. De HEERE keek met goedkeuring naar Abel en zijn offer. 5. Maar de HEERE keek niet met goedkeuring naar Kaïn en zijn offer. Kaïn werd heel boos en keek somber. 6. De HEERE vroeg aan Kaïn: Waarom ben je boos? Waarom is je gezicht zo somber? 7. Als je goed handelt, kun je je hoofd dan niet omhoog houden? Maar als je niet goed handelt, ligt de zonde aan de deur. Toch is zijn verlangen op jou gericht, en jij zult over hem heersen. 8. Kaïn sprak met zijn broer Abel. Toen ze in het veld waren, viel Kaïn zijn broer Abel aan en sloeg hem dood. 9. De HEERE vroeg aan Kaïn: Waar is je broer Abel? Kaïn antwoordde: Dat weet ik niet. Moet ik soms op mijn broer passen? 10. God zei: Wat heb je gedaan? Vanuit de grond roept het bloed van je broer naar mij! 11. Daarom komt er nu vanuit de grond een vloek over je. De grond heeft zijn mond geopend om het bloed van je broer uit jouw hand op te nemen. 12. Als je de grond bewerkt, zal die zijn opbrengst niet meer aan je geven. Je zult over de aarde zwerven en ronddolen. 13. Kaïn zei tegen de HEERE: Mijn misdaad is te groot om vergeven te worden. 14. Kijk, U verjaagt mij vandaag van de grond, en ik zal voor U verborgen zijn. Ik zal over de aarde zwerven en ronddolen. Iedereen die mij vindt, zal mij doodslaan. 15. Maar de HEERE zei tegen hem: Daarom zal de dood van Kaïn zeven keer gewroken worden als iemand hem doodslaat! De HEERE gaf Kaïn een teken, zodat niemand die hem vond hem zou doodslaan. 16. Kaïn ging weg bij de HEERE en woonde in het land Nod, ten oosten van Eden. 17. Kaïn sliep met zijn vrouw. Ze werd zwanger en kreeg Henoch. Kaïn bouwde een stad en gaf die de naam van zijn zoon: Henoch. 18. Henoch kreeg een zoon, Hirad. Hirad werd vader van Mechujael. Mechujael werd vader van Methusael, en Methusael werd vader van Lamech. 19. Lamech nam twee vrouwen. De eerste heette Ada en de andere Zilla. 20. Ada kreeg Jabal. Hij was de stamvader van de mensen die in tenten woonden en vee hielden. 21. Zijn broer heette Jubal. Hij was de stamvader van allen die op harpen en fluiten speelden. 22. Ook Zilla kreeg een zoon: Tubal-Kaïn. Hij leerde alle mensen die koper en ijzer bewerkten hun vak. De zus van Tubal-Kaïn heette Naema. 23. Lamech zei tegen zijn vrouwen Ada en Zilla: Luister naar mijn stem, vrouwen van Lamech! Hoor wat ik zeg! Ja, ik doodde een man vanwege mijn wond, en een jonge man vanwege mijn buil! 24. Want Kaïn zal zeven keer gewroken worden, maar Lamech zeventig keer zeven! 25. Adam sliep opnieuw met zijn vrouw, en ze kreeg een zoon. Ze noemde hem Seth en zei: God heeft mij een ander kind gegeven in plaats van Abel, want Kaïn heeft Abel doodgeslagen. 26. Ook Seth kreeg een zoon. Hij noemde hem Enos. Toen begonnen de mensen de naam van de HEERE aan te roepen. ## Genesis 5 — Van Adam tot Noach 1. Dit is het verslag van Adams nakomelingen. Toen God de mens schiep, maakte Hij hem naar Zijn gelijkenis. 2. Hij schiep hen als man en vrouw en zegende hen. Op de dag dat Hij hen schiep, gaf Hij hun de naam Mens. 3. Toen Adam 130 jaar was, kreeg hij een zoon die op hem leek en zijn evenbeeld was. Hij noemde hem Seth. 4. Na de geboorte van Seth leefde Adam nog 800 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 5. Adam leefde in totaal 930 jaar, en hij stierf. 6. Toen Seth 105 jaar was, kreeg hij Enos. 7. Na de geboorte van Enos leefde Seth nog 807 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 8. Seth leefde in totaal 912 jaar, en hij stierf. 9. Toen Enos 90 jaar was, kreeg hij Kenan. 10. Na de geboorte van Kenan leefde Enos nog 815 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 11. Enos leefde in totaal 905 jaar, en hij stierf. 12. Toen Kenan 70 jaar was, kreeg hij Mahalal-el. 13. Na de geboorte van Mahalal-el leefde Kenan nog 840 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 14. Kenan leefde in totaal 910 jaar, en hij stierf. 15. Toen Mahalal-el 65 jaar was, kreeg hij Jered. 16. Na de geboorte van Jered leefde Mahalal-el nog 830 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 17. Mahalal-el leefde in totaal 895 jaar, en hij stierf. 18. Toen Jered 162 jaar was, kreeg hij Henoch. 19. Na de geboorte van Henoch leefde Jered nog 800 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 20. Jered leefde in totaal 962 jaar, en hij stierf. 21. Toen Henoch 65 jaar was, kreeg hij Methusalach. 22. In de 300 jaar na de geboorte van Methusalach wandelde Henoch met God. Hij kreeg zonen en dochters. 23. Henoch leefde in totaal 365 jaar. 24. Henoch wandelde met God. Hij was er niet meer, want God nam hem weg. 25. Toen Methusalach 187 jaar was, kreeg hij Lamech. 26. Na de geboorte van Lamech leefde Methusalach nog 782 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 27. Methusalach leefde in totaal 969 jaar, en hij stierf. 28. Toen Lamech 182 jaar was, kreeg hij een zoon. 29. Lamech noemde hem Noach en zei: Deze jongen zal ons troosten bij ons werk en het gezwoeg van onze handen. Dat gezwoeg komt door de grond die de HEERE heeft vervloekt. 30. Na de geboorte van Noach leefde Lamech nog 595 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 31. Lamech leefde in totaal 777 jaar, en hij stierf. 32. Noach was 500 jaar oud en kreeg Sem, Cham en Jafeth. ## Genesis 6 — Noach bouwt de ark 1. Toen de mensen op aarde steeds talrijker werden, kregen zij dochters. 2. De zonen van God zagen dat de dochters van de mensen mooi waren. Ze kozen vrouwen uit die hun bevielen en trouwden met hen. 3. Toen zei de HEERE: De mens is sterfelijk. Daarom zal mijn Geest niet voor altijd met hem blijven strijden. De mens zal nog 120 jaar krijgen. 4. In die tijd waren er reuzen op aarde, en ook later. De zonen van God kregen kinderen bij de dochters van de mensen. Deze kinderen waren de machtige helden uit de oude tijd, beroemde mannen. 5. De HEERE zag dat de mensen op aarde heel slecht leefden. Alles wat zij in hun hart bedachten, was altijd alleen maar slecht. 6. De HEERE had er berouw van dat Hij de mens op aarde had gemaakt. Het deed Hem diep verdriet. 7. De HEERE zei: Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aardbodem wegvagen. Ook het vee, de kruipende dieren en de vogels zal ik wegvagen, want ik heb er berouw van dat ik hen gemaakt heb. 8. Maar Noach vond genade bij de HEERE. 9. Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtvaardig en oprecht man tussen de mensen van zijn tijd. Hij wandelde met God. 10. Noach kreeg drie zonen: Sem, Cham en Jafeth. 11. De aarde was in Gods ogen verdorven en overal was geweld. 12. God zag hoe verdorven de aarde was, want alle mensen leefden op een verkeerde manier. 13. Toen zei God tegen Noach: Ik heb besloten een einde te maken aan alles wat leeft. Door de mensen is de aarde vol geweld geraakt. Ik zal hen samen met de aarde vernietigen. 14. Bouw voor jezelf een ark van goferhout. Maak er kamers in en bestrijk de ark vanbinnen en vanbuiten met pek. 15. Zo moet je de ark bouwen: hij moet 300 el lang, 50 el breed en 30 el hoog zijn. 16. Maak boven in de ark een lichtopening van één el hoog. Plaats de deur aan de zijkant en maak drie verdiepingen: een onderste, een middelste en een bovenste. 17. Ik laat een grote vloed over de aarde komen. Daardoor sterft alles wat onder de hemel leeft en levensadem heeft. Alles op aarde zal omkomen. 18. Maar met jou sluit ik mijn verbond. Jij moet de ark ingaan, samen met je zonen, je vrouw en je schoondochters. 19. Van alles wat leeft moet je één paar in de ark brengen: een mannetje en een vrouwtje. Zo blijven ze samen met jou in leven. 20. Van elke soort vogels, vee en dieren die over de grond kruipen, zullen er twee naar je toe komen. Zo kun je ze in leven houden. 21. Neem ook al het voedsel mee dat gegeten kan worden en sla het op. Het zal dienen als voedsel voor jou en voor de dieren. 22. Noach deed alles precies zoals God hem had opgedragen. ## Genesis 7 — De grote vloed 1. Daarna zei de HEERE tegen Noach: Ga met je hele gezin de ark in. Ik heb gezien dat jij tussen de mensen van deze tijd rechtvaardig voor mij leeft. 2. Neem van alle reine dieren zeven paar mee, elk paar een mannetje en een vrouwtje. Neem van de dieren die niet rein zijn één paar mee, een mannetje en een vrouwtje. 3. Neem ook van de vogels zeven paar mee, telkens een mannetje en een vrouwtje. Zo blijven hun soorten overal op aarde voortbestaan. 4. Want over zeven dagen laat ik het veertig dagen en veertig nachten op aarde regenen. Dan vaag ik alles wat ik gemaakt heb van de aardbodem weg. 5. Noach deed alles wat de HEERE hem had opgedragen. 6. Noach was 600 jaar oud toen het water van de vloed over de aarde kwam. 7. Noach ging met zijn zonen, zijn vrouw en zijn schoondochters de ark in om aan het water van de vloed te ontkomen. 8. Dit gold voor reine en onreine dieren, vogels en alles wat over de grond kruipt. 9. Ze kwamen twee aan twee naar Noach in de ark, telkens een mannetje en een vrouwtje, zoals God Noach had opgedragen. 10. Na zeven dagen kwam het water van de vloed over de aarde. 11. Toen Noach 600 jaar oud was, op de zeventiende dag van de tweede maand, braken alle bronnen van de grote diepte open. Ook gingen de sluizen van de hemel open. 12. Veertig dagen en veertig nachten viel er een stortregen op de aarde. 13. Precies diezelfde dag gingen Noach en zijn zonen Sem, Cham en Jafeth de ark in. Ook Noachs vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen gingen mee. 14. Met hen gingen alle soorten wilde dieren, vee en kruipende dieren naar binnen. Ook alle soorten vogels gingen mee, alles wat vleugels had. 15. Alle levende wezens die levensadem hadden, kwamen twee aan twee naar Noach in de ark. 16. De dieren die naar binnen gingen, waren mannetjes en vrouwtjes van alle soorten, zoals God Noach had opgedragen. Daarna sloot de HEERE de deur achter hem. 17. De vloed bleef veertig dagen op aarde. Het water steeg en tilde de ark op, zodat die boven de aarde kwam te drijven. 18. Het water steeg steeds verder en werd heel hoog op de aarde. De ark dreef op het water. 19. Het water steeg zo hoog op de aarde dat alle hoge bergen onder de hele hemel bedekt raakten. 20. Het water kwam vijftien el boven de bergen te staan, zodat ze volledig bedekt waren. 21. Alles wat zich op aarde bewoog, stierf: de vogels, het vee, de wilde dieren, alle dieren die over de grond kruipen en alle mensen. 22. Alles wat op het droge leefde en levensadem had, stierf. 23. Zo werd alles weggevaagd wat op de aardbodem leefde: de mensen, het vee, de kruipende dieren en de vogels. Ze verdwenen van de aarde. Alleen Noach en alles wat bij hem in de ark was, bleven over. 24. Het water hield 150 dagen lang de overhand op de aarde. ## Genesis 8 — Het water zakt 1. God dacht aan Noach en aan alle wilde dieren en het vee dat bij hem in de ark was. Hij liet een wind over de aarde waaien, waardoor het water begon te zakken. 2. De bronnen van de diepe wateren en de sluizen van de hemel werden gesloten. De stortregen uit de hemel hield op. 3. Het water trok steeds verder van de aarde weg. Na 150 dagen was het water flink gezakt. 4. Op de zeventiende dag van de zevende maand kwam de ark tot rust op de bergen van Ararat. 5. Het water bleef zakken tot de tiende maand. Op de eerste dag van die maand werden de toppen van de bergen zichtbaar. 6. Na veertig dagen opende Noach het venster dat hij in de ark had gemaakt. 7. Hij liet een raaf los. Die bleef heen en weer vliegen totdat het water op de aarde was opgedroogd. 8. Daarna liet Noach een duif los om te zien of het water van de aardbodem was weggezakt. 9. Maar de duif vond nergens een plek om te rusten en keerde terug naar Noach in de ark, want overal op aarde stond nog water. Hij stak zijn hand uit, pakte haar en haalde haar weer de ark in. 10. Noach wachtte nog zeven dagen en liet de duif opnieuw uit de ark los. 11. Tegen de avond kwam de duif bij hem terug met een vers geplukt olijfblad in haar snavel. Toen wist Noach dat het water op de aarde verder was gezakt. 12. Hij wachtte nog eens zeven dagen en liet de duif weer los. Nu kwam ze niet meer bij hem terug. 13. In het 601e jaar van Noachs leven, op de eerste dag van de eerste maand, was het water op de aarde opgedroogd. Noach haalde het deksel van de ark af en keek naar buiten. De aardbodem was droog. 14. Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde helemaal droog. 15. Toen zei God tegen Noach: 16. Ga met je vrouw, je zonen en hun vrouwen de ark uit. 17. Laat ook alle dieren die bij je zijn naar buiten gaan: de vogels, het vee en alle dieren die over de grond kruipen. Ze moeten zich op de aarde voortplanten, vruchtbaar zijn en talrijk worden. 18. Noach ging naar buiten, samen met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen. 19. Alle dieren, alle kruipende dieren en alle vogels, alles wat zich op de aarde beweegt, gingen soort voor soort de ark uit. 20. Noach bouwde een altaar voor de HEERE. Hij nam van alle reine soorten vee en vogels en offerde die als brandoffer op het altaar. 21. De HEERE rook de aangename geur en zei in Zijn hart: Ik zal de aardbodem nooit meer vervloeken vanwege de mens. Het mensenhart heeft immers al van jongs af aan de neiging om kwaad te doen. Ook zal ik nooit meer al wat leeft doden zoals ik nu heb gedaan. 22. Zolang de aarde bestaat, zullen zaaien en oogsten, kou en hitte, zomer en winter, dag en nacht nooit ophouden. ## Genesis 9 — God sluit een verbond met Noach 1. God zegende Noach en zijn zonen. Hij zei tegen hen: Krijg kinderen, word talrijk en vul de aarde. 2. Alle dieren op aarde zullen bang voor jullie zijn: de vogels, alles wat over de grond beweegt en alle vissen in de zee. Ze zijn in jullie macht gegeven. 3. Alles wat leeft en beweegt, mogen jullie eten. Net zoals ik jullie de groene planten heb gegeven, geef ik jullie nu alles. 4. Maar jullie mogen geen vlees eten waar nog bloed in zit, want in het bloed zit het leven. 5. Als jullie bloed wordt vergoten, zal ik daarvoor rekenschap eisen. Ieder dier dat een mens doodt, zal ik ter verantwoording roepen. Ook ieder mens zal ik ter verantwoording roepen voor het leven van een medemens. 6. Wie een mens doodt, zal door een mens worden gedood. Want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. 7. Krijg dus veel kinderen, word talrijk en bevolk de aarde. 8. Daarna zei God tegen Noach en zijn zonen: 9. Let goed op: Ik sluit mijn verbond met jullie en met jullie nakomelingen. 10. Het geldt ook voor alle levende wezens bij jullie. Daaronder vallen de vogels, het vee, alle wilde dieren die uit de ark kwamen en alle andere dieren op aarde. 11. Ik sluit dit verbond met jullie: nooit meer zal al wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid. Nooit meer zal een vloed de aarde verwoesten. 12. God zei verder: Dit is het teken van het verbond dat ik sluit met jullie en met alle levende wezens bij jullie. Dit teken geldt voor alle komende generaties. 13. Ik plaats mijn regenboog in de wolken. Die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde. 14. Wanneer ik wolken over de aarde laat komen, zal de regenboog in de wolken verschijnen. 15. Dan zal ik denken aan mijn verbond met jullie en met alle levende wezens. Het water zal nooit meer een vloed worden die al wat leeft vernietigt. 16. Als de regenboog in de wolken staat, zal ik hem zien. Dan zal ik denken aan het eeuwige verbond tussen God en alle levende wezens op aarde. 17. Daarop zei God tegen Noach: Dit is het teken van het verbond dat ik heb gesloten met al wat op aarde leeft. 18. De zonen van Noach die uit de ark kwamen, heetten Sem, Cham en Jafeth. Cham was de vader van Kanaän. 19. Deze drie waren de zonen van Noach. Van hen stammen alle mensen op aarde af. 20. Noach begon het land te bewerken en plantte een wijngaard. 21. Hij dronk van de wijn, werd dronken en lag naakt in zijn tent. 22. Cham, de vader van Kanaän, zag dat zijn vader naakt was. Hij ging naar buiten en vertelde het aan zijn twee broers. 23. Sem en Jafeth legden een mantel over hun schouders, liepen achteruit de tent in en bedekten hun naakte vader. Omdat hun gezichten van hem afgewend waren, zagen ze hem niet naakt. 24. Toen Noach uit zijn roes ontwaakte, ontdekte hij wat zijn jongste zoon hem had aangedaan. 25. Hij zei: Vervloekt is Kanaän! Hij zal als de laagste slaaf zijn broers dienen. 26. Ook zei hij: Gezegend is de HEERE, de God van Sem! Kanaän zal Sem dienen. 27. Moge God Jafeth veel ruimte geven. Moge Jafeth in de tenten van Sem wonen, en laat Kanaän hem dienen. 28. Na de vloed leefde Noach nog 350 jaar. 29. Noach werd in totaal 950 jaar oud. Toen stierf hij. ## Genesis 10 — De volken die van Noach afstammen 1. Dit zijn de nakomelingen van Noachs zonen Sem, Cham en Jafeth. Na de vloed kregen zij zonen. 2. De zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Thiras. 3. De zonen van Gomer waren Askenaz, Rifath en Togarma. 4. De zonen van Javan waren Elisa, Tarsis, de Chittieten en de Dodanieten. 5. Uit hen verspreidden de volken zich over de eilanden. Elk volk woonde in een eigen gebied, met zijn eigen taal en families. 6. De zonen van Cham waren Cusch, Mitsraim, Put en Kanaän. 7. De zonen van Cusch waren Seba, Havila, Sabta, Raema en Sabtecha. De zonen van Raema waren Scheba en Dedan. 8. Cusch kreeg ook een zoon, Nimrod. Hij werd een machtig man op aarde. 9. Nimrod was een machtige jager onder het oog van de HEERE. Daarom zeggen de mensen: Zoals Nimrod, een machtige jager onder het oog van de HEERE. 10. De eerste steden van zijn rijk waren Babel, Erech, Accad en Calne, in het land Sinear. 11. Vanuit dat land trok Assur weg. Hij bouwde Nineve, Rehoboth-Ir en Kalach. 12. Hij bouwde ook Resen, dat tussen Nineve en Kalach lag. Dat is de grote stad. 13. Mitsraim werd de voorvader van de Ludieten, Anamieten, Lehabieten en Naftuchieten. 14. Ook de Pathrusieten, Casluchieten en Caftorieten stamden van hem af. Uit de Casluchieten kwamen de Filistijnen voort. 15. Kanaän werd de vader van Sidon, zijn eerstgeboren zoon, en van Heth. 16. Van Kanaän stamden ook de Jebusieten, Amorieten en Girgasieten af. 17. Ook de Hivvieten, Arkieten en Sinieten stamden van hem af. 18. Verder stamden de Arvadieten, Tsemarieten en Hamathieten van hem af. Later verspreidden de families van de Kanaänieten zich. 19. Het gebied van de Kanaänieten liep van Sidon naar Gerar en Gaza. Aan de andere kant liep het tot Sodom, Gomorra, Adama, Zoboim en Lasa. 20. Dit waren de nakomelingen van Cham, ingedeeld naar hun families, talen, gebieden en volken. 21. Ook Sem kreeg zonen. Hij was de vader van alle nakomelingen van Heber en de broer van Jafeth, de oudste. 22. De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arfachsad, Lud en Aram. 23. De zonen van Aram waren Uz, Hul, Gether en Maz. 24. Arfachsad kreeg een zoon, Selah, en Selah kreeg een zoon, Heber. 25. Heber kreeg twee zonen. De ene heette Peleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd. Zijn broer heette Joktan. 26. Joktan kreeg zonen met de namen Almodad, Selef, Hatsarmaveth en Jarach. 27. Andere zonen van Joktan waren Hadoram, Usal en Dikla. 28. Ook Obal, Abimaël en Scheba waren zonen van Joktan. 29. Joktans overige zonen waren Ofir, Havila en Jobab. 30. Hun woongebied liep vanaf Mescha in de richting van Sefar, tot aan het gebergte in het oosten. 31. Dit waren de nakomelingen van Sem, ingedeeld naar hun families, talen, gebieden en volken. 32. Dit waren de families van Noachs zonen, ingedeeld naar hun afstamming en hun volken. Uit hen ontstonden na de vloed de verschillende volken op aarde. ## Genesis 11 — De toren van Babel en Terahs familie 1. De hele aarde sprak één taal en gebruikte dezelfde woorden. 2. Toen de mensen naar het oosten trokken, vonden ze een vlakte in het land Sinear. Daar gingen ze wonen. 3. Ze zeiden tegen elkaar: Kom, laten we bakstenen maken en ze goed bakken! Daarna gebruikten ze bakstenen als bouwmateriaal en asfalt als specie. 4. Ze zeiden ook: Kom, laten we voor onszelf een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Zo maken we naam en voorkomen we dat we over de hele aarde verspreid raken! 5. Toen daalde de HEERE af om de stad en de toren te bekijken die de mensen bouwden. 6. De HEERE zei: Kijk, ze vormen één volk en spreken allemaal dezelfde taal. Dit is nog maar het begin van wat ze gaan doen. Niets wat ze van plan zijn, zal nu nog onmogelijk voor hen zijn. 7. Kom, laten we afdalen en hun taal verwarren. Dan kunnen ze elkaar niet meer verstaan. 8. Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over de hele aarde, en ze hielden op met het bouwen van de stad. 9. Daarom werd de stad Babel genoemd, want daar verwarde de HEERE de taal van de hele aarde. Vandaar verspreidde Hij de mensen over de hele aarde. 10. Dit zijn de nakomelingen van Sem. Sem was 100 jaar oud toen hij Arfachsad kreeg, twee jaar na de vloed. 11. Na de geboorte van Arfachsad leefde Sem nog 500 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 12. Toen Arfachsad 35 jaar oud was, kreeg hij Selah. 13. Na de geboorte van Selah leefde Arfachsad nog 403 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 14. Toen Selah 30 jaar oud was, kreeg hij Heber. 15. Na de geboorte van Heber leefde Selah nog 403 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 16. Toen Heber 34 jaar oud was, kreeg hij Peleg. 17. Na de geboorte van Peleg leefde Heber nog 430 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 18. Toen Peleg 30 jaar oud was, kreeg hij Rehu. 19. Na de geboorte van Rehu leefde Peleg nog 209 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 20. Toen Rehu 32 jaar oud was, kreeg hij Serug. 21. Na de geboorte van Serug leefde Rehu nog 207 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 22. Toen Serug 30 jaar oud was, kreeg hij Nahor. 23. Na de geboorte van Nahor leefde Serug nog 200 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 24. Toen Nahor 29 jaar oud was, kreeg hij Terah. 25. Na de geboorte van Terah leefde Nahor nog 119 jaar. Hij kreeg zonen en dochters. 26. Toen Terah 70 jaar oud was, kreeg hij Abram, Nahor en Haran. 27. Dit is de familiegeschiedenis van Terah. Terah kreeg Abram, Nahor en Haran. Haran kreeg een zoon, Lot. 28. Haran stierf terwijl zijn vader Terah nog leefde. Dat gebeurde in Ur van de Chaldeeën, het land waar Haran geboren was. 29. Abram en Nahor trouwden. Abrams vrouw heette Sarai. Nahors vrouw heette Milka, een dochter van Haran. Haran was ook de vader van Jiska. 30. Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen. 31. Terah nam zijn zoon Abram mee, zijn kleinzoon Lot en zijn schoondochter Sarai, Abrams vrouw. Samen vertrokken ze uit Ur van de Chaldeeën om naar Kanaän te gaan. Toen ze in Haran kwamen, gingen ze daar wonen. 32. Terah werd 205 jaar oud. Hij stierf in Haran. ## Genesis 12 — God roept Abram 1. De HEERE had tegen Abram gezegd: Verlaat je land, je familie en het huis van je vader. Ga naar het land dat ik je zal wijzen. 2. Ik zal van jou een groot volk maken, je zegenen en je naam groot maken. Wees een zegen! 3. Ik zal mensen zegenen die jou zegenen. Wie jou vervloekt, zal ik vervloeken. Door jou zullen alle families op aarde gezegend worden. 4. Abram vertrok zoals de HEERE hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was 75 jaar oud toen hij uit Haran vertrok. 5. Abram nam zijn vrouw Sarai, zijn neef Lot, al hun bezittingen en iedereen die in Haran bij hun huishouden was gekomen mee. Ze vertrokken naar Kanaän en kwamen daar aan. 6. Abram trok door het land tot bij Sichem, bij het eikenbos van More. In die tijd woonden de Kanaänieten in het land. 7. Toen verscheen de HEERE aan Abram en zei: Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven. Abram bouwde daar een altaar voor de HEERE, omdat Hij aan hem verschenen was. 8. Daarna trok Abram naar het bergland ten oosten van Beth-el. Hij zette zijn tent op met Beth-el in het westen en Ai in het oosten. Daar bouwde hij een altaar voor de HEERE en riep hij de naam van de HEERE aan. 9. Daarna trok Abram steeds verder naar het zuiden. 10. Er kwam hongersnood in het land. Omdat de hongersnood zwaar was, trok Abram naar Egypte om daar tijdelijk als vreemdeling te wonen. 11. Toen hij bijna in Egypte was, zei Abram tegen zijn vrouw Sarai: Ik weet dat je een bijzonder mooie vrouw bent. 12. Wanneer de Egyptenaren je zien, zullen ze zeggen: Zij is zijn vrouw. Dan zullen ze mij doden en jou laten leven. 13. Zeg toch dat je mijn zus bent. Dan zal het dankzij jou goed met mij gaan en blijf ik door jou in leven. 14. Toen Abram in Egypte aankwam, zagen de Egyptenaren dat Sarai heel mooi was. 15. Ook de leiders van Farao zagen haar. Zij prezen haar bij Farao, waarna Sarai naar zijn paleis werd gebracht. 16. Farao behandelde Abram goed vanwege Sarai. Abram kreeg schapen, runderen, ezels, mannelijke en vrouwelijke dienaren, ezelinnen en kamelen. 17. Maar de HEERE trof Farao en zijn huis met zware plagen vanwege Sarai, de vrouw van Abram. 18. Toen riep Farao Abram bij zich en vroeg: Wat heb je mij aangedaan? Waarom heb je me niet verteld dat zij je vrouw is? 19. Waarom heb je gezegd: Zij is mijn zus? Daardoor heb ik haar als vrouw genomen. Hier is je vrouw. Neem haar mee en vertrek! 20. Farao gaf zijn mannen opdracht Abram weg te brengen. Zij begeleidden hem, zijn vrouw en alles wat hij bezat. ## Genesis 13 — Abram en Lot gaan uit elkaar 1. Abram trok vanuit Egypte naar het zuiden. Zijn vrouw, Lot en alles wat hij bezat, gingen met hem mee. 2. Abram was zeer rijk. Hij bezat veel vee, zilver en goud. 3. Vanuit het zuiden trok hij in etappes naar Beth-el. Hij kwam bij de plek tussen Beth-el en Ai waar eerder zijn tent had gestaan. 4. Daar stond het altaar dat hij eerder had gebouwd. Op die plek riep Abram de naam van de HEERE aan. 5. Ook Lot, die met Abram meeging, had schapen, runderen en tenten. 6. Het land bood niet genoeg ruimte voor hen samen. Ze hadden zoveel bezittingen dat ze niet bij elkaar konden wonen. 7. Er ontstond ruzie tussen de herders van Abram en die van Lot. In die tijd woonden ook de Kanaänieten en Ferezieten in het land. 8. Daarom zei Abram tegen Lot: Er mag geen ruzie zijn tussen jou en mij of tussen onze herders. Wij zijn toch familie. 9. Het hele land ligt voor je. Laten we uit elkaar gaan. Ga jij naar links, dan ga ik naar rechts. Ga jij naar rechts, dan ga ik naar links. 10. Lot keek rond en zag dat de hele Jordaanvlakte overal waterrijk was. Dat was voordat de HEERE Sodom en Gomorra verwoestte. Tot aan Zoar leek het gebied op de tuin van de HEERE en op Egypte. 11. Daarom koos Lot de hele Jordaanvlakte. Hij trok naar het oosten. Zo gingen Abram en Lot uit elkaar. 12. Abram bleef in Kanaän wonen. Lot woonde bij de steden in de vlakte en zette zijn tenten steeds dichter bij Sodom op. 13. De inwoners van Sodom leefden slecht en zondigden zwaar tegen de HEERE. 14. Nadat Lot was weggegaan, zei de HEERE tegen Abram: Kijk vanaf deze plek naar het noorden, zuiden, oosten en westen. 15. Al het land dat je ziet, geef ik voor altijd aan jou en je nakomelingen. 16. Ik zal je nakomelingen zo talrijk maken als het stof op de aarde. Alleen wie dat stof kan tellen, kan ook jouw nakomelingen tellen. 17. Kom, loop door dit land, in de lengte en in de breedte. Ik zal het namelijk aan jou geven. 18. Abram trok verder en sloeg zijn tenten op bij de eiken van Mamre, dicht bij Hebron. Daar bouwde hij een altaar voor de HEERE. ## Genesis 14 — Abram bevrijdt Lot 1. In die tijd regeerden Amrafel over Sinear, Arioch over Ellasar, Kedor-laomer over Elam en Tideal over verschillende volken. 2. Deze vier koningen voerden oorlog tegen vijf koningen: Bera van Sodom, Birsa van Gomorra, Sinab van Adama en Semeber van Zeboim. De vijfde was de koning van Bela, dat ook Zoar heet. 3. Deze vijf koningen verzamelden hun legers in het dal Siddim, waar nu de Zoutzee ligt. 4. Twaalf jaar lang hadden zij Kedor-laomer gediend. In het dertiende jaar kwamen ze tegen hem in opstand. 5. In het veertiende jaar trok Kedor-laomer met zijn bondgenoten op. Zij versloegen de Refaïeten in Asteroth-karnaim, de Zuzieten in Ham en de Emieten in Schave-kiriathaim. 6. Ook versloegen zij de Horieten in het bergland Seïr, tot aan de vlakte van Paran bij de woestijn. 7. Daarna keerden zij om en kwamen bij En-mispat, dat ook Kades heet. Zij veroverden het hele gebied van de Amalekieten. Ook versloegen zij de Amorieten die in Hazezon-thamar woonden. 8. Toen trokken de koningen van Sodom, Gomorra, Adama, Zeboim en Bela, dat ook Zoar heet, ten strijde. In het dal Siddim stelden ze hun legers op. 9. Ze vochten tegen Kedor-laomer van Elam, Tideal van de volken, Amrafel van Sinear en Arioch van Ellasar: vier koningen tegen vijf. 10. Het dal Siddim zat vol asfaltputten. Toen de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, vielen ze daarin. De andere soldaten vluchtten de bergen in. 11. De overwinnaars namen alle bezittingen en al het voedsel uit Sodom en Gomorra mee. Daarna trokken ze weg. 12. Ze namen ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met al zijn bezittingen. Lot woonde namelijk in Sodom. 13. Iemand die ontsnapt was, vertelde het aan Abram de Hebreeër. Hij woonde bij de eiken van de Amoriet Mamre. Mamre was de broer van Eskol en Aner. Deze drie waren Abrams bondgenoten. 14. Toen Abram hoorde dat zijn familielid gevangengenomen was, bewapende hij de 318 geoefende mannen die in zijn huis geboren waren. Hij achtervolgde de vijand tot Dan. 15. Die nacht verdeelde Abram zijn mannen in groepen en viel hij de vijand aan. Hij versloeg hen en achtervolgde hen tot Hoba, ten noorden van Damaskus. 16. Abram bracht alle buit terug. Ook bracht hij Lot en al zijn bezittingen terug, samen met de vrouwen en de andere mensen. 17. Na Abrams overwinning op Kedor-laomer en zijn bondgenoten kwam de koning van Sodom hem tegemoet in het dal Schave, het Koningsdal. 18. Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn naar buiten. Hij was priester van de allerhoogste God. 19. Melchizedek zegende Abram en zei: Moge de allerhoogste God, die hemel en aarde bezit, Abram zegenen! 20. Gezegend is de allerhoogste God, die je vijanden aan jou heeft overgeleverd! Daarna gaf Abram hem een tiende van alles. 21. De koning van Sodom zei tegen Abram: Geef mij de mensen terug, maar houd de bezittingen zelf. 22. Abram antwoordde de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven en bij de HEERE gezworen, de allerhoogste God die hemel en aarde bezit. 23. Ik zal niets van jou aannemen, zelfs geen draad of schoenriem. Zo kun je nooit zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt. 24. Ik wil zelf niets. Alleen wat de jonge mannen hebben gegeten, telt niet mee. Aner, Eskol en Mamre moeten wel hun eigen deel krijgen. ## Genesis 15 — God sluit een verbond met Abram 1. Na deze gebeurtenissen sprak de HEERE in een visioen tot Abram: Wees niet bang, Abram. Ik ben je schild. Je beloning zal heel groot zijn. 2. Toen zei Abram: Heere HEERE, wat zult U mij geven nu ik zonder kinderen blijf? Eliëzer uit Damascus beheert mijn huis. 3. Abram zei verder: U hebt mij geen nakomeling gegeven. Daarom zal iemand uit mijn eigen huis mijn erfgenaam worden. 4. Toen sprak de HEERE opnieuw tot hem: Deze man zal niet je erfgenaam zijn. Je eigen zoon zal je erfgenaam worden. 5. Daarna leidde Hij Abram naar buiten en zei: Kijk naar de hemel en tel de sterren, als je dat kunt. Zo talrijk zullen jouw nakomelingen zijn. 6. Abram geloofde de HEERE. De HEERE rekende hem dat toe als gerechtigheid. 7. Verder zei Hij tegen Abram: Ik ben de HEERE. Ik heb je uit Ur van de Chaldeeën geleid om je dit land als erfelijk bezit te geven. 8. Abram vroeg: Heere HEERE, hoe kan ik weten dat ik dit land als erfelijk bezit zal krijgen? 9. Hij antwoordde: Neem voor mij een driejarige koe, een driejarige geit en een driejarige ram. Neem ook een tortelduif en een jonge duif. 10. Abram bracht al deze dieren bij Hem en sneed ze middendoor. Daarna legde hij de helften tegenover elkaar, maar de vogels sneed hij niet door. 11. Roofvogels streken neer op de dode dieren, maar Abram joeg ze weg. 12. Toen de zon bijna onderging, viel Abram in een diepe slaap. Opeens kwam er grote angst en diepe duisternis over hem. 13. Toen zei Hij tegen Abram: Weet goed dat jouw nakomelingen als vreemdelingen zullen wonen in een land dat niet van hen is. Daar zullen zij de bewoners dienen en vierhonderd jaar lang worden onderdrukt. 14. Maar ik zal het volk dat zij dienen, straffen. Daarna zullen jouw nakomelingen met veel bezittingen uit dat land vertrekken. 15. Jij zult in vrede sterven en bij je voorouders komen. Je zult op hoge leeftijd begraven worden. 16. De vierde generatie zal hier terugkeren. De Amorieten hebben nu namelijk nog niet de volle maat van het kwaad bereikt. 17. Toen de zon onderging en het donker werd, verschenen er een rokende oven en een brandende fakkel. Ze gingen tussen de stukken door. 18. Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram. Hij zei: Ik geef dit land aan jouw nakomelingen, vanaf de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat. 19. Ook geef ik hun het gebied van de Kenieten, Kenizieten en Kadmonieten. 20. Ook geef ik hun het gebied van de Hethieten, Ferezieten en Refaïeten. 21. Ook geef ik hun het gebied van de Amorieten, Kanaänieten, Girgazieten en Jebusieten. ## Genesis 16 — Hagar en Ismaël 1. Sarai, de vrouw van Abram, kreeg geen kinderen van hem. Zij had een Egyptische slavin die Hagar heette. 2. Daarom zei Sarai tegen Abram: De HEERE heeft ervoor gezorgd dat ik geen kinderen krijg. Ga naar mijn slavin; misschien kan ik via haar toch kinderen krijgen. Abram luisterde naar Sarai. 3. Nadat Abram tien jaar in Kanaän had gewoond, gaf zijn vrouw Sarai haar Egyptische slavin Hagar aan hem als vrouw. 4. Abram sliep met Hagar en zij werd zwanger. Toen Hagar merkte dat ze zwanger was, keek ze op haar meesteres neer. 5. Toen zei Sarai tegen Abram: Het onrecht dat mij wordt aangedaan, is jouw schuld! Ik heb mijn slavin aan jou gegeven. Nu ze zwanger is, kijkt ze op mij neer. Laat de HEERE beslissen wie van ons gelijk heeft! 6. Abram antwoordde Sarai: Je slavin is in jouw macht. Doe met haar wat jij goed vindt. Toen behandelde Sarai Hagar zo hard dat zij voor haar vluchtte. 7. De engel van de HEERE vond Hagar bij een waterbron in de woestijn. Die bron lag langs de weg naar Sur. 8. Hij vroeg: Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen? Zij antwoordde: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai. 9. Toen zei de engel van de HEERE tegen haar: Ga terug naar je meesteres en onderwerp je aan haar gezag. 10. Verder zei de engel van de HEERE: Ik zal je nakomelingen zo talrijk maken dat niemand ze kan tellen. 11. Ook zei de engel van de HEERE: Je bent zwanger en zult een zoon krijgen. Noem hem Ismaël, want de HEERE heeft gehoord hoe je werd onderdrukt. 12. Hij zal zo vrij en ongetemd zijn als een wilde ezel. Hij zal met iedereen strijden, en iedereen met hem. Hij zal tegenover al zijn broers wonen. 13. Daarom gaf Hagar de HEERE, die tot haar sprak, deze naam: U bent de God die mij ziet. Ze zei namelijk: Heb ik hier werkelijk Hem gezien die naar mij omziet? 14. Daarom heet die put Lachai-Roï. Hij ligt tussen Kades en Bered. 15. Hagar kreeg een zoon van Abram, en Abram noemde hem Ismaël. 16. Abram was 86 jaar oud toen Hagar Ismaël ter wereld bracht. ## Genesis 17 — God vernieuwt Zijn verbond met Abraham 1. Toen Abram 99 jaar oud was, verscheen de HEERE aan hem en zei: Ik ben God, de Almachtige. Leef in mijn nabijheid en wees oprecht. 2. Ik zal mijn verbond met jou bevestigen en je bijzonder veel nakomelingen geven. 3. Toen boog Abram zich diep neer. Daarna sprak God verder tegen hem. 4. Wat mij betreft: mijn verbond is met jou. Jij zult de vader worden van een groot aantal volken. 5. Je zult niet langer Abram heten, maar Abraham. Ik heb je namelijk tot vader van een groot aantal volken gemaakt. 6. Ik zal je bijzonder vruchtbaar maken. Uit jou zullen volken en koningen voortkomen. 7. Ik zal mijn verbond bevestigen met jou en je nakomelingen, generatie na generatie. Het zal een eeuwig verbond zijn: ik zal jouw God zijn en de God van je nakomelingen. 8. Ik geef jou en je nakomelingen het hele land Kanaän, waar je nu als vreemdeling woont, als eeuwig bezit. Ik zal hun God zijn. 9. God zei verder tegen Abraham: Jij en je nakomelingen moeten mijn verbond naleven, generatie na generatie. 10. Dit is mijn verbond met jou en je nakomelingen, waaraan jullie je moeten houden: iedere man en jongen bij jullie moet worden besneden. 11. Jullie moeten je voorhuid laten besnijden. Dat wordt het teken van het verbond tussen mij en jullie. 12. Elke jongen moet op de achtste dag worden besneden, generatie na generatie. Dit geldt ook voor wie in jullie huis geboren of van een vreemdeling gekocht is. 13. Wie in jullie huis geboren of met jullie geld gekocht is, moet beslist worden besneden. Zo zal mijn verbond voor eeuwig in jullie lichamen blijven. 14. Iedere man of jongen die zijn voorhuid niet laat besnijden, zal uit zijn volk worden verwijderd. Hij heeft mijn verbond verbroken. 15. God zei ook tegen Abraham: Je vrouw heet voortaan niet meer Sarai, maar Sara. 16. Ik zal haar zegenen en jou door haar een zoon geven. Ik zal haar zeker zegenen: uit haar zullen volken en koningen voortkomen. 17. Toen boog Abraham zich diep neer. Hij lachte en dacht: Kan iemand van 100 jaar oud nog een kind krijgen? En kan Sara op haar negentigste nog bevallen? 18. Daarna zei Abraham tegen God: Laat Ismaël toch onder Uw bescherming leven! 19. God antwoordde: Zeker, je vrouw Sara zal jou een zoon geven. Noem hem Izak. Met hem en zijn nakomelingen sluit ik een eeuwig verbond. 20. Ook wat Ismaël betreft, heb ik naar je geluisterd. Ik zal hem zegenen, vruchtbaar maken en bijzonder veel nakomelingen geven. Hij zal twaalf vorsten voortbrengen en uitgroeien tot een groot volk. 21. Maar mijn verbond sluit ik met Izak. Sara zal hem volgend jaar rond deze tijd ter wereld brengen. 22. Toen God uitgesproken was, ging Hij bij Abraham vandaan omhoog. 23. Nog diezelfde dag nam Abraham zijn zoon Ismaël en alle mannen en jongens in zijn huis. Zoals God had opgedragen, besneed hij iedereen die bij hem geboren of met zijn geld gekocht was. 24. Abraham was 99 jaar oud toen hij werd besneden. 25. Abrahams zoon Ismaël was 13 jaar oud toen hij werd besneden. 26. Abraham en zijn zoon Ismaël werden op diezelfde dag besneden. 27. Alle mannen en jongens uit Abrahams huis werden samen met hem besneden. Dat gold zowel voor wie er geboren was als voor wie van een vreemdeling was gekocht. ## Genesis 18 — De HEERE bezoekt Abraham 1. Daarna verscheen de HEERE aan Abraham bij de eiken van Mamre. Op het heetst van de dag zat Abraham bij de ingang van zijn tent. 2. Toen hij opkeek, zag hij ineens drie mannen tegenover zich staan. Zodra hij hen zag, rende hij hun vanuit de tent tegemoet. Hij boog zich diep voor hen neer. 3. Abraham zei: Mijn Heer, als U mij goedgezind bent, ga dan alstublieft niet aan Uw dienaar voorbij. 4. Laat wat water brengen, zodat jullie je voeten kunnen wassen. Rust daarna uit onder deze boom. 5. Ik laat wat eten halen, zodat jullie weer op krachten komen. Daarna kunnen jullie verdergaan. Jullie zijn tenslotte bij mij langsgekomen. Zij antwoordden: Doe maar wat je hebt gezegd. 6. Abraham haastte zich naar Sara in de tent en zei: Pak snel drie maten fijn meel, kneed het en bak er broden van. 7. Daarna rende Abraham naar de kudde en koos een mals, goed kalf. Hij gaf het aan een knecht, die het snel klaarmaakte. 8. Abraham bracht boter, melk en het klaargemaakte kalf. Hij zette alles voor hen neer en bleef onder de boom bij hen staan. Toen aten zij. 9. Zij vroegen Abraham: Waar is je vrouw Sara? Abraham antwoordde: Daar, in de tent. 10. De HEERE zei: Over een jaar kom ik bij je terug. Dan zal je vrouw Sara een zoon hebben. Sara luisterde mee bij de ingang van de tent, achter Hem. 11. Abraham en Sara waren allebei oud en op hoge leeftijd. Sara menstrueerde niet meer. 12. Sara lachte stil bij zichzelf en dacht: Nu ik oud ben, zal ik dan nog van intimiteit genieten? Mijn man is ook oud. 13. Toen vroeg de HEERE aan Abraham: Waarom heeft Sara gelachen? Waarom denkt ze: Kan ik op mijn leeftijd werkelijk nog een kind baren? 14. Is er iets te moeilijk voor de HEERE? Op de vastgestelde tijd kom ik bij je terug, rond deze tijd volgend jaar. Dan zal Sara een zoon hebben. 15. Sara werd bang en ontkende: Ik heb niet gelachen. Maar Hij zei: Jawel, je hebt wél gelachen. 16. Daarna stonden de mannen op en keken in de richting van Sodom. Abraham liep met hen mee om hen een eind op weg te begeleiden. 17. De HEERE zei: Ik zal niet voor Abraham verbergen wat ik ga doen. 18. Abraham zal immers zeker een groot en machtig volk worden. Door hem zullen alle volken op aarde gezegend worden. 19. Ik heb hem uitgekozen. Hij moet zijn kinderen en zijn huishouden opdragen om ook na hem de weg van de HEERE te blijven volgen. Zij moeten doen wat rechtvaardig en eerlijk is. Zo zal de HEERE voor Abraham doen wat Hij hem beloofd heeft. 20. Toen zei de HEERE: Het geroep over Sodom en Gomorra is luid. Hun zonde is bijzonder zwaar. 21. Ik daal nu af om te onderzoeken of hun daden werkelijk zo erg zijn als het geroep dat mij bereikt heeft. Zo niet, dan zal ik het weten. 22. Twee van de mannen draaiden zich om en gingen naar Sodom. Abraham bleef echter voor de HEERE staan. 23. Abraham kwam dichterbij en vroeg: Wilt U de rechtvaardigen samen met de goddelozen vernietigen? 24. Misschien zijn er vijftig rechtvaardige mensen in de stad. Wilt U hen dan werkelijk doden? Wilt U de stad niet sparen vanwege die vijftig rechtvaardigen? 25. Dat kunt U toch niet doen! U zult de rechtvaardigen niet samen met de goddelozen doden en hen hetzelfde behandelen. Dat past niet bij U! Zal de Rechter van de hele aarde geen recht doen? 26. De HEERE antwoordde: Als ik in de stad Sodom vijftig rechtvaardige mensen vind, zal ik vanwege hen de hele plaats sparen. 27. Abraham antwoordde: Ik waag het om tot U te spreken, hoewel ik maar stof en as ben. 28. Abraham vervolgde: Misschien ontbreken er vijf van de vijftig rechtvaardigen. Zult U de hele stad vernietigen omdat er maar vijf ontbreken? Hij antwoordde: Ik vernietig haar niet als ik er vijfenveertig vind. 29. Abraham sprak verder: Misschien zijn er daar veertig rechtvaardigen. Hij antwoordde: Dan doe ik het niet vanwege die veertig. 30. Abraham zei: Mijn Heer, word alstublieft niet boos als ik verder spreek. Misschien zijn er daar dertig. Hij antwoordde: Ik doe het niet als ik er dertig vind. 31. Abraham zei: Ik waag het opnieuw om tot U te spreken. Misschien zijn er daar twintig. Hij antwoordde: Vanwege die twintig zal ik de stad niet vernietigen. 32. Abraham zei: Mijn Heer, word alstublieft niet boos als ik nog één keer spreek. Misschien zijn er daar tien. Hij antwoordde: Vanwege die tien zal ik de stad niet vernietigen. 33. Toen de HEERE uitgesproken was, ging Hij weg. Abraham ging terug naar de plek waar hij woonde. ## Genesis 19 — De verwoesting van Sodom en Gomorra 1. Tegen de avond kwamen de twee engelen in Sodom aan. Lot zat bij de stadspoort. Toen hij hen zag, stond hij op. Hij liep hun tegemoet en boog diep voor hen. 2. Lot zei: Heren, kom toch mee naar het huis van uw dienaar. Blijf er vannacht en was uw voeten. Morgenochtend kunt u vroeg weer vertrekken. Zij antwoordden: Nee, wij overnachten buiten op het plein. 3. Lot bleef sterk aandringen. Toen gingen zij met hem mee naar huis. Hij maakte een maaltijd, bakte ongezuurde broden en zij aten. 4. Voordat zij gingen slapen, omsingelden de mannen van Sodom het huis. Jong en oud, de hele stad, was samengekomen. 5. Zij riepen naar Lot: Waar zijn de mannen die vannacht bij je zijn gekomen? Breng ze naar buiten. Wij willen seks met hen. 6. Lot ging naar hen toe en trok de deur achter zich dicht. 7. Hij zei: Broeders, doe toch niets slechts! 8. Kijk, ik heb twee dochters die nog nooit met een man hebben geslapen. Ik zal hen bij jullie brengen. Doe met hen wat jullie willen. Maar doe deze mannen niets. Zij zijn als gasten onder mijn dak gekomen en staan daarom onder mijn bescherming. 9. Zij schreeuwden: Ga opzij! Daarna zeiden ze: Deze man kwam hier als vreemdeling wonen en nu wil hij ons ook nog de wet voorschrijven! We zullen jou erger behandelen dan hen. Ze drongen hard tegen Lot aan en probeerden de deur open te breken. 10. Toen staken de twee mannen hun handen naar buiten. Ze trokken Lot het huis in en sloten de deur. 11. Daarna sloegen zij de mannen bij de deur met blindheid, van jong tot oud. Die konden de deur niet meer vinden en raakten uitgeput. 12. De mannen vroegen Lot: Heb je hier nog andere familie: schoonzonen, zonen of dochters? Breng iedereen die bij je hoort de stad uit. 13. Wij gaan deze plaats verwoesten. De beschuldigingen tegen haar inwoners zijn zo zwaar bij de HEERE aangekomen dat Hij ons stuurde om haar te verwoesten. 14. Lot ging naar de mannen die met zijn dochters zouden trouwen. Hij zei: Kom snel! Verlaat deze plaats, want de HEERE gaat de stad verwoesten. Maar zijn schoonzonen dachten dat hij een grap maakte. 15. Bij het aanbreken van de dag spoorden de engelen Lot aan: Sta op! Neem je vrouw en je twee dochters mee. Anders kom je om door de straf over deze stad. 16. Lot bleef aarzelen. Toen grepen de mannen hem, zijn vrouw en zijn dochters bij de hand. De HEERE wilde hem sparen. Daarom brachten zij hen veilig buiten de stad. 17. Toen zij hen buiten de stad hadden gebracht, zei een van de engelen: Vlucht voor je leven! Kijk niet om en blijf nergens op deze vlakte staan. Vlucht naar de bergen, anders kom je om. 18. Lot antwoordde: Nee toch, Heer! 19. U bent mij, Uw dienaar, genadig geweest. U hebt Uw grote trouw getoond door mijn leven te redden. Maar ik kan niet naar de bergen vluchten. Het onheil zal mij daar inhalen en dan sterf ik. 20. Kijk, die stad is dichtbij genoeg om naartoe te vluchten. Ze is maar klein. Laat mij daarheen vluchten, zodat ik in leven blijf. 21. De engel antwoordde: Goed, ook dit verzoek sta ik toe. Ik zal de stad die je noemt niet verwoesten. 22. Vlucht snel daarheen. Ik kan niets doen voordat je daar bent. Daarom werd die stad Zoar genoemd. 23. De zon was net opgekomen toen Lot in Zoar aankwam. 24. Toen liet de HEERE vanuit de hemel brandende zwavel regenen op Sodom en Gomorra. 25. Hij verwoestte die steden en de hele vlakte. Alle inwoners kwamen om, samen met alles wat op het land groeide. 26. Maar Lots vrouw keek achterom en werd een zoutpilaar. 27. Die ochtend ging Abraham vroeg naar de plaats waar hij voor de HEERE had gestaan. 28. Hij keek uit over Sodom, Gomorra en de hele vlakte. Hij zag dikke rook uit het land opstijgen, zoals rook uit een oven. 29. Toen God de steden van de vlakte verwoestte, dacht Hij aan Abraham. Daarom bracht Hij Lot weg uit de steden waar Lot had gewoond. 30. Lot vertrok uit Zoar en ging met zijn twee dochters in de bergen wonen. Hij durfde niet in Zoar te blijven. Daarom woonden zij samen in een grot. 31. De oudste dochter zei tegen de jongste: Onze vader is oud. In dit gebied is er geen man met wie wij kinderen kunnen krijgen, zoals overal gebruikelijk is. 32. Kom, laten we onze vader wijn laten drinken en met hem slapen. Dan kunnen we via onze vader een familie voortzetten. 33. Die nacht gaven zij hun vader wijn. De oudste sliep met hem, maar Lot merkte niet dat zij kwam of wegging. 34. De volgende dag zei de oudste tegen de jongste: Ik heb vannacht met onze vader geslapen. Laten we hem ook vanavond wijn geven. Ga jij dan met hem slapen, zodat we via hem een familie voortzetten. 35. Ook die nacht gaven zij hun vader wijn. De jongste sliep met hem. Lot merkte niet dat zij kwam of wegging. 36. Zo werden beide dochters van Lot zwanger van hun vader. 37. De oudste kreeg een zoon en noemde hem Moab. Hij werd de stamvader van de Moabieten, die nog altijd bestaan. 38. De jongste kreeg ook een zoon en noemde hem Ben-Ammi. Hij werd de stamvader van de Ammonieten, die nog altijd bestaan. ## Genesis 20 — Abraham en Abimelech 1. Abraham trok vandaar naar het zuidelijke gebied. Hij woonde tussen Kades en Sur en verbleef een tijdlang als vreemdeling in Gerar. 2. Over zijn vrouw Sara zei Abraham: Zij is mijn zus. Daarom liet Abimelech, de koning van Gerar, Sara bij zich halen. 3. Maar God verscheen Abimelech 's nachts in een droom. Hij zei: Je zult sterven vanwege de vrouw die je hebt meegenomen. Zij is namelijk getrouwd. 4. Abimelech had nog niet met haar geslapen. Hij vroeg: Heer, wilt U dan een onschuldig volk doden? 5. Hij heeft mij zelf gezegd: Zij is mijn zus. Ook zij zei: Hij is mijn broer. Ik heb dit met een zuiver geweten en onschuldige handen gedaan. 6. God antwoordde hem in de droom: Ik weet dat je dit met een zuiver geweten hebt gedaan. Daarom heb ik voorkomen dat je tegen mij zondigde. Ik heb niet toegelaten dat je haar aanraakte. 7. Geef die man nu zijn vrouw terug, want hij is een profeet. Hij zal voor je bidden, zodat je blijft leven. Als je haar niet teruggeeft, zul jij beslist sterven, samen met iedereen die bij je hoort. 8. Abimelech stond de volgende ochtend vroeg op en riep al zijn dienaren bijeen. Hij vertelde hun alles wat God had gezegd. De mannen werden heel bang. 9. Toen liet Abimelech Abraham roepen en vroeg: Wat heb je ons aangedaan? Wat heb ik tegen je misdaan dat je mij en mijn koninkrijk zo'n grote schuld hebt bezorgd? Je hebt mij iets aangedaan wat nooit had mogen gebeuren. 10. Daarna vroeg Abimelech aan Abraham: Wat bezielde je om dit te doen? 11. Abraham antwoordde: Ik dacht dat de mensen hier vast geen ontzag voor God hadden. Ze zouden mij vanwege mijn vrouw doden. 12. Bovendien is zij echt mijn zus. Zij is een dochter van mijn vader, maar niet van mijn moeder. Later werd zij mijn vrouw. 13. Toen God mij ver van mijn ouderlijk huis liet rondtrekken, vroeg ik haar: Bewijs mij deze trouw. Zeg overal waar we komen over mij: Hij is mijn broer. 14. Toen gaf Abimelech schapen, runderen, dienaren en dienaressen aan Abraham. Ook gaf hij Abraham zijn vrouw Sara terug. 15. Abimelech zei: Kijk, mijn land ligt voor je open. Ga wonen waar je maar wilt. 16. Tegen Sara zei hij: Kijk, ik heb je broer duizend zilverstukken gegeven. Dat bedrag is voor iedereen bij je het bewijs dat jouw eer is hersteld. Zo ben je volledig vrijgepleit. 17. Toen bad Abraham tot God. God genas Abimelech, zijn vrouw en zijn dienaressen, zodat zij weer kinderen konden krijgen. 18. De HEERE had namelijk alle vrouwen in Abimelechs huis onvruchtbaar gemaakt vanwege Sara, de vrouw van Abraham. ## Genesis 21 — De geboorte van Izak en Gods zorg voor Ismaël 1. De HEERE zag naar Sara om zoals Hij had gezegd. Hij deed voor haar wat Hij had beloofd. 2. Sara werd zwanger en kreeg voor Abraham een zoon toen hij oud was. Het gebeurde precies op het tijdstip dat God had genoemd. 3. Abraham noemde de zoon die Sara hem had gebaard Izak. 4. Toen Izak acht dagen oud was, besneed Abraham hem, zoals God hem had opgedragen. 5. Abraham was honderd jaar oud toen zijn zoon Izak werd geboren. 6. Sara zei: God heeft mij laten lachen. Iedereen die dit hoort, zal met mij lachen. 7. Ze zei ook: Wie had ooit tegen Abraham durven zeggen dat Sara kinderen zou voeden? Toch heb ik hem op hoge leeftijd een zoon gebaard. 8. Izak groeide en kreeg geen borstvoeding meer. Op die dag gaf Abraham een groot feest. 9. Sara zag dat de zoon die de Egyptische Hagar voor Abraham had gekregen, aan het spotten was. 10. Toen zei zij tegen Abraham: Jaag deze slavin en haar zoon weg. De zoon van deze slavin mag niet samen met mijn zoon Izak erven. 11. Abraham vond dit heel erg, omdat het om zijn zoon ging. 12. God zei tegen Abraham: Maak je niet zo bezorgd over de jongen en je slavin. Luister naar alles wat Sara tegen je zegt. Want de nakomelingen van Izak zullen als jouw nageslacht gelden. 13. Maar ook de zoon van de slavin zal ik tot een volk maken, omdat hij jouw zoon is. 14. De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij gaf Hagar brood en een leren waterzak, die hij op haar schouder legde. Ook gaf hij haar de jongen mee en stuurde haar weg. Zij vertrok en dwaalde rond in de woestijn van Berseba. 15. Toen het water in de zak op was, legde Hagar de jongen onder een struik. 16. Zelf ging ze op een boogschot afstand tegenover hem zitten. Ze dacht: Ik kan niet aanzien hoe mijn kind sterft. Terwijl ze daar zat, begon ze luid te huilen. 17. God hoorde de stem van de jongen. Vanuit de hemel riep de engel van God Hagar toe: Hagar, wat is er? Wees niet bang. God heeft de jongen gehoord op de plek waar hij ligt. 18. Sta op, help de jongen overeind en houd hem goed vast. Ik zal van hem een groot volk maken. 19. Toen opende God haar ogen, zodat ze een waterput zag. Ze vulde de waterzak en gaf de jongen te drinken. 20. God was met de jongen. Hij groeide op in de woestijn en werd een boogschutter. 21. Hij woonde in de woestijn van Paran. Zijn moeder koos voor hem een vrouw uit Egypte. 22. In die tijd kwamen Abimelech en zijn legeraanvoerder Pichol bij Abraham. Abimelech zei: God is met je bij alles wat je doet. 23. Zweer mij daarom hier bij God dat je mij, mijn kinderen en mijn nakomelingen niet zult bedriegen. Behandel mij en het land waar je als vreemdeling woont net zo goed als ik jou heb behandeld. 24. Abraham antwoordde: Ik zweer het. 25. Daarna sprak Abraham Abimelech aan over een waterput die Abimelechs dienaren met geweld hadden ingenomen. 26. Abimelech zei: Ik weet niet wie dit heeft gedaan. Jij hebt het mij niet verteld en ik hoorde er pas vandaag over. 27. Toen gaf Abraham schapen en runderen aan Abimelech. Zo sloten zij samen een verbond. 28. Abraham zette zeven jonge ooien apart van de kudde. 29. Abimelech vroeg aan Abraham: Waarom heb je deze zeven jonge ooien apart gezet? 30. Abraham antwoordde: Neem deze zeven jonge ooien van mij aan. Dan dienen ze als bewijs dat ik deze put heb gegraven. 31. Daarom noemde men die plaats Berseba, want daar hadden zij allebei een eed gezworen. 32. Zo sloten zij in Berseba een verbond. Daarna vertrokken Abimelech en zijn legeraanvoerder Pichol en gingen terug naar het land van de Filistijnen. 33. Abraham plantte in Berseba een bos. Daar aanbad hij de HEERE, de eeuwige God. 34. Abraham woonde nog lange tijd als vreemdeling in het land van de Filistijnen. ## Genesis 22 — God stelt Abraham op de proef 1. Na deze gebeurtenissen stelde God Abraham op de proef. Hij zei: Abraham! Abraham antwoordde: Hier ben ik. 2. Neem je zoon Izak, je enige zoon, van wie je houdt. Ga naar het land Moria en offer hem daar als brandoffer. Doe dat op een van de bergen die ik je zal aanwijzen. 3. De volgende morgen stond Abraham vroeg op en zadelde zijn ezel. Hij nam twee dienaren en zijn zoon Izak mee. Daarna kloofde hij hout voor het brandoffer en ging op weg naar de plaats die God hem had genoemd. 4. Op de derde dag keek Abraham op en zag de plaats in de verte. 5. Abraham zei tegen zijn dienaren: Blijf hier bij de ezel. De jongen en ik gaan daarheen om te aanbidden. Daarna komen we bij jullie terug. 6. Abraham liet zijn zoon Izak het hout voor het brandoffer dragen. Zelf droeg hij het vuur en het mes. Zo liepen ze samen verder. 7. Toen zei Izak tegen zijn vader Abraham: Vader! Abraham antwoordde: Hier ben ik, mijn zoon. Izak vroeg: We hebben vuur en hout, maar waar is het lam voor het brandoffer? 8. Abraham antwoordde: God zal zelf voor een lam als brandoffer zorgen, mijn zoon. Daarna liepen ze samen verder. 9. Ze kwamen op de plaats die God Abraham had genoemd. Daar bouwde Abraham een altaar en legde het hout erop. Hij bond zijn zoon Izak vast en legde hem op het hout boven op het altaar. 10. Toen strekte Abraham zijn hand uit en pakte het mes om zijn zoon te slachten. 11. Maar de engel van de HEERE riep hem vanuit de hemel: Abraham, Abraham! Abraham antwoordde: Hier ben ik. 12. Raak de jongen niet aan en doe hem niets. Nu weet ik dat je ontzag voor God hebt. Je hebt je zoon, je enige, niet aan mij onthouden. 13. Abraham keek op en zag achter zich een ram. Zijn horens zaten vast in de struiken. Abraham pakte de ram en offerde hem als brandoffer in plaats van zijn zoon. 14. Abraham noemde die plaats: De HEERE zal voorzien. Daarom zegt men nog steeds: Op de berg van de HEERE zal Hij voorzien. 15. Daarna riep de engel van de HEERE Abraham voor de tweede keer vanuit de hemel. 16. De HEERE zegt: Ik zweer bij mijzelf dat ik het volgende zal doen. Want je hebt dit gedaan en je zoon, je enige, niet achtergehouden. 17. Ik zal je rijk zegenen en je zeer veel nakomelingen geven. Ze zullen zo talrijk zijn als de sterren aan de hemel en het zand aan de kust. Jouw nakomelingen zullen de steden van hun vijanden veroveren. 18. Via jouw nageslacht zullen alle volken op aarde gezegend worden, omdat je mij hebt gehoorzaamd. 19. Daarna ging Abraham terug naar zijn dienaren. Samen vertrokken ze naar Berseba. Abraham bleef daar wonen. 20. Na deze gebeurtenissen kreeg Abraham dit bericht: Ook Milka heeft zonen gekregen van je broer Nahor. 21. Uz was de oudste. Daarna kwamen zijn broer Buz en Kemuël, de vader van Aram. 22. De andere zonen waren Chesed, Hazo, Pildas, Jidlaf en Bethuël. 23. Bethuël werd de vader van Rebekka. In totaal kregen Milka en Nahor, Abrahams broer, deze acht zonen. 24. Nahors bijvrouw heette Reüma. Zij kreeg ook de zonen Tebah, Gaham, Tahas en Maächa. ## Genesis 23 — Abraham koopt een graf voor Sara 1. Sara werd 127 jaar oud. 2. Sara stierf in Kiriath-arba, dat ook Hebron heet, in het land Kanaän. Abraham ging naar haar toe om over haar te rouwen en te huilen. 3. Daarna stond Abraham op bij zijn overleden vrouw vandaan en zei tegen de Hethieten: 4. Ik ben een vreemdeling die als inwoner bij jullie woont. Geef mij een eigen begraafplaats, zodat ik mijn overleden vrouw kan begraven. 5. De Hethieten antwoordden Abraham: 6. Mijn heer, luister naar ons. Wij zien u als een machtige leider die door God gezegend is. Begraaf uw vrouw in het beste graf dat wij hebben. Niemand van ons zal u zijn graf weigeren. 7. Toen stond Abraham op en boog hij voor de Hethieten, de inwoners van het land. 8. Hij zei tegen hen: Als jullie willen dat ik mijn overleden vrouw begraaf, luister dan naar mij. Vraag Efron, de zoon van Zohar, namens mij: 9. Laat hem mij de grot van Machpela verkopen, die aan de rand van zijn akker ligt. Ik betaal hem in jullie bijzijn de volle prijs. Zo krijg ik bij jullie een eigen begraafplaats. 10. Efron de Hethiet zat tussen de andere Hethieten. In het bijzijn van iedereen die door zijn stadspoort kwam, antwoordde hij Abraham: 11. Nee, mijn heer, luister naar mij. Ik geef u de akker en de grot die erin ligt. In het bijzijn van mijn volksgenoten geef ik ze aan u. Begraaf uw overleden vrouw daar. 12. Toen boog Abraham voor de inwoners van het land. 13. Terwijl iedereen luisterde, zei hij tegen Efron: Maar als u het echt wilt, luister dan alstublieft naar mij. Ik betaal de prijs voor de akker. Neem het geld van mij aan. Dan kan ik mijn overleden vrouw daar begraven. 14. Efron antwoordde Abraham: 15. Mijn heer, luister naar mij. De akker is vierhonderd sikkel zilver waard. Wat is zo'n bedrag nu tussen u en mij? Begraaf uw overleden vrouw. 16. Abraham ging akkoord met Efron. Voor de Hethieten woog Abraham toen vierhonderd sikkel zilver voor Efron af, volgens het gewicht dat handelaars gebruikten. 17. De koop betrof Efrons akker in Machpela, tegenover Mamre. Ook de grot en alle bomen binnen de grenzen van het terrein hoorden erbij. 18. Zo werd dit alles officieel Abrahams bezit. De Hethieten en alle inwoners die bij de stadspoort kwamen, waren daarvan getuige. 19. Daarna begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op de akker van Machpela. Die ligt tegenover Mamre, dat ook Hebron heet, in het land Kanaän. 20. Zo werden de akker en de grot door de Hethieten officieel aan Abraham overgedragen als zijn eigen begraafplaats. ## Genesis 24 — Een vrouw voor Izak 1. Abraham was inmiddels oud en hoogbejaard. De HEERE had hem in alle opzichten gezegend. 2. Abraham zei tegen zijn oudste dienaar, die al zijn bezittingen beheerde: Leg je hand onder mijn heup. 3. Ik laat je zweren bij de HEERE, de God van hemel en aarde. Kies voor mijn zoon geen vrouw uit de Kanaänitische vrouwen tussen wie ik woon. 4. Ga naar mijn eigen land en familie. Daar moet je een vrouw voor mijn zoon Izak zoeken. 5. De dienaar vroeg: Misschien wil die vrouw mij niet naar dit land volgen. Moet ik uw zoon dan terugbrengen naar het land waaruit u vertrok? 6. Abraham antwoordde: Zorg ervoor dat je mijn zoon nooit daarheen terugbrengt! 7. De HEERE, de God van de hemel, haalde mij weg uit mijn vaders huis en mijn geboorteland. Hij beloofde mij plechtig: Aan jouw nakomelingen zal ik dit land geven. Hij zal Zijn engel voor je uit sturen. Daar zul je een vrouw voor mijn zoon vinden. 8. Wil de vrouw niet met je meegaan, dan ben je vrij van deze eed aan mij. Breng mijn zoon alleen nooit daarheen terug. 9. De dienaar legde zijn hand onder de heup van zijn meester Abraham. Zo zwoer hij dat hij deze opdracht zou uitvoeren. 10. De dienaar nam tien kamelen van zijn meester mee en vertrok. Hij had allerlei bezittingen van zijn meester bij zich. Hij reisde naar Mesopotamië, naar de stad waar Nahor woonde. 11. Buiten de stad liet hij de kamelen bij een waterput neerknielen. Het was avond, de tijd waarop de vrouwen water kwamen halen. 12. Toen bad hij: HEERE, God van mijn meester Abraham, laat mij vandaag de juiste vrouw ontmoeten. Toon zo Uw trouw aan mijn meester Abraham. 13. Ik sta hier bij de bron. De meisjes uit de stad komen hier water halen. 14. Ik zal tegen een meisje zeggen: Houd je kruik wat lager, zodat ik kan drinken. Als zij antwoordt: Drink, en ik zal ook uw kamelen water geven, dan is zij degene die U voor Uw dienaar Izak hebt bestemd. Zo weet ik dat U mijn meester trouw bent geweest. 15. Nog voordat hij uitgesproken was, kwam Rebekka eraan met haar kruik op haar schouder. Zij was een dochter van Bethuël. Bethuël was een zoon van Milka en Nahor, de broer van Abraham. 16. Het meisje was heel mooi. Ze was nog maagd en had nooit met een man geslapen. Ze liep naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer omhoog. 17. De dienaar liep snel naar haar toe en vroeg: Mag ik alsjeblieft wat water uit je kruik drinken? 18. Ze antwoordde: Drink maar, meneer. Ze liet snel haar kruik in haar handen zakken en gaf hem te drinken. 19. Toen hij genoeg had gedronken, zei ze: Ik zal ook water voor uw kamelen putten, totdat ze allemaal genoeg hebben gedronken. 20. Snel goot ze haar kruik leeg in de drinkbak. Daarna liep ze steeds terug naar de put en haalde water voor al zijn kamelen. 21. De man keek zwijgend en aandachtig naar haar. Hij wilde weten of de HEERE zijn reis had laten slagen. 22. Toen de kamelen genoeg hadden gedronken, gaf de man haar een gouden voorhoofdssieraad van ongeveer zes gram. Ook gaf hij haar twee gouden armbanden van samen ongeveer honderdvijftien gram. 23. Hij vroeg: Van wie ben je een dochter? Vertel het me alsjeblieft. Is er in het huis van je vader ruimte waar wij kunnen overnachten? 24. Ze antwoordde: Ik ben een dochter van Bethuël. Hij is de zoon van Milka en Nahor. 25. Ze zei verder: Wij hebben veel stro en voer. Er is ook ruimte om te overnachten. 26. Toen boog de man zijn hoofd en aanbad de HEERE. 27. Hij zei: Geprezen is de HEERE, de God van mijn meester Abraham! Hij is mijn meester trouw en goed gebleven. De HEERE heeft mij rechtstreeks naar de familie van mijn meester geleid. 28. Het meisje rende naar het huis van haar moeder en vertelde wat er was gebeurd. 29. Rebekka had een broer die Laban heette. Hij rende naar de man bij de bron. 30. Hij had het voorhoofdssieraad en de armbanden van zijn zus gezien. Ook had hij Rebekka horen vertellen wat de man tegen haar zei. Daarom liep hij naar de man, die nog bij de kamelen en de bron stond. 31. Laban zei: Kom binnen, man die door de HEERE gezegend is! Waarom blijft u buiten staan? Ik heb het huis klaargemaakt en ook plaats voor de kamelen. 32. De man ging mee naar het huis. Laban maakte de kamelen los en gaf ze stro en voer. Voor de dienaar en zijn mannen bracht hij water om hun voeten te wassen. 33. Daarna werd de dienaar eten voorgezet. Hij zei: Ik eet pas nadat ik heb verteld waarom ik hier ben. Laban antwoordde: Vertel het maar. 34. De dienaar begon: Ik ben een dienaar van Abraham. 35. De HEERE heeft mijn meester rijk gezegend en machtig gemaakt. Hij gaf hem schapen, runderen, zilver, goud, dienaren, dienaressen, kamelen en ezels. 36. Sara, de vrouw van mijn meester, kreeg op hoge leeftijd een zoon. Mijn meester heeft die zoon al zijn bezittingen gegeven. 37. Mijn meester liet mij zweren. Hij zei: Kies voor mijn zoon geen vrouw uit de Kanaänitische vrouwen in wier land ik woon. 38. Ga naar mijn familie en het huis van mijn vader. Daar moet je een vrouw voor mijn zoon zoeken. 39. Toen vroeg ik mijn meester: Misschien wil die vrouw mij niet volgen. 40. Mijn meester antwoordde: De HEERE, in wiens nabijheid ik heb geleefd, zal Zijn engel met je meesturen. Hij zal je reis laten slagen. Zo kun je voor mijn zoon een vrouw uit mijn familie en mijn vaders huis vinden. 41. Je bent pas van mijn eed ontslagen als je naar mijn familie bent gegaan. Als zij haar niet aan je meegeven, ben je vrij van mijn eed. 42. Vandaag kwam ik bij de bron en bad: HEERE, God van mijn meester Abraham, laat de reis die ik maak toch slagen. 43. Ik sta hier bij de bron. Straks komt een meisje water halen. Ik zal haar vragen: Geef mij alsjeblieft wat water uit je kruik. 44. Als zij antwoordt: Drink gerust. Ik zal ook water voor uw kamelen putten. Dan is zij de vrouw die de HEERE voor de zoon van mijn meester heeft bestemd. 45. Voordat ik in stilte was uitgebeden, kwam Rebekka eraan met haar kruik op haar schouder. Ze liep naar de bron en haalde water. Ik vroeg haar: Geef mij alsjeblieft wat te drinken. 46. Ze liet snel haar kruik zakken en zei: Drink gerust. Ik zal ook uw kamelen water geven. Ik dronk en zij gaf ook de kamelen water. 47. Toen vroeg ik haar: Van wie ben je een dochter? Zij antwoordde: Mijn vader is Bethuël, de zoon van Nahor en Milka. Daarna deed ik haar het voorhoofdssieraad om en schoof ik de armbanden om haar polsen. 48. Toen knielde ik en aanbad de HEERE. Ik prees de HEERE, de God van mijn meester Abraham. Hij had mij over de juiste weg geleid om voor zijn zoon een vrouw uit zijn familie te vinden. 49. Vertel mij nu of u mijn meester trouw en goed wilt behandelen. Zo niet, vertel mij dat ook. Dan weet ik wat ik verder moet doen. 50. Laban en Bethuël antwoordden: Dit komt van de HEERE. Wij kunnen er niets tegenin brengen. 51. Hier is Rebekka. Neem haar mee. Laat haar de vrouw worden van de zoon van uw meester, zoals de HEERE heeft bepaald. 52. Toen Abrahams dienaar hun antwoord hoorde, boog hij zich diep neer voor de HEERE. 53. De dienaar haalde zilveren en gouden voorwerpen en mooie kleding tevoorschijn. Hij gaf ze aan Rebekka. Ook haar broer en moeder gaf hij kostbare geschenken. 54. Daarna aten en dronken de dienaar en zijn mannen. Ze bleven er overnachten. De volgende ochtend zei de dienaar: Laat mij teruggaan naar mijn meester. 55. Rebekka's broer en moeder zeiden: Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven. Daarna kan ze vertrekken. 56. Maar hij antwoordde: Houd me niet langer op. De HEERE heeft mijn reis laten slagen. Laat mij teruggaan naar mijn meester. 57. Zij zeiden: Laten we het meisje roepen en haar zelf vragen wat ze wil. 58. Ze riepen Rebekka en vroegen: Wil je met deze man meegaan? Ze antwoordde: Ja, ik ga mee. 59. Toen stuurden ze Rebekka op weg, samen met haar verzorgster. Ook Abrahams dienaar en zijn mannen lieten ze vertrekken. 60. Ze zegenden Rebekka met de woorden: Onze zus, mogen er ontelbaar veel mensen van jou afstammen! Mogen jouw nakomelingen de steden van hun vijanden veroveren. 61. Rebekka vertrok met haar dienaressen. Ze reden op kamelen en volgden de man. Zo nam Abrahams dienaar Rebekka mee en vertrok. 62. Izak was teruggekomen uit de omgeving van de bron Lachai-Roï. Hij woonde in het zuiden van Kanaän. 63. Tegen de avond ging Izak het veld in om te bidden. Toen hij opkeek, zag hij kamelen aankomen. 64. Ook Rebekka keek op. Toen ze Izak zag, stapte ze snel van haar kameel. 65. Ze vroeg aan de dienaar: Wie is die man die ons door het veld tegemoetkomt? De dienaar antwoordde: Dat is mijn meester. Toen pakte ze haar sluier en bedekte haar gezicht. 66. De dienaar vertelde Izak alles wat hij had gedaan. 67. Izak bracht Rebekka naar de tent van zijn moeder Sara en trouwde met haar. Hij hield van haar. Zo vond hij troost na de dood van zijn moeder. ## Genesis 25 — Abrahams dood en de geboorte van Ezau en Jakob 1. Abraham trouwde opnieuw. Zijn vrouw heette Ketura. 2. Ketura kreeg met Abraham zes zonen: Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah. 3. Joksan kreeg twee zonen: Seba en Dedan. De zonen van Dedan waren de Assurieten, Letusieten en Leummieten. 4. De zonen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaa. Al deze mannen waren nakomelingen van Ketura. 5. Abraham gaf alles wat hij bezat aan Izak. 6. Abraham gaf de zonen van zijn bijvrouwen geschenken. Terwijl hij nog leefde, stuurde hij hen weg van Izak naar het land in het oosten. 7. Abraham werd in totaal 175 jaar oud. 8. Abraham blies zijn laatste adem uit en stierf op hoge leeftijd. Hij was oud en had een vervuld leven gehad. Hij werd met zijn voorgeslacht verenigd. 9. Zijn zonen Izak en Ismaël begroeven hem in de grot van Machpela. Die ligt op de akker van Efron, zoon van Zohar, de Hethiet, tegenover Mamre. 10. Abraham had die akker van de Hethieten gekocht. Daar werden Abraham en zijn vrouw Sara begraven. 11. Na Abrahams dood zegende God zijn zoon Izak. Izak woonde bij de put Lachai-Roï. 12. Dit zijn de nakomelingen van Ismaël, Abrahams zoon. Zijn moeder was Hagar, de Egyptische slavin van Sara. 13. Dit waren de zonen van Ismaël in geboortevolgorde: eerst Nabajoth, daarna Kedar, Adbeel en Mibsam. 14. Daarna kwamen Misma, Duma en Massa. 15. Ten slotte kwamen Hadar, Thema, Jetur, Nafis en Kedma. 16. Dit waren Ismaëls twaalf zonen. Hun dorpen en tentenkampen droegen hun namen. Elke zoon werd de leider van een eigen stam. 17. Ismaël werd 137 jaar oud. Toen blies hij zijn laatste adem uit en stierf. Hij werd met zijn voorgeslacht verenigd. 18. Ismaëls nakomelingen woonden van Havila tot Sur, tegenover Egypte, in de richting van Assur. Zo vestigde Ismaël zich tegenover al zijn broers. 19. Dit is de geschiedenis van Izak, Abrahams zoon. Abraham werd de vader van Izak. 20. Izak was veertig jaar toen hij met Rebekka trouwde. Zij was de dochter van Bethuël, een Arameeër uit Paddan-Aram, en de zus van Laban, ook een Arameeër. 21. Izak bad dringend tot de HEERE voor zijn vrouw Rebekka, omdat zij geen kinderen kon krijgen. De HEERE verhoorde zijn gebed, en Rebekka werd zwanger. 22. De kinderen botsten in haar buik tegen elkaar. Rebekka zei: Als dit zo moet, waarom gebeurt dit dan met mij? Daarna ging zij de HEERE om raad vragen. 23. De HEERE antwoordde haar: Twee volken zijn in je buik. Uit jou zullen twee afzonderlijke volken voortkomen. Het ene volk zal sterker zijn dan het andere. De oudste zal de jongste dienen. 24. Toen de tijd kwam dat Rebekka zou bevallen, bleek dat ze een tweeling droeg. 25. De eerste baby die tevoorschijn kwam, was rood en overal behaard als een harige mantel. Daarom noemden zij hem Ezau. 26. Daarna kwam zijn broer tevoorschijn. Met zijn hand hield hij de hiel van Ezau vast. Daarom kreeg hij de naam Jakob. Izak was zestig jaar toen de tweeling werd geboren. 27. Toen de jongens opgroeiden, werd Ezau een ervaren jager die graag buiten was. Jakob was daarentegen een rustige man die bij de tenten bleef. 28. Izak hield van Ezau, omdat het wild dat Ezau meebracht hem goed smaakte. Rebekka hield van Jakob. 29. Op een dag kookte Jakob een stoofpot. Ezau kwam uitgeput terug van het veld. 30. Ezau zei tegen Jakob: Geef me toch wat van dat rode, dat rode gerecht daar. Ik ben uitgeput. Daarom werd Ezau ook Edom genoemd. 31. Jakob antwoordde: Verkoop mij vandaag je rechten als eerstgeboren zoon. 32. Ezau zei: Ik ga sterven! Wat heb ik dan aan mijn rechten als eerstgeboren zoon? 33. Jakob zei: Zweer het mij nu. Ezau legde de eed af en verkocht zo zijn rechten als eerstgeboren zoon aan Jakob. 34. Jakob gaf Ezau brood en de linzenstoofpot. Ezau at en dronk, stond op en ging weg. Zo liet Ezau zien dat hij zijn rechten als eerstgeboren zoon verachtte. ## Genesis 26 — Izak in Gerar 1. In dat land kwam opnieuw hongersnood, naast de eerdere hongersnood in Abrahams tijd. Daarom trok Izak naar koning Abimelech van de Filistijnen in Gerar. 2. De HEERE verscheen aan hem en zei: Ga niet naar Egypte, maar woon in het land dat ik je zal aanwijzen. 3. Blijf als vreemdeling in dit land. Ik zal bij je zijn en je zegenen. Ik zal al deze landen aan jou en je nakomelingen geven. Zo bevestig ik de eed die ik aan je vader Abraham heb gezworen. 4. Ik zal je nakomelingen zo talrijk maken als de sterren aan de hemel. Ik zal al deze landen aan hen geven. Via jouw nageslacht zullen alle volken op aarde gezegend worden. 5. Dat doe ik omdat Abraham mij gehoorzaamde en zich hield aan mijn bevel, geboden, voorschriften en wetten. 6. Zo bleef Izak in Gerar wonen. 7. Toen de mannen daar hem naar zijn vrouw vroegen, antwoordde hij: Zij is mijn zus. Hij was bang haar zijn vrouw te noemen. Anders zouden ze hem misschien doden vanwege Rebekka, want zij was heel mooi. 8. Toen Izak daar al lange tijd woonde, keek koning Abimelech van de Filistijnen uit het raam. Hij zag dat Izak zijn vrouw Rebekka liefkoosde. 9. Toen riep Abimelech Izak bij zich en zei: Zij is dus echt je vrouw! Waarom heb je gezegd dat zij je zus is? Izak antwoordde: Omdat ik dacht dat ik anders vanwege haar zou sterven. 10. Abimelech vroeg: Wat heb je ons aangedaan? Een van onze mannen had zomaar met je vrouw kunnen slapen. Dan had je ons schuldig gemaakt. 11. Daarna gaf Abimelech het hele volk dit bevel: Wie deze man of zijn vrouw aanraakt, wordt zeker gedood! 12. Izak zaaide in dat land en oogstte dat jaar honderd keer zoveel als hij had gezaaid. De HEERE zegende hem. 13. Hij werd steeds rijker en machtiger, totdat hij zeer machtig was. 14. Hij bezat veel schapen en runderen en had een groot aantal dienaren. Daarom waren de Filistijnen jaloers op hem. 15. De Filistijnen stopten alle putten dicht die de dienaren van zijn vader Abraham hadden gegraven. Ze vulden ze met aarde. 16. Abimelech zei tegen Izak: Ga bij ons weg, want je bent veel machtiger geworden dan wij. 17. Izak vertrok daarvandaan. Hij sloeg zijn kamp op in het dal van Gerar en bleef daar wonen. 18. Izak groef de waterputten opnieuw open die in de tijd van zijn vader Abraham waren gegraven. Na Abrahams dood hadden de Filistijnen ze dichtgestopt. Hij gaf ze dezelfde namen die zijn vader had gegeven. 19. De dienaren van Izak groeven in het dal en vonden daar een bron met stromend water. 20. De herders van Gerar kregen ruzie met Izaks herders en zeiden: Dit water is van ons! Daarom noemde Izak de put Esek, omdat zij ruzie met hem hadden gemaakt. 21. Daarna groeven zijn dienaren een andere put, maar ook daarover ontstond ruzie. Daarom noemde Izak die put Sitna. 22. Hij vertrok opnieuw en groef nog een put. Daarover maakten ze geen ruzie. Hij noemde hem Rehoboth en zei: Nu heeft de HEERE ruimte voor ons gemaakt. In dit land zullen wij groeien. 23. Van daaruit trok hij verder naar Berseba. 24. Diezelfde nacht verscheen de HEERE aan hem en zei: Ik ben de God van je vader Abraham. Wees niet bang, want ik ben bij je. Ik zal je zegenen en je veel nakomelingen geven vanwege mijn dienaar Abraham. 25. Izak bouwde daar een altaar en aanbad de HEERE. Hij zette er zijn tent op, en zijn dienaren groeven er een put. 26. Abimelech kwam vanuit Gerar naar hem toe. Hij bracht zijn vriend Ahuzzat en zijn legeraanvoerder Pichol mee. 27. Izak vroeg hun: Waarom komen jullie naar mij toe? Jullie haten mij toch en hebben mij bij jullie weggestuurd? 28. Zij antwoordden: Wij hebben duidelijk gezien dat de HEERE met je is. Daarom willen wij samen met jou onder ede een verbond sluiten. 29. Beloof dat je ons geen kwaad zult doen. Wij hebben jou ook geen kwaad gedaan, maar alleen goed behandeld en vreedzaam laten vertrekken. Nu ben je gezegend door de HEERE. 30. Toen maakte Izak een maaltijd voor hen klaar. Ze aten en dronken samen. 31. De volgende morgen stonden ze vroeg op en legden ze elkaar een eed af. Daarna liet Izak hen gaan, en ze vertrokken in vrede. 32. Diezelfde dag kwamen Izaks dienaren hem vertellen over de put die ze hadden gegraven. Ze zeiden: Wij hebben water gevonden. 33. Izak noemde de put Seba. Daarom heet de stad tot op de dag van vandaag Berseba. 34. Toen Ezau veertig jaar oud was, trouwde hij met Judith, de dochter van de Hethiet Beëri. Ook trouwde hij met Basmath, de dochter van de Hethiet Elon. 35. Deze vrouwen bezorgden Izak en Rebekka veel verdriet. ## Genesis 27 — Jakob ontvangt de zegen voor Ezau 1. Toen Izak oud was, waren zijn ogen zo slecht geworden dat hij niet meer kon zien. Hij riep zijn oudste zoon Ezau: Mijn zoon! Ezau antwoordde: Hier ben ik. 2. Izak zei: Ik ben oud en weet niet wanneer ik zal sterven. 3. Pak daarom je pijlkoker en boog. Ga het veld in en jaag voor mij op wild. 4. Maak daarvan een smakelijke maaltijd zoals ik die graag eet en breng hem bij mij. Dan kan ik eten en je zegenen voordat ik sterf. 5. Rebekka luisterde mee toen Izak met zijn zoon Ezau sprak. Daarna ging Ezau het veld in om wild te jagen en mee terug te brengen. 6. Toen zei Rebekka tegen haar zoon Jakob: Ik hoorde je vader tegen je broer Ezau zeggen: 7. Breng mij wild en maak een smakelijke maaltijd voor mij. Dan kan ik eten en je vóór mijn dood zegenen in de aanwezigheid van de HEERE. 8. Luister nu goed naar mij, mijn zoon, en doe wat ik je opdraag. 9. Ga naar de kudde en haal twee goede geitenbokjes voor mij. Ik maak daarvan een smakelijke maaltijd voor je vader, precies zoals hij die graag eet. 10. Breng die naar je vader zodat hij kan eten en je vóór zijn dood zegent. 11. Jakob zei tegen zijn moeder Rebekka: Mijn broer Ezau is behaard, maar mijn huid is glad. 12. Misschien betast vader mij. Dan merkt hij dat ik hem bedrieg. Zo haal ik een vloek over mij in plaats van een zegen. 13. Zijn moeder antwoordde: Laat die vloek dan op mij komen, mijn zoon. Luister alleen naar mij en haal de bokjes. 14. Jakob ging de bokjes halen en bracht ze naar zijn moeder. Zij maakte daarvan een smakelijke maaltijd zoals zijn vader die graag at. 15. Daarna pakte Rebekka de mooiste kleren van haar oudste zoon Ezau die zij thuis bewaarde. Ze trok die haar jongste zoon Jakob aan. 16. Over Jakobs handen en gladde hals legde zij de huiden van de geitenbokjes. 17. Toen gaf zij Jakob de smakelijke maaltijd en het brood dat zij had klaargemaakt. 18. Jakob ging naar zijn vader en zei: Vader! Izak antwoordde: Hier ben ik. Wie ben je, mijn zoon? 19. Jakob antwoordde zijn vader: Ik ben Ezau, uw eerstgeboren zoon. Ik heb gedaan wat u vroeg. Ga overeind zitten en eet van mijn wild. Daarna kunt u mij zegenen. 20. Izak vroeg zijn zoon: Hoe heb je zo snel iets gevonden, mijn zoon? Jakob antwoordde: De HEERE, uw God, bracht het dier zo snel op mijn pad. 21. Izak zei tegen Jakob: Kom eens dichterbij, mijn zoon. Dan kan ik voelen of je werkelijk mijn zoon Ezau bent. 22. Jakob kwam dichter bij zijn vader Izak, die hem betastte. Izak zei: De stem is die van Jakob, maar de handen zijn die van Ezau. 23. Izak herkende hem niet, omdat zijn handen even behaard waren als die van zijn broer Ezau. Daarom zegende hij hem. 24. Izak vroeg: Ben je werkelijk mijn zoon Ezau? Jakob antwoordde: Ja, dat ben ik. 25. Izak zei: Zet het eten voor mij neer. Dan eet ik van het wild van mijn zoon en kan ik je zegenen. Jakob zette het voor hem neer en Izak at ervan. Jakob bracht hem ook wijn, die hij opdronk. 26. Daarna zei zijn vader Izak: Kom wat dichterbij en kus mij, mijn zoon. 27. Jakob kwam dichterbij en kuste hem. Izak rook de geur van zijn kleren. Toen zegende hij hem: De geur van mijn zoon is als de geur van een veld dat de HEERE heeft gezegend. 28. Moge God je dauw uit de hemel en vruchtbare grond geven, met een overvloed aan graan en jonge wijn. 29. Volken zullen je dienen en naties zullen voor je buigen. Heers over je broers; de zonen van je moeder zullen voor je buigen. Wie jou vervloekt, zal vervloekt zijn. Wie jou zegent, zal gezegend zijn. 30. Nauwelijks had Izak Jakob gezegend en was Jakob bij hem weggegaan, of zijn broer Ezau kwam terug van de jacht. 31. Ezau maakte een smakelijke maaltijd en bracht die naar zijn vader. Hij zei: Vader, ga overeind zitten en eet van het wild dat uw zoon heeft meegebracht. Daarna kunt u mij zegenen. 32. Zijn vader Izak vroeg: Wie ben je? Ezau antwoordde: Ik ben uw zoon Ezau, uw eerstgeborene. 33. Izak schrok zo hevig dat hij over zijn hele lichaam beefde. Hij vroeg: Wie heeft dan op wild gejaagd en mij eten gebracht? Ik heb ervan gegeten voordat jij kwam. Ik heb hem gezegend, en hij zal gezegend blijven. 34. Toen Ezau dit hoorde, schreeuwde hij luid en bitter. Hij smeekte zijn vader: Zegen mij, ook mij, vader! 35. Izak antwoordde: Je broer is met bedrog gekomen en heeft jouw zegen afgenomen. 36. Ezau zei: Is hij niet terecht Jakob genoemd? Hij heeft me nu twee keer bedrogen. Hij heeft mijn eerstgeboorterecht afgenomen en nu ook mijn zegen! Hebt u dan geen zegen voor mij bewaard? 37. Izak antwoordde Ezau: Ik heb hem over jou aangesteld als heer en al zijn broers als dienaren aan hem gegeven. Ook heb ik hem voorzien van graan en jonge wijn. Wat kan ik nu nog voor jou doen, mijn zoon? 38. Ezau vroeg zijn vader: Hebt u dan maar één zegen, vader? Zegen mij ook, mijn vader! Daarna begon Ezau luid te huilen. 39. Toen antwoordde zijn vader Izak: Je woongebied zal vruchtbare grond hebben en dauw uit de hemel ontvangen. 40. Je zult van je zwaard leven en je broer dienen. Maar wanneer je zelf de macht krijgt, zul je zijn juk van je nek afrukken. 41. Ezau haatte Jakob vanwege de zegen die hun vader hem had gegeven. Hij dacht: Binnenkort sterft mijn vader en breekt de rouwtijd aan. Daarna zal ik mijn broer Jakob doden. 42. Toen Rebekka hoorde wat haar oudste zoon Ezau had gezegd, liet zij haar jongste zoon Jakob roepen. Ze zei: Je broer Ezau is van plan je te doden. Die gedachte troost hem. 43. Luister daarom naar mij, mijn zoon. Vlucht onmiddellijk naar mijn broer Laban in Haran. 44. Blijf een tijdje bij hem, totdat de woede van je broer is gezakt. 45. Wacht totdat zijn boosheid tegen jou voorbij is en hij vergeten is wat je hem hebt aangedaan. Dan laat ik je daar ophalen. Waarom zou ik jullie allebei op één dag verliezen? 46. Rebekka zei tegen Izak: De Hethitische vrouwen maken mijn leven ondraaglijk. Als Jakob ook met zo'n Hethitische vrouw uit dit land trouwt, heeft mijn leven geen zin meer. ## Genesis 28 — Jakob op weg naar Paddan-Aram 1. Izak liet Jakob bij zich komen, zegende hem en gaf hem deze opdracht: Trouw niet met een Kanaänitische vrouw. 2. Ga naar Paddan-Aram, naar het huis van Bethuël, de vader van je moeder. Kies daar een vrouw uit de dochters van Laban, de broer van je moeder. 3. Moge God, de Almachtige, je zegenen. Moge Hij je vruchtbaar maken en veel nakomelingen geven, zodat uit jou een menigte volken ontstaat. 4. Moge Hij jou en je nakomelingen de zegen van Abraham geven. Dan zul je het land bezitten waarin je als vreemdeling woont, het land dat God aan Abraham gaf. 5. Izak stuurde Jakob weg. Jakob vertrok naar Paddan-Aram, naar Laban. Laban was een zoon van de Arameeër Bethuël en een broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Ezau. 6. Ezau zag dat Izak Jakob had gezegend en hem naar Paddan-Aram had gestuurd om daar een vrouw te zoeken. Daarbij had Izak hem opgedragen: Trouw niet met een Kanaänitische vrouw. 7. Ezau zag ook dat Jakob zijn vader en moeder had gehoorzaamd en naar Paddan-Aram was vertrokken. 8. Ezau merkte ook dat zijn vader Izak de Kanaänitische vrouwen afkeurde. 9. Toen ging Ezau naar Ismaël. Naast zijn andere vrouwen trouwde hij met Mahalath, de dochter van Abrahams zoon Ismaël en de zus van Nebajoth. 10. Jakob vertrok uit Berseba en ging op weg naar Haran. 11. Onderweg kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten, omdat de zon was ondergegaan. Hij nam een steen van die plek als hoofdkussen en ging daar slapen. 12. In zijn droom zag hij een ladder die op de aarde stond en met de bovenkant tot aan de hemel reikte. Engelen van God gingen erlangs omhoog en omlaag. 13. Bovenaan de ladder stond de HEERE. Hij zei: Ik ben de HEERE, de God van je voorvader Abraham en de God van Izak. Ik geef dit land, waarop je ligt, aan jou en je nakomelingen. 14. Je nakomelingen zullen zo talrijk worden als het stof van de aarde. Ze zullen zich verspreiden naar het westen en oosten, naar het noorden en zuiden. Door jou en je nakomelingen zullen alle families op aarde gezegend worden. 15. Ik ben bij je en zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat. Ik zal je naar dit land terugbrengen. Ik verlaat je niet voordat ik alles heb gedaan wat ik je heb beloofd. 16. Toen Jakob wakker werd, zei hij: De HEERE is werkelijk op deze plaats, maar ik wist het niet! 17. Hij werd bang en zei: Wat een ontzagwekkende plaats is dit! Dit is werkelijk Gods huis en de poort van de hemel. 18. De volgende ochtend stond Jakob vroeg op. Hij nam de steen die onder zijn hoofd had gelegen en zette hem rechtop als gedenksteen. Daarna goot hij er olie overheen. 19. Hij noemde die plaats Beth-el. De stad heette vroeger Luz. 20. Jakob legde een gelofte af. Hij zei: God moet bij mij zijn, mij onderweg beschermen en mij eten en kleren geven. 21. Ook moet ik veilig terugkeren naar het huis van mijn vader. Dan zal de HEERE mijn God zijn. 22. Deze steen, die ik als gedenksteen heb neergezet, zal een huis van God worden. Van alles wat U mij geeft, zal ik U zeker een tiende geven. ## Genesis 29 — Jakob trouwt met Lea en Rachel 1. Daarna vervolgde Jakob zijn reis naar het land van de volken in het oosten. 2. Daar zag hij een waterput in het veld. Er lagen drie kudden schapen bij, want uit die put kregen de kudden water. Een grote steen bedekte de opening van de put. 3. Wanneer alle kudden daar verzameld waren, rolden de herders de steen weg en gaven de schapen water. Daarna legden ze de steen weer op zijn plaats. 4. Jakob vroeg de herders: Mijn vrienden, waar komen jullie vandaan? Ze antwoordden: Wij komen uit Haran. 5. Daarna vroeg hij: Kennen jullie Laban, een nakomeling van Nahor? Ze antwoordden: Ja, we kennen hem. 6. Daarna vroeg Jakob: Gaat het goed met hem? Zij antwoordden: Ja, het gaat goed. Kijk, daar komt zijn dochter Rachel met de schapen. 7. Jakob zei: Het is nog volop dag. Het is nog geen tijd om de kudden bijeen te brengen. Geef de schapen water en ga ze daarna weer weiden. 8. Ze antwoordden: Dat kunnen we niet. Eerst moeten alle kudden bij elkaar zijn. Dan rollen we de steen weg en geven we de schapen water. 9. Terwijl Jakob nog met hen sprak, kwam Rachel eraan met de schapen van haar vader. Zij was namelijk herderin. 10. Toen Jakob Rachel en de schapen van zijn oom Laban zag, liep hij naar de put. Hij rolde de steen weg en gaf Labans schapen water. 11. Daarna kuste Jakob Rachel. Hij begon luid te huilen. 12. Jakob vertelde Rachel dat hij familie van haar vader was en een zoon van Rebekka. Rachel rende naar huis en vertelde het aan haar vader. 13. Zodra Laban hoorde dat zijn neef Jakob was gekomen, rende hij hem tegemoet. Hij omhelsde en kuste hem en bracht hem naar huis. Jakob vertelde Laban alles wat er was gebeurd. 14. Laban zei tegen hem: Jij bent werkelijk mijn eigen vlees en bloed! Daarna bleef Jakob een volle maand bij Laban. 15. Daarna zei Laban tegen Jakob: Je bent wel mijn familielid, maar daarom hoef je niet voor niets voor mij te werken. Vertel me welk loon je wilt. 16. Laban had twee dochters. De oudste heette Lea en de jongste Rachel. 17. Lea had zachte ogen, maar Rachel had een mooi figuur en een mooi gezicht. 18. Jakob hield van Rachel. Daarom zei hij tegen Laban: Ik zal zeven jaar voor u werken als u mij uw jongste dochter Rachel geeft. 19. Laban antwoordde: Ik kan haar beter aan jou geven dan aan een andere man. Blijf hier bij mij. 20. Zo werkte Jakob zeven jaar voor Rachel. Omdat hij van haar hield, leken die jaren voor hem maar enkele dagen. 21. Daarna zei Jakob tegen Laban: De zeven jaar zijn voorbij. Geef mij nu mijn vrouw, zodat ik met haar kan slapen. 22. Laban nodigde alle mannen uit die daar woonden en gaf een feestmaal. 23. Maar 's avonds bracht Laban zijn dochter Lea naar Jakob. Jakob sliep met haar. 24. Laban gaf zijn slavin Zilpa aan zijn dochter Lea als persoonlijke dienares. 25. De volgende ochtend zag Jakob dat het Lea was. Hij vroeg Laban: Wat hebt u mij aangedaan? Ik heb toch voor Rachel gewerkt? Waarom hebt u mij bedrogen? 26. Laban antwoordde: Hier geven we de jongste dochter niet eerder ten huwelijk dan de oudste. 27. Maak eerst de bruiloftsweek met Lea af. Daarna geven wij je ook Rachel. Daarvoor moet je nog eens zeven jaar voor mij werken. 28. Jakob deed dat en maakte de week met Lea af. Toen gaf Laban hem zijn dochter Rachel als vrouw. 29. Laban gaf zijn slavin Bilha aan zijn dochter Rachel als persoonlijke dienares. 30. Jakob sliep ook met Rachel. Hij hield meer van Rachel dan van Lea. Daarna werkte hij nog zeven jaar voor Laban. 31. De HEERE zag dat Lea niet geliefd was. Daarom maakte Hij haar vruchtbaar, terwijl Rachel onvruchtbaar bleef. 32. Lea werd zwanger en kreeg een zoon. Ze noemde hem Ruben, want ze zei: De HEERE heeft mijn ellende gezien. Nu zal mijn man van mij houden. 33. Ze werd opnieuw zwanger en kreeg een zoon. Ze zei: De HEERE heeft gehoord dat ik niet geliefd ben. Daarom heeft Hij mij ook deze zoon gegeven. Ze noemde hem Simeon. 34. Weer werd ze zwanger en kreeg een zoon. Ze zei: Nu zal mijn man zich eindelijk aan mij hechten, omdat ik hem drie zonen heb gegeven. Daarom kreeg hij de naam Levi. 35. Nogmaals werd ze zwanger en kreeg een zoon. Ze zei: Deze keer zal ik de HEERE loven. Daarom noemde ze hem Juda. Daarna kreeg ze voorlopig geen kinderen meer. ## Genesis 30 — Jakobs gezin en kudden groeien 1. Rachel merkte dat zij geen kinderen van Jakob kreeg en werd jaloers op haar zus. Ze zei tegen Jakob: Geef mij kinderen, anders sterf ik van verdriet! 2. Jakob werd boos op Rachel en zei: Ben ik soms God? Hij heeft voorkomen dat jij kinderen krijgt. 3. Rachel zei: Mijn slavin Bilha is hier. Slaap met haar. Als zij een kind krijgt, neem ik het als mijn eigen kind aan. Zo kan ik via haar een gezin opbouwen. 4. Rachel gaf haar slavin Bilha aan Jakob als vrouw. Jakob sliep met haar. 5. Bilha werd zwanger en kreeg een zoon van Jakob. 6. Rachel zei: God heeft mij recht gedaan. Hij heeft naar mij geluisterd en mij een zoon gegeven. Daarom noemde ze hem Dan. 7. Bilha, de slavin van Rachel, werd opnieuw zwanger en kreeg een tweede zoon van Jakob. 8. Rachel zei: Ik heb een hevige strijd met mijn zus gevoerd om kinderen, en ik heb gewonnen. Daarom noemde ze hem Nafthali. 9. Toen Lea merkte dat zij geen kinderen meer kreeg, gaf ook zij haar slavin Zilpa aan Jakob als vrouw. 10. Zilpa, de slavin van Lea, kreeg een zoon van Jakob. 11. Lea zei: Nu heb ik een hele groep zonen! Daarom noemde ze hem Gad. 12. Daarna kreeg Zilpa, de slavin van Lea, een tweede zoon van Jakob. 13. Lea zei: Wat ben ik gelukkig! De vrouwen zullen mij gelukkig prijzen. Daarom noemde ze hem Aser. 14. Tijdens de tarweoogst ging Ruben het veld in. Hij vond daar liefdesappels en bracht ze naar zijn moeder Lea. Rachel zei tegen Lea: Geef mij toch wat van de liefdesappels van je zoon. 15. Lea antwoordde: Is het niet genoeg dat je mijn man hebt afgenomen? Wil je nu ook de liefdesappels van mijn zoon? Rachel zei: In ruil daarvoor mag Jakob vannacht bij jou slapen. 16. Toen Jakob 's avonds van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet. Ze zei: Je moet vannacht met mij slapen. Ik heb je gehuurd in ruil voor de liefdesappels van mijn zoon. Die nacht sliep Jakob met haar. 17. God verhoorde Lea. Zij werd zwanger en kreeg haar vijfde zoon van Jakob. 18. Lea zei: God heeft mij beloond, nadat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven. Daarom noemde ze hem Issaschar. 19. Lea werd opnieuw zwanger en kreeg haar zesde zoon van Jakob. 20. Lea zei: God heeft mij een prachtig geschenk gegeven. Nu zal mijn man bij mij blijven, want ik heb hem zes zonen gegeven. Daarom noemde ze hem Zebulon. 21. Daarna kreeg ze een dochter, die ze Dina noemde. 22. God dacht ook aan Rachel. Hij verhoorde haar en maakte haar vruchtbaar. 23. Rachel werd zwanger en kreeg een zoon. Ze zei: God heeft mijn schande weggenomen! 24. Ze noemde hem Jozef en zei: Moge de HEERE mij nog een zoon geven. 25. Nadat Rachel Jozef had gekregen, zei Jakob tegen Laban: Laat mij vertrekken en teruggaan naar mijn eigen land. 26. Geef mij mijn vrouwen en kinderen mee, voor wie ik bij u heb gewerkt. Dan kan ik vertrekken. U weet hoe trouw ik u heb gediend. 27. Laban antwoordde: Als u mij goedgezind bent, blijf dan toch. Ik heb gemerkt dat de HEERE mij dankzij u heeft gezegend. 28. Laban vervolgde: Bepaal zelf het loon dat ik u moet geven. 29. Jakob antwoordde: U weet hoe ik u heb gediend en hoe goed het met uw vee ging toen ik ervoor zorgde. 30. Voordat ik kwam, had u maar weinig vee, maar het is tot een grote kudde uitgegroeid. De HEERE heeft u gezegend sinds ik bij u ben. Wanneer kan ik eindelijk ook voor mijn eigen gezin zorgen? 31. Laban vroeg: Wat zal ik u geven? Jakob antwoordde: U hoeft mij niets te geven. Als u het volgende voor mij doet, zal ik uw kudde weer hoeden en bewaken. 32. Vandaag ga ik door uw hele kudde. Ik zet alle gespikkelde en gevlekte schapen en geiten apart, ook alle donkergekleurde lammeren. Dieren met zulke kleuren zullen mijn loon zijn. 33. Later zal mijn eerlijkheid voor mij spreken wanneer u mijn loon komt controleren. Elke geit zonder vlekken of spikkels en elk lam dat niet donkergekleurd is, geldt bij mij als gestolen. 34. Laban zei: Akkoord. Laat het gebeuren zoals u hebt gezegd! 35. Diezelfde dag haalde Laban alle gestreepte en gevlekte bokken uit de kudde. Ook verwijderde hij alle gespikkelde of gevlekte geiten met witte plekken en alle donkergekleurde lammeren. Hij gaf ze aan zijn zonen. 36. Daarna zorgde Laban voor een afstand van drie dagreizen tussen zichzelf en Jakob. Jakob bleef de overige kudde van Laban hoeden. 37. Jakob nam verse takken van populieren, hazelaars en kastanjebomen. Hij schilde er stroken bast af, zodat het witte hout zichtbaar werd. 38. Hij legde de geschilde takken in de watergoten en drinkbakken, recht voor de kudde wanneer die kwam drinken. Daar wilden de dieren paren wanneer ze kwamen drinken. 39. De dieren paarden bij de takken en kregen gestreepte, gespikkelde en gevlekte jongen. 40. Jakob zette de gevlekte en donkergekleurde lammeren apart. Hij liet de overige dieren kijken naar de gevlekte en donkergekleurde dieren in Labans kudde. Zo bouwde hij eigen kudden op, die hij niet bij Labans kudde liet. 41. Wanneer de sterke dieren bronstig waren, legde Jakob de takken voor hun ogen in de watergoten. Zo paarden ze bij de takken. 42. Bij de zwakke dieren legde hij de takken niet neer. Zo kwamen de zwakke dieren bij Laban en de sterke bij Jakob. 43. Zo werd Jakob buitengewoon rijk. Hij bezat grote kudden, dienaren, dienaressen, kamelen en ezels. ## Genesis 31 — Jakob vlucht bij Laban vandaan 1. Jakob hoorde dat de zonen van Laban zeiden: Jakob heeft alles van onze vader afgenomen. Daarmee heeft hij al deze rijkdom opgebouwd. 2. Jakob merkte ook dat Laban hem niet meer zo vriendelijk aankeek als vroeger. 3. De HEERE zei tegen Jakob: Keer terug naar het land van je voorouders en je familie. Ik zal bij je zijn. 4. Toen liet Jakob Rachel en Lea naar het veld komen, waar hij bij zijn kudde was. 5. Jakob zei tegen hen: Ik merk dat jullie vader mij niet meer aankijkt zoals vroeger. Maar de God van mijn vader is bij mij geweest. 6. Jullie weten dat ik met al mijn kracht voor jullie vader heb gewerkt. 7. Toch heeft jullie vader mij bedrogen en mijn loon wel tien keer veranderd. Maar God liet niet toe dat hij mij kwaad deed. 8. Wanneer hij zei dat de gespikkelde dieren mijn loon werden, kregen alle dieren gespikkelde jongen. Noemde hij de gevlekte dieren, dan kregen ze gevlekte jongen. 9. Zo heeft God de kudden van jullie vader afgenomen en aan mij gegeven. 10. In de paartijd kreeg ik een droom. Ik zag dat alle bokken die de kudde dekten, gestreept, gespikkeld of gevlekt waren. 11. In die droom zei de engel van God tegen mij: Jakob! Ik antwoordde: Ik luister. 12. Hij zei: Kijk goed. Alle bokken die de kudde dekken, zijn gestreept, gespikkeld of gevlekt. Ik heb alles gezien wat Laban je aandoet. 13. Ik ben de God van Bethel. Daar heb je de gedenksteen gezalfd en mij een gelofte gedaan. Sta nu op, vertrek en keer terug naar je familie. 14. Rachel en Lea antwoordden hem: Hebben wij soms nog een deel of erfenis in het huis van onze vader? 15. Hij behandelt ons toch als vreemdelingen? Hij heeft ons verkocht en al het geld dat voor ons betaald is, opgebruikt. 16. Alle rijkdom die God van onze vader heeft afgenomen, is van ons en onze kinderen. Doe daarom alles wat God tegen je heeft gezegd. 17. Toen maakte Jakob zich klaar. Hij zette zijn zonen en vrouwen op kamelen. 18. Hij nam al zijn vee en alle bezittingen mee die hij in Paddan-Aram had verkregen. Zo vertrok hij naar zijn vader Izak in Kanaän. 19. Laban was weg om zijn schapen te scheren. Toen stal Rachel de huisgoden van haar vader. 20. Jakob misleidde Laban, de Arameeër, door hem niet te vertellen dat hij vluchtte. 21. Hij vluchtte met alles wat hij had, stak de rivier over en ging op weg naar het bergland van Gilead. 22. Op de derde dag kreeg Laban te horen dat Jakob was gevlucht. 23. Laban nam zijn verwanten mee en achtervolgde Jakob zeven dagen lang. In het bergland van Gilead haalde hij hem in. 24. Maar God verscheen die nacht in een droom aan Laban, de Arameeër. Hij zei: Pas op dat je niets tegen Jakob zegt, goed of kwaad. 25. Toen Laban Jakob inhaalde, had Jakob zijn tenten in het bergland opgeslagen. Laban en zijn verwanten sloegen daar ook hun tenten op. 26. Laban vroeg Jakob: Wat heb je gedaan? Je hebt mij bedrogen en mijn dochters meegenomen alsof ze krijgsgevangenen waren. 27. Waarom ben je stiekem gevlucht zonder mij iets te vertellen? Dan had ik je feestelijk uitgezwaaid, met liederen, tamboerijnen en harpen. 28. Je gaf mij niet eens de kans mijn kleinkinderen en dochters te kussen. Dat was erg onverstandig. 29. Ik heb genoeg macht om jullie kwaad te doen. Maar de God van jullie vader waarschuwde mij vannacht: Zeg niets tegen Jakob, goed of kwaad. 30. Ik begrijp dat je vertrok omdat je erg naar het huis van je vader verlangde. Maar waarom heb je mijn goden gestolen? 31. Jakob antwoordde Laban: Ik was bang. Ik dacht dat u uw dochters met geweld van mij zou afnemen. 32. Degene bij wie u uw goden vindt, zal sterven. Doorzoek voor onze familie alles wat ik bezit en neem mee wat van u is. Jakob wist namelijk niet dat Rachel ze had gestolen. 33. Laban doorzocht de tent van Jakob, die van Lea en de tenten van de twee dienaressen, maar vond niets. Daarna ging hij Rachels tent binnen. 34. Rachel had de huisgoden in het zadel van haar kameel verstopt en was erop gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent, maar vond niets. 35. Rachel zei tegen haar vader: Mijn heer, word niet boos omdat ik niet voor u kan opstaan. Ik ben namelijk ongesteld. Laban zocht verder, maar vond de huisgoden niet. 36. Toen werd Jakob boos en maakte hij Laban verwijten. Hij vroeg: Wat heb ik verkeerd gedaan? Wat is mijn misdaad dat u mij zo fel achtervolgt? 37. U hebt al mijn spullen doorzocht. Wat hebt u gevonden dat van u is? Leg het hier voor onze familieleden neer. Laat hen tussen ons oordelen. 38. Ik ben twintig jaar bij u geweest. Uw schapen en geiten kregen geen miskramen en ik heb nooit een ram uit uw kudde gegeten. 39. Verscheurde dieren bracht ik niet naar u. Ik vergoedde ze zelf. Ook moest ik betalen voor elk dier dat overdag of 's nachts werd gestolen. 40. Overdag werd ik verteerd door de hitte en 's nachts door de kou. Ik kon nauwelijks slapen. 41. Twintig jaar heb ik in uw huis gewerkt: veertien jaar voor uw twee dochters en zes jaar voor uw kudde. Toch veranderde u mijn loon tien keer. 42. Als de God van mijn vader niet bij mij was geweest, had u mij zeker met lege handen weggestuurd. Maar de God van Abraham, die Izak vreest, was bij mij. God zag mijn ellende en harde werk. Vannacht heeft Hij u daarom terechtgewezen. 43. Laban antwoordde Jakob: Deze vrouwen zijn mijn dochters, hun kinderen zijn mijn nakomelingen en de kudden zijn mijn kudden. Alles wat je ziet, is van mij. Maar wat zou ik mijn dochters of hun kinderen nu kunnen aandoen? 44. Kom, laten wij samen een verbond sluiten. Dat verbond zal als getuige tussen ons dienen. 45. Toen zette Jakob een steen rechtop als gedenksteen. 46. Jakob zei tegen zijn verwanten: Verzamel stenen. Ze pakten stenen en maakten er een hoop van. Daarna aten ze bij die steenhoop. 47. Laban noemde de steenhoop Jegar-Sahadutha, maar Jakob noemde hem Gilead. 48. Laban zei: Deze steenhoop is vandaag getuige tussen jou en mij. Daarom noemde men hem Gilead. 49. De plaats heette ook Mizpa, omdat Laban zei: Laat de HEERE toezicht houden tussen jou en mij wanneer wij elkaar niet meer zien. 50. Als jij mijn dochters slecht behandelt of naast hen andere vrouwen neemt, ziet geen mens het misschien. Maar bedenk: God is getuige tussen jou en mij. 51. Laban zei verder tegen Jakob: Kijk naar deze steenhoop en deze gedenksteen die ik tussen jou en mij heb opgericht. 52. Deze steenhoop en gedenksteen zijn getuigen. Ik zal ze niet passeren om jou kwaad te doen. Jij mag ze evenmin passeren om mij kwaad te doen. 53. Laat de God van Abraham en de God van Nahor over ons oordelen. Hij is de God van hun vader. Toen zwoer Jakob bij de God die zijn vader Izak vreest. 54. Jakob bracht op de berg een offer en nodigde zijn verwanten uit voor een maaltijd. Na het eten brachten ze daar de nacht door. 55. De volgende ochtend stond Laban vroeg op. Hij kuste zijn kleinkinderen en dochters, zegende hen en keerde terug naar huis. ## Genesis 32 — Jakob worstelt met God 1. Jakob vervolgde zijn reis. Toen kwamen engelen van God hem tegemoet. 2. Toen Jakob hen zag, zei hij: Dit is het leger van God! Daarom noemde hij die plaats Mahanaïm. 3. Jakob stuurde boodschappers voor zich uit naar zijn broer Ezau. Die woonde in het land Seïr, het gebied van Edom. 4. Hij gaf hun deze opdracht: Dit zegt uw dienaar Jakob tegen mijn heer Ezau: Ik heb tot nu toe als vreemdeling bij Laban gewoond. 5. Ik bezit runderen, ezels, schapen, geiten, dienaren en dienaressen. Daarom stuur ik deze boodschap aan mijn heer. Ik hoop dat u mij vriendelijk ontvangt. 6. De boodschappers kwamen terug en zeiden tegen Jakob: Wij zijn bij uw broer Ezau geweest. Hij komt u tegemoet met vierhonderd mannen. 7. Jakob werd doodsbang. Hij verdeelde zijn mensen, schapen, geiten, runderen en kamelen in twee groepen. 8. Hij dacht: Als Ezau de ene groep aanvalt en verslaat, kan de andere groep ontsnappen. 9. Daarna bad Jakob: God van mijn voorvader Abraham en mijn vader Izak, HEERE, U hebt tegen mij gezegd: Keer terug naar je land en familie. Ik zal goed voor je zijn. 10. Ik ben al Uw liefde en trouw niet waard, hoewel U die aan Uw dienaar hebt bewezen. Met alleen mijn stok stak ik deze Jordaan over. Nu ben ik uitgegroeid tot twee grote groepen. 11. Red mij toch uit de handen van mijn broer Ezau. Ik ben bang dat hij ons aanvalt en moeders én kinderen doodt. 12. U hebt toch beloofd: Ik zal goed voor je zijn. Ik zal je nakomelingen ontelbaar maken als het zand van de zee. 13. Jakob bracht daar die nacht door. Uit zijn bezit koos hij een geschenk voor zijn broer Ezau. 14. Het waren tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen. 15. Ook gaf hij dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien, tien stieren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels. 16. Hij verdeelde de dieren in afzonderlijke kudden en gaf elke kudde aan een dienaar. Hij zei: Trek voor mij uit en houd ruimte tussen de kudden. 17. Tegen de eerste dienaar zei hij: Wanneer mijn broer Ezau je ontmoet, zal hij vragen: Bij wie hoor je? Waar ga je heen? Van wie zijn de dieren voor je? 18. Antwoord dan: Deze dieren zijn een geschenk van uw dienaar Jakob aan mijn heer Ezau. Jakob zelf komt achter ons aan. 19. Jakob gaf dezelfde opdracht aan de tweede, de derde en alle andere dienaren die achter de kudden liepen. Hij zei: Spreek zo tegen Ezau wanneer jullie hem ontmoeten. 20. Zeg ook: Uw dienaar Jakob komt achter ons aan. Jakob dacht: Met het geschenk dat voor mij uitgaat, wil ik hem gunstig stemmen. Daarna kan ik hem ontmoeten. Misschien neemt hij mij vriendelijk aan. 21. Zo ging het geschenk voor Jakob uit. Zelf bracht hij die nacht in het kamp door. 22. Diezelfde nacht stond Jakob op. Hij nam zijn twee vrouwen, twee dienaressen en elf kinderen mee en stak de doorwaadbare plaats van de Jabbok over. 23. Hij hielp hen de beek over en liet daarna al zijn bezittingen naar de overkant brengen. 24. Jakob bleef alleen achter. Toen worstelde een man met hem totdat de dag aanbrak. 25. Toen de man merkte dat Hij Jakob niet kon overwinnen, raakte Hij Jakobs heupgewricht aan. Tijdens het worstelen schoot de heup uit de kom. 26. De man zei: Laat mij gaan, want de dag breekt aan. Jakob antwoordde: Ik laat U alleen gaan als U mij zegent. 27. De man vroeg: Hoe heet je? Hij antwoordde: Jakob. 28. De man zei: Je zult niet langer Jakob heten, maar Israël. Je hebt met God en mensen gestreden en hebt overwonnen. 29. Toen vroeg Jakob: Wilt U mij alstublieft Uw naam vertellen? De man antwoordde: Waarom vraag je naar mijn naam? Daarna zegende Hij Jakob daar. 30. Jakob noemde die plaats Pniël, want hij zei: Ik heb God van aangezicht tot aangezicht gezien en toch is mijn leven gered. 31. De zon kwam op toen hij Pniël voorbijging. Hij liep mank door zijn heup. 32. Daarom eten de Israëlieten tot op de dag van vandaag niet de heupspier die over het heupgewricht loopt. De man had Jakobs heupgewricht bij die spier aangeraakt. ## Genesis 33 — Jakob en Ezau ontmoeten elkaar weer 1. Jakob keek op en zag Ezau aankomen met vierhonderd mannen. Daarom verdeelde hij de kinderen over Lea, Rachel en de twee dienaressen. 2. Hij zette de dienaressen met hun kinderen vooraan, Lea met haar kinderen daarachter en Rachel met Jozef helemaal achteraan. 3. Zelf liep Jakob voor hen uit. Zeven keer boog hij diep naar de grond, totdat hij bij zijn broer kwam. 4. Ezau rende hem tegemoet, sloeg zijn armen om hem heen, viel hem om de hals en kuste hem. Daarna huilden ze samen. 5. Toen Ezau de vrouwen en kinderen zag, vroeg hij: Wie zijn deze mensen bij jou? Jakob antwoordde: Dit zijn de kinderen die God in Zijn goedheid aan uw dienaar heeft gegeven. 6. De dienaressen kwamen met hun kinderen dichterbij en bogen diep. 7. Ook Lea en haar kinderen kwamen dichterbij en bogen. Daarna kwamen Jozef en Rachel naar voren en bogen ook. 8. Ezau vroeg: Wat wilde je bereiken met al die groepen dieren die ik onderweg tegenkwam? Jakob antwoordde: Ik wilde dat u mij goedgezind zou zijn. 9. Maar Ezau zei: Mijn broer, ik heb zelf al genoeg. Houd wat je hebt maar zelf. 10. Jakob antwoordde: Nee, alstublieft! Als u mij goedgezind bent, neem dit geschenk dan van mij aan. Toen ik u zag, was het alsof ik het gezicht van God zag. U hebt mij vriendelijk ontvangen. 11. Neem toch het geschenk aan dat ik u heb gebracht. God heeft mij veel gegeven, zodat ik alles heb wat ik nodig heb. Jakob bleef aandringen. Uiteindelijk nam Ezau het geschenk aan. 12. Daarna zei Ezau: Laten we verder reizen. Ik zal vooropgaan. 13. Maar Jakob antwoordde: Mijn heer weet dat de kinderen nog jong zijn. Ook moet ik zorgen voor schapen en runderen die hun jongen zogen. Als ze één dag te hard worden voortgedreven, sterft de hele kudde. 14. Laat mijn heer maar voor zijn dienaar uit reizen. Ik trek rustig verder, in het tempo van het vee en de kinderen. Uiteindelijk kom ik dan bij mijn heer in Seïr. 15. Ezau zei: Laat mij dan enkele mannen uit mijn groep bij je achterlaten. Jakob antwoordde: Dat is niet nodig. Als mijn heer mij maar goedgezind blijft. 16. Diezelfde dag begon Ezau aan de terugreis naar Seïr. 17. Jakob reisde verder naar Sukkoth. Daar bouwde hij een huis voor zichzelf en hutten voor zijn vee. Daarom noemde hij de plaats Sukkoth. 18. Na zijn reis uit Paddan-Aram kwam Jakob veilig aan bij de stad Sichem, in Kanaän. Hij sloeg zijn kamp op bij de stad. 19. Voor honderd geldstukken kocht hij van de zonen van Hemor het stuk grond waarop hij zijn tent had opgezet. Hemor was de vader van Sichem. 20. Daar bouwde Jakob een altaar. Hij noemde het: God is de God van Israël. ## Genesis 34 — Dina wordt verkracht en haar broers nemen wraak 1. Dina, de dochter van Lea en Jakob, ging eropuit om de meisjes uit die streek te ontmoeten. 2. Sichem zag haar. Hij was de zoon van Hemor, de Hevietische vorst van dat land. Sichem greep haar, sliep met haar en verkrachtte haar. 3. Daarna raakte Sichem diep aan Dina gehecht, de dochter van Jakob. Hij hield van haar en sprak haar liefdevol toe. 4. Sichem zei tegen zijn vader Hemor: Regel dat ik met dit meisje kan trouwen. 5. Jakob hoorde dat Sichem zijn dochter Dina had verkracht. Zijn zonen waren met het vee in het veld. Daarom zweeg Jakob totdat zij thuiskwamen. 6. Hemor, de vader van Sichem, ging naar Jakob toe om met hem te praten. 7. Toen Jakobs zonen het bericht hoorden, kwamen ze uit het veld. Ze waren diep gekwetst en woedend. Sichem had in Israël een schandelijke daad begaan: hij had Jakobs dochter verkracht. Zoiets mocht nooit gebeuren. 8. Hemor zei tegen hen: Mijn zoon Sichem verlangt hevig naar jullie dochter. Geef haar alstublieft aan hem als vrouw. 9. Sluit huwelijken met ons. Geef jullie dochters aan ons en neem onze dochters als vrouw. 10. Jullie mogen bij ons wonen. Het land ligt voor jullie open. Woon hier, handel hier en verwerf grond in dit land. 11. Sichem zei tegen Dina's vader en broers: Geef mij alstublieft jullie toestemming. Ik geef alles wat jullie van mij vragen. 12. Vraag van mij een nog zo hoge bruidsschat en een groot huwelijksgeschenk. Ik betaal wat jullie vragen. Geef me het meisje als vrouw. 13. Jakobs zonen gaven Sichem en zijn vader Hemor een bedrieglijk antwoord, omdat Sichem hun zus Dina had verkracht. 14. Ze zeiden tegen hen: We kunnen onze zus niet aan een onbesneden man geven. Dat zou een schande voor ons zijn. 15. We gaan alleen met jullie akkoord als jullie worden zoals wij: alle mannen bij jullie moeten besneden worden. 16. Dan geven wij onze dochters aan jullie en nemen wij jullie dochters als vrouw. We wonen dan bij jullie en worden één volk. 17. Maar als jullie weigeren de besnijdenis te ondergaan, nemen wij Dina mee en vertrekken we. 18. Hemor en zijn zoon Sichem vonden dit voorstel goed. 19. De jonge man aarzelde niet om aan de voorwaarde te voldoen, omdat hij naar Jakobs dochter verlangde. Sichem was de meest geëerde man in de hele familie van zijn vader. 20. Hemor en zijn zoon Sichem gingen naar de poort van hun stad. Daar spraken ze met de mannen van de stad: 21. Deze mannen willen in vrede met ons leven. Laat hen daarom in dit land wonen en er handel drijven. Het land biedt genoeg ruimte. Wij kunnen hun dochters als vrouw nemen en onze dochters aan hen geven. 22. Maar ze willen alleen bij ons wonen en één volk met ons worden als al onze mannen besneden worden, net als zij. 23. Hun vee, bezittingen en alle andere dieren worden dan toch van ons? Laten we daarom met hen instemmen. Dan zullen ze bij ons wonen. 24. Alle mannen die bij de stadspoort kwamen, luisterden naar Hemor en zijn zoon Sichem. Zij lieten zich allemaal besnijden. 25. Op de derde dag hadden de mannen nog veel pijn. Twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, waren Dina's broers. Ze pakten ieder hun zwaard, trokken onverwachts de stad binnen en doodden alle mannen. 26. Ook Hemor en zijn zoon Sichem doodden ze met hun zwaarden. Ze haalden Dina uit Sichems huis en vertrokken. 27. Jakobs zonen kwamen bij de doden en plunderden de stad, omdat de mannen daar hun zus hadden onteerd. 28. Ze namen de schapen, runderen en ezels mee, en alles wat in de stad en op het land was. 29. Ze namen alle rijkdom mee en voerden alle kleine kinderen en vrouwen als gevangenen weg. Ook plunderden ze alles wat in de huizen was. 30. Jakob zei tegen Simeon en Levi: Jullie hebben mij in grote problemen gebracht. Door jullie hebben de inwoners van dit land een afkeer van mij gekregen: de Kanaänieten en Ferezieten. Ik heb maar weinig mensen. Als zij zich tegen mij verenigen, zullen ze mij verslaan. Dan worden mijn familie en ik vernietigd. 31. Maar zij antwoordden: Had Sichem onze zus dan als een hoer mogen behandelen? ## Genesis 35 — God zegent Jakob opnieuw 1. Daarna zei God tegen Jakob: Ga naar Beth-el en ga daar wonen. Bouw daar een altaar voor mij, de God die aan je verscheen toen je voor je broer Ezau vluchtte. 2. Jakob zei tegen zijn gezin en iedereen die bij hem was: Doe de vreemde goden weg die jullie bij je hebben. Reinig je en trek andere kleren aan. 3. Laten we naar Beth-el gaan. Daar bouw ik een altaar voor God. Hij antwoordde mij toen ik in nood was. Hij bleef bij mij op de hele weg die ik ging. 4. Toen gaven zij Jakob alle vreemde goden die ze bij zich hadden en de oorringen uit hun oren. Jakob verborg alles onder de eik bij Sichem. 5. Toen zij verder reisden, bracht God grote angst over de steden rondom hen. Daarom achtervolgde niemand Jakobs zonen. 6. Zo kwamen Jakob en alle mensen bij hem in Luz, in het land Kanaän. Deze plaats heet ook Beth-el. 7. Jakob bouwde daar een altaar. Hij noemde de plaats El Beth-el, omdat God daar aan hem was verschenen toen hij voor zijn broer vluchtte. 8. Debora, de verzorgster van Rebekka, stierf. Ze werd beneden Beth-el onder een eik begraven. Jakob noemde die eik Allon-Bachuth. 9. God verscheen opnieuw aan Jakob, nadat hij uit Paddan-Aram was teruggekeerd. Hij zegende hem. 10. God zei tegen hem: Je naam is Jakob. Voortaan zul je niet meer Jakob heten, maar Israël. Daarna gaf Hij hem de naam Israël. 11. God zei verder tegen hem: Ik ben God, de Almachtige. Wees vruchtbaar en krijg veel nakomelingen. Uit jou zullen een volk en een menigte volken voortkomen. Onder je nakomelingen zullen ook koningen zijn. 12. Het land dat ik aan Abraham en Izak heb gegeven, geef ik ook aan jou. Na jou geef ik dit land aan je nakomelingen. 13. Daarna steeg God bij Jakob vandaan, op de plaats waar Hij met hem had gesproken. 14. Op de plaats waar God met hem had gesproken, zette Jakob een stenen gedenkteken neer. Hij goot er een drankoffer en olie overheen. 15. Jakob noemde de plaats waar God met hem had gesproken Beth-el. 16. Daarna vertrokken zij uit Beth-el. Toen ze nog maar een klein stuk van Efrath verwijderd waren, begon Rachel te bevallen. De bevalling was zwaar. 17. Tijdens de zware bevalling zei de vroedvrouw tegen Rachel: Wees niet bang. Ook nu krijg je een zoon. 18. Op het moment dat Rachel stierf, noemde ze haar zoon Ben-oni. Zijn vader noemde hem echter Benjamin. 19. Rachel stierf en werd langs de weg naar Efrath begraven. Efrath is Bethlehem. 20. Jakob zette een gedenksteen op haar graf. Deze steen markeert Rachels graf tot op de dag van vandaag. 21. Israël trok verder en zette zijn tent op voorbij Migdal-Eder. 22. Terwijl Israël in dat land woonde, sliep Ruben met Bilha, de bijvrouw van zijn vader. Israël hoorde wat er was gebeurd. Jakob had twaalf zonen. 23. Lea's zonen waren Ruben, Jakobs eerstgeboren zoon, en daarna Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon. 24. Rachels zonen waren Jozef en Benjamin. 25. De zonen van Rachels slavin Bilha waren Dan en Nafthali. 26. De zonen van Lea's slavin Zilpa waren Gad en Aser. Dit zijn Jakobs zonen, die in Paddan-Aram geboren werden. 27. Jakob kwam bij zijn vader Izak in Mamre, bij Kirjath-Arba, dat ook Hebron heet. Abraham en Izak hadden daar als vreemdelingen gewoond. 28. Izak werd 180 jaar oud. 29. Izak blies zijn laatste adem uit en stierf. Hij was oud en had een vervuld leven gehad. Hij werd met zijn voorgeslacht verenigd. Zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem. ## Genesis 36 — Ezau en de Edomieten 1. Dit is de familiegeschiedenis van Ezau, die ook Edom wordt genoemd. 2. Ezau trouwde met vrouwen uit Kanaän: Ada, dochter van Elon de Hethiet, en Aholibama, dochter van Ana en kleindochter van Zibeon de Heviet. 3. Ook trouwde hij met Basmath, de dochter van Ismaël en zus van Nebajoth. 4. Ada kreeg bij Ezau een zoon, Elifaz. Basmath kreeg een zoon, Rehuël. 5. Aholibama kreeg drie zonen: Jehus, Jaëlam en Korah. Dit waren de zonen die Ezau in Kanaän kreeg. 6. Ezau nam zijn vrouwen, zonen, dochters en iedereen in zijn huishouden mee. Ook nam hij al zijn vee, al zijn andere dieren en al zijn bezit uit Kanaän mee. Hij trok naar een ander land, weg van zijn broer Jakob. 7. Ze konden niet bij elkaar blijven wonen, want ze hadden te veel bezit. Door hun vele vee was er in het land onvoldoende ruimte voor beiden. 8. Daarom ging Ezau in het Seïrgebergte wonen. Ezau wordt ook Edom genoemd. 9. Dit is de familiegeschiedenis van Ezau, de stamvader van de Edomieten in het Seïrgebergte. 10. Dit zijn de namen van Ezau's zonen. Elifaz was een zoon van zijn vrouw Ada. Rehuël was een zoon van zijn vrouw Basmath. 11. De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Zefo, Gaëtam en Kenaz. 12. Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau. Zij kreeg bij Elifaz een zoon, Amalek. Amalek hoorde dus ook bij de nakomelingen van Ada. 13. De zonen van Rehuël waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza. Zij waren de nakomelingen van Basmath, Ezau's vrouw. 14. Aholibama was de dochter van Ana en kleindochter van Zibeon. Zij was een vrouw van Ezau en kreeg bij hem Jehus, Jaëlam en Korah. 15. Dit waren de stamhoofden onder Ezau's nakomelingen. Elifaz was Ezau's oudste zoon. Zijn zonen waren de stamhoofden Teman, Omar, Zefo en Kenaz. 16. Ook de stamhoofden Korah, Gaëtam en Amalek stamden van Elifaz af. Dit waren Elifaz' nakomelingen in Edom, uit de lijn van Ada. 17. Rehuëls zonen waren de stamhoofden Nahath, Zerah, Samma en Mizza. Zij leefden in Edom en waren nakomelingen van Basmath, Ezau's vrouw. 18. De zonen van Ezau's vrouw Aholibama waren de stamhoofden Jehus, Jaëlam en Korah. Aholibama was een dochter van Ana. 19. Dit waren de zonen van Ezau en hun stamhoofden. Ezau wordt ook Edom genoemd. 20. De volgende nakomelingen van Seïr de Horiet woonden in dat land: Lotan, Sobal, Zibeon, Ana, 21. Dison, Ezer en Disan. Zij waren de stamhoofden van de Horieten, de nakomelingen van Seïr in Edom. 22. Lotans zonen waren Hori en Hemam. Zijn zus heette Timna. 23. De zonen van Sobal waren Alvan, Manahath, Ebal, Sefo en Onam. 24. De zonen van Zibeon waren Aja en Ana. Deze Ana vond in de woestijn muildieren, terwijl hij de ezels van zijn vader Zibeon hoedde. 25. Dison was een zoon van Ana. Aholibama was een dochter van Ana. 26. De zonen van Dison waren Hemdan, Esban, Ithran en Cheran. 27. De zonen van Ezer waren Bilhan, Zaävan en Akan. 28. De zonen van Disan waren Uz en Aran. 29. Dit waren de stamhoofden van de Horieten: Lotan, Sobal, Zibeon en Ana, 30. Dison, Ezer en Disan. Zij waren de stamhoofden van de Horieten, verdeeld over hun stammen in het land Seïr. 31. De volgende koningen regeerden in Edom voordat er een koning over de Israëlieten regeerde. 32. Bela, de zoon van Beor, regeerde in Edom. Zijn stad heette Dinhaba. 33. Na de dood van Bela werd Jobab koning. Hij was een zoon van Zerah en kwam uit Bozra. 34. Na de dood van Jobab werd Husam koning. Hij kwam uit het land van de Temanieten. 35. Na de dood van Husam werd Hadad koning. Hij was een zoon van Bedad en versloeg Midian in het gebied van Moab. Zijn stad heette Avith. 36. Na de dood van Hadad werd Samla uit Masreka koning. 37. Na de dood van Samla werd Saul uit Rehoboth aan de rivier koning. 38. Na de dood van Saul werd Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, koning. 39. Na de dood van Baäl-Hanan werd Hadar koning. Zijn stad heette Pahu. Zijn vrouw Mehetabeël was een dochter van Matred en kleindochter van Mezahab. 40. Dit zijn de stamhoofden die van Ezau afstamden, ingedeeld naar hun families en woonplaatsen: Timna, Alva, Jetheth, 41. Aholibama, Ela, Pinon, 42. Kenaz, Teman, Mibzar, 43. Magdiël en Iram. Zij waren de stamhoofden van Edom in het land dat zij bezaten. Ezau was de stamvader van de Edomieten. ## Genesis 37 — Jozef wordt door zijn broers verkocht 1. Jakob bleef wonen in Kanaän, het land waar zijn vader als vreemdeling had gewoond. 2. Dit is de familiegeschiedenis van Jakob. Jozef was zeventien jaar en hoedde de kudde met zijn broers. Hij werkte met de zonen van Bilha en Zilpa, de vrouwen van zijn vader. Jozef bracht een slecht bericht over hen aan zijn vader. 3. Israël hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen, omdat hij hem op hoge leeftijd had gekregen. Hij liet voor hem een veelkleurige mantel maken. 4. Toen zijn broers merkten dat hun vader meer van Jozef hield dan van hen, haatten zij hem. Ze konden geen vriendelijk woord tegen hem zeggen. 5. Op een keer kreeg Jozef een droom en vertelde die aan zijn broers. Daardoor haatten ze hem nog meer. 6. Jozef zei tegen hen: Luister eens naar de droom die ik heb gehad. 7. Wij waren midden op het veld schoven aan het binden. Opeens ging mijn schoof rechtop staan. Jullie schoven kwamen eromheen staan en bogen ervoor. 8. Zijn broers vroegen: Denk je werkelijk dat je als koning over ons zult regeren en over ons zult heersen? Door zijn dromen en woorden haatten zij hem nog meer. 9. Daarna kreeg Jozef nog een droom. Hij vertelde die aan zijn broers en zei: Ik heb opnieuw gedroomd. Deze keer bogen de zon, de maan en elf sterren voor mij. 10. Toen hij de droom aan zijn vader en broers vertelde, berispte zijn vader hem: Wat is dat voor een droom? Moeten je moeder, je broers en ik werkelijk komen en ons voor jou neerbuigen? 11. Zijn broers waren jaloers op hem, maar zijn vader bleef over deze woorden nadenken. 12. Op een dag gingen zijn broers de kudde van hun vader bij Sichem hoeden. 13. Israël zei tegen Jozef: Je broers hoeden de kudde bij Sichem. Kom, ik wil je naar hen sturen. Jozef antwoordde: Ik ben klaar om te gaan. 14. Israël zei: Ga kijken hoe het met je broers en de kudde gaat. Kom daarna terug en vertel het mij. Hij stuurde hem vanuit het dal van Hebron op weg. Jozef kwam in Sichem aan. 15. Een man vond hem terwijl hij verdwaald over het veld rondliep. De man vroeg: Wat zoek je? 16. Jozef antwoordde: Ik zoek mijn broers. Kunt u mij vertellen waar zij de kudde hoeden? 17. De man antwoordde: Ze zijn hiervandaan vertrokken. Ik hoorde hen zeggen: Laten we naar Dothan gaan. Jozef ging zijn broers achterna en vond hen in Dothan. 18. Zijn broers zagen hem al van ver aankomen. Voordat hij bij hen was, maakten zij een plan om hem te doden. 19. Ze zeiden tegen elkaar: Kijk, daar komt die dromer aan! 20. Kom, laten we hem doden en in een van deze putten gooien. We zullen zeggen: Een wild dier heeft hem opgegeten. Dan zullen we zien wat er van zijn dromen terechtkomt. 21. Ruben hoorde hun plan en probeerde Jozef te redden. Hij zei: We mogen hem niet doden. 22. Ruben zei ook tegen hen: Vergiet geen bloed. Gooi hem in deze put in de woestijn, maar raak hem verder niet aan. Ruben wilde hem uit hun handen redden en naar zijn vader terugbrengen. 23. Toen Jozef bij zijn broers kwam, trokken zij hem zijn veelkleurige mantel uit. 24. Ze grepen hem en gooiden hem in de put. De put was leeg en er stond geen water in. 25. Daarna gingen zij zitten om te eten. Ze keken op en zagen een karavaan Ismaëlieten uit Gilead aankomen. Hun kamelen droegen specerijen, balsem en mirre naar Egypte. 26. Juda zei tegen zijn broers: Wat winnen we ermee als we onze broer doden en zijn dood geheimhouden? 27. Kom, laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem zelf te doden. Hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed. Zijn broers stemden ermee in. 28. Toen Midianitische handelaars voorbijkwamen, werd Jozef uit de put gehaald. Hij werd voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten verkocht. Die brachten hem naar Egypte. 29. Toen Ruben bij de put terugkwam, was Jozef verdwenen. Hij scheurde van verdriet zijn kleren. 30. Hij ging terug naar zijn broers en riep: De jongen is weg! Waar moet ik nu heen? 31. De broers namen Jozefs mantel, slachtten een geitenbok en dompelden de mantel in het bloed. 32. Ze lieten de veelkleurige mantel bij hun vader brengen en zeiden: Deze hebben we gevonden. Kijk goed of dit de mantel van je zoon is. 33. Jakob herkende de mantel en riep: Het is de mantel van mijn zoon! Een wild dier heeft hem opgegeten. Jozef is zeker verscheurd! 34. Jakob scheurde zijn kleren en deed een rouwkleed om. Hij rouwde vele dagen om zijn zoon. 35. Al zijn zonen en dochters probeerden hem te troosten, maar hij wilde niet getroost worden. Hij zei: Ik blijf rouwen totdat ik bij mijn zoon in het graf kom. Zo bleef zijn vader om hem huilen. 36. Ondertussen verkochten de Midianieten Jozef in Egypte aan Potifar. Hij was een hoveling van Farao en het hoofd van de lijfwacht. ## Genesis 38 — Juda en Tamar 1. Rond die tijd verliet Juda zijn broers. Hij trok in bij Hira, een man uit Adullam. 2. Daar zag Juda een dochter van een Kanaänitische man die Sua heette. Hij trouwde met haar en sliep met haar. 3. Zij werd zwanger en kreeg een zoon. Juda noemde hem Er. 4. Zij werd opnieuw zwanger en kreeg een zoon. Zij noemde hem Onan. 5. Daarna kreeg zij nog een zoon, die zij Sela noemde. Juda was in Chezib toen zij hem ter wereld bracht. 6. Juda koos een vrouw voor zijn oudste zoon Er. Zij heette Tamar. 7. Maar Er, de oudste zoon van Juda, deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE. Daarom doodde de HEERE hem. 8. Toen zei Juda tegen Onan: Slaap met de vrouw van je broer. Vervul je plicht als zwager en zorg voor nakomelingen voor je broer. 9. Onan wist dat de nakomelingen niet als zijn kinderen zouden gelden. Daarom liet hij zijn zaad op de grond verloren gaan wanneer hij met Tamar sliep. Zo voorkwam hij dat zijn broer nakomelingen kreeg. 10. Wat Onan deed, was kwaad in de ogen van de HEERE. Daarom doodde Hij hem ook. 11. Daarna zei Juda tegen zijn schoondochter Tamar: Blijf als weduwe bij je vader wonen totdat mijn zoon Sela volwassen is. Hij dacht namelijk: Anders sterft Sela misschien ook, net als zijn broers. Tamar ging daarom bij haar vader wonen. 12. Een lange tijd later stierf Juda's vrouw, de dochter van Sua. Na zijn rouw ging Juda naar zijn schaapscheerders in Timna. Zijn vriend Hira uit Adullam ging met hem mee. 13. Iemand vertelde Tamar: Je schoonvader gaat naar Timna om zijn schapen te scheren. 14. Toen trok Tamar haar weduwenkleren uit. Ze bedekte haar gezicht met een sluier, hulde zich erin en ging bij de twee bronnen zitten, aan de weg naar Timna. Ze wist namelijk dat Sela volwassen was, maar dat Juda haar niet aan hem had gegeven. 15. Toen Juda haar zag, dacht hij dat zij een prostituee was, omdat zij haar gezicht had bedekt. 16. Hij ging naar haar toe langs de weg en zei: Kom, laat mij met je slapen. Hij wist niet dat zij zijn schoondochter was. Tamar vroeg: Wat geeft u mij als ik met u slaap? 17. Juda antwoordde: Ik stuur je een geitenbokje uit de kudde. Tamar zei: Goed, als u mij tot die tijd een onderpand geeft. 18. Juda vroeg: Wat voor onderpand moet ik je geven? Tamar antwoordde: Uw zegelring, het koord en de staf in uw hand. Juda gaf die aan haar en sliep met haar. Tamar werd zwanger van hem. 19. Daarna vertrok Tamar. Ze deed haar sluier af en trok haar weduwenkleren weer aan. 20. Juda stuurde het geitenbokje met zijn vriend Hira uit Adullam mee. Hira moest de vrouw betalen en het onderpand terughalen. Maar hij kon haar niet vinden. 21. Hira vroeg aan de mensen daar: Waar is de prostituee die bij de twee bronnen langs de weg zat? Zij antwoordden: Hier is geen prostituee geweest. 22. Hira ging terug naar Juda en zei: Ik heb haar niet gevonden. De mensen daar zeiden: Hier is geen prostituee geweest. 23. Juda zei: Laat haar het onderpand maar houden. Anders maken we ons belachelijk. Ik heb dit bokje gestuurd, maar jij hebt haar niet gevonden. 24. Ongeveer drie maanden later kreeg Juda bericht: Uw schoondochter Tamar heeft ontucht gepleegd. Ze is daardoor zwanger. Juda zei: Breng haar naar buiten en verbrand haar! 25. Terwijl men haar naar buiten bracht, stuurde Tamar het onderpand naar haar schoonvader. Ze gaf deze boodschap mee: Ik ben zwanger van de man van wie deze spullen zijn. Kijk goed: van wie zijn deze zegelring, deze koorden en deze staf? 26. Juda herkende de voorwerpen en zei: Zij staat meer in haar recht dan ik, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven. Daarna sliep Juda nooit meer met haar. 27. Toen Tamar moest bevallen, bleek dat zij een tweeling droeg. 28. Tijdens de bevalling stak een van de baby's zijn hand naar buiten. De verloskundige bond een scharlaken draad om zijn hand en zei: Deze komt als eerste naar buiten. 29. Maar hij trok zijn hand terug en zijn broer kwam als eerste naar buiten. De verloskundige zei: Wat heb jij een doorbraak gemaakt! Daarom kreeg hij de naam Perez. 30. Daarna kwam zijn broer naar buiten, met de scharlaken draad om zijn hand. Hij kreeg de naam Zera. ## Genesis 39 — Jozef in het huis van Potifar 1. Jozef werd naar Egypte gebracht. Daar kocht Potifar hem van de Ismaëlieten, die hem hadden meegenomen. Potifar was een Egyptische hofdienaar van Farao en bevelhebber van de lijfwacht. 2. De HEERE was met Jozef. Daardoor ging het goed met hem terwijl hij in het huis van zijn Egyptische meester woonde. 3. Zijn meester zag dat de HEERE met Jozef was. De HEERE liet alles wat Jozef deed goed verlopen. 4. Daarom kreeg Potifar waardering voor Jozef en liet hij zich door hem dienen. Hij stelde Jozef aan over zijn huis en vertrouwde hem alles toe. 5. Vanaf dat moment zegende de HEERE het huis van de Egyptenaar vanwege Jozef. De zegen van de HEERE rustte op alles wat hij thuis en op het land bezat. 6. Potifar liet alles wat hij bezat aan Jozef over. Hij hoefde zich alleen nog bezig te houden met het eten dat hij at. Jozef was knap en goedgebouwd. 7. Na verloop van tijd kreeg de vrouw van zijn meester haar oog op Jozef. Ze zei: Kom bij mij in bed. 8. Maar Jozef weigerde en zei tegen haar: Mijn meester hoeft zich dankzij mij geen zorgen te maken over wat er in huis gebeurt. Hij heeft alles wat hij bezit aan mij toevertrouwd. 9. Niemand in dit huis heeft meer gezag dan ik. Hij heeft mij niets onthouden behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik zoiets slechts kunnen doen en tegen God zondigen? 10. Ze sprak Jozef iedere dag aan, maar hij luisterde niet naar haar. Hij weigerde met haar naar bed te gaan of bij haar te zijn. 11. Op een dag kwam Jozef het huis binnen om zijn werk te doen. Geen van de andere huisbedienden was binnen. 12. Zij greep hem bij zijn mantel en zei: Kom bij mij in bed. Maar hij liet zijn mantel in haar hand achter en vluchtte naar buiten. 13. Toen zag ze dat hij zijn mantel in haar hand had achtergelaten en naar buiten was gevlucht. 14. Daarop riep ze haar huispersoneel en zei: Kijk eens! Mijn man heeft die Hebreeër bij ons gebracht om ons belachelijk te maken. Hij kwam naar mij toe om met mij naar bed te gaan, maar ik schreeuwde luid. 15. Toen hij hoorde dat ik begon te schreeuwen, liet hij zijn mantel bij mij achter en vluchtte hij naar buiten. 16. Ze hield Jozefs mantel bij zich totdat zijn meester thuiskwam. 17. Toen vertelde ze hem hetzelfde verhaal: Die Hebreeuwse slaaf die u bij ons hebt gebracht, kwam naar me toe om me belachelijk te maken. 18. Toen ik begon te schreeuwen, liet hij zijn mantel bij mij achter en vluchtte hij naar buiten. 19. Zijn meester hoorde hoe zijn vrouw zei: Zo heeft uw slaaf mij behandeld. Toen werd hij woedend. 20. Jozefs meester greep hem en zette hem in de gevangenis waar de gevangenen van de koning vastzaten. Zo kwam Jozef in de gevangenis terecht. 21. Maar de HEERE was met Jozef en bewees hem Zijn trouwe liefde. Hij zorgde ervoor dat het hoofd van de gevangenis waardering voor Jozef kreeg. 22. Het hoofd van de gevangenis gaf Jozef de leiding over alle gevangenen. Jozef kreeg de verantwoordelijkheid voor alles wat daar gebeurde. 23. Het hoofd van de gevangenis hoefde nergens meer naar om te kijken. De HEERE was met Jozef en liet alles wat hij deed goed verlopen. ## Genesis 40 — De dromen van de schenker en de bakker 1. Enige tijd later maakten de schenker en de bakker van de koning van Egypte zich schuldig tegenover hun heer, de koning. 2. Farao werd erg kwaad op deze twee hofdienaren: het hoofd van de schenkers en het hoofd van de bakkers. 3. Hij liet hen opsluiten in de gevangenis in het huis van de bevelhebber van de lijfwacht. Daar zat Jozef ook gevangen. 4. De bevelhebber droeg Jozef op hen te verzorgen. Ze bleven een tijdlang gevangen. 5. Op een nacht hadden de schenker en de bakker allebei een droom. Elke droom had zijn eigen betekenis. 6. Toen Jozef de volgende ochtend bij hen kwam, zag hij dat ze van streek waren. 7. Hij vroeg deze dienaren van Farao, die samen met hem gevangenzaten in het huis van zijn meester: Waarom kijken jullie vandaag zo somber? 8. Ze antwoordden: We hebben allebei een droom gehad, maar niemand kan die uitleggen. Jozef zei: Alleen God kan dromen uitleggen. Vertel jullie dromen maar aan mij. 9. Toen vertelde het hoofd van de schenkers zijn droom aan Jozef. Hij zei: In mijn droom zag ik een wijnstok voor mij. 10. De wijnstok had drie ranken. Hij liep uit, kreeg bloesem en droeg trossen met rijpe druiven. 11. Ik hield de beker van Farao vast. Ik plukte de druiven, perste ze uit in zijn beker en gaf de beker aan Farao. 12. Jozef zei tegen hem: Dit betekent je droom: de drie ranken stellen drie dagen voor. 13. Binnen drie dagen zal Farao u weer aanzien geven en u in uw ambt herstellen. U zult Farao zijn beker weer aanreiken, zoals u vroeger als schenker deed. 14. Denk dan aan mij wanneer het goed met u gaat. Bewijs mij alstublieft een dienst: vertel Farao over mij en help mij uit deze gevangenis. 15. Ik ben namelijk ontvoerd uit het land van de Hebreeën. Ook hier heb ik niets gedaan waarvoor ze mij in deze gevangenis mochten zetten. 16. Het hoofd van de bakkers zag dat Jozef een gunstige uitleg had gegeven. Daarom zei hij tegen Jozef: In mijn droom droeg ik drie gevlochten manden op mijn hoofd. 17. In de bovenste mand lag allerlei gebak voor Farao. De vogels aten ervan, uit de mand boven mijn hoofd. 18. Jozef antwoordde: Dit betekent je droom: de drie manden stellen drie dagen voor. 19. Binnen drie dagen zal Farao u onthoofden en uw lichaam aan een paal hangen. De vogels zullen uw vlees eten. 20. Op de derde dag vierde Farao zijn verjaardag en gaf hij een maaltijd voor al zijn dienaren. Tijdens het feest liet hij de hoofdschenker en de hoofdbakker bij zich komen. 21. Hij herstelde het hoofd van de schenkers in zijn ambt. Daarna mocht hij Farao de beker weer aanreiken. 22. Maar het hoofd van de bakkers liet hij ophangen, precies zoals Jozef hun had uitgelegd. 23. Het hoofd van de schenkers dacht echter niet meer aan Jozef. Hij vergat hem. ## Genesis 41 — Jozef wordt bestuurder over Egypte 1. Twee volle jaren later droomde Farao dat hij aan de rivier stond. 2. Uit de rivier kwamen zeven koeien omhoog. Ze waren mooi en vet en graasden in het gras. 3. Daarna kwamen uit de rivier zeven andere koeien omhoog. Ze waren lelijk en mager en gingen naast de eerste koeien aan de oever staan. 4. De lelijke, magere koeien aten de zeven mooie, vette koeien op. Toen werd Farao wakker. 5. Hij viel weer in slaap en droomde opnieuw. Nu kwamen uit één halm zeven dikke, goede korenaren omhoog. 6. Daarna schoten zeven dunne korenaren op, verschroeid door de oostenwind. 7. De dunne korenaren verslonden de zeven dikke, volle korenaren. Toen werd Farao wakker. Het was een droom. 8. De volgende ochtend was Farao erg onrustig. Hij liet alle tovenaars en wijzen van Egypte roepen en vertelde hun zijn dromen. Maar niemand kon ze uitleggen. 9. Toen zei het hoofd van de schenkers tegen Farao: Vandaag denk ik weer aan mijn zonden. 10. U was erg kwaad op uw dienaren. U liet mij en het hoofd van de bakkers opsluiten in het huis van de bevelhebber van de lijfwacht. 11. Op een nacht hadden wij allebei een droom. Elk van onze dromen had zijn eigen betekenis. 12. Bij ons was een jonge Hebreeër, een dienaar van de bevelhebber van de lijfwacht. We vertelden hem onze dromen. Hij legde ieders droom afzonderlijk uit. 13. Alles gebeurde precies zoals hij had uitgelegd. U herstelde mij in mijn ambt en liet de bakker ophangen. 14. Toen liet Farao Jozef halen. Men bracht hem snel uit de gevangenis. Jozef schoor zich, trok andere kleren aan en kwam bij Farao. 15. Farao zei tegen Jozef: Ik heb een droom gehad, maar niemand kan hem uitleggen. Ik heb over u gehoord dat u een droom kunt uitleggen zodra u die hoort. 16. Jozef antwoordde Farao: Dat ligt niet in mijn macht. God zal Farao een antwoord geven dat vrede brengt. 17. Toen zei Farao tegen Jozef: In mijn droom stond ik aan de oever van de rivier. 18. Uit de rivier kwamen zeven koeien omhoog. Ze waren vet en mooi en graasden in het gras. 19. Daarna kwamen zeven andere koeien omhoog. Ze waren mager, uitgeteerd en heel lelijk. Zulke lelijke koeien heb ik nergens in Egypte gezien. 20. De magere, lelijke koeien aten de eerste zeven vette koeien op. 21. De vette koeien kwamen in hun buik terecht, maar daarvan was niets te zien. De magere koeien zagen er nog even lelijk uit. Toen werd ik wakker. 22. Daarna zag ik in mijn droom uit één halm zeven volle, goede korenaren omhoogkomen. 23. Vervolgens schoten zeven verdorde, dunne korenaren op, verschroeid door de oostenwind. 24. De dunne korenaren verslonden de zeven goede korenaren. Ik heb dit aan de tovenaars verteld, maar niemand kon het mij verklaren. 25. Jozef zei tegen Farao: Beide dromen van Farao betekenen hetzelfde. God heeft Farao bekendgemaakt wat Hij gaat doen. 26. De zeven mooie koeien stellen zeven jaren voor. Ook de zeven mooie korenaren stellen zeven jaren voor. De dromen betekenen hetzelfde. 27. De zeven magere, lelijke koeien die daarna omhoogkwamen, stellen zeven jaren voor. Ook de zeven verschroeide, dunne korenaren betekenen zeven jaren hongersnood. 28. Dit bedoelde ik toen ik tegen Farao zei: God heeft Farao laten zien wat Hij gaat doen. 29. De komende zeven jaren zal er in heel Egypte grote overvloed zijn. 30. Daarna komen zeven jaren van hongersnood. Dan zal men alle overvloed in Egypte vergeten, want de hongersnood zal het land verwoesten. 31. Door de zware hongersnood die daarna komt, zal in het land niets meer van de vroegere overvloed te merken zijn. 32. Farao droomde tweemaal hetzelfde omdat Gods besluit vaststaat. Hij zal het spoedig uitvoeren. 33. Laat Farao daarom een verstandige en wijze man uitzoeken en hem over Egypte aanstellen. 34. Verder moet Farao opzichters over het land aanstellen. Laat hen tijdens de zeven jaren van overvloed een vijfde van de oogst in Egypte innemen. 35. Laat hen al het voedsel van de komende goede jaren verzamelen. Onder het gezag van Farao moeten ze graan in de steden opslaan en bewaken. 36. Dit voedsel dient als voorraad voor de zeven jaren van hongersnood die over Egypte zullen komen. Zo zal het land niet door honger omkomen. 37. Dit voorstel leek Farao en al zijn dienaren goed. 38. Farao zei tegen zijn dienaren: Zouden we iemand anders kunnen vinden die, net als deze man, de Geest van God heeft? 39. Daarna zei Farao tegen Jozef: God heeft u dit alles bekendgemaakt. Daarom is niemand zo verstandig en wijs als u. 40. U krijgt het gezag over mijn huis. Heel mijn volk moet uw bevelen gehoorzamen. Alleen doordat ik op de troon zit, sta ik boven u. 41. Verder zei Farao tegen Jozef: Hierbij stel ik u aan over heel Egypte. 42. Farao deed zijn ring af en schoof die aan Jozefs vinger. Hij liet hem kleren van fijn linnen aantrekken en hing een gouden ketting om zijn hals. 43. Hij liet Jozef meerijden in zijn tweede wagen. Voor hem uit riep men: Kniel neer! Zo stelde Farao hem aan over heel Egypte. 44. Farao zei tegen Jozef: Ik ben Farao. Zonder uw toestemming mag in heel Egypte niemand ook maar een hand of voet bewegen. 45. Farao gaf Jozef de naam Zafnath Paäneah. Hij gaf hem Asnath tot vrouw. Zij was de dochter van Potifera, de overste van On. Daarna trok Jozef door heel Egypte. 46. Jozef was dertig jaar oud toen hij voor Farao, de koning van Egypte, verscheen. Daarna verliet hij Farao en trok hij door heel Egypte. 47. Tijdens de zeven jaren van overvloed leverde het land een rijke oogst op. 48. Jozef verzamelde al het voedsel dat Egypte tijdens die zeven jaren voortbracht. In iedere stad sloeg hij de opbrengst uit de omliggende akkers op. 49. Jozef verzamelde zo veel graan als er zand aan de zee is. Uiteindelijk hield men op met tellen, want het graan was ontelbaar. 50. Voordat het eerste jaar van hongersnood begon, kreeg Jozef twee zonen. Asnath, de dochter van Potifera, de overste van On, bracht hen ter wereld. 51. Jozef noemde zijn eerstgeboren zoon Manasse. Hij zei: God heeft mij al mijn moeite en heel mijn ouderlijk huis laten vergeten. 52. Zijn tweede zoon noemde hij Efraïm. Hij zei: God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land waar ik verdrukt werd. 53. Toen eindigden de zeven jaren van overvloed in Egypte. 54. Daarna begonnen de zeven jaren van hongersnood, precies zoals Jozef had gezegd. In alle landen was hongersnood, maar overal in Egypte was voedsel. 55. Toen ook heel Egypte honger kreeg, riep het volk Farao om voedsel. Farao zei tegen alle Egyptenaren: Ga naar Jozef en doe wat hij zegt. 56. De hongersnood heerste in het hele land. Jozef opende alle voorraadschuren en verkocht graan aan de Egyptenaren, want de hongersnood in Egypte werd steeds zwaarder. 57. Mensen uit alle landen kwamen in Egypte graan bij Jozef kopen, want de hongersnood was overal zwaar. ## Genesis 42 — Jozefs broers gaan naar Egypte 1. Jakob zag dat er graan in Egypte was. Hij vroeg zijn zonen: Waarom kijken jullie elkaar aan? 2. Daarna zei hij: Kijk, ik heb gehoord dat er graan in Egypte is. Ga erheen en koop daar graan voor ons. Dan blijven we leven en sterven we niet. 3. Toen gingen tien broers van Jozef naar Egypte om graan te kopen. 4. Maar Jakob stuurde Benjamin, de broer van Jozef, niet met de anderen mee. Hij zei: Straks overkomt hem een ongeluk. 5. Zo kwamen de zonen van Israël samen met andere kopers naar Egypte, omdat er hongersnood in Kanaän heerste. 6. Jozef bestuurde het land en verkocht graan aan alle inwoners. Zijn broers kwamen naar hem toe en bogen voor hem, met hun gezicht tot op de grond. 7. Toen Jozef zijn broers zag, herkende hij hen. Hij deed alsof hij hen niet kende en sprak hen hard aan. Hij vroeg: Waar komen jullie vandaan? Ze antwoordden: Uit Kanaän. We komen voedsel kopen. 8. Jozef herkende zijn broers, maar zij herkenden hem niet. 9. Toen dacht Jozef aan de dromen die hij over hen had gehad. Hij zei: Jullie zijn spionnen! Jullie zijn gekomen om de zwakke plekken in het land te bekijken. 10. Ze antwoordden hem: Nee, mijn heer! Uw dienaren zijn alleen gekomen om voedsel te kopen. 11. Wij zijn allemaal zonen van één man. Wij zijn eerlijke mensen. Uw dienaren zijn geen spionnen. 12. Maar Jozef zei: Nee! Jullie zijn gekomen om de zwakke plekken in het land te bekijken. 13. Ze antwoordden: Wij, uw dienaren, waren met twaalf broers, allemaal zonen van één man in Kanaän. De jongste is nu bij onze vader. Eén broer is er niet meer. 14. Toen zei Jozef: Dit bevestigt wat ik al tegen jullie zei: Jullie zijn spionnen! 15. Zo zal ik jullie testen. Zowaar Farao leeft: jullie vertrekken hier pas als jullie jongste broer hierheen is gekomen. 16. Stuur een van jullie om jullie broer te halen. De rest blijft gevangen. Zo onderzoek ik jullie woorden en blijkt of jullie de waarheid spreken. Anders zijn jullie, zowaar Farao leeft, spionnen! 17. Daarna hield hij hen drie dagen samen gevangen. 18. Op de derde dag zei Jozef: Doe wat ik zeg, dan blijven jullie leven. Ik vrees God. 19. Als jullie eerlijk zijn, blijft één broer gevangen in dit huis. De anderen mogen vertrekken en graan meenemen voor jullie gezinnen, die honger lijden. 20. Breng daarna jullie jongste broer bij mij. Dan blijkt dat jullie woorden waar zijn en zullen jullie niet sterven. De broers stemden hiermee in. 21. Toen zeiden de broers tegen elkaar: Wij worden terecht gestraft om wat we onze broer hebben aangedaan. We zagen hoe bang hij was. Hij smeekte ons om genade, maar wij luisterden niet. Daarom is deze ellende over ons gekomen. 22. Ruben antwoordde: Heb ik jullie niet gewaarschuwd? Ik zei: Doe die jongen geen kwaad! Maar jullie luisterden niet. Nu worden wij ter verantwoording geroepen voor zijn bloed. 23. Ze wisten niet dat Jozef hen begreep, want hij sprak met hen via een tolk. 24. Jozef draaide zich van hen weg en huilde. Daarna kwam hij terug en sprak met hen. Voor hun ogen nam hij Simeon apart en liet hem vastbinden. 25. Jozef gaf opdracht hun zakken met graan te vullen. Ook moest ieders geld in zijn zak worden teruggelegd en kregen ze voedsel voor onderweg. Zo gebeurde het. 26. Ze laadden het graan op hun ezels en vertrokken. 27. Bij de herberg opende een van hen zijn zak om zijn ezel voer te geven. Toen zag hij zijn geld boven in de zak liggen. 28. Hij zei tegen zijn broers: Mijn geld is teruggegeven! Kijk, het zit in mijn zak! De moed zonk hun in de schoenen. Ze keken elkaar angstig aan en vroegen: Wat heeft God ons nu aangedaan? 29. Toen ze bij hun vader Jakob in Kanaän terugkwamen, vertelden ze alles wat hun was overkomen: 30. De man die over dat land regeert, sprak hard tegen ons. Hij beschouwde ons als spionnen die het land kwamen verkennen. 31. Maar wij zeiden tegen hem: Wij zijn eerlijk en geen spionnen. 32. Wij waren met twaalf broers, allemaal zonen van onze vader. Eén broer is er niet meer. De jongste is nu bij onze vader in Kanaän. 33. Toen zei de man die over het land regeert tegen ons: Zo ontdek ik of jullie eerlijk zijn. Laat één broer bij mij achter. Neem graan mee voor jullie hongerige gezinnen en vertrek. 34. Breng jullie jongste broer bij mij. Dan weet ik dat jullie geen spionnen, maar eerlijke mensen zijn. Ik geef jullie broer terug. Jullie mogen in dit land handel drijven. 35. Toen ze hun zakken leegmaakten, vond ieder zijn geldbuidel in zijn zak. Zij en hun vader zagen de buidels en werden bang. 36. Hun vader Jakob zei: Jullie maken mij kinderloos! Jozef is weg en Simeon is weg. Nu willen jullie ook Benjamin meenemen. Alles keert zich tegen mij! 37. Ruben zei tegen zijn vader: Dood mijn twee zonen als ik hem niet bij u terugbreng. Geef hem aan mij mee. Ik zal hem bij u terugbrengen. 38. Maar Jakob antwoordde: Mijn zoon gaat niet met jullie mee. Zijn broer is dood, en hij alleen is overgebleven. Als hem onderweg een ongeluk overkomt, sturen jullie mij als oude, verdrietige man het graf in. ## Genesis 43 — Benjamin gaat mee naar Egypte 1. De hongersnood bleef zwaar in het land. 2. Toen het graan uit Egypte op was, zei hun vader: Ga opnieuw naar Egypte en koop wat voedsel voor ons. 3. Juda antwoordde hem: Die man heeft ons nadrukkelijk gewaarschuwd: Jullie krijgen mij alleen te zien als jullie broer bij jullie is. 4. Als u onze broer met ons meestuurt, gaan wij naar Egypte en kopen voedsel voor u. 5. Maar als u hem niet meestuurt, gaan we niet. Die man heeft namelijk gezegd: Jullie krijgen mij alleen te zien als jullie broer bij jullie is. 6. Israël vroeg: Waarom hebben jullie mij dit aangedaan? Waarom vertelden jullie die man dat jullie nog een broer hebben? 7. Ze antwoordden: Die man vroeg heel precies naar ons en onze familie. Hij vroeg: Leeft jullie vader nog? Hebben jullie nog een broer? Daarom beantwoordden wij zijn vragen. Hoe konden wij weten dat hij zou zeggen: Breng jullie broer mee? 8. Toen zei Juda tegen zijn vader Israël: Stuur de jongen met mij mee. Dan vertrekken we meteen. Zo blijven wij allemaal leven: wijzelf, u en onze kinderen. 9. Ik sta borg voor hem. U mag mij verantwoordelijk houden. Als ik hem niet bij u terugbreng en aan u overdraag, blijf ik altijd schuldig tegenover u. 10. Als we niet zo lang hadden gewacht, waren we inmiddels al twee keer heen en terug geweest. 11. Toen zei hun vader Israël: Als het echt niet anders kan, doe dan het volgende. Neem de beste producten van dit land mee in jullie tassen. Breng die man als geschenk wat balsem, honing, specerijen, mirre, pistachenoten en amandelen. 12. Neem dubbel zoveel geld mee. Neem ook het geld terug dat boven in jullie zakken lag. Misschien was dat een vergissing. 13. Neem ook jullie broer mee en ga terug naar die man. 14. Moge God, de Almachtige, ervoor zorgen dat die man medelijden met jullie krijgt. Dan laat hij jullie andere broer en Benjamin meegaan. Wat mij betreft: als ik mijn kinderen verlies, dan verlies ik hen. 15. De mannen namen het geschenk, het dubbele bedrag en Benjamin mee. Ze vertrokken naar Egypte en verschenen voor Jozef. 16. Toen Jozef Benjamin bij hen zag, zei hij tegen zijn huismeester: Breng deze mannen naar mijn huis. Slacht een dier en bereid de maaltijd. Zij eten vanmiddag met mij. 17. De huismeester deed wat Jozef had gezegd en bracht de mannen naar Jozefs huis. 18. Ze werden bang omdat ze naar Jozefs huis werden gebracht. Ze zeiden tegen elkaar: Dit komt door het geld dat de vorige keer in onze zakken lag. Hij wil ons overmeesteren en aanvallen. Daarna maakt hij ons tot slaven en neemt hij onze ezels. 19. Daarom gingen ze bij de ingang van Jozefs huis naar zijn huismeester toe en spraken hem aan. 20. Ze zeiden: Alstublieft, mijn heer! De vorige keer zijn wij werkelijk hierheen gekomen om voedsel te kopen. 21. Toen we bij de herberg kwamen en onze zakken openden, lag ieders geld boven in zijn zak. Het volledige bedrag zat er nog. Daarom hebben we het teruggebracht. 22. We hebben ook ander geld meegenomen om voedsel te kopen. We weten niet wie ons geld in onze zakken heeft gelegd. 23. De huismeester antwoordde: Wees gerust en wees niet bang. Jullie God, de God van jullie vader, heeft een schat in jullie zakken gelegd. Ik heb jullie betaling ontvangen. Daarna bracht hij Simeon bij hen. 24. De huismeester bracht de mannen in Jozefs huis en gaf hun water om hun voeten te wassen. Hij gaf ook voer aan hun ezels. 25. Ze maakten het geschenk klaar voordat Jozef 's middags kwam. Ze hadden namelijk gehoord dat ze daar zouden eten. 26. Toen Jozef thuiskwam, brachten ze hem het geschenk dat ze bij zich hadden. Daarna bogen ze voor hem tot op de grond. 27. Jozef vroeg hoe het met hen ging. Daarna vroeg hij: Hoe gaat het met jullie oude vader, over wie jullie vertelden? Leeft hij nog? 28. Ze antwoordden: Het gaat goed met uw dienaar, onze vader. Hij leeft nog. Daarna bogen ze hun hoofd en knielden voor Jozef. 29. Jozef keek op en zag Benjamin, zijn broer en de zoon van zijn eigen moeder. Hij vroeg: Is dit jullie jongste broer, over wie jullie mij vertelden? Daarna zei hij tegen Benjamin: Mijn zoon! Moge God u genadig zijn. 30. Jozef werd diep geraakt toen hij zijn broer zag en voelde dat hij moest huilen. Snel ging hij naar een kamer en huilde daar. 31. Daarna waste hij zijn gezicht en kwam terug. Hij hield zich in en zei: Dien de maaltijd op. 32. De bedienden serveerden Jozef apart, zijn broers apart en de Egyptenaren die met hem aten apart. Egyptenaren mochten namelijk niet samen met Hebreeën eten. Dat vonden zij afschuwelijk. 33. De broers zaten tegenover Jozef, op volgorde van leeftijd: van de oudste tot de jongste. Verbaasd keken ze elkaar aan. 34. Jozef liet hun gerechten brengen van zijn eigen tafel. Benjamin kreeg vijf keer zoveel als ieder van de anderen. Ze dronken samen met Jozef en werden dronken. ## Genesis 44 — De zilveren beker in Benjamins zak 1. Jozef gaf de beheerder van zijn huis opdracht: Vul de zakken van deze mannen met zoveel voedsel als ze kunnen dragen. Leg ieders geld boven in zijn zak. 2. Leg ook mijn zilveren beker boven in de zak van de jongste, samen met zijn geld voor het graan. De beheerder deed wat Jozef had gezegd. 3. Toen het de volgende ochtend licht werd, mochten de mannen met hun ezels vertrekken. 4. Ze waren de stad uit en nog niet ver weg. Toen zei Jozef tegen zijn beheerder: Ga snel achter die mannen aan. Wanneer je hen hebt ingehaald, zeg dan: Waarom hebben jullie kwaad voor goed teruggegeven? 5. Dit is toch de beker waaruit mijn meester drinkt en waarmee hij verborgen dingen kan ontdekken? Jullie hebben verkeerd gehandeld. 6. De beheerder haalde hen in en zei precies wat Jozef hem had opgedragen. 7. Ze antwoordden hem: Waarom zegt mijn heer zulke dingen? Uw dienaren zouden zoiets nooit doen. 8. Kijk, we hebben zelfs het geld teruggebracht dat we boven in onze zakken vonden. We brachten het vanuit Kanaän naar u terug. Waarom zouden we dan zilver of goud uit het huis van uw meester stelen? 9. Als de beker bij een van uw dienaren gevonden wordt, moet die sterven. Bovendien zullen wij allemaal slaven van mijn heer worden. 10. De beheerder zei: Goed, laten we het doen zoals jullie hebben gezegd. Degene bij wie de beker gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn. De rest van jullie is onschuldig. 11. Iedereen zette snel zijn zak op de grond en maakte hem open. 12. De beheerder doorzocht de zakken. Hij begon bij de oudste en eindigde bij de jongste. De beker werd in Benjamins zak gevonden. 13. Toen scheurden de broers hun kleren. Iedereen laadde zijn zak weer op zijn ezel. Daarna keerden ze terug naar de stad. 14. Juda en zijn broers kwamen in Jozefs huis, waar hij nog was. Ze vielen voor hem op de grond. 15. Jozef vroeg hun: Wat hebben jullie gedaan? Weten jullie niet dat iemand als ik zulke dingen zeker kan ontdekken? 16. Juda antwoordde: Wat kunnen wij tegen mijn heer zeggen? Wat kunnen wij nog aanvoeren om onze onschuld te bewijzen? God heeft de schuld van uw dienaren aan het licht gebracht. Wij zijn nu uw slaven, zowel wij als degene bij wie de beker is gevonden. 17. Jozef zei: Zoiets zal ik nooit doen! Alleen de man bij wie de beker is gevonden, wordt mijn slaaf. Ga allemaal in vrede terug naar jullie vader. 18. Toen ging Juda dichter naar Jozef toe en zei: Mijn heer, laat uw dienaar alstublieft iets tegen u zeggen. Word niet boos op uw dienaar, want u bent als Farao. 19. Mijn heer vroeg zijn dienaren: Hebben jullie een vader of een broer? 20. Wij antwoordden mijn heer: We hebben een oude vader en een jonge broer, die op zijn oude dag geboren is. Zijn broer is dood. Hij is als enige zoon van zijn moeder overgebleven, en zijn vader houdt van hem. 21. Toen zei u tegen uw dienaren: Breng hem hierheen, zodat ik hem zelf kan zien. 22. Wij zeiden tegen mijn heer: De jongen kan zijn vader niet verlaten. Als hij zijn vader verlaat, zal zijn vader sterven. 23. Maar u zei tegen uw dienaren: Als jullie jongste broer niet meekomt, mogen jullie mij niet meer onder ogen komen. 24. Toen wij weer bij uw dienaar, mijn vader, kwamen, vertelden we hem wat mijn heer had gezegd. 25. Later zei onze vader: Ga terug en koop nog wat voedsel voor ons. 26. Wij antwoordden: We kunnen alleen teruggaan als onze jongste broer met ons meegaat. Anders mogen wij die man niet onder ogen komen. 27. Toen zei uw dienaar, mijn vader, tegen ons: Jullie weten dat mijn vrouw mij twee zonen heeft gegeven. 28. De ene is bij mij weggegaan. Ik zei: Hij is beslist verscheurd! Ik heb hem sindsdien niet meer gezien. 29. Als jullie ook deze zoon bij mij weghalen en hem iets verschrikkelijks overkomt, brengen jullie mij grijs en vol verdriet in het graf. 30. Mijn vader is met hart en ziel aan de jongen verbonden. Stel dat ik nu zonder de jongen bij hem terugkom. 31. Wanneer hij ziet dat de jongen er niet is, zal hij sterven. Dan brengen uw dienaren onze oude, grijze vader bedroefd in het graf. 32. Uw dienaar heeft zich namelijk bij mijn vader voor de jongen borg gesteld. Ik zei: Als ik hem niet bij u terugbreng, sta ik mijn hele leven bij mijn vader in de schuld. 33. Laat daarom uw dienaar alstublieft als slaaf van mijn heer achterblijven in plaats van de jongen. Laat de jongen met zijn broers teruggaan. 34. Hoe kan ik zonder de jongen naar mijn vader teruggaan? Ik zou niet kunnen aanzien welke ramp mijn vader dan treft. ## Genesis 45 — Jozef maakt zich aan zijn broers bekend 1. Jozef kon zich niet langer beheersen waar al zijn dienaren bij waren. Hij riep: Laat iedereen weggaan! Niemand bleef bij hem toen hij zich aan zijn broers bekendmaakte. 2. Hij begon zo hard te huilen dat de Egyptenaren het hoorden. Ook in Farao's paleis was het te horen. 3. Jozef zei tegen zijn broers: Ik ben Jozef! Leeft mijn vader nog? Zijn broers konden geen antwoord geven, want ze waren doodsbang voor hem. 4. Jozef zei tegen zijn broers: Kom toch dichterbij. Ze kwamen dichterbij. Toen zei hij: Ik ben jullie broer Jozef, die jullie naar Egypte hebben verkocht. 5. Maar wees niet verdrietig en neem het jezelf niet kwalijk dat jullie mij hierheen hebben verkocht. God heeft mij voor jullie uit gestuurd om levens te redden. 6. De hongersnood duurt nu twee jaar in het land. Nog vijf jaar lang zal er niet geploegd of geoogst worden. 7. God stuurde mij voor jullie uit om een deel van jullie familie op aarde te laten voortbestaan. Zo houdt Hij jullie door een grote redding in leven. 8. Jullie hebben mij dus niet hierheen gestuurd, maar God zelf. Hij maakte mij als een vader en raadgever voor Farao. Ook stelde Hij mij aan als heer over Farao's hele paleis en als bestuurder over heel Egypte. 9. Ga snel naar mijn vader en zeg tegen hem: Dit zegt uw zoon Jozef: God heeft mij heer over heel Egypte gemaakt. Kom naar mij toe en wacht niet langer. 10. U zult met uw kinderen en kleinkinderen dicht bij mij in Gosen wonen. Neem uw schapen, runderen en al uw bezittingen mee. 11. Ik zal daar voor u zorgen, want de hongersnood duurt nog vijf jaar. Zo zullen u en uw gezin niet verarmen en blijft uw bezit behouden. 12. Jullie zien zelf, en mijn broer Benjamin ziet het ook: ik spreek hier met mijn eigen mond tegen jullie. 13. Vertel mijn vader over mijn hoge positie in Egypte en over alles wat jullie hebben gezien. Ga snel en breng mijn vader hierheen. 14. Toen sloeg Jozef zijn armen om zijn broer Benjamin en huilde. Ook Benjamin omhelsde hem huilend. 15. Daarna kuste Jozef al zijn broers en huilde bij ieder van hen. Vervolgens spraken zijn broers met hem. 16. In Farao's paleis ging het bericht rond: Jozefs broers zijn gekomen! Farao en zijn dienaren waren blij met dit nieuws. 17. Farao zei tegen Jozef: Zeg tegen je broers: Doe het volgende. Belaad jullie dieren en ga naar Kanaän. 18. Neem jullie vader en gezinnen mee en kom naar mij. Ik geef jullie het beste van Egypte. Jullie zullen van de rijkdom van het land eten. 19. Jullie krijgen de opdracht om wagens uit Egypte mee te nemen voor jullie kinderen en vrouwen. Haal jullie vader op en kom hierheen. 20. Laat gerust huisraad achter. Het beste van heel Egypte zal van jullie zijn. 21. De zonen van Israël deden wat Farao had gezegd. Jozef gaf hun volgens Farao's bevel wagens en voedsel voor onderweg. 22. Iedere broer kreeg een stel nieuwe kleren. Benjamin kreeg driehonderd zilverstukken en vijf stel nieuwe kleren. 23. Voor zijn vader stuurde Jozef tien ezels met het beste uit Egypte. Ook stuurde hij tien ezelinnen met graan, brood en voedsel voor onderweg. 24. Daarna liet Jozef zijn broers vertrekken. Hij zei tegen hen: Maak onderweg geen ruzie. 25. Ze vertrokken uit Egypte en kwamen in Kanaän bij hun vader Jakob. 26. Ze vertelden hem: Jozef leeft nog! Hij is zelfs bestuurder over heel Egypte! Jakob was diep geschokt. Hij geloofde hen niet. 27. Toen vertelden ze alles wat Jozef tegen hen had gezegd. Jakob zag de wagens die Jozef had gestuurd om hem op te halen. Toen leefde hij weer op. 28. Israël zei: Het is genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik ga hem zien voordat ik sterf. ## Genesis 46 — Jakob verhuist met zijn familie naar Egypte 1. Israël vertrok met alles wat hij bezat en kwam in Ber-seba. Daar bracht hij offers aan de God van zijn vader Izak. 2. God sprak ’s nachts in een visioen tot Israël. Hij zei: Jakob, Jakob! Jakob antwoordde: Hier ben ik! 3. God zei: Ik ben God, de God van je vader. Wees niet bang om naar Egypte te gaan. Daar zal ik van jou een groot volk maken. 4. Ik ga met je mee naar Egypte en zal je zeker ook weer terugbrengen. Jozef zal met zijn hand je ogen sluiten. 5. Toen vertrok Jakob uit Ber-seba. Israëls zonen lieten hun vader Jakob, hun kinderen en hun vrouwen rijden in de wagens die Farao had gestuurd. 6. Ze namen hun vee en alle bezittingen mee die ze in Kanaän hadden verkregen. Zo kwamen Jakob en al zijn nakomelingen in Egypte. 7. Hij bracht zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters, en al zijn nakomelingen met zich mee naar Egypte. 8. Dit zijn de namen van Israëls zonen die naar Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. Jakobs eerstgeborene was Ruben. 9. Rubens zonen waren Hanoch, Pallu, Hezron en Karmi. 10. Simeons zonen waren Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul. Saul was de zoon van een Kanaänitische vrouw. 11. Levi's zonen waren Gerson, Kehath en Merari. 12. Juda's zonen waren Er, Onan, Sela, Perez en Zerah. Er en Onan waren echter in Kanaän gestorven. Perez' zonen waren Hezron en Hamul. 13. Issaschars zonen waren Tola, Puwa, Job en Simron. 14. Zebulons zonen waren Sered, Elon en Jahleel. 15. Dit waren Lea's zonen, die zij in Paddan-aram aan Jakob had gebaard, samen met zijn dochter Dina. Zijn zonen en dochters telden in totaal drieëndertig personen. 16. Gads zonen waren Zifjon, Haggi, Schuni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli. 17. Asers zonen waren Jimna, Jisva, Jisvi en Berija. Hun zus was Sera. Berija’s zonen waren Heber en Malchiël. 18. Via Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea had gegeven, kreeg Jakob deze zestien nakomelingen. 19. De zonen van Jakobs vrouw Rachel waren Jozef en Benjamin. 20. In Egypte kreeg Jozef twee zonen: Manasse en Efraïm. Hun moeder was Asnath, de dochter van Potifera, de overste van On. 21. Benjamins zonen waren Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Echi, Ros, Muppim, Huppim en Ard. 22. Via Rachel kreeg Jakob deze veertien nakomelingen. 23. Dans zoon was Chusim. 24. Nafthali's zonen waren Jahzeel, Guni, Jezer en Sillem. 25. Via Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel had gegeven, kreeg Jakob deze zeven nakomelingen. 26. Alle mensen die met Jakob naar Egypte kwamen en van hem afstamden, waren samen zesenzestig personen. De vrouwen van Jakobs zonen telden niet mee. 27. Jozef had in Egypte twee zonen gekregen. Zo bestond Jakobs familie die naar Egypte kwam in totaal uit zeventig personen. 28. Jakob stuurde Juda vooruit naar Jozef om de weg naar Gosen te laten wijzen. Daarna kwamen zij in Gosen aan. 29. Jozef liet zijn wagen inspannen en reed zijn vader Israël in Gosen tegemoet. Hij viel hem om de hals en huilde lange tijd. 30. Israël zei tegen Jozef: Nu kan ik sterven, want ik heb je gezicht gezien en weet dat je nog leeft! 31. Daarna zei Jozef tegen zijn broers en de rest van zijn vaders familie: Ik ga Farao op de hoogte brengen. Ik zal tegen hem zeggen: Mijn broers en mijn vaders familie, die in Kanaän woonden, zijn bij mij gekomen. 32. Deze mannen zijn schaapherders en werken met vee. Ze hebben hun schapen, runderen en alles wat ze bezitten meegenomen. 33. Als Farao jullie laat roepen, zal hij vragen: Wat is jullie beroep? 34. Dan moeten jullie antwoorden: Wij, uw dienaren, werken vanaf onze jeugd tot nu toe met vee, net als onze vaders. Zo mogen jullie in Gosen wonen, want de Egyptenaren vinden alle schaapherders afschuwelijk. ## Genesis 47 — Jakobs familie vestigt zich in Egypte 1. Jozef ging naar Farao en meldde: Mijn vader en broers zijn vanuit Kanaän gekomen met hun schapen, runderen en al hun bezittingen. Ze zijn nu in Gosen. 2. Hij koos vijf van zijn broers uit en bracht hen bij Farao. 3. Farao vroeg aan zijn broers: Wat is uw beroep? Ze antwoordden Farao: Wij, uw dienaren, zijn schaapherders, net als onze vaders. 4. Ze zeiden verder tegen Farao: Wij zijn gekomen om als vreemdelingen in dit land te wonen. In Kanaän is de hongersnood zo zwaar dat er voor de kudden van uw dienaren geen weidegrond meer is. Laat uw dienaren daarom alstublieft in Gosen wonen. 5. Farao zei tegen Jozef: Uw vader en uw broers zijn bij u gekomen. 6. Heel Egypte ligt voor u open. Laat uw vader en broers in het beste deel van het land wonen. Laat hen in Gosen wonen. Als u onder hen bekwame mannen kent, stel hen dan aan als opzichters over mijn vee. 7. Jozef bracht zijn vader Jakob bij Farao. Jakob zegende Farao. 8. Farao vroeg aan Jakob: Hoeveel jaren hebt u al geleefd? 9. Jakob antwoordde Farao: Ik leef nu honderddertig jaar als vreemdeling. Mijn levensjaren zijn weinig en zwaar geweest. Ik heb nog niet zo lang geleefd als mijn voorouders tijdens hun leven als vreemdelingen. 10. Jakob zegende Farao en vertrok. 11. Jozef gaf Jakob en zijn broers woonruimte en grondbezit in het beste deel van Egypte, in het gebied Rameses. Zo had Farao het bevolen. 12. Jozef gaf zijn vader, zijn broers en heel zijn vaders familie genoeg brood, ook voor de kleine kinderen. 13. In het hele land was geen voedsel meer, want de hongersnood was zeer zwaar. De inwoners van Egypte en Kanaän raakten erdoor uitgeput. 14. Jozef verzamelde al het geld in Egypte en Kanaän waarmee de mensen graan kochten. Hij bracht het geld naar Farao's paleis. 15. Toen het geld in Egypte en Kanaän op was, kwamen alle Egyptenaren naar Jozef. Ze zeiden: Geef ons voedsel! Waarom zouden wij voor uw ogen sterven? Ons geld is op. 16. Jozef antwoordde: Breng dan jullie vee. Als het geld op is, geef ik jullie voedsel in ruil voor jullie vee. 17. Ze brachten hun vee naar Jozef. Hij gaf hun voedsel in ruil voor paarden, schapen, runderen en ezels. Zo voorzag hij hen dat hele jaar van voedsel in ruil voor al hun vee. 18. Toen dat jaar voorbij was, kwamen zij het volgende jaar weer naar Jozef. Ze zeiden: Wij verbergen niet voor mijn heer dat ons geld op is en al ons vee nu van mijn heer is. Voor mijn heer blijft niets anders over dan ons lichaam en ons land. 19. Waarom zouden wij voor uw ogen sterven, samen met ons land? Koop ons en ons land in ruil voor voedsel. Dan zullen wij Farao dienen en zal ons land hem toebehoren. Geef ons zaaigoed, zodat wij blijven leven en het land niet onbewoond raakt. 20. Zo kocht Jozef voor Farao al het land in Egypte. Iedere Egyptenaar verkocht zijn akker, omdat de hongersnood hen zwaar trof. Daardoor werd het land eigendom van Farao. 21. Jozef verplaatste de bevolking naar de steden, van de ene grens van Egypte tot de andere. 22. Alleen het land van de priesters kocht hij niet. Zij kregen van Farao een vaste hoeveelheid voedsel en leefden daarvan. Daarom verkochten zij hun land niet. 23. Jozef zei tegen het volk: Vandaag heb ik jullie en jullie land voor Farao gekocht. Hier is zaaigoed voor jullie. Zaai daarmee het land in. 24. Bij de oogst moeten jullie een vijfde deel aan Farao geven. De andere vier delen zijn voor jullie: als zaaigoed, als voedsel voor jullie en jullie huisgenoten, en als eten voor jullie kinderen. 25. Zij zeiden: U hebt ons leven gered. Laat mijn heer ons alstublieft goedgezind zijn. Wij zullen Farao's dienaren zijn. 26. Jozef maakte hiervan een wet die tot op deze dag in Egypte geldt: Farao ontvangt een vijfde deel. Alleen het land van de priesters werd geen eigendom van Farao. 27. Israël woonde in Egypte, in Gosen. Ze kregen daar bezit, werden vruchtbaar en groeiden sterk in aantal. 28. Jakob leefde zeventien jaar in Egypte. In totaal werd hij honderdzevenenveertig jaar oud. 29. Toen de tijd naderde dat Israël zou sterven, riep hij zijn zoon Jozef. Hij zei: Als je mij goedgezind bent, leg dan je hand onder mijn heup. Toon mij liefde en trouw: begraaf mij niet in Egypte. 30. Laat mij bij mijn voorouders rusten. Breng mij daarom uit Egypte weg en begraaf mij in hun graf. Jozef antwoordde: Ik zal doen wat u hebt gevraagd. 31. Jakob zei: Zweer het mij! Jozef zwoer het hem. Daarna boog Israël zich neer bij het hoofdeinde van het bed. ## Genesis 48 — Jakob zegent Efraïm en Manasse 1. Enige tijd later kreeg Jozef bericht: Je vader is ziek. Toen nam hij zijn twee zonen, Manasse en Efraïm, mee. 2. Iemand vertelde Jakob: Je zoon Jozef komt naar je toe. Israël verzamelde zijn krachten en ging rechtop op het bed zitten. 3. Daarna zei Jakob tegen Jozef: God, de Almachtige, verscheen aan mij in Luz, in Kanaän. Hij zegende mij. 4. Hij zei tegen mij: Kijk, ik zal je vruchtbaar maken en veel nakomelingen geven. Uit jou zal ik een menigte volken laten ontstaan. Ik zal dit land na jou als eeuwig bezit aan je nakomelingen geven. 5. Daarom reken ik de twee zonen die je vóór mijn komst naar Egypte kreeg, als mijn eigen zonen. Efraïm en Manasse zullen mijn zonen zijn, net als Ruben en Simeon. 6. Je kinderen die na hen geboren worden, blijven van jou. Voor hun erfdeel zullen ze onder de naam van hun broers vallen. 7. Toen ik uit Paddan kwam, stierf Rachel bij mij onderweg in Kanaän. Dat gebeurde op korte afstand van Efrath. Ik begroef haar daar langs de weg naar Efrath, oftewel Bethlehem. 8. Israël zag Jozefs zonen en vroeg: Wie zijn dit? 9. Jozef antwoordde zijn vader: Dit zijn mijn zonen, die God mij hier heeft gegeven. Israël zei: Breng hen alstublieft bij mij, zodat ik hen kan zegenen. 10. Israëls ogen waren door ouderdom zo zwak geworden dat hij niet kon zien. Hij liet de jongens dichterbij komen en kuste en omhelsde hen. 11. Israël zei tegen Jozef: Ik had niet verwacht jou ooit terug te zien. Maar kijk, God heeft mij zelfs jouw kinderen laten zien! 12. Jozef haalde de jongens bij Israëls knieën vandaan. Daarna boog hij diep voor Israël en raakte met zijn gezicht de grond. 13. Jozef nam hen allebei mee: Efraïm aan zijn rechterkant, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse aan zijn linkerkant, tegenover Israëls rechterhand. Zo bracht hij hen dichter bij Israël. 14. Israël legde zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm, hoewel die de jongste was. Zijn linkerhand legde hij op Manasses hoofd. Hij kruiste zijn handen bewust, omdat Manasse de eerstgeborene was. 15. Daarna zegende hij Jozef. Hij zei: De God in wiens nabijheid mijn voorouders Abraham en Izak leefden, heeft vanaf mijn geboorte tot vandaag voor mij gezorgd. 16. De engel die mij uit al het kwaad heeft verlost, moge deze jongens zegenen. Laat hen mijn naam en de namen van mijn voorouders Abraham en Izak dragen. Mogen zij zich midden in het land vermenigvuldigen tot ze even talrijk zijn als vissen. 17. Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op Efraïms hoofd had gelegd. Dat vond hij verkeerd. Hij greep zijn vaders hand en probeerde die van Efraïms hoofd naar Manasses hoofd te verplaatsen. 18. Jozef zei tegen zijn vader: Niet zo, vader! Manasse is de eerstgeborene. Leg uw rechterhand op zijn hoofd. 19. Maar zijn vader weigerde en zei: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook Manasse zal een volk worden en groot worden. Toch zal zijn jongere broer groter worden dan hij. Efraïms nakomelingen zullen uitgroeien tot een menigte volken. 20. Zo zegende Jakob hen die dag. Hij zei: Het volk Israël zal anderen met jullie namen zegenen. Het zal zeggen: Moge God je maken als Efraïm en Manasse. Zo plaatste Jakob Efraïm vóór Manasse. 21. Daarna zei Israël tegen Jozef: Ik ga sterven. Maar God zal bij jullie zijn en jullie terugbrengen naar het land van jullie voorouders. 22. Ik heb jou bovendien één stuk land meer gegeven dan je broers. Dat heb ik met mijn zwaard en boog uit de handen van de Amorieten veroverd. ## Genesis 49 — Jakob zegent zijn zonen en sterft 1. Daarna riep Jakob zijn zonen bij zich. Hij zei: Kom bij elkaar. Ik zal vertellen wat jullie in de toekomst zal overkomen. 2. Kom bij elkaar en luister, zonen van Jakob. Luister naar Israël, jullie vader. 3. Ruben, jij bent mijn eerstgeborene. Jij was de eerste vrucht van mijn kracht. Jij had de hoogste waardigheid en de grootste kracht. 4. Je bent onstuimig als snelstromend water. Je zult niet langer bovenaan staan, want je bent in het bed van je vader geklommen. Je hebt het onteerd. Ja, hij is in mijn bed geklommen! 5. Simeon en Levi zijn broers. Hun daden zijn werktuigen van geweld. 6. Laat mijn ziel niet deelnemen aan hun geheime overleg. Laat mijn eer niet verbonden worden met hun bijeenkomst. In hun woede doodden zij mannen. Uit moedwil roofden zij de ossen. 7. Vervloekt is hun woede, want die is hevig. Vervloekt is hun razernij, want die is hard. Ik zal hen verdelen onder Jakob en verspreiden onder Israël. 8. Juda, jouw broers zullen je prijzen. Je hand zal op de nek van je vijanden liggen. De zonen van je vader zullen voor je buigen. 9. Juda is een leeuwenwelp. Mijn zoon, je bent na het grijpen van je prooi omhooggeklommen. Hij hurkt en ligt neer als een leeuw, als een oude leeuw. Wie durft hem op te jagen? 10. De scepter zal niet van Juda wijken, en de wetgever niet van tussen zijn voeten. Dat duurt totdat Silo komt. De volken zullen Hem gehoorzamen. 11. Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok, het veulen van zijn ezelin aan de beste wijnstok. Hij wast zijn kleed in wijn en zijn mantel in druivenbloed. 12. Zijn ogen zijn rood van de wijn en zijn tanden wit van de melk. 13. Zebulon zal aan de zeekust wonen, bij een haven voor schepen. Zijn grens zal in de richting van Sidon liggen. 14. Issaschar is een sterkgebouwde ezel die tussen twee vrachten ligt. 15. Hij zag hoe goed de rust was en hoe aangenaam het land. Daarom boog hij zijn schouder om lasten te dragen en verrichtte hij dwangarbeid. 16. Dan zal als een van de stammen van Israël rechtspreken over zijn volk. 17. Dan zal een slang langs de weg zijn, een adder naast het pad. Hij bijt het paard in de hielen, zodat de ruiter achterovervalt. 18. HEERE, ik wacht op Uw redding! 19. Gad zal door een roversbende worden aangevallen. Maar uiteindelijk zal hij die bende zelf aanvallen. 20. Het brood van Aser zal rijk zijn. Hij zal lekkernijen leveren die een koning waard zijn. 21. Nafthali is een hinde die vrijgelaten is. Hij spreekt mooie woorden. 22. Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak bij een bron. Zijn takken groeien over de muur. 23. Boogschutters hebben hem verbitterd, op hem geschoten en hem gehaat. 24. Maar zijn boog bleef stevig, en zijn handen en armen kregen kracht door de handen van de Machtige van Jakob. Door Hem werd Jozef een herder en een rots voor Israël. 25. De God van je vader zal je helpen. De Almachtige zal je zegenen met zegeningen uit de hemel boven en uit de diepte beneden. Ook geeft Hij overvloedige moedermelk en vruchtbaarheid. 26. De zegeningen van je vader overtreffen die van mijn voorouders. Ze reiken tot het uiterste van de eeuwige heuvels. Ze rusten op Jozefs hoofd, op de kruin van hem die van zijn broers werd afgezonderd. 27. Benjamin is een verscheurende wolf. In de ochtend eet hij zijn prooi, en in de avond verdeelt hij de buit. 28. Samen vormen zij de twaalf stammen van Israël. Dit heeft hun vader tegen hen gezegd toen hij hen zegende. Hij gaf ieder zijn eigen zegen. 29. Daarna gaf Jakob hun deze opdracht: Binnenkort word ik met mijn voorouders verenigd. Begraaf mij bij mijn voorouders, in de grot op de akker van Efron de Hethiet. 30. Die grot ligt op de akker van Machpela, tegenover Mamre in Kanaän. Abraham kocht die akker van Efron de Hethiet als eigen begraafplaats. 31. Daar zijn Abraham en zijn vrouw Sara begraven. Ook Izak en zijn vrouw Rebekka zijn daar begraven. Daar heb ik Lea begraven. 32. De akker en de grot die erin ligt, zijn gekocht van de zonen van Heth. 33. Toen Jakob klaar was met zijn opdrachten aan zijn zonen, trok hij zijn voeten op het bed. Hij blies zijn laatste adem uit en werd met zijn voorouders verenigd. ## Genesis 50 — Jakob wordt begraven en Jozef sterft 1. Jozef wierp zich over zijn vader heen. Hij huilde om hem en kuste hem. 2. Jozef gaf zijn dienaren, de artsen, opdracht om zijn vader te balsemen. De artsen balsemden Israël. 3. Het balsemen duurde veertig dagen, want zoveel tijd was daarvoor nodig. De Egyptenaren rouwden zeventig dagen om hem. 4. Toen de rouwtijd voorbij was, zei Jozef tegen de dienaren van Farao: Als jullie mij goedgezind zijn, vertel Farao dan namens mij het volgende: 5. Mijn vader liet mij zweren en zei: Ik ga sterven. Begraaf mij in het graf dat ik voor mijzelf in Kanaän heb uitgehouwen. Laat mij daarom alstublieft naar Kanaän gaan om mijn vader te begraven. Daarna kom ik terug. 6. Farao antwoordde: Ga en begraaf uw vader, zoals hij u heeft laten zweren. 7. Jozef vertrok om zijn vader te begraven. Alle dienaren van Farao gingen mee: de oudsten van zijn hof en alle oudsten van Egypte. 8. Ook Jozefs hele gezin, zijn broers en de familie van zijn vader gingen mee. Alleen hun kleine kinderen, schapen en runderen bleven in Gosen. 9. Er gingen ook wagens en ruiters met hem mee. Het was een bijzonder grote stoet. 10. Toen ze bij de open plek van het doornbos aan de overkant van de Jordaan kwamen, hielden ze daar een grote en zeer intense rouwklacht. Jozef rouwde zeven dagen om zijn vader. 11. Toen de Kanaänieten deze rouw bij de open plek van het doornbos zagen, zeiden ze: Dit is een zware rouw van de Egyptenaren. Daarom kreeg die plaats bij de oversteek van de Jordaan de naam Abel-mizraim. 12. Jakobs zonen deden voor hun vader precies wat hij hun had opgedragen. 13. Ze brachten hem naar Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker van Machpela, tegenover Mamre. Abraham had die akker van Efron de Hethiet gekocht als eigen begraafplaats. 14. Na de begrafenis keerde Jozef terug naar Egypte. Zijn broers en alle anderen die waren meegegaan om zijn vader te begraven, keerden met hem terug. 15. Toen Jozefs broers zagen dat hun vader dood was, zeiden ze tegen elkaar: Misschien gaat Jozef ons haten. Dan zal hij ons zeker al het kwaad vergelden dat wij hem hebben aangedaan. 16. Daarom stuurden zij boodschappers naar Jozef. Die brachten hem deze woorden: Uw vader gaf vóór zijn dood deze opdracht: 17. Zeg tegen Jozef: Vergeef toch de overtreding van je broers en hun zonde. Zij hebben je kwaad aangedaan. Vergeef daarom nu toch de overtreding van de dienaren van de God van je vader. Jozef huilde toen de boodschappers dit tegen hem zeiden. 18. Daarna kwamen ook zijn broers zelf. Ze vielen voor hem neer en zeiden: Wij zijn uw slaven! 19. Jozef zei tegen hen: Wees niet bang. Ben ik soms in de plaats van God? 20. Jullie waren van plan mij kwaad te doen, maar God was er iets goeds mee van plan. Daardoor hield Hij een groot volk in leven, zoals vandaag blijkt. 21. Wees dus niet bang. Ik zal voor jullie en jullie kleine kinderen zorgen. Zo troostte Jozef hen en sprak hij hen vriendelijk toe. 22. Jozef bleef met de familie van zijn vader in Egypte wonen. Hij leefde 110 jaar. 23. Hij zag Efraïms nakomelingen tot in de derde generatie. Ook de zonen van Machir, de zoon van Manasse, werden op Jozefs knieën geboren. 24. Jozef zei tegen zijn broers: Ik ga sterven. Maar God zal zeker naar jullie omzien. Hij zal jullie uit dit land naar het land brengen dat Hij aan Abraham, Izak en Jakob onder ede heeft beloofd. 25. Jozef liet de zonen van Israël zweren. Hij zei: God zal zeker naar jullie omzien. Wanneer dat gebeurt, moeten jullie mijn beenderen van hier meenemen. 26. Jozef stierf toen hij 110 jaar oud was. Ze balsemden hem en legden hem in Egypte in een kist. ## Exodus 1 — De Israëlieten worden in Egypte onderdrukt 1. Dit zijn de namen van Israëls zonen die samen met Jakob naar Egypte kwamen. Ieder nam zijn gezin mee. 2. Zij heetten Ruben, Simeon, Levi en Juda. 3. Ook Issaschar, Zebulon en Benjamin hoorden erbij. 4. Verder waren er Dan, Nafthali, Gad en Aser. 5. Er waren in totaal zeventig mensen die rechtstreeks van Jakob afstamden. Jozef was toen al in Egypte. 6. Later stierven Jozef, al zijn broers en iedereen van die generatie. 7. De Israëlieten kregen echter veel kinderen. Hun aantal groeide enorm en ze werden heel machtig. Zo raakte het land vol met hen. 8. Toen kwam er een nieuwe koning over Egypte die Jozef niet kende. 9. Hij zei tegen zijn volk: Kijk, de Israëlieten zijn talrijker en machtiger dan wij. 10. We moeten slim tegen hen optreden, zodat ze niet nog talrijker worden. Anders sluiten ze zich bij onze vijanden aan wanneer er oorlog uitbreekt. Dan zullen ze tegen ons vechten en uit het land vertrekken. 11. Daarom stelden de Egyptenaren opzichters aan om hen met zware arbeid te onderdrukken. De Israëlieten bouwden voor Farao de voorraadsteden Pitom en Raamses. 12. Maar hoe meer de Egyptenaren hen onderdrukten, hoe talrijker de Israëlieten werden en hoe sneller hun volk groeide. Daardoor werden de Egyptenaren steeds ongeruster over hen. 13. De Egyptenaren dwongen de Israëlieten tot zware slavenarbeid. 14. Ze maakten hun leven bitter door zware dwangarbeid. Ze moesten met leem en bakstenen werken en allerlei werk op het land doen. Bij al dit werk werden ze hard behandeld. 15. De koning van Egypte sprak ook met de Hebreeuwse vroedvrouwen. De ene heette Sifra en de andere Pua. 16. Hij zei: Wanneer jullie Hebreeuwse vrouwen bij de bevalling op de geboortestoel helpen, kijk dan goed naar het kind. Is het een jongen, dood hem. Is het een meisje, laat haar leven. 17. Maar de vroedvrouwen hadden diep ontzag voor God. Daarom gehoorzaamden ze de koning van Egypte niet en lieten ze de jongens leven. 18. De koning riep de vroedvrouwen bij zich en vroeg: Waarom hebben jullie dit gedaan? Waarom hebben jullie de jongens laten leven? 19. De vroedvrouwen antwoordden Farao: Dat komt doordat Hebreeuwse vrouwen anders zijn dan Egyptische vrouwen. Ze zijn sterk en bevallen al voordat de vroedvrouw bij hen komt. 20. Daarom was God goed voor de vroedvrouwen. Het volk bleef groeien en werd zeer machtig. 21. Omdat de vroedvrouwen ontzag voor God hadden, zorgde Hij ervoor dat zij gezinnen kregen. 22. Toen gaf Farao heel zijn volk dit bevel: Gooi elke pasgeboren jongen in de rivier, maar laat elk meisje leven. ## Exodus 2 — De geboorte en vlucht van Mozes 1. Een man uit de stam Levi trouwde met een vrouw uit dezelfde stam. 2. De vrouw werd zwanger en kreeg een zoon. Ze zag dat hij mooi was en verborg hem drie maanden. 3. Toen ze hem niet langer verborgen kon houden, maakte ze voor hem een mandje van biezen. Ze bestreek het met lijm en pek. Daarna legde ze de jongen erin en zette het mandje tussen het riet langs de rivieroever. 4. Zijn zus bleef op een afstand staan om te zien wat er met hem zou gebeuren. 5. Farao's dochter ging naar de rivier om zich te wassen. Haar dienaressen liepen langs de oever. Toen zij het mandje tussen het riet zag, stuurde ze haar dienares om het te halen. 6. Ze opende het mandje en zag het jongetje. Hij huilde. Ze kreeg medelijden met hem en zei: Dit is een Hebreeuwse jongen! 7. Toen vroeg zijn zus aan Farao's dochter: Zal ik een Hebreeuwse voedster halen om de jongen voor u te voeden? 8. Farao's dochter antwoordde: Ga. Het meisje ging de moeder van de jongen halen. 9. Farao's dochter zei tegen de moeder: Neem dit jongetje mee en geef hem voor mij borstvoeding. Ik zal u daarvoor betalen. De vrouw nam de jongen mee en gaf hem borstvoeding. 10. Toen de jongen groot genoeg was, bracht zijn moeder hem naar Farao's dochter. Zij nam hem aan als haar zoon. Ze noemde hem Mozes, want ze zei: Ik heb hem uit het water gehaald. 11. Toen Mozes volwassen was, ging hij op een dag naar zijn volksgenoten en keek naar hun zware werk. Hij zag hoe een Egyptenaar een van zijn Hebreeuwse volksgenoten sloeg. 12. Mozes keek om zich heen. Toen hij niemand zag, sloeg hij de Egyptenaar dood en verborg het lichaam in het zand. 13. De volgende dag ging Mozes opnieuw naar buiten. Daar zag hij twee Hebreeuwse mannen vechten. Hij vroeg aan de man die fout zat: Waarom sla je je volksgenoot? 14. De man antwoordde: Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? Ben je van plan mij te doden, zoals je de Egyptenaar hebt gedood? Toen werd Mozes bang en zei: Mijn daad is dus echt bekend geworden! 15. Toen Farao hierover hoorde, wilde hij Mozes doden. Maar Mozes vluchtte voor Farao en ging in Midian wonen. Daar ging hij bij een waterput zitten. 16. De priester van Midian had zeven dochters. Zij kwamen water putten en vulden de drinkbakken om de kudde van hun vader water te geven. 17. Toen kwamen er herders die de vrouwen wegjoegen. Mozes stond op, redde hen en gaf hun kudde te drinken. 18. Toen de vrouwen bij hun vader Rehuël terugkwamen, vroeg hij: Waarom zijn jullie vandaag zo snel terug? 19. Zij antwoordden: Een Egyptenaar heeft ons uit de handen van de herders gered. Hij heeft zelfs ruim voldoende water voor ons geput en de kudde water gegeven. 20. Hun vader vroeg: Waar is die man dan? Waarom hebben jullie hem laten gaan? Roep hem, zodat hij bij ons komt eten. 21. Mozes besloot bij de man te blijven wonen. De man gaf Mozes zijn dochter Zippora tot vrouw. 22. Zippora kreeg een zoon. Mozes noemde hem Gersom, want hij zei: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land. 23. Lange tijd later stierf de koning van Egypte. De Israëlieten zuchtten onder de slavernij en riepen om hulp. Hun noodkreet over die slavernij steeg op tot God. 24. God hoorde hun gekerm en dacht aan Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob. 25. God zag de Israëlieten en bekommerde zich om hen. ## Exodus 3 — God roept Mozes bij de brandende braamstruik 1. Mozes hoedde de kudde van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian. Hij dreef de kudde tot voorbij de woestijn. Zo kwam hij bij Horeb, de berg van God. 2. Daar verscheen de engel van de HEERE aan Mozes in een vuurvlam midden in een braambos. Mozes zag dat de struik brandde zonder te verbranden. 3. Mozes zei: Ik ga ernaartoe om dit indrukwekkende verschijnsel te bekijken. Waarom verbrandt de braamstruik niet? 4. De HEERE zag dat Mozes dichterbij kwam om te kijken. Toen riep God vanuit de braamstruik: Mozes, Mozes! Mozes antwoordde: Hier ben ik! 5. God zei: Kom niet dichterbij. Trek je schoenen uit, want de plaats waarop je staat is heilige grond. 6. Hij zei verder: Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. Mozes bedekte zijn gezicht, omdat hij bang was om God aan te kijken. 7. De HEERE zei: Ik heb goed gezien hoe mijn volk in Egypte wordt onderdrukt. Ik heb hun geschreeuw vanwege hun slavendrijvers gehoord. Ik ken hun pijn. 8. Daarom ben ik neergekomen om hen uit de macht van de Egyptenaren te redden. Ik zal hen uit Egypte naar een goed en ruim land brengen. Dat land vloeit over van melk en honing. Daar wonen de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten. 9. Nu heeft het geschreeuw van de Israëlieten mij bereikt. Ik heb ook gezien hoe de Egyptenaren hen onderdrukken. 10. Ga daarom nu. Ik stuur je naar Farao, zodat je mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte leidt. 11. Mozes vroeg God: Wie ben ik dat ik naar Farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? 12. God antwoordde: Ik zal zeker bij je zijn. Dit wordt het teken dat ik je gestuurd heb: jullie zullen God op deze berg dienen nadat je het volk uit Egypte hebt geleid. 13. Mozes zei tegen God: Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg: De God van jullie voorouders heeft mij naar jullie gestuurd. Als zij mij dan vragen: Wat is Zijn naam? Wat moet ik hun dan antwoorden? 14. God antwoordde Mozes: Ik zal zijn die ik zijn zal! Daarna zei Hij: Zeg tegen de Israëlieten: ‘Ik zal zijn’ heeft mij naar jullie gestuurd! 15. God zei verder tegen Mozes: Zeg dit tegen de Israëlieten. De HEERE, de God van jullie voorouders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar jullie gestuurd. Dit is voor eeuwig mijn naam. Zo zal men mij van generatie op generatie herinneren. 16. Ga nu en roep de oudsten van Israël bijeen. Zeg dit tegen hen: De HEERE, de God van jullie voorouders, is aan mij verschenen. Hij is de God van Abraham, Izak en Jakob. Hij heeft gezegd: Ik heb zeker naar jullie omgezien en gezien wat jullie in Egypte is aangedaan. 17. Daarom heb ik gezegd: Ik zal jullie bevrijden uit de onderdrukking in Egypte. Ik zal jullie brengen naar het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten. Het is een land dat overvloeit van melk en honing. 18. De oudsten zullen naar je luisteren. Daarna moeten jij en de oudsten van Israël naar de koning van Egypte gaan. Zeg samen tegen hem: De HEERE, de God van de Hebreeën, is ons tegemoetgekomen. Laat ons daarom toch drie dagreizen de woestijn ingaan om de HEERE, onze God, offers te brengen. 19. Maar ik weet dat de koning van Egypte jullie niet zal laten gaan, ook niet wanneer een sterke hand hem dwingt. 20. Daarom zal ik mijn hand uitstrekken en Egypte treffen met al mijn wonderen die ik daar zal doen. Daarna zal hij jullie laten gaan. 21. Ik zal ervoor zorgen dat de Egyptenaren dit volk gunstig behandelen. Wanneer jullie vertrekken, zullen jullie niet met lege handen weggaan. 22. Elke vrouw moet aan haar buurvrouw en aan de vrouw die bij haar in huis woont, zilveren en gouden voorwerpen en kleding vragen. Laat jullie zonen en dochters die dragen. Zo zullen jullie Egypte beroven. ## Exodus 4 — God geeft Mozes tekenen en stuurt hem terug naar Egypte 1. Mozes antwoordde: Maar de Israëlieten zullen mij niet geloven en niet naar mij luisteren. Ze zullen zeggen: De HEERE is niet aan u verschenen! 2. De HEERE vroeg hem: Wat heb je in je hand? Mozes antwoordde: Een staf. 3. Hij zei: Gooi hem op de grond. Mozes gooide de staf op de grond. Die veranderde in een slang, en Mozes vluchtte ervoor. 4. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Steek je hand uit en pak de slang bij haar staart! Mozes stak zijn hand uit en greep haar. In zijn hand veranderde zij weer in een staf. 5. Doe dit zodat zij geloven dat de HEERE aan je is verschenen. Hij is de God van hun voorouders: de God van Abraham, Izak en Jakob. 6. De HEERE zei verder tegen hem: Steek je hand onder je bovenkleed. Mozes deed dat. Toen hij zijn hand weer tevoorschijn haalde, was die melaats en wit als sneeuw. 7. Toen zei Hij: Steek je hand opnieuw onder je bovenkleed. Mozes deed dat. Toen hij zijn hand weer tevoorschijn haalde, was die weer gezond, net als de rest van zijn lichaam. 8. Als zij je niet geloven en niet luisteren naar wat het eerste teken hun zegt, zullen ze luisteren naar wat het tweede teken hun zegt. 9. Als zij zelfs deze twee tekenen niet geloven en niet naar je luisteren, neem dan water uit de rivier. Giet het op de droge grond. Het water dat je uit de rivier neemt, zal daar in bloed veranderen. 10. Mozes zei tegen de HEERE: Och Heere, ik kan niet goed spreken. Dat kon ik vroeger al niet en ook niet sinds U met Uw dienaar sprak. Ik spreek langzaam en moeizaam. 11. De HEERE antwoordde: Wie heeft de mond van de mens gemaakt? Wie maakt iemand stom of doof, ziend of blind? Ben ik het niet, de HEERE? 12. Ga nu. Ik zal met je mond zijn en je leren wat je moet zeggen. 13. Maar Mozes zei: Och Heere, stuur toch iemand anders. 14. Toen werd de HEERE boos op Mozes. Hij zei: Aäron de Leviet is toch je broer? Ik weet dat hij heel goed kan spreken. Hij komt je al tegemoet. Wanneer hij je ziet, zal hij daar van harte blij om zijn. 15. Jij moet tegen hem spreken en hem vertellen welke woorden hij moet gebruiken. Ik zal met jouw mond en met zijn mond zijn. Ik zal jullie leren wat jullie moeten doen. 16. Hij zal namens jou tot het volk spreken. Hij zal jouw mond zijn, en jij zult voor hem als een god zijn. 17. Neem deze staf in je hand. Daarmee zul je de tekenen doen. 18. Mozes ging terug naar zijn schoonvader Jethro en zei: Laat mij alstublieft teruggaan naar mijn familieleden in Egypte om te zien of zij nog leven. Jethro antwoordde: Ga in vrede! 19. De HEERE zei ook tegen Mozes in Midian: Ga terug naar Egypte, want alle mannen die je wilden doden, zijn gestorven. 20. Mozes zette zijn vrouw en zijn zonen op een ezel en reisde met hen terug naar Egypte. Hij nam de staf van God in zijn hand. 21. De HEERE zei tegen Mozes: Als je terugkeert naar Egypte, doe dan voor Farao alle wonderen die ik je in handen heb gegeven. Maar ik zal zijn hart verharden, zodat hij het volk niet laat gaan. 22. Dan moet je tegen Farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Israël is mijn zoon, mijn eerstgeborene. 23. Ik heb tegen u gezegd: Laat mijn zoon gaan, zodat hij mij kan dienen. Maar u hebt geweigerd hem te laten gaan. Daarom zal ik uw zoon, uw eerstgeborene, doden! 24. Onderweg, bij een overnachtingsplaats, kwam de HEERE hem tegen en wilde hem doden. 25. Toen nam Zippora een stenen mes en besneed de voorhuid van haar zoon. Ze wierp die voor zijn voeten en zei: Jij bent werkelijk mijn bloedbruidegom! 26. Toen liet Hij hem met rust. Zij zei: Bloedbruidegom! Dat kwam door de besnijdenis. 27. De HEERE zei ook tegen Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. Aäron ging op weg, ontmoette hem bij de berg van God en kuste hem. 28. Mozes vertelde Aäron alle woorden van de HEERE, die hem had gestuurd. Ook vertelde hij hem over alle tekenen die Hij hem had opgedragen uit te voeren. 29. Daarna gingen Mozes en Aäron op weg en riepen alle oudsten van de Israëlieten bijeen. 30. Aäron vertelde hun alles wat de HEERE tegen Mozes had gezegd. Daarna deed hij de tekenen voor de ogen van het volk. 31. Het volk geloofde hun woorden. De Israëlieten hoorden dat de HEERE naar hen had omgezien en hun onderdrukking had gezien. Toen bogen zij hun hoofd en aanbaden Hem. ## Exodus 5 — Farao maakt de dwangarbeid nog zwaarder 1. Daarna gingen Mozes en Aäron naar Farao. Ze zeiden: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat mijn volk gaan om voor mij in de woestijn een feest te vieren! 2. Maar Farao zei: Wie is de HEERE, dat ik naar Hem zou luisteren en Israël zou laten gaan? Ik ken de HEERE niet en ik laat Israël niet gaan. 3. Mozes en Aäron antwoordden: De God van de Hebreeën is ons tegemoetgekomen. Laat ons daarom drie dagreizen de woestijn ingaan om de HEERE, onze God, offers te brengen. Anders treft Hij ons met de pest of met het zwaard. 4. De koning van Egypte zei tegen hen: Mozes en Aäron, waarom houden jullie het volk van zijn werk af? Ga terug naar jullie dwangarbeid! 5. Farao zei verder: Het volk in het land is al zo talrijk. En jullie willen hen laten stoppen met hun dwangarbeid? 6. Diezelfde dag gaf Farao bevel aan de slavendrijvers en de Israëlitische opzichters: 7. Voortaan mogen jullie deze mensen geen stro meer geven om bakstenen te maken, zoals voorheen. Laat hen zelf stro gaan verzamelen. 8. Maar eis van hen hetzelfde aantal bakstenen als voorheen. Verminder dat aantal niet. Ze zijn lui. Daarom roepen ze: Laat ons gaan om onze God offers te brengen! 9. Leg deze mannen zwaarder werk op, zodat ze daarmee bezig blijven en geen aandacht hebben voor leugenachtige woorden. 10. De slavendrijvers en de Israëlitische opzichters gingen naar het volk en zeiden: Zo zegt Farao: Ik geef jullie geen stro meer. 11. Ga zelf stro halen waar jullie het maar kunnen vinden. Er gaat niets af van het werk dat jullie moeten leveren. 12. Toen verspreidde het volk zich door heel Egypte om stoppels te verzamelen in plaats van stro. 13. De slavendrijvers joegen hen op: Maak elke dag het werk van die dag af, net zoals toen jullie nog stro kregen. 14. Farao's slavendrijvers sloegen de Israëlitische opzichters die zij over het volk hadden aangesteld. Ze vroegen: Waarom hebben jullie gisteren en vandaag niet hetzelfde aantal bakstenen gemaakt als vroeger? 15. Toen gingen de Israëlitische opzichters naar Farao. Ze riepen: Waarom behandelt u uw dienaren zo? 16. Uw dienaren krijgen geen stro, maar men zegt tegen ons: Maak bakstenen! Uw dienaren worden geslagen, terwijl uw eigen volk de schuld heeft. 17. Farao antwoordde: Jullie zijn lui, lui! Daarom zeggen jullie: Laat ons gaan om de HEERE offers te brengen! 18. Ga nu aan het werk! Jullie krijgen geen stro, maar moeten wel hetzelfde aantal bakstenen leveren. 19. De Israëlitische opzichters beseften dat ze er slecht voor stonden toen hun werd gezegd: Jullie mogen geen enkele dag minder bakstenen maken. 20. Toen ze bij Farao vandaan kwamen, troffen zij Mozes en Aäron aan. Die stonden op hen te wachten. 21. Ze zeiden tegen hen: Moge de HEERE jullie zien en over jullie oordelen! Door jullie hebben Farao en zijn dienaren een afkeer van ons gekregen. Jullie hebben hun een zwaard in handen gegeven om ons te doden. 22. Mozes keerde terug naar de HEERE en zei: Heere, waarom hebt U dit volk kwaad aangedaan? Waarom hebt U mij eigenlijk gestuurd? 23. Sinds ik naar Farao ging om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad aangedaan. En U hebt Uw volk helemaal niet bevrijd. 24. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Nu zul je zien wat ik met Farao ga doen. Door een machtige hand gedwongen zal hij hen laten gaan. Ja, door een machtige hand gedwongen zal hij hen uit zijn land wegjagen. ## Exodus 6 — God hernieuwt Zijn beloften aan Israël 1. God sprak verder tegen Mozes: Ik ben de HEERE! 2. Ik ben aan Abraham, Izak en Jakob verschenen als God de Almachtige. Maar onder mijn naam HEERE was ik bij hen niet bekend. 3. Ik heb ook mijn verbond met hen gesloten. Ik beloofde hun Kanaän te geven, het land waar zij als vreemdelingen woonden. 4. Ook heb ik het gekerm van de Israëlieten gehoord. De Egyptenaren houden hen in slavernij. Ik heb aan mijn verbond gedacht. 5. Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE! Ik haal jullie weg van onder de lasten van de Egyptenaren. Ik red jullie uit hun slavernij. Met uitgestrekte arm en zware oordelen zal ik jullie bevrijden. 6. Ik zal jullie als mijn volk aannemen en jullie God zijn. Jullie zullen erkennen dat ik de HEERE, jullie God, ben, die jullie onder de lasten van de Egyptenaren vandaan haalt. 7. Ik zal jullie brengen naar het land dat ik met opgeheven hand aan Abraham, Izak en Jakob beloofd heb. Ik geef het jullie als erfdeel. Ik ben de HEERE! 8. Mozes bracht deze woorden over aan de Israëlieten. Maar zij luisterden niet naar hem door hun moedeloosheid en de zware slavernij. 9. Daarna sprak de HEERE opnieuw tegen Mozes. 10. Ga naar Farao, de koning van Egypte. Zeg dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten vertrekken. 11. Maar Mozes zei in de aanwezigheid van de HEERE: Zelfs de Israëlieten hebben niet naar mij geluisterd. Waarom zou Farao dan naar mij luisteren? Bovendien ben ik niet welsprekend. 12. Toch sprak de HEERE tegen Mozes en Aäron. Hij gaf hun bevelen voor de Israëlieten en voor Farao, de koning van Egypte. Zij moesten de Israëlieten uit Egypte leiden. 13. Dit zijn de hoofden van hun familietakken. Ruben was de eerstgeborene van Israël. Zijn zonen waren Hanoch, Pallu, Hezron en Charmi. Van hen stammen de families van Ruben af. 14. Simeons zonen waren Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul. Saul was de zoon van een Kanaänitische vrouw. Van hen stammen de families van Simeon af. 15. Dit zijn de namen van Levi's zonen volgens hun afstamming: Gerson, Kehath en Merari. Levi werd honderdzevenendertig jaar oud. 16. Gersons zonen waren Libni en Simeï, met hun families. 17. Kehaths zonen waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël. Kehath werd honderddrieëndertig jaar oud. 18. Merari's zonen waren Machli en Musi. Dit waren Levi's families, geordend naar hun afstamming. 19. Amram trouwde met zijn tante Jochebed. Zij kreeg bij hem Aäron en Mozes. Amram werd honderdzevenendertig jaar oud. 20. Jizhars zonen waren Korah, Nefeg en Zichri. 21. Uzziëls zonen waren Misaël, Elzafan en Sithri. 22. Aäron trouwde met Eliseba. Zij was een dochter van Amminadab en een zus van Nahesson. Ze kreeg bij hem Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar. 23. Korahs zonen waren Assir, Elkana en Abiasaf. Van hen stammen de families van de Korachieten af. 24. Eleazar, de zoon van Aäron, trouwde met een dochter van Putiel. Zij kreeg bij hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderlijke families van de Levieten. 25. Dit waren Aäron en Mozes, tegen wie de HEERE zei: Leid de Israëlieten in hun legerafdelingen uit Egypte. 26. Zij waren het die met Farao, de koning van Egypte, spraken om de Israëlieten uit Egypte te leiden. Dit zijn Mozes en Aäron. 27. Het gebeurde op de dag dat de HEERE in Egypte tegen Mozes sprak. 28. De HEERE zei toen tegen Mozes: Ik ben de HEERE! Vertel Farao, de koning van Egypte, alles wat ik tegen je zeg. 29. Toen zei Mozes in de aanwezigheid van de HEERE: Ik ben niet welsprekend. Hoe zal Farao dan naar mij luisteren? ## Exodus 7 — Aärons staf en het water dat bloed wordt 1. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Ik heb je voor Farao als een god aangesteld. Je broer Aäron zal je profeet zijn. 2. Jij moet alles zeggen wat ik je opdraag. Je broer Aäron moet Farao zeggen dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten vertrekken. 3. Maar ik zal Farao's hart verharden. Ik zal in Egypte veel tekenen en wonderen doen. 4. Farao zal niet naar jullie luisteren. Dan zal ik mijn macht tegen Egypte gebruiken. Mijn legers, mijn volk, de Israëlieten, zal ik door zware oordelen uit Egypte leiden. 5. Dan zullen de Egyptenaren weten dat ik de HEERE ben. Dat gebeurt wanneer ik mijn hand over Egypte uitstrek en de Israëlieten bij hen vandaan leid. 6. Mozes en Aäron deden precies wat de HEERE hun had opgedragen. 7. Mozes was tachtig jaar oud en Aäron drieëntachtig jaar toen zij met Farao spraken. 8. Toen sprak de HEERE tegen Mozes en Aäron. 9. Wanneer Farao tegen jullie zegt: Laat eens een wonderteken zien! Dan moet jij tegen Aäron zeggen: Neem je staf en gooi hem voor Farao neer. Hij zal in een draak veranderen. 10. Mozes en Aäron gingen naar Farao en deden wat de HEERE had opgedragen. Aäron gooide zijn staf voor Farao en zijn dienaren neer. De staf veranderde in een draak. 11. Farao liet ook de wijzen en goochelaars roepen. De Egyptische tovenaars deden met hun bezweringen hetzelfde. 12. Iedere tovenaar gooide zijn staf neer. De staven veranderden in draken, maar Aärons staf verslond hun staven. 13. Maar Farao's hart werd hard. Daardoor luisterde hij niet naar Mozes en Aäron, zoals de HEERE had gezegd. 14. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Farao's hart is hard. Hij weigert het volk te laten vertrekken. 15. Ga morgenochtend naar Farao. Hij zal naar het water gaan. Wacht hem op aan de oever van de rivier. Neem de staf mee die in een slang veranderde. 16. Zeg het volgende tegen Farao. De HEERE, de God van de Hebreeën, heeft mij naar u gestuurd. Hij geeft u deze boodschap: Laat mijn volk vertrekken, zodat het mij in de woestijn kan dienen. Maar tot nu toe hebt u niet geluisterd. 17. Dit zegt de HEERE: Hieraan zult u weten dat ik de HEERE ben. Kijk, ik zal met deze staf in mijn hand op het water van de rivier slaan. Het zal in bloed veranderen. 18. De vissen in de rivier zullen sterven en de rivier zal stinken. De Egyptenaren zullen ervan walgen om water uit de rivier te drinken. 19. De HEERE zei verder tegen Mozes: Zeg tegen Aäron: Neem je staf en strek je hand uit over alle wateren van Egypte. Doe dat over hun stromen, rivieren, poelen en alle plaatsen waar water verzameld is, zodat ze in bloed veranderen. In heel Egypte zal bloed zijn, zelfs in houten en stenen vaten. 20. Mozes en Aäron deden wat de HEERE had opgedragen. Aäron hief de staf op en sloeg voor de ogen van Farao en zijn dienaren op het rivierwater. Al het water in de rivier veranderde in bloed. 21. De vissen in de rivier stierven en de rivier begon te stinken. De Egyptenaren konden het rivierwater niet drinken. In heel Egypte was bloed. 22. De Egyptische tovenaars deden met hun bezweringen hetzelfde. Daardoor werd Farao's hart hard en luisterde hij niet naar Mozes en Aäron, zoals de HEERE had gezegd. 23. Farao draaide zich om en ging naar huis. Zelfs dit trok hij zich niet aan. 24. Alle Egyptenaren groeven rondom de rivier naar drinkwater, want zij konden het rivierwater niet drinken. 25. Zo gingen zeven dagen voorbij nadat de HEERE de rivier had getroffen. ## Exodus 8 — Kikkers, luizen en ongedierte 1. De HEERE zei tegen Mozes: Ga naar Farao en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Laat mijn volk gaan om mij te dienen. 2. Als u weigert hen te laten gaan, zal ik uw hele gebied met kikkers treffen. 3. De rivier zal krioelen van kikkers. Ze komen uw huis binnen, tot in uw slaapkamer en op uw bed. Ook komen ze in de huizen van uw dienaren, op uw volk, in uw ovens en in uw baktroggen. 4. De kikkers zullen ook op u, uw volk en al uw dienaren springen. 5. Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Zeg tegen Aäron: Strek uw hand met uw staf uit over de stromen, rivieren en poelen. Laat de kikkers over Egypte komen. 6. Aäron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte. Toen kwamen er kikkers tevoorschijn die heel Egypte bedekten. 7. De tovenaars deden met hun bezweringen hetzelfde: ook zij lieten kikkers over Egypte komen. 8. Toen liet Farao Mozes en Aäron roepen. Hij zei: Bid dringend tot de HEERE dat Hij de kikkers van mij en mijn volk wegneemt. Dan zal ik het volk laten gaan om de HEERE offers te brengen. 9. Mozes zei tegen Farao: Bepaal zelf wanneer ik voor u, uw dienaren en uw volk zal bidden. Dan worden de kikkers bij u en uit uw huizen uitgeroeid. Ze blijven alleen in de rivier over. 10. Farao antwoordde: Morgen. Mozes zei: Het zal gebeuren zoals u hebt gezegd. Daardoor zult u weten dat niemand is zoals de HEERE, onze God. 11. De kikkers zullen bij u, uit uw huizen, bij uw dienaren en bij uw volk verdwijnen. Ze blijven alleen in de rivier over. 12. Daarna gingen Mozes en Aäron bij Farao weg. Mozes riep tot de HEERE vanwege de kikkers die Hij over Farao had gebracht. 13. De HEERE deed wat Mozes gevraagd had. De kikkers in de huizen, binnenplaatsen en velden stierven. 14. De dode kikkers werden in grote hopen verzameld, en het land begon te stinken. 15. Toen Farao merkte dat er verlichting was, maakte hij zijn hart hard. Hij luisterde niet naar Mozes en Aäron, zoals de HEERE had gezegd. 16. Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Zeg tegen Aäron: Strek uw staf uit en sla op het stof van de aarde. Daardoor zal het stof in heel Egypte in luizen veranderen. 17. Mozes en Aäron deden wat hun was opgedragen. Aäron strekte zijn hand met zijn staf uit en sloeg op het stof. Toen kwamen er veel luizen op de mensen en het vee. Al het stof in heel Egypte veranderde in luizen. 18. Ook de tovenaars probeerden met hun bezweringen luizen voort te brengen, maar het lukte hun niet. De luizen bleven op de mensen en het vee. 19. Toen zeiden de tovenaars tegen Farao: Dit is Gods vinger! Maar Farao's hart verhardde zich. Hij luisterde niet naar hen, zoals de HEERE had gezegd. 20. Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Sta morgen vroeg op en ga voor Farao staan wanneer hij naar het water gaat. Zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Laat mijn volk gaan om mij te dienen. 21. Als u mijn volk niet laat gaan, zal ik zwermen ongedierte sturen op u, uw dienaren en uw volk. Ze zullen uw huizen binnendringen. De huizen van de Egyptenaren en ook de grond waarop zij wonen, zullen er vol mee zijn. 22. Maar op die dag zal ik het land Gosen, waar mijn volk woont, apart houden. Daar zal geen ongedierte zijn. Zo zult u weten dat ik, de HEERE, hier in dit land aanwezig ben. 23. Ik zal onderscheid maken tussen mijn volk en uw volk. Morgen zal dit teken plaatsvinden! 24. De HEERE deed dit. Grote zwermen ongedierte kwamen in Farao's huis, in de huizen van zijn dienaren en in heel Egypte. Het land werd door het ongedierte verwoest. 25. Toen liet Farao Mozes en Aäron roepen. Hij zei: Ga jullie God in dit land offers brengen. 26. Mozes antwoordde: Dat zou niet goed zijn. Wij zouden de HEERE, onze God, iets offeren wat de Egyptenaren afschuwelijk vinden. Als wij dat voor hun ogen offeren, zullen ze ons toch stenigen? 27. We moeten drie dagreizen de woestijn ingaan om de HEERE, onze God, offers te brengen, zoals Hij ons zal zeggen. 28. Farao zei: Ik zal jullie laten gaan om de HEERE, jullie God, in de woestijn offers te brengen. Maar ga beslist niet te ver weg! Bid dringend voor mij. 29. Mozes antwoordde: Ik ga nu bij u weg en zal dringend tot de HEERE bidden. Morgen zal al het ongedierte weg zijn van Farao, zijn dienaren en zijn volk. Maar Farao mag zijn belofte niet opnieuw breken door het volk toch niet te laten gaan om de HEERE offers te brengen. 30. Toen ging Mozes bij Farao weg en bad dringend tot de HEERE. 31. De HEERE deed wat Mozes gevraagd had. Het ongedierte verdween bij Farao, zijn dienaren en zijn volk. Er bleef er niet één over. 32. Maar ook deze keer maakte Farao zijn hart hard. Hij liet het volk niet gaan. ## Exodus 9 — Veepest, zweren en hagel 1. Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga naar Farao en spreek tegen hem. Zeg: Zo zegt de HEERE, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om mij te dienen. 2. Als u weigert hen te laten gaan en hen met geweld blijft vasthouden, zal het volgende gebeuren: 3. De hand van de HEERE zal uw vee in het veld treffen met een zeer zware veepest: uw paarden, ezels, kamelen, runderen, schapen en geiten. 4. Maar de HEERE zal onderscheid maken tussen het vee van de Israëlieten en dat van de Egyptenaren. Geen enkel dier van de Israëlieten zal sterven. 5. De HEERE bepaalde een vast tijdstip en zei: Morgen zal de HEERE dit in Egypte doen. 6. De volgende dag deed de HEERE wat Hij had aangekondigd. Al het vee van de Egyptenaren stierf, maar van het vee van de Israëlieten stierf geen enkel dier. 7. Farao liet dit onderzoeken. Geen enkel dier van Israël was gestorven. Toch werd Farao's hart hard en liet hij het volk niet gaan. 8. Toen zei de HEERE tegen Mozes en Aäron: Neem allebei een handvol as uit de oven. Mozes moet die voor Farao's ogen naar de hemel gooien. 9. De as zal boven heel Egypte in fijn stof veranderen. Dat stof zal overal bij de mensen en het vee zweren met blaren veroorzaken. 10. Mozes en Aäron namen as uit de oven en gingen voor Farao staan. Mozes gooide de as naar de hemel. Toen kregen de mensen en het vee zweren met blaren. 11. Door de zweren konden de tovenaars niet voor Mozes blijven staan. Ook zij en alle andere Egyptenaren hadden zweren. 12. Maar de HEERE maakte Farao's hart hard. Daardoor luisterde hij niet naar Mozes en Aäron, zoals de HEERE tegen Mozes had gezegd. 13. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Sta morgen vroeg op en ga voor Farao staan. Zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE, de God van de Hebreeën: Laat mijn volk gaan om mij te dienen. 14. Deze keer zal ik al mijn plagen sturen. Ze zullen u diep in het hart raken en ook uw dienaren en uw volk treffen. Daardoor zult u weten dat er op de hele aarde niemand is zoals ik. 15. Ik had mijn hand al kunnen uitstrekken om u en uw volk met de pest te treffen. Dan zou u van de aarde verdwenen zijn. 16. Maar ik heb u juist gespaard om mijn kracht aan u te tonen en mijn naam over de hele aarde bekend te maken. 17. Blijft u zich nog steeds tegen mijn volk verzetten en weigert u het te laten gaan? 18. Morgen ongeveer om deze tijd laat ik een zeer zware hagelbui neerkomen. Zo'n zware hagel is in Egypte nog nooit gevallen sinds het land bestaat. 19. Laat daarom nu uw vee en alles wat u buiten op het veld hebt, in veiligheid brengen. Alle mensen en dieren die buiten blijven en niet naar binnen worden gebracht, zullen sterven wanneer de hagel hen treft. 20. De dienaren van Farao die het woord van de HEERE vreesden, lieten hun eigen dienaren en hun vee de huizen in vluchten. 21. Maar wie het woord van de HEERE niet ter harte nam, liet zijn dienaren en zijn vee op het veld. 22. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel. Dan zal in heel Egypte hagel vallen op de mensen, het vee en alle planten op het veld. 23. Mozes strekte zijn staf uit naar de hemel. De HEERE liet het donderen en hagelen, en vuur schoot naar de aarde. Zo liet de HEERE hagel over Egypte vallen. 24. Er viel zeer zware hagel. Midden door de hagel flitste vuur. Zoiets was in heel Egypte nog nooit gebeurd sinds daar een volk woonde. 25. In heel Egypte sloeg de hagel alles neer wat buiten op het veld was, zowel mensen als dieren. Ook vernielde de hagel alle planten en brak alle bomen op het veld. 26. Alleen in het land Gosen, waar de Israëlieten woonden, viel geen hagel. 27. Toen liet Farao Mozes en Aäron roepen. Hij zei tegen hen: Deze keer heb ik gezondigd. De HEERE is rechtvaardig, maar ik en mijn volk hebben verkeerd gehandeld! 28. Bid dringend tot de HEERE. Er is genoeg donder van God en hagel geweest. Dan zal ik jullie laten gaan en hoeven jullie hier niet langer te blijven. 29. Mozes antwoordde: Zodra ik buiten de stad ben, zal ik mijn handen naar de HEERE uitstrekken. Dan zullen de donder en de hagel ophouden. Zo zult u weten dat de aarde van de HEERE is. 30. Maar ik weet dat u en uw dienaren nog geen ontzag hebben voor de HEERE God. 31. Het vlas en de gerst waren door de hagel vernield. De gerst stond namelijk al in de aar en het vlas was al opgeschoten. 32. Maar de tarwe en de spelt waren niet door de hagel vernield, omdat ze nog geen aren en halmen hadden. 33. Mozes verliet Farao en ging de stad uit. Hij strekte zijn handen uit naar de HEERE. De donder en hagel hielden op, en er viel geen regen meer. 34. Toen Farao zag dat de regen, hagel en donder waren opgehouden, zondigde hij opnieuw. Hij maakte zijn hart hard, net als zijn dienaren. 35. Zo bleef Farao's hart hard. Hij liet de Israëlieten niet gaan, zoals de HEERE door Mozes had gezegd. ## Exodus 10 — Sprinkhanen en duisternis treffen Egypte 1. Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga naar Farao. Ik heb zijn hart en de harten van zijn dienaren verhard, zodat ik deze tekenen in hun midden kan doen. 2. Dan kun je aan je kinderen en kleinkinderen vertellen wat ik in Egypte heb gedaan en welke tekenen ik daar heb verricht. Zo zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 3. Mozes en Aäron gingen naar Farao. Ze zeiden: Zo zegt de HEERE, de God van de Hebreeën: Hoelang weigert u zich voor mij nederig op te stellen? Laat mijn volk gaan om mij te dienen. 4. Als u weigert mijn volk te laten gaan, breng ik morgen sprinkhanen in uw gebied. 5. Ze zullen het land zo volledig bedekken dat niemand de grond nog kan zien. Ze eten alles op wat aan de hagel ontsnapte en voor u overbleef. Ook vreten ze alle vruchten en bladeren op van de bomen die bij u op het veld groeien. 6. Ze vullen uw huis en de huizen van al uw dienaren en alle Egyptenaren. Geen van uw voorouders heeft zoiets ooit gezien, vanaf het begin van hun bestaan op aarde tot vandaag. Daarna draaide Mozes zich om en ging bij Farao weg. 7. Farao's dienaren zeiden tegen hem: Hoelang blijft deze man nog een valstrik voor ons? Laat de mannen gaan om de HEERE, hun God, te dienen! Beseft u nog niet dat Egypte ten onder gaat? 8. Toen werden Mozes en Aäron bij Farao teruggebracht. Hij zei tegen hen: Ga de HEERE, jullie God, dienen. Maar wie gaan er precies mee? 9. Mozes antwoordde: Wij gaan met jong en oud, met onze zonen en dochters, en met onze schapen en runderen. Wij moeten immers een feest voor de HEERE vieren. 10. Farao zei: Dan moet de HEERE maar met jullie zijn, als ik jullie en jullie kleine kinderen laat gaan! Pas maar op, want ik zal jullie kwaad doen als jullie mij blijven lastigvallen! 11. Nee, alleen de mannen mogen gaan om de HEERE te dienen. Dat is immers waar jullie om hebben gevraagd! Daarna werden Mozes en Aäron bij Farao weggejaagd. 12. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek je hand uit over Egypte. Dan komen de sprinkhanen op en eten ze al het groen op dat de hagel heeft laten staan. 13. Mozes strekte zijn staf uit over Egypte. De HEERE liet die hele dag en nacht een oostenwind over het land waaien. Tegen de morgen voerde de oostenwind de sprinkhanen mee. 14. De sprinkhanen kwamen over heel Egypte en streken in het hele gebied neer. Het waren er ontzettend veel. Zo'n sprinkhanenzwerm was er nooit eerder geweest en zou er nooit meer komen. 15. Ze bedekten het hele land, zodat de grond er donker van werd. Ze aten al het groen en alle boomvruchten op die de hagel had overgelaten. In heel Egypte bleef niets groens aan de bomen of planten over. 16. Farao liet Mozes en Aäron haastig roepen. Hij zei: Ik heb gezondigd tegen de HEERE, jullie God, en tegen jullie. 17. Vergeef mij deze ene keer mijn zonde en bid dringend tot de HEERE, jullie God. Vraag Hem alleen deze dodelijke plaag van mij weg te nemen. 18. Mozes ging bij Farao weg en bad dringend tot de HEERE. 19. De HEERE liet een zeer krachtige westenwind opsteken. Die tilde de sprinkhanen op en wierp ze in de Schelfzee. In heel Egypte bleef geen enkele sprinkhaan over. 20. Maar de HEERE verhardde Farao's hart, zodat hij de Israëlieten niet liet gaan. 21. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek je hand uit naar de hemel. Dan komt er een duisternis over Egypte die zo dicht is dat men haar kan voelen. 22. Mozes strekte zijn hand uit naar de hemel. Toen kwam er drie dagen lang een dichte duisternis over heel Egypte. 23. Drie dagen lang konden de Egyptenaren elkaar niet zien en kwam niemand van zijn plaats. Maar in alle huizen van de Israëlieten was er licht. 24. Toen liet Farao Mozes roepen. Hij zei: Ga de HEERE dienen. Jullie kleine kinderen mogen meegaan, maar jullie schapen en runderen moeten hier blijven. 25. Mozes antwoordde: U moet ons ook dieren meegeven voor slachtoffers en brandoffers die wij aan de HEERE, onze God, kunnen brengen. 26. Ons eigen vee moet ook meegaan. Geen enkele hoef mag achterblijven. Uit ons vee zullen wij dieren kiezen om de HEERE, onze God, te dienen. Pas wanneer we daar aankomen, weten we waarmee we de HEERE moeten dienen. 27. Maar de HEERE verhardde Farao's hart. Hij wilde de Israëlieten niet laten gaan. 28. Farao zei tegen Mozes: Ga bij mij weg! Zorg dat u nooit meer voor mij verschijnt. Want op de dag dat u mij weer ziet, zult u sterven! 29. Mozes antwoordde: U hebt het zelf gezegd. Ik zal u niet meer onder ogen komen. ## Exodus 11 — De dood van de eerstgeborenen aangekondigd 1. De HEERE had tegen Mozes gezegd: Ik zal nog één plaag over Farao en Egypte brengen. Daarna zal hij jullie van hier laten gaan. Wanneer hij jullie volledig laat gaan, zal hij jullie haastig van hier wegjagen. 2. Zeg nu tegen het volk: Elke man moet zijn Egyptische buur om zilveren en gouden voorwerpen vragen. Elke vrouw moet haar Egyptische buurvrouw ook om zilveren en gouden voorwerpen vragen. 3. De HEERE zorgde ervoor dat de Egyptenaren het volk gunstig behandelden. Ook stond Mozes in Egypte in zeer hoog aanzien bij Farao's dienaren en bij het Egyptische volk. 4. Mozes zei verder tegen Farao: Zo zegt de HEERE: Rond middernacht zal ik door Egypte gaan. 5. Alle eerstgeborenen in Egypte zullen sterven. Dit geldt vanaf Farao's eerstgeborene, die hem op de troon zou opvolgen, tot de eerstgeborene van de slavin achter de molen. Ook alle eerstgeboren dieren zullen sterven. 6. In heel Egypte zal een luid gejammer klinken, zoals er nooit is geweest en nooit meer zal zijn. 7. Maar onder de Israëlieten zal zelfs geen hond tegen een mens of dier blaffen. Zo zullen jullie weten dat de HEERE onderscheid maakt tussen de Egyptenaren en de Israëlieten. 8. Dan zullen al deze dienaren van u naar mij toe komen. Ze zullen voor mij buigen en zeggen: Vertrek met heel het volk dat u volgt! Daarna zal ik vertrekken. Toen ging Mozes in hevige woede bij Farao weg. 9. De HEERE had tegen Mozes gezegd: Farao zal niet naar jullie luisteren, zodat ik in Egypte nog meer wonderen zal doen. 10. Mozes en Aäron deden al deze wonderen voor Farao. Maar de HEERE verhardde Farao's hart, zodat hij de Israëlieten niet uit zijn land liet gaan. ## Exodus 12 — Het Pascha en de uittocht uit Egypte 1. De HEERE had in Egypte tegen Mozes en Aäron gezegd: 2. Deze maand moet voor jullie het begin van de maanden zijn. Zij moet voor jullie de eerste maand van het jaar zijn. 3. Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: Op de tiende dag van deze maand moet ieder voor zijn familie een lam nemen. Neem één lam per gezin. 4. Als een gezin te klein is voor een heel lam, moet het dit delen met het gezin dat het dichtst bij woont. Bepaal op basis van wat ieder kan eten hoeveel mensen voor één lam nodig zijn. 5. Neem een gaaf mannelijk lam van één jaar oud. Het mag een schaap of een geit zijn. 6. Houd het apart tot de veertiende dag van deze maand. Dan moet de hele gemeenschap van Israël het tussen het begin en het einde van de avond slachten. 7. Daarna moeten zij wat van het bloed nemen. Ze moeten het aan beide deurposten en de bovendorpel strijken van de huizen waar zij het eten. 8. Diezelfde nacht moeten zij het vlees eten, boven het vuur geroosterd. Ze moeten er ongezuurd brood en bittere kruiden bij eten. 9. Eet niets ervan rauw of in water gekookt. Rooster het boven het vuur, samen met de kop, poten en ingewanden. 10. Laat niets ervan tot de volgende morgen overblijven. Wat dan toch overblijft, moeten jullie verbranden. 11. Eet het zo: bind je kleding bij je middel op, trek je schoenen aan en houd je staf in je hand. Eet het haastig. Het is het Pascha van de HEERE. 12. Want deze nacht zal ik door Egypte gaan. Ik zal alle eerstgeborenen in Egypte doden, van de mensen tot de dieren. Ik zal alle goden van de Egyptenaren straffen. Ik ben de HEERE! 13. Het bloed aan de huizen waar jullie zijn, zal een teken voor jullie zijn. Wanneer ik het bloed zie, zal ik jullie voorbijgaan. Wanneer ik Egypte sla, zal geen vernietigende plaag jullie treffen. 14. Deze dag moet voor jullie een gedenkdag zijn. Vier hem als een feest voor de HEERE. Van generatie op generatie moeten jullie hem als een eeuwige instelling vieren. 15. Zeven dagen lang moeten jullie ongezuurd brood eten. Verwijder op de eerste dag al het zuurdeeg uit jullie huizen. Wie van de eerste tot en met de zevende dag iets gezuurds eet, moet uit Israël worden uitgeroeid. 16. Op de eerste en de zevende dag moeten jullie een heilige bijeenkomst houden. Op die dagen mag niemand werken. Jullie mogen alleen het voedsel klaarmaken dat ieder nodig heeft om te eten. 17. Onderhoud daarom het feest van de ongezuurde broden. Juist op deze dag zal ik jullie legers uit Egypte leiden. Daarom moeten jullie deze dag van generatie op generatie als een eeuwige instelling onderhouden. 18. Vanaf de avond van de veertiende dag van de eerste maand moeten jullie ongezuurd brood eten, tot de avond van de eenentwintigste dag. 19. Zeven dagen lang mag in jullie huizen geen zuurdeeg te vinden zijn. Iedereen die iets gezuurds eet, moet uit de gemeenschap van Israël worden uitgeroeid. Dat geldt voor een vreemdeling en voor iemand die in het land geboren is. 20. Eet niets waarin zuurdeeg zit. In al jullie woonplaatsen moeten jullie ongezuurd brood eten. 21. Toen riep Mozes alle oudsten van Israël bijeen. Hij zei: Kies voor elk gezin een lam en slacht het als paaslam. 22. Neem vervolgens een bosje hysop en dompel het in het bloed in een schaal. Strijk dat bloed aan de bovendorpel en beide deurposten. Niemand van jullie mag vóór de ochtend zijn huis uitgaan. 23. De HEERE zal door Egypte trekken om de Egyptenaren te slaan. Wanneer Hij het bloed aan de bovendorpel en deurposten ziet, zal Hij die deur voorbijgaan. Hij laat de vernietiger jullie huizen niet binnengaan om daar toe te slaan. 24. Jullie en jullie kinderen moeten het Pascha voor altijd blijven vieren. 25. Wanneer jullie in het land komen dat de HEERE volgens Zijn belofte aan jullie zal geven, moeten jullie deze eredienst onderhouden. 26. Wanneer jullie kinderen vragen: Wat betekent deze dienst voor jullie? 27. Dan moeten jullie antwoorden: Dit is een paasoffer voor de HEERE. Hij ging in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbij. Hij trof de Egyptenaren, maar spaarde onze huizen. Daarna knielde het volk en boog zich neer. 28. De Israëlieten gingen weg en deden precies wat de HEERE Mozes en Aäron had opgedragen. 29. Om middernacht doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypte. Het ging van Farao's eerstgeboren zoon, die op zijn troon zou zitten, tot de eerstgeborene van de gevangene in de gevangenis. Ook alle eerstgeboren dieren werden gedood. 30. Farao stond die nacht op, samen met al zijn dienaren en alle Egyptenaren. In heel Egypte klonk luid gejammer. Er was geen huis zonder dode. 31. Diezelfde nacht liet Farao Mozes en Aäron roepen. Hij zei: Sta op en vertrek uit het midden van mijn volk, jullie en alle Israëlieten. Ga de HEERE dienen, zoals jullie gevraagd hebben. 32. Neem ook jullie schapen en runderen mee, zoals jullie gevraagd hebben. Ga weg en bid ook voor mij. 33. De Egyptenaren drongen er sterk bij het volk op aan snel uit het land te vertrekken. Ze zeiden: Wij sterven allemaal! 34. Het volk nam het deeg mee voordat het gezuurd was. Zij droegen de deegkommen, in hun kleren gebonden, op hun schouders. 35. De Israëlieten hadden gedaan wat Mozes had gezegd. Zij hadden de Egyptenaren om zilveren en gouden voorwerpen en kleren gevraagd. 36. De HEERE had ervoor gezorgd dat de Egyptenaren het volk goedgezind waren en hun gaven wat zij vroegen. Zo beroofden de Israëlieten de Egyptenaren. 37. Zo reisden de Israëlieten van Rameses naar Sukkoth. Er waren ongeveer zeshonderdduizend mannen te voet, naast de kleine kinderen. 38. Ook trok een grote gemengde menigte met hen mee. Zij namen schapen en runderen mee: een enorme hoeveelheid vee. 39. Van het deeg dat zij uit Egypte hadden meegenomen, bakten zij ongezuurde koeken. Het deeg was niet gezuurd, omdat zij uit Egypte waren verdreven en niet konden wachten. Zij hadden ook geen voedsel voor onderweg kunnen klaarmaken. 40. De Israëlieten hadden vierhonderddertig jaar in Egypte gewoond. 41. Precies aan het einde van die vierhonderddertig jaar trokken alle legers van de HEERE op diezelfde dag uit Egypte. 42. Dit is de nacht waarin de HEERE hen uit Egypte leidde. Daarom moeten alle generaties Israëlieten deze nacht ter ere van de HEERE blijven gedenken. 43. Daarna zei de HEERE tegen Mozes en Aäron: Dit is het voorschrift voor het Pascha: geen vreemdeling mag ervan eten. 44. Een voor geld gekochte slaaf mag ervan eten nadat jullie hem besneden hebben. 45. Een inwonende buitenlander of ingehuurde arbeider mag er niet van eten. 46. Het lam moet in één huis worden gegeten. Draag niets van het vlees buiten dat huis en breek geen bot van het lam. 47. De hele gemeenschap van Israël moet het Pascha vieren. 48. Wanneer een vreemdeling bij jullie woont en het Pascha voor de HEERE wil vieren, moeten alle mannelijke leden van zijn huishouden besneden worden. Daarna mag hij deelnemen en geldt hij als iemand die in het land geboren is. Maar geen enkele onbesneden man mag ervan eten. 49. Voor iemand die in het land geboren is en voor de vreemdeling die bij jullie woont, geldt dezelfde wet. 50. Alle Israëlieten deden precies wat de HEERE Mozes en Aäron had opgedragen. 51. Op diezelfde dag leidde de HEERE de Israëlieten, ingedeeld in hun legers, uit Egypte. ## Exodus 13 — De eerstgeborenen en Gods leiding 1. De HEERE zei tegen Mozes: 2. Wijd alle eerstgeboren mannetjes aan mij. Elke eerstgeboren zoon en elk eerstgeboren mannelijk dier van de Israëlieten behoort mij toe. 3. Daarna zei Mozes tegen het volk: Denk aan deze dag waarop jullie Egypte, het land van slavernij, verlieten. De HEERE heeft jullie met sterke hand van hier weggehaald. Daarom mag niemand iets eten waarin zuurdesem zit. 4. Vandaag vertrekken jullie, in de maand Abib. 5. Wanneer de HEERE jullie brengt naar het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Hevieten en Jebusieten, moeten jullie dit gebruik blijven onderhouden. Hij heeft jullie voorouders gezworen dat Hij dit land aan jullie zal geven, een land dat overvloeit van melk en honing. Vier deze plechtigheid elk jaar in deze maand. 6. Zeven dagen moeten jullie ongezuurd brood eten. Op de zevende dag vieren jullie een feest voor de HEERE. 7. Eet zeven dagen lang ongezuurd brood. In jullie hele gebied mag nergens gezuurd brood of zelfs maar zuurdesem te zien zijn. 8. Op die dag moet ieder van jullie aan zijn zoon uitleggen. Zeg dan: Dit doen wij vanwege wat de HEERE voor mij deed toen ik uit Egypte vertrok. 9. Dit zal voor ieder van jullie een teken aan de hand en een herinnering op het voorhoofd zijn. Zo zullen jullie altijd over de wet van de HEERE spreken. Want de HEERE heeft jullie met sterke hand uit Egypte geleid. 10. Houd dit voorschrift ieder jaar op de vastgestelde tijd. 11. Wanneer de HEERE jullie in het land van de Kanaänieten brengt, zal Hij het aan jullie geven. Dat heeft Hij aan jullie en jullie voorouders gezworen. 12. Dan moeten jullie elk eerstgeboren mannelijk kind aan de HEERE wijden. Ook alle eerstgeboren mannetjes van jullie vee behoren de HEERE toe. 13. Een eerstgeboren ezel moeten jullie vrijkopen met een lam. Kopen jullie hem niet vrij, breek hem dan de nek. Iedere eerstgeboren zoon moeten jullie vrijkopen. 14. Later kan je zoon vragen: Wat betekent dit? Dan moet je hem antwoorden: De HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte, het land van slavernij, weggehaald. 15. Farao weigerde koppig ons te laten gaan. Daarom doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypte, van de mensen en van de dieren. Daarom offer ik de HEERE elk eerstgeboren mannelijk dier, maar iedere eerstgeboren zoon koop ik vrij. 16. Dit zal een teken aan je hand en een band op je voorhoofd zijn. Want de HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid. 17. Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God hen niet via het land van de Filistijnen, hoewel die route korter was. God zei namelijk: Als het volk de strijd ziet, krijgt het misschien spijt en keert het terug naar Egypte. 18. Daarom liet God het volk omtrekken via de woestijn langs de Schelfzee. De Israëlieten trokken in geordende groepen uit Egypte. 19. Mozes nam de beenderen van Jozef mee. Jozef had de Israëlieten namelijk plechtig laten zweren: God zal zeker naar jullie omzien. Neem dan mijn beenderen met jullie mee, hier vandaan! 20. De Israëlieten vertrokken uit Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, aan de rand van de woestijn. 21. De HEERE ging voor hen uit. Overdag leidde Hij hen onderweg in een wolkkolom. 's Nachts gaf Hij hun licht in een vuurkolom. Zo konden zij dag en nacht verder reizen. 22. Hij nam de wolkkolom overdag en de vuurkolom 's nachts nooit bij het volk weg. ## Exodus 14 — De HEERE leidt Israël door de zee 1. De HEERE zei tegen Mozes: 2. Zeg tegen de Israëlieten: Keer terug en sla je kamp op voor Pi-hachiroth, tussen Migdol en de zee, tegenover Baäl-zefon. Sla daar je kamp op aan de zee. 3. Farao zal over de Israëlieten zeggen: Ze zijn verdwaald in het land. De woestijn houdt hen gevangen. 4. Ik zal Farao's hart hard maken, zodat hij hen achtervolgt. Zo zal ik bij Farao en zijn hele leger laten zien hoe machtig ik ben. De Egyptenaren zullen weten dat ik de HEERE ben. De Israëlieten deden wat de HEERE had opgedragen. 5. Toen Farao hoorde dat het volk was gevlucht, veranderden hij en zijn dienaren van gedachten. Ze zeiden: Wat hebben we gedaan? We hebben Israël laten gaan, en nu dient het ons niet meer! 6. Farao liet zijn strijdwagen inspannen en nam zijn volk met zich mee. 7. Hij nam zeshonderd van zijn beste strijdwagens mee, samen met alle andere wagens van Egypte. Alle wagens stonden onder bevel van officieren. 8. De HEERE maakte het hart van Farao, de koning van Egypte, hard. Daardoor achtervolgde hij de Israëlieten. Zij waren echter openlijk en vol vertrouwen uit Egypte vertrokken. 9. De Egyptenaren achtervolgden hen met alle paarden, strijdwagens, ruiters en het leger van Farao. Zij haalden de Israëlieten in bij hun kamp aan de zee, bij Pi-hachiroth, tegenover Baäl-zefon. 10. Toen Farao dichtbij kwam, keken de Israëlieten op en zagen ze de Egyptenaren achter zich aankomen. Ze werden doodsbang en riepen tot de HEERE. 11. Ze zeiden tegen Mozes: Waren er in Egypte soms geen graven, zodat u ons meenam om in deze woestijn te sterven? Waarom hebt u ons uit Egypte weggehaald en dit met ons gedaan? 12. Hebben we in Egypte niet tegen u gezegd: Laat ons met rust en laat ons de Egyptenaren dienen? Wij kunnen beter de Egyptenaren dienen dan in deze woestijn sterven. 13. Mozes antwoordde het volk: Wees niet bang. Blijf standvastig en kijk hoe de HEERE jullie vandaag zal redden. De Egyptenaren die jullie vandaag zien, zullen jullie nooit meer terugzien. 14. De HEERE zal voor jullie strijden. Jullie hoeven alleen maar stil te zijn. 15. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Waarom roep je tot mij? Zeg tegen de Israëlieten: Trek verder. 16. Hef uw staf op, strek uw hand uit over de zee en splijt haar. Dan kunnen de Israëlieten midden door de zee over droge grond gaan. 17. Ik zal het hart van de Egyptenaren hard maken, zodat zij achter de Israëlieten de zee ingaan. Zo zal ik door Farao en zijn hele leger, zijn strijdwagens en ruiters, mijn heerlijkheid tonen. 18. Wanneer ik mijn heerlijkheid toon door Farao, zijn strijdwagens en zijn ruiters, zullen de Egyptenaren weten dat ik de HEERE ben. 19. Toen verliet de Engel van God Zijn plaats voor het leger van Israël en ging Hij achter hen staan. Ook de wolkkolom verplaatste zich van voor hen naar achteren. 20. De wolkkolom kwam tussen het Egyptische en het Israëlische leger te staan. Aan de Egyptische kant bracht de wolk duisternis, maar aan de Israëlische kant verlichtte zij de nacht. Zo konden de twee legers de hele nacht niet bij elkaar komen. 21. Mozes strekte zijn hand uit over de zee. De HEERE liet de zee de hele nacht terugwijken door een sterke oostenwind. Hij maakte de zee droog en spleet het water. 22. De Israëlieten gingen over droge grond midden door de zee. Het water stond als een muur aan hun rechterkant en aan hun linkerkant. 23. De Egyptenaren vervolgden hen de zee in. Alle paarden, strijdwagens en ruiters van Farao gingen achter hen aan. 24. Vroeg in de ochtend keek de HEERE vanuit de vuur- en wolkkolom neer op het Egyptische leger. Hij bracht het leger in verwarring. 25. Hij liet de wielen van hun strijdwagens losraken, zodat ze maar moeilijk vooruitkwamen. Toen zeiden de Egyptenaren: Laten we voor Israël vluchten! De HEERE strijdt voor hen tegen Egypte. 26. De HEERE zei tegen Mozes: Strek uw hand uit over de zee. Dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun strijdwagens en hun ruiters. 27. Mozes strekte zijn hand uit over de zee. Tegen het aanbreken van de ochtend stroomde de zee met haar normale kracht terug. De Egyptenaren vluchtten, maar de zee kwam hun tegemoet. Zo stortte de HEERE de Egyptenaren midden in de zee. 28. Het terugstromende water bedekte alle strijdwagens en ruiters van Farao's leger die de Israëlieten de zee in waren gevolgd. Niet één van hen bleef over. 29. Maar de Israëlieten gingen over droge grond midden door de zee. Het water stond als een muur aan hun rechterkant en aan hun linkerkant. 30. Zo redde de HEERE Israël die dag uit de macht van de Egyptenaren. De Israëlieten zagen de Egyptenaren dood op de zeekust liggen. 31. Israël zag het machtige werk dat de HEERE tegen de Egyptenaren had gedaan. Het volk kreeg diep ontzag voor de HEERE. Zij geloofden in de HEERE en vertrouwden Mozes, Zijn dienaar. ## Exodus 15 — Het lied van Mozes en Israël 1. Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE: Ik zal voor de HEERE zingen, want Hij is machtig en hoog verheven! Paard en ruiter wierp Hij in zee. 2. De HEERE is mijn kracht en mijn lied. Hij is mijn redding geworden! Hij is mijn God; voor Hem maak ik een prachtige woning. Hij is de God van mijn vader. Hem zal ik verheffen! 3. De HEERE is een strijder. HEERE is Zijn naam! 4. Hij wierp Farao's strijdwagens en leger in zee. Zijn beste legeraanvoerders verdronken in de Schelfzee. 5. Het diepe water bedekte hen. Ze zonken als een steen de diepte in. 6. Uw rechterhand, HEERE, is vol kracht en heerlijkheid. Uw rechterhand, HEERE, verbrijzelde de vijand! 7. In Uw grote majesteit wierp U hen neer die tegen U opstonden. Uw brandende toorn verslond hen als droge stoppels. 8. Door de adem uit Uw neus hoopte het water zich op. De stromen stonden rechtop als een wal. Het diepe water stolde midden in zee. 9. De vijand zei: Ik zal hen achtervolgen en inhalen. Ik zal de buit verdelen en mij volledig op hen uitleven. Ik zal mijn zwaard trekken en hen met mijn eigen hand uitroeien! 10. U blies met Uw wind. De zee bedekte hen. Ze zonken als lood in machtige wateren. 11. Wie is als U onder de goden, HEERE? Wie is als U, schitterend in heiligheid en ontzagwekkend in lofzangen? U doet wonderen! 12. U strekte Uw rechterhand uit, en de aarde verzwolg hen! 13. Door Uw goedheid leidde U het volk dat U hebt bevrijd. Met Uw kracht leidde U hen zacht naar Uw heilige woning. 14. De volken hebben het gehoord; ze zullen beven. Angst en pijn grepen de inwoners van Palestina aan. 15. Dan zullen de vorsten van Edom versteld staan. De machtige mannen van Moab zullen beven. Alle inwoners van Kanaän zullen wegsmelten van angst. 16. Verschrikking en angst zullen hen overvallen. Door de macht van Uw arm zullen ze verstommen als een steen, totdat Uw volk voorbijgetrokken is, HEERE. Totdat het volk dat U hebt verworven, voorbijgetrokken is. 17. U zult hen binnenbrengen en hen planten op de berg die Uw erfdeel is. Daar hebt U Uw woning gemaakt, HEERE. Het is het heiligdom dat Uw handen hebben gebouwd, HEERE. 18. De HEERE zal voor eeuwig en altijd regeren! 19. Farao's paarden, strijdwagens en ruiters trokken de zee in. De HEERE liet het zeewater over hen terugstromen. Maar de Israëlieten liepen over droge grond door het midden van de zee. 20. Toen nam Mirjam, de profetes en zus van Aäron, een trommel in haar hand. Alle vrouwen volgden haar met trommels en dansten. 21. Mirjam antwoordde hun: Zing voor de HEERE, want Hij is machtig en hoog verheven! Paard en ruiter stortte Hij in zee! 22. Daarna liet Mozes de Israëlieten vanaf de Schelfzee verdertrekken naar de woestijn Sur. Drie dagen lang trokken ze door de woestijn en vonden geen water. 23. Toen kwamen ze bij Mara. Ze konden het water daar niet drinken, omdat het bitter was. Daarom werd de plaats Mara genoemd. 24. Het volk begon tegen Mozes te morren: Wat moeten wij drinken? 25. Mozes riep tot de HEERE. De HEERE wees hem een stuk hout. Toen Mozes dat in het water gooide, werd het water zoet. Daar gaf Hij het volk een voorschrift en een rechtsregel. Daar stelde Hij hen ook op de proef. 26. Hij zei: Luister heel goed naar de HEERE, jullie God, en doe wat recht is in Zijn ogen. Schenk aandacht aan Zijn geboden en gehoorzaam al Zijn voorschriften. Dan zal ik geen enkele ziekte op jullie leggen die ik over Egypte bracht. Want ik ben de HEERE, jullie genezer! 27. Daarna kwamen ze in Elim. Daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen. Ze sloegen hun kamp bij het water op. ## Exodus 16 — De HEERE geeft manna en kwartels 1. Nadat ze uit Elim vertrokken waren, kwam de hele gemeenschap van de Israëlieten in de woestijn Sin, tussen Elim en Sinaï. Dat was op de vijftiende dag van de tweede maand nadat ze uit Egypte waren vertrokken. 2. In de woestijn begon de hele gemeenschap van de Israëlieten tegen Mozes en Aäron te morren. 3. De Israëlieten zeiden tegen hen: Had de HEERE ons in Egypte maar laten sterven! Daar zaten we bij potten vol vlees en aten we brood tot we verzadigd waren. Maar jullie hebben ons naar deze woestijn geleid om deze hele gemeenschap van honger te laten sterven! 4. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Ik zal brood uit de hemel voor jullie laten regenen. Het volk moet eropuit gaan en elke dag genoeg voor die dag verzamelen. Zo zal ik hen op de proef stellen en zien of ze mijn wet volgen. 5. Op de zesde dag moeten ze klaarmaken wat ze hebben binnengebracht. Dat zal tweemaal zoveel zijn als wat ze dagelijks verzamelen. 6. Mozes en Aäron zeiden tegen alle Israëlieten: Vanavond zullen jullie weten dat de HEERE jullie uit Egypte heeft geleid. 7. Morgenochtend zullen jullie de heerlijkheid van de HEERE zien. Hij heeft namelijk gehoord hoe jullie tegen de HEERE mopperden. Wie zijn wij dat jullie tegen ons morren? 8. Mozes zei ook: Vanavond geeft de HEERE jullie vlees te eten, en morgenochtend brood totdat jullie verzadigd zijn. Dat gebeurt omdat de HEERE heeft gehoord hoe jullie tegen Hem morren. Wie zijn wij eigenlijk? Jullie gemopper is niet tegen ons gericht, maar tegen de HEERE. 9. Daarna zei Mozes tegen Aäron: Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: Kom voor de HEERE, want Hij heeft jullie gemopper gehoord. 10. Terwijl Aäron tegen de hele gemeenschap van Israël sprak, draaiden ze zich om naar de woestijn. Daar verscheen de heerlijkheid van de HEERE in de wolk. 11. De HEERE zei ook tegen Mozes: 12. Ik heb het gemopper van de Israëlieten gehoord. Zeg tegen hen: Tegen de avond zullen jullie vlees eten, en morgenochtend zullen jullie genoeg brood krijgen. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE, jullie God, ben. 13. Die avond kwamen er kwartels aanvliegen die het kamp bedekten. De volgende morgen lag er dauw rondom het kamp. 14. Toen de dauw was opgetrokken, lag er op de woestijngrond iets kleins en ronds. Het was zo klein als rijp op de aarde. 15. Toen de Israëlieten het zagen, vroegen ze elkaar: Wat is dat? Ze wisten namelijk niet wat het was. Mozes zei tegen hen: Dit is het brood dat de HEERE jullie te eten heeft gegeven. 16. Mozes zei verder: Dit heeft de HEERE bevolen: Verzamel er voor iedereen zoveel van als nodig is om te eten. Neem één maat, een gomer, per persoon. Ieder moet genoeg meenemen voor alle mensen in zijn tent. 17. De Israëlieten deden dit. De een verzamelde veel en de ander weinig. 18. Toen ze alles met een gomer maten, had degene die veel verzameld had niets over. Degene die weinig had verzameld, kwam niets tekort. Iedereen had precies zoveel verzameld als hij kon eten. 19. Mozes zei tegen hen: Niemand mag er iets van bewaren tot morgenochtend. 20. Toch luisterden sommigen niet naar Mozes. Enkele mannen bewaarden er iets van tot de volgende morgen. Toen kwamen er wormen in en ging het stinken. Mozes werd erg boos op hen. 21. Elke morgen verzamelde iedereen zoveel als hij kon eten. Wanneer de zon heet werd, smolt het. 22. Op de zesde dag verzamelden ze tweemaal zoveel brood: twee gomers per persoon. Alle leiders van de gemeenschap kwamen dit aan Mozes vertellen. 23. Mozes zei tegen hen: Dit heeft de HEERE gezegd: Morgen is een rustdag, een heilige sabbat voor de HEERE. Bak wat jullie moeten bakken en kook wat jullie moeten koken. Bewaar alles wat overblijft tot morgenochtend. 24. Ze bewaarden het tot de volgende morgen, zoals Mozes had bevolen. Het stonk niet en er zaten geen wormen in. 25. Toen zei Mozes: Eet het vandaag, want vandaag is het sabbat voor de HEERE. Vandaag zullen jullie het niet op het veld vinden. 26. Zes dagen moeten jullie het verzamelen. Maar op de zevende dag is het sabbat en zal het er niet zijn. 27. Op de zevende dag gingen sommigen van het volk toch naar buiten om te verzamelen, maar ze vonden niets. 28. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Hoe lang blijven jullie weigeren mijn geboden en wetten te gehoorzamen? 29. Bedenk dat de HEERE jullie de sabbat heeft gegeven. Daarom geeft Hij jullie op de zesde dag brood voor twee dagen. Iedereen moet op zijn plaats blijven. Niemand mag op de zevende dag zijn plaats verlaten. 30. Daarom rustte het volk op de zevende dag. 31. De Israëlieten noemden het manna. Het zag eruit als wit korianderzaad en smaakte als honingkoek. 32. Verder zei Mozes: De HEERE heeft het volgende bevolen: Vul een gomer met manna en bewaar die voor de komende generaties. Zo kunnen zij het brood zien dat ik jullie in de woestijn te eten gaf, toen ik jullie uit Egypte leidde. 33. Mozes zei ook tegen Aäron: Neem een kruik en doe er een gomer manna in. Zet die voor de HEERE neer, zodat hij voor de komende generaties bewaard blijft. 34. Zoals de HEERE Mozes had bevolen, zette Aäron de kruik vóór de getuigenis om hem te bewaren. 35. De Israëlieten aten veertig jaar manna, totdat ze in bewoond land kwamen. Ze aten manna totdat ze de grens van Kanaän bereikten. 36. Een gomer is een inhoudsmaat die gelijkstaat aan een tiende van een efa. ## Exodus 17 — Water uit de rots en de strijd tegen Amalek 1. Daarna trok de hele gemeenschap van Israël in etappes verder vanuit de woestijn Sin. Op bevel van de HEERE sloegen zij hun kamp op in Rafidim. Daar was geen drinkwater voor het volk. 2. Daar maakte het volk ruzie met Mozes. Ze eisten: Geef ons water te drinken! Mozes antwoordde: Waarom maken jullie ruzie met mij? Waarom stellen jullie de HEERE op de proef? 3. Het volk had daar dorst en bleef tegen Mozes mopperen. Ze zeiden: Waarom hebt u ons uit Egypte laten vertrekken om ons, onze kinderen en ons vee van dorst te laten sterven? 4. Toen riep Mozes tot de HEERE: Wat moet ik met dit volk doen? Nog even en ze stenigen mij! 5. De HEERE zei tegen Mozes: Ga voor het volk uit en neem enkele oudsten van Israël mee. Neem de staf waarmee je de rivier hebt geslagen in je hand en ga. 6. Ik zal daar voor je op de rots bij Horeb staan. Sla op de rots. Dan komt er water uit, zodat het volk kan drinken. Mozes deed dit voor de ogen van de oudsten van Israël. 7. Mozes noemde die plaats Massa en Meriba. Hij deed dat wegens de ruzie van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef hadden gesteld. Ze hadden gevraagd: Is de HEERE bij ons of niet? 8. Daarna kwam Amalek en vocht bij Rafidim tegen Israël. 9. Mozes zei tegen Jozua: Kies mannen voor ons uit en ga tegen Amalek vechten. Morgen zal ik boven op de heuvel staan met Gods staf in mijn hand. 10. Jozua deed wat Mozes had gezegd en vocht tegen Amalek. Ondertussen klommen Mozes, Aäron en Hur naar de top van de heuvel. 11. Zolang Mozes zijn hand omhooghield, was Israël de sterkste. Wanneer hij zijn hand liet zakken, was Amalek de sterkste. 12. Maar Mozes' handen werden zwaar. Daarom legden zij een steen onder hem, waarop hij ging zitten. Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, ieder aan één kant. Zo bleven zijn handen stevig tot zonsondergang. 13. Zo versloeg Jozua Amalek en zijn volk met het zwaard. 14. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Schrijf dit als herinnering in een boek en prent het Jozua goed in. Ik zal de herinnering aan Amalek volledig van onder de hemel uitwissen. 15. Mozes bouwde een altaar en noemde het: De HEERE is mijn Banier! 16. Hij zei: Omdat de hand op de troon van de HEERE is, zal de HEERE van generatie op generatie oorlog voeren tegen Amalek! ## Exodus 18 — Jethro bezoekt Mozes en geeft hem advies 1. Jethro, de priester van Midian en Mozes' schoonvader, hoorde alles wat God voor Mozes en Zijn volk Israël had gedaan. Hij hoorde hoe de HEERE Israël uit Egypte had geleid. 2. Toen nam Jethro, Mozes' schoonvader, Mozes' vrouw Zippora mee. Mozes had haar eerder teruggestuurd. 3. Ook nam hij haar twee zonen mee. De ene heette Gersom, want Mozes had gezegd: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land. 4. De andere heette Eliëzer, want Mozes had gezegd: De God van mijn vader heeft mij geholpen en mij gered van Farao's zwaard. 5. Zo kwam Jethro, Mozes' schoonvader, met Mozes' vrouw en zonen naar hem toe in de woestijn. Mozes had zijn kamp opgeslagen bij de berg van God. 6. Jethro liet Mozes weten: Ik, uw schoonvader Jethro, kom naar u toe met uw vrouw en haar twee zonen. 7. Mozes ging zijn schoonvader tegemoet. Hij boog zich voor hem en kuste hem. Ze vroegen elkaar hoe het ging en gingen daarna de tent binnen. 8. Mozes vertelde zijn schoonvader alles wat de HEERE vanwege Israël met Farao en de Egyptenaren had gedaan. Hij vertelde ook over alle moeilijkheden onderweg en hoe de HEERE hen had gered. 9. Jethro was blij met al het goede dat de HEERE voor Israël had gedaan. De HEERE had hen uit de macht van de Egyptenaren gered. 10. Jethro zei: Gezegend is de HEERE! Hij heeft jullie uit de macht van de Egyptenaren en Farao gered. Hij heeft dit volk uit de macht van de Egyptenaren bevrijd! 11. Nu weet ik dat de HEERE groter is dan alle goden. Juist toen de Egyptenaren hoogmoedig handelden, overtrof en overwon Hij hen. 12. Daarna bracht Jethro, Mozes' schoonvader, een brandoffer en andere offers aan God. Aäron en alle leiders van Israël kwamen om samen met hem voor Gods aangezicht een feestmaaltijd te houden. 13. De volgende dag ging Mozes zitten om recht te spreken over het volk. Het volk stond van de ochtend tot de avond voor hem. 14. Toen Mozes' schoonvader zag wat hij voor het volk deed, vroeg hij: Wat doe je daar voor het volk? Waarom zit je hier helemaal alleen, terwijl al het volk van de ochtend tot de avond voor je staat? 15. Mozes antwoordde zijn schoonvader: Het volk komt naar mij toe om God om raad te vragen. 16. Wanneer zij een zaak hebben, komen ze naar mij. Ik spreek recht tussen de ene persoon en de andere en leg hun Gods voorschriften en Zijn wetten uit. 17. Mozes' schoonvader zei tegen hem: Wat je doet, is niet goed. 18. Zowel jij als het volk bij je zullen volledig uitgeput raken. Dit werk is te zwaar voor je. Je kunt het niet alleen doen. 19. Luister nu naar mijn advies. God zal met je zijn. Vertegenwoordig het volk bij God en leg de zaken aan Hem voor. 20. Leg hun de voorschriften en wetten uit. Maak hun bekend welke weg zij moeten gaan en welk werk zij moeten doen. 21. Kies uit heel het volk bekwame mannen die God vrezen, betrouwbaar zijn en hebzucht haten. Stel hen aan als leiders over groepen van duizend, honderd, vijftig en tien mensen. 22. Laat hen voortdurend rechtspreken over het volk. Zij moeten elke grote zaak aan jou voorleggen, maar elke kleine zaak zelf behandelen. Zo wordt jouw taak lichter en dragen zij de last samen met jou. 23. Als je dit doet en God het je opdraagt, zul je het kunnen volhouden. Dan kan ook heel dit volk in vrede naar zijn plaats gaan. 24. Mozes luisterde naar zijn schoonvader en deed alles wat hij had gezegd. 25. Mozes koos bekwame mannen uit heel Israël en stelde hen aan als leiders over het volk. Zij leidden groepen van duizend, honderd, vijftig en tien mensen. 26. Zij spraken voortdurend recht over het volk. Moeilijke zaken brachten zij bij Mozes, maar alle kleine zaken behandelden zij zelf. 27. Daarna liet Mozes zijn schoonvader vertrekken. Jethro ging terug naar zijn eigen land. ## Exodus 19 — Israël bereidt zich voor op Gods komst bij Sinaï 1. In de derde maand na hun vertrek uit Egypte kwamen de Israëlieten op diezelfde dag in de woestijn Sinaï. 2. Zij waren uit Rafidim vertrokken en kwamen in de woestijn Sinaï. Daar sloeg Israël zijn kamp op, tegenover de berg. 3. Mozes klom de berg op naar God. De HEERE riep hem vanaf de berg toe: Zeg dit tegen het huis van Jakob en maak het de Israëlieten bekend: 4. Jullie hebben gezien wat ik de Egyptenaren heb aangedaan. Als op adelaarsvleugels heb ik jullie gedragen en bij mij gebracht. 5. Als jullie nu goed naar mijn stem luisteren en mijn verbond houden, zullen jullie mijn eigendom zijn onder alle volken. Want de hele aarde is van mij. 6. Jullie zullen voor mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die je tegen de Israëlieten moet spreken. 7. Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en legde hun al deze woorden voor die de HEERE hem had opgedragen. 8. Heel het volk antwoordde eensgezind: Alles wat de HEERE gezegd heeft, zullen wij doen! Mozes bracht de woorden van het volk terug naar de HEERE. 9. De HEERE zei tegen Mozes: Ik kom naar je toe in een dichte wolk. Zo zal het volk horen dat ik met je spreek en je voortaan altijd geloven. Mozes had namelijk de woorden van het volk aan de HEERE doorgegeven. 10. De HEERE zei verder tegen Mozes: Ga naar het volk en zorg dat zij zich vandaag en morgen heiligen. Laat hen hun kleren wassen. 11. Zorg dat zij op de derde dag klaarstaan. Op die dag zal de HEERE voor de ogen van heel het volk neerdalen op de berg Sinaï. 12. Zet rondom de berg een grens voor het volk en waarschuw hen: Pas op! Klim de berg niet op en raak de rand ervan niet aan. Iedereen die de berg aanraakt, moet zeker gedood worden. 13. Niemand mag hem met de hand aanraken. Hij moet gestenigd of met pijlen doorschoten worden. Of het nu om een dier of een mens gaat, die mag niet blijven leven. Wanneer de ramshoorn lang klinkt, mogen zij de berg opgaan. 14. Mozes daalde van de berg af naar het volk. Hij zorgde dat het volk zich heiligde, en zij wasten hun kleren. 15. Hij zei tegen het volk: Zorg dat jullie op de derde dag klaarstaan. Heb geen gemeenschap met een vrouw. 16. Op de ochtend van de derde dag waren er donderslagen en bliksem op de berg. Er hing een zware wolk. Ook klonk het geluid van een zeer luide bazuin. Heel het volk in het kamp beefde van angst. 17. Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Zij gingen aan de voet van de berg staan. 18. De hele berg Sinaï stond in rook, want de HEERE was in vuur erop neergedaald. De rook steeg op als rook uit een oven. De hele berg beefde hevig. 19. Het geluid van de bazuin werd steeds sterker. Mozes sprak, en God antwoordde hem met Zijn stem. 20. De HEERE daalde neer op de top van de berg Sinaï. Hij riep Mozes naar de top, en Mozes klom omhoog. 21. De HEERE zei tegen Mozes: Ga naar beneden en waarschuw het volk streng. Ze mogen de grens niet doorbreken om de HEERE te zien. Anders komen velen van hen om. 22. Ook de priesters die tot de HEERE naderen, moeten zich heiligen. Anders zal de HEERE tegen hen uitbreken. 23. Mozes zei tegen de HEERE: Het volk kan de berg Sinaï niet opklimmen. U hebt ons immers gewaarschuwd: Zet een grens om de berg en heilig hem. 24. De HEERE antwoordde hem: Ga naar beneden. Daarna moeten jij en Aäron samen weer omhoogkomen. Maar de priesters en het volk mogen niet doorbreken om naar de HEERE op te klimmen. Anders zal Hij tegen hen uitbreken. 25. Mozes daalde af naar het volk en vertelde hun wat de HEERE had gezegd. ## Exodus 20 — God geeft de tien geboden en voorschriften voor altaren 1. Toen sprak God al deze woorden. 2. Ik ben de HEERE, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte geleid, uit het slavenhuis. 3. Jullie mogen naast mij geen andere goden hebben. 4. Maak voor jezelf geen gesneden beeld of afbeelding van iets boven in de hemel, beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 5. Buig je er niet voor neer en dien ze niet. Want ik, de HEERE, jullie God, ben een jaloers God. Ik vergeld de misdaad van de vaders aan hun kinderen, tot in het derde en vierde geslacht van hen die mij haten. 6. Maar aan duizenden die mij liefhebben en mijn geboden houden, bewijs ik barmhartigheid. 7. Misbruik de naam van de HEERE, jullie God, niet. Want de HEERE laat niemand ongestraft die Zijn naam misbruikt. 8. Denk aan de sabbatdag en houd die heilig. 9. Zes dagen lang moeten jullie werken en al jullie werk doen. 10. Maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, jullie God. Dan mogen jullie geen enkel werk doen. Dat geldt voor jullie, jullie zonen en dochters, jullie slaven en slavinnen, jullie vee en de vreemdelingen binnen jullie poorten. 11. Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel, de aarde en de zee gemaakt, met alles wat daarin is. Op de zevende dag rustte Hij. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag en heiligde Hij die. 12. Eer je vader en je moeder. Dan zul je lang leven in het land dat de HEERE, je God, je geeft. 13. Pleeg geen moord. 14. Pleeg geen overspel. 15. Steel niet. 16. Leg tegen je naaste geen valse getuigenis af. 17. Verlang niet naar het huis van je naaste. Verlang niet naar zijn vrouw, zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel. Verlang ook niet naar iets anders wat van je naaste is. 18. Heel het volk zag de donderslagen en de bliksem en hoorde het geluid van de bazuin. Ook zagen ze de rokende berg. Toen zij dit zagen, deinsden ze achteruit en bleven op grote afstand staan. 19. Zij zeiden tegen Mozes: Praat jij met ons, dan zullen we luisteren. Laat God niet met ons spreken, anders sterven we! 20. Mozes zei tegen het volk: Wees niet bang. God is gekomen om jullie te beproeven, zodat jullie ontzag voor Hem hebben en niet zondigen. 21. Het volk bleef op grote afstand staan, maar Mozes naderde de duisternis waarin God was. 22. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zeg dit tegen de Israëlieten: Jullie hebben zelf gezien dat ik vanuit de hemel met jullie heb gesproken. 23. Maak naast mij geen zilveren goden. Maak voor jezelf ook geen gouden goden. 24. Maak voor mij een altaar van aarde. Offer daarop jullie brandoffers en dankoffers, jullie schapen en runderen. Op elke plaats waar ik mijn naam zal laten gedenken, zal ik naar jullie toe komen en jullie zegenen. 25. Als jullie voor mij een stenen altaar maken, mogen jullie het niet van gehouwen stenen bouwen. Wanneer jullie er een beitel op gebruiken, ontheiligen jullie het. 26. Klim niet langs trappen naar mijn altaar, zodat jullie naaktheid daar niet zichtbaar wordt. ## Exodus 21 — Rechtsregels over dienaren, geweld en schade 1. Dit zijn de rechtsregels die je hun moet voorleggen. 2. Als iemand een Hebreeuwse dienaar koopt, zal die zes jaar dienen. In het zevende jaar vertrekt hij vrij, zonder iets te betalen. 3. Kwam hij alleen, dan vertrekt hij alleen. Was hij getrouwd, dan vertrekt zijn vrouw samen met hem. 4. Heeft zijn meester hem een vrouw gegeven en heeft zij zonen of dochters gekregen, dan blijven zij en haar kinderen van haar meester. De man vertrekt alleen. 5. Maar als de dienaar nadrukkelijk zegt: Ik houd van mijn meester, mijn vrouw en mijn kinderen. Ik wil niet vrij vertrekken. 6. Dan brengt zijn meester hem bij de rechters. Daarna brengt hij hem naar de deur of deurpost en doorboort zijn oor met een priem. Vanaf dan dient hij hem levenslang. 7. Als iemand zijn dochter als dienares verkoopt, mag zij niet op dezelfde manier vertrekken als de mannelijke dienaren. 8. Bevalt zij haar meester niet en trouwt hij niet met haar, dan moet hij haar laten vrijkopen. Hij mag haar niet aan een buitenlands volk verkopen, want hij heeft haar trouweloos behandeld. 9. Als hij haar aan zijn zoon ten huwelijk geeft, moet hij haar de rechten van een dochter geven. 10. Als hij daarnaast een andere vrouw neemt, mag hij de eerste haar voedsel, kleding en huwelijksrecht niet onthouden. 11. Geeft hij haar deze drie dingen niet, dan mag zij vrij vertrekken zonder iets te betalen. 12. Wie iemand zo slaat dat deze sterft, moet zeker ter dood worden gebracht. 13. Maar als hij het niet met opzet deed en God het liet gebeuren, zal ik een plaats aanwijzen waarheen hij kan vluchten. 14. Maar als iemand zijn naaste bewust en met een listig plan doodt, moet je hem zelfs bij mijn altaar weghalen. Hij moet sterven. 15. Wie zijn vader of moeder slaat, moet zeker ter dood worden gebracht. 16. Wie iemand ontvoert en verkoopt, of bij wie de ontvoerde persoon wordt gevonden, moet zeker ter dood worden gebracht. 17. Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet zeker ter dood worden gebracht. 18. Stel dat mannen ruzie krijgen. De een slaat de ander met een steen of zijn vuist. Het slachtoffer sterft niet, maar raakt wel bedlegerig. 19. Als hij later opstaat en buiten met zijn stok kan lopen, wordt de dader niet gestraft voor doodslag. Wel moet hij zijn verloren werktijd vergoeden en ervoor zorgen dat hij volledig geneest. 20. Als iemand zijn dienaar of dienares met een stok slaat en die tijdens het slaan sterft, moet die dood zeker worden gewroken. 21. Maar blijft de dienaar nog een of twee dagen in leven, dan wordt zijn meester niet voor die dood gewroken. De dienaar was immers zijn eigendom, waarvoor hij had betaald. 22. Als mannen vechten en daarbij een zwangere vrouw raken, waardoor haar kind te vroeg geboren wordt, maar moeder en kind niet sterven, volgt een boete. De dader betaalt het bedrag dat haar man oplegt en de rechters goedkeuren. 23. Maar sterft de moeder of het kind, dan geldt: leven voor leven, 24. Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand en voet voor voet. 25. Brandwond voor brandwond, wond voor wond en kneuzing voor kneuzing. 26. Als iemand het oog van zijn dienaar of dienares zo raakt dat het verloren gaat, moet hij die persoon vanwege dat oog vrijlaten. 27. Slaat hij een tand van zijn dienaar of dienares uit, dan moet hij die persoon vanwege die tand vrijlaten. 28. Als een os een man of vrouw doodstoot, moet het dier worden gestenigd. Zijn vlees mag niet worden gegeten, maar de eigenaar van de os blijft ongestraft. 29. Maar stond de os al eerder bekend als gevaarlijk en zette zijn gewaarschuwde eigenaar hem niet vast, dan geldt een andere regel. Als het dier een man of vrouw doodt, wordt de os gestenigd en moet ook zijn eigenaar sterven. 30. Als de rechters hem losgeld opleggen, moet hij voor zijn leven het volledige vastgestelde bedrag betalen. 31. Heeft de os een zoon of dochter doodgestoten, dan wordt volgens dezelfde regel met de eigenaar gehandeld. 32. Stoot de os een dienaar of dienares, dan moet de eigenaar 30 zilverstukken aan hun meester betalen. De os moet worden gestenigd. 33. Als iemand een kuil opent of graaft en hem niet afdekt, en er valt een os of ezel in, 34. dan moet de eigenaar van de kuil de schade vergoeden. Hij betaalt de eigenaar van het dier, maar mag het dode dier houden. 35. Als iemands os de os van zijn naaste doodt, moeten ze de levende os verkopen en het geld gelijk verdelen. Ook het dode dier verdelen ze. 36. Maar stond de os al eerder bekend als gevaarlijk en hield de eigenaar hem niet vast, dan moet hij een levende os vergoeden. Hij mag het dode dier houden. ## Exodus 22 — Rechtsregels over bezit, bescherming en heilig leven 1. Als iemand een os, schaap of geit steelt en het dier slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen voor een os vergoeden. Voor elk schaap of elke geit moet hij er vier vergoeden. 2. Als een dief tijdens het inbreken wordt betrapt en doodgeslagen, heeft degene die hem sloeg geen bloedschuld. 3. Maar is de zon al opgegaan, dan heeft degene die de dief doodsloeg wel bloedschuld. De dief moet alles volledig vergoeden. Heeft hij niets, dan wordt hij wegens zijn diefstal verkocht. 4. Als het gestolen dier levend bij hem wordt gevonden, of het nu een os, ezel, schaap of geit is, moet hij het dubbele vergoeden. 5. Als iemand zijn vee een veld of wijngaard laat afgrazen en de dieren in het veld van een ander komen, moet hij schade vergoeden. Hij geeft daarvoor het beste van zijn eigen veld en wijngaard. 6. Als iemand vuur aansteekt dat door de doornstruiken overslaat en korenschoven, staand graan of een veld verbrandt, moet hij de schade volledig vergoeden. 7. Als iemand geld of spullen bij zijn naaste in bewaring geeft en die worden uit diens huis gestolen, moet de gevonden dief het dubbele vergoeden. 8. Wordt de dief niet gevonden, dan moet de eigenaar van het huis voor de rechters verschijnen. Zij onderzoeken of hij zelf bezit van zijn naaste heeft weggenomen. 9. Bij elk geschil waarin iemand beweert dat iets van hem is, moeten beide partijen voor de rechters komen. Dit geldt voor een os, ezel, schaap, kledingstuk of ander vermist bezit. Degene die de rechters schuldig verklaren, moet zijn naaste het dubbele vergoeden. 10. Als iemand een ezel, os, schaap, geit of ander dier bij zijn naaste in bewaring geeft, kan het dier sterven of gewond raken. Ook kan het worden weggevoerd zonder dat iemand het ziet. 11. Dan legt de bewaker tegenover de ander een eed bij de HEERE af dat hij het dier niet heeft weggenomen. De eigenaar aanvaardt die eed en de bewaker hoeft niets te vergoeden. 12. Maar is het dier bij hem gestolen, dan moet hij het aan de eigenaar vergoeden. 13. Is het dier verscheurd, dan moet hij de resten als bewijs brengen. Hij hoeft het verscheurde dier niet te vergoeden. 14. Als iemand een dier van zijn naaste leent en de eigenaar is er niet bij, kan het gewond raken of sterven. Dan moet de lener het volledig vergoeden. 15. Is de eigenaar erbij, dan hoeft hij niets te vergoeden. Was het dier gehuurd, dan is de schade in de huurprijs inbegrepen. 16. Als een man een niet-verloofd meisje verleidt en met haar slaapt, moet hij de bruidsschat betalen en met haar trouwen. 17. Weigert haar vader beslist haar aan hem te geven, dan moet de man toch het bedrag van de gebruikelijke bruidsschat betalen. 18. Laat een tovenares niet in leven. 19. Wie seksuele omgang met een dier heeft, moet zeker ter dood worden gebracht. 20. Wie aan andere goden offert in plaats van alleen aan de HEERE, moet volledig worden uitgeroeid. 21. Jullie mogen een vreemdeling niet uitbuiten of onderdrukken. Jullie zijn immers zelf vreemdelingen geweest in Egypte. 22. Jullie mogen geen weduwe of wees slecht behandelen. 23. Als jullie hen toch slecht behandelen en zij tot mij roepen, zal ik hun geroep zeker horen. 24. Dan ontbrandt mijn toorn en zal ik jullie met het zwaard doden. Jullie vrouwen worden weduwen en jullie kinderen wezen. 25. Als jullie geld lenen aan iemand uit mijn volk die arm is, mogen jullie hem niet als woekeraars behandelen. Vraag hem geen rente. 26. Als je het kleed van je naaste als onderpand neemt, moet je het vóór zonsondergang teruggeven. 27. Dat kleed is zijn enige bedekking, het enige wat hij op zijn huid draagt. Waarin moet hij anders slapen? Wanneer hij tot mij roept, zal ik luisteren, want ik ben genadig. 28. Vervloek de rechters niet en spreek geen kwaad over een leider van je volk. 29. Stel de gave van je rijpe oogst en van je wijn en olie niet uit. Geef mij de eerstgeborene van je zonen. 30. Doe hetzelfde met je runderen en schapen. Laat een eerstgeboren dier zeven dagen bij zijn moeder. Geef het mij op de achtste dag. 31. Jullie moeten heilige mensen voor mij zijn. Eet daarom geen vlees van een dier dat in het veld is verscheurd. Gooi dat vlees voor de hond. ## Exodus 23 — Recht, rust en Gods belofte 1. Breng geen vals gerucht rond. Werk niet samen met een goddeloze door vals te getuigen. 2. Volg de meerderheid niet wanneer zij kwaad doet. Leg in een rechtszaak geen getuigenis af die met de meerderheid meegaat en het recht verdraait. 3. Trek ook een arme in zijn rechtszaak niet voor. 4. Als je de verdwaalde os of ezel van je vijand tegenkomt, moet je het dier beslist bij hem terugbrengen. 5. Als de ezel van iemand die jou haat onder zijn last op de grond ligt, laat hem dan niet aan zijn lot over. Help de eigenaar om het dier overeind te krijgen. 6. Verdraai in een rechtszaak het recht van een arme niet. 7. Blijf ver van leugens. Laat een onschuldige en rechtvaardige niet doden, want ik zal een schuldige niet vrijspreken. 8. Neem geen steekpenning aan. Zo'n geschenk verblindt mensen die scherp zien en verdraait de woorden van rechtvaardigen. 9. Onderdruk een vreemdeling niet. Jullie weten hoe een vreemdeling zich voelt, want jullie waren zelf vreemdelingen in Egypte. 10. Zes jaar lang moeten jullie het land inzaaien en de opbrengst verzamelen. 11. Maar in het zevende jaar moeten jullie het land onbewerkt laten rusten. Dan kunnen de armen van jullie volk ervan eten. Wat zij overlaten, mogen de wilde dieren eten. Doe hetzelfde met jullie wijngaarden en olijfbomen. 12. Zes dagen lang moeten jullie werken, maar op de zevende dag moeten jullie rusten. Dan kunnen jullie os en ezel rusten. Ook de zoon van jullie dienares en de vreemdeling kunnen dan op adem komen. 13. Houd je zorgvuldig aan alles wat ik tegen jullie heb gezegd. Noem de namen van andere goden niet; laat ze niet uit jullie mond komen! 14. Drie keer per jaar moeten jullie voor mij een feest vieren. 15. Houd het feest van de ongezuurde broden. Eet zeven dagen ongezuurd brood, zoals ik jullie heb bevolen. Doe dit op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want toen zijn jullie uit Egypte vertrokken. Niemand mag met lege handen voor mij verschijnen. 16. Vier ook het oogstfeest wanneer de eerste vruchten rijp zijn van wat jullie op het land hebben gezaaid. Vier aan het einde van het jaar het inzamelingsfeest, wanneer jullie de opbrengst van het land hebben binnengehaald. 17. Drie keer per jaar moeten al jullie mannen voor de Heere HEERE verschijnen. 18. Offer het bloed van mijn offer niet samen met gezuurd brood. Laat het vet van mijn feestoffer niet tot de volgende morgen liggen. 19. Breng de allereerste vruchten van jullie land naar het huis van de HEERE, jullie God. Kook een bokje niet in de melk van zijn moeder. 20. Let op: Ik stuur een engel voor jullie uit. Hij zal jullie onderweg beschermen en brengen naar de plaats die ik heb klaargemaakt. 21. Wees op jullie hoede in Zijn aanwezigheid en luister naar Zijn stem. Kom niet tegen Hem in opstand. Hij zal jullie overtredingen niet vergeven, want mijn naam is in Hem. 22. Maar als jullie aandachtig naar Zijn stem luisteren en alles doen wat ik zeg, zal ik de vijand van jullie vijanden zijn. Ik zal de tegenstander van jullie tegenstanders zijn. 23. Mijn engel zal voor jullie uit gaan. Hij zal jullie brengen naar de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Kanaänieten, Hevieten en Jebusieten. Ik zal die volken uitroeien. 24. Buig niet voor hun goden en dien ze niet. Neem hun gebruiken niet over. Breek hun godenbeelden volledig af en verbrijzel de beelden die zij hebben opgericht. 25. Dien de HEERE, jullie God. Dan zal Hij jullie brood en water zegenen, en zal ik ziekten bij jullie wegnemen. 26. Er zal in jullie land geen miskraam of onvruchtbaarheid zijn. Ik zal jullie het volle aantal levensdagen geven. 27. Ik zal mijn schrik voor jullie uit sturen. Ik zal alle volken waar jullie komen in paniek brengen. Ik zal al jullie vijanden op de vlucht laten slaan. 28. Ik zal horzels voor jullie uit sturen. Die zullen de Hevieten, Kanaänieten en Hethieten voor jullie verdrijven. 29. Ik zal hen niet binnen één jaar voor jullie verdrijven. Anders wordt het land verlaten en worden de wilde dieren te talrijk voor jullie. 30. Ik zal hen stap voor stap voor jullie verdrijven. Dat gaat door totdat jullie talrijk genoeg zijn en het land in bezit nemen. 31. Ik zal jullie grenzen vaststellen van de Schelfzee tot de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot de rivier. Ik zal de inwoners van het land in jullie macht geven, zodat jullie hen voor jullie uit verdrijven. 32. Sluit geen verbond met de inwoners van het land of met hun goden. 33. Zij mogen niet in jullie land blijven wonen, anders laten zij jullie tegen mij zondigen. Als jullie hun goden dienen, wordt dat beslist een valstrik voor jullie. ## Exodus 24 — Het verbond wordt bevestigd 1. Daarna zei God tegen Mozes: Ga samen met Aäron, Nadab, Abihu en zeventig oudsten van Israël omhoog naar de HEERE. Kniel daar samen met hen op afstand voor Hem neer! 2. Alleen Mozes mag dicht bij de HEERE komen. De anderen mogen niet naderen, en het volk mag niet met hem mee omhoogklimmen. 3. Mozes kwam terug en vertelde het volk alle woorden en rechtsregels van de HEERE. Heel het volk antwoordde eensgezind: Alles wat de HEERE heeft gezegd, zullen wij doen. 4. Mozes schreef alle woorden van de HEERE op. De volgende morgen stond hij vroeg op en bouwde onder aan de berg een altaar. Hij zette ook twaalf zuilen neer, één voor iedere stam van Israël. 5. Daarna stuurde Mozes jonge mannen van de Israëlieten eropuit. Zij brachten brandoffers en offerden jonge stieren als dankoffers aan de HEERE. 6. Mozes deed de helft van het bloed in kommen. De andere helft sprenkelde hij over het altaar. 7. Daarna nam Mozes het boek van het verbond en las het hardop aan het volk voor. Het volk zei: Alles wat de HEERE heeft gezegd, zullen wij doen en gehoorzamen. 8. Toen nam Mozes het bloed en sprenkelde het over het volk. Hij zei: Kijk, dit is het bloed van het verbond. De HEERE heeft dat verbond met jullie gesloten op grond van al deze woorden. 9. Daarna gingen Mozes en Aäron de berg op, samen met Nadab, Abihu en zeventig oudsten van Israël. 10. Zij zagen de God van Israël. Onder Zijn voeten lag iets als een vloer van saffierstenen, zo helder als de hemel zelf. 11. God deed de leiders van de Israëlieten geen kwaad. Zij zagen God en aten en dronken. 12. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Kom bij mij op de berg en blijf daar. Ik zal je de stenen platen geven met de wet en geboden die ik heb opgeschreven om het volk te onderwijzen. 13. Mozes maakte zich klaar om met zijn dienaar Jozua te vertrekken. Daarna ging Mozes de berg van God op. 14. Mozes zei tegen de oudsten: Wacht hier op ons totdat wij terugkomen. Aäron en Hur blijven bij jullie. Wie een zaak heeft, kan naar hen toe gaan. 15. Toen Mozes de berg was opgegaan, bedekte een wolk de berg. 16. De heerlijkheid van de HEERE bleef op de berg Sinaï rusten. Zes dagen lang bedekte de wolk de berg. Op de zevende dag riep Hij Mozes vanuit de wolk. 17. Voor de Israëlieten zag de heerlijkheid van de HEERE op de bergtop eruit als een verterend vuur. 18. Mozes ging de wolk in nadat hij de berg was opgeklommen. Hij bleef veertig dagen en veertig nachten op de berg. ## Exodus 25 — Bijdragen voor het heiligdom en de heilige voorwerpen 1. Toen sprak de HEERE tegen Mozes. 2. Zeg tegen de Israëlieten dat zij voor mij een offerbijdrage verzamelen. Neem mijn offerbijdrage aan van iedereen die vrijwillig vanuit zijn hart wil geven. 3. Dit is de offerbijdrage die je van hen moet aannemen: goud, zilver en koper. 4. Neem ook blauw, purper, scharlaken, fijn linnen en geitenhaar aan. 5. Neem ook roodgeverfde ramsvellen, dassenvellen en acaciahout aan. 6. Neem verder olie voor de lamp, specerijen voor de zalfolie en geurige specerijen voor het reukwerk. 7. Neem ook sardonixstenen en edelstenen aan om in de efod en het borststuk te zetten. 8. Laat hen voor mij een heiligdom maken, zodat ik in hun midden kan wonen. 9. Ik zal je het ontwerp van de tabernakel en al zijn voorwerpen laten zien. Jullie moeten alles precies volgens dat ontwerp maken. 10. Laat hen een ark van acaciahout maken. De ark moet ongeveer 1,1 meter lang, 70 centimeter breed en 70 centimeter hoog zijn. 11. Bekleed de ark vanbinnen en vanbuiten met zuiver goud. Maak er rondom een gouden rand op. 12. Giet voor de ark vier gouden ringen en bevestig die aan haar vier hoeken. Twee ringen komen aan de ene kant en twee aan de andere kant. 13. Maak draagstokken van acaciahout en bekleed ze met goud. 14. Steek de draagstokken door de ringen aan de zijkanten van de ark, zodat men de ark daarmee kan dragen. 15. De draagstokken moeten in de ringen van de ark blijven. Ze mogen er niet uit worden gehaald. 16. Leg daarna in de ark de getuigenis die ik je zal geven. 17. Maak ook een verzoendeksel van zuiver goud. Het moet ongeveer 1,1 meter lang en 70 centimeter breed zijn. 18. Maak aan de beide uiteinden van het verzoendeksel twee cherubs van gehamerd goud. 19. Maak één cherub aan het ene uiteinde en de andere cherub aan het andere uiteinde. Maak beide cherubs uit één stuk met het verzoendeksel. 20. De cherubs moeten hun beide vleugels omhoog uitspreiden en daarmee het verzoendeksel bedekken. Zij moeten met hun gezichten naar elkaar en naar het verzoendeksel gericht zijn. 21. Plaats het verzoendeksel boven op de ark, nadat je de getuigenis die ik je zal geven in de ark hebt gelegd. 22. Daar zal ik je ontmoeten. Van boven het verzoendeksel, tussen de twee cherubs op de ark van de getuigenis, zal ik met je spreken. Daar vertel ik je alles wat ik de Israëlieten zal gebieden. 23. Maak ook een tafel van acaciahout. Ze moet ongeveer 90 centimeter lang, 45 centimeter breed en 70 centimeter hoog zijn. 24. Bekleed de tafel met zuiver goud en maak rondom de tafel een gouden rand. 25. Maak rondom de tafel een lijst van ongeveer 7,5 centimeter breed en maak rond die lijst een gouden rand. 26. Maak er vier gouden ringen aan. Bevestig de ringen aan de vier hoeken bij de vier poten. 27. De ringen moeten vlak bij de lijst zitten. Ze dienen als houders voor de draagstokken waarmee de tafel wordt gedragen. 28. Maak de draagstokken van acaciahout en bekleed ze met goud. Daarmee moet de tafel worden gedragen. 29. Maak voor de tafel ook schotels, wierookschalen, kommen en kannen waarmee de tafel wordt afgedekt. Maak ze van zuiver goud. 30. Leg op deze tafel altijd het toonbrood voor mijn aangezicht. 31. Maak ook een kandelaar van zuiver goud. Maak hem uit één stuk gehamerd goud. De schacht, armen, schaaltjes, knoppen en bloemen moeten één geheel vormen. 32. Uit zijn zijkanten moeten zes armen komen: drie armen uit de ene kant en drie uit de andere kant. 33. Elke arm moet drie amandelvormige schaaltjes hebben, met telkens een knop en een bloem. Zo moeten alle zes armen van de kandelaar worden gemaakt. 34. De kandelaar zelf moet vier amandelvormige schaaltjes hebben, met zijn knoppen en bloemen. 35. Onder elk van de drie paren armen die uit de kandelaar komen, moet een knop zitten. 36. De knoppen en armen moeten één geheel met de kandelaar vormen. Alles moet uit één stuk zuiver, gehamerd goud bestaan. 37. Maak zeven lampen voor de kandelaar. Steek de lampen zo aan dat ze de ruimte aan de voorkant verlichten. 38. Ook de lontscharen en blusvaten moeten van zuiver goud zijn. 39. Gebruik voor de kandelaar en al dit gereedschap ongeveer 34 kilo zuiver goud. 40. Let er goed op dat je alles maakt volgens het ontwerp dat jou op de berg is getoond. ## Exodus 26 — De bouw van de tabernakel 1. Maak de tabernakel van tien gordijnen van fijn getwijnd linnen, blauw, purper en scharlaken. Laat er door een vakman kunstig cherubs in verwerken. 2. Elk gordijn moet ongeveer 12,5 meter lang en 1,8 meter breed zijn. Alle gordijnen moeten dezelfde maat hebben. 3. Voeg vijf gordijnen aan elkaar en voeg ook de andere vijf aan elkaar. 4. Maak blauwe lussen aan de rand van het laatste gordijn van de eerste reeks. Doe hetzelfde aan de rand van het laatste gordijn van de tweede reeks. 5. Maak vijftig lussen aan het gordijn van elke reeks. De lussen moeten precies tegenover elkaar liggen. 6. Maak vijftig gouden haakjes en verbind de twee reeksen gordijnen daarmee. Zo wordt het één tabernakel. 7. Maak daarnaast elf gordijnen van geitenhaar als tent over de tabernakel. 8. Elk van de elf gordijnen moet ongeveer 13,5 meter lang en 1,8 meter breed zijn. Alle elf moeten dezelfde maat hebben. 9. Voeg vijf gordijnen tot één reeks samen en de andere zes tot een tweede reeks. Vouw het zesde gordijn dubbel aan de voorkant van de tent. 10. Maak vijftig lussen aan de rand van het buitenste gordijn van de ene reeks. Maak ook vijftig lussen aan de rand van de andere reeks. 11. Maak vijftig koperen haakjes, steek die in de lussen en verbind de tentdelen. Zo wordt de tent één geheel. 12. Van het tentgordijn dat overblijft, moet de helft aan de achterkant van de tabernakel overhangen. 13. Van de overgebleven lengte van de tentgordijnen moet aan elke zijkant van de tabernakel ongeveer 45 centimeter overhangen om hem te bedekken. 14. Maak voor de tent een dekkleed van roodgeverfde ramsvellen en leg daarover een dekkleed van dassenvellen. 15. Maak voor de tabernakel rechtopstaande planken van acaciahout. 16. Elke plank moet ongeveer 4,5 meter lang en 70 centimeter breed zijn. 17. Elke plank moet twee verbindingspennen hebben die naast elkaar staan als sporten van een ladder. Maak alle planken van de tabernakel zo. 18. Maak twintig planken voor de zuidkant van de tabernakel. 19. Maak onder de twintig planken veertig zilveren voetstukken. Plaats twee voetstukken onder elke plank, één voor elke verbindingspen. 20. Maak ook twintig planken voor de andere kant van de tabernakel, de noordkant. 21. Maak daarbij veertig zilveren voetstukken, twee onder elke plank. 22. Maak zes planken voor de achterkant van de tabernakel, aan de westkant. 23. Maak ook twee planken voor de beide achterhoeken van de tabernakel. 24. Elke hoekplank moet onderaan zowel aan de zijwand als aan de achterwand vastzitten. Bovenaan moet hij met één ring op dezelfde manier worden verbonden. Zo moeten beide hoekplanken worden gemaakt. 25. Zo zijn er aan de achterkant acht planken met zestien zilveren voetstukken, twee onder elke plank. 26. Maak dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de planken aan de ene zijkant van de tabernakel. 27. Maak vijf dwarsbalken voor de planken aan de andere zijkant en vijf voor de planken aan de achterkant, aan de westkant. 28. De middelste dwarsbalk moet halverwege de planken van het ene uiteinde tot het andere doorlopen. 29. Bekleed de planken met goud. Maak hun ringen, die de dwarsbalken vasthouden, van goud. Bekleed ook de dwarsbalken met goud. 30. Richt de tabernakel op volgens het ontwerp dat jou op de berg is getoond. 31. Maak daarna een voorhangsel van blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen. Laat er door een vakman kunstig cherubs in verwerken. 32. Hang het aan vier pilaren van acaciahout die met goud zijn bekleed. Hun haken moeten van goud zijn. De pilaren moeten op vier zilveren voetstukken staan. 33. Hang het voorhangsel onder de haakjes en zet de ark van de getuigenis erachter. Het voorhangsel scheidt voor jullie het heilige van het heilige der heiligen. 34. Plaats het verzoendeksel op de ark van de getuigenis in het heilige der heiligen. 35. Zet de tafel buiten het voorhangsel. Plaats de kandelaar ertegenover aan de zuidkant van de tabernakel en de tafel aan de noordkant. 36. Maak voor de ingang van de tent een gordijn van blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen, met borduurwerk. 37. Maak voor dit gordijn vijf pilaren van acaciahout en bekleed ze met goud. Hun haken moeten van goud zijn en hun vijf voetstukken van koper. ## Exodus 27 — Het brandofferaltaar, de voorhof en de lampolie 1. Maak ook een altaar van acaciahout. Het moet ongeveer 2,25 meter lang, 2,25 meter breed en 1,35 meter hoog zijn. Het altaar wordt dus vierkant. 2. Maak op de vier hoeken horens die uit hetzelfde stuk bestaan. Bekleed het altaar met koper. 3. Maak ook koperen potten voor de as, scheppen, sprengbekkens, vorken en vuurpannen. Al het gereedschap van het altaar moet van koper zijn. 4. Maak voor het altaar een rooster van koperen netwerk. Bevestig aan de vier hoeken van het rooster vier koperen ringen. 5. Plaats het rooster van onderaf onder de rand van het altaar, zodat het halverwege het altaar komt. 6. Maak voor het altaar draagstokken van acaciahout en bekleed die met koper. 7. Steek de draagstokken door de ringen. Zo zitten ze aan beide zijden van het altaar wanneer men het draagt. 8. Maak het altaar hol, van planken. De vakmensen moeten het precies maken volgens het voorbeeld dat je op de berg te zien kreeg. 9. Maak ook de voorhof van de tabernakel. Aan de zuidkant komen gordijnen van fijn getwijnd linnen. Die zijde moet ongeveer 45 meter lang zijn. 10. Langs die zijde komen twintig palen met twintig koperen voetstukken. De haken en verbindingsbanden van de palen moeten van zilver zijn. 11. Ook aan de noordkant komen over ongeveer 45 meter gordijnen. Daar komen twintig palen met twintig koperen voetstukken. Hun haken en verbindingsbanden zijn van zilver. 12. Aan de westkant komen over de breedte van de voorhof gordijnen van ongeveer 22,5 meter. Daarvoor zijn tien palen en tien voetstukken nodig. 13. De voorhof moet aan de oostkant eveneens ongeveer 22,5 meter breed zijn. 14. Aan één kant van de ingang komen gordijnen over ongeveer 6,75 meter, met drie palen en drie voetstukken. 15. Aan de andere kant komen eveneens gordijnen over ongeveer 6,75 meter, met drie palen en drie voetstukken. 16. Voor de ingang van de voorhof komt een gordijn van ongeveer 9 meter. Het bestaat uit blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen met borduurwerk. Daarvoor zijn vier palen en vier voetstukken nodig. 17. Alle palen rond de voorhof moeten zilveren verbindingsbanden en zilveren haken hebben. Hun voetstukken moeten van koper zijn. 18. De voorhof wordt ongeveer 45 meter lang, 22,5 meter breed en 2,25 meter hoog. De gordijnen zijn van fijn getwijnd linnen en de voetstukken van koper. 19. Al het gereedschap voor de diensten in de tabernakel moet van koper zijn. Dit geldt ook voor alle pinnen van de tabernakel en de voorhof. 20. Gebied de Israëlieten dat zij je zuivere olie van fijngestoten olijven brengen. Die olie is voor de lampen, zodat deze voortdurend kunnen branden. 21. Aäron en zijn zonen moeten de lampen in de ontmoetingstent van de avond tot de ochtend verzorgen. De lampen staan buiten het voorhangsel dat vóór de getuigenis hangt, voor het aangezicht van de HEERE. Dit blijft voor alle generaties een eeuwige instelling voor de Israëlieten. ## Exodus 28 — De heilige kleding van Aäron en zijn zonen 1. Laat je broer Aäron en zijn zonen uit de Israëlieten naar je toe komen. Zij zullen mij als priesters dienen. Het gaat om Aäron, Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar. 2. Maak voor je broer Aäron heilige kleding die hem waardigheid en schoonheid geeft. 3. Spreek met alle vakmensen die ik met een geest van wijsheid heb vervuld. Zij moeten kleding voor Aäron maken, zodat hij geheiligd wordt en mij als priester kan dienen. 4. Zij moeten een borststuk, een efod, een mantel, een kunstig geweven onderkleed, een tulband en een gordel maken. Zo maken zij heilige kleding voor Aäron en zijn zonen, zodat zij mij als priesters kunnen dienen. 5. De vakmensen gebruiken goud, blauw, purper, scharlaken en fijn linnen. 6. Zij moeten de efod heel kunstig maken van goud, blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen. 7. De efod krijgt aan beide uiteinden twee schouderstukken die hem bij elkaar houden. 8. De kunstig geweven gordel van de efod moet één geheel met de efod vormen. Gebruik daarvoor dezelfde materialen: goud, blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen. 9. Neem twee sardonixstenen en graveer daarop de namen van Israëls zonen. 10. Graveer zes namen op de ene steen en de overige zes op de andere, in de volgorde van hun geboorte. 11. Een edelsteensnijder moet de twee stenen graveren zoals hij een zegel graveert. Laat de namen van Israëls zonen erin graveren en zet de stenen in gouden houders. 12. Bevestig de twee stenen aan de schouderstukken van de efod als herinneringsstenen voor de Israëlieten. Zo draagt Aäron hun namen op zijn schouders voor het aangezicht van de HEERE, om hen in herinnering te brengen. 13. Maak ook gouden houders. 14. Maak twee even lange, gevlochten kettinkjes van zuiver goud en bevestig ze aan de houders. 15. Maak ook heel kunstig een borststuk voor de rechtspraak. Maak het net als de efod van goud, blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen. 16. Het borststuk moet vierkant en dubbelgevouwen zijn, ongeveer 22 centimeter lang en 22 centimeter breed. 17. Zet er vier rijen edelstenen in. De eerste rij bestaat uit een sardis, een topaas en een karbonkel. 18. De tweede rij bestaat uit een smaragd, een saffier en een diamant. 19. De derde rij bestaat uit een hyacint, een agaat en een amethist. 20. De vierde rij bestaat uit een turkoois, een sardonix en een jaspis. Zet alle stenen in gouden houders. 21. Op de twaalf stenen komen de namen van Israëls zonen. Graveer elke naam zoals op een zegel. Elke steen vertegenwoordigt één van de twaalf stammen. 22. Maak voor het borststuk ook twee even lange, gevlochten kettinkjes van zuiver goud. 23. Maak twee gouden ringen aan de twee bovenhoeken van het borststuk. 24. Bevestig de twee gevlochten gouden kettinkjes aan de ringen op de hoeken van het borststuk. 25. Bevestig de andere uiteinden van de kettinkjes aan de twee gouden houders. Zet die voor op de schouderstukken van de efod. 26. Maak nog twee gouden ringen en bevestig die aan de twee onderhoeken van het borststuk, aan de binnenrand naast de efod. 27. Maak nog twee gouden ringen. Zet die vooraan onderaan op de schouderstukken van de efod, vlak bij de naad en boven de kunstige gordel. 28. Bind de ringen van het borststuk met een blauw koord vast aan de ringen van de efod. Zo blijft het borststuk boven de kunstige gordel en komt het niet los van de efod. 29. Wanneer Aäron het heiligdom binnengaat, draagt hij de namen van Israëls zonen op het borststuk voor de rechtspraak, dicht bij zijn hart. Zo brengt hij hen voortdurend voor het aangezicht van de HEERE in herinnering. 30. Leg ook de Urim en de Thummim in het borststuk voor de rechtspraak. Zo liggen ze dicht bij Aärons hart wanneer hij voor de HEERE verschijnt. Aäron draagt zo de rechtspraak over de Israëlieten voortdurend op zijn hart voor het aangezicht van de HEERE. 31. Maak de mantel onder de efod helemaal blauw. 32. Maak midden in de mantel een opening voor het hoofd, met een stevig geweven boord eromheen. Maak die als de opening van een pantser, zodat hij niet scheurt. 33. Maak langs de hele zoom granaatappels van blauw, purper en scharlaken. Hang daartussen rondom gouden belletjes. 34. Wissel langs de hele zoom steeds een gouden belletje en een granaatappel af. 35. Aäron moet de mantel tijdens zijn dienst dragen. De belletjes moeten klinken wanneer hij voor de HEERE het heiligdom binnengaat en weer naar buiten komt. Dan zal hij niet sterven. 36. Maak verder een plaat van zuiver goud. Graveer daarop zoals op een zegel: HEILIG VOOR DE HEERE! 37. Bevestig de plaat met een blauw koord aan de voorkant van de tulband. 38. De plaat blijft op Aärons voorhoofd. Zo draagt Aäron de schuld die verbonden is aan alle heilige gaven van de Israëlieten. De plaat moet daar tijdens zijn dienst steeds zijn, zodat de HEERE hen aanvaardt. 39. Weef ook een kunstig versierd onderkleed van fijn linnen. Maak de tulband van fijn linnen en de gordel met borduurwerk. 40. Maak voor Aärons zonen ook onderkleden, gordels en hoofdbedekkingen die hun waardigheid en schoonheid geven. 41. Trek deze kleding je broer Aäron en zijn zonen aan. Zalf hen, wijd hen in en heilig hen, zodat zij mij als priesters kunnen dienen. 42. Maak voor hen ook linnen onderbroeken die hun naaktheid bedekken. Ze moeten van de heupen tot de dijen reiken. 43. Aäron en zijn zonen moeten deze dragen wanneer zij de ontmoetingstent binnengaan of bij het altaar in het heiligdom dienen. Anders laden zij schuld op zich en sterven zij. Dit blijft voor Aäron en zijn nakomelingen een eeuwige instelling. ## Exodus 29 — De inwijding van Aäron en zijn zonen 1. Dit moet je doen om Aäron en zijn zonen te heiligen, zodat zij mij als priesters dienen. Neem één jonge stier en twee rammen zonder gebrek. 2. Neem ook ongezuurd brood, ongezuurde koeken met olie gemengd en ongezuurde platte broden met olie bestreken. Maak ze van fijne tarwebloem. 3. Leg al het brood in één mand. Breng de mand samen met de jonge stier en de twee rammen naar voren. 4. Breng Aäron en zijn zonen naar de ingang van de ontmoetingstent en was hen met water. 5. Neem de heilige kleding en trek Aäron het onderkleed, de mantel van de efod, de efod en het borststuk aan. Bind de kunstige riem van de efod om hem heen. 6. Zet de tulband op zijn hoofd en bevestig de heilige kroon aan de tulband. 7. Neem de zalfolie, giet die over zijn hoofd en zalf hem zo. 8. Breng daarna zijn zonen naar voren en trek hun de onderkleren aan. 9. Bind Aäron en zijn zonen de gordels om en zet hun mutsen op. Het priesterschap zal voor hen een eeuwige instelling zijn. Zo moet je Aäron en zijn zonen inwijden. 10. Breng de jonge stier voor de ontmoetingstent. Laat Aäron en zijn zonen hun handen op zijn kop leggen. 11. Slacht de jonge stier voor de HEERE, bij de ingang van de ontmoetingstent. 12. Neem wat bloed van de jonge stier en strijk het met je vinger op de horens van het altaar. Giet de rest van het bloed uit aan de voet van het altaar. 13. Neem al het vet dat de ingewanden bedekt, het vlies over de lever, beide nieren en het vet eraan. Verbrand dit alles op het altaar. 14. Verbrand buiten het kamp het vlees, de huid en de mest van de jonge stier. Het is een zondoffer. 15. Neem daarna de eerste ram. Laat Aäron en zijn zonen hun handen op zijn kop leggen. 16. Slacht de ram, neem zijn bloed en sprenkel het rondom tegen het altaar. 17. Snijd de ram in stukken. Was zijn ingewanden en poten en leg die bij de stukken en de kop. 18. Verbrand daarna de hele ram op het altaar. Het is een brandoffer voor de HEERE, een aangename geur en een vuuroffer voor de HEERE. 19. Neem vervolgens de tweede ram. Laat Aäron en zijn zonen hun handen op zijn kop leggen. 20. Slacht de ram. Strijk wat bloed op Aärons rechteroorlel en op de rechteroorlel van elk van zijn zonen. Strijk ook bloed op de duim van hun rechterhand en de grote teen van hun rechtervoet. Sprenkel het overige bloed rondom tegen het altaar. 21. Neem wat bloed van het altaar en wat zalfolie. Sprenkel dit over Aäron, zijn kleding, zijn zonen en hun kleding. Zo worden Aäron, zijn kleding, zijn zonen en hun kleding geheiligd. 22. Neem van de inwijdingsram het vet, de staart en het vet rond de ingewanden. Neem ook het vlies over de lever, beide nieren met hun vet en de rechterschouder. 23. Neem uit de mand met ongezuurd brood die voor de HEERE staat één broodbol, één met olie bereid brood en één platte koek. 24. Leg dit alles op de handen van Aäron en zijn zonen. Beweeg het heen en weer als een beweegoffer voor de HEERE. 25. Neem het daarna uit hun handen en verbrand het op het altaar, boven op het brandoffer. Het is een aangename geur voor de HEERE, een vuuroffer voor de HEERE. 26. Neem de borst van Aärons inwijdingsram en beweeg die als beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE. Dat deel is voor jou. 27. Heilig de borst die als beweegoffer is bewogen, en de schouder die als offerbijdrage is opgeheven. Beide komen van de inwijdingsram voor Aäron en zijn zonen. 28. Deze delen zijn voor Aäron en zijn zonen. Dit is een eeuwige instelling voor de Israëlieten. Zij moeten deze offerbijdrage uit hun dankoffers aan de HEERE geven. 29. Na Aärons dood moeten zijn heilige kleren naar de zoon gaan die hem opvolgt. Die zoon moet daarin gezalfd en ingewijd worden. 30. De zoon die hem als priester opvolgt en het heilige in de ontmoetingstent dient, moet die kleren zeven dagen dragen. 31. Neem de inwijdingsram en kook zijn vlees op de heilige plaats. 32. Aäron en zijn zonen moeten het vlees van deze ram en het brood uit de mand eten bij de ingang van de ontmoetingstent. 33. Zij moeten eten van de offers waarmee verzoening is gedaan om hen in te wijden en te heiligen. Niemand buiten Aärons familie mag ervan eten, want ze zijn heilig. 34. Als er tot de ochtend vlees van het inwijdingsoffer of brood overblijft, moet je het verbranden. Het mag niet worden gegeten, want het is heilig. 35. Doe met Aäron en zijn zonen precies alles wat ik je heb opgedragen. Wijd hen zeven dagen lang in. 36. Bereid elke dag een jonge stier als zondoffer om verzoening te doen. Reinig het altaar van zonde door er verzoening voor te doen. Zalf het altaar om het te heiligen. 37. Doe zeven dagen lang verzoening voor het altaar en heilig het. Daarna is het altaar allerheiligst. Alles wat het altaar aanraakt, wordt heilig. 38. Offer voortdurend elke dag twee lammeren van één jaar oud op het altaar. 39. Offer het ene lam in de ochtend en het andere tegen de avond. 40. Offer bij het eerste lam circa 2 liter fijn meel, gemengd met circa 1 liter olie van fijngestoten olijven. Geef ook circa 1 liter wijn als drankoffer. 41. Offer het andere lam tegen de avond. Breng daarbij hetzelfde graanoffer en drankoffer als in de ochtend. Dit alles geeft een aangename geur en is een vuuroffer voor de HEERE. 42. Dit moet bij alle volgende generaties een voortdurend brandoffer zijn bij de ingang van de ontmoetingstent, voor het aangezicht van de HEERE. Daar zal ik jullie ontmoeten en met jou spreken. 43. Daar zal ik de Israëlieten ontmoeten. Zij zullen door mijn heerlijkheid geheiligd worden. 44. Ik zal de ontmoetingstent en het altaar heiligen. Ook zal ik Aäron en zijn zonen heiligen, zodat zij mij als priesters dienen. 45. Ik zal in het midden van de Israëlieten wonen en hun God zijn. 46. Zij zullen weten dat ik de HEERE, hun God, ben. Ik heb hen uit Egypte geleid om in hun midden te wonen. Ik ben de HEERE, hun God. ## Exodus 30 — Het reukaltaar, het wasvat, de zalfolie en het reukwerk 1. Maak ook een altaar voor het reukwerk. Maak het van acaciahout. 2. Het altaar moet vierkant zijn: circa 45 centimeter lang en breed en circa 90 centimeter hoog. De horens moeten één geheel met het altaar vormen. 3. Bekleed de bovenkant, alle zijden en de horens met zuiver goud. Maak rondom het altaar een gouden rand. 4. Maak onder de rand twee gouden ringen, één aan elke zijkant. Daarin komen de draagstokken waarmee het altaar wordt gedragen. 5. Maak de draagstokken van acaciahout en bekleed ze met goud. 6. Zet het altaar vóór het voorhangsel dat voor de ark van de getuigenis hangt. Het komt tegenover het verzoendeksel boven de getuigenis, waar ik jou zal ontmoeten. 7. Aäron moet er elke ochtend geurige specerijen op branden wanneer hij de lampen verzorgt. 8. Ook wanneer Aäron tegen de avond de lampen aansteekt, moet hij reukwerk branden. Dit is bij alle generaties een voortdurend reukwerk voor de HEERE. 9. Brand op dit altaar geen vreemd reukwerk. Offer er geen brandoffer of graanoffer op en giet er geen drankoffer over. 10. Eenmaal per jaar moet Aäron met het bloed van het verzoenende zondoffer verzoening doen aan de horens van het altaar. Dit moet bij alle generaties eenmaal per jaar gebeuren. Het altaar is allerheiligst voor de HEERE. 11. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 12. Wanneer je de Israëlieten telt, moet iedere getelde persoon de HEERE losgeld voor zijn leven geven. Dan zal tijdens de telling geen plaag onder hen uitbreken. 13. Iedereen die wordt geteld, moet een halve heiligdomssikkel geven, circa 5,5 gram. Een hele sikkel weegt twintig gera, circa 11 gram. Die halve sikkel is een offerbijdrage voor de HEERE. 14. Iedereen van twintig jaar of ouder die wordt geteld, moet de offerbijdrage voor de HEERE geven. 15. De rijke mag niet meer en de arme niet minder dan een halve sikkel geven. Dit is de offerbijdrage voor de HEERE waarmee verzoening voor hun leven wordt gedaan. 16. Neem dit verzoeningsgeld van de Israëlieten en gebruik het voor de dienst van de ontmoetingstent. Zo worden de Israëlieten voor de HEERE in herinnering gebracht en wordt voor hun leven verzoening gedaan. 17. De HEERE sprak opnieuw tegen Mozes. 18. Maak een koperen wasbekken met een koperen voet waarin men zich kan wassen. Zet het tussen de ontmoetingstent en het altaar en doe er water in. 19. Aäron en zijn zonen moeten daaruit hun handen en voeten wassen. 20. Wanneer zij de ontmoetingstent binnengaan, moeten zij zich met water wassen, anders zullen zij sterven. Hetzelfde geldt wanneer zij bij het altaar komen om de HEERE een vuuroffer te brengen. 21. Zij moeten hun handen en voeten wassen, anders zullen zij sterven. Dit is een eeuwige instelling voor Aäron en zijn nakomelingen, bij al hun generaties. 22. De HEERE sprak verder tegen Mozes. 23. Neem de beste specerijen: circa 5,5 kilo zuivere mirre. Neem half zoveel geurige kaneel, circa 2,75 kilo, en circa 2,75 kilo geurige kalmoes. 24. Neem ook circa 5,5 kilo kassie en circa 4 liter olijfolie. 25. Bereid daaruit heilige zalfolie, kunstig gemengd zoals een zalfmaker dat doet. Het moet heilige zalfolie zijn. 26. Zalf daarmee de ontmoetingstent en de ark van de getuigenis. 27. Zalf ook de tafel met al haar gereedschap, de kandelaar met zijn gereedschap en het reukaltaar. 28. Zalf ook het brandofferaltaar met al zijn gereedschap en het wasbekken met zijn voet. 29. Heilig al deze voorwerpen, zodat ze allerheiligst zijn. Alles wat deze voorwerpen aanraakt, wordt heilig. 30. Zalf ook Aäron en zijn zonen en heilig hen, zodat zij mij als priesters dienen. 31. Zeg tegen de Israëlieten: Dit moet bij al jullie generaties mijn heilige zalfolie zijn. 32. Giet deze olie alleen over Aäron en zijn zonen, en niet over iemand anders. Maak geen andere olie met dezelfde samenstelling. Deze olie is heilig en moet voor jullie heilig blijven. 33. Wie deze zalf namaakt of ermee iemand zalft voor wie zij niet bestemd is, moet uit zijn volk worden uitgeroeid. 34. De HEERE zei verder tegen Mozes: Neem geurige specerijen: mirresap, oniche, galban en zuivere wierook. Maal ieder ingrediënt afzonderlijk fijn. 35. Meng ze vakkundig tot een zuiver en heilig reukwerk. 36. Maal een deel ervan tot heel fijn poeder. Leg daarvan iets voor de getuigenis in de ontmoetingstent, waar ik jou zal ontmoeten. Het moet voor jullie allerheiligst zijn. 37. Maak voor jezelf geen reukwerk met dezelfde samenstelling. Behandel dit reukwerk als heilig voor de HEERE. 38. Wie iets dergelijks maakt om eraan te ruiken, moet uit zijn volk worden uitgeroeid. ## Exodus 31 — De vakmensen en de sabbat 1. Daarna sprak de HEERE tot Mozes: 2. Ik heb Bezaleël bij zijn naam geroepen. Hij is de zoon van Uri, de kleinzoon van Hur, uit de stam Juda. 3. Ik heb hem vervuld met de Geest van God, met wijsheid, inzicht en kennis voor allerlei vakwerk. 4. Daardoor kan hij kunstige ontwerpen bedenken en werken met goud, zilver en koper. 5. Ook kan hij edelstenen snijden en inzetten, hout snijden en allerlei ander vakwerk doen. 6. Ik heb Aholiab, de zoon van Ahisamach uit de stam Dan, aan hem toegevoegd. Ook heb ik wijsheid gegeven aan iedere vakman. Zij moeten alles maken wat ik je heb opgedragen. 7. Zij moeten de ontmoetingstent, de ark van de getuigenis en het verzoendeksel daarop maken. Ook maken zij alle voorwerpen van de tent. 8. Ook maken zij de tafel met haar voorwerpen, de zuivergouden kandelaar met al zijn voorwerpen en het reukofferaltaar. 9. Ook maken zij het brandofferaltaar met alle bijbehorende voorwerpen en het wasbekken met zijn voetstuk. 10. Verder maken zij de ambtskleding, de heilige kleding voor de priester Aäron en de kleding voor zijn zonen. Daarmee kunnen zij mij als priesters dienen. 11. Ook maken zij de zalfolie en het geurige reukwerk voor het heiligdom. Zij moeten alles maken wat ik je heb opgedragen. 12. Verder sprak de HEERE tot Mozes: 13. Zeg tegen de Israëlieten: Jullie moeten beslist mijn sabbatten houden. Die vormen door alle generaties heen een teken tussen mij en jullie. Zo weten jullie dat ik de HEERE ben, die jullie heiligt. 14. Houd de sabbat, want die is heilig voor jullie. Wie hem ontheiligt, moet zeker sterven. Iedereen die op de sabbat werkt, moet uit zijn volk worden uitgeroeid. 15. Zes dagen mag er gewerkt worden, maar de zevende dag is een sabbat van volledige rust, heilig voor de HEERE. Wie op de sabbat werkt, moet zeker sterven. 16. De Israëlieten moeten de sabbat houden. Zij moeten hem door alle generaties heen vieren als een eeuwig verbond. 17. Hij blijft voor altijd een teken tussen mij en de Israëlieten. Want in zes dagen maakte de HEERE de hemel en de aarde. Op de zevende dag hield Hij op met werken en rustte Hij uit. 18. Toen God op de berg Sinaï klaar was met spreken tot Mozes, gaf Hij hem de twee platen van de getuigenis. Het waren stenen platen, beschreven met Gods vinger. ## Exodus 32 — Het gouden kalf en Mozes' voorbede 1. Het volk zag dat Mozes lang wegbleef en niet van de berg afkwam. Daarom verzamelden zij zich rond Aäron en zeiden: Sta op en maak goden voor ons die voor ons uitgaan. Wij weten niet wat er met die man Mozes gebeurd is, die ons uit Egypte heeft geleid. 2. Aäron antwoordde hun: Doe de gouden oorringen af die jullie vrouwen, zonen en dochters dragen. Breng ze bij mij. 3. Toen deed het hele volk de gouden oorringen af die zij droegen en bracht ze naar Aäron. 4. Aäron nam de sieraden van hen aan, bewerkte het goud met een graveerstift en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypte hebben geleid. 5. Toen Aäron dat zag, bouwde hij voor het kalf een altaar. Daarna riep hij uit: Morgen vieren we een feest voor de HEERE! 6. De volgende dag stonden zij vroeg op. Zij offerden brandoffers en brachten dankoffers. Daarna ging het volk zitten om te eten en te drinken. Vervolgens stonden zij op om feest te vieren. 7. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Ga! Daal af, want jouw volk, dat jij uit Egypte hebt geleid, heeft zichzelf door zijn afgoderij in het verderf gestort. 8. Zij zijn al snel afgeweken van de weg die ik hun had opgedragen. Zij hebben een gegoten kalf gemaakt, ervoor geknield en eraan geofferd. Ze zeiden: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypte hebben geleid. 9. De HEERE zei verder tegen Mozes: Ik heb dit volk gezien. Het is een hardnekkig volk! 10. Laat mij nu met rust, zodat mijn toorn tegen hen ontbrandt en ik hen vernietig. Dan zal ik van jou een groot volk maken. 11. Mozes smeekte de HEERE, zijn God: HEERE, waarom zou Uw toorn ontbranden tegen Uw volk? U hebt hen met grote kracht en sterke hand uit Egypte geleid. 12. Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: Hij heeft hen met kwade bedoelingen uit Egypte geleid. Hij wilde hen in de bergen doden en van de aarde wegvagen. Laat Uw brandende toorn varen en zie af van de ramp waarmee U Uw volk wilde treffen. 13. Denk aan Abraham, Izak en Israël, Uw dienaren. U hebt hun bij Uzelf gezworen en gezegd: Ik zal jullie nakomelingen zo talrijk maken als de sterren aan de hemel. Dit hele land waarover ik sprak, geef ik aan jullie nakomelingen. Zij zullen het voor altijd erven. 14. Toen zag de HEERE af van de ramp die Hij Zijn volk had aangekondigd. 15. Mozes keerde zich om en daalde de berg af met de twee platen van de getuigenis in zijn hand. De platen waren aan beide kanten beschreven, aan de voor- en achterkant. 16. De platen waren Gods eigen werk. Het schrift dat erin gegraveerd was, was door God zelf geschreven. 17. Toen Jozua het juichende volk hoorde, zei hij tegen Mozes: Er klinkt oorlogsgeschreeuw in het kamp. 18. Mozes antwoordde: Het klinkt niet als een overwinningskreet en ook niet als het geschreeuw bij een nederlaag. Ik hoor mensen om beurten zingen. 19. Toen Mozes het kamp naderde, zag hij het kalf en de dansende groepen. Hij werd woedend, gooide de platen uit zijn handen en verbrijzelde ze onder aan de berg. 20. Hij nam het kalf dat zij hadden gemaakt en verbrandde het in het vuur. Daarna vermaalde hij het tot poeder en strooide dat op het water. Vervolgens liet hij de Israëlieten dat water drinken. 21. Mozes vroeg Aäron: Wat heeft dit volk je aangedaan dat je hen tot zo'n grote zonde hebt gebracht? 22. Aäron antwoordde: Mijn heer moet niet boos worden. U weet zelf dat dit volk tot het kwaad geneigd is. 23. Zij zeiden tegen mij: Maak goden voor ons die voor ons uitgaan. Wij weten niet wat er met die man Mozes gebeurd is. Hij heeft ons uit Egypte geleid. 24. Toen zei ik tegen hen: Wie goud heeft, moet het afdoen en aan mij geven. Ik gooide het in het vuur en toen kwam dit kalf eruit. 25. Mozes zag dat het volk weerloos was. Aäron had het volk weerloos gemaakt, zodat het bij zijn vijanden tot schande werd. 26. Daarom ging Mozes bij de poort van het kamp staan en zei: Wie bij de HEERE hoort, moet bij mij komen! Toen verzamelden alle Levieten zich bij hem. 27. Hij zei tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Iedereen moet zijn zwaard aan zijn heup hangen. Ga het hele kamp door, van poort tot poort en weer terug. Dood je broer, vriend en naaste! 28. De Levieten deden wat Mozes had gezegd. Die dag werden drieduizend mannen uit het volk gedood. 29. Mozes had namelijk gezegd: Wijd jezelf vandaag aan de dienst van de HEERE. Iedereen moet zich zelfs tegen zijn zoon en broer keren. Dan zal Hij jullie vandaag zegenen. 30. De volgende dag zei Mozes tegen het volk: Jullie hebben een grote zonde begaan. Nu zal ik naar de HEERE omhooggaan. Misschien kan ik verzoening voor jullie zonde verkrijgen. 31. Mozes ging terug naar de HEERE en zei: Ach, dit volk heeft een grote zonde begaan. Zij hebben gouden goden voor zichzelf gemaakt. 32. Wilt U hun zonden toch vergeven! Maar als U dat niet doet, wis mij dan uit Uw boek dat U hebt geschreven. 33. De HEERE antwoordde Mozes: Wie tegen mij zondigt, zal ik uit mijn boek wissen. 34. Ga nu en leid het volk naar de plaats die ik je heb genoemd. Mijn Engel zal voor je uitgaan. Maar wanneer de tijd komt om te straffen, zal ik hen voor hun zonde straffen. 35. Zo trof de HEERE het volk met een plaag vanwege het kalf dat Aäron voor hen had gemaakt. ## Exodus 33 — De HEERE spreekt met Mozes 1. Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga hiervandaan met het volk dat jij uit Egypte hebt geleid. Trek naar het land dat ik Abraham, Izak en Jakob onder ede heb beloofd. Ik zei tegen hen: Aan jullie nageslacht zal ik het geven. 2. Ik zal een engel voor jullie uit sturen. Ik zal de Kanaänieten, Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten verdrijven. 3. Ga naar het land dat overvloeit van melk en honing. Ik zal niet in jullie midden meegaan, want jullie zijn een koppig volk. Anders zou ik jullie onderweg vernietigen. 4. Toen het volk deze slechte boodschap hoorde, begonnen ze te rouwen. Niemand deed zijn sieraden om. 5. De HEERE had namelijk tegen Mozes gezegd: Zeg tegen de Israëlieten: Jullie zijn een koppig volk. Als ik ook maar één ogenblik in jullie midden meeging, zou ik jullie vernietigen. Doe daarom nu jullie sieraden af. Dan zal ik bepalen wat ik met jullie zal doen. 6. Zo ontdeden de Israëlieten zich bij de berg Horeb van hun sieraden. 7. Mozes nam de tent en zette die ver buiten het kamp neer. Hij noemde haar de ontmoetingstent. Iedereen die de HEERE zocht, ging naar deze tent buiten het kamp. 8. Telkens wanneer Mozes naar de tent ging, stond heel het volk op. Iedereen bleef bij de ingang van zijn eigen tent staan en keek Mozes na totdat hij naar binnen ging. 9. Zodra Mozes de tent binnenging, daalde de wolkkolom neer en bleef bij de ingang staan. Daar sprak Hij met Mozes. 10. Wanneer het volk de wolkkolom bij de ingang van de tent zag staan, stond iedereen op. Ieder boog zich neer bij de ingang van zijn eigen tent. 11. De HEERE sprak rechtstreeks met Mozes, zoals iemand met een vriend praat. Daarna keerde Mozes terug naar het kamp. Maar zijn jonge dienaar Jozua, de zoon van Nun, bleef in de tent. 12. Mozes zei tegen de HEERE: U zegt tegen mij: Breng dit volk verder! Maar U laat mij niet weten wie U met mij meestuurt. Toch hebt U gezegd: Ik ken je bij naam! En ook: Je hebt genade gevonden in mijn ogen! 13. Als ik werkelijk genade heb gevonden in Uw ogen, laat mij dan zien welke weg U wilt gaan. Zo leer ik U beter kennen en vind ik genade in Uw ogen. Bedenk toch dat deze mensen Uw volk zijn! 14. Hij antwoordde: Mijn aanwezigheid zal meegaan en ik zal jou rust geven. 15. Mozes antwoordde Hem: Als Uw aanwezigheid niet meegaat, laat ons dan niet hiervandaan vertrekken! 16. Hoe kan anders blijken dat ik genade heb gevonden in Uw ogen, ik en Uw volk? Alleen doordat U met ons meegaat. Zo zullen ik en Uw volk anders zijn dan ieder ander volk op aarde. 17. De HEERE zei tegen Mozes: Ook dit wat je vraagt, zal ik doen. Je hebt genade gevonden in mijn ogen en ik ken je bij naam. 18. Toen zei Mozes: Laat mij toch Uw heerlijkheid zien! 19. Hij antwoordde: Ik zal al mijn goedheid voor je langs laten gaan en voor jou de naam van de HEERE uitroepen. Ik ben genadig voor wie ik genadig wil zijn. Ik ontferm mij over wie ik mij wil ontfermen. 20. Verder zei Hij: Je kunt mijn gezicht niet zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven. 21. De HEERE zei verder: Kijk, hier bij mij is een plaats waar je op de rots kunt staan. 22. Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat, zet ik je in een spleet van de rots. Ik bedek je met mijn hand totdat ik voorbij ben. 23. Daarna neem ik mijn hand weg. Dan zul je mij van achteren zien, maar mijn gezicht zal niet zichtbaar zijn! ## Exodus 34 — Het verbond wordt vernieuwd 1. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Hak twee stenen platen uit, net als de eerste. Ik zal daarop dezelfde woorden schrijven die op de eerste platen stonden die jij hebt gebroken. 2. Zorg dat je morgenochtend klaarstaat. Klim dan vroeg de berg Sinaï op en kom daar bij mij staan, boven op de berg. 3. Niemand mag met je mee omhoogklimmen. Er mag op de hele berg niemand te zien zijn. Ook het kleinvee en de runderen mogen niet tegenover de berg grazen. 4. Mozes hakte twee stenen platen uit, net als de eerste. Vroeg in de morgen beklom hij de berg Sinaï, zoals de HEERE hem had bevolen. Hij droeg de twee stenen platen in zijn handen. 5. De HEERE daalde neer in een wolk en kwam daar bij Mozes staan. Toen riep Hij de naam van de HEERE uit. 6. Toen de HEERE voor Mozes langsging, riep Hij: HEERE, HEERE, barmhartige en genadige God, geduldig en rijk aan goedheid en trouw. 7. Hij blijft vele duizenden trouw en vergeeft schuld, overtreding en zonde. Toch laat Hij de schuldige beslist niet ongestraft. Hij straft de schuld van vaders bij hun kinderen en kleinkinderen als die hun slechte voorbeeld volgen, tot in de derde en vierde generatie. 8. Mozes knielde haastig met zijn hoofd naar de grond en boog zich neer. 9. Hij zei: Heere, als ik genade in Uw ogen heb gevonden, ga dan alstublieft in ons midden mee. Dit volk is koppig, maar vergeef onze schuld en zonde en neem ons aan als Uw erfdeel! 10. Hij antwoordde: Kijk, ik sluit een verbond. Voor heel jullie volk zal ik wonderen doen die nooit ergens op aarde of bij welk volk ook zijn verricht. Heel het volk waarvan jij deel uitmaakt, zal zien hoe ontzagwekkend het werk is dat ik met jou doe. 11. Houd je aan wat ik je vandaag gebied. Ik zal de Amorieten, Kanaänieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten voor je uit verdrijven. 12. Pas ervoor op dat je geen verbond sluit met de inwoners van het land waarheen je gaat. Anders kunnen zij een valstrik in jullie midden worden. 13. Breek hun altaren af, verbrijzel de beelden die zij hebben opgericht en hak hun gewijde boomstammen om. 14. Buig niet neer voor een andere god. De HEERE heet immers IJveraar, want Hij is een God die geen andere god naast Hem duldt! 15. Sluit dus geen verbond met de inwoners van dat land. Anders bedrijven zij afgoderij en brengen zij offers aan hun goden. Als iemand jou uitnodigt, eet je misschien van zijn offer. 16. Misschien kiezen jullie hun dochters als vrouwen voor jullie zonen. Wanneer die dochters afgoderij bedrijven, brengen zij ook jullie zonen ertoe hun goden te dienen. 17. Maak geen gegoten afgodsbeelden. 18. Houd het feest van de ongezuurde broden. Eet zeven dagen ongezuurd brood, zoals ik je heb bevolen. Doe dit op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in die maand ben je uit Egypte vertrokken. 19. Iedere eerstgeborene is van mij. Dat geldt ook voor elk mannelijk eerstgeboren dier onder jullie runderen en kleinvee. 20. Een eerstgeboren ezel moet je vrijkopen met een dier uit het kleinvee. Koop je hem niet vrij, dan moet je hem de nek breken. Iedere eerstgeboren zoon moeten jullie vrijkopen. Niemand mag met lege handen voor mij verschijnen. 21. Zes dagen moeten jullie werken, maar op de zevende dag moeten jullie rusten. Ook tijdens het ploegen en de oogst moeten jullie rusten. 22. Vier ook het wekenfeest, wanneer de eerste vruchten van de tarweoogst binnenkomen. Vier het inzamelingsfeest aan het einde van het jaar. 23. Drie keer per jaar moeten alle mannen onder jullie voor de HEERE, de Heer en God van Israël, verschijnen. 24. Ik zal volken voor jullie verdrijven en jullie gebied uitbreiden. Niemand zal jullie land begeren wanneer jullie drie keer per jaar naar de HEERE, jullie God, gaan om voor Hem te verschijnen. 25. Offer het bloed van mijn offer niet samen met gezuurd brood. Laat het offer van het paasfeest niet tot de volgende morgen liggen. 26. Breng de allereerste vruchten van jullie land naar het huis van de HEERE, jullie God. Kook een bokje niet in de melk van zijn moeder. 27. Verder zei de HEERE tegen Mozes: Schrijf deze woorden op. Op grond van deze woorden heb ik met jou en met Israël een verbond gesloten. 28. Mozes bleef veertig dagen en veertig nachten bij de HEERE. Hij at geen brood en dronk geen water. De HEERE schreef de woorden van het verbond op de platen: de tien geboden. 29. Toen Mozes de berg Sinaï afdaalde, hield hij de twee platen met de getuigenis in zijn handen. Hij wist niet dat de huid van zijn gezicht straalde doordat de HEERE met hem had gesproken. 30. Toen Aäron en alle Israëlieten Mozes aankeken, zagen zij dat de huid van zijn gezicht straalde. Daarom waren ze bang om bij hem te komen. 31. Toen riep Mozes hen bij zich. Aäron en alle leiders van de gemeenschap kwamen naar hem terug. Mozes sprak met hen. 32. Daarna kwamen alle Israëlieten dichterbij. Mozes gaf hun alle geboden door die de HEERE hem op de berg Sinaï had gegeven. 33. Toen Mozes klaar was met hen te spreken, deed hij een doek over zijn gezicht. 34. Telkens wanneer Mozes naar de HEERE ging om met Hem te spreken, deed hij de doek af totdat hij weer naar buiten ging. Daarna vertelde hij de Israëlieten wat hem was opgedragen. 35. De Israëlieten zagen dan dat de huid van Mozes' gezicht straalde. Mozes deed de doek weer over zijn gezicht totdat hij naar binnen ging om met Hem te spreken. ## Exodus 35 — De sabbat en de voorbereidingen voor de tabernakel 1. Mozes riep heel de gemeenschap van Israël bijeen en zei tegen hen: Dit zijn de woorden die de HEERE heeft opgedragen om uit te voeren. 2. Zes dagen mag er gewerkt worden. Maar de zevende dag moet voor jullie heilig zijn: een volledige rustdag voor de HEERE. Wie op die dag werkt, moet gedood worden. 3. Steek op de sabbat in geen van jullie woningen vuur aan. 4. Verder zei Mozes tegen heel de gemeenschap van Israël: Dit heeft de HEERE bevolen: 5. Neem uit jullie bezit een offerbijdrage voor de HEERE. Iedereen die vrijwillig wil geven, mag de volgende bijdrage brengen: goud, zilver en koper. 6. Breng ook blauw, purper, scharlaken, fijn linnen en geitenhaar. 7. Breng verder roodgeverfde ramsvellen, dassenvellen en acaciahout. 8. Breng olie voor de lampen, specerijen voor de zalfolie en geurige specerijen voor het reukwerk. 9. Breng ook sardonixstenen en edelstenen om in de efod en het borststuk te zetten. 10. Alle vakmensen onder jullie moeten komen en alles maken wat de HEERE heeft bevolen: 11. Maak de tabernakel met zijn tentkleed en dekkleed, haken, planken, dwarsbalken, palen en voetstukken. 12. Maak de ark met haar draagstokken, het verzoendeksel en het voorhangsel dat de ark afschermt. 13. Maak de tafel met haar draagstokken, alle bijbehorende voorwerpen en de toonbroden. 14. Maak de kandelaar voor het licht, met de bijbehorende voorwerpen, lampen en olie. 15. Maak het reukaltaar met zijn draagstokken, de zalfolie en het geurige reukwerk. Maak ook het gordijn voor de ingang van de tabernakel. 16. Maak het brandofferaltaar met zijn koperen rooster, draagstokken en alle bijbehorende voorwerpen. Maak ook het wasbekken met zijn voetstuk. 17. Maak de gordijnen van de voorhof met hun palen en voetstukken. Maak ook het gordijn voor de poort van de voorhof. 18. Maak de pinnen van de tabernakel en de voorhof, met de bijbehorende touwen. 19. Maak de ambtskleding voor de dienst in het heiligdom, de heilige kleding van de priester Aäron en de priesterkleding van zijn zonen. 20. Daarna ging heel de gemeenschap van Israël bij Mozes vandaan. 21. Iedereen die zich innerlijk bewogen voelde en vrijwillig wilde geven, kwam een offerbijdrage voor de HEERE brengen. Deze was bestemd voor de ontmoetingstent, de dienst daarin en de heilige kleding. 22. Zowel mannen als vrouwen kwamen. Iedereen die vrijwillig wilde geven, bracht gespen, oorringen, ringen, halssieraden en allerlei andere gouden voorwerpen. Zo brachten zij goud als beweegoffer voor de HEERE. 23. Iedereen die blauw, purper, scharlaken, fijn linnen, geitenhaar, roodgeverfde ramsvellen of dassenvellen had, bracht die materialen. 24. Iedereen die zilver of koper wilde bijdragen, bracht het als offerbijdrage voor de HEERE. Wie acaciahout had, bracht dat voor het werk aan het heiligdom. 25. Alle vrouwen die bedreven waren in spinnen, sponnen met hun handen. Zij brachten wat zij hadden gesponnen: blauw, purper, scharlaken en fijn linnen. 26. Alle vrouwen die zich van harte en met vakmanschap wilden inzetten, sponnen het geitenhaar. 27. De leiders brachten sardonixstenen en andere edelstenen om in de efod en het borststuk te zetten. 28. Zij brachten ook specerijen en olie voor de lampen, de zalfolie en het geurige reukwerk. 29. Alle mannen en vrouwen die vrijwillig wilden bijdragen aan het werk dat de HEERE via Mozes had opgedragen, brachten een vrijwillig offer voor Hem. 30. Daarna zei Mozes tegen de Israëlieten: Kijk, de HEERE heeft Bezaleël bij zijn naam geroepen. Hij is de zoon van Uri, de kleinzoon van Hur, uit de stam Juda. 31. De Geest van God heeft hem vervuld met wijsheid, inzicht en kennis voor allerlei vakwerk. 32. Daardoor kan hij kunstige ontwerpen bedenken en werken met goud, zilver en koper. 33. Ook kan hij edelstenen snijden en inzetten, hout snijden en allerlei ander kunstig werk maken. 34. God gaf zowel Bezaleël als Aholiab het vermogen om anderen te onderwijzen. Aholiab is de zoon van Ahisamach, uit de stam Dan. 35. God gaf hun vakmanschap voor elk soort werk: ontwerpen, maken, borduren met blauw, purper, scharlaken en fijn linnen, en weven. Zij kunnen ieder kunstig ontwerp bedenken en uitvoeren. ## Exodus 36 — De bouw van de tabernakel begint 1. Bezaleël, Aholiab en alle andere vakmensen gingen aan het werk. De HEERE had hun wijsheid en inzicht gegeven, zodat zij wisten hoe ze al het werk voor de dienst in het heiligdom moesten uitvoeren. Zij deden alles zoals de HEERE had bevolen. 2. Mozes riep Bezaleël, Aholiab en alle andere vakmensen bij zich. God had hun wijsheid gegeven. Iedereen die vanuit zijn hart wilde meewerken, begon aan het werk. 3. Zij namen van Mozes alle offerbijdragen aan die de Israëlieten voor het werk aan het heiligdom hadden gebracht. Toch bleven de Israëlieten elke ochtend vrijwillige gaven naar Mozes brengen. 4. Daarom onderbraken alle vakmensen hun werk aan het heiligdom en gingen zij naar Mozes. 5. Zij zeiden tegen Mozes: Het volk brengt meer dan genoeg voor het werk dat de HEERE heeft opgedragen. 6. Toen liet Mozes in het hele kamp omroepen: Geen man of vrouw mag nog materialen klaarmaken als offerbijdrage voor het heiligdom! Zo werd het volk ervan weerhouden nog meer te brengen. 7. Er was genoeg materiaal voor al het werk dat gedaan moest worden. Er was zelfs materiaal over. 8. Alle vakmensen maakten de tabernakel van tien gordijnen van fijn getwijnd linnen, blauw, purper en scharlaken. Zij verwerkten er cherubs in en maakten die zeer kunstig. 9. Elk gordijn was ongeveer 12,5 meter lang en 1,8 meter breed. Alle gordijnen hadden dezelfde afmetingen. 10. Hij verbond vijf gordijnen met elkaar. De andere vijf gordijnen verbond hij ook met elkaar. 11. Daarna maakte hij blauwe lussen aan de rand van het laatste gordijn van de eerste reeks. Dat deed hij ook bij de tweede reeks. 12. Hij maakte vijftig lussen aan het laatste gordijn van elke reeks. De lussen lagen precies tegenover elkaar. 13. Hij maakte vijftig gouden haken en verbond daarmee de twee reeksen gordijnen. Zo werd het één tabernakel. 14. Verder maakte hij elf gordijnen van geitenhaar als tentkleed over de tabernakel. 15. Elk van de elf gordijnen was ongeveer 13,5 meter lang en 1,8 meter breed. Alle elf hadden dezelfde afmetingen. 16. Hij verbond vijf gordijnen tot één reeks en de andere zes tot een tweede reeks. 17. Hij maakte vijftig lussen aan de rand van het laatste gordijn van de ene reeks. Ook maakte hij vijftig lussen aan de rand van de andere reeks. 18. Hij maakte ook vijftig koperen haken om de twee delen van de tent te verbinden. Zo werd de tent één geheel. 19. Voor de tent maakte hij een dekkleed van roodgeverfde ramsvellen. Daarover kwam een dekkleed van dassenvellen. 20. Voor de tabernakel maakte hij rechtopstaande planken van acaciahout. 21. Elke plank was ongeveer 4,5 meter lang en 70 centimeter breed. 22. Elke plank had twee verbindingspennen die naast elkaar stonden als sporten van een ladder. Zo maakte hij alle planken van de tabernakel. 23. Voor de zuidkant van de tabernakel maakte hij twintig planken. 24. Onder de twintig planken maakte hij veertig zilveren voetstukken. Onder elke plank kwamen twee voetstukken, één voor elke verbindingspen. 25. Aan de andere kant van de tabernakel, de noordkant, maakte hij ook twintig planken. 26. Daaronder kwamen veertig zilveren voetstukken: twee onder elke plank. 27. Voor de achterkant van de tabernakel, aan de westkant, maakte hij zes planken. 28. Ook maakte hij twee planken voor de beide achterhoeken van de tabernakel. 29. Elke hoekplank zat onderaan zowel aan de zijwand als aan de achterwand vast. Bovenaan was hij op dezelfde manier met één ring verbonden. Zo maakte hij beide hoekplanken. 30. Zo waren er aan de achterkant acht planken met zestien zilveren voetstukken: twee onder elke plank. 31. Hij maakte dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de planken aan de ene zijkant van de tabernakel. 32. Ook maakte hij vijf dwarsbalken voor de andere zijkant en vijf voor de achterkant, aan de westkant. 33. De middelste dwarsbalk liet hij halverwege de planken van het ene uiteinde tot het andere doorlopen. 34. Hij bekleedde de planken met goud. De ringen die de dwarsbalken vasthielden, maakte hij van goud. Ook de dwarsbalken bekleedde hij met goud. 35. Daarna maakte hij een voorhangsel van blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen. Hij verwerkte er zeer kunstig cherubs in. 36. Voor dit voorhangsel maakte hij vier pilaren van acaciahout en bekleedde ze met goud. De haken waren van goud en de vier voetstukken van zilver. 37. Voor de ingang van de tent maakte hij een gordijn van blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen, met borduurwerk. 38. Hij maakte de vijf pilaren en hun haken. Hij bekleedde de bovenkanten en verbindingsbanden met goud. De vijf voetstukken waren van koper. ## Exodus 37 — De ark, tafel, kandelaar en het reukofferaltaar 1. Bezaleël maakte de ark van acaciahout. De ark was ongeveer 1,1 meter lang, 70 centimeter breed en 70 centimeter hoog. 2. Hij bekleedde haar van binnen en buiten met zuiver goud en maakte er rondom een gouden rand aan. 3. Hij goot vier gouden ringen voor de ark en bevestigde ze aan haar vier hoeken: twee aan elke kant. 4. Hij maakte draagstokken van acaciahout en bekleedde ze met goud. 5. Hij stak de draagstokken in de ringen aan de zijkanten van de ark, zodat men haar kon dragen. 6. Ook maakte hij een verzoendeksel van zuiver goud. Het was ongeveer 1,1 meter lang en 70 centimeter breed. 7. Aan de twee uiteinden van het verzoendeksel maakte hij twee cherubs van gehamerd goud. 8. De ene cherub kwam uit het ene uiteinde en de andere uit het andere. Beide vormden één geheel met het verzoendeksel. 9. De cherubs spreidden hun vleugels omhoog en bedekten daarmee het verzoendeksel. Hun gezichten stonden tegenover elkaar en waren naar het verzoendeksel gericht. 10. Ook maakte hij een tafel van acaciahout. Ze was ongeveer 90 centimeter lang, 45 centimeter breed en 70 centimeter hoog. 11. Hij bekleedde de tafel met zuiver goud en maakte er rondom een gouden rand aan. 12. Hij maakte rondom de tafel een lijst van ongeveer 7,5 centimeter breed en rond die lijst een gouden rand. 13. Hij goot vier gouden ringen en bevestigde ze aan de vier hoeken bij de vier poten. 14. De ringen zaten vlak bij de lijst. Ze dienden als houders voor de draagstokken waarmee de tafel werd gedragen. 15. Hij maakte de draagstokken van acaciahout en bekleedde ze met goud, zodat men de tafel ermee kon dragen. 16. Hij maakte voor de tafel ook schotels, wierookschalen, kommen en kannen waarmee de tafel werd afgedekt. Alles was van zuiver goud. 17. Ook maakte hij een kandelaar van zuiver goud, uit één stuk gehamerd goud. De schacht, armen, schaaltjes, knoppen en bloemen vormden één geheel. 18. Uit de zijkanten kwamen zes armen: drie uit de ene kant en drie uit de andere kant. 19. Elke arm had drie amandelvormige schaaltjes, met telkens een knop en een bloem. Zo waren alle zes armen van de kandelaar gemaakt. 20. De kandelaar zelf had vier amandelvormige schaaltjes, met zijn knoppen en bloemen. 21. Onder elk van de drie paren armen die uit de kandelaar kwamen, zat een knop. 22. De knoppen en armen vormden één geheel met de kandelaar. Alles was uit één stuk zuiver, gehamerd goud gemaakt. 23. Hij maakte zeven lampen voor de kandelaar. De lontscharen en blusvaten waren van zuiver goud. 24. Voor de kandelaar en al het gereedschap gebruikte hij ongeveer 34 kilo zuiver goud. 25. Hij maakte ook het reukofferaltaar van acaciahout. Het was ongeveer 45 centimeter lang en breed en 90 centimeter hoog. De horens vormden één geheel met het altaar. 26. Hij bekleedde het bovenblad, de wanden en de horens met zuiver goud. Rondom maakte hij een gouden rand. 27. Hij maakte twee gouden ringen onder de rand, aan twee tegenoverliggende kanten. Ze hielden de draagstokken waarmee het altaar werd gedragen. 28. Hij maakte de draagstokken van acaciahout en bekleedde ze met goud. 29. Hij maakte ook de heilige zalfolie en het zuivere, geurige reukwerk. Hij bereidde ze zoals een parfumeur dat doet. ## Exodus 38 — Het brandofferaltaar, de voorhof en de inventaris 1. Hij maakte ook het brandofferaltaar van acaciahout. Het was ongeveer 2,25 meter lang en breed en 1,35 meter hoog. Het altaar was vierkant. 2. Op de vier hoeken maakte hij horens die één geheel met het altaar vormden. Hij bekleedde het altaar met koper. 3. Hij maakte al het gereedschap van het altaar van koper: potten, scheppen, sprengbekkens, vorken en vuurpannen. 4. Voor het altaar maakte hij een rooster van koperen netwerk. Hij plaatste het onder de rand, van onderaf tot halverwege het altaar. 5. Aan de vier hoeken van het koperen rooster goot hij vier ringen als houders voor de draagstokken. 6. Hij maakte de draagstokken van acaciahout en bekleedde ze met koper. 7. Hij stak de draagstokken in de ringen aan de zijkanten van het altaar, zodat men het ermee kon dragen. Hij maakte het altaar hol van planken. 8. Hij maakte het koperen wasbekken en het koperen voetstuk van de spiegels van vrouwen die bij de ingang van de ontmoetingstent samenkwamen. 9. Ook maakte hij de voorhof. Aan de zuidkant hingen gordijnen van fijn getwijnd linnen over een lengte van ongeveer 45 meter. 10. Langs die zijde stonden twintig palen met twintig koperen voetstukken. De haken en verbindingsbanden van de palen waren van zilver. 11. Aan de noordkant hingen over ongeveer 45 meter gordijnen. Daar stonden twintig palen met twintig koperen voetstukken. Hun haken en verbindingsbanden waren van zilver. 12. Aan de westkant hingen over ongeveer 22,5 meter gordijnen. Daar stonden tien palen met tien voetstukken. De haken en verbindingsbanden waren van zilver. 13. Aan de oostkant was de voorhof ongeveer 22,5 meter breed. 14. Aan één kant van de ingang hingen over ongeveer 6,75 meter gordijnen. Daar stonden drie palen met drie voetstukken. 15. Aan de andere kant van de ingang hingen eveneens over ongeveer 6,75 meter gordijnen. Daar stonden ook drie palen met drie voetstukken. 16. Alle gordijnen rondom de voorhof waren van fijn getwijnd linnen. 17. De voetstukken van de palen waren van koper. De haken, verbindingsbanden en bekleding van de paaltoppen waren van zilver. Alle palen rondom de voorhof waren met zilver omgeven. 18. Het geborduurde gordijn voor de ingang van de voorhof was van blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen. Het was ongeveer 9 meter lang en 2,25 meter hoog, even hoog als de gordijnen rondom de voorhof. 19. De vier palen en hun vier voetstukken waren van koper. De haken, de bekleding van de paaltoppen en de verbindingsbanden waren van zilver. 20. Alle pinnen van de tabernakel en van de voorhof rondom waren van koper. 21. Dit is de inventaris van de tabernakel van de getuigenis. Op bevel van Mozes telden de Levieten alles onder leiding van Ithamar, de zoon van de priester Aäron. 22. Bezaleël, de zoon van Uri en kleinzoon van Hur, uit de stam Juda, maakte alles wat de HEERE Mozes had opgedragen. 23. Aholiab werkte met hem mee. Hij was de zoon van Ahisamach uit de stam Dan. Hij was vakman, ontwerper en borduurder in blauw, purper, scharlaken en fijn linnen. 24. Het goud van het beweegoffer dat voor al het werk aan het heiligdom werd gebruikt, woog ongeveer 994 kilo volgens de heiligdomsstandaard. 25. Het zilver dat de getelde leden van de gemeenschap brachten, woog ongeveer 3.420 kilo volgens de heiligdomsstandaard. 26. Iedere getelde man van twintig jaar en ouder betaalde ongeveer 5,7 gram zilver volgens de heiligdomsstandaard. In totaal waren er 603.550 mannen. 27. Van het zilver werd ongeveer 3.400 kilo gebruikt voor de honderd voetstukken van het heiligdom en het voorhangsel. Voor ieder voetstuk werd ongeveer 34 kilo gebruikt. 28. Van de resterende ongeveer 20 kilo zilver maakte hij de haken aan de palen. Ook bekleedde hij de paaltoppen en maakte hij er verbindingsbanden omheen. 29. Het koper van het beweegoffer woog ongeveer 2.407 kilo. 30. Daarvan maakte hij de voetstukken bij de ingang van de ontmoetingstent, het koperen altaar en zijn rooster. Ook maakte hij al het gereedschap van het altaar. 31. Van dat koper maakte hij ook alle voetstukken en pinnen van de voorhof en de tabernakel. ## Exodus 39 — De priesterkleding en de voltooide tabernakel 1. Van blauw, purper en scharlaken maakten zij ambtskleding voor de dienst in het heiligdom. Ook maakten zij de heilige kleding voor Aäron, zoals de HEERE Mozes had bevolen. 2. Hij maakte de efod heel kunstig van goud, blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen. 3. Zij sloegen goud tot dunne platen en sneden die in draden. Die verwerkten zij heel kunstig tussen het blauw, purper, scharlaken en fijne linnen. 4. Zij maakten twee schouderstukken aan de efod die hem bij elkaar hielden. Aan beide uiteinden werd hij zo samengevoegd. 5. De kunstig geweven gordel vormde één geheel met de efod. Hij was van dezelfde materialen: goud, blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 6. Zij maakten de sardonixstenen klaar, zetten ze in gouden houders en graveerden er als op een zegel de namen van Israëls zonen in. 7. Hij bevestigde ze aan de schouderstukken van de efod als herinneringsstenen voor de Israëlieten. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 8. Hij maakte het borststuk heel kunstig, op dezelfde manier als de efod, van goud, blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen. 9. Het borststuk was vierkant en dubbelgevouwen, ongeveer 22 centimeter lang en 22 centimeter breed. 10. Zij zetten er vier rijen edelstenen in. De eerste rij bestond uit een sardis, een topaas en een karbonkel. 11. De tweede rij bestond uit een smaragd, een saffier en een diamant. 12. De derde rij bestond uit een hyacint, een agaat en een amethist. 13. De vierde rij bestond uit een turkoois, een sardonix en een jaspis. Alle stenen werden in gouden houders gezet. 14. De twaalf stenen droegen de namen van Israëls zonen. Elke naam was gegraveerd zoals op een zegel. Elke steen vertegenwoordigde één van de twaalf stammen. 15. Voor het borststuk maakten zij ook twee even lange, gevlochten kettinkjes van zuiver goud. 16. Zij maakten twee gouden houders en twee gouden ringen. De ringen bevestigden ze aan de beide hoeken van het borststuk. 17. Zij bevestigden de twee gevlochten gouden kettinkjes aan de ringen op de hoeken van het borststuk. 18. De andere uiteinden van de kettinkjes bevestigden zij aan de twee gouden houders. Die zetten zij voor op de schouderstukken van de efod. 19. Zij maakten nog twee gouden ringen en bevestigden die aan de twee onderhoeken van het borststuk, aan de binnenrand naast de efod. 20. Zij maakten nog twee gouden ringen. Die zetten zij vooraan onderaan op de schouderstukken van de efod, vlak bij de naad en boven de kunstige gordel. 21. Zij bonden de ringen van het borststuk met een blauw koord vast aan de ringen van de efod. Zo bleef het borststuk boven de kunstige gordel en kwam het niet los van de efod. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 22. Hij maakte de mantel onder de efod van geweven stof, helemaal blauw. 23. Midden in de mantel zat een opening voor het hoofd, net als bij een pantser. Rondom de opening zat een boord, zodat die niet zou scheuren. 24. Langs de hele zoom van de mantel maakten zij granaatappels van getwijnd garen in blauw, purper en scharlaken. 25. Zij maakten ook belletjes van zuiver goud. Die hingen zij rondom langs de zoom van de mantel tussen de granaatappels. 26. Rondom langs de zoom wisselden steeds een belletje en een granaatappel elkaar af. De mantel was bestemd voor de dienst, zoals de HEERE Mozes had bevolen. 27. Zij weefden onderkleden van fijn linnen voor Aäron en zijn zonen. 28. Ook maakten zij de tulband en de sierlijke hoofdbedekkingen van fijn linnen. De onderbroeken maakten zij van fijn getwijnd linnen. 29. De geborduurde gordel maakten zij van fijn getwijnd linnen, blauw, purper en scharlaken. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 30. Zij maakten ook de heilige kroonplaat van zuiver goud. Daarop graveerden zij als op een zegel: HEILIG VOOR DE HEERE! 31. Zij maakten er een blauw koord aan vast om de plaat boven op de tulband te bevestigen. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 32. Zo werd al het werk aan de tabernakel, de ontmoetingstent, voltooid. De Israëlieten maakten alles precies zoals de HEERE Mozes had bevolen. 33. Daarna brachten zij de tabernakel naar Mozes. Ze brachten de tent met al haar toebehoren: haken, planken, dwarsbalken, palen en voetstukken. 34. Ook brachten zij het dekkleed van roodgeverfde ramsvellen, het dekkleed van dassenvellen en het afschermende voorhangsel. 35. Ook brachten zij de ark van de getuigenis met haar draagstokken en het verzoendeksel. 36. Zij brachten de tafel met alle bijbehorende voorwerpen en de toonbroden. 37. Zij brachten de zuivergouden kandelaar met de lampen die klaargezet moesten worden, al zijn gereedschap en de olie voor het licht. 38. Verder brachten zij het gouden altaar, de zalfolie, het geurige reukwerk en het gordijn voor de ingang van de tent. 39. Zij brachten het koperen altaar met zijn koperen rooster, draagstokken en alle gereedschap. Ook brachten zij het wasbekken met zijn voetstuk. 40. Zij brachten de gordijnen van de voorhof met de palen en voetstukken. Daarbij kwamen het gordijn voor de poort, de touwen en pinnen. Ook brachten zij alle voorwerpen voor de dienst in de tabernakel, de ontmoetingstent. 41. Ten slotte brachten zij de ambtskleding voor de dienst in het heiligdom. Daarbij hoorde de heilige kleding voor priester Aäron en de kleding waarin zijn zonen als priesters dienden. 42. De Israëlieten hadden het hele werk precies gemaakt zoals de HEERE Mozes had bevolen. 43. Mozes bekeek al het werk. Hij zag dat zij alles precies hadden gemaakt zoals de HEERE had bevolen. Toen zegende Mozes hen. ## Exodus 40 — De tabernakel wordt opgericht 1. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 2. Richt op de eerste dag van de eerste maand de tabernakel, de ontmoetingstent, op. 3. Zet daar de ark van de getuigenis neer en scherm de ark af met het voorhangsel. 4. Breng daarna de tafel naar binnen en leg alles erop wat erop hoort. Breng ook de kandelaar naar binnen en steek zijn lampen aan. 5. Zet het gouden reukofferaltaar voor de ark van de getuigenis. Hang daarna het gordijn voor de ingang van de tabernakel. 6. Zet het brandofferaltaar voor de ingang van de tabernakel, de ontmoetingstent. 7. Zet het wasbekken tussen de ontmoetingstent en het altaar en doe er water in. 8. Zet daarna de voorhof rondom de tabernakel op en hang het gordijn voor de poort van de voorhof. 9. Neem daarna de zalfolie en zalf daarmee de tabernakel en alles wat erin staat. Wijd de tabernakel met al zijn voorwerpen; dan zal hij heilig zijn. 10. Zalf ook het brandofferaltaar en al zijn gereedschap. Wijd het altaar; dan zal het allerheiligst zijn. 11. Zalf daarna het wasbekken en zijn voetstuk en wijd het. 12. Breng Aäron en zijn zonen naar de ingang van de ontmoetingstent en was hen met water. 13. Trek Aäron de heilige kleding aan. Zalf en heilig hem, zodat hij mij als priester dient. 14. Breng ook zijn zonen dichterbij en trek hun de onderkleden aan. 15. Zalf hen zoals je hun vader hebt gezalfd, zodat zij mij als priesters dienen. Door deze zalving zal het priesterschap voor altijd aan hun nakomelingen toebehoren. 16. Mozes deed alles precies zoals de HEERE hem had bevolen. 17. In het tweede jaar, op de eerste dag van de eerste maand, werd de tabernakel opgericht. 18. Mozes zette de tabernakel op. Hij plaatste de voetstukken, zette de planken neer, bevestigde de dwarsbalken en richtte de palen op. 19. Hij spreidde de tent over de tabernakel uit en legde het dekkleed er bovenop. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 20. Mozes legde de getuigenis in de ark en bevestigde de draagstokken aan de ark. Daarna plaatste hij het verzoendeksel boven op de ark. 21. Hij bracht de ark de tabernakel binnen, hing het afschermende voorhangsel op en schermde daarmee de ark van de getuigenis af. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 22. Hij zette de tafel in de ontmoetingstent, aan de noordkant van de tabernakel en buiten het voorhangsel. 23. Hij legde de broden in de juiste volgorde op de tafel voor de HEERE. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 24. Hij zette de kandelaar in de ontmoetingstent, tegenover de tafel aan de zuidkant van de tabernakel. 25. Hij stak de lampen voor de HEERE aan. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 26. Hij zette het gouden altaar in de ontmoetingstent, vóór het voorhangsel. 27. Daarop brandde hij het geurige reukwerk. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 28. Hij hing ook het gordijn voor de ingang van de tabernakel. 29. Hij zette het brandofferaltaar bij de ingang van de tabernakel, de ontmoetingstent. Daarop bracht hij het brandoffer en het graanoffer. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 30. Hij zette het wasbekken tussen de ontmoetingstent en het altaar en deed er water in om te wassen. 31. Mozes, Aäron en Aärons zonen wasten daarmee hun handen en voeten. 32. Wanneer zij de ontmoetingstent binnengingen of naar het altaar gingen, wasten zij zich. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 33. Hij richtte de voorhof rondom de tabernakel en het altaar op en hing het gordijn voor de poort. Zo voltooide Mozes het werk. 34. Toen bedekte de wolk de ontmoetingstent en vulde de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel. 35. Mozes kon de ontmoetingstent niet binnengaan, omdat de wolk erop bleef rusten en de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel vulde. 36. Telkens wanneer de wolk boven de tabernakel opsteeg, trokken de Israëlieten verder op al hun reizen. 37. Wanneer de wolk niet opsteeg, trokken zij niet verder. Zij bleven waar ze waren tot de dag waarop de wolk weer opsteeg. 38. Overdag rustte de wolk van de HEERE op de tabernakel en ’s nachts was zij als vuur zichtbaar. Heel het volk Israël kon dit tijdens al hun reizen zien. ## Leviticus 1 — Voorschriften voor het brandoffer 1. De HEERE riep Mozes en sprak tot hem vanuit de ontmoetingstent: 2. Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer iemand van jullie een offer aan de HEERE brengt, moet het een rund, schaap of geit zijn. 3. Als iemand een rund als brandoffer aanbiedt, moet het een mannelijk dier zonder gebrek zijn. Hij moet het vrijwillig bij de ingang van de ontmoetingstent aanbieden, voor de HEERE. 4. Hij legt zijn hand op de kop van het brandoffer. Dan neemt de HEERE het offer aan om verzoening voor hem te brengen. 5. Daarna slacht hij het jonge rund voor de HEERE. De zonen van Aäron, de priesters, brengen het bloed en sprenkelen het rondom het altaar bij de ingang van de ontmoetingstent. 6. Daarna stroopt hij de huid van het brandoffer en verdeelt hij het dier in stukken. 7. De zonen van de priester Aäron maken vuur op het altaar en leggen hout op het vuur. 8. De priesters, de zonen van Aäron, leggen de stukken, de kop en het vet op het hout boven het vuur op het altaar. 9. De ingewanden en onderpoten moeten met water worden gewassen. De priester verbrandt alles op het altaar. Het is een brandoffer, een vuuroffer met een geur die de HEERE aangenaam is. 10. Als iemand een schaap of geit als brandoffer aanbiedt, moet het een mannelijk dier zonder gebrek zijn. 11. Hij slacht het dier aan de noordkant van het altaar, voor de HEERE. De zonen van Aäron, de priesters, sprenkelen het bloed rondom op het altaar. 12. Daarna verdeelt hij het dier in stukken, inclusief de kop en het vet. De priester legt de delen op het hout boven het vuur op het altaar. 13. De ingewanden en onderpoten moeten met water worden gewassen. De priester offert alles en verbrandt het op het altaar. Het is een brandoffer, een vuuroffer met een geur die de HEERE aangenaam is. 14. Als iemand de HEERE een vogel als brandoffer aanbiedt, moet hij een tortelduif of jonge duif offeren. 15. De priester brengt de vogel naar het altaar, wringt de kop eraf en verbrandt die op het altaar. Het bloed laat hij tegen de zijkant van het altaar uitlekken. 16. Hij verwijdert de krop met de veren en gooit die aan de oostkant van het altaar op de asplaats. 17. Hij splijt de vogel tussen de vleugels open zonder hem helemaal te scheiden. De priester verbrandt hem op het hout boven het vuur op het altaar. Het is een brandoffer, een vuuroffer met een geur die de HEERE aangenaam is. ## Leviticus 2 — Voorschriften voor het graanoffer 1. Wanneer iemand de HEERE een graanoffer brengt, moet het bestaan uit fijn meel. Hij giet er olie over en legt er wierook op. 2. Hij brengt het naar de zonen van Aäron, de priesters. Eén priester neemt een handvol fijn meel en olie, met alle wierook. Hij verbrandt dit gedenkdeel op het altaar. Het is een vuuroffer met een geur die de HEERE aangenaam is. 3. De rest van het graanoffer is voor Aäron en zijn zonen. Het is een allerheiligst deel van de vuuroffers voor de HEERE. 4. Wanneer je een in de oven gebakken graanoffer brengt, gebruik dan ongezuurde koeken van fijn meel met olie. Je mag ook ongezuurde dunne koeken aanbieden die met olie zijn bestreken. 5. Als je graanoffer op een bakplaat wordt bereid, moet het van ongezuurd fijn meel zijn dat met olie is gemengd. 6. Breek het in stukken en giet er olie over. Het is een graanoffer. 7. Als je graanoffer in een kookpot wordt bereid, moet het van fijn meel met olie worden gemaakt. 8. Breng het zo bereide graanoffer naar de HEERE. Geef het aan de priester, die het naar het altaar brengt. 9. De priester neemt het gedenkdeel van het graanoffer en verbrandt het op het altaar. Het is een vuuroffer met een geur die de HEERE aangenaam is. 10. De rest van het graanoffer is voor Aäron en zijn zonen. Het is een allerheiligst deel van de vuuroffers voor de HEERE. 11. Geen graanoffer dat jullie aan de HEERE brengen, mag met desem worden gemaakt. Jullie mogen geen zuurdesem of honing als vuuroffer voor de HEERE verbranden. 12. Jullie mogen die wel als eerstelingenoffer aan de HEERE brengen, maar ze mogen niet op het altaar worden verbrand als aangename geur. 13. Doe zout bij elk graanoffer. Laat het zout van het verbond met jullie God nooit bij het graanoffer ontbreken. Breng bij elk offer zout. 14. Wanneer je de HEERE een graanoffer van de eerste opbrengst brengt, offer dan geroosterde groene aren. Gebruik fijngestampt graan uit volle, groene aren. 15. Giet er olie over en leg er wierook op. Het is een graanoffer. 16. De priester verbrandt als gedenkdeel wat fijngestampt graan en olie, samen met alle wierook. Het is een vuuroffer voor de HEERE. ## Leviticus 3 — Voorschriften voor het dankoffer 1. Als iemand een rund als dankoffer aanbiedt, mag het een mannelijk of vrouwelijk dier zijn. Het moet zonder gebrek zijn en voor de HEERE worden aangeboden. 2. Hij legt zijn hand op de kop van zijn offer en slacht het bij de ingang van de ontmoetingstent. De priesters, Aärons zonen, sprenkelen het bloed rondom op het altaar. 3. Van het dankoffer biedt hij de HEERE een vuuroffer aan: het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet eromheen. 4. Hij verwijdert ook beide nieren met het vet eromheen bij de lendenen, en de kwab van de lever samen met de nieren. 5. Aärons zonen verbranden dit op het altaar, boven op het brandoffer en het hout op het vuur. Het is een vuuroffer met een geur die de HEERE aangenaam is. 6. Als iemand de HEERE een schaap of geit als dankoffer aanbiedt, mag het mannelijk of vrouwelijk zijn. Het dier moet zonder gebrek zijn. 7. Als hij een lam als offer brengt, biedt hij het voor de HEERE aan. 8. Hij legt zijn hand op de kop van het offer en slacht het voor de ontmoetingstent. Aärons zonen sprenkelen het bloed rondom op het altaar. 9. Van het dankoffer biedt hij de HEERE een vuuroffer aan. Hij verwijdert de hele vetstaart dicht bij de ruggengraat, plus het vet dat de ingewanden bedekt en omringt. 10. Hij verwijdert ook beide nieren met het vet eromheen bij de lendenen, en de kwab van de lever samen met de nieren. 11. De priester verbrandt dit op het altaar. Het is voedsel van het vuuroffer voor de HEERE. 12. Als zijn offer een geit is, biedt hij die voor de HEERE aan. 13. Hij legt zijn hand op de kop en slacht de geit voor de ontmoetingstent. Aärons zonen sprenkelen haar bloed rondom op het altaar. 14. Daarvan biedt hij de HEERE een vuuroffer aan: het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet eromheen. 15. Hij verwijdert ook beide nieren met het vet eromheen bij de lendenen, en de kwab van de lever samen met de nieren. 16. De priester verbrandt dit op het altaar. Het is voedsel van het vuuroffer met een aangename geur. Al het vet is voor de HEERE. 17. Dit is een blijvende bepaling voor al jullie generaties, waar jullie ook wonen: jullie mogen geen vet of bloed eten. ## Leviticus 4 — Voorschriften voor het zondoffer 1. De HEERE sprak verder tot Mozes: 2. Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer iemand onbedoeld zondigt en iets doet wat een van de geboden van de HEERE verbiedt, gelden deze regels: 3. Als de gezalfde hogepriester zondigt en zo schuld over het volk brengt, moet hij de HEERE een jonge stier zonder gebrek aanbieden. Die dient als zondoffer voor zijn zonde. 4. Hij brengt de stier naar de ingang van de ontmoetingstent, voor de HEERE. Daar legt hij zijn hand op de kop en slacht het dier voor de HEERE. 5. De gezalfde hogepriester neemt wat bloed van de stier en brengt het naar de ontmoetingstent. 6. Hij doopt zijn vinger in het bloed en sprenkelt er zeven keer mee voor de HEERE, vóór het voorhangsel van het heiligdom. 7. De priester strijkt wat bloed aan de hoorns van het reukaltaar in de ontmoetingstent, voor de HEERE. De rest giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar bij de ingang van de tent. 8. Daarna verwijdert hij al het vet van de stier van het zondoffer: het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet eromheen. 9. Hij verwijdert ook beide nieren met het vet eromheen bij de lendenen, en de kwab van de lever samen met de nieren. 10. Hij verwijdert dit zoals bij een rund van het dankoffer. De priester verbrandt het op het brandofferaltaar. 11. De huid van de stier, al het vlees, de kop, de poten, de ingewanden en de mest blijven over. 12. Hij brengt de rest van de stier buiten het kamp naar een reine plaats waar de as wordt uitgestort. Daar verbrandt hij alles op houtvuur, bij de ashoop. 13. Als de hele gemeenschap van Israël onbedoeld zondigt, zonder dat de samenkomst het beseft, overtreden zij een gebod van de HEERE. Daardoor worden zij schuldig. 14. Wanneer hun zonde bekend wordt, biedt de gemeenschap een jonge stier als zondoffer aan. Zij brengen hem voor de ontmoetingstent. 15. De oudsten van de gemeenschap leggen voor de HEERE hun handen op de kop van de stier. Daarna slacht een priester de stier voor de HEERE. 16. De gezalfde hogepriester brengt wat bloed van de stier naar de ontmoetingstent. 17. Hij doopt zijn vinger in het bloed en sprenkelt er zeven keer mee voor de HEERE, vóór het voorhangsel. 18. De priester strijkt wat bloed aan de hoorns van het reukaltaar in de ontmoetingstent, voor de HEERE. De rest giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar bij de ingang van de tent. 19. Hij verwijdert al het vet van de stier en verbrandt het op het altaar. 20. Hij behandelt deze stier net als de eerste stier van het zondoffer. Zo doet de priester verzoening voor de gemeenschap en wordt hun zonde vergeven. 21. Daarna brengt hij de stier buiten het kamp en verbrandt hem zoals de eerste stier. Dit is het zondoffer voor de gemeenschap. 22. Als een leider onbedoeld zondigt tegen een gebod van de HEERE, zijn God, en iets verbodens doet, wordt hij schuldig. 23. Zodra zijn zonde hem bekend wordt gemaakt, brengt hij een jonge bok zonder gebrek als offer. 24. Hij legt zijn hand op de kop van de bok en slacht hem waar men het brandoffer slacht, voor de HEERE. Het is een zondoffer. 25. De priester neemt met zijn vinger wat bloed van het zondoffer en strijkt het aan de hoorns van het brandofferaltaar. De rest giet hij uit aan de voet van dat altaar. 26. Hij verbrandt al het vet op het altaar, zoals het vet van het dankoffer. Zo doet de priester verzoening voor hem en wordt zijn zonde vergeven. 27. Als een gewoon lid van het volk onbedoeld zondigt en iets doet wat een gebod van de HEERE verbiedt, wordt die persoon schuldig. 28. Zodra zijn zonde hem bekend wordt gemaakt, brengt hij voor die zonde een jonge vrouwelijke geit zonder gebrek als offer. 29. Hij legt zijn hand op de kop van het zondoffer. Daarna wordt het dier geslacht op de plaats waar men het brandoffer slacht. 30. De priester neemt met zijn vinger wat bloed en strijkt het aan de hoorns van het brandofferaltaar. De rest giet hij uit aan de voet van het altaar. 31. Hij verwijdert al het vet zoals bij het dankoffer. De priester verbrandt het op het altaar als een geur die de HEERE aangenaam is. Zo doet de priester verzoening voor hem en wordt zijn zonde vergeven. 32. Als hij een lam als zondoffer brengt, moet het een vrouwelijk dier zonder gebrek zijn. 33. Hij legt zijn hand op de kop van het zondoffer en slacht het dier waar men het brandoffer slacht. 34. De priester neemt met zijn vinger wat bloed en strijkt het aan de hoorns van het brandofferaltaar. De rest giet hij uit aan de voet van het altaar. 35. Hij verwijdert al het vet zoals bij een lam van het dankoffer. De priester verbrandt het op het altaar, boven op de vuuroffers voor de HEERE. Zo doet de priester verzoening voor zijn zonde en wordt die hem vergeven. ## Leviticus 5 — Zonden en schuldoffers 1. Als iemand een vervloeking hoort uitspreken en daarvan getuige is omdat hij het zelf zag of erover hoorde, zondigt hij wanneer hij niets meldt. Hij draagt dan zijn schuld. 2. Iemand kan ook zonder het te beseffen het kadaver van een onrein dier aanraken: een wild dier, een tam dier of een kruipend dier. Toch is hij dan onrein en schuldig. 3. Hetzelfde geldt als iemand zonder het te beseffen menselijke onreinheid aanraakt, welke vorm daarvan het ook is. Zodra hij het merkt, is hij schuldig. 4. Ook kan iemand onbezonnen zweren om iets slechts of goeds te doen. Als hij later beseft wat hij zo onbezonnen heeft gezworen, is hij schuldig. 5. Wanneer iemand in één van deze gevallen schuldig is, moet hij belijden waarin hij heeft gezondigd. 6. Voor zijn zonde moet hij de HEERE als schuldoffer een vrouwelijk dier uit het kleinvee brengen: een lam of een jonge geit. De priester doet daarmee verzoening voor zijn zonde. 7. Kan hij zich geen dier uit het kleinvee veroorloven, dan brengt hij de HEERE twee tortelduiven of twee jonge duiven voor zijn schuld. De ene is een zondoffer en de andere een brandoffer. 8. Hij brengt de vogels naar de priester. Die offert eerst de vogel voor het zondoffer. Hij splijt de kop bij de nek, maar maakt hem niet helemaal los. 9. De priester sprenkelt wat bloed van het zondoffer tegen de zijkant van het altaar. De rest drukt hij uit aan de voet van het altaar. Het is een zondoffer. 10. De andere vogel bereidt hij volgens de voorschriften als brandoffer. Zo doet de priester verzoening voor de zonde en wordt zijn zonde vergeven. 11. Kan hij zich zelfs geen twee tortelduiven of jonge duiven veroorloven, dan brengt hij als zondoffer ongeveer twee liter fijn meel. Hij mag er geen olie over gieten en geen wierook op leggen, want het is een zondoffer. 12. Hij brengt het meel naar de priester. Die neemt er als gedenkdeel een handvol van en verbrandt dat op het altaar boven op de vuuroffers voor de HEERE. Het is een zondoffer. 13. Zo doet de priester verzoening voor de zonde die deze persoon in één van die gevallen heeft begaan. Die zonde wordt hem vergeven. Wat overblijft, is voor de priester, net als bij het graanoffer. 14. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 15. Als iemand ontrouw is en zonder het te weten iets misbruikt wat aan de HEERE is geheiligd, moet hij een schuldoffer brengen. Hij brengt de HEERE een ram zonder gebrek uit de kudde. De waarde van het misbruikte goed wordt vastgesteld in zilveren sikkels volgens de sikkel van het heiligdom. 16. Hij moet vergoeden wat hij van de heilige dingen heeft misbruikt en daar twintig procent aan toevoegen. Hij geeft dit aan de priester. De priester doet met de ram van het schuldoffer verzoening voor hem, en dan wordt hem vergeven. 17. Als iemand een gebod van de HEERE overtreedt door iets verbodens te doen, is hij schuldig, ook als hij het niet wist. Hij draagt dan zijn schuld. 18. Hij brengt de priester als schuldoffer een ram zonder gebrek uit de kudde, met de vastgestelde waarde. De priester doet verzoening voor de vergissing waarvan hij niets wist. Dan wordt hem vergeven. 19. Het is een schuldoffer. Hij heeft zich werkelijk schuldig gemaakt tegenover de HEERE. ## Leviticus 6 — Herstel en regels voor de offers 1. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 2. Als iemand zondigt en de HEERE ontrouw is, kan hij tegen zijn naaste liegen over iets dat hem in bewaring of beheer is gegeven. Hij kan iets roven of zijn naaste met geweld iets onthouden. 3. Of hij vindt iets wat verloren is, liegt daarover en zweert vals. Als iemand één van deze zonden begaat, geldt het volgende. 4. Omdat hij heeft gezondigd en schuldig is, moet hij teruggeven wat hij roofde, met geweld afnam, in bewaring kreeg of gevonden heeft. 5. Alles waarover hij vals zwoer, moet hij volledig teruggeven en daar twintig procent aan toevoegen. Op de dag dat zijn schuld wordt vastgesteld, geeft hij alles aan de eigenaar. 6. Daarna brengt hij de HEERE zijn schuldoffer bij de priester: een ram zonder gebrek uit de kudde, met de vastgestelde waarde. 7. Dan doet de priester voor de HEERE verzoening voor hem. Hij krijgt vergeving voor elke daad waardoor hij schuldig is geworden. 8. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 9. Geef Aäron en zijn zonen de volgende opdracht: Dit is de regeling voor het brandoffer. Het brandoffer moet de hele nacht tot de ochtend op de vuurplaats van het altaar blijven branden. Het vuur op het altaar moet blijven branden. 10. De priester trekt zijn linnen kleed aan en draagt daaronder een linnen onderbroek. Hij haalt de as weg die achterbleef nadat het vuur het brandoffer op het altaar verteerde. Daarna legt hij de as naast het altaar. 11. Daarna trekt hij deze kleding uit en andere kleding aan. Hij brengt de as buiten het kamp naar een reine plaats. 12. Het vuur op het altaar moet blijven branden en mag niet uitgaan. Elke ochtend steekt de priester er hout op aan en schikt daarop het brandoffer. Daarop verbrandt hij het vet van de dankoffers. 13. Het vuur moet voortdurend op het altaar blijven branden. Het mag nooit uitgaan. 14. Dit is de regeling voor het graanoffer. Eén van Aärons zonen biedt het voor de HEERE aan, vóór het altaar. 15. Hij neemt een handvol van het fijne meel en de olie van het graanoffer, samen met alle wierook die erop ligt. Hij verbrandt dit gedenkdeel op het altaar als een geur die de HEERE aangenaam is. 16. Aäron en zijn zonen eten wat ervan overblijft. Het moet ongezuurd op een heilige plaats worden gegeten, in de voorhof van de ontmoetingstent. 17. Het mag niet met desem worden gebakken. Het is hun deel, dat ik hun uit mijn vuuroffers heb gegeven. Het is allerheiligst, net als het zondoffer en het schuldoffer. 18. Iedere mannelijke nakomeling van Aäron mag ervan eten. Dit blijft voor al jullie generaties een vaste regel voor de vuuroffers voor de HEERE. Alles wat ermee in aanraking komt, wordt heilig. 19. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 20. Dit is het offer dat Aäron of één van zijn zonen op zijn zalvingsdag aan de HEERE moet brengen. Hij brengt ongeveer twee liter fijn meel als voortdurend graanoffer: de helft in de ochtend en de helft in de avond. 21. Bereid het met olie in een pan en breng het goed doorbakken. Bied de gebakken stukken van het graanoffer aan als een geur die de HEERE aangenaam is. 22. De gezalfde priester die hem opvolgt en één van zijn zonen is, moet hetzelfde doen. Dit is een blijvende bepaling. Het offer moet volledig voor de HEERE worden verbrand. 23. Elk graanoffer van een priester moet volledig worden verbrand. Er mag niets van worden gegeten. 24. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 25. Zeg tegen Aäron en zijn zonen: Dit is de regeling voor het zondoffer. Het zondoffer moet voor de HEERE worden geslacht op dezelfde plaats als het brandoffer. Het is allerheiligst. 26. De priester die het als zondoffer aanbiedt, moet het eten. Het wordt op een heilige plaats gegeten, in de voorhof van de ontmoetingstent. 27. Alles wat het vlees aanraakt, wordt heilig. Als er bloed op een kledingstuk spat, moet dat kledingstuk op een heilige plaats worden gewassen. 28. Een aardewerken pot waarin het vlees is gekookt, moet worden gebroken. Is het in een koperen pot gekookt, dan moet die worden geschuurd en met water afgespoeld. 29. Iedere mannelijke priester mag ervan eten. Het is allerheiligst. 30. Maar een zondoffer waarvan het bloed in de ontmoetingstent wordt gebracht om in het heiligdom verzoening te doen, mag niet worden gegeten. Het moet in het vuur worden verbrand. ## Leviticus 7 — Voorschriften voor offers en priesterlijke delen 1. Dit is de wet voor het schuldoffer. Het is allerheiligst. 2. Het schuldoffer moet op dezelfde plaats worden geslacht als het brandoffer. De priester sprenkelt het bloed rondom op het altaar. 3. Offer al het vet van het schuldoffer: de staart en het vet dat de ingewanden bedekt. 4. Verwijder ook beide nieren met het vet eromheen bij de lendenen, en de kwab van de lever samen met de nieren. 5. De priester verbrandt dit op het altaar als vuuroffer voor de HEERE. Het is een schuldoffer. 6. Alle mannelijke priesters mogen ervan eten. Het moet op een heilige plaats worden gegeten, want het is allerheiligst. 7. Voor het zondoffer en het schuldoffer geldt dezelfde wet. Het offer is voor de priester die daarmee verzoening heeft gedaan. 8. De priester die iemands brandoffer offert, mag de huid van dat offer houden. 9. Elk graanoffer dat in de oven, kookpot of op de bakplaat is bereid, is voor de priester die het offert. 10. Elk graanoffer, met olie gemengd of droog, moet gelijk worden verdeeld onder alle zonen van Aäron. 11. Dit is de wet voor het dankoffer dat iemand aan de HEERE aanbiedt. 12. Als iemand het als lofoffer aanbiedt, voegt hij ongezuurde koeken met olie toe en ongezuurde dunne koeken die met olie zijn bestreken. Ook offert hij koeken van geroosterd fijn meel dat met olie is gemengd. 13. Naast deze koeken moet hij gedesemd brood aanbieden bij het lofoffer van zijn dankoffer. 14. Van de gedesemde broden biedt hij er één als offerbijdrage aan de HEERE aan. Dit is voor de priester die het bloed van het dankoffer sprenkelt. 15. Het vlees van het dankoffer dat als lofoffer wordt gebracht, moet dezelfde dag worden gegeten. Laat niets tot de volgende morgen liggen. 16. Is het dankoffer een gelofteoffer of vrijwillig offer, dan wordt het vlees op de offerdag gegeten. Wat overblijft, mag de volgende dag worden gegeten. 17. Vlees dat op de derde dag nog over is, moet worden verbrand. 18. Als iemand op de derde dag nog vlees van het dankoffer eet, neemt de HEERE het offer niet aan. Het telt niet voor de offeraar, want het vlees is verwerpelijk. Wie ervan eet, draagt zijn schuld. 19. Vlees dat iets onreins heeft aangeraakt, mag niet worden gegeten en moet worden verbrand. Van het overige vlees mag iedereen eten die rein is. 20. Wie onrein is en toch vlees eet van het dankoffer dat voor de HEERE bestemd is, moet uit zijn volk worden uitgeroeid. 21. Iemand kan menselijke onreinheid, een onrein dier of iets anders onreins hebben aangeraakt. Eet die persoon daarna vlees van het dankoffer voor de HEERE, dan moet hij uit zijn volk worden uitgeroeid. 22. Daarna sprak de HEERE tot Mozes: 23. Zeg tegen de Israëlieten: Jullie mogen geen vet van een rund, schaap of geit eten. 24. Het vet van een gestorven of verscheurd dier mag voor allerlei werk worden gebruikt. Jullie mogen het beslist niet eten. 25. Wie vet eet van een dier waarvan iets als vuuroffer aan de HEERE is aangeboden, moet uit zijn volk worden uitgeroeid. 26. Eet in geen van jullie woningen bloed van vogels of andere dieren. 27. Wie bloed eet, moet uit zijn volk worden uitgeroeid. 28. Verder sprak de HEERE tot Mozes: 29. Zeg tegen de Israëlieten: Wie een dankoffer aan de HEERE aanbiedt, moet zelf zijn offergave naar de HEERE brengen. 30. De offeraar moet het vuuroffer voor de HEERE zelf brengen: het vet samen met de borst. Hij beweegt de borst heen en weer als beweegoffer voor de HEERE. 31. De priester verbrandt het vet op het altaar. De borst is voor Aäron en zijn zonen. 32. Geef uit jullie dankoffers ook de rechterschouder als offerbijdrage aan de priester. 33. De zoon van Aäron die het bloed en het vet van het dankoffer aanbiedt, krijgt de rechterschouder als zijn deel. 34. Uit de dankoffers van de Israëlieten heb ik de beweegborst en geheven schouder genomen. Die heb ik aan de priester Aäron en zijn zonen gegeven. Dit is een blijvende bepaling voor de Israëlieten. 35. Dit is het aandeel uit de vuuroffers voor de HEERE dat Aäron en zijn zonen ontvangen. Het geldt vanaf hun aanstelling om de HEERE als priesters te dienen. 36. De HEERE heeft de Israëlieten bevolen hun dit aandeel te geven vanaf de dag waarop zij werden gezalfd. Het is een blijvende bepaling voor alle generaties. 37. Dit zijn de wetten voor het brandoffer, graanoffer, zondoffer, schuldoffer, inwijdingsoffer en dankoffer. 38. De HEERE gaf deze wetten aan Mozes op de berg Sinaï. Dat gebeurde toen Hij de Israëlieten gebood hun offers aan de HEERE te brengen in de woestijn van Sinaï. ## Leviticus 8 — De inwijding van Aäron en zijn zonen 1. Verder sprak de HEERE tot Mozes: 2. Neem Aäron en zijn zonen mee, samen met de priesterkleding en de zalfolie. Neem ook de jonge stier voor het zondoffer, de twee rammen en de mand met ongezuurd brood. 3. Roep heel de gemeenschap bijeen bij de ingang van de ontmoetingstent. 4. Mozes deed wat de HEERE hem had bevolen. De gemeenschap kwam bijeen bij de ingang van de ontmoetingstent. 5. Toen zei Mozes tegen de gemeenschap: Dit heeft de HEERE bevolen. 6. Mozes liet Aäron en zijn zonen naar voren komen en waste hen met water. 7. Daarna trok hij Aäron het onderkleed aan, bond hem de gordel om en deed hem de mantel en efod aan. Met de kunstig geweven riem van de efod bond hij deze om hem heen. 8. Daarna deed hij hem het borststuk aan en plaatste de Urim en de Thummim erin. 9. Hij zette de tulband op Aärons hoofd en bevestigde de gouden plaat, de heilige kroon, aan de voorkant. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 10. Mozes nam de zalfolie, zalfde de tabernakel en alles wat daarin was, en heiligde dit alles. 11. Hij sprenkelde er zeven keer van op het altaar. Daarna zalfde hij het altaar en al zijn gereedschap. Ook zalfde hij het wasbekken met zijn voetstuk, om alles te heiligen. 12. Daarna goot hij wat zalfolie op Aärons hoofd en zalfde hem om hem te heiligen. 13. Mozes liet ook Aärons zonen naar voren komen. Hij trok hun onderkleren aan, bond hun gordels om en zette hun hoofddoeken op. Zo had de HEERE Mozes bevolen. 14. Toen liet hij de jonge stier voor het zondoffer naar voren brengen. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de stier. 15. Daarna werd de stier geslacht. Mozes nam wat bloed en streek dit met zijn vinger rondom aan de horens van het altaar. Zo reinigde hij het altaar van zonde. De rest van het bloed goot hij aan de voet van het altaar. Zo heiligde hij het altaar en deed hij er verzoening voor. 16. Mozes liet al het vet rond de ingewanden, de kwab van de lever en beide nieren met hun vet op het altaar in rook opgaan. 17. Maar Mozes verbrandde de stier met zijn huid, vlees en mest buiten het kamp. Zo had de HEERE hem bevolen. 18. Daarna liet hij de ram voor het brandoffer brengen. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de ram. 19. Nadat de ram was geslacht, sprenkelde Mozes het bloed rondom op het altaar. 20. Hij sneed de ram in stukken. Mozes liet de kop, de stukken en het vet in rook opgaan. 21. Hij waste de ingewanden en onderpoten met water. Daarna liet Mozes de hele ram op het altaar in rook opgaan. Het was een brandoffer met een aangename geur, een vuuroffer voor de HEERE, zoals de HEERE Mozes had bevolen. 22. Daarna liet hij de tweede ram brengen, de inwijdingsram. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de ram. 23. Nadat de ram was geslacht, nam Mozes wat van zijn bloed. Hij streek het op Aärons rechteroorlel, zijn rechterduim en zijn rechtergrote teen. 24. Hij liet ook Aärons zonen naar voren komen. Mozes streek bloed op hun rechteroorlel, rechterduim en rechtergrote teen. Daarna sprenkelde hij het bloed rondom op het altaar. 25. Hij nam het vet, de staart, al het vet rond de ingewanden, de kwab van de lever, beide nieren met hun vet en de rechterschouder. 26. Uit de mand met ongezuurd brood die voor de HEERE stond, nam hij één ongezuurde koek, één broodkoek met olie en één dunne koek. Die legde hij op het vet en de rechterschouder. 27. Hij legde alles in de handen van Aäron en zijn zonen. Daarna bewoog hij het heen en weer als beweegoffer voor de HEERE. 28. Mozes nam alles weer uit hun handen en liet het op het altaar boven op het brandoffer in rook opgaan. Het waren inwijdingsoffers met een aangename geur, een vuuroffer voor de HEERE. 29. Mozes nam de borst en bewoog die heen en weer als beweegoffer voor de HEERE. Die borst was zijn deel van de inwijdingsram, zoals de HEERE hem had bevolen. 30. Mozes nam wat zalfolie en wat bloed van het altaar. Hij sprenkelde dit op Aäron en zijn kleding, en op zijn zonen en hun kleding. Zo heiligde hij Aäron en zijn kleding, en zijn zonen en hun kleding. 31. Mozes zei tegen Aäron en zijn zonen: Kook het vlees bij de ingang van de ontmoetingstent. Eet het daar samen met het brood uit de mand met het inwijdingsoffer. Ik heb namelijk bevolen: Aäron en zijn zonen moeten ervan eten. 32. Verbrand wat van het vlees en het brood overblijft. 33. Jullie mogen zeven dagen lang niet weggaan bij de ingang van de ontmoetingstent, totdat de dagen van jullie inwijding voltooid zijn. Jullie inwijding duurt namelijk zeven dagen. 34. De HEERE heeft de handelingen van vandaag voorgeschreven om verzoening voor jullie te doen. 35. Blijf daarom zeven dagen lang, dag en nacht, bij de ingang van de ontmoetingstent. Volg de opdracht van de HEERE, zodat jullie niet sterven. Zo is het mij bevolen. 36. Aäron en zijn zonen deden alles wat de HEERE via Mozes had bevolen. ## Leviticus 9 — Aäron begint zijn priesterdienst 1. Op de achtste dag riep Mozes Aäron, zijn zonen en de oudsten van Israël bij zich. 2. Hij zei tegen Aäron: Neem een jong kalf als zondoffer en een ram als brandoffer. Beide moeten zonder gebrek zijn. Breng ze voor de HEERE. 3. Daarna moet je tegen de Israëlieten zeggen: Neem een bok als zondoffer. Neem ook een eenjarig kalf en een eenjarig lam als brandoffer. Beide dieren moeten zonder gebrek zijn. 4. Neem ook een rund en een ram als dankoffer om voor de HEERE te offeren, en een graanoffer met olie. Vandaag zal de HEERE aan jullie verschijnen. 5. Zij brachten wat Mozes had opgedragen naar de ontmoetingstent. De hele gemeenschap kwam dichterbij en ging voor de HEERE staan. 6. Mozes zei: Doe wat de HEERE heeft opgedragen. Dan zal de heerlijkheid van de HEERE aan jullie verschijnen. 7. Mozes zei tegen Aäron: Ga naar het altaar en bereid je zondoffer en brandoffer. Doe verzoening voor jezelf en het volk. Bereid daarna het offer van het volk en doe verzoening voor hen, zoals de HEERE heeft opgedragen. 8. Aäron ging naar het altaar en slachtte het kalf dat als zondoffer voor hem bestemd was. 9. Aärons zonen brachten hem het bloed. Hij doopte zijn vinger erin en streek het aan de hoorns van het altaar. De rest van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. 10. Hij verbrandde het vet, de nieren en de kwab van de lever van het zondoffer op het altaar, zoals de HEERE Mozes had opgedragen. 11. Het vlees, de huid en alles wat overbleef, verbrandde hij buiten het kamp. 12. Daarna slachtte hij het brandoffer. Aärons zonen brachten hem het bloed en hij sprenkelde het rondom op het altaar. 13. Zij brachten hem het brandoffer in stukken, met de kop erbij. Hij verbrandde alles op het altaar. 14. Hij waste de ingewanden en de onderpoten en verbrandde die boven op het brandoffer op het altaar. 15. Daarna liet hij het offer van het volk brengen. Hij nam de bok voor hun zondoffer, slachtte hem en bereidde hem zoals het eerste zondoffer. 16. Vervolgens liet hij het brandoffer brengen en bereidde het volgens de voorschriften. 17. Hij liet ook het graanoffer brengen. Hij nam er een handvol van en verbrandde die op het altaar, als aanvulling op het dagelijkse ochtendoffer. 18. Daarna slachtte hij het rund en de ram die als dankoffer voor het volk bestemd waren. Aärons zonen brachten hem het bloed, dat hij rondom op het altaar sprenkelde. 19. Zij brachten hem het vet van het rund en de ram. Het ging om de vetstaart, het vet rond de ingewanden, de nieren en de kwab van de lever. 20. Zij legden het vet op de borststukken. Aäron verbrandde het vet op het altaar. 21. Aäron bewoog de borststukken en de rechterachterpoot voor de HEERE heen en weer als beweegoffer, zoals Mozes had opgedragen. 22. Daarna hief Aäron zijn handen naar het volk op en zegende hen. Toen hij de offers had gebracht, kwam hij bij het altaar vandaan. 23. Mozes en Aäron gingen de ontmoetingstent binnen. Toen zij weer buiten kwamen, zegenden zij het volk. De heerlijkheid van de HEERE verscheen aan heel het volk. 24. Er kwam vuur uit de tegenwoordigheid van de HEERE. Het verteerde het brandoffer en het vet op het altaar. Toen het volk dit zag, juichten zij en vielen zij met hun gezicht op de grond. ## Leviticus 10 — Nadab en Abihu sterven 1. Aärons zonen Nadab en Abihu namen ieder hun wierookvat, deden er vuur in en legden er wierook op. Zo brachten zij ongeoorloofd vuur voor de HEERE, iets wat Hij hun niet had opgedragen. 2. Toen kwam er vuur uit de tegenwoordigheid van de HEERE en doodde hen. Zo stierven zij voor de HEERE. 3. Mozes zei tegen Aäron: Dit heeft de HEERE bedoeld toen Hij zei: Bij hen die tot mij naderen, zal ik als heilig worden erkend. Voor heel het volk zal blijken hoe heerlijk ik ben. Aäron zweeg. 4. Mozes riep Misaël en Elzafan, de zonen van Aärons oom Uzziël. Hij zei tegen hen: Kom hier en draag jullie familieleden bij het heiligdom vandaan, tot buiten het kamp. 5. Zij kwamen dichterbij en droegen Nadab en Abihu, nog gekleed in hun priestergewaden, buiten het kamp. Zo had Mozes het opgedragen. 6. Mozes zei tegen Aäron en zijn zonen Eleazar en Ithamar: Maak jullie hoofdhaar niet los en scheur jullie kleren niet. Anders sterven jullie en wordt de HEERE woedend op de hele gemeenschap. De rest van Israël mag wel rouwen over wat de HEERE met vuur heeft gedaan. 7. Ga niet weg bij de ingang van de ontmoetingstent; anders sterven jullie. De zalfolie van de HEERE is op jullie. Zij deden wat Mozes had gezegd. 8. De HEERE sprak tot Aäron: 9. Jij en je zonen mogen geen wijn of bedwelmende drank drinken wanneer jullie de ontmoetingstent binnengaan. Anders zullen jullie sterven. Dit is een blijvende bepaling voor al jullie generaties. 10. Zo kunnen jullie onderscheid maken tussen wat heilig en onheilig is, en tussen wat rein en onrein is. 11. Ook moeten jullie de Israëlieten alle bepalingen leren die de HEERE hun door Mozes heeft gegeven. 12. Mozes zei tegen Aäron en zijn overgebleven zonen, Eleazar en Ithamar: Neem het graanoffer dat overblijft van de vuuroffers voor de HEERE. Eet het ongezuurd bij het altaar, want het is allerheiligst. 13. Eet het op een heilige plaats. Het is het vastgestelde aandeel voor jou en je zonen uit de vuuroffers voor de HEERE. Zo is het mij opgedragen. 14. Jij, je zonen en je dochters mogen de borst van het beweegoffer en de rechterachterpoot van het hefoffer op een reine plaats eten. Ze zijn jullie aandeel uit de dankoffers van de Israëlieten. 15. Laat hen de rechterachterpoot en de borststukken samen met het vet van de vuuroffers brengen. Beweeg die voor de HEERE heen en weer als beweegoffer. Ze zijn blijvend bestemd voor jou en je zonen, zoals de HEERE heeft opgedragen. 16. Mozes zocht zorgvuldig naar de bok van het zondoffer, maar ontdekte dat die was verbrand. Hij werd erg boos op Eleazar en Ithamar, Aärons overgebleven zonen, en vroeg: 17. Waarom hebben jullie het zondoffer niet op de heilige plaats gegeten? Het is allerheiligst. De HEERE gaf het jullie om de schuld van de gemeenschap te dragen en voor hen verzoening te doen voor de HEERE. 18. Het bloed is niet naar binnen in het heiligdom gebracht. Daarom moesten jullie het offer helemaal op de heilige plaats opeten, precies zoals ik had opgedragen. 19. Aäron antwoordde Mozes: Vandaag hebben zij hun zondoffer en brandoffer voor de HEERE gebracht, terwijl mij zulke dingen zijn overkomen. Zou de HEERE het goed hebben gevonden als ik vandaag het zondoffer had gegeten? 20. Toen Mozes dit hoorde, vond hij Aärons antwoord goed. ## Leviticus 11 — Reine en onreine dieren 1. De HEERE sprak tegen Mozes en Aäron: 2. Zeg tegen de Israëlieten: Dit zijn de dieren die jullie mogen eten van alle dieren die op het land leven. 3. Jullie mogen alle dieren eten die herkauwen en hoeven hebben die helemaal in tweeën zijn gespleten. 4. Maar dieren die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mogen jullie niet eten. De kameel herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven. Daarom is hij voor jullie onrein. 5. Ook de klipdas herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven. Daarom is hij voor jullie onrein. 6. De haas herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven. Daarom is hij voor jullie onrein. 7. Het varken heeft wel hoeven die helemaal in tweeën zijn gespleten, maar herkauwt niet. Daarom is het voor jullie onrein. 8. Jullie mogen hun vlees niet eten en hun kadavers niet aanraken. Ze zijn voor jullie onrein. 9. Van alle dieren die in zeeën en rivieren leven, mogen jullie alles eten wat zowel vinnen als schubben heeft. 10. Alles wat in zeeën en rivieren wemelt of leeft en geen vinnen en schubben heeft, moeten jullie verafschuwen. 11. Jullie moeten ze verafschuwen. Eet hun vlees niet en heb een afkeer van hun kadavers. 12. Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, moeten jullie verafschuwen. 13. Van de gevleugelde dieren moeten jullie de volgende verafschuwen en niet eten: de adelaar, de havik en de zeearend. 14. Dat geldt ook voor de gier en alle soorten kraaien. 15. Ook alle soorten raven vallen hieronder. 16. Dat geldt verder voor de struisvogel, de nachtuil, de koekoek en alle soorten sperwers. 17. Ook de steenuil, de visarend en de ransuil vallen hieronder. 18. Hetzelfde geldt voor de kauw, de roerdomp en de pelikaan. 19. Ook de ooievaar, alle soorten reigers, de hop en de vleermuis mogen jullie niet eten. 20. Alle gevleugelde insecten die op vier poten lopen, moeten jullie verafschuwen. 21. Van de gevleugelde insecten die op vier poten lopen, mogen jullie eten wat springpoten heeft om over de grond te springen. 22. Daaronder vallen de sprinkhaan, de solham, de hargol en de hagab, elk met al zijn soorten. 23. Alle andere gevleugelde insecten met vier poten moeten jullie verafschuwen. 24. Door deze dieren worden jullie onrein. Wie een kadaver daarvan aanraakt, is tot de avond onrein. 25. Wie iets van zo'n kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. 26. Elk dier dat wel verdeelde hoeven heeft, maar geen volledig gespleten hoeven en niet herkauwt, is voor jullie onrein. Wie het kadaver aanraakt, wordt onrein. 27. Alle viervoetige dieren die op hun voetzolen lopen, zijn voor jullie onrein. Wie hun kadaver aanraakt, is tot de avond onrein. 28. Wie iets van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. Deze dieren zijn voor jullie onrein. 29. Van de dieren die over de grond kruipen, zijn deze voor jullie onrein: de wezel, de muis en alle soorten schildpadden. 30. Dat geldt ook voor de zwijnegel, de krokodil, de hagedis, de slak en de mol. 31. Deze dieren zijn voor jullie onrein. Wie een dood exemplaar aanraakt, is tot de avond onrein. 32. Als één van deze dieren dood op een voorwerp valt, wordt dat voorwerp onrein. Dat geldt voor een houten gebruiksvoorwerp, kledingstuk, huid, zak of elk ander gebruiksvoorwerp. Leg het in water. Het blijft tot de avond onrein en is daarna weer rein. 33. Valt zo'n dood dier in een aardewerken pot, dan wordt alles wat erin zit onrein. Jullie moeten de pot breken. 34. Al het voedsel waarop water komt, wordt onrein. Ook iedere drank in een daardoor onrein geworden vat wordt onrein. 35. Alles waarop zo'n kadaver valt, wordt onrein. Een oven of aardewerken pan moet worden gebroken. Ze zijn voor jullie onrein. 36. Een bron of waterput blijft echter rein. Maar wie het kadaver aanraakt, wordt onrein. 37. Valt zo'n kadaver op zaad dat gezaaid wordt, dan blijft het zaad rein. 38. Is er water op het zaad gegoten en valt er zo'n kadaver op, dan is het zaad voor jullie onrein. 39. Als een dier dat jullie mogen eten sterft, is iemand die het kadaver aanraakt tot de avond onrein. 40. Wie van het kadaver eet, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. Ook wie iets van het kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. 41. Alle dieren die over de grond kruipen, moeten jullie verafschuwen en mogen niet worden gegeten. 42. Eet geen enkel kruipend dier dat zich over de grond beweegt, of het nu op zijn buik, vier poten of veel poten gaat. Jullie moeten ze verafschuwen. 43. Maak jezelf niet afschuwelijk door een kruipend dier. Verontreinig jezelf er niet mee, want daardoor word je onrein. 44. Want ik ben de HEERE, jullie God. Wijd jullie daarom aan mij toe en leef heilig, want ik ben heilig. Verontreinig jullie niet met een dier dat zich over de grond beweegt. 45. Want ik ben de HEERE, die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie God te zijn. Wees dus heilig, want ik ben heilig. 46. Dit zijn de regels over landdieren, gevleugelde dieren, elk levend wezen in het water en elk dier dat over de grond kruipt. 47. Zo kunnen jullie onderscheid maken tussen onrein en rein en tussen dieren die wel en niet gegeten mogen worden. ## Leviticus 12 — Reiniging na een geboorte 1. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 2. Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer een vrouw zwanger wordt en een zoon baart, is zij zeven dagen onrein. Zij is dan even lang onrein als tijdens haar maandelijkse bloeding. 3. Op de achtste dag moet de voorhuid van het jongetje worden besneden. 4. Daarna blijft zij nog drieëndertig dagen in haar reinigingsperiode vanwege het bloedverlies. In die tijd mag zij niets heiligs aanraken en niet naar het heiligdom gaan. Dit duurt totdat haar reinigingsperiode voorbij is. 5. Baart zij een dochter, dan is zij twee weken onrein, net als tijdens haar maandelijkse bloeding. Daarna duurt haar reinigingsperiode vanwege het bloedverlies nog zesenzestig dagen. 6. Wanneer haar reinigingsperiode na de geboorte van een zoon of dochter voorbij is, brengt zij een lam van één jaar als brandoffer. Ook brengt zij een jonge duif of tortelduif als zondoffer naar de priester bij de ingang van de ontmoetingstent. 7. De priester biedt deze offers aan voor de HEERE en doet verzoening voor haar. Zo wordt zij rein van haar bloedvloeiing. Dit is de regeling voor een vrouw die een zoon of dochter heeft gebaard. 8. Kan zij zich geen lam veroorloven, dan neemt zij twee tortelduiven of twee jonge duiven. De ene is voor het brandoffer en de andere voor het zondoffer. De priester doet verzoening voor haar, en zo wordt zij rein. ## Leviticus 13 — Voorschriften over melaatsheid 1. Verder sprak de HEERE tot Mozes en Aäron: 2. Wanneer iemand een zwelling, uitslag of witte vlek op zijn huid krijgt die op melaatsheid kan wijzen, moet hij naar een priester. Dat kan Aäron zijn of een van zijn zonen. 3. De priester bekijkt de aandoening op de huid. Is het haar erop wit geworden en lijkt de plek dieper dan de huid, dan is het melaatsheid. Na het onderzoek verklaart de priester de persoon onrein. 4. Is de witte plek niet dieper dan de huid en is het haar niet wit geworden, dan zondert de priester de persoon zeven dagen af. 5. Op de zevende dag onderzoekt de priester hem. Is de plek zichtbaar hetzelfde gebleven en niet over de huid verspreid, dan zondert hij hem nog zeven dagen af. 6. Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Is de plek vervaagd en niet verspreid, dan verklaart hij hem rein. Het was gewone uitslag. De persoon wast zijn kleding en is dan rein. 7. De uitslag kan zich later toch over de huid uitbreiden, nadat de persoon zich voor zijn reiniging aan de priester heeft getoond. Dan moet hij opnieuw naar de priester. 8. Ziet de priester dat de uitslag zich heeft verspreid, dan verklaart hij de persoon onrein. Het is melaatsheid. 9. Wanneer iemand melaatsheid heeft, moet hij naar de priester worden gebracht. 10. De priester kan een witte zwelling zien waardoor het haar wit is geworden en waarin rauw, levend vlees zichtbaar is. 11. Dat is chronische melaatsheid in de huid. De priester verklaart de persoon onrein. Hij hoeft hem niet af te zonderen, want hij is al onrein. 12. Soms breidt de melaatsheid zich over de hele huid uit. Ze bedekt de persoon van hoofd tot voeten, overal waar de priester kan kijken. 13. Ziet de priester dat de melaatsheid het hele lichaam bedekt, dan verklaart hij de persoon rein. Alles is wit geworden; daarom is hij rein. 14. Zodra er echter levend vlees zichtbaar wordt, is hij onrein. 15. Als de priester het levende vlees ziet, verklaart hij de persoon onrein. Het levende vlees is onrein; het is melaatsheid. 16. Wordt het levende vlees weer wit, dan moet de persoon naar de priester gaan. 17. Ziet de priester dat de plek wit is geworden, dan verklaart hij de persoon rein. Hij is rein. 18. Iemand kan een zweer op de huid hebben gehad die inmiddels genezen is. 19. Ontstaat op de plaats van die zweer een witte zwelling of roodachtig witte vlek, dan moet de persoon die aan de priester laten zien. 20. Lijkt de plek dieper dan de huid en is het haar erop wit geworden, dan verklaart de priester de persoon onrein. De melaatsheid is vanuit de zweer uitgebroken. 21. Ziet de priester geen wit haar en ligt de vervaagde plek niet dieper dan de huid, dan zondert hij de persoon zeven dagen af. 22. Breidt de plek zich daarna over de huid uit, dan verklaart de priester de persoon onrein. Het is een melaatse aandoening. 23. Blijft de vlek op haar plaats en verspreidt zij zich niet, dan is het alleen het litteken van de zweer. De priester verklaart de persoon rein. 24. Iemand kan ook een brandwond op de huid hebben. Op de wond kan een roodachtig witte of witte vlek ontstaan. 25. Is het haar op de vlek wit geworden en lijkt de plek dieper dan de huid, dan is vanuit de brandwond melaatsheid uitgebroken. De priester verklaart de persoon onrein; het is melaatsheid. 26. Ziet de priester geen wit haar en ligt de vervaagde plek niet dieper dan de huid, dan zondert hij de persoon zeven dagen af. 27. Op de zevende dag onderzoekt de priester hem. Heeft de plek zich over de huid verspreid, dan verklaart hij de persoon onrein. Het is melaatsheid. 28. Blijft de vervaagde vlek op haar plaats en verspreidt zij zich niet, dan is het een zwelling van de brandwond. De priester verklaart de persoon rein, want het is het litteken van de brandwond. 29. Een man of vrouw kan een aandoening op het hoofd of in de baard krijgen. 30. Lijkt de plek dieper dan de huid en groeit er dun, gelig haar op, dan verklaart de priester de persoon onrein. Het is schurft: melaatsheid op het hoofd of in de baard. 31. Lijkt de schurft niet dieper dan de huid, maar groeit er geen zwart haar op, dan zondert de priester de persoon zeven dagen af. 32. Op de zevende dag onderzoekt de priester de plek. Is de schurft niet verspreid, groeit er geen gelig haar en ligt de plek niet dieper dan de huid, dan geldt het volgende. 33. De persoon laat zich scheren, maar niet op de schurftige plek. Daarna zondert de priester hem opnieuw zeven dagen af. 34. Op de zevende dag onderzoekt de priester de schurft opnieuw. Is die niet verspreid en niet dieper dan de huid, dan verklaart hij de persoon rein. Die wast zijn kleding en is dan rein. 35. Breidt de schurft zich na zijn reinverklaring toch over de huid uit, 36. dan onderzoekt de priester hem opnieuw. Ziet hij dat de schurft zich heeft verspreid, dan hoeft hij niet naar gelig haar te zoeken. De persoon is onrein. 37. Blijft de schurft zichtbaar hetzelfde en groeit er zwart haar op, dan is zij genezen. De persoon is rein en de priester verklaart hem rein. 38. Een man of vrouw kan witte vlekken op de huid krijgen. 39. Ziet de priester doffe witte vlekken op de huid, dan is het slechts witte huiduitslag. De persoon is rein. 40. Als het hoofdhaar van een man uitvalt, is hij kaal. Hij is rein. 41. Valt het haar aan de voorkant van zijn hoofd uit, dan is hij daar kaal. Hij is rein. 42. Ontstaat op zijn kale kruin of voorhoofd een roodachtig witte plek, dan breekt daar melaatsheid uit. 43. Ziet de priester op de kale kruin of het voorhoofd een roodachtig witte zwelling die eruitziet als melaatsheid op de huid, 44. dan is de man melaats en onrein. De priester moet hem beslist onrein verklaren; de aandoening zit op zijn hoofd. 45. Iemand die melaats is verklaard, moet gescheurde kleding dragen en zijn hoofd onbedekt laten. Hij moet zijn bovenlip bedekken en roepen: Onrein, onrein! 46. Zolang hij de aandoening heeft, blijft hij onrein. Hij moet alleen en buiten het kamp wonen. 47. Melaatsheid kan ook een wollen of linnen kledingstuk aantasten. 48. Dat geldt voor de schering of inslag van linnen of wol, en voor leer of elk leren voorwerp. 49. Is de aantasting op kleding, leer, schering, inslag of een leren voorwerp groenachtig of roodachtig, dan is het een melaatse aantasting. Het voorwerp moet aan de priester worden getoond. 50. De priester onderzoekt de aantasting en laat het aangetaste voorwerp zeven dagen apart houden. 51. Op de zevende dag onderzoekt hij de plek. Heeft die zich verspreid over het kledingstuk, de schering, de inslag, het leer of het leren voorwerp, dan is het een agressieve melaatse aantasting. Het voorwerp is onrein. 52. Hij moet het aangetaste kledingstuk, de wollen of linnen schering of inslag, of het leren voorwerp verbranden. Het is een agressieve melaatse aantasting en moet worden verbrand. 53. Ziet de priester dat de aantasting zich niet heeft verspreid over het kledingstuk, de schering, de inslag of het leren voorwerp, 54. dan laat hij het aangetaste voorwerp wassen en nog eens zeven dagen apart houden. 55. Na het wassen onderzoekt de priester de plek. Ziet die er hetzelfde uit, dan is het voorwerp onrein, ook als de plek niet verspreid is. Het moet worden verbrand, want de aantasting heeft de binnen- of buitenkant ingevreten. 56. Is de plek na het wassen vervaagd, dan scheurt de priester het aangetaste deel uit het kledingstuk, het leer, de schering of de inslag. 57. Verschijnt de plek daarna opnieuw op het kledingstuk, de schering, de inslag of het leren voorwerp, dan breekt de melaatsheid weer uit. Het aangetaste voorwerp moet worden verbrand. 58. Verdwijnt de plek na het wassen uit het kledingstuk, de schering, de inslag of het leren voorwerp, dan moet het nogmaals worden gewassen. Daarna is het rein. 59. Dit is de wet over melaatse aantasting van wollen of linnen kleding, schering, inslag of leren voorwerpen. Zo bepaalt men of iets rein of onrein is. ## Leviticus 14 — Reiniging van mensen en huizen na melaatsheid 1. Daarna sprak de HEERE tot Mozes: 2. Dit is de wet voor de dag waarop een melaatse persoon rein wordt verklaard. Hij moet naar de priester worden gebracht. 3. De priester gaat buiten het kamp en onderzoekt hem. Is de melaatse aandoening genezen, 4. dan laat de priester voor de reiniging twee levende, reine vogels halen, samen met cederhout, scharlaken wol en hysop. 5. De priester laat één vogel slachten boven een aardewerken vat met vers bronwater. 6. Hij neemt de levende vogel, het cederhout, de scharlaken wol en de hysop. Hij dompelt alles in het bloed van de vogel die boven het stromende water is geslacht. 7. Daarmee besprenkelt hij de te reinigen persoon zeven keer en verklaart hem rein. Daarna laat hij de levende vogel in het open veld wegvliegen. 8. De persoon die gereinigd wordt, wast zijn kleding, scheert al zijn haar af en wast zich met water. Dan is hij rein. Hij mag het kamp binnengaan, maar moet nog zeven dagen buiten zijn tent blijven. 9. Op de zevende dag scheert hij al zijn haar af: zijn hoofdhaar, baard en wenkbrauwen. Hij wast zijn kleding en lichaam met water. Dan is hij rein. 10. Op de achtste dag neemt hij twee mannelijke lammeren zonder gebrek en één vrouwelijk lam van een jaar zonder gebrek. Ook neemt hij ongeveer 6 liter fijn meel, met olie gemengd, als graanoffer en ongeveer 0,3 liter olie. 11. De priester die de reiniging uitvoert, zet de man en zijn offergaven voor de HEERE bij de ingang van de ontmoetingstent. 12. De priester neemt één lam en offert het met de olie als schuldoffer. Hij beweegt beide heen en weer als beweegoffer voor de HEERE. 13. Daarna slacht hij het lam op de heilige plaats waar men het zondoffer en brandoffer slacht. Het schuldoffer is net als het zondoffer voor de priester; het is allerheiligst. 14. De priester neemt wat bloed van het schuldoffer. Hij strijkt het op de rechteroorlel, rechterduim en rechtergrote teen van de persoon die gereinigd wordt. 15. Daarna giet de priester wat van de olie in zijn eigen linkerhand. 16. Hij doopt zijn rechtervinger in de olie in zijn linkerhand en sprenkelt met zijn vinger zeven keer olie voor de HEERE. 17. De priester strijkt wat olie uit zijn hand op de rechteroorlel, rechterduim en rechtergrote teen van de persoon. Hij brengt die olie aan boven op het bloed van het schuldoffer. 18. De rest van de olie in zijn hand doet de priester op het hoofd van de persoon die gereinigd wordt. Zo doet hij voor hem verzoening voor de HEERE. 19. De priester bereidt het zondoffer en doet verzoening voor de persoon die van zijn onreinheid wordt gereinigd. Daarna slacht hij het brandoffer. 20. De priester offert het brandoffer en graanoffer op het altaar. Zo doet hij verzoening voor de persoon, en die is dan rein. 21. Kan iemand dit door armoede niet betalen, dan neemt hij één lam als schuldoffer dat als beweegoffer wordt bewogen, om verzoening voor hem te doen. Ook neemt hij ongeveer 2 liter fijn meel, met olie gemengd, als graanoffer en ongeveer 0,3 liter olie. 22. Hij neemt ook twee tortelduiven of twee jonge duiven, wat hij zich kan veroorloven. Eén is voor het zondoffer en één voor het brandoffer. 23. Op de achtste dag van zijn reiniging brengt hij alles naar de priester bij de ingang van de ontmoetingstent, voor de HEERE. 24. De priester neemt het lam voor het schuldoffer en de olie. Hij beweegt beide heen en weer als beweegoffer voor de HEERE. 25. Hij slacht het lam voor het schuldoffer en neemt wat bloed. De priester strijkt het op de rechteroorlel, rechterduim en rechtergrote teen van de persoon die gereinigd wordt. 26. De priester giet wat van de olie in zijn eigen linkerhand. 27. Met zijn rechtervinger sprenkelt de priester zeven keer wat olie uit zijn linkerhand voor de HEERE. 28. De priester strijkt wat olie uit zijn hand op de rechteroorlel, rechterduim en rechtergrote teen van de persoon. Hij brengt de olie aan op dezelfde plekken als het bloed van het schuldoffer. 29. De rest van de olie in zijn hand doet de priester op het hoofd van de persoon die gereinigd wordt. Zo doet hij voor hem verzoening voor de HEERE. 30. Daarna bereidt hij één van de tortelduiven of jonge duiven die de persoon zich kon veroorloven. 31. Hij bereidt de ene vogel als zondoffer en de andere als brandoffer, naast het graanoffer. Zo doet de priester voor de te reinigen persoon verzoening voor de HEERE. 32. Dit is de wet voor iemand met een melaatse aandoening die de gewone offers voor zijn reiniging niet kan betalen. 33. Verder sprak de HEERE tot Mozes en Aäron: 34. Wanneer jullie in Kanaän komen, het land dat ik jullie als bezit zal geven, zal ik daar een huis door melaatsheid laten aantasten. 35. Dan moet de eigenaar van het huis naar de priester gaan en zeggen: Het lijkt erop dat er een aantasting in mijn huis zit. 36. De priester laat het huis leeghalen voordat hij de aantasting onderzoekt. Zo wordt niet alles in het huis onrein. Daarna gaat de priester naar binnen om het huis te onderzoeken. 37. Bij zijn onderzoek kan hij groenachtige of roodachtige kuiltjes op de muren zien die dieper lijken dan het muuroppervlak. 38. Dan gaat de priester het huis uit en laat hij het huis zeven dagen gesloten houden. 39. Op de zevende dag komt de priester terug. Ziet hij dat de aantasting zich over de muren heeft verspreid, 40. dan laat hij de aangetaste stenen uitbreken. Ze moeten buiten de stad op een onreine plaats worden weggegooid. 41. Hij laat de binnenkant van het hele huis afschrappen. Het afgeschraapte materiaal moet buiten de stad op een onreine plaats worden gestort. 42. Daarna vervangen zij de verwijderde stenen door andere stenen. Met nieuwe leem moeten zij het huis opnieuw bepleisteren. 43. De aantasting kan na het uitbreken van de stenen, het afschrappen en het opnieuw bepleisteren van het huis terugkomen en uitbreken. 44. Dan komt de priester opnieuw. Ziet hij dat de aantasting zich heeft verspreid, dan is het agressieve melaatsheid in het huis. Het huis is onrein. 45. Men moet het huis volledig afbreken: de stenen, het hout en alle leem. Alles moet buiten de stad naar een onreine plaats worden gebracht. 46. Wie het huis binnengaat terwijl het gesloten is, is tot de avond onrein. 47. Wie in dat huis slaapt, moet zijn kleding wassen. Hetzelfde geldt voor iemand die in het huis eet. 48. Gaat de priester weer naar binnen en ziet hij dat de aantasting zich na het bepleisteren niet heeft verspreid, dan verklaart hij het huis rein. De aantasting is verdwenen. 49. Om het huis van zonde te reinigen, neemt hij twee vogels, cederhout, scharlaken wol en hysop. 50. Hij slacht één vogel boven een aardewerken vat met vers bronwater. 51. Hij neemt het cederhout, de hysop, de scharlaken wol en de levende vogel. Hij dompelt alles in het bloed van de geslachte vogel en in het verse bronwater. Daarna besprenkelt hij het huis zeven keer. 52. Zo reinigt hij het huis van zonde. Hij gebruikt het bloed van de vogel, het verse bronwater, de levende vogel, het cederhout, de hysop en de scharlaken wol. 53. De levende vogel laat hij buiten de stad in het open veld wegvliegen. Zo doet hij verzoening voor het huis, en dan is het rein. 54. Dit is de wet voor elke melaatse aandoening en voor schurft, 55. voor melaatsheid in kleding en huizen, 56. en voor zwellingen, uitslag en witte vlekken. 57. Deze wet leert wanneer iets onrein of rein is. Dit is de wet over melaatsheid. ## Leviticus 15 — Reinheidsregels bij lichaamsvloeiingen 1. De HEERE sprak verder tot Mozes en Aäron: 2. Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer een man een abnormale afscheiding uit zijn geslachtsdeel heeft, is hij daardoor onrein. 3. Dit bepaalt zijn onreinheid: of de afscheiding blijft vloeien of de opening verstopt raakt, hij blijft onrein. 4. Elk bed waarop hij ligt en elk voorwerp waarop hij zit, wordt onrein. 5. Wie zijn bed aanraakt, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Die persoon blijft onrein tot de avond. 6. Wie op een voorwerp zit waarop de man met de afscheiding heeft gezeten, moet zijn kleren en zichzelf wassen. Die persoon blijft onrein tot de avond. 7. Wie het lichaam van de man met de afscheiding aanraakt, moet zijn kleren en zichzelf wassen. Die persoon blijft onrein tot de avond. 8. Als de man met de afscheiding op iemand spuugt die rein is, moet die persoon zijn kleren en zichzelf wassen. Hij blijft onrein tot de avond. 9. Elk zadel waarop de man met de afscheiding rijdt, wordt onrein. 10. Wie iets aanraakt dat onder de man is geweest, blijft onrein tot de avond. Wie zoiets draagt, moet zijn kleren en zichzelf wassen. Hij blijft onrein tot de avond. 11. Als de man iemand aanraakt zonder eerst zijn handen met water te spoelen, moet die persoon zijn kleren en zichzelf wassen. Hij blijft onrein tot de avond. 12. Een aardewerken pot die de man aanraakt, moet worden gebroken. Een houten voorwerp moet met water worden afgespoeld. 13. Wanneer de afscheiding stopt, telt de man zeven dagen voor zijn reiniging. Hij wast zijn kleren en zijn hele lichaam met stromend water. Dan is hij rein. 14. Op de achtste dag neemt hij twee tortelduiven of twee jonge duiven. Hij komt voor de HEERE bij de ingang van de ontmoetingstent en geeft ze aan de priester. 15. De priester bereidt één vogel als zondoffer en de andere als brandoffer. Zo doet hij voor de HEERE verzoening voor de man vanwege zijn afscheiding. 16. Wanneer een man een zaadlozing heeft gehad, moet hij zijn hele lichaam met water wassen. Hij blijft onrein tot de avond. 17. Elk kledingstuk en elk stuk leer waarop sperma is gekomen, moet met water worden gewassen. Het blijft onrein tot de avond. 18. Wanneer een man en een vrouw gemeenschap hebben en er een zaadlozing is, moeten zij zich met water wassen. Zij blijven onrein tot de avond. 19. Wanneer een vrouw menstrueert en bloed uit haar lichaam vloeit, is zij zeven dagen onrein. Iedereen die haar aanraakt, blijft onrein tot de avond. 20. Alles waarop zij tijdens haar menstruatie ligt of zit, wordt onrein. 21. Wie haar bed aanraakt, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen. Die persoon blijft onrein tot de avond. 22. Wie iets aanraakt waarop zij heeft gezeten, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen. Die persoon blijft onrein tot de avond. 23. Wie iets op haar bed of zitplaats aanraakt, blijft onrein tot de avond. 24. Als een man zonder het te weten gemeenschap met haar heeft tijdens haar menstruatie, blijft hij zeven dagen onrein. Elk bed waarop hij ligt, wordt ook onrein. 25. Als een vrouw buiten haar menstruatie langdurig bloed verliest, of langer bloedt dan gewoonlijk, blijft zij tijdens die hele periode onrein. Voor haar gelden dan dezelfde regels als tijdens haar menstruatie. 26. Elk bed waarop zij tijdens die periode ligt, wordt onrein zoals tijdens haar menstruatie. Ook elk voorwerp waarop zij zit, wordt onrein. 27. Wie deze dingen aanraakt, wordt onrein. Die persoon moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft onrein tot de avond. 28. Wanneer het bloedverlies stopt, telt zij zeven dagen. Daarna is zij rein. 29. Op de achtste dag neemt zij twee tortelduiven of twee jonge duiven. Zij brengt ze naar de priester bij de ingang van de ontmoetingstent. 30. De priester bereidt één vogel als zondoffer en de andere als brandoffer. Zo doet hij voor de HEERE verzoening voor haar vanwege haar onreine bloedverlies. 31. Laat de Israëlieten zich daarom afzonderen wanneer zij onrein zijn. Anders verontreinigen zij mijn tabernakel in hun midden en sterven zij door hun onreinheid. 32. Dit is de wet voor een man met een abnormale afscheiding en voor een man die door een zaadlozing onrein wordt. 33. Deze wet geldt ook voor een menstruerende vrouw en voor elke man of vrouw met een afscheiding. Ze geldt ook voor een man die gemeenschap heeft met een onreine vrouw. ## Leviticus 16 — De Grote Verzoendag 1. De HEERE sprak tot Mozes nadat Aärons twee zonen waren gestorven. Zij stierven toen zij voor de HEERE kwamen. 2. De HEERE zei tegen Mozes: Zeg tegen je broer Aäron dat hij niet zomaar achter het voorhangsel het Allerheiligste mag binnengaan. Daar staat het verzoendeksel op de ark. Anders zal hij sterven, want ik verschijn in een wolk boven het verzoendeksel. 3. Met het volgende mag Aäron het Allerheiligste binnengaan: een jonge stier als zondoffer en een ram als brandoffer. 4. Hij trekt een heilige linnen tuniek en linnen onderbroek aan. Hij bindt een linnen gordel om en zet een linnen tulband op. Dit zijn heilige kleren. Voordat hij ze aantrekt, moet hij zijn lichaam met water wassen. 5. Van de gemeenschap van de Israëlieten neemt hij twee geitenbokken als zondoffer en één ram als brandoffer. 6. Aäron biedt de stier voor zijn eigen zondoffer aan. Zo doet hij verzoening voor zichzelf en zijn gezin. 7. Daarna neemt hij beide bokken en zet ze voor de HEERE bij de ingang van de ontmoetingstent. 8. Aäron loot over beide bokken: één lot voor de HEERE en één lot voor de bok die wordt weggestuurd. 9. De bok waarop het lot voor de HEERE valt, brengt Aäron als zondoffer. 10. De bok waarop het andere lot valt, wordt levend voor de HEERE geplaatst. Daarmee wordt verzoening gedaan. Daarna wordt de bok de woestijn in gestuurd. 11. Aäron brengt de stier van zijn eigen zondoffer. Zo doet hij verzoening voor zichzelf en zijn gezin. Daarna slacht hij de stier. 12. Hij vult een wierookvat met gloeiende kolen van het altaar voor de HEERE. Ook neemt hij twee handen vol fijngestoten geurige wierook. Hij brengt alles achter het voorhangsel. 13. Voor de HEERE legt hij de wierook op het vuur. De wierookwolk bedekt dan het verzoendeksel boven de getuigenis. Zo zal hij niet sterven. 14. Hij neemt wat bloed van de stier en sprenkelt dit met zijn vinger eenmaal op de oostkant van het verzoendeksel. Daarna sprenkelt hij zevenmaal bloed voor het verzoendeksel. 15. Daarna slacht hij de bok die het zondoffer voor het volk is. Hij brengt het bloed achter het voorhangsel. Hij doet met dit bloed hetzelfde als met het stierenbloed: hij sprenkelt het op en voor het verzoendeksel. 16. Zo doet hij verzoening voor het Allerheiligste vanwege de onreinheid, overtredingen en alle zonden van de Israëlieten. Hetzelfde doet hij voor de ontmoetingstent, die te midden van hun onreinheid bij hen staat. 17. Niemand mag in de ontmoetingstent zijn wanneer Aäron binnengaat om in het Allerheiligste verzoening te doen. Dat geldt totdat hij weer naar buiten komt. Hij doet zo verzoening voor zichzelf, zijn gezin en de hele gemeenschap van Israël. 18. Daarna gaat hij naar het brandofferaltaar voor de HEERE en doet daarvoor verzoening. Hij strijkt bloed van de stier en de bok rondom op de horens van het altaar. 19. Hij sprenkelt er zevenmaal bloed op met zijn vinger. Zo reinigt en heiligt hij het altaar van de onreinheid van de Israëlieten. 20. Wanneer hij klaar is met de verzoening van het Allerheiligste, de ontmoetingstent en het altaar, brengt hij de levende bok naar voren. 21. Aäron legt beide handen op de kop van de levende bok. Hij belijdt alle verkeerde daden, overtredingen en zonden van de Israëlieten. Zo legt hij die op de kop van de bok. Daarna laat hij de bok door een aangewezen man naar de woestijn brengen. 22. De bok draagt al hun schuld mee naar een afgelegen, onbewoond gebied. Daar laat de man hem los in de woestijn. 23. Daarna gaat Aäron de ontmoetingstent binnen. Hij trekt de linnen kleren uit die hij droeg toen hij het Allerheiligste binnenging en laat ze daar. 24. Hij wast zijn lichaam met water op een heilige plaats en trekt zijn kleren aan. Daarna brengt hij zijn brandoffer en dat van het volk. Zo doet hij verzoening voor zichzelf en het volk. 25. Hij verbrandt het vet van het zondoffer op het altaar. 26. De man die de bok heeft weggestuurd, wast zijn kleren en zijn lichaam met water. Daarna gaat hij het kamp weer binnen. 27. De stier en bok van het zondoffer worden buiten het kamp gebracht. Hun bloed was voor de verzoening het heiligdom binnengebracht. Hun huid, vlees en mest worden buiten het kamp verbrand. 28. Degene die ze verbrandt, wast zijn kleren en zijn lichaam met water. Daarna gaat hij het kamp weer binnen. 29. Dit is voor jullie een blijvende regel: op de tiende dag van de zevende maand moeten jullie je voor God verootmoedigen. Niemand mag dan werken, geen geboren Israëliet en geen vreemdeling die bij jullie woont. 30. Want op die dag doet de hogepriester voor jullie verzoening en reinigt hij jullie. Zo worden jullie voor de HEERE van al jullie zonden gereinigd. 31. Die dag is voor jullie een sabbat van volledige rust. Jullie moeten je verootmoedigen. Dit is een blijvende regel. 32. De priester die gezalfd en ingewijd wordt om zijn vader als hogepriester op te volgen, verricht de verzoening. Hij trekt daarvoor de heilige linnen kleren aan. 33. Hij doet verzoening voor het Allerheiligste, de ontmoetingstent en het altaar. Ook doet hij verzoening voor de priesters en de hele volksgemeenschap. 34. Dit blijft voor jullie een vaste regel: eenmaal per jaar moet voor de Israëlieten verzoening worden gedaan voor al hun zonden. Alles werd gedaan zoals de HEERE Mozes had opgedragen. ## Leviticus 17 — Offers en het verbod op bloed 1. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 2. Zeg tegen Aäron, zijn zonen en alle Israëlieten: Dit is wat de HEERE heeft geboden: 3. Een Israëliet kan een rund, lam of geit binnen of buiten het kamp slachten om het als offer te brengen. 4. Als hij het niet naar de ingang van de ontmoetingstent brengt om het voor de tabernakel aan de HEERE te offeren, is hij bloedschuldig. Hij heeft bloed vergoten en moet uit zijn volk worden uitgeroeid. 5. Zo moeten de Israëlieten de offerdieren die zij in het open veld zouden slachten naar de HEERE brengen. Zij brengen de dieren naar de priester bij de ingang van de ontmoetingstent en slachten ze daar als dankoffers voor de HEERE. 6. De priester sprenkelt het bloed op het altaar van de HEERE bij de ingang van de ontmoetingstent. Hij verbrandt het vet als een geur die de HEERE aangenaam is. 7. Zij mogen hun offers niet langer brengen aan de demonen die zij als afgoden nalopen. Dit is voor altijd een vaste regel voor al hun generaties. 8. Zeg ook tegen hen: Dit geldt voor iedere Israëliet en voor iedere vreemdeling die bij hen woont en een brandoffer of ander offer brengt. 9. Wie zo'n offer niet naar de ingang van de ontmoetingstent brengt om het aan de HEERE te offeren, moet uit zijn volk worden uitgeroeid. 10. Als een Israëliet of een vreemdeling die bij hen woont bloed eet, zal ik mij tegen die persoon keren en hem uit zijn volk uitroeien. 11. Want het leven van ieder levend wezen is in het bloed. Ik heb het bloed aan jullie gegeven voor het altaar, om verzoening te doen voor jullie leven. Het bloed doet namelijk verzoening voor het leven. 12. Daarom heb ik tegen de Israëlieten gezegd: Niemand van jullie mag bloed eten. Ook een vreemdeling die bij jullie woont, mag geen bloed eten. 13. Een Israëliet of een vreemdeling die bij hen woont, kan een eetbaar wild dier of een eetbare vogel vangen. Dan moet hij het bloed laten wegstromen en met aarde bedekken. 14. Want het leven van ieder levend wezen is zijn bloed. Daarom heb ik tegen de Israëlieten gezegd: Eet geen bloed van een levend wezen. Het bloed is zijn leven. Wie het eet, wordt uit zijn volk uitgeroeid. 15. Als een Israëliet of vreemdeling een gestorven of verscheurd dier eet, moet hij zijn kleren wassen en zichzelf met water wassen. Hij blijft tot de avond onrein en is daarna weer rein. 16. Wast hij zijn kleren niet en wast hij zichzelf niet, dan draagt hij zijn schuld. ## Leviticus 18 — Verboden seksuele relaties en andere gruwelen 1. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 2. Zeg tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE, jullie God! 3. Volg niet de gewoonten van Egypte, waar jullie hebben gewoond. Volg ook niet de gewoonten van Kanaän, waarheen ik jullie breng. Leef niet volgens hun regels. 4. Jullie moeten mijn bepalingen uitvoeren en mijn voorschriften onderhouden door ernaar te leven. Ik ben de HEERE, jullie God! 5. Houd mijn voorschriften en bepalingen. Wie ze naleeft, zal daardoor leven. Ik ben de HEERE! 6. Niemand mag seksuele omgang hebben met een naast familielid. Ik ben de HEERE! 7. Onteer je vader niet door seksuele omgang met je moeder. Zij is je moeder; heb geen seksuele omgang met haar. 8. Heb geen seksuele omgang met de vrouw van je vader. Daarmee onteer je je vader. 9. Heb geen seksuele omgang met je zus, of zij nu een dochter van je vader of je moeder is en thuis of elders is geboren. 10. Heb geen seksuele omgang met een dochter van je zoon of dochter. Zij is je kleindochter en stamt van jou af. 11. Heb geen seksuele omgang met de dochter van een vrouw van je vader, als zij ook een dochter van je vader is. Zij is je zus. 12. Heb geen seksuele omgang met een zus van je vader. Zij is een bloedverwant van je vader. 13. Heb geen seksuele omgang met een zus van je moeder. Zij is een bloedverwant van je moeder. 14. Heb geen seksuele omgang met de vrouw van een broer van je vader. Zij is je tante. 15. Heb geen seksuele omgang met je schoondochter. Zij is de vrouw van je zoon. 16. Heb geen seksuele omgang met de vrouw van je broer. Daarmee onteer je je broer. 17. Heb geen seksuele omgang met een vrouw en ook niet met haar dochter. Heb ook geen seksuele omgang met een kleindochter van haar, via haar zoon of dochter. Zij zijn bloedverwanten. Dat zou een schandelijke daad zijn. 18. Neem tijdens het leven van je vrouw niet ook haar zus tot vrouw. Dat zou je vrouw verdriet doen wanneer je ook met haar zus seksuele omgang hebt. 19. Heb geen seksuele omgang met een vrouw tijdens haar maandelijkse bloeding, wanneer zij ritueel onrein is. 20. Heb geen seksuele omgang met de vrouw van iemand anders. Daarmee verontreinig je jezelf. 21. Geef geen van je kinderen om voor Molech door het vuur te laten gaan. Ontheilig zo de naam van je God niet. Ik ben de HEERE! 22. Een man mag geen seksuele omgang hebben met een andere man zoals met een vrouw. Dat is een gruwel. 23. Een man mag geen seksuele omgang hebben met een dier en zich zo verontreinigen. Een vrouw mag zich evenmin door een dier laten paren. Dat is een gruwelijke vermenging. 24. Verontreinig jullie niet met een van deze dingen. De volken die ik voor jullie verdrijf, hebben zich met al deze dingen verontreinigd. 25. Daardoor is het land onrein geworden. Ik straf het land voor zijn schuld, en het land spuugt zijn inwoners uit. 26. Jullie moeten mijn voorschriften en bepalingen onderhouden. Niemand mag een van deze gruwelen doen, geen Israëliet en geen vreemdeling die bij jullie woont. 27. De mensen die vóór jullie in dit land woonden, hebben al deze gruwelen gedaan. Daardoor is het land onrein geworden. 28. Anders zal het land ook jullie uitspugen wanneer jullie het verontreinigen. Ook het volk vóór jullie werd door het land uitgespuugd. 29. Iedereen die een van deze gruwelen doet, moet uit zijn volk worden uitgeroeid. 30. Houd jullie daarom aan mijn opdracht. Neem de gruwelijke gewoonten van de mensen vóór jullie niet over en verontreinig jullie er niet mee. Ik ben de HEERE, jullie God! ## Leviticus 19 — Heilig leven in de gemeenschap 1. Verder sprak de HEERE tot Mozes: 2. Zeg tegen heel de gemeenschap van Israël: Jullie moeten heilig zijn, want ik, de HEERE, jullie God, ben heilig. 3. Ieder van jullie moet ontzag hebben voor zijn moeder en vader en mijn sabbatten houden. Ik ben de HEERE, jullie God. 4. Keer je niet naar afgoden en maak geen gegoten goden voor jezelf. Ik ben de HEERE, jullie God. 5. Wanneer jullie een dankoffer aan de HEERE brengen, moeten jullie dat vrijwillig offeren. 6. Het vlees mag worden gegeten op de dag van het offer en op de volgende dag. Wat op de derde dag overblijft, moet worden verbrand. 7. Wordt er op de derde dag toch van gegeten, dan is het vlees verwerpelijk. Het offer wordt niet aanvaard. 8. Wie ervan eet, draagt zijn schuld, omdat hij iets heiligs van de HEERE heeft ontheiligd. Die persoon moet uit zijn volk worden uitgeroeid. 9. Wanneer jullie de oogst van het land binnenhalen, maai dan de randen van jullie akkers niet helemaal af. Raap ook de achtergebleven aren niet op. 10. Pluk ook niet de laatste druiven van jullie wijngaard en raap de gevallen druiven niet op. Laat die achter voor armen en vreemdelingen. Ik ben de HEERE, jullie God. 11. Jullie mogen niet stelen, liegen of elkaar bedriegen. 12. Zweer niet vals bij mijn naam, want daardoor ontheilig je de naam van je God. Ik ben de HEERE. 13. Onderdruk of beroof je naaste niet. Houd het loon van een dagloner niet tot de volgende morgen achter. 14. Vervloek een dove niet en leg geen obstakel voor een blinde neer. Heb ontzag voor je God. Ik ben de HEERE. 15. Wees niet onrechtvaardig bij de rechtspraak. Trek een arme of een machtige niet voor. Beoordeel je naaste rechtvaardig. 16. Verspreid geen laster onder je volk. Breng je naaste niet om en zorg er niet voor dat hij door valse getuigenis wordt gedood. Ik ben de HEERE. 17. Haat je volksgenoot niet in je hart. Wijs je naaste nadrukkelijk terecht en verdraag zijn zonde niet. 18. Neem geen wraak en blijf niet boos op iemand uit je volk. Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de HEERE. 19. Houd je aan mijn voorschriften. Laat dieren van twee verschillende soorten niet paren. Zaai op je akker geen twee soorten zaad. Draag geen kleding waarin wol en linnen zijn gemengd. 20. Wanneer een man seksuele omgang heeft met een slavin die aan een andere man is toegezegd, maar nog niet is vrijgekocht of vrijgelaten. Beiden moeten worden gegeseld. Zij worden niet gedood, omdat zij niet vrij was. 21. De man moet bij de ingang van de ontmoetingstent een ram als schuldoffer aan de HEERE brengen. 22. De priester doet met de ram voor het schuldoffer verzoening voor zijn zonde voor de HEERE. Dan ontvangt hij vergeving voor zijn zonde. 23. Wanneer jullie in het land allerlei fruitbomen planten, moeten de vruchten drie jaar lang als onbesneden en onrein gelden. Jullie mogen er niet van eten. 24. In het vierde jaar zijn alle vruchten heilig en dienen ze om de HEERE te loven. 25. In het vijfde jaar mogen jullie de vruchten eten. Daardoor zal de opbrengst voor jullie toenemen. Ik ben de HEERE, jullie God. 26. Eet niets waar nog bloed in zit. Houd je niet bezig met waarzeggerij of toverij. 27. Scheer de zijkanten van je hoofd niet rond af. Beschadig ook de randen van je baard niet. 28. Maak vanwege een dode geen sneden in je lichaam en laat geen tatoeages aanbrengen. Ik ben de HEERE. 29. Ontheilig je dochter niet door haar als prostituee te laten werken. Anders vervalt het land tot prostitutie en raakt het vol schandelijke daden. 30. Houd mijn sabbatten en heb ontzag voor mijn heiligdom. Ik ben de HEERE. 31. Ga niet naar mensen die geesten raadplegen of waarzeggerij bedrijven. Zoek hen niet op, want daardoor worden jullie onrein. Ik ben de HEERE, jullie God. 32. Sta op voor iemand met grijs haar en toon eerbied voor een oudere. Heb ontzag voor je God. Ik ben de HEERE. 33. Wanneer een vreemdeling bij jullie in het land woont, mogen jullie hem niet onderdrukken. 34. Behandel de vreemdeling die bij jullie woont als een geboren Israëliet. Heb hem lief als jezelf, want jullie waren vreemdelingen in Egypte. Ik ben de HEERE, jullie God. 35. Wees niet oneerlijk bij het meten van lengte, gewicht of hoeveelheid. 36. Gebruik een eerlijke weegschaal, eerlijke gewichten en eerlijke maten voor droge en vloeibare goederen. Ik ben de HEERE, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid. 37. Houd je daarom aan al mijn voorschriften en bepalingen en voer ze uit. Ik ben de HEERE. ## Leviticus 20 — Straffen voor afgoderij en verboden relaties 1. Verder sprak de HEERE tot Mozes: 2. Zeg ook tegen de Israëlieten: Iedere Israëliet of vreemdeling die in Israël woont en een kind aan Molech geeft, moet zeker worden gedood. De bevolking moet hem stenigen. 3. Ik keer mij tegen die man en roei hem uit zijn volk uit. Hij heeft zijn kind aan Molech gegeven en daarmee mijn heiligdom verontreinigd en mijn heilige naam ontheiligd. 4. Als de bevolking bewust wegkijkt wanneer iemand zijn kind aan Molech geeft en hem niet doodt, 5. dan keer ik mij tegen die man en zijn familie. Ik roei hem uit, samen met iedereen die hem volgt in zijn ontrouwe verering van Molech. 6. Als iemand zich tot geestenraadplegers of waarzeggers wendt en zich zo ontrouw van mij afkeert, keer ik mij tegen die persoon. Ik roei hem uit zijn volk uit. 7. Wijd jullie aan mij toe en wees heilig, want ik ben de HEERE, jullie God. 8. Houd je aan mijn voorschriften en voer ze uit. Ik ben de HEERE, die jullie heiligt. 9. Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet zeker worden gedood. Hij heeft zijn vader of moeder vervloekt en draagt zelf de verantwoordelijkheid voor zijn dood. 10. Een man die overspel pleegt met de vrouw van een ander, moet zeker worden gedood. Zowel de overspelige man als de vrouw moet sterven. 11. Een man die seks heeft met de vrouw van zijn vader, onteert zijn vader. Beiden moeten zeker worden gedood en dragen zelf de verantwoordelijkheid voor hun dood. 12. Een man die seks heeft met de vrouw van zijn zoon, moet samen met haar zeker worden gedood. Zij hebben een schandelijke daad gedaan en dragen zelf de verantwoordelijkheid voor hun dood. 13. Als een man seks heeft met een man zoals met een vrouw, hebben zij beiden een afschuwelijke daad gedaan. Zij moeten zeker worden gedood en dragen zelf de verantwoordelijkheid voor hun dood. 14. Als een man zowel een vrouw als haar moeder neemt, is dat een schandelijke daad. De man en beide vrouwen moeten worden verbrand, zodat zulke schandelijke daden niet onder jullie voorkomen. 15. Als een man seksuele omgang heeft met een dier, moet hij zeker worden gedood. Jullie moeten ook het dier doden. 16. Als een vrouw een dier benadert om seksuele omgang ermee te hebben, moeten jullie de vrouw en het dier doden. Beiden moeten zeker worden gedood en dragen zelf de verantwoordelijkheid voor hun dood. 17. Als een man en zijn zus van vaders- of moederskant seksuele omgang met elkaar hebben, is dat een schandelijke daad. Zij moeten voor de ogen van hun volksgenoten worden uitgeroeid. Hij heeft zijn zus onteerd en draagt zijn schuld. 18. Als een man bewust seks heeft met een menstruerende vrouw, leggen zij samen de bron van haar bloeding bloot. Beiden moeten uit hun volk worden uitgeroeid. 19. Heb geen seksuele omgang met de zus van je moeder of de zus van je vader. Wie dat doet, onteert een naaste bloedverwant. Beiden dragen hun schuld. 20. Een man die seks heeft met de vrouw van zijn oom, onteert zijn oom. Beiden dragen hun zonde en zullen kinderloos sterven. 21. Als een man de vrouw van zijn broer als vrouw neemt, doet hij iets onreins en onteert hij zijn broer. Zij zullen kinderloos blijven. 22. Houd je aan al mijn voorschriften en bepalingen en voer ze uit. Anders zal het land waarheen ik jullie breng om er te wonen, jullie uitspuwen. 23. Volg niet de voorschriften van het volk dat ik voor jullie verdrijf. Zij hebben al deze dingen gedaan; daarom heb ik een afkeer van hen gekregen. 24. Ik heb jullie gezegd: Jullie zullen hun land als erfelijk bezit ontvangen. Ik geef jullie dat land, dat overvloeit van melk en honing. Ik ben de HEERE, jullie God, die jullie van de andere volken heeft afgezonderd. 25. Maak daarom onderscheid tussen reine en onreine dieren en tussen reine en onreine vogels. Maak jezelf niet verwerpelijk door dieren, vogels of kruipende dieren. Ik heb die voor jullie afgezonderd om ze als onrein te beschouwen. 26. Jullie moeten heilig voor mij zijn, want ik, de HEERE, ben heilig. Ik heb jullie van de andere volken afgezonderd, zodat jullie van mij zouden zijn. 27. Een man of vrouw die een waarzeggende geest heeft of als geestenbezweerder optreedt, moet zeker worden gedood. De bevolking moet hen stenigen. Zij dragen zelf de verantwoordelijkheid voor hun dood. ## Leviticus 21 — Heiligheid van de priesters 1. Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Zeg tegen de priesters, Aärons zonen: Een priester mag zich bij een sterfgeval onder zijn volk niet onrein maken. 2. Dat mag hij wel doen voor een naaste bloedverwant: zijn moeder, vader, zoon, dochter of broer. 3. Hij mag zich ook onrein maken voor zijn ongetrouwde zus die nog maagd is en als naaste familie bij hem hoort. 4. Als leider onder zijn volk mag hij zich niet onrein maken en zo zichzelf ontheiligen. 5. Priesters mogen geen kale plek op hun hoofd scheren, de rand van hun baard afscheren of sneden in hun lichaam maken. 6. Zij moeten heilig zijn voor hun God en mogen de naam van hun God niet ontheiligen. Zij bieden immers de vuuroffers aan, het voedsel van hun God. Daarom moeten zij heilig zijn. 7. Een priester mag niet trouwen met een prostituee of een onteerde vrouw. Ook mag hij niet trouwen met een vrouw die door haar man is weggestuurd. Hij is immers heilig voor zijn God. 8. Behandel de priester daarom als heilig, want hij offert het voedsel van jullie God. Hij moet voor jullie heilig zijn, want ik ben heilig. Ik ben de HEERE, die jullie heiligt. 9. Als een priesterdochter zich door prostitutie onteert, onteert zij haar vader. Zij moet worden verbrand. 10. De hogepriester staat boven zijn medepriesters. Over zijn hoofd is zalfolie uitgegoten en hij is ingewijd om de heilige kleren te dragen. Hij mag zijn haar niet los laten hangen en zijn kleren niet scheuren. 11. Hij mag niet bij een dode komen. Zelfs voor zijn vader of moeder mag hij zich niet onrein maken. 12. Hij mag het heiligdom niet verlaten om een begrafenis te volgen. Anders zou hij het heiligdom van zijn God ontheiligen. Hij draagt immers de heilige kroon van zijn God en is met zalfolie gewijd. Ik ben de HEERE. 13. Hij moet trouwen met een vrouw die nog maagd is. 14. Hij mag niet trouwen met een weduwe, gescheiden vrouw, onteerde vrouw of prostituee. Hij moet trouwen met een maagd uit zijn eigen volk. 15. Zo ontheiligt hij zijn nakomelingen niet onder zijn volk, want ik ben de HEERE, die hem heiligt. 16. De HEERE sprak verder tot Mozes: 17. Zeg tegen Aäron: Geen van je nakomelingen mag naderen als hij een lichamelijke beperking heeft. Dit geldt in elke generatie. Hij mag dan het voedsel van zijn God niet offeren. 18. Niemand met zo'n beperking mag naderen: geen man die blind is of mank loopt, en niemand met een te kort of te lang lichaamsdeel. 19. Ook een man met een gebroken voet of hand mag niet naderen. 20. Dat geldt ook voor iemand met een bochel, dwerggroei, een oogafwijking, droge of etterende huiduitslag of beschadigde zaadballen. 21. Geen nakomeling van de priester Aäron met een lichamelijke beperking mag naderen om de vuuroffers voor de HEERE aan te bieden. Vanwege zijn beperking mag hij niet naderen om het voedsel van zijn God aan te bieden. 22. Hij mag wel eten van het voedsel van zijn God, zowel van de allerheiligste als van de heilige gaven. 23. Maar hij mag niet bij het voorhangsel of het altaar komen, omdat hij een lichamelijke beperking heeft. Zo zal hij mijn heilige plaatsen niet ontheiligen. Ik ben de HEERE, die hen heiligt. 24. Mozes vertelde dit aan Aäron, zijn zonen en alle Israëlieten. ## Leviticus 22 — Heilige gaven en aanvaardbare offers 1. De HEERE sprak tot Mozes: 2. Zeg tegen Aäron en zijn zonen: Als zij onrein zijn, moeten zij afblijven van de heilige gaven die de Israëlieten aan mij wijden. Zo zullen zij mijn heilige naam niet ontheiligen. Ik ben de HEERE. 3. Zeg tegen hen: Als ooit een nakomeling van Aäron onrein is, mag hij niet van de heilige gaven eten. Deze gaven wijden de Israëlieten aan de HEERE. Wie er toch van eet terwijl hij onrein is, wordt uit mijn aanwezigheid uitgeroeid. Ik ben de HEERE. 4. Geen nakomeling van Aäron met melaatsheid of een abnormale afscheiding mag van de heilige gaven eten voordat hij rein is. Dit verbod geldt ook als hij iets aanraakt dat door een dode onrein is, of als hij een zaadlozing heeft gehad. 5. Het geldt ook als hij een onrein kruipend dier aanraakt of een mens die hem op enige manier onrein maakt. 6. Wie iets dergelijks heeft aangeraakt, blijft onrein tot de avond. Hij mag niet van de heilige gaven eten voordat hij zijn lichaam met water heeft gewassen. 7. Wanneer de zon is ondergegaan, is hij weer rein. Daarna mag hij van de heilige gaven eten, want die vormen zijn voedsel. 8. Hij mag geen kadaver of door wilde dieren verscheurd dier eten, want daardoor wordt hij onrein. Ik ben de HEERE. 9. De priesters moeten mijn voorschrift naleven. Anders laden zij zonde op zich en sterven zij omdat zij de heilige gaven hebben ontheiligd. Ik ben de HEERE, die hen heiligt. 10. Iemand buiten de priesterlijke familie mag niet van de heilige gaven eten. Ook een tijdelijke gast van de priester of een dagloner mag dat niet. 11. Maar een slaaf die de priester heeft gekocht, mag ervan eten. Ook wie in zijn huishouden geboren is, mag van zijn voedsel eten. 12. Als een priesterdochter trouwt met een man buiten de priesterlijke familie, mag zij niet van het hefoffer van de heilige gaven eten. 13. Wordt een priesterdochter weduwe of gescheiden en heeft zij geen kinderen? Als zij naar haar vaders huis terugkeert, zoals in haar jeugd, mag zij weer van zijn voedsel eten. Iemand buiten de priesterlijke familie mag er niet van eten. 14. Als iemand per ongeluk van een heilige gave eet, moet hij de priester de waarde vergoeden en daar een vijfde aan toevoegen. 15. De priesters mogen de heilige gaven die de Israëlieten aan de HEERE geven, niet ontheiligen. 16. Anders zouden zij de Israëlieten schuld en straf laten dragen wanneer die hun eigen heilige gaven eten. Ik ben de HEERE, die hen heiligt. 17. De HEERE sprak verder tot Mozes: 18. Zeg tegen Aäron, zijn zonen en alle Israëlieten: De volgende voorwaarden gelden voor ieder brandoffer aan de HEERE. Dat geldt voor Israëlieten en vreemdelingen in Israël, zowel bij geloften als vrijwillige offers. 19. Om door de HEERE te worden aanvaard, moet het een mannelijk dier zonder gebrek zijn: een rund, schaap of geit. 20. Bied geen dier met een gebrek aan, want de HEERE zal het niet voor jullie aanvaarden. 21. Wanneer iemand de HEERE een dankoffer brengt om een gelofte te vervullen of als vrijwillig offer, moet het dier zonder gebrek zijn. Alleen dan wordt een rund, schaap of geit aanvaard. 22. Bied de HEERE geen blind dier aan of een dier met een breuk, verlamming, wrat, droge of etterende huiduitslag. Leg zo'n dier ook niet als vuuroffer op het altaar voor de HEERE. 23. Een rund, schaap of geit met een te lang of te kort lichaamsdeel mag wel als vrijwillig offer dienen. Voor een gelofte wordt zo'n dier niet aanvaard. 24. Offer de HEERE geen dier waarvan de zaadballen gekneusd, verbrijzeld, afgescheurd of afgesneden zijn. Doe dit nergens in jullie land. 25. Neem ook van een buitenlander geen dier met zo'n afwijking aan om als voedsel voor jullie God te offeren. Omdat het een gebrek heeft, wordt het niet voor jullie aanvaard. 26. De HEERE sprak verder tot Mozes: 27. Wanneer een kalf, lam of geitje wordt geboren, moet het zeven dagen bij zijn moeder blijven. Vanaf de achtste dag wordt het als vuuroffer voor de HEERE aanvaard. 28. Slacht een rund, schaap of geit niet op dezelfde dag als zijn jong. 29. Als jullie de HEERE een lofoffer brengen, offer het dan zo dat het wordt aanvaard. 30. Het moet dezelfde dag worden gegeten. Laat er niets van over tot de volgende morgen. Ik ben de HEERE. 31. Houd jullie aan mijn geboden en voer ze uit. Ik ben de HEERE. 32. Ontheilig mijn heilige naam niet. Ik moet in het midden van de Israëlieten als heilig worden erkend. Ik ben de HEERE, die jullie heiligt. 33. Ik heb jullie uit Egypte geleid om jullie God te zijn. Ik ben de HEERE. ## Leviticus 23 — De vaste feestdagen van de HEERE 1. Daarna sprak de HEERE tegen Mozes. 2. Zeg tegen de Israëlieten: Dit zijn de vaste feestdagen van de HEERE waarop jullie heilige bijeenkomsten moeten aankondigen. Het zijn mijn vaste feestdagen. 3. Zes dagen mag er gewerkt worden. De zevende dag is een sabbat van volledige rust en een heilige bijeenkomst. Doe dan geen enkel werk. Het is de sabbat van de HEERE, waar jullie ook wonen. 4. Dit zijn de vaste feestdagen van de HEERE. Jullie moeten de heilige bijeenkomsten op de vastgestelde tijd aankondigen. 5. Het pascha voor de HEERE valt op de veertiende dag van de eerste maand, tegen de avond. 6. Op de vijftiende dag van die maand begint het feest van de ongezuurde broden voor de HEERE. Zeven dagen moeten jullie ongezuurd brood eten. 7. Op de eerste dag houden jullie een heilige bijeenkomst. Doe dan geen gewoon werk. 8. Zeven dagen moeten jullie vuuroffers aan de HEERE brengen. Op de zevende dag houden jullie een heilige bijeenkomst en doen jullie geen gewoon werk. 9. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 10. Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer jullie het land dat ik geef binnengaan en daar oogsten, breng dan de priester een schoof van de eerste opbrengst. 11. De priester moet de schoof de dag na de sabbat voor de HEERE heen en weer bewegen, zodat jullie worden aanvaard. 12. Op de dag dat jullie de schoof bewegen, moeten jullie een eenjarig lam zonder gebrek als brandoffer aan de HEERE brengen. 13. Breng daarbij ongeveer 4 liter fijn meel, met olie gemengd, als graanoffer. Dit vuuroffer heeft een geur die de HEERE aangenaam is. Breng ook ongeveer 1 liter wijn als drankoffer. 14. Jullie mogen niets van de nieuwe oogst eten: geen brood, geroosterd graan of verse aren. Wacht daarmee totdat jullie die dag het offer voor jullie God hebben gebracht. Dit is een blijvende regel voor alle generaties, waar jullie ook wonen. 15. Tel vanaf de dag na de sabbat, de dag waarop jullie de schoof als beweegoffer brengen, zeven volle weken. 16. Tel zo vijftig dagen, tot de dag na de zevende week. Breng dan een nieuw graanoffer aan de HEERE. 17. Breng uit jullie woonplaatsen twee broden als beweegoffer. Gebruik samen ongeveer 4 liter fijn meel en bak ze met desem. Het zijn eerstelingen voor de HEERE. 18. Offer samen met het brood zeven eenjarige lammeren zonder gebrek, één jonge stier en twee rammen. Breng ze als brandoffer voor de HEERE, met de bijbehorende graan- en drankoffers. Het is een vuuroffer met een geur die de HEERE aangenaam is. 19. Bereid ook een geitenbok als zondoffer en twee eenjarige lammeren als dankoffer. 20. De priester beweegt de twee lammeren samen met het eerstelingenbrood voor de HEERE heen en weer als beweegoffer. Ze zijn heilig voor de HEERE en bestemd voor de priester. 21. Op diezelfde dag moeten jullie een heilige bijeenkomst aankondigen en geen gewoon werk doen. Dit is een blijvende regel voor alle generaties, waar jullie ook wonen. 22. Wanneer jullie de oogst binnenhalen, maai dan de randen van het veld niet helemaal af en raap de achtergebleven aren niet op. Laat ze liggen voor de arme en de vreemdeling. Ik ben de HEERE, jullie God! 23. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 24. Zeg tegen de Israëlieten: De eerste dag van de zevende maand moet een rustdag zijn. Het is een gedenkdag met trompetgeschal en een heilige bijeenkomst. 25. Doe dan geen gewoon werk, maar breng een vuuroffer aan de HEERE. 26. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 27. De tiende dag van deze zevende maand is de Verzoendag. Houd dan een heilige bijeenkomst. Jullie moeten je verootmoedigen en een vuuroffer aan de HEERE brengen. 28. Op die dag mogen jullie geen enkel werk doen. Het is namelijk de Verzoendag, waarop voor jullie verzoening wordt gedaan voor de HEERE, jullie God. 29. Iedereen die zich die dag niet verootmoedigt, moet uit zijn volk worden uitgeroeid. 30. Wie die dag enig werk doet, zal ik uit zijn volk vernietigen. 31. Doe geen enkel werk. Dit is een blijvende regel voor alle generaties, waar jullie ook wonen. 32. Voor jullie is dit een sabbat van volledige rust. Jullie moeten je verootmoedigen. Vier deze sabbat van de avond van de negende dag tot de volgende avond. 33. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 34. Zeg tegen de Israëlieten: Op de vijftiende dag van de zevende maand begint het loofhuttenfeest voor de HEERE. Het duurt zeven dagen. 35. Op de eerste dag houden jullie een heilige bijeenkomst. Doe dan geen gewoon werk. 36. Zeven dagen moeten jullie vuuroffers aan de HEERE brengen. Op de achtste dag houden jullie een heilige bijeenkomst en brengen jullie opnieuw een vuuroffer. Het is een plechtige slotdag. Doe dan geen gewoon werk. 37. Dit zijn de vaste feestdagen van de HEERE die jullie als heilige bijeenkomsten moeten aankondigen. Breng op elke dag de voorgeschreven vuuroffers aan de HEERE: brandoffers, graanoffers, slachtoffers en drankoffers. 38. Deze offers komen naast de sabbatsoffers voor de HEERE en naast jullie gaven, gelofteoffers en vrijwillige offers voor de HEERE. 39. Vanaf de vijftiende dag van de zevende maand moeten jullie zeven dagen feestvieren voor de HEERE, nadat de hele oogst is binnengehaald. De eerste en de achtste dag zijn rustdagen. 40. Neem op de eerste dag takken van mooie bomen, palmtakken, loofrijke takken en wilgentakken van langs de beek. Vier zeven dagen feest voor de HEERE, jullie God. 41. Vier dit feest ieder jaar zeven dagen voor de HEERE. Dit is een blijvende regel voor alle generaties. Vier het in de zevende maand. 42. Zeven dagen moeten jullie in loofhutten wonen. Iedere geboren Israëliet moet in een loofhut wonen. 43. Zo weten toekomstige generaties dat ik de Israëlieten in loofhutten liet wonen toen ik hen uit Egypte leidde. Ik ben de HEERE, jullie God! 44. Zo maakte Mozes de vaste feestdagen van de HEERE aan de Israëlieten bekend. ## Leviticus 24 — De lampen, de heilige broden en rechtvaardige rechtspraak 1. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 2. Gebied de Israëlieten dat zij je zuivere olie van fijngestoten olijven brengen. Die olie is voor de lampen, zodat deze voortdurend kunnen branden. 3. Aäron moet de lampen van de avond tot de ochtend steeds voor de HEERE verzorgen. Ze staan in de ontmoetingstent, buiten het voorhangsel dat vóór de getuigenis hangt. Dit is een blijvende regel voor alle generaties. 4. Hij moet de lampen op de kandelaar van zuiver goud steeds voor de HEERE verzorgen. 5. Neem fijn meel en bak daarvan twaalf broden. Gebruik voor elk brood ongeveer 4 liter meel. 6. Leg ze in twee rijen op de tafel van zuiver goud voor de HEERE, zes broden per rij. 7. Leg op elke rij zuivere wierook. De wierook dient als gedenkoffer voor het brood en wordt als vuuroffer aan de HEERE gebracht. 8. Elke sabbat moeten de priesters de broden opnieuw voor de HEERE neerleggen, namens de Israëlieten. Dit hoort bij een eeuwig verbond. 9. De broden zijn voor Aäron en zijn zonen. Zij moeten ze op een heilige plaats eten. Het is voor hen een allerheiligst deel van de vuuroffers voor de HEERE. Dit is een blijvende regel. 10. De zoon van een Israëlitische vrouw en een Egyptische man ging naar buiten. In het kamp kreeg hij ruzie met een Israëlitische man. 11. De zoon van de Israëlitische vrouw lasterde de naam van de HEERE en vloekte. Daarom brachten zij hem naar Mozes. Zijn moeder heette Selomith. Zij was een dochter van Dibri uit de stam Dan. 12. Ze hielden hem gevangen totdat de HEERE duidelijk maakte wat er met hem moest gebeuren. 13. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 14. Breng de vloeker buiten het kamp. Iedereen die hem heeft gehoord, moet zijn handen op zijn hoofd leggen. Daarna moet de hele gemeenschap hem stenigen. 15. Zeg tegen de Israëlieten: Wie zijn God vervloekt, moet de straf voor zijn zonde dragen. 16. Wie de naam van de HEERE lastert, moet zeker worden gedood. De hele gemeenschap moet hem stenigen. Voor een vreemdeling geldt hetzelfde als voor een geboren Israëliet. Wie de naam van de HEERE lastert, moet gedood worden. 17. Wie een mens doodt, moet zeker worden gedood. 18. Wie een dier doodt, moet het vervangen: een levend dier voor het gedode dier. 19. Wie zijn naaste lichamelijk letsel toebrengt, moet hetzelfde letsel ondergaan. 20. Breuk voor breuk, oog voor oog en tand voor tand. Hetzelfde letsel dat iemand een ander toebrengt, moet ook hem worden toegebracht. 21. Wie een dier doodt, moet het vergoeden. Wie een mens doodt, moet gedood worden. 22. Voor jullie geldt één en dezelfde wet, voor de vreemdeling net als voor de geboren Israëliet. Ik ben de HEERE, jullie God! 23. Mozes zei tegen de Israëlieten: Breng de vloeker buiten het kamp en stenig hem. De Israëlieten deden wat de HEERE Mozes had opgedragen. ## Leviticus 25 — Het sabbatsjaar en het jubeljaar 1. De HEERE sprak bij de berg Sinaï tegen Mozes: 2. Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer jullie in het land komen dat ik jullie geef, moet het land rusten. Die rust is een sabbat voor de HEERE. 3. Zes jaar lang mogen jullie je akkers inzaaien, je wijngaarden snoeien en de opbrengst oogsten. 4. Maar in het zevende jaar moet het land volledig rusten. Het is een sabbat voor de HEERE. Zaai geen akker in en snoei geen wijngaard. 5. Oogst niet wat na de vorige oogst vanzelf opkomt. Pluk ook geen druiven van ongesnoeide wijnstokken. Het land moet een jaar rusten. 6. Wat het land in dat sabbatsjaar voortbrengt, mag dienen als voedsel voor jullie, jullie slaven, slavinnen, dagloners en inwonende vreemdelingen. 7. Ook jullie vee en de wilde dieren in het land mogen alles eten wat het land voortbrengt. 8. Tel zeven perioden van zeven jaar: zeven maal zeven jaar. Samen zijn dat 49 jaar. 9. Laat op de tiende dag van de zevende maand overal de ramshoorn klinken. Laat die op de Verzoendag door heel jullie land klinken. 10. Heilig het vijftigste jaar en kondig vrijheid af voor alle inwoners van het land. Het is jullie jubeljaar. Iedereen keert terug naar zijn familie en krijgt zijn familiebezit terug. 11. Het vijftigste jaar is jullie jubeljaar. Zaai niet, oogst niet wat vanzelf opkomt en pluk geen druiven van ongesnoeide wijnstokken. 12. Het is een heilig jubeljaar. Eet rechtstreeks van wat het land vanzelf voortbrengt. 13. In dat jubeljaar moet iedereen terugkeren naar zijn familiebezit. 14. Als jullie iets verkopen aan of kopen van een volksgenoot, mogen jullie elkaar niet benadelen. 15. Koop van je volksgenoot op basis van het aantal jaren tot het volgende jubeljaar. Hij verkoopt het aantal oogsten dat nog overblijft. 16. Verhoog de prijs als er veel jaren over zijn en verlaag hem als er weinig over zijn. Je koopt immers alleen een bepaald aantal oogsten. 17. Benadeel elkaar niet, maar heb ontzag voor jullie God. Ik ben de HEERE, jullie God. 18. Houd je aan mijn voorschriften en leef volgens mijn bepalingen. Dan zullen jullie veilig in het land wonen. 19. Het land zal zijn vruchten geven. Jullie zullen genoeg eten en er veilig wonen. 20. Misschien vragen jullie: ‘Wat moeten we in het zevende jaar eten? We mogen dan toch niet zaaien of onze oogst binnenhalen?’ 21. Dan zal ik in het zesde jaar mijn zegen over jullie sturen. Dat jaar zal genoeg opbrengen voor drie jaar. 22. In het achtste jaar zullen jullie weer zaaien, maar nog van de oude oogst eten. Tot de oogst van het negende jaar binnenkomt, eten jullie daarvan. 23. Land mag nooit voorgoed worden verkocht, want het land is van mij. Jullie verblijven bij mij als vreemdelingen en tijdelijke bewoners. 24. In heel het land dat jullie bezitten, moeten jullie toestaan dat grond wordt teruggekocht. 25. Als een volksgenoot verarmt en een deel van zijn familiebezit verkoopt, moet zijn naaste familielid komen en dat terugkopen. 26. Als iemand geen familielid heeft dat het kan terugkopen, maar later zelf genoeg geld bijeenbrengt, mag hij het zelf terugkopen. 27. Hij berekent hoeveel jaren sinds de verkoop zijn verstreken. Hij betaalt de koper het bedrag voor de resterende jaren terug en krijgt zijn bezit terug. 28. Kan hij niet genoeg terugbetalen, dan blijft het bezit tot het jubeljaar bij de koper. In het jubeljaar komt het vrij. De verkoper keert dan terug naar zijn bezit. 29. Als iemand een woonhuis in een ommuurde stad verkoopt, heeft hij precies één jaar na de verkoop om het terug te kopen. 30. Wordt het niet binnen dat volledige jaar teruggekocht, dan blijft het huis voorgoed van de koper en zijn nakomelingen. In het jubeljaar komt het niet vrij. 31. Huizen in dorpen zonder stadsmuur gelden als landbouwgrond. Ze mogen worden teruggekocht en komen in het jubeljaar vrij. 32. De Levieten behouden altijd het recht om huizen in hun eigen steden terug te kopen. 33. Ook een verkocht huis in een stad van de Levieten komt in het jubeljaar vrij. Die stadshuizen zijn namelijk hun bezit onder de Israëlieten. 34. De weidegrond rond hun steden mag niet worden verkocht, want die blijft altijd hun bezit. 35. Als een volksgenoot verarmt en niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien, moeten jullie hem ondersteunen. Dit geldt ook voor een vreemdeling of tijdelijke bewoner die bij jullie woont. 36. Vraag hem geen rente of buitensporige winst. Heb ontzag voor jullie God, zodat jullie volksgenoot bij jullie kan blijven leven. 37. Leen hem geen geld tegen rente en verkoop hem geen voedsel met buitensporige winst. 38. Ik ben de HEERE, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte geleid om jullie Kanaän te geven en jullie God te zijn. 39. Als een volksgenoot verarmt en zichzelf aan jou verkoopt, mag je hem niet als slaaf laten werken. 40. Behandel hem als een dagloner of tijdelijke bewoner. Hij werkt bij jou tot het jubeljaar. 41. Dan mag hij met zijn kinderen vertrekken. Hij keert terug naar zijn familie en het familiebezit van zijn voorouders. 42. De Israëlieten zijn mijn dienaren, die ik uit Egypte heb geleid. Daarom mogen zij niet worden verkocht zoals men een slaaf verkoopt. 43. Heers niet hardvochtig over hem, maar heb ontzag voor jullie God. 44. Slaven en slavinnen mogen jullie kopen uit de volken rondom jullie. 45. Jullie mogen ook slaven kopen uit de families van inwonende vreemdelingen die in jullie land geboren zijn. Zij worden jullie bezit. 46. Jullie mogen hen als blijvend bezit nalaten aan jullie kinderen. Zij mogen hen erven en voor altijd laten dienen. Maar over een mede-Israëliet mogen jullie niet hardvochtig heersen. 47. Een inwonende vreemdeling kan rijk worden, terwijl een volksgenoot bij hem verarmt. Die volksgenoot kan zich verkopen aan de vreemdeling of een familielid van hem. 48. Na die verkoop behoudt hij het recht om te worden vrijgekocht. Een van zijn broers mag hem vrijkopen. 49. Ook zijn oom, zijn neef of een andere naaste bloedverwant uit zijn familie mag hem vrijkopen. Kan hij het betalen, dan mag hij zichzelf vrijkopen. 50. Samen met zijn koper berekent hij de jaren vanaf zijn verkoop tot het jubeljaar. De verkoopprijs wordt over die jaren verdeeld volgens het loon van een dagloner. 51. Zijn er nog veel jaren over, dan betaalt hij voor zijn vrijkoop een overeenkomstig deel van de oorspronkelijke prijs terug. 52. Zijn er nog maar weinig jaren tot het jubeljaar over, dan betaalt hij voor zijn vrijkoop een overeenkomstig kleiner bedrag. 53. De koper moet hem ieder jaar als een dagloner behandelen. Jullie mogen niet toelaten dat hij hardvochtig over hem heerst. 54. Wordt hij niet op een van deze manieren vrijgekocht, dan komt hij in het jubeljaar vrij, samen met zijn kinderen. 55. De Israëlieten zijn namelijk mijn dienaren. Zij zijn mijn dienaren, die ik uit Egypte heb geleid. Ik ben de HEERE, jullie God. ## Leviticus 26 — Zegen bij gehoorzaamheid en straf bij ongehoorzaamheid 1. Maak geen afgoden voor jezelf. Richt geen gesneden beeld of afgodenpilaar op. Plaats in jullie land geen steen met afbeeldingen om ervoor te buigen. Ik ben de HEERE, jullie God. 2. Houd mijn sabbatten en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben de HEERE. 3. Als jullie mijn voorschriften volgen, mijn geboden naleven en ze uitvoeren, zal het volgende gebeuren. 4. Ik geef op tijd regen. Het land brengt zijn opbrengst voort en de bomen op het veld dragen vrucht. 5. Jullie zullen nog dorsen wanneer de druivenoogst begint, en nog druiven oogsten wanneer het zaaien begint. Jullie eten volop brood en wonen veilig in het land. 6. Ik geef vrede in het land. Jullie kunnen zonder angst gaan slapen. Ik laat wilde roofdieren verdwijnen en geen leger trekt door jullie land. 7. Jullie zullen je vijanden achtervolgen en zij zullen voor jullie door het zwaard vallen. 8. Vijf van jullie zullen 100 vijanden achtervolgen, en 100 van jullie 10.000. Jullie vijanden zullen voor jullie door het zwaard vallen. 9. Ik zal mij naar jullie toekeren, jullie vruchtbaar maken en talrijk maken. Ik zal mijn verbond met jullie bevestigen. 10. Jullie zullen nog graan van eerdere jaren eten. Om plaats te maken voor de nieuwe oogst, moeten jullie het oude graan uit de voorraad halen. 11. Ik zet mijn tabernakel in jullie midden en zal geen afkeer van jullie hebben. 12. Ik zal tussen jullie leven. Ik zal jullie God zijn en jullie zullen mijn volk zijn. 13. Ik ben de HEERE, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte geleid, zodat jullie niet langer hun slaven zouden zijn. Ik brak de stangen van jullie juk en liet jullie rechtop gaan. 14. Maar misschien luisteren jullie niet naar mij en voeren jullie al deze geboden niet uit. 15. Misschien verwerpen jullie mijn voorschriften en verafschuwen jullie mijn bepalingen. Jullie voeren dan mijn geboden niet uit en verbreken mijn verbond. 16. Dan doe ik dit met jullie: ik tref jullie met plotselinge angst, slopende ziekte en koorts. Die tasten jullie ogen aan en putten jullie leven uit. Jullie zaaien voor niets, want vijanden eten de oogst. 17. Ik keer mij tegen jullie. Vijanden zullen jullie verslaan en mensen die jullie haten zullen over jullie heersen. Jullie vluchten zelfs als niemand jullie achtervolgt. 18. Als jullie ondanks dit alles nog niet naar mij luisteren, zal ik jullie zeven keer zwaarder straffen voor jullie zonden. 19. Ik breek de trots op jullie eigen kracht. De hemel boven jullie wordt zo droog als ijzer en de aarde zo hard als koper. 20. Jullie putten je kracht voor niets uit. Het land geeft geen opbrengst en de bomen dragen geen vrucht. 21. Als jullie je tegen mij blijven verzetten en niet naar mij luisteren, tref ik jullie zeven keer zwaarder, overeenkomstig jullie zonden. 22. Ik stuur wilde dieren op jullie af. Ze beroven jullie van kinderen, roeien jullie vee uit en maken jullie aantal klein. Jullie wegen worden verlaten. 23. Misschien laten jullie je hierdoor nog steeds niet corrigeren en blijven jullie je tegen mij verzetten. 24. Dan zal ik mij ook tegen jullie keren. Ik tref jullie zelf zeven keer zwaarder vanwege jullie zonden. 25. Ik breng oorlog over jullie als straf voor het verbreken van het verbond. Wanneer jullie in de steden samenkomen, stuur ik de pest. Jullie worden aan de vijand overgeleverd. 26. Wanneer ik het brood zijn voedende kracht ontneem, kunnen tien vrouwen al hun brood in één oven bakken. Zij delen het brood nauwkeurig af. Jullie eten, maar raken niet verzadigd. 27. Misschien luisteren jullie zelfs dan niet naar mij en blijven jullie je tegen mij verzetten. 28. Dan zal ik mij in brandende woede tegen jullie keren. Ik zal jullie zelf zeven keer zwaarder straffen voor jullie zonden. 29. Jullie zullen het vlees van je zonen en dochters eten. 30. Ik verwoest jullie offerhoogten en vernietig jullie zonnebeelden. Ik werp jullie lichamen op de brokstukken van jullie afgodsbeelden. Ik zal een afkeer van jullie hebben. 31. Ik maak jullie steden tot ruïnes en verwoest jullie heiligdommen. De geur van jullie offers zal ik niet meer aanvaarden. 32. Ik verwoest zelf het land. De vijanden die er daarna wonen, zullen ontzet zijn over die verwoesting. 33. Ik verstrooi jullie onder de volken en jaag jullie met het zwaard uiteen. Jullie land wordt verwoest en jullie steden worden ruïnes. 34. Dan krijgt het land tijdens de hele verwoesting zijn sabbatsrust, terwijl jullie in het land van jullie vijanden wonen. Dan rust het land en krijgt het zijn sabbatsrust. 35. Tijdens de hele verwoesting zal het land rusten. Het kreeg die rust niet tijdens jullie sabbatsjaren, toen jullie er woonden. 36. De overlevenden onder jullie maak ik in de landen van hun vijanden zo bang, dat zelfs een weggeblazen blad hen opjaagt. Ze vluchten alsof voor een zwaard en vallen zonder achtervolger. 37. Ze vallen over elkaar alsof ze voor het zwaard vluchten, terwijl niemand hen achtervolgt. Tegen hun vijanden kunnen jullie niet standhouden. 38. Jullie komen om onder de volken. Het land van jullie vijanden zal jullie verteren. 39. Wie van jullie overblijven, zullen in het land van hun vijanden wegkwijnen door hun eigen zonden. Ook door de zonden van hun voorouders, die zij navolgen, zullen zij wegkwijnen. 40. Dan zullen zij hun eigen schuld en die van hun voorouders belijden. Zij erkennen dat zij mij ontrouw waren en zich tegen mij verzetten. 41. Zij zullen erkennen dat ik mij daarom tegen hen keerde en hen in het land van hun vijanden bracht. Als hun onbesneden, koppige hart zich verootmoedigt en zij hun verdiende straf aanvaarden, 42. dan denk ik aan mijn verbond met Jakob, mijn verbond met Izak en mijn verbond met Abraham. Ook denk ik aan het land. 43. Het land zal door hen verlaten en verwoest zijn, maar zo krijgt het zijn sabbatsrust. Zij erkennen dat hun straf verdiend is. Die straf komt omdat zij mijn bepalingen verwierpen en mijn voorschriften verafschuwden. 44. Maar ook wanneer zij in het land van hun vijanden zijn, zal ik hen niet verwerpen of verafschuwen. Ik maak geen einde aan hen en verbreek mijn verbond niet. Ik ben de HEERE, hun God. 45. Voor hun bestwil denk ik aan mijn verbond met hun voorouders. Ik leidde hun voorouders voor de ogen van de volken uit Egypte om hun God te zijn. Ik ben de HEERE. 46. Dit zijn de voorschriften, bepalingen en wetten die de HEERE op de berg Sinaï via Mozes aan de Israëlieten gaf. Deze golden tussen Hem en de Israëlieten. ## Leviticus 27 — Geloften, gewijde bezittingen en tienden 1. Verder sprak de HEERE tegen Mozes. 2. Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer iemand met een bijzondere gelofte een persoon aan de HEERE wijdt, moet die persoon volgens de volgende bedragen worden gewaardeerd. 3. Voor een man van twintig tot zestig jaar is de waarde ongeveer 550 gram zilver, volgens de gewichtsstandaard van het heiligdom. 4. Voor een vrouw in die leeftijd is de waarde ongeveer 330 gram zilver. 5. Voor iemand van vijf tot twintig jaar is de waarde ongeveer 220 gram zilver als het een jongen of man is. Voor een meisje of vrouw is het ongeveer 110 gram. 6. Voor een kind van één maand tot vijf jaar is de waarde ongeveer 55 gram zilver voor een jongen. Voor een meisje is het ongeveer 33 gram. 7. Voor iemand van zestig jaar of ouder is de waarde ongeveer 165 gram zilver voor een man en ongeveer 110 gram voor een vrouw. 8. Als iemand te arm is voor het vastgestelde bedrag, wordt de gewijde persoon aan de priester voorgesteld. De priester stelt een bedrag vast dat degene die de gelofte deed wel kan betalen. 9. Als iemand een dier aan de HEERE geeft dat als offer mag worden gebracht, wordt het dier heilig. 10. Hij mag het dier niet omruilen: geen goed dier voor een slecht dier en geen slecht dier voor een goed dier. Doet hij het toch, dan zijn zowel het oorspronkelijke als het vervangende dier heilig. 11. Is het een onrein dier dat niet aan de HEERE geofferd mag worden, dan moet hij het bij de priester brengen. 12. De priester bepaalt de waarde van het dier op grond van de kwaliteit. Zijn vastgestelde waarde is bindend. 13. Wil iemand het dier toch terugkopen, dan moet hij de vastgestelde waarde plus twintig procent betalen. 14. Als iemand zijn huis aan de HEERE wijdt, bepaalt de priester de waarde op grond van de kwaliteit. De waardering van de priester is bindend. 15. Wil degene die het huis heeft gewijd het terugkopen, dan betaalt hij de vastgestelde waarde plus twintig procent. Daarna is het huis weer van hem. 16. Als iemand een deel van zijn erfgrond aan de HEERE wijdt, hangt de waarde af van de hoeveelheid zaaigoed die nodig is. Voor grond waarop ongeveer 200 liter gerstezaad wordt gezaaid, is de waarde ongeveer 550 gram zilver. 17. Als iemand de akker in het jubeljaar wijdt, geldt de volledige vastgestelde waarde. 18. Als hij de akker later wijdt, berekent de priester de waarde volgens het aantal jaren dat nog resteert tot het jubeljaar. De vastgestelde waarde wordt dan evenredig verlaagd. 19. Wil degene die de akker heeft gewijd hem terugkopen, dan betaalt hij de vastgestelde waarde plus twintig procent. Daarna blijft de akker van hem. 20. Als hij de akker niet terugkoopt of hem aan iemand anders verkoopt, kan de akker daarna niet meer worden teruggekocht. 21. Wanneer de akker in het jubeljaar vrijkomt, wordt hij heilig voor de HEERE, zoals een akker onder de ban. Hij wordt eigendom van de priester. 22. Iemand kan ook een gekochte akker aan de HEERE wijden die niet bij zijn eigen erfgrond hoort. 23. De priester berekent de waarde tot aan het jubeljaar. De persoon betaalt die vastgestelde waarde dezelfde dag als een heilige gave aan de HEERE. 24. In het jubeljaar gaat de akker terug naar degene van wie hij hem heeft gekocht, de oorspronkelijke eigenaar van de erfgrond. 25. Gebruik voor alle waarderingen de heiligdomssikkel van twintig gera, ongeveer 11 gram zilver. 26. Niemand mag een eerstgeboren dier aan de HEERE wijden, want iedere eerstgeborene behoort al aan de HEERE. Dit geldt voor runderen, schapen en geiten. 27. Is het een eerstgeboren onrein dier, dan kan de eigenaar het terugkopen voor de vastgestelde waarde plus twintig procent. Anders moet het voor de vastgestelde waarde worden verkocht. 28. Maar alles wat iemand uit zijn bezit onherroepelijk aan de HEERE heeft gewijd—een mens, dier of stuk erfgrond—mag niet worden verkocht of teruggekocht. Zoiets is allerheiligst voor de HEERE. 29. Een mens die door Gods bevel onder de ban valt, kan niet worden vrijgekocht, maar moet zeker worden gedood. 30. Een tiende van alles wat het land opbrengt, van het graan en de vruchten aan de bomen, behoort aan de HEERE. Het is heilig voor de HEERE. 31. Wil iemand iets van zijn tiende terugkopen, dan moet hij de waarde plus twintig procent betalen. 32. Van alle runderen, schapen en geiten die bij het tellen onder de herdersstaf doorgaan, is elk tiende dier heilig voor de HEERE. 33. Hij mag niet kiezen tussen goede en slechte dieren en mag het tiende dier niet omruilen. Doet hij het toch, dan zijn beide dieren heilig en kunnen ze niet worden teruggekocht. 34. Dit zijn de geboden die de HEERE op de berg Sinaï via Mozes aan de Israëlieten heeft gegeven. ## Numeri 1 — De Israëlieten worden geteld 1. De HEERE sprak tegen Mozes in de Sinaïwoestijn, in de ontmoetingstent. Het was de eerste dag van de tweede maand, in het tweede jaar na de uittocht uit Egypte. Daar zei Hij: 2. Tel de hele gemeenschap van Israël, per familie en familietak. Noteer iedere man afzonderlijk bij naam. 3. Jij en Aäron moeten alle mannen van 20 jaar en ouder tellen die in Israëls leger kunnen dienen. Deel hen in per legerafdeling. 4. Uit elke stam moet één man jullie helpen: het hoofd van een familietak. 5. Dit zijn de mannen die jullie moeten helpen: uit Ruben Elizur, de zoon van Sedeür; 6. uit Simeon Selumiël, de zoon van Zurisaddai; 7. uit Juda Nahesson, de zoon van Amminadab; 8. uit Issaschar Nethaneël, de zoon van Zuar; 9. uit Zebulon Eliab, de zoon van Helon; 10. uit de nakomelingen van Jozef: uit Efraïm Elisama, de zoon van Ammihud, en uit Manasse Gamaliël, de zoon van Pedazur; 11. uit Benjamin Abidan, de zoon van Gideoni; 12. uit Dan Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai; 13. uit Aser Pagiël, de zoon van Ochran; 14. uit Gad Eljasaf, de zoon van Dehuël; 15. en uit Nafthali Ahira, de zoon van Enan. 16. Deze mannen werden uit de gemeenschap aangewezen. Zij waren leiders van hun voorouderlijke stammen en hoofden van de duizenden van Israël. 17. Mozes en Aäron namen de genoemde mannen bij zich. 18. Op de eerste dag van de tweede maand riepen zij de hele gemeenschap bijeen. Alle mannen van 20 jaar en ouder lieten zich afzonderlijk registreren, per familie en familietak. 19. Mozes telde hen in de Sinaïwoestijn, precies zoals de HEERE hem had opgedragen. 20. De mannen uit Rubens stam, de afstammelingen van Israëls eerstgeborene, werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden afzonderlijk bij naam geteld. 21. Uit Rubens stam werden 46.500 mannen geteld. 22. De mannen uit Simeons stam werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden afzonderlijk bij naam geteld. 23. Uit Simeons stam werden 59.300 mannen geteld. 24. De mannen uit Gads stam werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden bij naam geteld. 25. Uit Gads stam werden 45.650 mannen geteld. 26. De mannen uit Juda's stam werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden bij naam geteld. 27. Uit Juda's stam werden 74.600 mannen geteld. 28. De mannen uit Issaschars stam werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden bij naam geteld. 29. Uit Issaschars stam werden 54.400 mannen geteld. 30. De mannen uit Zebulons stam werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden bij naam geteld. 31. Uit Zebulons stam werden 57.400 mannen geteld. 32. De mannen uit Efraïms stam, een tak van Jozefs nakomelingen, werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden bij naam geteld. 33. Uit Efraïms stam werden 40.500 mannen geteld. 34. De mannen uit Manasses stam, een tak van Jozefs nakomelingen, werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden bij naam geteld. 35. Uit Manasses stam werden 32.200 mannen geteld. 36. De mannen uit Benjamins stam werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden bij naam geteld. 37. Uit Benjamins stam werden 35.400 mannen geteld. 38. De mannen uit Dans stam werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden bij naam geteld. 39. Uit Dans stam werden 62.700 mannen geteld. 40. De mannen uit Asers stam werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden bij naam geteld. 41. Uit Asers stam werden 41.500 mannen geteld. 42. De mannen uit Nafthali's stam werden per familie en familietak geregistreerd. Alle mannen van 20 jaar en ouder die in het leger konden dienen, werden bij naam geteld. 43. Uit Nafthali's stam werden 53.400 mannen geteld. 44. Mozes en Aäron telden hen samen met de twaalf leiders van Israël, één leider voor elke familietak. 45. Zo werden alle Israëlitische mannen van 20 jaar en ouder geteld die in het leger konden dienen, ingedeeld per familietak. 46. In totaal werden 603.550 mannen geteld. 47. De Levieten werden echter niet samen met de andere stammen geregistreerd. 48. De HEERE had namelijk tegen Mozes gezegd: 49. Tel de stam Levi niet en neem hun aantal niet op bij de andere Israëlieten. 50. Stel de Levieten verantwoordelijk voor de tabernakel van de getuigenis, al zijn voorwerpen en alles wat erbij hoort. Zij moeten de tabernakel dragen, hem verzorgen en eromheen hun kamp opslaan. 51. Wanneer de tabernakel verder trekt, moeten de Levieten hem afbreken. Wanneer het kamp wordt opgeslagen, moeten zij hem weer opbouwen. Iedere buitenstaander die te dichtbij komt, moet worden gedood. 52. De andere Israëlieten moeten hun kamp per legerafdeling opslaan, ieder in zijn eigen kamp en bij zijn eigen vaandel. 53. De Levieten moeten rondom de tabernakel van de getuigenis kamperen. Zo treft Gods toorn de gemeenschap van Israël niet. Zij moeten de wacht bij de tabernakel houden. 54. De Israëlieten deden alles precies zoals de HEERE Mozes had opgedragen. ## Numeri 2 — De opstelling van het kamp 1. De HEERE sprak tegen Mozes en Aäron: 2. Iedere Israëliet moet kamperen bij zijn eigen vaandel en het herkenningsteken van zijn familietak. Zij moeten op enige afstand rondom de ontmoetingstent kamperen. 3. Aan de oostkant, waar de zon opkomt, kampeert de legerafdeling onder Juda's vaandel. Nahesson, de zoon van Amminadab, is leider van Juda. 4. Zijn legerafdeling telt 74.600 mannen. 5. Naast Juda kampeert de stam Issaschar. Nethaneël, de zoon van Zuar, is leider van Issaschar. 6. Zijn legerafdeling telt 54.400 mannen. 7. Daarnaast kampeert de stam Zebulon. Eliab, de zoon van Helon, is leider van Zebulon. 8. Zijn legerafdeling telt 57.400 mannen. 9. De legerafdeling onder Juda's vaandel telt in totaal 186.400 mannen. Zij vertrekken als eerste. 10. Aan de zuidkant kampeert de legerafdeling onder Rubens vaandel. Elizur, de zoon van Sedeür, is leider van Ruben. 11. Zijn legerafdeling telt 46.500 mannen. 12. Naast Ruben kampeert de stam Simeon. Selumiël, de zoon van Zurisaddai, is leider van Simeon. 13. Zijn legerafdeling telt 59.300 mannen. 14. Daarnaast kampeert de stam Gad. Eljasaf, de zoon van Rehuël, is leider van Gad. 15. Zijn legerafdeling telt 45.650 mannen. 16. De legerafdeling onder Rubens vaandel telt in totaal 151.450 mannen. Zij vertrekken als tweede. 17. Daarna trekt de ontmoetingstent verder, met het kamp van de Levieten midden tussen de andere legerafdelingen. De stammen trekken op in dezelfde volgorde als waarin zij kamperen, ieder op zijn plaats onder zijn vaandel. 18. Aan de westkant kampeert de legerafdeling onder Efraïms vaandel. Elisama, de zoon van Ammihud, is leider van Efraïm. 19. Zijn legerafdeling telt 40.500 mannen. 20. Naast Efraïm kampeert de stam Manasse. Gamaliël, de zoon van Pedazur, is leider van Manasse. 21. Zijn legerafdeling telt 32.200 mannen. 22. Daarnaast kampeert de stam Benjamin. Abidan, de zoon van Gideoni, is leider van Benjamin. 23. Zijn legerafdeling telt 35.400 mannen. 24. De legerafdeling onder Efraïms vaandel telt in totaal 108.100 mannen. Zij vertrekken als derde. 25. Aan de noordkant kampeert de legerafdeling onder Dans vaandel. Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai, is leider van Dan. 26. Zijn legerafdeling telt 62.700 mannen. 27. Naast Dan kampeert de stam Aser. Pagiël, de zoon van Ochran, is leider van Aser. 28. Zijn legerafdeling telt 41.500 mannen. 29. Daarnaast kampeert de stam Nafthali. Ahira, de zoon van Enan, is leider van Nafthali. 30. Zijn legerafdeling telt 53.400 mannen. 31. De legerafdeling onder Dans vaandel telt in totaal 157.600 mannen. Zij vertrekken als laatste, onder hun eigen vaandels. 32. Dit waren de getelde Israëlieten, ingedeeld per familietak en legerafdeling. Samen telden de legerafdelingen 603.550 mannen. 33. De Levieten werden niet bij de andere Israëlieten geteld, precies zoals de HEERE Mozes had opgedragen. 34. De Israëlieten deden alles wat de HEERE Mozes had opgedragen. Zij kampeerden en trokken verder onder hun eigen vaandel, per familie en familietak. ## Numeri 3 — De Levieten worden geteld en aangewezen 1. Dit is het familieoverzicht van Aäron en Mozes uit de tijd dat de HEERE op de berg Sinaï met Mozes sprak. 2. Aärons zonen heetten Nadab, zijn eerstgeborene, daarna Abihu, Eleazar en Ithamar. 3. Deze zonen van Aäron waren gezalfde priesters. Zij waren officieel aangesteld om het priesterambt uit te oefenen. 4. Nadab en Abihu stierven voor de HEERE toen zij in de Sinaïwoestijn ongeoorloofd vuur aan Hem aanboden. Zij hadden geen kinderen. Eleazar en Ithamar dienden als priester terwijl hun vader Aäron nog leefde. 5. De HEERE sprak tegen Mozes: 6. Breng de Levieten naar voren en stel hen onder het gezag van de priester Aäron. Zij moeten hem bij zijn werk helpen. 7. Zij moeten taken uitvoeren voor Aäron en de hele gemeenschap bij de ontmoetingstent. Zo verrichten zij de dienst bij de tabernakel. 8. Zij moeten zorgen voor alle voorwerpen van de ontmoetingstent. Daarmee vervullen zij namens de Israëlieten de dienst bij de tabernakel. 9. Wijs de Levieten toe aan Aäron en zijn zonen. Zij komen uit het volk Israël en zijn volledig aan hem toegewezen. 10. Stel Aäron en zijn zonen aan om het priesterambt uit te oefenen. Iedere onbevoegde die het heiligdom nadert, moet worden gedood. 11. De HEERE sprak opnieuw tegen Mozes: 12. Ik heb de Levieten uit de Israëlieten genomen in plaats van iedere eerstgeboren zoon die de baarmoeder opent. De Levieten behoren aan mij. 13. Iedere eerstgeborene behoort aan mij. Toen ik in Egypte alle eerstgeborenen doodde, wijdde ik alle eerstgeborenen in Israël aan mijzelf, van mensen en dieren. Zij zijn van mij. Ik ben de HEERE! 14. De HEERE sprak in de Sinaïwoestijn tegen Mozes: 15. Tel de mannelijke nakomelingen van Levi per vaderlijke familie en familietak. Tel iedereen van 1 maand of ouder. 16. Mozes telde hen op bevel van de HEERE, precies zoals hem was opgedragen. 17. Levi's zonen heetten Gerson, Kahath en Merari. 18. De zonen van Gerson, ingedeeld per familie, waren Libni en Simeï. 19. De zonen van Kahath, ingedeeld per familie, waren Amram, Izhar, Hebron en Uzziël. 20. De zonen van Merari, ingedeeld per familie, waren Maheli en Musi. Dit waren de families waarin de Levieten naar hun voorouders werden ingedeeld. 21. Van Gerson stamden de families van de Libnieten en Simeïeten af. Samen vormden zij de families van de Gersonieten. 22. Er werden 7.500 mannelijke nakomelingen van 1 maand of ouder geteld. 23. De families van de Gersonieten moesten achter de tabernakel kamperen, aan de westkant. 24. Eljasaf, de zoon van Laël, was leider van de vaderlijke familie van de Gersonieten. 25. Bij de ontmoetingstent waren de Gersonieten verantwoordelijk voor de tabernakel, de tent, haar dekkleed en het gordijn voor de ingang. 26. Ook zorgden zij voor de gordijnen rondom de voorhof, het gordijn bij de poort, alle touwen en al het bijbehorende werk. 27. Van Kahath stamden de families van de Amramieten, Izharieten, Hebronieten en Uzziëlieten af. Samen vormden zij de families van de Kohathieten. 28. Er werden 8.600 mannelijke nakomelingen van 1 maand of ouder geteld. Zij waren verantwoordelijk voor het heiligdom. 29. De families van de Kohathieten moesten aan de zuidkant van de tabernakel kamperen. 30. Elisafan, de zoon van Uzziël, was leider van de vaderlijke families van de Kohathieten. 31. Zij waren verantwoordelijk voor de ark, tafel, kandelaar, altaren, heilige voorwerpen en het afschermende voorhangsel. Ook al het bijbehorende werk hoorde bij hun taak. 32. Eleazar, de zoon van de priester Aäron, was de hoogste leider van de Levieten. Hij hield toezicht op iedereen die voor het heiligdom zorgde. 33. Van Merari stamden de families van de Mahelieten en Musieten af. Samen vormden zij de families van Merari. 34. Er werden 6.200 mannelijke nakomelingen van 1 maand of ouder geteld. 35. Zuriël, de zoon van Abihaïl, was leider van de vaderlijke families van Merari. Zij moesten aan de noordkant van de tabernakel kamperen. 36. De Merarieten waren verantwoordelijk voor de planken, dwarsbalken, palen, voetstukken en alle overige voorwerpen en werkzaamheden van de tabernakel. 37. Ook zorgden zij voor de palen, voetstukken, pinnen en touwen rondom de voorhof. 38. Mozes, Aäron en zijn zonen moesten vóór de tabernakel kamperen, aan de oostkant bij de ingang van de ontmoetingstent. Zij bewaakten het heiligdom namens de Israëlieten. Iedere onbevoegde die naderde, moest worden gedood. 39. Mozes en Aäron telden op bevel van de HEERE alle mannelijke Levieten van 1 maand of ouder, per familie. In totaal waren het 22.000. 40. De HEERE zei tegen Mozes: Tel alle mannelijke eerstgeborenen onder de Israëlieten die 1 maand of ouder zijn. Registreer hen afzonderlijk bij naam. 41. Neem voor mij de Levieten in plaats van alle mannelijke eerstgeborenen van de Israëlieten. Ik ben de HEERE. Neem ook de dieren van de Levieten in plaats van alle eerstgeboren dieren van de Israëlieten. 42. Mozes telde alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, zoals de HEERE hem had opgedragen. 43. Er werden 22.273 mannelijke eerstgeborenen van 1 maand of ouder afzonderlijk bij naam geteld. 44. De HEERE sprak tegen Mozes: 45. Neem de Levieten in plaats van alle mannelijke eerstgeborenen van de Israëlieten. Neem de dieren van de Levieten in plaats van de eerstgeboren dieren van de Israëlieten. De Levieten behoren aan mij. Ik ben de HEERE! 46. Er zijn 273 mannelijke eerstgeborenen meer dan Levieten. Zij moeten worden vrijgekocht. 47. Vraag voor ieder van hen vijf heiligdomssikkels, ongeveer 55 gram zilver. Eén heiligdomssikkel telt 20 gera. 48. Geef dit losgeld voor de 273 overgebleven mannelijke eerstgeborenen aan Aäron en zijn zonen. 49. Mozes inde het losgeld voor de eerstgeborenen die niet door een Leviet konden worden vervangen. 50. Hij ontving van de eerstgeboren Israëlieten 1.365 heiligdomssikkels. 51. Mozes gaf het losgeld aan Aäron en zijn zonen. Zo voerde hij het bevel uit dat de HEERE hem had gegeven. ## Numeri 4 — De draagtaken van de Levieten 1. De HEERE sprak tegen Mozes en Aäron: 2. Tel de Kohathieten onder de nakomelingen van Levi, per familie en familietak. 3. Tel alle mannen van 30 tot en met 50 jaar die geschikt zijn om bij de ontmoetingstent te dienen. 4. De Kohathieten krijgen in de ontmoetingstent de zorg voor de allerheiligste voorwerpen. 5. Wanneer het kamp verder trekt, moeten Aäron en zijn zonen naar binnen gaan. Zij nemen het afschermende voorhangsel neer en bedekken daarmee de ark van de getuigenis. 6. Daarover leggen zij een dekkleed van dassenvellen en vervolgens een volledig blauw kleed. Daarna maken zij de draagstokken gereed. 7. Over de tafel met het toonbrood spreiden zij een blauw kleed. Daarop zetten zij de schotels, wierookschalen, kommen en kannen. Ook het vaste toonbrood blijft erop liggen. 8. Daarover spreiden zij een scharlaken kleed en een dekkleed van dassenvellen. Daarna brengen zij de draagstokken aan. 9. Zij bedekken de kandelaar met een blauw kleed, samen met zijn lampen, lontscharen, blusvaten en alle oliehouders die bij de dienst worden gebruikt. 10. Zij leggen de kandelaar en al zijn voorwerpen in een dekkleed van dassenvellen en plaatsen het geheel op een draagbaar. 11. Over het gouden altaar spreiden zij een blauw kleed en een dekkleed van dassenvellen. Daarna brengen zij de draagstokken aan. 12. Alle voorwerpen waarmee men in het heiligdom dient, leggen zij in een blauw kleed en een dekkleed van dassenvellen. Daarna plaatsen zij het geheel op een draagbaar. 13. Zij verwijderen de as van het offeraltaar en spreiden er een purperen kleed over. 14. Daarop leggen zij alle altaarvoorwerpen: vuurpannen, vorken, scheppen en sprengbekkens. Zij bedekken alles met een dekkleed van dassenvellen en brengen de draagstokken aan. 15. Pas wanneer Aäron en zijn zonen alles hebben bedekt, mogen de Kohathieten komen om het te dragen. Zij mogen de heilige voorwerpen niet aanraken, anders sterven zij. Dit is hun draagtaak bij de ontmoetingstent. 16. Eleazar, de zoon van de priester Aäron, houdt toezicht op de lampolie, het geurige reukwerk, het vaste graanoffer en de zalfolie. Ook de hele tabernakel, het heiligdom en alle voorwerpen daarin vallen onder zijn toezicht. 17. De HEERE sprak tegen Mozes en Aäron: 18. Zorg ervoor dat de families van de Kohathieten niet uit de Levieten worden uitgeroeid. 19. Doe daarom het volgende, zodat zij blijven leven wanneer zij de allerheiligste voorwerpen naderen. Aäron en zijn zonen moeten ieder van hen zijn eigen taak en draaglast aanwijzen. 20. De Kohathieten mogen niet naar binnen gaan om te kijken terwijl de heilige voorwerpen worden ingepakt. Anders zullen zij sterven. 21. De HEERE sprak tegen Mozes: 22. Tel ook de Gersonieten, per vaderlijke familie en familietak. 23. Tel alle mannen van 30 tot en met 50 jaar die geschikt zijn om bij de ontmoetingstent te dienen. 24. Dit zijn de werkzaamheden en draagtaken van de families van de Gersonieten. 25. Zij dragen de tentkleden van de tabernakel, de ontmoetingstent met haar dekkleden en het gordijn voor de ingang. 26. Ook dragen zij de gordijnen rondom de voorhof en het gordijn bij de poort. De voorhof ligt rondom de tabernakel en het altaar. Verder dragen zij alle touwen, voorwerpen en benodigdheden voor hun werk. 27. Aäron en zijn zonen moeten al het werk en alle draagtaken van de Gersonieten leiden. Wijs hun precies aan welke lasten zij moeten dragen. 28. Dit is de dienst van de families van de Gersonieten bij de ontmoetingstent. Ithamar, de zoon van de priester Aäron, houdt toezicht op hen. 29. Tel ook de Merarieten, per familie en familietak. 30. Tel alle mannen van 30 tot en met 50 jaar die geschikt zijn om bij de ontmoetingstent te dienen. 31. Hun draagtaak bij de ontmoetingstent omvat de planken, dwarsbalken, palen en voetstukken van de tabernakel. 32. Ook dragen zij de palen, voetstukken, pinnen en touwen rondom de voorhof, met alle bijbehorende voorwerpen. Maak een lijst waarop ieder voorwerp afzonderlijk staat. 33. Dit is al het werk van de families van Merari bij de ontmoetingstent. Ithamar, de zoon van de priester Aäron, houdt toezicht op hen. 34. Mozes, Aäron en de leiders van de gemeenschap telden de Kohathieten per familie en familietak. 35. Zij telden alle mannen van 30 tot en met 50 jaar die geschikt waren om bij de ontmoetingstent te dienen. 36. Er werden 2.750 Kohathieten geteld, ingedeeld per familie. 37. Dit waren alle Kohathieten die bij de ontmoetingstent dienden. Mozes en Aäron telden hen volgens het bevel dat de HEERE via Mozes had gegeven. 38. Ook de Gersonieten werden per familie en familietak geteld. 39. Zij telden alle mannen van 30 tot en met 50 jaar die geschikt waren om bij de ontmoetingstent te dienen. 40. Er werden 2.630 Gersonieten geteld, ingedeeld per familie en familietak. 41. Dit waren alle Gersonieten die bij de ontmoetingstent dienden. Mozes en Aäron telden hen op bevel van de HEERE. 42. Ook de Merarieten werden per familie en familietak geteld. 43. Zij telden alle mannen van 30 tot en met 50 jaar die geschikt waren om bij de ontmoetingstent te dienen. 44. Er werden 3.200 Merarieten geteld, ingedeeld per familie. 45. Dit waren alle Merarieten die werden geteld. Mozes en Aäron telden hen volgens het bevel dat de HEERE via Mozes had gegeven. 46. Zo telden Mozes, Aäron en de leiders van Israël alle Levieten per familie en familietak. 47. Zij telden iedereen van 30 tot en met 50 jaar die geschikt was voor het werk en het dragen bij de ontmoetingstent. 48. In totaal werden 8.580 mannen geteld. 49. Ze werden op bevel van de HEERE door Mozes geteld, ieder met zijn eigen werk en draaglast. Iedereen die de HEERE Mozes had opgedragen te tellen, werd zo geregistreerd. ## Numeri 5 — Reinheid, herstel en de wet voor jaloezie 1. De HEERE sprak tegen Mozes: 2. Geef de Israëlieten opdracht iedereen met melaatsheid of een abnormale afscheiding buiten het kamp te sturen. Dit geldt ook voor wie door een dode onrein is. 3. Stuur zowel mannen als vrouwen buiten het kamp. Anders verontreinigen zij hun kampen, waar ik midden tussen hen woon. 4. De Israëlieten gehoorzaamden. Zij stuurden deze mensen buiten het kamp, precies zoals de HEERE tegen Mozes had gezegd. 5. De HEERE sprak opnieuw tegen Mozes: 6. Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer een man of vrouw een medemens benadeelt en zo ontrouw is aan de HEERE, staat die persoon schuldig. 7. Die persoon moet de zonde belijden en het volledige schadebedrag terugbetalen. Daar komt een vijfde bovenop, bestemd voor degene die is benadeeld. 8. Is er geen naaste verwant van de benadeelde aan wie het bedrag kan worden terugbetaald? Dan komt het toe aan de HEERE en krijgt de priester het. Daarnaast moet een ram worden geofferd waarmee de priester verzoening voor de schuldige doet. 9. Elke heilige bijdrage die de Israëlieten naar de priester brengen, wordt eigendom van de priester. 10. Iedere heilige gave die iemand aan de priester geeft, wordt eigendom van de priester. 11. Verder sprak de HEERE tegen Mozes: 12. Zeg tegen de Israëlieten: Stel dat iemands vrouw afdwaalt en hem ontrouw wordt. 13. Een andere man heeft gemeenschap met haar, maar haar echtgenoot weet niets. Zij heeft haar onreinheid verborgen. Er is geen getuige en zij is niet betrapt. 14. Haar man wordt achterdochtig en jaloers omdat zij zich werkelijk heeft verontreinigd. Het kan ook zijn dat hij jaloers wordt terwijl zij onschuldig is. 15. Dan moet de man zijn vrouw naar de priester brengen. Voor haar brengt hij ongeveer 2 liter gerstemeel als offer mee. Hij giet er geen olie over en legt er geen wierook op. Dit is een graanoffer vanwege jaloezie. Het brengt mogelijke schuld aan het licht. 16. De priester laat de vrouw naar voren komen en zet haar voor de HEERE. 17. Hij neemt heilig water in een aardewerken vat en doet er wat stof van de vloer van de tabernakel in. 18. De priester zet de vrouw voor de HEERE en maakt haar haar los. Hij legt het graanoffer dat de schuld zichtbaar maakt in haar handen. Zelf houdt hij het bittere water vast dat de vloek brengt. 19. De priester laat haar zweren. Hij zegt: Als geen andere man met u heeft geslapen en u uw echtgenoot niet ontrouw bent geweest, zal dit bittere vloekwater u niet treffen. 20. Maar als u uw echtgenoot ontrouw bent geworden en een andere man met u heeft geslapen, 21. dan laat de priester haar de eed met de vloek zweren. Hij zegt: Moge de HEERE u onder uw volk tot een afschrikwekkend voorbeeld maken. Hij zal uw heup laten wegteren en uw buik laten opzwellen. 22. Dit vloekwater zal in uw lichaam komen, uw buik laten opzwellen en uw heup laten wegteren. De vrouw antwoordt: Amen, amen! 23. De priester schrijft deze vloekwoorden op een document. Daarna wast hij de inkt in het bittere water af. 24. Vervolgens laat hij de vrouw het bittere vloekwater drinken. Het zal haar bitter lijden bezorgen. 25. De priester neemt het graanoffer voor jaloezie uit haar handen. Hij beweegt het als beweegoffer voor de HEERE en brengt het naar het altaar. 26. Hij neemt een handvol als herinneringsoffer en verbrandt dit op het altaar. Daarna laat hij de vrouw het water drinken. 27. Is zij onrein geworden door haar man ontrouw te zijn, dan zal het vloekwater haar bitter lijden bezorgen. Haar buik zal opzwellen en haar heup wegteren. Zij zal onder haar volk een afschrikwekkend voorbeeld worden. 28. Is de vrouw niet onrein geworden, maar werkelijk onschuldig, dan blijft zij ongedeerd en kan zij kinderen krijgen. 29. Dit is de wet voor jaloezie wanneer een getrouwde vrouw afdwaalt en zich verontreinigt. 30. Deze wet geldt ook wanneer een man door jaloezie wordt beheerst en zijn vrouw verdenkt. Hij brengt haar voor de HEERE. De priester voert dan de hele voorgeschreven procedure met haar uit. 31. De man gaat vrijuit, maar als de vrouw schuldig is, draagt zij haar schuld. ## Numeri 6 — De nazireeërsgelofte en de priesterlijke zegen 1. De HEERE sprak tegen Mozes: 2. Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer een man of vrouw een bijzondere nazireeërsgelofte aflegt, zondert die persoon zich voor de HEERE af. 3. Zo iemand onthoudt zich van wijn en sterke drank. Hij drinkt geen wijnazijn, azijn van sterke drank of druivensap. Ook eet hij geen verse of gedroogde druiven. 4. Tijdens zijn hele nazireeërschap eet hij niets van de wijnstok, zelfs geen druivenpitten of druivenschillen. 5. Tijdens zijn hele gelofte mag geen scheermes over zijn hoofd gaan. Totdat zijn tijd voor de HEERE voorbij is, blijft hij heilig. Daarom laat hij zijn hoofdhaar groeien. 6. Tijdens de hele periode waarin hij zich aan de HEERE wijdt, mag hij niet bij een dode komen. 7. Zelfs bij het overlijden van zijn vader, moeder, broer of zus mag hij zich niet verontreinigen. Het teken van zijn toewijding aan God rust op zijn hoofd. 8. Tijdens zijn hele nazireeërschap is hij heilig voor de HEERE. 9. Sterft er plotseling iemand vlak bij hem, dan wordt zijn toegewijde hoofd onrein. Op de zevende dag van zijn reiniging scheert hij zijn hoofd. 10. Op de achtste dag brengt hij twee tortelduiven of twee jonge duiven naar de priester bij de ingang van de ontmoetingstent. 11. De priester bereidt één vogel als zondoffer en de andere als brandoffer. Zo doet hij verzoening voor hem, omdat hij door de dode onrein werd. Diezelfde dag wijdt de nazireeër zijn hoofd opnieuw. 12. Hij wijdt opnieuw een volledige periode aan de HEERE en brengt een eenjarig lam als schuldoffer. De vorige dagen tellen niet mee, omdat zijn nazireeërschap onrein werd. 13. Dit is de wet voor een nazireeër wanneer zijn afzonderingstijd voorbij is. Hij wordt naar de ingang van de ontmoetingstent gebracht. 14. Daar offert hij drie gave dieren aan de HEERE. Hij brengt een eenjarig mannelijk lam als brandoffer, een eenjarig ooilam als zondoffer en een ram als dankoffer. 15. Ook brengt hij een mand met ongezuurde koeken van fijn meel en olie, plus ongezuurde platte broden bestreken met olie. Daarbij horen de graanoffers en drankoffers. 16. De priester biedt alles aan voor de HEERE. Hij bereidt het zondoffer en het brandoffer. 17. Ook bereidt hij de ram als dankoffer voor de HEERE, samen met de mand ongezuurde koeken. De priester brengt eveneens het graanoffer en drankoffer. 18. Bij de ingang van de ontmoetingstent scheert de nazireeër zijn toegewijde hoofd kaal. Hij legt dit hoofdhaar in het vuur onder het dankoffer. 19. Na het kaalscheren neemt de priester de gekookte schouder van de ram, één ongezuurde koek en één ongezuurd platbrood. Hij legt die op de handen van de nazireeër. 20. De priester beweegt ze als beweegoffer voor de HEERE. Samen met het borststuk van het beweegoffer en de schouder van het hefoffer zijn ze heilig voor de priester. Daarna mag de nazireeër weer wijn drinken. 21. Dit is de wet voor een nazireeër die zo’n offer aan de HEERE heeft beloofd. Kan hij meer geven, dan komt dat erbij. Hij moet zijn gelofte uitvoeren volgens de wet van het nazireeërschap. 22. De HEERE sprak opnieuw tegen Mozes: 23. Zeg tegen Aäron en zijn zonen: Zo moeten jullie de Israëlieten zegenen: 24. Moge de HEERE u zegenen en beschermen. 25. Moge de HEERE Zijn aangezicht over u laten stralen en u genadig zijn. 26. Moge de HEERE Zijn aangezicht naar u toekeren en u vrede geven. 27. Zo leggen zij mijn naam op de Israëlieten. Dan zal ik hen zegenen. ## Numeri 7 — De gaven van de twaalf stamleiders bij de inwijding van het altaar 1. Op de dag dat Mozes klaar was met het opzetten van de tabernakel, zalfde en heiligde hij hem. Dat deed hij ook met alle voorwerpen, met het altaar en met alles wat daarbij hoorde. 2. Toen brachten de leiders van Israël hun gaven. Zij waren de hoofden van de families en stonden aan het hoofd van de getelde stammen. 3. Zij brachten hun gave voor de HEERE: zes overdekte wagens en twaalf runderen. Dat was een wagen voor elke twee leiders en een rund voor elke leider. Zij zetten die neer bij de tabernakel. 4. En de HEERE zei tegen Mozes: 5. Neem ze van hen aan, want ze zijn bedoeld voor het werk aan de ontmoetingstent. Geef ze aan de Levieten, ieder naar wat zijn taak vraagt. 6. Mozes nam de wagens en de runderen aan en gaf ze aan de Levieten. 7. Aan de zonen van Gerson gaf hij twee wagens en vier runderen, naar wat hun werk vroeg. 8. Aan de zonen van Merari gaf hij vier wagens en acht runderen, naar wat hun werk vroeg. Zij stonden onder leiding van Ithamar, de zoon van de priester Aäron. 9. Aan de zonen van Kehath gaf hij niets. Zij hadden de zorg voor de heilige voorwerpen, en die droegen zij op hun schouders. 10. De leiders brachten ook hun gaven voor de inwijding van het altaar, op de dag dat het gezalfd werd. Zij zetten hun gaven neer voor het altaar. 11. De HEERE zei tegen Mozes: Laat elke leider op zijn eigen dag zijn gave brengen voor de inwijding van het altaar. 12. Op de eerste dag bracht Nahesson, de zoon van Amminadab, zijn gave. Hij was de leider van de stam Juda. 13. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 14. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 15. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 16. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 17. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Nahesson, de zoon van Amminadab. 18. Op de tweede dag bracht Nethaneël, de zoon van Zuar, zijn gave. Hij was de leider van de stam Issaschar. 19. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 20. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 21. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 22. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 23. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Nethaneël, de zoon van Zuar. 24. Op de derde dag bracht Eliab, de zoon van Helon, zijn gave. Hij was de leider van de stam Zebulon. 25. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 26. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 27. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 28. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 29. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Eliab, de zoon van Helon. 30. Op de vierde dag bracht Elizur, de zoon van Sedeür, zijn gave. Hij was de leider van de stam Ruben. 31. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 32. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 33. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 34. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 35. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Elizur, de zoon van Sedeür. 36. Op de vijfde dag bracht Selumiël, de zoon van Zurisaddai, zijn gave. Hij was de leider van de stam Simeon. 37. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 38. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 39. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 40. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 41. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Selumiël, de zoon van Zurisaddai. 42. Op de zesde dag bracht Eljasaf, de zoon van Dehuël, zijn gave. Hij was de leider van de stam Gad. 43. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 44. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 45. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 46. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 47. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Eljasaf, de zoon van Dehuël. 48. Op de zevende dag bracht Elisama, de zoon van Ammihud, zijn gave. Hij was de leider van de stam Efraïm. 49. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 50. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 51. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 52. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 53. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Elisama, de zoon van Ammihud. 54. Op de achtste dag bracht Gamaliël, de zoon van Pedazur, zijn gave. Hij was de leider van de stam Manasse. 55. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 56. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 57. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 58. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 59. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Gamaliël, de zoon van Pedazur. 60. Op de negende dag bracht Abidan, de zoon van Gideoni, zijn gave. Hij was de leider van de stam Benjamin. 61. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 62. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 63. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 64. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 65. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Abidan, de zoon van Gideoni. 66. Op de tiende dag bracht Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai, zijn gave. Hij was de leider van de stam Dan. 67. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 68. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 69. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 70. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 71. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. 72. Op de elfde dag bracht Pagiël, de zoon van Ochran, zijn gave. Hij was de leider van de stam Aser. 73. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 74. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 75. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 76. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 77. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Pagiël, de zoon van Ochran. 78. Op de twaalfde dag bracht Ahira, de zoon van Enan, zijn gave. Hij was de leider van de stam Nafthali. 79. Hij gaf een zilveren schaal van ongeveer 1,4 kilo en een zilveren sprengbekken van ongeveer 770 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Beide waren gevuld met fijn meel, aangemaakt met olie, voor het graanoffer. 80. Ook gaf hij een gouden schaal van ongeveer 110 gram, gevuld met reukwerk. 81. Voor het brandoffer gaf hij een jonge stier, een ram en een lam van een jaar oud. 82. Voor het zondoffer gaf hij een geitenbok. 83. En voor het dankoffer gaf hij twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf lammeren van een jaar oud. Dit was de gave van Ahira, de zoon van Enan. 84. Dit was de gave van de leiders van Israël bij de inwijding van het altaar, op de dag dat het gezalfd werd. Samen brachten zij twaalf zilveren schalen, twaalf zilveren sprengbekkens en twaalf gouden schalen. 85. Elke zilveren schaal woog ongeveer 1,4 kilo en elk sprengbekken ongeveer 770 gram. Al het zilver van deze voorwerpen woog samen ongeveer 26 kilo, volgens de heiligdomsstandaard. 86. De twaalf gouden schalen waren gevuld met reukwerk. Elke schaal woog ongeveer 110 gram, volgens de heiligdomsstandaard. Samen woog het goud ongeveer 1,3 kilo. 87. Voor het brandoffer waren er in totaal twaalf stieren, twaalf rammen en twaalf lammeren van een jaar oud, met het graanoffer dat daarbij hoorde. Voor het zondoffer waren er twaalf geitenbokken. 88. Voor het dankoffer waren er in totaal vierentwintig stieren, zestig rammen, zestig bokken en zestig lammeren van een jaar oud. Dit was de gave voor de inwijding van het altaar, nadat het gezalfd was. 89. Als Mozes de ontmoetingstent binnenging om met Hem te spreken, hoorde hij de stem die tot hem sprak. Die kwam van boven het verzoendeksel op de ark van het verbond, tussen de twee cherubs vandaan. Zo sprak Hij met hem. ## Numeri 8 — De zeven lampen, en de Levieten in dienst gesteld 1. En de HEERE zei tegen Mozes: 2. Zeg tegen Aäron: Als je de lampen aansteekt, moeten de zeven lampen naar voren schijnen, naar de kant tegenover de kandelaar. 3. Aäron deed dat. Hij stak de lampen aan aan de voorkant van de kandelaar, zoals de HEERE Mozes had opgedragen. 4. De kandelaar was uit een stuk goud gedreven, van de schacht tot de bloemen. Mozes had hem gemaakt naar het model dat de HEERE hem had laten zien. 5. En de HEERE zei tegen Mozes: 6. Neem de Levieten apart van de andere Israëlieten en maak hen rein. 7. Doe het zo: sprenkel het reinigingswater op hen. Laat hen hun hele lichaam scheren en hun kleren wassen, en zo zichzelf reinigen. 8. Daarna moeten zij een jonge stier nemen, met het graanoffer van fijn meel aangemaakt met olie. En jij neemt een tweede jonge stier voor het zondoffer. 9. Laat de Levieten naar voren komen bij de ontmoetingstent en roep heel de gemeenschap van Israël bijeen. 10. Laat de Levieten voor de HEERE komen. De Israëlieten leggen dan hun handen op hen. 11. Aäron moet de Levieten voor de HEERE aanbieden als een beweegoffer namens de Israëlieten. Zo staan zij klaar om het werk voor de HEERE te doen. 12. De Levieten leggen hun handen op de kop van de stieren. Bereid daarna de ene als zondoffer en de andere als brandoffer voor de HEERE, om verzoening te doen voor de Levieten. 13. Zet de Levieten voor Aäron en zijn zonen, en bied hen aan als beweegoffer voor de HEERE. 14. Zo zonder je de Levieten af van de andere Israëlieten, zodat zij van mij zijn. 15. Daarna mogen de Levieten binnenkomen om in de ontmoetingstent te werken. Je maakt hen eerst rein en biedt hen aan als beweegoffer. 16. Want zij zijn mij helemaal gegeven uit het midden van Israël. In plaats van elke eerstgeborene, elke zoon die als eerste geboren wordt, heb ik hen voor mijzelf genomen. 17. Want elke eerstgeborene in Israël is van mij, bij mensen en bij dieren. Op de dag dat ik alle eerstgeborenen in Egypte trof, heb ik hen voor mijzelf apart gezet. 18. En ik heb de Levieten genomen in plaats van alle eerstgeborenen in Israël. 19. Uit het midden van Israël heb ik de Levieten als gave aan Aäron en zijn zonen gegeven. Zij doen het werk van de Israëlieten in de ontmoetingstent en doen verzoening voor hen. Zo treft geen plaag het volk wanneer het tot het heiligdom nadert. 20. Mozes, Aäron en heel de gemeenschap van Israël deden met de Levieten precies wat de HEERE Mozes had opgedragen. 21. De Levieten reinigden zich van zonde en wasten hun kleren. Aäron bood hen aan als beweegoffer voor de HEERE en deed verzoening over hen om hen rein te maken. 22. Daarna kwamen de Levieten binnen om hun werk te doen in de ontmoetingstent, onder Aäron en zijn zonen. Zo deden zij met hen wat de HEERE Mozes had opgedragen. 23. En de HEERE zei tegen Mozes: 24. Dit geldt voor de Levieten. Vanaf hun vijfentwintigste jaar komen zij in dienst om te werken in de ontmoetingstent. 25. Vanaf hun vijftigste jaar houden zij met dat werk op en dienen zij niet meer. 26. Zij mogen hun broers in de ontmoetingstent wel helpen met de wacht, maar het werk zelf doen zij niet meer. Zo regel je de taken van de Levieten. ## Numeri 9 — Het pascha in de woestijn, en de wolk boven de tabernakel 1. De HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï. Het was de eerste maand van het tweede jaar nadat zij uit Egypte waren vertrokken. Hij zei: 2. De Israëlieten moeten het pascha vieren op de vastgestelde tijd. 3. Vier het op de veertiende dag van deze maand, tegen het vallen van de avond, op de vastgestelde tijd. Volg daarbij alle voorschriften en regels die erbij horen. 4. Mozes zei tegen de Israëlieten dat zij het pascha moesten vieren. 5. Zij vierden het op de veertiende dag van de eerste maand, tegen het vallen van de avond, in de woestijn van Sinaï. De Israëlieten deden alles wat de HEERE Mozes had opgedragen. 6. Er waren mannen die onrein waren geworden door een dode, en daardoor konden zij het pascha die dag niet vieren. Daarom kwamen zij die dag bij Mozes en Aäron. 7. Zij zeiden tegen hem: Wij zijn onrein geworden door een dode. Waarom zouden wij dan tekort komen en de gave voor de HEERE niet mogen brengen op de vastgestelde tijd, samen met de andere Israëlieten? 8. Mozes zei tegen hen: Wacht hier, dan hoor ik wat de HEERE over jullie beveelt. 9. Toen zei de HEERE tegen Mozes: 10. Zeg tegen de Israëlieten: Iemand van jullie of van jullie nakomelingen kan onrein zijn door een dode, of ver weg op reis. Toch mag hij het pascha voor de HEERE vieren. 11. Zij vieren het dan in de tweede maand, op de veertiende dag, tegen het vallen van de avond. Zij eten het met ongezuurd brood en bittere kruiden. 12. Zij mogen er niets van overlaten tot de morgen en zij mogen er geen bot van breken. Zij vieren het volgens alle voorschriften van het pascha. 13. Maar wie rein is en niet op reis, en toch nalaat het pascha te vieren, wordt uit zijn volk verwijderd. Hij heeft de gave voor de HEERE niet gebracht op de vastgestelde tijd en draagt de gevolgen van zijn zonde. 14. Woont er een vreemdeling bij jullie die het pascha voor de HEERE wil vieren, dan mag dat. Hij houdt zich aan de voorschriften en de gewoonte ervan. Voor jullie geldt één regel, voor de vreemdeling en voor wie in het land geboren is. 15. Op de dag dat de tabernakel werd opgezet, bedekte de wolk hem, de tent van de getuigenis. In de avond was er boven de tabernakel iets dat op vuur leek, tot de morgen toe. 16. Zo ging het steeds: overdag bedekte de wolk hem en in de nacht leek het op vuur. 17. Zodra de wolk zich van de tent verhief, braken de Israëlieten op. En waar de wolk neerdaalde, sloegen zij hun kamp op. 18. Op bevel van de HEERE braken de Israëlieten op en op bevel van de HEERE sloegen zij hun kamp op. Zolang de wolk boven de tabernakel bleef, bleven zij liggen. 19. Bleef de wolk vele dagen boven de tabernakel, dan hielden de Israëlieten zich aan wat de HEERE vroeg en trokken zij niet verder. 20. Soms bleef de wolk maar een paar dagen boven de tabernakel. Ook dan sloegen zij op bevel van de HEERE hun kamp op en braken zij op bevel van de HEERE weer op. 21. Soms bleef de wolk van de avond tot de morgen en verhief zij zich in de ochtend; dan trokken zij verder. Of zij verhief zich overdag of in de nacht, en dan trokken zij ook verder. 22. Bleef de wolk twee dagen boven de tabernakel, of een maand, of nog langer, dan bleven de Israëlieten liggen en trokken niet verder. Zodra zij zich verhief, gingen zij op weg. 23. Op bevel van de HEERE sloegen zij hun kamp op en op bevel van de HEERE braken zij op. Zij hielden zich aan wat de HEERE vroeg, zoals Hij het door Mozes had gezegd. ## Numeri 10 — De zilveren trompetten, en Israël breekt op van de Sinaï 1. De HEERE zei verder tegen Mozes: 2. Maak twee trompetten van gedreven zilver. Gebruik ze om de gemeenschap bijeen te roepen en om de legerkampen te laten opbreken. 3. Blazen de priesters op beide trompetten, dan komt de hele gemeenschap bij jou bijeen bij de ingang van de ontmoetingstent. 4. Blazen zij op één trompet, dan komen alleen de leiders bij jou, de hoofden van de duizenden van Israël. 5. Blazen jullie een alarmsignaal, dan breken de kampen aan de oostkant op. 6. Blazen jullie voor de tweede keer een alarmsignaal, dan breken de kampen aan de zuidkant op. Het alarmsignaal is het teken om op te breken. 7. Willen jullie de gemeenschap bijeenroepen, blaas dan wel, maar geen alarmsignaal. 8. De zonen van Aäron, de priesters, blazen op de trompetten. Dat is voor jullie een blijvende regel, ook voor jullie nakomelingen. 9. Trekken jullie in jullie land ten strijde tegen een vijand die jullie in het nauw brengt, blaas dan het alarmsignaal. Dan denkt de HEERE, jullie God, aan jullie en worden jullie van jullie vijanden gered. 10. Blaas ook op de trompetten op jullie feestdagen, op jullie vaste feesten en aan het begin van elke maand. Blaas bij jullie brandoffers en dankoffers. Zo worden zij voor jullie God een herinnering aan jullie. Ik ben de HEERE, jullie God. 11. In het tweede jaar, op de twintigste dag van de tweede maand, verhief de wolk zich van de tabernakel van de getuigenis. 12. Toen braken de Israëlieten op uit de woestijn van Sinaï en trokken in etappes verder. De wolk kwam tot rust in de woestijn van Paran. 13. Zo braken zij voor het eerst op, op bevel van de HEERE, zoals Hij het door Mozes had gezegd. 14. Voorop ging het vaandel van het kamp van Juda, met zijn afdelingen. Aan het hoofd van dat leger stond Nahesson, de zoon van Amminadab. 15. Het leger van de stam Issaschar stond onder leiding van Nethaneël, de zoon van Zuar. 16. Het leger van de stam Zebulon stond onder leiding van Eliab, de zoon van Helon. 17. Daarna werd de tabernakel afgebroken. De zonen van Gerson en de zonen van Merari braken op en droegen de tabernakel. 18. Toen volgde het vaandel van het kamp van Ruben, met zijn afdelingen. Aan het hoofd stond Elizur, de zoon van Sedeür. 19. Het leger van de stam Simeon stond onder leiding van Selumiël, de zoon van Zurisaddai. 20. Het leger van de stam Gad stond onder leiding van Eljasaf, de zoon van Dehuël. 21. Daarna braken de Kehathieten op, die de heilige voorwerpen droegen. De tabernakel werd al opgezet voordat zij aankwamen. 22. Toen volgde het vaandel van het kamp van Efraïm, met zijn afdelingen. Aan het hoofd stond Elisama, de zoon van Ammihud. 23. Het leger van de stam Manasse stond onder leiding van Gamaliël, de zoon van Pedazur. 24. Het leger van de stam Benjamin stond onder leiding van Abidan, de zoon van Gideoni. 25. Als laatste volgde het vaandel van het kamp van Dan, dat de achterhoede van alle kampen vormde. Aan het hoofd stond Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. 26. Het leger van de stam Aser stond onder leiding van Pagiël, de zoon van Ochran. 27. Het leger van de stam Nafthali stond onder leiding van Ahira, de zoon van Enan. 28. Zo trokken de Israëlieten op, leger na leger, als zij verder reisden. 29. Mozes zei tegen Hobab, de zoon van de Midianiet Rehuël, zijn schoonvader: Wij gaan op weg naar een plaats die de HEERE ons beloofd heeft. Hij zei: Ik zal haar aan jullie geven. Ga met ons mee, dan zullen wij goed voor je zijn. De HEERE heeft Israël immers het goede beloofd. 30. Maar hij antwoordde: Ik ga niet mee. Ik ga terug naar mijn eigen land en mijn familie. 31. Mozes zei: Laat ons toch niet in de steek. Jij weet waar wij in de woestijn ons kamp kunnen opslaan. Jij kunt onze ogen zijn. 32. Als je met ons meegaat, zullen wij het goede met je delen dat de HEERE ons geeft. 33. Zo trokken zij drie dagreizen verder vanaf de berg van de HEERE. De ark van het verbond van de HEERE ging die drie dagen voor hen uit, om een rustplaats voor hen te zoeken. 34. Overdag hing de wolk van de HEERE boven hen wanneer zij uit het kamp vertrokken. 35. Telkens als de ark opbrak, zei Mozes: Sta op, HEERE! Laat Uw vijanden verstrooid worden en laat wie U haten voor U vluchten. 36. En als de ark tot rust kwam, zei hij: Keer terug, HEERE, naar de tienduizenden van Israël. ## Numeri 11 — Klachten in het kamp: vuur, kwartels en zeventig oudsten 1. Het volk begon te klagen, en dat viel slecht bij de HEERE. Toen de HEERE het hoorde, werd Hij kwaad. Het vuur van de HEERE brak onder hen uit en verteerde de rand van het kamp. 2. Toen riep het volk om hulp tot Mozes. Mozes bad tot de HEERE en het vuur doofde. 3. Daarom noemde men die plaats Tabera, omdat het vuur van de HEERE daar onder hen had gebrand. 4. De buitenstaanders die met hen meetrokken, kregen een hevig verlangen naar ander eten. Ook de Israëlieten begonnen weer te huilen en zeiden: Wie geeft ons vlees te eten? 5. Wij denken nog aan de vis die wij in Egypte voor niets aten. En aan de komkommers, de meloenen, de prei, de uien en de knoflook. 6. Maar nu drogen wij uit. Er is niets meer, alleen dat manna voor onze ogen. 7. Het manna leek op korianderzaad en zag eruit als balsemhars. 8. Het volk liep rond om het te verzamelen. Zij maalden het met molenstenen of stampten het in een vijzel. Zij kookten het in een pot of bakten er koeken van. Het smaakte als gebak met olie. 9. Als in de nacht de dauw op het kamp viel, viel het manna erbij. 10. Mozes hoorde het volk huilen, familie na familie, ieder bij de ingang van zijn tent. De HEERE werd heel kwaad, en Mozes vond het ook erg. 11. Mozes zei tegen de HEERE: Waarom doet U Uw dienaar dit aan? Waarom vind ik geen genade bij U, dat U de last van dit hele volk op mij legt? 12. Ben ik soms de moeder van dit volk? Heb ik het ter wereld gebracht, dat U tegen mij zegt: Draag het in je armen, zoals een oppas een zuigeling draagt? Moet ik het dragen naar het land dat U hun voorouders beloofd hebt? 13. Waar haal ik vlees vandaan voor al deze mensen? Zij huilen tegen mij en zeggen: Geef ons vlees te eten. 14. Ik kan dit hele volk niet alleen dragen. Het is mij te zwaar. 15. Als U zo met mij wilt omgaan, dood mij dan liever, als ik tenminste genade bij U vind. Dan hoef ik mijn ellende niet langer aan te zien. 16. De HEERE zei tegen Mozes: Breng zeventig mannen bij mij, van wie je weet dat zij oudsten en leiders van het volk zijn. Neem hen mee naar de ontmoetingstent en laat hen daar bij je gaan staan. 17. Dan kom ik neer en spreek daar met je. Ik neem iets van de Geest die op jou rust en leg die op hen. Dan dragen zij samen met jou de last van het volk en hoef je die niet alleen te dragen. 18. Zeg tegen het volk: Reinig jullie voor morgen, dan krijgen jullie vlees te eten. Jullie hebben tegen de HEERE geklaagd en gezegd: Wie geeft ons vlees? In Egypte hadden wij het goed. Daarom zal de HEERE jullie vlees geven en jullie zullen eten. 19. Jullie zullen het niet één dag eten, of twee, of vijf, of tien, of twintig dagen, 20. maar een hele maand, tot het jullie de neus uitkomt en jullie ervan walgen. Jullie hebben de HEERE afgewezen, die midden onder jullie woont. Jullie hebben tegen Hem gehuild en gezegd: Waarom zijn wij toch uit Egypte weggegaan? 21. Maar Mozes zei: Dit volk telt zeshonderdduizend man te voet, en U zegt: Ik zal hun vlees geven, een hele maand lang. 22. Moeten er dan schapen en runderen voor hen geslacht worden, genoeg voor iedereen? Of moeten alle vissen uit de zee voor hen gevangen worden, genoeg voor iedereen? 23. De HEERE zei tegen Mozes: Is de hand van de HEERE dan te kort? Nu zul je zien of mijn woord uitkomt of niet. 24. Mozes ging naar buiten en vertelde het volk wat de HEERE had gezegd. Hij bracht zeventig mannen uit de oudsten van het volk bijeen en liet hen rondom de tent staan. 25. Toen kwam de HEERE neer in de wolk en sprak met hem. Hij nam iets van de Geest die op Mozes rustte en legde die op de zeventig oudsten. Toen de Geest op hen rustte, begonnen zij te profeteren. Maar daarna deden zij dat niet meer. 26. Twee mannen waren in het kamp gebleven: de een heette Eldad en de ander Medad. Zij stonden op de lijst, maar waren niet naar de tent gegaan. Ook op hen kwam de Geest, en zij profeteerden in het kamp. 27. Een jongen rende naar Mozes en vertelde: Eldad en Medad profeteren in het kamp. 28. Jozua, de zoon van Nun, die al van jongs af de dienaar van Mozes was, zei: Mozes, mijn heer, houd hen tegen. 29. Maar Mozes zei tegen hem: Ben je jaloers voor mij? Ik zou willen dat heel het volk van de HEERE profeten waren, en dat de HEERE Zijn Geest op hen allemaal legde. 30. Toen ging Mozes met de oudsten van Israël terug naar het kamp. 31. Toen stak er een wind op, gestuurd door de HEERE. Die dreef kwartels aan vanaf de zee en liet ze rond het kamp neervallen. Ze lagen een dagreis ver in elke richting, zo'n 90 centimeter hoog boven de grond. 32. Het volk ging aan de slag, die hele dag, de hele nacht en de hele volgende dag. Zij verzamelden de kwartels; wie het minst had, had er ongeveer 2.000 liter van. Zij spreidden ze uit rondom het kamp om te drogen. 33. Het vlees zat nog tussen hun tanden en was nog niet op, toen de HEERE kwaad werd op het volk. De HEERE trof het volk met een zware plaag. 34. Daarom noemde men die plaats Kibroth-Taava. Daar begroeven zij de mensen die zo naar vlees verlangd hadden. 35. Van Kibroth-Taava trok het volk verder naar Hazeroth, en daar bleven zij. ## Numeri 12 — Mirjam en Aäron tegen Mozes 1. Mirjam en Aäron spraken kwaad over Mozes vanwege de Cusjitische vrouw met wie hij getrouwd was. Hij had namelijk een Cusjitische vrouw genomen. 2. Zij zeiden: Heeft de HEERE alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het. 3. Nu was Mozes een zeer bescheiden man, bescheidener dan wie ook op aarde. 4. Meteen zei de HEERE tegen Mozes, Aäron en Mirjam: Kom alle drie naar de ontmoetingstent. En zij gingen er alle drie heen. 5. Toen kwam de HEERE neer in een wolkkolom en ging bij de ingang van de tent staan. Hij riep Aäron en Mirjam, en zij kwamen allebei naar voren. 6. Hij zei: Luister naar wat ik zeg. Als er onder jullie een profeet is, maak ik, de HEERE, mij aan hem bekend in een visioen. In een droom spreek ik met hem. 7. Zo is het niet met mijn dienaar Mozes. Hij is betrouwbaar in heel mijn huis. 8. Met hem spreek ik rechtstreeks, openlijk en niet in raadsels. Hij ziet de gestalte van de HEERE. Waarom waren jullie dan niet bang om kwaad te spreken over mijn dienaar Mozes? 9. De HEERE werd kwaad op hen en ging weg. 10. Toen de wolk van de tent week, was Mirjam melaats geworden, wit als sneeuw. Aäron keek naar Mirjam en zag dat zij melaats was. 11. Aäron zei tegen Mozes: Ach, mijn heer, reken ons deze zonde toch niet aan. Wij hebben dwaas gehandeld en gezondigd. 12. Laat haar toch niet zijn als een doodgeboren kind, dat bij de geboorte al half vergaan is. 13. Toen riep Mozes tot de HEERE: O God, genees haar toch. 14. De HEERE zei tegen Mozes: Als haar vader in haar gezicht had gespuwd, zou zij zich dan niet zeven dagen schamen? Laat haar zeven dagen buiten het kamp blijven. Daarna mag zij weer terugkomen. 15. Zo bleef Mirjam zeven dagen buiten het kamp. Het volk trok niet verder tot Mirjam terug was. 16. Daarna trok het volk verder van Hazeroth en sloeg het kamp op in de woestijn van Paran. ## Numeri 13 — De verkenners in Kanaän 1. De HEERE zei tegen Mozes: 2. Stuur mannen uit om het land Kanaän te verkennen, dat ik aan de Israëlieten ga geven. Stuur uit elke stam een man, en laat het leiders zijn. 3. Mozes stuurde hen op bevel van de HEERE vanuit de woestijn van Paran. Het waren allemaal hoofden van de Israëlieten. 4. Dit waren hun namen: uit de stam Ruben Sammua, de zoon van Zakkur. 5. Uit de stam Simeon Safat, de zoon van Hori. 6. Uit de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefunne. 7. Uit de stam Issaschar Jigeal, de zoon van Jozef. 8. Uit de stam Efraïm Hosea, de zoon van Nun. 9. Uit de stam Benjamin Palti, de zoon van Rafu. 10. Uit de stam Zebulon Gaddiel, de zoon van Sodi. 11. Uit de stam van Jozef, namelijk uit Manasse, Gaddi, de zoon van Susi. 12. Uit de stam Dan Ammiël, de zoon van Gemalli. 13. Uit de stam Aser Sethur, de zoon van Michaël. 14. Uit de stam Nafthali Nachbi, de zoon van Wofsi. 15. Uit de stam Gad Guël, de zoon van Machi. 16. Dit waren de namen van de mannen die Mozes stuurde om het land te verkennen. Hosea, de zoon van Nun, gaf Mozes de naam Jozua. 17. Mozes stuurde hen op weg om het land Kanaän te verkennen en zei tegen hen: Trek hierheen, naar het zuiden, en ga het bergland in. 18. Kijk hoe het land is, en of het volk dat er woont sterk is of zwak, klein in aantal of groot. 19. Kijk of het land goed is of slecht, en of de steden waarin zij wonen open zijn of versterkt. 20. Kijk of de grond vruchtbaar is of arm, en of er bomen groeien of niet. Wees moedig en neem wat vruchten van het land mee. Het was de tijd van de eerste rijpe druiven. 21. Zij trokken op en verkenden het land, van de woestijn Zin tot Rehob, waar de weg naar Hamath begint. 22. Zij trokken het zuiden in en kwamen bij Hebron. Daar woonden Ahiman, Sesai en Talmai, nakomelingen van Enak. Hebron was zeven jaar eerder gebouwd dan Zoan in Egypte. 23. Daarna kwamen zij in het dal Eskol. Daar sneden zij een tak af met een tros druiven, die zij met hun tweeën aan een draagstok droegen. Ook namen zij granaatappels en vijgen mee. 24. Die plaats werd het dal Eskol genoemd, naar de tros die de Israëlieten daar hadden afgesneden. 25. Na veertig dagen kwamen zij terug van het verkennen van het land. 26. Zij gingen naar Mozes, Aäron en de hele gemeenschap van Israël in de woestijn van Paran, bij Kades. Zij brachten verslag uit aan hen en aan de hele gemeenschap en lieten de vruchten van het land zien. 27. Zij vertelden: Wij zijn in het land geweest waar u ons heen stuurde. Het is echt een land dat overvloeit van melk en honing. Dit zijn de vruchten ervan. 28. Maar het volk dat er woont is sterk, en de steden zijn versterkt en heel groot. Wij hebben er ook nakomelingen van Enak gezien. 29. In het zuiden wonen de Amalekieten. In het bergland wonen de Hethieten, de Jebusieten en de Amorieten. Aan de zee en langs de Jordaan wonen de Kanaänieten. 30. Kaleb bracht het volk tot zwijgen tegenover Mozes en zei: Laten wij toch optrekken en het land in bezit nemen. Wij kunnen het zeker veroveren. 31. Maar de mannen die met hem waren meegegaan, zeiden: Wij kunnen dat volk niet aanvallen, want het is sterker dan wij. 32. Zo verspreidden zij onder de Israëlieten een slecht verhaal over het land dat zij verkend hadden. Zij zeiden: Het land waar wij doorheen trokken, verslindt zijn eigen bewoners. Alle mensen die wij er zagen, zijn buitengewoon groot. 33. Wij hebben er ook de reuzen gezien, de nakomelingen van Enak. Wij voelden ons sprinkhanen, en zo zagen zij ons ook. ## Numeri 14 — Het volk weigert, en veertig jaar in de woestijn 1. Toen begon de hele gemeenschap luid te schreeuwen, en het volk huilde die hele nacht. 2. Alle Israëlieten mopperden op Mozes en Aäron. De hele gemeenschap zei tegen hen: Waren wij maar in Egypte gestorven, of hier in de woestijn. 3. Waarom brengt de HEERE ons naar dat land, waar wij door het zwaard zullen vallen? Onze vrouwen en kinderen worden buit. Kunnen wij niet beter teruggaan naar Egypte? 4. Zij zeiden tegen elkaar: Laten wij een leider kiezen en teruggaan naar Egypte. 5. Toen vielen Mozes en Aäron op hun gezicht voor de hele verzamelde gemeenschap van Israël. 6. Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, die ook het land verkend hadden, scheurden hun kleren. 7. Zij zeiden tegen de hele gemeenschap van Israël: Het land waar wij doorheen trokken om het te verkennen, is een uitzonderlijk goed land. 8. Als de HEERE ons goedgezind is, brengt Hij ons in dat land en geeft Hij het ons, een land dat overvloeit van melk en honing. 9. Kom alleen niet in opstand tegen de HEERE. En wees niet bang voor het volk van dat land, want wij zullen hen verslinden. Hun bescherming is van hen geweken en de HEERE is met ons. Wees niet bang voor hen. 10. Maar de hele gemeenschap wilde hen stenigen. Toen verscheen de heerlijkheid van de HEERE bij de ontmoetingstent, voor alle Israëlieten. 11. De HEERE zei tegen Mozes: Hoe lang blijft dit volk mij nog minachten? Hoe lang blijven zij mij wantrouwen, ondanks alle tekenen die ik onder hen gedaan heb? 12. Ik zal hen met de pest treffen en hen verstoten. Van jou maak ik een volk dat groter en sterker is dan zij. 13. Maar Mozes zei tegen de HEERE: Dan zullen de Egyptenaren het horen. U hebt dit volk met Uw kracht uit hun midden weggeleid. 14. Zij zullen het vertellen aan de bewoners van dit land. Die hebben gehoord dat U, HEERE, midden onder dit volk bent. U, HEERE, wordt van aangezicht tot aangezicht gezien. Uw wolk staat boven hen, en U gaat overdag voor hen uit in een wolkkolom en in de nacht in een vuurkolom. 15. Als U dit volk nu allemaal tegelijk doodt, zullen de volken die van U gehoord hebben zeggen: 16. De HEERE kon dit volk niet brengen in het land dat Hij hun beloofd had. Daarom heeft Hij hen in de woestijn afgeslacht. 17. Laat nu toch de kracht van de HEERE groot blijken, zoals U gezegd hebt: 18. De HEERE is geduldig en rijk aan trouw. Hij vergeeft schuld en overtreding, maar laat de schuldige niet vrijuit gaan. Hij straft de schuld van de ouders aan de kinderen, tot in het derde en vierde geslacht. 19. Vergeef toch de schuld van dit volk, want Uw trouw is groot. Vergeef het zoals U dit volk vergeven hebt vanaf Egypte tot nu toe. 20. De HEERE zei: Ik vergeef het, zoals je gevraagd hebt. 21. Maar zo waar ik leef en zo waar de hele aarde vervuld zal worden van de heerlijkheid van de HEERE, dit zeg ik: 22. Al deze mannen hebben mijn heerlijkheid gezien en de tekenen die ik in Egypte en in de woestijn deed. Toch hebben zij mij nu tien keer op de proef gesteld en niet naar mij geluisterd. 23. Zij zullen het land dat ik hun voorouders beloofd heb, beslist niet zien. Niemand van hen die mij geminacht hebben, zal het zien. 24. Maar mijn dienaar Kaleb heeft een andere houding gehad en is mij trouw gevolgd. Hem zal ik brengen in het land waar hij geweest is, en zijn nakomelingen zullen het in bezit krijgen. 25. De Amalekieten en de Kanaänieten wonen in de vlakte. Keer morgen om en trek de woestijn in, in de richting van de Schelfzee. 26. Daarna zei de HEERE tegen Mozes en Aäron: 27. Hoe lang moet ik deze slechte gemeenschap nog verdragen, die tegen mij moppert? Ik heb het gemopper van de Israëlieten tegen mij gehoord. 28. Zeg tegen hen: Zo waar ik leef, zegt de HEERE, ik zal met jullie doen wat jullie mij hebben horen zeggen. 29. Jullie lichamen zullen in deze woestijn vallen, van jullie allen die geteld zijn, van twintig jaar en ouder, allen die tegen mij gemopperd hebben. 30. Niemand van jullie zal het land binnengaan waarvan ik gezworen heb jullie daar te laten wonen. Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun, komen erin. 31. Jullie kinderen, van wie jullie zeiden dat zij buit zouden worden, die zal ik erin brengen. Zij zullen het land leren kennen dat jullie hebben afgewezen. 32. Maar jullie lichamen zullen in deze woestijn vallen. 33. Jullie kinderen zullen veertig jaar als herders in deze woestijn rondtrekken. Zij dragen de gevolgen van jullie ontrouw, tot jullie lichamen allemaal in de woestijn zijn gevallen. 34. Jullie hebben het land veertig dagen verkend. Voor elke dag een jaar: veertig jaar lang zullen jullie de gevolgen van jullie schuld dragen. Dan zullen jullie merken wat het is als ik mij tegen jullie keer. 35. Ik, de HEERE, heb gesproken. Dit zal ik zeker doen met deze hele slechte gemeenschap die zich tegen mij heeft verzameld. In deze woestijn komen zij om, daar zullen zij sterven. 36. De mannen die Mozes had gestuurd om het land te verkennen, waren teruggekomen. Met hun slechte verhaal over het land hadden zij de hele gemeenschap tegen hem laten mopperen. 37. Die mannen, die het slechte verhaal over het land hadden verspreid, stierven door een plaag voor de HEERE. 38. Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven in leven, van de mannen die het land waren gaan verkennen. 39. Mozes vertelde dit alles aan alle Israëlieten. Toen raakte het volk diep in de rouw. 40. De volgende morgen stonden zij vroeg op en gingen de berg op. Zij zeiden: Hier zijn wij. Wij trekken op naar de plaats die de HEERE ons genoemd heeft, want wij hebben gezondigd. 41. Maar Mozes zei: Waarom gaan jullie opnieuw tegen het bevel van de HEERE in? Dat zal niet lukken. 42. Trek niet op, want de HEERE is niet in jullie midden. Anders worden jullie door jullie vijanden verslagen. 43. De Amalekieten en de Kanaänieten staan daar tegenover jullie, en jullie zullen door het zwaard vallen. Omdat jullie je van de HEERE hebben afgekeerd, zal de HEERE niet met jullie zijn. 44. Toch waagden zij het de berg op te trekken. Maar de ark van het verbond van de HEERE en Mozes gingen niet mee uit het kamp. 45. Toen kwamen de Amalekieten en de Kanaänieten, die in dat bergland woonden, naar beneden. Zij versloegen hen en joegen hen uiteen tot Horma. ## Numeri 15 — Regels voor offers, voor zonde zonder opzet, en kwastjes aan de kleren 1. De HEERE zei tegen Mozes: 2. Zeg tegen de Israëlieten: Straks komen jullie in het land dat ik jullie geef om er te wonen. 3. Misschien brengen jullie daar een offer voor de HEERE, een brandoffer of een slachtoffer. Dat kan zijn bij een gelofte, als vrijwillige gave of op jullie vaste feesten. Jullie geven de HEERE dan een aangename geur met runderen of kleinvee. 4. Wie zo zijn gave aan de HEERE brengt, moet er een graanoffer bij doen: ongeveer 2 liter fijn meel, aangemaakt met ongeveer 1 liter olie. 5. Bij het brandoffer of het slachtoffer van een lam doen jullie ook ongeveer 1 liter wijn als drankoffer. 6. Bij een ram doen jullie een graanoffer van ongeveer 4 liter fijn meel, aangemaakt met ongeveer 1,3 liter olie. 7. Als drankoffer brengen jullie dan ongeveer 1,3 liter wijn, als een aangename geur voor de HEERE. 8. Brengen jullie een jonge stier als brandoffer of slachtoffer, bij een gelofte of als dankoffer voor de HEERE, 9. dan doen jullie er een graanoffer bij van ongeveer 6 liter fijn meel, aangemaakt met ongeveer 2 liter olie. 10. Als drankoffer brengen jullie dan ongeveer 2 liter wijn, als een offer met een aangename geur voor de HEERE. 11. Zo moet het gaan bij elke stier, elke ram en elk lam of geitje. 12. Hoeveel dieren jullie ook offeren, bij elk ervan doen jullie het zo. 13. Ieder die in Israël geboren is, moet het zo doen wanneer hij een offer met een aangename geur voor de HEERE brengt. 14. Misschien woont er een vreemdeling bij jullie, of iemand die al generaties onder jullie leeft. Wil hij een offer met een aangename geur voor de HEERE brengen, dan doet hij het net zoals jullie. 15. Voor de gemeenschap geldt één regel, voor jullie en voor de vreemdeling die bij jullie woont. Dat is een blijvende regel voor alle generaties: voor de HEERE is de vreemdeling gelijk aan jullie. 16. Er geldt één wet en één recht voor jullie en voor de vreemdeling die bij jullie woont. 17. De HEERE zei verder tegen Mozes: 18. Zeg tegen de Israëlieten: Straks komen jullie in het land waar ik jullie heen breng. 19. Als jullie dan van het brood van dat land eten, moeten jullie een deel apart zetten als gave voor de HEERE. 20. Zet een koek van het eerste deeg apart als gave, zoals jullie ook een gave van de dorsvloer apart zetten. 21. Geef de HEERE een gave van het eerste deeg, generatie na generatie. 22. Het kan gebeuren dat jullie zonder het te willen niet doen wat de HEERE tegen Mozes heeft gezegd. 23. Het gaat om alles wat de HEERE jullie door Mozes heeft opgedragen, vanaf de dag dat Hij het opdroeg en voor alle generaties daarna. 24. Stel dat het zonder opzet gebeurd is en de gemeenschap het niet gemerkt heeft. Dan brengt de hele gemeenschap een jonge stier als brandoffer, een aangename geur voor de HEERE. Daarbij horen het graanoffer en het drankoffer volgens de regel, en een geitenbok als zondoffer. 25. De priester doet verzoening voor de hele gemeenschap van Israël, en het wordt hun vergeven. Het was immers zonder opzet, en zij hebben hun gave voor de HEERE gebracht, met hun zondoffer voor hun vergissing. 26. Het wordt de hele gemeenschap van Israël vergeven, en ook de vreemdeling die bij hen woont. Het hele volk heeft het immers zonder opzet gedaan. 27. Zondigt een enkeling zonder opzet, dan brengt hij een geit van een jaar oud als zondoffer. 28. De priester doet voor de HEERE verzoening voor wie zonder opzet gezondigd heeft, en het wordt hem vergeven. 29. Voor wie zonder opzet zondigt, geldt een wet, voor wie in Israël geboren is en voor de vreemdeling die bij hen woont. 30. Maar wie met opzet zondigt, of hij nu in Israël geboren is of een vreemdeling, beledigt de HEERE. Die persoon wordt uit zijn volk verwijderd. 31. Hij heeft het woord van de HEERE geminacht en Zijn gebod gebroken. Hij wordt beslist verwijderd; zijn schuld rust op hem. 32. Toen de Israëlieten in de woestijn waren, betrapten zij een man die op de sabbat hout sprokkelde. 33. Zij brachten hem bij Mozes, Aäron en de hele gemeenschap. 34. Zij hielden hem in bewaring, want er was nog niet bepaald wat er met hem moest gebeuren. 35. De HEERE zei tegen Mozes: Die man moet gedood worden. De hele gemeenschap moet hem buiten het kamp stenigen. 36. De hele gemeenschap bracht hem buiten het kamp en stenigde hem, zodat hij stierf, zoals de HEERE Mozes had opgedragen. 37. De HEERE zei tegen Mozes: 38. Zeg tegen de Israëlieten dat zij kwastjes maken aan de hoeken van hun kleren, generatie na generatie. In elk kwastje moeten zij een blauwe draad doen. 39. Die kwastjes zijn er om naar te kijken. Zo denken jullie aan alle geboden van de HEERE en houden jullie je eraan. Dan volgen jullie niet jullie eigen hart en jullie eigen ogen, die jullie van mij afbrengen. 40. Zo denken jullie aan al mijn geboden en doen jullie ze, en zijn jullie heilig voor jullie God. 41. Ik ben de HEERE, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie God te zijn. Ik ben de HEERE, jullie God. ## Numeri 16 — De opstand van Korach 1. Korach, de zoon van Jizhar, de zoon van Kehath, de zoon van Levi, kwam in opstand. Met hem deden Dathan en Abiram mee, de zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, uit de stam Ruben. 2. Zij kwamen in verzet tegen Mozes, samen met tweehonderdvijftig Israëlieten. Dat waren leiders van de gemeenschap, gekozen vertegenwoordigers en bekende mannen. 3. Zij kwamen bijeen tegenover Mozes en Aäron en zeiden tegen hen: Jullie gaan te ver. De hele gemeenschap is heilig, allemaal, en de HEERE is midden onder hen. Waarom stellen jullie je dan boven de gemeenschap van de HEERE? 4. Toen Mozes dat hoorde, viel hij op zijn gezicht. 5. Hij zei tegen Korach en al zijn aanhangers: Morgenvroeg zal de HEERE laten zien wie van Hem is en wie heilig is. Wie Hij gekozen heeft, laat Hij bij zich komen. 6. Doe dit, Korach, jij en al je aanhangers: neem wierookvaten. 7. Doe er morgen vuur in en leg er reukwerk op voor de HEERE. De man die de HEERE kiest, die is heilig. Jullie gaan te ver, zonen van Levi. 8. Mozes zei verder tegen Korach: Luister toch, zonen van Levi. 9. Is het jullie niet genoeg dat de God van Israël jullie uit de gemeenschap van Israël heeft apart gezet? Hij liet jullie bij zich komen om het werk in de tabernakel van de HEERE te doen en de gemeenschap te dienen. 10. Hij heeft jou en al je broers, de Levieten, bij zich laten komen. Willen jullie nu ook nog het priesterschap? 11. Daarom ben jij met al je aanhangers eigenlijk tegen de HEERE in opstand gekomen. Want wie is Aäron, dat jullie tegen hem mopperen? 12. Mozes liet Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, roepen. Maar zij zeiden: Wij komen niet. 13. Je hebt ons weggehaald uit een land dat overvloeit van melk en honing, om ons in de woestijn te laten sterven. Is dat niet genoeg? Moet je ook nog de baas over ons spelen? 14. Je hebt ons niet in een land gebracht dat overvloeit van melk en honing. Je hebt ons geen akkers en wijngaarden gegeven. Denk je deze mannen zand in de ogen te strooien? Wij komen niet. 15. Mozes werd heel kwaad en zei tegen de HEERE: Neem hun offer niet aan. Ik heb van niemand van hen ook maar een ezel afgenomen, en niemand van hen kwaad gedaan. 16. Mozes zei tegen Korach: Kom morgen met al je aanhangers voor de HEERE staan: jij, zij en ook Aäron. 17. Laat ieder zijn wierookvat nemen, er reukwerk in doen en het voor de HEERE brengen: tweehonderdvijftig wierookvaten. Ook jij en Aäron nemen ieder een wierookvat. 18. Zij namen ieder hun wierookvat en deden er vuur en reukwerk in. Toen gingen zij bij de ingang van de ontmoetingstent staan, samen met Mozes en Aäron. 19. Korach bracht de hele gemeenschap tegen hen bijeen bij de ingang van de ontmoetingstent. Toen verscheen de heerlijkheid van de HEERE aan de hele gemeenschap. 20. De HEERE zei tegen Mozes en Aäron: 21. Ga weg uit het midden van deze gemeenschap, dan maak ik in een oogwenk een einde aan hen. 22. Maar zij vielen op hun gezicht en zeiden: O God, God die alle leven de adem geeft! Een man heeft gezondigd, en wilt U dan kwaad worden op de hele gemeenschap? 23. De HEERE zei tegen Mozes: 24. Zeg tegen de gemeenschap: Ga weg uit de buurt van de tenten van Korach, Dathan en Abiram. 25. Mozes stond op en ging naar Dathan en Abiram, en de oudsten van Israël gingen met hem mee. 26. Hij zei tegen de gemeenschap: Ga weg van de tenten van deze slechte mannen en raak niets aan van wat van hen is. Anders komen jullie om door al hun zonden. 27. Zij gingen weg uit de buurt van de tenten van Korach, Dathan en Abiram. Dathan en Abiram waren naar buiten gekomen en stonden bij de ingang van hun tenten, met hun vrouwen, hun zonen en hun kleine kinderen. 28. Mozes zei: Hieraan zullen jullie merken dat de HEERE mij gestuurd heeft om dit alles te doen, en dat het niet uit mijzelf komt. 29. Sterven deze mannen zoals alle mensen sterven, en treft hen wat ieder mens treft, dan heeft de HEERE mij niet gestuurd. 30. Maar misschien doet de HEERE iets ongekends. De aarde opent dan haar mond en verslindt hen met alles wat van hen is, zodat zij levend in het dodenrijk verdwijnen. Dan zullen jullie weten dat deze mannen de HEERE hebben geminacht. 31. Toen hij dit alles gezegd had, spleet de grond onder hen open. 32. De aarde opende haar mond en verslond hen, met hun gezinnen, met alle mensen die bij Korach hoorden en met al hun bezit. 33. Zij verdwenen levend in het dodenrijk, met alles wat van hen was. De aarde sloot zich boven hen, en zij verdwenen uit het midden van de gemeenschap. 34. Alle Israëlieten die om hen heen stonden, vluchtten weg bij hun geschreeuw. Zij riepen: Straks verslindt de aarde ons ook. 35. Toen ging er vuur uit van de HEERE dat de tweehonderdvijftig mannen verteerde die het reukwerk hadden gebracht. 36. De HEERE zei tegen Mozes: 37. Zeg tegen Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat hij de wierookvaten uit het vuur haalt en de gloeiende kolen ver weg strooit. Want de wierookvaten zijn heilig. 38. Het zijn de wierookvaten van de mannen die door hun zonde hun leven verloren. Laat men er platen van slaan om het altaar te bekleden. Zij zijn voor de HEERE gebracht en daarom heilig. Zo worden zij een teken voor de Israëlieten. 39. De priester Eleazar nam de koperen wierookvaten die de verbrande mannen hadden gebracht, en men sloeg er platen van om het altaar te bekleden. 40. Het was een herinnering voor de Israëlieten dat niemand die geen nakomeling van Aäron is, reukwerk mag branden voor de HEERE. Anders vergaat het hem zoals Korach en zijn aanhangers. Zo had de HEERE het door Mozes gezegd. 41. Maar de volgende dag mopperde de hele gemeenschap van Israël tegen Mozes en Aäron. Zij zeiden: Jullie hebben het volk van de HEERE gedood. 42. Toen de gemeenschap zich tegen Mozes en Aäron verzamelde en naar de ontmoetingstent keek, werd die bedekt door de wolk. De heerlijkheid van de HEERE verscheen. 43. Mozes en Aäron gingen voor de ontmoetingstent staan. 44. De HEERE zei tegen Mozes: 45. Ga weg uit het midden van deze gemeenschap, dan maak ik in een oogwenk een einde aan hen. Toen vielen zij op hun gezicht. 46. Mozes zei tegen Aäron: Neem het wierookvat, doe er vuur van het altaar in en leg er reukwerk op. Ga er snel mee naar de gemeenschap en doe verzoening voor hen. De toorn van de HEERE is losgebarsten en de plaag is al begonnen. 47. Aäron deed wat Mozes gezegd had en rende midden in de gemeenschap. De plaag was onder het volk al begonnen. Hij legde reukwerk op het vuur en deed verzoening voor het volk. 48. Hij stond tussen de doden en de levenden, en zo kwam de plaag tot staan. 49. Er stierven veertienduizend zevenhonderd mensen aan de plaag, naast hen die door de zaak van Korach waren omgekomen. 50. Aäron ging terug naar Mozes bij de ingang van de ontmoetingstent. De plaag was tot staan gekomen. ## Numeri 17 — De staf van Aäron bloeit 1. De HEERE zei tegen Mozes: 2. Spreek met de Israëlieten en neem van hen twaalf staven, een voor elke stam, van al hun leiders. Schrijf de naam van ieder op zijn eigen staf. 3. Op de staf van Levi schrijf je de naam van Aäron. Want voor het hoofd van elke stam is er één staf. 4. Leg ze in de ontmoetingstent, voor de ark van de getuigenis, waar ik jullie ontmoet. 5. De staf van de man die ik kies, zal gaan bloeien. Zo maak ik een einde aan het gemopper van de Israëlieten tegen jullie, dat eigenlijk tegen mij gericht is. 6. Mozes sprak met de Israëlieten, en al hun leiders gaven hem een staf, een voor elke leider van elke stam, twaalf staven. Ook de staf van Aäron was erbij. 7. Mozes legde de staven neer voor de HEERE, in de tent van de getuigenis. 8. De volgende dag ging Mozes de tent van de getuigenis binnen. De staf van Aäron, van de stam Levi, was gaan bloeien. Er zaten knoppen en bloesems aan, en er groeiden rijpe amandelen aan. 9. Mozes haalde alle staven weg bij de HEERE en bracht ze naar alle Israëlieten. Zij zagen het, en ieder nam zijn eigen staf terug. 10. De HEERE zei tegen Mozes: Leg de staf van Aäron terug voor de ark van de getuigenis. Bewaar hem daar als een teken voor wie in opstand komen. Zo maak je een einde aan hun gemopper tegen mij, en hoeven zij niet te sterven. 11. Mozes deed het. Hij deed precies wat de HEERE hem had opgedragen. 12. De Israëlieten zeiden tegen Mozes: Wij gaan dood, wij komen om, wij komen allemaal om. 13. Iedereen die dicht bij de tabernakel van de HEERE komt, sterft. Moeten wij dan allemaal omkomen? ## Numeri 18 — De taken en het deel van priesters en Levieten 1. De HEERE zei tegen Aäron: Jij, je zonen en je familie dragen de verantwoordelijkheid voor wat er misgaat in het heiligdom. Jij en je zonen dragen de verantwoordelijkheid voor wat er misgaat in jullie priesterdienst. 2. Laat ook je broers van de stam Levi, de stam van je vader, bij je komen. Zij sluiten zich bij je aan en helpen je. Maar jij en je zonen staan voor de tent van de getuigenis. 3. Zij doen hun taak voor jou en voor de hele tent. Maar bij de heilige voorwerpen en het altaar mogen zij niet komen, anders sterven zij, en jullie ook. 4. Zij sluiten zich bij je aan en zorgen voor de ontmoetingstent, voor al het werk daar. Iemand die er niet bij hoort, mag niet bij jullie komen. 5. Jullie zorgen voor het heiligdom en voor het altaar. Dan komt er geen toorn meer over de Israëlieten. 6. Kijk, ik heb jullie broers, de Levieten, uit het midden van de Israëlieten genomen. Zij zijn een geschenk aan jullie, aan de HEERE gegeven, om het werk in de ontmoetingstent te doen. 7. Maar jij en je zonen vervullen jullie priesterdienst bij alles wat met het altaar te maken heeft en bij wat achter het voorhangsel is. Dat is jullie dienst. Ik geef jullie het priesterschap als geschenk. Iemand die er niet bij hoort en toch dichterbij komt, wordt gedood. 8. De HEERE zei verder tegen Aäron: Kijk, ik geef jou de zorg voor de gaven die aan mij worden gebracht. Alle heilige gaven van de Israëlieten geef ik aan jou en je zonen, omdat je gezalfd bent. Dat is een blijvende regel. 9. Van de allerheiligste gaven is voor jou wat niet op het vuur gaat. Dat zijn al hun offers die zij aan mij brengen: hun graanoffers, zondoffers en schuldoffers. Het is allerheiligst voor jou en je zonen. 10. Eet het op een allerheiligste plaats. Alle mannen mogen ervan eten. Het is heilig voor je. 11. Ook dit is voor jou: de gaven die de Israëlieten apart zetten, met al hun beweegoffers. Ik geef ze aan jou, aan je zonen en aan je dochters, als een blijvende regel. Iedereen in je huis die rein is, mag ervan eten. 12. Het eerste dat zij aan de HEERE geven, geef ik aan jou. Dat is het beste van de olie, van de nieuwe wijn en van het koren. 13. De eerste vruchten van alles wat in hun land groeit en wat zij aan de HEERE brengen, zijn voor jou. Iedereen in je huis die rein is, mag ervan eten. 14. Alles in Israël wat aan de HEERE is gewijd, is voor jou. 15. Al het eerstgeborene, van mens en dier, dat zij aan de HEERE brengen, is voor jou. Maar voor de eerstgeboren zonen moet je losgeld laten betalen. Ook voor de eerstgeboren jongen van onreine dieren moet losgeld betaald worden. 16. Laat hen losgeld betalen wanneer zij een maand oud zijn, volgens de vastgestelde waarde: vijf heiligdomssikkels, ongeveer 55 gram zilver. Eén heiligdomssikkel telt 20 gera. 17. Maar voor het eerstgeboren jong van een koe, een schaap of een geit mag geen losgeld betaald worden. Die zijn heilig. Sprenkel hun bloed op het altaar en verbrand hun vet als een offer met een aangename geur voor de HEERE. 18. Hun vlees is voor jou, net als de borst van het beweegoffer en de rechterschouder. 19. Alle heilige gaven die de Israëlieten voor de HEERE apart zetten, geef ik aan jou en aan je zonen en dochters. Dat is een blijvende regel. Het is een blijvend verbond, onverbrekelijk als zout, voor de HEERE, voor jou en voor je nakomelingen. 20. De HEERE zei ook tegen Aäron: Je krijgt in hun land geen erfdeel. Je krijgt onder hen geen eigen stuk grond. Ik ben je deel en je erfdeel onder de Israëlieten. 21. Aan de Levieten geef ik alle tienden van Israël als erfdeel, als loon voor hun werk in de ontmoetingstent. 22. De Israëlieten mogen niet meer dicht bij de ontmoetingstent komen, anders laden zij zonde op zich en sterven zij. 23. De Levieten doen het werk in de ontmoetingstent en dragen de verantwoordelijkheid als er iets misgaat. Dat is een blijvende regel voor alle generaties. Onder de Israëlieten krijgen zij geen erfdeel. 24. Want de tienden die de Israëlieten als gave aan de HEERE brengen, geef ik aan de Levieten als erfdeel. Daarom heb ik tegen hen gezegd: Onder de Israëlieten krijgen jullie geen erfdeel. 25. De HEERE zei tegen Mozes: 26. Zeg tegen de Levieten: Jullie ontvangen van de Israëlieten de tienden die ik jullie als erfdeel van hen gegeven heb. Zet daarvan zelf een gave voor de HEERE apart: een tiende van dat tiende. 27. Die gave wordt jullie toegerekend alsof het koren van de dorsvloer is of wijn uit de perskuip. 28. Zo brengen ook jullie een gave aan de HEERE van al de tienden die jullie van de Israëlieten ontvangen. Die gave voor de HEERE geven jullie aan de priester Aäron. 29. Van alles wat jullie krijgen, zetten jullie de gave voor de HEERE apart. Neem daarvoor het beste, het deel dat heilig is. 30. Zeg tegen hen: Als jullie het beste ervan apart zetten, wordt het de Levieten toegerekend als opbrengst van de dorsvloer en van de perskuip. 31. Jullie en jullie gezinnen mogen de rest overal eten. Het is jullie loon voor jullie werk in de ontmoetingstent. 32. Als jullie het beste ervan apart zetten, laden jullie daarmee geen zonde op jullie. Maar jullie mogen de heilige gaven van de Israëlieten niet onheilig maken, anders sterven jullie. ## Numeri 19 — De rode koe en het water tegen onreinheid 1. De HEERE zei tegen Mozes en Aäron: 2. Dit is een voorschrift uit de wet die de HEERE gegeven heeft. Zeg tegen de Israëlieten dat zij jou een rode koe brengen zonder enig gebrek, die nog nooit een juk heeft gedragen. 3. Geef haar aan de priester Eleazar. Hij brengt haar buiten het kamp, en daar wordt zij voor zijn ogen geslacht. 4. De priester Eleazar neemt met zijn vinger wat van haar bloed. Hij sprenkelt het zeven keer in de richting van de voorkant van de ontmoetingstent. 5. Dan wordt de koe voor zijn ogen verbrand: haar huid, haar vlees en haar bloed, met de mest erbij. 6. De priester neemt cederhout, hysop en scharlakenrode wol en gooit dat midden in het vuur waarin de koe verbrandt. 7. Daarna wast de priester zijn kleren en baadt hij zich in water. Dan mag hij het kamp in, maar hij blijft onrein tot de avond. 8. Ook wie de koe verbrand heeft, wast zijn kleren in water en baadt zich. Hij blijft onrein tot de avond. 9. Een man die rein is, verzamelt de as van de koe en legt die buiten het kamp op een reine plaats. Daar wordt zij bewaard voor de gemeenschap van Israël, voor het reinigingswater. Het is een middel tegen zonde. 10. Wie de as heeft verzameld, wast zijn kleren en blijft onrein tot de avond. Dit is een blijvende regel voor de Israëlieten en voor de vreemdeling die bij hen woont. 11. Wie een dode aanraakt, het lichaam van een gestorven mens, is zeven dagen onrein. 12. Op de derde dag reinigt hij zich met dat water, en op de zevende dag is hij rein. Maar reinigt hij zich niet op de derde dag, dan is hij op de zevende dag ook niet rein. 13. Iedereen die een gestorven mens aanraakt en zich niet reinigt, maakt de tabernakel van de HEERE onrein. Die persoon wordt uit Israël verwijderd. Het reinigingswater is niet op hem gesprenkeld, dus hij blijft onrein; zijn onreinheid rust nog op hem. 14. Dit is de regel als iemand in een tent sterft: iedereen die de tent binnengaat en iedereen die erin is, is zeven dagen onrein. 15. Ook elk open vat zonder dichtgebonden deksel is onrein. 16. Wie buiten in het veld iemand aanraakt die met het zwaard is gedood, is zeven dagen onrein. Dat geldt ook voor wie een dode, een menselijk bot of een graf aanraakt. 17. Voor wie onrein is, neemt men wat van de as van het verbrande zondoffer. Men doet die in een vat en giet er stromend water bij. 18. Een man die rein is, doopt hysop in dat water. Hij sprenkelt het op de tent, op alle voorwerpen en op de mensen die er waren. Hij sprenkelt het ook op wie een bot, een gedode, een dode of een graf heeft aangeraakt. 19. De reine sprenkelt op de derde en op de zevende dag op de onreine. Op de zevende dag is hij gereinigd. Hij wast zijn kleren, baadt zich in water en is 's avonds rein. 20. Maar wie onrein is en zich niet reinigt, wordt uit de gemeenschap verwijderd. Hij heeft het heiligdom van de HEERE onrein gemaakt. Het reinigingswater is niet op hem gesprenkeld; hij is onrein. 21. Dit is voor hen een blijvende regel. Wie het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren wassen. Ook wie het reinigingswater aanraakt, is onrein tot de avond. 22. Alles wat de onreine aanraakt, wordt onrein. En wie dat aanraakt, is onrein tot de avond. ## Numeri 20 — Water uit de rots, en de dood van Aäron 1. In de eerste maand kwam de hele gemeenschap van Israël in de woestijn Zin aan, en het volk bleef in Kades. Daar stierf Mirjam, en daar werd zij begraven. 2. Er was geen water voor de gemeenschap. Daarom kwamen zij bijeen tegen Mozes en Aäron. 3. Het volk kreeg ruzie met Mozes. Zij zeiden: Waren wij maar gestorven toen onze broers voor de HEERE omkwamen. 4. Waarom hebben jullie de gemeenschap van de HEERE naar deze woestijn gebracht? Moeten wij hier sterven, wij en ons vee? 5. Waarom hebben jullie ons uit Egypte gehaald en naar deze ellendige plek gebracht? Er groeit geen graan, er zijn geen vijgen, geen wijnstokken en geen granaatappels. Er is zelfs geen water om te drinken. 6. Mozes en Aäron gingen weg bij de gemeenschap naar de ingang van de ontmoetingstent en vielen op hun gezicht. Toen verscheen de heerlijkheid van de HEERE aan hen. 7. De HEERE zei tegen Mozes: 8. Neem de staf en roep de gemeenschap bijeen, jij en je broer Aäron. Spreek voor hun ogen tegen de rots, dan zal die water geven. Zo haal je water uit de rots voor hen, en geef je de gemeenschap en hun vee te drinken. 9. Mozes pakte de staf die voor de HEERE lag, zoals Hij hem had opgedragen. 10. Mozes en Aäron riepen de gemeenschap bijeen voor de rots. Hij zei tegen hen: Luister, opstandelingen! Moeten wij soms water voor jullie uit deze rots halen? 11. Toen hief Mozes zijn hand op en sloeg twee keer met zijn staf op de rots. Er stroomde veel water uit, zodat de gemeenschap en hun vee konden drinken. 12. Maar de HEERE zei tegen Mozes en Aäron: Jullie hebben mij niet vertrouwd. Jullie hebben mij voor de ogen van de Israëlieten niet als heilig laten zien. Daarom zullen jullie deze gemeenschap niet brengen in het land dat ik hun geef. 13. Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten ruzie maakten met de HEERE en waar Hij zich als heilig liet zien. 14. Vanuit Kades stuurde Mozes boden naar de koning van Edom. Zij zeiden: Zo zegt uw broer Israël: u weet van alle moeite die wij hebben gehad. 15. Onze voorouders trokken naar Egypte en wij hebben daar lange tijd gewoond. De Egyptenaren behandelden ons en onze voorouders slecht. 16. Toen riepen wij tot de HEERE. Hij hoorde ons, stuurde een engel en leidde ons uit Egypte. Nu zijn wij hier in Kades, een stad aan de grens van uw gebied. 17. Laat ons toch door uw land trekken. Wij gaan niet door akkers of wijngaarden en drinken geen water uit de putten. Wij volgen de koningsweg en wijken niet naar rechts of links, tot wij door uw gebied zijn. 18. Maar Edom antwoordde: Jullie trekken niet door mijn land. Anders kom ik jullie met het zwaard tegemoet. 19. De Israëlieten zeiden tegen hem: Wij blijven op de gebaande weg. Drinken wij of ons vee van uw water, dan betalen wij ervoor. Wij willen alleen maar te voet doortrekken. 20. Maar hij zei: Jullie trekken er niet door. En Edom trok hen tegemoet met een groot en sterk leger. 21. Zo weigerde Edom Israël door zijn gebied te laten trekken. Daarom ging Israël een andere weg. 22. De hele gemeenschap van Israël vertrok uit Kades en kwam bij de berg Hor. 23. Bij de berg Hor, aan de grens van Edom, zei de HEERE tegen Mozes en Aäron: 24. Aäron gaat nu naar zijn voorouders. Hij komt niet in het land dat ik aan de Israëlieten geef, omdat jullie bij het water van Meriba tegen mijn bevel in zijn gegaan. 25. Neem Aäron en zijn zoon Eleazar mee de berg Hor op. 26. Trek Aäron zijn priesterkleren uit en trek ze zijn zoon Eleazar aan. Aäron zal daar sterven en naar zijn voorouders gaan. 27. Mozes deed wat de HEERE had opgedragen. Voor de ogen van de hele gemeenschap gingen zij de berg Hor op. 28. Mozes trok Aäron zijn kleren uit en trok ze zijn zoon Eleazar aan. Aäron stierf daar, op de top van de berg. Toen kwamen Mozes en Eleazar van de berg af. 29. Toen de hele gemeenschap zag dat Aäron gestorven was, rouwde heel Israël dertig dagen om hem. ## Numeri 21 — De koperen slang, en overwinningen onderweg 1. De Kanaänitische koning van Arad, die in het zuiden woonde, hoorde dat Israël langs de weg van de verkenners kwam. Hij viel Israël aan en nam er enkelen gevangen. 2. Toen deed Israël een gelofte aan de HEERE: Als U dit volk in onze macht geeft, slaan wij hun steden met de ban. 3. De HEERE luisterde naar Israël en gaf de Kanaänieten in hun macht. Zij sloegen hen en hun steden met de ban. Daarom noemde men die plaats Horma. 4. Vanaf de berg Hor trokken zij verder in de richting van de Schelfzee, om het land van Edom heen. Maar onderweg raakte het volk ontmoedigd. 5. Het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt u ons uit Egypte gehaald om in de woestijn te sterven? Er is hier geen brood en geen water, en wij walgen van dat karige voedsel. 6. Toen stuurde de HEERE giftige slangen op het volk af. Zij beten het volk, en veel Israëlieten stierven. 7. Het volk kwam naar Mozes en zei: Wij hebben gezondigd, want wij hebben tegen de HEERE en tegen u gesproken. Bid tot de HEERE dat Hij de slangen bij ons weghaalt. En Mozes bad voor het volk. 8. De HEERE zei tegen Mozes: Maak een giftige slang en zet die op een paal. Wie gebeten is en ernaar kijkt, blijft in leven. 9. Mozes maakte een koperen slang en zette die op een paal. Als iemand door een slang gebeten was en naar de koperen slang keek, bleef hij in leven. 10. De Israëlieten trokken verder en sloegen hun kamp op in Oboth. 11. Van Oboth trokken zij verder en sloegen hun kamp op bij Ije-Abarim, in de woestijn ten oosten van Moab. 12. Van daar trokken zij verder en sloegen hun kamp op in het dal van de Zered. 13. Van daar trokken zij verder en sloegen hun kamp op aan de overkant van de Arnon. Dat ligt in de woestijn die uitloopt op het gebied van de Amorieten. De Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten. 14. Daarom staat er in het boek van de oorlogen van de HEERE: Waheb in Sufa, en de beken van de Arnon, 15. en de helling van de dalen die afloopt naar Ar en aansluit bij de grens van Moab. 16. Van daar trokken zij naar Beer. Dat is de put waarover de HEERE tegen Mozes zei: Roep het volk bijeen, dan zal ik hun water geven. 17. Toen zong Israël dit lied: Put, spring op! Zing voor hem! 18. Put, gegraven door vorsten, uitgediept door de edelen van het volk, met een scepter en met hun staven. Van de woestijn trokken zij verder naar Mattana. 19. Van Mattana trokken zij naar Nahaliel, en van Nahaliel naar Bamoth. 20. Van Bamoth trokken zij naar het dal in de vlakte van Moab, bij de top van de Pisga, die uitkijkt over de wildernis. 21. Israël stuurde boden naar Sihon, de koning van de Amorieten, met deze boodschap: 22. Laat mij door uw land trekken. Wij gaan niet door akkers of wijngaarden en drinken geen water uit de putten. Wij volgen de koningsweg, tot wij door uw gebied zijn. 23. Maar Sihon liet Israël niet door zijn gebied trekken. Hij bracht zijn hele leger bijeen en trok Israël tegemoet de woestijn in. Bij Jahaz viel hij Israël aan. 24. Maar Israël versloeg hem met het zwaard. Het nam zijn land in bezit, van de Arnon tot de Jabbok, tot aan het gebied van de Ammonieten. De grens van de Ammonieten was namelijk sterk verdedigd. 25. Zo nam Israël al deze steden in. Israël ging wonen in alle steden van de Amorieten, in Hesbon en in alle dorpen eromheen. 26. Hesbon was de stad van Sihon, de koning van de Amorieten. Hij had tegen de vorige koning van Moab gestreden en hem zijn hele land tot aan de Arnon afgenomen. 27. Daarom zeggen de dichters: Kom naar Hesbon! Laat de stad van Sihon herbouwd en versterkt worden. 28. Want er ging vuur uit van Hesbon, een vlam uit de stad van Sihon. Die verteerde Ar in Moab en de heersers over de hoogten van de Arnon. 29. Wee jou, Moab! Je bent verloren, volk van Kemos. Hij liet zijn zonen vluchten en zijn dochters in gevangenschap gaan, aan Sihon, de koning van de Amorieten. 30. Maar wij hebben hen neergeschoten. Hesbon is verwoest tot Dibon toe. Wij hebben alles verwoest tot Nofah, dat tot aan Medeba reikt. 31. Zo ging Israël wonen in het land van de Amorieten. 32. Mozes stuurde mannen om Jazer te verkennen. Zij namen de dorpen eromheen in en verdreven de Amorieten die daar woonden. 33. Toen keerden zij om en trokken de weg naar Basan op. Og, de koning van Basan, trok hun met zijn hele leger tegemoet om bij Edreï te strijden. 34. De HEERE zei tegen Mozes: Wees niet bang voor hem, want ik geef hem, zijn hele volk en zijn land in jouw macht. Doe met hem wat je gedaan hebt met Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde. 35. Zij versloegen hem, zijn zonen en zijn hele volk, zodat er niemand van hem overbleef. En zij namen zijn land in bezit. ## Numeri 22 — Balak laat Bileam halen 1. Daarna trokken de Israëlieten verder en sloegen hun kamp op in de vlakte van Moab, aan de oostkant van de Jordaan, tegenover Jericho. 2. Balak, de zoon van Zippor, zag alles wat Israël met de Amorieten gedaan had. 3. Moab werd erg bang voor dit volk, want het was zo groot. De Moabieten schrokken van de Israëlieten. 4. Daarom zei Moab tegen de oudsten van Midian: Deze menigte zal alles rondom ons kaalvreten, zoals een rund het gras op het veld afgraast. Balak, de zoon van Zippor, was in die tijd koning van Moab. 5. Hij stuurde boden naar Bileam, de zoon van Beor, in Pethor aan de rivier, in het land van zijn volksgenoten. Zij moesten hem roepen met deze boodschap: Er is een volk uit Egypte gekomen. Het bedekt het hele land en heeft zich vlak tegenover mij gelegerd. 6. Kom toch en vervloek dit volk voor mij, want het is sterker dan ik. Misschien kan ik het dan verslaan en uit het land verdrijven. Want ik weet: wie u zegent, is gezegend, en wie u vervloekt, is vervloekt. 7. De oudsten van Moab en van Midian gingen op weg, met het loon voor de waarzeggerij bij zich. Zij kwamen bij Bileam en brachten hem de woorden van Balak over. 8. Bileam zei tegen hen: Blijf hier vannacht. Dan geef ik u antwoord, zoals de HEERE het mij zegt. De vorsten van Moab bleven dus bij Bileam. 9. Toen kwam God bij Bileam en vroeg: Wie zijn die mannen die bij je zijn? 10. Bileam antwoordde God: Balak, de zoon van Zippor, de koning van Moab, heeft hen naar mij gestuurd met deze boodschap: 11. Er is een volk uit Egypte gekomen en het bedekt het hele land. Kom nu en vervloek het voor mij. Misschien kan ik er dan tegen strijden en het verdrijven. 12. Maar God zei tegen Bileam: Je gaat niet met hen mee. Je mag dat volk niet vervloeken, want het is gezegend. 13. De volgende morgen stond Bileam op. Hij zei tegen de vorsten van Balak: Ga terug naar uw land, want de HEERE laat mij niet met u meegaan. 14. De vorsten van Moab gingen terug naar Balak en zeiden: Bileam weigert met ons mee te gaan. 15. Toen stuurde Balak opnieuw vorsten, meer en voornamere dan de eerste keer. 16. Zij kwamen bij Bileam en zeiden tegen hem: Zo zegt Balak, de zoon van Zippor: laat u door niets tegenhouden om naar mij te komen. 17. Want ik zal u rijk belonen, en alles wat u mij zegt, zal ik doen. Kom dus toch en vervloek dit volk voor mij. 18. Maar Bileam antwoordde de dienaren van Balak: Al gaf Balak mij zijn paleis vol zilver en goud, dan nog kon ik het niet. Ik mag het bevel van de HEERE, mijn God, niet overtreden, in niets, klein of groot. 19. Blijft u dus ook deze nacht hier. Dan kan ik te weten komen wat de HEERE mij verder zegt. 20. Die nacht kwam God bij Bileam en zei: Die mannen zijn gekomen om je te roepen. Sta dus op en ga met hen mee. Maar je doet alleen wat ik tegen je zeg. 21. De volgende morgen stond Bileam op, zadelde zijn ezelin en ging met de vorsten van Moab mee. 22. Maar God werd kwaad omdat hij ging. De engel van de HEERE ging op de weg staan om hem tegen te houden. Bileam reed op zijn ezelin en had twee knechten bij zich. 23. De ezelin zag de engel van de HEERE op de weg staan, met een getrokken zwaard in zijn hand. Daarom week zij van de weg af en liep het veld in. Bileam sloeg de ezelin om haar terug op de weg te krijgen. 24. Toen ging de engel van de HEERE staan op een smal pad tussen de wijngaarden, met aan beide kanten een muur. 25. Toen de ezelin de engel van de HEERE zag, drukte zij zich tegen de muur. Zo klemde zij de voet van Bileam tegen de muur, en hij sloeg haar opnieuw. 26. De engel van de HEERE ging nog verder en stond op een smalle plek. Daar was geen ruimte om naar rechts of links uit te wijken. 27. Toen de ezelin de engel van de HEERE zag, ging zij onder Bileam liggen. Bileam werd woedend en sloeg de ezelin met zijn stok. 28. Toen opende de HEERE de mond van de ezelin. Zij zei tegen Bileam: Wat heb ik u gedaan, dat u mij nu al drie keer geslagen hebt? 29. Bileam antwoordde de ezelin: Omdat je mij voor gek zet! Had ik maar een zwaard in mijn hand, dan doodde ik je nu. 30. De ezelin zei tegen Bileam: Ben ik niet uw ezelin, waarop u uw leven lang tot vandaag gereden hebt? Heb ik ooit eerder zoiets met u gedaan? Hij antwoordde: Nee. 31. Toen opende de HEERE de ogen van Bileam. Hij zag de engel van de HEERE op de weg staan, met een getrokken zwaard in zijn hand. Bileam boog zijn hoofd en wierp zich met zijn gezicht ter aarde. 32. De engel van de HEERE zei tegen hem: Waarom heb je je ezelin nu al drie keer geslagen? Ik ben zelf gekomen om je tegen te houden, want deze weg is verkeerd in mijn ogen. 33. Maar de ezelin zag mij en is drie keer voor mij uitgeweken. Als zij niet voor mij was uitgeweken, had ik jou nu zeker gedood en haar in leven gelaten. 34. Bileam zei tegen de engel van de HEERE: Ik heb gezondigd. Ik wist niet dat u mij op de weg tegemoet stond. Als u deze reis afkeurt, ga ik terug. 35. Maar de engel van de HEERE zei tegen Bileam: Ga met deze mannen mee. Maar je zegt alleen wat ik je zeg. Zo ging Bileam met de vorsten van Balak mee. 36. Toen Balak hoorde dat Bileam eraan kwam, ging hij hem tegemoet. Hij ging naar de stad van Moab aan de Arnon, helemaal aan de grens. 37. Balak zei tegen Bileam: Ik had u toch dringend laten roepen? Waarom bent u niet naar mij toe gekomen? Denkt u dat ik u niet goed kan belonen? 38. Bileam antwoordde Balak: Ik ben nu toch bij u gekomen. Maar kan ik zomaar iets zeggen? Ik spreek alleen het woord dat God mij in de mond legt. 39. Bileam ging met Balak mee, en zij kwamen in Kirjath-Huzzoth. 40. Balak slachtte runderen en schapen. Hij stuurde daarvan iets naar Bileam en naar de vorsten die bij hem waren. 41. De volgende morgen nam Balak Bileam mee naar de hoogten van Baäl. Van daar kon hij de rand van het volk zien. ## Numeri 23 — De eerste twee spreuken van Bileam 1. Bileam zei tegen Balak: Bouw hier zeven altaren voor mij en maak hier zeven stieren en zeven rammen voor mij klaar. 2. Balak deed wat Bileam gezegd had. Balak en Bileam offerden op elk altaar een stier en een ram. 3. Toen zei Bileam tegen Balak: Blijf bij uw brandoffer staan, dan ga ik weg. Misschien komt de HEERE mij tegemoet. Wat Hij mij laat zien, zal ik u vertellen. Toen ging hij een kale heuvel op. 4. God kwam Bileam tegemoet, en Bileam zei tegen Hem: Ik heb zeven altaren gebouwd en op elk altaar een stier en een ram geofferd. 5. De HEERE legde Bileam een woord in de mond en zei: Ga terug naar Balak en spreek zo. 6. Hij ging terug naar Balak. Die stond nog bij zijn brandoffer, samen met alle vorsten van Moab. 7. Toen sprak Bileam zijn spreuk uit: Balak, de koning van Moab, heeft mij uit Aram laten halen, uit de bergen in het oosten. Hij zei: Kom, vervloek Jakob voor mij. Kom, verwens Israël. 8. Hoe kan ik vervloeken wie God niet vervloekt? Hoe kan ik iemand verwensen die de HEERE niet verwenst? 9. Van de top van de rotsen zie ik het, van de heuvels kijk ik ernaar uit. Zie, dat volk woont apart. Het rekent zich niet tot de andere volken. 10. Wie kan het stof van Jakob tellen, of zelfs een vierde deel van Israël? Laat mij sterven zoals de oprechten sterven. Laat mijn einde zijn zoals het zijne. 11. Toen zei Balak tegen Bileam: Wat hebt u mij aangedaan? Ik heb u gehaald om mijn vijanden te vervloeken, maar u hebt hen alleen maar gezegend. 12. Bileam antwoordde: Moet ik er niet voor zorgen dat ik precies zeg wat de HEERE mij in de mond legt? 13. Balak zei tegen hem: Kom toch met mij mee naar een andere plek, van waar u het volk kunt zien. U zult alleen de rand ervan zien, niet het hele volk. Vervloek het van daar voor mij. 14. Hij nam hem mee naar het veld van Zofim, op de top van de Pisga. Daar bouwde hij zeven altaren en offerde op elk altaar een stier en een ram. 15. Bileam zei tegen Balak: Blijf hier bij uw brandoffer staan, dan ga ik daar de HEERE tegemoet. 16. De HEERE kwam Bileam tegemoet. Hij legde hem een woord in de mond en zei: Ga terug naar Balak en spreek zo. 17. Bileam kwam bij hem terug. Balak stond bij zijn brandoffer, en de vorsten van Moab stonden bij hem. Balak vroeg hem: Wat heeft de HEERE gezegd? 18. Toen sprak Bileam zijn spreuk uit: Sta op, Balak, en luister! Hoor goed naar mij, zoon van Zippor. 19. God is geen mens, dat Hij zou liegen. Hij is geen mensenkind, dat Hij spijt zou krijgen. Zou Hij iets zeggen en het niet doen? Zou Hij iets beloven en het niet waarmaken? 20. Zie, ik heb opdracht gekregen om te zegenen. Hij heeft gezegend, en ik kan dat niet ongedaan maken. 21. Hij ziet geen onrecht in Jakob en geen kwaad in Israël. De HEERE, zijn God, is met hem. Bij hem klinkt gejuich voor de Koning. 22. God heeft hen uit Egypte geleid. Het volk heeft de kracht van een wilde os. 23. Want er is geen toverij tegen Jakob en geen waarzeggerij tegen Israël. Voortaan zal men over Jakob en Israël zeggen: Kijk wat God gedaan heeft! 24. Zie, dit volk staat op als een leeuwin en richt zich op als een leeuw. Het gaat niet liggen voordat het zijn prooi heeft verslonden en het bloed van de gedoden gedronken. 25. Toen zei Balak tegen Bileam: Als u het volk niet vervloekt, zegen het dan ook zeker niet! 26. Maar Bileam antwoordde Balak: Heb ik u niet gezegd: Alles wat de HEERE zegt, dat moet ik doen? 27. Balak zei tegen Bileam: Kom toch, ik neem u mee naar een andere plek. Misschien vindt die God het goed dat u het volk van daar voor mij vervloekt. 28. Balak nam Bileam mee naar de top van de Peor, die uitkijkt over de wildernis. 29. Bileam zei tegen Balak: Bouw hier zeven altaren voor mij en maak hier zeven stieren en zeven rammen voor mij klaar. 30. Balak deed wat Bileam gezegd had en offerde op elk altaar een stier en een ram. ## Numeri 24 — De laatste spreuken van Bileam 1. Bileam zag dat de HEERE het goed vond dat hij Israël zegende. Daarom ging hij deze keer niet zoals eerder op zoek naar voortekens. Hij keerde zijn gezicht naar de woestijn. 2. Bileam keek op en zag Israël, gelegerd naar zijn stammen. Toen kwam de Geest van God over hem. 3. Hij sprak zijn spreuk uit: Dit zegt Bileam, de zoon van Beor. Dit zegt de man wiens ogen geopend zijn. 4. Dit zegt hij die de woorden van God hoort en een visioen van de Almachtige ziet. Hij valt neer, en zijn ogen worden geopend. 5. Hoe mooi zijn je tenten, Jakob, je woningen, Israël! 6. Ze strekken zich uit als beekdalen, als tuinen langs een rivier. Ze zijn als sandelbomen die de HEERE geplant heeft, als ceders langs het water. 7. Water stroomt uit zijn emmers, en zijn zaad heeft volop water. Zijn koning wordt groter dan Agag, en zijn koninkrijk wordt verheven. 8. God heeft hem uit Egypte geleid. Hij heeft de kracht van een wilde os. Hij verslindt de volken die zijn vijanden zijn. Hij breekt hun beenderen en doorboort hen met zijn pijlen. 9. Hij gaat liggen, hij rust als een leeuw, als een leeuwin. Wie durft hem wakker te maken? Gezegend is wie jou zegent, en vervloekt is wie jou vervloekt! 10. Toen werd Balak woedend op Bileam. Hij sloeg zijn handen ineen en zei tegen Bileam: Ik heb u geroepen om mijn vijanden te vervloeken. Maar u hebt hen nu al drie keer gezegend! 11. Ga nu maar gauw terug naar huis! Ik had beloofd u rijk te belonen, maar de HEERE heeft u die eer onthouden. 12. Bileam antwoordde Balak: Heb ik niet al tegen de boden gezegd die u naar mij stuurde: 13. Al gaf Balak mij zijn paleis vol zilver en goud, dan nog kon ik niet ingaan tegen het bevel van de HEERE. Ik kan niets goeds of kwaads doen uit mijzelf. Wat de HEERE zegt, dat zeg ik. 14. Ik ga nu terug naar mijn volk. Maar kom, ik zal u waarschuwen. Ik zal u zeggen wat dit volk in de laatste dagen met uw volk zal doen. 15. Toen sprak hij zijn spreuk uit: Dit zegt Bileam, de zoon van Beor. Dit zegt de man wiens ogen geopend zijn. 16. Dit zegt hij die de woorden van God hoort en de kennis van de Allerhoogste kent. Hij ziet een visioen van de Almachtige; hij valt neer, en zijn ogen worden geopend. 17. Ik zie hem, maar niet nu. Ik aanschouw hem, maar niet van dichtbij. Er komt een ster uit Jakob, er staat een scepter op uit Israël. Hij verplettert de grenzen van Moab en vernietigt alle zonen van Seth. 18. Edom wordt zijn bezit, en ook Seïr, het land van zijn vijanden, wordt zijn bezit. Maar Israël toont zijn kracht. 19. Uit Jakob komt een heerser, en hij vernietigt wie uit de steden overblijft. 20. Toen hij Amalek zag, sprak hij zijn spreuk uit: Amalek was het eerste onder de volken, maar zijn einde is de ondergang. 21. Toen hij de Kenieten zag, sprak hij zijn spreuk uit: Je woonplaats is sterk, je nest ligt hoog in de rotsen. 22. Toch zal Kaïn verwoest worden, tot Assur je gevangen wegvoert. 23. Verder sprak hij zijn spreuk uit: Wie blijft er in leven als God dit doet? 24. Schepen komen vanaf de kust van Kittim. Zij onderdrukken Assur en zij onderdrukken Heber. Maar ook hij gaat ten onder. 25. Toen stond Bileam op en ging terug naar huis. Ook Balak ging weg. ## Numeri 25 — Baäl-Peor en de ijver van Pinehas 1. Toen Israël in Sittim verbleef, begon het volk ontucht te plegen met de vrouwen van Moab. 2. Die vrouwen nodigden het volk uit bij de offermaaltijden voor hun goden. Het volk at mee en boog zich neer voor hun goden. 3. Zo sloot Israël zich aan bij Baäl-Peor. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. 4. De HEERE zei tegen Mozes: Neem alle leiders van het volk en hang hen op voor de HEERE, in het volle daglicht. Dan keert de brandende toorn van de HEERE zich van Israël af. 5. Toen zei Mozes tegen de rechters van Israël: Ieder van jullie moet de mannen doden die zich bij Baäl-Peor hebben aangesloten. 6. Maar kijk, een Israëliet kwam en bracht een Midianitische vrouw mee naar zijn familie. Dat gebeurde voor de ogen van Mozes en de hele gemeenschap van Israël, terwijl zij huilden bij de ingang van de ontmoetingstent. 7. Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zag dat. Hij stond op uit de gemeenschap en nam een speer in zijn hand. 8. Hij ging de Israëliet achterna de tent in en doorstak hen allebei, de Israëliet en de vrouw, door hun buik. Toen hield de plaag onder de Israëlieten op. 9. Aan de plaag stierven 24.000 mensen. 10. De HEERE zei tegen Mozes: 11. Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, heeft mijn woede van de Israëlieten afgewend. Hij kwam onder hen op met mijn eigen ijver. Daarom heb ik de Israëlieten in mijn ijver niet vernietigd. 12. Zeg daarom: Kijk, ik geef hem mijn verbond van vrede. 13. Voor hem en zijn nakomelingen na hem wordt het een verbond van een eeuwig priesterschap. Want hij kwam op voor zijn God en deed verzoening voor de Israëlieten. 14. De Israëliet die samen met de Midianitische vrouw gedood was, heette Zimri. Hij was de zoon van Salu en het hoofd van een familie van de Simeonieten. 15. De Midianitische vrouw die gedood was, heette Kozbi. Zij was een dochter van Zur, die stamhoofd was van een familie in Midian. 16. Verder zei de HEERE tegen Mozes: 17. Behandel de Midianieten als vijanden en versla hen. 18. Want zij hebben jullie als vijanden behandeld met hun listen. Zij hebben jullie misleid in de zaak van Peor. Dat deden zij ook met Kozbi, hun zus, de dochter van een leider van Midian. Zij werd gedood op de dag van de plaag vanwege Peor. ## Numeri 26 — De tweede telling 1. Na die plaag zei de HEERE tegen Mozes en tegen Eleazar, de zoon van Aäron, de priester: 2. Tel de hele gemeenschap van Israël, per familie. Tel iedereen van 20 jaar en ouder die in Israëls leger kan dienen. 3. Mozes en de priester Eleazar spraken met hen in de vlakte van Moab, bij de Jordaan tegenover Jericho. Zij zeiden: 4. Tel iedereen van 20 jaar en ouder, zoals de HEERE Mozes heeft opgedragen. Dit zijn de Israëlieten die uit Egypte waren getrokken: 5. Ruben was de eerstgeborene van Israël. Van zijn zonen stamden deze families af: van Hanoch de Hanochieten, van Pallu de Palluieten, 6. van Hezron de Hezronieten en van Karmi de Karmieten. 7. Dat waren de families van Ruben. Er werden 43.730 mannen geteld. 8. Pallu had een zoon: Eliab. 9. De zonen van Eliab waren Nemuël, Dathan en Abiram. Dathan en Abiram waren door de gemeenschap geroepen. Zij kwamen met Korach en zijn aanhangers in opstand tegen Mozes en Aäron, en zo tegen de HEERE. 10. De aarde opende haar mond en verslond hen samen met Korach, toen zijn aanhangers stierven. Het vuur verteerde toen 250 mannen. Zo werden zij een waarschuwend teken. 11. Maar de zonen van Korach stierven niet. 12. De families van Simeon waren: van Nemuël de Nemuëlieten, van Jamin de Jaminieten, van Jachin de Jachinieten, 13. van Zerah de Zerahieten en van Saul de Saulieten. 14. Dat waren de families van Simeon. Er werden 22.200 mannen geteld. 15. De families van Gad waren: van Zefon de Zefonieten, van Haggi de Haggieten, van Suni de Sunieten, 16. van Ozni de Oznieten, van Heri de Herieten, 17. van Arod de Arodieten en van Areli de Arelieten. 18. Dat waren de families van Gad. Er werden 40.500 mannen geteld. 19. De zonen van Juda waren Er en Onan, maar Er en Onan stierven in Kanaän. 20. De families van Juda waren: van Sela de Selanieten, van Perez de Perezieten en van Zerah de Zerahieten. 21. Van de zonen van Perez stamden af: van Hezron de Hezronieten en van Hamul de Hamulieten. 22. Dat waren de families van Juda. Er werden 76.500 mannen geteld. 23. De families van Issaschar waren: van Tola de Tolaieten, van Puva de Punieten, 24. van Jasub de Jasubieten en van Simron de Simronieten. 25. Dat waren de families van Issaschar. Er werden 64.300 mannen geteld. 26. De families van Zebulon waren: van Sered de Seredieten, van Elon de Elonieten en van Jahleel de Jahleelieten. 27. Dat waren de families van Zebulon. Er werden 60.500 mannen geteld. 28. De families van Jozef kwamen voort uit Manasse en Efraïm. 29. De families van Manasse waren: van Machir de Machirieten. Machir werd de vader van Gilead. Van Gilead stamden de Gileadieten af. 30. Dit waren de families van Gilead: van Jezer de Jezerieten, van Helek de Helekieten, 31. van Asriël de Asriëlieten, van Sechem de Sechemieten, 32. van Semida de Semidaieten en van Hefer de Heferieten. 33. Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, alleen dochters. Zijn dochters heetten Machla, Noa, Hogla, Milka en Tirza. 34. Dat waren de families van Manasse. Er werden 52.700 mannen geteld. 35. Dit waren de families van Efraïm: van Sutelah de Sutelahieten, van Becher de Becherieten en van Tahan de Tahanieten. 36. Van Sutelah stamden af: van Eran de Eranieten. 37. Dat waren de families van Efraïm. Er werden 32.500 mannen geteld. Dat waren de nakomelingen van Jozef, per familie. 38. De families van Benjamin waren: van Bela de Belaieten, van Asbel de Asbelieten, van Ahiram de Ahiramieten, 39. van Sefufam de Sufamieten en van Hufam de Hufamieten. 40. De zonen van Bela waren Ard en Naäman. Van Ard stamden de Ardieten af, van Naäman de Naämieten. 41. Dat waren de families van Benjamin. Er werden 45.600 mannen geteld. 42. Dit waren de families van Dan: van Suham de Suhamieten. Dat waren de families van Dan. 43. Alle families van de Suhamieten samen telden 64.400 mannen. 44. De families van Aser waren: van Imna de Imnaieten, van Isvi de Isvieten, van Beria de Beriieten. 45. Van de zonen van Beria stamden af: van Heber de Heberieten en van Malchiël de Malchiëlieten. 46. De dochter van Aser heette Serah. 47. Dat waren de families van Aser. Er werden 53.400 mannen geteld. 48. De families van Nafthali waren: van Jahzeel de Jahzeelieten, van Guni de Gunieten, 49. van Jezer de Jezerieten en van Sillem de Sillemieten. 50. Dat waren de families van Nafthali. Er werden 45.400 mannen geteld. 51. In totaal werden er 601.730 Israëlieten geteld. 52. De HEERE zei tegen Mozes: 53. Onder deze mensen moet het land als erfdeel verdeeld worden, naar het aantal namen. 54. Geef een grote stam een groter erfdeel en een kleine stam een kleiner erfdeel. Elke stam krijgt een erfdeel naar het aantal getelden. 55. Toch wordt het land door het lot verdeeld. Zij krijgen hun erfdeel volgens de namen van de stammen van hun voorouders. 56. Door het lot wordt ieders erfdeel verdeeld, tussen de grote en de kleine stammen. 57. Dit zijn de getelde Levieten, per familie: van Gerson de Gersonieten, van Kohath de Kohathieten, van Merari de Merarieten. 58. Dit zijn de families van Levi: de Libnieten, de Hebronieten, de Machlieten, de Muzieten en de Korachieten. Kohath werd de vader van Amram. 59. De vrouw van Amram heette Jochebed. Zij was een dochter van Levi en was in Egypte geboren. Zij kreeg van Amram Aäron, Mozes en hun zus Mirjam. 60. Aäron kreeg de zonen Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 61. Nadab en Abihu waren gestorven toen zij vreemd vuur voor de HEERE brachten. 62. Bij de Levieten werden 23.000 mannen geteld, alle mannelijke personen van 1 maand en ouder. Zij werden niet bij de Israëlieten geteld, omdat zij onder de Israëlieten geen erfdeel kregen. 63. Dit waren de getelden van Mozes en de priester Eleazar. Zij telden de Israëlieten in de vlakte van Moab, bij de Jordaan tegenover Jericho. 64. Onder hen was niemand meer van hen die Mozes en de priester Aäron geteld hadden in de Sinaïwoestijn. 65. Want de HEERE had over hen gezegd dat zij zeker in de woestijn zouden sterven. Van hen was niemand overgebleven, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. ## Numeri 27 — De dochters van Zelafead, en Jozua als opvolger 1. Toen kwamen de dochters van Zelafead naar voren. Zelafead was de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse. Hij hoorde bij de families van Manasse, de zoon van Jozef. Zijn dochters heetten Machla, Noa, Hogla, Milka en Tirza. 2. Zij gingen staan voor Mozes, de priester Eleazar, de leiders en de hele gemeenschap, bij de ingang van de ontmoetingstent. Zij zeiden: 3. Onze vader is in de woestijn gestorven. Hij hoorde niet bij de aanhangers van Korach, die zich tegen de HEERE verzamelden. Hij is gestorven om zijn eigen zonde, en hij had geen zonen. 4. Waarom zou de naam van onze vader uit zijn familie verdwijnen, omdat hij geen zoon had? Geef ons een eigen bezit tussen de broers van onze vader. 5. Mozes legde hun zaak voor aan de HEERE. 6. De HEERE zei tegen Mozes: 7. De dochters van Zelafead hebben gelijk. Geef hun beslist een erfelijk bezit tussen de broers van hun vader. Laat het erfdeel van hun vader op hen overgaan. 8. Zeg tegen de Israëlieten: Als iemand sterft zonder een zoon na te laten, geven jullie zijn erfdeel aan zijn dochter. 9. Heeft hij geen dochter, geef zijn erfdeel dan aan zijn broers. 10. Heeft hij geen broers, geef zijn erfdeel dan aan de broers van zijn vader. 11. Heeft zijn vader geen broers, geef zijn erfdeel dan aan zijn naaste bloedverwant in zijn familie. Die krijgt het in bezit. Dit werd voor de Israëlieten een wettelijke regel, zoals de HEERE Mozes had opgedragen. 12. Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga deze berg in het Abarimgebergte op en bekijk het land dat ik aan de Israëlieten gegeven heb. 13. Als je het gezien hebt, ga ook jij naar je voorouders, net als je broer Aäron. 14. Want jullie zijn in de woestijn Zin tegen mijn bevel in gegaan, toen de gemeenschap ruzie maakte. Jullie hebben mij toen bij het water niet voor hun ogen als heilig laten zien. Dat is het water van Meriba bij Kades, in de woestijn Zin. 15. Toen zei Mozes tegen de HEERE: 16. Laat de HEERE, de God die alle leven de adem geeft, een man over deze gemeenschap aanstellen. 17. Laat hij voor hen uit gaan en voor hen terugkomen, en hen naar buiten en naar binnen leiden. Dan is de gemeenschap van de HEERE niet als schapen zonder herder. 18. De HEERE zei tegen Mozes: Neem Jozua, de zoon van Nun, een man in wie de Geest is. Leg je hand op hem. 19. Laat hem voor de priester Eleazar en de hele gemeenschap staan, en geef hem voor hun ogen zijn opdracht. 20. Geef hem een deel van je aanzien, zodat de hele gemeenschap van Israël naar hem luistert. 21. Hij moet voor de priester Eleazar gaan staan. Die zal voor hem de HEERE raadplegen met de Urim. Op zijn bevel trekken zij uit en op zijn bevel komen zij terug: hij, alle Israëlieten met hem en de hele gemeenschap. 22. Mozes deed wat de HEERE hem had opgedragen. Hij nam Jozua en liet hem voor de priester Eleazar en de hele gemeenschap staan. 23. Hij legde zijn handen op hem en gaf hem zijn opdracht, zoals de HEERE via Mozes gezegd had. ## Numeri 28 — Offers voor elke dag, sabbat en feest 1. Verder zei de HEERE tegen Mozes: 2. Geef de Israëlieten dit bevel en zeg tegen hen: Zorg ervoor dat jullie mij op de vaste tijd mijn offer brengen. Het is mijn voedsel, als vuuroffer met een geur die mij aangenaam is. 3. Zeg tegen hen: Dit is het vuuroffer dat jullie aan de HEERE moeten brengen: elke dag twee eenjarige lammeren zonder gebrek, als dagelijks brandoffer. 4. Offer het ene lam in de ochtend en het andere tegen de avond. 5. Breng daarbij als graanoffer ongeveer 2 liter fijn meel, gemengd met ongeveer 1 liter olie van fijngestoten olijven. 6. Dit is het dagelijkse brandoffer dat op de berg Sinaï is ingesteld. Het is een vuuroffer voor de HEERE, met een geur die Hem aangenaam is. 7. Het drankoffer bij het ene lam is ongeveer 1 liter. Giet in het heiligdom het drankoffer van sterke drank uit voor de HEERE. 8. Offer het andere lam tegen de avond. Doe dat met hetzelfde graanoffer en drankoffer als in de ochtend. Het is een vuuroffer met een geur die de HEERE aangenaam is. 9. Offer op de sabbat twee eenjarige lammeren zonder gebrek. Breng daarbij als graanoffer ongeveer 4 liter fijn meel, gemengd met olie, en het bijbehorende drankoffer. 10. Dit is het brandoffer voor elke sabbat, naast het dagelijkse brandoffer en het bijbehorende drankoffer. 11. Breng aan het begin van elke maand een brandoffer aan de HEERE: twee jonge stieren, één ram en zeven eenjarige lammeren zonder gebrek. 12. Breng daarbij als graanoffer fijn meel, gemengd met olie: ongeveer 6 liter voor elke stier en ongeveer 4 liter voor de ram. 13. Breng voor elk lam ongeveer 2 liter fijn meel, gemengd met olie, als graanoffer. Het is een brandoffer met een geur die de HEERE aangenaam is, een vuuroffer voor Hem. 14. De drankoffers zijn ongeveer 2 liter wijn voor een stier, ongeveer 1,3 liter voor de ram en ongeveer 1 liter voor een lam. Dit is het brandoffer voor het begin van elke maand, het hele jaar door. 15. Breng daarnaast een geitenbok als zondoffer voor de HEERE, naast het dagelijkse brandoffer en het bijbehorende drankoffer. 16. Op de veertiende dag van de eerste maand is het pascha voor de HEERE. 17. Op de vijftiende dag van die maand is het feest. Zeven dagen lang moet ongezuurd brood gegeten worden. 18. Op de eerste dag houden jullie een heilige bijeenkomst. Doe dan geen gewoon werk. 19. Breng dan een vuuroffer als brandoffer voor de HEERE: twee jonge stieren, één ram en zeven eenjarige lammeren. Zorg dat ze zonder gebrek zijn. 20. Breng daarbij als graanoffer fijn meel, gemengd met olie: ongeveer 6 liter voor een stier en ongeveer 4 liter voor de ram. 21. Breng voor elk van de zeven lammeren ongeveer 2 liter. 22. Breng ook een bok als zondoffer, om voor jullie verzoening te doen. 23. Breng deze offers naast het ochtendbrandoffer, dat bij het dagelijkse brandoffer hoort. 24. Breng zo zeven dagen lang elke dag het voedsel van het vuuroffer, met een geur die de HEERE aangenaam is. Het wordt gebracht naast het dagelijkse brandoffer en het bijbehorende drankoffer. 25. Op de zevende dag houden jullie een heilige bijeenkomst. Doe dan geen gewoon werk. 26. Ook op de dag van de eerstelingen houden jullie een heilige bijeenkomst. Dat is op het wekenfeest, wanneer jullie een nieuw graanoffer aan de HEERE brengen. Doe dan geen gewoon werk. 27. Breng dan een brandoffer met een geur die de HEERE aangenaam is: twee jonge stieren, één ram en zeven eenjarige lammeren. 28. Breng daarbij als graanoffer fijn meel, gemengd met olie: ongeveer 6 liter voor elke stier en ongeveer 4 liter voor de ram, 29. en ongeveer 2 liter voor elk van de zeven lammeren. 30. Breng ook een geitenbok om voor jullie verzoening te doen. 31. Breng deze offers naast het dagelijkse brandoffer en het bijbehorende graanoffer. Zorg dat de dieren zonder gebrek zijn, en breng de drankoffers erbij. ## Numeri 29 — Offers in de zevende maand 1. Op de eerste dag van de zevende maand houden jullie een heilige bijeenkomst. Doe dan geen gewoon werk. Het is voor jullie een dag van trompetgeschal. 2. Breng dan een brandoffer met een geur die de HEERE aangenaam is: één jonge stier, één ram en zeven eenjarige lammeren zonder gebrek. 3. Breng daarbij als graanoffer fijn meel, gemengd met olie: ongeveer 6 liter voor de stier en ongeveer 4 liter voor de ram, 4. en ongeveer 2 liter voor elk van de zeven lammeren. 5. Breng ook een geitenbok als zondoffer, om voor jullie verzoening te doen. 6. Dit komt naast het brandoffer van de nieuwe maand met het bijbehorende graanoffer, en naast het dagelijkse brandoffer met het bijbehorende graanoffer. Ook de drankoffers horen erbij, zoals voorgeschreven. Het is een vuuroffer met een geur die de HEERE aangenaam is. 7. Op de tiende dag van deze zevende maand houden jullie een heilige bijeenkomst. Jullie moeten je dan verootmoedigen. Doe dan geen enkel werk. 8. Breng een brandoffer met een geur die de HEERE aangenaam is: één jonge stier, één ram en zeven eenjarige lammeren. Zorg dat ze zonder gebrek zijn. 9. Breng daarbij als graanoffer fijn meel, gemengd met olie: ongeveer 6 liter voor de stier en ongeveer 4 liter voor de ram, 10. en ongeveer 2 liter voor elk van de zeven lammeren. 11. Breng ook een geitenbok als zondoffer. Dat komt naast het zondoffer van de verzoening en het dagelijkse brandoffer, met het bijbehorende graanoffer en de drankoffers. 12. Op de vijftiende dag van de zevende maand houden jullie een heilige bijeenkomst. Doe dan geen gewoon werk. Vier dan zeven dagen lang een feest voor de HEERE. 13. Breng een brandoffer als vuuroffer, met een geur die de HEERE aangenaam is: dertien jonge stieren, twee rammen en veertien eenjarige lammeren. Zij moeten zonder gebrek zijn. 14. Breng daarbij als graanoffer fijn meel, gemengd met olie. Voor elk van de dertien stieren is dat ongeveer 6 liter, voor elk van de twee rammen ongeveer 4 liter, 15. en voor elk van de veertien lammeren ongeveer 2 liter. 16. Breng ook een geitenbok als zondoffer, naast het dagelijkse brandoffer met het bijbehorende graanoffer en drankoffer. 17. Op de tweede dag: twaalf jonge stieren, twee rammen en veertien eenjarige lammeren zonder gebrek, 18. met de bijbehorende graanoffers en drankoffers voor de stieren, de rammen en de lammeren, volgens hun aantal en zoals voorgeschreven. 19. Breng ook een geitenbok als zondoffer, naast het dagelijkse brandoffer met het bijbehorende graanoffer en de drankoffers. 20. Op de derde dag: elf stieren, twee rammen en veertien eenjarige lammeren zonder gebrek, 21. met de bijbehorende graanoffers en drankoffers voor de stieren, de rammen en de lammeren, volgens hun aantal en zoals voorgeschreven. 22. Breng ook een bok als zondoffer, naast het dagelijkse brandoffer met het bijbehorende graanoffer en drankoffer. 23. Op de vierde dag: tien stieren, twee rammen en veertien eenjarige lammeren zonder gebrek, 24. met de bijbehorende graanoffers en drankoffers voor de stieren, de rammen en de lammeren, volgens hun aantal en zoals voorgeschreven. 25. Breng ook een geitenbok als zondoffer, naast het dagelijkse brandoffer met het bijbehorende graanoffer en drankoffer. 26. Op de vijfde dag: negen stieren, twee rammen en veertien eenjarige lammeren zonder gebrek, 27. met de bijbehorende graanoffers en drankoffers voor de stieren, de rammen en de lammeren, volgens hun aantal en zoals voorgeschreven. 28. Breng ook een bok als zondoffer, naast het dagelijkse brandoffer met het bijbehorende graanoffer en drankoffer. 29. Op de zesde dag: acht stieren, twee rammen en veertien eenjarige lammeren zonder gebrek, 30. met de bijbehorende graanoffers en drankoffers voor de stieren, de rammen en de lammeren, volgens hun aantal en zoals voorgeschreven. 31. Breng ook een bok als zondoffer, naast het dagelijkse brandoffer met het bijbehorende graanoffer en de drankoffers. 32. Op de zevende dag: zeven stieren, twee rammen en veertien eenjarige lammeren zonder gebrek, 33. met de bijbehorende graanoffers en drankoffers voor de stieren, de rammen en de lammeren, volgens hun aantal en zoals voorgeschreven. 34. Breng ook een bok als zondoffer, naast het dagelijkse brandoffer met het bijbehorende graanoffer en drankoffer. 35. Op de achtste dag houden jullie een plechtige slotdag. Doe dan geen gewoon werk. 36. Breng een brandoffer als vuuroffer, met een geur die de HEERE aangenaam is: één stier, één ram en zeven eenjarige lammeren zonder gebrek, 37. met de bijbehorende graanoffers en drankoffers voor de stier, de ram en de lammeren, volgens hun aantal en zoals voorgeschreven. 38. Breng ook een bok als zondoffer, naast het dagelijkse brandoffer met het bijbehorende graanoffer en drankoffer. 39. Deze offers brengen jullie de HEERE op jullie vaste feesten. Ze komen naast jullie geloften en vrijwillige gaven: jullie brandoffers, graanoffers, drankoffers en dankoffers. 40. Mozes vertelde de Israëlieten alles wat de HEERE hem had opgedragen. ## Numeri 30 — Geloften 1. Mozes sprak met de hoofden van de stammen van Israël. Hij zei: Dit heeft de HEERE geboden: 2. Als een man de HEERE een gelofte doet, of met een eed belooft zich ergens aan te binden, mag hij zijn woord niet breken. Hij moet doen wat hij heeft uitgesproken. 3. Stel dat een vrouw de HEERE een gelofte doet of zich ergens aan bindt, terwijl zij als jonge vrouw nog bij haar vader woont. 4. Haar vader hoort van haar gelofte of van haar belofte en zegt er niets van. Dan blijven al haar geloften en beloften van kracht. 5. Maar als haar vader het haar verbiedt op de dag dat hij ervan hoort, vervallen al haar geloften en beloften. De HEERE vergeeft het haar, omdat haar vader het haar verboden heeft. 6. Stel dat zij trouwt terwijl zij nog gebonden is aan een gelofte, of aan een belofte die zij haastig heeft uitgesproken. 7. Haar man hoort ervan en zegt er niets van op de dag dat hij het hoort. Dan blijven haar geloften en beloften van kracht. 8. Maar als haar man het haar verbiedt op de dag dat hij ervan hoort, maakt hij haar gelofte en haar uitgesproken belofte ongeldig. De HEERE vergeeft het haar. 9. Voor de gelofte van een weduwe of een verstoten vrouw geldt: alles waaraan zij zich gebonden heeft, blijft voor haar van kracht. 10. Stel dat een vrouw in het huis van haar man een gelofte doet, of zich met een eed ergens aan bindt. 11. Haar man hoort ervan, zegt er niets van en verbiedt het niet. Dan blijven al haar geloften en beloften van kracht. 12. Maar als haar man ze ongeldig maakt op de dag dat hij ervan hoort, blijft niets van wat zij heeft uitgesproken van kracht. Haar man heeft ze ongeldig gemaakt, en de HEERE vergeeft het haar. 13. Elke gelofte en elke eed waarmee zij zich verplicht zich te verootmoedigen, kan haar man bekrachtigen of ongeldig maken. 14. Zegt haar man er dag na dag niets van, dan bekrachtigt hij al haar geloften en beloften. Hij heeft ze bekrachtigd door te zwijgen op de dag dat hij ervan hoorde. 15. Maar maakt hij ze pas later ongeldig, nadat hij ervan gehoord heeft, dan draagt hij haar schuld. 16. Dit zijn de voorschriften die de HEERE aan Mozes gaf over een man en zijn vrouw. Ze gelden ook voor een vader en zijn dochter, zolang zij als jonge vrouw bij haar vader woont. ## Numeri 31 — De strijd tegen Midian 1. De HEERE zei tegen Mozes: 2. Neem voor de Israëlieten wraak op de Midianieten. Daarna ga je naar je voorouders. 3. Toen zei Mozes tegen het volk: Laat een deel van jullie mannen zich voor de strijd uitrusten. Zij moeten tegen Midian optrekken om de wraak van de HEERE op Midian te voltrekken. 4. Stuur uit elke stam van Israël duizend man naar de strijd. 5. Zo werden er uit de duizenden van Israël 12.000 mannen voor de strijd uitgerust, duizend uit elke stam. 6. Mozes stuurde hen naar de strijd, duizend uit elke stam. Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, ging met hen mee. Hij had de heilige voorwerpen en de signaaltrompetten bij zich. 7. Zij streden tegen Midian, zoals de HEERE Mozes had opgedragen, en doodden alle mannen. 8. Behalve de andere gesneuvelden doodden zij ook de vijf koningen van Midian: Evi, Rekem, Zur, Hur en Reba. Ook Bileam, de zoon van Beor, doodden zij met het zwaard. 9. De Israëlieten namen de vrouwen van Midian en hun kinderen gevangen. Zij namen al hun vee, al hun kudden en al hun bezit als buit mee. 10. Al hun steden waar zij woonden en al hun versterkte kampen staken zij in brand. 11. Zij namen alle buit mee, mensen en dieren. 12. Zij brachten de gevangenen en de buit naar Mozes, de priester Eleazar en de gemeenschap van Israël. Die waren in het kamp in de vlakte van Moab, bij de Jordaan tegenover Jericho. 13. Mozes, de priester Eleazar en alle leiders van de gemeenschap gingen hun tegemoet, tot buiten het kamp. 14. Mozes werd kwaad op de bevelhebbers van het leger, de leiders over duizend en over honderd man, die terugkwamen van de strijd. 15. Mozes zei tegen hen: Hebben jullie alle vrouwen in leven gelaten? 16. Juist zij hebben op aanraden van Bileam de Israëlieten ertoe gebracht ontrouw te worden aan de HEERE, in de zaak van Peor. Daardoor kwam de plaag over de gemeenschap van de HEERE. 17. Dood daarom alle jongens onder de kinderen. Dood ook alle vrouwen die met een man hebben geslapen. 18. Maar alle meisjes die nog nooit met een man hebben geslapen, mogen jullie voor jezelf in leven laten. 19. Blijf zeven dagen buiten het kamp. Ieder van jullie die iemand gedood heeft of een gesneuvelde heeft aangeraakt, moet zich op de derde en de zevende dag reinigen. Dat geldt voor jullie en voor jullie gevangenen. 20. Reinig ook alle kleding, alles wat van leer of geitenhaar is gemaakt en alles van hout. 21. De priester Eleazar zei tegen de soldaten die hadden meegevochten: Dit is het voorschrift uit de wet die de HEERE aan Mozes gaf: 22. Goud, zilver, koper, ijzer, tin en lood, 23. alles wat tegen vuur kan, moeten jullie door het vuur halen. Dan wordt het rein. Toch moet het ook met het reinigingswater gereinigd worden. Maar alles wat niet tegen vuur kan, moeten jullie door het water halen. 24. Was op de zevende dag jullie kleren, dan zijn jullie rein. Daarna mogen jullie weer in het kamp komen. 25. Verder zei de HEERE tegen Mozes: 26. Tel de buit, de mensen en de dieren die gevangen zijn genomen. Doe dat samen met de priester Eleazar en de familiehoofden van de gemeenschap. 27. Verdeel de buit in twee helften: een voor de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen, en een voor de hele gemeenschap. 28. Hef daarna een bijdrage voor de HEERE van het deel van de soldaten. Neem één op de vijfhonderd, van de mensen, de runderen, de ezels en de schapen. 29. Neem die van hun helft en geef ze aan de priester Eleazar, als bijdrage voor de HEERE. 30. Neem van de helft van de Israëlieten één op de vijftig, van de mensen, de runderen, de ezels, de schapen en al het andere vee. Geef die aan de Levieten, die de zorg hebben voor de tabernakel van de HEERE. 31. Mozes en de priester Eleazar deden wat de HEERE Mozes had opgedragen. 32. De buit, wat er over was van wat de soldaten hadden geroofd, bestond uit 675.000 schapen, 33. 72.000 runderen, 34. 61.000 ezels 35. en 32.000 personen, allemaal vrouwen die nog nooit met een man hadden geslapen. 36. De helft voor de mannen die ten strijde waren getrokken, bestond uit 337.500 schapen. 37. Daarvan was de bijdrage voor de HEERE 675 schapen. 38. Er waren 36.000 runderen, en de bijdrage voor de HEERE daarvan was 72. 39. Er waren 30.500 ezels, en de bijdrage voor de HEERE daarvan was 61. 40. Er waren 16.000 personen, en de bijdrage voor de HEERE daarvan was 32 personen. 41. Mozes gaf de bijdrage voor de HEERE aan de priester Eleazar, zoals de HEERE Mozes had opgedragen. 42. Dan de helft voor de Israëlieten, die Mozes had afgescheiden van het deel van de strijders. 43. Deze helft voor de gemeenschap bestond uit 337.500 schapen, 44. 36.000 runderen, 45. 30.500 ezels 46. en 16.000 personen. 47. Van deze helft van de Israëlieten nam Mozes één op de vijftig, van de mensen en van de dieren. Hij gaf die aan de Levieten, die de zorg hadden voor de tabernakel van de HEERE, zoals de HEERE Mozes had opgedragen. 48. Toen kwamen de bevelhebbers van het leger naar Mozes, de leiders over duizend en over honderd man. 49. Zij zeiden tegen Mozes: Uw dienaren hebben de soldaten geteld die onder ons bevel stonden. Er ontbreekt niet één man. 50. Daarom brengen wij een offer voor de HEERE: wat ieder aan gouden voorwerpen heeft gevonden, zoals armbanden, armringen, zegelringen, oorringen en halssieraden. Zo doen wij verzoening voor onszelf voor de HEERE. 51. Mozes en de priester Eleazar namen het goud van hen aan, allemaal kunstig bewerkte voorwerpen. 52. Al het goud dat de leiders over duizend en over honderd man als bijdrage aan de HEERE gaven, woog ongeveer 184 kilo. 53. De gewone soldaten hadden ieder voor zichzelf buit genomen. 54. Mozes en de priester Eleazar namen het goud van de leiders over duizend en over honderd man aan. Zij brachten het in de ontmoetingstent, als herinnering aan de Israëlieten voor de HEERE. ## Numeri 32 — Ruben en Gad aan de oostkant van de Jordaan 1. De stammen Ruben en Gad hadden heel veel vee. Zij zagen dat het land Jaëzer en het land Gilead geschikt waren voor vee. 2. Daarom kwamen de stammen Gad en Ruben naar Mozes, de priester Eleazar en de leiders van de gemeenschap. Zij zeiden: 3. Ataroth, Dibon, Jaëzer, Nimra, Hesbon, Eleale, Schebam, Nebo en Behon, 4. dat land heeft de HEERE voor de gemeenschap van Israël verslagen. Het is een land voor vee, en uw dienaren hebben vee. 5. Zij zeiden verder: Als wij genade in uw ogen gevonden hebben, laat dit land dan aan uw dienaren gegeven worden als bezit. Laat ons niet de Jordaan oversteken. 6. Maar Mozes zei tegen de Gadieten en de Rubenieten: Moeten jullie broers ten strijde trekken terwijl jullie hier blijven? 7. Waarom maken jullie de Israëlieten moedeloos, zodat zij niet oversteken naar het land dat de HEERE hun gegeven heeft? 8. Zo deden jullie vaders ook, toen ik hen vanuit Kades-Barnea stuurde om het land te bekijken. 9. Zij gingen tot het dal Eskol en bekeken het land. Toen maakten zij de Israëlieten moedeloos, zodat zij niet naar het land gingen dat de HEERE hun gegeven had. 10. Op die dag ontbrandde de toorn van de HEERE, en Hij zwoer: 11. Geen van de mannen van 20 jaar en ouder die uit Egypte zijn getrokken, zal het land zien. Dat is het land dat ik Abraham, Izak en Jakob onder ede beloofd heb. Want zij zijn mij niet trouw gevolgd. 12. Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun, zullen het zien. Want zij zijn de HEERE trouw gevolgd. 13. Zo ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. Hij liet hen veertig jaar in de woestijn rondzwerven. Zo kwam de hele generatie om die gedaan had wat slecht was in de ogen van de HEERE. 14. En nu staan jullie op in de plaats van jullie vaders, een generatie van zondige mensen. Zo maken jullie de brandende toorn van de HEERE tegen Israël nog groter. 15. Als jullie je van Hem afkeren, laat Hij het volk nog langer in de woestijn. Dan brengen jullie dit hele volk in het verderf. 16. Toen kwamen zij naar hem toe en zeiden: Wij willen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen. 17. Maar zelf zullen wij ons bewapenen en vooraan gaan voor de Israëlieten, tot wij hen op hun plaats hebben gebracht. Onze kinderen blijven in de versterkte steden, beschermd tegen de bewoners van het land. 18. Wij keren niet naar huis terug voordat alle Israëlieten hun eigen erfdeel in bezit hebben genomen. 19. Want wij krijgen geen erfdeel met hen aan de overkant van de Jordaan en verder. Ons erfdeel ligt aan deze kant van de Jordaan, aan de oostkant. 20. Toen zei Mozes tegen hen: Stel dat jullie dit doen en je voor de HEERE uitrusten voor de strijd, 21. en dat ieder van jullie gewapend voor de HEERE de Jordaan oversteekt, tot Hij Zijn vijanden voor zich uit heeft verdreven, 22. en dat het land voor de HEERE onderworpen is. Dan mogen jullie daarna terugkeren. Dan staan jullie tegenover de HEERE en Israël zonder schuld. En dan wordt dit land jullie bezit voor de HEERE. 23. Maar als jullie dat niet doen, dan zondigen jullie tegen de HEERE. Wees ervan verzekerd: jullie zonde zal jullie vinden. 24. Bouw steden voor jullie kinderen en kooien voor jullie schapen. Doe wat jullie beloofd hebben. 25. De Gadieten en de Rubenieten zeiden tegen Mozes: Uw dienaren zullen doen wat mijn heer beveelt. 26. Onze kinderen, onze vrouwen, onze kudden en al ons vee blijven hier in de steden van Gilead. 27. Maar uw dienaren trekken over, iedereen die gewapend is voor de strijd, voor de HEERE uit, zoals mijn heer gezegd heeft. 28. Toen gaf Mozes over hen instructies aan de priester Eleazar, aan Jozua, de zoon van Nun, en aan de familiehoofden van de stammen van Israël. 29. Mozes zei tegen hen: Stel dat de Gadieten en de Rubenieten met jullie de Jordaan oversteken, gewapend voor de strijd voor de HEERE. Als het land dan aan jullie onderworpen is, geef hun dan het land Gilead als bezit. 30. Maar als zij niet gewapend met jullie oversteken, krijgen zij hun bezit bij jullie in het land Kanaän. 31. De Gadieten en de Rubenieten antwoordden: Wat de HEERE tegen uw dienaren gezegd heeft, zullen wij doen. 32. Wij zullen gewapend voor de HEERE uit oversteken naar het land Kanaän. Maar ons erfdeel krijgen wij aan deze kant van de Jordaan. 33. Zo gaf Mozes de Gadieten en de Rubenieten het koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, en van Og, de koning van Basan. Ook de halve stam van Manasse, de zoon van Jozef, kreeg een deel. Hij gaf hun het land met de steden en het gebied eromheen. 34. De Gadieten bouwden Dibon, Ataroth, Aroër, 35. Atroth-Sofan, Jaëzer, Jogbeha, 36. Beth-Nimra en Beth-Haran, versterkte steden, en schaapskooien. 37. De Rubenieten bouwden Hesbon, Eleale, Kirjathaïm, 38. Nebo en Baäl-Meon, waarvan de namen veranderd werden, en Sibma. Zij gaven de steden die zij bouwden nieuwe namen. 39. De nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse, trokken naar Gilead en namen het in. Zij verdreven de Amorieten die daar woonden. 40. Mozes gaf Gilead aan Machir, de zoon van Manasse, en hij ging daar wonen. 41. Jaïr, een nakomeling van Manasse, trok erop uit en nam hun dorpen in. Hij noemde ze Havvoth-Jaïr. 42. Nobah trok erop uit en nam Kenath in, met de dorpen eromheen. Hij noemde het Nobah, naar zijn eigen naam. ## Numeri 33 — De tochten van Egypte tot de Jordaan 1. Dit zijn de tochten van de Israëlieten, die onder leiding van Mozes en Aäron in hun legerafdelingen uit Egypte waren getrokken. 2. Op bevel van de HEERE schreef Mozes hun vertrekpunten op, tocht na tocht. Dit zijn hun tochten, van plaats tot plaats. 3. Zij vertrokken uit Rameses op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het pascha. De Israëlieten trokken vrijmoedig weg, voor de ogen van alle Egyptenaren. 4. De Egyptenaren begroeven toen hun eerstgeborenen, die de HEERE onder hen gedood had. Ook over hun goden had de HEERE het oordeel voltrokken. 5. De Israëlieten vertrokken uit Rameses en sloegen hun kamp op in Sukkoth. 6. Zij vertrokken uit Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, aan de rand van de woestijn. 7. Zij vertrokken uit Etham en gingen terug naar Pi-Hachiroth, tegenover Baäl-Sefon. Zij sloegen hun kamp op bij Migdol. 8. Zij vertrokken uit Pi-Hachiroth en trokken door het midden van de zee naar de woestijn. Zij trokken drie dagen door de woestijn Etham en sloegen hun kamp op in Mara. 9. Zij vertrokken uit Mara en kwamen in Elim. In Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, en daar sloegen zij hun kamp op. 10. Zij vertrokken uit Elim en sloegen hun kamp op aan de Schelfzee. 11. Zij vertrokken uit de Schelfzee en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin. 12. Zij vertrokken uit de woestijn Sin en sloegen hun kamp op in Dofka. 13. Zij vertrokken uit Dofka en sloegen hun kamp op in Aluz. 14. Zij vertrokken uit Aluz en sloegen hun kamp op in Rafidim. Daar was geen water voor het volk om te drinken. 15. Zij vertrokken uit Rafidim en sloegen hun kamp op in de Sinaïwoestijn. 16. Zij vertrokken uit de Sinaïwoestijn en sloegen hun kamp op in Kibroth-Taava. 17. Zij vertrokken uit Kibroth-Taava en sloegen hun kamp op in Hazeroth. 18. Zij vertrokken uit Hazeroth en sloegen hun kamp op in Rithma. 19. Zij vertrokken uit Rithma en sloegen hun kamp op in Rimmon-Perez. 20. Zij vertrokken uit Rimmon-Perez en sloegen hun kamp op in Libna. 21. Zij vertrokken uit Libna en sloegen hun kamp op in Rissa. 22. Zij vertrokken uit Rissa en sloegen hun kamp op in Kehelatha. 23. Zij vertrokken uit Kehelatha en sloegen hun kamp op bij de berg Safer. 24. Zij vertrokken uit de berg Safer en sloegen hun kamp op in Harada. 25. Zij vertrokken uit Harada en sloegen hun kamp op in Makheloth. 26. Zij vertrokken uit Makheloth en sloegen hun kamp op in Tachath. 27. Zij vertrokken uit Tachath en sloegen hun kamp op in Tharah. 28. Zij vertrokken uit Tharah en sloegen hun kamp op in Mithka. 29. Zij vertrokken uit Mithka en sloegen hun kamp op in Hasmona. 30. Zij vertrokken uit Hasmona en sloegen hun kamp op in Moseroth. 31. Zij vertrokken uit Moseroth en sloegen hun kamp op in Bene-Jaakan. 32. Zij vertrokken uit Bene-Jaakan en sloegen hun kamp op in Hor-Gidgad. 33. Zij vertrokken uit Hor-Gidgad en sloegen hun kamp op in Jotbatha. 34. Zij vertrokken uit Jotbatha en sloegen hun kamp op in Abrona. 35. Zij vertrokken uit Abrona en sloegen hun kamp op in Ezeon-Geber. 36. Zij vertrokken uit Ezeon-Geber en sloegen hun kamp op in de woestijn Zin, dat is Kades. 37. Zij vertrokken uit Kades en sloegen hun kamp op bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom. 38. Op bevel van de HEERE ging de priester Aäron de berg Hor op, en daar stierf hij. Dat was in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand. 39. Aäron was 123 jaar oud toen hij op de berg Hor stierf. 40. De Kanaänitische koning van Arad, die in het zuiden van Kanaän woonde, hoorde dat de Israëlieten eraan kwamen. 41. Zij vertrokken uit de berg Hor en sloegen hun kamp op in Zalmona. 42. Zij vertrokken uit Zalmona en sloegen hun kamp op in Funon. 43. Zij vertrokken uit Funon en sloegen hun kamp op in Oboth. 44. Zij vertrokken uit Oboth en sloegen hun kamp op bij Ije-Abarim, aan de grens van Moab. 45. Zij vertrokken uit Ije-Abarim en sloegen hun kamp op in Dibon-Gad. 46. Zij vertrokken uit Dibon-Gad en sloegen hun kamp op in Almon-Diblathaim. 47. Zij vertrokken uit Almon-Diblathaim en sloegen hun kamp op in het Abarimgebergte, tegenover Nebo. 48. Zij vertrokken uit het Abarimgebergte en sloegen hun kamp op in de vlakte van Moab, bij de Jordaan tegenover Jericho. 49. Hun kamp langs de Jordaan liep van Beth-Jesimoth tot Abel-Sittim, in de vlakte van Moab. 50. In de vlakte van Moab, bij de Jordaan tegenover Jericho, zei de HEERE tegen Mozes: 51. Zeg tegen de Israëlieten: Straks steken jullie de Jordaan over naar het land Kanaän. 52. Verdrijf dan alle bewoners van het land voor jullie uit. Vernietig al hun afgodsbeelden en al hun gegoten beelden, en verwoest al hun offerplaatsen op de hoogten. 53. Neem het land in bezit en ga er wonen. Want ik heb jullie dat land gegeven om het te bezitten. 54. Verdeel het land door het lot onder jullie families. Geef een grote familie een groter erfdeel en een kleine familie een kleiner erfdeel. Waar het lot voor iemand op valt, dat krijgt hij. Verdeel het erfdeel volgens de stammen van jullie voorouders. 55. Maar misschien verdrijven jullie de bewoners van het land niet. Dan worden zij die jullie laten blijven als doorns in jullie ogen en als prikkels in jullie zij. Zij zullen jullie het leven zuur maken in het land waar jullie wonen. 56. Dan zal ik met jullie doen wat ik van plan was met hen te doen. ## Numeri 34 — De grenzen van het land Kanaän 1. Verder zei de HEERE tegen Mozes: 2. Geef de Israëlieten dit bevel en zeg tegen hen: Straks komen jullie in het land Kanaän. Dit is het land dat jullie als erfdeel krijgen: het land Kanaän met deze grenzen. 3. Jullie zuidkant loopt van de woestijn Zin langs Edom. Jullie zuidgrens begint in het oosten bij het uiterste eind van de Zoutzee. 4. Die grens buigt dan ten zuiden van de helling van Akrabbim af en loopt verder naar Zin. Zij eindigt ten zuiden van Kades-Barnea. Dan loopt zij naar Hazar-Addar en verder naar Azmon. 5. Van Azmon buigt de grens af naar de beek van Egypte en eindigt bij de zee. 6. Jullie westgrens is de Grote Zee. Dat is jullie grens aan de westkant. 7. Dit wordt jullie noordgrens: trek vanaf de Grote Zee een lijn naar de berg Hor. 8. Trek vanaf de berg Hor een lijn tot waar men Hamath binnenkomt. De grens loopt dan uit bij Zedad. 9. Daarna loopt de grens naar Zifron en eindigt bij Hazar-Enan. Dat wordt jullie noordgrens. 10. Trek voor jullie oostgrens een lijn van Hazar-Enan naar Sefam. 11. Van Sefam daalt de grens af naar Ribla, ten oosten van Ain. Dan loopt zij verder omlaag langs de oostoever van het meer Kinneret. 12. Daarna loopt de grens langs de Jordaan omlaag en eindigt bij de Zoutzee. Dit wordt jullie land, met zijn grenzen rondom. 13. Mozes gaf de Israëlieten dit bevel: Dit is het land dat jullie door het lot als erfdeel krijgen. De HEERE heeft bevolen het te geven aan de negen stammen en de halve stam van Manasse. 14. Want de stam Ruben en de stam Gad hebben per familie hun erfdeel al gekregen. Ook de halve stam van Manasse heeft zijn erfdeel ontvangen. 15. Deze twee stammen en de halve stam hebben hun erfdeel gekregen aan deze kant van de Jordaan, tegenover Jericho, aan de oostkant. 16. Verder zei de HEERE tegen Mozes: 17. Dit zijn de namen van de mannen die het land onder jullie als erfdeel moeten verdelen: de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun. 18. Neem daarnaast uit elke stam één leider om het land als erfdeel te verdelen. 19. Dit zijn hun namen: uit de stam Juda Kaleb, de zoon van Jefunne; 20. uit de stam Simeon Semuël, de zoon van Ammihud; 21. uit de stam Benjamin Elidad, de zoon van Chislon; 22. uit de stam Dan de leider Bukki, de zoon van Jogli; 23. van de nakomelingen van Jozef: uit de stam Manasse de leider Hanniel, de zoon van Efod; 24. uit de stam Efraïm de leider Kemuël, de zoon van Siftan; 25. uit de stam Zebulon de leider Elizafan, de zoon van Parnach; 26. uit de stam Issaschar de leider Paltiel, de zoon van Azzan; 27. uit de stam Aser de leider Achihud, de zoon van Selomi; 28. uit de stam Nafthali de leider Pedael, de zoon van Ammihud. 29. Dit zijn de mannen die de HEERE opdracht gaf het erfdeel onder de Israëlieten in het land Kanaän te verdelen. ## Numeri 35 — Steden voor de Levieten en vrijsteden 1. In de vlakte van Moab, bij de Jordaan tegenover Jericho, zei de HEERE tegen Mozes: 2. Beveel de Israëlieten dat zij van hun erfdeel steden aan de Levieten geven om in te wonen. Geef de Levieten ook de weidegronden rondom die steden. 3. De steden zijn om in te wonen. De weidegronden zijn voor hun runderen, hun kudden en al hun andere dieren. 4. De weidegronden rondom de steden die jullie aan de Levieten geven, reiken vanaf de stadsmuur ongeveer 450 meter naar buiten. 5. Meet buiten de stad aan de oostkant ongeveer 900 meter af, en ook aan de zuidkant, de westkant en de noordkant. De stad ligt in het midden. Dat zijn de weidegronden van hun steden. 6. Onder de steden die jullie aan de Levieten geven, zijn zes vrijsteden. Daarheen kan iemand vluchten die een ander gedood heeft. Geef hun daarnaast nog 42 steden. 7. In totaal geven jullie de Levieten 48 steden, met hun weidegronden. 8. Die steden komen uit het bezit van de Israëlieten. Neem veel steden van een stam die veel heeft, en weinig van een stam die weinig heeft. Iedere stam geeft steden aan de Levieten naar de grootte van zijn erfdeel. 9. Verder zei de HEERE tegen Mozes: 10. Zeg tegen de Israëlieten: Straks steken jullie de Jordaan over naar het land Kanaän. 11. Wijs dan steden aan die jullie als vrijsteden dienen. Daarheen kan iemand vluchten die zonder opzet een ander heeft gedood. 12. Die steden zijn voor jullie een toevlucht tegen de bloedwreker. Zo sterft de doodslager niet voordat hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan. 13. Van de steden die jullie aanwijzen, zijn er zes vrijsteden. 14. Wijs er drie aan deze kant van de Jordaan aan en drie in het land Kanaän. Het zijn vrijsteden. 15. Die zes steden zijn een toevlucht voor de Israëlieten, voor de vreemdeling en voor wie tijdelijk bij hen woont. Daarheen kan ieder vluchten die zonder opzet iemand doodt. 16. Maar slaat iemand een ander met een ijzeren voorwerp, zodat hij sterft, dan is hij een moordenaar. Die moordenaar moet zeker gedood worden. 17. Of slaat hij hem met een steen waaraan iemand kan sterven, en de ander sterft, dan is hij een moordenaar. Die moordenaar moet zeker gedood worden. 18. Of slaat hij hem met een houten voorwerp waaraan iemand kan sterven, en de ander sterft, dan is hij een moordenaar. Die moordenaar moet zeker gedood worden. 19. De bloedwreker moet de moordenaar zelf doden. Als hij hem tegenkomt, moet hij hem doden. 20. Zo is het ook als iemand een ander uit haat een duw geeft, of met opzet iets naar hem gooit, zodat hij sterft, 21. of hem uit vijandschap met zijn hand slaat, zodat hij sterft. Wie hem sloeg, moet zeker gedood worden, want hij is een moordenaar. De bloedwreker moet de moordenaar doden als hij hem tegenkomt. 22. Maar stel dat iemand een ander plotseling een duw geeft zonder vijandschap, of zonder opzet iets naar hem gooit, 23. of zonder te kijken een steen op hem laat vallen waaraan iemand kan sterven, en de ander sterft. Hij was geen vijand van hem en wilde hem geen kwaad doen. 24. Dan moet de gemeenschap volgens deze regels rechtspreken tussen hem en de bloedwreker. 25. De gemeenschap moet de doodslager uit de hand van de bloedwreker redden. Zij laten hem terugkeren naar de vrijstad waar hij heen gevlucht was. Daar moet hij blijven tot de dood van de hogepriester, die met de heilige olie gezalfd is. 26. Maar stel dat de doodslager toch buiten de grens komt van de vrijstad waar hij heen gevlucht was, 27. en de bloedwreker vindt hem buiten die grens. Als de bloedwreker de doodslager dan doodt, rust er geen bloedschuld op hem. 28. Want de doodslager had in zijn vrijstad moeten blijven tot de dood van de hogepriester. Pas na de dood van de hogepriester mag hij terugkeren naar zijn eigen grond. 29. Dit zijn voor jullie wettelijke regels, voor alle generaties, waar jullie ook wonen. 30. Wie iemand doodt, mag alleen op grond van getuigen als moordenaar gedood worden. Eén getuige is niet genoeg om iemand ter dood te brengen. 31. Neem geen losgeld aan voor het leven van een moordenaar die de dood verdient. Hij moet zeker gedood worden. 32. Neem ook geen losgeld aan van iemand die naar zijn vrijstad is gevlucht. Hij mag niet vóór de dood van de hogepriester terugkeren om in zijn land te wonen. 33. Maak het land waarin jullie wonen niet onheilig. Want bloed maakt het land onheilig. Voor het bloed dat in het land vergoten is, kan alleen verzoening worden gedaan door het bloed van degene die het vergoten heeft. 34. Verontreinig het land niet waarin jullie gaan wonen en waar ik zelf in het midden woon. Want ik ben de HEERE, die woont te midden van de Israëlieten. ## Numeri 36 — Het erfdeel van de dochters van Zelafead 1. De familiehoofden van de nakomelingen van Gilead kwamen naar voren. Gilead was de zoon van Machir, de zoon van Manasse, uit de families van Jozef. Zij spraken met Mozes en met de leiders, de familiehoofden van de Israëlieten. 2. Zij zeiden: De HEERE heeft mijn heer opgedragen het land door het lot als erfdeel aan de Israëlieten te geven. Ook heeft de HEERE mijn heer opgedragen het erfdeel van onze broer Zelafead aan zijn dochters te geven. 3. Maar stel dat zij trouwen met mannen uit een andere stam van Israël. Dan wordt hun erfdeel afgenomen van het erfdeel van onze voorouders. Het komt dan bij het erfdeel van de stam waarin zij trouwen. Zo wordt ons toegewezen erfdeel kleiner. 4. Ook als de Israëlieten een jubeljaar hebben, komt hun erfdeel bij het erfdeel van de stam waarin zij getrouwd zijn. Zo wordt hun erfdeel afgenomen van het erfdeel van de stam van onze voorouders. 5. Op bevel van de HEERE gaf Mozes de Israëlieten deze opdracht: De stam van de nakomelingen van Jozef heeft gelijk. 6. Dit beveelt de HEERE over de dochters van Zelafead: Laat hen trouwen met wie zij willen. Maar het moet iemand zijn uit een familie van de stam van hun vader. 7. Zo gaat het erfdeel van de Israëlieten niet over van de ene stam naar de andere. Want iedere Israëliet moet vasthouden aan het erfdeel van de stam van zijn voorouders. 8. Elke dochter die in een stam van Israël een erfdeel krijgt, moet trouwen met iemand uit een familie van de stam van haar vader. Zo houdt iedere Israëliet het erfdeel van zijn voorouders. 9. Zo gaat een erfdeel niet over van de ene stam naar de andere. Want elke stam van Israël moet vasthouden aan zijn eigen erfdeel. 10. De dochters van Zelafead deden wat de HEERE Mozes had opgedragen. 11. Machla, Tirza, Hogla, Milka en Noa, de dochters van Zelafead, trouwden met de zonen van hun ooms. 12. Zij trouwden binnen de families van de nakomelingen van Manasse, de zoon van Jozef. Zo bleef hun erfdeel bij de stam van de familie van hun vader. 13. Dit zijn de geboden en voorschriften die de HEERE via Mozes aan de Israëlieten gaf, in de vlakte van Moab, bij de Jordaan tegenover Jericho. ## Deuteronomium 1 — Mozes blikt terug: van Horeb naar Kades 1. Dit zijn de woorden die Mozes tot heel Israël sprak aan de oostkant van de Jordaan, in de woestijn. Dat was in de vlakte tegenover Suf, tussen Paran, Tofel, Laban, Hazeroth en Dizahab. 2. Van Horeb naar Kades-Barnea is het elf dagreizen, via de weg naar het gebergte Seïr. 3. In het veertigste jaar, op de eerste dag van de elfde maand, sprak Mozes tot de Israëlieten. Hij zei alles wat de HEERE hem voor hen had opgedragen. 4. Dat was nadat hij Sihon had verslagen, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde. Ook had hij Og verslagen, de koning van Basan, die in Astharoth woonde, bij Edreï. 5. In het land Moab, aan de oostkant van de Jordaan, begon Mozes deze wet uit te leggen. Hij zei: 6. De HEERE, onze God, sprak tot ons bij Horeb: Jullie zijn lang genoeg bij deze berg gebleven. 7. Keer om en trek verder. Ga naar het bergland van de Amorieten en naar al hun buren. Zij wonen in de vlakte, in het bergland, in het laagland, in het zuiden en langs de kust. Ga naar het land van de Kanaänieten en naar de Libanon, tot aan de grote rivier, de Eufraat. 8. Kijk, ik heb dat land voor jullie opengelegd. Ga het binnen en neem het in bezit. De HEERE heeft onder ede beloofd het te geven aan jullie voorouders Abraham, Izak en Jakob, en aan hun nakomelingen na hen. 9. In die tijd zei ik tegen jullie: Ik kan jullie niet alleen dragen. 10. De HEERE, jullie God, heeft jullie talrijk gemaakt. Kijk, jullie zijn nu zo talrijk als de sterren aan de hemel. 11. Moge de HEERE, de God van jullie voorouders, jullie nog duizend keer talrijker maken dan jullie nu zijn. Moge Hij jullie zegenen, zoals Hij jullie beloofd heeft. 12. Hoe kan ik in mijn eentje jullie moeite, jullie last en jullie ruzies dragen? 13. Kies uit jullie stammen wijze, verstandige en ervaren mannen. Dan stel ik hen aan als jullie leiders. 14. Jullie antwoordden mij: Wat u voorstelt, is goed om te doen. 15. Toen nam ik de hoofden van jullie stammen, wijze en ervaren mannen, en stelde hen als leiders over jullie aan. Zij werden leiders over groepen van duizend, honderd, vijftig en tien, en bestuurders voor jullie stammen. 16. In die tijd gaf ik jullie rechters deze opdracht: Luister naar de geschillen tussen jullie broers. Spreek eerlijk recht tussen twee Israëlieten, en ook tussen een Israëliet en een vreemdeling die bij hem woont. 17. Kies bij de rechtspraak geen partij. Luister naar de kleine net zo goed als naar de grote. Wees voor niemand bang, want de rechtspraak is van God. Een zaak die te moeilijk voor jullie is, leggen jullie aan mij voor. Dan zal ik ernaar luisteren. 18. Zo heb ik jullie in die tijd alles opgedragen wat jullie moesten doen. 19. Toen vertrokken wij van Horeb en trokken door die hele grote en vreselijke woestijn, die jullie gezien hebben. Wij gingen de weg naar het bergland van de Amorieten, zoals de HEERE, onze God, ons had opgedragen. Zo kwamen wij in Kades-Barnea. 20. Toen zei ik tegen jullie: Jullie zijn bij het bergland van de Amorieten gekomen, dat de HEERE, onze God, ons geeft. 21. Kijk, de HEERE, jullie God, heeft dat land voor jullie opengelegd. Trek erheen en neem het in bezit, zoals de HEERE, de God van jullie voorouders, tegen jullie gezegd heeft. Wees niet bang en schrik niet. 22. Maar jullie kwamen allemaal naar mij toe en zeiden: Laten wij mannen voor ons uit sturen om het land te verkennen. Zij kunnen ons dan vertellen welke weg wij moeten nemen en bij welke steden wij komen. 23. Dat voorstel vond ik goed. Daarom koos ik twaalf mannen uit jullie, uit elke stam één. 24. Zij gingen op weg, trokken het bergland in en kwamen tot het dal Eskol. Zij verkenden het. 25. Zij namen wat vruchten van het land mee en brachten die naar ons. Zij brachten verslag uit en zeiden: Het land dat de HEERE, onze God, ons geeft, is goed. 26. Maar jullie wilden niet optrekken. Jullie verzetten je tegen het bevel van de HEERE, jullie God. 27. Jullie mopperden in jullie tenten en zeiden: De HEERE haat ons. Daarom heeft Hij ons uit Egypte geleid, om ons aan de Amorieten over te leveren en ons uit te roeien. 28. Waar moeten wij heen? Onze broers hebben ons de moed ontnomen. Zij zeiden: Het volk is groter en langer dan wij. De steden zijn groot en hebben muren tot aan de hemel. Wij hebben er zelfs Enakieten gezien. 29. Toen zei ik tegen jullie: Schrik niet en wees niet bang voor hen. 30. De HEERE, jullie God, gaat voor jullie uit. Hij zal voor jullie strijden, zoals Hij in Egypte voor jullie ogen heeft gedaan. 31. Ook in de woestijn hebben jullie gezien hoe de HEERE, jullie God, jullie gedragen heeft, zoals een man zijn zoon draagt. Zo heeft Hij jullie gedragen op heel de weg die jullie gegaan zijn, tot jullie op deze plaats kwamen. 32. Maar ondanks dit alles vertrouwden jullie niet op de HEERE, jullie God. 33. Hij ging jullie op de weg voor om een plaats te zoeken waar jullie je kamp konden opslaan. 's Nachts ging Hij voor jullie uit in het vuur en overdag in de wolk, om jullie de weg te wijzen. 34. Toen de HEERE jullie woorden hoorde, werd Hij kwaad en zwoer: 35. Niemand van deze mannen, van deze slechte generatie, zal het goede land zien dat ik onder ede beloofd heb aan jullie voorouders te geven. 36. Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, zal het zien. Aan hem en aan zijn kinderen zal ik het land geven waar hij zijn voet op gezet heeft. Want hij is de HEERE trouw gevolgd. 37. Ook op mij werd de HEERE kwaad vanwege jullie. Hij zei: Ook jij zult er niet binnengaan. 38. Jozua, de zoon van Nun, die jou dient, zal er wel binnengaan. Moedig hem aan, want hij zal Israël het land als erfdeel geven. 39. En jullie kleine kinderen, van wie jullie zeiden dat ze buit zouden worden, zullen erin komen. Jullie kinderen, die nu nog geen goed en kwaad kennen, zullen er binnengaan. Aan hen zal ik het geven, en zij zullen het in bezit nemen. 40. Maar jullie moeten omkeren en de woestijn in trekken, in de richting van de Schelfzee. 41. Toen antwoordden jullie mij: Wij hebben tegen de HEERE gezondigd. Wij zullen optrekken en strijden, precies zoals de HEERE, onze God, ons heeft opgedragen. Ieder van jullie deed zijn wapens aan. Jullie dachten dat het een kleine moeite was om het bergland in te trekken. 42. Maar de HEERE zei tegen mij: Zeg tegen hen: Trek niet op en strijd niet, want ik ben niet in jullie midden. Anders worden jullie door jullie vijanden verslagen. 43. Ik zei het tegen jullie, maar jullie luisterden niet. Jullie verzetten je tegen het bevel van de HEERE en trokken overmoedig het bergland in. 44. Toen trokken de Amorieten die in dat bergland woonden jullie tegemoet. Zij achtervolgden jullie zoals bijen doen en versloegen jullie in Seïr, tot aan Horma. 45. Jullie kwamen terug en huilden voor de HEERE. Maar de HEERE luisterde niet naar jullie en schonk jullie geen gehoor. 46. Zo bleven jullie lange tijd in Kades, al die tijd dat jullie daar bleven. ## Deuteronomium 2 — Door Edom, Moab en Ammon, en de overwinning op Sihon 1. Daarna keerden wij om en trokken de woestijn in, in de richting van de Schelfzee, zoals de HEERE tegen mij gezegd had. Lange tijd trokken wij om het gebergte Seïr heen. 2. Toen zei de HEERE tegen mij: 3. Jullie zijn lang genoeg om dit gebergte heen getrokken. Trek nu naar het noorden. 4. Geef het volk dit bevel: Straks trekken jullie door het gebied van jullie broers, de nakomelingen van Ezau, die in Seïr wonen. Zij zullen bang voor jullie zijn, maar pas goed op. 5. Begin geen strijd met hen. Want ik geef jullie niets van hun land, zelfs geen voetbreed. Ik heb het gebergte Seïr aan Ezau als bezit gegeven. 6. Koop van hen voedsel voor geld om te eten. Koop ook water van hen voor geld om te drinken. 7. Want de HEERE, jullie God, heeft jullie gezegend in al jullie werk. Hij weet hoe jullie door deze grote woestijn getrokken zijn. Deze veertig jaar is de HEERE, jullie God, met jullie geweest. Jullie hebben niets tekortgekomen. 8. Zo trokken wij voorbij onze broers, de nakomelingen van Ezau, die in Seïr wonen. Wij verlieten de weg door de vlakte, vanaf Elath en Ezeon-Geber. Toen keerden wij om en trokken de weg naar de woestijn van Moab. 9. Toen zei de HEERE tegen mij: Val Moab niet lastig en begin geen strijd met hen. Want ik geef jullie niets van hun land als bezit. Ik heb Ar aan de nakomelingen van Lot als bezit gegeven. 10. Vroeger woonden daar de Emieten, een groot, talrijk en lang volk, zoals de Enakieten. 11. Ook zij werden tot de reuzen gerekend, net als de Enakieten. De Moabieten noemden hen Emieten. 12. Ook woonden vroeger de Horieten in Seïr. Maar de nakomelingen van Ezau verdreven hen en roeiden hen uit. Zij gingen zelf op hun plaats wonen, zoals Israël gedaan heeft in het land dat de HEERE hun als bezit gegeven heeft. 13. Maak je nu klaar en steek de beek Zered over. Zo staken wij de beek Zered over. 14. Wij waren 38 jaar onderweg geweest, vanaf Kades-Barnea tot wij de beek Zered overstaken. In die tijd was de hele generatie strijders uit het kamp gestorven, zoals de HEERE hun had gezworen. 15. De hand van de HEERE was ook tegen hen, om hen uit het kamp weg te vagen, tot zij allemaal gestorven waren. 16. Toen alle strijders uit het volk gestorven waren, 17. zei de HEERE tegen mij: 18. Vandaag trek je langs Ar, het gebied van Moab. 19. Je komt dan dicht bij de Ammonieten. Val hen niet lastig en begin geen strijd met hen. Want ik geef je niets van het land van de Ammonieten als bezit. Ik heb het aan de nakomelingen van Lot als bezit gegeven. 20. Ook dat land werd gerekend tot het land van de reuzen. Vroeger woonden daar reuzen, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten. 21. Het was een groot, talrijk en lang volk, zoals de Enakieten. Maar de HEERE roeide hen uit voor de Ammonieten. Die verdreven hen en gingen op hun plaats wonen. 22. Zo had Hij ook gedaan voor de nakomelingen van Ezau, die in Seïr wonen. Voor hen roeide Hij de Horieten uit. Zij verdreven hen en wonen tot vandaag op hun plaats. 23. Ook de Avieten, die in dorpen tot aan Gaza woonden, werden uitgeroeid door de Kafthorieten, die uit Kafthor kwamen. Die gingen op hun plaats wonen. 24. Maak je klaar, trek verder en steek de beek Arnon over. Kijk, ik geef Sihon, de Amoriet, de koning van Hesbon, met zijn land in jullie macht. Begin het in bezit te nemen en val hem aan. 25. Vandaag begin ik alle volken onder de hemel angst en schrik voor jullie in te boezemen. Wie van jullie hoort, zal beven en sidderen voor jullie. 26. Toen stuurde ik vanuit de woestijn Kedemoth boden naar Sihon, de koning van Hesbon, met een vredesvoorstel. Ik liet zeggen: 27. Laat mij door uw land trekken. Ik blijf op de weg en wijk niet af naar rechts of naar links. 28. Verkoop mij voedsel voor geld, zodat ik kan eten. Geef mij water voor geld, zodat ik kan drinken. Laat mij alleen maar te voet doortrekken, 29. zoals de nakomelingen van Ezau in Seïr en de Moabieten in Ar mij hebben laten doen. Dan kan ik de Jordaan oversteken naar het land dat de HEERE, onze God, ons geeft. 30. Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons niet door zijn land laten trekken. Want de HEERE, jullie God, maakte zijn geest halsstarrig en zijn hart hard. Zo wilde Hij hem in jullie macht geven, zoals nu gebeurd is. 31. De HEERE zei tegen mij: Kijk, ik ben begonnen Sihon en zijn land aan jou over te geven. Begin nu zijn land in bezit te nemen. 32. Sihon trok ons tegemoet met zijn hele leger, om bij Jahaz te strijden. 33. Maar de HEERE, onze God, gaf hem aan ons over. Wij versloegen hem, zijn zonen en zijn hele volk. 34. In die tijd namen wij al zijn steden in. Wij sloegen alle steden met de ban, met de mannen, de vrouwen en de kinderen. Wij lieten niemand in leven. 35. Alleen het vee en de buit uit de steden die wij innamen, hielden wij voor onszelf. 36. Van Aroër aan de oever van de beek Arnon en de stad in het dal tot aan Gilead: geen stad was te sterk voor ons. De HEERE, onze God, gaf ze allemaal aan ons over. 37. Maar het land van de Ammonieten lieten jullie met rust. Jullie kwamen niet aan het gebied langs de beek Jabbok, of aan de steden in het bergland. Jullie bleven weg van alles wat de HEERE, onze God, ons verboden had. ## Deuteronomium 3 — De overwinning op Og, en het land aan de oostkant 1. Daarna keerden wij om en trokken de weg naar Basan op. Og, de koning van Basan, trok ons met zijn hele leger tegemoet om bij Edreï te strijden. 2. Toen zei de HEERE tegen mij: Wees niet bang voor hem, want ik geef hem, zijn hele volk en zijn land in jouw macht. Doe met hem wat je gedaan hebt met Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde. 3. Zo gaf de HEERE, onze God, ook Og, de koning van Basan, met zijn hele volk in onze macht. Wij versloegen hem, tot er niemand van hem over was. 4. In die tijd namen wij al zijn steden in. Er was geen stad die wij hun niet afnamen: zestig steden, de hele streek Argob, het koninkrijk van Og in Basan. 5. Al die steden waren versterkt met hoge muren, poorten en grendels. Daarnaast waren er heel veel open dorpen. 6. Wij sloegen ze met de ban, zoals wij met Sihon, de koning van Hesbon, gedaan hadden. Wij sloegen alle steden met de ban, met de mannen, de vrouwen en de kinderen. 7. Maar al het vee en de buit uit de steden hielden wij voor onszelf. 8. Zo namen wij in die tijd het land van de twee koningen van de Amorieten aan de oostkant van de Jordaan in. Het liep van de beek Arnon tot aan de berg Hermon. 9. De Sidoniërs noemen de Hermon Sirjon, en de Amorieten noemen hem Senir. 10. Wij namen alle steden van de hoogvlakte in, heel Gilead en heel Basan tot aan Salcha en Edreï. Dat waren de steden van het koninkrijk van Og in Basan. 11. Want Og, de koning van Basan, was de laatste die over was van de reuzen. Zijn bed was van ijzer en staat nog in Rabba van de Ammonieten. Het is ongeveer 4 meter lang en 1,8 meter breed, naar de gewone maat. 12. Dat land namen wij in die tijd in bezit. Het gebied vanaf Aroër aan de beek Arnon gaf ik aan de Rubenieten en de Gadieten. Ook de helft van het bergland van Gilead met zijn steden kregen zij. 13. Het overige deel van Gilead en heel Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse. Dat was de hele streek Argob. Heel Basan werd het land van de reuzen genoemd. 14. Jaïr, een nakomeling van Manasse, kreeg de hele streek Argob, tot aan de grens van de Gesurieten en de Maächathieten. Hij noemde Basan naar zijn eigen naam: Havvoth-Jaïr. Zo heet het nog steeds. 15. Aan Machir gaf ik Gilead. 16. Aan de Rubenieten en de Gadieten gaf ik het gebied van Gilead tot aan de beek Arnon, met het midden van het dal als grens. Het liep tot aan de beek Jabbok, de grens van de Ammonieten. 17. Ook de vlakte met de Jordaan als grens hoorde erbij. Die liep van Kinneret tot aan de zee van de vlakte, de Zoutzee, aan de voet van de Pisga aan de oostkant. 18. In die tijd gaf ik jullie dit bevel: De HEERE, jullie God, heeft jullie dit land gegeven om het in bezit te nemen. Maar alle strijdbare mannen moeten gewapend voor jullie broers, de Israëlieten, uit trekken. 19. Alleen jullie vrouwen, jullie kinderen en jullie vee blijven in de steden die ik jullie gegeven heb. Ik weet dat jullie veel vee hebben. 20. Doe dat tot de HEERE ook jullie broers rust geeft, net als jullie. Dan nemen ook zij het land in bezit dat de HEERE, jullie God, hun aan de overkant van de Jordaan geeft. Daarna mag ieder van jullie terugkeren naar het bezit dat ik jullie gegeven heb. 21. In die tijd gaf ik Jozua dit bevel: Je hebt met eigen ogen gezien wat de HEERE, jullie God, met deze twee koningen gedaan heeft. Zo zal de HEERE doen met alle koninkrijken waar jij heen trekt. 22. Wees niet bang voor hen, want de HEERE, jullie God, strijdt zelf voor jullie. 23. In die tijd smeekte ik de HEERE om genade: 24. Heere HEERE, U bent begonnen Uw dienaar Uw grootheid en Uw sterke hand te laten zien. Welke god in de hemel of op aarde kan zulke daden en zulke machtige werken doen als U? 25. Laat mij toch oversteken en het goede land aan de overkant van de Jordaan zien, dat mooie bergland en de Libanon. 26. Maar de HEERE was vanwege jullie kwaad op mij en luisterde niet naar mij. De HEERE zei tegen mij: Genoeg! Spreek hier niet meer met mij over. 27. Klim naar de top van de Pisga en kijk om je heen, naar het westen, het noorden, het zuiden en het oosten. Kijk goed met je eigen ogen, want je zult deze Jordaan niet oversteken. 28. Geef Jozua zijn opdracht, bemoedig hem en maak hem sterk. Want hij zal voor dit volk uit oversteken. Hij zal hun het land dat jij zult zien als bezit geven. 29. Zo bleven wij in het dal tegenover Beth-Peor. ## Deuteronomium 4 — Houd je aan de geboden en maak geen beeld 1. Luister nu, Israël, naar de voorschriften en regels die ik jullie leer. Houd je eraan, dan blijven jullie leven. Dan kunnen jullie het land binnengaan en in bezit nemen dat de HEERE, de God van jullie voorouders, jullie geeft. 2. Voeg niets toe aan wat ik jullie gebied, en laat er ook niets van weg. Houd je aan de geboden van de HEERE, jullie God, die ik jullie geef. 3. Jullie hebben met eigen ogen gezien wat de HEERE bij Baäl-Peor gedaan heeft. Iedereen die Baäl-Peor volgde, heeft de HEERE, jullie God, uit jullie midden weggevaagd. 4. Maar jullie, die de HEERE, jullie God, trouw bleven, zijn vandaag allemaal nog in leven. 5. Kijk, ik heb jullie voorschriften en regels geleerd, zoals de HEERE, mijn God, mij heeft opgedragen. Zo kunnen jullie je daaraan houden in het land waar jullie heen gaan om het in bezit te nemen. 6. Houd je eraan en doe ze, want daarin ligt jullie wijsheid en inzicht in de ogen van de volken. Als zij van al deze voorschriften horen, zullen zij zeggen: Wat is dit grote volk wijs en verstandig! 7. Want welk groot volk heeft goden die zo dichtbij zijn als de HEERE, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? 8. En welk groot volk heeft zulke rechtvaardige voorschriften en regels als heel deze wet, die ik jullie vandaag voorleg? 9. Maar pas goed op jezelf. Vergeet nooit wat je met eigen ogen gezien hebt, en laat het je leven lang niet uit je hart verdwijnen. Vertel het aan je kinderen en kleinkinderen. 10. Denk aan de dag dat je bij Horeb voor de HEERE, je God, stond. Toen zei de HEERE tegen mij: Roep het volk bij mij bijeen, dan laat ik hen mijn woorden horen. Zo leren zij mij te vrezen zolang zij op aarde leven, en zo leren zij het hun kinderen. 11. Jullie kwamen dichterbij en stonden aan de voet van de berg. De berg stond in brand tot hoog in de hemel, en er was duisternis, wolken en donkerheid. 12. Toen sprak de HEERE tot jullie vanuit het vuur. Jullie hoorden het geluid van de woorden, maar zagen geen gestalte. Er was alleen een stem. 13. Hij maakte jullie Zijn verbond bekend, dat Hij jullie opdroeg te houden: de tien woorden. Hij schreef ze op twee stenen platen. 14. In die tijd droeg de HEERE mij op jullie voorschriften en regels te leren. Die moeten jullie doen in het land waar jullie heen trekken om het in bezit te nemen. 15. Pas daarom goed op jezelf. Jullie hebben geen gestalte gezien op de dag dat de HEERE bij Horeb vanuit het vuur tot jullie sprak. 16. Bederf jezelf dus niet door een gesneden beeld te maken, een afbeelding van wat voor figuur ook. Maak geen afbeelding van een man of een vrouw, 17. van een dier op de aarde, of van een vogel die in de lucht vliegt, 18. van iets dat over de grond kruipt, of van een vis in het water onder de aarde. 19. Kijk ook niet omhoog naar de hemel, naar de zon, de maan en de sterren, het hele hemelleger. Laat je niet verleiden om je daarvoor neer te buigen en ze te dienen. De HEERE, je God, heeft ze toebedeeld aan alle volken onder de hemel. 20. Maar jullie heeft de HEERE gekozen en uit de smeltoven, uit Egypte, weggeleid. Zo zijn jullie Zijn eigen volk geworden, zoals jullie nu zijn. 21. Ook op mij werd de HEERE kwaad vanwege jullie. Hij zwoer dat ik de Jordaan niet zou oversteken. Ik zou niet in het goede land komen dat de HEERE, jullie God, jullie als erfdeel geeft. 22. Want ik zal in dit land sterven en de Jordaan niet oversteken. Maar jullie zullen oversteken en dat goede land in bezit nemen. 23. Pas op dat jullie het verbond van de HEERE, jullie God, dat Hij met jullie gesloten heeft, niet vergeten. Maak geen gesneden beeld, geen afbeelding van wat dan ook, want dat heeft de HEERE, jullie God, jullie verboden. 24. Want de HEERE, je God, is een verterend vuur, een jaloers God. 25. Straks krijg je kinderen en kleinkinderen, en woon je al lang in het land. Misschien bederven jullie jezelf dan en maken jullie een gesneden beeld, een afbeelding van wat dan ook. Zo doen jullie wat slecht is in de ogen van de HEERE, jullie God, en maken jullie Hem kwaad. 26. Dan roep ik vandaag de hemel en de aarde als getuigen tegen jullie op. Jullie zullen snel verdwijnen uit het land waar jullie heen trekken over de Jordaan om het in bezit te nemen. Jullie zullen er niet lang leven, maar volledig worden weggevaagd. 27. De HEERE zal jullie verstrooien onder de volken. Er blijft maar een klein groepje van jullie over onder de volken waar de HEERE jullie heen brengt. 28. Daar zullen jullie goden dienen die door mensen gemaakt zijn, van hout en steen. Die kunnen niet zien, niet horen, niet eten en niet ruiken. 29. Maar ook daar zul je de HEERE, je God, zoeken. En je zult Hem vinden, als je Hem zoekt met heel je hart en met heel je ziel. 30. Als je in nood bent en al deze dingen je overkomen, in de laatste dagen, keer je terug naar de HEERE, je God. Dan luister je naar Hem. 31. Want de HEERE, je God, is een barmhartig God. Hij zal je niet in de steek laten en je niet vernietigen. Hij vergeet het verbond niet dat Hij je voorouders onder ede beloofd heeft. 32. Vraag toch naar de tijden vóór jou, vanaf de dag dat God de mens op aarde schiep. Zoek van het ene eind van de hemel tot het andere. Is er ooit zoiets groots gebeurd, of heeft iemand ooit zoiets gehoord? 33. Heeft ooit een volk de stem van God vanuit het vuur horen spreken, zoals jij, en is het in leven gebleven? 34. Heeft God ooit geprobeerd voor zichzelf een volk uit het midden van een ander volk te halen? Deed Hij dat ooit met beproevingen, tekenen en wonderen, met strijd, met een sterke hand en een uitgestrekte arm en met grote, angstaanjagende daden? Dat alles heeft de HEERE, jullie God, in Egypte voor jullie ogen gedaan. 35. Het is jou getoond, zodat je zou weten dat de HEERE God is. Er is geen ander naast Hem. 36. Vanuit de hemel liet Hij je Zijn stem horen om je te onderwijzen. Op aarde liet Hij je Zijn grote vuur zien, en je hoorde Zijn woorden vanuit het vuur. 37. Omdat Hij je voorouders liefhad, koos Hij hun nakomelingen na hen uit. Daarom leidde Hij je zelf met Zijn grote kracht uit Egypte. 38. Zo verdreef Hij volken voor je die groter en machtiger waren dan jij. Hij bracht je in hun land en gaf het je als erfdeel, zoals nu gebeurt. 39. Weet het dus vandaag en neem het ter harte: de HEERE is God, boven in de hemel en beneden op de aarde. Er is geen ander. 40. Houd je aan Zijn voorschriften en geboden, die ik je vandaag geef. Dan gaat het jou en je kinderen na je goed. Dan zul je lang leven in het land dat de HEERE, je God, je voor altijd geeft. 41. Toen wees Mozes drie steden aan aan de oostkant van de Jordaan, waar de zon opkomt. 42. Daarheen kon iemand vluchten die zonder opzet een ander had gedood, zonder dat hij eerder een hekel aan hem had. Als hij naar een van deze steden vluchtte, bleef hij in leven. 43. Het waren Bezer in de woestijn, op de hoogvlakte, voor de Rubenieten, Ramoth in Gilead voor de Gadieten en Golan in Basan voor de Manassieten. 44. Dit is de wet die Mozes aan de Israëlieten voorlegde. 45. Dit zijn de verordeningen, voorschriften en regels die Mozes aan de Israëlieten gaf, na hun uittocht uit Egypte. 46. Dat was aan de oostkant van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor. Het lag in het land van Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde. Mozes en de Israëlieten hadden hem verslagen na hun uittocht uit Egypte. 47. Zij namen zijn land in bezit, en ook het land van Og, de koning van Basan. Dat waren de twee koningen van de Amorieten aan de oostkant van de Jordaan, waar de zon opkomt. 48. Het gebied liep van Aroër aan de oever van de beek Arnon tot aan de berg Sion, dat is de Hermon. 49. Ook heel de vlakte aan de oostkant van de Jordaan hoorde erbij, tot aan de zee van de vlakte, aan de voet van de Pisga. ## Deuteronomium 5 — De tien woorden 1. Mozes riep heel Israël bijeen en zei tegen hen: Luister, Israël, naar de voorschriften en regels die ik jullie vandaag voorhoud. Leer ze en houd je eraan. 2. De HEERE, onze God, heeft bij Horeb een verbond met ons gesloten. 3. Niet met onze voorouders heeft de HEERE dit verbond gesloten, maar met ons, met ons allemaal die hier vandaag in leven zijn. 4. Van aangezicht tot aangezicht heeft de HEERE op de berg vanuit het vuur met jullie gesproken. 5. Ik stond in die tijd tussen de HEERE en jullie in, om jullie het woord van de HEERE door te geven. Want jullie waren bang voor het vuur en gingen de berg niet op. Hij zei: 6. Ik ben de HEERE, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte geleid, uit het slavenhuis. 7. Jullie mogen naast mij geen andere goden hebben. 8. Maak voor jezelf geen gesneden beeld of afbeelding van iets boven in de hemel, beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 9. Buig je er niet voor neer en dien ze niet. Want ik, de HEERE, jullie God, ben een jaloers God. Ik vergeld de misdaad van de vaders aan hun kinderen, tot in het derde en vierde geslacht van hen die mij haten. 10. Maar aan duizenden die mij liefhebben en mijn geboden houden, bewijs ik barmhartigheid. 11. Misbruik de naam van de HEERE, jullie God, niet. Want de HEERE laat niemand ongestraft die Zijn naam misbruikt. 12. Houd de sabbatdag in acht en heilig die, zoals de HEERE, jullie God, jullie heeft opgedragen. 13. Zes dagen lang moeten jullie werken en al jullie werk doen. 14. Maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, jullie God. Dan mogen jullie geen enkel werk doen. Dat geldt voor jullie, jullie zonen en dochters, jullie slaven en slavinnen, jullie runderen, ezels en ander vee, en de vreemdelingen binnen jullie poorten. Zo kunnen jullie slaven en slavinnen rusten, net als jullie. 15. Denk eraan dat je zelf slaaf bent geweest in Egypte. De HEERE, je God, heeft je daar weggeleid met een sterke hand en een uitgestrekte arm. Daarom heeft de HEERE, je God, je opgedragen de sabbatdag te houden. 16. Eer je vader en je moeder, zoals de HEERE, je God, je heeft opgedragen. Dan zul je lang leven en zal het je goed gaan in het land dat de HEERE, je God, je geeft. 17. Pleeg geen moord. 18. Pleeg geen overspel. 19. Steel niet. 20. Leg tegen je naaste geen valse getuigenis af. 21. Verlang niet naar de vrouw van je naaste. Verlang niet naar het huis van je naaste, zijn akker, zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel. Verlang ook niet naar iets anders wat van je naaste is. 22. Deze woorden sprak de HEERE met luide stem tot heel jullie gemeenschap op de berg, vanuit het vuur, de wolk en de donkerheid. Hij voegde er niets aan toe. Hij schreef ze op twee stenen platen en gaf ze aan mij. 23. Jullie hoorden die stem uit de duisternis, terwijl de berg in brand stond. Toen kwamen alle hoofden van jullie stammen en jullie oudsten naar mij toe. 24. Jullie zeiden: Kijk, de HEERE, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien. Wij hebben Zijn stem vanuit het vuur gehoord. Vandaag hebben wij gezien dat God met een mens kan spreken en dat die mens in leven blijft. 25. Maar waarom zouden wij nu sterven? Dit grote vuur zal ons verteren. Als wij de stem van de HEERE, onze God, nog langer horen, zullen wij sterven. 26. Want welk sterfelijk mens heeft ooit de stem van de levende God vanuit het vuur horen spreken zoals wij, en is in leven gebleven? 27. Gaat u zelf dichterbij en luister naar alles wat de HEERE, onze God, zegt. Vertel ons dan alles wat de HEERE, onze God, tegen u zegt. Wij zullen luisteren en het doen. 28. De HEERE hoorde wat jullie tegen mij zeiden. Hij zei tegen mij: Ik heb gehoord wat dit volk tegen jou gezegd heeft. Alles wat zij gezegd hebben, is goed. 29. Hadden zij maar altijd zo'n hart, dat zij mij vrezen en al mijn geboden houden! Dan zou het hun en hun kinderen voor altijd goed gaan. 30. Ga en zeg tegen hen: Keer terug naar jullie tenten. 31. Maar jij moet hier bij mij blijven staan. Dan zeg ik jou alle geboden, voorschriften en regels die je hun moet leren. Die moeten zij doen in het land dat ik hun in bezit geef. 32. Doe dus nauwkeurig wat de HEERE, jullie God, jullie heeft opgedragen. Wijk er niet van af naar rechts of naar links. 33. Ga in alles de weg die de HEERE, jullie God, jullie gewezen heeft. Dan blijven jullie leven, gaat het jullie goed en zullen jullie lang leven in het land dat jullie in bezit nemen. ## Deuteronomium 6 — Luister, Israël 1. Dit zijn de geboden, voorschriften en regels die de HEERE, jullie God, mij heeft opgedragen jullie te leren. Houd je eraan in het land waar jullie heen trekken om het in bezit te nemen. 2. Zo zul je de HEERE, je God, vrezen en je houden aan al Zijn voorschriften en geboden die ik je geef. Dat geldt voor jou, je kinderen en je kleinkinderen, je leven lang. Dan zul je lang leven. 3. Luister dan, Israël, en houd je er nauwkeurig aan. Dan gaat het je goed en word je heel talrijk in het land dat overvloeit van melk en honing. Zo heeft de HEERE, de God van je voorouders, het je beloofd. 4. Luister, Israël! De HEERE, onze God, is de enige HEERE. 5. Heb de HEERE, je God, lief met heel je hart, met heel je ziel en met al je kracht. 6. Deze woorden die ik je vandaag geef, moeten in je hart zijn. 7. Prent ze je kinderen in en spreek erover, als je thuis zit en als je onderweg bent, als je gaat liggen en als je opstaat. 8. Bind ze als een teken op je hand, en draag ze als een band op je voorhoofd. 9. Schrijf ze op de deurposten van je huis en op je poorten. 10. De HEERE, je God, zal je brengen in het land dat Hij je voorouders Abraham, Izak en Jakob onder ede beloofd heeft. Hij geeft je grote en mooie steden die je niet zelf gebouwd hebt. 11. Hij geeft je huizen vol goede dingen die je niet zelf gevuld hebt, en waterputten die je niet zelf hebt uitgehouwen. Ook krijg je wijngaarden en olijfgaarden die je niet zelf geplant hebt. Als je dan gegeten hebt en verzadigd bent, 12. pas dan op dat je de HEERE niet vergeet, die je uit Egypte heeft geleid, uit het slavenhuis. 13. Vrees de HEERE, je God, en dien Hem. Zweer alleen bij Zijn naam. 14. Volg geen andere goden, geen goden van de volken om je heen. 15. Want de HEERE, je God, die in je midden is, is een jaloers God. Anders ontbrandt de toorn van de HEERE, je God, tegen je en vaagt Hij je van de aarde weg. 16. Stel de HEERE, jullie God, niet op de proef, zoals jullie Hem bij Massa op de proef hebben gesteld. 17. Houd je nauwkeurig aan de geboden van de HEERE, jullie God, en aan Zijn verordeningen en voorschriften die Hij je gegeven heeft. 18. Doe wat juist en goed is in de ogen van de HEERE. Dan gaat het je goed, en kun je het goede land binnengaan en in bezit nemen dat de HEERE je voorouders onder ede beloofd heeft. 19. Dan verdrijft Hij al je vijanden voor je uit, zoals de HEERE gezegd heeft. 20. Later zal je zoon je misschien vragen: Wat betekenen de verordeningen, voorschriften en regels die de HEERE, onze God, jullie heeft opgedragen? 21. Zeg dan tegen je zoon: Wij waren slaven van Farao in Egypte. Maar de HEERE heeft ons met een sterke hand uit Egypte geleid. 22. De HEERE deed voor onze ogen grote en vreselijke tekenen en wonderen in Egypte, tegen Farao en zijn hele hof. 23. Hij leidde ons daar weg om ons hierheen te brengen. Zo wilde Hij ons het land geven dat Hij onze voorouders onder ede beloofd had. 24. De HEERE droeg ons op al deze voorschriften te houden en de HEERE, onze God, te vrezen. Dat is altijd goed voor ons, want zo houdt Hij ons in leven, zoals nu. 25. Het zal ons als gerechtigheid gelden als wij al deze geboden nauwkeurig houden voor de HEERE, onze God, zoals Hij ons heeft opgedragen. ## Deuteronomium 7 — Een heilig volk voor de HEERE 1. De HEERE, je God, zal je brengen in het land waar je heen gaat om het in bezit te nemen. Hij zal veel volken voor je uit verdrijven: de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten. Dat zijn zeven volken die groter en machtiger zijn dan jij. 2. Als de HEERE, je God, hen aan je overlevert en je hen verslaat, moet je hen volledig met de ban slaan. Sluit geen verbond met hen en heb geen medelijden met hen. 3. Trouw niet met hen. Geef je dochters niet aan hun zonen, en neem hun dochters niet voor je zonen. 4. Want zij zouden je zonen ertoe brengen de HEERE te verlaten en andere goden te dienen. Dan ontbrandt de toorn van de HEERE tegen jullie, en Hij vaagt jullie snel weg. 5. Doe liever dit met hen: breek hun altaren af, sla hun heilige stenen stuk, hak hun gewijde palen om en verbrand hun beelden. 6. Want je bent een heilig volk voor de HEERE, je God. De HEERE, je God, heeft jou gekozen om Zijn eigen volk te zijn, uit alle volken op de aarde. 7. De HEERE heeft jullie niet liefgekregen en gekozen omdat jullie talrijker waren dan alle andere volken. Jullie waren juist het kleinste van alle volken. 8. Maar de HEERE had jullie lief, en Hij hield zich aan de eed die Hij jullie voorouders gezworen had. Daarom heeft de HEERE jullie met een sterke hand weggeleid. Hij heeft je bevrijd uit het slavenhuis, uit de macht van Farao, de koning van Egypte. 9. Weet dus dat de HEERE, je God, de enige God is, de trouwe God. Hij houdt Zijn verbond en Zijn goedheid tot in duizend generaties voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden houden. 10. Maar wie Hem haat, straft Hij persoonlijk en vernietigt Hij. Hij laat niet op zich wachten bij wie Hem haat, maar straft hem persoonlijk. 11. Houd je dus aan de geboden, voorschriften en regels die ik je vandaag geef, en doe ze. 12. Luister naar deze regels, neem ze in acht en doe ze. Dan houdt de HEERE, je God, Zijn verbond en Zijn goedheid, zoals Hij je voorouders onder ede beloofd heeft. 13. Hij zal je liefhebben, je zegenen en je talrijk maken. Hij zal je kinderen zegenen en de opbrengst van je land: je koren, je nieuwe wijn en je olie. Ook de jongen van je runderen, schapen en geiten zal Hij zegenen. Dat zal Hij doen in het land dat Hij je voorouders onder ede beloofd heeft. 14. Je zult meer gezegend zijn dan alle andere volken. Er zal onder jullie geen man of vrouw onvruchtbaar zijn, en ook onder je vee niet. 15. De HEERE zal alle ziekte van je weghouden. Hij zal je geen van de kwade ziekten van Egypte opleggen die je kent, maar ze leggen op allen die je haten. 16. Vernietig alle volken die de HEERE, je God, aan je overlevert. Heb geen medelijden met hen en dien hun goden niet, want dat zou een valstrik voor je zijn. 17. Misschien denk je: Deze volken zijn groter dan ik. Hoe kan ik hen verdrijven? 18. Wees niet bang voor hen. Denk goed aan wat de HEERE, je God, met Farao en heel Egypte gedaan heeft. 19. Denk aan de grote beproevingen die je met eigen ogen gezien hebt, aan de tekenen en wonderen. Denk aan de sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee de HEERE, je God, je heeft weggeleid. Zo zal de HEERE, je God, doen met alle volken voor wie je bang bent. 20. Ook zal de HEERE, je God, horzels op hen afsturen, tot ook wie overgebleven is en zich voor je verborgen heeft, is omgekomen. 21. Schrik niet van hen, want de HEERE, je God, is in je midden, een grote en ontzagwekkende God. 22. De HEERE, je God, zal deze volken beetje bij beetje voor je uit verdrijven. Je kunt hen niet in één keer uitroeien, anders worden de wilde dieren te talrijk voor je. 23. Maar de HEERE, je God, zal hen aan je overleveren. Hij zal hen in grote verwarring brengen, tot zij vernietigd zijn. 24. Hij zal hun koningen aan je overleveren, en je zult hun naam onder de hemel uitwissen. Niemand zal tegen je standhouden, tot je hen vernietigd hebt. 25. Verbrand de beelden van hun goden. Verlang niet naar het zilver en goud dat eraan zit en neem het niet mee, anders raak je erdoor in de val. Want het is een gruwel voor de HEERE, je God. 26. Breng niets gruwelijks in je huis, anders word je zelf met de ban geslagen, net als dat voorwerp. Je moet het verafschuwen en er een hekel aan hebben, want het is met de ban geslagen. ## Deuteronomium 8 — Vergeet de HEERE niet in het goede land 1. Houd je nauwkeurig aan alle geboden die ik je vandaag geef. Dan blijven jullie leven en worden jullie talrijk. Dan kunnen jullie het land binnengaan en in bezit nemen dat de HEERE jullie voorouders onder ede beloofd heeft. 2. Denk aan heel de weg die de HEERE, je God, je deze veertig jaar door de woestijn heeft laten gaan. Hij wilde je nederig maken en je beproeven. Zo wilde Hij weten wat er in je hart was: of je Zijn geboden zou houden of niet. 3. Hij maakte je nederig en liet je honger lijden. Toen gaf Hij je het manna te eten, dat jij niet kende en je voorouders ook niet. Zo liet Hij je weten dat een mens niet alleen van brood leeft. Een mens leeft van alles wat uit de mond van de HEERE komt. 4. Je kleren zijn deze veertig jaar niet versleten, en je voeten zijn niet opgezwollen. 5. Besef dus in je hart dat de HEERE, je God, je opvoedt, zoals een man zijn zoon opvoedt. 6. Houd je aan de geboden van de HEERE, je God. Ga Zijn wegen en vrees Hem. 7. Want de HEERE, je God, brengt je in een goed land. Het is een land met beken, bronnen en diep water, dat opwelt in de dalen en in de bergen. 8. Het is een land met tarwe en gerst, met wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels. Het is een land met olijfbomen vol olie, en met honing. 9. Daar zul je brood eten zonder gebrek, en daar zal het je aan niets ontbreken. Het is een land waar de stenen ijzer bevatten en waar je koper uit de bergen kunt hakken. 10. Als je dan gegeten hebt en verzadigd bent, loof dan de HEERE, je God, om het goede land dat Hij je gegeven heeft. 11. Pas op dat je de HEERE, je God, niet vergeet. Blijf je houden aan Zijn geboden, regels en voorschriften die ik je vandaag geef. 12. Want misschien heb je straks gegeten en ben je verzadigd. Misschien heb je mooie huizen gebouwd en woon je erin. 13. Misschien worden je runderen, schapen en geiten talrijk, en groeien je zilver en goud en al je bezit. 14. Pas dan op dat je hart niet hoogmoedig wordt, zodat je de HEERE, je God, vergeet. Hij heeft je uit Egypte geleid, uit het slavenhuis. 15. Hij heeft je door die grote en vreselijke woestijn geleid, met giftige slangen en schorpioenen, een dor land zonder water. Hij liet voor je water uit de harde rots stromen. 16. Hij gaf je in de woestijn manna te eten, dat je voorouders niet kenden. Zo wilde Hij je nederig maken en beproeven, om je uiteindelijk goed te doen. 17. Denk dan niet bij jezelf: Mijn eigen kracht en de sterkte van mijn hand hebben mij deze rijkdom gebracht. 18. Denk aan de HEERE, je God. Want Hij is het die je de kracht geeft om rijkdom te verwerven. Zo bevestigt Hij Zijn verbond dat Hij je voorouders onder ede beloofd heeft, zoals nu blijkt. 19. Maar misschien vergeet je de HEERE, je God, toch en volg je andere goden, dien je ze en buig je voor ze neer. Dan waarschuw ik jullie vandaag: jullie zullen zeker omkomen. 20. Jullie zullen omkomen net als de volken die de HEERE voor jullie uit laat omkomen. Want jullie hebben niet geluisterd naar de HEERE, jullie God. ## Deuteronomium 9 — Niet om je eigen gerechtigheid 1. Luister, Israël! Vandaag steek je de Jordaan over. Je gaat volken verdrijven die groter en sterker zijn dan jij, met grote steden en muren tot aan de hemel. 2. Het is een groot en lang volk, de Enakieten. Je kent ze en je hebt horen zeggen: Wie kan standhouden tegen de Enakieten? 3. Weet dan vandaag dat de HEERE, je God, zelf voor je uit gaat als een verterend vuur. Hij zal hen vernietigen en voor je onderwerpen. Dan verdrijf je hen en maak je snel een einde aan hen, zoals de HEERE je beloofd heeft. 4. Straks heeft de HEERE, je God, hen voor je uit verdreven. Denk dan niet bij jezelf: Omdat ik rechtvaardig ben, bracht de HEERE mij in dit land om het te bezitten. Nee, de HEERE verdrijft deze volken voor je uit omdat zij goddeloos zijn. 5. Niet omdat je rechtvaardig bent of een oprecht hart hebt, kom je hun land in bezit nemen. De HEERE, je God, verdrijft deze volken voor je uit omdat zij goddeloos zijn. Zo houdt Hij zich aan het woord dat Hij je voorouders Abraham, Izak en Jakob onder ede beloofd heeft. 6. Besef dus goed dat de HEERE, je God, je dit goede land niet geeft omdat je rechtvaardig bent. Want je bent een koppig volk. 7. Denk eraan en vergeet niet hoe je de HEERE, je God, in de woestijn kwaad hebt gemaakt. Vanaf de dag dat je uit Egypte vertrok tot jullie op deze plaats kwamen, zijn jullie opstandig geweest tegen de HEERE. 8. Ook bij Horeb maakten jullie de HEERE kwaad. De HEERE was zo kwaad op jullie dat Hij jullie wilde vernietigen. 9. Ik was de berg op gegaan om de stenen platen te ontvangen, de platen van het verbond dat de HEERE met jullie gesloten had. Veertig dagen en veertig nachten bleef ik op de berg. Ik at geen brood en dronk geen water. 10. De HEERE gaf mij de twee stenen platen, beschreven met de vinger van God. Daarop stonden alle woorden die de HEERE op de dag van de samenkomst vanuit het vuur op de berg tot jullie gesproken had. 11. Na die veertig dagen en veertig nachten gaf de HEERE mij de twee stenen platen, de platen van het verbond. 12. Toen zei de HEERE tegen mij: Sta op en ga snel naar beneden. Want je volk, dat je uit Egypte geleid hebt, heeft zich te gronde gericht. Zij zijn al snel afgeweken van de weg die ik hun heb opgedragen. Zij hebben voor zichzelf een gegoten beeld gemaakt. 13. Verder zei de HEERE tegen mij: Ik heb gezien hoe dit volk is. Het is een koppig volk. 14. Laat mij begaan, dan vernietig ik hen en wis ik hun naam onder de hemel uit. Van jou zal ik een volk maken dat machtiger en groter is dan dit. 15. Toen draaide ik mij om en ging de berg af, terwijl de berg in brand stond. De twee platen van het verbond had ik in mijn handen. 16. Ik keek, en zag dat jullie gezondigd hadden tegen de HEERE, jullie God. Jullie hadden voor jezelf een gegoten kalf gemaakt. Jullie waren al snel afgeweken van de weg die de HEERE jullie had opgedragen. 17. Toen pakte ik de twee platen, gooide ze uit mijn handen en brak ze voor jullie ogen. 18. Daarna wierp ik mij opnieuw neer voor de HEERE, net als de eerste keer, veertig dagen en veertig nachten. Ik at geen brood en dronk geen water. Dat deed ik vanwege al jullie zonden. Jullie hadden gedaan wat slecht is in de ogen van de HEERE, en Hem kwaad gemaakt. 19. Want ik was bang voor de toorn en de woede van de HEERE, die zo kwaad op jullie was dat Hij jullie wilde vernietigen. Maar ook die keer luisterde de HEERE naar mij. 20. Ook op Aäron was de HEERE heel kwaad; Hij wilde hem vernietigen. Maar in die tijd bad ik ook voor Aäron. 21. Het kalf dat jullie hadden gemaakt, jullie zonde, nam ik en verbrandde ik. Ik vergruisde het en maalde het fijn tot het stof was. Dat stof gooide ik in de beek die van de berg naar beneden stroomt. 22. Ook bij Tabera, bij Massa en bij Kibroth-Taava hebben jullie de HEERE kwaad gemaakt. 23. Toen de HEERE jullie vanuit Kades-Barnea stuurde, zei Hij: Trek op en neem het land in bezit dat ik jullie gegeven heb. Maar jullie verzetten je tegen het bevel van de HEERE, jullie God. Jullie vertrouwden niet op Hem en luisterden niet naar Hem. 24. Jullie zijn opstandig geweest tegen de HEERE vanaf de dag dat ik jullie ken. 25. Ik wierp mij neer voor de HEERE, die veertig dagen en veertig nachten lang. Want de HEERE had gezegd dat Hij jullie wilde vernietigen. 26. Ik bad tot de HEERE: Heere HEERE, vernietig Uw volk niet, Uw eigen erfdeel. U hebt het met Uw grote macht bevrijd en met een sterke hand uit Egypte geleid. 27. Denk aan Uw dienaren Abraham, Izak en Jakob. Kijk niet naar de koppigheid van dit volk, en niet naar zijn goddeloosheid en zonde. 28. Anders zeggen ze in het land waar U ons uit geleid hebt: De HEERE kon hen niet naar het beloofde land brengen. Hij haatte hen. Daarom heeft Hij hen weggeleid om hen in de woestijn te doden. 29. Zij zijn toch Uw volk en Uw erfdeel, dat U met Uw grote kracht en Uw uitgestrekte arm hebt weggeleid! ## Deuteronomium 10 — Nieuwe stenen platen, en wat de HEERE vraagt 1. In die tijd zei de HEERE tegen mij: Hak twee stenen platen uit zoals de eerste, en kom naar mij de berg op. Maak ook een houten ark. 2. Ik zal op die platen de woorden schrijven die op de eerste platen stonden, die jij gebroken hebt. Leg ze daarna in de ark. 3. Toen maakte ik een ark van acaciahout en hakte twee stenen platen uit zoals de eerste. Ik ging de berg op met de twee platen in mijn hand. 4. Toen schreef Hij op de platen, net als eerst, de tien woorden. De HEERE had ze op de dag van de samenkomst vanuit het vuur op de berg tot jullie gesproken. De HEERE gaf ze aan mij. 5. Ik draaide mij om, ging de berg af en legde de platen in de ark die ik gemaakt had. Daar liggen ze nog, zoals de HEERE mij had opgedragen. 6. De Israëlieten trokken van Beëroth Bene-Jaäkan naar Mosera. Daar stierf Aäron, en daar werd hij begraven. Zijn zoon Eleazar werd priester in zijn plaats. 7. Van daar trokken zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land met beken. 8. In die tijd koos de HEERE de stam Levi uit om de ark van het verbond van de HEERE te dragen. Zij moesten voor de HEERE staan om Hem te dienen en in Zijn naam te zegenen, zoals zij nu nog doen. 9. Daarom heeft Levi geen deel of erfdeel samen met zijn broers. De HEERE zelf is zijn erfdeel, zoals de HEERE, jullie God, hem beloofd heeft. 10. Ik bleef op de berg, net als de eerste keer, veertig dagen en veertig nachten. Ook die keer luisterde de HEERE naar mij. De HEERE wilde jullie niet vernietigen. 11. De HEERE zei tegen mij: Sta op en ga op weg, voor het volk uit. Dan kunnen zij het land binnengaan en in bezit nemen dat ik hun voorouders onder ede beloofd heb. 12. Nu dan, Israël, wat vraagt de HEERE, je God, van je? Alleen dat je de HEERE, je God, vreest en al Zijn wegen gaat. Dat je Hem liefhebt en de HEERE, je God, dient met heel je hart en heel je ziel. 13. Dat je je houdt aan de geboden en voorschriften van de HEERE, die ik je vandaag geef. Dat is goed voor je. 14. Kijk, de hemel, ja, de hoogste hemel, is van de HEERE, je God, en ook de aarde met alles wat erop is. 15. Toch heeft de HEERE alleen je voorouders liefgehad en voor hen gekozen. Uit alle volken koos Hij hun nakomelingen na hen, jullie, zoals nu blijkt. 16. Besnijd daarom de voorhuid van jullie hart, en wees niet langer koppig. 17. Want de HEERE, jullie God, is de God van de goden en de Heere van de heren. Hij is de grote, machtige en ontzagwekkende God. Hij kiest geen partij en laat zich niet omkopen. 18. Hij verschaft recht aan wees en weduwe. Hij heeft de vreemdeling lief en geeft hem brood en kleding. 19. Heb daarom ook de vreemdeling lief, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. 20. Vrees de HEERE, je God, en dien Hem. Houd je aan Hem vast en zweer bij Zijn naam. 21. Hij is je lofzang en Hij is je God. Hij heeft voor je die grote en ontzagwekkende dingen gedaan die je met eigen ogen gezien hebt. 22. Je voorouders trokken met zeventig personen naar Egypte. En nu heeft de HEERE, je God, je zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel. ## Deuteronomium 11 — Zegen en vloek 1. Heb daarom de HEERE, je God, lief en houd je altijd aan Zijn opdrachten, voorschriften, regels en geboden. 2. Besef vandaag goed dat ik niet spreek tegen jullie kinderen. Zij hebben het niet meegemaakt en de opvoeding van de HEERE, jullie God, niet gezien. Zij zagen niet Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekte arm, 3. de tekenen en daden die Hij in Egypte deed tegen Farao, de koning van Egypte, en tegen heel zijn land. 4. Zij zagen niet wat Hij deed met het leger van Egypte, met zijn paarden en wagens. Hij liet het water van de Schelfzee over hen heen stromen toen zij jullie achtervolgden. Zo heeft de HEERE hen voorgoed vernietigd. 5. Zij zagen niet wat Hij voor jullie deed in de woestijn, tot jullie op deze plaats kwamen. 6. Zij zagen niet wat Hij deed met Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, de zoon van Ruben. De aarde opende haar mond en verslond hen met hun gezinnen, hun tenten en al hun bezit, midden onder heel Israël. 7. Maar jullie hebben al deze grote daden van de HEERE met eigen ogen gezien. 8. Houd je daarom aan alle geboden die ik jullie vandaag geef. Dan worden jullie sterk en kunnen jullie het land binnengaan en in bezit nemen waar jullie heen trekken. 9. Dan zullen jullie lang leven in het land dat de HEERE jullie voorouders en hun nakomelingen onder ede beloofd heeft. Het is een land dat overvloeit van melk en honing. 10. Want het land dat je gaat bezitten, is niet zoals Egypte, waar je vandaan komt. Daar zaaide je je zaad en moest je het water geven met je voeten, zoals een groentetuin. 11. Maar het land waar jullie heen trekken om het te bezitten, is een land van bergen en dalen. Het drinkt water van de regen uit de hemel. 12. Het is een land waar de HEERE, je God, voor zorgt. De ogen van de HEERE, je God, zijn er voortdurend op gericht, van het begin tot het einde van het jaar. 13. Luister dan goed naar mijn geboden die ik jullie vandaag geef. Heb de HEERE, jullie God, lief en dien Hem met heel jullie hart en heel jullie ziel. 14. Dan zal ik jullie land op tijd regen geven, de vroege en de late regen. Dan kun je je koren, je nieuwe wijn en je olie binnenhalen. 15. Ik zal gras laten groeien op je velden voor je vee. Dan zul je eten en verzadigd zijn. 16. Pas op dat jullie hart zich niet laat verleiden. Wijk niet af om andere goden te dienen en je voor ze neer te buigen. 17. Anders ontbrandt de toorn van de HEERE tegen jullie. Dan sluit Hij de hemel, zodat er geen regen valt en de aarde geen opbrengst geeft. Dan zullen jullie snel verdwijnen uit het goede land dat de HEERE jullie geeft. 18. Prent deze woorden van mij in je hart en in je ziel. Bind ze als een teken op je hand en draag ze als een band op je voorhoofd. 19. Leer ze aan jullie kinderen en spreek erover, als je thuis zit en als je onderweg bent, als je gaat liggen en als je opstaat. 20. Schrijf ze op de deurposten van je huis en op je poorten. 21. Dan zullen jullie en je kinderen lang leven in het land dat de HEERE jullie voorouders onder ede beloofd heeft. Jullie zullen er wonen zo lang als de hemel boven de aarde is. 22. Want als jullie je nauwkeurig houden aan al deze geboden die ik jullie geef, zal het zo gaan. Heb dan de HEERE, jullie God, lief, ga al Zijn wegen en houd je aan Hem vast. 23. Dan verdrijft de HEERE al deze volken voor jullie uit. Jullie zullen volken verdrijven die groter en machtiger zijn dan jullie. 24. Elke plek waar jullie je voet zetten, wordt van jullie. Jullie gebied loopt van de woestijn tot de Libanon, en van de rivier, de Eufraat, tot aan de zee in het westen. 25. Niemand zal tegen jullie standhouden. De HEERE, jullie God, zal het hele land waar jullie komen, angst en schrik voor jullie inboezemen, zoals Hij jullie beloofd heeft. 26. Kijk, vandaag leg ik jullie zegen en vloek voor. 27. De zegen, als jullie luisteren naar de geboden van de HEERE, jullie God, die ik jullie vandaag geef. 28. De vloek, als jullie niet luisteren naar de geboden van de HEERE, jullie God, maar afwijken van de weg die ik jullie vandaag wijs. Dan gaan jullie achter andere goden aan die jullie niet kennen. 29. Straks brengt de HEERE, je God, je in het land dat je in bezit gaat nemen. Spreek dan de zegen uit op de berg Gerizim en de vloek op de berg Ebal. 30. Die bergen liggen aan de overkant van de Jordaan, voorbij de weg naar het westen. Ze liggen in het land van de Kanaänieten die in de vlakte wonen, tegenover Gilgal, bij de eiken van More. 31. Want jullie gaan de Jordaan oversteken om het land binnen te gaan dat de HEERE, jullie God, jullie geeft. Jullie zullen het in bezit nemen en er wonen. 32. Houd je dan nauwkeurig aan alle voorschriften en regels die ik jullie vandaag voorleg. ## Deuteronomium 12 — De plaats die de HEERE kiest 1. Dit zijn de voorschriften en regels die jullie nauwkeurig moeten houden. Ze gelden in het land dat de HEERE, de God van jullie voorouders, jullie in bezit geeft. Houd je eraan zolang jullie op aarde leven. 2. Vernietig alle plaatsen waar de volken die jullie verdrijven hun goden gediend hebben. Die liggen op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke groene boom. 3. Breek hun altaren af, sla hun heilige stenen stuk, verbrand hun gewijde palen en hak de beelden van hun goden om. Wis hun namen uit op die plaatsen. 4. Zo mogen jullie de HEERE, jullie God, niet vereren. 5. Zoek de plaats op die de HEERE, jullie God, uit al jullie stammen zal kiezen om daar Zijn naam te vestigen. Ga daarheen, naar Zijn woning. 6. Breng daar jullie brandoffers en slachtoffers, jullie tienden en bijdragen, en jullie geloftegaven en vrijwillige gaven. Breng er ook de eerstgeboren dieren van jullie runderen, schapen en geiten. 7. Eet daar voor de HEERE, jullie God, en wees blij met jullie gezinnen. Wees blij met alles wat jullie ondernomen hebben en waarin de HEERE, jullie God, jullie gezegend heeft. 8. Doe dan niet meer zoals wij hier vandaag doen, waar ieder doet wat hij zelf goed vindt. 9. Want jullie zijn nog niet gekomen in de rust en het erfdeel dat de HEERE, jullie God, jullie geeft. 10. Maar jullie gaan de Jordaan oversteken en wonen in het land dat de HEERE, jullie God, jullie als erfdeel geeft. Hij zal jullie rust geven van al jullie vijanden rondom, zodat jullie veilig kunnen wonen. 11. Dan is er een plaats die de HEERE, jullie God, zal kiezen om daar Zijn naam te laten wonen. Breng daarheen alles wat ik jullie opdraag: jullie brandoffers en slachtoffers, jullie tienden en bijdragen, en al het beste van jullie geloftegaven voor de HEERE. 12. Wees daar blij voor de HEERE, jullie God, met jullie zonen en dochters, jullie slaven en slavinnen. Wees ook blij met de Leviet die in jullie steden woont, want hij heeft geen eigen deel of erfdeel onder jullie. 13. Pas op dat je je brandoffers niet brengt op elke plaats die je ziet. 14. Breng je brandoffers alleen op de plaats die de HEERE in een van je stammen kiest. Doe daar alles wat ik je opdraag. 15. Toch mag je in al je steden slachten en vlees eten zoveel je wilt, naar de zegen die de HEERE, je God, je geeft. Wie onrein is en wie rein is, mag het eten, net als het vlees van een gazelle of een hert. 16. Alleen het bloed mogen jullie niet eten. Giet het als water op de grond. 17. In je eigen woonplaats mag je de tiende van je koren, je nieuwe wijn en je olie niet eten. Ook de eerstgeboren dieren van je runderen, schapen en geiten eet je daar niet. Ook je geloftegaven, je vrijwillige gaven en je bijdragen mag je daar niet eten. 18. Eet ze voor de HEERE, je God, op de plaats die de HEERE, je God, zal kiezen. Doe dat samen met je zoon en je dochter, je slaaf en je slavin, en de Leviet die in je woonplaats woont. Wees blij voor de HEERE, je God, met alles wat je ondernomen hebt. 19. Pas op dat je de Leviet niet in de steek laat, zolang je in je land woont. 20. De HEERE, je God, zal je gebied uitbreiden, zoals Hij je beloofd heeft. Als je dan zin hebt in vlees en denkt: Ik wil vlees eten, eet dan vlees zoveel je wilt. 21. Misschien is de plaats die de HEERE, je God, kiest om er Zijn naam te vestigen, ver van je vandaan. Slacht dan van de runderen, schapen en geiten die de HEERE je gegeven heeft, zoals ik je heb opgedragen. Eet ervan in je woonplaats zoveel je wilt. 22. Eet het zoals je een gazelle of een hert eet. Wie onrein is en wie rein is, mogen het samen eten. 23. Maar houd je er streng aan dat je het bloed niet eet. Want het bloed is het leven, en je mag het leven niet met het vlees eten. 24. Eet het niet. Giet het als water op de grond. 25. Eet het niet, dan gaat het jou en je kinderen na je goed, omdat je doet wat juist is in de ogen van de HEERE. 26. Maar je heilige gaven en je geloftegaven moet je meenemen naar de plaats die de HEERE zal kiezen. 27. Breng daar je brandoffers, het vlees en het bloed, op het altaar van de HEERE, je God. Het bloed van je slachtoffers moet uitgegoten worden op het altaar van de HEERE, je God. Het vlees mag je eten. 28. Houd je aan al deze woorden die ik je opdraag en luister ernaar. Dan gaat het jou en je kinderen na je voor altijd goed. Want dan doe je wat goed en juist is in de ogen van de HEERE, je God. 29. De HEERE, je God, zal de volken uitroeien bij wie je komt om hun land in bezit te nemen. Je zult hun land innemen en er wonen. 30. Pas dan op dat je niet in de val loopt door hen na te volgen, als zij voor je uit zijn vernietigd. Vraag niet naar hun goden en zeg niet: Hoe dienden deze volken hun goden? Zo wil ik het ook doen. 31. Zo mag je de HEERE, je God, niet vereren. Want zij hebben voor hun goden alles gedaan wat de HEERE verafschuwt en haat. Zij hebben zelfs hun zonen en dochters voor hun goden verbrand. 32. Houd je nauwkeurig aan alles wat ik jullie opdraag. Voeg er niets aan toe en laat er niets van weg. ## Deuteronomium 13 — Waarschuwing tegen verleiding tot afgoderij 1. Stel dat er onder jullie een profeet of een dromer opstaat. Hij kondigt je een teken of een wonder aan. 2. Dat teken of wonder gebeurt ook, en hij zegt: Laten wij andere goden volgen en dienen, goden die je niet kent. 3. Luister dan niet naar de woorden van die profeet of die dromer. Want de HEERE, jullie God, stelt jullie op de proef. Hij wil weten of jullie de HEERE, jullie God, liefhebben met heel je hart en met heel je ziel. 4. Volg de HEERE, jullie God, en vrees Hem. Houd je aan Zijn geboden en luister naar Hem. Dien Hem en houd je aan Hem vast. 5. Die profeet of dromer moet gedood worden. Want hij heeft opgeroepen tot afval van de HEERE, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid en je uit het slavenhuis bevrijd heeft. Hij wilde je afbrengen van de weg die de HEERE, je God, je heeft opgedragen. Zo moet je het kwaad uit je midden wegdoen. 6. Stel dat iemand je in het geheim probeert over te halen. Dat kan je broer zijn, de zoon van je moeder, je zoon of dochter, je eigen vrouw of je beste vriend. Hij zegt: Laten wij andere goden gaan dienen, goden die jij en je voorouders niet kennen. 7. Het gaat dan om goden van de volken om je heen, dichtbij of ver weg, van het ene eind van de aarde tot het andere. 8. Geef niet toe en luister niet naar hem. Heb geen medelijden met hem, spaar hem niet en bescherm hem niet. 9. Nee, je moet hem zeker doden. Jij moet als eerste de hand tegen hem opheffen om hem te doden, daarna het hele volk. 10. Stenig hem, zodat hij sterft. Want hij heeft geprobeerd je af te brengen van de HEERE, je God, die je uit Egypte heeft geleid, uit het slavenhuis. 11. Heel Israël zal het horen en bang worden. Dan doet niemand meer zoiets slechts onder jullie. 12. Stel dat je hoort over een van de steden die de HEERE, je God, je geeft om er te wonen: 13. Er zijn nietsnutten uit jullie midden opgestaan. Zij hebben de inwoners van hun stad verleid en gezegd: Laten wij andere goden gaan dienen, goden die jullie niet kennen. 14. Onderzoek het dan, zoek het uit en vraag het goed na. Als blijkt dat het waar is en vaststaat dat zo'n gruwel onder jullie is gedaan, 15. sla dan de inwoners van die stad met het zwaard. Sla de stad met de ban, met alles wat erin is, ook het vee. 16. Verzamel alle buit midden op het plein van de stad. Verbrand dan de stad met al haar buit volledig, als offer voor de HEERE, je God. Zij moet voorgoed een puinhoop blijven en mag nooit meer herbouwd worden. 17. Houd niets van wat met de ban geslagen is voor jezelf. Dan keert de HEERE zich af van Zijn brandende toorn. Dan zal Hij je barmhartig zijn, zich over je ontfermen en je talrijk maken, zoals Hij je voorouders onder ede beloofd heeft. 18. Dat doet Hij als je luistert naar de HEERE, je God, en je houdt aan al Zijn geboden die ik je vandaag geef. Doe dus wat juist is in de ogen van de HEERE, je God. ## Deuteronomium 14 — Rein en onrein voedsel, en de tiende 1. Jullie zijn kinderen van de HEERE, jullie God. Maak vanwege een dode geen sneden in je lichaam, en scheer je voorhoofd niet kaal. 2. Want je bent een heilig volk voor de HEERE, je God. De HEERE heeft jou gekozen om Zijn eigen volk te zijn, uit alle volken op de aarde. 3. Eet niets wat gruwelijk is. 4. Dit zijn de dieren die jullie mogen eten: het rund, het schaap en de geit, 5. het hert, de gazelle, het damhert, de steenbok, de antilope, de wilde os en de gems. 6. Jullie mogen alle dieren eten die herkauwen en hoeven hebben die helemaal in tweeën zijn gespleten. 7. Maar dieren die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mogen jullie niet eten. De kameel, de haas en de klipdas herkauwen wel, maar hebben geen gespleten hoeven. Daarom zijn ze voor jullie onrein. 8. Het varken heeft wel gespleten hoeven, maar herkauwt niet. Daarom is het voor jullie onrein. Jullie mogen hun vlees niet eten en hun kadavers niet aanraken. 9. Van alles wat in het water leeft, mogen jullie eten wat vinnen en schubben heeft. 10. Maar wat geen vinnen en schubben heeft, mogen jullie niet eten. Het is voor jullie onrein. 11. Alle reine vogels mogen jullie eten. 12. Maar deze vogels mogen jullie niet eten: de adelaar, de havik en de zeearend, 13. de wouw, de kraai en alle soorten gieren, 14. alle soorten raven, 15. de struisvogel, de nachtuil, de koekoek en alle soorten sperwers, 16. de steenuil, de ransuil en de kauw, 17. de roerdomp, de pelikaan en de aalscholver, 18. de ooievaar, alle soorten reigers, de hop en de vleermuis. 19. Ook alle gevleugelde insecten zijn voor jullie onrein. Ze mogen niet gegeten worden. 20. Alle reine gevleugelde dieren mogen jullie eten. 21. Eet geen dier dat vanzelf gestorven is. Geef het aan de vreemdeling die in je woonplaats woont, zodat hij het kan eten, of verkoop het aan een buitenlander. Want je bent een heilig volk voor de HEERE, je God. Kook een bokje niet in de melk van zijn moeder. 22. Geef elk jaar trouw een tiende van de hele opbrengst van wat je op het veld zaait. 23. Ga naar de plaats die de HEERE, je God, zal kiezen om er Zijn naam te laten wonen. Eet daar voor Hem de tiende van je koren, je nieuwe wijn en je olie. Eet daar ook de eerstgeboren dieren van je runderen, schapen en geiten. Zo leer je de HEERE, je God, altijd te vrezen. 24. Misschien is de weg te lang voor je om het mee te nemen. De plaats die de HEERE, je God, kiest om er Zijn naam te vestigen, kan te ver weg zijn. Dat kan gebeuren wanneer de HEERE, je God, je gezegend heeft. 25. Verkoop het dan voor geld. Neem het geld mee en ga naar de plaats die de HEERE, je God, zal kiezen. 26. Koop met dat geld alles waar je zin in hebt: runderen, schapen of geiten, wijn of sterke drank, alles wat je maar wilt. Eet daar voor de HEERE, je God, en wees blij, jij en je gezin. 27. Laat de Leviet die in je woonplaats woont niet in de steek, want hij heeft geen eigen deel of erfdeel bij jou. 28. Breng aan het eind van elk derde jaar de hele tiende van je opbrengst van dat jaar bijeen. Leg die op in je woonplaats. 29. Dan komt de Leviet, die geen eigen deel of erfdeel bij jou heeft. Ook de vreemdeling, de wees en de weduwe in je woonplaats komen. Zij zullen eten en verzadigd worden. Dan zal de HEERE, je God, je zegenen in al het werk dat je doet. ## Deuteronomium 15 — Het jaar van kwijtschelding 1. Schel aan het eind van elke zeven jaar de schulden kwijt. 2. Dat gaat zo: iedere schuldeiser die zijn naaste iets geleend heeft, scheldt het hem kwijt. Hij mag zijn naaste, zijn broer, niet tot betalen dwingen, want er is een kwijtschelding voor de HEERE uitgeroepen. 3. Van een buitenlander mag je betaling eisen. Maar wat je broer je schuldig is, moet je hem kwijtschelden. 4. Toch zou er onder jullie geen arme moeten zijn. Want de HEERE zal je rijk zegenen in het land dat de HEERE, je God, je als erfdeel geeft om het te bezitten. 5. Dat zal Hij doen als je goed naar de HEERE, je God, luistert. Houd je dan nauwkeurig aan al deze geboden die ik je vandaag geef. 6. Want de HEERE, je God, zal je zegenen, zoals Hij je beloofd heeft. Dan zul je aan veel volken lenen, maar zelf niets hoeven te lenen. Je zult over veel volken heersen, maar zij zullen niet over jou heersen. 7. Stel dat er bij je een arme is, een van je broers. Hij woont in een van de steden in het land dat de HEERE, je God, je geeft. Wees dan niet hardvochtig en houd je hand niet dicht voor je arme broer. 8. Open je hand gul voor hem. Leen hem ruim genoeg voor wat hij nodig heeft. 9. Pas op dat je niet bij jezelf de slechte gedachte hebt: Het zevende jaar, het jaar van kwijtschelding, komt eraan. Kijk dan niet onvriendelijk naar je arme broer, zodat je hem niets geeft. Want dan roept hij tegen je tot de HEERE, en rust er zonde op je. 10. Geef hem gul, en geef niet met tegenzin. Want daarom zal de HEERE, je God, je zegenen in al je werk en in alles wat je onderneemt. 11. Er zullen altijd armen in het land zijn. Daarom draag ik je op: open je hand gul voor je broer, voor de noodlijdenden en de armen in je land. 12. Stel dat een van je broers, een Hebreeuwse man of vrouw, aan je verkocht wordt. Die mag zes jaar voor je werken, maar in het zevende jaar moet je hem vrijlaten. 13. Als je hem vrijlaat, stuur hem dan niet met lege handen weg. 14. Geef hem ruim mee van je kudde, van je dorsvloer en van je wijnpers. Geef hem van alles waarmee de HEERE, je God, je gezegend heeft. 15. Denk eraan dat je zelf slaaf bent geweest in Egypte, en dat de HEERE, je God, je bevrijd heeft. Daarom geef ik je vandaag dit gebod. 16. Maar misschien zegt hij tegen je: Ik wil niet bij u weggaan. Dat kan omdat hij jou en je gezin liefheeft en het goed bij je heeft. 17. Neem dan een priem en steek die door zijn oor in de deur. Dan blijft hij voor altijd je slaaf. Doe hetzelfde met je slavin. 18. Vind het niet moeilijk om hem vrij te laten. Want hij heeft zes jaar voor je gewerkt en was je dubbel zoveel waard als een dagloner. Dan zal de HEERE, je God, je zegenen in alles wat je doet. 19. Wijd alle mannelijke eerstgeboren dieren van je runderen, schapen en geiten aan de HEERE, je God. Laat een eerstgeboren rund niet voor je werken en scheer een eerstgeboren schaap niet. 20. Eet ze elk jaar met je gezin voor de HEERE, je God, op de plaats die de HEERE zal kiezen. 21. Maar misschien heeft een dier een gebrek: het is mank of blind, of het heeft een ander ernstig gebrek. Offer het dan niet aan de HEERE, je God. 22. Eet het in je woonplaats. Wie onrein is en wie rein is, mogen het samen eten, zoals je een gazelle of een hert eet. 23. Alleen het bloed mag je niet eten. Giet het als water op de grond. ## Deuteronomium 16 — De drie feesten, en eerlijke rechtspraak 1. Houd de maand Abib in acht en vier dan het pascha voor de HEERE, je God. Want in de maand Abib heeft de HEERE, je God, je 's nachts uit Egypte geleid. 2. Slacht het pascha voor de HEERE, je God, van je schapen, geiten en runderen. Doe dat op de plaats die de HEERE zal kiezen om er Zijn naam te laten wonen. 3. Eet er niets gezuurds bij. Eet er zeven dagen lang ongezuurd brood bij, brood van ellende. Want je bent haastig uit Egypte vertrokken. Zo denk je je leven lang terug aan de dag dat je uit Egypte trok. 4. Zeven dagen lang mag er in je hele gebied geen zuurdesem te zien zijn. Van het vlees dat je op de avond van de eerste dag slacht, mag niets tot de volgende morgen overblijven. 5. Je mag het pascha niet slachten in een willekeurige stad die de HEERE, je God, je geeft. 6. Slacht het pascha op de plaats die de HEERE, je God, zal kiezen om er Zijn naam te laten wonen. Doe het 's avonds bij zonsondergang, op het tijdstip waarop je uit Egypte trok. 7. Kook het en eet het op de plaats die de HEERE, je God, zal kiezen. De volgende morgen mag je teruggaan naar je tenten. 8. Eet zes dagen lang ongezuurd brood. De zevende dag is een plechtige slotdag voor de HEERE, je God. Doe dan geen werk. 9. Tel zeven weken af. Begin te tellen vanaf de dag dat je het staande koren begint te maaien. 10. Vier dan het wekenfeest voor de HEERE, je God. Breng een vrijwillige gave, zoveel als je kunt, naar de mate waarin de HEERE, je God, je gezegend heeft. 11. Wees blij voor de HEERE, je God, op de plaats die de HEERE, je God, zal kiezen om er Zijn naam te laten wonen. Wees blij met je zoon en je dochter, je slaaf en je slavin, en de Leviet in je woonplaats. Wees ook blij met de vreemdeling, de wees en de weduwe die bij je wonen. 12. Denk eraan dat je slaaf bent geweest in Egypte. Houd je nauwkeurig aan deze voorschriften. 13. Vier zeven dagen het loofhuttenfeest, als je de opbrengst van je dorsvloer en je wijnpers binnengehaald hebt. 14. Wees blij op je feest, met je zoon en je dochter, je slaaf en je slavin. Wees blij met de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe die in je woonplaats wonen. 15. Vier zeven dagen feest voor de HEERE, je God, op de plaats die de HEERE zal kiezen. Want de HEERE, je God, zal je zegenen in al je opbrengst en in al het werk van je handen. Wees dus echt blij. 16. Drie keer per jaar moeten alle mannen onder jullie voor de HEERE, je God, verschijnen op de plaats die Hij zal kiezen. Dat is op het feest van de ongezuurde broden, op het wekenfeest en op het loofhuttenfeest. Niemand mag met lege handen voor de HEERE verschijnen. 17. Ieder geeft wat hij kan, naar de zegen die de HEERE, je God, hem gegeven heeft. 18. Stel in al je steden die de HEERE, je God, je geeft, rechters en bestuurders aan voor je stammen. Zij moeten het volk eerlijk rechtspreken. 19. Buig het recht niet en kies geen partij. Neem geen omkoopgeld aan. Want omkoopgeld maakt wijzen blind en verdraait de woorden van rechtvaardigen. 20. Streef alleen naar gerechtigheid. Dan blijf je leven en kun je het land in bezit nemen dat de HEERE, je God, je geeft. 21. Plant geen gewijde paal, van welke boom ook, naast het altaar dat je voor de HEERE, je God, maakt. 22. Richt ook geen heilige steen op, want de HEERE, je God, haat dat. ## Deuteronomium 17 — Rechtspraak en de koning 1. Offer de HEERE, je God, geen rund, schaap of geit met een gebrek of een ernstig mankement. Want dat is een gruwel voor de HEERE, je God. 2. Stel dat er onder jullie iemand wordt gevonden die doet wat slecht is in de ogen van de HEERE, je God. Het is een man of vrouw in een van de steden die de HEERE, je God, je geeft. Hij breekt Zijn verbond, 3. gaat andere goden dienen en buigt zich voor hen neer. Of hij buigt zich neer voor de zon, de maan of het hele hemelleger, wat ik niet heb toegestaan. 4. Dat wordt je verteld en je hoort ervan. Onderzoek het dan goed. Als blijkt dat het waar is en vaststaat dat zo'n gruwel in Israël is gedaan, 5. breng dan die man of vrouw die dit kwaad gedaan heeft, naar de poort van je stad. Stenig die man of die vrouw, zodat zij sterven. 6. Op de verklaring van twee of drie getuigen moet wie de dood verdient, gedood worden. Op de verklaring van één getuige mag niemand gedood worden. 7. De getuigen moeten als eersten de hand tegen hem opheffen om hem te doden, daarna het hele volk. Zo moet je het kwaad uit je midden wegdoen. 8. Stel dat een rechtszaak te moeilijk voor je is. Het kan gaan om doodslag, om een geschil of om letsel, om zaken waarover in je steden onenigheid is. Maak je dan op en ga naar de plaats die de HEERE, je God, zal kiezen. 9. Ga naar de Levitische priesters en naar de rechter die er in die tijd is. Leg hun de zaak voor, dan zullen zij je de uitspraak geven. 10. Doe wat zij je zeggen op die plaats die de HEERE zal kiezen. Houd je nauwkeurig aan alles wat zij je leren. 11. Doe wat de wet zegt die zij je leren, en volg de uitspraak die zij je geven. Wijk niet af van wat zij je zeggen, niet naar rechts en niet naar links. 12. Iemand die overmoedig is en niet luistert naar de priester die daar de HEERE, je God, dient, of naar de rechter, moet sterven. Zo moet je het kwaad uit Israël wegdoen. 13. Heel het volk zal het horen en bang worden. Dan zal niemand meer overmoedig zijn. 14. Straks kom je in het land dat de HEERE, je God, je geeft, neem je het in bezit en ga je er wonen. Misschien zeg je dan: Ik wil een koning over mij aanstellen, net als alle volken om mij heen. 15. Stel dan alleen een koning aan die de HEERE, je God, zal kiezen. Kies iemand uit je broers als koning. Je mag geen buitenlander over je aanstellen die niet een van je broers is. 16. Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden houden. Hij mag het volk niet terugsturen naar Egypte om er meer paarden te krijgen. Want de HEERE heeft jullie gezegd: Jullie mogen nooit meer langs die weg teruggaan. 17. Hij mag ook niet veel vrouwen nemen, anders keert zijn hart zich af. Hij mag voor zichzelf ook niet veel zilver en goud verzamelen. 18. Als hij op de troon van zijn koninkrijk zit, moet hij voor zichzelf een afschrift van deze wet maken. Dat schrijft hij over uit het boek dat bij de Levitische priesters ligt. 19. Hij moet het bij zich houden en er zijn hele leven in lezen. Zo leert hij de HEERE, zijn God, te vrezen. Zo houdt hij zich nauwkeurig aan alle woorden van deze wet en aan deze voorschriften. 20. Dan voelt hij zich niet verheven boven zijn broers en wijkt hij niet af van het gebod, niet naar rechts en niet naar links. Dan zal hij met zijn zonen lang regeren in Israël. ## Deuteronomium 18 — Priesters en profeten 1. De Levitische priesters, de hele stam Levi, krijgen geen eigen deel of erfdeel in Israël. Zij leven van de vuuroffers voor de HEERE, want dat is hun erfdeel. 2. Zij krijgen geen erfdeel onder hun broers. De HEERE zelf is hun erfdeel, zoals Hij hun beloofd heeft. 3. Dit komt de priesters toe van het volk, van ieder die een offer brengt, een rund of een schaap of geit. Hij moet de priester de schouder, de beide kaken en de maag geven. 4. Geef hem ook het eerste van je koren, je nieuwe wijn en je olie, en het eerste van de wol als je je schapen scheert. 5. Want de HEERE, je God, heeft hem uit al je stammen gekozen. Hij en zijn zonen moeten altijd klaarstaan om te dienen in de naam van de HEERE. 6. Stel dat een Leviet uit een van je steden, ergens in Israël waar hij woont, naar de plaats komt die de HEERE gekozen heeft. Hij komt omdat hij dat van harte wil. 7. Hij mag daar dienen in de naam van de HEERE, zijn God, net als al zijn broers, de Levieten, die daar voor de HEERE staan. 8. Zij krijgen allemaal een gelijk deel te eten, los van wat hij heeft gekregen uit de verkoop van zijn familiebezit. 9. Straks kom je in het land dat de HEERE, je God, je geeft. Neem dan de gruwelijke gewoonten van die volken niet over. 10. Er mag onder jullie niemand zijn die zijn zoon of dochter door het vuur laat gaan. Er mag niemand zijn die waarzegt, de toekomst voorspelt, voortekens zoekt of tovert. 11. Er mag niemand zijn die bezweringen uitspreekt, een geestenbezweerder of waarzegger raadpleegt, of de doden om raad vraagt. 12. Want ieder die zulke dingen doet, is een gruwel voor de HEERE. Vanwege deze gruwelen verdrijft de HEERE, je God, die volken voor je uit. 13. Wees volkomen oprecht tegenover de HEERE, je God. 14. Want de volken die je gaat verdrijven, luisteren naar tovenaars en waarzeggers. Maar dat staat de HEERE, je God, jou niet toe. 15. De HEERE, je God, zal uit je midden, uit je broers, een profeet zoals ik voor je laten opstaan. Naar Hem moeten jullie luisteren. 16. Dat vroeg je zelf aan de HEERE, je God, op de dag van de samenkomst bij Horeb. Je zei: Laat mij de stem van de HEERE, mijn God, niet langer horen. Laat mij dit grote vuur niet meer zien, anders sterf ik. 17. Toen zei de HEERE tegen mij: Wat zij gezegd hebben, is goed. 18. Ik zal een profeet zoals jij voor hen laten opstaan uit het midden van hun broers. Ik zal mijn woorden in Zijn mond leggen, en Hij zal alles tegen hen zeggen wat ik Hem opdraag. 19. Wie niet luistert naar mijn woorden die Hij in mijn naam spreekt, zal ik ter verantwoording roepen. 20. Maar een profeet die het waagt in mijn naam iets te zeggen wat ik hem niet heb opgedragen, moet sterven. Dat geldt ook voor een profeet die in de naam van andere goden spreekt. 21. Misschien vraag je je af: Hoe weten wij welk woord de HEERE niet gesproken heeft? 22. Stel dat een profeet in de naam van de HEERE spreekt, maar het gebeurt niet of komt niet uit. Dan heeft de HEERE dat woord niet gesproken. Die profeet heeft het uit overmoed gezegd. Wees niet bang voor hem. ## Deuteronomium 19 — Vrijsteden, grenzen en getuigen 1. De HEERE, je God, zal de volken uitroeien van wie Hij je het land geeft. Je zult hun land innemen en in hun steden en huizen wonen. 2. Wijs dan drie steden aan midden in het land dat de HEERE, je God, je in bezit geeft. 3. Leg er wegen naartoe aan. Verdeel het gebied van het land dat de HEERE, je God, je als erfdeel geeft in drie delen. Zo kan iedere doodslager daarheen vluchten. 4. Dit is de regel voor een doodslager die daarheen vlucht om in leven te blijven. Het gaat om iemand die zijn naaste zonder opzet gedood heeft, zonder dat hij eerder een hekel aan hem had. 5. Stel dat iemand met zijn naaste het bos in gaat om hout te hakken. Hij haalt uit met de bijl om een boom om te hakken. Maar het ijzer schiet van de steel en treft zijn naaste, zodat die sterft. Die man mag naar een van deze steden vluchten en in leven blijven. 6. Anders zou de bloedwreker in zijn woede de doodslager achtervolgen. Als de weg te lang is, zou hij hem inhalen en doodslaan. Maar die man verdient de dood niet, want hij had eerder geen hekel aan hem. 7. Daarom draag ik je op: wijs drie steden aan. 8. De HEERE, je God, zal je gebied uitbreiden, zoals Hij je voorouders onder ede beloofd heeft. Hij zal je het hele land geven dat Hij je voorouders heeft toegezegd. 9. Dat doet Hij als je je nauwkeurig houdt aan dit hele gebod dat ik je vandaag geef. Heb dus de HEERE, je God, lief en ga altijd Zijn wegen. Wijs dan nog drie steden aan, naast deze drie. 10. Zo wordt er in het land dat de HEERE, je God, je als erfdeel geeft, geen onschuldig bloed vergoten. Dan rust er geen bloedschuld op je. 11. Maar stel dat iemand zijn naaste haat en hem opwacht. Hij valt hem aan en slaat hem dood, en vlucht dan naar een van die steden. 12. Dan moeten de oudsten van zijn stad hem daar laten ophalen. Zij leveren hem over aan de bloedwreker, zodat hij sterft. 13. Heb geen medelijden met hem. Doe het onschuldig vergoten bloed weg uit Israël, dan gaat het je goed. 14. Verzet de grenspaal van je naaste niet, die je voorouders geplaatst hebben. Dat geldt voor het erfdeel dat je krijgt in het land dat de HEERE, je God, je in bezit geeft. 15. Eén getuige is niet genoeg om iemand te veroordelen voor een misdaad of zonde, wat hij ook gedaan heeft. Alleen op de verklaring van twee of drie getuigen kan een zaak worden vastgesteld. 16. Stel dat een kwaadwillige getuige tegen iemand optreedt en hem van een misdaad beschuldigt. 17. Dan moeten de twee mannen die het geschil hebben, voor de HEERE verschijnen. Zij gaan staan voor de priesters en de rechters die er in die tijd zijn. 18. De rechters moeten het goed onderzoeken. Als de getuige een valse getuige blijkt te zijn, die zijn broer vals beschuldigd heeft, 19. doe hem dan aan wat hij zijn broer wilde aandoen. Zo moeten jullie het kwaad uit je midden wegdoen. 20. De anderen zullen het horen en bang worden. Dan zal niemand onder jullie meer zoiets slechts doen. 21. Heb geen medelijden: leven om leven, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet. ## Deuteronomium 20 — Regels voor de oorlog 1. Stel dat je ten strijde trekt tegen je vijanden en een leger ziet met paarden en wagens, groter dan het jouwe. Wees dan niet bang voor hen. Want de HEERE, je God, die je uit Egypte heeft geleid, is met je. 2. Voordat jullie de strijd aangaan, moet de priester naar voren komen en het volk toespreken. 3. Hij zegt tegen hen: Luister, Israël! Vandaag gaan jullie de strijd aan tegen jullie vijanden. Wees niet moedeloos. Wees niet bang, beef niet en schrik niet van hen. 4. Want de HEERE, jullie God, trekt met jullie mee. Hij strijdt voor jullie tegen jullie vijanden en zal jullie redden. 5. Daarna zeggen de bestuurders tegen het volk: Wie heeft er een nieuw huis gebouwd en het nog niet ingewijd? Die mag teruggaan naar huis. Anders sneuvelt hij misschien en wijdt een ander het in. 6. Wie heeft er een wijngaard geplant en er nog niet van geoogst? Die mag teruggaan naar huis. Anders sneuvelt hij misschien en oogst een ander ervan. 7. Wie is er verloofd en nog niet getrouwd? Die mag teruggaan naar huis. Anders sneuvelt hij misschien en trouwt een ander met haar. 8. Verder zeggen de bestuurders tegen het volk: Wie is er bang en moedeloos? Die mag teruggaan naar huis. Anders ontneemt hij zijn broers de moed, net als zichzelf. 9. Als de bestuurders klaar zijn met hun toespraak tot het volk, stellen zij legeraanvoerders aan het hoofd van het volk. 10. Als je een stad nadert om haar aan te vallen, bied haar dan eerst vrede aan. 11. Als zij de vrede aanneemt en haar poorten voor je opent, dan moet het hele volk daar dwangarbeid voor je doen en je dienen. 12. Maar als zij geen vrede met je sluit en tegen je vecht, belegert haar dan. 13. De HEERE, je God, zal haar aan je overleveren. Dood dan alle mannen in de stad met het zwaard. 14. Maar de vrouwen, de kinderen, het vee en alles wat verder in de stad is, mag je als buit nemen. Je mag de buit van je vijanden gebruiken, die de HEERE, je God, je gegeven heeft. 15. Zo moet je doen met alle steden die heel ver van je vandaan liggen en niet horen bij de volken hier. 16. Maar in de steden van deze volken, die de HEERE, je God, je als erfdeel geeft, mag je niets laten leven wat adem heeft. 17. Sla hen volledig met de ban: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten. Doe wat de HEERE, je God, je heeft opgedragen. 18. Anders leren zij jullie al hun gruwelijke gewoonten, die zij voor hun goden doen. Dan zondigen jullie tegen de HEERE, jullie God. 19. Stel dat je een stad lange tijd belegert om haar in te nemen. Vernietig dan haar bomen niet door er met de bijl op in te hakken. Je kunt ervan eten, dus hak ze niet om. Want de bomen op het veld zijn voedsel voor de mens. Ze zijn er niet om er belegeringswerken van te maken. 20. Alleen bomen waarvan je weet dat het geen vruchtbomen zijn, mag je omhakken. Daarmee mag je belegeringswerken bouwen tegen de stad die met je in oorlog is, tot zij valt. ## Deuteronomium 21 — Verschillende wetten 1. Stel dat in het land dat de HEERE, je God, je in bezit geeft, iemand dood in het veld wordt gevonden. Niemand weet wie hem gedood heeft. 2. Dan moeten je oudsten en je rechters erop uitgaan. Zij meten de afstand van de gedode tot de steden eromheen. 3. De oudsten van de stad die het dichtst bij de gedode ligt, nemen een jonge koe. Er mag nog niet mee gewerkt zijn en zij mag nog nooit een juk getrokken hebben. 4. De oudsten van die stad brengen de jonge koe naar een woest dal, waar niet geploegd of gezaaid wordt. Daar breken zij in het dal de nek van de koe. 5. Dan komen de priesters naar voren, de nakomelingen van Levi. Want de HEERE, je God, heeft hen gekozen om Hem te dienen en in de naam van de HEERE te zegenen. Op hun uitspraak wordt elk geschil en elk letsel beslecht. 6. Alle oudsten van de stad die het dichtst bij de gedode ligt, wassen hun handen boven de jonge koe. Het is de koe waarvan in het dal de nek gebroken is. 7. Zij verklaren: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien. 8. Wees genadig voor Uw volk Israël, dat U, HEERE, bevrijd hebt. Leg geen onschuldig bloed op Uw volk Israël. Zo wordt voor hen verzoening gedaan voor het bloed. 9. Zo moet je het onschuldig vergoten bloed uit je midden wegdoen. Want dan doe je wat juist is in de ogen van de HEERE. 10. Stel dat je ten strijde trekt tegen je vijanden. De HEERE, je God, levert hen aan je over, en je neemt gevangenen mee. 11. Onder de gevangenen zie je een mooie vrouw. Je voelt je tot haar aangetrokken en wilt met haar trouwen. 12. Neem haar dan mee naar je huis. Zij moet haar hoofd kaalscheren en haar nagels knippen. 13. Zij legt de kleren af die zij als gevangene droeg, en blijft in je huis. Zij rouwt een maand lang om haar vader en moeder. Daarna mag je met haar slapen en haar man worden, en wordt zij je vrouw. 14. Maar als je later geen genoegen meer in haar hebt, laat haar dan vrij gaan waar zij wil. Je mag haar niet voor geld verkopen of als slavin behandelen, want je hebt haar vernederd. 15. Stel dat een man twee vrouwen heeft, één van wie hij houdt en één die hij niet liefheeft. Beiden hebben hem zonen gebaard, en de eerstgeboren zoon is van de vrouw die hij niet liefheeft. 16. Als hij dan zijn bezit onder zijn zonen verdeelt, mag hij de zoon van de vrouw van wie hij houdt niet als eerstgeborene behandelen. Dat mag niet ten koste gaan van de echte eerstgeborene, de zoon van de andere vrouw. 17. Hij moet de zoon van de vrouw die hij niet liefheeft, erkennen als eerstgeborene. Hij geeft hem een dubbel deel van alles wat hij heeft. Want die zoon is de eerste vrucht van zijn kracht, en hem komt het recht van de eerstgeborene toe. 18. Stel dat iemand een koppige en opstandige zoon heeft, die niet luistert naar zijn vader en moeder. Zij hebben hem gestraft, maar hij luistert niet naar hen. 19. Dan moeten zijn vader en moeder hem vastpakken en naar de oudsten van zijn stad brengen, naar de poort van zijn woonplaats. 20. Zij zeggen tegen de oudsten van zijn stad: Deze zoon van ons is koppig en opstandig. Hij luistert niet naar ons. Hij is een brasser en een drinker. 21. Dan moeten alle mannen van zijn stad hem stenigen, zodat hij sterft. Zo moet je het kwaad uit je midden wegdoen. Heel Israël zal het horen en bang worden. 22. Stel dat iemand een zonde heeft begaan waarop de doodstraf staat. Hij wordt gedood, en je hangt hem op aan een paal. 23. Dan mag zijn lichaam 's nachts niet aan de paal blijven hangen. Begraaf hem nog dezelfde dag. Want wie opgehangen is, is door God vervloekt. Zo maak je het land niet onrein dat de HEERE, je God, je als erfdeel geeft. ## Deuteronomium 22 — Zorg voor je naaste, en huwelijkswetten 1. Als je ziet dat het rund of het schaap van je broer is afgedwaald, kijk dan niet de andere kant op. Breng het beslist terug naar je broer. 2. Woont je broer niet bij je in de buurt of ken je hem niet, neem het dier dan mee naar je huis. Laat het bij je blijven tot je broer ernaar komt zoeken, en geef het hem dan terug. 3. Doe hetzelfde met zijn ezel, met zijn kleding en met alles wat je broer kwijtgeraakt is en wat jij vindt. Je mag niet de andere kant op kijken. 4. Als je ziet dat de ezel of het rund van je broer onderweg gevallen is, kijk dan niet de andere kant op. Help hem beslist om het dier overeind te krijgen. 5. Een vrouw mag geen mannenkleding dragen, en een man mag geen vrouwenkleding aantrekken. Want ieder die dat doet, is een gruwel voor de HEERE, je God. 6. Stel dat je onderweg een vogelnest vindt, in een boom of op de grond, met jongen of eieren. De moeder zit op de jongen of op de eieren. Neem dan niet de moeder samen met de jongen mee. 7. Laat de moeder beslist vrij gaan. De jongen mag je voor jezelf nemen. Dan gaat het je goed en zul je lang leven. 8. Als je een nieuw huis bouwt, maak dan een borstwering om je dak. Anders laad je bloedschuld op je huis als iemand eraf valt. 9. Zaai in je wijngaard geen twee soorten zaad. Anders wordt de hele opbrengst heilig, zowel van wat je gezaaid hebt als van de wijngaard. 10. Ploeg niet met een rund en een ezel samen. 11. Draag geen kleding van gemengde stof, van wol en linnen samen. 12. Maak kwastjes aan de vier hoeken van de mantel waarmee je je bedekt. 13. Stel dat een man een vrouw trouwt en met haar slaapt. Daarna krijgt hij een hekel aan haar. 14. Hij beschuldigt haar van schandelijke dingen en brengt haar in opspraak. Hij zegt: Ik ben met deze vrouw getrouwd, maar toen ik met haar sliep, bleek zij geen maagd te zijn. 15. Dan moeten de vader en moeder van de jonge vrouw het bewijs van haar maagdelijkheid meenemen naar de oudsten van de stad, bij de poort. 16. De vader van de jonge vrouw zegt tegen de oudsten: Ik heb mijn dochter aan deze man tot vrouw gegeven. Maar hij heeft een hekel aan haar gekregen. 17. Kijk, hij heeft haar beschuldigd van schandelijke dingen. Hij zegt: Ik heb bij je dochter geen bewijs van maagdelijkheid gevonden. Maar dit is het bewijs van de maagdelijkheid van mijn dochter. Dan spreiden zij het kleed uit voor de oudsten van de stad. 18. Dan moeten de oudsten van die stad de man nemen en hem straffen. 19. Zij leggen hem een boete op van 100 zilverstukken, die zij aan de vader van de jonge vrouw geven. Want hij heeft een Israëlitisch meisje in opspraak gebracht. Zij blijft zijn vrouw, en hij mag haar zijn leven lang niet wegsturen. 20. Maar stel dat de beschuldiging waar is en er geen bewijs van maagdelijkheid bij de jonge vrouw gevonden is. 21. Dan moeten zij de jonge vrouw naar de deur van het huis van haar vader brengen. De mannen van haar stad moeten haar stenigen, zodat zij sterft. Want zij heeft een schandelijke daad in Israël begaan door in het huis van haar vader ontucht te plegen. Zo moet je het kwaad uit je midden wegdoen. 22. Stel dat een man betrapt wordt terwijl hij slaapt met de vrouw van een ander. Dan moeten zij allebei sterven, de man en de vrouw. Zo moet je het kwaad uit Israël wegdoen. 23. Stel dat een meisje dat maagd is, verloofd is met een man. Een andere man komt haar in de stad tegen en slaapt met haar. 24. Breng hen dan allebei naar de poort van die stad en stenig hen, zodat zij sterven. Het meisje moet sterven omdat zij in de stad niet om hulp geroepen heeft. De man moet sterven omdat hij de vrouw van zijn naaste vernederd heeft. Zo moet je het kwaad uit je midden wegdoen. 25. Maar stel dat een man een verloofd meisje in het open veld tegenkomt, haar overweldigt en met haar slaapt. Dan moet alleen de man die met haar geslapen heeft, sterven. 26. Het meisje mag je niets doen. Zij heeft geen zonde begaan waarop de dood staat. Het is net als wanneer iemand zijn naaste aanvalt en hem doodslaat. 27. Want hij kwam haar in het veld tegen. Het verloofde meisje riep om hulp, maar er was niemand die haar redde. 28. Stel dat een man een meisje tegenkomt dat maagd is en niet verloofd. Hij grijpt haar en slaapt met haar, en zij worden betrapt. 29. Dan moet de man die met haar geslapen heeft, de vader van het meisje 50 zilverstukken geven. Zij wordt zijn vrouw, omdat hij haar vernederd heeft. Hij mag haar zijn leven lang niet wegsturen. 30. Een man mag niet trouwen met de vrouw van zijn vader. Zo onteert hij zijn vader. ## Deuteronomium 23 — Wie mag komen in de gemeenschap van de HEERE 1. Een man die door kneuzing of afsnijding van zijn geslachtsdelen verminkt is, mag niet in de gemeenschap van de HEERE komen. 2. Iemand die uit een ongeoorloofde verbintenis geboren is, mag niet in de gemeenschap van de HEERE komen. Zelfs zijn nakomelingen tot in het tiende geslacht mogen er niet in komen. 3. Geen Ammoniet of Moabiet mag in de gemeenschap van de HEERE komen. Zelfs hun nakomelingen tot in het tiende geslacht mogen er nooit in komen. 4. Want zij kwamen jullie onderweg niet tegemoet met brood en water, toen jullie uit Egypte trokken. En Moab huurde Bileam, de zoon van Beor, uit Pethor in Mesopotamië, om jullie te vervloeken. 5. Maar de HEERE, je God, wilde niet naar Bileam luisteren. De HEERE, je God, veranderde de vloek voor je in een zegen, omdat de HEERE, je God, je liefhad. 6. Zoek nooit hun vrede of hun welzijn, je leven lang. 7. Verafschuw een Edomiet niet, want hij is je broer. Verafschuw een Egyptenaar niet, want je bent een vreemdeling geweest in zijn land. 8. Hun kinderen van de derde generatie mogen in de gemeenschap van de HEERE komen. 9. Als je met het leger tegen je vijanden optrekt, pas dan op voor alles wat slecht is. 10. Is er iemand onder je die 's nachts onrein is geworden door een zaadlozing, dan moet hij het kamp uit gaan. Hij mag niet in het kamp komen. 11. Tegen de avond moet hij zich met water wassen. Na zonsondergang mag hij weer in het kamp komen. 12. Zorg voor een plek buiten het kamp waar je je behoefte kunt doen. 13. Neem bij je uitrusting ook een schepje mee. Graaf daarmee een gat als je je behoefte gedaan hebt, en bedek dan je uitwerpselen. 14. Want de HEERE, je God, gaat rond in je kamp om je te redden en je vijanden aan je over te leveren. Daarom moet je kamp heilig zijn. Dan ziet Hij bij je niets onbehoorlijks en keert Hij zich niet van je af. 15. Lever een slaaf die van zijn meester naar jou gevlucht is, niet aan zijn meester uit. 16. Laat hem bij je wonen, waar hij maar wil, in een van je steden waar het hem goed lijkt. Onderdruk hem niet. 17. Er mag onder de Israëlitische vrouwen geen tempelprostituee zijn, en onder de Israëlitische mannen geen tempelschandknaap. 18. Breng het loon van een prostituee of van een schandknaap niet naar het huis van de HEERE, je God, om een gelofte in te lossen. Want beide zijn een gruwel voor de HEERE, je God. 19. Vraag van je broer geen rente, niet voor geld, niet voor voedsel en niet voor iets anders waarvoor je rente zou kunnen vragen. 20. Van een buitenlander mag je rente vragen, maar van je broer niet. Dan zal de HEERE, je God, je zegenen in alles wat je onderneemt. Dat zal Hij doen in het land dat je in bezit gaat nemen. 21. Als je de HEERE, je God, een gelofte doet, wacht dan niet met het inlossen ervan. Want de HEERE, je God, zal het zeker van je eisen, en dan rust er zonde op je. 22. Maar als je geen gelofte doet, rust er geen zonde op je. 23. Houd je aan wat je hebt uitgesproken en doe het. Je hebt immers de HEERE, je God, uit vrije wil een gelofte gedaan, met je eigen mond. 24. Als je in de wijngaard van je naaste komt, mag je zoveel druiven eten als je wilt, tot je genoeg hebt. Maar je mag er niets van in een mand doen. 25. Als je langs het staande koren van je naaste komt, mag je met je hand aren plukken. Maar je mag het koren van je naaste niet maaien. ## Deuteronomium 24 — Recht voor de zwakken 1. Stel dat een man met een vrouw trouwt. Later vindt hij haar niet meer aantrekkelijk, omdat hij iets schandelijks bij haar gevonden heeft. Hij schrijft haar een scheidingsbrief, geeft die haar en stuurt haar weg uit zijn huis. 2. Zij verlaat zijn huis en trouwt met een andere man. 3. Ook die tweede man krijgt een hekel aan haar. Hij schrijft haar een scheidingsbrief, geeft die haar en stuurt haar weg uit zijn huis. Of die tweede man die met haar getrouwd is, sterft. 4. Dan mag haar eerste man, die haar weggestuurd heeft, niet opnieuw met haar trouwen, want zij is onrein geworden. Dat is een gruwel voor de HEERE. Breng geen zonde over het land dat de HEERE, je God, je als erfdeel geeft. 5. Een man die net getrouwd is, hoeft niet met het leger mee te trekken. Er mag hem ook geen andere taak worden opgelegd. Hij mag een jaar lang vrij thuisblijven om zijn vrouw gelukkig te maken. 6. Neem niemands handmolen of zelfs de bovenste molensteen als onderpand. Want dan neem je zijn levensonderhoud in onderpand. 7. Stel dat iemand betrapt wordt die een van zijn broers, een Israëliet, ontvoert. Hij behandelt hem als slaaf of verkoopt hem. Dan moet die ontvoerder sterven. Zo moet je het kwaad uit je midden wegdoen. 8. Wees voorzichtig bij huidvraat. Houd je nauwkeurig aan alles wat de Levitische priesters jullie leren. Doe precies wat ik hun heb opgedragen. 9. Denk aan wat de HEERE, je God, onderweg met Mirjam gedaan heeft, toen jullie uit Egypte trokken. 10. Als je je naaste iets leent, ga dan niet zijn huis binnen om een onderpand te halen. 11. Blijf buiten staan. De man aan wie je iets leent, moet het onderpand naar buiten brengen. 12. Is hij arm, ga dan niet slapen met zijn onderpand bij je. 13. Geef hem het onderpand beslist terug bij zonsondergang, zodat hij in zijn eigen mantel kan slapen. Dan zal hij je zegenen, en dat wordt je als gerechtigheid toegerekend voor de HEERE, je God. 14. Buit een arme en behoeftige dagloner niet uit. Dat geldt voor een van je broers en ook voor een vreemdeling in je land en in je woonplaats. 15. Geef hem nog dezelfde dag zijn loon, voordat de zon ondergaat. Want hij is arm en rekent erop. Anders roept hij tegen je tot de HEERE, en rust er zonde op je. 16. Vaders mogen niet gedood worden voor wat hun kinderen gedaan hebben, en kinderen niet voor wat hun vaders gedaan hebben. Ieder moet om zijn eigen zonde gedood worden. 17. Buig het recht van de vreemdeling en de wees niet, en neem de mantel van een weduwe niet als onderpand. 18. Denk eraan dat je slaaf bent geweest in Egypte, en dat de HEERE, je God, je daar bevrijd heeft. Daarom draag ik je op dit te doen. 19. Als je de oogst van je akker binnenhaalt en een schoof op het veld vergeten bent, ga dan niet terug om die op te halen. Die is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. Dan zal de HEERE, je God, je zegenen in al je werk. 20. Als je je olijven van de bomen slaat, doorzoek de takken dan niet nog eens. Wat overblijft, is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. 21. Als je de druiven in je wijngaard oogst, ga dan niet na om de rest te plukken. Wat overblijft, is voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. 22. Denk eraan dat je slaaf bent geweest in Egypte. Daarom draag ik je op dit te doen. ## Deuteronomium 25 — Eerlijke straf, zwagerhuwelijk en eerlijke maten 1. Stel dat er onenigheid is tussen mensen en zij naar de rechtbank gaan. Dan moeten de rechters de onschuldige vrijspreken en de schuldige veroordelen. 2. Als de schuldige slagen verdiend heeft, laat de rechter hem dan voor zich neerleggen. Hij laat hem slaan met een aantal slagen dat past bij zijn misdaad. 3. Hij mag hem hoogstens veertig slagen geven, niet meer. Anders wordt je broer voor je ogen vernederd als hij nog meer slagen krijgt. 4. Doe een rund geen muilband om als het aan het dorsen is. 5. Stel dat broers samen wonen en een van hen sterft zonder een zoon na te laten. Dan mag de vrouw van de overledene niet met een buitenstaander trouwen. De broer van haar man moet met haar trouwen en de plicht van een zwager vervullen. 6. De eerste zoon die zij krijgt, zal de naam van de overleden broer dragen. Zo wordt zijn naam niet uit Israël uitgewist. 7. Maar stel dat de man niet met de vrouw van zijn broer wil trouwen. Dan gaat zij naar de oudsten bij de poort en zegt: De broer van mijn man weigert zijn broer een naam in Israël te geven. Hij wil de plicht van een zwager niet vervullen. 8. Dan roepen de oudsten van zijn stad hem bij zich en praten met hem. Als hij volhoudt en zegt: Ik wil niet met haar trouwen, 9. dan gaat de vrouw van zijn broer voor de ogen van de oudsten naar hem toe. Zij trekt zijn sandaal van zijn voet en spuwt hem in het gezicht. Zij zegt: Zo gaat het met de man die het huis van zijn broer niet wil opbouwen. 10. In Israël zal zijn familie genoemd worden: Het huis van de man bij wie de sandaal is uitgetrokken. 11. Stel dat twee mannen met elkaar vechten. De vrouw van de een komt erbij om haar man te redden van degene die hem slaat. Zij steekt haar hand uit en grijpt de ander bij zijn geslachtsdelen. 12. Dan moet je haar hand afhakken. Heb geen medelijden. 13. Heb in je buidel geen twee verschillende gewichten, een zwaar en een licht. 14. Heb in je huis geen twee verschillende maten, een grote en een kleine. 15. Gebruik een zuiver en eerlijk gewicht, en een zuivere en eerlijke maat. Dan zul je lang leven in het land dat de HEERE, je God, je geeft. 16. Want ieder die zoiets doet, ieder die oneerlijk handelt, is een gruwel voor de HEERE, je God. 17. Denk aan wat Amalek jullie onderweg aandeed, toen jullie uit Egypte trokken. 18. Hij kwam je onderweg tegen en viel de achterhoede aan, al de zwakken achter je, toen je moe en uitgeput was. Hij had geen ontzag voor God. 19. Straks geeft de HEERE, je God, je rust van al je vijanden rondom, in het land dat Hij je als erfdeel geeft. Wis dan de herinnering aan Amalek onder de hemel uit. Vergeet het niet! ## Deuteronomium 26 — Eerstelingen en tienden 1. Straks kom je in het land dat de HEERE, je God, je als erfdeel geeft. Je neemt het in bezit en gaat er wonen. 2. Neem dan iets van de eerste opbrengst van alles wat je oogst in het land dat de HEERE, je God, je geeft. Doe het in een mand en ga naar de plaats die de HEERE, je God, zal kiezen om er Zijn naam te laten wonen. 3. Ga naar de priester die er in die tijd is. Zeg tegen hem: Ik verklaar vandaag voor de HEERE, uw God, dat ik in het land gekomen ben. Dit is het land dat de HEERE onze voorouders onder ede beloofd heeft. 4. De priester neemt de mand van je aan en zet die neer voor het altaar van de HEERE, je God. 5. Dan zeg je plechtig voor de HEERE, je God: Mijn vader was een Arameeër die bijna omkwam. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met maar een paar mensen. Maar daar werd hij een groot, machtig en talrijk volk. 6. De Egyptenaren behandelden ons slecht en onderdrukten ons. Zij legden ons zware slavenarbeid op. 7. Toen riepen wij tot de HEERE, de God van onze voorouders. De HEERE hoorde ons en zag onze ellende, onze zware arbeid en onze onderdrukking. 8. De HEERE leidde ons uit Egypte met een sterke hand en een uitgestrekte arm, met grote, angstaanjagende daden, met tekenen en wonderen. 9. Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land dat overvloeit van melk en honing. 10. Kijk, nu breng ik het eerste van de opbrengst van het land dat U, HEERE, mij gegeven hebt. Zet het dan neer voor de HEERE, je God, en buig je voor Hem neer. 11. Wees dan blij met al het goede dat de HEERE, je God, jou en je gezin gegeven heeft. Wees blij samen met de Leviet en de vreemdeling die bij je wonen. 12. In het derde jaar, het jaar van de tiende, geef je de hele tiende van je opbrengst weg. Geef die aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe, zodat zij in je woonplaats kunnen eten en verzadigd worden. 13. Zeg dan voor de HEERE, je God: Ik heb het heilige deel uit mijn huis weggehaald. Ik heb het aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe gegeven, zoals U mij hebt opgedragen. Ik heb geen van Uw geboden overtreden of vergeten. 14. Ik heb er niets van gegeten toen ik rouwde. Ik heb er niets van weggehaald terwijl ik onrein was, en er niets van gegeven voor een dode. Ik heb geluisterd naar de HEERE, mijn God, en alles gedaan wat U mij hebt opgedragen. 15. Kijk neer vanuit Uw heilige woning, vanuit de hemel. Zegen Uw volk Israël en het land dat U ons gegeven hebt, zoals U onze voorouders onder ede beloofd hebt. Het is een land dat overvloeit van melk en honing. 16. Vandaag draagt de HEERE, je God, je op deze voorschriften en regels te houden. Houd je eraan en doe ze met heel je hart en heel je ziel. 17. Vandaag heb je de HEERE laten verklaren dat Hij je God wil zijn. Jij verklaart dat je Zijn wegen zult gaan en je zult houden aan Zijn voorschriften, geboden en regels. Je zult naar Hem luisteren. 18. En vandaag heeft de HEERE jou laten verklaren dat je Zijn eigen volk zult zijn, zoals Hij je beloofd heeft. Je zult je houden aan al Zijn geboden. 19. Dan zal Hij je hoog verheffen boven alle volken die Hij gemaakt heeft, tot lof, tot eer en tot sieraad. Dan zul je een heilig volk zijn voor de HEERE, je God, zoals Hij gezegd heeft. ## Deuteronomium 27 — Stenen met de wet, en de vloeken op de Ebal 1. Mozes en de oudsten van Israël gaven het volk dit bevel: Houd je aan al deze geboden die ik jullie vandaag geef. 2. Op de dag dat jullie de Jordaan oversteken naar het land dat de HEERE, je God, je geeft, moet je grote stenen oprichten. Bestrijk ze met kalk. 3. Schrijf daarop alle woorden van deze wet, als je overgestoken bent. Zo kom je in het land dat de HEERE, je God, je geeft, een land dat overvloeit van melk en honing. Zo heeft de HEERE, de God van je voorouders, het je beloofd. 4. Als jullie de Jordaan zijn overgestoken, richt dan die stenen op de berg Ebal op, zoals ik jullie vandaag opdraag. Bestrijk ze met kalk. 5. Bouw daar ook een altaar voor de HEERE, je God, een altaar van stenen. Bewerk die stenen niet met ijzer. 6. Bouw het altaar van de HEERE, je God, van onbehouwen stenen. Breng daarop brandoffers aan de HEERE, je God. 7. Breng er ook dankoffers. Eet daar en wees blij voor de HEERE, je God. 8. Schrijf op die stenen heel duidelijk alle woorden van deze wet. 9. Mozes en de Levitische priesters zeiden tegen heel Israël: Wees stil en luister, Israël! Vandaag ben je het volk van de HEERE, je God, geworden. 10. Luister daarom naar de HEERE, je God, en houd je aan Zijn geboden en voorschriften die ik je vandaag geef. 11. Op die dag gaf Mozes het volk dit bevel: 12. Als jullie de Jordaan zijn overgestoken, gaan deze stammen op de berg Gerizim staan om het volk te zegenen. Het zijn Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Jozef en Benjamin. 13. Deze stammen gaan op de berg Ebal staan voor de vloek: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Nafthali. 14. Dan roepen de Levieten met luide stem tegen alle Israëlieten: 15. Vervloekt is de man die een gesneden of gegoten beeld maakt en het in het geheim opstelt. Zo'n werk van mensenhanden is een gruwel voor de HEERE. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 16. Vervloekt is wie zijn vader of zijn moeder veracht. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 17. Vervloekt is wie de grenspaal van zijn naaste verzet. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 18. Vervloekt is wie een blinde onderweg laat verdwalen. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 19. Vervloekt is wie het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe buigt. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 20. Vervloekt is wie slaapt met de vrouw van zijn vader, want hij onteert zijn vader. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 21. Vervloekt is wie gemeenschap heeft met een dier. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 22. Vervloekt is wie slaapt met zijn zus, de dochter van zijn vader of van zijn moeder. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 23. Vervloekt is wie slaapt met zijn schoonmoeder. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 24. Vervloekt is wie zijn naaste in het geheim doodslaat. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 25. Vervloekt is wie zich laat omkopen om een onschuldige te doden. Het hele volk zal antwoorden: Amen. 26. Vervloekt is wie zich niet aan de woorden van deze wet houdt en ze niet doet. Het hele volk zal antwoorden: Amen. ## Deuteronomium 28 — Zegen en vloek 1. Luister goed naar de HEERE, je God, en houd je nauwkeurig aan al Zijn geboden die ik je vandaag geef. Dan zal de HEERE, je God, je hoog verheffen boven alle volken op aarde. 2. Al deze zegeningen zullen over je komen en je vinden, als je naar de HEERE, je God, luistert. 3. Gezegend ben je in de stad, en gezegend ben je op het land. 4. Gezegend zijn je kinderen en de opbrengst van je land. Gezegend zijn de jongen van je vee: de kalveren van je runderen en de lammeren van je schapen en geiten. 5. Gezegend zijn je mand en je baktrog. 6. Gezegend ben je als je thuiskomt, en gezegend ben je als je weggaat. 7. De HEERE zal je vijanden die tegen je opstaan, voor je verslaan. Langs één weg trekken zij tegen je op, maar langs zeven wegen vluchten zij voor je. 8. De HEERE zal Zijn zegen over je voorraadschuren en over alles wat je onderneemt, bevelen. Hij zal je zegenen in het land dat de HEERE, je God, je geeft. 9. De HEERE zal je maken tot Zijn heilig volk, zoals Hij je onder ede beloofd heeft. Dat doet Hij als je je houdt aan de geboden van de HEERE, je God, en Zijn wegen gaat. 10. Alle volken op aarde zullen zien dat je de naam van de HEERE draagt, en zij zullen ontzag voor je hebben. 11. De HEERE zal je overvloed geven van al het goede: veel kinderen, veel jongen van je vee en een rijke opbrengst van je land. Dat doet Hij in het land dat de HEERE je voorouders onder ede beloofd heeft. 12. De HEERE zal Zijn rijke voorraadkamer, de hemel, voor je openen. Hij geeft je land op tijd regen en zegent al je werk. Je zult aan veel volken lenen, maar zelf niets hoeven te lenen. 13. De HEERE zal je tot hoofd maken en niet tot staart. Je zult altijd bovenaan staan en nooit onderaan. Dat gebeurt als je luistert naar de geboden van de HEERE, je God, die ik je vandaag geef, en je er nauwkeurig aan houdt. 14. Wijk dan niet af van al de woorden die ik jullie vandaag geef, niet naar rechts en niet naar links. Volg geen andere goden om die te dienen. 15. Maar misschien luister je niet naar de HEERE, je God. Je houdt je niet nauwkeurig aan al Zijn geboden en voorschriften die ik je vandaag geef. Dan zullen al deze vloeken over je komen en je treffen. 16. Vervloekt ben je in de stad, en vervloekt ben je op het land. 17. Vervloekt zijn je mand en je baktrog. 18. Vervloekt zijn je kinderen, de opbrengst van je land, de kalveren van je runderen en de lammeren van je schapen en geiten. 19. Vervloekt ben je als je thuiskomt, en vervloekt ben je als je weggaat. 20. De HEERE zal vloek, verwarring en tegenslag op je afsturen in alles wat je onderneemt. Dat duurt tot je vernietigd bent en snel omkomt, omdat je slechte dingen doet en Hem verlaten hebt. 21. De HEERE zal de pest aan je laten kleven, tot Hij je heeft weggevaagd uit het land dat je in bezit gaat nemen. 22. De HEERE zal je treffen met tering, koorts, ontsteking, brandende hitte, droogte, graanroest en meeldauw. Die zullen je achtervolgen tot je omkomt. 23. De hemel boven je hoofd zal zijn als koper, en de aarde onder je als ijzer. 24. In plaats van regen zal de HEERE, je God, stof en zand op je land laten neerkomen. Het komt uit de hemel op je neer, tot je vernietigd bent. 25. De HEERE zal je door je vijanden laten verslaan. Langs één weg trek je tegen hen op, maar langs zeven wegen vlucht je voor hen. Alle koninkrijken op aarde zullen van je schrikken. 26. Je lijken zullen voedsel zijn voor alle vogels in de lucht en de wilde dieren op aarde, en niemand zal ze wegjagen. 27. De HEERE zal je treffen met de zweren van Egypte, met gezwellen, uitslag en jeuk, waarvan je niet kunt genezen. 28. De HEERE zal je treffen met waanzin, blindheid en verwarring van geest. 29. Je zult op klaarlichte dag rondtasten, zoals een blinde in het donker rondtast. Je zult op je wegen geen succes hebben. Je zult altijd onderdrukt en beroofd worden, en niemand zal je redden. 30. Je verlooft je met een vrouw, maar een ander zal met haar slapen. Je bouwt een huis, maar je zult er niet in wonen. Je plant een wijngaard, maar je zult er niet van oogsten. 31. Je rund wordt voor je ogen geslacht, maar je zult er niet van eten. Je ezel wordt onder je ogen geroofd en komt niet terug. Je schapen en geiten worden aan je vijanden gegeven, en niemand zal je helpen. 32. Je zonen en dochters worden aan een ander volk gegeven. Je ziet het met eigen ogen en blijft de hele dag naar hen uitkijken, maar je kunt niets doen. 33. Een volk dat je niet kent, zal de opbrengst van je land en al je werk opeten. Je zult altijd onderdrukt en vertrapt worden. 34. Je zult gek worden van wat je met eigen ogen moet zien. 35. De HEERE zal je treffen met pijnlijke zweren op je knieën en benen, waarvan je niet kunt genezen, van je voetzolen tot je kruin. 36. De HEERE zal jou en de koning die je over je aanstelt, wegvoeren naar een volk dat jij en je voorouders niet kennen. Daar zul je andere goden dienen, van hout en steen. 37. Je zult iets afschuwelijks worden, een spreekwoord en een mikpunt van spot onder alle volken waar de HEERE je heen brengt. 38. Je zult veel zaad op je akker zaaien, maar weinig oogsten, want de sprinkhanen zullen het opvreten. 39. Je zult wijngaarden planten en bewerken, maar je zult geen wijn drinken en geen druiven oogsten, want de wormen zullen ze opeten. 40. Je zult overal in je land olijfbomen hebben, maar je zult je niet met olie kunnen insmeren, want je olijven vallen af. 41. Je zult zonen en dochters krijgen, maar ze zullen niet bij je blijven, want ze worden als gevangenen weggevoerd. 42. Al je bomen en de opbrengst van je land zullen door insecten worden opgevreten. 43. De vreemdeling die bij je woont, zal steeds hoger boven je uitstijgen, en jij zakt steeds dieper weg. 44. Hij zal aan jou lenen, maar jij niet aan hem. Hij zal het hoofd zijn en jij de staart. 45. Al deze vloeken zullen over je komen, je achtervolgen en je treffen, tot je vernietigd bent. Want je hebt niet geluisterd naar de HEERE, je God, en je niet gehouden aan Zijn geboden en voorschriften die Hij je gegeven heeft. 46. Ze zullen voor altijd een teken en een wonder zijn, voor jou en voor je nakomelingen. 47. Want je hebt de HEERE, je God, niet met vreugde en een blij hart gediend, terwijl je overvloed had van alles. 48. Daarom zul je je vijanden dienen, die de HEERE op je afstuurt, in honger en dorst, in naaktheid en in gebrek aan alles. Hij zal een ijzeren juk op je nek leggen, tot Hij je vernietigd heeft. 49. De HEERE zal een volk van ver tegen je op laten trekken, van het einde van de aarde, snel als een arend. Het is een volk waarvan je de taal niet verstaat, 50. een meedogenloos volk, dat geen ontzag heeft voor ouderen en geen medelijden met jongeren. 51. Het zal de jongen van je vee en de opbrengst van je land opeten, tot je vernietigd bent. Het laat je geen koren, geen nieuwe wijn en geen olie over, en geen kalveren of lammeren, tot het je heeft uitgeroeid. 52. Het zal je belegeren in al je steden, tot je hoge en sterke muren instorten, waarop je in heel je land vertrouwde. Het zal je belegeren in al je steden, in heel het land dat de HEERE, je God, je gegeven heeft. 53. Tijdens die belegering en die nood, waarin je vijand je brengt, zul je je eigen kinderen opeten. Je zult het vlees eten van je zonen en dochters, die de HEERE, je God, je gegeven heeft. 54. Zelfs de meest verfijnde en verwende man onder jullie zal zijn broer niets gunnen. Hij zal zijn eigen vrouw en de kinderen die hij nog heeft, niets gunnen. 55. Hij zal geen van hen iets geven van het vlees van zijn kinderen dat hij opeet, omdat er niets anders over is. Zo erg is de nood tijdens de belegering door je vijand in al je steden. 56. Zelfs de meest verfijnde en verwende vrouw onder jullie zal niemand iets gunnen. Zij durfde haar voet nog nooit op de grond te zetten, maar nu gunt zij haar eigen man, zoon en dochter niets. 57. Zij gunt hun zelfs de nageboorte niet die zij voortbrengt, en ook niet de kinderen die zij baart. Want door gebrek aan alles zal zij hen in het geheim opeten. Zo erg is de nood tijdens de belegering door je vijand in je steden. 58. Stel dat je je niet nauwkeurig houdt aan alle woorden van deze wet die in dit boek staan. Je hebt dan geen ontzag voor deze heerlijke en ontzagwekkende naam, de HEERE, je God. 59. Dan zal de HEERE jou en je nakomelingen treffen met ongekende plagen. Het zullen zware en aanhoudende plagen zijn, en kwaadaardige en langdurige ziekten. 60. Hij zal alle ziekten van Egypte waar je zo bang voor was, over je laten komen, en ze zullen je niet meer loslaten. 61. Ook alle ziekten en plagen die niet in dit wetboek beschreven staan, zal de HEERE over je laten komen, tot je vernietigd bent. 62. Dan blijft er maar een klein aantal van jullie over, terwijl jullie zo talrijk waren als de sterren aan de hemel. Want je hebt niet geluisterd naar de HEERE, je God. 63. De HEERE had er vreugde in jullie goed te doen en talrijk te maken. Zo zal de HEERE er dan vreugde in hebben jullie te gronde te richten en te vernietigen. Jullie zullen worden weggerukt uit het land dat je in bezit gaat nemen. 64. De HEERE zal je verstrooien onder alle volken, van het ene eind van de aarde tot het andere. Daar zul je andere goden dienen die jij en je voorouders niet kennen, van hout en steen. 65. Onder die volken zul je geen rust vinden, en je voeten zullen geen rustplaats hebben. De HEERE zal je daar een angstig hart geven, ogen die bezwijken en een wanhopige ziel. 66. Je leven zal aan een zijden draad hangen. Dag en nacht zul je in angst leven, en je zult nooit zeker zijn van je leven. 67. 's Morgens zeg je: Was het maar avond! En 's avonds zeg je: Was het maar morgen! Zo angstig is je hart, en zo erg is wat je met eigen ogen moet zien. 68. De HEERE zal je met schepen terugbrengen naar Egypte, langs de weg waarvan ik je gezegd heb dat je hem nooit meer zou zien. Daar zul je jezelf aan je vijanden als slaaf en slavin willen verkopen, maar niemand zal je kopen. ## Deuteronomium 29 — Het verbond in het land Moab 1. Dit zijn de woorden van het verbond dat de HEERE Mozes opdroeg met de Israëlieten te sluiten in het land Moab. Het kwam naast het verbond dat Hij met hen bij Horeb gesloten had. 2. Mozes riep heel Israël bijeen en zei tegen hen: Jullie hebben gezien wat de HEERE in Egypte voor jullie ogen gedaan heeft. Hij deed het met Farao, met al zijn dienaren en met heel zijn land. 3. Jullie hebben met eigen ogen de grote beproevingen gezien, die tekenen en grote wonderen. 4. Maar tot vandaag heeft de HEERE jullie geen hart gegeven om het te begrijpen, geen ogen om te zien en geen oren om te horen. 5. Veertig jaar heb ik jullie door de woestijn geleid. Jullie kleren zijn niet versleten, en je sandalen zijn niet versleten aan je voeten. 6. Jullie hebben geen brood gegeten en geen wijn of sterke drank gedronken. Zo zouden jullie weten dat ik de HEERE, jullie God, ben. 7. Toen jullie op deze plaats kwamen, trokken Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, ons tegemoet om te strijden. Maar wij versloegen hen. 8. Wij namen hun land in en gaven het als erfdeel aan de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. 9. Houd je daarom aan de woorden van dit verbond en doe ze. Dan zal alles wat jullie doen, slagen. 10. Vandaag staan jullie allemaal voor de HEERE, jullie God: de hoofden van jullie stammen, jullie oudsten en jullie bestuurders, alle mannen van Israël. 11. Ook jullie kinderen en vrouwen staan hier, en de vreemdeling in jullie kamp, van houthakker tot waterdrager. 12. Zo gaan jullie het verbond van de HEERE, jullie God, binnen, met de eed die de HEERE, jullie God, vandaag met jullie sluit. 13. Zo maakt Hij jullie vandaag tot Zijn volk, en is Hij jullie God. Dat heeft Hij jullie beloofd en onder ede toegezegd aan jullie voorouders Abraham, Izak en Jakob. 14. Niet alleen met jullie sluit ik dit verbond met deze eed. 15. Ik sluit het ook met wie hier vandaag bij ons staat voor de HEERE, onze God, en met wie hier vandaag niet bij ons is. 16. Want jullie weten hoe wij in Egypte gewoond hebben, en hoe wij door het gebied van de volken getrokken zijn. 17. Jullie hebben hun gruwelijke afgoden gezien, van hout en steen, van zilver en goud, die zij bij zich hadden. 18. Laat er onder jullie geen man of vrouw, geen familie of stam zijn die zich vandaag van de HEERE, onze God, afkeert. Laat niemand de goden van die volken gaan dienen. Laat er onder jullie geen wortel zijn waaruit gif en bitterheid opschieten. 19. Stel dat iemand de woorden van deze eed hoort en zichzelf gerust stelt. Hij denkt: Het gaat mij goed, ook al volg ik mijn eigen koppige hart. Zo voegt hij bij zijn dorst ook nog dronkenschap. 20. De HEERE zal zo iemand niet willen vergeven. De toorn en de jaloezie van de HEERE zullen tegen die man ontbranden. Alle vloeken die in dit boek staan, zullen op hem rusten, en de HEERE zal zijn naam onder de hemel uitwissen. 21. De HEERE zal hem voor het onheil apart zetten uit alle stammen van Israël. Alle vloeken van het verbond die in dit wetboek staan, zullen hem treffen. 22. Later zullen jullie kinderen, de generatie na jullie, en de buitenlanders die uit verre landen komen, de plagen van dit land zien. Zij zien de ziekten waarmee de HEERE het getroffen heeft. 23. Het hele land is zwavel en zout, een verschroeide vlakte. Er wordt niet gezaaid, er komt niets op en er groeit geen gras. Het is verwoest zoals Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, die de HEERE in Zijn toorn en woede verwoestte. 24. Alle volken zullen vragen: Waarom heeft de HEERE dit met dit land gedaan? Waarom was Zijn toorn zo groot? 25. Dan zegt men: Omdat zij het verbond van de HEERE, de God van hun voorouders, verlaten hebben. Dat verbond had Hij met hen gesloten toen Hij hen uit Egypte leidde. 26. Zij zijn andere goden gaan dienen en hebben zich voor hen neergebogen. Het waren goden die hen niet kenden en die hun nooit iets gegeven hadden. 27. Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen dit land. Hij liet alle vloeken over het land komen die in dit boek staan. 28. In Zijn toorn, woede en grote verontwaardiging heeft de HEERE hen uit hun land gerukt. Hij heeft hen naar een ander land verbannen, zoals nu te zien is. 29. Wat verborgen is, is voor de HEERE, onze God. Maar wat bekendgemaakt is, is voor ons en onze kinderen, voor altijd, zodat wij alle woorden van deze wet doen. ## Deuteronomium 30 — Kies het leven 1. Straks zijn al deze dingen over je gekomen, de zegen en de vloek die ik je heb voorgehouden. Dan neem je het ter harte onder alle volken waar de HEERE, je God, je heen verdreven heeft. 2. Dan keer je terug naar de HEERE, je God, en luister je naar Hem, jij en je kinderen. Dat doe je met heel je hart en heel je ziel. Dan doe je alles wat ik je vandaag opdraag. 3. Dan zal de HEERE, je God, je lot keren en zich over je ontfermen. Hij zal je weer bijeenbrengen uit alle volken waar de HEERE, je God, je verstrooid had. 4. Ook al zijn jullie verdreven tot aan het einde van de hemel, zelfs van daar zal de HEERE, je God, je bijeenbrengen en terughalen. 5. De HEERE, je God, zal je terugbrengen in het land dat je voorouders bezaten, en je zult het weer bezitten. Hij zal je goed doen en je talrijker maken dan je voorouders. 6. De HEERE, je God, zal je hart besnijden, en het hart van je nakomelingen. Dan heb je de HEERE, je God, lief met heel je hart en heel je ziel, en blijf je leven. 7. De HEERE, je God, zal al deze vloeken leggen op je vijanden en op wie je haten en vervolgd hebben. 8. Jij zult terugkeren en naar de HEERE luisteren. Je zult al Zijn geboden doen die ik je vandaag geef. 9. De HEERE, je God, zal je overvloed geven in al je werk. Hij geeft je veel kinderen, veel jongen van je vee en een rijke opbrengst van je land. Want de HEERE zal weer vreugde in je hebben en je goed doen, zoals Hij vreugde had in je voorouders. 10. Dat doet Hij als je luistert naar de HEERE, je God, en je houdt aan Zijn geboden en voorschriften die in dit wetboek staan. Dat doet Hij als je terugkeert naar de HEERE, je God, met heel je hart en heel je ziel. 11. Want dit gebod dat ik je vandaag geef, is niet te moeilijk voor je en niet ver weg. 12. Het is niet in de hemel, zodat je zou vragen: Wie gaat voor ons naar de hemel om het te halen? Wie laat het ons horen, zodat wij het kunnen doen? 13. Het is ook niet aan de overkant van de zee, zodat je zou vragen: Wie steekt voor ons de zee over om het te halen? Wie laat het ons horen, zodat wij het kunnen doen? 14. Nee, dit woord is heel dichtbij je. Het is in je mond en in je hart, zodat je het kunt doen. 15. Kijk, vandaag leg ik je het leven en het goede voor, en de dood en het kwade. 16. Want ik draag je vandaag op de HEERE, je God, lief te hebben en Zijn wegen te gaan. Houd je aan Zijn geboden, voorschriften en regels. Dan blijf je leven en word je talrijk. Dan zal de HEERE, je God, je zegenen in het land dat je in bezit gaat nemen. 17. Maar misschien keert je hart zich af en luister je niet. Misschien laat je je verleiden om voor andere goden neer te buigen en ze te dienen. 18. Dan zeg ik jullie vandaag: jullie zullen zeker omkomen. Jullie zullen niet lang leven in het land waar je heen gaat over de Jordaan om het in bezit te nemen. 19. Vandaag roep ik de hemel en de aarde als getuigen tegen jullie op. Ik heb je het leven en de dood voorgelegd, de zegen en de vloek. Kies dan het leven, zodat je blijft leven, jij en je nakomelingen. 20. Heb de HEERE, je God, lief, luister naar Hem en houd je aan Hem vast. Want Hij is je leven en geeft je een lang leven. Dan mag je wonen in het land dat de HEERE je voorouders Abraham, Izak en Jakob onder ede beloofd heeft. ## Deuteronomium 31 — Jozua volgt Mozes op 1. Daarna ging Mozes heen en sprak deze woorden tot heel Israël. 2. Hij zei tegen hen: Ik ben vandaag 120 jaar oud. Ik kan niet langer voor jullie uit gaan. De HEERE heeft ook tegen mij gezegd: Jij zult deze Jordaan niet oversteken. 3. De HEERE, je God, gaat zelf voor je uit. Hij zal deze volken voor je uit vernietigen, zodat je hun land in bezit neemt. Jozua gaat voor je uit, zoals de HEERE gezegd heeft. 4. De HEERE zal met hen doen wat Hij gedaan heeft met Sihon en Og, de koningen van de Amorieten, en met hun land. Hij heeft hen vernietigd. 5. De HEERE zal hen aan jullie overleveren. Doe dan met hen precies wat ik jullie opgedragen heb. 6. Wees sterk en moedig. Wees niet bang en schrik niet van hen. Want de HEERE, je God, gaat zelf met je mee. Hij zal je niet loslaten en je niet in de steek laten. 7. Toen riep Mozes Jozua en zei tegen hem, terwijl heel Israël toekeek: Wees sterk en moedig. Want jij zult met dit volk het land binnengaan dat de HEERE hun voorouders onder ede beloofd heeft. Jij zult het hun als erfdeel geven. 8. De HEERE gaat zelf voor je uit en zal met je zijn. Hij zal je niet loslaten en je niet in de steek laten. Wees niet bang en schrik niet. 9. Mozes schreef deze wet op en gaf die aan de priesters, de nakomelingen van Levi, die de ark van het verbond van de HEERE droegen. Hij gaf die ook aan alle oudsten van Israël. 10. Mozes droeg hun op: Aan het eind van elke zeven jaar, in het jaar van kwijtschelding, tijdens het loofhuttenfeest, 11. komt heel Israël om voor de HEERE, je God, te verschijnen op de plaats die Hij kiest. Lees dan deze wet hardop voor aan heel Israël. 12. Roep het volk bijeen, de mannen, de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen in je steden. Zo kunnen zij luisteren en leren de HEERE, jullie God, te vrezen. Zo houden zij zich nauwkeurig aan alle woorden van deze wet. 13. Ook hun kinderen, die deze wet nog niet kennen, zullen luisteren. Zij leren de HEERE, jullie God, te vrezen zolang jullie leven in het land dat jullie over de Jordaan in bezit gaan nemen. 14. De HEERE zei tegen Mozes: Kijk, de tijd van je sterven komt dichterbij. Roep Jozua, en ga samen in de ontmoetingstent staan. Dan zal ik hem zijn opdracht geven. Mozes en Jozua gingen en stelden zich op in de ontmoetingstent. 15. Toen verscheen de HEERE bij de tent in een wolkkolom. De wolkkolom stond boven de ingang van de tent. 16. De HEERE zei tegen Mozes: Kijk, je gaat nu naar je voorouders. Dan zal dit volk ontrouw worden en achter de vreemde goden aan gaan van het land waar het heen gaat. Het zal mij verlaten en het verbond breken dat ik ermee gesloten heb. 17. Dan zal op die dag mijn toorn tegen hen ontbranden. Ik zal hen verlaten en mijn gezicht voor hen verbergen, en zij zullen verslonden worden. Veel rampen en ellende zullen hen treffen. Dan zullen zij zeggen: Treffen deze rampen ons niet omdat onze God niet meer bij ons is? 18. Maar ik zal op die dag mijn gezicht zeker verbergen, vanwege al het kwaad dat zij gedaan hebben. Want zij hebben zich tot andere goden gewend. 19. Schrijf daarom dit lied op en leer het de Israëlieten. Laat hen het uit hun hoofd kennen. Dan is dit lied voor mij een getuige tegen de Israëlieten. 20. Want ik zal dit volk brengen in het land dat ik hun voorouders onder ede beloofd heb, een land dat overvloeit van melk en honing. Zij zullen eten, verzadigd en vet worden. Dan zullen zij zich tot andere goden wenden en die dienen. Zij zullen mij verachten en mijn verbond breken. 21. Als dan veel rampen en ellende hen treffen, zal dit lied tegen hen getuigen. Want hun nakomelingen zullen het niet vergeten. Ik weet immers wat zij nu al van plan zijn, nog voordat ik hen breng in het land dat ik onder ede beloofd heb. 22. Die dag schreef Mozes dit lied op en leerde het de Israëlieten. 23. De HEERE gaf Jozua, de zoon van Nun, zijn opdracht en zei: Wees sterk en moedig. Want jij zult de Israëlieten brengen in het land dat ik hun onder ede beloofd heb. Ik zal met je zijn. 24. Mozes schreef de woorden van deze wet volledig op in een boek. 25. Toen hij klaar was, gaf Mozes de Levieten die de ark van het verbond van de HEERE droegen, dit bevel: 26. Neem dit wetboek en leg het naast de ark van het verbond van de HEERE, jullie God. Daar zal het een getuige tegen jullie zijn. 27. Want ik ken jullie opstandigheid en koppigheid. Kijk, nu ik nog bij jullie ben, zijn jullie al opstandig tegen de HEERE. Hoeveel te meer zal dat na mijn dood gebeuren! 28. Roep alle oudsten van jullie stammen en jullie bestuurders bij mij bijeen. Dan spreek ik deze woorden hardop tot hen, en roep ik de hemel en de aarde als getuigen tegen hen op. 29. Want ik weet dat jullie na mijn dood verkeerd zullen handelen. Jullie zullen afwijken van de weg die ik jullie opgedragen heb. Dan zal het onheil jullie treffen in de laatste dagen, omdat jullie doen wat slecht is in de ogen van de HEERE. Jullie maken Hem kwaad met wat jullie maken. 30. Toen sprak Mozes de woorden van dit lied helemaal uit, terwijl heel de gemeenschap van Israël luisterde. ## Deuteronomium 32 — Het lied van Mozes 1. Luister, hemel, dan zal ik spreken. Laat de aarde horen wat mijn mond zegt. 2. Laat mijn onderwijs neerdruppelen als regen, laat mijn woorden neerdalen als dauw. Laat ze zijn als motregen op jong gras, als regendruppels op het groen. 3. Want ik roep de naam van de HEERE uit. Geef onze God de eer! 4. Hij is de Rots, Zijn werk is volmaakt. Al Zijn wegen zijn recht. Hij is een trouwe God zonder onrecht. Hij is rechtvaardig en oprecht. 5. Zij hebben tegen Hem verkeerd gehandeld. Zij zijn Zijn kinderen niet meer, dat is hun schande. Het is een verdorven en slinkse generatie. 6. Is dat hoe jullie de HEERE terugbetalen, dwaas en onverstandig volk? Is Hij niet je Vader, die je gemaakt heeft? Hij heeft je gevormd en je vastigheid gegeven. 7. Denk aan de dagen van vroeger. Sta stil bij de jaren van alle generaties. Vraag het je vader, en hij zal het je vertellen. Vraag het de ouderen, en zij zullen het je zeggen. 8. Toen de Allerhoogste de volken hun erfdeel gaf en de mensen verdeelde, legde Hij de grenzen van de volken vast. Hij deed dat naar het aantal Israëlieten. 9. Want het volk van de HEERE is Zijn eigen deel. Jakob is Zijn erfdeel. 10. Hij vond hem in een woestijn, in een huilende, lege wildernis. Hij omringde hem, Hij zorgde voor hem, Hij beschermde hem als Zijn oogappel. 11. Zoals een arend zijn nest opschudt en boven zijn jongen zweeft, zoals hij zijn vleugels uitspreidt, zijn jongen pakt en op zijn vleugels draagt, 12. zo leidde de HEERE alleen hem. Er was geen vreemde god bij hem. 13. Hij liet hem over de hoogten van het land rijden en hem eten van de opbrengst van het veld. Hij liet hem honing zuigen uit de rots en olie uit de harde steen. 14. Hij gaf hem boter van koeien en melk van schapen en geiten, met het vet van lammeren en rammen uit Basan, en van bokken. Hij gaf hem de beste tarwe. Je dronk wijn, het bloed van de druif. 15. Maar Jesurun werd vet en schopte achteruit. Je werd vet, dik en log! Hij liet God in de steek, die hem gemaakt had. Hij verachtte de Rots van zijn redding. 16. Zij maakten Hem jaloers met vreemde goden. Met hun gruwelen maakten zij Hem kwaad. 17. Zij offerden aan demonen, niet aan God, aan goden die zij niet kenden. Het waren nieuwe goden die pas gekomen waren, waarvoor jullie vaders nooit ontzag hadden. 18. De Rots die je het leven gaf, heb je verwaarloosd. Je bent de God vergeten die je heeft voortgebracht. 19. Toen de HEERE dat zag, verwierp Hij hen, uit woede over Zijn zonen en dochters. 20. Hij zei: Ik zal mijn gezicht voor hen verbergen. Ik zal zien hoe het met hen afloopt. Want zij zijn een verdorven generatie, kinderen zonder trouw. 21. Zij hebben mij jaloers gemaakt met wat geen god is. Zij hebben mij kwaad gemaakt met hun nietige afgoden. Daarom zal ik hen jaloers maken met wat geen volk is. Met een dwaas volk zal ik hen kwaad maken. 22. Want mijn toorn heeft een vuur ontstoken dat brandt tot in het diepste dodenrijk. Het verteert de aarde en haar opbrengst en zet de fundamenten van de bergen in vuur en vlam. 23. Ik zal ramp na ramp over hen brengen. Ik zal al mijn pijlen op hen afschieten. 24. Zij zullen uitgeput raken van honger en verteerd worden door koorts en bittere pest. Ik zal wilde dieren op hen afsturen, en giftige slangen die over de grond kruipen. 25. Buiten zal het zwaard hen beroven, en binnen de angst. Het treft jonge mannen en jonge vrouwen, zuigelingen en grijsaards. 26. Ik zou gezegd hebben: Ik verstrooi hen overal, ik wis hun herinnering uit onder de mensen. 27. Maar ik was bang voor de hoon van de vijand. Hun tegenstanders zouden het verkeerd uitleggen en zeggen: Onze hand heeft gewonnen. Niet de HEERE heeft dit alles gedaan. 28. Want zij zijn een volk zonder verstand, en er is geen inzicht in hen. 29. Waren zij maar wijs! Dan zouden zij dit begrijpen en inzien hoe het met hen afloopt. 30. Hoe kan één man er duizend achtervolgen, en twee man er tienduizend op de vlucht jagen? Alleen als hun Rots hen verkocht heeft en de HEERE hen heeft uitgeleverd! 31. Want hun rots is niet zoals onze Rots. Zelfs onze vijanden moeten dat erkennen. 32. Want hun wijnstok komt van de wijnstok van Sodom en van de velden van Gomorra. Hun druiven zijn giftige druiven, hun trossen zijn bitter. 33. Hun wijn is slangengif, dodelijk addergif. 34. Ligt dit niet bij mij opgeslagen, verzegeld in mijn schatkamers? 35. Mij komt de wraak toe en de vergelding, op het moment dat hun voet wankelt. Want de dag van hun ondergang is dichtbij, en wat hun te wachten staat, komt snel. 36. Want de HEERE zal Zijn volk recht doen. Hij zal medelijden hebben met Zijn dienaren, als Hij ziet dat hun kracht verdwenen is. Er is niemand meer over, slaaf noch vrije. 37. Dan zegt Hij: Waar zijn nu hun goden, de rots waarop zij vertrouwden? 38. Zij aten het vet van hun offers en dronken de wijn van hun drankoffers. Laat die goden nu opstaan en jullie helpen! Laat zij jullie beschermen! 39. Zie nu in dat ik, ja ik, het ben, en er is geen god naast mij. Ik dood en ik maak levend, ik verwond en ik genees. Niemand kan iemand uit mijn hand redden. 40. Ik hef mijn hand op naar de hemel en zeg: Zo waar ik eeuwig leef, 41. als ik mijn glanzende zwaard slijp en mijn hand het oordeel voltrekt, dan zal ik mijn tegenstanders wraak laten voelen. Ik zal wie mij haten hun verdiende loon geven. 42. Ik zal mijn pijlen dronken maken van bloed, en mijn zwaard zal vlees eten. Het bloed van gedode en gevangen vijanden, van de hoofden van de vijand, zal vloeien. 43. Juich, volken, met Zijn volk! Want Hij wreekt het bloed van Zijn dienaren. Hij laat Zijn tegenstanders Zijn wraak voelen en doet verzoening voor Zijn land en Zijn volk. 44. Mozes kwam en sprak alle woorden van dit lied uit voor het volk, samen met Hosea, dat is Jozua, de zoon van Nun. 45. Toen Mozes al deze woorden tot heel Israël gesproken had, 46. zei hij tegen hen: Neem al de woorden ter harte waarmee ik jullie vandaag waarschuw. Draag jullie kinderen op zich nauwkeurig te houden aan alle woorden van deze wet. 47. Want het is geen leeg woord voor jullie, het is jullie leven. Door dit woord zullen jullie lang leven in het land dat jullie over de Jordaan in bezit gaan nemen. 48. Op diezelfde dag zei de HEERE tegen Mozes: 49. Klim het Abarimgebergte op, de berg Nebo in het land Moab, tegenover Jericho. Bekijk het land Kanaän, dat ik de Israëlieten in bezit geef. 50. Sterf op de berg die je beklimt en ga naar je voorouders. Zo stierf ook je broer Aäron op de berg Hor en ging hij naar zijn voorouders. 51. Want jullie zijn ontrouw geweest aan mij te midden van de Israëlieten, bij het water van Meriba bij Kades, in de woestijn Zin. Jullie hebben mij niet als heilig laten zien te midden van de Israëlieten. 52. Je zult het land van een afstand zien, maar je zult er niet binnengaan, in het land dat ik de Israëlieten geef. ## Deuteronomium 33 — Mozes zegent de stammen 1. Dit is de zegen waarmee Mozes, de man van God, de Israëlieten zegende voordat hij stierf. 2. Hij zei: De HEERE is van Sinaï gekomen. Hij is als de zon voor hen opgegaan vanuit Seïr. Hij verscheen stralend vanaf het gebergte Paran. Hij kwam met tienduizenden heiligen. Aan Zijn rechterhand was een vurige wet voor hen. 3. Ja, Hij heeft de volken lief. Al Zijn heiligen zijn in Uw hand. Zij zitten aan Uw voeten, en ieder ontvangt Uw woorden. 4. Mozes heeft ons de wet gegeven, een erfdeel voor de gemeenschap van Jakob. 5. De HEERE werd koning in Jesurun, toen de leiders van het volk samenkwamen, met alle stammen van Israël. 6. Laat Ruben leven en niet sterven, en laat zijn mannen talrijk zijn. 7. Over Juda zei hij: HEERE, hoor de stem van Juda en breng hem terug naar zijn volk. Laat zijn eigen handen voor hem strijden, en wees U zijn hulp tegen zijn vijanden. 8. Over Levi zei hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn bij Uw trouwe dienaar. U hebt hem op de proef gesteld bij Massa, en met hem getwist bij het water van Meriba. 9. Hij zei over zijn vader en moeder: Ik ken hen niet. Hij erkende zijn broers niet en trok zich niets aan van zijn kinderen. Want zij hielden zich aan Uw woord en bewaarden Uw verbond. 10. Zij zullen Jakob Uw regels leren en Israël Uw wet. Zij brengen reukwerk voor U en volledige brandoffers op Uw altaar. 11. Zegen, HEERE, zijn kracht en laat het werk van zijn handen U behagen. Verpletter de heupen van wie tegen hem opstaan en hem haten, zodat zij niet meer opstaan. 12. Over Benjamin zei hij: De geliefde van de HEERE woont veilig bij Hem. Hij beschermt hem de hele dag, en hij woont tussen Zijn schouders. 13. Over Jozef zei hij: Laat zijn land gezegend zijn door de HEERE. Laat het gezegend zijn met het beste van de hemel, met dauw, en met het water uit de diepte beneden. 14. Laat het gezegend zijn met het beste wat de zon laat groeien, met het beste wat elke maand voortbrengt, 15. met het beste van de oude bergen, met het beste van de eeuwige heuvels, 16. met het beste van de aarde en alles wat daarop is. Laat de gunst van Hem die in de braamstruik woonde, komen op het hoofd van Jozef, op de kruin van de uitverkorene onder zijn broers. 17. Hij is majestueus als een eerstgeboren stier, zijn horens zijn als de horens van een wilde os. Daarmee stoot hij de volken weg tot aan de einden van de aarde. Zo zijn de tienduizenden van Efraïm, zo zijn de duizenden van Manasse. 18. Over Zebulon zei hij: Wees blij, Zebulon, als je uittrekt, en jij, Issaschar, in je tenten. 19. Zij zullen de volken naar de berg roepen en daar offers van gerechtigheid brengen. Want zij zullen de rijkdom van de zeeën opzuigen, en de verborgen schatten van het zand. 20. Over Gad zei hij: Gezegend is wie Gad ruimte geeft. Gad ligt als een leeuwin op de loer en verscheurt arm en schedel. 21. Hij koos voor zichzelf het eerste deel, want daar was het deel van de aanvoerder voor hem bewaard. Hij kwam met de leiders van het volk en voerde de gerechtigheid van de HEERE uit. Samen met Israël bracht hij de oordelen ten uitvoer. 22. Over Dan zei hij: Dan is een jonge leeuw, die opspringt vanuit Basan. 23. Over Nafthali zei hij: Nafthali, verzadigd met gunst en vol van de zegen van de HEERE, neem het westen en het zuiden in bezit. 24. Over Aser zei hij: Aser is de meest gezegende van de zonen. Laat hij geliefd zijn bij zijn broers en zijn voet in olie dopen. 25. Je grendels zullen van ijzer en koper zijn, en je kracht zal duren zolang je leeft. 26. Niemand is als God, Jesurun, die door de hemel rijdt om je te helpen, in Zijn majesteit door de wolken. 27. De eeuwige God is je toevlucht, en eronder zijn eeuwige armen. Hij verdrijft de vijand voor je uit en zegt: Vernietig hem! 28. Zo woont Israël veilig en alleen. De bron van Jakob ligt in een land vol koren en nieuwe wijn, waar de hemel dauw laat druppelen. 29. Gelukkig ben je, Israël! Wie is als jij, een volk dat door de HEERE gered is? Hij is het schild dat je helpt en het zwaard van je majesteit. Je vijanden zullen zich kruiperig aan je onderwerpen, en jij zult over hun hoogten gaan. ## Deuteronomium 34 — De dood van Mozes 1. Toen ging Mozes uit de vlakte van Moab de berg Nebo op, naar de top van de Pisga, tegenover Jericho. De HEERE liet hem het hele land zien: Gilead tot aan Dan, 2. heel Nafthali, het land van Efraïm en Manasse, en heel het land van Juda tot aan de zee in het westen, 3. de Negev en de vlakte van het dal van Jericho, de palmenstad, tot aan Zoar. 4. De HEERE zei tegen hem: Dit is het land dat ik Abraham, Izak en Jakob onder ede beloofd heb. Ik zei: Aan je nakomelingen zal ik het geven. Ik heb het je met eigen ogen laten zien, maar je zult er niet naartoe oversteken. 5. Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEERE, daar in het land Moab, zoals de HEERE gezegd had. 6. Hij begroef hem in een dal in het land Moab, tegenover Beth-Peor. Tot vandaag weet niemand waar zijn graf is. 7. Mozes was 120 jaar oud toen hij stierf. Zijn ogen waren niet zwak geworden en zijn kracht was niet verdwenen. 8. De Israëlieten rouwden dertig dagen om Mozes in de vlakte van Moab. Toen was de tijd van huilen en rouwen om Mozes voorbij. 9. Jozua, de zoon van Nun, was vervuld met de geest van wijsheid, want Mozes had zijn handen op hem gelegd. De Israëlieten luisterden naar hem en deden wat de HEERE Mozes had opgedragen. 10. Sindsdien is er in Israël geen profeet meer opgestaan zoals Mozes, die de HEERE van aangezicht tot aangezicht kende. 11. Niemand deed zulke tekenen en wonderen als die waarvoor de HEERE hem stuurde. Hij deed ze in Egypte tegen Farao, al zijn dienaren en heel zijn land. 12. Niemand deed zulke machtige daden en zulke grote, ontzagwekkende dingen als Mozes voor de ogen van heel Israël deed. ## Jozua 1 — Jozua krijgt de leiding 1. Na de dood van Mozes, de dienaar van de HEERE, sprak de HEERE tot Jozua, de zoon van Nun, die Mozes had bijgestaan. Hij zei: 2. Mijn dienaar Mozes is gestorven. Maak je dus klaar en steek deze Jordaan over, jij en dit hele volk. Ga naar het land dat ik hun, de Israëlieten, geef. 3. Elke plek waar jullie je voet zetten, heb ik jullie gegeven, zoals ik tegen Mozes gezegd heb. 4. Jullie gebied loopt van de woestijn en deze Libanon tot aan de grote rivier, de Eufraat. Het omvat het hele land van de Hethieten, tot aan de Grote Zee in het westen. 5. Niemand zal tegen je standhouden, je leven lang. Zoals ik met Mozes geweest ben, zal ik met jou zijn. Ik zal je niet loslaten en je niet in de steek laten. 6. Wees sterk en moedig. Want jij zult dit volk het land als erfdeel geven dat ik hun voorouders onder ede beloofd heb. 7. Wees alleen heel sterk en moedig. Houd je nauwkeurig aan heel de wet die mijn dienaar Mozes je heeft opgedragen. Wijk er niet van af naar rechts of naar links. Dan zal alles wat je doet, slagen. 8. Laat het boek van deze wet niet van je lippen wijken. Denk er dag en nacht over na, zodat je je nauwkeurig houdt aan alles wat erin staat. Dan zul je op je wegen voorspoed hebben en verstandig handelen. 9. Heb ik je dit niet opgedragen? Wees sterk en moedig. Wees niet bang en schrik niet, want de HEERE, je God, is met je, waar je ook gaat. 10. Toen gaf Jozua de bestuurders van het volk dit bevel: 11. Ga door het kamp en zeg tegen het volk: Maak proviand klaar. Want over drie dagen steken jullie deze Jordaan over. Dan gaan jullie het land binnen dat de HEERE, jullie God, jullie in bezit geeft. 12. Tegen de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse zei Jozua: 13. Denk aan wat Mozes, de dienaar van de HEERE, jullie opgedragen heeft. Hij zei: De HEERE, jullie God, geeft jullie rust en geeft jullie dit land. 14. Jullie vrouwen, kinderen en vee mogen blijven in het land aan deze kant van de Jordaan, dat Mozes jullie gegeven heeft. Maar alle strijdbare mannen onder jullie moeten gewapend voor jullie broers uit trekken. Help hen, 15. tot de HEERE ook jullie broers rust geeft, net als jullie. Dan nemen ook zij het land in bezit dat de HEERE, jullie God, hun geeft. Daarna mogen jullie terugkeren naar jullie eigen land en het in bezit nemen. Dat is het land aan de oostkant van de Jordaan, dat Mozes, de dienaar van de HEERE, jullie gegeven heeft. 16. Zij antwoordden Jozua: Alles wat u ons opdraagt, zullen wij doen. Waar u ons ook heen stuurt, daar gaan wij heen. 17. Zoals wij in alles naar Mozes geluisterd hebben, zo zullen wij naar u luisteren. Moge de HEERE, uw God, alleen met u zijn, zoals Hij met Mozes geweest is! 18. Iedereen die zich tegen uw bevel verzet en niet luistert naar alles wat u hem opdraagt, moet gedood worden. Wees alleen sterk en moedig! ## Jozua 2 — Rachab en de verkenners 1. Jozua, de zoon van Nun, stuurde vanuit Sittim in het geheim twee verkenners op pad. Hij zei: Ga het land verkennen, en vooral Jericho. Zij gingen en kwamen in het huis van een prostituee die Rachab heette. Daar bleven zij die nacht. 2. Toen werd de koning van Jericho gemeld: Er zijn vannacht mannen van de Israëlieten hierheen gekomen om het land te verkennen. 3. Daarom stuurde de koning van Jericho iemand naar Rachab. Hij liet zeggen: Breng de mannen naar buiten die bij je gekomen zijn, die in je huis zijn. Want ze zijn gekomen om het hele land te verkennen. 4. Maar de vrouw had de twee mannen meegenomen en verstopt. Zij zei: Ja, er zijn mannen bij mij gekomen, maar ik wist niet waar ze vandaan kwamen. 5. Toen het donker werd en de poort dicht moest, zijn die mannen weggegaan. Ik weet niet waar ze heen gegaan zijn. Ga hen snel achterna, dan halen jullie hen nog in. 6. Maar zij had hen op het dak laten klimmen en hen verstopt onder de stengels vlas die zij daar had uitgespreid. 7. De achtervolgers gingen hen achterna over de weg naar de Jordaan, tot aan de doorwaadbare plaatsen. De poort werd gesloten zodra de achtervolgers de stad uit waren. 8. Voordat de verkenners gingen slapen, kwam zij bij hen op het dak. 9. Zij zei tegen hen: Ik weet dat de HEERE jullie dit land gegeven heeft. Wij zijn doodsbang voor jullie, en alle bewoners van het land zijn moedeloos geworden. 10. Want wij hebben gehoord hoe de HEERE het water van de Schelfzee voor jullie heeft laten opdrogen, toen jullie uit Egypte trokken. Wij hebben ook gehoord wat jullie gedaan hebben met Sihon en Og, de twee koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan. Jullie hebben hen met de ban geslagen. 11. Toen wij dat hoorden, verloren wij de moed. Niemand durft jullie nog onder ogen te komen. Want de HEERE, jullie God, is God boven in de hemel en beneden op de aarde. 12. Zweer mij daarom bij de HEERE dat jullie goed zullen zijn voor mijn familie, zoals ik goed voor jullie geweest ben. Geef mij daarvan een betrouwbaar teken. 13. Laat mijn vader en moeder, mijn broers en zussen en alles wat van hen is, in leven. Red ons van de dood. 14. De mannen zeiden tegen haar: Ons leven staat borg voor dat van jullie, als je onze zaak niet verraadt. Als de HEERE ons het land geeft, zullen wij goed en trouw voor je zijn. 15. Toen liet zij hen met een touw door het raam naar beneden zakken. Haar huis stond namelijk tegen de stadsmuur; zij woonde op de muur. 16. Zij zei tegen hen: Ga het gebergte in, zodat de achtervolgers jullie niet vinden. Verstop je daar drie dagen, tot de achtervolgers terug zijn. Ga daarna verder. 17. De mannen zeiden tegen haar: Wij zijn niet gebonden aan de eed die je ons hebt laten zweren, 18. tenzij je dit doet. Als wij het land binnenkomen, bind dan dit rode koord aan het raam waardoor je ons naar beneden hebt laten zakken. Breng je vader, je moeder, je broers en heel de familie van je vader bij je in huis. 19. Wie de deur van je huis uit gaat, is zelf verantwoordelijk voor zijn dood. Dan treft ons geen schuld. Maar als iemand die bij jou in huis is, wordt aangevallen, dan zijn wij verantwoordelijk. 20. Maar als je onze zaak verraadt, zijn wij niet meer gebonden aan de eed die je ons hebt laten zweren. 21. Zij zei: Laat het gaan zoals jullie zeggen. Toen liet zij hen gaan, en zij vertrokken. Daarna bond zij het rode koord aan het raam. 22. Zij gingen het gebergte in en bleven daar drie dagen, tot de achtervolgers teruggekeerd waren. De achtervolgers hadden hen langs de hele weg gezocht, maar niet gevonden. 23. Toen gingen de twee mannen terug. Zij kwamen het gebergte af, staken de rivier over en kwamen bij Jozua, de zoon van Nun. Zij vertelden hem alles wat hun overkomen was. 24. Zij zeiden tegen Jozua: De HEERE heeft echt het hele land in onze macht gegeven. Alle bewoners van het land zijn moedeloos van angst voor ons. ## Jozua 3 — Door de Jordaan 1. Jozua stond de volgende morgen vroeg op. Hij en alle Israëlieten vertrokken uit Sittim en kwamen bij de Jordaan. Daar overnachtten zij voordat zij overstaken. 2. Na drie dagen gingen de bestuurders door het kamp. 3. Zij gaven het volk dit bevel: Straks zien jullie de ark van het verbond van de HEERE, jullie God, gedragen door de Levitische priesters. Vertrek dan ook en volg de ark. 4. Maar houd wel ongeveer 900 meter afstand tussen jullie en de ark. Kom er niet dichtbij. Zo weten jullie welke weg jullie moeten gaan, want jullie zijn deze weg nog nooit gegaan. 5. Jozua zei tegen het volk: Heilig jullie, want morgen zal de HEERE wonderen onder jullie doen. 6. Tegen de priesters zei Jozua: Neem de ark van het verbond op en ga voor het volk uit. Zij namen de ark van het verbond op en gingen voor het volk uit. 7. De HEERE had tegen Jozua gezegd: Vandaag begin ik je groot te maken in de ogen van heel Israël. Zo zullen zij weten dat ik met jou ben, zoals ik met Mozes geweest ben. 8. Geef de priesters die de ark van het verbond dragen, dit bevel: Blijf in de Jordaan staan zodra jullie bij het water komen. 9. Jozua zei tegen de Israëlieten: Kom hierheen en luister naar de woorden van de HEERE, jullie God. 10. Hij zei verder: Hieraan zullen jullie weten dat de levende God in jullie midden is. Zo zullen jullie weten dat Hij de Kanaänieten, Hethieten, Hevieten, Ferezieten, Girgasieten, Amorieten en Jebusieten zeker voor jullie zal verdrijven. 11. Kijk, de ark van het verbond van de Heere van de hele aarde gaat voor jullie uit de Jordaan in. 12. Kies nu twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit elke stam één man. 13. Straks staan de voeten van de priesters in het water van de Jordaan. Zij dragen de ark van de HEERE, de Heere van de hele aarde. Dan zal het water van de Jordaan worden afgesneden. Het water dat van boven komt, zal als een wal blijven staan. 14. Het volk vertrok uit zijn tenten om de Jordaan over te steken, en de priesters droegen de ark van het verbond voor het volk uit. 15. De Jordaan stond in de oogsttijd tot aan de rand van haar oevers. Toen de dragers van de ark bij de Jordaan kwamen en hun voeten in de rand van het water zetten, 16. bleef het water dat van boven kwam, staan. Het rees op tot een wal, heel ver weg, bij de stad Adam naast Sarthan. Het water dat naar de zee van de vlakte stroomde, de Zoutzee, werd helemaal afgesneden. Toen stak het volk over, tegenover Jericho. 17. De priesters die de ark van het verbond van de HEERE droegen, bleven midden in de Jordaan stevig op droge grond staan. Heel Israël stak over op droge grond, tot het hele volk de Jordaan was overgestoken. ## Jozua 4 — Twaalf stenen als herinnering 1. Toen het hele volk de Jordaan was overgestoken, zei de HEERE tegen Jozua: 2. Kies twaalf mannen uit het volk, uit elke stam één man. 3. Geef hun dit bevel: Neem hier, midden uit de Jordaan, waar de voeten van de priesters staan, twaalf stenen. Neem ze mee en zet ze neer op de plek waar jullie vannacht overnachten. 4. Jozua riep de twaalf mannen die hij uit de Israëlieten had aangewezen, uit elke stam één man. 5. Jozua zei tegen hen: Ga naar de ark van de HEERE, jullie God, midden in de Jordaan. Ieder van jullie tilt een steen op zijn schouder, naar het aantal stammen van Israël. 6. Dan is dat een teken onder jullie. Later zullen jullie kinderen vragen: Wat betekenen deze stenen voor jullie? 7. Zeg dan tegen hen: Het water van de Jordaan werd afgesneden voor de ark van het verbond van de HEERE. Toen de ark door de Jordaan ging, werd het water afgesneden. Deze stenen zijn voor altijd een herinnering voor de Israëlieten. 8. De Israëlieten deden wat Jozua had opgedragen. Zij haalden twaalf stenen midden uit de Jordaan, naar het aantal stammen van Israël, zoals de HEERE tegen Jozua gezegd had. Zij namen ze mee naar de plek waar zij overnachtten en zetten ze daar neer. 9. Jozua richtte ook twaalf stenen op midden in de Jordaan. Dat was de plek waar de voeten van de priesters met de ark van het verbond hadden gestaan. Ze liggen daar nog steeds. 10. De priesters die de ark droegen, bleven midden in de Jordaan staan. Zij bleven daar tot alles gedaan was wat de HEERE Jozua had opgedragen het volk te zeggen. Zo had Mozes het Jozua ook opgedragen. Het volk stak haastig over. 11. Toen het hele volk overgestoken was, gingen ook de ark van de HEERE en de priesters over, voor het volk uit. 12. De Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse trokken gewapend voor de Israëlieten uit, zoals Mozes hun gezegd had. 13. Ongeveer 40.000 gewapende strijders trokken voor de HEERE uit ten strijde, naar de vlakte van Jericho. 14. Op die dag maakte de HEERE Jozua groot in de ogen van heel Israël. Zij hadden zijn leven lang ontzag voor hem, zoals zij ontzag hadden gehad voor Mozes. 15. De HEERE zei tegen Jozua: 16. Draag de priesters die de ark van de getuigenis dragen, op om uit de Jordaan te komen. 17. Jozua gaf de priesters het bevel: Kom uit de Jordaan. 18. De priesters die de ark van het verbond van de HEERE droegen, kwamen uit het midden van de Jordaan. Zodra hun voeten op het droge stonden, kwam het water van de Jordaan terug. Het stroomde weer tot aan de rand van haar oevers, net als eerst. 19. Het volk kwam uit de Jordaan op de tiende dag van de eerste maand. Zij sloegen hun kamp op in Gilgal, aan de oostgrens van Jericho. 20. Jozua richtte in Gilgal de twaalf stenen op die zij uit de Jordaan hadden meegenomen. 21. Hij zei tegen de Israëlieten: Later zullen jullie kinderen aan hun vaders vragen: Wat betekenen deze stenen? 22. Vertel het dan aan jullie kinderen: Israël is over droge grond door deze Jordaan gegaan. 23. Want de HEERE, jullie God, heeft het water van de Jordaan voor jullie laten opdrogen tot jullie overgestoken waren. Zo had de HEERE, jullie God, ook met de Schelfzee gedaan. Die liet Hij voor ons opdrogen tot wij overgestoken waren. 24. Zo zullen alle volken op aarde weten hoe sterk de hand van de HEERE is. En zo zullen jullie de HEERE, jullie God, altijd vrezen. ## Jozua 5 — Besnijdenis, pascha en de aanvoerder van het leger van de HEERE 1. Alle koningen van de Amorieten ten westen van de Jordaan en alle koningen van de Kanaänieten aan de zee hoorden het nieuws. De HEERE had het water van de Jordaan voor de Israëlieten laten opdrogen, tot wij overgestoken waren. Toen verloren zij de moed en durfden zij de Israëlieten niet meer onder ogen te komen. 2. In die tijd zei de HEERE tegen Jozua: Maak messen van steen en besnijd de Israëlieten opnieuw, voor de tweede keer. 3. Jozua maakte messen van steen en besneed de Israëlieten bij de Heuvel van de Voorhuiden. 4. Dit was de reden waarom Jozua hen besneed. Alle mannen die uit Egypte waren getrokken, alle strijders, waren onderweg in de woestijn gestorven. 5. Alle mannen die uit Egypte trokken, waren besneden. Maar de jongens die onderweg in de woestijn geboren waren na de uittocht uit Egypte, waren niet besneden. 6. De Israëlieten hadden veertig jaar door de woestijn getrokken, tot alle strijders die uit Egypte gekomen waren, gestorven waren. Zij hadden niet naar de HEERE geluisterd. Daarom had de HEERE hun gezworen dat zij het land niet zouden zien dat Hij hun voorouders beloofd had. Dat was het land dat Hij ons zou geven, een land dat overvloeit van melk en honing. 7. Hun zonen had Hij in hun plaats laten opgroeien. Die heeft Jozua besneden, want zij waren onbesneden. Zij waren onderweg niet besneden. 8. Toen het hele volk besneden was, bleven zij in het kamp tot zij genezen waren. 9. De HEERE zei tegen Jozua: Vandaag heb ik de schande van Egypte van jullie afgewenteld. Daarom heet die plaats tot vandaag Gilgal. 10. Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren, vierden zij het pascha. Dat deden zij op de veertiende dag van de maand, 's avonds, in de vlakte van Jericho. 11. De dag na het pascha aten zij van de opbrengst van het land: ongezuurde broden en geroosterd koren, op diezelfde dag. 12. De dag nadat zij van de opbrengst van het land gegeten hadden, hield het manna op. De Israëlieten hadden geen manna meer. Dat jaar aten zij van de opbrengst van het land Kanaän. 13. Toen Jozua bij Jericho was, keek hij op en zag een man tegenover zich staan, met een getrokken zwaard in Zijn hand. Jozua ging naar Hem toe en vroeg: Bent U voor ons of voor onze vijanden? 14. Hij antwoordde: Nee, ik ben de aanvoerder van het leger van de HEERE. Ik ben nu gekomen. Toen wierp Jozua zich met zijn gezicht ter aarde, boog zich neer en vroeg Hem: Wat zegt mijn Heere tegen Zijn dienaar? 15. De aanvoerder van het leger van de HEERE zei tegen Jozua: Trek je sandalen uit, want de plaats waarop je staat, is heilig. Jozua deed dat. ## Jozua 6 — De val van Jericho 1. Jericho had zijn poorten stevig gesloten voor de Israëlieten. Niemand ging naar buiten en niemand kwam naar binnen. 2. De HEERE zei tegen Jozua: Kijk, ik geef Jericho met zijn koning en zijn sterke strijders in jouw macht. 3. Alle strijders moeten één keer rond de stad trekken. Doe dat zes dagen lang. 4. Zeven priesters dragen zeven ramshoorns voor de ark uit. Op de zevende dag trekken jullie zeven keer rond de stad, en de priesters blazen op de hoorns. 5. Als zij lang op de ramshoorn blazen en jullie het geluid van de hoorn horen, moet het hele volk luid juichen. Dan zal de stadsmuur instorten, en het volk kan de stad in trekken, ieder recht voor zich uit. 6. Jozua, de zoon van Nun, riep de priesters en zei tegen hen: Neem de ark van het verbond op. Laat zeven priesters zeven ramshoorns voor de ark van de HEERE uit dragen. 7. Tegen het volk zei hij: Trek op en ga rond de stad. De gewapende mannen gaan voor de ark van de HEERE uit. 8. Zoals Jozua tegen het volk gezegd had, trokken de zeven priesters met de zeven ramshoorns voor de HEERE uit. Zij bliezen op de hoorns, en de ark van het verbond van de HEERE volgde hen. 9. De gewapende mannen gingen voor de priesters uit die op de hoorns bliezen. De achterhoede volgde de ark, terwijl er voortdurend op de hoorns geblazen werd. 10. Jozua had het volk opgedragen: Juich niet en laat je stem niet horen. Er mag geen woord over jullie lippen komen, tot de dag dat ik tegen jullie zeg: Juich! Dan moeten jullie juichen. 11. Zo liet hij de ark van de HEERE één keer rond de stad trekken. Daarna gingen zij terug naar het kamp en overnachtten daar. 12. De volgende morgen stond Jozua vroeg op, en de priesters droegen de ark van de HEERE. 13. De zeven priesters met de zeven ramshoorns gingen voor de ark van de HEERE uit en bliezen op de hoorns. De gewapende mannen gingen voor hen uit, en de achterhoede volgde de ark van de HEERE, terwijl er voortdurend op de hoorns geblazen werd. 14. Ook op de tweede dag trokken zij één keer rond de stad en gingen daarna terug naar het kamp. Zo deden zij zes dagen lang. 15. Op de zevende dag stonden zij vroeg op, bij het aanbreken van de dag. Zij trokken op dezelfde manier rond de stad, maar nu zeven keer. Alleen op die dag trokken zij zeven keer rond de stad. 16. Bij de zevende keer bliezen de priesters op de hoorns, en Jozua zei tegen het volk: Juich, want de HEERE heeft jullie de stad gegeven! 17. De stad moet met alles wat erin is, voor de HEERE met de ban geslagen worden. Alleen de prostituee Rachab mag in leven blijven, met iedereen die bij haar in huis is. Want zij heeft de boden verborgen die wij gestuurd hadden. 18. Maar pas op dat jullie niets nemen van wat met de ban geslagen is. Anders wordt ook jullie met de ban geslagen. Dan brengen jullie de ban over het kamp van Israël en storten het in het ongeluk. 19. Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper en ijzer zijn heilig voor de HEERE. Ze moeten naar de schatkamer van de HEERE. 20. Het volk juichte, en de priesters bliezen op de hoorns. Toen het volk het geluid van de hoorn hoorde, juichte het luid. De muur stortte in, en het volk trok de stad in, ieder recht voor zich uit. Zo namen zij de stad in. 21. Zij sloegen alles in de stad met de ban. Met het zwaard doodden zij man en vrouw, jong en oud, runderen, schapen en ezels. 22. Tegen de twee mannen die het land verkend hadden, zei Jozua: Ga naar het huis van de prostituee. Breng de vrouw naar buiten met alles wat van haar is, zoals jullie haar gezworen hebben. 23. De jonge mannen, de verkenners, gingen naar binnen en brachten Rachab naar buiten. Ook haar vader, moeder, broers en alles wat van haar was, brachten zij naar buiten. Zij brachten haar hele familie naar buiten en lieten hen buiten het kamp van Israël verblijven. 24. De stad staken zij in brand met alles wat erin was. Alleen het zilver en goud en de voorwerpen van koper en ijzer brachten zij naar de schatkamer van het huis van de HEERE. 25. Zo liet Jozua de prostituee Rachab in leven, met de familie van haar vader en alles wat van haar was. Zij woont tot vandaag onder de Israëlieten. Want zij had de boden verborgen die Jozua gestuurd had om Jericho te verkennen. 26. In die tijd liet Jozua het volk zweren: Vervloekt is voor de HEERE de man die opstaat om deze stad Jericho weer op te bouwen. Het leggen van de fundering kost hem zijn oudste zoon, en het plaatsen van de poorten zijn jongste zoon. 27. Zo was de HEERE met Jozua, en zijn naam werd in het hele land bekend. ## Jozua 7 — De zonde van Achan 1. Maar de Israëlieten waren ontrouw met wat met de ban geslagen was. Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam Juda, had ervan genomen. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen de Israëlieten. 2. Jozua stuurde vanuit Jericho mannen naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, ten oosten van Bethel. Hij zei tegen hen: Trek op en verken het land. De mannen trokken op en verkenden Ai. 3. Zij kwamen terug bij Jozua en zeiden tegen hem: Het hele volk hoeft niet op te trekken. Laat ongeveer 2.000 of 3.000 man optrekken om Ai te verslaan. Vermoei niet het hele volk, want het zijn er maar weinig. 4. Zo trokken er ongeveer 3.000 man uit het volk op. Maar zij sloegen op de vlucht voor de mannen van Ai. 5. De mannen van Ai doodden er ongeveer 36. Zij achtervolgden hen van de poort tot aan Schebarim en versloegen hen op de helling. Toen verloor het volk de moed; hun hart smolt als water. 6. Jozua scheurde zijn kleren en wierp zich met zijn gezicht ter aarde voor de ark van de HEERE, tot de avond. De oudsten van Israël deden hetzelfde, en zij strooiden stof op hun hoofd. 7. Jozua zei: Ach, Heere HEERE, waarom hebt U dit volk de Jordaan laten oversteken? Om ons aan de Amorieten over te leveren en ons te vernietigen? Waren wij maar tevreden gebleven aan de overkant van de Jordaan! 8. Ach, HEERE, wat moet ik zeggen, nu Israël voor zijn vijanden op de vlucht is geslagen? 9. Als de Kanaänieten en alle bewoners van het land dit horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. Wat zult U dan doen voor Uw grote naam? 10. De HEERE zei tegen Jozua: Sta op! Waarom lig je daar op je gezicht? 11. Israël heeft gezondigd. Zij hebben mijn verbond overtreden dat ik hun had opgedragen. Zij hebben genomen van wat met de ban geslagen was. Zij hebben gestolen en gelogen, en het bij hun eigen spullen verstopt. 12. Daarom kunnen de Israëlieten niet standhouden tegen hun vijanden. Zij slaan voor hun vijanden op de vlucht, want zij zijn zelf onder de ban gekomen. Ik zal niet langer met jullie zijn, tenzij jullie de ban uit je midden wegdoen. 13. Sta op, heilig het volk en zeg: Heilig jullie voor morgen. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Er is iets onder jullie dat met de ban geslagen is, Israël. Jullie kunnen niet standhouden tegen je vijanden tot je het uit je midden wegdoet. 14. Morgenochtend moeten jullie per stam naar voren komen. De stam die de HEERE aanwijst, komt naar voren per familie. De familie die de HEERE aanwijst, komt naar voren per gezin. Het gezin dat de HEERE aanwijst, komt naar voren man voor man. 15. Wie dan wordt aangewezen als degene die de gebannen dingen heeft, moet met vuur verbrand worden, met alles wat hij heeft. Want hij heeft het verbond van de HEERE overtreden en een schandelijke daad in Israël gedaan. 16. De volgende morgen stond Jozua vroeg op. Hij liet Israël per stam naar voren komen, en de stam Juda werd aangewezen. 17. Hij liet de families van Juda naar voren komen, en de familie van de Zarchieten werd aangewezen. Hij liet de familie van de Zarchieten man voor man naar voren komen, en Zabdi werd aangewezen. 18. Hij liet het gezin van Zabdi man voor man naar voren komen. Toen werd Achan aangewezen, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam Juda. 19. Jozua zei tegen Achan: Mijn zoon, geef toch eer aan de HEERE, de God van Israël, en beken het voor Hem. Vertel mij wat je gedaan hebt. Verberg het niet voor mij. 20. Achan antwoordde Jozua: Het is waar, ik heb tegen de HEERE, de God van Israël, gezondigd. Dit is wat ik gedaan heb. 21. Ik zag in de buit een prachtige mantel uit Babylonië, ongeveer 2,2 kilo zilver en een gouden staaf van ongeveer 550 gram. Ik wilde ze hebben en nam ze. Kijk, ze liggen begraven in de grond in mijn tent, met het zilver eronder. 22. Jozua stuurde boden, die naar de tent renden. En inderdaad, het lag verborgen in zijn tent, met het zilver eronder. 23. Zij haalden het uit de tent en brachten het naar Jozua en alle Israëlieten. Zij legden het neer voor de HEERE. 24. Toen namen Jozua en heel Israël met hem Achan, de zoon van Zerah, met het zilver, de mantel en de gouden staaf. Zij namen ook zijn zonen en dochters mee, zijn runderen, ezels en schapen, zijn tent en alles wat hij had. Zij brachten hen naar het dal Achor. 25. Jozua zei: Waarom heb je ons in het ongeluk gestort? De HEERE stort jou vandaag in het ongeluk! Heel Israël stenigde hem. Zij verbrandden hen en bedekten hen met stenen. 26. Zij legden een grote steenhoop op hem, die er nog steeds ligt. Toen keerde de HEERE zich af van Zijn brandende toorn. Daarom heet die plaats tot vandaag het dal Achor. ## Jozua 8 — Ai ingenomen, en het altaar op de Ebal 1. De HEERE zei tegen Jozua: Wees niet bang en schrik niet. Neem alle strijders mee, maak je klaar en trek op naar Ai. Kijk, ik geef de koning van Ai, zijn volk, zijn stad en zijn land in jouw macht. 2. Doe met Ai en haar koning wat je met Jericho en haar koning gedaan hebt. Alleen mogen jullie de buit en het vee dit keer voor jezelf houden. Leg aan de achterkant van de stad een hinderlaag. 3. Jozua maakte zich met alle strijders klaar om naar Ai op te trekken. Hij koos 30.000 dappere strijders uit en stuurde hen 's nachts op pad. 4. Hij gaf hun dit bevel: Let op, jullie moeten een hinderlaag leggen aan de achterkant van de stad. Blijf niet te ver van de stad en houd je allemaal klaar. 5. Ik trek met al het volk dat bij mij is, naar de stad toe. Als zij ons dan tegemoet komen zoals de eerste keer, vluchten wij voor hen. 6. Dan achtervolgen zij ons, tot wij hen van de stad hebben weggelokt. Want zij zullen denken: Ze vluchten voor ons, net als de eerste keer. Zo vluchten wij voor hen. 7. Dan komen jullie uit de hinderlaag tevoorschijn en nemen de stad in. Want de HEERE, jullie God, geeft haar in jullie macht. 8. Als jullie de stad hebben ingenomen, steek haar dan in brand. Doe wat de HEERE gezegd heeft. Let op, dit is mijn bevel aan jullie. 9. Zo stuurde Jozua hen op pad. Zij gingen naar de plaats van de hinderlaag, tussen Bethel en Ai, ten westen van Ai. Maar Jozua bleef die nacht bij het volk. 10. De volgende morgen stond Jozua vroeg op en monsterde het volk. Toen trok hij met de oudsten van Israël voor het volk uit naar Ai. 11. Alle strijders die bij hem waren, trokken op en kwamen tegenover de stad. Zij sloegen hun kamp op ten noorden van Ai. Er lag een dal tussen hem en Ai. 12. Hij nam ongeveer 5.000 man en legde hen in een hinderlaag tussen Bethel en Ai, ten westen van de stad. 13. Zo stelden zij het volk op: het hele leger ten noorden van de stad, en de hinderlaag ten westen ervan. Die nacht ging Jozua het dal in. 14. Toen de koning van Ai dat zag, maakten hij en de mannen van de stad zich haastig en vroeg klaar. Hij trok met al zijn volk Israël tegemoet om te strijden, op de afgesproken plaats bij de vlakte. Hij wist niet dat er aan de achterkant van de stad een hinderlaag lag. 15. Jozua en heel Israël deden alsof zij verslagen werden en vluchtten de weg naar de woestijn op. 16. Toen werd al het volk in de stad opgeroepen om hen te achtervolgen. Zij achtervolgden Jozua en werden van de stad weggelokt. 17. Er bleef in Ai en Bethel geen man achter die niet achter Israël aan ging. Zij lieten de stad open liggen en achtervolgden Israël. 18. Toen zei de HEERE tegen Jozua: Steek de speer in je hand uit naar Ai, want ik geef de stad in jouw macht. Jozua stak de speer in zijn hand uit naar de stad. 19. Zodra hij zijn hand uitstak, kwam de hinderlaag snel uit haar schuilplaats. De mannen renden naar de stad, namen haar in en staken haar meteen in brand. 20. De mannen van Ai keken om en zagen de rook van de stad naar de hemel opstijgen. Zij konden geen kant meer op vluchten. Want het volk dat naar de woestijn gevlucht was, keerde zich nu tegen hun achtervolgers. 21. Jozua en heel Israël zagen dat de hinderlaag de stad had ingenomen en dat de rook opsteeg. Toen keerden zij om en versloegen de mannen van Ai. 22. Ook de mannen uit de stad kwamen hen tegemoet, zodat de mannen van Ai midden tussen de Israëlieten in zaten, van twee kanten. Zij versloegen hen tot er niemand meer over was of ontkwam. 23. Maar de koning van Ai namen zij levend gevangen en brachten hem naar Jozua. 24. Israël had alle inwoners van Ai gedood op het veld en in de woestijn waar zij hen achtervolgd hadden. Allen waren door het zwaard gevallen tot de laatste man. Toen keerde heel Israël terug naar Ai en doodde ook daar iedereen met het zwaard. 25. Op die dag kwamen alle inwoners van Ai om, 12.000 mannen en vrouwen. 26. Jozua trok zijn hand met de speer niet terug voordat alle inwoners van Ai met de ban geslagen waren. 27. Alleen het vee en de buit van die stad namen de Israëlieten voor zichzelf, zoals de HEERE Jozua had opgedragen. 28. Jozua brandde Ai plat en maakte er voorgoed een puinhoop van. Zo ligt het er nog steeds. 29. De koning van Ai hing hij tot de avond op aan een paal. Bij zonsondergang liet Jozua zijn lichaam van de paal halen. Zij gooiden het bij de ingang van de stadspoort neer en legden er een grote steenhoop op, die er nog steeds ligt. 30. Toen bouwde Jozua een altaar voor de HEERE, de God van Israël, op de berg Ebal. 31. Hij deed dat zoals Mozes, de dienaar van de HEERE, de Israëlieten had opgedragen, en zoals het in het wetboek van Mozes staat. Het was een altaar van onbehouwen stenen, die met geen ijzer bewerkt waren. Zij brachten er brandoffers en dankoffers voor de HEERE op. 32. Daar schreef hij in het bijzijn van de Israëlieten een afschrift van de wet van Mozes op de stenen. 33. Heel Israël, met zijn oudsten, bestuurders en rechters, stond aan weerszijden van de ark. Zij stonden tegenover de Levitische priesters die de ark van het verbond van de HEERE droegen. Vreemdelingen en geboren Israëlieten stonden er samen. De ene helft stond aan de kant van de berg Gerizim, de andere helft aan de kant van de berg Ebal. Zo had Mozes, de dienaar van de HEERE, het bevolen, om eerst het volk Israël te zegenen. 34. Daarna las hij alle woorden van de wet voor, de zegen en de vloek, precies zoals het in het wetboek staat. 35. Er was geen woord van alles wat Mozes opgedragen had, dat Jozua niet voorlas aan de hele gemeenschap van Israël. Ook de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen die bij hen woonden, hoorden het. ## Jozua 9 — De list van de Gibeonieten 1. Het nieuws kwam ter ore van alle koningen ten westen van de Jordaan. Zij woonden in het bergland, in het laagland en langs de hele kust van de Grote Zee tot aan de Libanon. Het waren de koningen van de Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten. 2. Zij verbonden zich met elkaar om samen tegen Jozua en Israël te strijden. 3. Toen de inwoners van Gibeon hoorden wat Jozua met Jericho en Ai gedaan had, 4. bedachten zij een list. Zij deden zich voor als gezanten. Zij laadden oude zakken op hun ezels, en oude, gescheurde en opgelapte leren wijnzakken. 5. Zij droegen oude, versleten sandalen en oude kleren. Al het brood dat zij als proviand bij zich hadden, was droog en beschimmeld. 6. Zij gingen naar Jozua in het kamp in Gilgal en zeiden tegen hem en de mannen van Israël: Wij komen uit een ver land. Sluit dus een verbond met ons. 7. De mannen van Israël zeiden tegen de Hevieten: Misschien wonen jullie wel midden tussen ons. Hoe kunnen wij dan een verbond met jullie sluiten? 8. Zij zeiden tegen Jozua: Wij zijn uw dienaren. Jozua vroeg hun: Wie zijn jullie, en waar komen jullie vandaan? 9. Zij antwoordden hem: Uw dienaren zijn uit een heel ver land gekomen vanwege de naam van de HEERE, uw God. Want wij hebben gehoord wat Hij allemaal in Egypte gedaan heeft. 10. Wij hebben ook gehoord wat Hij gedaan heeft met de twee koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan. Dat waren Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, die in Astharoth woonde. 11. Daarom zeiden onze oudsten en alle inwoners van ons land tegen ons: Neem proviand mee voor onderweg en ga hen tegemoet. Zeg tegen hen: Wij zijn uw dienaren, sluit dus een verbond met ons. 12. Dit brood van ons was nog warm toen wij het als proviand van huis meenamen, op de dag dat wij op weg gingen naar jullie. Maar kijk, nu is het droog en beschimmeld. 13. Deze wijnzakken waren nieuw toen wij ze vulden, maar kijk, ze zijn gescheurd. Ook onze kleren en sandalen zijn versleten door de lange reis. 14. De mannen van Israël namen iets van hun proviand, maar zij vroegen de HEERE niet om raad. 15. Jozua sloot vrede met hen en maakte een verbond met hen dat hij hen in leven zou laten. Ook de leiders van de gemeenschap legden een eed tegenover hen af. 16. Drie dagen nadat zij het verbond met hen gesloten hadden, hoorden zij dat het buren waren, die midden tussen hen woonden. 17. De Israëlieten trokken verder en kwamen op de derde dag bij hun steden: Gibeon, Chefira, Beëroth en Kirjath-Jearim. 18. Maar de Israëlieten doodden hen niet, omdat de leiders van de gemeenschap hun bij de HEERE, de God van Israël, een eed hadden gezworen. Daarom mopperde de hele gemeenschap op de leiders. 19. Alle leiders zeiden tegen de hele gemeenschap: Wij hebben hun bij de HEERE, de God van Israël, een eed gezworen. Daarom mogen wij hen niet aanraken. 20. Dit zullen wij met hen doen: wij laten hen in leven. Anders komt er toorn over ons vanwege de eed die wij hun gezworen hebben. 21. De leiders zeiden verder: Laat hen leven. Zo werden zij houthakkers en waterdragers voor de hele gemeenschap, zoals de leiders hun gezegd hadden. 22. Jozua riep hen bij zich en zei tegen hen: Waarom hebben jullie ons bedrogen door te zeggen dat jullie heel ver van ons vandaan wonen? Jullie wonen juist midden tussen ons! 23. Daarom zijn jullie nu vervloekt. Er zullen onder jullie altijd slaven zijn, houthakkers en waterdragers voor het huis van mijn God. 24. Zij antwoordden Jozua: Het was uw dienaren duidelijk verteld wat de HEERE, uw God, Zijn dienaar Mozes had opgedragen. Hij zou jullie het hele land geven en alle bewoners voor jullie uit vernietigen. Toen werden wij doodsbang voor jullie. Daarom hebben wij dit gedaan. 25. En nu zijn wij in uw macht. Doe met ons wat u goed en juist lijkt. 26. Dat deed hij met hen. Hij redde hen uit de handen van de Israëlieten, zodat die hen niet doodden. 27. Op die dag maakte Jozua hen tot houthakkers en waterdragers voor de gemeenschap en voor het altaar van de HEERE. Zo is het nog steeds, op de plaats die Hij zou kiezen. ## Jozua 10 — De zon staat stil bij Gibeon 1. Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en met de ban had geslagen. Hij had met Ai en haar koning gedaan wat hij met Jericho en haar koning had gedaan. Hij hoorde ook dat de inwoners van Gibeon vrede met Israël hadden gesloten en tussen hen woonden. 2. Toen werden zij heel bang. Want Gibeon was een grote stad, zo groot als een koninklijke stad, groter dan Ai, en al haar mannen waren sterke strijders. 3. Daarom stuurde Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, een boodschap naar Hoham, de koning van Hebron, en naar Piram, de koning van Jarmuth. Hij stuurde die ook naar Jafia, de koning van Lachis, en naar Debir, de koning van Eglon: 4. Kom naar mij toe en help mij Gibeon aan te vallen. Want die stad heeft vrede gesloten met Jozua en de Israëlieten. 5. Toen verzamelden zich de vijf koningen van de Amorieten. Het waren de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmuth, Lachis en Eglon. Zij trokken met al hun legers op, belegerden Gibeon en vielen de stad aan. 6. De mannen van Gibeon stuurden een boodschap naar Jozua in het kamp in Gilgal: Laat uw dienaren niet in de steek. Kom snel naar ons toe, red ons en help ons! Want alle koningen van de Amorieten uit het bergland hebben zich tegen ons verzameld. 7. Toen trok Jozua op uit Gilgal met al zijn strijders en alle dappere mannen. 8. De HEERE had tegen Jozua gezegd: Wees niet bang voor hen, want ik geef hen in jouw macht. Niemand van hen zal tegen je standhouden. 9. Jozua overviel hen onverwacht, want hij was de hele nacht vanuit Gilgal opgetrokken. 10. De HEERE bracht hen in verwarring voor Israël. Israël bracht hun bij Gibeon een zware nederlaag toe. Het achtervolgde hen over de weg omhoog naar Beth-Horon, en versloeg hen tot aan Azeka en Makkeda. 11. Terwijl zij voor Israël vluchtten langs de helling van Beth-Horon, liet de HEERE grote stenen uit de hemel op hen vallen, tot aan Azeka. Daardoor kwamen zij om. Er stierven er meer door de hagelstenen dan door het zwaard van de Israëlieten. 12. Op de dag dat de HEERE de Amorieten aan de Israëlieten overleverde, sprak Jozua tot de HEERE. Voor de ogen van Israël zei hij: Zon, sta stil boven Gibeon, en jij, maan, boven het dal van Ajalon! 13. De zon stond stil en de maan bleef staan, tot het volk zich op zijn vijanden gewroken had. Staat dit niet geschreven in het boek van de Oprechte? De zon bleef midden aan de hemel staan en haastte zich bijna een hele dag niet om onder te gaan. 14. Er is nooit een dag geweest als deze, niet ervoor en niet erna, dat de HEERE zo naar de stem van een mens luisterde. Want de HEERE streed voor Israël. 15. Daarna keerde Jozua met heel Israël terug naar het kamp in Gilgal. 16. Maar de vijf koningen waren gevlucht en hadden zich verstopt in de grot bij Makkeda. 17. Jozua kreeg het bericht: De vijf koningen zijn gevonden. Zij hebben zich verstopt in de grot bij Makkeda. 18. Jozua zei: Rol grote stenen voor de ingang van de grot en zet er mannen bij om hen te bewaken. 19. Maar blijf zelf niet staan. Achtervolg jullie vijanden en val hun achterhoede aan. Laat hen hun steden niet bereiken, want de HEERE, jullie God, heeft hen in jullie macht gegeven. 20. Jozua en de Israëlieten brachten hun een zware nederlaag toe, tot zij bijna allemaal vernietigd waren. Alleen een paar overlevenden bereikten de versterkte steden. 21. Toen keerde het hele volk behouden terug naar Jozua in het kamp bij Makkeda. Niemand durfde nog een woord tegen de Israëlieten te zeggen. 22. Daarna zei Jozua: Open de ingang van de grot en breng die vijf koningen uit de grot naar mij toe. 23. Zo deden zij. Zij brachten de vijf koningen uit de grot naar hem toe. Het waren de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmuth, Lachis en Eglon. 24. Toen de koningen bij Jozua waren gebracht, riep Jozua alle mannen van Israël bij zich. Hij zei tegen de aanvoerders van de strijders die met hem waren meegetrokken: Kom hier en zet je voet op de nek van deze koningen. Zij kwamen en zetten hun voet op hun nek. 25. Jozua zei tegen hen: Wees niet bang en schrik niet. Wees sterk en moedig. Want zo zal de HEERE doen met al jullie vijanden tegen wie jullie strijden. 26. Daarna doodde Jozua hen en hing hen op aan vijf palen. Zij bleven tot de avond aan de palen hangen. 27. Bij zonsondergang gaf Jozua bevel hen van de palen te halen. Zij gooiden hen in de grot waarin zij zich verstopt hadden, en legden grote stenen voor de ingang. Die liggen er nog steeds. 28. Op diezelfde dag nam Jozua Makkeda in en doodde de stad en haar koning met het zwaard. Hij sloeg de koning en alle inwoners met de ban en liet niemand in leven. Met de koning van Makkeda deed hij wat hij met de koning van Jericho gedaan had. 29. Toen trok Jozua met heel Israël van Makkeda naar Libna en viel Libna aan. 30. De HEERE gaf ook die stad met haar koning in de macht van Israël. Hij doodde alle inwoners met het zwaard en liet niemand in leven. Met haar koning deed hij wat hij met de koning van Jericho gedaan had. 31. Toen trok Jozua met heel Israël van Libna naar Lachis. Hij belegerde de stad en viel haar aan. 32. De HEERE gaf Lachis in de macht van Israël. Op de tweede dag nam hij de stad in en doodde alle inwoners met het zwaard, precies zoals hij met Libna gedaan had. 33. Toen trok Horam, de koning van Gezer, op om Lachis te helpen. Maar Jozua versloeg hem en zijn volk, tot er niemand van over was. 34. Jozua trok met heel Israël van Lachis naar Eglon. Zij belegerden de stad en vielen haar aan. 35. Nog diezelfde dag namen zij haar in en doodden alle inwoners met het zwaard. Hij sloeg hen die dag met de ban, precies zoals hij met Lachis gedaan had. 36. Daarna trok Jozua met heel Israël van Eglon omhoog naar Hebron. Zij vielen de stad aan. 37. Zij namen haar in en doodden haar koning, de dorpen eromheen en alle inwoners met het zwaard. Hij liet niemand in leven, net als bij Eglon. Hij sloeg de stad en alle inwoners met de ban. 38. Toen keerde Jozua met heel Israël om naar Debir en viel de stad aan. 39. Hij nam haar in, met haar koning en de dorpen eromheen. Zij doodden hen met het zwaard en sloegen alle inwoners met de ban. Hij liet niemand in leven. Met Debir en haar koning deed hij wat hij met Hebron en met Libna en hun koningen gedaan had. 40. Zo versloeg Jozua het hele land: het bergland, het zuiden, het laagland en de hellingen, met al hun koningen. Hij liet niemand in leven. Hij sloeg alles wat adem had met de ban, zoals de HEERE, de God van Israël, had opgedragen. 41. Jozua versloeg hen van Kades-Barnea tot aan Gaza, en het hele land Gosen tot aan Gibeon. 42. Al deze koningen en hun land nam Jozua in één veldtocht in. Want de HEERE, de God van Israël, streed voor Israël. 43. Daarna keerde Jozua met heel Israël terug naar het kamp in Gilgal. ## Jozua 11 — Het noorden veroverd 1. Toen Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, stuurde hij boden naar Jobab, de koning van Madon, en naar de koningen van Simron en Achsaf. 2. Hij stuurde ook boden naar de koningen in het noordelijke bergland en in de vlakte ten zuiden van Kinneroth. Ook de koningen in het laagland en in Nafoth-Dor aan de zee kregen bericht. 3. Hij stuurde ze naar de Kanaänieten in het oosten en het westen, naar de Amorieten, Hethieten en Ferezieten, en naar de Jebusieten in het bergland. Hij stuurde ze ook naar de Hevieten aan de voet van de Hermon, in het land Mizpa. 4. Zij trokken uit met al hun legers, een enorme menigte, talrijk als het zand aan de zee. Zij hadden ook heel veel paarden en wagens. 5. Al deze koningen kwamen samen en sloegen hun kamp op bij het water van Merom om tegen Israël te strijden. 6. De HEERE zei tegen Jozua: Wees niet bang voor hen. Want morgen rond deze tijd lever ik hen allemaal gedood aan Israël uit. Snijd de pezen van hun paarden door en verbrand hun wagens. 7. Jozua overviel hen onverwacht met al zijn strijders bij het water van Merom. 8. De HEERE gaf hen in de macht van Israël. Zij versloegen hen en achtervolgden hen tot aan Groot-Sidon en Misrefoth-Maim, en oostwaarts tot aan het dal van Mizpa. Zij versloegen hen tot er niemand meer over was. 9. Jozua deed met hen wat de HEERE hem gezegd had. Hij sneed de pezen van hun paarden door en verbrandde hun wagens. 10. In die tijd keerde Jozua terug en nam Hazor in. De koning doodde hij met het zwaard. Hazor was vroeger het hoofd van al die koninkrijken. 11. Zij doodden alle inwoners met het zwaard en sloegen hen met de ban. Er bleef niets over wat adem had, en Hazor verbrandde hij. 12. Jozua nam alle steden van deze koningen in en nam hun koningen gevangen. Hij doodde hen met het zwaard en sloeg hen met de ban, zoals Mozes, de dienaar van de HEERE, had opgedragen. 13. Maar de steden die op hun heuvels stonden, verbrandden de Israëlieten niet. Alleen Hazor verbrandde Jozua. 14. Alle buit uit deze steden en het vee namen de Israëlieten voor zichzelf. Maar alle mensen doodden zij met het zwaard, tot zij hen hadden uitgeroeid. Zij lieten niets in leven wat adem had. 15. Zoals de HEERE Zijn dienaar Mozes had opgedragen, zo had Mozes het Jozua opgedragen. En zo deed Jozua. Hij liet niets na van alles wat de HEERE Mozes had opgedragen. 16. Zo nam Jozua dat hele land in: het bergland, het hele zuiden en het hele land Gosen. Hij nam ook het laagland, de vlakte, en het bergland van Israël met zijn laagland in. 17. Het liep van de kale berg die oploopt naar Seïr tot aan Baäl-Gad in het dal van de Libanon. Dat ligt aan de voet van de berg Hermon. Al hun koningen nam hij gevangen en doodde hij. 18. Jozua voerde lange tijd oorlog tegen al deze koningen. 19. Er was geen stad die vrede sloot met de Israëlieten, behalve de Hevieten die in Gibeon woonden. Alle andere steden namen zij in door strijd. 20. Want het kwam van de HEERE dat zij hun hart verhardden om tegen Israël ten strijde te trekken. Zo zou Hij hen met de ban slaan zonder genade. Zo zou Hij hen uitroeien, zoals de HEERE Mozes had opgedragen. 21. In die tijd kwam Jozua en roeide de Enakieten uit in het bergland, in Hebron, Debir en Anab. Hij roeide hen uit in het hele bergland van Juda en van Israël. Jozua sloeg hen en hun steden met de ban. 22. Er bleven geen Enakieten over in het land van de Israëlieten. Alleen in Gaza, Gath en Asdod bleven er over. 23. Zo nam Jozua het hele land in, precies zoals de HEERE tegen Mozes gezegd had. Jozua gaf het als erfdeel aan Israël, verdeeld naar hun stammen. En het land had rust van oorlog. ## Jozua 12 — De verslagen koningen 1. Dit zijn de koningen van het land die de Israëlieten verslagen hebben. Zij namen hun land in bezit aan de oostkant van de Jordaan. Het liep van de beek Arnon tot de berg Hermon, met de hele vlakte in het oosten. 2. Sihon, de koning van de Amorieten, woonde in Hesbon. Hij heerste vanaf Aroër aan de oever van de beek Arnon, en over het midden van het dal. Zijn gebied omvatte de helft van Gilead, tot aan de beek Jabbok, de grens van de Ammonieten. 3. Hij heerste ook over de vlakte tot aan het meer Kinneroth in het oosten. Zijn gebied liep tot aan de zee van de vlakte, de Zoutzee, in het oosten, richting Beth-Jesimoth. In het zuiden reikte het tot onder de hellingen van de Pisga. 4. Daarnaast was er het gebied van Og, de koning van Basan. Hij was een van de laatsten van de reuzen en woonde in Astharoth en Edreï. 5. Hij heerste over de berg Hermon, over Salcha en heel Basan, tot aan de grens van de Gesurieten en de Maächathieten. Hij heerste ook over de helft van Gilead, tot aan de grens van Sihon, de koning van Hesbon. 6. Mozes, de dienaar van de HEERE, en de Israëlieten hadden hen verslagen. Mozes, de dienaar van de HEERE, gaf dat land in bezit aan de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse. 7. Dit zijn de koningen van het land die Jozua en de Israëlieten verslagen hebben aan de westkant van de Jordaan. Hun gebied liep van Baäl-Gad in het dal van de Libanon tot aan de kale berg die oploopt naar Seïr. Jozua gaf dat land in bezit aan de stammen van Israël, verdeeld naar hun stammen. 8. Het lag in het bergland, het laagland, de vlakte, de hellingen, de woestijn en het zuiden. Het was het land van de Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten. 9. Het waren: de koning van Jericho, één; de koning van Ai, bij Bethel, één; 10. de koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één; 11. de koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één; 12. de koning van Eglon, één; de koning van Gezer, één; 13. de koning van Debir, één; de koning van Geder, één; 14. de koning van Horma, één; de koning van Arad, één; 15. de koning van Libna, één; de koning van Adullam, één; 16. de koning van Makkeda, één; de koning van Bethel, één; 17. de koning van Tappuah, één; de koning van Hefer, één; 18. de koning van Afek, één; de koning van Lassaron, één; 19. de koning van Madon, één; de koning van Hazor, één; 20. de koning van Simron-Meron, één; de koning van Achsaf, één; 21. de koning van Taänach, één; de koning van Megiddo, één; 22. de koning van Kedes, één; de koning van Jokneam bij de Karmel, één; 23. de koning van Dor, in Nafath-Dor, één; de koning van de volken bij Gilgal, één; 24. de koning van Tirza, één. In totaal waren het 31 koningen. ## Jozua 13 — Het land dat nog verdeeld moet worden 1. Jozua was oud geworden, hoogbejaard. De HEERE zei tegen hem: Je bent oud geworden, hoogbejaard, en er is nog heel veel land over dat in bezit genomen moet worden. 2. Dit is het land dat nog overblijft: het hele gebied van de Filistijnen en heel Gesuri. 3. Het loopt van de Sichor ten oosten van Egypte tot aan het gebied van Ekron in het noorden, dat bij de Kanaänieten gerekend wordt. Het is het gebied van de vijf vorsten van de Filistijnen, in Gaza, Asdod, Askelon, Gath en Ekron, en van de Avvieten. 4. In het zuiden is het het hele land van de Kanaänieten. Ook Meara, dat van de Sidoniërs is, hoort erbij, tot aan Afek en de grens van de Amorieten. 5. Verder is het het land van de Giblieten en de hele Libanon in het oosten. Dat loopt van Baäl-Gad aan de voet van de berg Hermon tot waar men Hamath binnenkomt. 6. Alle bewoners van het bergland, van de Libanon tot aan Misrefoth-Maim, alle Sidoniërs, zal ik voor de Israëlieten uit verdrijven. Verdeel jij het land alvast onder Israël als erfdeel, zoals ik je heb opgedragen. 7. Verdeel dit land nu als erfdeel onder de negen stammen en de halve stam van Manasse. 8. Samen met de andere helft van Manasse hebben de Rubenieten en de Gadieten hun erfdeel al gekregen. Mozes gaf het hun aan de oostkant van de Jordaan, zoals Mozes, de dienaar van de HEERE, het hun toegewezen had. 9. Hun gebied liep vanaf Aroër aan de oever van de beek Arnon en de stad midden in het dal. Het omvatte de hele hoogvlakte van Medeba tot Dibon. 10. Het omvatte alle steden van Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon regeerde, tot aan de grens van de Ammonieten. 11. Ook Gilead hoorde erbij, het gebied van de Gesurieten en de Maächathieten, de hele berg Hermon en heel Basan tot aan Salcha. 12. Het omvatte het hele koninkrijk van Og in Basan, die in Astharoth en Edreï regeerde. Hij was een van de laatsten van de reuzen. Mozes had hen verslagen en verdreven. 13. Maar de Israëlieten verdreven de Gesurieten en de Maächathieten niet. Gesur en Maächath wonen nog steeds tussen de Israëlieten. 14. Alleen de stam Levi gaf hij geen erfdeel. De vuuroffers voor de HEERE, de God van Israël, zijn hun erfdeel, zoals Hij hun beloofd had. 15. Mozes gaf de stam Ruben een erfdeel, verdeeld naar hun families. 16. Hun gebied liep vanaf Aroër aan de oever van de beek Arnon en de stad midden in het dal, over de hele hoogvlakte bij Medeba. 17. Het omvatte Hesbon met alle steden op de hoogvlakte: Dibon, Bamoth-Baäl, Beth-Baäl-Meon, 18. Jahza, Kedemoth, Mefaäth, 19. Kirjathaïm, Sibma en Zereth-Hassahar op de berg in het dal, 20. Beth-Peor, de hellingen van de Pisga en Beth-Jesimoth. 21. Het omvatte alle steden van de hoogvlakte en het hele koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon regeerde. Mozes had hem verslagen, samen met de vorsten van Midian: Evi, Rekem, Zur, Hur en Reba. Zij waren vazallen van Sihon en woonden in het land. 22. Ook Bileam, de zoon van Beor, de waarzegger, hadden de Israëlieten met het zwaard gedood, samen met de anderen die zij doodden. 23. De grens van de Rubenieten was de Jordaan met de oever. Dat was het erfdeel van de Rubenieten, verdeeld naar hun families, met de steden en hun dorpen. 24. Mozes gaf ook de stam Gad een erfdeel, verdeeld naar hun families. 25. Hun gebied omvatte Jaëzer, alle steden van Gilead en de helft van het land van de Ammonieten, tot aan Aroër tegenover Rabba. 26. Het liep van Hesbon tot Ramath-Mizpa en Betonim, en van Mahanaïm tot aan het gebied van Debir. 27. In het dal omvatte het Beth-Haram, Beth-Nimra, Sukkoth en Zafon, de rest van het koninkrijk van Sihon, de koning van Hesbon. De Jordaan was de grens, tot aan het eind van het meer Kinnereth, aan de oostkant van de Jordaan. 28. Dat was het erfdeel van de Gadieten, verdeeld naar hun families, met de steden en hun dorpen. 29. Mozes had ook de halve stam van Manasse een erfdeel gegeven, verdeeld naar hun families. 30. Hun gebied liep vanaf Mahanaïm over heel Basan, het hele koninkrijk van Og, de koning van Basan. Het omvatte ook alle dorpen van Jaïr in Basan, zestig steden. 31. De helft van Gilead, met Astharoth en Edreï, de koninklijke steden van Og in Basan, ging naar de nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse. Het ging naar de helft van de nakomelingen van Machir, verdeeld naar hun families. 32. Dit is wat Mozes als erfdeel verdeeld had in de vlakte van Moab, aan de oostkant van de Jordaan, tegenover Jericho. 33. Maar de stam Levi gaf Mozes geen erfdeel. De HEERE, de God van Israël, is zelf hun erfdeel, zoals Hij hun beloofd had. ## Jozua 14 — Kaleb krijgt Hebron 1. Dit is wat de Israëlieten als erfdeel kregen in het land Kanaän. De priester Eleazar, Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen van Israël verdeelden het onder hen. 2. Zij verdeelden het erfdeel door het lot onder de negen stammen en de halve stam, zoals de HEERE via Mozes had opgedragen. 3. Want Mozes had de twee stammen en de halve stam hun erfdeel al gegeven aan de overkant van de Jordaan. Maar de Levieten had hij onder hen geen erfdeel gegeven. 4. De nakomelingen van Jozef vormden namelijk twee stammen, Manasse en Efraïm. De Levieten kregen geen deel van het land, maar alleen steden om in te wonen, met de weidegronden voor hun vee en hun bezit. 5. De Israëlieten deden wat de HEERE Mozes had opgedragen, en verdeelden het land. 6. Toen kwamen de nakomelingen van Juda naar Jozua in Gilgal. Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, zei tegen hem: U weet wat de HEERE in Kades-Barnea over mij en over u gezegd heeft. Hij zei het tegen Mozes, de man van God. 7. Ik was 40 jaar oud toen Mozes, de dienaar van de HEERE, mij vanuit Kades-Barnea stuurde om het land te verkennen. Ik bracht hem eerlijk verslag uit, zoals ik het meende. 8. Maar de broers die met mij waren meegegaan, ontnamen het volk de moed. Ik bleef de HEERE, mijn God, trouw volgen. 9. Op die dag zwoer Mozes: Het land waar je je voet op gezet hebt, zal voor altijd het erfdeel zijn van jou en je kinderen. Want je bent de HEERE, mijn God, trouw gevolgd. 10. En nu, kijk, de HEERE heeft mij in leven gehouden, zoals Hij beloofd heeft. Het is nu 45 jaar geleden dat de HEERE dit tegen Mozes zei, toen Israël door de woestijn trok. Kijk, ik ben nu 85 jaar oud. 11. Ik ben vandaag nog net zo sterk als op de dag dat Mozes mij uitstuurde. Zoals mijn kracht toen was, zo is die nu, om te strijden en uit en in te gaan. 12. Geef mij daarom nu dit bergland, waarover de HEERE op die dag gesproken heeft. U hebt toen zelf gehoord dat daar Enakieten woonden, in grote, versterkte steden. Misschien is de HEERE met mij, en kan ik hen verdrijven zoals de HEERE gezegd heeft. 13. Jozua zegende hem en gaf Kaleb, de zoon van Jefunne, Hebron als erfdeel. 14. Daarom is Hebron tot vandaag het erfdeel van Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet. Want hij was de HEERE, de God van Israël, trouw gevolgd. 15. Vroeger heette Hebron Kirjath-Arba, naar Arba, de grootste man onder de Enakieten. En het land had rust van oorlog. ## Jozua 15 — Het erfdeel van Juda 1. Het lot voor de stam Juda, verdeeld naar hun families, viel zo. Hun gebied reikte tot aan de grens van Edom, tot de woestijn Zin in het uiterste zuiden. 2. Hun zuidgrens begon bij het eind van de Zoutzee, bij de landtong die naar het zuiden wijst. 3. Van daar liep de grens naar het zuiden van de helling van Akrabbim en verder naar Zin. Zij ging omhoog ten zuiden van Kades-Barnea, langs Hezron, omhoog naar Addar, en boog af naar Karkaä. 4. Zij liep verder naar Azmon, kwam uit bij de beek van Egypte en eindigde bij de zee. Dat wordt jullie zuidgrens. 5. De oostgrens was de Zoutzee, tot aan de monding van de Jordaan. De noordgrens begon bij de landtong van de zee, bij de monding van de Jordaan. 6. De grens liep omhoog naar Beth-Hogla en verder ten noorden van Beth-Araba. Dan ging zij omhoog naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben. 7. Verder liep de grens omhoog naar Debir, vanaf het dal Achor. Zij boog af naar het noorden, naar Gilgal tegenover de helling van Adummim, ten zuiden van het dal. Daarna liep de grens naar het water van En-Semes en eindigde bij En-Rogel. 8. Dan ging de grens omhoog door het dal van de zoon van Hinnom, langs de zuidkant van de stad van de Jebusieten, dat is Jeruzalem. Zij liep omhoog naar de top van de berg tegenover het dal van Hinnom in het westen. Die berg ligt aan het noordelijke eind van het dal van de Refaïeten. 9. Van de top van de berg liep de grens naar de bron van het water van Neftoah en naar de steden van het gebergte Efron. Daarna boog zij af naar Baäla, dat is Kirjath-Jearim. 10. Van Baäla boog de grens af naar het westen, naar het gebergte Seïr. Zij liep langs de noordhelling van de berg Jearim, dat is Chesalon, daalde af naar Beth-Semes en ging langs Timna. 11. Dan liep de grens langs de noordhelling van Ekron en boog af naar Sichron. Zij ging over de berg Baäla, kwam uit bij Jabneël en eindigde bij de zee. 12. De westgrens was de Grote Zee met de kust. Dit was de grens rondom het gebied van de stam Juda, verdeeld naar hun families. 13. Kaleb, de zoon van Jefunne, gaf hij een deel midden in het gebied van Juda, zoals de HEERE Jozua had opgedragen. Hij kreeg de stad van Arba, de vader van Enak, dat is Hebron. 14. Kaleb verdreef daar de drie zonen van Enak: Sesai, Ahiman en Talmai, de nakomelingen van Enak. 15. Van daar trok hij op tegen de inwoners van Debir. Vroeger heette Debir Kirjath-Sefer. 16. Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer aanvalt en inneemt, geef ik mijn dochter Achsa als vrouw. 17. Othniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam de stad in. Kaleb gaf hem zijn dochter Achsa als vrouw. 18. Toen zij bij hem kwam, haalde zij hem over om haar vader om een stuk land te vragen. Zij liet zich van haar ezel glijden, en Kaleb vroeg haar: Wat is er? 19. Zij zei: Geef mij een zegen. U hebt mij droog land in het zuiden gegeven, geef mij nu ook waterbronnen. Toen gaf hij haar de bovenste en de onderste bronnen. 20. Dit is het erfdeel van de stam Juda, verdeeld naar hun families. 21. De steden in het uiterste zuiden van de stam Juda, naar de grens van Edom, waren: Kabzeël, Eder, Jagur, 22. Kina, Dimona, Adada, 23. Kedes, Hazor, Jithnan, 24. Zif, Telem, Bealoth, 25. Hazor-Hadattha, Kerioth-Hezron, dat is Hazor, 26. Amam, Sema, Molada, 27. Hazar-Gadda, Hesmon, Beth-Palet, 28. Hazar-Sual, Berseba, Biz-Jotheja, 29. Baäla, Ijim, Azem, 30. Eltholad, Chesil, Horma, 31. Ziklag, Madmanna, Sanzanna, 32. Lebaoth, Silhim, Ain en Rimmon. Samen waren het 29 steden met hun dorpen. 33. In het laagland lagen: Esthaol, Zora, Asna, 34. Zanoah, En-Gannim, Tappuah, Enam, 35. Jarmuth, Adullam, Socho, Azeka, 36. Saäraïm, Adithaïm, Gedera en Gederothaïm. Het waren veertien steden met hun dorpen. 37. Verder Zenan, Hadasa, Migdal-Gad, 38. Dilan, Mizpa, Jokteël, 39. Lachis, Bozkath, Eglon, 40. Chabbon, Lahmas, Chitlis, 41. Gederoth, Beth-Dagon, Naäma en Makkeda. Het waren zestien steden met hun dorpen. 42. Verder Libna, Ether, Asan, 43. Jiftah, Asna, Nezib, 44. Kehila, Achzib en Mareza. Het waren negen steden met hun dorpen. 45. Verder Ekron met de plaatsen en dorpen eromheen. 46. Vanaf Ekron tot aan de zee: alle plaatsen bij Asdod, met hun dorpen. 47. Verder Asdod en Gaza, elk met de plaatsen en dorpen eromheen. Het gebied liep tot aan de beek van Egypte en de Grote Zee met de kust. 48. In het bergland lagen: Samir, Jatthir, Socho, 49. Danna, Kirjath-Sanna, dat is Debir, 50. Anab, Estemo, Anim, 51. Gosen, Holon en Gilo. Het waren elf steden met hun dorpen. 52. Verder Arab, Duma, Esan, 53. Janum, Beth-Tappuah, Afeka, 54. Humta, Kirjath-Arba, dat is Hebron, en Zior. Het waren negen steden met hun dorpen. 55. Verder Maon, Karmel, Zif, Juta, 56. Jizreël, Jokdeam, Zanoah, 57. Kaïn, Gibea en Timna. Het waren tien steden met hun dorpen. 58. Verder Halhul, Beth-Zur, Gedor, 59. Maärath, Beth-Anoth en Eltekon. Het waren zes steden met hun dorpen. 60. Verder Kirjath-Baäl, dat is Kirjath-Jearim, en Rabba. Het waren twee steden met hun dorpen. 61. In de woestijn lagen: Beth-Araba, Middin, Sechacha, 62. Nibsan, de Zoutstad en Engedi. Het waren zes steden met hun dorpen. 63. Maar de Jebusieten, die in Jeruzalem woonden, konden de nakomelingen van Juda niet verdrijven. Zo wonen de Jebusieten tot vandaag samen met de nakomelingen van Juda in Jeruzalem. ## Jozua 16 — Het erfdeel van Efraïm 1. Daarna viel het lot voor de nakomelingen van Jozef. Hun grens begon bij de Jordaan bij Jericho, bij het water van Jericho in het oosten. Zij liep door de woestijn omhoog van Jericho naar het bergland van Bethel. 2. Van Bethel liep zij naar Luz en verder naar het gebied van de Archieten bij Ataroth. 3. Daarna daalde zij af naar het westen, naar het gebied van de Jafletieten, tot aan het gebied van Beneden-Beth-Horon en Gezer. Zij eindigde bij de zee. 4. Zo kregen de nakomelingen van Jozef, Manasse en Efraïm, hun erfdeel. 5. Dit was het gebied van de nakomelingen van Efraïm, verdeeld naar hun families. De grens van hun erfdeel liep in het oosten van Atroth-Addar tot Boven-Beth-Horon. 6. De grens liep in het westen tot Michmetath in het noorden. Daar boog zij af naar het oosten, naar Taänath-Silo, en liep erlangs naar Janoah in het oosten. 7. Van Janoah daalde zij af naar Ataroth en Naharoth, raakte Jericho en eindigde bij de Jordaan. 8. Van Tappuah liep de grens naar het westen, naar de beek Kana, en eindigde bij de zee. Dit was het erfdeel van de stam Efraïm, verdeeld naar hun families. 9. Ook enkele steden midden in het erfdeel van Manasse waren apart gezet voor de nakomelingen van Efraïm, met hun dorpen. 10. Zij verdreven de Kanaänieten die in Gezer woonden niet. Die wonen tot vandaag tussen de Efraïmieten, maar moeten dwangarbeid verrichten. ## Jozua 17 — Het erfdeel van Manasse 1. Ook de stam Manasse kreeg een lot, want Manasse was de eerstgeborene van Jozef. Machir, de eerstgeborene van Manasse en de vader van Gilead, had Gilead en Basan gekregen, want hij was een strijder. 2. Ook de andere nakomelingen van Manasse kregen een lot, verdeeld naar hun families. Het ging om de families van Abiëzer, Helek, Asriël, Sechem, Hefer en Semida. Dit waren de mannelijke nakomelingen van Manasse, de zoon van Jozef, verdeeld naar hun families. 3. Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar alleen dochters. Zijn dochters heetten Machla, Noa, Hogla, Milka en Tirza. 4. Zij gingen naar de priester Eleazar, naar Jozua, de zoon van Nun, en naar de leiders. Zij zeiden: De HEERE heeft Mozes opgedragen ons een erfdeel te geven tussen onze broers. Daarom gaf Jozua hun, op bevel van de HEERE, een erfdeel tussen de broers van hun vader. 5. Zo kreeg Manasse tien delen, naast het land Gilead en Basan aan de overkant van de Jordaan. 6. Want de dochters van Manasse kregen een erfdeel tussen zijn zonen. Het land Gilead was voor de andere nakomelingen van Manasse. 7. Het gebied van Manasse liep van Aser tot Michmetath, tegenover Sichem. Daarna liep de grens naar het zuiden, naar de inwoners van En-Tappuah. 8. Het land rond Tappuah was van Manasse, maar de stad Tappuah zelf, aan de grens van Manasse, was van de nakomelingen van Efraïm. 9. Daarna daalde de grens af naar de beek Kana, ten zuiden van de beek. De steden daar waren van Efraïm, hoewel ze tussen de steden van Manasse lagen. De grens van Manasse liep aan de noordkant van de beek en eindigde bij de zee. 10. Het zuiden was van Efraïm en het noorden van Manasse, met de zee als grens. In het noorden grensden zij aan Aser en in het oosten aan Issaschar. 11. In Issaschar en Aser had Manasse Beth-Sean en Jibleam, met de plaatsen eromheen. Het had ook de inwoners van Dor, En-Dor, Taänach en Megiddo, met de plaatsen eromheen. Het waren drie heuvelstreken. 12. Maar de nakomelingen van Manasse konden de bewoners van die steden niet verdrijven, want de Kanaänieten wilden in dat land blijven wonen. 13. Toen de Israëlieten sterker werden, legden zij de Kanaänieten dwangarbeid op. Maar zij verdreven hen niet helemaal. 14. De nakomelingen van Jozef zeiden tegen Jozua: Waarom hebt u mij maar één lot en één deel als erfdeel gegeven? Ik ben toch een groot volk, want de HEERE heeft mij tot nu toe zo gezegend. 15. Jozua zei tegen hen: Als jullie zo'n groot volk zijn, trek dan naar het bos. Kap daar ruimte voor jezelf in het land van de Ferezieten en de Refaïeten, omdat het bergland van Efraïm jullie te klein is. 16. De nakomelingen van Jozef zeiden: Het bergland is niet genoeg voor ons. En alle Kanaänieten die in de vlakte wonen, hebben ijzeren wagens. Dat geldt voor die in Beth-Sean en de plaatsen eromheen, en voor die in het dal van Jizreël. 17. Jozua zei tegen het huis van Jozef, tegen Efraïm en Manasse: Jullie zijn een groot volk en hebben veel kracht. Jullie krijgen niet maar één lot. 18. Het bergland zal van jullie zijn. Het is een bos, maar kap het, dan wordt het tot aan de randen van jullie. Want jullie zullen de Kanaänieten verdrijven, ook al hebben zij ijzeren wagens en zijn zij sterk. ## Jozua 18 — Het land in Silo verdeeld; het erfdeel van Benjamin 1. De hele gemeenschap van Israël kwam bijeen in Silo, en daar zetten zij de ontmoetingstent op. Het land was aan hen onderworpen. 2. Maar er waren onder de Israëlieten nog zeven stammen die hun erfdeel niet hadden gekregen. 3. Jozua zei tegen de Israëlieten: Hoe lang wachten jullie nog? De HEERE, de God van jullie voorouders, heeft jullie het land gegeven. Neem het dan in bezit! 4. Wijs uit elke stam drie mannen aan. Dan stuur ik hen op pad om het land door te trekken en het te beschrijven, naar hun erfdeel. Daarna komen zij bij mij terug. 5. Zij moeten het in zeven delen verdelen. Juda blijft in zijn gebied in het zuiden, en het huis van Jozef blijft in zijn gebied in het noorden. 6. Beschrijf het land in zeven delen en breng de beschrijving hier bij mij. Dan zal ik hier voor de HEERE, onze God, het lot voor jullie werpen. 7. Want de Levieten krijgen geen deel onder jullie, omdat het priesterschap van de HEERE hun erfdeel is. En Gad, Ruben en de halve stam van Manasse hebben hun erfdeel al gekregen aan de oostkant van de Jordaan. Mozes, de dienaar van de HEERE, heeft het hun gegeven. 8. De mannen maakten zich klaar om te gaan. Jozua gaf hun die het land gingen beschrijven, dit bevel: Trek door het land en beschrijf het. Kom daarna bij mij terug, dan werp ik hier in Silo voor de HEERE het lot voor jullie. 9. De mannen gingen op weg, trokken door het land en beschreven het in een boek, stad voor stad, in zeven delen. Daarna kwamen zij terug bij Jozua in het kamp in Silo. 10. Toen wierp Jozua in Silo voor de HEERE het lot voor hen. Daar verdeelde Jozua het land onder de Israëlieten, naar hun stammen. 11. Het lot viel eerst op de stam Benjamin, verdeeld naar hun families. Het gebied dat hun toeviel, lag tussen dat van Juda en dat van Jozef. 12. Hun noordgrens begon bij de Jordaan. Zij liep omhoog langs de noordhelling van Jericho, en verder door het bergland naar het westen. Zij eindigde bij de woestijn van Beth-Aven. 13. Van daar liep de grens naar Luz, langs de zuidhelling van Luz, dat is Bethel. Dan daalde zij af naar Atroth-Addar, bij de berg ten zuiden van Beneden-Beth-Horon. 14. Daarna boog de grens af en liep aan de westkant naar het zuiden, vanaf de berg tegenover Beth-Horon. Zij eindigde bij Kirjath-Baäl, dat is Kirjath-Jearim, een stad van Juda. Dat was de westkant. 15. De zuidkant begon bij de rand van Kirjath-Jearim. De grens liep naar het westen en kwam uit bij de bron van het water van Neftoah. 16. Dan daalde de grens af naar de voet van de berg tegenover het dal van de zoon van Hinnom. Die ligt ten noorden van het dal van de Refaïeten. Zij liep door het dal van Hinnom, langs de zuidhelling van de Jebusieten, naar En-Rogel. 17. Daarna boog zij af naar het noorden en liep naar En-Semes. Van daar liep zij naar Geliloth, tegenover de helling van Adummim, en daalde af naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben. 18. Zij liep verder langs de noordhelling tegenover de Araba en daalde af naar de Araba. 19. Daarna liep de grens langs de noordhelling van Beth-Hogla. Zij eindigde bij de noordelijke landtong van de Zoutzee, bij de monding van de Jordaan in het zuiden. Dat was de zuidgrens. 20. De Jordaan vormde de grens aan de oostkant. Dit was het erfdeel van de nakomelingen van Benjamin, met de grenzen rondom, verdeeld naar hun families. 21. De steden van de stam Benjamin, verdeeld naar hun families, waren: Jericho, Beth-Hogla, Emek-Keziz, 22. Beth-Araba, Zemaraïm, Bethel, 23. Haävvim, Para, Ofra, 24. Chefar-Haämmonai, Ofni en Gaba. Het waren twaalf steden met hun dorpen. 25. Verder Gibeon, Rama, Beëroth, 26. Mizpe, Chefira, Moza, 27. Rekem, Jirpeël, Tharala, 28. Zela, Elef, Jebusi, dat is Jeruzalem, Gibath en Kirjath. Het waren veertien steden met hun dorpen. Dit was het erfdeel van de nakomelingen van Benjamin, verdeeld naar hun families. ## Jozua 19 — Het erfdeel van de overige stammen 1. Het tweede lot viel op Simeon, op de stam Simeon, verdeeld naar hun families. Hun erfdeel lag midden in het erfdeel van Juda. 2. Zij kregen als erfdeel: Berseba, Seba, Molada, 3. Hazar-Sual, Bala, Azem, 4. Eltholad, Bethul, Horma, 5. Ziklag, Beth-Markaboth, Hazar-Suza, 6. Beth-Lebaoth en Saruhen. Het waren dertien steden met hun dorpen. 7. Verder Ain, Rimmon, Ether en Asan. Het waren vier steden met hun dorpen, 8. met alle dorpen rondom deze steden tot aan Baälath-Beër, dat is Ramath in het zuiden. Dit was het erfdeel van de stam Simeon, verdeeld naar hun families. 9. Het erfdeel van Simeon kwam uit het deel van Juda. Want het deel van Juda was te groot voor hen. Daarom kregen de nakomelingen van Simeon hun erfdeel midden in dat van Juda. 10. Het derde lot viel op de nakomelingen van Zebulon, verdeeld naar hun families. De grens van hun erfdeel liep tot Sarid. 11. Hun grens liep omhoog naar het westen, naar Marala, raakte Dabbaseth en de beek tegenover Jokneam. 12. Van Sarid boog zij af naar het oosten, waar de zon opkomt, tot aan het gebied van Chisloth-Tabor. Zij liep verder naar Dobrath en omhoog naar Jafia. 13. Van daar liep zij naar het oosten, naar Gath-Hefer en Eth-Kazin. Zij kwam uit bij Rimmon, dat afbuigt naar Nea. 14. De grens boog in het noorden om naar Hannathon en eindigde in het dal van Jiftah-El. 15. Verder Kattath, Nahalal, Simron, Jidala en Bethlehem. Het waren twaalf steden met hun dorpen. 16. Dit was het erfdeel van de nakomelingen van Zebulon, verdeeld naar hun families: deze steden met hun dorpen. 17. Het vierde lot viel op Issaschar, op de nakomelingen van Issaschar, verdeeld naar hun families. 18. Hun gebied omvatte Jizreël, Chesulloth, Sunem, 19. Hafaraïm, Sion, Anacharath, 20. Rabbith, Kisjon, Ebez, 21. Remeth, En-Gannim, En-Hadda en Beth-Pazzez. 22. De grens raakte de Tabor, Sahazima en Beth-Semes, en eindigde bij de Jordaan. Het waren zestien steden met hun dorpen. 23. Dit was het erfdeel van de stam Issaschar, verdeeld naar hun families: de steden met hun dorpen. 24. Het vijfde lot viel op de stam Aser, verdeeld naar hun families. 25. Hun gebied omvatte Helkath, Hali, Beten, Achsaf, 26. Allammelech, Amad en Misal. In het westen raakte de grens de Karmel en Sichor-Libnath. 27. Zij boog af naar het oosten, naar Beth-Dagon, en raakte Zebulon en het dal van Jiftah-El in het noorden. Zij liep naar Beth-Emek en Nehiël, en kwam uit bij Kabul in het noorden, 28. met Ebron, Rehob, Hammon en Kana, tot aan Groot-Sidon. 29. Daarna boog de grens af naar Rama en naar de versterkte stad Tyrus. Zij boog af naar Hosa en eindigde bij de zee, in het gebied van Achzib, 30. met Umma, Afek en Rehob. Het waren 22 steden met hun dorpen. 31. Dit was het erfdeel van de stam Aser, verdeeld naar hun families: deze steden met hun dorpen. 32. Het zesde lot viel op de nakomelingen van Nafthali, verdeeld naar hun families. 33. Hun grens liep van Helef, van de eik bij Zaanannim, over Adami-Nekeb en Jabneël tot Lakkum, en eindigde bij de Jordaan. 34. Daarna boog de grens af naar het westen, naar Asnoth-Tabor, en liep verder naar Hukkok. In het zuiden raakte zij Zebulon, in het westen Aser, en in het oosten Juda bij de Jordaan. 35. De versterkte steden waren: Ziddim, Zer, Hammath, Rakkath, Kinnereth, 36. Adama, Rama, Hazor, 37. Kedes, Edreï, En-Hazor, 38. Jiron, Migdal-El, Horem, Beth-Anath en Beth-Semes. Het waren negentien steden met hun dorpen. 39. Dit was het erfdeel van de stam Nafthali, verdeeld naar hun families: de steden met hun dorpen. 40. Het zevende lot viel op de stam Dan, verdeeld naar hun families. 41. Het gebied van hun erfdeel omvatte Zora, Esthaol, Ir-Semes, 42. Saalabbin, Ajalon, Jithla, 43. Elon, Timnatha, Ekron, 44. Elteke, Gibbethon, Baälath, 45. Jehud, Bene-Berak, Gath-Rimmon, 46. Me-Jarkon en Rakkon, met het gebied tegenover Jafo. 47. Maar het gebied van de nakomelingen van Dan werd hun te klein. Daarom trokken zij op en vielen Lesem aan. Zij namen de stad in en doodden de inwoners met het zwaard. Zij namen haar in bezit en gingen er wonen. Zij noemden Lesem Dan, naar hun voorvader Dan. 48. Dit was het erfdeel van de stam Dan, verdeeld naar hun families: deze steden met hun dorpen. 49. Toen de Israëlieten klaar waren met de verdeling van het land naar zijn grenzen, gaven zij Jozua, de zoon van Nun, een erfdeel onder hen. 50. Op bevel van de HEERE gaven zij hem de stad waar hij om vroeg, Timnath-Serah in het bergland van Efraïm. Hij bouwde de stad op en ging er wonen. 51. Dit zijn de erfdelen die de priester Eleazar, Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen van Israël door het lot verdeelden. Zij deden dat in Silo voor de HEERE, bij de ingang van de ontmoetingstent. Zo voltooiden zij de verdeling van het land. ## Jozua 20 — De vrijsteden 1. De HEERE zei tegen Jozua: 2. Zeg tegen de Israëlieten: Wijs de vrijsteden aan waarover ik via Mozes met jullie gesproken heb. 3. Daarheen kan iemand vluchten die per ongeluk, zonder opzet, iemand gedood heeft. Die steden zijn voor jullie een toevlucht tegen de bloedwreker. 4. Als hij naar een van die steden vlucht, gaat hij bij de ingang van de stadspoort staan. Daar vertelt hij de oudsten van die stad wat er gebeurd is. Dan nemen zij hem op in de stad en geven hem een plek om bij hen te wonen. 5. Als de bloedwreker hem achtervolgt, mogen zij de doodslager niet aan hem uitleveren. Want hij heeft zijn naaste zonder opzet gedood, zonder dat hij eerder een hekel aan hem had. 6. Hij moet in die stad blijven wonen tot hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan. Hij blijft daar tot de dood van de hogepriester die er in die tijd is. Daarna mag de doodslager terugkeren naar zijn eigen stad en zijn eigen huis, naar de stad waar hij vandaan gevlucht is. 7. Toen wezen zij deze heilige steden aan: Kedes in Galilea, in het bergland van Nafthali, en Sichem in het bergland van Efraïm. Ook wezen zij Kirjath-Arba aan, dat is Hebron, in het bergland van Juda. 8. Aan de oostkant van de Jordaan, tegenover Jericho, wezen zij Bezer aan in de woestijn, op de hoogvlakte, uit de stam Ruben. Verder Ramoth in Gilead uit de stam Gad, en Golan in Basan uit de stam Manasse. 9. Dit waren de steden die aangewezen werden voor alle Israëlieten en voor de vreemdelingen die bij hen woonden. Daarheen kon iedereen vluchten die per ongeluk iemand gedood had. Zo stierf hij niet door de hand van de bloedwreker voordat hij voor de gemeenschap terecht had gestaan. ## Jozua 21 — De steden van de Levieten 1. Toen kwamen de familiehoofden van de Levieten naar de priester Eleazar en naar Jozua, de zoon van Nun. Zij kwamen ook naar de familiehoofden van de stammen van Israël. 2. Zij spraken met hen in Silo, in het land Kanaän. Zij zeiden: De HEERE heeft via Mozes opgedragen ons steden te geven om in te wonen, met de weidegronden voor ons vee. 3. Daarom gaven de Israëlieten de Levieten op bevel van de HEERE deze steden met hun weidegronden uit hun eigen erfdeel. 4. Het lot viel eerst op de families van de Kahathieten. De nakomelingen van de priester Aäron, uit de Levieten, kregen door het lot dertien steden uit de stammen Juda, Simeon en Benjamin. 5. De overige nakomelingen van Kahath kregen door het lot tien steden. Die kwamen uit de stam Efraïm, de stam Dan en de halve stam van Manasse. 6. De nakomelingen van Gerson kregen door het lot dertien steden. Die kwamen uit de stam Issaschar, de stam Aser, de stam Nafthali en de halve stam van Manasse in Basan. 7. De nakomelingen van Merari kregen, verdeeld naar hun families, twaalf steden uit de stam Ruben, de stam Gad en de stam Zebulon. 8. Zo gaven de Israëlieten de Levieten door het lot deze steden met hun weidegronden, zoals de HEERE via Mozes had opgedragen. 9. Uit de stam Juda en de stam Simeon gaven zij de steden die hier bij naam genoemd worden. 10. Die gingen naar de nakomelingen van Aäron uit de families van de Kahathieten, van de nakomelingen van Levi. Want het eerste lot viel op hen. 11. Zij gaven hun de stad van Arba, de vader van Enak, dat is Hebron, in het bergland van Juda, met de weidegronden eromheen. 12. Maar het land van de stad en de dorpen eromheen gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne, als zijn bezit. 13. Zo gaven zij de nakomelingen van de priester Aäron de vrijstad voor de doodslager, Hebron, en Libna, met hun weidegronden, 14. Jatthir en Esthemoa, met hun weidegronden, 15. Holon en Debir, met hun weidegronden, 16. Ain, Jutta en Beth-Semes, met hun weidegronden. Dat waren negen steden uit deze twee stammen. 17. Uit de stam Benjamin kregen zij Gibeon en Geba, met hun weidegronden, 18. Anathoth en Almon, met hun weidegronden. Dat waren vier steden. 19. Alle steden van de nakomelingen van Aäron, de priesters, waren dertien steden met hun weidegronden. 20. De overige families van de Levieten, de nakomelingen van Kahath, kregen door het lot steden uit de stam Efraïm. 21. Zij kregen de vrijstad voor de doodslager, Sichem in het bergland van Efraïm, en Gezer, met hun weidegronden, 22. Kibzaïm en Beth-Horon, met hun weidegronden. Dat waren vier steden. 23. Uit de stam Dan kregen zij Elteke en Gibbethon, met hun weidegronden, 24. Ajalon en Gath-Rimmon, met hun weidegronden. Dat waren vier steden. 25. Uit de halve stam van Manasse kregen zij Taänach en Gath-Rimmon, met hun weidegronden. Dat waren twee steden. 26. In totaal kregen de families van de overige nakomelingen van Kahath tien steden met hun weidegronden. 27. De nakomelingen van Gerson, uit de families van de Levieten, kregen uit de halve stam van Manasse twee steden. Dat waren de vrijstad voor de doodslager, Golan in Basan, en Beesthera, met hun weidegronden. 28. Uit de stam Issaschar kregen zij Kisjon en Dobrath, met hun weidegronden, 29. Jarmuth en En-Gannim, met hun weidegronden. Dat waren vier steden. 30. Uit de stam Aser kregen zij Misal en Abdon, met hun weidegronden, 31. Helkath en Rehob, met hun weidegronden. Dat waren vier steden. 32. Uit de stam Nafthali kregen zij de vrijstad voor de doodslager, Kedes in Galilea, en Hammoth-Dor en Karthan, met hun weidegronden. Dat waren drie steden. 33. In totaal kregen de Gersonieten, verdeeld naar hun families, dertien steden met hun weidegronden. 34. De families van de nakomelingen van Merari, de overige Levieten, kregen uit de stam Zebulon Jokneam en Kartha, met hun weidegronden, 35. Dimna en Nahalal, met hun weidegronden. Dat waren vier steden. 36. Uit de stam Ruben kregen zij Bezer en Jahza, met hun weidegronden, 37. Kedemoth en Mefaäth, met hun weidegronden. Dat waren vier steden. 38. Uit de stam Gad kregen zij de vrijstad voor de doodslager, Ramoth in Gilead, en Mahanaïm, met hun weidegronden, 39. Hesbon en Jaëzer, met hun weidegronden. Dat waren in totaal vier steden. 40. Al deze steden waren voor de nakomelingen van Merari, verdeeld naar hun families, de overige families van de Levieten. Zij kregen door het lot twaalf steden. 41. In totaal hadden de Levieten midden in het bezit van de Israëlieten 48 steden met hun weidegronden. 42. Elk van deze steden had weidegronden rondom. Zo was het bij al die steden. 43. Zo gaf de HEERE Israël het hele land dat Hij hun voorouders onder ede beloofd had. Zij namen het in bezit en gingen er wonen. 44. De HEERE gaf hun rust rondom, zoals Hij hun voorouders onder ede beloofd had. Geen van hun vijanden hield tegen hen stand. Al hun vijanden gaf de HEERE in hun macht. 45. Van alle goede beloften die de HEERE aan het volk Israël gedaan had, bleef er niet één onvervuld. Alles kwam uit. ## Jozua 22 — Het altaar bij de Jordaan 1. Toen riep Jozua de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse bij zich. 2. Hij zei tegen hen: Jullie hebben alles gedaan wat Mozes, de dienaar van de HEERE, jullie opgedragen heeft. Jullie hebben ook naar mij geluisterd in alles wat ik jullie opgedragen heb. 3. Al die lange tijd, tot vandaag, hebben jullie je broers niet in de steek gelaten. Jullie hebben je nauwkeurig gehouden aan het gebod van de HEERE, jullie God. 4. Nu heeft de HEERE, jullie God, jullie broers rust gegeven, zoals Hij hun beloofd had. Keer daarom terug naar jullie tenten, naar jullie eigen land aan de overkant van de Jordaan. Mozes, de dienaar van de HEERE, heeft het jullie gegeven. 5. Houd je alleen nauwkeurig aan het gebod en de wet die Mozes, de dienaar van de HEERE, jullie gegeven heeft. Heb de HEERE, jullie God, lief, ga al Zijn wegen en houd je aan Zijn geboden. Houd je aan Hem vast en dien Hem met heel je hart en heel je ziel. 6. Jozua zegende hen en liet hen gaan, en zij gingen naar hun tenten. 7. Aan de ene helft van de stam Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Basan. De andere helft had Jozua een erfdeel gegeven bij hun broers, aan de westkant van de Jordaan. Toen Jozua hen naar hun tenten liet gaan, zegende hij hen. 8. Hij zei tegen hen: Keer terug naar jullie tenten met grote rijkdom en heel veel vee, met zilver, goud, koper, ijzer en heel veel kleding. Deel de buit van jullie vijanden met jullie broers. 9. Zo keerden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse terug. Zij verlieten de Israëlieten in Silo, in het land Kanaän. Zij gingen naar het land Gilead, het land dat zij op bevel van de HEERE via Mozes in bezit hadden gekregen. 10. Zij kwamen bij de oevers van de Jordaan in het land Kanaän. Daar bouwden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse een altaar. Het was een groot altaar, dat van ver te zien was. 11. De Israëlieten hoorden zeggen: Kijk, de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd. Het staat tegenover het land Kanaän, bij de oevers van de Jordaan, aan de kant van de Israëlieten. 12. Toen de Israëlieten dat hoorden, kwam de hele gemeenschap van Israël bijeen in Silo om tegen hen ten strijde te trekken. 13. De Israëlieten stuurden Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, naar de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse in het land Gilead. 14. Met hem gingen tien leiders mee, één voor elke familie uit alle stammen van Israël. Ieder van hen was het hoofd van zijn familie onder de duizenden van Israël. 15. Zij kwamen bij de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse in het land Gilead en zeiden tegen hen: 16. Zo zegt de hele gemeenschap van de HEERE: Wat is dit voor ontrouw tegenover de God van Israël? Waarom keren jullie je vandaag van de HEERE af door een eigen altaar te bouwen? Zo komen jullie vandaag in opstand tegen de HEERE! 17. Is de zonde van Peor niet genoeg voor ons? Wij zijn er tot vandaag niet van gereinigd, hoewel er toen een plaag over de gemeenschap van de HEERE kwam. 18. En nu keren jullie je vandaag van de HEERE af! Als jullie vandaag in opstand komen tegen de HEERE, zal Hij morgen woedend worden op de hele gemeenschap van Israël. 19. Als jullie eigen land onrein is, kom dan over naar het land dat van de HEERE is, waar de tabernakel van de HEERE staat. Neem land in bezit tussen ons. Maar kom niet in opstand tegen de HEERE en tegen ons door een ander altaar te bouwen dan het altaar van de HEERE, onze God. 20. Was Achan, de zoon van Zerah, niet ontrouw met wat met de ban geslagen was? Kwam er toen niet toorn over de hele gemeenschap van Israël? Hij was niet de enige die door zijn zonde omkwam. 21. Toen antwoordden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van Manasse de hoofden van de duizenden van Israël: 22. De God van de goden, de HEERE, de God van de goden, de HEERE, Hij weet het, en laat Israël het ook weten! Als het uit opstandigheid of ontrouw tegenover de HEERE is gebeurd, spaar ons dan vandaag niet. 23. Misschien hebben wij een altaar gebouwd om ons van de HEERE af te keren. Of om er brandoffers, graanoffers of dankoffers op te brengen. Laat de HEERE het dan zelf van ons eisen. 24. Nee, wij hebben dit gedaan uit zorg. Wij dachten: Later zullen jullie kinderen misschien tegen onze kinderen zeggen: Wat hebben jullie met de HEERE, de God van Israël, te maken? 25. De HEERE heeft de Jordaan als grens gelegd tussen ons en jullie, Rubenieten en Gadieten. Jullie hebben geen deel aan de HEERE. Zo zouden jullie kinderen onze kinderen ervan kunnen weerhouden de HEERE te vrezen. 26. Daarom zeiden wij: Laten wij een altaar bouwen, niet voor brandoffers of andere offers. 27. Het moet een getuige zijn tussen ons en jullie, en tussen de generaties na ons. Zo mogen wij de HEERE dienen voor Zijn aangezicht, met onze brandoffers, slachtoffers en dankoffers. Dan kunnen jullie kinderen later niet tegen onze kinderen zeggen: Jullie hebben geen deel aan de HEERE. 28. Wij zeiden: Misschien zeggen zij later zoiets tegen ons of tegen onze nakomelingen. Dan zeggen wij: Kijk naar de nabootsing van het altaar van de HEERE die onze voorouders gemaakt hebben. Die is niet voor brandoffers of andere offers, maar een getuige tussen ons en jullie. 29. Het zij verre van ons dat wij in opstand zouden komen tegen de HEERE en ons vandaag van Hem zouden afkeren. Wij zouden geen ander altaar bouwen voor brandoffers, graanoffers of slachtoffers dan het altaar van de HEERE, onze God, dat voor Zijn tabernakel staat. 30. De priester Pinehas en de leiders van de gemeenschap hoorden wat de Rubenieten, de Gadieten en de Manassieten zeiden. Ook de hoofden van de duizenden van Israël die bij hem waren, hoorden het. Zij vonden het goed. 31. Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, zei tegen de Rubenieten, de Gadieten en de Manassieten: Vandaag weten wij dat de HEERE bij ons is. Want jullie zijn de HEERE niet ontrouw geweest. Zo hebben jullie de Israëlieten gered uit de hand van de HEERE. 32. Toen keerden Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, en de leiders terug van de Rubenieten en de Gadieten in het land Gilead. Zij gingen naar het land Kanaän, naar de Israëlieten, en brachten hun verslag uit. 33. De Israëlieten vonden het antwoord goed en loofden God. Zij spraken er niet meer over om tegen hen ten strijde te trekken en het land te verwoesten waar de Rubenieten en de Gadieten woonden. 34. De Rubenieten en de Gadieten noemden het altaar Getuige. Zij zeiden: Het is een getuige tussen ons dat de HEERE God is. ## Jozua 23 — Jozua neemt afscheid van de leiders 1. Lange tijd later, toen de HEERE Israël rust had gegeven van al zijn vijanden rondom, was Jozua oud en hoogbejaard geworden. 2. Toen riep Jozua heel Israël bijeen, met hun oudsten, hoofden, rechters en bestuurders. Hij zei tegen hen: Ik ben oud en hoogbejaard geworden. 3. Jullie hebben alles gezien wat de HEERE, jullie God, met al deze volken voor jullie gedaan heeft. Want de HEERE, jullie God, heeft zelf voor jullie gestreden. 4. Kijk, ik heb jullie de volken die nog over zijn, door het lot als erfdeel voor jullie stammen gegeven. Dat geldt ook voor de volken die ik al heb uitgeroeid, van de Jordaan tot de Grote Zee in het westen. 5. De HEERE, jullie God, zal hen zelf voor jullie uit verdrijven en wegdrijven. Dan zullen jullie hun land in bezit nemen, zoals de HEERE, jullie God, jullie beloofd heeft. 6. Wees dus heel sterk om je nauwkeurig te houden aan alles wat in het wetboek van Mozes staat. Wijk er niet van af naar rechts of naar links. 7. Meng je niet met de volken die nog bij jullie zijn. Noem de naam van hun goden niet en zweer er niet bij. Dien die goden niet en buig je niet voor ze neer. 8. Houd je vast aan de HEERE, jullie God, zoals jullie tot vandaag gedaan hebben. 9. De HEERE heeft grote en machtige volken voor jullie uit verdreven. Niemand heeft tot vandaag tegen jullie stand kunnen houden. 10. Eén man van jullie jaagt er duizend op de vlucht. Want de HEERE, jullie God, strijdt zelf voor jullie, zoals Hij jullie beloofd heeft. 11. Pas daarom goed op jezelf, dat jullie de HEERE, jullie God, liefhebben. 12. Maar misschien keren jullie je toch af en sluiten jullie je aan bij de rest van deze volken die nog bij jullie zijn. Misschien trouwen jullie met hen en gaan jullie met hen om. 13. Weet dan zeker dat de HEERE, jullie God, deze volken niet meer voor jullie uit zal verdrijven. Dan worden zij voor jullie een valstrik en een net, een zweep op jullie rug en doorns in jullie ogen. Dat duurt tot jullie verdwenen zijn uit dit goede land dat de HEERE, jullie God, jullie gegeven heeft. 14. Kijk, ik ga vandaag de weg van alle mensen. Jullie weten met heel je hart en heel je ziel dat de HEERE, jullie God, al Zijn goede beloften gehouden heeft. Ze zijn allemaal uitgekomen, er is er niet één onvervuld gebleven. 15. Al het goede dat de HEERE, jullie God, beloofd had, is over jullie gekomen. Zo zal de HEERE ook al het kwade over jullie laten komen. Dat duurt tot Hij jullie uit dit goede land heeft weggevaagd dat de HEERE, jullie God, jullie gegeven heeft. 16. Dat gebeurt als jullie het verbond overtreden dat de HEERE, jullie God, jullie heeft opgedragen, en andere goden gaan dienen en je voor hen neerbuigen. Dan ontbrandt de toorn van de HEERE tegen jullie, en zullen jullie snel verdwijnen uit het goede land dat Hij jullie gegeven heeft. ## Jozua 24 — Het verbond in Sichem 1. Daarna riep Jozua alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Hij riep de oudsten van Israël, de hoofden, de rechters en de bestuurders, en zij stelden zich op voor God. 2. Jozua zei tegen het hele volk: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Lang geleden woonden jullie voorouders aan de overkant van de rivier. Het ging om Terah, de vader van Abraham en Nahor. Zij dienden andere goden. 3. Toen nam ik jullie voorvader Abraham van de overkant van de rivier. Ik liet hem door heel het land Kanaän trekken. Ik gaf hem veel nakomelingen en gaf hem Izak. 4. Aan Izak gaf ik Jakob en Ezau. Aan Ezau gaf ik het gebergte Seïr als bezit, maar Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. 5. Toen stuurde ik Mozes en Aäron. Ik trof Egypte met plagen, zoals ik daar gedaan heb, en daarna leidde ik jullie weg. 6. Ik leidde jullie voorouders uit Egypte, en jullie kwamen bij de zee. De Egyptenaren achtervolgden jullie voorouders met wagens en ruiters tot aan de Schelfzee. 7. Zij riepen tot de HEERE, en Hij legde duisternis tussen jullie en de Egyptenaren. Hij liet de zee over hen heen komen, en die bedekte hen. Jullie hebben met eigen ogen gezien wat ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebben jullie lange tijd in de woestijn gewoond. 8. Toen bracht ik jullie in het land van de Amorieten, die aan de overkant van de Jordaan woonden. Zij streden tegen jullie, maar ik gaf hen in jullie macht. Jullie namen hun land in bezit, en ik roeide hen voor jullie uit. 9. Toen maakte Balak zich klaar, de zoon van Zippor, de koning van Moab, en streed tegen Israël. Hij liet Bileam, de zoon van Beor, halen om jullie te vervloeken. 10. Maar ik wilde niet naar Bileam luisteren. Daarom zegende hij jullie steeds opnieuw, en ik redde jullie uit zijn macht. 11. Toen jullie de Jordaan overgestoken waren en bij Jericho kwamen, vielen de burgers van Jericho jullie aan. Ook de Amorieten, Ferezieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Hevieten en Jebusieten streden tegen jullie. Maar ik gaf hen in jullie macht. 12. Ik stuurde horzels voor jullie uit, die hen voor jullie verdreven, zoals de twee koningen van de Amorieten. Dat gebeurde niet door jullie zwaard of jullie boog. 13. Zo gaf ik jullie een land waarvoor jullie niet gewerkt hebben, en steden die jullie niet gebouwd hebben. Jullie wonen erin, en jullie eten van wijngaarden en olijfbomen die jullie niet geplant hebben. 14. Vrees daarom nu de HEERE en dien Hem oprecht en trouw. Doe de goden weg die jullie voorouders aan de overkant van de rivier en in Egypte gediend hebben. Dien de HEERE. 15. Maar als jullie het niet goed vinden de HEERE te dienen, kies dan vandaag wie jullie willen dienen. Kies de goden die jullie voorouders aan de overkant van de rivier dienden, of de goden van de Amorieten in wier land jullie wonen. Maar ik en mijn gezin, wij zullen de HEERE dienen! 16. Het volk antwoordde: Het zij verre van ons dat wij de HEERE zouden verlaten om andere goden te dienen. 17. Want de HEERE is onze God. Hij heeft ons en onze voorouders uit het land Egypte, uit het slavenhuis, weggeleid. Hij heeft voor onze ogen die grote tekenen gedaan. Hij heeft ons beschermd op heel de weg die wij gingen en onder alle volken waar wij doorheen trokken. 18. De HEERE heeft al die volken voor ons uit verdreven, ook de Amorieten die in het land woonden. Ook wij zullen de HEERE dienen, want Hij is onze God. 19. Jozua zei tegen het volk: Jullie zullen de HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God. Hij is een jaloers God. Hij zal jullie overtredingen en zonden niet vergeven. 20. Als jullie de HEERE verlaten en vreemde goden dienen, zal Hij zich tegen jullie keren. Hij zal jullie kwaad doen en jullie vernietigen, nadat Hij jullie eerst goed gedaan heeft. 21. Maar het volk zei tegen Jozua: Nee, wij zullen de HEERE dienen. 22. Jozua zei tegen het volk: Jullie zijn getuigen tegen jezelf dat jullie de HEERE gekozen hebben om Hem te dienen. Zij zeiden: Wij zijn getuigen. 23. Doe dan nu de vreemde goden weg die bij jullie zijn, en keer je hart naar de HEERE, de God van Israël. 24. Het volk zei tegen Jozua: Wij zullen de HEERE, onze God, dienen en naar Hem luisteren. 25. Zo sloot Jozua die dag een verbond met het volk. Hij gaf hun in Sichem een voorschrift en een regel. 26. Jozua schreef deze woorden in het wetboek van God. Hij nam een grote steen en richtte die daar op onder de eik bij het heiligdom van de HEERE. 27. Jozua zei tegen het hele volk: Kijk, deze steen zal een getuige tegen ons zijn. Want hij heeft alle woorden gehoord die de HEERE tegen ons gesproken heeft. Hij zal een getuige tegen jullie zijn, zodat jullie je God niet verloochenen. 28. Toen liet Jozua het volk gaan, ieder naar zijn eigen erfdeel. 29. Na deze gebeurtenissen stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEERE. Hij was 110 jaar oud. 30. Zij begroeven hem in zijn eigen erfdeel, in Timnath-Serah in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs. 31. Israël diende de HEERE zolang Jozua leefde. Ook zolang de oudsten leefden die Jozua overleefden, bleef Israël de HEERE dienen. Zij kenden al het werk dat de HEERE voor Israël gedaan had. 32. De beenderen van Jozef, die de Israëlieten uit Egypte hadden meegenomen, begroeven zij in Sichem. Dat was op het stuk land dat Jakob voor honderd zilverstukken had gekocht van de zonen van Hemor, de vader van Sichem. Het was het erfdeel van de nakomelingen van Jozef geworden. 33. Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Zij begroeven hem op de heuvel van zijn zoon Pinehas, die hem gegeven was in het bergland van Efraïm. ## Richteren 1 — De stammen strijden om het land 1. Na de dood van Jozua vroegen de Israëlieten de HEERE: Wie van ons moet als eerste optrekken tegen de Kanaänieten om tegen hen te strijden? 2. De HEERE antwoordde: Juda moet optrekken. Kijk, ik geef het land in zijn macht. 3. Juda zei tegen zijn broer Simeon: Trek met mij op in het gebied dat mij is toegewezen, en laten wij samen tegen de Kanaänieten strijden. Dan trek ik ook met jou op in jouw gebied. Toen trok Simeon met hem mee. 4. Juda trok op, en de HEERE gaf de Kanaänieten en de Ferezieten in hun macht. Zij versloegen bij Bezek 10.000 man. 5. In Bezek troffen zij Adoni-Bezek aan. Zij streden tegen hem en versloegen de Kanaänieten en de Ferezieten. 6. Adoni-Bezek vluchtte, maar zij achtervolgden hem en grepen hem. Zij hakten zijn duimen en zijn grote tenen af. 7. Adoni-Bezek zei: Zeventig koningen met afgehakte duimen en grote tenen raapten kruimels op onder mijn tafel. Wat ik gedaan heb, heeft God mij nu vergolden. Zij brachten hem naar Jeruzalem, en daar stierf hij. 8. De nakomelingen van Juda hadden Jeruzalem aangevallen en ingenomen. Zij hadden de inwoners met het zwaard gedood en de stad in brand gestoken. 9. Daarna trokken de nakomelingen van Juda naar beneden om te strijden tegen de Kanaänieten in het bergland, in het zuiden en in het laagland. 10. Juda trok ook op tegen de Kanaänieten in Hebron, dat vroeger Kirjath-Arba heette. Zij versloegen Sesai, Ahiman en Talmai. 11. Van daar trok hij op tegen de inwoners van Debir, dat vroeger Kirjath-Sefer heette. 12. Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer aanvalt en inneemt, geef ik mijn dochter Achsa als vrouw. 13. Othniël, de zoon van Kenaz, de jongere broer van Kaleb, nam de stad in. Kaleb gaf hem zijn dochter Achsa als vrouw. 14. Toen zij bij hem kwam, haalde zij hem over om haar vader om een stuk land te vragen. Zij liet zich van haar ezel glijden, en Kaleb vroeg haar: Wat is er? 15. Zij zei tegen hem: Geef mij een zegen. U hebt mij droog land in het zuiden gegeven, geef mij nu ook waterbronnen. Toen gaf Kaleb haar de bovenste en de onderste bronnen. 16. De nakomelingen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, trokken met de nakomelingen van Juda op uit de Palmstad. Zij gingen naar de woestijn van Juda, ten zuiden van Arad. Daar gingen zij tussen het volk wonen. 17. Juda trok met zijn broer Simeon op. Zij versloegen de Kanaänieten die in Zefath woonden en sloegen de stad met de ban. Daarom kreeg de stad de naam Horma. 18. Juda nam ook Gaza, Askelon en Ekron in, met hun gebied. 19. De HEERE was met Juda, zodat het de bewoners van het bergland verdreef. Maar de bewoners van de vlakte kon het niet verdrijven, want zij hadden ijzeren wagens. 20. Zij gaven Hebron aan Kaleb, zoals Mozes gezegd had. Hij verdreef daar de drie zonen van Enak. 21. Maar de nakomelingen van Benjamin verdreven de Jebusieten niet, die in Jeruzalem woonden. De Jebusieten wonen tot vandaag samen met de nakomelingen van Benjamin in Jeruzalem. 22. Ook het huis van Jozef trok op, tegen Bethel, en de HEERE was met hen. 23. Het huis van Jozef liet Bethel verkennen. Vroeger heette die stad Luz. 24. De verkenners zagen een man uit de stad komen. Zij zeiden tegen hem: Wijs ons toch de weg de stad in, dan zullen wij goed voor je zijn. 25. Hij wees hun de weg de stad in. Zij doodden de inwoners van de stad met het zwaard, maar lieten die man met zijn hele familie gaan. 26. De man trok naar het land van de Hethieten. Daar bouwde hij een stad en noemde die Luz. Zo heet die stad nog steeds. 27. Manasse verdreef de inwoners niet van Beth-Sean, Taänach, Dor, Jibleam en Megiddo, en ook niet van de plaatsen eromheen. De Kanaänieten wilden in dat land blijven wonen. 28. Toen Israël sterker werd, legde het de Kanaänieten dwangarbeid op. Maar het verdreef hen niet helemaal. 29. Ook Efraïm verdreef de Kanaänieten die in Gezer woonden niet. De Kanaänieten bleven in Gezer tussen hen wonen. 30. Zebulon verdreef de inwoners van Kitron en Nahalol niet. De Kanaänieten bleven tussen hen wonen, maar moesten dwangarbeid doen. 31. Aser verdreef de inwoners niet van Akko, Sidon, Achlab, Achzib, Chelba, Afik en Rechob. 32. De Aserieten gingen tussen de Kanaänieten wonen die in het land woonden, want zij verdreven hen niet. 33. Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath niet. Het ging tussen de Kanaänieten wonen die in het land woonden. Maar de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath moesten dwangarbeid doen. 34. De Amorieten drongen de nakomelingen van Dan terug in het bergland. Zij lieten hen niet naar de vlakte afdalen. 35. De Amorieten wilden blijven wonen in het gebergte Heres, in Ajalon en in Saalbim. Maar het huis van Jozef kreeg de overhand, en zij moesten dwangarbeid doen. 36. Het gebied van de Amorieten liep van de helling van Akrabbim, van de rots, en verder omhoog. ## Richteren 2 — Israël dient de Baäls 1. De engel van de HEERE ging van Gilgal naar Bochim en zei: Ik heb jullie uit Egypte geleid. Ik heb jullie gebracht in het land dat ik jullie voorouders onder ede beloofd heb. Ik heb gezegd: Ik zal mijn verbond met jullie nooit verbreken. 2. Maar jullie mochten geen verbond sluiten met de bewoners van dit land, en jullie moesten hun altaren afbreken. Jullie hebben niet naar mij geluisterd. Waarom hebben jullie dat gedaan? 3. Daarom heb ik ook gezegd: Ik zal hen niet voor jullie uit verdrijven. Zij zullen jullie in de zij steken, en hun goden zullen voor jullie een valstrik zijn. 4. Toen de engel van de HEERE deze woorden tot alle Israëlieten gesproken had, begon het volk luid te huilen. 5. Daarom noemden zij die plaats Bochim. Zij brachten daar offers aan de HEERE. 6. Toen Jozua het volk had laten gaan, waren de Israëlieten ieder naar zijn erfdeel gegaan om het land in bezit te nemen. 7. Het volk diende de HEERE zolang Jozua leefde. Ook zolang de oudsten leefden die Jozua overleefden, bleef het volk de HEERE dienen. Zij hadden al de grote daden gezien die de HEERE voor Israël gedaan had. 8. Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEERE, stierf. Hij was 110 jaar oud. 9. Zij begroeven hem in zijn eigen erfdeel, in Timnath-Heres in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs. 10. Ook die hele generatie ging naar haar voorouders. Er kwam een nieuwe generatie na hen, die de HEERE niet kende en ook niet wist wat Hij voor Israël gedaan had. 11. Toen deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEERE, en dienden de Baäls. 12. Zij verlieten de HEERE, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte had geleid. Zij volgden andere goden, goden van de volken om hen heen, en bogen zich voor hen neer. Zo maakten zij de HEERE kwaad. 13. Zij verlieten de HEERE en dienden Baäl en de Astartes. 14. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. Hij gaf hen in de macht van plunderaars, die hen beroofden. Hij leverde hen uit aan hun vijanden rondom, zodat zij niet meer tegen hun vijanden stand konden houden. 15. Waar zij ook heen trokken, de hand van de HEERE was tegen hen, zoals de HEERE gezegd en gezworen had. Zij kwamen in grote nood. 16. Toen liet de HEERE rechters opstaan. Die redden hen uit de macht van hun plunderaars. 17. Maar ook naar hun rechters luisterden zij niet. Zij waren ontrouw en liepen achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. Al snel weken zij af van de weg die hun voorouders gegaan waren, gehoorzaam aan de geboden van de HEERE. Zij deden niet zoals hun voorouders. 18. Telkens als de HEERE rechters voor hen liet opstaan, was de HEERE met die rechter. Hij redde hen uit de macht van hun vijanden zolang die rechter leefde. Want de HEERE had medelijden met hen als zij kermden onder hun onderdrukkers en verdrukkers. 19. Maar als de rechter stierf, vervielen zij opnieuw en deden het nog erger dan hun voorouders. Zij volgden andere goden, dienden die en bogen zich voor hen neer. Zij hielden niet op met hun slechte daden en hun koppige levenswijze. 20. Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. Hij zei: Dit volk heeft mijn verbond overtreden dat ik hun voorouders heb opgedragen, en heeft niet naar mij geluisterd. 21. Daarom zal ik niemand meer voor hen uit verdrijven van de volken die Jozua bij zijn dood heeft overgelaten. 22. Zo wil ik Israël door die volken op de proef stellen. Ik wil zien of zij de weg van de HEERE willen gaan, zoals hun voorouders gedaan hebben, of niet. 23. Daarom liet de HEERE die volken blijven en verdreef Hij hen niet snel. Hij had hen ook niet in de macht van Jozua gegeven. ## Richteren 3 — Othniël, Ehud en Samgar 1. Dit zijn de volken die de HEERE liet blijven om Israël op de proef te stellen. Het ging om alle Israëlieten die de oorlogen om Kanaän niet hadden meegemaakt. 2. Zo zouden de generaties van de Israëlieten die oorlog nog niet kenden, leren wat oorlog is. 3. Het waren de vijf vorsten van de Filistijnen, alle Kanaänieten, de Sidoniërs, en de Hevieten in het gebergte van de Libanon. Die woonden van de berg Baäl-Hermon tot waar men Hamath binnenkomt. 4. Door hen wilde Hij Israël op de proef stellen. Hij wilde weten of zij zouden luisteren naar de geboden die de HEERE hun voorouders via Mozes had gegeven. 5. Zo woonden de Israëlieten tussen de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten. 6. Zij trouwden met hun dochters en gaven hun eigen dochters aan hun zonen. Zij dienden hun goden. 7. De Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de HEERE. Zij vergaten de HEERE, hun God, en dienden de Baäls en de gewijde palen. 8. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. Hij leverde hen uit aan Kuschan-Rischataïm, de koning van Mesopotamië. Acht jaar lang moesten de Israëlieten Kuschan-Rischataïm dienen. 9. Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE, en de HEERE liet een redder voor hen opstaan die hen redde. Dat was Othniël, de zoon van Kenaz, de jongere broer van Kaleb. 10. De Geest van de HEERE kwam over hem, en hij werd rechter over Israël. Hij trok ten strijde, en de HEERE gaf Kuschan-Rischataïm, de koning van Aram, in zijn macht. Zo kreeg hij de overhand over Kuschan-Rischataïm. 11. Toen had het land veertig jaar rust. Daarna stierf Othniël, de zoon van Kenaz. 12. Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht is in de ogen van de HEERE. Toen maakte de HEERE Eglon, de koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat zij deden wat slecht is in de ogen van de HEERE. 13. Eglon verzamelde de Ammonieten en de Amalekieten om zich heen. Hij trok op en versloeg Israël, en zij namen de Palmstad in. 14. De Israëlieten moesten Eglon, de koning van Moab, achttien jaar dienen. 15. Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE, en de HEERE liet een redder voor hen opstaan. Dat was Ehud, de zoon van Gera, uit de stam Benjamin, een linkshandige man. De Israëlieten stuurden via hem een schatting naar Eglon, de koning van Moab. 16. Ehud maakte voor zichzelf een tweesnijdend zwaard van ongeveer 45 centimeter lang. Hij bond het onder zijn kleren aan zijn rechterheup. 17. Hij bracht de schatting naar Eglon, de koning van Moab. Eglon was een heel dikke man. 18. Toen hij de schatting had aangeboden, stuurde hij de mannen die de schatting gedragen hadden, weg. 19. Maar hij keerde zelf terug bij de beelden bij Gilgal en zei: Ik heb een geheime boodschap voor u, koning. De koning zei: Stil! Toen gingen allen die bij hem stonden, naar buiten. 20. Ehud kwam naar hem toe, terwijl hij alleen zat in zijn koele bovenkamer. Ehud zei: Ik heb een woord van God voor u. Toen stond hij op van zijn troon. 21. Ehud stak zijn linkerhand uit, pakte het zwaard van zijn rechterheup en stak het hem in zijn buik. 22. Zelfs het handvat ging achter het lemmet naar binnen, en het vet sloot zich om het lemmet. Want hij trok het zwaard niet uit zijn buik, en de ingewanden kwamen naar buiten. 23. Toen ging Ehud naar buiten, door de voorhal. Hij sloot de deuren van de bovenkamer achter zich en deed ze op slot. 24. Toen hij weg was, kwamen de dienaren van de koning. Zij zagen dat de deuren van de bovenkamer op slot waren. Zij zeiden: Hij doet vast zijn behoefte in de koele kamer. 25. Zij wachtten tot zij er verlegen van werden, maar hij deed de deuren van de bovenkamer niet open. Toen pakten zij de sleutel en maakten open. En kijk, daar lag hun heer dood op de grond. 26. Terwijl zij aarzelden, was Ehud ontkomen. Hij was de beelden voorbij gegaan en vluchtte naar Seïra. 27. Toen hij daar aankwam, blies hij op de ramshoorn in het bergland van Efraïm. De Israëlieten kwamen met hem uit het bergland naar beneden, en hij ging voor hen uit. 28. Hij zei tegen hen: Volg mij, want de HEERE heeft jullie vijanden, de Moabieten, in jullie macht gegeven. Zij volgden hem naar beneden en bezetten de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan naar Moab. Zij lieten niemand oversteken. 29. In die tijd versloegen zij ongeveer 10.000 Moabieten, allemaal sterke en dappere mannen. Niet één ontkwam. 30. Zo werd Moab op die dag aan Israël onderworpen, en het land had tachtig jaar rust. 31. Na hem kwam Samgar, de zoon van Anath. Hij versloeg 600 Filistijnen met een ossenstok. Zo redde ook hij Israël. ## Richteren 4 — Debora en Barak 1. Na de dood van Ehud deden de Israëlieten opnieuw wat slecht is in de ogen van de HEERE. 2. Daarom leverde de HEERE hen uit aan Jabin, de koning van Kanaän, die in Hazor regeerde. Zijn legeraanvoerder was Sisera, die in Haroseth-Haggojim woonde. 3. Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE. Want Jabin had 900 ijzeren wagens, en hij had de Israëlieten twintig jaar lang hard onderdrukt. 4. In die tijd was Debora rechter over Israël. Zij was een profetes, de vrouw van Lappidoth. 5. Zij zat onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Bethel in het bergland van Efraïm. De Israëlieten kwamen bij haar om recht te krijgen. 6. Zij liet Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes in Nafthali roepen. Zij zei tegen hem: Heeft de HEERE, de God van Israël, je niet opgedragen: Ga en trek naar de berg Tabor? Neem 10.000 man mee uit Nafthali en Zebulon. 7. Ik zal Sisera, de legeraanvoerder van Jabin, met zijn wagens en zijn leger naar je toe lokken bij de beek Kison. Ik zal hem in jouw macht geven. 8. Barak zei tegen haar: Als u met mij meegaat, ga ik. Maar als u niet met mij meegaat, ga ik niet. 9. Zij zei: Ik ga zeker met je mee. Maar de eer van deze tocht zal niet voor jou zijn. Want de HEERE zal Sisera uitleveren aan een vrouw. Toen maakte Debora zich klaar en ging met Barak naar Kedes. 10. Barak riep Zebulon en Nafthali bijeen in Kedes. Hij trok op met 10.000 man achter zich, en Debora ging met hem mee. 11. Heber, de Keniet, had zich afgescheiden van de Kenieten, de nakomelingen van Hobab, de schoonvader van Mozes. Hij had zijn tenten opgeslagen bij de eik in Zaanaïm, bij Kedes. 12. Sisera kreeg bericht dat Barak, de zoon van Abinoam, naar de berg Tabor was opgetrokken. 13. Toen riep Sisera al zijn wagens bijeen, 900 ijzeren wagens, en al zijn soldaten. Hij trok van Haroseth-Haggojim naar de beek Kison. 14. Debora zei tegen Barak: Kom, want vandaag geeft de HEERE Sisera in jouw macht! De HEERE trekt immers voor je uit! Toen daalde Barak af van de berg Tabor, met 10.000 man achter zich. 15. De HEERE bracht Sisera met al zijn wagens en zijn hele leger in verwarring voor Barak, en zij werden met het zwaard verslagen. Sisera sprong van zijn wagen en vluchtte te voet. 16. Barak achtervolgde de wagens en het leger tot Haroseth-Haggojim. Het hele leger van Sisera viel door het zwaard. Er bleef niet één man over. 17. Maar Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet. Want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en de familie van Heber, de Keniet. 18. Jaël ging Sisera tegemoet en zei tegen hem: Kom binnen, mijn heer, kom bij mij binnen. Wees niet bang. Hij ging bij haar de tent in, en zij bedekte hem met een deken. 19. Hij zei tegen haar: Geef mij toch wat water te drinken, want ik heb dorst. Zij opende een leren zak met melk, gaf hem te drinken en bedekte hem weer. 20. Hij zei tegen haar: Ga bij de ingang van de tent staan. Als er iemand komt die je vraagt: Is er iemand hier? zeg dan: Nee. 21. Maar Jaël, de vrouw van Heber, pakte een tentpin en een hamer. Zij sloop naar hem toe en sloeg de pin door zijn slaap, zodat die in de grond vast kwam te zitten. Hij was uitgeput in een diepe slaap gevallen, en zo stierf hij. 22. Kijk, daar kwam Barak, die Sisera achtervolgde. Jaël ging hem tegemoet en zei tegen hem: Kom, dan laat ik u de man zien die u zoekt. Hij ging bij haar binnen, en daar lag Sisera dood, met de pin door zijn slaap. 23. Zo onderwierp God op die dag Jabin, de koning van Kanaän, aan de Israëlieten. 24. De Israëlieten werden steeds sterker tegenover Jabin, de koning van Kanaän, tot zij Jabin, de koning van Kanaän, hadden uitgeroeid. ## Richteren 5 — Het lied van Debora 1. Op die dag zongen Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied: 2. Loof de HEERE, omdat Israël gewroken is, omdat het volk zich vrijwillig aanbood! 3. Luister, koningen! Hoor goed, vorsten! Ik, ik wil zingen voor de HEERE. Ik wil een lied spelen voor de HEERE, de God van Israël. 4. HEERE, toen U uittrok uit Seïr, toen U optrok uit het land van Edom, beefde de aarde. Ook de hemel druppelde, ook de wolken druppelden water. 5. De bergen smolten weg voor de HEERE, zelfs de Sinaï, voor de HEERE, de God van Israël. 6. In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jaël, lagen de wegen verlaten. Wie op reis ging, nam kronkelende omwegen. 7. In de dorpen van Israël was het leven stilgevallen, stilgevallen, tot ik opstond, ik, Debora, tot ik opstond als een moeder in Israël. 8. Toen Israël nieuwe goden koos, was er oorlog in de poorten. Was er een schild of een speer te zien bij de 40.000 in Israël? 9. Mijn hart gaat uit naar de leiders van Israël, die zich vrijwillig aanboden onder het volk. Loof de HEERE! 10. Jullie die op witte ezelinnen rijden, jullie die rechtspreken, en jullie die over de weg gaan, vertel het! 11. Vrij van het lawaai van de boogschutters, bij de plaatsen waar men water put, vertellen zij van de rechtvaardige daden van de HEERE. Zij vertellen van Zijn rechtvaardige daden voor Zijn dorpen in Israël. Toen trok het volk van de HEERE naar de poorten. 12. Word wakker, word wakker, Debora! Word wakker, word wakker, zing een lied! Sta op, Barak, en voer je gevangenen weg, zoon van Abinoam! 13. Toen liet Hij wie overgebleven waren, heersen over de machtigen onder het volk. De HEERE liet mij heersen over de sterken. 14. Uit Efraïm kwamen zij, met hun wortels in Amalek. Achter jou kwam Benjamin met jouw mensen. Uit Machir kwamen de aanvoerders naar beneden, en uit Zebulon zij die de schrijversstaf voeren. 15. Ook de vorsten van Issaschar waren bij Debora. Zoals Issaschar was, zo was ook Barak; hij werd te voet het dal in gestuurd. Bij de families van Ruben werd lang nagedacht. 16. Waarom bleef je zitten tussen de schaapskooien, om te luisteren naar het fluiten bij de kudden? Bij de families van Ruben werd diep nagedacht. 17. Gilead bleef aan de overkant van de Jordaan. En Dan, waarom bleef hij bij de schepen? Aser bleef aan de kust zitten en bleef bij zijn inhammen. 18. Maar Zebulon is een volk dat zijn leven waagde tot in de dood, net als Nafthali op de hoogten van het land. 19. De koningen kwamen en streden. Toen streden de koningen van Kanaän bij Taänach, bij het water van Megiddo. Maar zilver hebben zij niet buitgemaakt. 20. Vanuit de hemel streden de sterren. Vanuit hun banen streden zij tegen Sisera. 21. De beek Kison sleurde hen mee, de oeroude beek, de beek Kison. Mijn ziel, vertreed de sterken! 22. Toen dreunden de hoeven van de paarden bij het galopperen, het galopperen van hun sterke rossen. 23. Vervloek Meroz, zegt de engel van de HEERE. Vervloek zijn inwoners voortdurend, omdat zij de HEERE niet te hulp kwamen, de HEERE niet te hulp kwamen met de helden. 24. Gezegend boven alle vrouwen is Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet. Gezegend is zij boven de vrouwen in de tent! 25. Hij vroeg om water, zij gaf hem melk. In een kostbare schaal bracht zij hem room. 26. Haar hand greep de tentpin, haar rechterhand de hamer van de werklieden. Zij sloeg Sisera, zij verbrijzelde zijn hoofd. Zij doorboorde zijn slaap en sloeg er dwars doorheen. 27. Aan haar voeten zakte hij ineen, hij viel en lag daar. Aan haar voeten zakte hij ineen en viel. Waar hij ineenzakte, daar lag hij verslagen. 28. De moeder van Sisera keek uit door het raam en riep door de tralies: Waarom blijft zijn wagen zo lang weg? Waarom horen wij zijn wagens nog niet aankomen? 29. De wijste van haar hofdames antwoordde haar, en ook zijzelf gaf zichzelf antwoord: 30. Zij zijn toch zeker de buit aan het verdelen? Een meisje of twee voor elke man! Voor Sisera een buit van gekleurde stoffen, een buit van geborduurde, gekleurde stoffen. Aan twee kanten geborduurd, voor de hals van wie buit maakt! 31. Laten zo al Uw vijanden omkomen, HEERE! Maar laten wie Hem liefhebben, zijn als de zon wanneer die opkomt in haar kracht. En het land had veertig jaar rust. ## Richteren 6 — Gideon wordt geroepen 1. De Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de HEERE. Toen gaf de HEERE hen zeven jaar lang in de macht van de Midianieten. 2. De Midianieten kregen de overhand over Israël. Daarom maakten de Israëlieten uit angst voor hen schuilplaatsen in de bergen: holen, grotten en vestingen. 3. Want telkens als Israël gezaaid had, kwamen de Midianieten op, samen met de Amalekieten en de volken uit het oosten. Zij trokken tegen hen op. 4. Zij sloegen hun kamp tegenover hen op en vernielden de opbrengst van het land, tot aan Gaza. Zij lieten in Israël geen voedsel over, geen schapen, geen runderen en geen ezels. 5. Want zij kwamen met hun vee en hun tenten, zo talrijk als sprinkhanen. Zij en hun kamelen waren niet te tellen. Zij kwamen het land binnen om het te verwoesten. 6. Zo raakte Israël door de Midianieten diep in armoede. Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE. 7. Toen de Israëlieten vanwege de Midianieten tot de HEERE riepen, 8. stuurde de HEERE een profeet naar de Israëlieten. Die zei tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ik heb jullie uit Egypte geleid, uit het slavenhuis. 9. Ik heb jullie gered uit de macht van de Egyptenaren en uit de macht van al jullie onderdrukkers. Ik heb hen voor jullie uit verdreven en jullie hun land gegeven. 10. Ik heb tegen jullie gezegd: Ik ben de HEERE, jullie God. Vrees de goden van de Amorieten niet, in wier land jullie wonen. Maar jullie hebben niet naar mij geluisterd. 11. Toen kwam de engel van de HEERE en ging zitten onder de eik in Ofra, die van Joas, de Abiëzriet, was. Zijn zoon Gideon was tarwe aan het dorsen in de wijnpers, om die voor de Midianieten verborgen te houden. 12. De engel van de HEERE verscheen aan hem en zei tegen hem: De HEERE is met je, dappere strijder! 13. Gideon zei tegen Hem: Ach, mijn Heer, als de HEERE met ons is, waarom overkomt ons dit dan allemaal? Waar zijn al Zijn wonderen, waarover onze vaders ons verteld hebben? Zij zeiden: Heeft de HEERE ons niet uit Egypte geleid? Maar nu heeft de HEERE ons verlaten en ons aan de Midianieten uitgeleverd. 14. Toen keerde de HEERE zich naar hem toe en zei: Ga met deze kracht van je, en red Israël uit de macht van de Midianieten. Heb ik je niet gestuurd? 15. Hij zei tegen Hem: Ach, mijn Heer, hoe kan ik Israël redden? Kijk, mijn familie is de armste van Manasse, en ik ben de minste in de familie van mijn vader. 16. De HEERE zei tegen hem: Omdat ik met je zal zijn, zul je de Midianieten verslaan alsof het één man was. 17. Hij zei tegen Hem: Als ik genade heb gevonden in Uw ogen, geef mij dan een teken dat U het bent die met mij spreekt. 18. Ga hier toch niet weg voordat ik bij U terugkom met mijn geschenk en het U voorzet. Hij zei: Ik blijf tot je terugkomt. 19. Gideon ging naar binnen en maakte een geitenbokje klaar. Van ongeveer 20 liter meel bakte hij ongezuurde broden. Het vlees deed hij in een mand en de bouillon in een pot. Hij bracht het naar Hem toe onder de eik en zette het neer. 20. De engel van God zei tegen hem: Neem het vlees en de ongezuurde broden, leg ze op die rots en giet de bouillon erover. Dat deed hij. 21. De engel van de HEERE stak de punt van de staf in Zijn hand uit en raakte het vlees en de ongezuurde broden aan. Toen sloeg er vuur uit de rots, dat het vlees en de ongezuurde broden verteerde. Daarna verdween de engel van de HEERE uit zijn ogen. 22. Toen zag Gideon dat het de engel van de HEERE was. Gideon zei: Ach, Heere HEERE, ik heb de engel van de HEERE van aangezicht tot aangezicht gezien! 23. Maar de HEERE zei tegen hem: Vrede zij met je. Wees niet bang, je zult niet sterven. 24. Gideon bouwde daar een altaar voor de HEERE en noemde het: De HEERE is vrede. Het staat nog steeds in Ofra van de Abiëzrieten. 25. In diezelfde nacht zei de HEERE tegen hem: Neem de jonge stier van je vader, de tweede stier van zeven jaar oud. Breek het altaar van Baäl af dat van je vader is, en hak de gewijde paal om die ernaast staat. 26. Bouw dan boven op deze vesting, op een geschikte plek, een altaar voor de HEERE, je God. Neem de tweede stier en breng hem als brandoffer, met het hout van de gewijde paal die je omgehakt hebt. 27. Gideon nam tien van zijn knechten mee en deed wat de HEERE hem gezegd had. Maar hij was bang voor de familie van zijn vader en voor de mannen van de stad. Daarom deed hij het niet overdag, maar 's nachts. 28. Toen de mannen van de stad de volgende morgen vroeg opstonden, zagen zij het. Het altaar van Baäl was afgebroken, de gewijde paal ernaast was omgehakt, en de tweede stier was geofferd op het nieuwe altaar. 29. Zij vroegen elkaar: Wie heeft dit gedaan? Zij zochten het uit en vroegen rond. Toen zei men: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit gedaan. 30. De mannen van de stad zeiden tegen Joas: Breng je zoon naar buiten, hij moet sterven. Want hij heeft het altaar van Baäl afgebroken en de gewijde paal ernaast omgehakt. 31. Maar Joas zei tegen allen die tegenover hem stonden: Willen jullie het soms voor Baäl opnemen? Willen jullie hem redden? Wie het voor hem opneemt, wordt nog vanmorgen gedood! Als hij een god is, laat hij dan zelf voor zichzelf opkomen, nu zijn altaar is afgebroken. 32. Daarom noemde men Gideon die dag Jerubbaäl. Want men zei: Laat Baäl tegen hem strijden, omdat hij zijn altaar heeft afgebroken. 33. Alle Midianieten, Amalekieten en volken uit het oosten verzamelden zich. Zij staken over en sloegen hun kamp op in het dal van Jizreël. 34. Toen kwam de Geest van de HEERE over Gideon. Hij blies op de ramshoorn, en de Abiëzrieten werden opgeroepen om hem te volgen. 35. Hij stuurde ook boden door heel Manasse, en ook zij werden opgeroepen om hem te volgen. Hij stuurde boden naar Aser, Zebulon en Nafthali, en ook zij trokken op om hen te ontmoeten. 36. Gideon zei tegen God: Als U Israël door mij wilt redden, zoals U gezegd hebt, 37. kijk, dan leg ik een wollen vacht op de dorsvloer. Misschien ligt er dan alleen op de vacht dauw en blijft de grond eromheen droog. Dan weet ik dat U Israël door mij zult redden, zoals U gezegd hebt. 38. Zo gebeurde het. De volgende morgen stond hij vroeg op, drukte de vacht uit en wrong de dauw eruit, een schaal vol water. 39. Gideon zei tegen God: Wordt U niet kwaad op mij als ik nog één keer spreek. Laat mij het nog één keer met de vacht op de proef stellen. Laat nu alleen de vacht droog blijven en overal op de grond dauw liggen. 40. God deed dat in diezelfde nacht. Alleen de vacht bleef droog, en overal op de grond lag dauw. ## Richteren 7 — Gideon verslaat Midian 1. Jerubbaäl, dat is Gideon, stond vroeg op met al het volk dat bij hem was. Zij sloegen hun kamp op bij de bron van Harod. Het kamp van de Midianieten lag ten noorden van hen, achter de heuvel More, in het dal. 2. De HEERE zei tegen Gideon: Het volk dat bij je is, is te talrijk om Midian aan hen over te leveren. Anders zou Israël tegenover mij opscheppen en zeggen: Mijn eigen hand heeft mij gered. 3. Roep daarom nu tegen het volk: Wie bang is en beeft, moet teruggaan en snel van het gebergte Gilead weggaan. Toen gingen er 22.000 man terug, en er bleven 10.000 over. 4. De HEERE zei tegen Gideon: Het volk is nog te talrijk. Laat hen naar het water afdalen, dan zal ik hen daar voor je uitkiezen. Van wie ik tegen je zeg: Deze gaat met je mee, die gaat met je mee. Maar van wie ik zeg: Deze gaat niet met je mee, die gaat niet mee. 5. Hij liet het volk naar het water afdalen. De HEERE zei tegen Gideon: Zet iedereen die het water met zijn tong oplikt zoals een hond, apart. Doe dat ook met iedereen die op zijn knieën gaat om te drinken. 6. Het aantal mannen dat met hun hand naar hun mond likte, was 300. Alle anderen gingen op hun knieën om water te drinken. 7. De HEERE zei tegen Gideon: Door deze 300 mannen die gelikt hebben, zal ik jullie redden en Midian in jouw macht geven. Laat alle anderen gaan, ieder naar zijn eigen plaats. 8. Het volk nam de proviand en de ramshoorns mee. Gideon liet alle andere mannen van Israël naar hun tenten gaan, maar de 300 man hield hij bij zich. Het kamp van Midian lag beneden hem in het dal. 9. In diezelfde nacht zei de HEERE tegen hem: Sta op en daal af naar het kamp, want ik heb het in jouw macht gegeven. 10. Als je bang bent om aan te vallen, ga dan eerst met je knecht Pura naar het kamp. 11. Luister naar wat zij zeggen. Daarna zul je de moed hebben om het kamp aan te vallen. Toen ging hij met zijn knecht Pura naar beneden, tot aan de voorposten van het kamp. 12. De Midianieten, de Amalekieten en alle volken uit het oosten lagen in het dal, zo talrijk als sprinkhanen. Hun kamelen waren niet te tellen, zo talrijk als het zand aan de zee. 13. Toen Gideon daar aankwam, vertelde een man net een droom aan zijn kameraad. Hij zei: Kijk, ik heb gedroomd dat een rond gerstebrood het kamp van Midian in rolde. Het kwam bij de tent, sloeg ertegen en liet haar omvallen. De tent ging ondersteboven en lag plat op de grond. 14. Zijn kameraad antwoordde: Dit kan niets anders zijn dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de Israëliet. God heeft Midian en het hele kamp in zijn macht gegeven. 15. Toen Gideon de droom en de uitleg hoorde, boog hij zich neer in aanbidding. Hij ging terug naar het kamp van Israël en zei: Sta op, want de HEERE heeft het kamp van Midian in jullie macht gegeven! 16. Hij verdeelde de 300 man in drie groepen. Hij gaf ieder een ramshoorn en een lege kruik, met een fakkel in de kruik. 17. Hij zei tegen hen: Kijk naar mij en doe wat ik doe. Als ik bij de rand van het kamp kom, doen jullie precies wat ik doe. 18. Als ik op de ramshoorn blaas, samen met allen die bij mij zijn, blazen jullie ook op de ramshoorns, rondom het hele kamp. Roep dan: Voor de HEERE en voor Gideon! 19. Gideon en de honderd mannen die bij hem waren, kwamen aan de rand van het kamp. Het was aan het begin van de middelste nachtwacht, net nadat de wachten waren afgelost. Zij bliezen op de ramshoorns en sloegen de kruiken in hun handen stuk. 20. Zo bliezen alle drie de groepen op de ramshoorns en braken hun kruiken. In hun linkerhand hielden zij de fakkels en in hun rechterhand de ramshoorns om op te blazen. Zij riepen: Het zwaard van de HEERE en van Gideon! 21. Ieder bleef rondom het kamp op zijn plaats staan. Toen raakte het hele kamp in paniek. Zij schreeuwden en vluchtten. 22. Terwijl de 300 op de ramshoorns bliezen, liet de HEERE in het hele kamp de een het zwaard tegen de ander keren. Het leger vluchtte tot Beth-Sitta, richting Zereda, tot aan de grens van Abel-Mehola bij Tabbath. 23. De mannen van Israël uit Nafthali, Aser en heel Manasse werden opgeroepen, en zij achtervolgden de Midianieten. 24. Gideon stuurde ook boden door heel het bergland van Efraïm met de boodschap: Kom naar beneden, de Midianieten tegemoet. Bezet vóór hen de waterplaatsen tot Beth-Bara, en de Jordaan. Alle mannen van Efraïm werden opgeroepen, en zij bezetten de waterplaatsen tot Beth-Bara en de Jordaan. 25. Zij namen twee vorsten van Midian gevangen, Oreb en Zeëb. Oreb doodden zij bij de rots van Oreb, en Zeëb bij de wijnpers van Zeëb. Zij achtervolgden de Midianieten en brachten de hoofden van Oreb en Zeëb naar Gideon, aan de overkant van de Jordaan. ## Richteren 8 — Gideon achtervolgt de koningen van Midian 1. De mannen van Efraïm zeiden tegen hem: Waarom heb je ons dit aangedaan? Waarom heb je ons niet geroepen toen je ten strijde trok tegen de Midianieten? Zij maakten heftig ruzie met hem. 2. Maar hij zei tegen hen: Wat heb ik nu gedaan in vergelijking met jullie? Is de nalezing van Efraïm niet beter dan de hele wijnoogst van Abiëzer? 3. God heeft de vorsten van Midian, Oreb en Zeëb, in jullie macht gegeven. Wat heb ik kunnen doen in vergelijking met jullie? Toen hij dat zei, zakte hun woede. 4. Gideon kwam bij de Jordaan en stak over met de 300 mannen die bij hem waren. Zij waren uitgeput, maar bleven de vijand achtervolgen. 5. Hij zei tegen de mannen van Sukkoth: Geef toch wat broden aan het volk dat mij volgt, want zij zijn uitgeput. Ik achtervolg Zebah en Tsalmuna, de koningen van Midian. 6. Maar de leiders van Sukkoth zeiden: Heb je Zebah en Tsalmuna soms al in handen, dat wij je leger brood zouden geven? 7. Gideon zei: Goed dan! Als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn macht geeft, zal ik jullie vlees dorsen met doornen en distels uit de woestijn. 8. Van daar trok hij naar Pnuël en vroeg hun hetzelfde. Maar de mannen van Pnuël gaven hem hetzelfde antwoord als de mannen van Sukkoth. 9. Toen zei hij ook tegen de mannen van Pnuël: Als ik behouden terugkom, zal ik deze toren afbreken. 10. Zebah en Tsalmuna waren in Karkor met hun legers, ongeveer 15.000 man. Dat was alles wat over was van het hele leger van de volken uit het oosten. Er waren 120.000 gewapende mannen gesneuveld. 11. Gideon trok de weg op van de tentbewoners, ten oosten van Nobah en Jogbeha. Hij versloeg het leger, dat zich veilig voelde. 12. Zebah en Tsalmuna vluchtten, maar hij achtervolgde hen. Hij nam de twee koningen van Midian, Zebah en Tsalmuna, gevangen en joeg het hele leger schrik aan. 13. Toen Gideon, de zoon van Joas, van de strijd terugkwam, voordat de zon opkwam, 14. nam hij een jongen uit Sukkoth gevangen en ondervroeg hem. De jongen schreef voor hem de namen op van de leiders en oudsten van Sukkoth, 77 mannen. 15. Toen kwam hij bij de mannen van Sukkoth en zei: Hier zijn Zebah en Tsalmuna. Over hen hebben jullie mij bespot. Jullie zeiden: Heb je Zebah en Tsalmuna soms al in handen, dat wij je uitgeputte mannen brood zouden geven? 16. Hij nam de oudsten van die stad, en doorns en distels uit de woestijn. Daarmee leerde hij de mannen van Sukkoth een lesje. 17. Hij brak de toren van Pnuël af en doodde de mannen van de stad. 18. Toen vroeg hij Zebah en Tsalmuna: Hoe zagen de mannen eruit die jullie bij de Tabor gedood hebben? Zij zeiden: Zij waren net als jij. Ieder van hen zag eruit als een koningszoon. 19. Hij zei: Het waren mijn broers, de zonen van mijn moeder. Zo waar de HEERE leeft: als jullie hen in leven hadden gelaten, zou ik jullie niet doden! 20. Hij zei tegen Jether, zijn oudste zoon: Sta op en dood hen. Maar de jongen trok zijn zwaard niet, want hij was bang, omdat hij nog jong was. 21. Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta zelf op en val ons aan. Want zoals de man is, zo is zijn kracht. Gideon stond op en doodde Zebah en Tsalmuna. Hij nam de maanvormige sieraden die aan de halzen van hun kamelen hingen. 22. De mannen van Israël zeiden tegen Gideon: Wees onze heerser, u, uw zoon en uw kleinzoon. Want u hebt ons uit de macht van Midian gered. 23. Maar Gideon zei tegen hen: Ik zal niet over jullie heersen, en ook mijn zoon zal niet over jullie heersen. De HEERE zal over jullie heersen. 24. Gideon zei verder tegen hen: Ik wil jullie om één ding vragen. Geef mij ieder een ring uit jullie buit. De vijanden hadden namelijk gouden ringen gedragen, want het waren Ismaëlieten. 25. Zij zeiden: Die geven wij graag. Zij spreidden een mantel uit, en ieder gooide er een ring uit zijn buit op. 26. Het goud van de ringen waar hij om gevraagd had, woog ongeveer 19 kilo. Daarbij kwamen nog de maanvormige sieraden, de hangers en de purperen kleren van de koningen van Midian, en de kettingen van hun kamelen. 27. Gideon maakte er een efod van en zette die in zijn stad Ofra neer. Heel Israël liep er daar ontrouw achteraan. Zo werd hij een valstrik voor Gideon en zijn familie. 28. Zo werd Midian aan de Israëlieten onderworpen, en het hief zijn hoofd niet meer op. Het land had veertig jaar rust, zolang Gideon leefde. 29. Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging terug naar zijn huis en woonde daar. 30. Gideon had zeventig zonen, zijn eigen nakomelingen, want hij had veel vrouwen. 31. Zijn bijvrouw in Sichem baarde hem ook een zoon, en hij noemde hem Abimelech. 32. Gideon, de zoon van Joas, stierf op hoge leeftijd. Hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas in Ofra van de Abiëzrieten. 33. Na de dood van Gideon keerden de Israëlieten zich opnieuw af. Zij liepen ontrouw achter de Baäls aan en maakten Baäl-Berith tot hun god. 34. De Israëlieten dachten niet meer aan de HEERE, hun God, die hen gered had uit de macht van al hun vijanden rondom. 35. Ook toonden zij geen dankbaarheid tegenover de familie van Jerubbaäl, dat is Gideon, voor al het goede dat hij voor Israël gedaan had. ## Richteren 9 — Abimelech 1. Abimelech, de zoon van Jerubbaäl, ging naar Sichem, naar de broers van zijn moeder. Hij sprak met hen en met de hele familie van zijn grootvader van moederskant. Hij zei: 2. Vraag de burgers van Sichem toch: Wat is beter voor jullie? Dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaäl, over jullie heersen, of dat één man over jullie heerst? Denk eraan dat ik jullie eigen vlees en bloed ben. 3. De broers van zijn moeder zeiden al deze woorden over hem tegen de burgers van Sichem. Hun hart ging uit naar Abimelech, want zij zeiden: Hij is onze broer. 4. Zij gaven hem zeventig zilverstukken uit de tempel van Baäl-Berith. Daarmee huurde Abimelech nietsnutten en avonturiers, die hem volgden. 5. Hij ging naar het huis van zijn vader in Ofra en doodde zijn broers, de zonen van Jerubbaäl, zeventig mannen, op één steen. Maar Jotham, de jongste zoon van Jerubbaäl, bleef over, want hij had zich verstopt. 6. Toen kwamen alle burgers van Sichem en heel Beth-Millo bijeen. Zij gingen naar de hoge eik bij Sichem en maakten Abimelech daar koning. 7. Toen Jotham dat hoorde, ging hij op de top van de berg Gerizim staan. Hij riep met luide stem tegen hen: Luister naar mij, burgers van Sichem, dan zal God naar jullie luisteren. 8. Eens gingen de bomen op weg om een koning over zich te zalven. Zij zeiden tegen de olijfboom: Wees jij koning over ons. 9. Maar de olijfboom zei tegen hen: Zou ik mijn olie opgeven, waarmee men God en mensen eert? Zou ik gaan zweven boven de bomen? 10. Toen zeiden de bomen tegen de vijgenboom: Kom jij, wees koning over ons. 11. Maar de vijgenboom zei tegen hen: Zou ik mijn zoetheid en mijn goede vrucht opgeven? Zou ik gaan zweven boven de bomen? 12. Toen zeiden de bomen tegen de wijnstok: Kom jij, wees koning over ons. 13. Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn wijn opgeven, die God en mensen blij maakt? Zou ik gaan zweven boven de bomen? 14. Toen zeiden alle bomen tegen de doornstruik: Kom jij, wees koning over ons. 15. De doornstruik zei tegen de bomen: Als jullie mij echt tot koning over jullie willen zalven, kom dan schuilen in mijn schaduw. Maar zo niet, laat er dan vuur uit de doornstruik komen dat de ceders van de Libanon verteert. 16. Hebben jullie nu eerlijk en oprecht gehandeld door Abimelech koning te maken? Hebben jullie Jerubbaäl en zijn familie goed behandeld? Hebben jullie hem gegeven wat zijn daden verdienden? 17. Want mijn vader heeft voor jullie gestreden en zijn leven gewaagd. Hij heeft jullie gered uit de macht van Midian. 18. Maar jullie zijn vandaag tegen de familie van mijn vader in opstand gekomen. Jullie hebben zijn zonen, zeventig mannen, op één steen gedood. Jullie hebben Abimelech, de zoon van zijn slavin, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij jullie broer is. 19. Als jullie vandaag eerlijk en oprecht gehandeld hebben tegenover Jerubbaäl en zijn familie, wees dan blij met Abimelech, en laat hij blij zijn met jullie. 20. Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan van Abimelech dat de burgers van Sichem en Beth-Millo verteert. En laat er vuur uitgaan van de burgers van Sichem en Beth-Millo dat Abimelech verteert! 21. Toen vluchtte Jotham weg. Hij ging naar Beër en bleef daar wonen, uit angst voor zijn broer Abimelech. 22. Abimelech heerste drie jaar over Israël. 23. Toen stuurde God een boze geest tussen Abimelech en de burgers van Sichem, en de burgers van Sichem werden Abimelech ontrouw. 24. Zo werd het geweld tegen de zeventig zonen van Jerubbaäl gewroken. Hun bloed kwam op Abimelech, hun broer, die hen gedood had. Het kwam ook op de burgers van Sichem, die hem geholpen hadden zijn broers te doden. 25. De burgers van Sichem legden op de bergtoppen hinderlagen tegen hem. Zij beroofden iedereen die daar langs de weg kwam. Dat werd aan Abimelech gemeld. 26. Gaäl, de zoon van Ebed, kwam met zijn broers naar Sichem. De burgers van Sichem stelden hun vertrouwen op hem. 27. Zij gingen het veld in, oogstten hun wijngaarden en persten de druiven. Zij hielden feest en gingen de tempel van hun god binnen. Daar aten en dronken zij en vervloekten Abimelech. 28. Gaäl, de zoon van Ebed, zei: Wie is Abimelech, en wie is Sichem, dat wij hem zouden dienen? Is hij niet de zoon van Jerubbaäl, en Zebul zijn opzichter? Dien liever de mannen van Hemor, de vader van Sichem! Waarom zouden wij hem dienen? 29. Had ik dit volk maar onder mijn bevel! Dan zou ik Abimelech wel verdrijven. En hij riep Abimelech toe: Maak je leger groot en trek uit! 30. Toen Zebul, de bestuurder van de stad, hoorde wat Gaäl, de zoon van Ebed, zei, werd hij woedend. 31. In het geheim stuurde hij boden naar Abimelech met de boodschap: Kijk, Gaäl, de zoon van Ebed, is met zijn broers naar Sichem gekomen. Zij zetten de stad tegen u op. 32. Maak u daarom vannacht klaar, u en het volk dat bij u is. Leg een hinderlaag in het veld. 33. Sta morgenochtend bij zonsopgang vroeg op en val de stad aan. Als hij met zijn volk tegen u uittrekt, doe dan met hem wat nodig is. 34. Abimelech maakte zich die nacht klaar met al het volk dat bij hem was. Zij legden in vier groepen een hinderlaag bij Sichem. 35. Gaäl, de zoon van Ebed, ging naar buiten en ging bij de ingang van de stadspoort staan. Toen kwamen Abimelech en al het volk dat bij hem was, uit de hinderlaag tevoorschijn. 36. Gaäl zag het volk en zei tegen Zebul: Kijk, daar komt volk van de bergtoppen naar beneden. Maar Zebul zei tegen hem: Je ziet de schaduwen van de bergen voor mensen aan. 37. Gaäl zei opnieuw: Kijk, daar komt volk naar beneden van het midden van het land. Een andere groep komt over de weg van de eik Meonenim. 38. Toen zei Zebul tegen hem: Waar is nu je grote mond? Je zei: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen? Is dit niet het volk dat je veracht hebt? Trek dan nu uit en strijd tegen hem! 39. Gaäl trok aan het hoofd van de burgers van Sichem uit en streed tegen Abimelech. 40. Abimelech achtervolgde hem, en hij vluchtte voor hem. Veel mensen vielen gewond neer, tot aan de ingang van de stadspoort. 41. Abimelech bleef in Aruma, en Zebul verdreef Gaäl en zijn broers, zodat zij niet meer in Sichem konden wonen. 42. De volgende dag trok het volk het veld in, en dat werd aan Abimelech gemeld. 43. Hij nam het volk, verdeelde het in drie groepen en legde een hinderlaag in het veld. Toen hij zag dat het volk de stad uit kwam, viel hij hen aan en versloeg hen. 44. Abimelech en de groep die bij hem was, stormden naar voren en bezetten de ingang van de stadspoort. De twee andere groepen vielen iedereen in het veld aan en versloegen hen. 45. Abimelech streed die hele dag tegen de stad. Hij nam haar in en doodde het volk dat erin was. Hij verwoestte de stad en bestrooide haar met zout. 46. Toen alle burgers van de toren van Sichem dat hoorden, gingen zij de burcht van de tempel van El-Berith in. 47. Abimelech hoorde dat alle burgers van de toren van Sichem daar bijeen waren. 48. Toen ging Abimelech met al zijn volk de berg Zalmon op. Abimelech pakte een bijl, hakte een tak van een boom en legde die op zijn schouder. Hij zei tegen het volk dat bij hem was: Wat jullie mij hebben zien doen, doe dat snel na. 49. Ook al het volk hakte ieder een tak af. Zij volgden Abimelech en legden de takken tegen de burcht. Daarmee staken zij de burcht in brand. Zo kwamen ook alle mensen van de toren van Sichem om, ongeveer duizend mannen en vrouwen. 50. Daarna trok Abimelech naar Tebez. Hij belegerde Tebez en nam de stad in. 51. Maar midden in de stad stond een sterke toren. Alle mannen en vrouwen, alle burgers van de stad, vluchtten daarheen. Zij sloten zich op en klommen op het dak van de toren. 52. Abimelech kwam bij de toren en viel die aan. Hij kwam tot aan de ingang van de toren om die in brand te steken. 53. Maar een vrouw gooide een bovenste molensteen op het hoofd van Abimelech en verbrijzelde zijn schedel. 54. Snel riep hij de jongen die zijn wapens droeg. Hij zei tegen hem: Trek je zwaard en dood mij, zodat men niet van mij zegt: Een vrouw heeft hem gedood. Zijn wapendrager doorstak hem, en hij stierf. 55. Toen de mannen van Israël zagen dat Abimelech dood was, gingen zij ieder naar huis. 56. Zo vergold God Abimelech het kwaad dat hij zijn vader had aangedaan door zijn zeventig broers te doden. 57. Ook al het kwaad van de mannen van Sichem liet God op hun eigen hoofd neerkomen. Zo trof hen de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl. ## Richteren 10 — Tola en Jaïr; Israël in nood 1. Na Abimelech stond Tola op om Israël te redden. Hij was de zoon van Pua, de zoon van Dodo, een man uit Issaschar. Hij woonde in Samir, in het bergland van Efraïm. 2. Hij was 23 jaar rechter over Israël. Toen stierf hij en werd in Samir begraven. 3. Na hem stond Jaïr op, de Gileadiet. Hij was 22 jaar rechter over Israël. 4. Hij had dertig zonen, die op dertig ezelsveulens reden. Zij hadden dertig steden, die tot vandaag Havvoth-Jaïr heten. Die liggen in het land Gilead. 5. Jaïr stierf en werd in Kamon begraven. 6. De Israëlieten deden opnieuw wat slecht is in de ogen van de HEERE. Zij dienden de Baäls en de Astartes, en de goden van Aram, Sidon, Moab, de Ammonieten en de Filistijnen. Zij verlieten de HEERE en dienden Hem niet meer. 7. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. Hij leverde hen uit aan de Filistijnen en de Ammonieten. 8. Die onderdrukten en vertrapten de Israëlieten vanaf dat jaar. Achttien jaar lang onderdrukten zij alle Israëlieten aan de overkant van de Jordaan, in het land van de Amorieten in Gilead. 9. De Ammonieten staken ook de Jordaan over om te strijden tegen Juda, Benjamin en het huis van Efraïm. Zo kwam Israël in grote nood. 10. Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE: Wij hebben tegen U gezondigd. Wij hebben onze God verlaten en de Baäls gediend. 11. Maar de HEERE zei tegen de Israëlieten: Heb ik jullie niet gered van de Egyptenaren, de Amorieten, de Ammonieten en de Filistijnen? 12. Ook de Sidoniërs, de Amalekieten en de Maonieten onderdrukten jullie. Toen jullie tot mij riepen, heb ik jullie toen niet uit hun macht gered? 13. Toch hebben jullie mij verlaten en andere goden gediend. Daarom zal ik jullie niet meer redden. 14. Ga maar roepen tot de goden die jullie gekozen hebben. Laten die jullie redden in jullie tijd van nood. 15. De Israëlieten zeiden tegen de HEERE: Wij hebben gezondigd. Doe met ons wat goed is in Uw ogen. Maar red ons toch vandaag! 16. Zij deden de vreemde goden bij zich weg en dienden de HEERE. Toen kon Hij de ellende van Israël niet langer aanzien. 17. De Ammonieten werden opgeroepen en sloegen hun kamp op in Gilead. Ook de Israëlieten kwamen bijeen en sloegen hun kamp op in Mizpa. 18. Het volk, de leiders van Gilead, zeiden tegen elkaar: Wie is de man die de strijd tegen de Ammonieten begint? Hij zal het hoofd worden van alle inwoners van Gilead. ## Richteren 11 — Jefta 1. Jefta, de Gileadiet, was een dapper strijder. Hij was de zoon van een prostituee, en Gilead was zijn vader. 2. Ook de vrouw van Gilead baarde hem zonen. Toen die zonen groot waren, joegen zij Jefta weg. Zij zeiden tegen hem: Jij krijgt geen erfdeel in de familie van onze vader, want je bent de zoon van een andere vrouw. 3. Jefta vluchtte voor zijn broers en ging in het land Tob wonen. Daar verzamelden zich nietsnutten om Jefta heen, die met hem op pad gingen. 4. Enige tijd later begonnen de Ammonieten oorlog tegen Israël. 5. Toen de Ammonieten tegen Israël streden, gingen de oudsten van Gilead Jefta uit het land Tob halen. 6. Zij zeiden tegen Jefta: Kom, word onze aanvoerder, dan kunnen wij tegen de Ammonieten strijden. 7. Maar Jefta zei tegen de oudsten van Gilead: Hebben jullie mij niet gehaat en mij uit de familie van mijn vader weggejaagd? Waarom komen jullie nu naar mij toe, nu jullie in nood zijn? 8. De oudsten van Gilead zeiden tegen Jefta: Daarom komen wij nu juist terug bij jou. Ga met ons mee en strijd tegen de Ammonieten. Dan word je het hoofd over alle inwoners van Gilead. 9. Jefta zei tegen de oudsten van Gilead: Jullie willen mij terughalen om tegen de Ammonieten te strijden. Als de HEERE hen dan aan mij overlevert, word ik dan echt jullie hoofd? 10. De oudsten van Gilead zeiden tegen Jefta: De HEERE is getuige tussen ons. Wij zullen zeker doen wat je zegt. 11. Toen ging Jefta met de oudsten van Gilead mee, en het volk maakte hem tot hoofd en aanvoerder. Jefta herhaalde al zijn woorden voor de HEERE in Mizpa. 12. Jefta stuurde boden naar de koning van de Ammonieten en liet zeggen: Wat heeft u tegen mij? Waarom bent u naar mij toe gekomen om mijn land aan te vallen? 13. De koning van de Ammonieten zei tegen de boden van Jefta: Israël heeft mijn land afgenomen toen het uit Egypte kwam. Het ging van de Arnon tot de Jabbok en de Jordaan. Geef het mij nu vreedzaam terug. 14. Jefta stuurde opnieuw boden naar de koning van de Ammonieten. 15. Hij liet zeggen: Zo zegt Jefta: Israël heeft het land van Moab en het land van de Ammonieten niet afgenomen. 16. Toen Israël uit Egypte kwam, trok het door de woestijn tot aan de Schelfzee en kwam in Kades. 17. Israël stuurde boden naar de koning van Edom met de vraag: Laat mij door uw land trekken. Maar de koning van Edom luisterde niet. Israël vroeg het ook aan de koning van Moab, maar ook die wilde niet. Daarom bleef Israël in Kades. 18. Daarna trok het door de woestijn en om het land van Edom en Moab heen. Het kwam aan de oostkant van het land van Moab en sloeg zijn kamp op aan de overkant van de Arnon. Maar het kwam niet in het gebied van Moab, want de Arnon is de grens van Moab. 19. Toen stuurde Israël boden naar Sihon, de koning van de Amorieten, de koning van Hesbon. Israël liet hem zeggen: Laat ons toch door uw land trekken naar onze plaats. 20. Maar Sihon vertrouwde Israël niet en liet het niet door zijn gebied trekken. Sihon verzamelde al zijn volk, sloeg zijn kamp op in Jahaz en streed tegen Israël. 21. De HEERE, de God van Israël, gaf Sihon met al zijn volk in de macht van Israël, en zij versloegen hen. Zo nam Israël het hele land van de Amorieten in bezit, die daar woonden. 22. Zij namen het hele gebied van de Amorieten in bezit, van de Arnon tot de Jabbok en van de woestijn tot de Jordaan. 23. Zo heeft de HEERE, de God van Israël, de Amorieten voor Zijn volk Israël uit verdreven. En zou u hun land nu in bezit nemen? 24. Neemt u niet in bezit wat uw god Kamos u geeft? Zo nemen wij alles in bezit wat de HEERE, onze God, voor ons verdrijft. 25. Bent u soms beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning van Moab? Heeft hij ooit ruzie gezocht met Israël of oorlog tegen hen gevoerd? 26. Israël woont al 300 jaar in Hesbon en Aroër met de dorpen eromheen, en in alle steden langs de Arnon. Waarom hebt u ze in al die tijd niet teruggenomen? 27. Ik heb niets tegen u misdaan, maar u doet mij onrecht door tegen mij te strijden. Laat de HEERE, de Rechter, vandaag rechtspreken tussen de Israëlieten en de Ammonieten. 28. Maar de koning van de Ammonieten luisterde niet naar de boodschap die Jefta hem gestuurd had. 29. Toen kwam de Geest van de HEERE over Jefta. Hij trok door Gilead en Manasse, en naar Mizpa in Gilead. Van Mizpa in Gilead trok hij op tegen de Ammonieten. 30. Jefta deed de HEERE een gelofte: Als U de Ammonieten werkelijk in mijn macht geeft, 31. dan zal wat mij het eerst tegemoet komt uit de deur van mijn huis, als ik behouden terugkom van de Ammonieten, voor de HEERE zijn. Ik zal het als brandoffer brengen. 32. Toen trok Jefta op tegen de Ammonieten om tegen hen te strijden, en de HEERE gaf hen in zijn macht. 33. Hij bracht hun een zware nederlaag toe, van Aroër tot waar men Minnith binnenkomt, twintig steden, en tot Abel-Keramim. Zo werden de Ammonieten aan de Israëlieten onderworpen. 34. Toen Jefta bij zijn huis in Mizpa kwam, kwam zijn dochter hem tegemoet met tamboerijnen en dansen. Zij was zijn enige kind. Hij had verder geen zoon of dochter. 35. Toen hij haar zag, scheurde hij zijn kleren en zei: Ach, mijn dochter, je brengt mij helemaal in de ellende! Jij bent een van hen die mij in het ongeluk storten. Want ik heb de HEERE iets beloofd, en ik kan niet terug. 36. Zij zei tegen hem: Mijn vader, als u de HEERE iets beloofd hebt, doe dan met mij wat u beloofd hebt. De HEERE heeft u immers volledig gewroken op uw vijanden, de Ammonieten. 37. Zij zei verder tegen haar vader: Sta mij één ding toe. Laat mij twee maanden gaan. Dan trek ik de bergen in en huil ik met mijn vriendinnen erom dat ik maagd blijf. 38. Hij zei: Ga maar. Hij liet haar twee maanden gaan. Zij ging met haar vriendinnen weg en huilde in de bergen erom dat zij maagd bleef. 39. Na die twee maanden kwam zij terug bij haar vader, en hij voltrok aan haar de gelofte die hij had gedaan. Zij had nooit met een man geslapen. Het werd een gewoonte in Israël 40. dat de dochters van Israël elk jaar vier dagen weggingen om met de dochter van Jefta, de Gileadiet, te spreken. ## Richteren 12 — Jefta en Efraïm; Ebzan, Elon en Abdon 1. De mannen van Efraïm werden opgeroepen en staken over naar het noorden. Zij zeiden tegen Jefta: Waarom ben je tegen de Ammonieten gaan strijden zonder ons te roepen om met je mee te gaan? Wij zullen je huis met jou erin in brand steken. 2. Jefta zei tegen hen: Ik en mijn volk hadden een zware strijd met de Ammonieten. Ik heb jullie geroepen, maar jullie hebben mij niet uit hun macht gered. 3. Toen ik zag dat jullie mij niet hielpen, waagde ik mijn leven en trok op tegen de Ammonieten. En de HEERE gaf hen in mijn macht. Waarom komen jullie dan vandaag naar mij toe om tegen mij te strijden? 4. Jefta riep alle mannen van Gilead bijeen en streed tegen Efraïm. De mannen van Gilead versloegen Efraïm. Want de Efraïmieten hadden gezegd: Jullie Gileadieten zijn maar vluchtelingen uit Efraïm, tussen Efraïm en Manasse in. 5. De Gileadieten bezetten de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan naar Efraïm. Als een van de vluchtende Efraïmieten zei: Laat mij oversteken, vroegen de mannen van Gilead hem: Ben jij een Efraïmiet? Als hij dan zei: Nee, 6. dan zeiden zij tegen hem: Zeg eens Schibboleth. Als hij dan zei: Sibboleth, omdat hij het niet goed kon uitspreken, grepen zij hem en doodden hem bij de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan. In die tijd vielen er van Efraïm 42.000 man. 7. Jefta was zes jaar rechter over Israël. Toen stierf Jefta, de Gileadiet, en werd begraven in een van de steden van Gilead. 8. Na hem was Ebzan uit Bethlehem rechter over Israël. 9. Hij had dertig zonen. Dertig dochters liet hij buiten zijn familie trouwen, en dertig vrouwen van buiten liet hij met zijn zonen trouwen. Hij was zeven jaar rechter over Israël. 10. Toen stierf Ebzan en werd in Bethlehem begraven. 11. Na hem was Elon, de Zebuloniet, rechter over Israël. Hij was tien jaar rechter over Israël. 12. Elon, de Zebuloniet, stierf en werd begraven in Ajalon, in het land van Zebulon. 13. Na hem was Abdon, de zoon van Hillel, de Pirhathoniet, rechter over Israël. 14. Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen, die op zeventig ezelsveulens reden. Hij was acht jaar rechter over Israël. 15. Toen stierf Abdon, de zoon van Hillel, de Pirhathoniet. Hij werd begraven in Pirhathon in het land van Efraïm, in het bergland van de Amalekieten. ## Richteren 13 — De geboorte van Simson 1. De Israëlieten deden opnieuw wat slecht is in de ogen van de HEERE. Daarom gaf de HEERE hen veertig jaar in de macht van de Filistijnen. 2. Er was een man uit Zora, uit de familie van de Danieten. Hij heette Manoach. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had geen kinderen gekregen. 3. De engel van de HEERE verscheen aan deze vrouw. Hij zei tegen haar: Kijk, je bent onvruchtbaar en hebt geen kinderen gekregen. Maar je zult zwanger worden en een zoon krijgen. 4. Pas daarom goed op. Drink geen wijn of sterke drank, en eet niets wat onrein is. 5. Want je zult zwanger worden en een zoon krijgen. Er mag nooit een scheermes op zijn hoofd komen. Want die jongen zal vanaf de moederschoot een Nazireër van God zijn. Hij zal beginnen Israël te redden uit de macht van de Filistijnen. 6. De vrouw ging naar haar man en zei tegen hem: Er kwam een man van God naar mij toe. Hij zag eruit als een engel van God, zeer ontzagwekkend. Ik heb Hem niet gevraagd waar Hij vandaan kwam, en Hij heeft mij Zijn naam niet gezegd. 7. Maar Hij zei tegen mij: Je zult zwanger worden en een zoon krijgen. Drink daarom geen wijn of sterke drank, en eet niets wat onrein is. Want die jongen zal een Nazireër van God zijn, vanaf de moederschoot tot de dag van zijn dood. 8. Toen bad Manoach vurig tot de HEERE: Ach HEERE, laat de man van God die U gestuurd hebt, toch opnieuw bij ons komen. Laat Hij ons leren wat wij moeten doen met de jongen die geboren zal worden. 9. God verhoorde Manoach, en de engel van God kwam opnieuw bij de vrouw. Zij zat in het veld, maar haar man Manoach was niet bij haar. 10. De vrouw liep snel naar haar man en vertelde het hem. Zij zei tegen hem: Kijk, de man die laatst bij mij kwam, is mij opnieuw verschenen. 11. Manoach stond op en ging met zijn vrouw mee. Hij kwam bij de man en zei tegen Hem: Bent U de man die met deze vrouw gesproken heeft? Hij zei: Ja, dat ben ik. 12. Manoach zei: Laat Uw woorden nu uitkomen. Maar hoe moet de jongen leven, en wat moet hij doen? 13. De engel van de HEERE zei tegen Manoach: De vrouw moet zich houden aan alles wat ik haar gezegd heb. 14. Zij mag niets eten wat van de wijnstok komt. Zij mag geen wijn of sterke drank drinken, en niets eten wat onrein is. Zij moet zich houden aan alles wat ik haar geboden heb. 15. Manoach zei tegen de engel van de HEERE: Laat ons U toch hier houden. Dan maken wij een geitenbokje voor U klaar. 16. Maar de engel van de HEERE zei tegen Manoach: Ook als je mij hier houdt, zal ik niet van je brood eten. Maar als je een brandoffer wilt brengen, breng het dan aan de HEERE. Manoach wist namelijk niet dat het de engel van de HEERE was. 17. Manoach zei tegen de engel van de HEERE: Wat is Uw naam? Dan kunnen wij U eren wanneer Uw woord uitkomt. 18. De engel van de HEERE zei tegen hem: Waarom vraag je naar mijn naam? Die is toch Wonderlijk. 19. Toen nam Manoach het geitenbokje en het graanoffer en offerde het op de rots aan de HEERE. Toen deed Hij iets wonderlijks, terwijl Manoach en zijn vrouw toekeken. 20. Toen de vlam van het altaar naar de hemel opsteeg, steeg de engel van de HEERE op in de vlam van het altaar. Toen Manoach en zijn vrouw dat zagen, vielen zij met hun gezicht ter aarde. 21. De engel van de HEERE verscheen niet meer aan Manoach en zijn vrouw. Toen begreep Manoach dat het de engel van de HEERE was. 22. Manoach zei tegen zijn vrouw: Wij zullen zeker sterven, want wij hebben God gezien. 23. Maar zijn vrouw zei tegen hem: Als de HEERE ons had willen doden, had Hij het brandoffer en het graanoffer niet van ons aangenomen. Dan had Hij ons dit alles niet laten zien, en ons nu niet zoiets laten horen. 24. Later kreeg de vrouw een zoon, en zij noemde hem Simson. De jongen groeide op, en de HEERE zegende hem. 25. De Geest van de HEERE begon hem af en toe te drijven in het kamp van Dan, tussen Zora en Esthaol. ## Richteren 14 — Simson en de vrouw uit Timna 1. Simson ging naar Timna. Daar zag hij een vrouw, een van de dochters van de Filistijnen. 2. Hij ging terug en vertelde het aan zijn vader en moeder. Hij zei: Ik heb in Timna een vrouw gezien, een van de dochters van de Filistijnen. Neem haar nu voor mij als vrouw. 3. Maar zijn vader en moeder zeiden tegen hem: Is er geen vrouw onder de dochters van je familie of in heel ons volk? Moet je een vrouw gaan halen bij de onbesneden Filistijnen? Simson zei tegen zijn vader: Neem haar voor mij, want zij bevalt mij. 4. Zijn vader en moeder wisten niet dat dit van de HEERE kwam. Hij zocht een aanleiding tegen de Filistijnen, want in die tijd heersten de Filistijnen over Israël. 5. Simson ging met zijn vader en moeder naar Timna. Toen zij bij de wijngaarden van Timna kwamen, kwam er een jonge leeuw brullend op hem af. 6. Toen kwam de Geest van de HEERE over hem. Hij scheurde de leeuw uiteen zoals je een bokje uiteenscheurt, en hij had niets in zijn hand. Maar hij vertelde zijn vader en moeder niet wat hij gedaan had. 7. Hij ging naar de vrouw en sprak met haar, en zij beviel Simson. 8. Enige tijd later ging hij terug om met haar te trouwen. Onderweg ging hij kijken naar het dode lichaam van de leeuw. Daar zat een zwerm bijen in het lichaam van de leeuw, met honing. 9. Hij schepte de honing in zijn handen en at ervan terwijl hij verder liep. Hij ging naar zijn vader en moeder en gaf hun ervan, en zij aten. Maar hij vertelde hun niet dat hij de honing uit het lichaam van de leeuw had gehaald. 10. Zijn vader ging naar de vrouw, en Simson gaf daar een bruiloftsfeest, want zo deden de jonge mannen dat. 11. Toen zij hem zagen, kozen zij dertig bruiloftsgasten, die bij hem zouden zijn. 12. Simson zei tegen hen: Ik geef jullie een raadsel op. Als jullie het mij binnen de zeven dagen van het feest goed uitleggen, geef ik jullie dertig linnen hemden en dertig stel feestkleren. 13. Maar als jullie het mij niet kunnen uitleggen, geven jullie mij dertig linnen hemden en dertig stel feestkleren. Zij zeiden tegen hem: Geef je raadsel maar op, dan horen wij het. 14. Hij zei tegen hen: Uit de eter kwam eten, en uit de sterke kwam zoetheid. Drie dagen lang konden zij het raadsel niet uitleggen. 15. Op de zevende dag zeiden zij tegen de vrouw van Simson: Haal je man over om ons het raadsel uit te leggen. Anders verbranden wij jou en de familie van je vader. Hebben jullie ons uitgenodigd om ons te beroven? Is het niet zo? 16. De vrouw van Simson huilde bij hem en zei: Je haat mij alleen maar, je houdt niet van mij. Je hebt de mannen van mijn volk een raadsel opgegeven, maar mij heb je het niet uitgelegd. Hij zei tegen haar: Ik heb het zelfs mijn vader en moeder niet uitgelegd. Zou ik het dan jou uitleggen? 17. Zij huilde bij hem, al de zeven dagen van het feest. Op de zevende dag legde hij het haar uit, omdat zij hem zo onder druk zette. Toen legde zij het raadsel uit aan de mannen van haar volk. 18. Op de zevende dag, voordat de zon onderging, zeiden de mannen van de stad tegen hem: Wat is zoeter dan honing? Wat is sterker dan een leeuw? Hij zei tegen hen: Als jullie niet met mijn kalf hadden geploegd, hadden jullie mijn raadsel niet opgelost. 19. Toen kwam de Geest van de HEERE over hem. Hij ging naar Askelon en doodde daar dertig man. Hij nam hun kleren en gaf de feestkleren aan de mannen die het raadsel hadden uitgelegd. Hij was woedend en ging terug naar het huis van zijn vader. 20. De vrouw van Simson werd gegeven aan de bruiloftsgast die zijn metgezel was geweest. ## Richteren 15 — Simson wreekt zich op de Filistijnen 1. Enige tijd later, in de tijd van de tarweoogst, ging Simson met een geitenbokje zijn vrouw bezoeken. Hij zei: Ik wil naar mijn vrouw in haar kamer. Maar haar vader liet hem niet binnen. 2. Haar vader zei: Ik dacht echt dat je een grote hekel aan haar had. Daarom heb ik haar aan je metgezel gegeven. Is haar jongere zus niet mooier dan zij? Neem haar toch in haar plaats. 3. Simson zei tegen hen: Deze keer ben ik onschuldig tegenover de Filistijnen als ik hun kwaad doe. 4. Simson ging weg en ving 300 vossen. Hij nam fakkels, bond de vossen staart aan staart en deed telkens een fakkel tussen twee staarten. 5. Hij stak de fakkels aan en liet de vossen los in het graan van de Filistijnen dat nog op het veld stond. Zo stak hij de schoven en het staande graan in brand, en zelfs de wijngaarden en olijfbomen. 6. De Filistijnen vroegen: Wie heeft dit gedaan? Men zei: Simson, de schoonzoon van de Timniet. Want die heeft zijn vrouw afgenomen en haar aan zijn metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen en verbrandden haar en haar vader. 7. Simson zei tegen hen: Doen jullie zoiets? Dan zal ik mij zeker op jullie wreken, en pas daarna zal ik ophouden. 8. Hij versloeg hen met harde slagen, schenkel en heup. Daarna ging hij weg en woonde in een kloof van de rots Etam. 9. Toen trokken de Filistijnen op, sloegen hun kamp op in Juda en verspreidden zich bij Lechi. 10. De mannen van Juda vroegen: Waarom zijn jullie tegen ons opgetrokken? Zij zeiden: Wij zijn gekomen om Simson te binden. Wij willen met hem doen wat hij met ons gedaan heeft. 11. Toen gingen 3.000 mannen uit Juda naar de kloof in de rots Etam. Zij zeiden tegen Simson: Weet je niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom heb je ons dit dan aangedaan? Hij zei tegen hen: Wat zij mij gedaan hebben, heb ik hun gedaan. 12. Zij zeiden tegen hem: Wij zijn gekomen om je te binden en je aan de Filistijnen uit te leveren. Simson zei tegen hen: Zweer mij dat jullie mij zelf niet zullen aanvallen. 13. Zij zeiden tegen hem: Nee, wij zullen je alleen binden en aan hen uitleveren. Wij zullen je zeker niet doden. Zij bonden hem met twee nieuwe touwen en brachten hem weg van de rots. 14. Toen hij bij Lechi kwam, kwamen de Filistijnen hem juichend tegemoet. Maar de Geest van de HEERE kwam over hem. De touwen om zijn armen werden als linnen draden die door vuur verbrand zijn, en de boeien smolten van zijn handen. 15. Hij vond een verse ezelskaak. Hij stak zijn hand uit, pakte die en versloeg daarmee 1.000 man. 16. Toen zei Simson: Met een ezelskaak, één hoop, twee hopen! Met een ezelskaak heb ik 1.000 man verslagen. 17. Toen hij uitgesproken was, gooide hij de kaak weg. Hij noemde die plaats Ramath-lechi. 18. Hij kreeg grote dorst en riep tot de HEERE: U hebt door de hand van Uw dienaar deze grote redding gegeven. Moet ik nu van dorst sterven en in de handen vallen van deze onbesnedenen? 19. Toen spleet God de holte in Lechi open, en er kwam water uit, en hij dronk. Zijn kracht kwam terug en hij leefde op. Daarom noemde hij die bron: De bron van de roeper. Die ligt tot vandaag in Lechi. 20. Hij was twintig jaar rechter over Israël, in de tijd van de Filistijnen. ## Richteren 16 — Simson en Delila 1. Simson ging naar Gaza. Daar zag hij een prostituee, en hij sliep met haar. 2. Aan de inwoners van Gaza werd verteld: Simson is hier gekomen. Zij omsingelden hem en loerden de hele nacht op hem in de stadspoort. De hele nacht hielden zij zich stil. Zij zeiden: Zodra het licht wordt, doden wij hem. 3. Maar Simson bleef tot middernacht liggen. Om middernacht stond hij op en greep de deuren van de stadspoort met de beide posten. Hij rukte ze los met grendel en al en zette ze op zijn schouders. Hij droeg ze naar de top van de berg tegenover Hebron. 4. Daarna werd hij verliefd op een vrouw in het dal van Sorek. Zij heette Delila. 5. De vorsten van de Filistijnen gingen naar haar toe en zeiden tegen haar: Haal hem over en zoek uit waar zijn grote kracht in zit. En hoe wij hem kunnen overmeesteren en binden, om hem te vernederen. Dan geven wij je ieder 1.100 zilverstukken. 6. Delila zei tegen Simson: Vertel mij toch waar je grote kracht in zit, en waarmee je gebonden kunt worden om je te vernederen. 7. Simson zei tegen haar: Als ze mij binden met zeven verse koorden die nog niet zijn uitgedroogd, word ik zwak. Dan ben ik als ieder ander mens. 8. De vorsten van de Filistijnen brachten haar zeven verse koorden die nog niet waren uitgedroogd. Daarmee bond zij hem. 9. In een kamer bij haar zaten mannen in hinderlaag. Zij riep tegen hem: De Filistijnen komen op je af, Simson! Toen brak hij de koorden, zoals een vlasdraad breekt als die vuur ruikt. Zo werd het geheim van zijn kracht niet bekend. 10. Delila zei tegen Simson: Je hebt mij voor de gek gehouden en tegen mij gelogen. Vertel mij nu toch waarmee je gebonden kunt worden. 11. Hij zei tegen haar: Als ze mij stevig vastbinden met nieuwe touwen waarmee nog nooit gewerkt is, word ik zwak. Dan ben ik als ieder ander mens. 12. Delila nam nieuwe touwen en bond hem daarmee. Zij riep tegen hem: De Filistijnen komen op je af, Simson! De mannen zaten in hinderlaag in de kamer. Maar hij brak de touwen van zijn armen als een draad. 13. Delila zei tegen Simson: Tot nu toe heb je mij voor de gek gehouden en tegen mij gelogen. Vertel mij toch waarmee je gebonden kunt worden. Hij zei tegen haar: Als je de zeven vlechten van mijn hoofd in het weefsel op het weefgetouw vlecht. 14. Zij zette ze vast met een pin en riep tegen hem: De Filistijnen komen op je af, Simson! Toen werd hij wakker uit zijn slaap. Hij rukte de pin en het weefgetouw met de gevlochten haren los. 15. Toen zei zij tegen hem: Hoe kun je zeggen dat je van mij houdt, terwijl je hart niet bij mij is? Nu heb je mij al drie keer voor de gek gehouden. Je hebt mij niet verteld waar je grote kracht in zit. 16. Dag na dag zette zij hem met haar woorden onder druk en viel hem lastig. Hij werd er doodmoe van. 17. Toen vertelde hij haar alles wat hij op zijn hart had. Hij zei tegen haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want vanaf de moederschoot ben ik een Nazireër van God. Als ik geschoren word, verlaat mijn kracht mij. Dan word ik zwak en ben ik als alle andere mensen. 18. Delila zag dat hij haar alles had verteld wat hij op zijn hart had. Zij liet de vorsten van de Filistijnen roepen: Kom deze keer, want hij heeft mij alles verteld wat hij op zijn hart had. De vorsten van de Filistijnen kwamen naar haar toe en brachten het geld mee. 19. Zij liet hem op haar knieën in slaap vallen. Toen riep zij een man en liet de zeven vlechten van zijn hoofd afscheren. Zo begon zij hem te vernederen, en zijn kracht verliet hem. 20. Zij riep: De Filistijnen komen op je af, Simson! Hij werd wakker uit zijn slaap en zei: Ik ga net als de andere keren naar buiten en schud mij los. Maar hij wist niet dat de HEERE van hem was geweken. 21. De Filistijnen grepen hem en staken zijn ogen uit. Zij brachten hem naar Gaza en bonden hem met twee koperen kettingen. In de gevangenis moest hij graan malen. 22. Maar het haar van zijn hoofd begon weer te groeien, nadat het was afgeschoren. 23. De vorsten van de Filistijnen kwamen bijeen om een groot offer te brengen aan hun god Dagon en om feest te vieren. Zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze macht gegeven. 24. Ook het volk zag hem en prees zijn god. Zij zeiden: Onze god heeft onze vijand in onze macht gegeven. Hij verwoestte ons land en doodde velen van ons. 25. Toen zij vrolijk waren, zeiden zij: Roep Simson, dan kan hij ons vermaken. Zij haalden Simson uit de gevangenis, en hij moest hen vermaken. Zij zetten hem tussen de pilaren. 26. Simson zei tegen de jongen die hem bij de hand hield: Laat mij de pilaren voelen waarop het gebouw rust. Dan kan ik ertegen leunen. 27. Het gebouw zat vol mannen en vrouwen. Ook alle vorsten van de Filistijnen waren daar. Op het dak stonden ongeveer 3.000 mannen en vrouwen, die toekeken hoe Simson hen vermaakte. 28. Toen riep Simson tot de HEERE: Heere HEERE, denk toch aan mij. Geef mij toch alleen deze ene keer nog kracht, o God. Dan kan ik mij op de Filistijnen wreken voor mijn twee ogen. 29. Simson pakte de twee middelste pilaren waarop het gebouw rustte en steunde. De ene pakte hij met zijn rechterhand, de andere met zijn linkerhand. 30. Simson zei: Laat mij sterven met de Filistijnen! Hij duwde met al zijn kracht, en het gebouw stortte in op de vorsten en op al het volk dat erin was. Zo doodde hij bij zijn dood meer mensen dan in zijn hele leven. 31. Toen kwamen zijn broers en de hele familie van zijn vader. Zij haalden hem op en begroeven hem tussen Zora en Esthaol, in het graf van zijn vader Manoach. Hij was twintig jaar rechter over Israël geweest. ## Richteren 17 — Micha en zijn beeld 1. Er was een man uit het bergland van Efraïm die Micha heette. 2. Hij zei tegen zijn moeder: Er zijn u 1.100 zilverstukken afgenomen. U hebt daarover een vloek uitgesproken, ook in mijn bijzijn. Kijk, dat geld is bij mij. Ik heb het genomen. Toen zei zijn moeder: Gezegend is mijn zoon door de HEERE! 3. Zo gaf hij de 1.100 zilverstukken terug aan zijn moeder. Maar zijn moeder zei: Ik heb dat geld helemaal aan de HEERE gewijd, voor mijn zoon. Er moet een gesneden en een gegoten beeld van gemaakt worden. Daarom geef ik het nu aan jou terug. 4. Maar hij gaf het geld terug aan zijn moeder. Zijn moeder nam 200 zilverstukken en gaf die aan de edelsmid. Die maakte er een gesneden en een gegoten beeld van. Dat stond in het huis van Micha. 5. Micha had een godshuis. Hij maakte een efod en terafim en wijdde een van zijn zonen, zodat die zijn priester werd. 6. In die tijd was er geen koning in Israël. Iedereen deed wat goed was in zijn eigen ogen. 7. Er was een jonge man uit Bethlehem in Juda, uit de familie van Juda. Hij was een Leviet en woonde daar als vreemdeling. 8. Deze man vertrok uit de stad Bethlehem in Juda om als vreemdeling te gaan wonen waar hij een plek kon vinden. Onderweg kwam hij in het bergland van Efraïm bij het huis van Micha. 9. Micha vroeg hem: Waar komt u vandaan? Hij zei tegen hem: Ik ben een Leviet uit Bethlehem in Juda. Ik ben op weg om als vreemdeling te wonen waar ik een plek kan vinden. 10. Micha zei tegen hem: Blijf bij mij en wees voor mij een vader en een priester. Dan geef ik u elk jaar tien zilverstukken, kleren en uw levensonderhoud. Toen ging de Leviet met hem mee. 11. De Leviet stemde ermee in om bij de man te blijven. De jonge man werd voor hem als een van zijn zonen. 12. Micha wijdde de Leviet, en de jonge man werd zijn priester. Zo woonde hij in het huis van Micha. 13. Micha zei: Nu weet ik dat de HEERE mij goed zal doen, want ik heb een Leviet als priester. ## Richteren 18 — De Danieten trekken naar Laïs 1. In die tijd was er geen koning in Israël. In die tijd zocht de stam van de Danieten een erfdeel om te wonen. Want tot die dag was er onder de stammen van Israël nog geen voldoende erfdeel aan hen toegevallen. 2. Daarom stuurden de Danieten vijf dappere mannen uit hun hele familie, uit Zora en Esthaol. Zij moesten het land verkennen en onderzoeken. Zij zeiden tegen hen: Ga het land onderzoeken. Zij kwamen in het bergland van Efraïm bij het huis van Micha en overnachtten daar. 3. Toen zij bij het huis van Micha waren, herkenden zij de stem van de jonge man, de Leviet. Zij gingen naar hem toe en vroegen hem: Wie heeft je hierheen gebracht? Wat doe je hier, en wat heb je hier te zoeken? 4. Hij zei tegen hen: Dit en dat heeft Micha voor mij gedaan. Hij heeft mij in dienst genomen, en ik ben zijn priester. 5. Zij zeiden tegen hem: Vraag toch aan God of onze tocht zal slagen. 6. De priester zei tegen hen: Ga in vrede. De tocht die jullie maken, staat onder het oog van de HEERE. 7. De vijf mannen gingen verder en kwamen in Laïs. Zij zagen dat het volk daar zorgeloos leefde, net als de Sidoniërs, rustig en onbezorgd. Er was niemand in het land die de macht had en iemand iets aandeed. Zij woonden ver van de Sidoniërs en hadden met niemand iets te maken. 8. Toen zij terugkwamen bij hun broers in Zora en Esthaol, vroegen die: Wat hebben jullie gezien? 9. Zij zeiden: Kom, laten wij tegen hen optrekken. Wij hebben het land gezien, en het is heel goed. Blijven jullie stilzitten? Wees niet te lui om te gaan en het land in bezit te nemen. 10. Als jullie daar komen, vinden jullie een zorgeloos volk, en het land is ruim. God heeft het in jullie macht gegeven. Het is een plaats waar niets ontbreekt van alles wat er op aarde is. 11. Toen trokken 600 mannen van de familie van de Danieten uit Zora en Esthaol weg, gewapend voor de strijd. 12. Zij trokken op en sloegen hun kamp op bij Kirjath-jearim in Juda. Daarom heet die plaats tot vandaag Machane-dan. Die ligt achter Kirjath-jearim. 13. Van daar trokken zij verder naar het bergland van Efraïm en kwamen bij het huis van Micha. 14. Toen namen de vijf mannen die het land Laïs hadden verkend, het woord. Zij zeiden tegen hun broers: Weten jullie dat in deze huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Bedenk dus wat jullie moeten doen. 15. Zij gingen daarheen en kwamen bij het huis van de jonge man, de Leviet, in het huis van Micha. Zij vroegen hem hoe het met hem ging. 16. De 600 gewapende mannen van de Danieten stonden bij de ingang van de poort. 17. Maar de vijf mannen die het land hadden verkend, gingen naar binnen. Zij namen het gesneden beeld, de efod, de terafim en het gegoten beeld. De priester stond bij de ingang van de poort met de 600 gewapende mannen. 18. Zij gingen het huis van Micha binnen en haalden het gesneden beeld, de efod, de terafim en het gegoten beeld weg. Toen zei de priester tegen hen: Wat doen jullie? 19. Zij zeiden tegen hem: Zwijg, leg je hand op je mond. Ga met ons mee en wees voor ons een vader en een priester. Wat is beter: priester zijn voor het huis van één man, of voor een stam en een familie in Israël? 20. Toen was de priester blij. Hij nam de efod, de terafim en het gesneden beeld en ging midden tussen het volk mee. 21. Zo keerden zij om en trokken verder. De kinderen, het vee en de bagage lieten zij voor zich uit gaan. 22. Toen zij al een eind van het huis van Micha waren, werden de mannen uit de huizen bij het huis van Micha opgeroepen. Zij haalden de Danieten in. 23. Zij riepen de Danieten na. Die draaiden zich om en zeiden tegen Micha: Wat is er met je, dat je mannen hebt opgeroepen? 24. Hij zei: Jullie hebben mijn goden die ik gemaakt had, en de priester meegenomen, en jullie gaan ervandoor. Wat heb ik nu nog over? Hoe kunnen jullie dan tegen mij zeggen: Wat is er met je? 25. Maar de Danieten zeiden tegen hem: Laat je stem bij ons niet horen. Anders vallen verbitterde mannen je aan, en verlies je je leven en het leven van je gezin. 26. Zo gingen de Danieten verder. Micha zag dat zij sterker waren dan hij. Hij keerde om en ging terug naar huis. 27. Zij namen mee wat Micha had gemaakt, en de priester die hij had gehad. Zo kwamen zij in Laïs, bij een rustig en onbezorgd volk. Zij doodden hen met het zwaard en verbrandden de stad. 28. Er was niemand die hen redde, want de stad lag ver van Sidon, en zij hadden met niemand iets te maken. De stad lag in het dal bij Beth-rechob. Daarna bouwden zij de stad weer op en gingen er wonen. 29. Zij noemden de stad Dan, naar hun vader Dan, die een zoon van Israël was. Vroeger heette de stad Laïs. 30. De Danieten zetten voor zich het gesneden beeld op. Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, was met zijn zonen priester voor de stam van de Danieten. Dat bleef zo tot de dag dat het land in ballingschap werd weggevoerd. 31. Zo stelden zij het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, bij zich op. Dat bleef zo zolang het huis van God in Silo stond. ## Richteren 19 — De misdaad in Gibea 1. In die tijd, toen er geen koning in Israël was, woonde er een Leviet als vreemdeling in het uiterste deel van het bergland van Efraïm. Hij nam een bijvrouw uit Bethlehem in Juda. 2. Maar zijn bijvrouw was hem ontrouw. Zij ging bij hem weg naar het huis van haar vader in Bethlehem in Juda. Daar bleef zij enige tijd, vier maanden. 3. Haar man ging haar achterna om haar vriendelijk toe te spreken en haar terug te halen. Zijn knecht ging mee, met twee ezels. Zij bracht hem in het huis van haar vader. Toen de vader van de jonge vrouw hem zag, was hij blij hem te ontmoeten. 4. Zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, hield hem vast, zodat hij drie dagen bij hem bleef. Zij aten en dronken en overnachtten daar. 5. Op de vierde dag stonden zij vroeg in de morgen op, en hij maakte zich klaar om te vertrekken. Maar de vader van de jonge vrouw zei tegen zijn schoonzoon: Versterk je eerst met een stuk brood. Daarna kunnen jullie gaan. 6. Zij gingen zitten en aten en dronken samen. Toen zei de vader van de jonge vrouw tegen de man: Blijf toch nog een nacht en geniet ervan. 7. Maar de man stond op om te vertrekken. Toen drong zijn schoonvader aan, en hij bleef er opnieuw overnachten. 8. Op de vijfde dag stond hij vroeg in de morgen op om te vertrekken. Maar de vader van de jonge vrouw zei: Versterk je toch eerst. Zo bleven zij tot de dag ten einde liep, en zij aten samen. 9. Toen maakte de man zich klaar om te vertrekken, met zijn bijvrouw en zijn knecht. Maar zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zei: Kijk, de dag loopt ten einde, het wordt al avond. Blijf toch hier overnachten en geniet ervan. Morgen vroeg kunnen jullie op weg gaan naar huis. 10. Maar de man wilde niet blijven overnachten. Hij vertrok en kwam tegenover Jebus, dat is Jeruzalem. Hij had de twee gezadelde ezels bij zich, en ook zijn bijvrouw. 11. Toen zij bij Jebus waren, was de dag al ver gevorderd. De knecht zei tegen zijn heer: Kom, laten wij in deze stad van de Jebusieten gaan overnachten. 12. Maar zijn heer zei tegen hem: Wij gaan niet naar een vreemde stad, waar geen Israëlieten wonen. Wij trekken verder tot Gibea. 13. Hij zei nog tegen zijn knecht: Kom, laten wij doorgaan naar een van die plaatsen, en in Gibea of Rama overnachten. 14. Zo trokken zij verder. Bij Gibea, dat bij Benjamin hoort, ging de zon onder. 15. Zij gingen de stad in om in Gibea te overnachten. Hij ging op het plein van de stad zitten, want niemand nam hen in huis om te overnachten. 16. Toen kwam er 's avonds een oude man terug van zijn werk op het veld. Hij kwam ook uit het bergland van Efraïm, maar woonde als vreemdeling in Gibea. De inwoners van die plaats waren Benjaminieten. 17. Hij keek op en zag de reiziger op het plein van de stad. De oude man vroeg: Waar ga je heen, en waar kom je vandaan? 18. Hij zei tegen hem: Wij zijn op doorreis van Bethlehem in Juda naar het uiterste deel van het bergland van Efraïm. Daar kom ik vandaan. Ik was naar Bethlehem in Juda gegaan. Nu ben ik op weg naar het huis van de HEERE, maar niemand neemt mij in huis. 19. Wij hebben toch stro en voer voor onze ezels. Er is ook brood en wijn voor mij, voor uw dienares en voor de knecht bij uw dienaren. Het ontbreekt ons aan niets. 20. Toen zei de oude man: Vrede zij met je! Wat je ook tekortkomt, ik zorg ervoor. Maar overnacht in geen geval op het plein. 21. Hij bracht hem in zijn huis en gaf de ezels voer. Zij wasten hun voeten en aten en dronken. 22. Terwijl zij het zich goed lieten gaan, omsingelden de mannen van de stad het huis. Het waren nietsnutten. Zij bonsden op de deur en zeiden tegen de oude man, de heer van het huis: Breng je gast naar buiten. Wij willen met hem slapen. 23. De man, de heer van het huis, ging naar buiten en zei tegen hen: Nee, mijn broers, doe toch niet zoiets slechts. Deze man is in mijn huis gekomen, doe dus niet zo'n schanddaad. 24. Kijk, hier zijn mijn dochter, die nog maagd is, en zijn bijvrouw. Die zal ik naar buiten brengen. Vernederen jullie hen en doe met hen wat jullie goeddunkt. Maar doe deze man niet zo'n schanddaad aan. 25. Maar de mannen wilden niet naar hem luisteren. Toen greep de man zijn bijvrouw en bracht haar naar buiten naar hen toe. Zij verkrachtten haar en misbruikten haar de hele nacht tot de morgen. Toen de dageraad aanbrak, lieten zij haar gaan. 26. Bij het aanbreken van de morgen kwam de vrouw terug. Zij viel neer bij de deur van het huis van de man bij wie haar heer was, en bleef daar liggen tot het licht werd. 27. Toen haar heer 's morgens opstond, deed hij de deuren van het huis open en ging naar buiten om verder te reizen. Daar lag de vrouw, zijn bijvrouw, bij de deur van het huis, met haar handen op de drempel. 28. Hij zei tegen haar: Sta op, laten wij gaan. Maar er kwam geen antwoord. Toen legde hij haar op de ezel, en de man ging op weg naar huis. 29. Toen hij thuiskwam, nam hij een mes, greep zijn bijvrouw en sneed haar met haar beenderen in twaalf stukken. Die stuurde hij rond door het hele gebied van Israël. 30. Iedereen die het zag, zei: Zoiets is nog nooit gebeurd of gezien, sinds de dag dat de Israëlieten uit Egypte zijn getrokken tot vandaag. Denk hierover na, geef raad en spreek! ## Richteren 20 — Oorlog tegen Benjamin 1. Toen trokken alle Israëlieten uit, van Dan tot Berseba en ook het land Gilead. De gemeenschap kwam als één man bijeen voor de HEERE in Mizpa. 2. De leiders van het hele volk, van alle stammen van Israël, stelden zich op in de bijeenkomst van het volk van God. Het waren 400.000 man voetvolk, gewapend met het zwaard. 3. De Benjaminieten hoorden dat de Israëlieten naar Mizpa waren getrokken. De Israëlieten zeiden: Vertel, hoe is dit kwaad gebeurd? 4. Toen gaf de Leviet, de man van de vrouw die gedood was, antwoord. Hij zei: Ik kwam met mijn bijvrouw in Gibea, dat bij Benjamin hoort, om te overnachten. 5. De burgers van Gibea kwamen tegen mij in opstand. Zij omsingelden 's nachts het huis om mij. Zij wilden mij doden, en mijn bijvrouw hebben zij zo vernederd dat zij gestorven is. 6. Toen greep ik mijn bijvrouw, sneed haar in stukken en stuurde die door het hele land van het erfdeel van Israël. Want zij hebben een schandelijke daad en een dwaasheid in Israël begaan. 7. Kijk, jullie zijn allemaal Israëlieten. Geef hier jullie oordeel en raad! 8. Toen stond het hele volk als één man op en zei: Niemand van ons gaat naar zijn tent, en niemand keert terug naar zijn huis. 9. Maar dit gaan wij nu met Gibea doen: wij trekken er volgens het lot tegen op. 10. Wij nemen uit alle stammen van Israël tien man van elke honderd, honderd van elke duizend en duizend van elke tienduizend. Zij moeten voedsel halen voor het volk. De anderen trekken naar Gibea in Benjamin om het te straffen voor alle dwaasheid die het in Israël heeft begaan. 11. Zo verzamelden alle mannen van Israël zich tegen de stad, als één man verbonden. 12. De stammen van Israël stuurden mannen door de hele stam van Benjamin met de vraag: Wat voor kwaad is er bij jullie gebeurd? 13. Lever nu die mannen uit, die nietsnutten in Gibea, zodat wij hen kunnen doden en het kwaad uit Israël kunnen wegdoen. Maar de Benjaminieten wilden niet luisteren naar hun broers, de Israëlieten. 14. De Benjaminieten kwamen uit hun steden bijeen in Gibea om ten strijde te trekken tegen de Israëlieten. 15. Die dag werden de Benjaminieten uit de steden geteld: 26.000 man, gewapend met het zwaard. Daarnaast werden de inwoners van Gibea geteld: 700 uitgekozen mannen. 16. Onder dit hele volk waren 700 uitgekozen mannen die linkshandig waren. Ieder van hen kon met de slinger een steen op een haar nauwkeurig werpen, zonder te missen. 17. De mannen van Israël, Benjamin niet meegerekend, werden geteld: 400.000 man, gewapend met het zwaard. Het waren allemaal strijders. 18. De Israëlieten gingen op weg naar het huis van God en vroegen God: Wie van ons moet als eerste ten strijde trekken tegen de Benjaminieten? De HEERE zei: Juda als eerste. 19. De volgende morgen gingen de Israëlieten op weg en sloegen hun kamp op tegenover Gibea. 20. De mannen van Israël trokken ten strijde tegen Benjamin. Zij stelden zich bij Gibea tegen hen op in slagorde. 21. Toen trokken de Benjaminieten Gibea uit. Die dag doodden zij van Israël 22.000 man. 22. Maar het volk, de mannen van Israël, vatte moed. Zij stelden zich opnieuw in slagorde op, op dezelfde plaats als de eerste dag. 23. De Israëlieten gingen op weg en huilden voor de HEERE tot de avond. Zij vroegen de HEERE: Moet ik opnieuw ten strijde trekken tegen mijn broer Benjamin? De HEERE zei: Trek tegen hem op. 24. Zo rukten de Israëlieten op de tweede dag op tegen de Benjaminieten. 25. Op die tweede dag trokken de Benjaminieten hun vanuit Gibea tegemoet. Zij doodden nog eens 18.000 Israëlieten. Die waren allemaal gewapend met het zwaard. 26. Toen gingen alle Israëlieten, het hele volk, naar het huis van God. Zij huilden en bleven daar voor de HEERE. Zij vastten die dag tot de avond en brachten brandoffers en dankoffers voor de HEERE. 27. De Israëlieten vroegen de HEERE om raad, want in die tijd stond daar de ark van het verbond van God. 28. Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond in die tijd voor Zijn aangezicht. Zij vroegen: Moet ik nog eens ten strijde trekken tegen mijn broer Benjamin, of moet ik ophouden? De HEERE zei: Trek op, want morgen geef ik hem in jullie macht. 29. Toen legde Israël rondom Gibea mannen in hinderlaag. 30. Op de derde dag trokken de Israëlieten op tegen de Benjaminieten. Zij stelden zich op tegenover Gibea, net als de vorige keren. 31. De Benjaminieten trokken het volk tegemoet en werden van de stad weggelokt. Zoals de vorige keren begonnen zij enkele Israëlieten te doden, ongeveer dertig man. Dat gebeurde op de wegen in het veld, waarvan de ene naar het huis van God gaat en de andere naar Gibea. 32. De Benjaminieten zeiden: Zij worden door ons verslagen, net als eerst. Maar de Israëlieten zeiden: Laten wij vluchten en hen van de stad weglokken naar de wegen. 33. Toen stonden alle mannen van Israël op uit hun plaats en stelden zich op in slagorde bij Baäl-thamar. Ook de hinderlaag van Israël brak op uit haar plaats, uit de open vlakte van Gibea. 34. Er kwamen 10.000 uitgekozen mannen uit heel Israël tegenover Gibea, en de strijd werd zwaar. Maar de Benjaminieten wisten niet dat het onheil hen zou treffen. 35. De HEERE versloeg Benjamin voor Israël. Die dag doodden de Israëlieten van Benjamin 25.100 man, allemaal gewapend met het zwaard. 36. De Benjaminieten zagen dat zij verslagen waren. De mannen van Israël waren namelijk voor Benjamin teruggeweken, omdat zij vertrouwden op de hinderlaag die zij bij Gibea hadden gelegd. 37. De mannen in hinderlaag stormden snel op Gibea af. Zij rukten de stad binnen en doodden de hele stad met het zwaard. 38. De mannen van Israël hadden met de hinderlaag een teken afgesproken: zij zouden een grote rookwolk uit de stad laten opstijgen. 39. Toen keerden de mannen van Israël om in de strijd. Benjamin was begonnen enkele Israëlieten te doden, ongeveer dertig man. Zij zeiden: Zij worden zeker door ons verslagen, net als in de vorige strijd. 40. Toen begon de rookwolk als een zuil uit de stad op te stijgen. Benjamin keek achterom, en zie, de hele stad ging in rook op naar de hemel. 41. Toen keerden de mannen van Israël zich om. De mannen van Benjamin schrokken hevig, want zij zagen dat het onheil hen trof. 42. Zij vluchtten voor de mannen van Israël in de richting van de woestijn. Maar de strijd haalde hen in, en de mannen die uit de steden kwamen, doodden hen daar tussenin. 43. Zij omsingelden Benjamin, achtervolgden hem en vertrapten hem zonder moeite, tot tegenover Gibea aan de oostkant. 44. Van Benjamin vielen 18.000 man. Het waren allemaal dappere strijders. 45. Toen keerden zij om en vluchtten naar de woestijn, naar de rots Rimmon. Maar op de wegen doodden de Israëlieten nog 5.000 man van hen. Zij bleven hen achtervolgen tot Gideom en doodden er nog 2.000. 46. Zo vielen er die dag van Benjamin in totaal 25.000 man, gewapend met het zwaard. Het waren allemaal dappere strijders. 47. Maar 600 man keerden om en vluchtten naar de woestijn, naar de rots Rimmon. Zij bleven vier maanden bij de rots Rimmon. 48. De mannen van Israël keerden terug naar de Benjaminieten en doodden hen met het zwaard. Zij doodden de mensen in de steden, en ook het vee, alles wat zij vonden. Ook alle steden die zij tegenkwamen, staken zij in brand. ## Richteren 21 — Vrouwen voor Benjamin 1. De mannen van Israël hadden in Mizpa gezworen: Niemand van ons zal zijn dochter aan een Benjaminiet als vrouw geven. 2. Het volk kwam naar het huis van God en bleef daar tot de avond voor God. Zij huilden luid en bitter. 3. Zij zeiden: HEERE, God van Israël, waarom is dit in Israël gebeurd? Waarom ontbreekt er vandaag een stam aan Israël? 4. De volgende dag stond het volk vroeg op. Zij bouwden daar een altaar en brachten brandoffers en dankoffers. 5. De Israëlieten vroegen: Wie van alle stammen van Israël is niet naar de bijeenkomst bij de HEERE gekomen? Want er was plechtig gezworen over wie niet naar de HEERE in Mizpa kwam: Die moet zeker gedood worden. 6. De Israëlieten kregen spijt over hun broer Benjamin. Zij zeiden: Vandaag is er een stam van Israël afgesneden. 7. Hoe kunnen wij zorgen voor vrouwen voor wie er zijn overgebleven? Wij hebben bij de HEERE gezworen dat wij hun geen van onze dochters als vrouw zullen geven. 8. Zij vroegen: Is er een van de stammen van Israël die niet naar de HEERE in Mizpa is gekomen? En zie, uit Jabes in Gilead was niemand naar het kamp gekomen, naar de gemeenschap. 9. Toen het volk geteld werd, bleek dat er niemand van de inwoners van Jabes in Gilead was. 10. Toen stuurde de gemeenschap 12.000 van de dapperste mannen daarheen. Zij gaven hun het bevel: Ga en dood de inwoners van Jabes in Gilead met het zwaard, ook de vrouwen en de kinderen. 11. Dit moeten jullie doen: alle mannen en alle vrouwen die al met een man hebben geslapen, moeten jullie met de ban slaan. 12. Onder de inwoners van Jabes in Gilead vonden zij 400 jonge vrouwen die maagd waren en nog nooit met een man hadden geslapen. Die brachten zij naar het kamp in Silo, in het land Kanaän. 13. Toen stuurde de hele gemeenschap boden naar de Benjaminieten bij de rots Rimmon, en zij boden hun vrede aan. 14. Toen kwamen de Benjaminieten terug, en zij gaven hun de vrouwen uit Jabes in Gilead die zij in leven hadden gelaten. Maar dat waren er niet genoeg voor hen. 15. Het volk had spijt over Benjamin, omdat de HEERE een scheur had gemaakt in de stammen van Israël. 16. De oudsten van de gemeenschap zeiden: Hoe kunnen wij zorgen voor vrouwen voor wie er zijn overgebleven? Want de vrouwen van Benjamin zijn uitgeroeid. 17. Zij zeiden verder: Het erfdeel van hen die ontkomen zijn, moet bij Benjamin blijven. Er mag geen stam uit Israël worden uitgeroeid. 18. Maar wij kunnen hun geen vrouwen van onze dochters geven. Want de Israëlieten hebben gezworen: Vervloekt is wie een Benjaminiet een vrouw geeft! 19. Toen zeiden zij: Kijk, elk jaar is er een feest van de HEERE in Silo. Dat ligt ten noorden van het huis van God en ten zuiden van Lebona. Het ligt aan de oostkant van de hoofdweg van het huis van God naar Sichem. 20. Zij gaven de Benjaminieten het bevel: Ga je verstoppen in de wijngaarden. 21. Let goed op. Wanneer de dochters van Silo naar buiten komen om in rijen te dansen, kom dan uit de wijngaarden. Ieder van jullie moet dan een vrouw voor zich roven uit de dochters van Silo. Ga daarna naar het land van Benjamin. 22. Wanneer hun vaders of broers bij ons komen klagen, zeggen wij tegen hen: Wees hun genadig, omwille van ons. Want wij hebben in deze oorlog niet voor ieder van hen een vrouw kunnen nemen. En jullie hebben ze hun niet gegeven, zodat jullie nu niet schuldig zijn. 23. De Benjaminieten deden dat. Zij namen zoveel vrouwen als zij met waren, uit de dansende meisjes die zij roofden. Daarna gingen zij terug naar hun erfdeel, bouwden de steden weer op en gingen er wonen. 24. In die tijd vertrokken de Israëlieten daarvandaan, ieder naar zijn stam en zijn familie. Zo gingen zij van daar, ieder naar zijn erfdeel. 25. In die tijd was er geen koning in Israël. Iedereen deed wat goed was in zijn eigen ogen. ## Ruth 1 — Naomi en Ruth 1. In de tijd dat de richters rechtspraken, was er hongersnood in het land. Daarom trok een man uit Bethlehem in Juda weg om als vreemdeling in het land van Moab te wonen. Hij ging met zijn vrouw en zijn twee zonen. 2. De man heette Elimelech, zijn vrouw Naomi, en zijn twee zonen Machlon en Chiljon. Het waren Efrathers uit Bethlehem in Juda. Zij kwamen in het land van Moab en bleven daar. 3. Elimelech, de man van Naomi, stierf. Zij bleef achter met haar twee zonen. 4. Die trouwden met Moabitische vrouwen. De ene heette Orpa en de andere Ruth. Zij woonden daar ongeveer tien jaar. 5. Toen stierven ook Machlon en Chiljon. Zo bleef de vrouw achter zonder haar twee zonen en zonder haar man. 6. Toen maakte zij zich met haar schoondochters klaar om uit het land van Moab terug te keren. Want zij had in Moab gehoord dat de HEERE naar Zijn volk had omgezien en hun brood had gegeven. 7. Zo vertrok zij uit de plaats waar zij had gewoond, samen met haar twee schoondochters. Zij gingen op weg om terug te keren naar het land van Juda. 8. Toen zei Naomi tegen haar twee schoondochters: Ga terug, ieder naar het huis van haar moeder. Laat de HEERE goed voor jullie zijn, zoals jullie goed zijn geweest voor de doden en voor mij. 9. Laat de HEERE jullie geven dat jullie rust vinden, ieder in het huis van een man. Toen kuste zij hen, en zij begonnen luid te huilen. 10. Zij zeiden tegen haar: Nee, wij gaan met u mee naar uw volk. 11. Maar Naomi zei: Ga terug, mijn dochters. Waarom zouden jullie met mij meegaan? Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie man kunnen worden? 12. Ga terug, mijn dochters, ga maar. Want ik ben te oud om nog te trouwen. Stel dat ik zeg: Ik heb nog hoop. Stel dat ik vannacht nog een man krijg en zelfs zonen baar. 13. Zouden jullie dan wachten tot zij groot zijn? Zouden jullie zolang ongetrouwd blijven? Nee, mijn dochters! Het is voor mij veel bitterder dan voor jullie, want de hand van de HEERE heeft zich tegen mij gekeerd. 14. Toen begonnen zij opnieuw luid te huilen. Orpa kuste haar schoonmoeder ten afscheid, maar Ruth bleef bij haar. 15. Naomi zei: Kijk, je schoonzus is teruggegaan naar haar volk en haar goden. Ga jij ook terug, net als je schoonzus. 16. Maar Ruth zei: Dring er niet bij mij op aan dat ik u verlaat en bij u vandaan ga. Want waar u heengaat, ga ik heen, en waar u overnacht, overnacht ik. Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God. 17. Waar u sterft, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden. Laat de HEERE mij zo straffen en nog erger, als iets anders dan de dood ons scheidt! 18. Toen Naomi zag dat Ruth vastbesloten was om met haar mee te gaan, drong zij niet meer aan. 19. Zo gingen die twee verder tot zij in Bethlehem kwamen. Toen zij in Bethlehem aankwamen, raakte de hele stad over hen in opschudding. De vrouwen zeiden: Is dat Naomi? 20. Maar zij zei tegen hen: Noem mij niet Naomi, noem mij Mara. Want de Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan. 21. Vol ben ik weggegaan, maar leeg heeft de HEERE mij laten terugkeren. Waarom noemen jullie mij Naomi? De HEERE heeft tegen mij getuigd, en de Almachtige heeft mij kwaad gedaan. 22. Zo kwam Naomi terug, samen met haar schoondochter Ruth, de Moabitische, die met haar uit het land van Moab was gekomen. Zij kwamen in Bethlehem aan in het begin van de gersteoogst. ## Ruth 2 — Ruth op het veld van Boaz 1. Naomi had een bloedverwant van haar man, een rijke en aanzienlijke man uit de familie van Elimelech. Hij heette Boaz. 2. Ruth, de Moabitische, zei tegen Naomi: Laat mij toch naar het veld gaan om aren op te lezen achter iemand bij wie ik genade vind. Naomi zei tegen haar: Ga maar, mijn dochter. 3. Zij ging en las aren op in het veld, achter de maaiers. Zo kwam zij toevallig op het stuk land van Boaz, die uit de familie van Elimelech was. 4. En zie, Boaz kwam uit Bethlehem en zei tegen de maaiers: De HEERE zij met jullie! Zij zeiden tegen hem: De HEERE zegene u! 5. Boaz vroeg aan de knecht die over de maaiers ging: Bij wie hoort deze jonge vrouw? 6. De knecht die over de maaiers ging, zei: Dat is de Moabitische jonge vrouw die met Naomi uit het land van Moab is teruggekomen. 7. Zij heeft gevraagd: Laat mij toch achter de maaiers aren oplezen en tussen de schoven verzamelen. Zo is zij gekomen, en zij is hier van de morgen tot nu gebleven. Zij heeft maar even in het huis gerust. 8. Toen zei Boaz tegen Ruth: Luister, mijn dochter. Ga niet in een ander veld aren oplezen. Ga ook niet hier weg, maar blijf dicht bij mijn meisjes. 9. Houd je ogen op het veld waar zij maaien en ga achter hen aan. Ik heb de knechten opgedragen je niet aan te raken. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van wat de knechten geschept hebben. 10. Toen viel zij op haar knieën en boog zich met haar gezicht ter aarde. Zij zei tegen hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u naar mij omziet? Ik ben toch een vreemde? 11. Boaz antwoordde haar: Mij is alles verteld wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man. Je hebt je vader, je moeder en je geboorteland verlaten. Je bent naar een volk gegaan dat je vroeger niet kende. 12. Laat de HEERE je belonen voor wat je gedaan hebt. Laat je loon volkomen zijn, van de HEERE, de God van Israël. Onder Zijn vleugels ben je gekomen om te schuilen. 13. Zij zei: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer. U hebt mij getroost en vriendelijk tot uw dienares gesproken, hoewel ik niet eens een van uw dienaressen ben. 14. Toen het etenstijd was, zei Boaz tegen haar: Kom hier en eet van het brood. Doop je stuk brood in de azijn. Zij ging naast de maaiers zitten. Hij gaf haar geroosterd graan, en zij at tot zij verzadigd was en hield nog over. 15. Toen zij opstond om weer aren op te lezen, gaf Boaz zijn knechten opdracht: Laat haar ook tussen de schoven oplezen. Val haar niet lastig. 16. Laat zelfs af en toe wat aren uit de bundels voor haar vallen. Laat die liggen, zodat zij ze kan oplezen, en berisp haar niet. 17. Zo las zij tot de avond aren op in dat veld. Zij klopte uit wat zij had opgelezen, en het was ongeveer 20 liter gerst. 18. Zij nam het mee en ging de stad in, en haar schoonmoeder zag wat zij had opgelezen. Ook haalde zij tevoorschijn wat zij na het eten had overgehouden, en gaf het haar. 19. Haar schoonmoeder vroeg haar: Waar heb je vandaag aren opgelezen? Waar heb je gewerkt? Gezegend is hij die naar je heeft omgezien! Zij vertelde haar schoonmoeder bij wie zij had gewerkt. Zij zei: De man bij wie ik vandaag heb gewerkt, heet Boaz. 20. Toen zei Naomi tegen haar schoondochter: Gezegend is hij door de HEERE, Die Zijn goedheid niet heeft onthouden aan de levenden en aan de doden! Naomi zei verder tegen haar: Die man is familie van ons. Hij is een van onze lossers. 21. Ruth, de Moabitische, zei: Hij heeft ook tegen mij gezegd: Blijf dicht bij mijn knechten, tot zij de hele oogst hebben binnengehaald. 22. Naomi zei tegen haar schoondochter Ruth: Het is goed, mijn dochter, dat je met zijn meisjes meegaat. Dan val je in een ander veld niemand in handen. 23. Zo bleef zij dicht bij de meisjes van Boaz om aren op te lezen, tot het einde van de gersteoogst en de tarweoogst. En zij woonde bij haar schoonmoeder. ## Ruth 3 — Ruth op de dorsvloer 1. Naomi, haar schoonmoeder, zei tegen haar: Mijn dochter, moet ik niet een rustplaats voor je zoeken, zodat het je goed gaat? 2. Nu dan, Boaz, bij wiens meisjes je bent geweest, is toch familie van ons? Kijk, vannacht is hij op de dorsvloer de gerst aan het wannen. 3. Was je dus, zalf je, trek je kleren aan en ga naar de dorsvloer. Maar laat je niet aan de man zien voordat hij klaar is met eten en drinken. 4. Als hij gaat liggen, let dan goed op de plaats waar hij ligt. Ga dan naar hem toe, sla de deken bij zijn voeten open en ga daar liggen. Hij zal je dan zeggen wat je moet doen. 5. Zij zei tegen haar: Alles wat u tegen mij zegt, zal ik doen. 6. Zij ging naar de dorsvloer en deed alles wat haar schoonmoeder haar had opgedragen. 7. Boaz at en dronk en was in een goede stemming. Toen ging hij liggen aan de rand van een hoop graan. Daarna kwam zij zachtjes naar hem toe, sloeg de deken bij zijn voeten open en ging liggen. 8. Midden in de nacht schrok de man wakker en keek om zich heen. En zie, er lag een vrouw bij zijn voeten. 9. Hij vroeg: Wie ben jij? Zij zei: Ik ben Ruth, uw dienares. Sla uw vleugel uit over uw dienares, want u bent de losser. 10. Hij zei: Gezegend ben je door de HEERE, mijn dochter! Deze laatste daad van trouw is nog groter dan de eerste. Want je bent geen jonge mannen achterna gegaan, arm of rijk. 11. Wees nu niet bang, mijn dochter. Alles wat je gezegd hebt, zal ik voor je doen. Want de hele stad van mijn volk weet dat je een voortreffelijke vrouw bent. 12. Het is waar dat ik een losser ben. Maar er is nog een losser die nauwer verwant is dan ik. 13. Blijf hier vannacht. Als hij je morgenvroeg wil lossen, goed, laat hem dan lossen. Maar als hij je niet wil lossen, dan zal ik je lossen, zo waar de HEERE leeft. Blijf liggen tot de morgen. 14. Zo bleef zij bij zijn voeten liggen tot de morgen. Zij stond op voordat men elkaar kon herkennen. Want hij zei: Niemand mag weten dat er een vrouw op de dorsvloer is gekomen. 15. Hij zei ook: Geef de omslagdoek die je draagt, en houd hem op. Zij hield hem op, en hij mat zes maten gerst af en legde die op haar. Daarna ging hij naar de stad. 16. Zij kwam bij haar schoonmoeder, die vroeg: Hoe is het gegaan, mijn dochter? Zij vertelde haar alles wat de man voor haar had gedaan. 17. Zij zei ook: Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven. Want hij zei tegen mij: Kom niet met lege handen bij je schoonmoeder. 18. Naomi zei: Wacht rustig af, mijn dochter, tot je weet hoe het afloopt. Want die man zal niet rusten voordat hij de zaak vandaag heeft afgehandeld. ## Ruth 4 — Boaz trouwt met Ruth 1. Boaz ging naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz had gesproken, kwam voorbij. Boaz zei: Kom hier en ga hier zitten, jij daar! Hij kwam en ging zitten. 2. Boaz nam tien mannen van de oudsten van de stad en zei: Ga hier zitten. Zij gingen zitten. 3. Toen zei hij tegen de losser: Naomi, die uit het land van Moab is teruggekomen, verkoopt het stuk land dat van onze broer Elimelech was. 4. Ik dacht: ik zal het je laten weten. Neem het over in het bijzijn van de inwoners en de oudsten van mijn volk. Als je het wilt lossen, los het dan. Maar als je het niet wilt lossen, zeg het mij dan, zodat ik het weet. Want er is niemand anders dan jij die het kan lossen, en ik kom na jou. Hij zei: Ik zal het lossen. 5. Maar Boaz zei: Op de dag dat je het land van Naomi overneemt, neem je het ook over van Ruth, de Moabitische. Zij is de vrouw van de overledene. Dan moet je de naam van de overledene op zijn erfdeel laten voortbestaan. 6. Toen zei de losser: Dan kan ik het niet voor mij lossen, want dan breng ik mijn eigen erfdeel in gevaar. Neem jij mijn recht van lossen maar over, want ik kan het niet lossen. 7. Vroeger was dit in Israël de gewoonte bij het lossen en bij een ruil, om de hele zaak te bevestigen. De een trok zijn sandaal uit en gaf die aan de ander. Dat gold in Israël als bewijs. 8. Zo zei de losser tegen Boaz: Neem jij het maar over. En hij trok zijn sandaal uit. 9. Toen zei Boaz tegen de oudsten en het hele volk: Jullie zijn vandaag getuigen. Ik heb alles van Naomi overgenomen wat van Elimelech was, en alles wat van Chiljon en Machlon was. 10. Ook neem ik Ruth, de Moabitische, de vrouw van Machlon, als mijn vrouw. Zo blijft de naam van de overledene op zijn erfdeel bestaan. Dan verdwijnt zijn naam niet onder zijn broers en uit de poort van zijn woonplaats. Jullie zijn vandaag getuigen. 11. Het hele volk in de poort en de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen. Laat de HEERE de vrouw die in uw huis komt, maken als Rachel en Lea, die samen het huis van Israël hebben gebouwd. Wees sterk in Efratha en maak uw naam beroemd in Bethlehem! 12. Laat uw huis worden als het huis van Perez, die Tamar aan Juda baarde. Laat dat komen uit de nakomelingen die de HEERE u bij deze jonge vrouw zal geven. 13. Zo nam Boaz Ruth, en zij werd zijn vrouw. Hij sliep met haar, en de HEERE gaf dat zij zwanger werd. Zij kreeg een zoon. 14. Toen zeiden de vrouwen tegen Naomi: Geloofd zij de HEERE, Die u vandaag niet zonder losser heeft gelaten! Laat zijn naam beroemd worden in Israël! 15. Hij zal u nieuwe levensmoed geven en u in uw ouderdom verzorgen. Want uw schoondochter, die van u houdt, heeft hem gebaard. Zij is voor u meer waard dan zeven zonen. 16. Naomi nam het kind, legde het op haar schoot en werd zijn verzorgster. 17. De buurvrouwen gaven hem een naam. Zij zeiden: Er is een zoon geboren voor Naomi. Zij noemden hem Obed. Hij is de vader van Isaï, de vader van David. 18. Dit is het geslacht van Perez: Perez was de vader van Hezron. 19. Hezron was de vader van Ram, en Ram de vader van Amminadab. 20. Amminadab was de vader van Nahesson, en Nahesson de vader van Salma. 21. Salmon was de vader van Boaz, en Boaz de vader van Obed. 22. Obed was de vader van Isaï, en Isaï de vader van David. ## 1 Samuel 1 — Hanna en de geboorte van Samuël 1. Er was een man uit Ramathaim-zofim, uit het bergland van Efraïm. Hij heette Elkana en was een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet. 2. Hij had twee vrouwen. De ene heette Hanna en de andere Peninna. Peninna had kinderen, maar Hanna had geen kinderen. 3. Deze man ging elk jaar vanuit zijn stad naar Silo om de HEERE van de legermachten te aanbidden en offers te brengen. Daar waren de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, priesters van de HEERE. 4. Op de dag dat Elkana offerde, gaf hij delen van het offer aan zijn vrouw Peninna en aan al haar zonen en dochters. 5. Maar aan Hanna gaf hij een groot deel, want hij hield van Hanna. Maar de HEERE had haar kinderloos gelaten. 6. Haar rivale tergde haar voortdurend om haar te kwetsen, omdat de HEERE haar kinderloos had gelaten. 7. Zo ging het jaar na jaar. Telkens als zij naar het huis van de HEERE ging, tergde de ander haar zo. Dan huilde Hanna en at zij niet. 8. Dan zei haar man Elkana tegen haar: Hanna, waarom huil je? Waarom eet je niet, en waarom ben je zo verdrietig? Ben ik niet meer voor je waard dan tien zonen? 9. Nadat zij in Silo gegeten en gedronken hadden, stond Hanna op. De priester Eli zat op een stoel bij de deurpost van de tempel van de HEERE. 10. Zij was diep bedroefd. Zij bad tot de HEERE en huilde hevig. 11. Zij deed een gelofte en zei: HEERE van de legermachten, zie toch de ellende van Uw dienares en denk aan mij. Vergeet Uw dienares niet, maar geef haar een zoon. Dan zal ik hem aan de HEERE geven, zijn hele leven lang. Er zal geen scheermes op zijn hoofd komen. 12. Terwijl zij lang bleef bidden voor de HEERE, lette Eli op haar mond. 13. Hanna sprak namelijk in haar hart. Alleen haar lippen bewogen, maar haar stem was niet te horen. Daarom dacht Eli dat zij dronken was. 14. Eli zei tegen haar: Hoe lang blijf je nog dronken? Zorg dat je nuchter wordt. 15. Maar Hanna antwoordde: Nee, mijn heer, ik ben een vrouw met een bezwaard gemoed. Ik heb geen wijn of sterke drank gedronken. Ik heb mijn hart uitgestort voor de HEERE. 16. Houd uw dienares niet voor een slechte vrouw. Want ik heb tot nu toe gesproken uit grote zorg en groot verdriet. 17. Toen antwoordde Eli: Ga in vrede. De God van Israël zal je geven wat je van Hem gevraagd hebt. 18. Zij zei: Laat uw dienares genade vinden in uw ogen. Toen ging de vrouw weg. Zij at, en haar gezicht stond niet meer bedroefd. 19. De volgende morgen stonden zij vroeg op en aanbaden de HEERE. Daarna gingen zij terug naar hun huis in Rama. Elkana sliep met zijn vrouw Hanna, en de HEERE dacht aan haar. 20. Na verloop van tijd werd Hanna zwanger en kreeg een zoon. Zij noemde hem Samuël, want zij zei: Ik heb hem van de HEERE gevraagd. 21. Elkana ging met zijn hele gezin naar Silo om de HEERE het jaarlijkse offer te brengen en zijn gelofte in te lossen. 22. Maar Hanna ging niet mee. Zij zei tegen haar man: Zodra de jongen gespeend is, breng ik hem. Dan kan hij voor de HEERE verschijnen en daar voor altijd blijven. 23. Haar man Elkana zei tegen haar: Doe wat jij goed vindt. Blijf thuis tot je hem gespeend hebt. Laat de HEERE Zijn woord waarmaken! Zo bleef de vrouw thuis en gaf haar zoon de borst tot zij hem speende. 24. Toen zij hem gespeend had, nam zij hem mee naar Silo, met drie stieren, ongeveer 20 liter meel en een zak wijn. Zij bracht hem in het huis van de HEERE in Silo. De jongen was nog heel jong. 25. Zij slachtten een stier en brachten het kind bij Eli. 26. Zij zei: Ach, mijn heer, zo waar u leeft, mijn heer! Ik ben de vrouw die hier bij u stond om tot de HEERE te bidden. 27. Om dit kind heb ik gebeden, en de HEERE heeft mij gegeven wat ik van Hem gevraagd heb. 28. Daarom sta ik hem ook af aan de HEERE, zijn hele leven lang. Hij is van de HEERE gevraagd. En hij aanbad daar de HEERE. ## 1 Samuel 2 — Het lied van Hanna; de zonen van Eli 1. Toen bad Hanna: Mijn hart juicht in de HEERE, mijn kracht is groot door de HEERE. Mijn mond spreekt vrijuit tegen mijn vijanden, want ik ben blij met Uw redding. 2. Niemand is heilig zoals de HEERE, want er is niemand behalve U. Er is geen rots zoals onze God. 3. Spreek niet zo hoogmoedig, laat er geen grootspraak uit jullie mond komen. Want de HEERE is een God Die alles weet, en Hij weegt de daden. 4. De boog van de sterken is gebroken, en wie struikelden, zijn met kracht omgord. 5. Wie verzadigd waren, verhuren zich voor brood, en wie honger hadden, hebben geen honger meer. Zelfs de onvruchtbare heeft er zeven gekregen, en wie veel kinderen had, is verwelkt. 6. De HEERE doodt en maakt levend. Hij laat afdalen in het dodenrijk en laat er weer uit opkomen. 7. De HEERE maakt arm en maakt rijk. Hij vernedert, maar Hij verhoogt ook. 8. Hij tilt de geringe op uit het stof, de arme haalt Hij uit het vuil. Hij laat hen zitten bij de vorsten en geeft hun een ereplaats. Want de fundamenten van de aarde zijn van de HEERE, en daarop heeft Hij de wereld gezet. 9. Hij beschermt de voeten van wie Hem trouw zijn, maar de goddelozen verstommen in de duisternis. Want niemand wint door eigen kracht. 10. Wie tegen de HEERE strijden, worden verpletterd. Vanuit de hemel laat Hij het tegen hen donderen. De HEERE zal de einden van de aarde oordelen. Hij zal Zijn koning kracht geven en Zijn gezalfde groot maken. 11. Daarna ging Elkana naar huis in Rama. Maar de jongen diende de HEERE onder toezicht van de priester Eli. 12. Maar de zonen van Eli waren nietsnutten. Zij kenden de HEERE niet. 13. Zo gingen deze priesters met het volk om. Als iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester met een drietandige vork, terwijl het vlees kookte. 14. Hij stak de vork in de ketel, de kookpot, de pan of de pot. Alles wat de vork omhoog bracht, nam de priester voor zich. Zo deden zij met alle Israëlieten die in Silo kwamen. 15. Zelfs voordat het vet in rook opging, kwam de knecht van de priester. Hij zei tegen de man die offerde: Geef vlees om voor de priester te braden. Hij neemt geen gekookt vlees van je aan, alleen rauw. 16. De man zei dan tegen hem: Laat het vet eerst in rook opgaan. Daarna kun je nemen wat je wilt. Maar dan zei hij: Nee, geef het nu. Anders neem ik het met geweld. 17. Zo was de zonde van deze jonge mannen heel groot voor de HEERE. Want de mensen gingen het offer van de HEERE minachten. 18. Maar Samuël diende de HEERE. Hij was nog een jongen en droeg een linnen priesterkleed. 19. Zijn moeder maakte elk jaar een kleine mantel voor hem. Die bracht zij hem als zij met haar man kwam om het jaarlijkse offer te brengen. 20. Eli zegende Elkana en zijn vrouw. Hij zei: Laat de HEERE je kinderen geven uit deze vrouw, in plaats van het kind dat zij voor de HEERE heeft gevraagd. Daarna gingen zij naar huis. 21. De HEERE zag naar Hanna om. Zij werd zwanger en kreeg drie zonen en twee dochters. De jonge Samuël groeide op bij de HEERE. 22. Eli was heel oud. Hij hoorde alles wat zijn zonen heel Israël aandeden. Ook hoorde hij dat zij sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de ontmoetingstent. 23. Hij zei tegen hen: Waarom doen jullie zulke dingen? Ik hoor van het hele volk over jullie slechte daden. 24. Nee, mijn zonen, wat ik hoor, is geen goed gerucht. Jullie brengen het volk van de HEERE tot overtreding. 25. Als een mens tegen een mens zondigt, zal de rechter over hem oordelen. Maar als een mens tegen de HEERE zondigt, wie zal dan voor hem pleiten? Maar zij luisterden niet naar hun vader, want de HEERE wilde hen doden. 26. De jonge Samuël groeide op en werd geliefd, zowel bij de HEERE als bij de mensen. 27. Er kwam een man van God bij Eli. Hij zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Heb ik mij niet duidelijk bekendgemaakt aan de familie van je vader? Toen waren zij in Egypte, in het huis van Farao. 28. Ik heb hem uit alle stammen van Israël voor mij als priester gekozen. Hij moest offeren op mijn altaar, reukwerk laten opgaan en de efod dragen voor mijn aangezicht. Ook heb ik de familie van je vader alle vuuroffers van de Israëlieten gegeven. 29. Waarom trappen jullie tegen mijn slachtoffers en graanoffers, die ik in mijn woning heb geboden? Waarom eer je je zonen meer dan mij? Jullie mesten je vet met het beste van alle offers van mijn volk Israël. 30. Daarom zegt de HEERE, de God van Israël: Ik had wel gezegd dat je familie en die van je vader altijd voor mij zouden leven. Maar nu zegt de HEERE: Daar komt niets van! Want wie mij eren, zal ik eren, maar wie mij verachten, worden verachtelijk. 31. Let op, er komen dagen dat ik jouw kracht en de kracht van de familie van je vader zal breken. Dan zal er in je familie niemand meer oud worden. 32. Je zult de nood in de woning van God zien, ondanks al het goede dat Hij Israël zou doen. Er zal nooit meer iemand in je familie oud worden. 33. De man van je familie die ik niet van mijn altaar wegneem, zal je ogen laten wegkwijnen en je hart bedroeven. Alle nakomelingen van je familie zullen sterven in de kracht van hun leven. 34. Dit is het teken voor je, dat zal gebeuren met je twee zonen Hofni en Pinehas: op één dag zullen zij allebei sterven. 35. Maar ik zal een betrouwbare priester voor mij laten opstaan. Die zal doen wat in mijn hart en in mijn ziel is. Voor hem zal ik een blijvend huis bouwen, en hij zal altijd voor mijn gezalfde leven. 36. Wie van je familie overblijft, zal naar hem toe komen en zich voor hem neerbuigen voor een zilverstukje en een brood. Hij zal zeggen: Laat mij toch een priestertaak doen, zodat ik een stuk brood te eten heb. ## 1 Samuel 3 — De HEERE roept Samuël 1. De jonge Samuël diende de HEERE onder toezicht van Eli. In die tijd was het woord van de HEERE zeldzaam. Er waren niet veel visioenen. 2. Op een dag lag Eli op zijn plaats te slapen. Zijn ogen werden zwak, zodat hij niet meer kon zien. 3. De lamp van God was nog niet uitgegaan, en Samuël lag te slapen in de tempel van de HEERE, waar de ark van God stond. 4. Toen riep de HEERE Samuël. Hij zei: Hier ben ik. 5. Hij rende naar Eli en zei: Hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Maar Eli zei: Ik heb niet geroepen. Ga maar weer liggen. Hij ging weer liggen. 6. Toen riep de HEERE Samuël opnieuw. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: Hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Maar hij zei: Ik heb je niet geroepen, mijn zoon. Ga maar weer liggen. 7. Samuël kende de HEERE nog niet, en het woord van de HEERE was nog niet aan hem geopenbaard. 8. Toen riep de HEERE Samuël voor de derde keer. Hij stond op, ging naar Eli en zei: Hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Toen begreep Eli dat de HEERE de jongen riep. 9. Eli zei tegen Samuël: Ga maar liggen. Als Hij je weer roept, zeg dan: Spreek, HEERE, want Uw dienaar luistert. Samuël ging weer op zijn plaats liggen. 10. Toen kwam de HEERE, ging daar staan en riep net als de vorige keren: Samuël, Samuël! Samuël zei: Spreek, want Uw dienaar luistert. 11. De HEERE zei tegen Samuël: Let op, ik ga in Israël iets doen waarvan iedereen die het hoort, de oren zullen tuiten. 12. Op die dag zal ik alles over Eli laten komen wat ik over zijn familie heb gezegd. Ik zal het beginnen en voltooien. 13. Ik heb hem gezegd dat ik zijn familie voor altijd zal straffen, om de ongerechtigheid waarvan hij wist. Want zijn zonen hebben een vloek over zich gebracht, en hij heeft hen niet eens tegengehouden. 14. Daarom heb ik over de familie van Eli gezworen: haar ongerechtigheid zal nooit verzoend worden, niet door slachtoffer en niet door graanoffer. 15. Samuël bleef liggen tot de morgen. Toen deed hij de deuren van het huis van de HEERE open. Maar Samuël durfde Eli niet over het visioen te vertellen. 16. Toen riep Eli Samuël en zei: Samuël, mijn zoon! Hij zei: Hier ben ik. 17. Eli vroeg: Wat heeft Hij tegen je gezegd? Verzwijg het toch niet voor mij. God mag je zo straffen en nog erger, als je iets verzwijgt van alles wat Hij tegen je gezegd heeft! 18. Toen vertelde Samuël hem alles en verzweeg niets. Eli zei: Hij is de HEERE. Laat Hij doen wat goed is in Zijn ogen. 19. Samuël groeide op, en de HEERE was met hem. Hij liet geen van al Zijn woorden onvervuld. 20. Heel Israël, van Dan tot Berseba, wist dat Samuël door de HEERE als profeet was aangesteld. 21. De HEERE bleef in Silo verschijnen, want de HEERE maakte zich in Silo aan Samuël bekend door het woord van de HEERE. ## 1 Samuel 4 — De ark wordt buitgemaakt 1. Het woord van Samuël kwam tot heel Israël. Israël trok ten strijde tegen de Filistijnen en sloeg zijn kamp op bij Eben-Haëzer. De Filistijnen sloegen hun kamp op bij Afek. 2. De Filistijnen stelden zich in slagorde op tegenover Israël. Toen de strijd zich uitbreidde, werd Israël door de Filistijnen verslagen. Zij doodden in het veld ongeveer 4.000 man. 3. Toen het volk in het kamp terugkwam, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HEERE ons vandaag door de Filistijnen laten verslaan? Laten wij de ark van het verbond van de HEERE uit Silo halen. Als die bij ons is, zal Hij ons redden uit de macht van onze vijanden. 4. Het volk stuurde mannen naar Silo. Zij haalden daar de ark van het verbond van de HEERE van de legermachten, Die tussen de cherubs troont. De twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar bij de ark van het verbond van God. 5. Toen de ark van het verbond van de HEERE in het kamp kwam, juichte heel Israël zo luid dat de aarde dreunde. 6. De Filistijnen hoorden het gejuich en vroegen: Wat betekent dat luide gejuich in het kamp van de Hebreeën? Toen hoorden zij dat de ark van de HEERE in het kamp was gekomen. 7. De Filistijnen werden bang, want zij zeiden: God is in het kamp gekomen. Zij zeiden: Wee ons, want zoiets is nooit eerder gebeurd! 8. Wee ons, wie zal ons redden uit de macht van deze machtige goden? Dat zijn de goden die de Egyptenaren in de woestijn met allerlei plagen hebben getroffen. 9. Wees sterk en gedraag je als mannen, Filistijnen! Anders moeten jullie de Hebreeën dienen, zoals zij jullie gediend hebben. Gedraag je als mannen en vecht! 10. Toen streden de Filistijnen, en Israël werd verslagen. Iedereen vluchtte naar zijn tent. Het was een zeer zware nederlaag: van Israël sneuvelden 30.000 man voetvolk. 11. De ark van God werd buitgemaakt, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, kwamen om. 12. Een man uit Benjamin rende weg van het slagveld en kwam dezelfde dag in Silo aan. Zijn kleren waren gescheurd en er lag aarde op zijn hoofd. 13. Toen hij aankwam, zat Eli op een stoel langs de weg uit te kijken. Want hij was in grote angst over de ark van God. Toen de man in de stad kwam om het nieuws te vertellen, schreeuwde de hele stad het uit. 14. Eli hoorde het geschreeuw en vroeg: Wat betekent dat rumoer? Toen haastte de man zich en vertelde het aan Eli. 15. Eli was 98 jaar oud. Zijn ogen stonden star, zodat hij niet meer kon zien. 16. De man zei tegen Eli: Ik kom van het slagveld. Ik ben vandaag van het slagveld gevlucht. Eli vroeg: Wat is er gebeurd, mijn zoon? 17. De bode antwoordde: Israël is voor de Filistijnen gevlucht, en het volk heeft een zware nederlaag geleden. Ook uw twee zonen, Hofni en Pinehas, zijn gestorven, en de ark van God is buitgemaakt. 18. Toen hij de ark van God noemde, viel Eli achterover van zijn stoel, naast de poort. Hij brak zijn nek en stierf, want hij was oud en zwaar. Hij was veertig jaar rechter over Israël geweest. 19. Zijn schoondochter, de vrouw van Pinehas, was zwanger en moest bijna bevallen. Zij hoorde dat de ark van God was buitgemaakt en dat haar schoonvader en haar man waren gestorven. Toen zakte zij ineen en bracht haar kind ter wereld, want de weeën overvielen haar. 20. Toen zij op sterven lag, zeiden de vrouwen die bij haar stonden: Wees niet bang, want je hebt een zoon gekregen. Maar zij antwoordde niet en lette er niet op. 21. Zij noemde de jongen Ikabod, want zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël! Zij zei dat omdat de ark van God was weggevoerd, en om haar schoonvader en haar man. 22. Zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël, want de ark van God is buitgemaakt. ## 1 Samuel 5 — De ark bij de Filistijnen 1. De Filistijnen namen de ark van God en brachten die van Eben-Haëzer naar Asdod. 2. De Filistijnen brachten de ark van God in het huis van Dagon en zetten die naast Dagon. 3. Toen de inwoners van Asdod de volgende dag vroeg opstonden, lag Dagon voorover op de grond voor de ark van de HEERE. Zij pakten Dagon en zetten hem weer op zijn plaats. 4. De volgende morgen stonden zij weer vroeg op. Toen lag Dagon opnieuw voorover op de grond voor de ark van de HEERE. Het hoofd van Dagon en zijn beide handen lagen afgehakt op de drempel. Alleen de romp van Dagon was nog over. 5. Daarom stappen de priesters van Dagon en iedereen die het huis van Dagon in Asdod binnengaat, tot vandaag niet op de drempel van Dagon. 6. Maar de hand van de HEERE drukte zwaar op de inwoners van Asdod en richtte hen te gronde. Hij trof Asdod en het gebied eromheen met gezwellen. 7. Toen de mannen van Asdod zagen wat er gebeurde, zeiden zij: De ark van de God van Israël mag niet bij ons blijven. Want Zijn hand drukt zwaar op ons en op onze god Dagon. 8. Zij riepen alle vorsten van de Filistijnen bij zich en vroegen: Wat moeten wij met de ark van de God van Israël doen? Die zeiden: Breng de ark van de God van Israël naar Gath. Zo brachten zij de ark van de God van Israël daarheen. 9. Maar nadat zij de ark daarheen hadden gebracht, keerde de hand van de HEERE zich tegen die stad, en er ontstond grote paniek. Hij trof de mensen van die stad, klein en groot, en er braken gezwellen bij hen uit. 10. Toen stuurden zij de ark van God naar Ekron. Maar toen de ark van God in Ekron kwam, riepen de inwoners: Zij hebben de ark van de God van Israël naar mij gebracht! Zij willen mij en mijn volk doden! 11. Zij riepen alle vorsten van de Filistijnen bijeen en zeiden: Stuur de ark van de God van Israël weg. Laat hij teruggaan naar zijn eigen plaats, zodat hij mij en mijn volk niet doodt. Want er heerste dodelijke paniek in de hele stad. De hand van God drukte daar heel zwaar. 12. De mensen die niet stierven, werden getroffen door gezwellen. Het hulpgeroep van de stad steeg op naar de hemel. ## 1 Samuel 6 — De ark komt terug 1. De ark van de HEERE was zeven maanden in het land van de Filistijnen geweest. 2. Toen riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers bij zich en vroegen: Wat moeten wij met de ark van de HEERE doen? Vertel ons hoe wij hem naar zijn plaats moeten terugsturen. 3. Zij zeiden: Als jullie de ark van de God van Israël wegsturen, stuur hem dan niet leeg weg. Geef Hem beslist een schuldoffer mee. Dan zullen jullie genezen, en dan zullen jullie weten waarom Zijn hand niet van jullie wijkt. 4. Zij vroegen: Wat moet het schuldoffer zijn dat wij Hem geven? Zij zeiden: Vijf gouden gezwellen en vijf gouden muizen, naar het aantal vorsten van de Filistijnen. Want dezelfde plaag heeft jullie allemaal en jullie vorsten getroffen. 5. Maak dus afbeeldingen van jullie gezwellen en van de muizen die het land verwoesten. Geef zo de God van Israël de eer. Misschien zal Zijn hand dan minder zwaar drukken op jullie, op jullie god en op jullie land. 6. Waarom zouden jullie je hart verharden, zoals de Egyptenaren en Farao hun hart verhard hebben? Toen Hij hen wonderlijk had getroffen, lieten zij het volk toch gaan? 7. Maak nu een nieuwe wagen en neem twee koeien die jongen zogen en nog nooit een juk hebben gedragen. Span de koeien voor de wagen, maar breng hun kalveren terug naar de stal. 8. Neem dan de ark van de HEERE en zet hem op de wagen. Leg de gouden voorwerpen die jullie Hem als schuldoffer geven, in een kistje ernaast. Stuur hem dan weg en laat hem gaan. 9. Let dan goed op. Als hij de weg naar zijn eigen gebied neemt, naar Beth-semes, dan heeft Hij ons dit grote kwaad aangedaan. Zo niet, dan weten wij dat niet Zijn hand ons getroffen heeft. Dan is het ons toevallig overkomen. 10. De mannen deden dat. Zij namen twee koeien die jongen zogen en spanden ze voor de wagen. Hun kalveren sloten zij op in de stal. 11. Zij zetten de ark van de HEERE op de wagen, met het kistje met de gouden muizen en de afbeeldingen van hun gezwellen. 12. De koeien liepen rechtstreeks de weg op naar Beth-semes. Zij bleven op de weg en liepen al loeiend verder, zonder naar rechts of links af te wijken. De vorsten van de Filistijnen liepen erachter tot aan de grens van Beth-semes. 13. De inwoners van Beth-semes waren in het dal de tarwe aan het oogsten. Toen zij opkeken, zagen zij de ark, en zij waren blij hem te zien. 14. De wagen kwam op de akker van Jozua uit Beth-semes en bleef daar staan. Daar lag een grote steen. Zij hakten het hout van de wagen in stukken en brachten de koeien als brandoffer aan de HEERE. 15. De Levieten tilden de ark van de HEERE eraf, samen met het kistje met de gouden voorwerpen, en zetten die op de grote steen. Die dag brachten de mannen van Beth-semes brandoffers en slachtoffers aan de HEERE. 16. Toen de vijf vorsten van de Filistijnen dat gezien hadden, keerden zij dezelfde dag terug naar Ekron. 17. Dit zijn de gouden gezwellen die de Filistijnen als schuldoffer aan de HEERE hebben gegeven. Er was een voor Asdod, een voor Gaza, een voor Askelon, een voor Gath en een voor Ekron. 18. Ook gaven zij gouden muizen, naar het aantal steden van de Filistijnen van de vijf vorsten, van versterkte steden tot open dorpen. Zo was het tot aan de grote steen Abel, waarop zij de ark van de HEERE hadden neergezet. Die steen ligt tot vandaag op de akker van Jozua uit Beth-semes. 19. Maar de Heere trof de mannen van Beth-semes, omdat zij in de ark van de HEERE hadden gekeken. Hij doodde van het volk 70 man, en 50.000 man. Toen rouwde het volk, omdat de HEERE het volk zo zwaar had getroffen. 20. De mannen van Beth-semes zeiden: Wie kan er bestaan voor de HEERE, deze heilige God? En naar wie van ons moet Hij toe gaan? 21. Zij stuurden boden naar de inwoners van Kirjath-jearim en lieten zeggen: De Filistijnen hebben de ark van de HEERE teruggebracht. Kom hierheen en haal hem naar jullie toe. ## 1 Samuel 7 — Samuël als rechter 1. De mannen van Kirjath-jearim kwamen en haalden de ark van de HEERE op. Zij brachten hem in het huis van Abinadab op de heuvel. Zijn zoon Eleazar heiligden zij, zodat hij de ark van de HEERE kon bewaken. 2. Vanaf die dag bleef de ark in Kirjath-jearim. Er gingen twintig jaar voorbij, en heel Israël verlangde klagend naar de HEERE. 3. Toen zei Samuël tegen heel Israël: Willen jullie je met heel je hart tot de HEERE bekeren? Doe dan de vreemde goden en de Astartes bij jullie weg. Richt je hart op de HEERE en dien Hem alleen. Dan zal Hij jullie redden uit de macht van de Filistijnen. 4. De Israëlieten deden de Baäls en de Astartes weg en dienden alleen de HEERE. 5. Samuël zei verder: Roep heel Israël bijeen in Mizpa. Dan zal ik voor jullie tot de HEERE bidden. 6. Zij kwamen bijeen in Mizpa. Zij schepten water en goten het uit voor de HEERE. Die dag vastten zij en zeiden daar: Wij hebben tegen de HEERE gezondigd. En Samuël sprak recht over de Israëlieten in Mizpa. 7. De Filistijnen hoorden dat de Israëlieten in Mizpa bijeen waren gekomen. Toen trokken de vorsten van de Filistijnen op tegen Israël. Toen de Israëlieten dat hoorden, werden zij bang voor de Filistijnen. 8. De Israëlieten zeiden tegen Samuël: Houd niet op voor ons tot de HEERE, onze God, te roepen. Dan zal Hij ons redden uit de macht van de Filistijnen. 9. Toen nam Samuël een zuiglam en bracht het in zijn geheel als brandoffer aan de HEERE. Samuël riep tot de HEERE voor Israël, en de HEERE verhoorde hem. 10. Terwijl Samuël het brandoffer bracht, kwamen de Filistijnen aan om tegen Israël te strijden. Maar die dag liet de HEERE het met zware donder over de Filistijnen donderen. Hij bracht hen in verwarring, zodat zij door Israël werden verslagen. 11. De mannen van Israël trokken uit Mizpa weg en achtervolgden de Filistijnen. Zij versloegen hen tot beneden Beth-kar. 12. Samuël nam een steen en zette die tussen Mizpa en Sen. Hij noemde hem Eben-Haëzer en zei: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen. 13. Zo werden de Filistijnen vernederd. Zij kwamen niet meer in het gebied van Israël, want de hand van de HEERE was tegen de Filistijnen zolang Samuël leefde. 14. De steden die de Filistijnen van Israël hadden afgenomen, kwamen terug aan Israël, van Ekron tot Gath. Ook het gebied eromheen bevrijdde Israël uit de macht van de Filistijnen. En er was vrede tussen Israël en de Amorieten. 15. Samuël was rechter over Israël, zijn hele leven lang. 16. Elk jaar reisde hij rond langs Bethel, Gilgal en Mizpa. Op al die plaatsen sprak hij recht over Israël. 17. Daarna keerde hij terug naar Rama, want daar was zijn huis. Ook daar sprak hij recht over Israël, en daar bouwde hij een altaar voor de HEERE. ## 1 Samuel 8 — Israël vraagt om een koning 1. Toen Samuël oud was geworden, stelde hij zijn zonen aan als rechters over Israël. 2. Zijn oudste zoon heette Joël en de tweede Abia. Zij waren rechter in Berseba. 3. Maar zijn zonen gingen niet in zijn wegen. Zij waren belust op winst, namen steekpenningen aan en verdraaiden het recht. 4. Toen kwamen alle oudsten van Israël bijeen en gingen naar Samuël in Rama. 5. Zij zeiden tegen hem: U bent oud geworden, en uw zonen gaan niet in uw wegen. Stel daarom nu een koning over ons aan om ons te leiden, zoals alle volken hebben. 6. Maar het was slecht in de ogen van Samuël dat zij zeiden: Geef ons een koning om ons te leiden. Samuël bad tot de HEERE. 7. De HEERE zei tegen Samuël: Luister naar het volk in alles wat zij tegen je zeggen. Want zij hebben niet jou verworpen, maar mij. Zij willen niet dat ik koning over hen ben. 8. Zo hebben zij altijd gedaan, vanaf de dag dat ik hen uit Egypte leidde tot vandaag. Zij hebben mij verlaten en andere goden gediend. Zo doen zij nu ook met jou. 9. Luister dus nu naar hen. Maar waarschuw hen wel ernstig, en vertel hun hoe de koning zal handelen die over hen zal regeren. 10. Samuël vertelde al de woorden van de HEERE aan het volk dat een koning van hem vroeg. 11. Hij zei: Zo zal de koning handelen die over jullie zal regeren. Hij zal jullie zonen nemen en hen inzetten bij zijn wagens en zijn ruiters. Zij zullen voor zijn wagen uit rennen. 12. Hij zal hen aanstellen als bevelhebbers over duizend en over vijftig man. Zij zullen zijn akker ploegen en zijn oogst binnenhalen. Zij zullen zijn wapens en de uitrusting voor zijn wagens maken. 13. Jullie dochters zal hij nemen als parfummaaksters, kooksters en bakkers. 14. Jullie beste akkers, wijngaarden en olijfgaarden zal hij nemen en aan zijn dienaren geven. 15. Van jullie graan en jullie wijngaarden zal hij een tiende nemen en dat aan zijn hovelingen en zijn dienaren geven. 16. Jullie slaven en slavinnen, jullie beste jonge mannen en jullie ezels zal hij nemen en voor zijn eigen werk gebruiken. 17. Van jullie kudden zal hij een tiende nemen, en jullie zelf zullen zijn slaven worden. 18. Op die dag zullen jullie het uitroepen vanwege de koning die jullie zelf gekozen hebben. Maar op die dag zal de HEERE jullie niet verhoren. 19. Maar het volk weigerde naar Samuël te luisteren. Zij zeiden: Nee, er moet een koning over ons komen. 20. Dan zullen ook wij zijn zoals alle volken. Onze koning zal ons leiden, voor ons uit gaan en onze oorlogen voeren. 21. Samuël hoorde al de woorden van het volk aan en herhaalde ze voor de HEERE. 22. De HEERE zei tegen Samuël: Luister naar hen en stel een koning over hen aan. Toen zei Samuël tegen de mannen van Israël: Ga naar huis, ieder naar zijn stad. ## 1 Samuel 9 — Saul ontmoet Samuël 1. Er was een man uit Benjamin die Kis heette. Hij was een zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorath, de zoon van Afiah, een Benjaminiet. Hij was een aanzienlijk man. 2. Hij had een zoon die Saul heette, een jonge man die er goed uitzag. Er was onder de Israëlieten geen knappere man dan hij. Hij stak met zijn schouders boven het hele volk uit. 3. De ezelinnen van Kis, de vader van Saul, waren weggelopen. Daarom zei Kis tegen zijn zoon Saul: Neem een van de knechten met je mee en ga de ezelinnen zoeken. 4. Hij trok door het bergland van Efraïm en door het land Salisa, maar zij vonden ze niet. Daarna trokken zij door het land Sahalim, maar daar waren ze niet. Hij trok ook door het land van Benjamin, maar zij vonden ze niet. 5. Toen zij in het land Zuf kwamen, zei Saul tegen de knecht die bij hem was: Kom, laten wij teruggaan. Anders gaat mijn vader zich over ons zorgen maken in plaats van over de ezelinnen. 6. Maar de knecht zei tegen hem: Kijk, in deze stad woont een man van God, een geëerde man. Alles wat hij zegt, komt zeker uit. Laten wij daarheen gaan. Misschien kan hij ons zeggen welke weg wij moeten nemen. 7. Saul zei tegen zijn knecht: Maar als wij gaan, wat moeten wij de man dan meebrengen? Het brood in onze zakken is op, en wij hebben geen geschenk voor de man van God. Wat hebben wij nog? 8. De knecht antwoordde Saul opnieuw: Kijk, ik heb nog ongeveer 3 gram zilver bij mij. Dat zal ik de man van God geven, dan wijst hij ons de weg. 9. Vroeger zei men in Israël, als men God om raad ging vragen: Kom, laten wij naar de ziener gaan. Want wie nu een profeet heet, heette vroeger een ziener. 10. Saul zei tegen zijn knecht: Dat is een goed idee. Kom, laten wij gaan. Zij gingen naar de stad waar de man van God woonde. 11. Toen zij de helling naar de stad opliepen, kwamen zij meisjes tegen die water gingen putten. Zij vroegen hun: Is de ziener hier? 12. Zij antwoordden: Ja, hij is vlak voor jullie. Haast je, want hij is vandaag in de stad gekomen. Het volk brengt vandaag een offer op de hoogte. 13. Als jullie de stad in komen, vinden jullie hem, voordat hij naar de hoogte gaat om te eten. Het volk eet niet voordat hij er is, want hij zegent het offer. Daarna eten de genodigden. Ga dus nu, want juist nu vinden jullie hem. 14. Zij gingen de stad in. Toen zij midden in de stad waren, kwam Samuël hen tegemoet, op weg naar de hoogte. 15. De HEERE had het Samuël een dag voordat Saul kwam, al laten weten. Hij had gezegd: 16. Morgen rond deze tijd stuur ik een man uit het land van Benjamin naar je toe. Hem moet je zalven tot leider over mijn volk Israël. Hij zal mijn volk redden uit de macht van de Filistijnen. Want ik heb mijn volk gezien, en hun hulpgeroep is bij mij gekomen. 17. Toen Samuël Saul zag, zei de HEERE tegen hem: Kijk, dat is de man over wie ik je gesproken heb. Hij zal over mijn volk regeren. 18. Saul kwam midden in de poort bij Samuël en vroeg: Kunt u mij zeggen waar het huis van de ziener is? 19. Samuël antwoordde Saul: Ik ben de ziener. Ga voor mij uit naar de hoogte, want jullie eten vandaag met mij. Morgenvroeg laat ik je gaan, en dan zal ik je alles vertellen wat je op je hart hebt. 20. Maak je geen zorgen over de ezelinnen die je drie dagen geleden kwijt bent geraakt, want ze zijn gevonden. Naar wie gaat al het verlangen van Israël uit? Is dat niet naar jou en de hele familie van je vader? 21. Saul antwoordde: Ben ik niet een Benjaminiet, uit de kleinste van de stammen van Israël? En is mijn familie niet de minste van alle families van de stam van Benjamin? Waarom zegt u zoiets tegen mij? 22. Samuël nam Saul en zijn knecht mee naar de zaal. Hij gaf hun een plaats aan het hoofd van de genodigden. Dat waren er ongeveer dertig. 23. Samuël zei tegen de kok: Breng het stuk dat ik je gegeven heb, waarvan ik zei: Leg het apart. 24. De kok nam de bout met wat erbij hoorde, en zette die voor Saul neer. Samuël zei: Kijk, dit is voor je bewaard. Zet het voor je neer en eet. Het is voor deze gelegenheid voor je bewaard, sinds ik zei dat ik het volk had uitgenodigd. Zo at Saul die dag met Samuël. 25. Daarna gingen zij van de hoogte naar de stad, en Samuël sprak met Saul op het dak. 26. Zij stonden vroeg op. Toen de dageraad aanbrak, riep Samuël Saul op het dak: Sta op, dan laat ik je gaan. Saul stond op, en samen gingen zij naar buiten, hij en Samuël. 27. Toen zij aan de rand van de stad kwamen, zei Samuël tegen Saul: Zeg tegen de knecht dat hij voor ons uit gaat. Hij ging vooruit. Maar blijf jij nu even staan, dan zal ik je het woord van God laten horen. ## 1 Samuel 10 — Saul wordt koning 1. Toen nam Samuël een kruik olie en goot die uit op het hoofd van Saul. Hij kuste hem en zei: Heeft de HEERE je niet gezalfd tot leider over Zijn erfdeel? 2. Als je vandaag bij mij weggaat, zul je bij het graf van Rachel twee mannen tegenkomen, bij de grens van Benjamin in Zelzah. Zij zullen tegen je zeggen: De ezelinnen die je bent gaan zoeken, zijn gevonden. Je vader denkt niet meer aan de ezelinnen, maar maakt zich zorgen over jullie. Hij zegt: Wat moet ik doen om mijn zoon? 3. Als je van daar verder gaat, kom je bij de eik van Tabor. Daar zul je drie mannen tegenkomen die naar God in Bethel gaan. De een draagt drie bokjes, de ander drie broden en de derde een zak wijn. 4. Zij zullen je groeten en je twee broden geven. Die moet je van hen aannemen. 5. Daarna kom je bij de heuvel van God, waar een post van de Filistijnen is. Als je daar de stad in komt, zul je een groep profeten tegenkomen die van de hoogte afkomen. Voor hen uit spelen luiten, tamboerijnen, fluiten en harpen, en zij profeteren. 6. Dan zal de Geest van de HEERE over je komen, en je zult met hen profeteren. Je zult een ander mens worden. 7. Als deze tekenen gebeuren, doe dan wat je hand vindt om te doen, want God is met je. 8. Ga vóór mij naar Gilgal. Ik kom daar naar je toe om brandoffers en dankoffers te brengen. Zeven dagen moet je daar wachten tot ik bij je kom. Dan zal ik je laten weten wat je moet doen. 9. Toen Saul zich omdraaide om bij Samuël weg te gaan, gaf God hem een ander hart. Al die tekenen gebeurden die dag. 10. Toen zij bij de heuvel kwamen, kwam een groep profeten hem tegemoet. De Geest van de HEERE kwam over hem, en hij profeteerde midden tussen hen. 11. Iedereen die hem van vroeger kende, zag dat hij met de profeten profeteerde. Toen zeiden de mensen tegen elkaar: Wat is er met de zoon van Kis gebeurd? Is Saul ook onder de profeten? 12. Een man uit die plaats zei: Maar wie is hun vader? Daarom werd het een spreekwoord: Is Saul ook onder de profeten? 13. Toen hij klaar was met profeteren, ging hij naar de hoogte. 14. De oom van Saul vroeg hem en zijn knecht: Waar zijn jullie heen geweest? Hij zei: De ezelinnen zoeken. Toen wij zagen dat ze nergens waren, zijn wij naar Samuël gegaan. 15. De oom van Saul zei: Vertel mij toch wat Samuël tegen jullie gezegd heeft. 16. Saul zei tegen zijn oom: Hij heeft ons verteld dat de ezelinnen gevonden waren. Maar over het koningschap waarover Samuël gesproken had, vertelde hij hem niets. 17. Samuël riep het volk bijeen voor de HEERE in Mizpa. 18. Hij zei tegen de Israëlieten: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ik heb Israël uit Egypte geleid. Ik heb jullie gered uit de macht van de Egyptenaren en van alle koninkrijken die jullie onderdrukten. 19. Maar jullie hebben vandaag jullie God verworpen, Die jullie uit al jullie ellende en nood heeft gered. Jullie hebben tegen Hem gezegd: Stel een koning over ons aan. Kom dan nu voor de HEERE staan, per stam en per familie. 20. Samuël liet alle stammen van Israël naar voren komen, en de stam van Benjamin werd door het lot aangewezen. 21. Toen liet hij de stam van Benjamin per familie naar voren komen, en de familie van Matri werd aangewezen. Daarna werd Saul, de zoon van Kis, aangewezen. Zij zochten hem, maar hij was nergens te vinden. 22. Toen vroegen zij de HEERE opnieuw of de man er nog zou komen. De HEERE zei: Kijk, hij heeft zich tussen de bagage verstopt. 23. Zij renden erheen en haalden hem daar weg. Toen hij midden tussen het volk stond, stak hij met zijn schouders boven het hele volk uit. 24. Samuël zei tegen het hele volk: Zien jullie wie de HEERE gekozen heeft? Niemand onder het hele volk is zoals hij. Toen juichte het hele volk: Leve de koning! 25. Samuël legde het volk het recht van het koningschap uit. Hij schreef het in een boek en legde dat neer voor de HEERE. Toen liet Samuël het hele volk gaan, ieder naar zijn huis. 26. Ook Saul ging naar huis in Gibea. Met hem gingen de strijders van wie God het hart had geraakt. 27. Maar een paar nietsnutten zeiden: Hoe zou die ons kunnen redden? Zij minachtten hem en brachten hem geen geschenk. Maar hij deed alsof hij het niet hoorde. ## 1 Samuel 11 — Saul redt Jabes in Gilead 1. Nahas, de Ammoniet, trok op en belegerde Jabes in Gilead. Alle mannen van Jabes zeiden tegen Nahas: Sluit een verbond met ons, dan zullen wij u dienen. 2. Maar Nahas, de Ammoniet, zei tegen hen: Ik sluit alleen een verbond met jullie op deze voorwaarde: ik steek jullie allemaal het rechteroog uit. Zo breng ik schande over heel Israël. 3. De oudsten van Jabes zeiden tegen hem: Geef ons zeven dagen de tijd. Dan sturen wij boden door het hele gebied van Israël. Als niemand ons komt redden, zullen wij ons aan u overgeven. 4. De boden kwamen in Gibea, de stad van Saul, en vertelden dit aan het volk. Toen begon het hele volk luid te huilen. 5. En zie, Saul kwam met de runderen van het veld. Saul vroeg: Wat is er met het volk, dat zij huilen? Toen vertelden zij hem wat de mannen van Jabes hadden gezegd. 6. Toen Saul dat hoorde, kwam de Geest van God over hem, en hij werd hevig kwaad. 7. Hij nam een span runderen, hakte die in stukken en stuurde ze met boden door het hele gebied van Israël. Hij liet zeggen: Wie niet met Saul en Samuël meetrekt, met zijn runderen zal het zo gaan. Toen viel de schrik van de HEERE op het volk, en zij trokken als één man uit. 8. Hij telde hen bij Bezek. Er waren 300.000 Israëlieten en 30.000 mannen van Juda. 9. Zij zeiden tegen de boden: Zeg tegen de mannen van Jabes in Gilead: Morgen, als de zon heet wordt, zullen jullie gered worden. De boden gingen het de mannen van Jabes vertellen, en die waren blij. 10. De mannen van Jabes zeiden tegen de Ammonieten: Morgen komen wij naar jullie toe. Dan kunnen jullie met ons doen wat jullie goed vinden. 11. De volgende dag verdeelde Saul het volk in drie groepen. In de laatste nachtwake drongen zij het kamp binnen en versloegen de Ammonieten tot de dag heet werd. Wie overbleven, werden zo verstrooid dat er geen twee bij elkaar bleven. 12. Toen zei het volk tegen Samuël: Wie waren het die zeiden: Zou Saul over ons regeren? Geef die mannen hier, dan doden wij hen. 13. Maar Saul zei: Vandaag zal er niemand gedood worden, want vandaag heeft de HEERE Israël gered. 14. Samuël zei tegen het volk: Kom, laten wij naar Gilgal gaan en daar het koningschap vernieuwen. 15. Toen ging het hele volk naar Gilgal. Daar maakten zij Saul koning voor de HEERE in Gilgal. Zij brachten daar dankoffers voor de HEERE. Saul en alle mannen van Israël waren daar heel blij. ## 1 Samuel 12 — Samuël neemt afscheid als leider 1. Toen zei Samuël tegen heel Israël: Kijk, ik heb geluisterd naar alles wat jullie mij gevraagd hebben, en ik heb een koning over jullie aangesteld. 2. Nu gaat de koning voor jullie uit. Ik ben oud en grijs geworden, en mijn zonen zijn bij jullie. Ik ben jullie voorgegaan vanaf mijn jeugd tot vandaag. 3. Hier sta ik. Getuig tegen mij voor de HEERE en voor Zijn gezalfde. Van wie heb ik een os of een ezel genomen? Wie heb ik onrecht gedaan of onderdrukt? Van wie heb ik steekpenningen aangenomen om een oogje dicht te knijpen? Dan zal ik het jullie teruggeven. 4. Zij zeiden: U hebt ons geen onrecht gedaan en ons niet onderdrukt. U hebt van niemand iets aangenomen. 5. Hij zei tegen hen: De HEERE is vandaag getuige tegen jullie, en ook Zijn gezalfde is getuige, dat jullie niets bij mij gevonden hebben. Het volk zei: Hij is getuige! 6. Samuël zei verder tegen het volk: Het is de HEERE Die Mozes en Aäron heeft aangesteld, en Die jullie vaders uit Egypte heeft geleid. 7. Kom nu hier staan, dan zal ik met jullie een rechtszaak voeren voor de HEERE. Het gaat over alle rechtvaardige daden die de HEERE voor jullie en jullie vaders heeft gedaan. 8. Nadat Jakob in Egypte was gekomen, riepen jullie vaders tot de HEERE. De HEERE stuurde Mozes en Aäron. Zij leidden jullie vaders uit Egypte en lieten hen op deze plaats wonen. 9. Maar zij vergaten de HEERE, hun God. Toen leverde Hij hen uit aan Sisera, de legeraanvoerder van Hazor. Hij leverde hen ook uit aan de Filistijnen en aan de koning van Moab, die tegen hen streden. 10. Zij riepen tot de HEERE: Wij hebben gezondigd, want wij hebben de HEERE verlaten en de Baäls en Astartes gediend. Red ons nu uit de macht van onze vijanden, dan zullen wij U dienen. 11. Toen stuurde de HEERE Jerubbaäl, Bedan, Jefta en Samuël. Hij redde jullie uit de macht van jullie vijanden rondom, zodat jullie veilig woonden. 12. Maar toen jullie zagen dat Nahas, de koning van de Ammonieten, tegen jullie optrok, zeiden jullie tegen mij: Nee, een koning moet over ons regeren. Terwijl de HEERE, jullie God, jullie koning was! 13. Kijk, hier is de koning die jullie gekozen hebben, om wie jullie gevraagd hebben. De HEERE heeft een koning over jullie aangesteld. 14. Vrees de HEERE, dien Hem en luister naar Hem. Wees niet ongehoorzaam aan het bevel van de HEERE. Dan zullen jullie en de koning die over jullie regeert, de HEERE, jullie God, volgen. 15. Maar misschien luisteren jullie niet naar de HEERE en zijn jullie ongehoorzaam aan Zijn bevel. Dan zal de hand van de HEERE tegen jullie zijn, zoals tegen jullie vaders. 16. Kom nu hier staan en kijk naar het grote wonder dat de HEERE voor jullie ogen zal doen. 17. Is het vandaag niet de tijd van de tarweoogst? Ik zal tot de HEERE roepen, en Hij zal donder en regen sturen. Dan zullen jullie inzien hoe groot het kwaad is dat jullie in de ogen van de HEERE gedaan hebben door een koning te vragen. 18. Samuël riep tot de HEERE, en die dag stuurde de HEERE donder en regen. Toen werd het hele volk heel bang voor de HEERE en voor Samuël. 19. Het hele volk zei tegen Samuël: Bid voor uw dienaren tot de HEERE, uw God, zodat wij niet sterven. Want boven op al onze zonden hebben wij nog dit kwaad gedaan, dat wij een koning gevraagd hebben. 20. Samuël zei tegen het volk: Wees niet bang. Jullie hebben al dit kwaad wel gedaan, maar keer je niet van de HEERE af. Dien de HEERE met heel je hart. 21. Keer je niet af om nietige afgoden achterna te lopen. Die kunnen niet helpen en niet redden, want zij zijn nietig. 22. De HEERE zal Zijn volk niet in de steek laten, omwille van Zijn grote naam. Want het heeft de HEERE behaagd jullie tot Zijn volk te maken. 23. Wat mij betreft: het zij verre van mij dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor jullie te bidden. Ik zal jullie de goede en rechte weg leren. 24. Vrees alleen de HEERE en dien Hem trouw met heel je hart. Want kijk eens wat voor grote dingen Hij voor jullie gedaan heeft! 25. Maar als jullie toch kwaad blijven doen, zullen jullie omkomen, zowel jullie als jullie koning. ## 1 Samuel 13 — Saul offert zelf 1. Saul was een jaar koning geweest, en in het tweede jaar van zijn regering over Israël 2. koos hij 3.000 man uit Israël. Er waren 2.000 bij Saul in Michmas en in het bergland van Bethel, en 1.000 bij Jonathan in Gibea in Benjamin. De rest van het volk liet hij gaan, ieder naar zijn tent. 3. Jonathan versloeg de Filistijnse post in Geba, en de Filistijnen hoorden het. Saul liet in het hele land op de bazuin blazen en zei: Laat de Hebreeën het horen! 4. Heel Israël hoorde zeggen: Saul heeft de Filistijnse post verslagen, en nu heeft Israël zich bij de Filistijnen gehaat gemaakt. Toen werd het volk opgeroepen om Saul te volgen naar Gilgal. 5. De Filistijnen verzamelden zich om tegen Israël te strijden. Zij hadden 30.000 wagens, 6.000 ruiters en voetvolk zo talrijk als het zand aan de zee. Zij trokken op en sloegen hun kamp op in Michmas, ten oosten van Beth-aven. 6. De mannen van Israël zagen dat zij in nood waren, want het volk werd in het nauw gedreven. Daarom verstopte het volk zich in grotten, doornstruiken, rotsspleten, schuilplaatsen en putten. 7. Sommige Hebreeën staken de Jordaan over naar het land van Gad en Gilead. Saul was nog in Gilgal, en al het volk dat hem volgde, beefde van angst. 8. Hij wachtte zeven dagen, tot de tijd die Samuël had vastgesteld. Maar Samuël kwam niet naar Gilgal, en het volk liep bij Saul weg. 9. Toen zei Saul: Breng mij het brandoffer en de dankoffers. En hij bracht het brandoffer. 10. Net toen hij klaar was met het brengen van het brandoffer, kwam Samuël. Saul ging hem tegemoet om hem te begroeten. 11. Samuël vroeg: Wat hebt u gedaan? Saul zei: Ik zag dat het volk bij mij wegliep en dat u niet op de afgesproken tijd kwam. De Filistijnen waren in Michmas bijeengekomen. 12. Toen dacht ik: Nu komen de Filistijnen naar mij toe in Gilgal, en ik heb de HEERE nog niet om genade gesmeekt. Daarom heb ik mij gedwongen en het brandoffer gebracht. 13. Samuël zei tegen Saul: U hebt dwaas gehandeld. U hebt het gebod van de HEERE, uw God, dat Hij u gegeven heeft, niet gehouden. Anders had de HEERE uw koningschap over Israël nu voor altijd bevestigd. 14. Maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man gezocht naar Zijn hart. Hem heeft de HEERE aangesteld als leider over Zijn volk, omdat u niet gehouden hebt wat de HEERE u geboden had. 15. Toen vertrok Samuël uit Gilgal naar Gibea in Benjamin. Saul telde het volk dat nog bij hem was, ongeveer 600 man. 16. Saul, zijn zoon Jonathan en het volk dat bij hen was, bleven in Gibea in Benjamin. De Filistijnen hadden hun kamp in Michmas. 17. Uit het kamp van de Filistijnen trokken plunderaars uit in drie groepen. De ene groep ging de weg naar Ofra, naar het land Sual. 18. Een andere groep ging de weg naar Beth-horon. De derde groep ging de weg naar de grens die uitkijkt over het dal Zeboïm, naar de woestijn. 19. In heel Israël was geen smid te vinden. Want de Filistijnen hadden gezegd: Anders maken de Hebreeën zwaarden of speren. 20. Daarom moest heel Israël naar de Filistijnen gaan om zijn ploegijzer, spade, bijl of houweel te laten slijpen. 21. Zij hadden alleen vijlen voor de houwelen, de spaden, de drietandige vorken en de bijlen, en om de ossenprikkels recht te zetten. 22. Zo was er op de dag van de strijd geen zwaard of speer te vinden bij het hele volk dat bij Saul en Jonathan was. Alleen Saul en zijn zoon Jonathan hadden ze. 23. Een voorpost van de Filistijnen trok naar de pas van Michmas. ## 1 Samuel 14 — Jonathan en de Filistijnen 1. Op een dag zei Jonathan, de zoon van Saul, tegen zijn wapendrager: Kom, laten wij oversteken naar de Filistijnse post aan de overkant. Maar hij vertelde het zijn vader niet. 2. Saul zat aan de rand van Gibea onder de granaatappelboom in Migron. Het volk dat bij hem was, telde ongeveer 600 man. 3. Ahia droeg de efod. Hij was de zoon van Ahitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinehas, de zoon van Eli, de priester van de HEERE in Silo. Het volk wist niet dat Jonathan weg was gegaan. 4. Tussen de passen waarlangs Jonathan naar de Filistijnse post wilde gaan, stond aan beide kanten een scherpe rotspunt. De ene heette Bozes en de andere Sene. 5. De ene rotspunt lag aan de noordkant, tegenover Michmas, en de andere aan de zuidkant, tegenover Geba. 6. Jonathan zei tegen de jongen die zijn wapens droeg: Kom, laten wij oversteken naar de post van die onbesnedenen. Misschien zal de HEERE voor ons werken. Want niets kan de HEERE verhinderen om te redden, door velen of door weinigen. 7. Zijn wapendrager zei tegen hem: Doe alles wat u van plan bent. Ga uw gang, ik sta achter u, wat u ook besluit. 8. Jonathan zei: Kijk, wij gaan naar die mannen toe en laten ons aan hen zien. 9. Als zij tegen ons zeggen: Blijf staan tot wij bij jullie komen, dan blijven wij op onze plaats staan en gaan niet naar hen toe. 10. Maar als zij zeggen: Kom naar ons toe, dan klimmen wij naar boven. Want dan heeft de HEERE hen in onze macht gegeven. Dat zal voor ons het teken zijn. 11. Toen zij zich allebei aan de Filistijnse post lieten zien, zeiden de Filistijnen: Kijk, de Hebreeën komen uit de holen waarin zij zich verstopt hadden. 12. De mannen van de post riepen tegen Jonathan en zijn wapendrager: Kom naar ons toe, dan zullen wij jullie eens wat laten zien! Jonathan zei tegen zijn wapendrager: Klim achter mij aan, want de HEERE heeft hen in de macht van Israël gegeven. 13. Jonathan klom op handen en voeten naar boven, en zijn wapendrager achter hem aan. De Filistijnen vielen voor Jonathan neer, en zijn wapendrager doodde hen achter hem. 14. Bij deze eerste slag doodden Jonathan en zijn wapendrager ongeveer twintig man, op een stuk land van ongeveer een halve akker. 15. Er ontstond paniek in het kamp, op het veld en onder het hele volk. Ook de post en de plunderaars beefden. De aarde trilde, en het werd een paniek van God. 16. De wachters van Saul in Gibea in Benjamin zagen dat de menigte uiteenviel en alle kanten op vluchtte. 17. Saul zei tegen het volk dat bij hem was: Houd een telling en kijk wie er van ons weg is. Zij telden, en zie, Jonathan en zijn wapendrager waren er niet. 18. Saul zei tegen Ahia: Breng de ark van God hierheen. Want in die tijd was de ark van God bij de Israëlieten. 19. Terwijl Saul met de priester sprak, werd het rumoer in het kamp van de Filistijnen steeds groter. Toen zei Saul tegen de priester: Trek je hand terug. 20. Saul en al het volk dat bij hem was, verzamelden zich en gingen ten strijde. En zie, zij sloegen elkaar met het zwaard neer, en er was een enorme verwarring. 21. Er waren ook Hebreeën die al eerder bij de Filistijnen waren en met hen in het kamp waren meegetrokken. Ook zij kozen nu de kant van de Israëlieten die bij Saul en Jonathan waren. 22. Alle mannen van Israël die zich in het bergland van Efraïm hadden verstopt, hoorden dat de Filistijnen vluchtten. Ook zij achtervolgden hen in de strijd. 23. Zo redde de HEERE Israël die dag, en de strijd trok verder tot voorbij Beth-aven. 24. De mannen van Israël waren die dag uitgeput. Want Saul had het volk een eed opgelegd: Vervloekt is de man die voor de avond iets eet! Eerst wil ik mij op mijn vijanden wreken. Daarom proefde niemand van het volk iets. 25. Het hele volk kwam in een bos, en daar lag honing op de grond. 26. Toen het volk in het bos kwam, zagen zij de honing stromen. Maar niemand bracht zijn hand naar zijn mond, want het volk was bang voor de eed. 27. Maar Jonathan had niet gehoord dat zijn vader het volk die eed had opgelegd. Hij stak het uiteinde van de staf in zijn hand uit en doopte het in een honingraat. Toen hij zijn hand naar zijn mond bracht, begonnen zijn ogen te stralen. 28. Iemand uit het volk zei tegen hem: Uw vader heeft het volk streng een eed opgelegd: Vervloekt is de man die vandaag iets eet! Daarom is het volk zo uitgeput. 29. Jonathan zei: Mijn vader heeft het land in het ongeluk gestort. Kijk toch hoe mijn ogen stralen, omdat ik een beetje van deze honing heb geproefd. 30. Hoeveel beter was het geweest als het volk vandaag vrij had mogen eten van de buit van zijn vijanden! Dan was de nederlaag van de Filistijnen nu veel groter geweest. 31. Die dag versloegen zij de Filistijnen van Michmas tot Ajalon, en het volk was doodmoe. 32. Toen stortte het volk zich op de buit. Zij namen schapen, runderen en kalveren, slachtten ze op de grond en aten het vlees met het bloed. 33. Dat werd aan Saul verteld: Kijk, het volk zondigt tegen de HEERE door vlees met het bloed te eten. Hij zei: Jullie hebben trouweloos gehandeld. Rol nu een grote steen naar mij toe. 34. Saul zei verder: Ga rond onder het volk en zeg tegen hen: Laat iedereen zijn os of zijn schaap bij mij brengen. Slacht ze hier en eet. Zondig niet tegen de HEERE door vlees met het bloed te eten. Toen bracht ieder van het volk die nacht zijn os mee en slachtte hem daar. 35. Saul bouwde een altaar voor de HEERE. Dat was het eerste altaar dat hij voor de HEERE bouwde. 36. Saul zei: Laten wij vannacht de Filistijnen achtervolgen en hen beroven tot het licht wordt. Laten wij niemand van hen overlaten. Zij zeiden: Doe wat u goed vindt. Maar de priester zei: Laten wij hier eerst naar God gaan. 37. Saul vroeg God: Zal ik de Filistijnen achtervolgen? Zult U hen in de macht van Israël geven? Maar die dag gaf Hij hem geen antwoord. 38. Toen zei Saul: Kom hier, alle leiders van het volk. Zoek uit waardoor deze zonde vandaag is begaan. 39. Want zo waar de HEERE leeft, Die Israël redt: al is het mijn zoon Jonathan, hij zal zeker sterven. Maar niemand van het volk gaf hem antwoord. 40. Hij zei tegen heel Israël: Jullie gaan aan de ene kant staan, en ik en mijn zoon Jonathan aan de andere kant. Het volk zei tegen Saul: Doe wat u goed vindt. 41. Saul zei tegen de HEERE, de God van Israël: Wijs aan wie onschuldig is. Toen werden Jonathan en Saul aangewezen, en het volk ging vrijuit. 42. Saul zei: Werp het lot tussen mij en mijn zoon Jonathan. Toen werd Jonathan aangewezen. 43. Saul zei tegen Jonathan: Vertel mij wat je gedaan hebt. Jonathan vertelde het hem en zei: Ik heb alleen een beetje honing geproefd met het uiteinde van de staf in mijn hand. Hier ben ik. Moet ik daarvoor sterven? 44. Saul zei: God mag mij zo straffen en nog erger: je moet sterven, Jonathan! 45. Maar het volk zei tegen Saul: Moet Jonathan sterven, die Israël deze grote redding heeft gebracht? Geen sprake van! Zo waar de HEERE leeft, er zal geen haar van zijn hoofd op de grond vallen. Want hij heeft dit vandaag met God gedaan. Zo redde het volk Jonathan, zodat hij niet stierf. 46. Saul stopte met de achtervolging van de Filistijnen, en de Filistijnen gingen terug naar hun eigen gebied. 47. Saul nam het koningschap over Israël op zich. Hij streed rondom tegen al zijn vijanden: tegen Moab, de Ammonieten, Edom, de koningen van Zoba en de Filistijnen. Overal waar hij zich heen keerde, strafte hij hen. 48. Hij handelde dapper. Hij versloeg de Amalekieten en redde Israël uit de macht van wie het plunderden. 49. De zonen van Saul waren Jonathan, Isvi en Malchi-sua. Zijn twee dochters heetten Merab, de oudste, en Michal, de jongste. 50. De vrouw van Saul heette Ahinoam, een dochter van Ahimaäz. Zijn legeraanvoerder heette Abner, een zoon van Ner, de oom van Saul. 51. Kis was de vader van Saul, en Ner, de vader van Abner, was een zoon van Abiël. 52. Zolang Saul leefde, was er een zware oorlog tegen de Filistijnen. Daarom nam Saul iedere sterke en dappere man die hij zag, in zijn dienst. ## 1 Samuel 15 — De HEERE verwerpt Saul 1. Samuël zei tegen Saul: De HEERE heeft mij gestuurd om u te zalven tot koning over Zijn volk Israël. Luister dan nu naar de woorden van de HEERE. 2. Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb gelet op wat Amalek Israël heeft aangedaan. Het heeft Israël de weg versperd, toen het uit Egypte trok. 3. Ga nu en versla Amalek. Sla alles wat het heeft met de ban en spaar het niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel. 4. Saul riep het volk op en telde het in Telaim. Er waren 200.000 man voetvolk en 10.000 mannen uit Juda. 5. Saul kwam bij de stad van Amalek en legde mannen in hinderlaag in het dal. 6. Saul liet de Kenieten zeggen: Ga weg, vertrek uit het midden van de Amalekieten. Anders kom ik met hen ook jullie te na. Want jullie hebben goed gedaan aan alle Israëlieten, toen zij uit Egypte trokken. Toen vertrokken de Kenieten uit het midden van de Amalekieten. 7. Saul versloeg de Amalekieten, van Havila tot waar je bij Sur komt, dat ten oosten van Egypte ligt. 8. Hij nam Agag, de koning van de Amalekieten, levend gevangen. Maar het hele volk sloeg hij met de ban door het zwaard. 9. Maar Saul en het volk spaarden Agag en het beste van de schapen en runderen, het tweede beste vee en de lammeren. Alles wat goed was, wilden zij niet met de ban slaan. Alleen wat waardeloos en slecht was, sloegen zij met de ban. 10. Toen kwam het woord van de HEERE tot Samuël: 11. Het spijt mij dat ik Saul koning heb gemaakt. Want hij heeft zich van mij afgekeerd en mijn woorden niet uitgevoerd. Samuël werd kwaad, en hij riep de hele nacht tot de HEERE. 12. De volgende morgen stond Samuël vroeg op om Saul te ontmoeten. Men vertelde Samuël: Saul is naar Karmel gegaan. Kijk, hij heeft daar een gedenkteken voor zichzelf opgericht. Daarna is hij doorgetrokken naar Gilgal. 13. Toen Samuël bij Saul kwam, zei Saul tegen hem: Gezegend bent u door de HEERE! Ik heb het woord van de HEERE uitgevoerd. 14. Maar Samuël vroeg: Wat is dan dat geblaat van schapen in mijn oren, en dat geloei van runderen dat ik hoor? 15. Saul zei: Die hebben zij van de Amalekieten meegebracht. Het volk heeft het beste van de schapen en runderen gespaard om aan de HEERE, uw God, te offeren. Maar de rest hebben wij met de ban geslagen. 16. Toen zei Samuël tegen Saul: Houd op! Dan zal ik u vertellen wat de HEERE vannacht tegen mij gezegd heeft. Hij zei tegen hem: Spreek. 17. Samuël zei: U was klein in uw eigen ogen. Toch bent u het hoofd van de stammen van Israël geworden, en heeft de HEERE u tot koning over Israël gezalfd. 18. De HEERE heeft u op weg gestuurd en gezegd: Ga en sla de zondaars, de Amalekieten, met de ban. Strijd tegen hen tot u hen hebt uitgeroeid. 19. Waarom hebt u dan niet naar de HEERE geluisterd? Waarom hebt u zich op de buit gestort en gedaan wat slecht is in de ogen van de HEERE? 20. Saul zei tegen Samuël: Ik heb toch naar de HEERE geluisterd! Ik ben de weg gegaan waarop de HEERE mij gestuurd heeft. Ik heb Agag, de koning van de Amalekieten, meegebracht, en de Amalekieten heb ik met de ban geslagen. 21. Maar het volk heeft van de buit schapen en runderen genomen, het beste van wat met de ban geslagen was. Dat wilde het in Gilgal aan de HEERE, uw God, offeren. 22. Maar Samuël zei: Heeft de HEERE evenveel vreugde in brandoffers en slachtoffers als in gehoorzaamheid aan Zijn stem? Kijk, gehoorzamen is beter dan offeren, luisteren is beter dan het vet van rammen. 23. Want ongehoorzaamheid is als de zonde van toverij, en tegenstreven is als afgoderij en beeldendienst. Omdat u het woord van de HEERE verworpen hebt, heeft Hij u verworpen als koning. 24. Toen zei Saul tegen Samuël: Ik heb gezondigd, want ik heb het bevel van de HEERE en uw woorden overtreden. Ik was bang voor het volk en heb naar hen geluisterd. 25. Vergeef mij nu toch mijn zonde. Keer met mij terug, zodat ik de HEERE kan aanbidden. 26. Maar Samuël zei tegen Saul: Ik ga niet met u terug. Want u hebt het woord van de HEERE verworpen, en daarom heeft de HEERE u verworpen als koning over Israël. 27. Toen Samuël zich omdraaide om weg te gaan, greep Saul de slip van zijn mantel, en die scheurde. 28. Samuël zei tegen hem: De HEERE heeft vandaag het koningschap over Israël van u afgescheurd. Hij heeft het gegeven aan een ander, die beter is dan u. 29. Hij Die de roem van Israël is, liegt niet en heeft geen spijt. Want Hij is geen mens, dat Hij spijt zou krijgen. 30. Saul zei: Ik heb gezondigd. Maar eer mij nu toch voor de oudsten van mijn volk en voor Israël. Keer met mij terug, zodat ik de HEERE, uw God, kan aanbidden. 31. Toen ging Samuël met Saul mee terug, en Saul aanbad de HEERE. 32. Samuël zei: Breng Agag, de koning van de Amalekieten, bij mij. Agag kwam vol goede moed naar hem toe. Agag zei: De bitterheid van de dood is echt voorbij! 33. Maar Samuël zei: Zoals jouw zwaard vrouwen kinderloos heeft gemaakt, zo zal jouw moeder onder de vrouwen kinderloos worden. Toen hakte Samuël Agag in stukken voor de HEERE in Gilgal. 34. Daarna ging Samuël naar Rama, en Saul ging naar zijn huis in Gibea, de stad van Saul. 35. Samuël zag Saul niet meer tot de dag van zijn dood. Toch treurde Samuël om Saul. En het speet de HEERE dat Hij Saul koning over Israël had gemaakt. ## 1 Samuel 16 — David wordt gezalfd 1. De HEERE zei tegen Samuël: Hoe lang blijf je treuren om Saul? Ik heb hem toch verworpen als koning over Israël. Vul je hoorn met olie en ga. Ik stuur je naar Isaï, de Bethlehemiet, want ik heb onder zijn zonen een koning voor mij uitgekozen. 2. Maar Samuël zei: Hoe kan ik gaan? Als Saul het hoort, doodt hij mij. De HEERE zei: Neem een jonge koe mee en zeg: Ik ben gekomen om de HEERE een offer te brengen. 3. Nodig Isaï uit voor het offer. Dan zal ik je laten weten wat je moet doen. Je moet voor mij zalven wie ik je aanwijs. 4. Samuël deed wat de HEERE gezegd had en kwam in Bethlehem. De oudsten van de stad kwamen hem bevend tegemoet en vroegen: Komt u in vrede? 5. Hij zei: In vrede. Ik ben gekomen om de HEERE een offer te brengen. Heilig je en kom met mij naar het offer. Hij heiligde Isaï en zijn zonen en nodigde hen uit voor het offer. 6. Toen zij kwamen, zag hij Eliab en dacht: Zeker, hier voor de HEERE staat Zijn gezalfde. 7. Maar de HEERE zei tegen Samuël: Let niet op zijn uiterlijk of zijn lengte, want ik heb hem afgewezen. Het gaat niet zoals een mens kijkt. Een mens kijkt naar wat voor ogen is, maar de HEERE kijkt naar het hart. 8. Toen riep Isaï Abinadab en liet hem langs Samuël lopen. Maar hij zei: Ook deze heeft de HEERE niet gekozen. 9. Daarna liet Isaï Samma langs hem lopen. Maar hij zei: Ook deze heeft de HEERE niet gekozen. 10. Zo liet Isaï zeven van zijn zonen langs Samuël lopen. Maar Samuël zei tegen Isaï: De HEERE heeft geen van hen gekozen. 11. Samuël vroeg Isaï: Zijn dit al je jongens? Hij zei: De jongste is er nog, maar hij past op de schapen. Samuël zei tegen Isaï: Laat hem halen, want wij gaan niet aan tafel voordat hij hier is. 12. Isaï liet hem halen. Hij had een rossige huid, mooie ogen en zag er goed uit. De HEERE zei: Sta op, zalf hem, want hij is het. 13. Samuël nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Vanaf die dag kwam de Geest van de HEERE over David. Daarna stond Samuël op en ging naar Rama. 14. Maar de Geest van de HEERE week van Saul, en een boze geest van de HEERE joeg hem angst aan. 15. De dienaren van Saul zeiden tegen hem: Kijk, een boze geest van God jaagt u angst aan. 16. Laat onze heer toch aan zijn dienaren die bij u zijn, opdracht geven een man te zoeken die harp kan spelen. Als de boze geest van God over u komt, kan hij op de harp spelen. Dan zal het beter met u gaan. 17. Saul zei tegen zijn dienaren: Zoek voor mij een man die goed kan spelen, en breng hem bij mij. 18. Een van de knechten antwoordde: Ik heb een zoon van Isaï, de Bethlehemiet, gezien die goed kan spelen. Hij is een dappere held en een strijder, verstandig in wat hij zegt, en knap. En de HEERE is met hem. 19. Saul stuurde boden naar Isaï en liet zeggen: Stuur je zoon David naar mij, die bij de schapen is. 20. Isaï nam een ezel met brood, een leren zak met wijn en een geitenbokje. Hij stuurde die met zijn zoon David mee naar Saul. 21. Zo kwam David bij Saul en trad in zijn dienst. Saul kreeg hem heel lief, en hij werd zijn wapendrager. 22. Saul liet Isaï zeggen: Laat David toch in mijn dienst blijven, want hij heeft genade gevonden in mijn ogen. 23. Telkens als de geest van God over Saul kwam, nam David de harp en speelde erop. Dan kwam Saul tot rust en ging het beter met hem, en de boze geest week van hem. ## 1 Samuel 17 — David en Goliath 1. De Filistijnen verzamelden hun leger voor de strijd. Zij kwamen bijeen in Socho, dat in Juda ligt, en sloegen hun kamp op tussen Socho en Azeka, in Efes-dammim. 2. Saul en de mannen van Israël kwamen ook bijeen en sloegen hun kamp op in het Eikendal. Zij stelden zich in slagorde op tegenover de Filistijnen. 3. De Filistijnen stonden op een berg aan de ene kant, en de Israëlieten op een berg aan de andere kant. Het dal lag tussen hen in. 4. Toen kwam er uit het kamp van de Filistijnen een voorvechter naar voren. Hij heette Goliath en kwam uit Gath. Hij was bijna 3 meter lang. 5. Hij had een koperen helm op zijn hoofd en droeg een pantser van schubben. Dat pantser woog ongeveer 55 kilo koper. 6. Hij had koperen scheenplaten om zijn benen en een koperen schild op zijn rug. 7. De schacht van zijn speer was als een weversboom, en de punt van zijn speer woog ongeveer 7 kilo ijzer. Zijn schilddrager liep voor hem uit. 8. Hij ging staan en riep naar de slagorde van Israël: Waarom zijn jullie uitgetrokken om je in slagorde op te stellen? Ben ik niet de Filistijn, en zijn jullie niet de dienaren van Saul? Kies een man uit jullie midden die naar mij toe komt. 9. Als hij met mij kan vechten en mij verslaat, zullen wij jullie slaven zijn. Maar als ik hem overwin en versla, zullen jullie onze slaven zijn en ons dienen. 10. De Filistijn zei nog: Ik daag vandaag de slagorde van Israël uit. Geef mij een man, dan vechten wij met elkaar! 11. Toen Saul en heel Israël deze woorden van de Filistijn hoorden, schrokken zij en werden zeer bang. 12. David was de zoon van de Efrathiet uit Bethlehem in Juda die Isaï heette. Hij had acht zonen. In de tijd van Saul was hij al oud en hoogbejaard. 13. De drie oudste zonen van Isaï waren met Saul ten strijde getrokken. Zij heetten Eliab, de oudste, Abinadab, de tweede, en Samma, de derde. 14. David was de jongste. De drie oudsten waren Saul gevolgd. 15. Maar David ging af en toe bij Saul weg en terug naar Bethlehem, om de schapen van zijn vader te hoeden. 16. De Filistijn kwam elke morgen en elke avond naar voren. Zo stelde hij zich veertig dagen lang op. 17. Isaï zei tegen zijn zoon David: Neem voor je broers ongeveer 20 liter van dit geroosterde graan en deze tien broden. Breng ze snel naar het kamp, naar je broers. 18. En breng deze tien kazen naar de bevelhebber over duizend. Ga kijken hoe het met je broers gaat, en neem een teken van hen mee. 19. Saul en zij en alle mannen van Israël waren in het Eikendal in gevecht met de Filistijnen. 20. David stond de volgende morgen vroeg op en liet de schapen achter bij een oppasser. Hij nam de spullen mee en ging op weg, zoals Isaï hem had opgedragen. Hij kwam bij de wagenburg, net toen het leger in slagorde uittrok en de strijdkreet klonk. 21. Israël en de Filistijnen stelden zich in slagorde op, het ene leger tegenover het andere. 22. David liet de spullen achter bij de man die op de bagage paste. Hij rende naar de slagorde en vroeg zijn broers hoe het met hen ging. 23. Terwijl hij met hen praatte, kwam de voorvechter naar voren, de Filistijn Goliath uit Gath. Hij kwam uit de slagorde van de Filistijnen en sprak dezelfde woorden als eerst. David hoorde het. 24. Alle mannen van Israël vluchtten voor die man toen zij hem zagen, en zij waren zeer bang. 25. De mannen van Israël zeiden: Hebben jullie die man gezien die naar voren is gekomen? Hij komt Israël uitdagen. Wie hem verslaat, zal de koning zeer rijk maken. Hij zal hem zijn dochter geven, en de familie van zijn vader vrijstellen in Israël. 26. David vroeg de mannen die bij hem stonden: Wat krijgt de man die deze Filistijn verslaat en de schande van Israël wegneemt? Wie is die onbesneden Filistijn eigenlijk, dat hij de slagorde van de levende God uitdaagt? 27. Het volk vertelde hem hetzelfde als eerst: Dat krijgt de man die hem verslaat. 28. Eliab, zijn oudste broer, hoorde hem met de mannen praten. Toen werd Eliab kwaad op David en zei: Waarom ben je hierheen gekomen? Bij wie heb je die paar schapen in de woestijn achtergelaten? Ik ken je brutaliteit en je slechte hart. Je bent alleen gekomen om naar de strijd te kijken. 29. David zei: Wat heb ik nu gedaan? Ik vroeg toch alleen maar iets? 30. Hij draaide zich om naar een ander en vroeg hetzelfde. Het volk gaf hem hetzelfde antwoord als eerst. 31. Wat David gezegd had, werd gehoord en aan Saul verteld. Toen liet Saul hem halen. 32. David zei tegen Saul: Laat niemand de moed verliezen vanwege hem. Uw dienaar zal gaan en tegen deze Filistijn vechten. 33. Maar Saul zei tegen David: Je kunt niet tegen deze Filistijn gaan vechten. Je bent nog een jongen, en hij is al een strijder vanaf zijn jeugd. 34. David zei tegen Saul: Uw dienaar hoedde de schapen van zijn vader. Soms kwam er een leeuw of een beer die een schaap uit de kudde weghaalde. 35. Dan ging ik erachteraan, sloeg hem en redde het schaap uit zijn bek. Als hij mij aanviel, greep ik hem bij zijn baard, sloeg hem en doodde hem. 36. Uw dienaar heeft zowel de leeuw als de beer gedood. Deze onbesneden Filistijn zal worden als een van hen, want hij heeft de slagorde van de levende God uitgedaagd. 37. David zei verder: De HEERE heeft mij gered uit de klauwen van de leeuw en de beer. Hij zal mij ook redden uit de macht van deze Filistijn. Toen zei Saul tegen David: Ga, en de HEERE zal met je zijn! 38. Saul trok David zijn eigen kleren aan. Hij zette een koperen helm op zijn hoofd en trok hem een pantser aan. 39. David gordde het zwaard van Saul om over zijn kleren en probeerde te lopen, want hij had het nooit geoefend. Toen zei David tegen Saul: Ik kan hierin niet lopen, want ik heb het nooit geoefend. En David trok het weer uit. 40. Hij nam zijn staf in zijn hand en zocht vijf gladde stenen uit de beek. Die deed hij in zijn herderstas. Met zijn slinger in zijn hand ging hij op de Filistijn af. 41. Ook de Filistijn kwam steeds dichter naar David toe, met zijn schilddrager voor zich uit. 42. Toen de Filistijn keek en David zag, minachtte hij hem. Want hij was nog een jongen, met een rossige huid en een knap uiterlijk. 43. De Filistijn zei tegen David: Ben ik soms een hond, dat je met stokken naar mij toe komt? En de Filistijn vervloekte David bij zijn goden. 44. De Filistijn zei tegen David: Kom maar hier, dan geef ik je vlees aan de vogels in de lucht en de dieren in het veld. 45. Maar David zei tegen de Filistijn: Jij komt naar mij toe met een zwaard, een speer en een schild. Maar ik kom naar jou toe in de naam van de HEERE van de legermachten. Hij is de God van de slagorde van Israël, Die jij hebt uitgedaagd. 46. Vandaag zal de HEERE je aan mij uitleveren. Ik zal je verslaan en je hoofd afhakken. Vandaag geef ik de lijken van het leger van de Filistijnen aan de vogels in de lucht en de wilde dieren. Dan zal de hele aarde weten dat Israël een God heeft. 47. Heel deze menigte zal weten dat de HEERE niet redt door zwaard of speer. Want de strijd is van de HEERE, en Hij zal jullie in onze macht geven. 48. Toen de Filistijn opstond en op David afkwam, rende David snel naar de slagorde, de Filistijn tegemoet. 49. David stak zijn hand in de tas, pakte er een steen uit en slingerde die. Hij trof de Filistijn in zijn voorhoofd. De steen drong in zijn voorhoofd, en hij viel voorover op de grond. 50. Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen. Hij versloeg de Filistijn en doodde hem, zonder dat hij een zwaard in zijn hand had. 51. David rende erheen en ging op de Filistijn staan. Hij pakte diens zwaard, trok het uit de schede, doodde hem en hakte er zijn hoofd mee af. Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, vluchtten zij. 52. De mannen van Israël en Juda sprongen op, juichten en achtervolgden de Filistijnen tot aan het dal en tot de poorten van Ekron. De gewonde Filistijnen vielen langs de weg van Saaraïm, tot aan Gath en Ekron. 53. Daarna kwamen de Israëlieten terug van hun felle achtervolging van de Filistijnen en plunderden hun kampen. 54. David nam het hoofd van de Filistijn en bracht het naar Jeruzalem. Maar zijn wapens legde hij in zijn eigen tent. 55. Toen Saul David op de Filistijn af zag gaan, vroeg hij aan Abner, de legeraanvoerder: Abner, wiens zoon is die jongen? Abner zei: Zo waar u leeft, koning, ik weet het niet. 56. De koning zei: Vraag jij dan wiens zoon die jongen is. 57. Toen David terugkwam van zijn overwinning op de Filistijn, nam Abner hem mee naar Saul. David had het hoofd van de Filistijn nog in zijn hand. 58. Saul vroeg hem: Wiens zoon ben je, jongen? David zei: Ik ben een zoon van uw dienaar Isaï, de Bethlehemiet. ## 1 Samuel 18 — Saul wordt jaloers op David 1. Toen David uitgesproken was met Saul, raakte Jonathan innig met David verbonden. Jonathan hield van hem als van zichzelf. 2. Saul nam hem die dag bij zich en liet hem niet meer terugkeren naar het huis van zijn vader. 3. Jonathan en David sloten een verbond, want Jonathan hield van hem als van zichzelf. 4. Jonathan deed de mantel uit die hij droeg, en gaf die aan David. Ook gaf hij hem zijn kleren, en zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel. 5. Overal waar Saul hem heen stuurde, trok David uit, en hij handelde verstandig. Saul stelde hem aan over de strijders. Het hele volk was blij met hem, en ook de dienaren van Saul. 6. Toen zij terugkwamen, nadat David de Filistijn had verslagen, kwamen de vrouwen uit alle steden van Israël koning Saul tegemoet. Zij zongen en dansten, met tamboerijnen, met vreugde en met muziekinstrumenten. 7. De vrouwen zongen tegen elkaar in terwijl zij speelden: Saul heeft er duizend verslagen, maar David tienduizend! 8. Toen werd Saul heel kwaad. Hij vond dat lied slecht en zei: Aan David geven zij tienduizend, maar mij maar duizend. Nu ontbreekt hem alleen nog het koningschap! 9. Vanaf die dag hield Saul David wantrouwig in het oog. 10. De volgende dag kwam de boze geest van God over Saul, en hij raakte in vervoering midden in het huis. David speelde zoals elke dag op de harp. Saul had een speer in zijn hand. 11. Saul wierp de speer en dacht: Ik zal David aan de muur spietsen. Maar David ontweek hem twee keer. 12. Saul was bang voor David, want de HEERE was met hem, en Hij was van Saul geweken. 13. Daarom stuurde Saul hem bij zich weg en stelde hem aan als bevelhebber over duizend man. Zo trok David voor het volk uit en weer in. 14. David handelde in al wat hij deed verstandig, en de HEERE was met hem. 15. Toen Saul zag dat hij zo verstandig handelde, werd hij bang voor hem. 16. Maar heel Israël en Juda hielden van David, want hij trok voor hen uit en weer in. 17. Daarom zei Saul tegen David: Kijk, ik zal je mijn oudste dochter Merab als vrouw geven. Wees alleen een dappere zoon voor mij en voer de oorlogen van de HEERE. Want Saul dacht: Ik wil hem niet zelf doden. Laat de Filistijnen dat maar doen. 18. Maar David zei tegen Saul: Wie ben ik? Wat is mijn afkomst, wat is de familie van mijn vader in Israël? Hoe zou ik de schoonzoon van de koning kunnen worden? 19. Maar toen Merab, de dochter van Saul, aan David gegeven zou worden, werd zij als vrouw gegeven aan Adriël, de Meholathiet. 20. Maar Michal, de dochter van Saul, hield van David. Toen Saul dat hoorde, vond hij dat goed. 21. Saul dacht: Ik zal haar aan hem geven, zodat zij een valstrik voor hem wordt en de Filistijnen hem doden. Daarom zei Saul tegen David: Door de tweede dochter kun je vandaag toch mijn schoonzoon worden. 22. Saul gaf zijn dienaren de opdracht: Praat in het geheim met David. Zeg tegen hem: Kijk, de koning is op je gesteld, en al zijn dienaren houden van je. Word dan nu de schoonzoon van de koning. 23. De dienaren van Saul zeiden dit tegen David. Maar David zei: Vinden jullie het een kleinigheid om schoonzoon van de koning te worden? Ik ben maar een arm en onbelangrijk man. 24. De dienaren van Saul vertelden het hem: Dat heeft David gezegd. 25. Saul zei: Zeg tegen David: De koning wil geen bruidsprijs, maar honderd voorhuiden van de Filistijnen. Zo kan hij zich wreken op de vijanden van de koning. Want Saul was van plan David door de Filistijnen te laten doden. 26. Zijn dienaren vertelden David deze woorden, en David vond het goed om zo schoonzoon van de koning te worden. De afgesproken tijd was nog niet voorbij. 27. David ging met zijn mannen op pad en doodde 200 Filistijnen. David bracht hun voorhuiden en leverde ze allemaal bij de koning in, om schoonzoon van de koning te worden. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal als vrouw. 28. Saul zag en begreep dat de HEERE met David was, en dat zijn dochter Michal van hem hield. 29. Toen werd Saul nog banger voor David, en Saul bleef zijn hele leven de vijand van David. 30. Telkens als de vorsten van de Filistijnen ten strijde trokken, was David succesvoller dan alle dienaren van Saul. Zo werd zijn naam zeer beroemd. ## 1 Samuel 19 — Saul probeert David te doden 1. Saul sprak met zijn zoon Jonathan en al zijn dienaren over zijn plan om David te doden. Maar Jonathan, de zoon van Saul, was erg op David gesteld. 2. Jonathan vertelde het aan David: Mijn vader Saul probeert je te doden. Wees morgenochtend dus op je hoede, blijf in een schuilplaats en verstop je. 3. Ik ga naar buiten en ga naast mijn vader staan in het veld waar jij bent. Dan zal ik met mijn vader over je praten. Als ik iets merk, zal ik het je vertellen. 4. Jonathan sprak goed over David tegen zijn vader Saul. Hij zei tegen hem: Laat de koning niet zondigen tegen zijn dienaar David. Want hij heeft niet tegen u gezondigd, en wat hij voor u gedaan heeft, is heel goed. 5. Hij heeft zijn leven gewaagd en de Filistijn verslagen, en de HEERE heeft heel Israël een grote redding gebracht. U hebt het gezien en was blij. Waarom zou u dan zondigen door onschuldig bloed te vergieten en David zonder reden te doden? 6. Saul luisterde naar Jonathan. Saul zwoer: Zo waar de HEERE leeft, hij zal niet gedood worden! 7. Jonathan riep David en vertelde hem dit alles. Jonathan bracht David bij Saul, en hij was weer bij hem zoals vroeger. 8. Er brak opnieuw oorlog uit. David trok ten strijde tegen de Filistijnen en bracht hun een zware nederlaag toe, zodat zij voor hem vluchtten. 9. Maar de boze geest van de HEERE kwam over Saul, terwijl hij in zijn huis zat met zijn speer in zijn hand. David speelde op de harp. 10. Saul probeerde David met de speer aan de muur te spietsen. Maar hij ontweek Saul, en de speer sloeg in de muur. David vluchtte en ontkwam die nacht. 11. Saul stuurde boden naar het huis van David om hem te bewaken en hem de volgende morgen te doden. Maar Michal, zijn vrouw, waarschuwde David: Als je vannacht niet vlucht om je leven te redden, word je morgen gedood. 12. Michal liet David door een raam naar beneden zakken. Hij ging weg, vluchtte en ontkwam. 13. Michal nam een beeld en legde het in bed. Zij legde een geitenvel bij het hoofdeinde en dekte het toe met een kleed. 14. Saul stuurde boden om David te halen, maar zij zei: Hij is ziek. 15. Toen stuurde Saul de boden terug om David te zien. Hij zei: Breng hem in zijn bed naar mij toe, dan kan ik hem doden. 16. Toen de boden binnenkwamen, lag er een beeld in bed, met een geitenvel bij het hoofdeinde. 17. Saul zei tegen Michal: Waarom heb je mij zo bedrogen en mijn vijand laten gaan, zodat hij ontkomen is? Michal zei tegen Saul: Hij zei tegen mij: Laat mij gaan, of moet ik je doden? 18. Zo vluchtte David en ontkwam. Hij ging naar Samuël in Rama en vertelde hem alles wat Saul hem had aangedaan. Toen gingen hij en Samuël in Najoth wonen. 19. Aan Saul werd verteld: Kijk, David is in Najoth bij Rama. 20. Saul stuurde boden om David te halen. Zij zagen een groep profeten die profeteerden, met Samuël als hun leider. Toen kwam de Geest van God over de boden van Saul, en ook zij profeteerden. 21. Toen Saul dat hoorde, stuurde hij andere boden, maar ook die profeteerden. Saul stuurde voor de derde keer boden, en ook die profeteerden. 22. Daarna ging hij zelf naar Rama. Hij kwam bij de grote put in Sechu en vroeg: Waar zijn Samuël en David? Men zei: Zij zijn in Najoth bij Rama. 23. Hij ging daarheen, naar Najoth bij Rama. Ook over hem kwam de Geest van God, en hij bleef profeteren tot hij in Najoth bij Rama kwam. 24. Ook hij trok zijn kleren uit en profeteerde voor Samuël. De hele dag en de hele nacht lag hij daar naakt. Daarom zegt men: Is Saul ook onder de profeten? ## 1 Samuel 20 — Het verbond van Jonathan en David 1. David vluchtte weg uit Najoth bij Rama. Hij kwam bij Jonathan en zei: Wat heb ik gedaan? Wat is mijn misdaad, wat is mijn zonde tegenover uw vader, dat hij mij naar het leven staat? 2. Maar Jonathan zei tegen hem: Geen sprake van, je zult niet sterven. Kijk, mijn vader doet niets, groot of klein, zonder het mij te vertellen. Waarom zou mijn vader dit dan voor mij verbergen? Dat is niet zo. 3. Maar David zwoer opnieuw en zei: Uw vader weet heel goed dat ik genade gevonden heb in uw ogen. Daarom denkt hij: Jonathan mag dit niet weten, anders krijgt hij verdriet. Maar zo waar de HEERE leeft en zo waar u leeft, er is maar één stap tussen mij en de dood! 4. Jonathan zei tegen David: Wat je ook wilt, ik zal het voor je doen. 5. David zei tegen Jonathan: Kijk, morgen is het feest van de nieuwe maan. Dan hoor ik met de koning aan tafel te zitten. Laat mij gaan, dan verstop ik mij in het veld tot de derde avond. 6. Als uw vader mij mist, zeg dan: David heeft mij dringend gevraagd of hij snel naar zijn stad Bethlehem mocht gaan. Want daar wordt het jaarlijkse offer voor de hele familie gebracht. 7. Als hij zegt: Goed, dan is uw dienaar veilig. Maar als hij woedend wordt, weet dan dat hij vastbesloten is om mij kwaad te doen. 8. Wees dan trouw aan uw dienaar, want u bent met uw dienaar een verbond aangegaan voor de HEERE. Maar als ik iets misdaan heb, dood mij dan zelf. Waarom zou u mij naar uw vader brengen? 9. Jonathan zei: Dat zij verre van je! Als ik zeker wist dat mijn vader vastbesloten was om je kwaad te doen, zou ik het je dan niet vertellen? 10. David zei tegen Jonathan: Wie zal het mij laten weten als uw vader u een hard antwoord geeft? 11. Jonathan zei tegen David: Kom, laten wij het veld in gaan. Zo gingen zij samen het veld in. 12. Jonathan zei tegen David: De HEERE, de God van Israël, is getuige. Morgen of overmorgen rond deze tijd zal ik mijn vader uithoren. Als het goed staat met David, zal ik het je zeker laten weten. 13. Anders mag de HEERE Jonathan zo straffen en nog erger! Als mijn vader van plan is je kwaad te doen, zal ik het je vertellen en je laten gaan. Dan kun je in vrede vertrekken. De HEERE zij met je, zoals Hij met mijn vader geweest is. 14. En als ik dan nog leef, wil je dan de trouw van de HEERE aan mij bewijzen, zodat ik niet sterf? 15. Trek ook je trouw nooit terug van mijn familie. Ook niet wanneer de HEERE alle vijanden van David van de aardbodem heeft weggevaagd. 16. Zo sloot Jonathan een verbond met de familie van David. Hij zei: Laat de HEERE het eisen uit de hand van de vijanden van David! 17. Jonathan liet David opnieuw zweren, omdat hij van hem hield. Want hij hield van hem als van zichzelf. 18. Jonathan zei tegen hem: Morgen is het feest van de nieuwe maan. Dan zul je gemist worden, want je plaats zal leeg zijn. 19. Als je drie dagen weg bent geweest, ga dan snel naar de plaats waar je je de vorige keer verstopt hebt. Blijf daar bij de steen Ezel. 20. Ik zal dan drie pijlen naast die steen afschieten, alsof ik op een doel schiet. 21. Dan stuur ik de jongen erop uit: Ga de pijlen zoeken. Als ik tegen de jongen zeg: Kijk, de pijlen liggen aan deze kant van je, pak ze, kom dan. Want dan is het veilig voor je, en is er niets aan de hand, zo waar de HEERE leeft! 22. Maar als ik tegen de jongen zeg: Kijk, de pijlen liggen voorbij je, ga dan weg. Want dan stuurt de HEERE je weg. 23. En wat de afspraak betreft die wij samen gemaakt hebben: de HEERE is voor altijd getuige tussen mij en jou! 24. David verstopte zich in het veld. Toen het feest van de nieuwe maan was, ging de koning aan tafel om te eten. 25. De koning zat zoals altijd op zijn plaats bij de muur. Jonathan zat tegenover hem, en Abner zat naast Saul. Maar de plaats van David was leeg. 26. Saul zei die dag niets, want hij dacht: Er is hem iets overkomen, waardoor hij onrein is. Hij is zeker onrein. 27. Maar de volgende dag, de tweede dag van de nieuwe maan, was de plaats van David weer leeg. Toen zei Saul tegen zijn zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï gisteren en vandaag niet komen eten? 28. Jonathan antwoordde Saul: David heeft mij dringend gevraagd of hij naar Bethlehem mocht gaan. 29. Hij zei: Laat mij toch gaan, want onze familie brengt een offer in de stad, en mijn broer heeft mij opgedragen te komen. Als ik genade heb gevonden in uw ogen, laat mij dan gaan om mijn broers te zien. Daarom is hij niet aan de tafel van de koning gekomen. 30. Toen werd Saul woedend op Jonathan en zei tegen hem: Jij zoon van een verdorven, opstandige vrouw! Denk je dat ik niet weet dat jij de zoon van Isaï hebt gekozen? Dat is een schande voor jou en voor de schoot van je moeder! 31. Want zolang de zoon van Isaï op aarde leeft, zullen jij en je koningschap geen stand houden. Stuur nu iemand en haal hem bij mij, want hij moet sterven. 32. Jonathan antwoordde zijn vader Saul: Waarom moet hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan? 33. Toen wierp Saul de speer naar hem om hem te treffen. Zo begreep Jonathan dat zijn vader vastbesloten was David te doden. 34. Jonathan stond woedend van tafel op. Hij at die tweede dag van de nieuwe maan niets. Want hij had verdriet om David, en zijn vader had hem beledigd. 35. De volgende morgen ging Jonathan het veld in, op de tijd die hij met David had afgesproken. Er was een kleine jongen bij hem. 36. Hij zei tegen zijn jongen: Ren en zoek de pijlen die ik ga afschieten. De jongen rende weg, en hij schoot een pijl over hem heen. 37. Toen de jongen bij de plaats kwam waar de pijl van Jonathan lag, riep Jonathan hem na: Ligt de pijl niet voorbij je? 38. Jonathan riep de jongen opnieuw na: Snel, haast je, blijf niet staan! De jongen van Jonathan raapte de pijl op en kwam terug bij zijn heer. 39. Maar de jongen wist van niets. Alleen Jonathan en David wisten ervan. 40. Jonathan gaf zijn wapens aan zijn jongen en zei tegen hem: Ga, breng ze naar de stad. 41. Toen de jongen weg was, kwam David tevoorschijn vanaf de zuidkant. Hij viel met zijn gezicht ter aarde en boog zich drie keer. Zij kusten elkaar en huilden samen, David nog het meest. 42. Jonathan zei tegen David: Ga in vrede. Wij hebben samen in de naam van de HEERE gezworen: De HEERE is voor altijd getuige tussen mij en jou. Hij is getuige tussen mijn nakomelingen en jouw nakomelingen. 43. Daarna stond David op en ging weg, en Jonathan ging terug naar de stad. ## 1 Samuel 21 — David in Nob en in Gath 1. David kwam in Nob bij de priester Achimelech. Achimelech kwam David bevend tegemoet en vroeg hem: Waarom bent u alleen, en is er niemand bij u? 2. David zei tegen de priester Achimelech: De koning heeft mij een opdracht gegeven. Hij zei tegen mij: Niemand mag iets weten van de opdracht waarmee ik je stuur. Met mijn mannen heb ik een plaats afgesproken. 3. Wat hebt u hier bij de hand? Geef mij vijf broden, of wat er maar is. 4. De priester antwoordde David: Ik heb geen gewoon brood bij de hand. Er is alleen heilig brood, als de mannen zich tenminste van vrouwen onthouden hebben. 5. David antwoordde de priester: Ja, sinds ik twee dagen geleden vertrok, hebben wij ons van vrouwen onthouden. De spullen van de mannen zijn heilig. Bovendien is dit gewoon brood geworden, nu er vandaag nieuw brood wordt geheiligd. 6. Toen gaf de priester hem het heilige brood. Want er was geen ander brood dan de toonbroden. Die waren weggenomen van voor de HEERE, om er vers brood voor in de plaats te leggen. 7. Die dag was daar een van de dienaren van Saul, die voor de HEERE werd vastgehouden. Hij heette Doëg, een Edomiet, de machtigste van de herders van Saul. 8. David vroeg Achimelech: Hebt u hier geen speer of zwaard bij de hand? Want ik heb mijn zwaard en mijn wapens niet meegenomen, omdat de opdracht van de koning haast had. 9. De priester zei: Het zwaard van Goliath, de Filistijn die u in het Eikendal hebt gedood, ligt hier. Het is in een kleed gewikkeld, achter de efod. Als u het wilt, neem het dan, want er is hier geen ander. David zei: Er is er geen zoals dat. Geef het mij. 10. David vertrok die dag en vluchtte voor Saul. Hij kwam bij Achis, de koning van Gath. 11. Maar de dienaren van Achis zeiden tegen hem: Is dat niet David, de koning van het land? Zongen zij niet over hem bij de dansen: Saul heeft er duizend verslagen, maar David tienduizend? 12. David nam deze woorden ter harte en werd heel bang voor Achis, de koning van Gath. 13. Daarom deed hij in hun bijzijn alsof hij gek was. Hij gedroeg zich als een waanzinnige onder hen, kraste op de deuren van de poort en liet het speeksel in zijn baard lopen. 14. Toen zei Achis tegen zijn dienaren: Kijk, jullie zien toch dat de man gek is? Waarom hebben jullie hem bij mij gebracht? 15. Heb ik soms gebrek aan gekken, dat jullie deze man hebben gebracht om bij mij gek te doen? Moet die in mijn huis komen? ## 1 Samuel 22 — Saul laat de priesters van Nob doden 1. David ging daar weg en vluchtte naar de grot van Adullam. Toen zijn broers en de hele familie van zijn vader dat hoorden, kwamen zij daar naar hem toe. 2. Iedereen die in nood zat, iedereen die schulden had en iedereen die verbitterd was, kwam bij hem. Hij werd hun leider. Zo waren er ongeveer 400 man bij hem. 3. Van daar ging David naar Mizpa in Moab. Hij zei tegen de koning van Moab: Laat mijn vader en moeder toch bij u verblijven, tot ik weet wat God met mij zal doen. 4. Hij bracht hen bij de koning van Moab, en zij bleven bij hem zolang David in de vesting was. 5. Maar de profeet Gad zei tegen David: Blijf niet in de vesting. Ga naar het land van Juda. Toen ging David weg en kwam in het woud van Chereth. 6. Saul hoorde dat David en de mannen bij hem ontdekt waren. Saul zat op een heuvel onder de bomen in Rama, met zijn speer in zijn hand. Al zijn dienaren stonden om hem heen. 7. Saul zei tegen zijn dienaren die bij hem stonden: Luister, Benjaminieten! Zal de zoon van Isaï jullie allemaal akkers en wijngaarden geven? Zal hij jullie allemaal bevelhebbers over duizend en over honderd man maken? 8. Jullie hebben allemaal tegen mij samengespannen. Niemand heeft mij verteld dat mijn zoon een verbond heeft gesloten met de zoon van Isaï. Niemand van jullie heeft medelijden met mij of vertelt het mij. Want mijn zoon heeft mijn dienaar tegen mij opgezet, zodat hij mij belaagt, zoals nu blijkt. 9. Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de dienaren van Saul stond. Hij zei: Ik heb de zoon van Isaï in Nob zien komen, bij Achimelech, de zoon van Ahitub. 10. Die heeft voor hem de HEERE om raad gevraagd en hem proviand gegeven. Ook heeft hij hem het zwaard van Goliath, de Filistijn, gegeven. 11. Toen liet de koning de priester Achimelech, de zoon van Ahitub, roepen, met de hele familie van zijn vader, de priesters in Nob. Zij kwamen allemaal bij de koning. 12. Saul zei: Luister, zoon van Ahitub! Hij zei: Hier ben ik, mijn heer. 13. Saul zei tegen hem: Waarom hebben jij en de zoon van Isaï tegen mij samengespannen? Je hebt hem brood en een zwaard gegeven en God voor hem om raad gevraagd. Nu komt hij tegen mij in opstand en belaagt hij mij, zoals nu blijkt. 14. Achimelech antwoordde de koning: Wie van al uw dienaren is zo trouw als David? Hij is de schoonzoon van de koning, gehoorzaam aan uw bevel en geëerd in uw huis. 15. Ben ik vandaag pas begonnen God voor hem om raad te vragen? Dat zij verre van mij! Laat de koning mij en de familie van mijn vader niets verwijten. Want uw dienaar wist van dit alles helemaal niets, klein of groot. 16. Maar de koning zei: Achimelech, je moet sterven, jij en de hele familie van je vader. 17. De koning zei tegen de lijfwachten die bij hem stonden: Keer je om en dood de priesters van de HEERE. Want ook zij hebben David geholpen. Zij wisten dat hij vluchtte, maar zij hebben het mij niet verteld. Maar de dienaren van de koning wilden de priesters van de HEERE niet aanvallen. 18. Toen zei de koning tegen Doëg: Keer jij je om en val de priesters aan. Doëg, de Edomiet, keerde zich om en viel de priesters aan. Die dag doodde hij 85 mannen die het linnen priesterkleed droegen. 19. Ook de priesterstad Nob sloeg hij met het zwaard: mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen, ezels en schapen. 20. Maar een van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam. Hij heette Abjathar en vluchtte naar David. 21. Abjathar vertelde David dat Saul de priesters van de HEERE had gedood. 22. David zei tegen Abjathar: Ik wist die dag al, toen Doëg, de Edomiet, daar was, dat hij het zeker aan Saul zou vertellen. Ik ben de oorzaak van de dood van heel de familie van je vader. 23. Blijf bij mij en wees niet bang. Want wie mij naar het leven staat, staat jou naar het leven. Bij mij ben je veilig. ## 1 Samuel 23 — David redt Kehila; Saul jaagt op David 1. Aan David werd verteld: Kijk, de Filistijnen vallen Kehila aan en plunderen de dorsvloeren. 2. David vroeg de HEERE: Zal ik gaan en deze Filistijnen verslaan? De HEERE zei tegen David: Ga, versla de Filistijnen en red Kehila. 3. Maar de mannen van David zeiden tegen hem: Kijk, hier in Juda zijn wij al bang. Hoeveel te meer als wij naar Kehila gaan, tegen de slagorde van de Filistijnen! 4. Toen vroeg David de HEERE nog eens. De HEERE antwoordde hem: Sta op en ga naar Kehila, want ik geef de Filistijnen in jouw macht. 5. Zo trokken David en zijn mannen naar Kehila. Hij streed tegen de Filistijnen, dreef hun vee weg en bracht hun een zware nederlaag toe. Zo redde David de inwoners van Kehila. 6. Toen Abjathar, de zoon van Achimelech, naar David in Kehila vluchtte, had hij de efod bij zich. 7. Aan Saul werd verteld dat David in Kehila was gekomen. Saul zei: God heeft hem aan mij uitgeleverd. Want hij zit opgesloten, nu hij in een stad met poorten en grendels is gekomen. 8. Saul riep het hele volk op voor de strijd, om naar Kehila te gaan en David en zijn mannen te belegeren. 9. David merkte dat Saul in het geheim kwaad tegen hem beraamde. Hij zei tegen de priester Abjathar: Breng de efod hier. 10. David zei: HEERE, God van Israël, Uw dienaar heeft duidelijk gehoord dat Saul naar Kehila wil komen. Hij wil de stad om mij verwoesten. 11. Zullen de burgers van Kehila mij aan hem uitleveren? Zal Saul komen, zoals Uw dienaar gehoord heeft? HEERE, God van Israël, laat het toch Uw dienaar weten! De HEERE zei: Hij zal komen. 12. David vroeg verder: Zullen de burgers van Kehila mij en mijn mannen aan Saul uitleveren? De HEERE zei: Zij zullen je uitleveren. 13. Toen gingen David en zijn mannen weg, ongeveer 600 man. Zij vertrokken uit Kehila en trokken rond waar zij maar konden. Toen aan Saul verteld werd dat David uit Kehila was ontkomen, zag hij af van zijn tocht. 14. David bleef in de woestijn, in de bergvestingen. Hij bleef in het bergland in de woestijn van Zif. Saul zocht hem elke dag, maar God leverde hem niet aan hem uit. 15. David zag dat Saul was uitgetrokken om hem te doden. David was toen in de woestijn van Zif, in het woud. 16. Toen ging Jonathan, de zoon van Saul, naar David in het woud. Hij sterkte hem in zijn vertrouwen op God. 17. Hij zei tegen hem: Wees niet bang, want de hand van mijn vader Saul zal je niet vinden. Jij zult koning over Israël worden, en ik zal de tweede na jou zijn. Ook mijn vader Saul weet dat. 18. Zij sloten samen een verbond voor de HEERE. David bleef in het woud, en Jonathan ging naar huis. 19. Toen gingen de Zifieten naar Saul in Gibea en zeiden: David houdt zich bij ons verborgen, in de bergvestingen in het woud. Hij zit op de heuvel Hachila, ten zuiden van de wildernis. 20. Kom dus nu, koning, zo gauw u maar wilt. Dan zorgen wij dat hij aan de koning wordt uitgeleverd. 21. Saul zei: Gezegend zijn jullie door de HEERE, omdat jullie medelijden met mij hebben! 22. Ga toch en zoek het nog beter uit. Zoek uit waar hij verblijft en wie hem daar gezien heeft. Want mij is verteld dat hij heel sluw is. 23. Zoek uit in welke schuilplaatsen hij zich verstopt. Kom dan met zekere berichten bij mij terug, dan ga ik met jullie mee. Als hij in het land is, zal ik hem opsporen onder alle families van Juda. 24. Zij gingen op weg en gingen vóór Saul uit naar Zif. David en zijn mannen waren in de woestijn van Maon, in de vlakte ten zuiden van de wildernis. 25. Saul en zijn mannen gingen David zoeken. Toen David dat hoorde, ging hij naar de rots en bleef in de woestijn van Maon. Toen Saul dat hoorde, achtervolgde hij David in de woestijn van Maon. 26. Saul liep aan de ene kant van de berg, en David en zijn mannen aan de andere kant. David haastte zich om aan Saul te ontkomen. Maar Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen om hen te grijpen. 27. Toen kwam er een bode bij Saul en zei: Kom snel, want de Filistijnen zijn het land binnengevallen! 28. Toen hield Saul op David te achtervolgen en trok de Filistijnen tegemoet. Daarom noemt men die plaats Sela-machlekoth. ## 1 Samuel 24 — David spaart Saul in de grot 1. David trok daar weg en verbleef in de bergvestingen van En-gedi. 2. Toen Saul terugkwam van de achtervolging van de Filistijnen, werd hem verteld: Kijk, David is in de woestijn van En-gedi. 3. Toen nam Saul 3.000 uitgekozen mannen uit heel Israël en ging David en zijn mannen zoeken bij de Steenbokrotsen. 4. Hij kwam bij de schaapskooien langs de weg, waar een grot was. Saul ging de grot in om zijn behoefte te doen. David en zijn mannen zaten achter in de grot. 5. De mannen van David zeiden tegen hem: Dit is de dag waarover de HEERE tegen u gezegd heeft: Ik geef je vijand in je macht. Doe met hem wat je goed vindt. David stond op en sneed ongemerkt een slip van de mantel van Saul af. 6. Maar daarna sloeg zijn geweten hem, omdat hij een slip van de mantel van Saul had afgesneden. 7. Hij zei tegen zijn mannen: De HEERE verhoede dat ik zoiets zou doen met mijn heer, de gezalfde van de HEERE. Ik mag mijn hand niet tegen hem opheffen, want hij is de gezalfde van de HEERE! 8. Zo hield David zijn mannen met woorden tegen en liet hij hen Saul niet aanvallen. Saul stond op, verliet de grot en ging verder. 9. Daarna stond ook David op, verliet de grot en riep Saul na: Mijn heer de koning! Saul keek om, en David boog zich met zijn gezicht ter aarde. 10. David zei tegen Saul: Waarom luistert u naar mensen die zeggen: Kijk, David wil u kwaad doen? 11. Vandaag hebt u met eigen ogen gezien dat de HEERE u in de grot aan mij heeft overgeleverd. Men zei dat ik u moest doden, maar ik heb u gespaard. Ik zei: Ik zal mijn hand niet opheffen tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van de HEERE. 12. Kijk, mijn vader, kijk naar de slip van uw mantel in mijn hand. Ik heb de slip van uw mantel afgesneden, maar u niet gedood. Zie toch in dat ik geen kwaad en geen opstand in de zin heb. Ik heb niet tegen u gezondigd, en toch jaagt u op mij om mij te doden. 13. De HEERE zal rechtspreken tussen mij en u, en de HEERE zal mij op u wreken. Maar mijn hand zal niet tegen u zijn. 14. Zoals het oude spreekwoord zegt: Van goddelozen komt goddeloosheid. Maar mijn hand zal niet tegen u zijn. 15. Achter wie is de koning van Israël aangegaan? Op wie jaagt u? Op een dode hond, op een enkele vlo! 16. De HEERE zal rechter zijn en rechtspreken tussen mij en u. Hij zal het zien, mijn zaak verdedigen en mij recht verschaffen tegenover u. 17. Toen David uitgesproken was, zei Saul: Is dat jouw stem, mijn zoon David? En Saul begon luid te huilen. 18. Hij zei tegen David: Jij bent rechtvaardiger dan ik. Want jij hebt mij goed gedaan, en ik heb jou kwaad gedaan. 19. Vandaag heb je laten zien dat je mij goed gedaan hebt. Want de HEERE had mij aan jou overgeleverd, en je hebt mij niet gedood. 20. Als iemand zijn vijand vindt, laat hij hem dan ongedeerd gaan? Laat de HEERE je belonen voor het goede dat je mij vandaag gedaan hebt. 21. Nu weet ik zeker dat jij koning zult worden, en dat het koningschap over Israël in jouw hand stand zal houden. 22. Zweer mij dus nu bij de HEERE dat je mijn nakomelingen na mij niet zult uitroeien. Zweer dat je mijn naam niet zult uitwissen uit de familie van mijn vader. 23. David zwoer het Saul. Saul ging naar huis, maar David en zijn mannen gingen terug naar de bergvesting. ## 1 Samuel 25 — David, Nabal en Abigaïl 1. Samuël stierf. Heel Israël kwam bijeen en rouwde om hem. Zij begroeven hem bij zijn huis in Rama. David ging op weg naar de woestijn van Paran. 2. Er was een man in Maon die zijn bedrijf in Karmel had. Die man was zeer rijk. Hij had 3.000 schapen en 1.000 geiten. Hij was in Karmel zijn schapen aan het scheren. 3. De man heette Nabal, en zijn vrouw heette Abigaïl. De vrouw was verstandig en mooi, maar de man was hard en slecht in zijn daden. Hij was een Kalebiet. 4. David hoorde in de woestijn dat Nabal zijn schapen schoor. 5. Daarom stuurde David tien jonge mannen op pad. David zei tegen hen: Ga naar Karmel. Als jullie bij Nabal komen, groet hem dan namens mij. 6. Zeg dit tegen die welgestelde man: Vrede zij met u, vrede met uw familie, en vrede met alles wat u hebt! 7. Ik heb gehoord dat u scheerders hebt. Uw herders zijn bij ons geweest. Wij hebben hun niets aangedaan, en zij hebben niets gemist zolang zij in Karmel waren. 8. Vraag het maar aan uw knechten, dan zullen zij het u vertellen. Laat deze jonge mannen dus genade vinden in uw ogen, want wij zijn op een feestdag gekomen. Geef uw dienaren en uw zoon David toch wat u maar kunt missen. 9. De jonge mannen van David kwamen bij Nabal en zeiden dit alles namens David. Toen wachtten zij af. 10. Maar Nabal antwoordde de dienaren van David: Wie is David? Wie is die zoon van Isaï? Tegenwoordig zijn er veel dienaren die bij hun heer weglopen. 11. Moet ik mijn brood, mijn water en het vlees dat ik voor mijn scheerders heb geslacht, weggeven? Aan mannen van wie ik niet eens weet waar zij vandaan komen? 12. De jonge mannen van David keerden om en gingen terug. Zij kwamen bij hem en vertelden hem dit alles. 13. David zei tegen zijn mannen: Ieder moet zijn zwaard omgorden! Ieder gordde zijn zwaard om, en ook David gordde zijn zwaard om. Ongeveer 400 man trokken met David mee, en 200 bleven bij de bagage. 14. Maar een van de knechten vertelde het aan Abigaïl, de vrouw van Nabal. Hij zei: Kijk, David heeft boden uit de woestijn gestuurd om onze heer te groeten. Maar hij heeft hen afgesnauwd. 15. Toch zijn die mannen heel goed voor ons geweest. Zij hebben ons niets aangedaan, en wij hebben niets gemist al die tijd dat wij bij hen op het veld waren. 16. Dag en nacht waren zij als een muur om ons heen, al die tijd dat wij bij hen de schapen hoedden. 17. Denk er nu over na wat u moet doen. Want er hangt onheil boven het hoofd van onze heer en zijn hele familie. Hij is zo'n nietsnut dat niemand met hem kan praten. 18. Toen haastte Abigaïl zich. Zij nam 200 broden, twee zakken wijn, vijf geslachte schapen en vijf maten geroosterd graan. Ook nam zij honderd rozijnenkoeken en 200 vijgenkoeken en laadde alles op ezels. 19. Zij zei tegen haar knechten: Ga voor mij uit, dan kom ik achter jullie aan. Maar haar man Nabal vertelde zij niets. 20. Terwijl zij op haar ezel in de beschutting van de berg naar beneden reed, kwamen David en zijn mannen haar tegemoet, en zij ontmoette hen. 21. David had gezegd: Voor niets heb ik in de woestijn alles beschermd wat die man bezit, zodat er niets van zijn bezit gemist is. Hij heeft mij goed met kwaad vergolden. 22. God mag de vijanden van David zo straffen en nog erger! Van al wat hem toebehoort, laat ik tot morgen geen man in leven! 23. Toen Abigaïl David zag, stapte zij snel van de ezel. Zij viel voor David op haar gezicht en boog zich ter aarde. 24. Zij viel aan zijn voeten en zei: Ach, mijn heer, laat de schuld op mij rusten. Laat uw dienares toch tegen u spreken, en luister naar wat uw dienares zegt. 25. Laat mijn heer zich toch niets aantrekken van die nietsnut, van Nabal. Want hij is zoals zijn naam: hij heet Nabal, en dwaasheid is bij hem. Maar ik, uw dienares, heb de jonge mannen die mijn heer gestuurd heeft, niet gezien. 26. Nu dan, mijn heer, zo waar de HEERE leeft en zo waar u leeft: de HEERE heeft u tegengehouden. U hoeft geen bloed te vergieten en uzelf niet met eigen hand recht te verschaffen. Laat het nu uw vijanden en ieder die mijn heer kwaad wil doen, vergaan zoals Nabal! 27. Laat dit geschenk dat uw dienares aan mijn heer heeft gebracht, gegeven worden aan de jonge mannen die mijn heer volgen. 28. Vergeef toch de overtreding van uw dienares. Want de HEERE zal mijn heer zeker een blijvend huis geven, omdat mijn heer de oorlogen van de HEERE voert. Uw hele leven lang is er geen kwaad bij u gevonden. 29. Misschien staat er iemand op om u te achtervolgen en u naar het leven te staan. Maar het leven van mijn heer zal veilig zijn bij de HEERE, uw God. Het zal gebonden zijn in de bundel van de levenden. Maar het leven van uw vijanden zal Hij wegslingeren als met een slinger. 30. Dan zal de HEERE voor mijn heer al het goede doen dat Hij over u heeft gezegd, en u aanstellen als leider over Israël. 31. Dan zal het voor mijn heer geen struikelblok of gewetenslast zijn, dat u zonder reden bloed zou hebben vergoten en uzelf zou hebben geholpen. En als de HEERE mijn heer goed doet, denk dan aan uw dienares. 32. Toen zei David tegen Abigaïl: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die je vandaag naar mij toe gestuurd heeft! 33. Gezegend is je verstandige raad, en gezegend ben jij! Want je hebt mij vandaag tegengehouden om bloed te vergieten en mijzelf met eigen hand te helpen. 34. Zo waar de HEERE, de God van Israël, leeft, Die mij ervan weerhouden heeft je kwaad te doen! Als je niet zo snel was gekomen, was er morgenochtend van Nabal geen man meer over geweest! 35. Toen nam David van haar aan wat zij voor hem had meegebracht. Hij zei tegen haar: Ga in vrede naar huis. Kijk, ik heb naar je geluisterd en je verzoek ingewilligd. 36. Toen Abigaïl bij Nabal kwam, hield hij een feestmaal in zijn huis, als het maal van een koning. Nabal was vrolijk en heel dronken. Daarom vertelde zij hem helemaal niets tot de volgende morgen. 37. De volgende morgen, toen Nabal zijn roes had uitgeslapen, vertelde zijn vrouw hem alles. Toen bezweek zijn hart in hem, en hij werd als een steen. 38. Ongeveer tien dagen later trof de HEERE Nabal, en hij stierf. 39. Toen David hoorde dat Nabal dood was, zei hij: Geloofd zij de HEERE, Die mijn zaak tegen de beledigingen van Nabal heeft verdedigd! Hij heeft Zijn dienaar van het kwaad weerhouden, en het kwaad van Nabal op zijn eigen hoofd laten neerkomen. Toen liet David Abigaïl vragen of zij zijn vrouw wilde worden. 40. De dienaren van David kwamen bij Abigaïl in Karmel. Zij zeiden tegen haar: David heeft ons naar u gestuurd om u als zijn vrouw te halen. 41. Toen stond zij op en boog zich met haar gezicht ter aarde. Zij zei: Kijk, uw dienares is bereid een slavin te zijn. Ik wil de voeten van de dienaren van mijn heer wassen. 42. Abigaïl stond snel op en reed op een ezel weg, met vijf van haar dienstmeisjes achter zich aan. Zij volgde de boden van David en werd zijn vrouw. 43. Ook had David Ahinoam uit Jizreël genomen. Zo werden zij allebei zijn vrouw. 44. Saul had namelijk zijn dochter Michal, de vrouw van David, gegeven aan Palti, de zoon van Laïs, uit Gallim. ## 1 Samuel 26 — David spaart Saul opnieuw 1. De Zifieten kwamen bij Saul in Gibea en zeiden: David houdt zich toch verborgen op de heuvel Hachila, tegenover de wildernis? 2. Toen ging Saul met 3.000 uitgekozen mannen uit Israël op weg naar de woestijn van Zif. Hij wilde David daar zoeken. 3. Saul sloeg zijn kamp op bij de heuvel Hachila, tegenover de wildernis, langs de weg. David verbleef in de woestijn en zag dat Saul hem achterna kwam in de woestijn. 4. David stuurde verspieders en kwam te weten dat Saul echt gekomen was. 5. David ging op weg en kwam bij de plaats waar Saul zijn kamp had opgeslagen. David zag de plaats waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, zijn legeraanvoerder. Saul lag midden in de wagenburg, en het volk lag rondom hem. 6. David sprak met Achimelech, de Hethiet, en met Abisai, de zoon van Zeruja en broer van Joab. Hij vroeg: Wie gaat met mij mee naar Saul in het kamp? Abisai zei: Ik ga met u mee. 7. Zo kwamen David en Abisai 's nachts bij het volk. En zie, Saul lag te slapen in de wagenburg. Zijn speer stak in de grond bij zijn hoofdeinde. Abner en het volk lagen rondom hem. 8. Abisai zei tegen David: God heeft vandaag uw vijand aan u overgeleverd. Laat mij hem nu met de speer met één stoot aan de grond spietsen. Een tweede keer is niet nodig. 9. Maar David zei tegen Abisai: Dood hem niet! Want wie kan zijn hand opheffen tegen de gezalfde van de HEERE en onschuldig blijven? 10. David zei verder: Zo waar de HEERE leeft: de HEERE zelf zal hem treffen. Of zijn dag komt dat hij sterft, of hij trekt ten strijde en komt om. 11. De HEERE verhoede dat ik mijn hand opheft tegen de gezalfde van de HEERE! Neem nu de speer bij zijn hoofdeinde en de waterkruik, en laten wij gaan. 12. Zo nam David de speer en de waterkruik bij het hoofdeinde van Saul weg, en zij gingen weg. Niemand zag het, niemand merkte het, en niemand werd wakker. Zij sliepen allemaal, want er was een diepe slaap van de HEERE over hen gevallen. 13. David stak over naar de overkant en ging in de verte op de top van de berg staan. Er was een grote afstand tussen hen. 14. David riep naar het volk en naar Abner, de zoon van Ner: Geef je geen antwoord, Abner? Abner antwoordde: Wie ben jij, dat je zo naar de koning roept? 15. David zei tegen Abner: Ben jij geen man? Wie is er in Israël zoals jij? Waarom heb je dan niet over je heer de koning gewaakt? Want er is iemand van het volk gekomen om de koning, je heer, te doden. 16. Wat je gedaan hebt, is niet goed. Zo waar de HEERE leeft, jullie verdienen de dood, omdat jullie niet over je heer, de gezalfde van de HEERE, hebben gewaakt! Kijk nu eens waar de speer van de koning is, en de waterkruik die bij zijn hoofdeinde stond. 17. Saul herkende de stem van David en zei: Is dat jouw stem, mijn zoon David? David zei: Het is mijn stem, mijn heer de koning. 18. Hij zei verder: Waarom achtervolgt mijn heer zijn dienaar zo? Wat heb ik gedaan? Welk kwaad heb ik op mijn geweten? 19. Luister nu toch, mijn heer de koning, naar de woorden van uw dienaar. Als de HEERE u tegen mij heeft opgezet, laat Hem dan een offer ruiken. Maar als mensen het doen, zijn zij vervloekt voor de HEERE. Want zij verdrijven mij nu uit het erfdeel van de HEERE. Zij zeggen: Ga maar andere goden dienen. 20. Laat mijn bloed dan niet ver van de HEERE op de grond vloeien. Want de koning van Israël is uitgetrokken om een enkele vlo te zoeken, zoals men een patrijs in de bergen najaagt. 21. Toen zei Saul: Ik heb gezondigd. Kom terug, mijn zoon David, want ik zal je geen kwaad meer doen. Vandaag was mijn leven kostbaar in jouw ogen. Kijk, ik heb dwaas gehandeld en ben heel erg in de fout gegaan. 22. David antwoordde: Kijk, hier is de speer van de koning. Laat een van de jonge mannen hierheen komen om hem te halen. 23. De HEERE zal ieder vergelden naar zijn gerechtigheid en trouw. Want de HEERE had u vandaag aan mij overgeleverd, maar ik wilde mijn hand niet opheffen tegen de gezalfde van de HEERE. 24. Kijk, zoals uw leven vandaag kostbaar was in mijn ogen, zo zal mijn leven kostbaar zijn in de ogen van de HEERE. Laat Hij mij redden uit alle nood. 25. Toen zei Saul tegen David: Gezegend ben je, mijn zoon David! Wat je ook doet, het zal je zeker lukken. Toen ging David verder, en Saul keerde terug naar huis. ## 1 Samuel 27 — David bij de Filistijnen 1. David dacht bij zichzelf: Op een dag kom ik toch om door de hand van Saul. Het beste wat ik kan doen, is snel naar het land van de Filistijnen vluchten. Dan zal Saul het opgeven om mij nog in heel het gebied van Israël te zoeken. Zo ontkom ik aan hem. 2. David ging op weg met de 600 mannen die bij hem waren, en ging naar Achis, de zoon van Maoch, de koning van Gath. 3. David bleef bij Achis in Gath, hij en zijn mannen, ieder met zijn gezin. David had zijn twee vrouwen bij zich: Ahinoam uit Jizreël en Abigaïl uit Karmel, de weduwe van Nabal. 4. Toen Saul hoorde dat David naar Gath was gevlucht, zocht hij hem niet meer. 5. David zei tegen Achis: Heb ik genade gevonden in uw ogen? Laat men mij dan een plaats geven in een van de steden op het platteland. Dan kan ik daar wonen. Waarom zou uw dienaar bij u in de koninklijke stad wonen? 6. Toen gaf Achis hem die dag Ziklag. Daarom behoort Ziklag tot vandaag aan de koningen van Juda. 7. David woonde een jaar en vier maanden in het land van de Filistijnen. 8. David trok met zijn mannen op en overviel de Gesurieten, de Girzieten en de Amalekieten. Die woonden al sinds lang in dat land, in de richting van Sur, tot aan Egypte. 9. David versloeg dat land en liet geen man of vrouw in leven. Hij nam de schapen, runderen, ezels, kamelen en kleren mee en kwam terug bij Achis. 10. Als Achis vroeg: Waar hebben jullie vandaag een overval gedaan? dan zei David: In het zuiden van Juda, of: In het zuiden van de Jerahmeëlieten, of: In het zuiden van de Kenieten. 11. David liet geen man of vrouw in leven om naar Gath mee te nemen. Hij dacht: Anders vertellen zij over ons: Dat heeft David gedaan! Zo deed hij zolang hij in het land van de Filistijnen woonde. 12. Achis vertrouwde David. Hij dacht: Hij heeft zich bij zijn eigen volk Israël volkomen gehaat gemaakt. Daarom zal hij voor altijd mijn dienaar blijven. ## 1 Samuel 28 — Saul en de vrouw in Endor 1. In die tijd verzamelden de Filistijnen hun legers voor de strijd tegen Israël. Achis zei tegen David: Je moet goed weten dat jij met mij ten strijde trekt, jij en je mannen. 2. David zei tegen Achis: Dan zult u zien wat uw dienaar doen kan. Achis zei tegen David: Daarom maak ik je voor altijd mijn lijfwacht. 3. Samuël was gestorven, en heel Israël had om hem gerouwd. Zij hadden hem begraven in Rama, zijn stad. Saul had de waarzeggers en de geestenbezweerders uit het land verdreven. 4. De Filistijnen verzamelden zich en sloegen hun kamp op in Sunem. Saul verzamelde heel Israël, en zij sloegen hun kamp op bij de Gilboa. 5. Toen Saul het leger van de Filistijnen zag, werd hij bang, en zijn hart beefde hevig. 6. Saul vroeg de HEERE om raad, maar de HEERE antwoordde hem niet, niet door dromen, niet door de urim en niet door de profeten. 7. Toen zei Saul tegen zijn dienaren: Zoek voor mij een vrouw met een waarzeggende geest. Dan ga ik naar haar toe en raadpleeg ik haar. Zijn dienaren zeiden tegen hem: Kijk, in Endor is een vrouw met een waarzeggende geest. 8. Saul vermomde zich en trok andere kleren aan. Hij ging met twee mannen op weg, en 's nachts kwamen zij bij de vrouw. Hij zei: Voorspel mij toch door de waarzeggende geest. Laat de persoon opkomen die ik je noem. 9. Maar de vrouw zei tegen hem: Kijk, u weet toch wat Saul gedaan heeft? Hij heeft de waarzeggers en de geestenbezweerders uit het land heeft uitgeroeid. Waarom zet u een val voor mij om mij te laten doden? 10. Saul zwoer haar bij de HEERE: Zo waar de HEERE leeft, je zult hiervoor niet gestraft worden! 11. De vrouw vroeg: Wie moet ik voor u laten opkomen? Hij zei: Laat Samuël voor mij opkomen. 12. Toen de vrouw Samuël zag, schreeuwde zij het uit. De vrouw zei tegen Saul: Waarom hebt u mij bedrogen? U bent Saul! 13. De koning zei tegen haar: Wees niet bang. Maar wat zie je? De vrouw zei tegen Saul: Ik zie goden uit de aarde opkomen. 14. Hij vroeg haar: Hoe ziet hij eruit? Zij zei: Er komt een oude man op, gehuld in een mantel. Toen begreep Saul dat het Samuël was. Hij boog zich met zijn gezicht ter aarde en wierp zich neer. 15. Samuël zei tegen Saul: Waarom hebt u mij verstoord door mij te laten opkomen? Saul zei: Ik ben in grote nood. De Filistijnen voeren oorlog tegen mij, en God is van mij geweken. Hij antwoordt mij niet meer, niet door de profeten en niet door dromen. Daarom heb ik u geroepen, om mij te laten weten wat ik moet doen. 16. Samuël zei: Waarom vraagt u het mij, nu de HEERE van u geweken is en uw vijand is geworden? 17. De HEERE heeft gedaan wat Hij door mij gezegd heeft. Hij heeft het koningschap uit uw hand gescheurd en het aan een ander gegeven, aan David. 18. Omdat u niet naar de HEERE geluisterd hebt en Zijn brandende toorn niet op Amalek hebt uitgevoerd, daarom heeft de HEERE u dit vandaag aangedaan. 19. De HEERE zal ook Israël samen met u aan de Filistijnen uitleveren. Morgen zullen u en uw zonen bij mij zijn. Ook het leger van Israël zal de HEERE aan de Filistijnen uitleveren. 20. Toen viel Saul plotseling languit op de grond, want hij was zeer bang door de woorden van Samuël. Er was ook geen kracht meer in hem, want hij had de hele dag en de hele nacht niets gegeten. 21. De vrouw kwam bij Saul en zag dat hij helemaal ontdaan was. Zij zei tegen hem: Kijk, uw dienares heeft naar u geluisterd. Ik heb mijn leven gewaagd en gedaan wat u mij zei. 22. Luister nu dan ook naar uw dienares. Laat mij u een stuk brood voorzetten, en eet. Dan hebt u kracht om verder te gaan. 23. Maar hij weigerde en zei: Ik eet niet. Maar zijn dienaren en ook de vrouw drongen bij hem aan. Toen luisterde hij naar hen. Hij stond op van de grond en ging op het bed zitten. 24. De vrouw had een gemest kalf in huis. Zij slachtte het snel. Zij nam meel, kneedde het en bakte er ongezuurde broden van. 25. Zij zette het Saul en zijn dienaren voor, en zij aten. Daarna stonden zij op en gingen nog diezelfde nacht weg. ## 1 Samuel 29 — De Filistijnen sturen David terug 1. De Filistijnen verzamelden al hun legers in Afek. De Israëlieten sloegen hun kamp op bij de bron in Jizreël. 2. De vorsten van de Filistijnen trokken voorbij met hun eenheden van honderd en duizend man. David en zijn mannen trokken met Achis mee in de achterhoede. 3. Toen vroegen de aanvoerders van de Filistijnen: Wat doen die Hebreeën hier? Achis zei tegen de aanvoerders van de Filistijnen: Dat is toch David, de dienaar van Saul, de koning van Israël? Hij is al dagen, ja jaren bij mij. Sinds de dag dat hij naar mij overliep tot vandaag heb ik niets verkeerds in hem gevonden. 4. Maar de aanvoerders van de Filistijnen werden kwaad op hem. Zij zeiden tegen hem: Stuur die man terug naar de plaats die u hem gegeven hebt. Hij mag niet met ons ten strijde trekken, anders keert hij zich in de strijd tegen ons. Hoe zou hij zijn heer beter voor zich kunnen winnen dan met de hoofden van deze mannen? 5. Is dat niet de David over wie zij bij de dansen tegen elkaar in zongen: Saul heeft er duizend verslagen, maar David tienduizend? 6. Toen riep Achis David en zei tegen hem: Zo waar de HEERE leeft, jij bent eerlijk. Ik vind het goed dat je met mij in het leger uit en in trekt. Ik heb niets verkeerds in je gevonden sinds de dag dat je bij mij kwam. Maar de vorsten vertrouwen je niet. 7. Keer daarom nu terug en ga in vrede. Dan doe je niets wat de vorsten van de Filistijnen slecht vinden. 8. Maar David zei tegen Achis: Wat heb ik dan gedaan? Wat hebt u in uw dienaar gevonden sinds ik bij u ben tot vandaag? Waarom mag ik niet meegaan om te strijden tegen de vijanden van mijn heer de koning? 9. Achis antwoordde David: Ik weet het. Ik vind je zo goed als een engel van God. Maar de aanvoerders van de Filistijnen hebben gezegd: Hij mag niet met ons ten strijde trekken. 10. Sta dus morgen vroeg op, met de dienaren van je heer die met je gekomen zijn. Sta morgen vroeg op en vertrek zodra het licht wordt. 11. Zo stonden David en zijn mannen vroeg op om 's morgens terug te gaan naar het land van de Filistijnen. Maar de Filistijnen trokken op naar Jizreël. ## 1 Samuel 30 — David verslaat de Amalekieten 1. Op de derde dag kwamen David en zijn mannen in Ziklag aan. De Amalekieten hadden intussen een overval gedaan op het zuiden en op Ziklag. Zij hadden Ziklag verwoest en in brand gestoken. 2. De vrouwen en iedereen die er was, van klein tot groot, hadden zij gevangengenomen. Zij hadden niemand gedood, maar hen meegevoerd en waren weggetrokken. 3. Toen David en zijn mannen bij de stad kwamen, was die in brand gestoken. Hun vrouwen, zonen en dochters waren als gevangenen weggevoerd. 4. Toen begonnen David en het volk dat bij hem was, luid te huilen, tot zij geen kracht meer hadden om te huilen. 5. Ook de twee vrouwen van David waren weggevoerd: Ahinoam uit Jizreël en Abigaïl, de weduwe van Nabal uit Karmel. 6. David kwam in grote nood, want het volk sprak erover hem te stenigen. Want iedereen was verbitterd om zijn zonen en dochters. Maar David vond kracht bij de HEERE, zijn God. 7. David zei tegen de priester Abjathar, de zoon van Achimelech: Breng mij toch de efod. Abjathar bracht de efod naar David. 8. David vroeg de HEERE: Zal ik deze bende achtervolgen? Zal ik hen inhalen? Hij zei tegen hem: Achtervolg hen, want je zult hen zeker inhalen en de gevangenen zeker bevrijden. 9. David ging op weg met de 600 mannen die bij hem waren. Toen zij bij de beek Besor kwamen, bleven sommigen achter. 10. David zette de achtervolging voort met 400 man. Maar 200 man bleven achter, omdat zij te uitgeput waren om de beek Besor over te steken. 11. Zij vonden in het veld een Egyptenaar en brachten hem bij David. Zij gaven hem brood, en hij at. Ook gaven zij hem water te drinken. 12. Zij gaven hem ook een stuk vijgenkoek en twee rozijnenkoeken. Hij at en kwam weer op krachten. Want hij had drie dagen en drie nachten niets gegeten en gedronken. 13. David vroeg hem: Bij wie hoor je, en waar kom je vandaan? De Egyptische jongen zei: Ik ben de slaaf van een Amalekiet. Mijn heer heeft mij achtergelaten, omdat ik drie dagen geleden ziek werd. 14. Wij hebben een overval gedaan op het zuiden van de Kerethieten, op het gebied van Juda en op het zuiden van Kaleb. Ziklag hebben wij in brand gestoken. 15. David vroeg hem: Wil je mij naar die bende brengen? Hij zei: Zweer mij bij God dat u mij niet doodt en mij niet aan mijn heer uitlevert. Dan breng ik u naar die bende. 16. Hij bracht hem erheen. En zie, zij lagen verspreid over het hele land. Zij aten, dronken en feestten om de grote buit die zij uit het land van de Filistijnen en uit Juda hadden meegenomen. 17. David versloeg hen van de schemering tot de avond van de volgende dag. Niemand van hen ontkwam, behalve 400 jonge mannen die op kamelen wegvluchtten. 18. Zo redde David alles wat de Amalekieten hadden meegenomen. Ook zijn twee vrouwen redde David. 19. Er ontbrak niemand, klein of groot, zonen of dochters. Ook van de buit en van alles wat zij hadden meegenomen, ontbrak niets. David bracht alles terug. 20. David nam ook al het vee, de schapen en de runderen. Zij dreven dat voor de rest van het vee uit en zeiden: Dit is de buit van David. 21. David kwam bij de 200 mannen die te moe waren geweest om hem te volgen en die bij de beek Besor waren achtergebleven. Zij kwamen David en het volk bij hem tegemoet. David ging naar hen toe en groette hen. 22. Maar alle slechte mannen en nietsnutten onder hen die met David waren meegetrokken, zeiden: Zij zijn niet met ons meegetrokken. Daarom geven wij hun niets van de buit die wij hebben teruggehaald. Ieder mag alleen zijn vrouw en kinderen meenemen en weggaan. 23. Maar David zei: Zo mogen jullie niet doen, mijn broers, met wat de HEERE ons gegeven heeft. Hij heeft ons beschermd en de bende die ons overviel, aan ons uitgeleverd. 24. Wie zou in deze zaak naar jullie luisteren? Want wie ten strijde is getrokken, krijgt hetzelfde deel als wie bij de bagage is gebleven. Zij zullen gelijk delen. 25. Zo is het vanaf die dag gebleven. Hij heeft het tot een verordening en een recht gemaakt in Israël, tot vandaag. 26. Toen David in Ziklag kwam, stuurde hij een deel van de buit naar de oudsten van Juda, zijn vrienden. Hij liet zeggen: Kijk, hier is een geschenk voor jullie, van de buit van de vijanden van de HEERE. 27. Hij stuurde het naar hen in Bethel, in Ramoth in het zuiden en in Jather, 28. naar hen in Aroër, in Sifmoth en in Esthemoa, 29. naar hen in Rachel, in de steden van de Jerahmeëlieten en in de steden van de Kenieten, 30. naar hen in Horma, in Chor-asan en in Atach, 31. en naar hen in Hebron, en naar alle plaatsen waar David met zijn mannen had rondgetrokken. ## 1 Samuel 31 — De dood van Saul 1. De Filistijnen streden tegen Israël. De mannen van Israël vluchtten voor de Filistijnen, en velen vielen dood neer op het Gilboagebergte. 2. De Filistijnen zaten Saul en zijn zonen dicht op de hielen. De Filistijnen doodden Jonathan, Abinadab en Malchisua, de zonen van Saul. 3. De strijd tegen Saul werd hevig. De boogschutters vonden hem, en hij raakte door de schutters zwaar gewond. 4. Toen zei Saul tegen zijn wapendrager: Trek je zwaard en doorsteek mij. Anders komen die onbesnedenen mij doorsteken en drijven zij de spot met mij. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij was zeer bang. Toen nam Saul zelf het zwaard en liet zich erop vallen. 5. Toen zijn wapendrager zag dat Saul dood was, liet ook hij zich op zijn zwaard vallen en stierf met hem. 6. Zo stierven op dezelfde dag Saul, zijn drie zonen, zijn wapendrager en al zijn mannen. 7. De mannen van Israël aan de overkant van het dal en aan de overkant van de Jordaan zagen dat de mannen van Israël gevlucht waren. Zij zagen dat Saul en zijn zonen dood waren. Toen verlieten zij de steden en vluchtten. De Filistijnen kwamen en gingen daar wonen. 8. De volgende dag kwamen de Filistijnen om de gesneuvelden te plunderen. Zij vonden Saul en zijn drie zonen op het Gilboagebergte liggen. 9. Zij hakten zijn hoofd af en namen zijn wapens mee. Zij lieten die rondbrengen door het land van de Filistijnen. Zo werd het nieuws verteld in de tempels van hun afgoden en onder het volk. 10. Zijn wapens legden zij in de tempel van Astarte, en zijn lichaam hingen zij op aan de muur van Beth-san. 11. De inwoners van Jabes in Gilead hoorden wat de Filistijnen met Saul hadden gedaan. 12. Toen gingen alle strijdbare mannen op weg en liepen de hele nacht door. Zij haalden het lichaam van Saul en de lichamen van zijn zonen van de muur van Beth-san. Zij kwamen in Jabes en verbrandden ze daar. 13. Zij namen hun beenderen en begroeven die onder de boom in Jabes. Daarna vastten zij zeven dagen. ## 2 Samuel 1 — David hoort van de dood van Saul 1. Na de dood van Saul was David teruggekomen van zijn overwinning op de Amalekieten. Hij bleef twee dagen in Ziklag. 2. Op de derde dag kwam er een man uit het leger van Saul. Zijn kleren waren gescheurd en er lag aarde op zijn hoofd. Toen hij bij David kwam, viel hij op de grond en boog zich neer. 3. David vroeg hem: Waar kom je vandaan? Hij zei tegen hem: Ik ben uit het leger van Israël ontsnapt. 4. David vroeg hem: Wat is er gebeurd? Vertel het mij toch. Hij vertelde dat het volk uit de strijd was gevlucht, en dat er veel mensen gesneuveld waren. Ook Saul en zijn zoon Jonathan waren dood. 5. David vroeg de jongen die hem het nieuws bracht: Hoe weet je dat Saul en zijn zoon Jonathan dood zijn? 6. De jongen die hem het nieuws bracht, zei: Ik kwam toevallig op het Gilboagebergte. Daar leunde Saul op zijn speer, en de wagens en ruiters zaten hem dicht op de hielen. 7. Hij keek om, zag mij en riep mij. Ik zei: Hier ben ik. 8. Hij vroeg mij: Wie ben jij? Ik zei tegen hem: Ik ben een Amalekiet. 9. Toen zei hij tegen mij: Kom bij mij staan en dood mij. Want ik ben in doodsnood, terwijl er nog leven in mij is. 10. Toen ging ik bij hem staan en doodde hem, want ik wist dat hij zijn val niet zou overleven. Ik nam de kroon van zijn hoofd en de armband van zijn arm. Die heb ik hier bij mijn heer gebracht. 11. Toen greep David zijn kleren en scheurde ze. Dat deden ook alle mannen die bij hem waren. 12. Zij rouwden, huilden en vastten tot de avond. Zij treurden om Saul en zijn zoon Jonathan, om het volk van de HEERE en om het huis van Israël. Want zij waren door het zwaard gevallen. 13. David vroeg de jongen die hem het nieuws had gebracht: Waar kom je vandaan? Hij zei: Ik ben de zoon van een vreemdeling, een Amalekiet. 14. David zei tegen hem: Hoe durfde jij je hand op te heffen om de gezalfde van de HEERE te doden? 15. David riep een van de jonge mannen en zei: Kom hier, sla hem neer. Die sloeg hem, zodat hij stierf. 16. David zei tegen hem: Je bloed komt op je eigen hoofd. Want je hebt met je eigen mond tegen jezelf getuigd, toen je zei: Ik heb de gezalfde van de HEERE gedood. 17. David zong dit klaaglied over Saul en zijn zoon Jonathan. 18. Hij zei dat men het de mannen van Juda moest leren: het lied van de boog. Kijk, het staat geschreven in het boek van de Oprechte. 19. Sieraad van Israël, op je hoogten ligt hij verslagen! Hoe zijn de helden gevallen! 20. Vertel het niet in Gath, maak het niet bekend in de straten van Askelon. Anders juichen de dochters van de Filistijnen, en springen de dochters van de onbesnedenen op van vreugde. 21. Bergen van Gilboa, laat er geen dauw of regen op jullie vallen, en geen velden zijn voor hefoffers. Want daar is het schild van de helden smadelijk weggegooid. Het schild van Saul, alsof hij niet met olie gezalfd was. 22. Van het bloed van de gesneuvelden, van het vet van de helden, deinsde de boog van Jonathan niet terug. Het zwaard van Saul kwam nooit leeg terug. 23. Saul en Jonathan, geliefd en beminnelijk in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden. Zij waren sneller dan arenden, sterker dan leeuwen. 24. Dochters van Israël, huil om Saul! Hij kleedde jullie in scharlaken en weelde. Hij gaf jullie gouden sieraden op je kleren. 25. Hoe zijn de helden gevallen midden in de strijd! Jonathan ligt verslagen op je hoogten! 26. Ik heb verdriet om jou, mijn broer Jonathan! Je was mij heel dierbaar. Jouw liefde was mij kostbaarder dan de liefde van vrouwen. 27. Hoe zijn de helden gevallen, en zijn de wapens verloren gegaan! ## 2 Samuel 2 — David koning over Juda 1. Daarna vroeg David de HEERE: Zal ik naar een van de steden van Juda gaan? De HEERE zei tegen hem: Ga. David vroeg: Waarheen moet ik gaan? Hij zei: Naar Hebron. 2. Zo ging David daarheen, met zijn twee vrouwen, Ahinoam uit Jizreël en Abigaïl, de weduwe van Nabal uit Karmel. 3. Ook de mannen die bij hem waren, nam David mee, ieder met zijn gezin. Zij gingen wonen in de steden rond Hebron. 4. Toen kwamen de mannen van Juda en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda. Zij vertelden David: De mannen van Jabes in Gilead hebben Saul begraven. 5. Toen stuurde David boden naar de mannen van Jabes in Gilead. Hij liet zeggen: Gezegend zijn jullie door de HEERE! Want jullie hebben deze trouw bewezen aan jullie heer Saul en hem begraven. 6. Laat de HEERE nu goedheid en trouw aan jullie bewijzen. Ook ik zal jullie goed behandelen, omdat jullie dit gedaan hebben. 7. Wees nu sterk en dapper. Want jullie heer Saul is dood, en het huis van Juda heeft mij tot koning over zich gezalfd. 8. Maar Abner, de zoon van Ner, de legeraanvoerder van Saul, nam Isboseth, de zoon van Saul, en bracht hem naar Mahanaïm. 9. Hij maakte hem koning over Gilead, over de Asjurieten, over Jizreël, over Efraïm, over Benjamin en over heel Israël. 10. Isboseth, de zoon van Saul, was veertig jaar toen hij koning werd over Israël. Hij regeerde twee jaar. Alleen het huis van Juda volgde David. 11. David was in Hebron zeven jaar en zes maanden koning over het huis van Juda. 12. Abner, de zoon van Ner, trok met de dienaren van Isboseth, de zoon van Saul, van Mahanaïm naar Gibeon. 13. Ook Joab, de zoon van Zeruja, trok met de dienaren van David uit. Zij ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon. De ene groep ging aan deze kant van de vijver zitten, en de andere aan de overkant. 14. Abner zei tegen Joab: Laat de jonge mannen opstaan en een gevecht voor ons houden. Joab zei: Laten zij opstaan. 15. Zij stonden op en gingen naar voren, twaalf voor Benjamin en Isboseth, de zoon van Saul, en twaalf van de dienaren van David. 16. Ieder greep zijn tegenstander bij het hoofd en stak zijn zwaard in diens zij, en zo vielen zij samen neer. Daarom noemde men die plaats bij Gibeon Chelkath-hazurim. 17. Die dag werd er heel hevig gestreden. Abner en de mannen van Israël werden door de dienaren van David verslagen. 18. Daar waren de drie zonen van Zeruja: Joab, Abisai en Asahel. Asahel was zo snel als een gazelle in het veld. 19. Asahel achtervolgde Abner. Hij week niet naar rechts of naar links, maar bleef achter Abner aan. 20. Abner keek om en vroeg: Ben jij het, Asahel? Hij zei: Ja, ik ben het. 21. Abner zei tegen hem: Ga naar rechts of naar links, grijp een van de jonge mannen en neem zijn wapenrusting. Maar Asahel wilde niet ophouden hem te achtervolgen. 22. Abner zei nog eens tegen Asahel: Houd op mij te achtervolgen. Waarom moet ik je neerslaan? Hoe kan ik dan je broer Joab nog onder ogen komen? 23. Maar hij weigerde op te houden. Toen stak Abner hem met het achtereind van zijn speer bij de vijfde rib, zodat de speer uit zijn rug naar buiten kwam. Hij viel daar neer en stierf ter plaatse. Iedereen die bij de plaats kwam waar Asahel dood lag, bleef staan. 24. Maar Joab en Abisai achtervolgden Abner. Bij zonsondergang kwamen zij bij de heuvel Amma, tegenover Giah, op de weg naar de woestijn van Gibeon. 25. De Benjaminieten verzamelden zich achter Abner tot één groep en gingen op de top van een heuvel staan. 26. Toen riep Abner naar Joab: Moet het zwaard eeuwig blijven verslinden? Weet je niet dat het uiteindelijk bitter zal aflopen? Hoe lang wacht je nog voordat je het volk zegt op te houden met het achtervolgen van hun broers? 27. Joab zei: Zo waar God leeft: als jij niets gezegd had, dan was het volk vanochtend al opgehouden met het achtervolgen van hun broers! 28. Toen blies Joab op de bazuin. Het hele volk bleef staan. Zij achtervolgden Israël niet meer en streden niet langer. 29. Abner en zijn mannen trokken de hele nacht door de vlakte. Zij staken de Jordaan over, trokken door heel Bithron en kwamen in Mahanaïm. 30. Ook Joab hield op Abner te achtervolgen en verzamelde het hele volk. Van de dienaren van David werden negentien man gemist, en Asahel. 31. Maar de dienaren van David hadden van Benjamin, onder de mannen van Abner, 360 man gedood. 32. Zij namen Asahel mee en begroeven hem in het graf van zijn vader in Bethlehem. Joab en zijn mannen liepen de hele nacht door en kwamen bij het aanbreken van de dag in Hebron. ## 2 Samuel 3 — Abner loopt over; zijn dood 1. De oorlog tussen het huis van Saul en het huis van David duurde lang. David werd steeds sterker, maar het huis van Saul werd steeds zwakker. 2. In Hebron werden David zonen geboren. Zijn oudste was Amnon, van Ahinoam uit Jizreël. 3. Zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de weduwe van Nabal uit Karmel. De derde was Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, de koning van Gesur. 4. De vierde was Adonia, de zoon van Haggith, en de vijfde Sefatja, de zoon van Abital. 5. De zesde was Jithream, van Egla, de vrouw van David. Zij werden David in Hebron geboren. 6. Zolang de oorlog tussen het huis van Saul en het huis van David duurde, werd Abner steeds machtiger in het huis van Saul. 7. Saul had een bijvrouw gehad die Rizpa heette, een dochter van Aja. Isboseth vroeg Abner: Waarom heb je met de bijvrouw van mijn vader geslapen? 8. Toen werd Abner woedend om de woorden van Isboseth en zei: Ben ik soms een hondenkop die bij Juda hoort? Tot vandaag bewijs ik trouw aan het huis van uw vader Saul, aan zijn broers en zijn vrienden. Ik heb u niet aan David uitgeleverd. En nu verwijt u mij vandaag iets met een vrouw? 9. God mag Abner zo straffen en nog erger, als ik niet voor David doe wat de HEERE hem gezworen heeft! 10. Ik zal het koningschap wegnemen van het huis van Saul. Ik zal de troon van David vestigen over Israël en Juda, van Dan tot Berseba. 11. Isboseth kon Abner geen woord meer antwoorden, omdat hij bang voor hem was. 12. Toen stuurde Abner namens hem boden naar David en liet zeggen: Van wie is het land? Sluit een verbond met mij. Dan zal ik u helpen om heel Israël aan uw kant te krijgen. 13. David zei: Goed, ik sluit een verbond met je. Maar ik vraag één ding van je. Je mag niet bij mij komen, tenzij je eerst Michal, de dochter van Saul, meebrengt als je bij mij komt. 14. David stuurde ook boden naar Isboseth, de zoon van Saul. Hij liet zeggen: Geef mij mijn vrouw Michal. Ik heb mij met haar verloofd voor honderd voorhuiden van de Filistijnen. 15. Isboseth liet haar halen bij haar man Paltiël, de zoon van Laïs. 16. Haar man liep huilend achter haar aan, tot Bahurim. Toen zei Abner tegen hem: Ga terug. En hij ging terug. 17. Abner overlegde met de oudsten van Israël. Hij zei: Jullie wilden David al lang als koning over jullie. 18. Doe het dan nu. Want de HEERE heeft over David gezegd: Door de hand van mijn dienaar David zal ik mijn volk Israël redden. Ik zal het redden uit de macht van de Filistijnen en van al zijn vijanden. 19. Abner sprak ook met de Benjaminieten. Daarna ging Abner naar Hebron om David alles te vertellen wat Israël en heel het huis van Benjamin goed vonden. 20. Abner kwam met twintig mannen bij David in Hebron. David gaf een maaltijd voor Abner en de mannen die bij hem waren. 21. Abner zei tegen David: Ik ga nu heel Israël bijeenroepen voor mijn heer de koning. Dan sluiten zij een verbond met u, en regeert u over alles wat u maar wenst. David liet Abner gaan, en hij ging in vrede weg. 22. Toen kwamen de dienaren van David en Joab terug van een overval, met een grote buit. Abner was niet meer bij David in Hebron, want die had hem laten gaan, en hij was in vrede vertrokken. 23. Toen Joab met het hele leger aankwam, werd hem verteld: Abner, de zoon van Ner, is bij de koning geweest. Hij heeft hem laten gaan, en hij is in vrede vertrokken. 24. Toen ging Joab naar de koning en zei: Wat hebt u gedaan? Kijk, Abner is bij u gekomen. Waarom hebt u hem laten gaan, zodat hij zomaar weg is? 25. U kent Abner, de zoon van Ner. Hij is gekomen om u te misleiden. Hij wilde weten waar u heen gaat en vandaan komt, en alles wat u doet. 26. Joab ging bij David weg en stuurde boden achter Abner aan. Die haalden hem terug van de put van Sira. Maar David wist het niet. 27. Toen Abner in Hebron terugkwam, nam Joab hem mee naar de poort, alsof hij rustig met hem wilde praten. Daar stak hij hem bij de vijfde rib, zodat hij stierf. Dat deed hij om het bloed van zijn broer Asahel. 28. Toen David dat later hoorde, zei hij: Ik en mijn koninkrijk zijn voor altijd onschuldig voor de HEERE. Wij hebben geen schuld aan het bloed van Abner, de zoon van Ner. 29. Laat het neerkomen op het hoofd van Joab en op heel de familie van zijn vader. Laat er in de familie van Joab altijd iemand zijn met een vloeiing of melaatsheid. Laat er altijd iemand zijn die op een stok moet leunen, door het zwaard valt of gebrek heeft aan brood! 30. Zo hadden Joab en zijn broer Abisai Abner gedood, omdat hij hun broer Asahel bij Gibeon in de strijd had gedood. 31. David zei tegen Joab en tegen al het volk dat bij hem was: Scheur jullie kleren, trek rouwgewaden aan en treur om Abner. Koning David liep zelf achter de baar. 32. Zij begroeven Abner in Hebron. De koning huilde luid bij het graf van Abner, en het hele volk huilde mee. 33. De koning zong een klaaglied over Abner: Moest Abner sterven zoals een dwaas sterft? 34. Je handen waren niet gebonden, je voeten niet in koperen boeien geslagen. Maar je bent gevallen zoals men valt voor misdadigers. Toen huilde het hele volk nog meer om hem. 35. Daarna kwam het hele volk om David iets te laten eten, terwijl het nog dag was. Maar David zwoer: God mag mij zo straffen en nog erger, als ik voor zonsondergang brood of iets anders proef! 36. Het hele volk merkte dat, en zij vonden het goed. Alles wat de koning deed, vond het hele volk goed. 37. Die dag begreep het hele volk en heel Israël dat de koning er niet achter zat dat Abner, de zoon van Ner, gedood was. 38. De koning zei tegen zijn dienaren: Weten jullie niet dat er vandaag een vorst, een groot man, in Israël gevallen is? 39. Ik ben vandaag nog zwak, al ben ik tot koning gezalfd. Deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn te hard voor mij. Laat de HEERE de boosdoener vergelden naar zijn boosheid. ## 2 Samuel 4 — De moord op Isboseth 1. Toen de zoon van Saul hoorde dat Abner in Hebron was gestorven, verloor hij de moed, en heel Israël schrok. 2. De zoon van Saul had twee aanvoerders van benden. De een heette Baëna en de ander Rechab. Zij waren zonen van Rimmon, de Beërothiet, uit de stam Benjamin. Want ook Beëroth werd tot Benjamin gerekend. 3. De Beërothieten waren naar Gitthaïm gevlucht en woonden daar tot vandaag als vreemdelingen. 4. Jonathan, de zoon van Saul, had een zoon die aan beide voeten verlamd was. Hij was vijf jaar toen het bericht over Saul en Jonathan uit Jizreël kwam. Zijn voedster nam hem op en vluchtte. Maar in haar haast viel hij en werd kreupel. Hij heette Mefiboseth. 5. De zonen van Rimmon, de Beërothiet, Rechab en Baëna, gingen op weg. Op het heetst van de dag kwamen zij bij het huis van Isboseth. Hij lag op bed voor zijn middagrust. 6. Zij kwamen het huis binnen alsof zij tarwe wilden halen, en staken hem bij de vijfde rib. Toen ontkwamen Rechab en zijn broer Baëna. 7. Zij waren het huis binnengegaan terwijl hij in zijn slaapkamer op bed lag. Zij sloegen hem dood en hakten zijn hoofd af. Zij namen zijn hoofd mee en liepen de hele nacht over de weg door de vlakte. 8. Zij brachten het hoofd van Isboseth bij David in Hebron. Zij zeiden tegen de koning: Kijk, hier is het hoofd van Isboseth, de zoon van uw vijand Saul. Hij stond u naar het leven. Vandaag heeft de HEERE mijn heer de koning gewroken op Saul en zijn nakomelingen. 9. Maar David antwoordde Rechab en zijn broer Baëna, de zonen van Rimmon, de Beërothiet. Hij zei: Zo waar de HEERE leeft, Die mij uit alle nood heeft gered: 10. iemand bracht mij het bericht: Kijk, Saul is dood. Hij dacht dat hij goed nieuws bracht. Toch heb ik hem gegrepen en in Ziklag laten doden. Dat was de beloning die ik hem gaf. 11. Hoeveel te meer nu goddeloze mannen een rechtvaardige man in zijn eigen huis op zijn bed hebben gedood! Zou ik zijn bloed dan niet van jullie eisen en jullie van de aarde wegdoen? 12. David gaf zijn jonge mannen opdracht, en zij doodden hen. Zij hakten hun handen en voeten af en hingen hen op bij de vijver in Hebron. Maar het hoofd van Isboseth namen zij en begroeven het in het graf van Abner in Hebron. ## 2 Samuel 5 — David koning over heel Israël 1. Toen kwamen alle stammen van Israël naar David in Hebron en zeiden: Kijk, wij zijn uw eigen vlees en bloed. 2. Ook vroeger al, toen Saul koning over ons was, was u het die Israël aanvoerde in de strijd. En de HEERE heeft tegen u gezegd: Jij zult mijn volk Israël weiden, en jij zult leider over Israël zijn. 3. Zo kwamen alle oudsten van Israël naar de koning in Hebron. Koning David sloot in Hebron een verbond met hen voor de HEERE, en zij zalfden David tot koning over Israël. 4. David was dertig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaar. 5. In Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda. In Jeruzalem regeerde hij 33 jaar over heel Israël en Juda. 6. De koning trok met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten die daar woonden. Zij zeiden tegen David: Jij komt hier niet binnen. Zelfs blinden en kreupelen zullen je wegjagen. Zij bedoelden: David komt hier niet binnen. 7. Maar David nam de burcht Sion in. Dat is de stad van David. 8. Die dag zei David: Wie de Jebusieten verslaat, moet door de watergang gaan en die kreupelen en blinden verslaan, die David haat. Hij wordt hoofd en aanvoerder. Daarom zegt men: Een blinde en een kreupele komen het huis niet in. 9. Zo ging David in de burcht wonen en noemde die de stad van David. David bouwde rondom, vanaf de Millo naar binnen toe. 10. David werd steeds machtiger, want de HEERE, de God van de legermachten, was met hem. 11. Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, timmerlieden en steenhouwers. Zij bouwden een paleis voor David. 12. David merkte dat de HEERE hem als koning over Israël had bevestigd. Hij had zijn koningschap groot gemaakt omwille van Zijn volk Israël. 13. Nadat David uit Hebron was gekomen, nam hij in Jeruzalem nog meer bijvrouwen en vrouwen. Er werden David nog meer zonen en dochters geboren. 14. Dit zijn de namen van de zonen die in Jeruzalem geboren zijn: Sammua, Sobab, Nathan en Salomo, 15. Jibchar, Elisua, Nefeg en Jafia, 16. Elisama, Eljada en Elifeleth. 17. Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning over Israël was gezalfd, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, ging hij naar de burcht. 18. De Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaïm. 19. David vroeg de HEERE: Zal ik tegen de Filistijnen optrekken? Zult U hen aan mij uitleveren? De HEERE zei tegen David: Trek op, want ik zal de Filistijnen zeker aan je uitleveren. 20. David kwam in Baäl-perazim en versloeg hen daar. Hij zei: De HEERE is door mijn vijanden heen gebroken, zoals water door een dam breekt. Daarom noemde hij die plaats Baäl-perazim. 21. De Filistijnen lieten daar hun afgoden achter, en David en zijn mannen namen die mee. 22. Daarna trokken de Filistijnen opnieuw op en verspreidden zich in het dal Refaïm. 23. David vroeg de HEERE om raad, en Hij zei: Trek niet recht op hen af. Ga om hen heen en val hen aan van de kant van de moerbeziënbomen. 24. Als je in de toppen van de moerbeziënbomen het geluid van voetstappen hoort, kom dan snel in actie. Want dan is de HEERE voor je uit gegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan. 25. David deed wat de HEERE hem had opgedragen. Hij versloeg de Filistijnen van Geba tot aan Gezer. ## 2 Samuel 6 — De ark naar Jeruzalem 1. David verzamelde opnieuw alle uitgekozen mannen van Israël, 30.000 man. 2. David ging met al het volk dat bij hem was, op weg naar Baälim in Juda. Hij wilde van daar de ark van God halen, waarover de naam wordt uitgeroepen. Dat is de naam van de HEERE van de legermachten, Die tussen de cherubs troont. 3. Zij zetten de ark van God op een nieuwe wagen en haalden hem uit het huis van Abinadab op de heuvel. Uza en Ahio, de zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen. 4. Zij reden de wagen met de ark van God weg uit het huis van Abinadab op de heuvel. Ahio liep voor de ark uit. 5. David en heel het huis van Israël speelden voor de HEERE op allerlei instrumenten van dennenhout. Zij speelden op harpen, luiten en tamboerijnen, en ook op bellen en cimbalen. 6. Toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, stak Uza zijn hand uit naar de ark van God. Hij greep die vast, want de runderen struikelden. 7. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uza. God sloeg hem daar om deze onbezonnen daad, en hij stierf daar bij de ark van God. 8. David werd kwaad, omdat de HEERE Uza zo had getroffen. Hij noemde die plaats Perez-uza. Zo heet die plaats tot vandaag. 9. Die dag werd David bang voor de HEERE. Hij zei: Hoe kan de ark van de HEERE ooit bij mij komen? 10. Daarom wilde David de ark van de HEERE niet naar zich toe halen in de stad van David. Hij bracht hem onderweg naar het huis van Obed-edom, de Gethiet. 11. De ark van de HEERE bleef drie maanden in het huis van Obed-edom, de Gethiet. En de HEERE zegende Obed-edom en zijn hele gezin. 12. Aan koning David werd verteld: De HEERE heeft het gezin van Obed-edom en alles wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David de ark van God met vreugde uit het huis van Obed-edom halen naar de stad van David. 13. Toen de dragers van de ark van de HEERE zes stappen hadden gezet, offerde hij een stier en een gemest kalf. 14. David danste met al zijn kracht voor de HEERE. David droeg een linnen priesterkleed. 15. Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE naar boven, met gejuich en bazuingeschal. 16. Toen de ark van de HEERE de stad van David binnenkwam, keek Michal, de dochter van Saul, uit het raam. Zij zag koning David springen en dansen voor de HEERE. Toen minachtte zij hem in haar hart. 17. Zij brachten de ark van de HEERE naar binnen en zetten hem op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor had opgezet. David bracht brandoffers en dankoffers voor de HEERE. 18. Toen David klaar was met het brengen van de brandoffers en dankoffers, zegende hij het volk in de naam van de HEERE van de legermachten. 19. Hij deelde uit aan het hele volk, aan heel de menigte van Israël, mannen en vrouwen. Ieder kreeg een broodkoek, een stuk vlees en een kruik wijn. Daarna ging het hele volk naar huis, ieder naar zijn eigen huis. 20. Toen David terugkwam om zijn gezin te zegenen, kwam Michal, de dochter van Saul, hem tegemoet. Zij zei: Wat heeft de koning van Israël zich vandaag geëerd! Hij heeft zich vandaag ontbloot voor de ogen van de slavinnen van zijn dienaren. Hij deed het zo schaamteloos als een nietsnut! 21. Maar David zei tegen Michal: Het was voor de HEERE, Die mij heeft gekozen boven je vader en zijn hele familie. Hij heeft mij aangesteld als leider over het volk van de HEERE, over Israël. Voor de HEERE zal ik dansen. 22. Ik zal mij nog geringer maken dan nu, en nederig zijn in mijn eigen ogen. Maar bij de slavinnen over wie je gesproken hebt, zal ik in ere zijn. 23. Michal, de dochter van Saul, kreeg geen kinderen tot de dag van haar dood. ## 2 Samuel 7 — De belofte aan David 1. De koning woonde in zijn paleis, en de HEERE had hem rust gegeven van al zijn vijanden rondom. 2. Toen zei de koning tegen de profeet Nathan: Kijk toch, ik woon in een paleis van cederhout, maar de ark van God staat onder tentdoeken. 3. Nathan zei tegen de koning: Ga uw gang en doe alles wat u van plan bent, want de HEERE is met u. 4. Maar in diezelfde nacht kwam het woord van de HEERE tot Nathan: 5. Ga en zeg tegen mijn dienaar David: Zo zegt de HEERE: Zou jij voor mij een huis bouwen om in te wonen? 6. Ik heb nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte leidde tot vandaag. Ik ben rondgetrokken in een tent en een tabernakel. 7. Overal ben ik met alle Israëlieten rondgetrokken. Heb ik ooit gesproken met een van de stammen van Israël, die ik opdroeg mijn volk te weiden? Heb ik gezegd: Waarom bouwen jullie voor mij geen huis van cederhout? 8. Zeg daarom nu tegen mijn dienaar David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb je van de weide gehaald, bij de schapen vandaan. Je moest leider zijn over mijn volk Israël. 9. Ik ben met je geweest overal waar je ging, en ik heb al je vijanden voor je uitgeroeid. Ik heb je een grote naam gegeven, zoals de naam van de groten op aarde. 10. Ik zal voor mijn volk Israël een plaats aanwijzen en het daar planten. Dan kan het op zijn eigen plaats wonen en wordt het niet meer opgejaagd. Slechte mensen zullen het niet meer onderdrukken, zoals vroeger. 11. Zo was het vanaf de dag dat ik rechters over mijn volk Israël aanstelde. Maar jou heb ik rust gegeven van al je vijanden. Ook laat de HEERE je weten dat de HEERE voor jou een huis zal maken. 12. Wanneer je dagen voorbij zijn, zul je bij je voorouders te ruste worden gelegd. Dan zal ik na jou een nakomeling laten opstaan, die uit jou voortkomt. Ik zal zijn koningschap bevestigen. 13. Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en ik zal de troon van zijn koninkrijk voor altijd bevestigen. 14. Ik zal voor hem een Vader zijn, en hij zal voor mij een zoon zijn. Als hij verkeerd doet, zal ik hem straffen met de roede en met slagen zoals mensen die geven. 15. Maar mijn goedheid zal niet van hem wijken, zoals ik die heb weggenomen van Saul. Hem heb ik voor jou opzij gezet. 16. Je huis en je koningschap zullen voor altijd blijven bestaan voor je ogen. Je troon zal voor altijd vaststaan. 17. Nathan sprak tot David precies volgens al deze woorden en dit hele visioen. 18. Toen ging koning David naar binnen en bleef voor de HEERE zitten. Hij zei: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn familie, dat U mij zover hebt gebracht? 19. En dat was nog niet genoeg in Uw ogen, Heere HEERE. U hebt ook gesproken over de toekomst van het huis van Uw dienaar. Is dat de gewone gang van zaken bij mensen, Heere HEERE? 20. Wat kan David nog meer tegen U zeggen? U kent Uw dienaar, Heere HEERE! 21. Omwille van Uw woord en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan en ze aan Uw dienaar bekendgemaakt. 22. Daarom bent U groot, HEERE God! Want niemand is zoals U, en er is geen God behalve U, naar alles wat wij met onze eigen oren gehoord hebben. 23. Welk volk op aarde is zoals Uw volk Israël? God is zelf gegaan om het voor zich als volk te verlossen en zich een naam te maken. Hij deed voor hen grote en ontzagwekkende dingen voor Uw land. U hebt Uw volk voor U verlost uit Egypte en volken met hun goden verdreven. 24. U hebt Uw volk Israël voor altijd tot Uw volk gemaakt, en U, HEERE, bent hun God geworden. 25. Nu dan, HEERE God, laat het woord dat U over Uw dienaar en zijn huis gesproken hebt, voor altijd vaststaan. Doe wat U gezegd hebt. 26. Laat Uw naam voor altijd groot zijn, zodat men zegt: De HEERE van de legermachten is God over Israël. Laat het huis van Uw dienaar David vaststaan voor U. 27. Want U, HEERE van de legermachten, God van Israël, hebt het Uw dienaar bekendgemaakt: Ik zal voor jou een huis bouwen. Daarom heeft Uw dienaar de moed gevonden om dit gebed tot U te bidden. 28. Nu dan, Heere HEERE, U bent God, en Uw woorden zijn waarheid. U hebt dit goede aan Uw dienaar beloofd. 29. Wil nu het huis van Uw dienaar zegenen, zodat het voor altijd voor U blijft bestaan. Want U, Heere HEERE, hebt het gezegd. Door Uw zegen zal het huis van Uw dienaar voor altijd gezegend zijn. ## 2 Samuel 8 — De overwinningen van David 1. Daarna versloeg David de Filistijnen en onderwierp hen. David nam Meteg-amma uit de macht van de Filistijnen. 2. Ook versloeg hij de Moabieten. Hij liet hen op de grond liggen en mat hen af met een meetsnoer. Twee snoerlengten liet hij doden, en één volle snoerlengte liet hij in leven. Zo werden de Moabieten onderdanen van David en brachten hem schatting. 3. David versloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba. Dat gebeurde toen die op weg was om zijn macht bij de rivier de Eufraat te herstellen. 4. David nam hem 1.000 wagens, 700 ruiters en 20.000 man voetvolk af. David verlamde alle wagenpaarden, behalve genoeg voor 100 wagens. 5. De Syriërs uit Damaskus kwamen Hadad-ezer, de koning van Zoba, te hulp. Maar David doodde 22.000 man van de Syriërs. 6. David legde bezettingen in Syrië bij Damaskus. De Syriërs werden onderdanen van David en brachten hem schatting. De HEERE beschermde David overal waar hij heen ging. 7. David nam de gouden schilden die de dienaren van Hadad-ezer hadden gedragen, en bracht die naar Jeruzalem. 8. Ook nam koning David heel veel koper mee uit Betach en Berothai, steden van Hadad-ezer. 9. Thoi, de koning van Hamath, hoorde dat David het hele leger van Hadad-ezer had verslagen. 10. Daarom stuurde Thoi zijn zoon Joram naar koning David om hem te groeten en te feliciteren. Want David had tegen Hadad-ezer gestreden en hem verslagen, en Hadad-ezer voerde voortdurend oorlog tegen Thoi. Joram bracht zilveren, gouden en koperen voorwerpen mee. 11. Ook die wijdde koning David aan de HEERE, samen met het zilver en goud dat hij had gewijd van alle volken die hij had onderworpen: 12. van Syrië, Moab, de Ammonieten, de Filistijnen en Amalek, en van de buit van Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba. 13. David maakte zich ook een naam toen hij terugkwam na zijn overwinning op de Syriërs in het Zoutdal, 18.000 man. 14. Hij legde bezettingen in Edom, in heel Edom legde hij bezettingen. Alle Edomieten werden onderdanen van David. De HEERE beschermde David overal waar hij heen ging. 15. Zo regeerde David over heel Israël. David deed recht en gerechtigheid aan zijn hele volk. 16. Joab, de zoon van Zeruja, was over het leger. Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier. 17. Zadok, de zoon van Ahitub, en Achimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters. Seraja was schrijver. 18. Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en de Plethi. De zonen van David waren prinsen. ## 2 Samuel 9 — David en Mefiboseth 1. David vroeg: Is er nog iemand over van het huis van Saul? Dan wil ik hem goed doen omwille van Jonathan. 2. Het huis van Saul had een dienaar die Ziba heette. Hij werd bij David geroepen. De koning vroeg hem: Ben jij Ziba? Hij zei: Uw dienaar. 3. De koning vroeg: Is er nog iemand van het huis van Saul, aan wie ik de goedheid van God kan bewijzen? Ziba zei tegen de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die aan beide voeten verlamd is. 4. De koning vroeg hem: Waar is hij? Ziba zei tegen de koning: Kijk, hij is in het huis van Machir, de zoon van Ammiël, in Lodebar. 5. Toen liet koning David hem halen uit het huis van Machir, de zoon van Ammiël, in Lodebar. 6. Toen Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, bij David kwam, viel hij op zijn gezicht en boog zich neer. David zei: Mefiboseth! Hij zei: Hier is uw dienaar. 7. David zei tegen hem: Wees niet bang. Ik zal je zeker goed doen omwille van je vader Jonathan. Ik geef je alle akkers van je grootvader Saul terug. En je zult altijd aan mijn tafel eten. 8. Hij boog zich en zei: Wat is uw dienaar, dat u omziet naar een dode hond zoals ik? 9. Toen riep de koning Ziba, de dienaar van Saul. Hij zei tegen hem: Alles wat van Saul en zijn hele familie was, heb ik aan de kleinzoon van je heer gegeven. 10. Jij moet met je zonen en je slaven het land voor hem bewerken en de oogst binnenbrengen. Dan heeft de kleinzoon van je heer brood om te eten. Maar Mefiboseth, de kleinzoon van je heer, zal altijd aan mijn tafel eten. Ziba had vijftien zonen en twintig slaven. 11. Ziba zei tegen de koning: Uw dienaar zal alles doen wat mijn heer de koning zijn dienaar opdraagt. Zo at Mefiboseth aan de tafel van David als een van de zonen van de koning. 12. Mefiboseth had een jonge zoon die Micha heette. Allen die in het huis van Ziba woonden, waren dienaren van Mefiboseth. 13. Zo woonde Mefiboseth in Jeruzalem, want hij at altijd aan de tafel van de koning. Hij was kreupel aan beide voeten. ## 2 Samuel 10 — Oorlog met de Ammonieten en de Syriërs 1. Daarna stierf de koning van de Ammonieten, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats. 2. David zei: Ik zal Hanun, de zoon van Nahas, goed doen, zoals zijn vader mij goed gedaan heeft. Daarom stuurde David zijn dienaren om hem te troosten over zijn vader. De dienaren van David kwamen in het land van de Ammonieten. 3. Maar de vorsten van de Ammonieten zeiden tegen hun heer Hanun: Denkt u dat David uw vader wil eren door troosters naar u te sturen? Heeft David zijn dienaren niet gestuurd om de stad te onderzoeken en te verkennen, en haar dan te verwoesten? 4. Toen nam Hanun de dienaren van David, schoor de helft van hun baard af en sneed hun kleren half af, tot aan hun billen. Zo liet hij hen gaan. 5. Toen David dat hoorde, stuurde hij boden naar hen toe, want de mannen schaamden zich diep. De koning liet zeggen: Blijf in Jericho tot je baard weer is aangegroeid, en kom dan terug. 6. De Ammonieten zagen dat zij zich bij David gehaat hadden gemaakt. Daarom huurden zij 20.000 man voetvolk van de Syriërs van Beth-rechob en Zoba. Van de koning van Maächa huurden zij 1.000 man, en van de mannen van Tob 12.000 man. 7. Toen David dat hoorde, stuurde hij Joab erop af met het hele leger van helden. 8. De Ammonieten trokken uit en stelden zich in slagorde op bij de ingang van de stadspoort. Maar de Syriërs van Zoba en Rechob en de mannen van Tob en Maächa stonden apart in het veld. 9. Joab zag dat de strijd hem van voren en van achteren bedreigde. Daarom koos hij een deel van de beste mannen van Israël uit en stelde hen op tegenover de Syriërs. 10. De rest van het volk gaf hij onder bevel van zijn broer Abisai. Die stelde hen op tegenover de Ammonieten. 11. Joab zei: Als de Syriërs te sterk voor mij zijn, moet jij mij komen helpen. Maar als de Ammonieten te sterk voor jou zijn, kom ik jou helpen. 12. Wees sterk, en laten wij ons sterk tonen voor ons volk en voor de steden van onze God. En laat de HEERE doen wat goed is in Zijn ogen. 13. Toen rukte Joab met het volk dat bij hem was, op tegen de Syriërs, en zij vluchtten voor hem. 14. Toen de Ammonieten zagen dat de Syriërs vluchtten, vluchtten ook zij voor Abisai en gingen de stad in. Joab keerde terug van de strijd tegen de Ammonieten en kwam in Jeruzalem. 15. Toen de Syriërs zagen dat zij door Israël verslagen waren, verzamelden zij zich opnieuw. 16. Hadad-ezer liet de Syriërs van de overkant van de rivier komen, en zij kwamen in Helam. Sobach, de legeraanvoerder van Hadad-ezer, ging voor hen uit. 17. Toen dat aan David werd verteld, verzamelde hij heel Israël. Hij stak de Jordaan over en kwam in Helam. De Syriërs stelden zich in slagorde op tegenover David en streden tegen hem. 18. Maar de Syriërs vluchtten voor Israël. David doodde van de Syriërs de mannen van 700 wagens en 40.000 ruiters. Ook Sobach, hun legeraanvoerder, versloeg hij, zodat hij daar stierf. 19. Alle koningen die onderdanen van Hadad-ezer waren, zagen dat zij door Israël verslagen waren. Toen sloten zij vrede met Israël en onderwierpen zich aan hen. De Syriërs durfden de Ammonieten niet meer te helpen. ## 2 Samuel 11 — David en Bathseba 1. Het jaar daarop, in de tijd dat de koningen ten strijde trekken, stuurde David Joab op pad. Zijn dienaren en heel Israël gingen met hem mee. Zij versloegen de Ammonieten en belegerden Rabba. Maar David bleef in Jeruzalem. 2. Op een avond stond David op van zijn bed en liep op het dak van het paleis. Vanaf het dak zag hij een vrouw die zich waste. De vrouw was heel mooi. 3. David liet informeren wie die vrouw was. Men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, de Hethiet? 4. Toen stuurde David boden en liet haar halen. Zij kwam bij hem, en hij sliep met haar. Zij had zich net gereinigd van haar onreinheid. Daarna ging zij terug naar huis. 5. De vrouw werd zwanger. Zij liet David weten: Ik ben zwanger. 6. Toen stuurde David een bericht naar Joab: Stuur Uria, de Hethiet, naar mij toe. Joab stuurde Uria naar David. 7. Toen Uria bij hem kwam, vroeg David hoe het met Joab ging, hoe het met het volk ging en hoe de oorlog verliep. 8. Daarna zei David tegen Uria: Ga naar huis en was je voeten. Uria verliet het paleis, en er werd hem een geschenk van de koning nagestuurd. 9. Maar Uria ging slapen bij de ingang van het paleis, bij alle dienaren van zijn heer. Hij ging niet naar huis. 10. Aan David werd verteld: Uria is niet naar huis gegaan. Toen vroeg David aan Uria: Je komt toch van een reis? Waarom ben je niet naar huis gegaan? 11. Uria zei tegen David: De ark, Israël en Juda verblijven in tenten. Mijn heer Joab en de dienaren van mijn heer liggen op het open veld. Zou ik dan naar huis gaan om te eten, te drinken en bij mijn vrouw te slapen? Zo waar u leeft, dat doe ik niet! 12. Toen zei David tegen Uria: Blijf vandaag ook nog hier. Morgen laat ik je gaan. Zo bleef Uria die dag en de volgende dag in Jeruzalem. 13. David nodigde hem uit, en hij at en dronk bij hem, en David maakte hem dronken. Maar 's avonds ging hij weer slapen op zijn slaapplaats bij de dienaren van zijn heer. Naar huis ging hij niet. 14. De volgende morgen schreef David een brief aan Joab. Hij liet die door Uria brengen. 15. In de brief schreef hij: Zet Uria vooraan, waar de strijd het hevigst is. Trek je dan achter hem terug, zodat hij getroffen wordt en sterft. 16. Joab hield de stad in de gaten en zette Uria op een plaats waarvan hij wist dat daar sterke strijders waren. 17. De mannen van de stad deden een uitval en streden tegen Joab. Toen sneuvelden er enkelen van het volk, van de dienaren van David. Ook Uria, de Hethiet, stierf. 18. Toen stuurde Joab een bode om David het hele verloop van de strijd te laten weten. 19. Hij gaf de bode deze opdracht: Als je de koning het hele verloop van de strijd hebt verteld, 20. wordt de koning misschien kwaad. Misschien zegt hij tegen je: Waarom zijn jullie zo dicht bij de stad gekomen om te strijden? Wisten jullie niet dat zij vanaf de muur zouden schieten? 21. Wie heeft Abimelech gedood, de zoon van Jerubbeseth? Heeft niet een vrouw vanaf de muur een molensteen op hem gegooid, zodat hij in Thebez stierf? Waarom zijn jullie zo dicht bij de muur gekomen? Zeg dan: Ook uw dienaar Uria, de Hethiet, is dood. 22. De bode ging op weg. Hij kwam bij David en vertelde hem alles waarvoor Joab hem gestuurd had. 23. De bode zei tegen David: De mannen waren sterker dan wij. Zij deden een uitval tegen ons in het veld, maar wij hebben hen teruggedreven tot aan de ingang van de poort. 24. Toen schoten de schutters vanaf de muur op uw dienaren. Er zijn dienaren van de koning gesneuveld. Ook uw dienaar Uria, de Hethiet, is dood. 25. David zei tegen de bode: Zeg tegen Joab: Trek je dit niet te zwaar aan. Het zwaard treft nu eens de een en dan weer de ander. Zet de strijd tegen de stad met kracht voort en verwoest haar. Moedig hem zo aan. 26. Toen de vrouw van Uria hoorde dat haar man Uria dood was, rouwde zij om haar man. 27. Toen de rouwtijd voorbij was, liet David haar halen en nam haar in zijn huis. Zij werd zijn vrouw en kreeg een zoon van hem. Maar wat David gedaan had, was slecht in de ogen van de HEERE. ## 2 Samuel 12 — Nathan bestraft David 1. De HEERE stuurde Nathan naar David. Hij kwam bij hem en zei tegen hem: Er waren twee mannen in een stad. De een was rijk en de ander arm. 2. De rijke had heel veel schapen en runderen. 3. Maar de arme had helemaal niets, behalve één klein ooilam dat hij gekocht had. Hij had het grootgebracht, en het was bij hem en zijn kinderen opgegroeid. Het at van zijn brood, dronk uit zijn beker en sliep in zijn armen. Het was voor hem als een dochter. 4. Er kwam een reiziger bij de rijke man. Maar hij wilde geen van zijn eigen schapen of runderen nemen om voor zijn gast klaar te maken. Hij nam het ooilam van de arme man en maakte dat klaar voor zijn gast. 5. Toen werd David heel kwaad op die man. Hij zei tegen Nathan: Zo waar de HEERE leeft, de man die dat gedaan heeft, verdient de dood! 6. Dat ooilam moet hij vier keer vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden heeft gehad. 7. Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ik heb jou tot koning over Israël gezalfd. Ik heb je gered uit de macht van Saul. 8. Ik heb je het huis van je heer gegeven, en de vrouwen van je heer in je armen gelegd. Ik heb je het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was, had ik je nog veel meer gegeven. 9. Waarom heb je dan het woord van de HEERE veracht door te doen wat slecht is in Zijn ogen? Je hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood en zijn vrouw als je eigen vrouw genomen. Hem heb je gedood met het zwaard van de Ammonieten. 10. Daarom zal het zwaard nooit meer wijken van je huis. Want je hebt mij veracht en de vrouw van Uria, de Hethiet, als je vrouw genomen. 11. Zo zegt de HEERE: Let op, ik zal uit je eigen huis onheil over je laten komen. Ik zal voor je ogen je vrouwen nemen en ze aan een ander geven. Die zal op klaarlichte dag met je vrouwen slapen. 12. Want jij hebt het in het geheim gedaan, maar ik zal dit doen voor heel Israël en op klaarlichte dag. 13. Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen. U zult niet sterven. 14. Maar door wat u gedaan hebt, hebt u de vijanden van de HEERE alle reden gegeven om te lasteren. Daarom zal de zoon die u geboren is, zeker sterven. 15. Toen ging Nathan naar huis. De HEERE trof het kind dat de vrouw van Uria David had gebaard, en het werd heel ziek. 16. David smeekte God voor de jongen. David vastte, en als hij binnenkwam, bracht hij de nacht op de grond door. 17. De oudsten van zijn huis kwamen bij hem om hem van de grond te laten opstaan. Maar hij wilde niet en at niet met hen. 18. Op de zevende dag stierf het kind. De dienaren van David durfden hem niet te vertellen dat het kind dood was. Zij zeiden: Kijk, toen het kind nog leefde, spraken wij hem toe, maar hij luisterde niet naar ons. Hoe kunnen wij hem dan zeggen dat het kind dood is? Hij zou zichzelf iets aandoen. 19. Maar David zag dat zijn dienaren met elkaar fluisterden. Toen begreep David dat het kind dood was. David vroeg zijn dienaren: Is het kind dood? Zij zeiden: Het is dood. 20. Toen stond David op van de grond. Hij waste en zalfde zich en trok andere kleren aan. Hij ging naar het huis van de HEERE en aanbad. Daarna ging hij naar zijn eigen huis en vroeg om eten. Zij zetten hem eten voor, en hij at. 21. Zijn dienaren vroegen hem: Wat doet u nu? Toen het kind nog leefde, hebt u gevast en gehuild. Maar nu het kind gestorven is, staat u op en eet u. 22. Hij zei: Toen het kind nog leefde, heb ik gevast en gehuild. Want ik dacht: Wie weet, misschien is de HEERE mij genadig en blijft het kind in leven. 23. Maar nu is het dood. Waarom zou ik nog vasten? Kan ik het soms terughalen? Ik zal naar hem toe gaan, maar hij zal niet bij mij terugkomen. 24. Daarna troostte David zijn vrouw Bathseba. Hij ging naar haar toe en sliep met haar. Zij kreeg een zoon en noemde hem Salomo. De HEERE hield van hem. 25. Hij liet dat weten door de profeet Nathan, die hem Jedidja noemde, omwille van de HEERE. 26. Joab streed tegen Rabba van de Ammonieten en nam de koninklijke stad in. 27. Toen stuurde Joab boden naar David en liet zeggen: Ik heb tegen Rabba gestreden en ook de waterstad ingenomen. 28. Verzamel nu de rest van het volk, beleger de stad en neem haar in. Anders neem ik de stad in, en wordt mijn naam eraan verbonden. 29. Toen verzamelde David het hele volk en trok naar Rabba. Hij streed tegen de stad en nam haar in. 30. Hij nam de kroon van hun koning van zijn hoofd. Die woog ongeveer 34 kilo goud en was met edelstenen bezet. Die kroon werd op het hoofd van David gezet. Ook nam hij een zeer grote buit uit de stad mee. 31. Het volk dat er woonde, voerde hij weg. Hij legde hen onder zagen, ijzeren dorssleden en ijzeren bijlen, en liet hen door de steenoven gaan. Zo deed hij met alle steden van de Ammonieten. Daarna keerden David en het hele volk terug naar Jeruzalem. ## 2 Samuel 13 — Amnon en Tamar; de wraak van Absalom 1. Daarna gebeurde het volgende. Absalom, de zoon van David, had een mooie zus die Tamar heette. Amnon, de zoon van David, werd verliefd op haar. 2. Amnon werd er ziek van, zo verlangde hij naar zijn zus Tamar. Want zij was nog maagd, en het leek Amnon onmogelijk haar iets te doen. 3. Amnon had een vriend die Jonadab heette, een zoon van Simea, de broer van David. Jonadab was een zeer sluw man. 4. Die vroeg hem: Waarom zie je er elke morgen zo slecht uit, prins? Wil je het mij niet vertellen? Amnon zei tegen hem: Ik ben verliefd op Tamar, de zus van mijn broer Absalom. 5. Jonadab zei tegen hem: Ga op bed liggen en doe alsof je ziek bent. Als je vader dan komt kijken, zeg dan tegen hem: Laat mijn zus Tamar toch komen om mij te eten te geven. Laat zij het eten voor mijn ogen klaarmaken, zodat ik het kan zien en uit haar hand kan eten. 6. Amnon ging liggen en deed alsof hij ziek was. Toen de koning kwam kijken, zei Amnon tegen de koning: Laat mijn zus Tamar toch komen en voor mijn ogen twee koeken bakken. Dan kan ik uit haar hand eten. 7. Toen liet David Tamar thuis zeggen: Ga toch naar het huis van je broer Amnon en maak eten voor hem klaar. 8. Tamar ging naar het huis van haar broer Amnon, die op bed lag. Zij nam deeg, kneedde het en maakte er voor zijn ogen koeken van. Die bakte zij. 9. Zij nam de pan en schepte de koeken voor hem op. Maar hij weigerde te eten. Amnon zei: Laat iedereen bij mij weggaan. Toen ging iedereen weg. 10. Toen zei Amnon tegen Tamar: Breng het eten in de slaapkamer, dan kan ik uit je hand eten. Tamar nam de koeken die zij gemaakt had, en bracht ze bij haar broer Amnon in de slaapkamer. 11. Toen zij ze hem aanreikte om te eten, greep hij haar vast en zei: Kom, slaap met mij, mijn zus! 12. Maar zij zei tegen hem: Nee, mijn broer, doe mij geen geweld aan! Zoiets gebeurt niet in Israël. Doe deze schanddaad niet! 13. Waar moet ik dan heen met mijn schande? En jij zou in Israël als een van de dwazen zijn. Spreek toch met de koning, want hij zal mij niet aan je weigeren. 14. Maar hij wilde niet naar haar luisteren. Hij was sterker dan zij, en hij verkrachtte haar. 15. Daarna kreeg Amnon een enorme haat tegen haar. De haat die hij voor haar voelde, was groter dan de liefde die hij eerst voor haar had. Amnon zei tegen haar: Sta op, ga weg! 16. Zij zei tegen hem: Nee, mij wegsturen is nog erger dan het kwaad dat je mij al hebt aangedaan! Maar hij wilde niet naar haar luisteren. 17. Hij riep de jongen die hem diende, en zei: Zet deze vrouw buiten de deur en doe de deur achter haar op slot. 18. Zij droeg een veelkleurig gewaad, want zulke mantels droegen de dochters van de koning die nog maagd waren. Zijn dienaar zette haar buiten en deed de deur achter haar op slot. 19. Toen strooide Tamar as op haar hoofd en scheurde het veelkleurige gewaad dat zij droeg. Zij legde haar hand op haar hoofd en liep luid huilend weg. 20. Haar broer Absalom vroeg haar: Is je broer Amnon bij je geweest? Zwijg er nu maar over, mijn zus, hij is je broer. Trek je dit niet te veel aan. Zo bleef Tamar eenzaam wonen in het huis van haar broer Absalom. 21. Toen koning David dit alles hoorde, werd hij heel kwaad. 22. Maar Absalom sprak geen woord met Amnon, geen goed en geen kwaad woord. Want Absalom haatte Amnon, omdat hij zijn zus Tamar had verkracht. 23. Twee jaar later had Absalom schapenscheerders in Baäl-hazor, bij Efraïm. Absalom nodigde alle zonen van de koning uit. 24. Absalom ging naar de koning en zei: Kijk, uw dienaar heeft schapenscheerders. Laat de koning en zijn dienaren toch met uw dienaar meegaan. 25. Maar de koning zei tegen Absalom: Nee, mijn zoon, laten wij niet allemaal gaan, want dan worden wij je tot last. Hij drong bij hem aan, maar de koning wilde niet gaan. Wel zegende hij hem. 26. Toen zei Absalom: Laat dan tenminste mijn broer Amnon met ons meegaan. De koning vroeg hem: Waarom zou hij met je meegaan? 27. Maar Absalom bleef aandringen. Toen liet de koning Amnon en alle zonen van de koning met hem meegaan. 28. Absalom gaf zijn jonge mannen de opdracht: Let goed op. Als Amnon vrolijk is van de wijn en ik tegen jullie zeg: Sla Amnon neer, dood hem dan. Wees niet bang, ik heb het jullie toch opgedragen? Wees sterk en dapper. 29. De jonge mannen van Absalom deden met Amnon wat Absalom hun had opgedragen. Toen stonden alle zonen van de koning op. Ieder stapte op zijn muildier, en zij vluchtten. 30. Terwijl zij nog onderweg waren, kwam het gerucht bij David: Absalom heeft alle zonen van de koning gedood. Er is er niet één van over. 31. Toen stond de koning op, scheurde zijn kleren en ging op de grond liggen. Ook al zijn dienaren stonden erbij met gescheurde kleren. 32. Maar Jonadab, de zoon van Simea, de broer van David, zei: Laat mijn heer niet denken dat alle jonge zonen van de koning gedood zijn. Alleen Amnon is dood. Absalom was dat al van plan sinds de dag dat Amnon zijn zus Tamar verkrachtte. 33. Laat mijn heer de koning zich dus niet het idee in het hoofd zetten dat alle zonen van de koning dood zijn. Want alleen Amnon is dood. 34. Absalom was gevlucht. De jongen die op wacht stond, keek op en zag veel mensen aankomen over de weg achter hem, langs de berghelling. 35. Toen zei Jonadab tegen de koning: Kijk, daar komen de zonen van de koning. Het is gegaan zoals uw dienaar gezegd heeft. 36. Net toen hij uitgesproken was, kwamen de zonen van de koning binnen. Zij begonnen luid te huilen. Ook de koning en al zijn dienaren huilden heel bitter. 37. Absalom was gevlucht naar Thalmai, de zoon van Ammihur, de koning van Gesur. En David rouwde al die tijd om zijn zoon. 38. Zo vluchtte Absalom naar Gesur. Hij bleef daar drie jaar. 39. Toen verlangde koning David er hevig naar om naar Absalom toe te gaan. Want hij had zich getroost over de dood van Amnon. ## 2 Samuel 14 — Absalom keert terug 1. Joab, de zoon van Zeruja, merkte dat het hart van de koning naar Absalom uitging. 2. Daarom liet Joab een wijze vrouw uit Tekoa halen. Hij zei tegen haar: Doe alsof je rouwt en trek rouwkleren aan. Zalf je niet met olie, en gedraag je als een vrouw die al lang om een dode rouwt. 3. Ga dan naar de koning en zeg dit tegen hem. En Joab legde haar de woorden in de mond. 4. De vrouw uit Tekoa ging naar de koning. Zij viel met haar gezicht ter aarde, boog zich neer en zei: Help mij, koning! 5. De koning vroeg haar: Wat is er met je? Zij zei: Ik ben een weduwe, mijn man is gestorven. 6. Uw dienares had twee zonen. Die kregen samen ruzie in het veld, en er was niemand die hen uit elkaar haalde. Toen sloeg de een de ander dood. 7. En nu is de hele familie tegen uw dienares opgestaan. Zij zeggen: Lever degene uit die zijn broer heeft gedood. Dan doden wij hem voor het leven van zijn broer, en roeien wij ook de erfgenaam uit. Zo willen zij het laatste kooltje dat mij over is, uitdoven. Dan blijft er van mijn man geen naam en geen nakomeling op aarde over. 8. De koning zei tegen de vrouw: Ga naar huis. Ik zal een bevel over je geven. 9. De vrouw uit Tekoa zei tegen de koning: Mijn heer de koning, laat de schuld op mij en op de familie van mijn vader rusten. Maar de koning en zijn troon zijn onschuldig. 10. De koning zei: Als iemand je lastigvalt, breng hem dan bij mij. Dan zal hij je nooit meer aanraken. 11. Zij zei: Laat de koning toch denken aan de HEERE, uw God, zodat de bloedwreker niet nog meer onheil aanricht en mijn zoon niet uitroeit. Hij zei: Zo waar de HEERE leeft, er zal geen haar van het hoofd van je zoon op de grond vallen! 12. Toen zei de vrouw: Laat uw dienares toch een woord tegen mijn heer de koning spreken. Hij zei: Spreek. 13. De vrouw zei: Waarom hebt u dan zoiets bedacht tegen het volk van God? Door wat de koning nu gezegd heeft, staat hij zelf schuldig. Want de koning haalt zijn eigen verstoten zoon niet terug. 14. Wij moeten allemaal sterven, en zijn als water dat op de grond is uitgegoten en dat niet meer bijeen te brengen is. Maar God neemt het leven niet weg. Hij bedenkt plannen om een verstotene niet voorgoed te verstoten. 15. Ik ben nu gekomen om dit tegen mijn heer de koning te zeggen, omdat het volk mij bang maakte. Uw dienares dacht: Ik zal met de koning spreken. Misschien doet de koning wat zijn dienares vraagt. 16. Want de koning zal luisteren en zijn dienares redden. Hij zal mij redden uit de hand van de man die mij en mijn zoon samen uit het erfdeel van God wil wegvagen. 17. Uw dienares dacht: Laat het woord van mijn heer de koning mij rust geven. Want mijn heer de koning is als een engel van God, die goed en kwaad kan onderscheiden. De HEERE, uw God, zij met u. 18. Toen antwoordde de koning de vrouw: Verzwijg niets voor mij van wat ik je ga vragen. De vrouw zei: Laat mijn heer de koning spreken. 19. De koning vroeg: Zit Joab hier achter? De vrouw antwoordde: Zo waar u leeft, mijn heer de koning, niemand kan om wat mijn heer de koning zegt heen. Ja, uw dienaar Joab heeft het mij opgedragen. Hij heeft al deze woorden in de mond van uw dienares gelegd. 20. Om de zaak een andere wending te geven, heeft uw dienaar Joab dit gedaan. Maar mijn heer is wijs, met de wijsheid van een engel van God. Hij weet alles wat er op aarde gebeurt. 21. Toen zei de koning tegen Joab: Goed, ik doe het. Ga en haal de jonge Absalom terug. 22. Joab viel met zijn gezicht ter aarde, boog zich neer en dankte de koning. Joab zei: Vandaag weet uw dienaar dat ik genade heb gevonden in uw ogen, mijn heer de koning. Want de koning heeft gedaan wat zijn dienaar vroeg. 23. Toen ging Joab op weg naar Gesur en bracht Absalom naar Jeruzalem. 24. Maar de koning zei: Laat hij naar zijn eigen huis gaan. Hij mag mij niet onder ogen komen. Zo ging Absalom naar zijn eigen huis en kwam de koning niet onder ogen. 25. In heel Israël was er geen man zo knap als Absalom, zo te prijzen. Van zijn voetzolen tot zijn kruin was er niets aan hem te verbeteren. 26. Aan het eind van elk jaar liet hij zijn hoofdhaar knippen, omdat het hem te zwaar werd. Dan woog zijn hoofdhaar ongeveer 2 kilo, naar het gewicht van de koning. 27. Absalom kreeg drie zonen en een dochter, die Tamar heette. Zij was een mooie vrouw. 28. Absalom woonde twee volle jaren in Jeruzalem zonder de koning onder ogen te komen. 29. Toen stuurde Absalom een bericht naar Joab om hem naar de koning te sturen. Maar Joab wilde niet bij hem komen. Hij stuurde nog een tweede keer iemand, maar ook toen wilde hij niet komen. 30. Toen zei hij tegen zijn dienaren: Kijk, het akkertje van Joab ligt naast het mijne, en er staat gerst op. Ga het in brand steken. Toen staken de dienaren van Absalom het akkertje in brand. 31. Toen kwam Joab naar Absalom in huis en vroeg hem: Waarom hebben jouw dienaren mijn akker in brand gestoken? 32. Absalom zei tegen Joab: Kijk, ik heb je laten zeggen: Kom hier. Dan stuur ik je naar de koning met de vraag: Waarom ben ik uit Gesur gekomen? Het was beter voor mij geweest als ik daar nog was. Laat mij nu de koning onder ogen komen. Als ik schuldig ben, laat hij mij dan doden. 33. Toen ging Joab naar de koning en vertelde het hem. De koning liet Absalom roepen. Hij kwam bij de koning en boog zich voor hem met zijn gezicht ter aarde. En de koning kuste Absalom. ## 2 Samuel 15 — De opstand van Absalom 1. Daarna schafte Absalom zich wagens en paarden aan, en vijftig mannen die voor hem uit renden. 2. Absalom stond 's morgens vroeg op en ging langs de weg naar de poort staan. Iedereen die met een rechtszaak naar de koning ging, riep Absalom bij zich. Hij vroeg: Uit welke stad kom je? Dan zei de man: Uw dienaar komt uit een van de stammen van Israël. 3. Dan zei Absalom tegen hem: Kijk, je zaak is goed en terecht. Maar er is bij de koning niemand die naar je luistert. 4. Absalom zei ook: Was ik maar rechter in het land! Dan kon iedereen met een geschil of rechtszaak bij mij komen, en zou ik hem recht verschaffen. 5. Als iemand naar hem toe kwam om zich voor hem neer te buigen, stak hij zijn hand uit, pakte hem vast en kuste hem. 6. Zo deed Absalom met heel Israël, met iedereen die voor een rechtszaak naar de koning kwam. Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël. 7. Na verloop van veertig jaar zei Absalom tegen de koning: Laat mij toch naar Hebron gaan. Dan kan ik de gelofte inlossen die ik de HEERE gedaan heb. 8. Want uw dienaar heeft een gelofte gedaan toen ik in Gesur in Syrië woonde. Ik zei: Als de HEERE mij echt naar Jeruzalem terugbrengt, zal ik de HEERE dienen. 9. De koning zei tegen hem: Ga in vrede. Toen ging hij op weg naar Hebron. 10. Absalom had geheime boden naar alle stammen van Israël gestuurd met de boodschap: Als jullie de bazuin horen, roep dan: Absalom is koning in Hebron! 11. Met Absalom gingen 200 mannen uit Jeruzalem mee. Zij waren uitgenodigd en gingen in alle onschuld mee, want zij wisten van niets. 12. Terwijl Absalom de offers bracht, liet hij ook Achitofel uit Gilo halen, uit zijn stad. Achitofel was de raadsman van David. De samenzwering werd sterk, en het volk dat Absalom volgde, werd steeds groter. 13. Toen kwam er een bode bij David met het bericht: Het hart van de mannen van Israël gaat uit naar Absalom. 14. David zei tegen al zijn dienaren die bij hem in Jeruzalem waren: Sta op, laten wij vluchten. Anders ontkomen wij niet aan Absalom. Ga snel weg, voordat hij ons inhaalt, onheil over ons brengt en de stad met het zwaard verwoest. 15. De dienaren van de koning zeiden tegen de koning: Wat mijn heer de koning ook besluit, uw dienaren staan klaar. 16. Zo vertrok de koning te voet met zijn hele familie. Maar de koning liet tien bijvrouwen achter om op het paleis te passen. 17. Toen de koning met al het volk te voet vertrokken was, bleven zij op enige afstand staan. 18. Al zijn dienaren trokken langs hem heen. Ook alle Krethi en Plethi en alle Gethieten, 600 man die hem uit Gath gevolgd waren, trokken langs de koning. 19. Toen zei de koning tegen Ithai, de Gethiet: Waarom ga jij ook met ons mee? Keer terug en blijf bij de koning. Want je bent een vreemdeling, en je bent ook uit je eigen land weggegaan. 20. Gisteren ben je pas gekomen, en zou ik je vandaag al met ons laten rondzwerven? Ik ga maar waar ik heen kan. Keer terug en neem je broers mee. Goedheid en trouw zij met je. 21. Maar Ithai antwoordde de koning: Zo waar de HEERE leeft en zo waar mijn heer de koning leeft! Waar mijn heer de koning is, daar zal uw dienaar ook zijn, in leven of in dood! 22. Toen zei David tegen Ithai: Kom dan en trek mee. Zo trok Ithai, de Gethiet, mee met al zijn mannen en alle kinderen die bij hem waren. 23. Het hele land huilde luid toen al het volk voorbijtrok. Ook de koning stak de beek Kidron over, en al het volk trok verder in de richting van de woestijn. 24. Ook Zadok was daar, met alle Levieten die de ark van het verbond van God droegen. Zij zetten de ark van God neer. Abjathar kwam naar boven, tot al het volk de stad uit was. 25. Toen zei de koning tegen Zadok: Breng de ark van God terug naar de stad. Als ik genade vind in de ogen van de HEERE, zal Hij mij terugbrengen. Dan laat Hij mij de ark en Zijn woning weer zien. 26. Maar als Hij zegt: Ik heb geen vreugde in je, dan ben ik hier. Laat Hij met mij doen wat goed is in Zijn ogen. 27. De koning zei verder tegen de priester Zadok: Ben jij geen ziener? Ga in vrede terug naar de stad, met jullie twee zonen, jouw zoon Ahimaäz en Jonathan, de zoon van Abjathar. 28. Kijk, ik blijf wachten in de vlakten van de woestijn, tot er bericht van jullie komt. 29. Zo brachten Zadok en Abjathar de ark van God terug naar Jeruzalem, en zij bleven daar. 30. David ging huilend de helling van de Olijfberg op. Zijn hoofd was bedekt en hij liep blootsvoets. Ook al het volk dat bij hem was, had het hoofd bedekt en ging huilend naar boven. 31. Aan David werd verteld: Achitofel is onder de samenzweerders bij Absalom. Toen zei David: HEERE, maak de raad van Achitofel toch tot dwaasheid! 32. Toen David op de top kwam, waar men God aanbad, kwam Husai, de Archiet, hem tegemoet. Zijn kleren waren gescheurd en er lag aarde op zijn hoofd. 33. David zei tegen hem: Als je met mij meegaat, ben je een last voor mij. 34. Maar als je naar de stad teruggaat, zeg dan tegen Absalom: Ik zal uw dienaar zijn, koning. Vroeger was ik de dienaar van uw vader, maar nu zal ik uw dienaar zijn. Dan kun je de raad van Achitofel voor mij verijdelen. 35. Zijn de priesters Zadok en Abjathar daar niet bij je? Vertel alles wat je in het paleis hoort, aan de priesters Zadok en Abjathar. 36. Kijk, hun twee zonen zijn daar bij hen, Ahimaäz, de zoon van Zadok, en Jonathan, de zoon van Abjathar. Stuur mij door hen alles wat jullie horen. 37. Zo kwam Husai, de vriend van David, in de stad, net toen Absalom in Jeruzalem aankwam. ## 2 Samuel 16 — Ziba en Simeï; Absalom in Jeruzalem 1. Toen David een eindje voorbij de top was, kwam Ziba, de dienaar van Mefiboseth, hem tegemoet. Hij had twee gezadelde ezels bij zich, beladen met 200 broden, honderd rozijnenkoeken, honderd zomervruchten en een zak wijn. 2. De koning vroeg Ziba: Wat wil je daarmee? Ziba zei: De ezels zijn voor de familie van de koning om op te rijden. Het brood en de zomervruchten zijn voor de jonge mannen om te eten. De wijn is om te drinken voor wie in de woestijn uitgeput raakt. 3. De koning vroeg: Waar is dan de kleinzoon van je heer? Ziba zei tegen de koning: Kijk, hij is in Jeruzalem gebleven. Want hij zei: Vandaag geeft het huis van Israël mij het koningschap van mijn grootvader terug. 4. Toen zei de koning tegen Ziba: Kijk, alles wat van Mefiboseth is, is nu van jou. Ziba zei: Ik buig mij neer. Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer de koning! 5. Toen koning David bij Bahurim kwam, kwam daar een man naar buiten uit de familie van Saul. Hij heette Simeï, de zoon van Gera. Hij liep al vloekend verder. 6. Hij gooide met stenen naar David en naar alle dienaren van koning David. Toch liepen het hele volk en alle helden rechts en links van hem. 7. Simeï vloekte: Weg, weg, jij bloeddorstige man, jij nietsnut! 8. De HEERE laat al het bloed van de familie van Saul op je terugkomen, in wiens plaats je koning bent geworden. Nu heeft de HEERE het koningschap aan je zoon Absalom gegeven. Kijk, nu zit je in het ongeluk, want je bent een bloeddorstige man. 9. Toen zei Abisai, de zoon van Zeruja, tegen de koning: Waarom mag die dode hond mijn heer de koning vervloeken? Laat mij oversteken en zijn hoofd afhakken. 10. Maar de koning zei: Wat heb ik met jullie te maken, zonen van Zeruja? Laat hem vloeken. Want de HEERE heeft tegen hem gezegd: Vervloek David. Wie mag dan zeggen: Waarom doe je dat? 11. David zei tegen Abisai en tegen al zijn dienaren: Kijk, mijn eigen zoon, die uit mij geboren is, staat mij naar het leven. Hoeveel te meer dan deze Benjaminiet! Laat hem maar vloeken, want de HEERE heeft het hem opgedragen. 12. Misschien ziet de HEERE mijn ellende aan. Misschien geeft de HEERE mij vandaag iets goeds terug voor zijn vloek. 13. Zo trokken David en zijn mannen verder over de weg. Simeï liep langs de berghelling naast hem. Hij bleef vloeken, gooide met stenen naar hem en wierp stof op. 14. De koning kwam met al het volk dat bij hem was, uitgeput aan. Daar rustte hij uit. 15. Absalom en al het volk, de mannen van Israël, kwamen in Jeruzalem, en Achitofel was bij hem. 16. Toen Husai, de Archiet, de vriend van David, bij Absalom kwam, zei Husai tegen Absalom: Leve de koning, leve de koning! 17. Maar Absalom zei tegen Husai: Is dit je trouw aan je vriend? Waarom ben je niet met je vriend meegegaan? 18. Husai zei tegen Absalom: Nee, wie de HEERE en dit volk en alle mannen van Israël gekozen hebben, van hem wil ik zijn. Bij hem wil ik blijven. 19. En bovendien, wie zou ik anders dienen? Toch zijn zoon? Zoals ik uw vader gediend heb, zo zal ik u dienen. 20. Toen zei Absalom tegen Achitofel: Overleg samen en geef raad. Wat moeten wij doen? 21. Achitofel zei tegen Absalom: Slaap met de bijvrouwen van uw vader, die hij heeft achtergelaten om op het paleis te passen. Dan hoort heel Israël dat u zich bij uw vader gehaat hebt gemaakt. Dan worden allen die u steunen, versterkt. 22. Toen zetten zij voor Absalom een tent op het dak. En Absalom sliep met de bijvrouwen van zijn vader, voor de ogen van heel Israël. 23. In die tijd gold de raad van Achitofel alsof men God om raad had gevraagd. Zo gold alle raad van Achitofel, zowel bij David als bij Absalom. ## 2 Samuel 17 — De raad van Husai 1. Achitofel zei ook tegen Absalom: Laat mij 12.000 man uitkiezen. Dan ga ik vannacht op weg om David te achtervolgen. 2. Ik zal hem overvallen nu hij moe en uitgeput is. Ik zal hem schrik aanjagen, en al het volk dat bij hem is, zal vluchten. Dan dood ik alleen de koning. 3. Het hele volk zal ik bij u terugbrengen. Als de man die u zoekt, er niet meer is, keren zij allemaal terug. Dan zal het hele volk in vrede zijn. 4. Dit plan vond Absalom goed, en ook alle oudsten van Israël. 5. Maar Absalom zei: Roep ook Husai, de Archiet. Laten wij horen wat hij ervan zegt. 6. Toen Husai bij Absalom kwam, zei Absalom tegen hem: Dit heeft Achitofel voorgesteld. Moeten wij doen wat hij zegt? Zo niet, zeg jij het dan. 7. Husai zei tegen Absalom: De raad die Achitofel deze keer gegeven heeft, is niet goed. 8. Husai zei verder: U kent uw vader en zijn mannen. Het zijn helden, en zij zijn woedend als een beer in het veld die van zijn jongen is beroofd. Bovendien is uw vader een ervaren strijder. Hij zal de nacht niet bij het volk doorbrengen. 9. Kijk, hij heeft zich nu verstopt in een van de grotten of op een andere plaats. Als er dan in het begin enkelen van ons vallen, zal iedereen het horen. Dan zegt men: Er is een slachting aangericht onder het volk dat Absalom volgt. 10. Dan zal zelfs de dapperste, die een hart heeft als een leeuw, helemaal de moed verliezen. Want heel Israël weet dat uw vader een held is, en dat de mannen bij hem dapper zijn. 11. Daarom geef ik deze raad: laat heel Israël zich snel bij u verzamelen, van Dan tot Berseba, zo talrijk als het zand aan de zee. Dan moet u zelf mee ten strijde trekken. 12. Dan overvallen wij hem op de plaats waar hij zich bevindt. Wij vallen op hem zoals de dauw op de aarde valt. Van hem en van al de mannen bij hem blijft er niet één over. 13. Als hij zich in een stad terugtrekt, zal heel Israël touwen naar die stad brengen. Dan slepen wij die stad het dal in, tot er geen steentje meer van te vinden is. 14. Toen zeiden Absalom en alle mannen van Israël: De raad van Husai, de Archiet, is beter dan die van Achitofel. Want de HEERE had besloten de goede raad van Achitofel te verijdelen, om onheil over Absalom te brengen. 15. Husai zei tegen de priesters Zadok en Abjathar: Dit en dat heeft Achitofel Absalom en de oudsten van Israël aangeraden. Maar ik heb dit en dat aangeraden. 16. Stuur nu snel een bericht naar David en laat zeggen: Overnacht vannacht niet in de vlakten van de woestijn, maar steek snel over. Anders wordt de koning met al het volk dat bij hem is, verslonden. 17. Jonathan en Ahimaäz wachtten bij de bron Rogel, want zij mochten niet gezien worden als zij de stad in gingen. Een dienstmeisje ging het hun vertellen, en zij gingen het koning David vertellen. 18. Maar een jongen zag hen en vertelde het aan Absalom. Toen gingen zij allebei snel weg en kwamen in het huis van een man in Bahurim. Die had een put op zijn binnenplaats, en daar gingen zij in. 19. De vrouw nam een kleed, spreidde het over de opening van de put en strooide er gort op. Zo werd er niets ontdekt. 20. Toen de dienaren van Absalom bij de vrouw in huis kwamen, vroegen zij: Waar zijn Ahimaäz en Jonathan? De vrouw zei tegen hen: Zij zijn het beekje overgestoken. Zij zochten hen, maar vonden hen niet. Toen gingen zij terug naar Jeruzalem. 21. Nadat zij weg waren, klommen de twee uit de put. Zij gingen koning David het bericht brengen. Zij zeiden tegen David: Sta op en steek snel het water over, want dit heeft Achitofel tegen jullie aangeraden. 22. Toen stond David op met al het volk dat bij hem was, en zij staken de Jordaan over. Bij het ochtendlicht was er niemand meer die de Jordaan niet was overgestoken. 23. Toen Achitofel zag dat zijn raad niet werd opgevolgd, zadelde hij zijn ezel en ging naar huis, naar zijn eigen stad. Hij regelde de zaken van zijn huis en hing zich op. Zo stierf hij, en hij werd begraven in het graf van zijn vader. 24. David kwam in Mahanaïm, en Absalom stak de Jordaan over met alle mannen van Israël. 25. Absalom had Amasa in plaats van Joab over het leger aangesteld. Amasa was de zoon van een man die Jethra heette, de Israëliet. Die had geslapen met Abigal, de dochter van Nahas en de zus van Zeruja, de moeder van Joab. 26. Israël en Absalom sloegen hun kamp op in het land Gilead. 27. Toen David in Mahanaïm kwam, kwamen er mensen naar hem toe. Het waren Sobi, de zoon van Nahas, uit Rabba van de Ammonieten, en Machir, de zoon van Ammiël, uit Lodebar. Ook Barzillai, de Gileadiet, kwam uit Rogelim. 28. Zij brachten bedden, schalen en aarden potten, en ook tarwe, gerst, meel, geroosterd graan, bonen, linzen en geroosterde zaden, 29. honing, boter, schapen en koeienkaas voor David en het volk dat bij hem was, om te eten. Want zij zeiden: Het volk is hongerig, moe en dorstig in de woestijn. ## 2 Samuel 18 — De dood van Absalom 1. David monsterde het volk dat bij hem was. Hij stelde bevelhebbers over hen aan, over duizend en over honderd man. 2. David stuurde het volk erop uit in drie delen. Een derde stond onder bevel van Joab, een derde onder Abisai, de broer van Joab, en een derde onder Ithai, de Gethiet. De koning zei tegen het volk: Ik ga zelf ook met jullie mee. 3. Maar het volk zei: U moet niet meegaan. Als wij vluchten, trekken zij zich niets van ons aan. Ook als de helft van ons sterft, trekken zij zich niets van ons aan. Maar u bent evenveel waard als 10.000 van ons. Daarom is het beter dat u ons vanuit de stad te hulp komt. 4. De koning zei tegen hen: Ik zal doen wat jullie goed vinden. De koning ging naast de poort staan, en het hele volk trok uit in groepen van honderd en duizend. 5. De koning gaf Joab, Abisai en Ithai het bevel: Ga voor mij zacht om met de jonge Absalom. Het hele volk hoorde dat de koning alle bevelhebbers dit bevel over Absalom gaf. 6. Zo trok het volk het veld in, Israël tegemoet. De strijd vond plaats in het woud van Efraïm. 7. Daar werd het leger van Israël door de dienaren van David verslagen. Die dag was er een grote slachting: 20.000 man. 8. De strijd breidde zich uit over het hele gebied. Het woud eiste die dag meer slachtoffers dan het zwaard. 9. Absalom kwam de dienaren van David tegen. Hij reed op een muildier. Toen het muildier onder de dichte takken van een grote eik door liep, raakte zijn hoofd klem in de eik. Zo bleef hij tussen hemel en aarde hangen, en het muildier onder hem liep door. 10. Iemand zag het en vertelde het aan Joab: Kijk, ik heb Absalom in een eik zien hangen. 11. Joab zei tegen de man die het hem vertelde: Je hebt het gezien! Waarom heb je hem daar dan niet neergeslagen? Dan had ik je tien zilverstukken en een gordel gegeven. 12. Maar de man zei tegen Joab: Ook al kreeg ik duizend zilverstukken in handen, dan nog raakte ik de zoon van de koning niet aan. Want de koning heeft ons horen zeggen dat u, Abisai en Ithai op de jonge Absalom moeten passen. 13. Als ik trouweloos zijn leven had genomen, zou dat voor de koning niet verborgen blijven. En dan zou u zelf afstand van mij nemen. 14. Joab zei: Ik verspil hier mijn tijd niet met jou. Hij nam drie speren en stak die in het hart van Absalom, terwijl hij nog levend in de eik hing. 15. Tien jonge mannen, wapendragers van Joab, omsingelden Absalom, sloegen hem en doodden hem. 16. Toen blies Joab op de bazuin, en het volk hield op Israël te achtervolgen. Want Joab hield het volk tegen. 17. Zij namen Absalom en gooiden hem in een grote kuil in het woud. Zij legden er een zeer grote steenhoop op. Heel Israël vluchtte, ieder naar zijn tent. 18. Absalom had tijdens zijn leven voor zichzelf een gedenkteken opgericht in het Koningsdal. Want hij zei: Ik heb geen zoon die mijn naam in herinnering houdt. Hij had het gedenkteken naar zichzelf genoemd. Tot vandaag heet het de Hand van Absalom. 19. Ahimaäz, de zoon van Zadok, zei: Laat mij toch naar de koning rennen met het goede nieuws. De HEERE heeft hem recht gedaan tegenover zijn vijanden. 20. Maar Joab zei tegen hem: Vandaag breng jij geen bericht. Op een andere dag mag je een bericht brengen, maar vandaag niet. Want de zoon van de koning is dood. 21. Joab zei tegen de Cuschiet: Ga de koning vertellen wat je gezien hebt. De Cuschiet boog zich voor Joab en rende weg. 22. Maar Ahimaäz, de zoon van Zadok, zei nog eens tegen Joab: Wat er ook gebeurt, laat mij ook achter de Cuschiet aan rennen. Joab zei: Waarom wil je rennen, mijn zoon? Je krijgt er geen beloning voor. 23. Hij zei: Wat er ook gebeurt, laat mij rennen. Toen zei Joab tegen hem: Ren dan. Ahimaäz rende over de weg door de vlakte en haalde de Cuschiet in. 24. David zat tussen de twee poorten. De wachter ging op het dak van de poort bij de muur. Hij keek op en zag een man die alleen aan kwam rennen. 25. De wachter riep het naar de koning. De koning zei: Als hij alleen is, heeft hij een bericht. De man kwam steeds dichterbij. 26. Toen zag de wachter nog een man rennen. De wachter riep naar de poortwachter: Kijk, daar komt nog een man alleen aan rennen. De koning zei: Die brengt ook een bericht. 27. De wachter zei: Ik zie aan de manier van lopen dat de eerste Ahimaäz is, de zoon van Zadok. De koning zei: Dat is een goed man. Hij komt met goed nieuws. 28. Ahimaäz riep de koning toe: Vrede! Hij boog zich met zijn gezicht ter aarde voor de koning. Hij zei: Geloofd zij de HEERE, uw God! Hij heeft de mannen uitgeleverd die hun hand ophieven tegen mijn heer de koning. 29. De koning vroeg: Is alles goed met de jonge Absalom? Ahimaäz zei: Ik zag een groot tumult toen Joab, de dienaar van de koning, mij, uw dienaar, wegstuurde. Maar ik weet niet wat het was. 30. De koning zei: Ga opzij staan en wacht hier. Hij ging opzij en bleef staan. 31. Toen kwam de Cuschiet aan. De Cuschiet zei: Goed nieuws voor mijn heer de koning! Want de HEERE heeft u vandaag recht gedaan tegenover allen die tegen u opstonden. 32. De koning vroeg de Cuschiet: Is alles goed met de jonge Absalom? De Cuschiet zei: Laat het de vijanden van mijn heer de koning vergaan zoals die jonge man! Zo moet het allen vergaan die tegen u opstaan om u kwaad te doen. 33. Toen was de koning diep geschokt. Hij ging naar de kamer boven de poort en huilde. Terwijl hij liep, zei hij: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Was ik maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! ## 2 Samuel 19 — David keert terug naar Jeruzalem 1. Aan Joab werd verteld: Kijk, de koning huilt en rouwt om Absalom. 2. Zo werd de overwinning die dag voor het hele volk een dag van rouw. Want het volk hoorde die dag zeggen: De koning heeft verdriet om zijn zoon. 3. Die dag sloop het volk de stad in, zoals een volk binnensluipt dat zich schaamt omdat het in de strijd gevlucht is. 4. De koning had zijn gezicht bedekt en riep luid: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! 5. Toen kwam Joab bij de koning in huis en zei: U hebt vandaag al uw dienaren beschaamd. Zij hebben vandaag uw leven gered, en het leven van uw zonen en dochters, uw vrouwen en uw bijvrouwen. 6. U houdt van wie u haten en u haat wie van u houden. Want vandaag laat u zien dat bevelhebbers en dienaren niets voor u betekenen. Ik merk vandaag dat u het goed zou vinden als Absalom nog leefde en wij allemaal dood waren. 7. Sta nu op, ga naar buiten en spreek uw dienaren moed in. Want ik zweer bij de HEERE: als u niet naar buiten gaat, blijft er vannacht geen man bij u. Dat zou voor u erger zijn dan al het kwaad dat u sinds uw jeugd tot nu is overkomen. 8. Toen stond de koning op en ging in de poort zitten. Aan het hele volk werd verteld: Kijk, de koning zit in de poort. Toen kwam het hele volk bij de koning. Maar Israël was gevlucht, ieder naar zijn tent. 9. In alle stammen van Israël was het volk met elkaar in discussie. Zij zeiden: De koning heeft ons gered uit de macht van onze vijanden en ons bevrijd uit de macht van de Filistijnen. Maar nu is hij voor Absalom uit het land gevlucht. 10. En Absalom, die wij tot koning over ons hadden gezalfd, is in de strijd gesneuveld. Waarom zeggen jullie dan niets over het terughalen van de koning? 11. Toen stuurde koning David een bericht naar de priesters Zadok en Abjathar. Hij liet zeggen: Zeg tegen de oudsten van Juda: Waarom zouden jullie de laatsten zijn om de koning naar zijn paleis terug te halen? Want wat heel Israël zei, was de koning in zijn paleis ter ore gekomen. 12. Jullie zijn mijn broers, mijn eigen vlees en bloed. Waarom zouden jullie dan de laatsten zijn om de koning terug te halen? 13. En zeg tegen Amasa: Ben jij niet mijn eigen vlees en bloed? God mag mij zo straffen en nog erger, als jij niet voor altijd mijn legeraanvoerder wordt in plaats van Joab. 14. Zo won hij het hart van alle mannen van Juda, als van één man. Zij lieten de koning zeggen: Kom terug, u en al uw dienaren. 15. Toen keerde de koning terug en kwam bij de Jordaan. De mannen van Juda kwamen naar Gilgal om de koning tegemoet te gaan en hem over de Jordaan te brengen. 16. Ook Simeï, de zoon van Gera, de Benjaminiet uit Bahurim, haastte zich om met de mannen van Juda koning David tegemoet te gaan. 17. Er waren 1.000 man uit Benjamin bij hem. Ook Ziba, de dienaar van het huis van Saul, was er met zijn vijftien zonen en twintig slaven. Zij staken de Jordaan snel over, voor de koning uit. 18. De veerpont voer over om de familie van de koning over te zetten en te doen wat hij wilde. Toen de koning de Jordaan overstak, viel Simeï, de zoon van Gera, voor hem neer. 19. Hij zei tegen de koning: Laat mijn heer mij geen schuld aanrekenen. Denk niet meer aan het kwaad dat uw dienaar deed op de dag dat mijn heer de koning Jeruzalem verliet. Laat de koning het zich niet aantrekken. 20. Want uw dienaar weet heel goed dat ik gezondigd heb. Maar kijk, ik ben vandaag als eerste van heel het huis van Jozef gekomen om mijn heer de koning tegemoet te gaan. 21. Toen zei Abisai, de zoon van Zeruja: Moet Simeï hiervoor niet sterven? Hij heeft de gezalfde van de HEERE vervloekt! 22. Maar David zei: Wat heb ik met jullie te maken, zonen van Zeruja, dat jullie vandaag mijn tegenstanders zijn? Zou er vandaag iemand in Israël gedood worden? Ik weet toch dat ik vandaag weer koning over Israël ben? 23. De koning zei tegen Simeï: Je zult niet sterven. En de koning zwoer het hem. 24. Ook Mefiboseth, de kleinzoon van Saul, kwam de koning tegemoet. Hij had zijn voeten niet verzorgd, zijn snor niet bijgeknipt en zijn kleren niet gewassen. Zo was het vanaf de dag dat de koning was vertrokken tot de dag dat hij in vrede terugkwam. 25. Toen hij uit Jeruzalem de koning tegemoet kwam, vroeg de koning hem: Waarom ben je niet met mij meegegaan, Mefiboseth? 26. Hij zei: Mijn heer de koning, mijn dienaar heeft mij bedrogen. Want uw dienaar zei: Ik zal mijn ezel zadelen en erop rijden, en met de koning meegaan. Want uw dienaar is kreupel. 27. Maar hij heeft uw dienaar bij mijn heer de koning belasterd. Maar mijn heer de koning is als een engel van God. Doe dus wat goed is in uw ogen. 28. Want heel de familie van mijn vader verdiende de dood van mijn heer de koning. Toch hebt u uw dienaar een plaats gegeven onder hen die aan uw tafel eten. Welk recht heb ik dan nog om de koning om iets te vragen? 29. De koning zei tegen hem: Waarom praat je nog over je zaken? Ik heb besloten: jij en Ziba verdelen het land. 30. Mefiboseth zei tegen de koning: Laat hij het maar allemaal nemen, nu mijn heer de koning in vrede in zijn paleis is teruggekomen. 31. Ook Barzillai, de Gileadiet, kwam uit Rogelim. Hij stak met de koning de Jordaan over om hem over de Jordaan te begeleiden. 32. Barzillai was heel oud, tachtig jaar. Hij had de koning onderhouden toen die in Mahanaïm verbleef, want hij was een zeer rijk man. 33. De koning zei tegen Barzillai: Ga met mij mee. Dan zal ik u bij mij in Jeruzalem onderhouden. 34. Maar Barzillai zei tegen de koning: Hoeveel jaren heb ik nog te leven, dat ik met de koning naar Jeruzalem zou gaan? 35. Ik ben nu tachtig jaar. Kan ik nog onderscheid maken tussen goed en kwaad? Proeft uw dienaar nog wat hij eet en drinkt? Kan ik nog luisteren naar de stem van zangers en zangeressen? Waarom zou uw dienaar mijn heer de koning dan nog tot last zijn? 36. Uw dienaar gaat maar een klein stukje met de koning over de Jordaan. Waarom zou de koning mij zo belonen? 37. Laat uw dienaar toch terugkeren, zodat ik in mijn eigen stad sterf, bij het graf van mijn vader en moeder. Maar kijk, hier is uw dienaar Chimham. Laat hem met mijn heer de koning meegaan, en doe met hem wat goed is in uw ogen. 38. De koning zei: Chimham gaat met mij mee. Ik zal voor hem doen wat u goed vindt. Alles wat u van mij vraagt, zal ik voor u doen. 39. Toen het hele volk de Jordaan was overgestoken en ook de koning overgestoken was, kuste de koning Barzillai en zegende hem. Toen ging Barzillai terug naar zijn woonplaats. 40. De koning trok verder naar Gilgal, en Chimham ging met hem mee. Het hele volk van Juda had de koning begeleid, en ook een deel van het volk van Israël. 41. Toen kwamen alle mannen van Israël bij de koning. Zij zeiden tegen de koning: Waarom hebben onze broers, de mannen van Juda, u weggeroofd? Waarom hebben zij de koning en zijn familie over de Jordaan gebracht, met alle mannen van David? 42. Alle mannen van Juda antwoordden de mannen van Israël: Omdat de koning familie van ons is. Waarom zijn jullie daar kwaad over? Hebben wij soms iets van de koning gegeten, of heeft hij ons iets geschonken? 43. De mannen van Israël antwoordden de mannen van Juda: Wij hebben tien delen aan de koning, en dus ook meer recht op David dan jullie. Waarom hebben jullie ons dan geminacht? Wij hadden als eersten willen voorstellen onze koning terug te halen. Maar de mannen van Juda spraken harder dan de mannen van Israël. ## 2 Samuel 20 — De opstand van Seba 1. Daar was toevallig een nietsnut die Seba heette, de zoon van Bichri, een Benjaminiet. Hij blies op de bazuin en riep: Wij hebben geen deel aan David, geen erfdeel aan de zoon van Isaï! Ieder naar zijn tent, Israël! 2. Toen verlieten alle mannen van Israël David en volgden Seba, de zoon van Bichri. Maar de mannen van Juda bleven hun koning trouw, van de Jordaan tot Jeruzalem. 3. Toen David in zijn paleis in Jeruzalem kwam, nam de koning de tien bijvrouwen die hij had achtergelaten om op het paleis te passen. Hij bracht hen onder in een bewaakt huis en onderhield hen, maar sliep niet meer met hen. Zo bleven zij opgesloten tot de dag van hun dood, en leefden als weduwen. 4. De koning zei tegen Amasa: Roep binnen drie dagen de mannen van Juda voor mij bijeen. Kom dan zelf ook hier. 5. Amasa ging Juda bijeenroepen, maar hij bleef langer weg dan de tijd die de koning hem had gegeven. 6. Toen zei David tegen Abisai: Nu zal Seba, de zoon van Bichri, ons meer kwaad doen dan Absalom. Neem de dienaren van je heer en achtervolg hem. Anders vindt hij versterkte steden en ontsnapt hij aan ons. 7. Toen trokken de mannen van Joab, de Krethi en Plethi en alle helden achter hem aan. Zij vertrokken uit Jeruzalem om Seba, de zoon van Bichri, te achtervolgen. 8. Toen zij bij de grote steen in Gibeon waren, kwam Amasa hen tegemoet. Joab droeg zijn soldatenkleed met een gordel erover. Aan die gordel hing een zwaard in de schede op zijn heup. Toen hij naar voren liep, viel het eruit. 9. Joab vroeg Amasa: Gaat het goed met je, mijn broer? En Joab greep Amasa met zijn rechterhand bij de baard om hem te kussen. 10. Amasa lette niet op het zwaard in de hand van Joab. Joab stak hem ermee bij de vijfde rib, zodat zijn ingewanden op de grond vielen. Een tweede stoot was niet nodig, en hij stierf. Toen achtervolgden Joab en zijn broer Abisai Seba, de zoon van Bichri. 11. Een van de jonge mannen van Joab bleef bij Amasa staan en riep: Wie voor Joab is en wie voor David is, volge Joab! 12. Amasa lag badend in zijn bloed midden op de weg. De man zag dat al het volk bleef staan. Daarom sleepte hij Amasa van de weg het veld in en gooide een kleed over hem. Want hij zag dat iedereen die bij hem kwam, bleef staan. 13. Toen hij van de weg was weggehaald, trok iedereen verder achter Joab aan om Seba, de zoon van Bichri, te achtervolgen. 14. Seba trok door alle stammen van Israël naar Abel-Beth-Maächa en door heel Berim. Zij verzamelden zich en volgden hem. 15. Zij kwamen en belegerden hem in Abel-Beth-Maächa. Zij wierpen een wal op tegen de stad, die tot aan de buitenmuur reikte. Al het volk bij Joab probeerde de muur te ondermijnen om hem te laten instorten. 16. Toen riep een wijze vrouw uit de stad: Luister, luister! Zeg toch tegen Joab: Kom hierheen, dan kan ik met u spreken. 17. Toen hij naar haar toe kwam, vroeg de vrouw: Bent u Joab? Hij zei: Ja, dat ben ik. Zij zei tegen hem: Luister naar de woorden van uw dienares. Hij zei: Ik luister. 18. Zij zei: Vroeger zei men altijd: Vraag het maar in Abel. En zo werd de zaak afgehandeld. 19. Ik ben een van de vreedzamen en trouwen in Israël. Maar u wilt een stad doden die een moeder in Israël is. Waarom wilt u het erfdeel van de HEERE verslinden? 20. Joab antwoordde: Het zij verre, het zij verre van mij dat ik zou verslinden of verwoesten! 21. Zo is het niet. Maar een man uit het bergland van Efraïm, Seba, de zoon van Bichri, heeft zijn hand opgeheven tegen koning David. Lever alleen hem uit, dan trek ik weg van de stad. De vrouw zei tegen Joab: Kijk, zijn hoofd zal over de muur naar u gegooid worden. 22. De vrouw ging met haar wijze raad naar al het volk. Zij hakten het hoofd van Seba, de zoon van Bichri, af en gooiden het naar Joab. Toen blies hij op de bazuin, en zij trokken weg van de stad, ieder naar zijn tent. Joab ging terug naar de koning in Jeruzalem. 23. Joab stond over het hele leger van Israël. Benaja, de zoon van Jojada, stond over de Krethi en de Plethi. 24. Adoram stond over de dwangarbeid, en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier. 25. Seja was schrijver, en Zadok en Abjathar waren priesters. 26. Ook Ira, de Jaïriet, was een hoge dienaar van David. ## 2 Samuel 21 — De Gibeonieten; oorlogen met de Filistijnen 1. In de tijd van David was er drie jaar achter elkaar hongersnood. David zocht het aangezicht van de HEERE. De HEERE zei: Het is vanwege Saul en zijn bloedschuldige familie, omdat hij de Gibeonieten heeft gedood. 2. Toen riep de koning de Gibeonieten om met hen te spreken. De Gibeonieten hoorden niet bij de Israëlieten, maar waren een overblijfsel van de Amorieten. De Israëlieten hadden hun een eed gezworen. Toch had Saul geprobeerd hen uit te roeien in zijn ijver voor Israël en Juda. 3. David vroeg de Gibeonieten: Wat moet ik voor jullie doen? Hoe kan ik het goedmaken, zodat jullie het erfdeel van de HEERE zegenen? 4. De Gibeonieten zeiden tegen hem: Het gaat ons niet om zilver of goud van Saul en zijn familie. Ook hoeven wij niemand in Israël te doden. Hij vroeg: Wat moet ik dan voor jullie doen? 5. Zij zeiden tegen de koning: Die man heeft ons uitgeroeid. Hij was van plan ons te vernietigen, zodat wij nergens in het gebied van Israël meer zouden bestaan. 6. Laat men ons zeven van zijn zonen geven. Dan zullen wij hen voor de HEERE ophangen in Gibea, de stad van Saul, u, de uitverkorene van de HEERE. De koning zei: Ik zal hen geven. 7. Maar de koning spaarde Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul. Dat deed hij vanwege de eed bij de HEERE tussen David en Jonathan, de zoon van Saul. 8. De koning nam de twee zonen van Rizpa, de dochter van Aja, die zij Saul gebaard had: Armoni en Mefiboseth. Ook nam hij de vijf zonen van de zus van Michal, de dochter van Saul. Die had zij gebaard aan Adriël, de zoon van Barzillai, de Meholathiet. 9. Hij leverde hen uit aan de Gibeonieten, die hen op de berg voor de HEERE ophingen. Zo kwamen die zeven samen om. Zij werden gedood in de eerste dagen van de oogst, bij het begin van de gersteoogst. 10. Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een rouwgewaad en spreidde dat voor zich uit op de rots. Zo bleef zij daar vanaf het begin van de oogst tot er regen uit de hemel op hen viel. Overdag liet zij de vogels niet op hen neerstrijken, en 's nachts de wilde dieren niet. 11. Aan David werd verteld wat Rizpa, de dochter van Aja, de bijvrouw van Saul, gedaan had. 12. Toen ging David de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonathan halen bij de burgers van Jabes in Gilead. Die hadden ze weggehaald van het plein in Beth-san. Daar hadden de Filistijnen hen opgehangen op de dag dat zij Saul bij de Gilboa versloegen. 13. Hij bracht de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonathan daarvandaan. Ook verzamelde men de beenderen van de opgehangen mannen. 14. Zij begroeven de beenderen van Saul en zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin, in Zela, in het graf van zijn vader Kis. Zij deden alles wat de koning had bevolen. Daarna verhoorde God de gebeden voor het land. 15. De Filistijnen voerden opnieuw oorlog tegen Israël. David trok met zijn dienaren ten strijde tegen de Filistijnen, en David raakte uitgeput. 16. Isbi-benob, een van de nakomelingen van Rafa, wilde David doden. Zijn speer woog ongeveer 3 kilo koper, en hij was omgord met een nieuw zwaard. 17. Maar Abisai, de zoon van Zeruja, kwam David te hulp. Hij versloeg de Filistijn en doodde hem. Toen zwoeren de mannen van David: U mag niet meer met ons ten strijde trekken. Anders dooft u de lamp van Israël uit. 18. Daarna was er opnieuw een oorlog met de Filistijnen, bij Gob. Toen doodde Sibbechai, de Husathiet, Saf, een van de nakomelingen van Rafa. 19. Er was nog een oorlog bij Gob tegen de Filistijnen. Daar versloeg Elhanan, de zoon van Jaare-oregim, Beth-halachmi, een metgezel van Goliath, de Gethiet. De schacht van diens speer was als een weversboom. 20. Er was ook nog een oorlog in Gath. Daar was een reusachtige man met zes vingers aan elke hand en zes tenen aan elke voet, 24 in totaal. Ook hij was een nakomeling van Rafa. 21. Hij daagde Israël uit, maar Jonathan, de zoon van Simea, de broer van David, doodde hem. 22. Deze vier waren nakomelingen van Rafa in Gath. Zij vielen door de hand van David en zijn dienaren. ## 2 Samuel 22 — Het dankgebed van David 1. David zong dit lied voor de HEERE. Dat was op de dag dat de HEERE hem had gered uit de macht van al zijn vijanden en van Saul. 2. Hij zei: De HEERE is mijn rots, mijn burcht en mijn redder. 3. God is mijn rots, bij Hem zoek ik mijn toevlucht. Hij is mijn schild en de kracht van mijn redding, mijn veilige vesting en mijn toevlucht, mijn verlosser. U hebt mij gered van geweld! 4. Ik riep de HEERE aan, Die te prijzen is, en ik werd gered van mijn vijanden. 5. Want de golven van de dood omringden mij, de stromen van het verderf joegen mij angst aan. 6. De touwen van het dodenrijk omsloten mij, de strikken van de dood kwamen op mij af. 7. In mijn angst riep ik de HEERE aan, ik riep tot mijn God. Vanuit Zijn paleis hoorde Hij mijn stem, mijn hulpgeroep kwam Hem ter ore. 8. Toen dreunde en beefde de aarde. De fundamenten van de hemel schudden en wankelden, want Hij was toornig. 9. Rook steeg op uit Zijn neus, en verterend vuur kwam uit Zijn mond. Kolen raakten erdoor in brand. 10. Hij boog de hemel en daalde neer, met donkerheid onder Zijn voeten. 11. Hij reed op een cherub en vloog. Hij werd gezien op de vleugels van de wind. 12. Hij omgaf zich met duisternis als een tent: donkere wateren, dikke wolken. 13. Door de glans voor Hem uit raakten kolen van vuur in brand. 14. De HEERE donderde vanuit de hemel, de Allerhoogste liet Zijn stem horen. 15. Hij schoot pijlen af en verstrooide hen. Hij zond bliksems en bracht hen in verwarring. 16. Toen werden de diepten van de zee zichtbaar, en de fundamenten van de wereld kwamen bloot te liggen. Dat gebeurde door het dreigen van de HEERE, door de adem van de wind uit Zijn neus. 17. Hij reikte uit de hoogte en greep mij. Hij trok mij op uit diepe wateren. 18. Hij redde mij van mijn sterke vijand, van wie mij haatten, want zij waren sterker dan ik. 19. Zij overvielen mij op de dag van mijn ongeluk, maar de HEERE was mijn steun. 20. Hij bracht mij naar de ruimte. Hij redde mij, want Hij had vreugde in mij. 21. De HEERE heeft mij beloond naar mijn gerechtigheid. Hij heeft mij vergolden naar de reinheid van mijn handen. 22. Want ik heb de wegen van de HEERE bewaard. Ik ben niet goddeloos van mijn God afgeweken. 23. Want al Zijn verordeningen stonden mij voor ogen, en van Zijn bepalingen ben ik niet afgeweken. 24. Ik was oprecht tegenover Hem en hield mij ver van ongerechtigheid. 25. Daarom heeft de HEERE mij vergolden naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinheid voor Zijn ogen. 26. Tegenover de trouwe bent U trouw, tegenover de oprechte held bent U oprecht. 27. Tegenover de reine bent U rein, maar tegenover de verdorvene bent U onbuigzaam. 28. U redt het ellendige volk, maar Uw ogen zijn gericht op de hoogmoedigen om hen te vernederen. 29. Want U bent mijn lamp, HEERE. De HEERE maakt mijn duisternis licht. 30. Want met U storm ik op een bende af. Met mijn God spring ik over een muur. 31. De weg van God is volmaakt. Het woord van de HEERE is gelouterd. Hij is een schild voor allen die bij Hem schuilen. 32. Want wie is God behalve de HEERE? Wie is een rots behalve onze God? 33. God is mijn sterke vesting en kracht. Hij heeft mijn weg volmaakt gemaakt. 34. Hij maakt mijn voeten snel als die van een hinde en zet mij neer op mijn hoogten. 35. Hij oefent mijn handen voor de strijd, zodat mijn armen een stalen boog kunnen spannen. 36. U hebt mij het schild van Uw redding gegeven. Door Uw nederigheid hebt U mij groot gemaakt. 37. U hebt ruimte gemaakt voor mijn voetstappen, zodat mijn enkels niet wankelden. 38. Ik achtervolgde mijn vijanden en vernietigde hen. Ik keerde niet terug voordat ik hen had uitgeroeid. 39. Ik maakte een eind aan hen en verbrijzelde hen, zodat zij niet meer opstonden. Zij vielen onder mijn voeten. 40. Want U omgordde mij met kracht voor de strijd. U deed wie tegen mij opstonden, voor mij buigen. 41. U liet mijn vijanden voor mij vluchten. Wie mij haatten, heb ik vernietigd. 42. Zij keken om hulp, maar er was niemand die redde. Zij riepen naar de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet. 43. Ik vermaalde hen als stof van de aarde. Ik vertrapte hen en trapte hen plat als slijk op straat. 44. U hebt mij gered uit de twisten van mijn volk. U hebt mij bewaard als hoofd over de volken. Een volk dat ik niet kende, heeft mij gediend. 45. Vreemden onderwierpen zich huichelend aan mij. Zodra zij van mij hoorden, gehoorzaamden zij mij. 46. Vreemden verwelkten en kwamen bevend uit hun burchten. 47. De HEERE leeft! Geloofd zij mijn rots! Laat God verhoogd worden, de rots van mijn redding! 48. Hij is de God Die mij volkomen wraak geeft en de volken aan mij onderwerpt. 49. Hij bevrijdt mij van mijn vijanden. U verheft mij boven wie tegen mij opstaan. U redt mij van de gewelddadige man. 50. Daarom zal ik U loven onder de volken, HEERE, en voor Uw naam zal ik zingen. 51. Hij is een toren van redding voor Zijn koning. Hij bewijst goedheid aan Zijn gezalfde, aan David en zijn nakomelingen, tot in eeuwigheid. ## 2 Samuel 23 — De laatste woorden van David; zijn helden 1. Dit zijn de laatste woorden van David. Zo spreekt David, de zoon van Isaï, de man die hoog verheven is, de gezalfde van de God van Jakob, de lieflijke psalmdichter van Israël: 2. De Geest van de HEERE heeft door mij gesproken, Zijn woord was op mijn tong. 3. De God van Israël heeft gesproken, de rots van Israël heeft tegen mij gezegd: Er zal een heerser over de mensen zijn, een rechtvaardige. Hij zal heersen in ontzag voor God. 4. Hij zal zijn als het morgenlicht wanneer de zon opkomt, een morgen zonder wolken. Dan komt na de regen door de zonneglans het jonge gras uit de aarde op. 5. Al is mijn huis zo niet bij God, toch heeft Hij met mij een eeuwig verbond gesloten. Dat is in alles goed geregeld en bewaard. Daarin ligt al mijn redding en al mijn verlangen, al laat Hij het nog niet opbloeien. 6. Maar de nietsnutten zijn allemaal als doornstruiken die worden weggegooid. Want men kan ze niet met de hand vastpakken. 7. Wie ze wil aanraken, moet zich wapenen met ijzer en een speerschacht. Zij zullen ter plaatse volledig met vuur worden verbrand. 8. Dit zijn de namen van de helden van David. Joscheb-Baschebeth, de Tachkemoniet, was de voornaamste van de aanvoerders. Hij was Adino, de Ezniet, die in één keer 800 man versloeg. 9. Na hem kwam Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet. Hij was een van de drie helden bij David, toen zij de Filistijnen uitdaagden die zich daar voor de strijd hadden verzameld. De mannen van Israël waren teruggetrokken. 10. Hij stond op en versloeg de Filistijnen tot zijn hand moe werd en aan het zwaard vastkleefde. Die dag bracht de HEERE een grote overwinning. Het volk kwam pas achter hem aan om te plunderen. 11. Na hem kwam Samma, de zoon van Age, de Harariet. De Filistijnen hadden zich verzameld bij een dorp. Daar was een akker vol linzen, en het volk vluchtte voor de Filistijnen. 12. Maar hij ging midden op die akker staan, verdedigde hem en versloeg de Filistijnen. Zo bracht de HEERE een grote overwinning. 13. Drie van de dertig aanvoerders gingen in de oogsttijd naar David in de grot van Adullam. Een bende Filistijnen had haar kamp opgeslagen in het dal Refaïm. 14. David was toen in de bergvesting, en er lag een Filistijnse bezetting in Bethlehem. 15. David kreeg een sterk verlangen en zei: Wie geeft mij water te drinken uit de put bij de poort van Bethlehem? 16. Toen braken die drie helden door het kamp van de Filistijnen heen. Zij putten water uit de put bij de poort van Bethlehem en brachten het naar David. Maar hij wilde het niet drinken. Hij goot het uit als offer voor de HEERE. 17. Hij zei: HEERE, het zij verre van mij dat ik dit zou doen! Zou ik het bloed drinken van de mannen die hun leven gewaagd hebben? Hij wilde het niet drinken. Dat deden die drie helden. 18. Abisai, de broer van Joab en zoon van Zeruja, was de aanvoerder van de drie. Hij zwaaide zijn speer tegen 300 man en versloeg hen. Hij had naam onder de drie. 19. Was hij niet de meest geëerde van de drie? Daarom werd hij hun aanvoerder. Maar aan de eerste drie reikte hij niet. 20. Benaja, de zoon van Jojada, kwam uit Kabzeël. Hij was de zoon van een dapper man met grote daden. Hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab. Ook daalde hij af in een kuil en doodde daar op een sneeuwdag een leeuw. 21. Ook versloeg hij een indrukwekkende Egyptenaar. De Egyptenaar had een speer in zijn hand, maar Benaja ging met een stok op hem af. Hij rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met zijn eigen speer. 22. Dat deed Benaja, de zoon van Jojada. Hij had naam onder de drie helden. 23. Hij was de meest geëerde van de dertig, maar aan de eerste drie reikte hij niet. David stelde hem aan over zijn lijfwacht. 24. Tot de dertig behoorden Asahel, de broer van Joab, en Elhanan, de zoon van Dodo, uit Bethlehem, 25. Samma, de Harodiet, Elika, de Harodiet, 26. Helez, de Paltiet, Ira, de zoon van Ikes, de Thekoïet, 27. Abi-ezer, de Anethothiet, Mebunnai, de Husathiet, 28. Zalmon, de Ahohiet, Maharai, de Netofathiet, 29. Heleb, de zoon van Baëna, de Netofathiet, Ithai, de zoon van Ribai, uit Gibea van de Benjaminieten, 30. Benaja, de Pirhathoniet, Hiddai uit de beken van Gaas, 31. Abi-albon, de Arbathiet, Azmaveth, de Barhumiet, 32. Eljachba, de Saälboniet, Jonathan uit de zonen van Jazen, 33. Samma, de Harariet, Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet, 34. Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maächathiet, Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet, 35. Hezrai, de Karmeliet, Paërai, de Arbiet, 36. Jigal, de zoon van Nathan, uit Zoba, Bani, de Gadiet, 37. Zelek, de Ammoniet, Naharai, de Beërothiet, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja, 38. Ira, de Jethriet, Gareb, de Jethriet, 39. en Uria, de Hethiet. In totaal waren het er 37. ## 2 Samuel 24 — David telt het volk 1. De toorn van de HEERE ontbrandde opnieuw tegen Israël. Hij zette David tegen hen op en zei: Ga Israël en Juda tellen. 2. De koning zei tegen Joab, de legeraanvoerder die bij hem was: Trek door alle stammen van Israël, van Dan tot Berseba, en tel het volk. Dan weet ik hoe groot het volk is. 3. Maar Joab zei tegen de koning: Laat de HEERE, uw God, het volk nog honderd keer zo groot maken als het nu is. Laat mijn heer de koning het zelf zien. Maar waarom wil mijn heer de koning dit? 4. Maar het woord van de koning ging boven dat van Joab en de legeraanvoerders. Zo vertrokken Joab en de legeraanvoerders bij de koning om het volk Israël te tellen. 5. Zij staken de Jordaan over en sloegen hun kamp op bij Aroër, rechts van de stad in het midden van het dal van Gad. Daarna gingen zij naar Jaëzer. 6. Daarna kwamen zij in Gilead en in het laagland Hodsi. Ook kwamen zij in Dan-Jaän en in de omgeving van Sidon. 7. Zij kwamen bij de vesting Tyrus en bij alle steden van de Hevieten en Kanaänieten. Tot slot kwamen zij in het zuiden van Juda, in Berseba. 8. Zo trokken zij door het hele land. Na negen maanden en twintig dagen kwamen zij in Jeruzalem aan. 9. Joab gaf de koning de uitkomst van de volkstelling. In Israël waren 800.000 strijdbare mannen die het zwaard konden hanteren, en in Juda 500.000 man. 10. Maar nadat David het volk had laten tellen, sloeg zijn geweten hem. David zei tegen de HEERE: Ik heb zwaar gezondigd met wat ik gedaan heb. Maar HEERE, neem nu toch de schuld van Uw dienaar weg, want ik heb heel dwaas gehandeld. 11. Toen David de volgende morgen opstond, kwam het woord van de HEERE tot de profeet Gad, de ziener van David: 12. Ga naar David en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Ik leg je drie dingen voor. Kies er een van uit, dan zal ik dat met je doen. 13. Gad kwam bij David en vertelde het hem. Hij zei tegen hem: Moet er zeven jaar hongersnood in uw land komen? Of wilt u drie maanden voor uw vijanden vluchten terwijl zij u achtervolgen? Of moet er drie dagen pest in uw land zijn? Denk er nu over na. Welk antwoord moet ik geven aan Hem Die mij gestuurd heeft? 14. David zei tegen Gad: Ik ben in grote nood. Laten wij toch liever in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is groot. Maar laat mij niet in de hand van mensen vallen. 15. Toen stuurde de HEERE een pest over Israël, vanaf de morgen tot de vastgestelde tijd. Van Dan tot Berseba stierven 70.000 mensen van het volk. 16. Toen de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem om de stad te verwoesten, kreeg de HEERE spijt van het onheil. Hij zei tegen de engel die het volk trof: Het is genoeg, trek je hand nu terug. De engel van de HEERE was toen bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. 17. Toen David de engel zag die het volk trof, zei hij tegen de HEERE: Kijk, ik heb gezondigd, ik heb verkeerd gedaan. Maar wat hebben deze schapen gedaan? Laat Uw hand toch tegen mij en mijn familie zijn. 18. Diezelfde dag kwam Gad bij David en zei tegen hem: Ga een altaar voor de HEERE bouwen op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. 19. Zo ging David op weg, zoals Gad gezegd had en zoals de HEERE geboden had. 20. Arauna keek uit en zag de koning en zijn dienaren naar hem toe komen. Toen ging Arauna naar buiten en boog zich met zijn gezicht ter aarde voor de koning. 21. Arauna vroeg: Waarom komt mijn heer de koning naar zijn dienaar? David zei: Om de dorsvloer van je te kopen. Dan kan ik een altaar voor de HEERE bouwen, zodat de plaag onder het volk ophoudt. 22. Arauna zei tegen David: Laat mijn heer de koning nemen en offeren wat hij goed vindt. Kijk, hier zijn de runderen voor het brandoffer. De dorssleden en de jukken kunnen dienen als brandhout. 23. Dit alles gaf Arauna als een koning aan de koning. Arauna zei tegen de koning: Laat de HEERE, uw God, u genadig aannemen! 24. Maar de koning zei tegen Arauna: Nee, ik wil het echt van je kopen voor de volle prijs. Ik wil de HEERE, mijn God, geen brandoffers brengen die mij niets kosten. Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor ongeveer 550 gram zilver. 25. Daar bouwde David een altaar voor de HEERE en bracht brandoffers en dankoffers. Toen verhoorde de HEERE de gebeden voor het land, en hield de plaag in Israël op. ## 1 Koningen 1 — Salomo wordt koning 1. Koning David was oud en hoogbejaard. Zij bedekten hem met dekens, maar hij werd niet warm. 2. Daarom zeiden zijn dienaren tegen hem: Laat men voor mijn heer de koning een jonge vrouw zoeken, een maagd. Zij kan de koning dienen en hem verzorgen. Laat zij in uw armen slapen, dan wordt mijn heer de koning warm. 3. Zij zochten in het hele gebied van Israël naar een mooie jonge vrouw. Zij vonden Abisag uit Sunem en brachten haar bij de koning. 4. De jonge vrouw was bijzonder mooi. Zij verzorgde de koning en diende hem, maar de koning had geen gemeenschap met haar. 5. Adonia, de zoon van Haggith, verhief zich en zei: Ik word koning. Hij schafte zich wagens en ruiters aan, en vijftig mannen die voor hem uit renden. 6. Zijn vader had hem nooit terechtgewezen door te vragen: Waarom doe je dat? Hij zag er ook heel goed uit. Haggith had hem na Absalom gebaard. 7. Hij overlegde met Joab, de zoon van Zeruja, en met de priester Abjathar. Die steunden Adonia. 8. Maar de priester Zadok, Benaja, de zoon van Jojada, en de profeet Nathan kozen niet voor Adonia. Ook Simeï, Reï en de helden van David deden dat niet. 9. Adonia slachtte schapen, runderen en gemest vee bij de steen Zoheleth, bij de bron Rogel. Hij nodigde al zijn broers uit, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda die in dienst van de koning waren. 10. Maar de profeet Nathan, Benaja, de helden en zijn broer Salomo nodigde hij niet uit. 11. Toen zei Nathan tegen Bathseba, de moeder van Salomo: Hebt u niet gehoord dat Adonia, de zoon van Haggith, koning is geworden? En onze heer David weet het niet. 12. Kom nu, laat mij u raad geven, zodat u uw leven en het leven van uw zoon Salomo kunt redden. 13. Ga naar koning David en zeg tegen hem: Mijn heer de koning, u hebt uw dienares toch gezworen? U zei: Uw zoon Salomo zal na mij koning zijn en op mijn troon zitten. Waarom is Adonia dan koning geworden? 14. Kijk, terwijl u daar nog met de koning spreekt, kom ik achter u aan binnen. Dan zal ik uw woorden bevestigen. 15. Bathseba ging naar de koning in zijn slaapkamer. De koning was heel oud, en Abisag uit Sunem verzorgde hem. 16. Bathseba boog het hoofd en knielde voor de koning. De koning vroeg: Wat is er? 17. Zij zei tegen hem: Mijn heer, u hebt uw dienares bij de HEERE, uw God, een eed gedaan. U zei: Uw zoon Salomo zal na mij koning zijn en op mijn troon zitten. 18. Maar kijk, nu is Adonia koning geworden, en u, mijn heer de koning, weet het niet. 19. Hij heeft stieren, gemest vee en schapen in grote aantallen geslacht. Hij heeft alle zonen van de koning uitgenodigd, en de priester Abjathar en de legeraanvoerder Joab. Maar uw dienaar Salomo heeft hij niet uitgenodigd. 20. Nu zijn de ogen van heel Israël op u gericht, mijn heer de koning. Zij willen dat u bekendmaakt wie na u op de troon van mijn heer de koning zal zitten. 21. Anders zullen ik en mijn zoon Salomo als misdadigers worden behandeld, zodra mijn heer de koning bij zijn voorouders te ruste is gelegd. 22. Terwijl zij nog met de koning sprak, kwam de profeet Nathan binnen. 23. Men meldde de koning: De profeet Nathan is er. Hij kwam bij de koning en boog zich met zijn gezicht ter aarde voor hem. 24. Nathan zei: Mijn heer de koning, hebt u gezegd: Adonia zal na mij koning zijn en op mijn troon zitten? 25. Want hij is vandaag gaan offeren en heeft stieren, gemest vee en schapen in grote aantallen geslacht. Hij heeft alle zonen van de koning, de legeraanvoerders en de priester Abjathar uitgenodigd. Kijk, zij eten en drinken bij hem en roepen: Leve koning Adonia! 26. Maar mij, uw dienaar, en de priester Zadok, Benaja, de zoon van Jojada, en uw dienaar Salomo heeft hij niet uitgenodigd. 27. Is dit door mijn heer de koning zo beslist? En hebt u uw dienaar niet laten weten wie na u op de troon van mijn heer de koning zal zitten? 28. Koning David antwoordde: Roep Bathseba bij mij. Zij kwam bij de koning en ging voor hem staan. 29. Toen zwoer de koning: Zo waar de HEERE leeft, Die mij uit alle nood heeft gered: 30. zoals ik je bij de HEERE, de God van Israël, gezworen heb, zal ik vandaag doen. Ik heb gezegd: Je zoon Salomo zal na mij koning zijn en in mijn plaats op mijn troon zitten. 31. Toen boog Bathseba zich met haar gezicht ter aarde, knielde voor de koning en zei: Leve mijn heer koning David voor altijd! 32. Koning David zei: Roep de priester Zadok, de profeet Nathan en Benaja, de zoon van Jojada, bij mij. Zij kwamen bij de koning. 33. De koning zei tegen hen: Neem de dienaren van jullie heer mee. Zet mijn zoon Salomo op mijn eigen muilezelin en breng hem naar de Gihon. 34. Laten de priester Zadok en de profeet Nathan hem daar tot koning over Israël zalven. Blaas dan op de bazuin en roep: Leve koning Salomo! 35. Trek dan achter hem aan naar boven. Hij zal komen en op mijn troon zitten, en in mijn plaats koning zijn. Want ik heb bepaald dat hij leider zal zijn over Israël en Juda. 36. Benaja, de zoon van Jojada, antwoordde de koning: Amen! Laat de HEERE, de God van mijn heer de koning, het zo bevestigen! 37. Zoals de HEERE met mijn heer de koning geweest is, zo zij Hij ook met Salomo. Laat Hij zijn troon nog groter maken dan de troon van mijn heer koning David! 38. Toen gingen de priester Zadok, de profeet Nathan, Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en Plethi naar beneden. Zij zetten Salomo op de muilezelin van koning David en brachten hem naar de Gihon. 39. De priester Zadok nam de hoorn met olie uit de tent en zalfde Salomo. Toen bliezen zij op de bazuin, en al het volk riep: Leve koning Salomo! 40. Al het volk trok achter hem aan naar boven. Het volk speelde op fluiten en was zo blij, dat de aarde scheurde van het lawaai. 41. Adonia en al zijn gasten hoorden het, net toen zij klaar waren met eten. Ook Joab hoorde het geluid van de bazuin. Hij vroeg: Waarom is er zo'n lawaai in de stad? 42. Terwijl hij nog sprak, kwam Jonathan binnen, de zoon van de priester Abjathar. Adonia zei: Kom binnen, want jij bent een betrouwbaar man en brengt vast goed nieuws. 43. Maar Jonathan antwoordde Adonia: Nee, onze heer koning David heeft Salomo koning gemaakt. 44. De koning heeft de priester Zadok, de profeet Nathan, Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en Plethi met hem meegestuurd. Zij hebben hem op de muilezelin van de koning gezet. 45. De priester Zadok en de profeet Nathan hebben hem in de Gihon tot koning gezalfd. Van daar zijn zij juichend naar boven gegaan, zodat de stad in rep en roer is. Dat is het lawaai dat jullie gehoord hebben. 46. Ook zit Salomo al op de koninklijke troon. 47. De dienaren van de koning zijn onze heer koning David ook al komen feliciteren. Zij zeiden: Laat uw God de naam van Salomo nog beroemder maken dan uw naam, en zijn troon groter dan uw troon! En de koning boog zich op zijn bed neer. 48. Ook zei de koning: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël! Vandaag heeft Hij iemand op mijn troon laten zitten, terwijl ik het zelf mag zien. 49. Toen schrokken alle gasten van Adonia. Zij stonden op en gingen ieder hun eigen weg. 50. Maar Adonia was bang voor Salomo. Hij stond op, ging weg en greep de hoorns van het altaar vast. 51. Aan Salomo werd verteld: Kijk, Adonia is bang voor koning Salomo. Hij heeft de hoorns van het altaar vastgegrepen. Hij zegt: Laat koning Salomo mij vandaag zweren dat hij zijn dienaar niet met het zwaard zal doden! 52. Salomo zei: Als hij zich als een betrouwbaar man gedraagt, zal er geen haar van hem op de grond vallen. Maar als er kwaad in hem gevonden wordt, zal hij sterven. 53. Koning Salomo liet hem van het altaar halen. Hij kwam en boog zich voor koning Salomo neer. Salomo zei tegen hem: Ga naar huis. ## 1 Koningen 2 — Het koningschap van Salomo bevestigd 1. Toen de tijd naderde dat David zou sterven, gaf hij zijn zoon Salomo deze opdracht: 2. Ik ga de weg van alle mensen. Wees dus sterk en gedraag je als een man. 3. Houd je aan wat de HEERE, je God, van je vraagt. Ga in Zijn wegen en houd je aan Zijn verordeningen, geboden, bepalingen en getuigenissen, zoals geschreven is in de wet van Mozes. Dan zul je verstandig handelen in alles wat je doet en waar je je ook heen keert. 4. Dan zal de HEERE Zijn woord waarmaken dat Hij over mij gesproken heeft. Hij zei: Je zonen moeten goed op hun weg letten en trouw voor mij leven, met hun hele hart en hun hele ziel. Dan zal er altijd iemand van jou op de troon van Israël zitten. 5. Je weet ook wat Joab, de zoon van Zeruja, mij heeft aangedaan. Hij heeft de twee legeraanvoerders van Israël gedood, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether. Hij heeft in vredestijd bloed vergoten als in oorlogstijd. Dat bloed kwam op de gordel om zijn middel en op de sandalen aan zijn voeten. 6. Handel dus naar je wijsheid, en laat zijn grijze haar niet in vrede naar het graf gaan. 7. Maar bewijs goedheid aan de zonen van Barzillai, de Gileadiet. Laat hen horen bij wie aan jouw tafel eten. Want zo zijn zij mij tegemoet gekomen toen ik vluchtte voor je broer Absalom. 8. Kijk, ook Simeï, de zoon van Gera, de Benjaminiet uit Bahurim, is bij je. Hij vervloekte mij met een zware vloek op de dag dat ik naar Mahanaïm ging. Maar hij kwam mij tegemoet bij de Jordaan, en ik zwoer hem bij de HEERE: Ik zal je niet met het zwaard doden. 9. Maar laat hem nu niet ongestraft. Want je bent een wijs man, en je zult weten wat je met hem moet doen. Laat zijn grijze haar met bloed naar het graf gaan. 10. Toen ging David bij zijn voorouders te ruste en werd begraven in de stad van David. 11. David was veertig jaar koning over Israël geweest. In Hebron regeerde hij zeven jaar, en in Jeruzalem 33 jaar. 12. Salomo zat op de troon van zijn vader David, en zijn koningschap werd stevig gevestigd. 13. Toen kwam Adonia, de zoon van Haggith, bij Bathseba, de moeder van Salomo. Zij vroeg: Kom je in vrede? Hij zei: In vrede. 14. Hij zei: Ik wil u iets vragen. Zij zei: Zeg het maar. 15. Hij zei: U weet dat het koningschap van mij was, en dat heel Israël verwachtte dat ik koning zou worden. Maar het koningschap is naar mijn broer gegaan, want het is hem door de HEERE gegeven. 16. Nu heb ik één verzoek aan u. Wijs mij niet af. Zij zei tegen hem: Zeg het maar. 17. Hij zei: Vraag toch aan koning Salomo of hij mij Abisag uit Sunem als vrouw wil geven. Hij zal u niets weigeren. 18. Bathseba zei: Goed, ik zal voor je met de koning spreken. 19. Zo ging Bathseba naar koning Salomo om met hem over Adonia te spreken. De koning stond op, ging haar tegemoet en boog zich voor haar. Daarna ging hij op zijn troon zitten en liet een stoel neerzetten voor de moeder van de koning. Zij ging aan zijn rechterhand zitten. 20. Zij zei: Ik heb één klein verzoek. Wijs mij niet af. De koning zei tegen haar: Vraag maar, mijn moeder, ik zal u niets weigeren. 21. Zij zei: Laat Abisag uit Sunem als vrouw gegeven worden aan uw broer Adonia. 22. Koning Salomo antwoordde zijn moeder: Waarom vraagt u Abisag uit Sunem voor Adonia? Vraag dan ook het koningschap voor hem, want hij is mijn oudere broer! Vraag het voor hem, voor de priester Abjathar en voor Joab, de zoon van Zeruja! 23. Koning Salomo zwoer bij de HEERE: God mag mij zo straffen en nog erger, als dit verzoek Adonia niet zijn leven kost! 24. De HEERE heeft mij bevestigd en op de troon van mijn vader David gezet. Hij heeft mij een koningshuis gegeven, zoals Hij had beloofd. Zo waar Hij leeft: Adonia zal vandaag nog gedood worden! 25. Koning Salomo stuurde Benaja, de zoon van Jojada. Die viel hem aan, zodat hij stierf. 26. Tegen de priester Abjathar zei de koning: Ga naar Anathoth, naar je akkers, want je verdient de dood. Maar vandaag zal ik je niet doden. Want je hebt de ark van de Heere HEERE voor mijn vader David gedragen, en je hebt geleden in alles waarin mijn vader leed. 27. Zo verdreef Salomo Abjathar uit het priesterambt van de HEERE. Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij in Silo over de familie van Eli had gesproken. 28. Het bericht kwam ook bij Joab. Joab had namelijk Adonia gesteund, al had hij Absalom niet gesteund. Toen vluchtte Joab naar de tent van de HEERE en greep de hoorns van het altaar vast. 29. Aan koning Salomo werd verteld dat Joab naar de tent van de HEERE was gevlucht en bij het altaar stond. Toen stuurde Salomo Benaja, de zoon van Jojada, met de opdracht: Ga en val hem aan. 30. Benaja kwam bij de tent van de HEERE en zei tegen hem: Zo zegt de koning: Kom naar buiten. Maar hij zei: Nee, hier wil ik sterven. Benaja bracht de koning het antwoord: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord. 31. De koning zei tegen hem: Doe wat hij gezegd heeft. Val hem aan en begraaf hem. Zo neem je het bloed dat Joab zonder reden heeft vergoten, weg van mij en van de familie van mijn vader. 32. De HEERE laat zijn bloed op zijn eigen hoofd neerkomen. Want hij heeft twee mannen aangevallen die rechtvaardiger en beter waren dan hij. Hij heeft hen met het zwaard gedood zonder dat mijn vader David het wist. Dat waren Abner, de zoon van Ner, de legeraanvoerder van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de legeraanvoerder van Juda. 33. Hun bloed zal voor altijd neerkomen op het hoofd van Joab en van zijn nakomelingen. Maar David, zijn nakomelingen, zijn huis en zijn troon zullen voor altijd vrede hebben van de HEERE. 34. Toen ging Benaja, de zoon van Jojada, naar boven, viel hem aan en doodde hem. Hij werd begraven bij zijn huis in de woestijn. 35. De koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats aan over het leger. En de priester Zadok stelde de koning aan in de plaats van Abjathar. 36. Daarna liet de koning Simeï roepen en zei tegen hem: Bouw een huis in Jeruzalem en woon daar. Ga niet weg, nergens heen. 37. Want op de dag dat je weggaat en de beek Kidron oversteekt, moet je weten dat je zeker zult sterven. Dan komt je bloed op je eigen hoofd. 38. Simeï zei tegen de koning: Dat is goed. Uw dienaar zal doen wat mijn heer de koning gezegd heeft. En Simeï bleef lange tijd in Jeruzalem wonen. 39. Maar na drie jaar liepen twee slaven van Simeï weg naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath. Men vertelde Simeï: Kijk, je slaven zijn in Gath. 40. Toen zadelde Simeï zijn ezel en ging naar Achis in Gath om zijn slaven te zoeken. Simeï ging en haalde zijn slaven terug uit Gath. 41. Aan Salomo werd verteld dat Simeï van Jeruzalem naar Gath was gegaan en weer was teruggekomen. 42. Toen liet de koning Simeï roepen en zei tegen hem: Heb ik je niet laten zweren bij de HEERE en je gewaarschuwd? Ik zei: Op de dag dat je weggaat, waarheen ook, moet je weten dat je zeker zult sterven. En jij zei tegen mij: Dat is goed, ik heb het gehoord. 43. Waarom heb je je dan niet gehouden aan de eed bij de HEERE en aan het bevel dat ik je gegeven heb? 44. De koning zei verder tegen Simeï: Je weet zelf al het kwaad dat je mijn vader David hebt aangedaan. Daarom laat de HEERE je kwaad op je eigen hoofd neerkomen. 45. Maar koning Salomo zal gezegend zijn, en de troon van David zal voor altijd vaststaan voor de HEERE. 46. Toen gaf de koning Benaja, de zoon van Jojada, opdracht. Die ging naar buiten, viel Simeï aan en doodde hem. Zo werd het koningschap stevig gevestigd in de hand van Salomo. ## 1 Koningen 3 — Salomo vraagt om wijsheid 1. Salomo werd verwant met Farao, de koning van Egypte. Hij trouwde met de dochter van Farao en bracht haar naar de stad van David. Daar bleef zij tot hij klaar was met de bouw van zijn paleis, het huis van de HEERE en de muur rond Jeruzalem. 2. Maar het volk offerde nog op de hoogten, want er was tot die tijd nog geen huis gebouwd voor de naam van de HEERE. 3. Salomo hield van de HEERE en leefde naar de verordeningen van zijn vader David. Alleen offerde hij ook op de hoogten en liet daar reukwerk in rook opgaan. 4. De koning ging naar Gibeon om daar te offeren, want dat was de belangrijkste hoogte. Op dat altaar bracht Salomo duizend brandoffers. 5. In Gibeon verscheen de HEERE 's nachts in een droom aan Salomo. God zei: Vraag wat ik je moet geven. 6. Salomo zei: U hebt Uw dienaar David, mijn vader, grote goedheid bewezen, omdat hij in trouw, gerechtigheid en met een oprecht hart met U leefde. U hebt hem die grote goedheid blijven bewijzen. U hebt hem een zoon gegeven die vandaag op zijn troon zit. 7. Nu dan, HEERE, mijn God, U hebt Uw dienaar koning gemaakt in de plaats van mijn vader David. Maar ik ben nog jong, en ik weet niet hoe ik moet leiden. 8. Uw dienaar staat midden in Uw volk, dat U gekozen hebt. Het is een groot volk, zo talrijk dat het niet te tellen is. 9. Geef Uw dienaar daarom een opmerkzaam hart, om Uw volk recht te spreken en onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Want wie kan dit grote volk van U rechtspreken? 10. Het was goed in de ogen van de HEERE dat Salomo hierom gevraagd had. 11. God zei tegen hem: Je hebt hierom gevraagd. Je hebt niet om een lang leven gevraagd, niet om rijkdom en niet om de dood van je vijanden. Maar je hebt gevraagd om inzicht om recht te spreken. 12. Kijk, ik doe wat je gevraagd hebt. Ik geef je een wijs en verstandig hart. Niemand vóór jou was zoals jij, en ook na jou zal er niemand zijn zoals jij. 13. Ook geef ik je wat je niet gevraagd hebt: rijkdom en eer. Zolang je leeft, zal er onder de koningen niemand zijn zoals jij. 14. Ga in mijn wegen en houd je aan mijn verordeningen en geboden, zoals je vader David deed. Dan zal ik je een lang leven geven. 15. Toen werd Salomo wakker, en zie, het was een droom. Hij ging naar Jeruzalem en stond voor de ark van het verbond van de HEERE. Hij bracht brandoffers en dankoffers en gaf een maaltijd voor al zijn dienaren. 16. Toen kwamen er twee vrouwen bij de koning, prostituees. Zij gingen voor hem staan. 17. De ene vrouw zei: Ach, mijn heer, deze vrouw en ik wonen in hetzelfde huis. Toen zij bij mij in huis was, heb ik een kind gekregen. 18. Drie dagen na mijn bevalling kreeg deze vrouw ook een kind. Wij waren samen. Er was niemand anders bij ons in huis, alleen wij tweeën. 19. 's Nachts is de zoon van deze vrouw gestorven, omdat zij op hem was gaan liggen. 20. Midden in de nacht stond zij op en nam mijn zoon bij mij weg, terwijl uw dienares sliep. Zij legde hem in haar armen, en haar dode zoon legde zij in mijn armen. 21. Toen ik 's morgens opstond om mijn zoon de borst te geven, was hij dood. Maar toen ik 's morgens goed naar hem keek, zag ik dat het niet mijn zoon was, niet het kind dat ik gebaard had. 22. Maar de andere vrouw zei: Nee, de levende is mijn zoon, en de dode is jouw zoon. Maar de eerste zei: Nee, de dode is jouw zoon, en de levende is mijn zoon. Zo spraken zij voor de koning. 23. Toen zei de koning: De een zegt: Dit is mijn zoon, die leeft, en jouw zoon is dood. En de ander zegt: Nee, jouw zoon is dood, en mijn zoon leeft. 24. De koning zei: Haal een zwaard. Men bracht een zwaard bij de koning. 25. De koning zei: Snijd het levende kind in tweeën. Geef de ene de helft en de andere de andere helft. 26. Maar de vrouw van wie het levende kind was, werd overmand door liefde voor haar zoon. Zij zei tegen de koning: Ach, mijn heer, geef het levende kind aan haar, en dood het in geen geval! Maar de ander zei: Het is niet van mij en niet van jou. Snijd het maar door! 27. Toen antwoordde de koning: Geef het levende kind aan de eerste vrouw en dood het in geen geval. Zij is zijn moeder. 28. Heel Israël hoorde van het oordeel dat de koning had geveld. Zij kregen ontzag voor de koning, want zij zagen dat de wijsheid van God in hem was om recht te spreken. ## 1 Koningen 4 — Het bestuur en de wijsheid van Salomo 1. Zo was koning Salomo koning over heel Israël. 2. Dit waren zijn hoogste dienaren: Azaria, de zoon van Zadok, was de eerste minister. 3. Elihoref en Ahia, de zonen van Sisa, waren schrijvers. Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier. 4. Benaja, de zoon van Jojada, stond over het leger. Zadok en Abjathar waren priesters. 5. Azaria, de zoon van Nathan, stond over de stadhouders. Zabud, de zoon van Nathan, was hoge ambtenaar en vriend van de koning. 6. Ahisar was hofmeester, en Adoniram, de zoon van Abda, stond over de dwangarbeid. 7. Salomo had twaalf stadhouders over heel Israël. Zij zorgden voor het onderhoud van de koning en zijn hof. Ieder moest één maand per jaar voor het onderhoud zorgen. 8. Dit zijn hun namen: de zoon van Hur in het bergland van Efraïm, 9. de zoon van Deker in Makaz, Saalbim, Beth-semes en Elon-beth-hanan, 10. de zoon van Hesed in Arubboth, met Socho en het hele land Hefer, 11. de zoon van Abinadab over de hele streek van Dor. Hij was getrouwd met Tafath, de dochter van Salomo. 12. Baëna, de zoon van Ahilud, had Taanach en Megiddo en heel Beth-sean. Dat ligt bij Zartana, onder Jizreël, van Beth-sean tot Abel-mehola, tot voorbij Jokmeam. 13. De zoon van Geber was in Ramoth in Gilead. Hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, in Gilead. Ook had hij de streek Argob in Basan: zestig grote steden met muren en koperen grendels. 14. Abinadab, de zoon van Iddo, was in Mahanaïm. 15. Ahimaäz was in Nafthali. Ook hij trouwde met een dochter van Salomo, Basmath. 16. Baëna, de zoon van Husai, was in Aser en Aloth. 17. Josafat, de zoon van Paruah, was in Issaschar. 18. Simeï, de zoon van Ela, was in Benjamin. 19. Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead. Dat was het land van Sihon, de koning van de Amorieten, en van Og, de koning van Basan. Hij was de enige stadhouder in dat land. 20. Juda en Israël waren talrijk als het zand aan de zee. Zij aten en dronken en waren blij. 21. Salomo heerste over alle koninkrijken van de rivier de Eufraat tot het land van de Filistijnen en tot de grens van Egypte. Zij brachten hem schatting en dienden Salomo zijn hele leven. 22. Voor één dag had Salomo nodig: ongeveer 6.600 liter fijn meel en ongeveer 13.200 liter gewoon meel, 23. tien gemeste runderen, twintig runderen van de weide en honderd schapen. Daarnaast nog herten, reeën, gazellen en gemest gevogelte. 24. Want hij heerste over alles aan deze kant van de rivier, van Tifsah tot Gaza, over alle koningen aan deze kant van de rivier. Hij had vrede met alle volken rondom. 25. Zolang Salomo leefde, woonden Juda en Israël veilig, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Berseba. 26. Salomo had ook 40.000 stallen met paarden voor zijn wagens, en 12.000 ruiters. 27. De stadhouders zorgden ieder in zijn maand voor koning Salomo en voor iedereen die aan de tafel van koning Salomo kwam. Zij lieten het aan niets ontbreken. 28. Ook brachten zij gerst en stro voor de paarden en de snelle rijdieren naar de plaats waar het nodig was. Ieder deed dat volgens zijn opdracht. 29. God gaf Salomo wijsheid en heel veel inzicht, en een groot begrip, zo onmetelijk als het zand aan de zee. 30. De wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van alle mensen in het oosten en dan alle wijsheid van Egypte. 31. Hij was wijzer dan alle mensen, wijzer dan Ethan, de Ezrahiet, en dan Heman, Chalcol en Darda, de zonen van Mahol. Hij was beroemd bij alle volken rondom. 32. Hij sprak 3.000 spreuken uit, en hij maakte 1.005 liederen. 33. Hij sprak over bomen, van de ceder op de Libanon tot de hysop die uit de muur groeit. Hij sprak ook over het vee, de vogels, de kruipende dieren en de vissen. 34. Uit alle volken kwamen mensen om de wijsheid van Salomo te horen. Zij kwamen van alle koningen op aarde die van zijn wijsheid gehoord hadden. ## 1 Koningen 5 — De voorbereiding van de tempelbouw 1. Hiram, de koning van Tyrus, stuurde zijn dienaren naar Salomo. Hij had gehoord dat Salomo in de plaats van zijn vader tot koning was gezalfd. Hiram was altijd een vriend van David geweest. 2. Toen stuurde Salomo een bericht naar Hiram: 3. U weet dat mijn vader David geen huis kon bouwen voor de naam van de HEERE, zijn God. Dat kwam door de oorlogen die zijn vijanden rondom hem voerden, tot de HEERE hen onder zijn voeten legde. 4. Maar nu heeft de HEERE, mijn God, mij rust gegeven rondom. Er is geen tegenstander meer en geen dreiging van onheil. 5. Kijk, daarom ben ik van plan een huis te bouwen voor de naam van de HEERE, mijn God. Want de HEERE heeft tegen mijn vader David gezegd: Ik zal je zoon in jouw plaats op je troon zetten. Hij zal het huis voor mijn naam bouwen. 6. Geef dan nu opdracht om cederbomen op de Libanon voor mij te kappen. Mijn dienaren zullen met uw dienaren meewerken. Ik zal u het loon voor uw dienaren betalen dat u vraagt. Want u weet dat bij ons niemand zo goed bomen kan kappen als de Sidoniërs. 7. Toen Hiram de woorden van Salomo hoorde, was hij heel blij. Hij zei: Geloofd zij vandaag de HEERE, Die David een wijze zoon heeft gegeven over dit grote volk! 8. Hiram liet Salomo zeggen: Ik heb uw bericht ontvangen. Ik zal alles doen wat u wilt met het cederhout en het dennenhout. 9. Mijn dienaren zullen het van de Libanon naar de zee brengen. Ik laat er vlotten van maken en die over zee varen naar de plaats die u mij aanwijst. Daar laat ik ze uit elkaar halen, en u kunt het hout ophalen. En u zult mijn wens vervullen door mijn hof van voedsel te voorzien. 10. Zo gaf Hiram Salomo cederhout en dennenhout, zoveel als hij wilde. 11. Salomo gaf Hiram ongeveer 4,4 miljoen liter tarwe als voedsel voor zijn hof, en ongeveer 4.400 liter zuivere olie. Dat gaf Salomo Hiram jaar na jaar. 12. De HEERE gaf Salomo wijsheid, zoals Hij hem had beloofd. Er was vrede tussen Hiram en Salomo, en zij sloten samen een verbond. 13. Koning Salomo riep in heel Israël mannen op voor de dwangarbeid. Het waren er 30.000. 14. Hij stuurde hen naar de Libanon, elke maand om beurten 10.000 man. Een maand waren zij op de Libanon, en twee maanden thuis. Adoniram stond over de dwangarbeid. 15. Ook had Salomo 70.000 lastdragers en 80.000 steenhouwers in het bergland. 16. Daarbij kwamen nog 3.300 opzichters van Salomo die over het werk stonden. Zij hadden de leiding over het volk dat het werk deed. 17. Op bevel van de koning haalden zij grote, kostbare stenen uit de groeve. Het waren gehouwen stenen voor de fundering van het huis. 18. De bouwlieden van Salomo en van Hiram en de Giblieten hakten de stenen. Zij maakten het hout en de stenen klaar om het huis te bouwen. ## 1 Koningen 6 — De bouw van de tempel 1. In het 480ste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte begon Salomo met de bouw van het huis van de HEERE. Dat was in het vierde jaar van zijn regering over Israël, in de maand Ziv, de tweede maand. 2. Het huis dat koning Salomo voor de HEERE bouwde, was ongeveer 27 meter lang, 9 meter breed en 13,5 meter hoog. 3. De voorhal voor de grote zaal van het huis was ongeveer 9 meter lang, even breed als het huis. Aan de voorkant van het huis was de voorhal ongeveer 4,5 meter diep. 4. Hij maakte vensters in het huis met vaste traliewerken. 5. Tegen de muren van het huis bouwde hij rondom een aanbouw, rond de grote zaal en het binnenste heiligdom. Zo maakte hij rondom zijkamers. 6. De onderste verdieping was ongeveer 2,25 meter breed, de middelste 2,7 meter en de derde 3,15 meter. Want hij had de muur van het huis aan de buitenkant rondom trapsgewijs laten inspringen. Zo hoefden de balken niet in de muren van het huis te steunen. 7. Het huis werd gebouwd van stenen die al in de groeve pasklaar waren gemaakt. Daarom werd er tijdens de bouw in het huis geen hamer, bijl of ander ijzeren gereedschap gehoord. 8. De ingang van de onderste zijkamers was aan de rechterkant van het huis. Via wenteltrappen ging men naar de middelste verdieping, en van de middelste naar de derde. 9. Zo bouwde hij het huis en voltooide het. Hij bedekte het huis met balken en planken van ceder. 10. Tegen het hele huis bouwde hij de aanbouw, elke verdieping ongeveer 2,25 meter hoog. Hij verbond die met cederbalken aan het huis. 11. Toen kwam het woord van de HEERE tot Salomo: 12. Je bouwt dit huis. Als je leeft naar mijn verordeningen, mijn bepalingen uitvoert en al mijn geboden in acht neemt, dan zal ik mijn woord aan jou waarmaken. Dat is het woord dat ik tot je vader David gesproken heb. 13. Dan zal ik midden onder de Israëlieten wonen, en ik zal mijn volk Israël niet verlaten. 14. Zo bouwde Salomo het huis en voltooide het. 15. Hij bekleedde de muren van het huis aan de binnenkant met cederplanken, van de vloer tot aan het plafond. Zo bekleedde hij ze van binnen met hout. De vloer van het huis bedekte hij met planken van dennenhout. 16. Achter in het huis bouwde hij een ruimte van ongeveer 9 meter, van de vloer tot aan het plafond met cederplanken bekleed. Die bouwde hij van binnen als het binnenste heiligdom, het heilige der heiligen. 17. Het huis ervoor, de grote zaal, was ongeveer 18 meter lang. 18. Het cederhout aan de binnenkant van het huis was versierd met snijwerk van knoppen en open bloemen. Alles was van ceder, er was geen steen te zien. 19. Het binnenste heiligdom richtte hij in het huis in, om daar de ark van het verbond van de HEERE te plaatsen. 20. Het binnenste heiligdom was ongeveer 9 meter lang, 9 meter breed en 9 meter hoog. Hij bekleedde het met zuiver goud. Ook het altaar van cederhout bekleedde hij. 21. Salomo bekleedde het huis aan de binnenkant met zuiver goud. Voor het binnenste heiligdom trok hij gouden kettingen, en hij bekleedde het met goud. 22. Zo bekleedde hij het hele huis met goud, tot het hele huis klaar was. Ook het hele altaar bij het binnenste heiligdom bekleedde hij met goud. 23. In het binnenste heiligdom maakte hij twee cherubs van olijfhout. Elk was ongeveer 4,5 meter hoog. 24. De ene vleugel van de cherub was ongeveer 2,25 meter, en de andere vleugel ook. Van de ene vleugelpunt tot de andere was het ongeveer 4,5 meter. 25. Ook de andere cherub mat ongeveer 4,5 meter. Beide cherubs hadden dezelfde maat en dezelfde vorm. 26. De ene cherub was ongeveer 4,5 meter hoog, en de andere ook. 27. Hij zette de cherubs midden in het binnenste deel van het huis. De cherubs spreidden hun vleugels uit. De vleugel van de ene raakte de ene muur, en de vleugel van de andere raakte de andere muur. In het midden van het huis raakten hun vleugels elkaar. 28. Hij bekleedde de cherubs met goud. 29. Op alle muren van het huis rondom maakte hij snijwerk van cherubs, palmbomen en open bloemen, zowel binnen als buiten. 30. Ook de vloer van het huis bekleedde hij met goud, zowel binnen als buiten. 31. Voor de ingang van het binnenste heiligdom maakte hij deuren van olijfhout. De bovendorpel en de deurposten besloegen een vijfde van de muur. 32. De twee deuren waren van olijfhout. Hij sneed er cherubs, palmbomen en open bloemen in en bekleedde die met goud. Ook de cherubs en de palmbomen bedekte hij met goud. 33. Zo maakte hij ook voor de ingang van de grote zaal deurposten van olijfhout, die een vierde van de muur besloegen. 34. De twee deuren waren van dennenhout. Elke deur bestond uit twee draaibare panelen. 35. Hij sneed er cherubs, palmbomen en open bloemen in en bekleedde die met goud, precies passend op het snijwerk. 36. Daarna bouwde hij de binnenste voorhof, met drie lagen gehouwen stenen en een laag cederbalken. 37. In het vierde jaar werd de fundering van het huis van de HEERE gelegd, in de maand Ziv. 38. In het elfde jaar, in de maand Bul, de achtste maand, was het huis in al zijn onderdelen en volgens alle voorschriften voltooid. Zo had hij er zeven jaar aan gebouwd. ## 1 Koningen 7 — Het paleis van Salomo en het tempelgerei 1. Aan zijn eigen paleis bouwde Salomo dertien jaar, en toen was zijn hele paleis klaar. 2. Hij bouwde ook het Libanonwoudhuis. Dat was ongeveer 45 meter lang, 22,5 meter breed en 13,5 meter hoog. Het stond op vier rijen cederzuilen, met cederbalken op de zuilen. 3. Het was bovenaan met ceder bedekt, op de balken die op 45 zuilen rustten, vijftien in een rij. 4. Er waren drie rijen vensters, venster tegenover venster, drie keer. 5. Alle deuren en deurposten waren rechthoekig, en venster lag tegenover venster, drie keer. 6. Daarna maakte hij de zuilenhal, ongeveer 22,5 meter lang en 13,5 meter breed. Daarvoor lag nog een voorhal met zuilen en een afdak. 7. Ook maakte hij de troonzaal, waar hij recht sprak, de hal van het gericht. Die was van de vloer tot het plafond met ceder bekleed. 8. Zijn eigen woning, waar hij woonde, lag bij een andere hof, verder naar binnen dan die hal. Die was op dezelfde manier gebouwd. Ook maakte hij een huis zoals die hal voor de dochter van Farao, met wie Salomo getrouwd was. 9. Dat alles was gebouwd van kostbare stenen, op maat gehouwen en aan de binnen- en buitenkant met de zaag gezaagd. Dat gold van de fundering tot aan de dakrand, en van buiten tot aan de grote hof. 10. De fundering bestond uit kostbare, grote stenen, stenen van ongeveer 4,5 meter en van ongeveer 3,6 meter. 11. Daarboven lagen kostbare stenen, op maat gehouwen, en cederhout. 12. De grote hof had rondom drie lagen gehouwen stenen en een laag cederbalken. Zo was het ook bij de binnenste hof van het huis van de HEERE en bij de voorhal van het huis. 13. Koning Salomo liet Hiram uit Tyrus halen. 14. Hij was de zoon van een weduwe uit de stam Nafthali. Zijn vader was een man uit Tyrus geweest, een kopersmid. Hij was vol wijsheid, inzicht en kennis om allerlei werk in koper te maken. Hij kwam bij koning Salomo en deed al zijn werk. 15. Hij goot twee koperen zuilen. Elke zuil was ongeveer 8,1 meter hoog, en had een omtrek van ongeveer 5,4 meter. 16. Hij maakte ook twee kapitelen van gegoten koper om boven op de zuilen te zetten. Het ene kapiteel was ongeveer 2,25 meter hoog, en het andere ook. 17. Voor de kapitelen boven op de zuilen maakte hij vlechtwerk en kettingwerk: zeven voor het ene kapiteel en zeven voor het andere. 18. Zo maakte hij de zuilen, met twee rijen granaatappels rondom over het ene vlechtwerk, om de kapitelen boven op de zuilen te bedekken. Zo deed hij ook bij het andere kapiteel. 19. De kapitelen boven op de zuilen in de voorhal hadden de vorm van lelies, ongeveer 1,8 meter hoog. 20. Op de twee zuilen zaten de kapitelen, ook boven de ronding naast het vlechtwerk. Rondom waren er 200 granaatappels in rijen, ook bij het andere kapiteel. 21. Hij zette de zuilen op bij de voorhal van de tempel. De rechterzuil noemde hij Jachin, en de linkerzuil noemde hij Boaz. 22. Boven op de zuilen was leliewerk. Zo was het werk aan de zuilen voltooid. 23. Ook maakte hij de gegoten zee. Die was van rand tot rand ongeveer 4,5 meter breed en helemaal rond, en ongeveer 2,25 meter hoog. De omtrek was ongeveer 13,5 meter. 24. Onder de rand zaten rondom knoppen, tien op elke 45 centimeter, rondom de zee. Die twee rijen knoppen waren tegelijk met de zee gegoten. 25. De zee stond op twaalf runderen. Drie keken naar het noorden, drie naar het westen, drie naar het zuiden en drie naar het oosten. De zee rustte bovenop hen, en hun achterlijven waren naar binnen gericht. 26. De wand was een handbreedte dik, ongeveer 7,5 centimeter. De rand was gemaakt als de rand van een beker, als een leliebloem. Er kon ongeveer 44.000 liter water in. 27. Hij maakte ook tien koperen onderstellen. Elk onderstel was ongeveer 1,8 meter lang, 1,8 meter breed en 1,35 meter hoog. 28. Zo waren de onderstellen gemaakt: zij hadden zijpanelen, en de panelen zaten tussen lijsten. 29. Op de panelen tussen de lijsten waren leeuwen, runderen en cherubs. Boven en onder de leeuwen en runderen waren hangende sierranden. 30. Elk onderstel had vier koperen wielen met koperen assen. Op de vier hoeken zaten steunen. Die steunen waren onder het wasvat gegoten, met sierranden aan elke kant. 31. De opening voor het wasvat zat binnen de rand en stak ongeveer 45 centimeter uit. De opening was rond, als een voetstuk, ongeveer 67 centimeter. Ook op de opening was snijwerk. De panelen waren vierkant, niet rond. 32. De vier wielen zaten onder de panelen, en de assen van de wielen zaten aan het onderstel. Elk wiel was ongeveer 67 centimeter hoog. 33. De wielen waren gemaakt als wagenwielen. Hun assen, naven, velgen en spaken waren allemaal gegoten. 34. Er zaten vier steunen aan de vier hoeken van elk onderstel. Die steunen waren één geheel met het onderstel. 35. Boven op het onderstel zat een ronde rand, ongeveer 22 centimeter hoog. Ook de handvatten en de panelen boven op het onderstel waren er één geheel mee. 36. Op de platen van de handvatten en op de panelen sneed hij cherubs, leeuwen en palmbomen, overal waar plaats was, met sierranden rondom. 37. Zo maakte hij de tien onderstellen. Zij waren allemaal op dezelfde manier gegoten, en hadden dezelfde maat en vorm. 38. Hij maakte ook tien koperen wasvaten. In elk wasvat kon ongeveer 880 liter. Elk wasvat mat ongeveer 1,8 meter. Op elk van de tien onderstellen stond een wasvat. 39. Hij zette vijf onderstellen aan de rechterkant van het huis en vijf aan de linkerkant. De zee zette hij aan de rechterkant van het huis, naar het zuidoosten. 40. Hiram maakte ook de potten, de scheppen en de sprengbekkens. Zo voltooide Hiram al het werk dat hij voor koning Salomo aan het huis van de HEERE deed: 41. de twee zuilen, de ronde kapitelen boven op de twee zuilen, en de twee vlechtwerken om de ronde kapitelen boven op de zuilen te bedekken, 42. de 400 granaatappels voor de twee vlechtwerken, twee rijen granaatappels voor elk vlechtwerk, om de ronde kapitelen boven op de zuilen te bedekken, 43. de tien onderstellen en de tien wasvaten op de onderstellen, 44. de ene zee met de twaalf runderen eronder, 45. en de potten, de scheppen en de sprengbekkens. Al deze voorwerpen die Hiram voor koning Salomo voor het huis van de HEERE maakte, waren van gepolijst koper. 46. De koning liet ze gieten in de Jordaanvlakte, in de kleigrond tussen Sukkoth en Zarthan. 47. Salomo liet al deze voorwerpen ongewogen, omdat het er zo ontzettend veel waren. Het gewicht van het koper werd niet vastgesteld. 48. Ook maakte Salomo alle voorwerpen voor het huis van de HEERE: het gouden altaar en de gouden tafel waarop de toonbroden lagen, 49. de kandelaars van zuiver goud, vijf rechts en vijf links voor het binnenste heiligdom, en de bloemen, de lampen en de lampensnuiters van goud, 50. de schalen, de messen, de sprengbekkens, de kommen en de vuurpannen van zuiver goud. Ook de scharnieren waren van goud, voor de deuren van het binnenste huis, het heilige der heiligen, en voor de deuren van de grote zaal. 51. Zo werd al het werk voltooid dat koning Salomo aan het huis van de HEERE liet doen. Daarna bracht Salomo de gewijde gaven van zijn vader David naar binnen: het zilver, het goud en de voorwerpen. Die legde hij in de schatkamers van het huis van de HEERE. ## 1 Koningen 8 — De inwijding van de tempel 1. Toen riep Salomo de oudsten van Israël bijeen in Jeruzalem, met alle stamhoofden en familiehoofden van de Israëlieten. Zij moesten de ark van het verbond van de HEERE naar boven brengen uit de stad van David, dat is Sion. 2. Alle mannen van Israël kwamen bij koning Salomo bijeen op het feest in de maand Ethanim, de zevende maand. 3. Alle oudsten van Israël kwamen, en de priesters droegen de ark. 4. Zij brachten de ark van de HEERE naar boven, met de ontmoetingstent en alle heilige voorwerpen die in de tent waren. De priesters en de Levieten brachten ze naar boven. 5. Koning Salomo en de hele gemeenschap van Israël die bij hem was samengekomen, stonden bij hem voor de ark. Zij offerden zoveel schapen en runderen dat die niet te tellen waren. 6. De priesters brachten de ark van het verbond van de HEERE naar zijn plaats. Dat was het binnenste heiligdom van het huis, het heilige der heiligen, onder de vleugels van de cherubs. 7. Want de cherubs spreidden hun vleugels uit over de plaats van de ark. Zo bedekten de cherubs de ark en zijn draagstokken van boven. 8. De draagstokken waren zo lang dat de uiteinden vanuit het heilige voor het binnenste heiligdom te zien waren. Maar van buiten waren ze niet te zien. Ze zijn daar tot vandaag. 9. In de ark lagen alleen de twee stenen platen die Mozes er bij de Horeb in had gelegd. Dat was toen de HEERE een verbond sloot met de Israëlieten, na hun uittocht uit Egypte. 10. Toen de priesters uit het heilige naar buiten kwamen, vulde een wolk het huis van de HEERE. 11. De priesters konden vanwege de wolk niet blijven staan om hun dienst te doen. Want de heerlijkheid van de HEERE vulde het huis van de HEERE. 12. Toen zei Salomo: De HEERE heeft gezegd dat Hij in donkerheid wil wonen. 13. Ik heb echt een huis gebouwd waar U kunt wonen, een vaste plaats voor Uw eeuwige woning. 14. Daarna draaide de koning zich om en zegende de hele gemeenschap van Israël, terwijl de hele gemeenschap van Israël stond. 15. Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël! Met Zijn mond heeft Hij het aan mijn vader David beloofd, en met Zijn hand heeft Hij het vervuld. Hij zei: 16. Sinds ik mijn volk Israël uit Egypte leidde, heb ik uit alle stammen van Israël geen stad gekozen voor een huis voor mijn naam. Maar ik heb David gekozen om over mijn volk Israël te regeren. 17. Mijn vader David had het in zijn hart om een huis te bouwen voor de naam van de HEERE, de God van Israël. 18. Maar de HEERE zei tegen mijn vader David: Je had het in je hart om een huis te bouwen voor mijn naam. Het is goed dat je dat in je hart had. 19. Toch zul jij het huis niet bouwen. Maar je zoon, die uit jou geboren wordt, zal het huis voor mijn naam bouwen. 20. De HEERE heeft Zijn woord waargemaakt. Want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David en zit op de troon van Israël, zoals de HEERE gezegd heeft. En ik heb het huis gebouwd voor de naam van de HEERE, de God van Israël. 21. Daar heb ik een plaats gemaakt voor de ark, waarin het verbond van de HEERE ligt. Dat verbond sloot Hij met onze vaders toen Hij hen uit Egypte leidde. 22. Toen ging Salomo voor het altaar van de HEERE staan, tegenover de hele gemeenschap van Israël, en spreidde zijn handen uit naar de hemel. 23. Hij zei: HEERE, God van Israël, er is geen God zoals U, boven in de hemel of beneden op de aarde. U houdt Uw verbond en Uw goedheid voor Uw dienaren die met heel hun hart voor U leven. 24. U hebt Uw dienaar, mijn vader David, gegeven wat U hem beloofd had. Met Uw mond hebt U het beloofd, en met Uw hand hebt U het vervuld, zoals het vandaag is. 25. Nu dan, HEERE, God van Israël, houd ook de belofte aan Uw dienaar, mijn vader David. U zei: Er zal altijd iemand van je nakomelingen voor mij op de troon van Israël zitten. Maar dan moeten je zonen letten op hun weg en voor mij leven, zoals jij voor mij geleefd hebt. 26. Nu dan, God van Israël, laat Uw woord toch waar worden dat U tot Uw dienaar, mijn vader David, gesproken hebt. 27. Maar zou God werkelijk op aarde wonen? Kijk, de hemel en zelfs de hoogste hemel kunnen U niet bevatten. Hoeveel minder dan dit huis dat ik gebouwd heb! 28. Keer U toch naar het gebed en de smeekbede van Uw dienaar, HEERE, mijn God. Luister naar het roepen en het gebed dat Uw dienaar vandaag voor U bidt. 29. Laat Uw ogen dag en nacht open zijn voor dit huis, voor de plaats waarvan U gezegd hebt: Daar zal mijn naam zijn. Luister naar het gebed dat Uw dienaar op deze plaats zal bidden. 30. Luister naar de smeekbede van Uw dienaar en van Uw volk Israël, als zij op deze plaats bidden. Luister in de hemel, waar U woont. Luister en vergeef. 31. Stel dat iemand tegen zijn naaste zondigt, en men hem een eed oplegt waarbij hij zichzelf vervloekt. En stel dat hij die eed komt afleggen voor Uw altaar in dit huis. 32. Luister dan in de hemel en grijp in. Spreek recht tussen Uw dienaren. Veroordeel de schuldige en laat zijn daden op zijn eigen hoofd neerkomen. Spreek de rechtvaardige vrij en geef hem naar zijn gerechtigheid. 33. Stel dat Uw volk Israël door een vijand verslagen wordt omdat zij tegen U gezondigd hebben. Als zij dan tot U terugkeren, Uw naam belijden en in dit huis tot U bidden en smeken, 34. luister dan in de hemel. Vergeef de zonde van Uw volk Israël en breng hen terug in het land dat U aan hun vaders gegeven hebt. 35. Stel dat de hemel gesloten is en het niet regent, omdat zij tegen U gezondigd hebben. Als zij dan op deze plaats bidden, Uw naam belijden en zich van hun zonde bekeren omdat U hen gestraft hebt, 36. luister dan in de hemel. Vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, en leer hen de goede weg die zij moeten gaan. Geef dan regen op Uw land, dat U Uw volk als erfdeel gegeven hebt. 37. Stel dat er hongersnood in het land is, of pest, korenbrand of meeldauw, sprinkhanen of kevers. Of stel dat een vijand hen belegert in hun eigen steden, of dat er een plaag of ziekte is. 38. Hoor dan elk gebed en elke smeekbede van ieder mens uit heel Uw volk Israël. Ieder kent de nood van zijn eigen hart, en spreidt zijn handen uit naar dit huis. 39. Luister dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, en vergeef. Grijp in en geef ieder naar al zijn wegen, want U kent zijn hart. Want alleen U kent het hart van alle mensen. 40. Dan zullen zij U vrezen, zolang zij leven in het land dat U aan onze vaders gegeven hebt. 41. Ook de buitenlander, die niet bij Uw volk Israël hoort, kan uit een ver land komen omwille van Uw naam. 42. Want zij zullen horen van Uw grote naam, Uw sterke hand en Uw uitgestrekte arm. Als zo iemand dan komt en in dit huis bidt, 43. luister dan in de hemel, Uw vaste woonplaats. Doe alles waarom die buitenlander U vraagt. Dan zullen alle volken op aarde Uw naam kennen en U vrezen, zoals Uw volk Israël. Dan weten zij dat dit huis dat ik gebouwd heb, Uw naam draagt. 44. Stel dat Uw volk ten strijde trekt tegen zijn vijand, op de weg waarop U hen stuurt. Stel dat zij dan tot de HEERE bidden, gericht naar deze stad die U gekozen hebt. Zij bidden gericht naar het huis dat ik voor Uw naam gebouwd heb. 45. Luister dan in de hemel naar hun gebed en smeekbede, en verschaf hun recht. 46. Stel dat zij tegen U zondigen, want er is geen mens die niet zondigt. Stel dat U toornig op hen wordt en hen uitlevert aan een vijand. Stel dat hun overwinnaars hen gevangen wegvoeren naar het land van de vijand, ver weg of dichtbij. 47. Stel dat zij dan in het land van hun gevangenschap tot inkeer komen, zich bekeren en tot U smeken. Stel dat zij zeggen: Wij hebben gezondigd, verkeerd gedaan en goddeloos gehandeld. 48. Stel dat zij zich met heel hun hart en heel hun ziel tot U bekeren in het land van hun vijanden die hen weggevoerd hebben. Stel dat zij tot U bidden, gericht naar hun land dat U aan hun vaders gegeven hebt. Zij bidden gericht naar de stad die U gekozen hebt, en naar het huis dat ik voor Uw naam gebouwd heb. 49. Luister dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbede, en verschaf hun recht. 50. Vergeef Uw volk wat zij tegen U gezondigd hebben, en al hun overtredingen waarmee zij tegen U in opstand kwamen. Laat hun bewakers barmhartig voor hen zijn, zodat zij medelijden met hen krijgen. 51. Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, dat U uit Egypte hebt geleid, uit de ijzeren smeltoven. 52. Laat Uw ogen dan open zijn voor de smeekbede van Uw dienaar en van Uw volk Israël. Luister naar hen, telkens als zij tot U roepen. 53. Want U hebt hen voor U apart gezet als Uw erfdeel, uit alle volken op aarde. Zo hebt U het gezegd door Uw dienaar Mozes, toen U onze vaders uit Egypte leidde, Heere HEERE! 54. Toen Salomo klaar was met al dit bidden en smeken tot de HEERE, stond hij op van voor het altaar van de HEERE. Hij had daar geknield met zijn handen naar de hemel uitgespreid. 55. Hij ging staan en zegende de hele gemeenschap van Israël met luide stem. Hij zei: 56. Geloofd zij de HEERE, Die Zijn volk Israël rust heeft gegeven, precies zoals Hij beloofd had! Van al Zijn goede woorden die Hij door Zijn dienaar Mozes gesproken heeft, is er niet één onvervuld gebleven. 57. Laat de HEERE, onze God, met ons zijn, zoals Hij met onze vaders geweest is. Laat Hij ons niet verlaten en ons niet in de steek laten. 58. Laat Hij ons hart naar zich toe buigen, zodat wij in al Zijn wegen gaan. Dan zullen wij Zijn geboden, verordeningen en bepalingen houden, die Hij onze vaders geboden heeft. 59. Laat deze woorden waarmee ik tot de HEERE gesmeekt heb, dag en nacht dicht bij de HEERE, onze God, blijven. Dan zal Hij recht doen aan Zijn dienaar en aan Zijn volk Israël, elke dag wat nodig is. 60. Dan zullen alle volken op aarde weten dat de HEERE God is, en niemand anders. 61. Laat jullie hart dan volkomen toegewijd zijn aan de HEERE, onze God, om te leven naar Zijn verordeningen en Zijn geboden te houden, zoals vandaag. 62. De koning en heel Israël met hem brachten offers voor de HEERE. 63. Salomo bracht als dankoffer voor de HEERE 22.000 runderen en 120.000 schapen. Zo wijdden de koning en alle Israëlieten het huis van de HEERE in. 64. Diezelfde dag heiligde de koning het midden van de voorhof voor het huis van de HEERE. Want daar bracht hij het brandoffer, het graanoffer en het vet van de dankoffers. Het koperen altaar voor de HEERE was te klein om dat allemaal te bevatten. 65. In die tijd vierde Salomo het feest met heel Israël, een grote gemeenschap, van Lebo-Hamath tot aan de beek van Egypte. Zij vierden voor de HEERE, onze God, zeven dagen en nog eens zeven dagen, veertien dagen in totaal. 66. Op de achtste dag liet hij het volk gaan. Zij zegenden de koning en gingen naar hun tenten. Zij waren blij en opgewekt om al het goede dat de HEERE aan Zijn dienaar David en aan Zijn volk Israël gedaan had. ## 1 Koningen 9 — De HEERE verschijnt opnieuw aan Salomo 1. Salomo was klaar met de bouw van het huis van de HEERE en het paleis van de koning. Ook had hij alles gemaakt wat hij graag wilde. 2. Toen verscheen de HEERE voor de tweede keer aan Salomo, zoals Hij hem in Gibeon verschenen was. 3. De HEERE zei tegen hem: Ik heb je gebed en je smeekbede gehoord die je voor mij hebt uitgesproken. Ik heb dit huis dat je gebouwd hebt, geheiligd om mijn naam daar voor altijd te vestigen. Mijn ogen en mijn hart zullen daar altijd zijn. 4. Leef voor mij zoals je vader David geleefd heeft, met een volkomen en oprecht hart. Doe alles wat ik je geboden heb en houd je aan mijn verordeningen en bepalingen. 5. Dan zal ik de troon van je koningschap over Israël voor altijd bevestigen. Zo heb ik het je vader David beloofd: Er zal altijd iemand van jou op de troon van Israël zitten. 6. Maar misschien keren jullie en je kinderen je van mij af. Misschien houden jullie mijn geboden en verordeningen niet, die ik jullie gegeven heb, maar gaan jullie andere goden dienen en je voor hen neerbuigen. 7. Dan zal ik Israël wegvagen uit het land dat ik hun gegeven heb. Het huis dat ik voor mijn naam geheiligd heb, zal ik van mij wegwerpen. Israël zal een spreekwoord en een spotlied worden onder alle volken. 8. Dit huis is nu verheven, maar dan zal iedereen die erlangs komt, ontzet zijn en fluiten. Men zal vragen: Waarom heeft de HEERE zo gehandeld met dit land en dit huis? 9. Dan zal men antwoorden: Omdat zij de HEERE, hun God, verlaten hebben, Die hun vaders uit Egypte heeft geleid. Zij hebben zich aan andere goden gehecht, zich voor hen neergebogen en hen gediend. Daarom heeft de HEERE al dit onheil over hen gebracht. 10. Salomo had twintig jaar gebouwd aan de twee huizen, het huis van de HEERE en het paleis van de koning. 11. Hiram, de koning van Tyrus, had Salomo cederhout, dennenhout en goud geleverd, zoveel als hij wilde. Toen gaf koning Salomo Hiram twintig steden in het land Galilea. 12. Hiram kwam uit Tyrus om de steden te bekijken die Salomo hem gegeven had. Maar hij vond ze niet goed. 13. Hij zei: Wat zijn dat voor steden die u mij gegeven hebt, mijn broeder? Hij noemde ze het land Kabul, en zo heten ze tot vandaag. 14. Hiram had de koning ongeveer 4.000 kilo goud gestuurd. 15. Dit is hoe het zat met de dwangarbeid die koning Salomo invoerde. Hij gebruikte die om het huis van de HEERE te bouwen, zijn eigen paleis, de Millo en de muur van Jeruzalem. Ook bouwde hij daarmee Hazor, Megiddo en Gezer. 16. Farao, de koning van Egypte, had Gezer aangevallen en ingenomen en in brand gestoken. Hij had de Kanaänieten die in de stad woonden, gedood. Toen had hij de stad als bruidsgeschenk gegeven aan zijn dochter, de vrouw van Salomo. 17. Zo bouwde Salomo Gezer en Beneden-Beth-horon op, 18. en Baälath en Tamor in de woestijn van het land, 19. en alle voorraadsteden die Salomo had, de steden voor de wagens en de steden voor de ruiters. Ook bouwde hij alles wat hij graag wilde bouwen in Jeruzalem, op de Libanon en in heel het land waarover hij regeerde. 20. Er was nog een deel van het volk over van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten. Zij hoorden niet bij de Israëlieten. 21. Hun nakomelingen waren in het land overgebleven, omdat de Israëlieten hen niet met de ban hadden kunnen slaan. Salomo liet hen dwangarbeid als slaven doen, tot vandaag. 22. Maar van de Israëlieten maakte Salomo niemand tot slaaf. Zij waren strijders, dienaren, bevelhebbers en officieren, en aanvoerders van zijn wagens en ruiters. 23. Er waren 550 hoofdopzichters die over het werk van Salomo stonden. Zij hadden de leiding over het volk dat het werk deed. 24. Toen de dochter van Farao van de stad van David naar het paleis ging dat Salomo voor haar gebouwd had, bouwde hij de Millo. 25. Drie keer per jaar bracht Salomo brandoffers en dankoffers op het altaar dat hij voor de HEERE gebouwd had. Hij liet reukwerk in rook opgaan op het altaar voor de HEERE. Zo voltooide hij het huis. 26. Koning Salomo liet ook schepen bouwen in Ezeon-geber, bij Eloth, aan de kust van de Schelfzee in het land Edom. 27. Hiram stuurde zijn dienaren met die schepen mee, zeelieden die de zee kenden, samen met de dienaren van Salomo. 28. Zij voeren naar Ofir en haalden daar ongeveer 14.000 kilo goud. Dat brachten zij naar koning Salomo. ## 1 Koningen 10 — De koningin van Scheba; de rijkdom van Salomo 1. De koningin van Scheba hoorde over de roem van Salomo, die verband hield met de naam van de HEERE. Toen kwam zij om hem met raadsels op de proef te stellen. 2. Zij kwam naar Jeruzalem met een grote stoet, met kamelen die beladen waren met specerijen, heel veel goud en edelstenen. Zij kwam bij Salomo en besprak met hem alles wat zij op haar hart had. 3. Salomo gaf antwoord op al haar vragen. Er was niets wat voor de koning verborgen was en wat hij haar niet kon uitleggen. 4. De koningin van Scheba zag alle wijsheid van Salomo en het paleis dat hij gebouwd had. 5. Zij zag het eten op zijn tafel, hoe zijn dienaren zaten en zijn bedienden stonden, en hun kleding. Zij zag zijn schenkers en de trap waarlangs hij naar het huis van de HEERE ging. Toen was zij buiten zichzelf van verbazing. 6. Zij zei tegen de koning: Het bericht dat ik in mijn land over uw daden en uw wijsheid gehoord heb, was waar. 7. Ik heb het niet geloofd tot ik zelf kwam en het met eigen ogen zag. En kijk, mij was nog niet de helft verteld! U overtreft in wijsheid en rijkdom alles wat ik gehoord heb. 8. Gelukkig zijn uw mannen, gelukkig deze dienaren van u, die altijd bij u zijn en uw wijsheid horen! 9. Geloofd zij de HEERE, uw God, Die vreugde in u had en u op de troon van Israël heeft gezet! Omdat de HEERE Israël voor altijd liefheeft, heeft Hij u tot koning gemaakt, om recht en gerechtigheid te doen. 10. Zij gaf de koning ongeveer 4.000 kilo goud, heel veel specerijen en edelstenen. Zoveel specerijen als de koningin van Scheba aan koning Salomo gaf, zijn er nooit meer gekomen. 11. Ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir haalden, brachten uit Ofir heel veel almuggimhout en edelstenen mee. 12. Van dat almuggimhout maakte de koning leuningen voor het huis van de HEERE en voor het paleis van de koning. Ook maakte hij er harpen en luiten van voor de zangers. Zulk almuggimhout is nooit meer gekomen of gezien, tot vandaag. 13. Koning Salomo gaf de koningin van Scheba alles wat zij wenste en vroeg, naast wat hij haar uit zijn koninklijke rijkdom gaf. Toen keerde zij met haar dienaren terug naar haar land. 14. Het goud dat Salomo in één jaar binnenkreeg, woog ongeveer 22.600 kilo. 15. Dan was er nog het goud van de handelaars en de kooplieden, en van alle koningen van Arabië en de stadhouders van het land. 16. Koning Salomo maakte 200 grote schilden van gehamerd goud. Voor elk schild gebruikte hij ongeveer 6,6 kilo goud. 17. Ook maakte hij 300 kleine schilden van gehamerd goud. Voor elk schild gebruikte hij ongeveer 1,7 kilo goud. De koning legde ze in het Libanonwoudhuis. 18. De koning maakte ook een grote troon van ivoor en bekleedde die met zuiver goud. 19. De troon had zes treden, en de rugleuning was van boven rond. Aan beide kanten van de zitting waren armleuningen, en naast die armleuningen stonden twee leeuwen. 20. Op de zes treden stonden twaalf leeuwen, aan elke kant zes. Zoiets was in geen enkel koninkrijk gemaakt. 21. Alle drinkbekers van koning Salomo waren van goud. Alle voorwerpen van het Libanonwoudhuis waren van zuiver goud. Er was geen zilver bij, want in de tijd van Salomo werd zilver niets waard geacht. 22. Want de koning had Tarsisschepen op zee, samen met de schepen van Hiram. Eens in de drie jaar kwamen de Tarsisschepen terug met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen. 23. Zo werd koning Salomo groter dan alle koningen op aarde, in rijkdom en in wijsheid. 24. De hele wereld wilde Salomo ontmoeten om de wijsheid te horen die God in zijn hart had gelegd. 25. Ieder bracht zijn geschenk mee: zilveren en gouden voorwerpen, kleding, wapens, specerijen, paarden en muilezels. Zo ging het jaar na jaar. 26. Salomo verzamelde wagens en ruiters. Hij had 1.400 wagens en 12.000 ruiters. Die legerde hij in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. 27. De koning maakte het zilver in Jeruzalem zo gewoon als stenen, en cederhout zo talrijk als de wilde vijgenbomen in het laagland. 28. De paarden van Salomo werden uit Egypte ingevoerd. De handelaars van de koning kochten het linnengaren tegen betaling. 29. Een wagen uit Egypte kostte ongeveer 6,6 kilo zilver, en een paard ongeveer 1,65 kilo. Zo voerden zij die ook uit naar alle koningen van de Hethieten en de koningen van Syrië. ## 1 Koningen 11 — De afval en de dood van Salomo 1. Maar koning Salomo hield van veel buitenlandse vrouwen, naast de dochter van Farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische en Hethitische vrouwen. 2. Zij kwamen uit de volken waarover de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd: Jullie mogen niet met hen trouwen, en zij niet met jullie. Want zij zullen jullie hart zeker naar hun goden trekken. Aan juist die vrouwen raakte Salomo verknocht. 3. Hij had 700 vrouwen van vorstelijke afkomst en 300 bijvrouwen. Zijn vrouwen trokken zijn hart af. 4. Toen Salomo oud werd, trokken zijn vrouwen zijn hart naar andere goden. Zijn hart was niet meer volkomen toegewijd aan de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David. 5. Salomo liep Astarte achterna, de godin van de Sidoniërs, en Milchom, de gruwel van de Ammonieten. 6. Zo deed Salomo wat slecht is in de ogen van de HEERE. Hij volgde de HEERE niet volledig, zoals zijn vader David. 7. Toen bouwde Salomo een offerhoogte voor Kamos, de gruwel van de Moabieten, op de berg tegenover Jeruzalem. Ook bouwde hij er een voor Molech, de gruwel van de Ammonieten. 8. Zo deed hij voor al zijn buitenlandse vrouwen, die reukwerk brandden en offers brachten aan hun goden. 9. Daarom werd de HEERE toornig op Salomo, omdat zijn hart zich had afgekeerd van de HEERE, de God van Israël. Hij was hem twee keer verschenen. 10. Hij had hem juist hierover geboden dat hij geen andere goden mocht volgen. Maar hij hield zich niet aan wat de HEERE geboden had. 11. Daarom zei de HEERE tegen Salomo: Je hebt zo gehandeld en mijn verbond en mijn verordeningen niet gehouden. Daarom zal ik het koningschap zeker van je afscheuren. Ik zal het aan je dienaar geven. 12. Maar tijdens je leven zal ik dat niet doen, omwille van je vader David. Uit de hand van je zoon zal ik het afscheuren. 13. Toch zal ik niet het hele koninkrijk afscheuren. Eén stam zal ik aan je zoon geven, omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, dat ik gekozen heb. 14. Toen liet de HEERE een tegenstander tegen Salomo opstaan: Hadad, de Edomiet. Hij was van koninklijke afkomst in Edom. 15. Want toen David in Edom was, trok Joab, de legeraanvoerder, erheen om de gesneuvelden te begraven. Toen doodde hij alle mannen in Edom. 16. Want Joab bleef daar zes maanden met heel Israël, tot hij alle mannen in Edom had uitgeroeid. 17. Maar Hadad was gevlucht, samen met enkele Edomitische mannen uit de dienst van zijn vader. Zij gingen naar Egypte. Hadad was toen nog een kleine jongen. 18. Zij vertrokken uit Midian en kwamen in Paran. Daar namen zij mannen uit Paran mee en kwamen in Egypte bij Farao, de koning van Egypte. Die gaf hem een huis, zorgde voor zijn onderhoud en gaf hem land. 19. Hadad vond veel gunst bij Farao. Die gaf hem de zus van zijn eigen vrouw, de koningin Tachpenes, als vrouw. 20. De zus van Tachpenes kreeg een zoon van hem, Genubath. Tachpenes voedde hem op in het paleis van Farao. Zo woonde Genubath in het paleis van Farao, tussen de zonen van Farao. 21. In Egypte hoorde Hadad dat David bij zijn voorouders te ruste was gelegd en dat de legeraanvoerder Joab dood was. Toen zei Hadad tegen Farao: Laat mij gaan, dan kan ik naar mijn land terugkeren. 22. Maar Farao vroeg: Wat kom je bij mij tekort, dat je naar je eigen land wilt terugkeren? Hij zei: Niets, maar laat mij toch gaan. 23. Ook liet God een andere tegenstander tegen hem opstaan: Rezon, de zoon van Eljada. Hij was gevlucht voor zijn heer Hadad-ezer, de koning van Zoba. 24. Hij verzamelde mannen om zich heen en werd aanvoerder van een bende, toen David hen doodde. Zij trokken naar Damaskus, gingen daar wonen en regeerden in Damaskus. 25. Hij was een tegenstander van Israël zolang Salomo leefde, naast het kwaad dat Hadad deed. Hij had een afkeer van Israël en regeerde over Syrië. 26. Ook Jerobeam, de zoon van Nebat, kwam in opstand tegen de koning. Hij was een Efrathiet uit Zereda en een dienaar van Salomo. Zijn moeder heette Zerua en was weduwe. 27. Dit was de reden dat hij in opstand kwam tegen de koning. Salomo bouwde de Millo en dichtte de bres in de muur van de stad van zijn vader David. 28. Jerobeam was een dapper man. Toen Salomo zag hoe ijverig deze jonge man werkte, stelde hij hem aan over alle dwangarbeid van het huis van Jozef. 29. In die tijd ging Jerobeam eens Jeruzalem uit. Onderweg kwam de profeet Ahia uit Silo hem tegen. Ahia droeg een nieuwe mantel, en zij waren samen alleen in het veld. 30. Toen pakte Ahia de nieuwe mantel die hij droeg en scheurde die in twaalf stukken. 31. Hij zei tegen Jerobeam: Neem tien stukken voor jezelf. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Kijk, ik ga het koninkrijk uit de hand van Salomo scheuren. Jou geef ik tien stammen. 32. Eén stam zal hij houden, omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die ik uit alle stammen van Israël gekozen heb. 33. Want zij hebben mij verlaten. Zij hebben zich neergebogen voor Astarte, de godin van de Sidoniërs, en voor Kamos, de god van de Moabieten. Ook voor Milchom, de god van de Ammonieten, bogen zij zich neer. Zij zijn niet in mijn wegen gegaan en hebben niet gedaan wat goed is in mijn ogen. Zij hebben mijn verordeningen en bepalingen niet gehouden, zoals zijn vader David. 34. Toch zal ik het koninkrijk niet helemaal uit zijn hand nemen. Ik laat hem vorst blijven zolang hij leeft, omwille van mijn dienaar David. Hem heb ik gekozen, en hij heeft mijn geboden en verordeningen gehouden. 35. Maar uit de hand van zijn zoon zal ik het koninkrijk nemen, en daarvan zal ik jou tien stammen geven. 36. Aan zijn zoon zal ik één stam geven. Dan heeft mijn dienaar David altijd een lamp voor mij in Jeruzalem, de stad die ik gekozen heb om er mijn naam te vestigen. 37. Maar jou zal ik nemen. Jij zult regeren over alles wat je maar wenst, en je zult koning zijn over Israël. 38. Luister naar alles wat ik je gebied, ga in mijn wegen en doe wat goed is in mijn ogen. Houd je aan mijn verordeningen en geboden, zoals mijn dienaar David deed. Dan zal ik met je zijn en een blijvend huis voor je bouwen, zoals ik voor David gedaan heb. Dan zal ik Israël aan jou geven. 39. Zo zal ik de nakomelingen van David hierom vernederen, maar niet voor altijd. 40. Daarom probeerde Salomo Jerobeam te doden. Maar Jerobeam vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte. Hij bleef in Egypte tot de dood van Salomo. 41. Staat de rest van de geschiedenis van Salomo niet beschreven in het boek van de geschiedenis van Salomo? Daar staat alles wat hij deed, en zijn wijsheid. 42. Salomo regeerde veertig jaar in Jeruzalem over heel Israël. 43. Toen ging Salomo bij zijn voorouders te ruste en werd begraven in de stad van zijn vader David. Zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats. ## 1 Koningen 12 — Het rijk wordt verdeeld 1. Rehabeam ging naar Sichem, want heel Israël was naar Sichem gekomen om hem koning te maken. 2. Jerobeam, de zoon van Nebat, hoorde dat. Hij was nog in Egypte, waarheen hij voor koning Salomo was gevlucht. Jerobeam woonde in Egypte. 3. Men stuurde boden en liet hem roepen. Toen kwamen Jerobeam en de hele gemeenschap van Israël bij Rehabeam en zeiden: 4. Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd. Maak nu de zware dienst van uw vader en het zware juk dat hij ons oplegde, lichter. Dan zullen wij u dienen. 5. Hij zei tegen hen: Ga weg en kom over drie dagen bij mij terug. Toen ging het volk weg. 6. Koning Rehabeam overlegde met de oudsten die in dienst waren geweest van zijn vader Salomo, toen die nog leefde. Hij vroeg: Wat raden jullie mij aan? Wat moet ik dit volk antwoorden? 7. Zij zeiden tegen hem: Als u vandaag een dienaar van dit volk wilt zijn en hen wilt dienen, geef hun dan een vriendelijk antwoord. Dan zullen zij altijd uw dienaren zijn. 8. Maar hij sloeg de raad van de oudsten in de wind. Hij overlegde met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en nu in zijn dienst waren. 9. Hij vroeg hun: Wat raden jullie ons aan? Wat moeten wij dit volk antwoorden? Zij zeiden tegen mij: Maak het juk dat uw vader ons heeft opgelegd, lichter. 10. De jonge mannen die met hem waren opgegroeid, zeiden tegen hem: Dit volk zei tegen u: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt. Maak het voor ons lichter. Zeg dan tegen hen: Mijn pink is dikker dan de heupen van mijn vader. 11. Mijn vader heeft jullie een zwaar juk opgelegd, maar ik zal het juk nog zwaarder maken. Mijn vader heeft jullie met zwepen gestraft, maar ik zal jullie met schorpioenen straffen. 12. Op de derde dag kwamen Jerobeam en het hele volk bij Rehabeam, zoals de koning gezegd had: Kom op de derde dag bij mij terug. 13. De koning gaf het volk een hard antwoord. Hij sloeg de raad in de wind die de oudsten hem hadden gegeven. 14. Hij sprak tot hen volgens de raad van de jonge mannen: Mijn vader heeft jullie juk zwaar gemaakt, maar ik zal het nog zwaarder maken. Mijn vader heeft jullie met zwepen gestraft, maar ik zal jullie met schorpioenen straffen. 15. Zo luisterde de koning niet naar het volk. Want deze wending kwam van de HEERE. Zo maakte Hij Zijn woord waar dat de HEERE door Ahia uit Silo tot Jerobeam, de zoon van Nebat, gesproken had. 16. Toen heel Israël zag dat de koning niet naar hen luisterde, gaf het volk de koning dit antwoord: Wat voor deel hebben wij aan David? Wij hebben geen erfdeel aan de zoon van Isaï! Naar je tenten, Israël! Zorg nu zelf maar voor je huis, David! Toen ging Israël naar zijn tenten. 17. Maar over de Israëlieten die in de steden van Juda woonden, bleef Rehabeam koning. 18. Toen stuurde koning Rehabeam Adoram, die over de dwangarbeid stond. Maar heel Israël stenigde hem, zodat hij stierf. Koning Rehabeam wist nog snel op zijn wagen te springen en naar Jeruzalem te vluchten. 19. Zo kwam Israël in opstand tegen het huis van David, tot vandaag. 20. Toen heel Israël hoorde dat Jerobeam was teruggekomen, riepen zij hem naar de volksvergadering. Zij maakten hem koning over heel Israël. Niemand volgde het huis van David, behalve de stam Juda. 21. Toen Rehabeam in Jeruzalem kwam, riep hij het hele huis van Juda en de stam Benjamin bijeen, 180.000 uitgekozen strijders. Zij moesten strijden tegen het huis van Israël om het koningschap terug te winnen voor Rehabeam, de zoon van Salomo. 22. Maar het woord van God kwam tot Semaja, de man van God: 23. Zeg tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda. Zeg het ook tegen het hele huis van Juda en Benjamin en de rest van het volk: 24. Zo zegt de HEERE: Trek niet op en strijd niet tegen jullie broers, de Israëlieten. Laat ieder naar huis gaan, want dit is door mij gebeurd. Zij luisterden naar het woord van de HEERE en gingen terug, zoals de HEERE gezegd had. 25. Jerobeam versterkte Sichem in het bergland van Efraïm en ging daar wonen. Van daaruit trok hij verder en versterkte Penuël. 26. Jerobeam dacht bij zichzelf: Nu zal het koninkrijk weer naar het huis van David gaan. 27. Stel dat dit volk naar het huis van de HEERE in Jeruzalem gaat om offers te brengen. Dan zal hun hart teruggaan naar hun heer, Rehabeam, de koning van Juda. Dan zullen zij mij doden en teruggaan naar Rehabeam, de koning van Juda. 28. Daarom maakte de koning na overleg twee gouden kalveren. Hij zei tegen het volk: Het is te veel moeite voor jullie om naar Jeruzalem te gaan. Kijk, Israël, dit zijn je goden, die je uit Egypte hebben geleid! 29. Het ene zette hij in Bethel en het andere in Dan. 30. Dit werd een zonde, want het volk ging zelfs tot Dan om voor het ene te buigen. 31. Hij bouwde ook tempels op de offerhoogten. Hij maakte mensen uit het gewone volk tot priesters, die niet uit de nakomelingen van Levi waren. 32. Jerobeam stelde een feest in op de vijftiende dag van de achtste maand, net als het feest in Juda. Hij offerde op het altaar in Bethel en bracht offers aan de kalveren die hij gemaakt had. In Bethel stelde hij priesters aan voor de offerhoogten die hij gemaakt had. 33. Hij had die maand zelf bedacht. Op de vijftiende dag van de achtste maand offerde hij op het altaar dat hij in Bethel had gemaakt. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in, en hij ging naar het altaar om reukwerk te branden. ## 1 Koningen 13 — De man van God uit Juda 1. Toen kwam er op bevel van de HEERE een man van God uit Juda naar Bethel. Jerobeam stond juist bij het altaar om reukwerk te branden. 2. Op bevel van de HEERE riep hij tegen het altaar: Altaar, altaar! Zo zegt de HEERE: Kijk, er zal in het huis van David een zoon geboren worden die Josia heet. Op jou zal hij de priesters van de offerhoogten offeren, die op jou reukwerk branden. Men zal mensenbotten op jou verbranden. 3. Die dag gaf hij ook een teken. Hij zei: Dit is het teken dat de HEERE gesproken heeft: kijk, het altaar zal scheuren, en de as die erop ligt, zal eraf vallen. 4. Toen de koning hoorde wat de man van God tegen het altaar in Bethel riep, strekte Jerobeam vanaf het altaar zijn hand uit. Hij zei: Grijp hem! Maar de hand die hij naar hem uitstrekte, verstijfde, zodat hij hem niet meer kon terugtrekken. 5. Het altaar scheurde, en de as viel eraf. Zo gebeurde het volgens het teken dat de man van God op bevel van de HEERE had gegeven. 6. Toen zei de koning tegen de man van God: Smeek toch de HEERE, uw God, en bid voor mij dat mijn hand weer herstelt. De man van God smeekte de HEERE, en de hand van de koning herstelde en werd weer als eerst. 7. De koning zei tegen de man van God: Kom met mij mee naar huis om wat te eten. Dan zal ik u een geschenk geven. 8. Maar de man van God zei tegen de koning: Al gaf u mij de helft van uw paleis, ik ga niet met u mee. Ik zal op deze plaats geen brood eten en geen water drinken. 9. Want zo heeft de HEERE mij door Zijn woord geboden: Je mag geen brood eten en geen water drinken. Je mag niet teruggaan langs de weg die je gekomen bent. 10. Hij ging langs een andere weg terug en niet langs de weg waarlangs hij naar Bethel gekomen was. 11. In Bethel woonde een oude profeet. Zijn zonen kwamen hem alles vertellen wat de man van God die dag in Bethel gedaan had. Ook vertelden zij hun vader wat hij tegen de koning gezegd had. 12. Hun vader vroeg hun: Welke weg is hij gegaan? Zijn zonen hadden gezien welke weg de man van God uit Juda was gegaan. 13. Toen zei hij tegen zijn zonen: Zadel de ezel voor mij. Zij zadelden de ezel voor hem, en hij stapte erop. 14. Hij ging de man van God achterna en vond hem onder een eik zitten. Hij vroeg hem: Ben jij de man van God die uit Juda gekomen is? Hij zei: Ja, dat ben ik. 15. Toen zei hij tegen hem: Kom met mij mee naar huis en eet brood. 16. Maar hij zei: Ik kan niet met je teruggaan en niet met je meegaan. Ik zal op deze plaats geen brood eten en geen water met je drinken. 17. Want door het woord van de HEERE is mij gezegd: Je mag daar geen brood eten en geen water drinken. Je mag niet teruggaan langs de weg die je gekomen bent. 18. Hij zei tegen hem: Ik ben ook een profeet, net als jij. Een engel heeft op bevel van de HEERE tegen mij gezegd: Breng hem mee terug naar je huis, zodat hij brood eet en water drinkt. Maar hij loog tegen hem. 19. Toen ging hij met hem mee terug en at brood en dronk water in zijn huis. 20. Terwijl zij aan tafel zaten, kwam het woord van de HEERE tot de profeet die hem had teruggehaald. 21. Hij riep tegen de man van God uit Juda: Zo zegt de HEERE: Je bent ongehoorzaam geweest aan het woord van de HEERE. Je hebt het gebod niet gehouden dat de HEERE, je God, je gegeven had. 22. Je bent teruggegaan en hebt brood gegeten en water gedronken op deze plaats. Hij had daarover tegen je gezegd: Eet daar geen brood en drink daar geen water. Daarom zal je lichaam niet in het graf van je voorouders komen. 23. Nadat hij brood gegeten en water gedronken had, zadelde de oude profeet de ezel voor de profeet die hij had teruggehaald. 24. Hij ging weg, maar onderweg viel een leeuw hem aan en doodde hem. Zijn lichaam lag op de weg, en de ezel stond ernaast. Ook de leeuw stond bij het lichaam. 25. Er kwamen mensen voorbij die het lichaam op de weg zagen liggen, met de leeuw ernaast. Zij gingen het vertellen in de stad waar de oude profeet woonde. 26. De profeet die hem had teruggehaald, hoorde dat. Hij zei: Dat is de man van God die ongehoorzaam was aan het woord van de HEERE. Daarom heeft de HEERE hem aan de leeuw uitgeleverd. Die heeft hem verscheurd en gedood, zoals de HEERE tegen hem gezegd had. 27. Hij zei tegen zijn zonen: Zadel de ezel voor mij. Zij zadelden hem. 28. Hij ging erheen en vond het lichaam op de weg, met de ezel en de leeuw ernaast. De leeuw had het lichaam niet opgegeten en de ezel niet verscheurd. 29. De profeet tilde het lichaam van de man van God op, legde het op de ezel en bracht het terug. Zo kwam de oude profeet in de stad om over hem te rouwen en hem te begraven. 30. Hij legde het lichaam in zijn eigen graf, en zij rouwden om hem: Ach, mijn broeder! 31. Nadat hij hem begraven had, sprak hij met zijn zonen. Hij zei: Als ik gestorven ben, begraaf mij dan in het graf waarin de man van God begraven is. Leg mijn beenderen naast zijn beenderen. 32. Want wat hij op bevel van de HEERE heeft uitgeroepen tegen het altaar in Bethel, zal zeker gebeuren. Ook wat hij riep tegen alle tempels op de offerhoogten in de steden van Samaria. 33. Maar ook na deze gebeurtenis keerde Jerobeam niet terug van zijn slechte weg. Hij maakte opnieuw mensen uit het gewone volk tot priesters van de offerhoogten. Wie maar wilde, wijdde hij, en die werd priester van de offerhoogten. 34. Zo werd dit een zonde van het huis van Jerobeam. Daardoor werd het huis van Jerobeam weggevaagd en van de aarde verdelgd. ## 1 Koningen 14 — Het oordeel over Jerobeam; Rehabeam 1. In die tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam, ziek. 2. Jerobeam zei tegen zijn vrouw: Sta op en vermom je, zodat niemand merkt dat je de vrouw van Jerobeam bent. Ga naar Silo. Daar woont de profeet Ahia, die van mij gezegd heeft dat ik koning over dit volk zou worden. 3. Neem tien broden mee, koeken en een kruik honing, en ga naar hem toe. Hij zal je vertellen wat er met de jongen zal gebeuren. 4. De vrouw van Jerobeam deed dat. Zij ging op weg naar Silo en kwam bij het huis van Ahia. Ahia kon niet meer zien, want zijn ogen stonden star door zijn ouderdom. 5. Maar de HEERE had tegen Ahia gezegd: Kijk, de vrouw van Jerobeam komt je iets vragen over haar zoon, want hij is ziek. Dit en dat moet je tegen haar zeggen. Als zij binnenkomt, zal zij zich als een vreemde voordoen. 6. Toen Ahia het geluid van haar voetstappen in de deuropening hoorde, zei hij: Kom binnen, vrouw van Jerobeam. Waarom doe je je voor als een vreemde? Ik moet je een harde boodschap brengen. 7. Ga en zeg tegen Jerobeam: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ik heb je uit het volk verheven. Ik heb je aangesteld als leider over mijn volk Israël. 8. Ik heb het koninkrijk van het huis van David afgescheurd en aan jou gegeven. Maar jij bent niet geweest zoals mijn dienaar David. Hij hield mijn geboden en volgde mij met heel zijn hart. Hij deed alleen wat goed is in mijn ogen. 9. Maar jij hebt meer kwaad gedaan dan allen die vóór jou waren. Je bent andere goden gaan dienen en hebt gegoten beelden voor je gemaakt om mij te tergen. Mij heb je achter je rug geworpen. 10. Daarom zal ik onheil brengen over het huis van Jerobeam. Ik zal van Jerobeam elke man uitroeien, slaaf of vrij, in Israël. Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegvegen, zoals men mest wegveegt, tot het helemaal weg is. 11. Wie van Jerobeam in de stad sterft, zal door de honden worden opgegeten. Wie in het veld sterft, zal door de vogels worden opgegeten. Want de HEERE heeft het gezegd. 12. Sta nu op en ga naar huis. Zodra je voet de stad binnenkomt, zal het kind sterven. 13. Heel Israël zal om hem rouwen en hem begraven. Hij is de enige van Jerobeam die in een graf zal komen. Want alleen in hem is in het huis van Jerobeam iets goeds gevonden voor de HEERE, de God van Israël. 14. De HEERE zal een koning over Israël laten opstaan die het huis van Jerobeam zal uitroeien. Dat zal gebeuren op die dag, ja, zelfs nu al. 15. De HEERE zal Israël treffen, zodat het heen en weer gaat als een riet in het water. Hij zal Israël wegrukken uit dit goede land dat Hij aan hun vaders gegeven heeft. Hij zal hen verstrooien aan de overkant van de rivier. Want zij hebben gewijde palen gemaakt en de HEERE getergd. 16. Hij zal Israël prijsgeven vanwege de zonden van Jerobeam, die zelf zondigde en Israël liet zondigen. 17. Toen stond de vrouw van Jerobeam op, ging weg en kwam in Tirza. Toen zij over de drempel van het huis stapte, stierf de jongen. 18. Zij begroeven hem, en heel Israël rouwde om hem. Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij door Zijn dienaar, de profeet Ahia, gesproken had. 19. Wat verder over Jerobeam te vertellen is, hoe hij oorlog voerde en regeerde, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 20. Jerobeam regeerde 22 jaar. Toen ging hij bij zijn voorouders te ruste, en zijn zoon Nadab werd koning in zijn plaats. 21. Rehabeam, de zoon van Salomo, was koning in Juda. Hij was 41 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaar in Jeruzalem. Dat is de stad die de HEERE uit alle stammen van Israël had gekozen om daar Zijn naam te vestigen. Zijn moeder heette Naäma, de Ammonitische. 22. Juda deed wat slecht is in de ogen van de HEERE. Met hun zonden maakten zij Hem jaloers, meer dan hun vaders ooit hadden gedaan. 23. Want ook zij bouwden offerhoogten, opgerichte beelden en gewijde palen, op elke hoge heuvel en onder elke groene boom. 24. Er waren ook tempelprostitués in het land. Zij deden alle gruwelen van de volken die de HEERE voor de Israëlieten had verdreven. 25. In het vijfde jaar van koning Rehabeam trok Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem. 26. Hij nam de schatten van het huis van de HEERE en de schatten van het paleis van de koning mee. Hij nam alles mee. Ook alle gouden schilden die Salomo gemaakt had, nam hij mee. 27. In plaats daarvan maakte koning Rehabeam koperen schilden. Hij gaf die in beheer bij de bevelhebbers van de lijfwacht, die de ingang van het paleis bewaakten. 28. Telkens als de koning naar het huis van de HEERE ging, droegen de lijfwachten die schilden. Daarna brachten zij ze terug naar de wachtkamer van de lijfwacht. 29. Wat verder over Rehabeam te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 30. Er was voortdurend oorlog tussen Rehabeam en Jerobeam. 31. Rehabeam ging bij zijn voorouders te ruste en werd bij hen begraven in de stad van David. Zijn moeder heette Naäma, de Ammonitische. Zijn zoon Abiam werd koning in zijn plaats. ## 1 Koningen 15 — Abiam, Asa, Nadab en Baësa 1. In het achttiende jaar van koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda. 2. Hij regeerde drie jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Maächa, een dochter van Abisalom. 3. Hij leefde in alle zonden die zijn vader vóór hem had gedaan. Zijn hart was niet volkomen toegewijd aan de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David. 4. Maar omwille van David gaf de HEERE, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem. Hij liet zijn zoon na hem opstaan en liet Jeruzalem voortbestaan. 5. Want David had gedaan wat goed is in de ogen van de HEERE. Zijn hele leven was hij niet afgeweken van alles wat Hij hem geboden had, behalve in de zaak van Uria, de Hethiet. 6. Er was oorlog geweest tussen Rehabeam en Jerobeam, zolang hij leefde. 7. Wat verder over Abiam te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. Er was ook oorlog tussen Abiam en Jerobeam. 8. Abiam ging bij zijn voorouders te ruste, en men begroef hem in de stad van David. Zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. 9. In het twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Asa koning over Juda. 10. Hij regeerde 41 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Maächa, een dochter van Abisalom. 11. Asa deed wat goed is in de ogen van de HEERE, zoals zijn vader David. 12. Hij verdreef de tempelprostitués uit het land en verwijderde alle drekgoden die zijn vaders gemaakt hadden. 13. Zelfs zijn moeder Maächa zette hij af als koningin-moeder, omdat zij een gruwelijk afgodsbeeld voor de gewijde paal had gemaakt. Asa hakte dat gruwelijke beeld om en verbrandde het bij de beek Kidron. 14. De offerhoogten werden niet weggehaald. Toch was het hart van Asa zijn hele leven volkomen toegewijd aan de HEERE. 15. Hij bracht de gewijde gaven van zijn vader en zijn eigen gewijde gaven naar het huis van de HEERE: zilver, goud en voorwerpen. 16. Er was voortdurend oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël. 17. Baësa, de koning van Israël, trok op tegen Juda en versterkte Rama. Zo wilde hij verhinderen dat iemand bij Asa, de koning van Juda, kon komen of van hem kon weggaan. 18. Toen nam Asa al het zilver en goud dat nog over was in de schatkamers van het huis van de HEERE en van het paleis. Hij gaf het aan zijn dienaren. Koning Asa stuurde hen naar Benhadad, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Hezion, de koning van Syrië, die in Damaskus woonde. Hij liet zeggen: 19. Er is een verbond tussen mij en u, zoals er een verbond was tussen mijn vader en uw vader. Kijk, ik stuur u een geschenk van zilver en goud. Verbreek uw verbond met Baësa, de koning van Israël, zodat hij van mij wegtrekt. 20. Benhadad luisterde naar koning Asa en stuurde zijn legeraanvoerders tegen de steden van Israël. Hij veroverde Ijon, Dan, Abel-Beth-Maächa, heel Kinneroth en het hele land Nafthali. 21. Toen Baësa dat hoorde, stopte hij met de versterking van Rama en bleef in Tirza. 22. Toen riep koning Asa heel Juda op, niemand was vrijgesteld. Zij moesten de stenen en het hout van Rama weghalen, waarmee Baësa had gebouwd. Daarmee versterkte koning Asa Geba in Benjamin en Mizpa. 23. Wat verder over Asa te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. Daar staan al zijn macht, alles wat hij deed en de steden die hij bouwde. Maar op zijn oude dag kreeg hij een ziekte aan zijn voeten. 24. Asa ging bij zijn voorouders te ruste en werd bij hen begraven in de stad van zijn vader David. Zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats. 25. Nadab, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda. Hij regeerde twee jaar over Israël. 26. Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEERE. Hij ging in de weg van zijn vader en in diens zonde, waarmee hij Israël had laten zondigen. 27. Baësa, de zoon van Ahia, uit het huis van Issaschar, zwoer tegen hem samen. Baësa doodde hem bij Gibbethon, dat van de Filistijnen was, terwijl Nadab en heel Israël Gibbethon belegerden. 28. Baësa doodde hem in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats. 29. Zodra hij koning was, doodde hij het hele huis van Jerobeam. Hij liet van Jerobeam niemand in leven, tot hij hen had uitgeroeid. Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij door Zijn dienaar Ahia uit Silo gesproken had. 30. Dat gebeurde vanwege de zonden van Jerobeam, die zelf zondigde en Israël liet zondigen. Daarmee had hij de HEERE, de God van Israël, getergd. 31. Wat verder over Nadab te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 32. Er was voortdurend oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël. 33. In het derde jaar van Asa, de koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Ahia, in Tirza koning over heel Israël. Hij regeerde 24 jaar. 34. Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEERE. Hij ging in de weg van Jerobeam en in diens zonde, waarmee hij Israël had laten zondigen. ## 1 Koningen 16 — Het oordeel over Baësa; Ela, Zimri, Omri en Achab 1. Toen kwam het woord van de HEERE tot Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa: 2. Ik heb je uit het stof verheven en je aangesteld als leider over mijn volk Israël. Maar jij bent in de weg van Jerobeam gegaan. Je hebt mijn volk Israël laten zondigen en mij met hun zonden getergd. 3. Kijk, daarom zal ik de nakomelingen van Baësa en van zijn huis wegvegen. Ik zal met jouw huis doen zoals met het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat. 4. Wie van Baësa in de stad sterft, zal door de honden worden opgegeten. Wie van hem in het veld sterft, zal door de vogels worden opgegeten. 5. Wat verder over Baësa te vertellen is, wat hij deed en zijn macht, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 6. Baësa ging bij zijn voorouders te ruste en werd begraven in Tirza. Zijn zoon Ela werd koning in zijn plaats. 7. Zo kwam het woord van de HEERE door de profeet Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa en zijn huis. Dat gebeurde vanwege al het kwaad dat hij in de ogen van de HEERE had gedaan. Hij had Hem getergd met het werk van zijn handen, zoals het huis van Jerobeam. Ook had hij dat huis uitgeroeid. 8. In het 26ste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, in Tirza koning over Israël. Hij regeerde twee jaar. 9. Zimri, zijn dienaar, die aanvoerder was van de helft van de wagens, zwoer tegen hem samen. Ela was toen in Tirza en dronk zich dronken in het huis van Arza, de hofmeester in Tirza. 10. Zimri kwam binnen, sloeg hem neer en doodde hem, in het 27ste jaar van Asa, de koning van Juda. Hij werd koning in zijn plaats. 11. Zodra hij koning was en op de troon zat, doodde hij het hele huis van Baësa. Hij liet geen man in leven, geen bloedverwant en geen vriend. 12. Zo roeide Zimri het hele huis van Baësa uit. Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij door de profeet Jehu tegen Baësa gesproken had. 13. Dat gebeurde vanwege alle zonden van Baësa en van zijn zoon Ela. Zij hadden zelf gezondigd en Israël laten zondigen. Met hun nietige afgoden hadden zij de HEERE, de God van Israël, getergd. 14. Wat verder over Ela te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 15. In het 27ste jaar van Asa, de koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen in Tirza. Het volk lag toen in het kamp bij Gibbethon, dat van de Filistijnen was. 16. Het volk in het kamp hoorde zeggen: Zimri heeft samengezworen en de koning gedood. Toen maakte heel Israël die dag in het kamp Omri, de legeraanvoerder, koning over Israël. 17. Omri trok met heel Israël op vanuit Gibbethon, en zij belegerden Tirza. 18. Toen Zimri zag dat de stad was ingenomen, ging hij de burcht van het paleis in. Hij stak het paleis boven zijn hoofd in brand en kwam om. 19. Dat gebeurde vanwege de zonden die hij begaan had. Hij had gedaan wat slecht is in de ogen van de HEERE en was in de weg van Jerobeam gegaan. Hij had diens zonde gedaan en Israël laten zondigen. 20. Wat verder over Zimri te vertellen is en zijn samenzwering, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 21. Toen raakte het volk van Israël in twee helften verdeeld. De ene helft volgde Tibni, de zoon van Ginath, om hem koning te maken. De andere helft volgde Omri. 22. Maar het volk dat Omri volgde, was sterker dan het volk dat Tibni, de zoon van Ginath, volgde. Tibni stierf, en Omri werd koning. 23. In het 31ste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Omri koning over Israël. Hij regeerde twaalf jaar, waarvan zes jaar in Tirza. 24. Hij kocht de berg Samaria van Semer voor ongeveer 68 kilo zilver. Op die berg bouwde hij een stad. Hij noemde de stad Samaria, naar Semer, de eigenaar van de berg. 25. Omri deed wat slecht is in de ogen van de HEERE. Hij deed nog erger dan allen die vóór hem waren. 26. Hij ging in alle wegen van Jerobeam, de zoon van Nebat, en in diens zonden, waarmee hij Israël had laten zondigen. Met hun nietige afgoden tergden zij de HEERE, de God van Israël. 27. Wat verder over Omri te vertellen is, zijn daden en zijn macht, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 28. Omri ging bij zijn voorouders te ruste en werd begraven in Samaria. Zijn zoon Achab werd koning in zijn plaats. 29. Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël in het 38ste jaar van Asa, de koning van Juda. Achab, de zoon van Omri, regeerde 22 jaar in Samaria over Israël. 30. Achab, de zoon van Omri, deed wat slecht is in de ogen van de HEERE, meer dan allen die vóór hem waren. 31. Het was hem nog niet genoeg in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, te leven. Hij trouwde ook nog met Izebel, de dochter van Ethbaäl, de koning van de Sidoniërs. Hij ging Baäl dienen en boog zich voor hem neer. 32. Hij bouwde een altaar voor Baäl in de tempel van Baäl die hij in Samaria had gebouwd. 33. Ook maakte Achab een gewijde paal. Zo deed Achab nog meer om de HEERE, de God van Israël, te tergen dan alle koningen van Israël die vóór hem waren. 34. In zijn tijd bouwde Hiël uit Bethel Jericho weer op. Het kostte hem zijn oudste zoon Abiram toen hij de fundering legde, en zijn jongste zoon Segub toen hij de poorten plaatste. Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij door Jozua, de zoon van Nun, gesproken had. ## 1 Koningen 17 — Elia en de weduwe van Zarfath 1. Elia, de Thisbiet, uit de inwoners van Gilead, zei tegen Achab: Zo waar de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wie ik sta! De komende jaren zal er geen dauw of regen vallen, behalve als ik het zeg. 2. Toen kwam het woord van de HEERE tot hem: 3. Ga hier weg, trek naar het oosten en verberg je bij de beek Krith, ten oosten van de Jordaan. 4. Je kunt uit de beek drinken, en ik heb de raven opgedragen daar voor je te zorgen. 5. Hij ging en deed wat de HEERE gezegd had. Hij ging wonen bij de beek Krith, ten oosten van de Jordaan. 6. De raven brachten hem 's morgens brood en vlees, en 's avonds ook brood en vlees. Hij dronk uit de beek. 7. Na verloop van tijd droogde de beek op, want het had in het land niet geregend. 8. Toen kwam het woord van de HEERE tot hem: 9. Sta op, ga naar Zarfath, bij Sidon, en blijf daar. Kijk, ik heb daar een weduwe opgedragen voor je te zorgen. 10. Hij stond op en ging naar Zarfath. Toen hij bij de stadspoort kwam, was daar een weduwe hout aan het sprokkelen. Hij riep haar en zei: Haal toch een beetje water voor mij in een kruik, zodat ik kan drinken. 11. Toen zij het ging halen, riep hij haar na: Neem toch ook een stukje brood voor mij mee. 12. Maar zij zei: Zo waar de HEERE, uw God, leeft, ik heb geen brood. Ik heb alleen nog een handvol meel in de pot en een beetje olie in de kruik. Kijk, ik ben een paar stukken hout aan het sprokkelen. Dan ga ik het klaarmaken voor mij en mijn zoon. Dan eten wij het op en sterven wij. 13. Elia zei tegen haar: Wees niet bang. Ga naar huis en doe wat je gezegd hebt. Maar maak eerst een kleine koek voor mij en breng die hier. Daarna kun je voor jezelf en je zoon iets maken. 14. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Het meel in de pot zal niet opraken. De olie in de kruik zal niet opgaan. Zo blijft het tot de dag dat de HEERE regen geeft op de aarde. 15. Zij ging en deed wat Elia gezegd had. Zo hadden zij, hij en haar gezin, lange tijd te eten. 16. Het meel in de pot raakte niet op, en de olie in de kruik ging niet op. Zo gebeurde het volgens het woord van de HEERE, dat Hij door Elia gesproken had. 17. Enige tijd later werd de zoon van deze vrouw, de eigenares van het huis, ziek. Zijn ziekte werd zo ernstig dat hij ophield met ademen. 18. Zij zei tegen Elia: Wat heb ik met u te maken, man van God? Bent u bij mij gekomen om mijn schuld aan het licht te brengen en mijn zoon te doden? 19. Hij zei tegen haar: Geef mij je zoon. Hij nam hem van haar schoot en droeg hem naar de bovenkamer, waar hij zelf woonde. Hij legde hem op zijn bed. 20. Hij riep de HEERE aan: HEERE, mijn God, ik ben te gast bij deze weduwe. Hebt U haar zo'n kwaad gedaan door haar zoon te laten sterven? 21. Hij strekte zich drie keer over het kind uit. Hij riep de HEERE aan: HEERE, mijn God, laat het leven van dit kind toch in hem terugkeren. 22. De HEERE verhoorde Elia. Het leven van het kind keerde in hem terug, en het werd weer levend. 23. Elia nam het kind, bracht het van de bovenkamer naar beneden in huis en gaf het aan zijn moeder. Elia zei: Kijk, je zoon leeft. 24. Toen zei de vrouw tegen Elia: Nu weet ik dat u een man van God bent. Het woord van de HEERE in uw mond is waarheid. ## 1 Koningen 18 — Elia op de Karmel 1. Lange tijd later, in het derde jaar, kwam het woord van de HEERE tot Elia: Ga naar Achab en laat je aan hem zien. Dan zal ik regen geven op de aarde. 2. Elia ging op weg om zich aan Achab te laten zien. In Samaria was een zware hongersnood. 3. Achab had Obadja, zijn hofmeester, laten roepen. Obadja had veel ontzag voor de HEERE. 4. Toen Izebel de profeten van de HEERE uitroeide, had Obadja honderd profeten meegenomen. Hij had hen per vijftig in een grot verborgen en hen van brood en water voorzien. 5. Achab zei tegen Obadja: Trek door het land naar alle waterbronnen en beken. Misschien vinden wij gras, zodat wij de paarden en muilezels in leven kunnen houden. Dan hoeven wij geen dieren te verliezen. 6. Zij verdeelden het land onder elkaar om het door te trekken. Achab ging alleen de ene kant op, en Obadja alleen de andere kant. 7. Toen Obadja onderweg was, kwam Elia hem tegemoet. Hij herkende hem, viel op zijn gezicht en zei: Bent u het, mijn heer Elia? 8. Hij zei: Ja, ik ben het. Ga en zeg tegen je heer: Elia is hier. 9. Maar hij zei: Wat heb ik misdaan, dat u uw dienaar aan Achab wilt uitleveren, zodat hij mij doodt? 10. Zo waar de HEERE, uw God, leeft, er is geen volk of koninkrijk waar mijn heer niemand heeft gestuurd om u te zoeken. Als men zei: Hij is hier niet, liet hij dat koninkrijk of volk zweren dat zij u niet gevonden hadden. 11. En nu zegt u: Ga en zeg tegen je heer: Elia is hier. 12. Straks ga ik bij u weg, en dan neemt de Geest van de HEERE u mee, ik weet niet waarheen. Als ik het dan aan Achab ga vertellen en hij u niet vindt, zal hij mij doden. Maar uw dienaar heeft vanaf zijn jeugd ontzag voor de HEERE. 13. Is mijn heer niet verteld wat ik gedaan heb toen Izebel de profeten van de HEERE doodde? Ik heb honderd profeten van de HEERE verborgen, per vijftig in een grot, en hen van brood en water voorzien. 14. En nu zegt u: Ga en zeg tegen je heer: Elia is hier. Dan zal hij mij doden! 15. Maar Elia zei: Zo waar de HEERE van de legermachten leeft, voor Wie ik sta: vandaag zal ik mij zeker aan hem laten zien. 16. Toen ging Obadja naar Achab en vertelde het hem. Achab ging Elia tegemoet. 17. Toen Achab Elia zag, zei Achab tegen hem: Ben jij het, jij die Israël in het ongeluk stort? 18. Hij zei: Ik stort Israël niet in het ongeluk, maar u en de familie van uw vader. Want jullie hebben de geboden van de HEERE verlaten, en u bent de Baäls achternagegaan. 19. Stuur nu boden en roep heel Israël bij mij bijeen op de berg Karmel. Roep ook de 450 profeten van Baäl en de 400 profeten van de gewijde paal, die aan de tafel van Izebel eten. 20. Achab stuurde boden naar alle Israëlieten en riep de profeten bijeen op de berg Karmel. 21. Toen kwam Elia naar het hele volk toe en zei: Hoe lang blijven jullie op twee gedachten hinken? Als de HEERE God is, volg Hem dan. Als Baäl God is, volg hem dan! Maar het volk zei geen woord. 22. Elia zei tegen het volk: Ik ben als enige profeet van de HEERE overgebleven, maar de profeten van Baäl zijn met 450 man. 23. Laat men ons twee stieren geven. Laten zij voor zichzelf een stier kiezen, die in stukken snijden en op het hout leggen, maar er geen vuur onder aansteken. Ik zal de andere stier klaarmaken en op het hout leggen, en er ook geen vuur onder aansteken. 24. Roep dan de naam van jullie god aan, en ik zal de naam van de HEERE aanroepen. De God Die met vuur antwoordt, Die is God. Het hele volk antwoordde: Dat is een goed voorstel. 25. Elia zei tegen de profeten van Baäl: Kies voor jezelf een stier en maak die eerst klaar, want jullie zijn met velen. Roep de naam van jullie god aan, maar steek geen vuur aan. 26. Zij namen de stier die hij hun gegeven had, en maakten die klaar. Zij riepen de naam van Baäl aan, van de morgen tot de middag: Baäl, antwoord ons! Maar er kwam geen geluid en geen antwoord. Zij dansten rond het altaar dat zij gemaakt hadden. 27. Tegen de middag begon Elia hen te bespotten. Hij zei: Roep harder, hij is toch een god! Misschien is hij in gedachten, of heeft hij iets te doen, of is hij op reis. Misschien slaapt hij en moet hij wakker worden. 28. Zij riepen nog harder en maakten volgens hun gewoonte sneden in hun lichaam met zwaarden en speren, tot het bloed over hen heen stroomde. 29. Toen de middag voorbij was, bleven zij in vervoering roepen tot de tijd van het avondoffer. Maar er kwam geen geluid, geen antwoord en geen enkele reactie. 30. Toen zei Elia tegen het hele volk: Kom hier bij mij. Het hele volk kwam bij hem. Hij herstelde het altaar van de HEERE, dat was afgebroken. 31. Elia nam twaalf stenen, naar het aantal stammen van de zonen van Jakob. Tot hem was het woord van de HEERE gekomen: Israël zal je naam zijn. 32. Met die stenen bouwde hij het altaar in de naam van de HEERE. Rondom het altaar maakte hij een greppel, zo ruim als een veld voor twee maten zaad. 33. Hij legde het hout klaar, sneed de stier in stukken en legde die op het hout. 34. Hij zei: Vul vier kruiken met water en giet dat over het brandoffer en het hout. Hij zei: Doe het nog een keer. Zij deden het nog een keer. Hij zei: Doe het voor de derde keer. Zij deden het voor de derde keer. 35. Het water liep rondom het altaar, en ook de greppel vulde hij met water. 36. Op de tijd van het avondoffer kwam de profeet Elia naar voren. Hij zei: HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, laat vandaag bekend worden dat U God bent in Israël. Laat bekend worden dat ik Uw dienaar ben en dit alles op Uw woord gedaan heb. 37. Antwoord mij, HEERE, antwoord mij! Dan zal dit volk weten dat U, HEERE, God bent, en dat U hun hart weer tot inkeer brengt. 38. Toen viel het vuur van de HEERE en verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en de aarde. Ook het water in de greppel likte het op. 39. Toen het hele volk dat zag, vielen zij op hun gezicht en zeiden: De HEERE is God! De HEERE is God! 40. Elia zei tegen hen: Grijp de profeten van Baäl, laat niemand van hen ontkomen! Zij grepen hen. Elia bracht hen naar de beek Kison en doodde hen daar. 41. Daarna zei Elia tegen Achab: Ga naar boven, eet en drink, want ik hoor het geruis van een zware regen. 42. Achab ging naar boven om te eten en te drinken. Maar Elia ging naar de top van de Karmel. Hij boog zich voorover naar de grond en legde zijn gezicht tussen zijn knieën. 43. Hij zei tegen zijn knecht: Ga naar boven en kijk uit naar de zee. Hij ging naar boven, keek en zei: Er is niets. Elia zei: Ga zeven keer terug. 44. De zevende keer zei hij: Kijk, er komt een kleine wolk op uit de zee, zo klein als een mannenhand. Elia zei: Ga naar Achab en zeg: Span in en ga naar beneden, anders houdt de regen u tegen. 45. Ondertussen werd de hemel zwart van wolken en wind, en er viel een zware regen. Achab stapte in zijn wagen en reed naar Jizreël. 46. De hand van de HEERE was over Elia. Hij bond zijn kleren op en rende voor Achab uit tot aan Jizreël. ## 1 Koningen 19 — Elia bij de Horeb 1. Achab vertelde Izebel alles wat Elia gedaan had, en hoe hij alle profeten met het zwaard had gedood. 2. Toen stuurde Izebel een bode naar Elia met de boodschap: De goden mogen mij zo straffen en nog erger! Morgen rond deze tijd maak ik jouw leven als het leven van een van hen. 3. Toen hij dat zag, stond hij op en vluchtte om zijn leven te redden. Hij kwam in Berseba, in Juda, en liet zijn knecht daar achter. 4. Maar hij ging zelf een dagreis de woestijn in. Daar ging hij onder een jeneverstruik zitten en wenste dat hij zou sterven. Hij zei: Het is genoeg. HEERE, neem nu mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaders. 5. Hij ging onder de jeneverstruik liggen en viel in slaap. Maar kijk, een engel raakte hem aan en zei tegen hem: Sta op en eet. 6. Hij keek om, en zie, bij zijn hoofd lag een koek, gebakken op hete stenen, en een kruik water. Hij at en dronk en ging weer liggen. 7. De engel van de HEERE kwam een tweede keer terug, raakte hem aan en zei: Sta op en eet. Anders is de weg te lang voor je. 8. Hij stond op, at en dronk. Door de kracht van dat eten liep hij veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, de Horeb. 9. Daar ging hij een grot in en overnachtte daar. En zie, het woord van de HEERE kwam tot hem. Hij zei tegen hem: Wat doe je hier, Elia? 10. Hij zei: Ik heb vurig geijverd voor de HEERE, de God van de legermachten. Want de Israëlieten hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood. Ik alleen ben overgebleven, en nu staan zij ook mij naar het leven. 11. Hij zei: Ga naar buiten en ga op de berg staan voor de HEERE. En zie, de HEERE ging voorbij. Voor de HEERE uit ging een grote, zware storm die bergen spleet en rotsen verbrijzelde. Maar de HEERE was niet in de storm. Na de storm kwam een aardbeving, maar de HEERE was niet in de aardbeving. 12. Na de aardbeving kwam een vuur, maar de HEERE was niet in het vuur. Na het vuur kwam het suizen van een zachte stilte. 13. Toen Elia dat hoorde, bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel. Hij ging naar buiten en bleef bij de ingang van de grot staan. En zie, er klonk een stem tegen hem: Wat doe je hier, Elia? 14. Hij zei: Ik heb vurig geijverd voor de HEERE, de God van de legermachten. Want de Israëlieten hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood. Ik alleen ben overgebleven, en nu staan zij ook mij naar het leven. 15. De HEERE zei tegen hem: Ga terug langs de weg naar de woestijn van Damaskus. Ga daar naar binnen en zalf Hazaël tot koning over Syrië. 16. Zalf ook Jehu, de zoon van Nimsi, tot koning over Israël. En zalf Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-mehola, tot profeet in jouw plaats. 17. Wie aan het zwaard van Hazaël ontkomt, zal door Jehu gedood worden. En wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, zal door Elisa gedood worden. 18. Maar ik heb in Israël 7.000 mensen laten overblijven. Dat zijn allen die hun knieën niet voor Baäl gebogen hebben en hem niet met hun mond gekust hebben. 19. Elia ging daar weg en vond Elisa, de zoon van Safat. Hij was aan het ploegen met twaalf span runderen voor zich uit, en hij liep zelf bij het twaalfde. Elia liep naar hem toe en wierp zijn mantel over hem heen. 20. Toen liet Elisa de runderen staan, rende Elia achterna en zei: Laat mij eerst mijn vader en mijn moeder een afscheidskus geven. Dan zal ik u volgen. Hij zei tegen hem: Ga maar terug, want wat heb ik je gedaan? 21. Elisa keerde terug, nam het span runderen en slachtte het. Met het hout van het tuig kookte hij het vlees en gaf het aan het volk, en zij aten. Daarna stond hij op, volgde Elia en werd zijn dienaar. ## 1 Koningen 20 — Achab en Benhadad 1. Benhadad, de koning van Syrië, verzamelde zijn hele leger. Er waren 32 koningen bij hem, met paarden en wagens. Hij trok op, belegerde Samaria en viel de stad aan. 2. Hij stuurde boden naar Achab, de koning van Israël, in de stad. 3. Hij liet hem zeggen: Zo zegt Benhadad: Jouw zilver en goud zijn van mij. Ook je vrouwen en je beste kinderen zijn van mij. 4. De koning van Israël antwoordde: Zoals u zegt, mijn heer de koning. Ik ben van u, met alles wat ik heb. 5. Daarna kwamen de boden terug. Zij zeiden: Zo zegt Benhadad: Ik heb je laten zeggen: Je moet mij je zilver, je goud, je vrouwen en je kinderen geven. 6. Maar morgen rond deze tijd stuur ik mijn dienaren naar je toe. Zij zullen je paleis en de huizen van je dienaren doorzoeken. Alles wat je dierbaar is, zullen zij meenemen. 7. Toen riep de koning van Israël alle oudsten van het land bijeen en zei: Let op, en zie hoe deze man op onheil uit is. Hij heeft mij om mijn vrouwen, mijn kinderen, mijn zilver en mijn goud gevraagd, en ik heb het hem niet geweigerd. 8. Maar alle oudsten en het hele volk zeiden tegen hem: Luister niet naar hem en stem niet toe. 9. Daarom zei hij tegen de boden van Benhadad: Zeg tegen mijn heer de koning: Alles waarom u eerst uw dienaar gevraagd hebt, zal ik doen. Maar dit kan ik niet doen. De boden gingen terug en brachten hem het antwoord. 10. Toen liet Benhadad hem zeggen: De goden mogen mij zo straffen en nog erger! Het stof van Samaria zal niet eens genoeg zijn voor een handvol voor ieder die mij volgt. 11. Maar de koning van Israël antwoordde: Zeg tegen hem: Wie zijn wapenrusting aandoet, moet niet opscheppen als iemand die haar al aflegt. 12. Benhadad hoorde dat antwoord terwijl hij met de koningen in de tenten zat te drinken. Hij zei tegen zijn dienaren: Stel je op! Zij stelden zich op tegen de stad. 13. En zie, een profeet kwam naar Achab, de koning van Israël, en zei: Zo zegt de HEERE: Zie je die hele grote menigte? Kijk, ik geef hen vandaag in je macht. Dan zul je weten dat ik de HEERE ben. 14. Achab vroeg: Door wie? Hij zei: Zo zegt de HEERE: Door de jonge mannen van de gouverneurs van de provincies. Achab vroeg: Wie moet de strijd beginnen? Hij zei: U. 15. Toen monsterde hij de jonge mannen van de gouverneurs van de provincies. Het waren er 232. Daarna monsterde hij het hele volk, alle Israëlieten: 7.000 man. 16. Zij trokken 's middags uit. Benhadad zat intussen dronken in de tenten met de 32 koningen die hem hielpen. 17. De jonge mannen van de gouverneurs van de provincies trokken als eersten uit. Benhadad had verkenners uitgestuurd, en die meldden hem: Er komen mannen uit Samaria. 18. Hij zei: Als zij met vredelievende bedoelingen komen, grijp hen dan levend. En als zij komen om te strijden, grijp hen ook levend. 19. Zo trokken de jonge mannen van de gouverneurs van de provincies de stad uit, met het leger achter zich aan. 20. Ieder doodde zijn tegenstander, zodat de Syriërs vluchtten en Israël hen achtervolgde. Maar Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam te paard met enkele ruiters. 21. Ook de koning van Israël trok uit. Hij versloeg de paarden en wagens en bracht de Syriërs een zware nederlaag toe. 22. Toen kwam de profeet bij de koning van Israël en zei tegen hem: Versterk u en bedenk goed wat u moet doen. Want volgend jaar zal de koning van Syrië opnieuw tegen u optrekken. 23. De dienaren van de koning van Syrië hadden tegen hem gezegd: Hun goden zijn berggoden, daarom waren zij sterker dan wij. Maar laten wij in de vlakte tegen hen strijden, dan zijn wij zeker sterker dan zij! 24. Doe het zo: zet alle koningen af en stel in hun plaats gouverneurs aan. 25. Breng dan een leger op de been zoals het leger dat u verloren hebt, met evenveel paarden en wagens. Laten wij dan in de vlakte tegen hen strijden. Dan zijn wij zeker sterker dan zij! Hij luisterde naar hen en deed dat. 26. Het volgende jaar monsterde Benhadad de Syriërs en trok op naar Afek om tegen Israël te strijden. 27. Ook de Israëlieten werden gemonsterd en van proviand voorzien. Zij trokken de Syriërs tegemoet. De Israëlieten sloegen hun kamp tegenover hen op als twee kleine kudden geiten, maar de Syriërs vulden het hele land. 28. Toen kwam de man van God naar de koning van Israël. Hij zei: Zo zegt de HEERE: De Syriërs hebben gezegd: De HEERE is een God van de bergen en niet van de dalen. Daarom zal ik die hele grote menigte in je macht geven. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 29. Zeven dagen lagen zij tegenover elkaar. Op de zevende dag begon de strijd. De Israëlieten doodden die dag 100.000 man voetvolk van de Syriërs. 30. De overlevenden vluchtten naar de stad Afek. Daar viel de muur op 27.000 man die waren overgebleven. Ook Benhadad vluchtte de stad in en verstopte zich in een binnenkamer. 31. Zijn dienaren zeiden tegen hem: Kijk, wij hebben gehoord dat de koningen van het huis Israël barmhartige koningen zijn. Laten wij rouwgewaden om ons middel binden en touwen om ons hoofd. Dan gaan wij naar de koning van Israël. Misschien laat hij u in leven. 32. Zij bonden rouwgewaden om hun middel en touwen om hun hoofd. Zij kwamen bij de koning van Israël en zeiden: Uw dienaar Benhadad vraagt: Laat mij toch in leven. Hij zei: Leeft hij nog? Hij is mijn broer. 33. De mannen zagen dit als een goed teken en grepen dat woord snel aan. Zij zeiden: Benhadad is uw broer. Hij zei: Ga hem halen. Benhadad kwam naar hem toe, en hij liet hem op zijn wagen stappen. 34. Benhadad zei tegen hem: De steden die mijn vader van uw vader heeft afgenomen, zal ik teruggeven. U mag in Damaskus handelsstraten voor uzelf aanleggen, zoals mijn vader in Samaria deed. Achab zei: Op grond van dit verbond laat ik u gaan. Zo sloot hij een verbond met hem en liet hem gaan. 35. Toen zei een man uit de profetenleerlingen op bevel van de HEERE tegen zijn collega: Sla mij toch. Maar de man weigerde hem te slaan. 36. Hij zei tegen hem: Omdat je niet naar de HEERE geluisterd hebt, zal een leeuw je doden zodra je bij mij weggaat. Toen hij bij hem wegging, kwam een leeuw hem tegen en doodde hem. 37. Daarna vond hij een andere man en zei: Sla mij toch. Die man sloeg hem en verwondde hem. 38. Toen ging de profeet langs de weg op de koning staan wachten. Hij had zich onherkenbaar gemaakt met as boven zijn ogen. 39. Toen de koning voorbijkwam, riep hij de koning toe: Uw dienaar trok midden in de strijd mee. Toen kwam er iemand naar mij toe die een man bij mij bracht. Hij zei: Bewaak deze man. Als hij ontsnapt, betaal je met je leven voor zijn leven, of je moet ongeveer 34 kilo zilver betalen. 40. Maar terwijl uw dienaar hier en daar bezig was, was hij plotseling verdwenen. De koning van Israël zei tegen hem: Dat is je vonnis. Je hebt het zelf uitgesproken. 41. Toen haalde hij snel de as van zijn ogen weg. De koning van Israël herkende hem als een van de profeten. 42. Hij zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Ik had die man met de ban geslagen, maar jij hebt hem laten gaan. Daarom zul je met je leven betalen voor zijn leven. Je volk zal boeten voor zijn volk. 43. De koning van Israël ging stuurs en boos naar huis en kwam in Samaria. ## 1 Koningen 21 — De wijngaard van Naboth 1. Daarna gebeurde het volgende. Naboth uit Jizreël had een wijngaard in Jizreël, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria. 2. Achab zei tegen Naboth: Geef mij je wijngaard. Dan maak ik er een moestuin van, want hij ligt vlak naast mijn paleis. Ik geef je er een betere wijngaard voor terug. Of als je dat liever hebt, betaal ik je de waarde in geld. 3. Maar Naboth zei tegen Achab: De HEERE verhoede dat ik u het erfdeel van mijn vaders zou geven! 4. Toen ging Achab stuurs en boos naar huis. Dat kwam door wat Naboth uit Jizreël tegen hem gezegd had: Ik geef u het erfdeel van mijn vaders niet. Hij ging op bed liggen, draaide zijn gezicht naar de muur en at niets. 5. Zijn vrouw Izebel kwam bij hem en vroeg: Waarom ben je zo stuurs, en waarom eet je niets? 6. Hij zei tegen haar: Ik zei tegen Naboth uit Jizreël: Geef mij je wijngaard voor geld. Of als je dat liever hebt, geef ik je er een andere wijngaard voor. Maar hij zei: Ik geef je mijn wijngaard niet. 7. Toen zei zijn vrouw Izebel tegen hem: Ben jij nu koning over Israël of niet? Sta op, eet wat en wees vrolijk. Ik zal je de wijngaard van Naboth uit Jizreël bezorgen. 8. Zij schreef brieven op naam van Achab en verzegelde die met zijn zegel. Die stuurde zij naar de oudsten en de edelen in zijn stad, die bij Naboth woonden. 9. In die brieven schreef zij: Roep een vastendag uit en zet Naboth vooraan bij het volk. 10. Zet dan twee nietsnutten tegenover hem. Laat hen tegen hem getuigen: Je hebt God en de koning vervloekt. Breng hem dan naar buiten en stenig hem, zodat hij sterft. 11. De mannen van zijn stad, de oudsten en de edelen die in zijn stad woonden, deden wat Izebel hun had opgedragen. Zij deden wat geschreven stond in de brieven die zij hun gestuurd had. 12. Zij riepen een vastendag uit en zetten Naboth vooraan bij het volk. 13. Toen kwamen de twee nietsnutten en gingen tegenover hem zitten. Die nietsnutten getuigden tegen Naboth in het bijzijn van het volk: Naboth heeft God en de koning vervloekt. Toen brachten zij hem de stad uit en stenigden hem, zodat hij stierf. 14. Daarna lieten zij Izebel weten: Naboth is gestenigd en dood. 15. Zodra Izebel hoorde dat Naboth gestenigd en dood was, zei zij tegen Achab: Sta op en neem de wijngaard van Naboth uit Jizreël in bezit. Hij weigerde hem je voor geld te geven, maar Naboth leeft niet meer, hij is dood. 16. Toen Achab hoorde dat Naboth dood was, stond hij op. Hij ging naar de wijngaard van Naboth uit Jizreël te gaan en die in bezit te nemen. 17. Maar het woord van de HEERE kwam tot Elia, de Thisbiet: 18. Sta op en ga naar Achab, de koning van Israël, die in Samaria woont. Kijk, hij is in de wijngaard van Naboth. Hij is erheen gegaan om die in bezit te nemen. 19. Zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Heb je gemoord en ook nog het bezit ingepikt? Zeg ook tegen hem: Zo zegt de HEERE: De honden hebben het bloed van Naboth opgelikt. Op diezelfde plaats zullen de honden ook jouw bloed oplikken. 20. Achab zei tegen Elia: Heb je mij gevonden, mijn vijand? Hij zei: Ik heb u gevonden, omdat u zich hebt verkocht om te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE. 21. Kijk, ik zal onheil over je brengen en je nakomelingen wegvagen. Ik zal van Achab elke man uitroeien, slaaf of vrij, in Israël. 22. Ik zal met je huis doen zoals met het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat. Ook zoals met het huis van Baësa, de zoon van Ahia. Want je hebt mij getergd en Israël laten zondigen. 23. Ook over Izebel heeft de HEERE gesproken: De honden zullen Izebel opeten bij de muur van Jizreël. 24. Wie van Achab in de stad sterft, zal door de honden worden opgegeten. Wie in het veld sterft, zal door de vogels worden opgegeten. 25. Er is niemand geweest zoals Achab, die zich verkocht om te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE. Zijn vrouw Izebel zette hem ertoe aan. 26. Hij deed zeer gruwelijke dingen door de drekgoden te volgen. Hij deed alles wat de Amorieten gedaan hadden, die de HEERE voor de Israëlieten uit het land had verdreven. 27. Toen Achab deze woorden hoorde, scheurde hij zijn kleren. Hij trok een rouwgewaad aan op zijn blote lichaam en vastte. Hij sliep in het rouwgewaad en liep ingetogen rond. 28. Toen kwam het woord van de HEERE tot Elia, de Thisbiet: 29. Heb je gezien hoe Achab zich voor mij vernedert? Omdat hij zich voor mij vernedert, zal ik dat onheil niet in zijn tijd brengen. In de tijd van zijn zoon zal ik het onheil over zijn huis brengen. ## 1 Koningen 22 — Micha en de dood van Achab 1. Drie jaar lang bleef het rustig. Er was geen oorlog tussen Syrië en Israël. 2. Maar in het derde jaar kwam Josafat, de koning van Juda, naar de koning van Israël. 3. De koning van Israël zei tegen zijn dienaren: Weten jullie dat Ramoth in Gilead van ons is? En wij zitten stil en halen het niet terug uit de macht van de koning van Syrië! 4. Hij vroeg Josafat: Gaat u met mij mee ten strijde naar Ramoth in Gilead? Josafat zei tegen de koning van Israël: Ik ben als u, mijn volk als uw volk, mijn paarden als uw paarden. 5. Josafat zei nog tegen de koning van Israël: Vraag toch eerst wat de HEERE ervan zegt. 6. Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, ongeveer 400 man. Hij vroeg hun: Zal ik ten strijde trekken tegen Ramoth in Gilead, of zal ik het laten? Zij zeiden: Trek op, want de HEERE zal het in de macht van de koning geven. 7. Maar Josafat vroeg: Is hier niet nog een profeet van de HEERE, die wij kunnen raadplegen? 8. De koning van Israël zei tegen Josafat: Er is nog één man door wie wij de HEERE kunnen raadplegen. Maar ik haat hem, want hij profeteert over mij nooit iets goeds, alleen kwaad. Het is Micha, de zoon van Jimla. Josafat zei: De koning moet zoiets niet zeggen! 9. Toen riep de koning van Israël een hoveling en zei: Haal snel Micha, de zoon van Jimla. 10. De koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, gekleed in hun koninklijke gewaden. Zij zaten op het plein bij de ingang van de poort van Samaria. Alle profeten profeteerden voor hen. 11. Zedekia, de zoon van Kenaäna, had ijzeren horens voor zich gemaakt. Hij zei: Zo zegt de HEERE: Hiermee zult u de Syriërs neerstoten tot u hen vernietigd hebt. 12. Alle profeten profeteerden hetzelfde. Zij zeiden: Trek op naar Ramoth in Gilead, en u zult slagen. Want de HEERE zal het in de macht van de koning geven. 13. De bode die Micha was gaan roepen, zei tegen hem: Kijk, de profeten spreken allemaal eensgezind goede woorden tot de koning. Laat jouw woord toch zijn zoals dat van een van hen, en spreek iets goeds. 14. Maar Micha zei: Zo waar de HEERE leeft, wat de HEERE tegen mij zegt, dat zal ik spreken. 15. Toen hij bij de koning kwam, vroeg de koning hem: Micha, zullen wij ten strijde trekken naar Ramoth in Gilead, of zullen wij het laten? Hij zei tegen hem: Trek op, en u zult slagen. De HEERE zal het in de macht van de koning geven. 16. Maar de koning zei tegen hem: Hoe vaak moet ik je laten zweren bij de naam van de HEERE? Spreek tegen mij alleen de waarheid! 17. Toen zei hij: Ik zag heel Israël verstrooid over de bergen, als schapen zonder herder. De HEERE zei: Zij hebben geen heer. Laat ieder in vrede naar huis gaan. 18. De koning van Israël zei tegen Josafat: Heb ik u niet gezegd dat hij over mij nooit iets goeds profeteert, maar alleen kwaad? 19. Micha zei verder: Luister daarom naar het woord van de HEERE. Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en het hele hemelse leger stond rechts en links van Hem. 20. De HEERE zei: Wie zal Achab overhalen om op te trekken en bij Ramoth in Gilead te sneuvelen? De een zei dit en de ander dat. 21. Toen kwam er een geest naar voren. Hij ging voor de HEERE staan en zei: Ik zal hem overhalen. 22. De HEERE vroeg hem: Hoe? Hij zei: Ik zal uitgaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. Hij zei: Je zult hem overhalen, en het zal je lukken. Ga en doe het. 23. Kijk, de HEERE heeft nu een leugengeest gelegd in de mond van al deze profeten van u. De HEERE heeft onheil over u uitgesproken. 24. Toen kwam Zedekia, de zoon van Kenaäna, naar voren en sloeg Micha in het gezicht. Hij zei: Hoe is de Geest van de HEERE dan van mij overgegaan om met jou te spreken? 25. Micha zei: Kijk, dat zul je zien op de dag dat je van kamer naar kamer vlucht om je te verstoppen. 26. De koning van Israël zei: Neem Micha en breng hem terug naar Amon, de stadsbestuurder, en naar Joas, de zoon van de koning. 27. Zeg tegen hen: Zo zegt de koning: Zet deze man in de gevangenis. Geef hem karig brood en karig water, tot ik in vrede terugkom. 28. Micha zei: Als u in vrede terugkomt, dan heeft de HEERE niet door mij gesproken. En hij zei: Luister, alle volken! 29. Zo trokken de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead. 30. De koning van Israël zei tegen Josafat: Ik vermom mij en ga zo de strijd in. Maar u, trek uw koninklijke kleren aan. Zo vermomde de koning van Israël zich en ging de strijd in. 31. De koning van Syrië had de 32 aanvoerders van zijn wagens bevolen: Val niemand aan, klein of groot, alleen de koning van Israël. 32. Toen de aanvoerders van de wagens Josafat zagen, zeiden zij: Dat is zeker de koning van Israël. Zij keerden zich naar hem om hem aan te vallen. Maar Josafat schreeuwde het uit. 33. Toen de aanvoerders van de wagens zagen dat hij niet de koning van Israël was, lieten zij hem met rust. 34. Maar iemand spande in alle onschuld zijn boog en trof de koning van Israël tussen de naden van zijn pantser. De koning zei tegen zijn wagenmenner: Draai om en breng mij weg van het slagveld, want ik ben zwaar gewond. 35. Die dag werd de strijd steeds heviger. De koning werd rechtop in zijn wagen gehouden, tegenover de Syriërs. Maar 's avonds stierf hij, en het bloed uit zijn wond stroomde in de bodem van de wagen. 36. Bij zonsondergang ging er een roep door het leger: Ieder naar zijn stad, ieder naar zijn land! 37. Zo stierf de koning. Hij werd naar Samaria gebracht, en men begroef de koning in Samaria. 38. Toen men de wagen bij de vijver van Samaria afspoelde, likten de honden zijn bloed op, op de plaats waar de prostituees zich wasten. Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij gesproken had. 39. Wat verder over Achab te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. Daar staat alles wat hij deed, het ivoren paleis dat hij bouwde en alle steden die hij bouwde. 40. Zo ging Achab bij zijn voorouders te ruste, en zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats. 41. Josafat, de zoon van Asa, werd koning over Juda in het vierde jaar van Achab, de koning van Israël. 42. Josafat was 35 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 25 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Azuba, de dochter van Silchi. 43. Hij ging in alle opzichten de weg van zijn vader Asa en week daar niet van af. Hij deed wat goed is in de ogen van de HEERE. 44. Toch werden de offerhoogten niet weggehaald. Het volk offerde en brandde nog steeds reukwerk op de offerhoogten. 45. Josafat sloot vrede met de koning van Israël. 46. Wat verder over Josafat te vertellen is, zijn macht en zijn oorlogen, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 47. Ook verdreef hij de laatste tempelprostitués uit het land, die in de tijd van zijn vader Asa waren overgebleven. 48. In die tijd was er geen koning in Edom, maar een stadhouder van de koning. 49. Josafat liet Tarsisschepen bouwen om naar Ofir te varen om goud te halen. Maar zij voeren niet uit, want de schepen leden schipbreuk bij Ezeon-geber. 50. Toen zei Ahazia, de zoon van Achab, tegen Josafat: Laat mijn dienaren met uw dienaren op de schepen meevaren. Maar Josafat wilde dat niet. 51. Josafat ging bij zijn voorouders te ruste en werd bij hen begraven in de stad van zijn vader David. Zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. 52. Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over Israël in Samaria, in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda. Hij regeerde twee jaar over Israël. 53. Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEERE. Hij ging in de weg van zijn vader en zijn moeder, en in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël liet zondigen. 54. Hij diende Baäl en boog zich voor hem neer. Zo tergde hij de HEERE, de God van Israël, net zoals zijn vader had gedaan. ## 2 Koningen 1 — Elia en koning Ahazia 1. Na de dood van Achab kwam Moab in opstand tegen Israël. 2. Ahazia viel in Samaria door het traliewerk van zijn bovenkamer en werd ziek. Hij stuurde boden weg en zei tegen hen: Ga naar Baäl-Zebub, de god van Ekron. Vraag hem of ik van deze ziekte zal genezen. 3. Maar de engel van de HEERE zei tegen Elia, de Thisbiet: Sta op en ga de boden van de koning van Samaria tegemoet. Zeg tegen hen: Is er soms geen God in Israël? Waarom gaan jullie Baäl-Zebub raadplegen, de god van Ekron? 4. Daarom zegt de HEERE: Van het bed waarop je bent gaan liggen, zul je niet meer opstaan. Je zult zeker sterven. Toen ging Elia weg. 5. De boden kwamen terug bij de koning. Hij vroeg hun: Waarom zijn jullie teruggekomen? 6. Zij antwoordden: Er kwam een man naar ons toe. Hij zei: Ga terug naar de koning die jullie gestuurd heeft. Zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Is er soms geen God in Israël? Waarom stuur je boden om Baäl-Zebub te raadplegen, de god van Ekron? Daarom zul je niet meer opstaan van het bed waarop je bent gaan liggen. Je zult zeker sterven. 7. De koning vroeg hun: Hoe zag die man eruit die jullie tegemoet kwam en dit tegen jullie zei? 8. Zij antwoordden: Hij was een man met een kleed van haar, en hij had een leren gordel om zijn middel. Toen zei de koning: Dat is Elia, de Thisbiet. 9. Toen stuurde de koning een aanvoerder met zijn 50 man naar Elia. Elia zat boven op een berg. De aanvoerder ging naar hem toe en zei: Man van God, de koning zegt: Kom naar beneden! 10. Elia antwoordde de aanvoerder: Als ik een man van God ben, dan komt er vuur uit de hemel dat jou en je 50 man verteert. Toen kwam er vuur uit de hemel neer. Het verteerde hem en zijn 50 man. 11. De koning stuurde opnieuw een aanvoerder met zijn 50 man naar Elia. Die zei tegen hem: Man van God, zo zegt de koning: Kom snel naar beneden! 12. Elia antwoordde hem: Als ik een man van God ben, dan komt er vuur uit de hemel dat jou en je 50 man verteert. Toen kwam het vuur van God uit de hemel neer. Het verteerde hem en zijn 50 man. 13. Voor de derde keer stuurde de koning een aanvoerder met zijn 50 man. Deze derde aanvoerder ging naar boven. Hij viel voor Elia op zijn knieën. Hij smeekte hem: Man van God, laat mijn leven toch kostbaar zijn in uw ogen, en ook het leven van deze 50 dienaren van u! 14. Kijk, er is vuur uit de hemel neergekomen. Het heeft de eerste twee aanvoerders met hun 50 man verteerd. Maar laat mijn leven nu kostbaar zijn in uw ogen! 15. Toen zei de engel van de HEERE tegen Elia: Ga met hem mee naar beneden. Wees niet bang voor hem. Elia stond op en ging met hem mee naar de koning. 16. Hij zei tegen de koning: Zo zegt de HEERE: Je hebt boden gestuurd om Baäl-Zebub te raadplegen, de god van Ekron. Is er soms geen God in Israël, bij wie je om raad kunt vragen? Daarom zul je niet meer opstaan van het bed waarop je bent gaan liggen. Je zult zeker sterven. 17. Zo stierf Ahazia, zoals de HEERE door Elia gezegd had. Hij had geen zoon, en daarom werd Joram koning in zijn plaats. Dat was in het tweede jaar van Joram, de zoon van Josafat, de koning van Juda. 18. Wat verder over Ahazia te vertellen is en wat hij gedaan heeft, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. ## 2 Koningen 2 — Elia wordt opgenomen in de hemel 1. De HEERE zou Elia in een storm naar de hemel opnemen. In die tijd gingen Elia en Elisa samen weg uit Gilgal. 2. Elia zei tegen Elisa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Bethel gestuurd. Maar Elisa zei: Zo waar de HEERE leeft en zo waar u leeft: ik laat u niet alleen! Zo gingen zij samen naar Bethel. 3. De profetenleerlingen in Bethel kwamen naar Elisa toe en vroegen: Weet u dat de HEERE vandaag uw meester van u zal wegnemen? Hij zei: Ja, dat weet ik. Zeg er maar niets over. 4. Elia zei tegen hem: Elisa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gestuurd. Maar hij zei: Zo waar de HEERE leeft en zo waar u leeft: ik laat u niet alleen! Zo kwamen zij in Jericho. 5. De profetenleerlingen in Jericho kwamen naar Elisa toe en vroegen: Weet u dat de HEERE vandaag uw meester van u zal wegnemen? Hij zei: Ja, dat weet ik. Zeg er maar niets over. 6. Elia zei tegen hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gestuurd. Maar hij zei: Zo waar de HEERE leeft en zo waar u leeft: ik laat u niet alleen! Zo gingen zij samen verder. 7. Er gingen ook 50 profetenleerlingen mee. Zij bleven op een afstand staan, terwijl Elia en Elisa bij de Jordaan stonden. 8. Toen nam Elia zijn mantel, rolde hem op en sloeg op het water. Het water week naar links en naar rechts. Zo liepen zij samen over droge grond naar de overkant. 9. Toen zij aan de overkant waren, zei Elia tegen Elisa: Vraag wat ik voor je moet doen, voordat ik bij je weggenomen word. Elisa zei: Laat mij toch een dubbel deel van uw geest krijgen! 10. Elia zei: Je vraagt iets moeilijks. Als je mij ziet wanneer ik bij je weggenomen word, dan zul je het krijgen. Zo niet, dan niet. 11. Zij liepen verder en praatten met elkaar. Plotseling verscheen er een wagen van vuur met paarden van vuur, die hen van elkaar scheidden. Zo ging Elia in een storm naar de hemel. 12. Elisa zag het en riep: Mijn vader, mijn vader! De wagens van Israël en zijn ruiters! Toen zag hij hem niet meer. Hij greep zijn kleren en scheurde ze in twee stukken. 13. Hij raapte de mantel van Elia op, die van hem was afgevallen. Hij ging terug en bleef aan de oever van de Jordaan staan. 14. Hij nam de mantel van Elia en sloeg op het water. Hij zei: Waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, waar is Hij? Toen hij op het water sloeg, week het naar links en naar rechts. Zo ging Elisa erdoor. 15. De profetenleerlingen uit Jericho stonden aan de overkant en zagen hem. Zij zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. Zij gingen hem tegemoet en bogen zich voor hem neer tot op de grond. 16. Zij zeiden tegen hem: Kijk, er zijn hier bij uw dienaren 50 sterke mannen. Laat hen toch uw meester gaan zoeken. Misschien heeft de Geest van de HEERE hem opgenomen en ergens op een berg of in een dal neergeworpen. Maar hij zei: Stuur hen niet. 17. Maar zij bleven aandringen, tot hij niet meer kon weigeren. Toen zei hij: Stuur hen dan maar. Zij stuurden 50 mannen. Die zochten drie dagen lang, maar vonden hem niet. 18. Zij kwamen terug bij Elisa, die in Jericho gebleven was. Hij zei tegen hen: Heb ik jullie niet gezegd dat jullie niet moesten gaan? 19. De mannen van de stad zeiden tegen Elisa: Kijk, deze stad ligt mooi, zoals u zelf ziet. Maar het water is slecht en het land is onvruchtbaar. 20. Hij zei: Breng mij een nieuwe schaal en doe er zout in. Zij brachten hem die. 21. Toen ging hij naar de bron en gooide het zout erin. Hij zei: Zo zegt de HEERE: Ik heb dit water gezond gemaakt. Er zal geen dood en geen onvruchtbaarheid meer uit voortkomen. 22. Zo werd het water gezond, tot op de dag van vandaag, zoals Elisa gezegd had. 23. Van daar ging hij naar Bethel. Toen hij de weg omhoog liep, kwamen er jongens uit de stad. Zij bespotten hem en riepen: Ga omhoog, kaalkop! Ga omhoog, kaalkop! 24. Hij draaide zich om, keek naar hen en vervloekte hen in de naam van de HEERE. Toen kwamen er twee beren uit het bos. Die verscheurden 42 van de jongens. 25. Van daar ging hij naar de berg Karmel, en daarvandaan ging hij terug naar Samaria. ## 2 Koningen 3 — Oorlog tegen Moab 1. Joram, de zoon van Achab, werd koning over Israël in Samaria. Dat was in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda. Hij regeerde twaalf jaar. 2. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, maar niet zoals zijn vader en zijn moeder. Hij haalde het opgerichte beeld van Baäl weg, dat zijn vader had gemaakt. 3. Toch bleef hij de zonden doen van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht. Daar hield hij niet mee op. 4. Mesa, de koning van Moab, fokte schapen. Hij moest aan de koning van Israël 100.000 lammeren leveren en 100.000 rammen met hun wol. 5. Maar toen Achab gestorven was, kwam de koning van Moab in opstand tegen de koning van Israël. 6. Toen trok koning Joram uit Samaria weg en riep heel Israël op voor de strijd. 7. Hij liet Josafat, de koning van Juda, vragen: De koning van Moab is tegen mij in opstand gekomen. Gaat u met mij mee ten strijde tegen Moab? Josafat zei: Ik ga mee. Ik ben als u, mijn volk als uw volk, mijn paarden als uw paarden. 8. Josafat vroeg: Langs welke weg zullen wij optrekken? Joram antwoordde: Langs de weg door de woestijn van Edom. 9. Zo trokken de koning van Israël, de koning van Juda en de koning van Edom op. Zij maakten een omweg van zeven dagen. Toen was er geen water meer voor het leger en voor het vee dat met hen meeging. 10. De koning van Israël zei: Ach! De HEERE heeft deze drie koningen bij elkaar geroepen om hen in de macht van Moab te geven! 11. Maar Josafat vroeg: Is hier geen profeet van de HEERE, zodat wij de HEERE door hem kunnen raadplegen? Een van de dienaren van de koning van Israël antwoordde: Elisa, de zoon van Safat, is hier. Hij goot vroeger water over de handen van Elia. 12. Josafat zei: Hij heeft het woord van de HEERE. Toen gingen de koning van Israël, Josafat en de koning van Edom naar hem toe. 13. Maar Elisa zei tegen de koning van Israël: Wat heb ik met u te maken? Ga maar naar de profeten van uw vader en de profeten van uw moeder. De koning van Israël zei: Nee, want de HEERE heeft deze drie koningen hierheen geroepen om hen aan Moab over te leveren. 14. Elisa zei: Zo waar de HEERE van de legermachten leeft, voor wie ik sta: ik heb alleen ontzag voor Josafat, de koning van Juda. Anders zou ik u niet eens aankijken! 15. Maar breng nu een harpspeler bij mij. Terwijl de harpspeler speelde, kwam de hand van de HEERE op Elisa. 16. Hij zei: Zo zegt de HEERE: Graaf in dit dal overal kuilen. 17. Want zo zegt de HEERE: Jullie zullen geen wind zien en geen regen. Toch zal dit dal vol water komen te staan. Dan kunnen jullie drinken, jullie zelf, je vee en je lastdieren. 18. En dat is nog maar een kleinigheid in de ogen van de HEERE. Hij zal ook Moab in jullie macht geven. 19. Jullie zullen alle versterkte steden en alle belangrijke steden veroveren. Jullie zullen alle goede bomen omhakken en alle waterbronnen dichtgooien. Alle goede akkers zullen jullie met stenen bederven. 20. De volgende morgen, op het uur van het graanoffer, kwam er plotseling water uit de richting van Edom. Het hele land kwam vol water te staan. 21. Alle Moabieten hoorden dat de koningen waren opgetrokken om tegen hen te strijden. Daarom werden alle mannen opgeroepen die een wapen konden dragen, jong en oud. Zij stelden zich op bij de grens. 22. Vroeg in de morgen stonden zij op. De zon scheen op het water, en de Moabieten zagen het water aan de overkant rood als bloed. 23. Zij zeiden: Dat is bloed! De koningen hebben elkaar zeker met het zwaard gedood. Moabieten, op naar de buit! 24. Maar toen zij bij het kamp van Israël kwamen, stonden de Israëlieten op en versloegen de Moabieten. Die vluchtten voor hen. De Israëlieten drongen het land binnen en versloegen Moab verder. 25. Zij verwoestten de steden. Iedereen gooide stenen op de goede akkers, tot die helemaal vol lagen. Zij gooiden alle waterbronnen dicht en hakten alle goede bomen om. Alleen de stenen muren van Kir-Hareseth bleven over, maar de slingeraars omsingelden de stad en vielen haar aan. 26. De koning van Moab zag dat hij de strijd verloor. Hij nam 700 mannen met zwaarden mee om door te breken naar de koning van Edom, maar het lukte hun niet. 27. Toen nam hij zijn oudste zoon, die na hem koning zou worden, en offerde hem als brandoffer op de muur. Er kwam grote toorn over Israël. Daarom trokken zij bij hem weg en gingen terug naar hun land. ## 2 Koningen 4 — Wonderen van Elisa 1. De vrouw van een van de profetenleerlingen riep Elisa om hulp. Zij zei: Uw dienaar, mijn man, is gestorven. U weet dat uw dienaar ontzag had voor de HEERE. Nu is de schuldeiser gekomen om mijn twee zonen als slaven mee te nemen. 2. Elisa vroeg haar: Wat kan ik voor je doen? Vertel eens, wat heb je in huis? Zij antwoordde: Uw dienares heeft niets meer in huis, alleen een kruik olie. 3. Hij zei: Ga lege potten lenen bij al je buren. Leen er zoveel mogelijk, niet te weinig. 4. Ga dan naar binnen en sluit de deur achter je en je zonen. Giet olie in al die potten, en zet elke volle pot apart. 5. Zij ging bij hem weg en sloot de deur achter zich en haar zonen. Haar zonen brachten haar de potten, en zij goot ze vol. 6. Toen alle potten vol waren, zei zij tegen haar zoon: Breng mij nog een pot. Maar hij zei: Er is geen pot meer. Toen hield de olie op met stromen. 7. Zij ging het aan de man van God vertellen. Hij zei: Ga de olie verkopen en betaal je schuld. Van wat overblijft, kun je met je zonen leven. 8. Op een dag kwam Elisa door Sunem. Daar woonde een voorname vrouw, die erop aandrong dat hij bij haar kwam eten. Daarna ging hij er elke keer dat hij langskwam naar binnen om te eten. 9. Zij zei tegen haar man: Ik weet zeker dat de man die hier steeds langskomt, een heilige man van God is. 10. Laten wij op het dak een kleine kamer met muren bouwen. Daar zetten wij een bed, een tafel, een stoel en een lamp voor hem neer. Als hij bij ons komt, kan hij daar verblijven. 11. Op een dag kwam hij daar weer. Hij ging naar die bovenkamer en ging er liggen. 12. Hij zei tegen Gehazi, zijn knecht: Roep die vrouw uit Sunem. Gehazi riep haar, en zij kwam bij hem staan. 13. Elisa had tegen Gehazi gezegd: Zeg tegen haar: Je hebt al die moeite voor ons gedaan. Wat kan ik voor je doen? Moet ik een goed woord voor je doen bij de koning of bij de legeraanvoerder? Maar zij zei: Ik woon hier gewoon tussen mijn eigen volk. 14. Hij vroeg: Wat kan ik dan voor haar doen? Gehazi antwoordde: Zij heeft geen zoon, en haar man is oud. 15. Hij zei: Roep haar. Gehazi riep haar, en zij bleef in de deuropening staan. 16. Elisa zei: Volgend jaar rond deze tijd zul je een zoon in je armen houden. Maar zij zei: Nee, mijn heer, man van God, lieg toch niet tegen uw dienares! 17. De vrouw werd zwanger. Het jaar daarop, rond dezelfde tijd, kreeg zij een zoon, zoals Elisa haar gezegd had. 18. Het kind groeide op. Op een dag ging het naar zijn vader, die bij de maaiers was. 19. Het zei tegen zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! De vader zei tegen een knecht: Breng hem naar zijn moeder. 20. De knecht nam hem op en bracht hem naar zijn moeder. Het kind zat tot de middag op haar schoot. Toen stierf het. 21. Zij ging naar boven en legde het op het bed van de man van God. Zij sloot de deur en ging naar buiten. 22. Zij riep haar man en zei: Stuur mij toch een van de knechten en een ezelin. Ik wil snel naar de man van God, en dan kom ik terug. 23. Hij vroeg: Waarom ga je vandaag naar hem toe? Het is geen nieuwe maan en geen sabbat. Zij zei: Het is goed. 24. Zij zadelde de ezelin en zei tegen haar knecht: Rijd door en ga snel verder. Houd niet in, tenzij ik het je zeg. 25. Zo ging zij op weg en kwam bij de man van God op de berg Karmel. Toen de man van God haar in de verte zag, zei hij tegen Gehazi, zijn knecht: Kijk, daar is de vrouw uit Sunem. 26. Loop haar snel tegemoet en vraag haar: Gaat het goed met je? Gaat het goed met je man? Gaat het goed met je kind? Zij zei: Het gaat goed. 27. Toen zij bij de man van God op de berg kwam, greep zij zijn voeten vast. Gehazi kwam naar voren om haar weg te duwen. Maar de man van God zei: Laat haar. Zij is diep bedroefd. De HEERE heeft het voor mij verborgen gehouden en het mij niet verteld. 28. Zij zei: Heb ik mijn heer soms om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: Maak mij geen valse hoop? 29. Hij zei tegen Gehazi: Maak je klaar, neem mijn staf mee en ga. Als je iemand tegenkomt, groet hem niet. Als iemand jou groet, antwoord hem niet. Leg mijn staf op het gezicht van de jongen. 30. Maar de moeder van de jongen zei: Zo waar de HEERE leeft en zo waar u leeft: ik ga niet zonder u weg! Toen stond hij op en ging met haar mee. 31. Gehazi was hen vooruitgegaan en had de staf op het gezicht van de jongen gelegd. Maar er kwam geen geluid en geen teken van leven. Hij ging Elisa tegemoet en vertelde hem: De jongen is niet wakker geworden. 32. Toen Elisa in het huis kwam, lag de jongen dood op zijn bed. 33. Hij ging naar binnen, sloot de deur achter hen beiden en bad tot de HEERE. 34. Hij klom op het bed en ging op het kind liggen. Hij legde zijn mond op de mond van het kind, zijn ogen op zijn ogen en zijn handen op zijn handen. Zo strekte hij zich over hem uit, en het lichaam van het kind werd warm. 35. Daarna stond hij op en liep in het huis heen en weer. Hij klom weer op het bed en strekte zich opnieuw over hem uit. Toen niesde de jongen zeven keer en deed zijn ogen open. 36. Hij riep Gehazi en zei: Roep de vrouw uit Sunem. Gehazi riep haar, en zij kwam bij hem. Hij zei: Neem je zoon maar mee. 37. Zij kwam binnen, viel aan zijn voeten neer en boog zich tot de grond. Toen nam zij haar zoon op en ging naar buiten. 38. Elisa kwam terug in Gilgal. Er was hongersnood in het land, en de profetenleerlingen zaten bij hem. Hij zei tegen zijn knecht: Zet de grote pot op het vuur en kook soep voor de profetenleerlingen. 39. Een van hen ging het veld in om groente te plukken. Hij vond een wilde rank en plukte er wilde kalebassen van, zijn hele kleed vol. Toen hij terugkwam, sneed hij ze in de soeppot, want niemand kende ze. 40. Zij schepten de soep op voor de mannen. Maar toen zij ervan aten, riepen zij: Man van God, er zit dood in de pot! Zij konden het niet eten. 41. Hij zei: Breng dan meel. Hij gooide het in de pot en zei: Schep op voor de mensen, zodat zij kunnen eten. Toen was er niets schadelijks meer in de pot. 42. Er kwam een man uit Baäl-Salisa. Hij bracht de man van God brood van de eerste oogst: twintig gerstebroden en verse korenaren in een zak. Elisa zei: Geef het aan de mensen, zodat zij kunnen eten. 43. Maar zijn dienaar zei: Hoe kan ik dit aan 100 mannen voorzetten? Elisa zei: Geef het aan de mensen, zodat zij kunnen eten. Want zo zegt de HEERE: Zij zullen eten, en er zal overblijven. 44. Hij zette het hun voor. Zij aten, en er bleef over, zoals de HEERE gezegd had. ## 2 Koningen 5 — Naäman wordt genezen 1. Naäman, de legeraanvoerder van de koning van Syrië, was een belangrijk man voor zijn heer en stond in hoog aanzien. Want door hem had de HEERE Syrië de overwinning gegeven. Hij was een dapper strijder, maar hij was melaats. 2. Bij een strooptocht hadden de Syriërs een jong meisje uit Israël gevangengenomen. Zij werd dienares van de vrouw van Naäman. 3. Zij zei tegen haar meesteres: Was mijn heer maar bij de profeet in Samaria! Die zou hem van zijn melaatsheid genezen. 4. Naäman ging naar zijn heer en vertelde hem wat het meisje uit Israël gezegd had. 5. De koning van Syrië zei: Ga er maar heen. Ik zal een brief sturen aan de koning van Israël. Naäman vertrok. Hij nam ongeveer 340 kilo zilver mee, ongeveer 66 kilo goud en tien stel feestkleren. 6. Hij bracht de brief naar de koning van Israël. Daarin stond: Met deze brief stuur ik mijn dienaar Naäman naar u toe. Wilt u hem van zijn melaatsheid genezen? 7. Toen de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn kleren. Hij zei: Ben ik soms God, die kan doden en levend maken? Deze man stuurt iemand naar mij om hem van zijn melaatsheid te genezen! Let op, hij zoekt een aanleiding om ruzie met mij te maken. 8. Elisa, de man van God, hoorde dat de koning van Israël zijn kleren had gescheurd. Hij liet de koning zeggen: Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat hij toch naar mij toe komen. Dan zal hij weten dat er een profeet in Israël is. 9. Zo kwam Naäman met zijn paarden en zijn wagen, en hij bleef staan bij de deur van het huis van Elisa. 10. Elisa stuurde een bode naar hem toe met de boodschap: Ga je zeven keer wassen in de Jordaan. Dan zal je huid genezen, en je zult rein zijn. 11. Maar Naäman werd kwaad en ging weg. Hij zei: Ik dacht dat hij zeker naar buiten zou komen. Ik dacht dat hij zou blijven staan en de naam van de HEERE, zijn God, zou aanroepen. En dat hij zijn hand over de plek zou bewegen en de melaatsheid zou genezen. 12. Zijn de Abana en de Farpar, de rivieren van Damaskus, niet beter dan al het water in Israël? Kan ik mij daarin niet wassen en rein worden? Hij draaide zich om en ging woedend weg. 13. Maar zijn dienaren kwamen naar hem toe en zeiden: Vader, als de profeet u iets moeilijks had opgedragen, had u het dan niet gedaan? Dan zeker nu hij alleen tegen u zegt: Was je, en je zult rein zijn! 14. Toen ging hij naar de Jordaan en dook zeven keer onder, zoals de man van God gezegd had. Zijn huid werd weer als die van een kleine jongen, en hij was rein. 15. Toen ging hij met zijn hele gevolg terug naar de man van God. Hij ging voor hem staan en zei: Nu weet ik dat er op de hele aarde geen God is, behalve in Israël! Neem daarom toch een geschenk aan van uw dienaar. 16. Maar Elisa zei: Zo waar de HEERE leeft, voor wie ik sta: ik neem niets aan! Naäman bleef aandringen dat hij het zou aannemen, maar hij weigerde. 17. Naäman zei: Als dat niet mag, laat mij dan zoveel aarde meenemen als twee muilezels kunnen dragen. Want uw dienaar zal geen brandoffers of slachtoffers meer brengen aan andere goden, alleen aan de HEERE. 18. Maar dit ene moge de HEERE uw dienaar vergeven. Als mijn heer de tempel van Rimmon binnengaat om daar te buigen, leunt hij op mijn arm. Dan moet ik mij ook buigen in de tempel van Rimmon. Moge de HEERE uw dienaar dat vergeven. 19. Elisa zei tegen hem: Ga in vrede. Naäman vertrok en was al een eindje op weg. 20. Toen dacht Gehazi, de knecht van Elisa, de man van God: Mijn heer heeft die Syriër Naäman gespaard. Hij heeft niets aangenomen van wat hij had meegebracht. Maar zo waar de HEERE leeft: ik ga hem achterna en neem iets van hem aan! 21. Zo ging Gehazi Naäman achterna. Toen Naäman zag dat iemand hem achternaliep, sprong hij van zijn wagen, ging hem tegemoet en vroeg: Is alles goed? 22. Hij zei: Alles is goed. Mijn heer heeft mij gestuurd om te zeggen: Kijk, er zijn net twee jonge profetenleerlingen uit het bergland van Efraïm bij mij gekomen. Geef hun toch ongeveer 34 kilo zilver en twee stel feestkleren. 23. Naäman zei: Neem gerust het dubbele. Hij drong aan en bond ongeveer 68 kilo zilver in twee zakken, samen met twee stel feestkleren. Hij gaf ze aan twee van zijn knechten, die ze voor Gehazi uit droegen. 24. Toen Gehazi bij de heuvel kwam, nam hij het van hen over en borg het op in het huis. Hij liet de mannen gaan, en zij vertrokken. 25. Daarna ging hij naar binnen en kwam bij zijn heer staan. Elisa vroeg hem: Waar ben je geweest, Gehazi? Hij zei: Uw dienaar is nergens heen geweest. 26. Maar Elisa zei tegen hem: Was ik er in gedachten niet bij, toen die man van zijn wagen stapte en jou tegemoet kwam? Is dit de tijd om zilver en kleren aan te nemen? Of olijfgaarden, wijngaarden, schapen, runderen, slaven en slavinnen? 27. Daarom zal de melaatsheid van Naäman aan jou blijven kleven, en aan je nakomelingen, voor altijd! Gehazi ging bij hem weg, melaats en wit als sneeuw. ## 2 Koningen 6 — Elisa en de Syriërs 1. De profetenleerlingen zeiden tegen Elisa: Kijk, de plaats waar wij bij u wonen, is te klein voor ons. 2. Laten wij naar de Jordaan gaan. Daar kan ieder van ons een balk halen, en dan bouwen wij daar een plek om te wonen. Hij zei: Ga maar. 3. Een van hen zei: Wilt u toch met uw dienaren meegaan? Hij zei: Ik ga mee. 4. Zo ging hij met hen mee. Toen zij bij de Jordaan kwamen, hakten zij bomen om. 5. Terwijl een van hen een boom velde, viel het ijzer van zijn bijl in het water. Hij riep: Ach, mijn heer! Die bijl was nog wel geleend! 6. De man van God vroeg: Waar is het gevallen? Hij wees hem de plek. Toen sneed Elisa een stuk hout af en gooide het daarheen. Toen kwam het ijzer boven drijven. 7. Hij zei: Pak het maar. De man stak zijn hand uit en pakte het. 8. De koning van Syrië voerde oorlog tegen Israël. Hij overlegde met zijn dienaren en zei: Op die en die plaats sla ik mijn kamp op. 9. Maar de man van God liet de koning van Israël zeggen: Trek niet langs die plaats, want de Syriërs komen daar naartoe. 10. De koning van Israël stuurde mannen naar de plaats waarvoor de man van God hem gewaarschuwd had. Zo was hij daar op zijn hoede, en dat niet één of twee keer. 11. De koning van Syrië raakte daardoor erg verontrust. Hij riep zijn dienaren bij zich en vroeg: Wie van ons staat aan de kant van de koning van Israël? Zeg het mij! 12. Een van zijn dienaren zei: Niemand, mijn heer de koning! Maar Elisa, de profeet in Israël, vertelt de koning van Israël zelfs wat u in uw slaapkamer zegt. 13. De koning zei: Ga kijken waar hij is, dan laat ik hem halen. Men vertelde hem: Hij is in Dothan. 14. Toen stuurde hij paarden, wagens en een groot leger daarheen. Zij kwamen 's nachts en omsingelden de stad. 15. De dienaar van de man van God stond heel vroeg op en ging naar buiten. Hij zag dat een leger met paarden en wagens de stad omsingeld had. Hij zei tegen Elisa: Ach, mijn heer, wat moeten wij doen? 16. Elisa zei: Wees niet bang. Er zijn er meer bij ons dan bij hen. 17. Elisa bad: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij kan zien! De HEERE opende de ogen van de jongen, en hij zag het. De berg rondom Elisa was vol paarden en wagens van vuur. 18. Toen de Syriërs op hem afkwamen, bad Elisa tot de HEERE: Sla deze mensen toch met blindheid. De HEERE sloeg hen met blindheid, zoals Elisa gevraagd had. 19. Elisa zei tegen hen: Dit is niet de goede weg en niet de goede stad. Volg mij, dan breng ik jullie naar de man die jullie zoeken. Hij bracht hen naar Samaria. 20. Toen zij in Samaria gekomen waren, zei Elisa: HEERE, open de ogen van deze mannen, zodat zij kunnen zien! De HEERE opende hun ogen, en zij zagen dat zij midden in Samaria waren. 21. Toen de koning van Israël hen zag, vroeg hij Elisa: Zal ik hen doden? Zal ik hen doden, mijn vader? 22. Maar Elisa zei: Nee, dat moet u niet doen. Zou u mensen doden die u zelf met uw zwaard en boog gevangen hebt? Geef hun brood en water. Laat hen eten en drinken en dan teruggaan naar hun heer. 23. De koning liet een groot feestmaal voor hen klaarmaken. Zij aten en dronken, en daarna liet hij hen gaan. Zij gingen terug naar hun heer. Daarna kwamen er geen Syrische benden meer in het land van Israël. 24. Enige tijd later riep Benhadad, de koning van Syrië, zijn hele leger bijeen. Hij trok op en belegerde Samaria. 25. Door die belegering ontstond er een grote hongersnood in Samaria. Een ezelskop kostte bijna een kilo zilver, en een kwart liter duivenmest ongeveer 55 gram zilver. 26. Toen de koning eens over de stadsmuur liep, riep een vrouw naar hem: Help mij, mijn heer de koning! 27. Hij zei: Als de HEERE je niet helpt, hoe kan ik je dan helpen? Met graan van de dorsvloer of met wijn uit de pers? 28. De koning vroeg haar: Wat is er met je? Zij zei: Deze vrouw zei tegen mij: Geef je zoon, dan eten wij hem vandaag op. Morgen eten wij dan mijn zoon. 29. Toen hebben wij mijn zoon gekookt en opgegeten. De volgende dag zei ik tegen haar: Geef je zoon, dan eten wij hem op. Maar zij heeft haar zoon verstopt. 30. Toen de koning hoorde wat de vrouw zei, scheurde hij zijn kleren. Hij liep over de muur, en het volk zag dat hij onder zijn kleren een rouwkleed op zijn lichaam droeg. 31. Hij zei: God mag mij zwaar straffen als het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, vandaag nog op zijn romp blijft! 32. Elisa zat in zijn huis, en de oudsten zaten bij hem. De koning stuurde een man voor zich uit. Maar voordat de bode aankwam, zei Elisa tegen de oudsten: Zien jullie hoe die moordenaarszoon iemand stuurt om mijn hoofd af te hakken? Let op: als de bode komt, doe dan de deur dicht en houd hem tegen. Hoor ik zijn heer daar niet al achter hem aan komen? 33. Terwijl hij nog met hen sprak, kwam de bode al bij hem. De koning zei: Kijk, deze ellende komt van de HEERE. Waarom zou ik nog langer op de HEERE wachten? ## 2 Koningen 7 — De Syriërs vluchten 1. Elisa zei: Luister naar het woord van de HEERE. Zo zegt de HEERE: Morgen rond deze tijd kost in de poort van Samaria 7 liter fijn meel ongeveer 11 gram zilver. Voor datzelfde bedrag koop je dan 14 liter gerst. 2. Maar de officier op wiens arm de koning leunde, reageerde. Hij zei tegen de man van God: Zelfs als de HEERE ramen in de hemel maakte, kan dat dan gebeuren? Elisa zei: Je zult het met eigen ogen zien, maar je zult er niet van eten. 3. Bij de ingang van de stadspoort zaten vier melaatse mannen. Zij zeiden tegen elkaar: Waarom blijven wij hier zitten tot wij sterven? 4. Als wij de stad in gaan, sterven wij daar van de honger. Als wij hier blijven, sterven wij ook. Laten wij daarom naar het kamp van de Syriërs gaan. Als zij ons laten leven, dan leven wij. Als zij ons doden, dan sterven wij maar. 5. Bij het vallen van de avond stonden zij op om naar het kamp van de Syriërs te gaan. Toen zij bij de rand van het kamp kwamen, was er niemand. 6. Want de HEERE had het Syrische leger een geluid laten horen van wagens en paarden, het geluid van een groot leger. Toen zeiden zij tegen elkaar: Kijk, de koning van Israël heeft de koningen van de Hethieten en van Egypte ingehuurd om ons aan te vallen! 7. Daarom waren zij bij het vallen van de avond gevlucht. Zij lieten hun tenten, paarden en ezels achter, en het kamp zoals het was. Zij waren gevlucht om hun leven te redden. 8. Toen deze melaatsen bij de rand van het kamp kwamen, gingen zij een tent binnen. Zij aten en dronken en namen zilver, goud en kleren mee. Die gingen zij verstoppen. Daarna kwamen zij terug, gingen een andere tent binnen, namen daar ook dingen uit en verstopten die. 9. Toen zeiden zij tegen elkaar: Wij doen niet goed. Vandaag is een dag van goed nieuws, en wij houden het voor ons. Als wij wachten tot het licht wordt, zal de straf ons treffen. Kom, laten wij het in het paleis van de koning gaan vertellen. 10. Zij gingen naar de stad, riepen de poortwachters en vertelden hun: Wij zijn in het kamp van de Syriërs geweest. Er was niemand, en er was geen mens te horen. Alleen de paarden en ezels stonden vastgebonden, en de tenten stonden er nog zoals ze waren. 11. De poortwachters riepen het door, en het nieuws werd binnen in het paleis van de koning verteld. 12. De koning stond midden in de nacht op en zei tegen zijn dienaren: Ik zal jullie vertellen wat de Syriërs met ons van plan zijn. Zij weten dat wij honger hebben. Daarom hebben zij het kamp verlaten en zich in het veld verstopt. Zij denken: Als zij de stad uit komen, grijpen wij hen levend en gaan wij de stad binnen. 13. Een van zijn dienaren antwoordde: Laten wij vijf van de paarden nemen die hier nog over zijn. Het vergaat hun toch net als alle Israëlieten die hier nog zijn, of die al zijn omgekomen. Laten wij hen sturen om te kijken. 14. Zij namen twee wagens met paarden. De koning stuurde hen achter het Syrische leger aan en zei: Ga kijken wat er aan de hand is. 15. Zij volgden hen tot aan de Jordaan. De hele weg lag vol met kleren en spullen die de Syriërs in hun haast hadden weggegooid. De boden gingen terug en vertelden het aan de koning. 16. Toen trok het volk de stad uit en plunderde het kamp van de Syriërs. Voor ongeveer 11 gram zilver kon je 7 liter fijn meel kopen, of 14 liter gerst, zoals de HEERE gezegd had. 17. De koning had de officier op wiens arm hij leunde, het toezicht over de poort gegeven. Maar het volk vertrapte hem in de poort, zodat hij stierf. Zo gebeurde wat de man van God gezegd had, toen de koning bij hem kwam. 18. Want de man van God had het de koning voorzegd. Hij had gezegd: Morgen rond deze tijd kost in de poort van Samaria 14 liter gerst ongeveer 11 gram zilver. Zoveel kost dan ook 7 liter fijn meel. 19. De officier had de man van God geantwoord: Zelfs als de HEERE ramen in de hemel maakte, kan dat dan gebeuren? En Elisa had gezegd: Je zult het met eigen ogen zien, maar je zult er niet van eten. 20. Zo is het hem ook gegaan. Het volk vertrapte hem in de poort, en hij stierf. ## 2 Koningen 8 — Hazaël en de koningen van Juda 1. Elisa had gesproken met de vrouw van wie hij de zoon weer levend had gemaakt. Hij had gezegd: Ga weg met je gezin. Ga als vreemdeling wonen waar je maar kunt. Want de HEERE laat een hongersnood komen, en die zal zeven jaar in het land duren. 2. De vrouw had gedaan wat de man van God gezegd had. Zij was met haar gezin vertrokken en had zeven jaar als vreemdeling in het land van de Filistijnen gewoond. 3. Na die zeven jaar kwam de vrouw terug uit het land van de Filistijnen. Zij ging naar de koning om haar huis en haar land terug te vragen. 4. De koning was op dat moment in gesprek met Gehazi, de knecht van de man van God. Hij zei: Vertel mij toch over alle grote dingen die Elisa gedaan heeft. 5. Gehazi vertelde de koning net hoe Elisa een dode weer levend had gemaakt. Juist toen kwam de vrouw van wie hij de zoon levend had gemaakt, de koning om haar huis en haar land vragen. Gehazi zei: Mijn heer de koning, dit is de vrouw, en dit is haar zoon, die Elisa levend heeft gemaakt. 6. De koning ondervroeg de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een hofbeambte mee en zei: Zorg dat zij alles terugkrijgt wat van haar was. Geef haar ook alle opbrengst van haar land, vanaf de dag dat zij het land verliet tot nu. 7. Elisa kwam in Damaskus, toen Benhadad, de koning van Syrië, ziek was. Men vertelde de koning: De man van God is hierheen gekomen. 8. De koning zei tegen Hazaël: Neem een geschenk mee en ga de man van God tegemoet. Vraag door hem aan de HEERE: Zal ik van deze ziekte genezen? 9. Hazaël ging hem tegemoet. Hij nam een geschenk mee, het beste van Damaskus, een vracht voor 40 kamelen. Hij ging voor Elisa staan en zei: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij naar u gestuurd. Hij vraagt: Zal ik van deze ziekte genezen? 10. Elisa zei tegen hem: Ga naar hem toe en zeg: U zult zeker genezen. Maar de HEERE heeft mij laten zien dat hij zeker zal sterven. 11. Elisa keek hem strak aan, zo lang dat Hazaël er verlegen van werd. Toen begon de man van God te huilen. 12. Hazaël vroeg: Waarom huilt mijn heer? Elisa antwoordde: Omdat ik weet hoeveel kwaad jij de Israëlieten zult aandoen. Je zult hun vestingen in brand steken en hun jonge mannen met het zwaard doden. Je zult hun kleine kinderen verpletteren en hun zwangere vrouwen openrijten. 13. Hazaël zei: Maar wie is uw dienaar, die niet meer is dan een hond? Hoe zou hij zulke grote dingen doen? Elisa zei: De HEERE heeft mij laten zien dat jij koning over Syrië wordt. 14. Hazaël ging bij Elisa weg en kwam bij zijn heer. Die vroeg hem: Wat heeft Elisa tegen je gezegd? Hij antwoordde: Hij heeft mij gezegd dat u zeker zult genezen. 15. Maar de volgende dag nam Hazaël een deken, doopte die in water en spreidde die over het gezicht van de koning uit. Zo stierf de koning, en Hazaël werd koning in zijn plaats. 16. In het vijfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, werd Jehoram koning. Hij was de zoon van Josafat, die toen nog koning van Juda was. 17. Hij was 32 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar in Jeruzalem. 18. Hij volgde de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab gedaan had. Want hij was getrouwd met een dochter van Achab. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. 19. Toch wilde de HEERE Juda niet vernietigen, omwille van David, Zijn dienaar. Hij had hem beloofd dat hij en zijn zonen altijd een lamp zouden hebben. 20. In zijn tijd kwam Edom in opstand tegen de heerschappij van Juda. Zij kozen een eigen koning. 21. Daarom trok Joram met al zijn wagens naar Zaïr. Midden in de nacht stond hij op en versloeg de Edomieten die hem omsingeld hadden, en ook de aanvoerders van de wagens. Maar het volk vluchtte naar zijn tenten. 22. Toch bleef Edom onafhankelijk van Juda, tot op de dag van vandaag. In diezelfde tijd kwam ook Libna in opstand. 23. Wat verder over Joram te vertellen is en alles wat hij gedaan heeft, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 24. Joram ging bij zijn voorouders te ruste en werd bij hen begraven in de stad van David. Zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats. 25. In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, werd Ahazia koning. Hij was de zoon van Jehoram, de koning van Juda. 26. Ahazia was 22 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde één jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Athalia; zij was een dochter van Omri, de koning van Israël. 27. Hij volgde de weg van het huis van Achab. Net als dat huis deed hij wat slecht was in de ogen van de HEERE. Want hij was een schoonzoon van dat huis. 28. Hij trok met Joram, de zoon van Achab, ten strijde tegen Hazaël, de koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead. Daar verwondden de Syriërs Joram. 29. Koning Joram ging terug naar Jizreël om te genezen van de wonden die de Syriërs hem bij Rama hadden toegebracht. Dat was in de strijd tegen Hazaël, de koning van Syrië. Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, ging naar Jizreël om Joram te bezoeken, want die was ziek. ## 2 Koningen 9 — Jehu wordt koning 1. De profeet Elisa riep een van de profetenleerlingen bij zich. Hij zei tegen hem: Maak je klaar, neem dit kruikje olie mee en ga naar Ramoth in Gilead. 2. Als je daar bent, zoek dan Jehu op, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga naar binnen, laat hem opstaan uit het midden van zijn kameraden en breng hem naar een aparte kamer. 3. Neem dan het kruikje olie, giet het over zijn hoofd uit en zeg: Zo zegt de HEERE: Ik heb je gezalfd tot koning over Israël. Doe daarna de deur open en vlucht, zonder te wachten. 4. Zo ging de jonge profeet naar Ramoth in Gilead. 5. Toen hij binnenkwam, zaten daar de legeraanvoerders. Hij zei: Ik heb een boodschap voor u, commandant. Jehu vroeg: Voor wie van ons allen? Hij zei: Voor u, commandant. 6. Jehu stond op en ging het huis binnen. De jonge profeet goot de olie over zijn hoofd uit. Hij zei tegen hem: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ik heb je gezalfd tot koning over Israël, het volk van de HEERE. 7. Je zult het huis van Achab, je heer, verslaan. Zo wreek ik het bloed van mijn dienaren, de profeten, en het bloed van alle dienaren van de HEERE, dat Izebel vergoten heeft. 8. Het hele huis van Achab zal omkomen. Ik zal in Israël elke man van Achab uitroeien, slaaf en vrije. 9. Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat. Het wordt als het huis van Baësa, de zoon van Ahia. 10. De honden zullen Izebel opeten op het stuk land van Jizreël, en niemand zal haar begraven. Daarna deed hij de deur open en vluchtte. 11. Jehu ging naar buiten, naar de dienaren van zijn heer. Zij vroegen hem: Is alles goed? Waarom kwam die dwaas naar je toe? Hij zei tegen hen: Jullie kennen die man wel en zijn gepraat. 12. Maar zij zeiden: Dat is niet waar. Vertel het ons toch! Hij zei: Zo en zo heeft hij tegen mij gesproken. Hij zei: Zo zegt de HEERE: Ik heb je gezalfd tot koning over Israël. 13. Toen haastten zij zich. Ieder nam zijn mantel en legde die onder hem op de kale treden. Zij bliezen op de bazuin en riepen: Jehu is koning! 14. Zo smeedde Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, een samenzwering tegen Joram. Joram had met heel Israël Ramoth in Gilead verdedigd tegen Hazaël, de koning van Syrië. 15. Maar koning Joram was teruggegaan naar Jizreël. Daar wilde hij genezen van de wonden die de Syriërs hem hadden toegebracht in de strijd tegen Hazaël. Jehu zei: Als jullie het met mij eens zijn, laat dan niemand de stad uit ontsnappen om het in Jizreël te vertellen. 16. Toen reed Jehu naar Jizreël, want Joram lag daar ziek. Ahazia, de koning van Juda, was daarheen gekomen om Joram te bezoeken. 17. De wachter stond op de toren van Jizreël en zag de troep van Jehu aankomen. Hij riep: Ik zie een troep mannen! Joram zei: Neem een ruiter en stuur hem hun tegemoet. Laat hem vragen: Is er vrede? 18. De ruiter reed hun tegemoet en zei: Zo zegt de koning: Is er vrede? Jehu zei: Wat heb jij met vrede te maken? Ga achter mij rijden. De wachter meldde: De bode is bij hen gekomen, maar hij komt niet terug. 19. Toen stuurde Joram een tweede ruiter. Die kwam bij hen en zei: Zo zegt de koning: Is er vrede? Jehu zei: Wat heb jij met vrede te maken? Ga achter mij rijden. 20. De wachter meldde: Hij is bij hen gekomen, maar hij komt niet terug. En dat rijden lijkt op het rijden van Jehu, de zoon van Nimsi, want hij rijdt als een waanzinnige. 21. Joram zei: Span in! Men spande zijn wagen in. Joram, de koning van Israël, en Ahazia, de koning van Juda, reden ieder in hun eigen wagen naar buiten. Zij gingen Jehu tegemoet en troffen hem op het stuk land van Naboth uit Jizreël. 22. Toen Joram Jehu zag, vroeg hij: Is er vrede, Jehu? Maar hij zei: Wat voor vrede kan er zijn, zolang de afgoderij van je moeder Izebel en haar toverij zo groot zijn? 23. Toen keerde Joram om en vluchtte. Hij riep naar Ahazia: Verraad, Ahazia! 24. Maar Jehu spande zijn boog met volle kracht en schoot Joram tussen zijn schouders. De pijl ging dwars door zijn hart, en hij zakte in elkaar in zijn wagen. 25. Jehu zei tegen Bidkar, zijn officier: Pak hem op en gooi hem op het stuk land van Naboth uit Jizreël. Weet je nog dat wij samen achter zijn vader Achab reden? Toen sprak de HEERE deze uitspraak over hem: 26. Zo zegt de HEERE: Gisteren heb ik het bloed van Naboth en het bloed van zijn zonen gezien. Op dit stuk land zal ik het je vergelden, spreekt de HEERE. Pak hem dus op en gooi hem op dat stuk land, zoals de HEERE gezegd heeft. 27. Toen Ahazia, de koning van Juda, dat zag, vluchtte hij langs de weg naar het huis in de tuin. Jehu achtervolgde hem en riep: Schiet hem ook neer in zijn wagen! Dat gebeurde bij de helling van Gur, bij Jibleam. Ahazia vluchtte naar Megiddo en stierf daar. 28. Zijn dienaren brachten hem naar Jeruzalem. Zij begroeven hem in zijn graf bij zijn voorouders, in de stad van David. 29. Ahazia was koning over Juda geworden in het elfde jaar van Joram, de zoon van Achab. 30. Jehu kwam in Jizreël aan. Toen Izebel dat hoorde, maakte zij haar ogen op, verzorgde haar haar en keek uit het raam. 31. Toen Jehu de poort binnenkwam, zei zij: Is er vrede, Zimri, moordenaar van je heer? 32. Hij keek omhoog naar het raam en riep: Wie staat er aan mijn kant? Wie? Toen keken twee of drie hovelingen naar hem. 33. Hij zei: Gooi haar naar beneden! Zij gooiden haar naar beneden. Haar bloed spatte tegen de muur en tegen de paarden, en hij reed over haar heen. 34. Hij ging naar binnen, at en dronk. Toen zei hij: Zorg voor die vervloekte vrouw en begraaf haar, want zij is een dochter van een koning. 35. Zij gingen haar begraven, maar zij vonden niets meer van haar dan haar schedel, haar voeten en haar handen. 36. Zij kwamen terug en vertelden het hem. Hij zei: Dit is het woord van de HEERE, dat Hij gesproken heeft door Zijn dienaar Elia, de Thisbiet. Hij zei: Op het stuk land van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten. 37. Het lichaam van Izebel zal als mest op het veld liggen, op het stuk land van Jizreël. Niemand zal kunnen zeggen: Dit is Izebel. ## 2 Koningen 10 — Jehu roeit het huis van Achab uit 1. Achab had 70 zonen in Samaria. Jehu schreef brieven en stuurde die naar Samaria, naar de bestuurders van Jizreël, de oudsten en de opvoeders van de zonen van Achab. Hij schreef: 2. Zodra deze brief bij u komt, geldt dit. Bij u zijn de zonen van uw heer, en ook de wagens en de paarden, een vestingstad en wapens. 3. Kies dan de beste en de meest geschikte van de zonen van uw heer. Zet hem op de troon van zijn vader en strijd voor het huis van uw heer. 4. Maar zij werden heel erg bang en zeiden: Twee koningen konden hem al niet weerstaan. Hoe zouden wij dan standhouden? 5. De hofmeester, de stadsbestuurder, de oudsten en de opvoeders stuurden Jehu dit bericht: Wij zijn uw dienaren. Alles wat u ons zegt, zullen wij doen. Wij maken niemand koning. Doe wat goed is in uw ogen. 6. Toen schreef hij hun een tweede brief: Staat u aan mijn kant en luistert u naar mij? Neem dan de hoofden van de zonen van uw heer. Kom er morgen om deze tijd mee naar Jizreël. De 70 zonen van de koning waren bij de vooraanstaande mannen van de stad, die hen opvoedden. 7. Toen de brief bij hen kwam, namen zij de zonen van de koning en doodden hen, 70 man. Zij legden hun hoofden in manden en stuurden die naar Jehu in Jizreël. 8. Een bode kwam het hem vertellen: Zij hebben de hoofden van de zonen van de koning gebracht. Hij zei: Leg ze tot morgen in twee hopen bij de ingang van de poort. 9. De volgende morgen ging hij naar buiten. Hij bleef staan en zei tegen het hele volk: Jullie zijn onschuldig. Ik heb een samenzwering tegen mijn heer gesmeed en hem gedood. Maar wie heeft al deze mannen gedood? 10. Weet dan dat niets van het woord van de HEERE over het huis van Achab onvervuld blijft. De HEERE heeft gedaan wat Hij door Zijn dienaar Elia gezegd heeft. 11. Daarna doodde Jehu iedereen die in Jizreël nog over was van het huis van Achab. Ook zijn vooraanstaande mannen, zijn vertrouwelingen en zijn priesters doodde hij. Hij liet niemand over. 12. Toen ging hij op weg naar Samaria. Onderweg kwam hij bij Beth-Heked van de herders. 13. Daar trof Jehu de broers van Ahazia, de koning van Juda. Hij vroeg: Wie zijn jullie? Zij zeiden: Wij zijn de broers van Ahazia. Wij gaan de zonen van de koning en de zonen van de koningin begroeten. 14. Hij zei: Grijp hen levend! Zij grepen hen levend en doodden hen bij de put van Beth-Heked, 42 man. Hij liet niemand van hen over. 15. Toen hij vandaar verder ging, kwam hij Jonadab tegen, de zoon van Rechab, die hem begroette. Hij vroeg hem: Ben jij mij even toegedaan als ik jou ben? Jonadab zei: Ja, dat ben ik. Jehu zei: Geef mij dan je hand. Hij gaf hem zijn hand, en Jehu liet hem bij zich op de wagen klimmen. 16. Hij zei: Ga met mij mee en zie hoe ik mij inzet voor de HEERE. Zo reed Jonadab met hem mee op zijn wagen. 17. Toen hij in Samaria kwam, doodde hij iedereen die daar nog van Achab over was. Zo roeide hij het huis van Achab uit, zoals de HEERE tegen Elia gezegd had. 18. Jehu riep het hele volk bijeen en zei tegen hen: Achab heeft Baäl maar weinig gediend. Jehu zal hem veel meer dienen. 19. Roep daarom alle profeten van Baäl bij mij, al zijn dienaren en al zijn priesters. Niemand mag ontbreken, want ik breng een groot offer aan Baäl. Wie ontbreekt, blijft niet leven. Maar Jehu deed dit met list, om de dienaren van Baäl te doden. 20. Verder zei Jehu: Kondig een heilige samenkomst voor Baäl af. En zij riepen die uit. 21. Jehu stuurde boden door heel Israël. Alle dienaren van Baäl kwamen; er bleef er niet één weg. Zij kwamen in de tempel van Baäl, en die raakte vol van de ene kant tot de andere. 22. Toen zei hij tegen de man die over de kleedkamer ging: Haal de gewaden tevoorschijn voor alle dienaren van Baäl. En hij haalde de gewaden voor hen tevoorschijn. 23. Jehu ging met Jonadab, de zoon van Rechab, de tempel van Baäl binnen. Hij zei tegen de dienaren van Baäl: Kijk goed rond dat hier geen dienaar van de HEERE bij jullie is, maar alleen dienaren van Baäl. 24. Zij gingen naar binnen om slachtoffers en brandoffers te brengen. Buiten had Jehu 80 mannen opgesteld. Hij had gezegd: Als een van de mannen die ik aan jullie toevertrouw ontkomt, dan betaalt de bewaker dat met zijn eigen leven. 25. Toen het brandoffer klaar was, zei Jehu tegen de wachters en de officieren: Ga naar binnen en dood hen. Laat niemand ontkomen! Zij doodden hen met het zwaard. De wachters en de officieren gooiden hun lichamen naar buiten. Daarna gingen zij door tot het binnenste van de tempel van Baäl. 26. Zij haalden de opgerichte beelden uit de tempel van Baäl en verbrandden ze. 27. Zij braken ook het opgerichte beeld van Baäl af. De tempel van Baäl braken zij af en maakten er een openbaar toilet van, tot op de dag van vandaag. 28. Zo maakte Jehu een einde aan de dienst van Baäl in Israël. 29. Maar Jehu brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht. De gouden kalveren in Bethel en in Dan bleven staan. 30. De HEERE zei tegen Jehu: Je hebt goed gedaan wat juist is in mijn ogen. Je hebt met het huis van Achab gedaan wat ik wilde. Daarom zullen je zonen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zitten. 31. Maar Jehu hield zich niet met zijn hele hart aan de wet van de HEERE, de God van Israël. Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, die Israël tot zonde had gebracht. 32. In die tijd begon de HEERE stukken van Israël af te snijden. Hazaël versloeg hen in het hele gebied van Israël. 33. Het ging om het hele land van Gilead ten oosten van de Jordaan. Dat was het gebied van de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten, vanaf Aroer aan de beek Arnon, en ook Gilead en Basan. 34. Wat verder over Jehu en zijn macht te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 35. Jehu ging bij zijn voorouders te ruste, en men begroef hem in Samaria. Zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats. 36. Jehu heeft 28 jaar over Israël geregeerd, in Samaria. ## 2 Koningen 11 — Athalia en de kroning van Joas 1. Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, liet zij de hele koninklijke familie ombrengen. 2. Maar Joseba, de dochter van koning Joram en de zus van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, weg. Zij haalde hem weg tussen de zonen van de koning die gedood werden. Zij verborg hem met zijn voedster in een slaapkamer. Zo hielden zij hem verborgen voor Athalia, en hij werd niet gedood. 3. Hij bleef zes jaar bij haar verborgen in het huis van de HEERE, terwijl Athalia over het land regeerde. 4. In het zevende jaar liet Jojada de bevelhebbers over 100 man komen, met de lijfwacht en de wachters. Hij bracht hen bij zich in het huis van de HEERE. Daar sloot hij een verbond met hen en liet hen zweren. Toen liet hij hun de zoon van de koning zien. 5. Hij gaf hun bevel: Dit moeten jullie doen. Een derde van jullie, die op de sabbat aantreden, houdt de wacht bij het paleis van de koning. 6. Een derde staat bij de Surpoort, en een derde bij de poort achter de wachters. Zo houden jullie om de beurt de wacht bij dit huis. 7. De twee andere groepen, die op de sabbat aflossen, houden de wacht bij het huis van de HEERE, rondom de koning. 8. Jullie moeten de koning omringen, ieder met zijn wapens in de hand. Wie door de rijen heen wil breken, moet gedood worden. Blijf bij de koning, waar hij ook gaat. 9. De bevelhebbers over 100 man deden alles wat de priester Jojada bevolen had. Ieder nam zijn mannen mee, zowel die op de sabbat aantraden als die aflosten. Zo kwamen zij bij de priester Jojada. 10. De priester gaf de bevelhebbers de speren en de schilden van koning David, die in het huis van de HEERE lagen. 11. De wachters gingen staan, ieder met zijn wapens in de hand. Zij stonden van de rechterkant tot de linkerkant van het huis, bij het altaar en bij het huis, rondom de koning. 12. Toen bracht Jojada de zoon van de koning naar buiten. Hij zette hem de kroon op en gaf hem het getuigenis. Zij maakten hem koning en zalfden hem. Zij klapten in hun handen en riepen: Leve de koning! 13. Athalia hoorde het geluid van de wachters en het volk. Zij kwam naar het volk toe in het huis van de HEERE. 14. Zij keek, en daar stond de koning bij de zuil, zoals het hoorde. De bevelhebbers en de trompetters stonden bij de koning. Het hele volk van het land was blij en blies op de trompetten. Toen scheurde Athalia haar kleren en riep: Verraad, verraad! 15. Maar de priester Jojada gaf bevel aan de bevelhebbers over 100 man, die over het leger gingen. Hij zei tegen hen: Breng haar naar buiten, buiten de rijen. Dood met het zwaard wie haar volgt. Want de priester had gezegd dat zij niet in het huis van de HEERE gedood mocht worden. 16. Zij grepen haar. Zij ging door de ingang waar de paarden het paleis binnenkomen, en daar werd zij gedood. 17. Jojada sloot een verbond tussen de HEERE, de koning en het volk: zij zouden een volk voor de HEERE zijn. Hij sloot ook een verbond tussen de koning en het volk. 18. Daarna ging het hele volk van het land naar de tempel van Baäl en brak die af. Zij sloegen de altaren en de beelden helemaal stuk. Mattan, de priester van Baäl, doodden zij voor de altaren. De priester stelde weer wachtposten aan bij het huis van de HEERE. 19. Hij nam de bevelhebbers over 100 man, de lijfwacht, de wachters en het hele volk van het land mee. Zij brachten de koning uit het huis van de HEERE naar beneden. Zij gingen door de poort van de wachters naar het paleis, en hij ging op de troon van de koningen zitten. 20. Het hele volk van het land was blij, en de stad bleef rustig. Athalia hadden zij met het zwaard gedood bij het paleis. 21. Joas was zeven jaar oud toen hij koning werd. ## 2 Koningen 12 — Joas herstelt het huis van de HEERE 1. In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning. Hij regeerde 40 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Zibja; zij kwam uit Berseba. 2. Joas deed wat juist was in de ogen van de HEERE, zolang de priester Jojada hem onderwees. 3. Alleen werden de offerhoogten niet weggehaald. Het volk bleef daar offeren en reukwerk branden. 4. Joas zei tegen de priesters: Al het geld van de heilige gaven dat in het huis van de HEERE binnenkomt, hoort bij elkaar. Dat is het geld van de telling, het geld dat ieder voor zichzelf moet betalen, en elke gift die iemand uit zichzelf brengt. 5. De priesters mogen dat geld aannemen, ieder van de mensen die hij kent. Maar zij moeten er de schade aan het huis mee herstellen, overal waar schade gevonden wordt. 6. Maar in het drieëntwintigste jaar van koning Joas hadden de priesters de schade aan het huis nog niet hersteld. 7. Toen riep koning Joas de priester Jojada en de andere priesters bij zich. Hij zei tegen hen: Waarom herstellen jullie de schade aan het huis niet? Neem voortaan geen geld meer aan van de mensen die jullie kennen. Geef het af voor het herstel van het huis. 8. De priesters stemden ermee in. Zij zouden geen geld meer van het volk aannemen, en de schade aan het huis niet zelf herstellen. 9. De priester Jojada nam een kist en boorde een gat in het deksel. Hij zette die naast het altaar, rechts van de ingang van het huis van de HEERE. De priesters die de drempel bewaakten, deden daar al het geld in dat in het huis van de HEERE werd gebracht. 10. Als zij zagen dat er veel geld in de kist zat, kwamen de schrijver van de koning en de hogepriester. Zij deden het geld in zakken en telden het geld dat in het huis van de HEERE gevonden werd. 11. Zij gaven het afgewogen geld aan de opzichters van het werk aan het huis van de HEERE. Die betaalden er de timmerlieden en de bouwers mee die aan het huis van de HEERE werkten. 12. Ook de metselaars en de steenhouwers werden ervan betaald. Er werd hout en gehouwen steen van gekocht om de schade aan het huis van de HEERE te herstellen, en alles wat verder nodig was. 13. Van dit geld werden voor het huis van de HEERE geen zilveren schalen gemaakt. Ook kwamen er geen messen, sprengbekkens, trompetten of gouden en zilveren voorwerpen van. 14. Het werd alleen aan de werklieden gegeven, en zij herstelden er het huis van de HEERE mee. 15. De mannen die het geld kregen om de werklieden te betalen, hoefden geen rekening af te leggen, want zij gingen er eerlijk mee om. 16. Het geld van het schuldoffer en het geld van het zondoffer kwam niet in het huis van de HEERE. Dat was voor de priesters. 17. In die tijd trok Hazaël, de koning van Syrië, op tegen Gath en nam de stad in. Daarna wilde hij ook tegen Jeruzalem optrekken. 18. Maar Joas, de koning van Juda, nam alle heilige gaven die zijn voorouders Josafat, Joram en Ahazia, de koningen van Juda, gewijd hadden. Ook zijn eigen heilige gaven nam hij, en al het goud uit de schatkamers van het huis van de HEERE en van het paleis. Dat stuurde hij naar Hazaël, de koning van Syrië. Toen trok die weg van Jeruzalem. 19. Wat verder over Joas te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 20. Zijn dienaren kwamen in opstand en smeedden een samenzwering. Zij doodden Joas in het huis van Millo, op de weg die naar Silla afdaalt. 21. Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, waren zijn dienaren; zij doodden hem. Men begroef hem bij zijn voorouders in de stad van David. Zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats. ## 2 Koningen 13 — Joahaz en Joas van Israël; de dood van Elisa 1. In het drieëntwintigste jaar van Joas, de zoon van Ahazia, de koning van Juda, werd Joahaz koning over Israël in Samaria. Hij was de zoon van Jehu en regeerde zeventien jaar. 2. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij volgde de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht. Daar brak hij niet mee. 3. Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël. Hij gaf hen al die tijd in de macht van Hazaël, de koning van Syrië, en van Benhadad, de zoon van Hazaël. 4. Maar Joahaz smeekte de HEERE om hulp, en de HEERE verhoorde hem. Want Hij zag hoe de koning van Syrië Israël onderdrukte. 5. De HEERE gaf Israël een redder, zodat zij uit de macht van de Syriërs kwamen. De Israëlieten woonden weer in hun tenten, zoals vroeger. 6. Toch braken zij niet met de zonden van het huis van Jerobeam, die Israël tot zonde had gebracht. Zij bleven daarin leven, en de gewijde paal bleef ook in Samaria staan. 7. Van het leger van Joahaz waren alleen 50 ruiters, tien wagens en 10.000 man voetvolk over. De koning van Syrië had de rest vernietigd; hij had hen vertrapt als stof. 8. Wat verder over Joahaz en zijn macht te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 9. Joahaz ging bij zijn voorouders te ruste, en men begroef hem in Samaria. Zijn zoon Joas werd koning in zijn plaats. 10. In het zevenendertigste jaar van Joas, de koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde zestien jaar. 11. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht, maar bleef daarin leven. 12. Joas streed tegen Amazia, de koning van Juda. Wat verder over hem en zijn macht te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 13. Joas ging bij zijn voorouders te ruste, en Jerobeam kwam op zijn troon. Joas werd in Samaria begraven, bij de koningen van Israël. 14. Elisa werd ziek, en aan die ziekte zou hij sterven. Joas, de koning van Israël, kwam naar hem toe. Hij huilde bij hem en zei: Mijn vader, mijn vader! De wagens van Israël en zijn ruiters! 15. Elisa zei tegen hem: Neem een boog en pijlen. Hij nam een boog en pijlen. 16. Toen zei hij tegen de koning van Israël: Leg uw hand aan de boog. Hij legde zijn hand eraan, en Elisa legde zijn handen op de handen van de koning. 17. Hij zei: Doe het venster naar het oosten open. Hij deed het open. Elisa zei: Schiet! Hij schoot. Toen zei Elisa: Dit is een pijl van redding van de HEERE, een pijl van redding tegen de Syriërs. U zult de Syriërs bij Afek verslaan, tot zij vernietigd zijn. 18. Daarna zei hij: Neem de pijlen. Hij nam ze. Toen zei hij tegen de koning van Israël: Sla op de grond. Hij sloeg drie keer en hield toen op. 19. De man van God werd boos op hem en zei: U had vijf of zes keer moeten slaan. Dan zou u de Syriërs verslagen hebben tot zij vernietigd waren. Nu zult u de Syriërs maar drie keer verslaan. 20. Elisa stierf, en men begroef hem. Aan het begin van het jaar kwamen er benden Moabieten in het land. 21. Terwijl men een man begroef, zagen zij zo'n bende aankomen. Zij gooiden de man in het graf van Elisa. Toen de man de beenderen van Elisa raakte, werd hij weer levend en ging hij op zijn voeten staan. 22. Hazaël, de koning van Syrië, onderdrukte Israël zolang Joahaz leefde. 23. Maar de HEERE was hun genadig en ontfermde zich over hen. Hij wendde zich naar hen toe vanwege Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob. Hij wilde hen niet vernietigen en heeft hen tot nu toe niet van zich weggestuurd. 24. Hazaël, de koning van Syrië, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats. 25. Joas, de zoon van Joahaz, nam de steden terug van Benhadad, de zoon van Hazaël. Die had ze in de oorlog van zijn vader Joahaz afgenomen. Joas versloeg hem drie keer en bracht de steden terug aan Israël. ## 2 Koningen 14 — Amazia van Juda en Jerobeam van Israël 1. In het tweede jaar van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël, werd Amazia koning. Hij was de zoon van Joas, de koning van Juda. 2. Hij was 25 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Joaddan en kwam uit Jeruzalem. 3. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, maar niet zoals zijn vader David. Hij deed alles zoals zijn vader Joas het gedaan had. 4. Alleen werden de offerhoogten niet weggehaald. Het volk bleef daar offeren en reukwerk branden. 5. Toen zijn koningschap stevig stond, doodde hij de dienaren die zijn vader, de koning, hadden gedood. 6. Maar de kinderen van die moordenaars doodde hij niet. Want zo staat het in het wetboek van Mozes. Daar heeft de HEERE geboden: Vaders mogen niet gedood worden om wat hun kinderen deden. Kinderen mogen niet gedood worden om wat hun vaders deden. Ieder moet sterven om zijn eigen zonde. 7. Hij versloeg 10.000 Edomieten in het Zoutdal. Ook nam hij Sela in en noemde die stad Jokteël; zo heet die tot op de dag van vandaag. 8. Toen stuurde Amazia boden naar Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël. Hij liet zeggen: Kom, laten wij elkaar in de ogen kijken. 9. Maar Joas, de koning van Israël, stuurde Amazia dit antwoord: De distel op de Libanon stuurde een bode naar de ceder daar. Hij liet zeggen: Geef je dochter aan mijn zoon als vrouw. Maar de wilde dieren van de Libanon liepen voorbij en vertrapten de distel. 10. U hebt de Edomieten verslagen, en daardoor bent u hoogmoedig geworden. Geniet van die eer en blijf thuis. Waarom zou u onheil over uzelf afroepen? Dan valt u, en Juda met u. 11. Maar Amazia luisterde niet. Daarom trok Joas, de koning van Israël, op. Hij en Amazia, de koning van Juda, keken elkaar in de ogen bij Beth-Semes, dat in Juda ligt. 12. Juda werd door Israël verslagen, en iedereen vluchtte naar zijn tent. 13. Joas, de koning van Israël, nam Amazia, de koning van Juda, gevangen bij Beth-Semes. Amazia was de zoon van Joas, de zoon van Ahazia. Joas kwam naar Jeruzalem en brak de muur af van de Efraïmpoort tot aan de Hoekpoort, ongeveer 180 meter. 14. Hij nam al het goud en zilver mee. Ook nam hij alle voorwerpen uit het huis van de HEERE en uit de schatkamers van het paleis. Daarnaast nam hij gijzelaars mee. Toen ging hij terug naar Samaria. 15. Joas streed tegen Amazia, de koning van Juda. Wat verder over hem en zijn macht te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van Israël. 16. Joas ging bij zijn voorouders te ruste en werd in Samaria begraven, bij de koningen van Israël. Zijn zoon Jerobeam werd koning in zijn plaats. 17. Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde nog vijftien jaar. Dat was na de dood van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël. 18. Wat verder over Amazia te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 19. In Jeruzalem smeedden zij een samenzwering tegen hem. Hij vluchtte naar Lachis, maar zij stuurden mannen achter hem aan en doodden hem daar. 20. Zij brachten hem op paarden terug. Hij werd in Jeruzalem begraven, bij zijn voorouders in de stad van David. 21. Het hele volk van Juda nam Azaria, die toen zestien jaar was, en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia. 22. Hij herbouwde Elath en bracht die stad terug bij Juda, nadat de koning bij zijn voorouders te ruste was gegaan. 23. In het vijftiende jaar van Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd Jerobeam koning over Israël in Samaria. Hij was de zoon van Joas en regeerde 41 jaar. 24. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht. 25. Hij bracht de grens van Israël terug, van de weg naar Hamath tot aan de zee van de Vlakte. Zo was het woord van de HEERE, de God van Israël. Hij had dat gesproken door Zijn dienaar Jona, de zoon van Amitthai, de profeet uit Gath-Hefer. 26. Want de HEERE zag hoe bitter de ellende van Israël was. Er was niemand meer over, slaaf noch vrije, en Israël had geen helper. 27. De HEERE had niet gezegd dat Hij de naam van Israël onder de hemel zou uitwissen. Daarom redde Hij hen door Jerobeam, de zoon van Joas. 28. Wat verder over Jerobeam te vertellen is, met zijn macht en zijn oorlogen, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. Ook hoe hij Damaskus en Hamath, die bij Juda hoorden, weer bij Israël bracht. 29. Jerobeam ging bij zijn voorouders te ruste, bij de koningen van Israël. Zijn zoon Zacharia werd koning in zijn plaats. ## 2 Koningen 15 — Koningen van Juda en Israël 1. In het zevenentwintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Azaria koning. Hij was de zoon van Amazia, de koning van Juda. 2. Hij was zestien jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 52 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jecholia en kwam uit Jeruzalem. 3. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, net zoals zijn vader Amazia gedaan had. 4. Alleen werden de offerhoogten niet weggehaald. Het volk bleef daar offeren en reukwerk branden. 5. De HEERE trof de koning, zodat hij melaats werd tot de dag van zijn dood. Hij woonde in een apart huis. Jotham, de zoon van de koning, had de leiding over het paleis en bestuurde het volk van het land. 6. Wat verder over Azaria te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 7. Azaria ging bij zijn voorouders te ruste, en men begroef hem bij hen in de stad van David. Zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats. 8. In het achtendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Zacharia, de zoon van Jerobeam, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde zes maanden. 9. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zoals zijn voorouders gedaan hadden. Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht. 10. Sallum, de zoon van Jabes, smeedde een samenzwering tegen hem. Hij sloeg hem neer voor de ogen van het volk en doodde hem. Daarna werd hij koning in zijn plaats. 11. Wat verder over Zacharia te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 12. Zo ging het woord van de HEERE in vervulling. Hij had tegen Jehu gezegd: Je zonen zullen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zitten. 13. Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda. Hij regeerde een volle maand in Samaria. 14. Want Menahem, de zoon van Gadi, trok op uit Tirza. Hij kwam in Samaria, sloeg Sallum, de zoon van Jabes, daar neer en doodde hem. Toen werd hij koning in zijn plaats. 15. Wat verder over Sallum en zijn samenzwering te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 16. Toen versloeg Menahem Tifsah met iedereen die daar was, en ook het gebied vanaf Tirza. Hij deed dat omdat de stad niet voor hem open was gegaan. Alle zwangere vrouwen liet hij openrijten. 17. In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menahem, de zoon van Gadi, koning over Israël. Hij regeerde tien jaar in Samaria. 18. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Zijn leven lang brak hij niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht. 19. Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, het land binnen. Menahem gaf Pul ongeveer 34.000 kilo zilver, zodat hij hem zou steunen en zijn koningschap vast zou staan. 20. Menahem haalde dat geld op bij alle rijke mannen in Israël, ongeveer 550 gram zilver per man. Zo kon hij de koning van Assyrië betalen. Toen ging de koning van Assyrië terug en bleef niet in het land. 21. Wat verder over Menahem te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 22. Menahem ging bij zijn voorouders te ruste, en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats. 23. In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israël. Hij regeerde twee jaar in Samaria. 24. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht. 25. Pekah, de zoon van Remalia, was zijn officier. Hij smeedde een samenzwering tegen hem en sloeg hem neer in Samaria, in het paleis. Argob en Arje waren bij hem, en 50 mannen uit Gilead. Zo doodde hij hem en werd koning in zijn plaats. 26. Wat verder over Pekahia te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 27. In het tweeënvijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël. Hij regeerde twintig jaar in Samaria. 28. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht. 29. In de tijd van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië. Hij nam Ijon in, en ook Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead en Galilea, het hele gebied van Nafthali. De bewoners voerde hij weg naar Assyrië. 30. Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekah, de zoon van Remalia. Hij sloeg hem neer, doodde hem en werd koning in zijn plaats. Dat was in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. 31. Wat verder over Pekah te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 32. In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, werd Jotham koning. Hij was de zoon van Uzzia, de koning van Juda. 33. Hij was 25 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jerusa en was een dochter van Zadok. 34. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE. Hij deed alles zoals zijn vader Uzzia het gedaan had. 35. Alleen werden de offerhoogten niet weggehaald. Het volk bleef daar offeren en reukwerk branden. Jotham bouwde de bovenste poort van het huis van de HEERE. 36. Wat verder over Jotham te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 37. In die tijd begon de HEERE Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, op Juda af te sturen. 38. Jotham ging bij zijn voorouders te ruste en werd bij hen begraven in de stad van zijn vader David. Zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. ## 2 Koningen 16 — Achaz koning van Juda 1. In het zeventiende jaar van Pekah, de zoon van Remalia, werd Achaz koning. Hij was de zoon van Jotham, de koning van Juda. 2. Achaz was twintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. Hij deed niet wat juist was in de ogen van de HEERE, zijn God, zoals zijn vader David. 3. Hij volgde de weg van de koningen van Israël. Hij liet zelfs zijn zoon door het vuur gaan. Dat was een gruwel van de volken die de HEERE voor de Israëlieten verdreven had. 4. Hij offerde ook en brandde reukwerk op de offerhoogten, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom. 5. Toen trokken Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, op naar Jeruzalem. Zij belegerden Achaz, maar zij konden hem niet verslaan. 6. In die tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath terug bij Syrië. Hij verjoeg de Judeeërs uit Elath. De Syriërs kwamen in Elath wonen, tot op de dag van vandaag. 7. Achaz stuurde boden naar Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië. Hij liet zeggen: Ik ben uw dienaar en uw zoon. Kom en red mij uit de macht van de koning van Syrië en van de koning van Israël, die mij aanvallen. 8. Achaz nam het zilver en het goud dat in het huis van de HEERE en in de schatkamers van het paleis lag. Dat stuurde hij als geschenk naar de koning van Assyrië. 9. De koning van Assyrië luisterde naar hem. Hij trok op tegen Damaskus, nam de stad in en voerde de bewoners weg naar Kir. Rezin doodde hij. 10. Koning Achaz ging naar Damaskus om Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, te ontmoeten. Daar zag hij een altaar. Hij stuurde de priester Uria een tekening van dat altaar, met de maten en de hele opbouw. 11. De priester Uria bouwde een altaar, precies zoals koning Achaz het hem vanuit Damaskus had laten weten. Hij was ermee klaar voordat koning Achaz terugkwam. 12. Toen de koning uit Damaskus terugkwam, zag hij het altaar. Hij ging naar het altaar toe en offerde erop. 13. Hij bracht er zijn brandoffer en zijn graanoffer, goot zijn drankoffer uit en sprenkelde het bloed van zijn dankoffers op dat altaar. 14. Het koperen altaar dat voor het aangezicht van de HEERE stond, haalde hij weg van de voorkant van het huis. Het stond tussen zijn eigen altaar en het huis van de HEERE. Hij zette het aan de noordkant van zijn altaar. 15. Koning Achaz gaf de priester Uria bevel: Breng op het grote altaar het brandoffer van de morgen en het graanoffer van de avond. Breng er ook het brandoffer en het graanoffer van de koning, en het brandoffer, het graanoffer en de drankoffers van het hele volk. Sprenkel daar al het bloed van de brandoffers en van de slachtoffers op. Het koperen altaar houd ik om raad te vragen. 16. De priester Uria deed alles wat koning Achaz hem bevolen had. 17. Koning Achaz sneed de lijsten van de onderstellen af en haalde de wasbekkens eraf. Hij haalde de zee van de koperen runderen af en zette die op een stenen vloer. 18. Ook de overdekte gang voor de sabbat, die zij bij het huis gebouwd hadden, haalde hij weg. Hetzelfde deed hij met de buitenste ingang van de koning bij het huis van de HEERE. Dat deed hij vanwege de koning van Assyrië. 19. Wat verder over Achaz te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 20. Achaz ging bij zijn voorouders te ruste en werd bij hen begraven in de stad van David. Zijn zoon Hizkia werd koning in zijn plaats. ## 2 Koningen 17 — Samaria valt 1. In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde negen jaar. 2. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, maar niet zoals de koningen van Israël die er vóór hem geweest waren. 3. Salmaneser, de koning van Assyrië, trok tegen hem op. Hosea werd zijn onderdaan en moest hem schatting betalen. 4. Maar de koning van Assyrië ontdekte een samenzwering. Hosea had boden gestuurd naar So, de koning van Egypte, en hij bracht de schatting niet meer op zoals elk jaar. Daarom liet de koning van Assyrië hem opsluiten in de gevangenis. 5. De koning van Assyrië trok door het hele land. Hij kwam naar Samaria en belegerde die stad drie jaar. 6. In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in. Hij voerde Israël weg naar Assyrië. Hij liet hen wonen in Halah, in Habor aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 7. Dit gebeurde omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de HEERE, hun God. Hij had hen uit Egypte geleid, uit de macht van Farao, de koning van Egypte. Toch vereerden zij andere goden. 8. Zij leefden naar de gewoonten van de volken die de HEERE voor hen verdreven had. Ook volgden zij de gewoonten die de koningen van Israël hadden ingevoerd. 9. De Israëlieten bedachten in het geheim dingen die niet goed waren tegenover de HEERE, hun God. Zij bouwden offerhoogten in al hun steden, van de wachttoren tot de vestingstad. 10. Zij richtten voor zichzelf gewijde stenen en gewijde palen op, op elke hoge heuvel en onder elke bladerrijke boom. 11. Daar brandden zij reukwerk op alle offerhoogten, zoals de volken die de HEERE voor hen weggevoerd had. Zij deden slechte dingen en wekten zo de toorn van de HEERE op. 12. Zij dienden de drekgoden, terwijl de HEERE tegen hen gezegd had: Dit mogen jullie niet doen. 13. De HEERE had Israël en Juda gewaarschuwd door al Zijn profeten en zieners. Hij had gezegd: Bekeer je van je slechte wegen. Houd je aan mijn geboden en voorschriften, aan heel de wet die ik jullie voorouders gegeven heb. Die wet heb ik jullie gestuurd door mijn dienaren, de profeten. 14. Maar zij luisterden niet. Zij waren koppig, net als hun voorouders, die niet op de HEERE, hun God, vertrouwden. 15. Zij verwierpen Zijn voorschriften en Zijn verbond, dat Hij met hun voorouders gesloten had. Ook verwierpen zij Zijn waarschuwingen. Zij liepen achter waardeloze goden aan en werden zelf waardeloos. Zij volgden de volken om hen heen, terwijl de HEERE hun verboden had dat te doen. 16. Zij verlieten alle geboden van de HEERE, hun God. Zij maakten twee gegoten kalveren en gewijde palen. Zij bogen zich voor alle sterren van de hemel en dienden Baäl. 17. Zij lieten hun zonen en dochters door het vuur gaan. Zij deden aan waarzeggerij en wichelarij. Zij gaven zich over aan wat slecht was in de ogen van de HEERE en wekten zo Zijn toorn op. 18. Daarom werd de HEERE heel boos op Israël en stuurde Hij hen bij zich weg. Alleen de stam Juda bleef over. 19. Ook Juda hield zich niet aan de geboden van de HEERE, hun God. Zij leefden naar de gewoonten die Israël had ingevoerd. 20. Zo verwierp de HEERE het hele nageslacht van Israël. Hij vernederde hen en gaf hen in de macht van rovers, tot Hij hen bij zich had weggestuurd. 21. Want Hij had Israël losgescheurd van het huis van David, en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning. Jerobeam trok Israël weg bij de HEERE en bracht hen tot een grote zonde. 22. De Israëlieten leefden in alle zonden die Jerobeam gedaan had. Daar braken zij niet mee. 23. Zo stuurde de HEERE Israël uiteindelijk bij zich weg, zoals Hij door al Zijn dienaren, de profeten, gezegd had. Israël werd uit zijn land weggevoerd naar Assyrië, tot op de dag van vandaag. 24. De koning van Assyrië bracht mensen uit Babel, Chuta, Avva, Hamath en Sefarvaim. Hij liet hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de Israëlieten. Zij namen Samaria in bezit en woonden in de steden. 25. In het begin van hun verblijf daar vereerden zij de HEERE niet. Daarom stuurde de HEERE leeuwen op hen af, die sommigen van hen doodden. 26. Daarom zeiden zij tegen de koning van Assyrië: U hebt volken weggevoerd en in de steden van Samaria laten wonen. Zij kennen de regels van de God van dat land niet. Daarom heeft Hij leeuwen op hen afgestuurd, die hen doden. 27. Toen gaf de koning van Assyrië bevel: Breng een van de priesters terug die jullie daar hebben weggevoerd. Laat hij daar gaan wonen en hun de regels van de God van dat land leren. 28. Zo kwam een van de priesters die uit Samaria waren weggevoerd. Hij ging in Bethel wonen en leerde hun hoe zij de HEERE moesten vereren. 29. Maar elk volk maakte zijn eigen goden. Die zetten zij neer in de tempels op de offerhoogten die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in de steden waar zij woonden. 30. De mensen uit Babel maakten Sukkoth-Benoth, de mensen uit Chut maakten Nergal, en de mensen uit Hamath maakten Asima. 31. De Avieten maakten Nibhaz en Tartak. De Sefarvieten verbrandden hun zonen in het vuur voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim. 32. Zij vereerden ook de HEERE. Uit hun eigen midden stelden zij priesters voor de offerhoogten aan, die daar voor hen dienden. 33. Zij vereerden de HEERE, maar dienden ook hun eigen goden, naar de gewoonten van de volken waaruit zij waren weggevoerd. 34. Tot op de dag van vandaag doen zij naar hun oude gewoonten. Zij vereren de HEERE niet. Zij houden zich niet aan de voorschriften, de regels, de wet en het gebod van de HEERE. Die had Hij gegeven aan de kinderen van Jakob, aan wie Hij de naam Israël gaf. 35. Toch had de HEERE een verbond met hen gesloten. Hij had hun geboden: Jullie mogen geen andere goden vereren. Buig je niet voor hen, dien hen niet en breng hun geen offers. 36. Alleen de HEERE moeten jullie vereren. Hij heeft jullie met grote kracht en een uitgestrekte arm uit Egypte geleid. Voor Hem moeten jullie buigen en aan Hem moeten jullie offers brengen. 37. Houd je altijd aan de voorschriften, de regels, de wet en het gebod die Hij voor jullie heeft opgeschreven. Vereer geen andere goden. 38. Vergeet het verbond niet dat ik met jullie gesloten heb, en vereer geen andere goden. 39. Vereer alleen de HEERE, jullie God. Dan zal Hij jullie redden uit de macht van al jullie vijanden. 40. Maar zij luisterden niet; zij deden naar hun oude gewoonte. 41. Deze volken vereerden de HEERE en dienden tegelijk hun beelden. Hun kinderen en kleinkinderen doen tot op de dag van vandaag hetzelfde als hun voorouders. ## 2 Koningen 18 — Hizkia en de opperschenker van Assyrië 1. In het derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël, werd Hizkia koning. Hij was de zoon van Achaz, de koning van Juda. 2. Hij was 25 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Abi en was een dochter van Zacharia. 3. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, net zoals zijn vader David gedaan had. 4. Hij haalde de offerhoogten weg, sloeg de gewijde stenen stuk en hakte de gewijde palen om. Ook verbrijzelde hij de koperen slang die Mozes gemaakt had. Tot in die tijd hadden de Israëlieten daarvoor reukwerk gebrand. Hij noemde die slang Nehustan. 5. Hij vertrouwde op de HEERE, de God van Israël. Onder alle koningen van Juda was er niemand als hij, niet na hem en niet vóór hem. 6. Hij bleef de HEERE trouw en week niet van Hem af. Hij hield zich aan de geboden die de HEERE aan Mozes gegeven had. 7. De HEERE was met hem. Overal waar hij heen trok, had hij succes. Hij kwam in opstand tegen de koning van Assyrië en diende hem niet meer. 8. Hij versloeg de Filistijnen tot aan Gaza en in hun hele gebied, van de wachttoren tot de vestingstad. 9. In het vierde jaar van koning Hizkia trok Salmaneser, de koning van Assyrië, op tegen Samaria en belegerde de stad. Dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël. 10. Na drie jaar namen zij de stad in. Dat was in het zesde jaar van Hizkia en het negende jaar van Hosea, de koning van Israël. 11. De koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië. Hij bracht hen naar Halah, naar Habor aan de rivier Gozan, en naar de steden van de Meden. 12. Dat gebeurde omdat zij niet geluisterd hadden naar de HEERE, hun God. Zij hadden Zijn verbond overtreden. Alles wat Mozes, de dienaar van de HEERE, geboden had, hadden zij niet gedaan. 13. In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vestingsteden van Juda en nam ze in. 14. Toen stuurde Hizkia, de koning van Juda, een bericht naar de koning van Assyrië in Lachis: Ik heb verkeerd gedaan. Trek bij mij weg. Wat u mij oplegt, zal ik betalen. De koning van Assyrië legde Hizkia ongeveer 10.000 kilo zilver en ongeveer 1.000 kilo goud op. 15. Hizkia gaf al het zilver dat in het huis van de HEERE en in de schatkamers van het paleis lag. 16. In die tijd sneed Hizkia het goud af van de deuren van de tempel van de HEERE. Ook haalde hij het goud van de deurposten die hij zelf had laten overtrekken. Dat gaf hij aan de koning van Assyrië. 17. Toch stuurde de koning van Assyrië zijn opperbevelhebber, zijn hoofdofficier en zijn opperschenker met een groot leger van Lachis naar koning Hizkia in Jeruzalem. Zij trokken op en kwamen bij Jeruzalem. Daar bleven zij staan bij de waterleiding van de bovenste vijver, aan de weg naar het Bleekveld. 18. Zij riepen om de koning. Toen kwamen Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, naar hen toe. 19. De opperschenker zei tegen hen: Zeg tegen Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Waar vertrouw je toch op? 20. Je zegt wel dat je een plan hebt en macht om oorlog te voeren, maar dat zijn loze woorden. Op wie vertrouw je dan, dat je tegen mij in opstand komt? 21. Kijk, je vertrouwt op Egypte, die geknakte rietstok. Wie daarop leunt, krijgt hem in zijn hand en wordt doorboord. Zo is Farao, de koning van Egypte, voor iedereen die op hem vertrouwt. 22. Misschien zeg je tegen mij: Wij vertrouwen op de HEERE, onze God. Maar is dat niet de God van wie Hizkia de offerhoogten en de altaren heeft weggehaald? Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar in Jeruzalem moeten jullie buigen. 23. Ga daarom een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië. Ik geef je 2.000 paarden, als jij er ruiters voor kunt vinden. 24. Hoe zou je zelfs de minste dienaar van mijn heer kunnen tegenhouden? En toch vertrouw je op Egypte voor wagens en ruiters. 25. Ben ik soms zonder de HEERE tegen deze plaats opgetrokken om die te verwoesten? De HEERE heeft zelf tegen mij gezegd: Trek op tegen dat land en verwoest het. 26. Toen zeiden Eljakim, de zoon van Hilkia, Sebna en Joah tegen de opperschenker: Spreek toch Aramees tegen uw dienaren, want dat verstaan wij. Spreek geen Judees, terwijl het volk op de muur meeluistert. 27. Maar de opperschenker zei tegen hen: Heeft mijn heer mij alleen naar jullie heer en naar jullie gestuurd om dit te zeggen? Hij heeft mij juist gestuurd naar de mannen op de muur. Zij zullen hun eigen poep eten en hun eigen urine drinken, net als jullie. 28. Toen ging de opperschenker staan en riep met luide stem in het Judees: Luister naar het woord van de grote koning, de koning van Assyrië! 29. Zo zegt de koning: Laat Hizkia jullie niet bedriegen, want hij kan jullie niet uit mijn macht redden. 30. Laat Hizkia jullie niet op de HEERE laten vertrouwen. Hij zegt wel: De HEERE zal ons zeker redden, en deze stad komt niet in de macht van de koning van Assyrië. 31. Luister niet naar Hizkia. Want zo zegt de koning van Assyrië: Sluit vrede met mij en kom naar mij toe. Dan zal ieder van jullie eten van zijn eigen wijnstok en zijn eigen vijgenboom, en drinken uit zijn eigen put. 32. Dat duurt tot ik kom en jullie meeneem naar een land als dat van jullie. Het is een land met koren en jonge wijn, met brood en wijngaarden, met olijfbomen, olie en honing. Dan zullen jullie leven en niet sterven. Luister niet naar Hizkia, want hij misleidt jullie als hij zegt: De HEERE zal ons redden. 33. Heeft ooit een god van een volk zijn land gered uit de macht van de koning van Assyrië? 34. Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Hebben zij Samaria uit mijn macht gered? 35. Welke van alle goden van die landen heeft zijn land uit mijn macht gered? Zou de HEERE Jeruzalem dan wel uit mijn macht redden? 36. Maar het volk zweeg en antwoordde hem geen woord. De koning had namelijk bevolen: Geef hem geen antwoord. 37. Toen kwamen Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, bij Hizkia. Hun kleren waren gescheurd, en zij vertelden hem wat de opperschenker gezegd had. ## 2 Koningen 19 — De HEERE redt Jeruzalem 1. Toen koning Hizkia dat hoorde, scheurde hij zijn kleren. Hij trok een rouwkleed aan en ging naar het huis van de HEERE. 2. Daarna stuurde hij Eljakim, de hofmeester, Sebna, de schrijver, en de oudste priesters naar de profeet Jesaja, de zoon van Amoz. Ook zij droegen rouwkleren. 3. Zij zeiden tegen hem: Zo zegt Hizkia: Vandaag is een dag van nood, van straf en van schande. De kinderen liggen klaar om geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren. 4. Misschien hoort de HEERE, uw God, alle woorden van de opperschenker. Zijn heer, de koning van Assyrië, heeft hem gestuurd om de levende God te beschimpen. Misschien straft de HEERE, uw God, hem om die woorden. Bid daarom voor de mensen die nog over zijn. 5. Zo kwamen de dienaren van koning Hizkia bij Jesaja. 6. Jesaja zei tegen hen: Zeg dit tegen jullie heer: Zo zegt de HEERE: Wees niet bang voor de woorden die je gehoord hebt. Met die woorden hebben de knechten van de koning van Assyrië mij beschimpt. 7. Kijk, ik zal een geest in hem geven. Hij zal een bericht horen en naar zijn eigen land terugkeren. Daar zal ik hem door het zwaard laten vallen. 8. De opperschenker ging terug en trof de koning van Assyrië aan bij de strijd om Libna. Hij had namelijk gehoord dat de koning uit Lachis vertrokken was. 9. Toen hoorde de koning over Tirhaka, de koning van Cusch: Kijk, hij is uitgetrokken om tegen u te strijden. Daarop stuurde hij opnieuw boden naar Hizkia met deze boodschap: 10. Zeg dit tegen Hizkia, de koning van Juda: Laat je God, op wie je vertrouwt, je niet bedriegen. Hij zegt: Jeruzalem zal niet in de macht van de koning van Assyrië komen. 11. Kijk, je hebt zelf gehoord wat de koningen van Assyrië met alle landen gedaan hebben. Zij hebben alles vernietigd. Zou jij dan gered worden? 12. Hebben de goden van de volken hen gered? Mijn voorouders hebben Gozan, Haran en Rezef vernietigd, en ook de mensen van Eden die in Telassar woonden. 13. Waar is de koning van Hamath, de koning van Arpad, en de koning van de stad Sefarvaim, van Hena en Ivva? 14. Hizkia nam de brief van de boden aan en las hem. Toen ging hij naar het huis van de HEERE en legde de brief daar open voor het aangezicht van de HEERE. 15. Hizkia bad voor het aangezicht van de HEERE: HEERE, God van Israël, die tussen de cherubs troont! U alleen bent God over alle koninkrijken op aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 16. HEERE, luister toch en hoor. Open Uw ogen, HEERE, en zie. Hoor de woorden van Sanherib, die deze boden gestuurd heeft om de levende God te beschimpen. 17. Het is waar, HEERE: de koningen van Assyrië hebben die volken en hun landen verwoest. 18. Zij hebben hun goden in het vuur gegooid. Maar dat waren geen goden; het was werk van mensenhanden, hout en steen. Daarom konden zij ze vernietigen. 19. Nu dan, HEERE, onze God, red ons toch uit zijn macht. Dan zullen alle koninkrijken op aarde weten dat U, HEERE, alleen God bent. 20. Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amoz, een bericht naar Hizkia. Hij liet zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ik heb je gebed over Sanherib gehoord. 21. Dit is het woord dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonge vrouw, de dochter Sion, kijkt op je neer en lacht om je. De dochter Jeruzalem schudt haar hoofd achter je rug. 22. Wie heb je beschimpt en belasterd? Tegen wie heb je je stem verheven en je ogen hoog opgeslagen? Tegen de Heilige van Israël! 23. Door je boden heb je de HEERE beschimpt. Je zei: Met al mijn wagens ben ik de hoge bergen op gegaan, tot in het hart van de Libanon. Ik heb daar de hoogste ceders en de mooiste cipressen omgehakt. Ik ben tot in zijn verste hoek gekomen, in zijn dichte woud. 24. Ik heb putten gegraven en water gedronken in vreemd land. Met mijn voetzolen heb ik alle rivieren van Egypte drooggelegd. 25. Heb je dan niet gehoord dat ik dit lang geleden al besloten heb? Vanaf oude tijden heb ik het zo bedacht. Nu heb ik het laten gebeuren: jij mocht vestingsteden verwoesten tot puinhopen. 26. Hun inwoners hadden geen kracht meer. Zij schrokken en werden beschaamd. Zij waren als gras op het veld en als jong groen, als gras op de daken, dat verdort voor het opschiet. 27. Maar ik weet waar je woont, wanneer je uitgaat en binnenkomt, en hoe je tegen mij tekeergaat. 28. Je gaat tegen mij tekeer, en je hoogmoed is mij ter ore gekomen. Daarom sla ik mijn haak in je neus en leg ik mijn bit in je mond. Dan stuur ik je terug langs dezelfde weg als waarlangs je gekomen bent. 29. Dit zal voor jou het teken zijn, Hizkia: dit jaar eten jullie wat vanzelf opkomt, en volgend jaar wat daaruit opschiet. Maar in het derde jaar moeten jullie zaaien en oogsten, wijngaarden planten en de vruchten ervan eten. 30. Wie van het huis van Juda ontkomen is en overgebleven, zal opnieuw wortel schieten en vrucht dragen. 31. Want uit Jeruzalem zal een rest komen, van de berg Sion wie ontkomen is. De HEERE van de legermachten zal dat doen in Zijn ijver. 32. Daarom zegt de HEERE dit over de koning van Assyrië: Hij zal deze stad niet binnenkomen en er geen pijl in schieten. Hij zal er niet met een schild voor komen en er geen wal tegen opwerpen. 33. Langs dezelfde weg als waarlangs hij gekomen is, zal hij teruggaan. Deze stad komt hij niet binnen, zegt de HEERE. 34. Want ik zal deze stad beschermen en redden, om mijzelf en om mijn dienaar David. 35. Diezelfde nacht ging de engel van de HEERE uit en doodde in het kamp van Assyrië 185.000 man. Toen men vroeg in de morgen opstond, lagen daar alleen nog dode lichamen. 36. Daarom brak Sanherib, de koning van Assyrië, op en ging terug. Hij bleef in Ninevé. 37. Terwijl hij zich neerboog in de tempel van zijn god Nisroch, doodden zijn zonen Adramelech en Sarezer hem met het zwaard. Zij vluchtten naar het land Ararat, en zijn zoon Esar-Haddon werd koning in zijn plaats. ## 2 Koningen 20 — De ziekte van Hizkia en de boden uit Babel 1. In die tijd werd Hizkia dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam bij hem. Hij zei: Zo zegt de HEERE: Regel je zaken, want je zult sterven en niet blijven leven. 2. Toen draaide Hizkia zijn gezicht naar de muur. Hij bad tot de HEERE: 3. Ach HEERE, denk er toch aan dat ik trouw en met een onverdeeld hart voor U geleefd heb. Ik heb gedaan wat goed is in Uw ogen. En Hizkia huilde erg. 4. Jesaja was nog niet eens het middelste voorhof uit, toen het woord van de HEERE tot hem kwam: 5. Ga terug naar Hizkia, de leider van mijn volk. Zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE, de God van je vader David: Ik heb je gebed gehoord en je tranen gezien. Kijk, ik maak je beter. Over drie dagen zul je naar het huis van de HEERE gaan. 6. Ik geef je nog vijftien jaar te leven. Ik zal jou en deze stad redden uit de macht van de koning van Assyrië. Ik zal deze stad beschermen om mijzelf en om mijn dienaar David. 7. Daarna zei Jesaja: Neem een klomp vijgen. Zij namen er een en legden die op de zweer, en Hizkia werd beter. 8. Hizkia had aan Jesaja gevraagd: Wat is het teken dat de HEERE mij beter maakt? Waaraan weet ik dat ik over drie dagen naar het huis van de HEERE ga? 9. Jesaja zei: Dit is voor u het teken van de HEERE dat Hij zal doen wat Hij gezegd heeft. Moet de schaduw tien treden vooruitgaan of tien treden teruggaan? 10. Hizkia zei: Het is makkelijk voor de schaduw om tien treden vooruit te gaan. Laat hem liever tien treden teruggaan. 11. De profeet Jesaja riep de HEERE aan. Toen liet Hij de schaduw tien treden teruggaan op de treden van de zonnewijzer van Achaz, waarlangs hij al gezakt was. 12. In die tijd stuurde Berodach-Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk naar Hizkia. Hij had namelijk gehoord dat Hizkia ziek geweest was. 13. Hizkia luisterde naar hen en liet hun zijn hele schatkamer zien: het zilver, het goud, de specerijen en de fijne olie. Ook zijn wapenkamer liet hij zien, en alles wat in zijn schatkamers lag. Er was niets in zijn paleis of in zijn hele rijk dat hij hun niet liet zien. 14. Toen kwam de profeet Jesaja bij koning Hizkia. Hij vroeg hem: Wat hebben die mannen gezegd, en waar kwamen zij vandaan? Hizkia zei: Zij zijn uit een ver land gekomen, uit Babel. 15. Jesaja vroeg: Wat hebben zij in uw paleis gezien? Hizkia zei: Zij hebben alles gezien wat er in mijn paleis is. Er is niets in mijn schatkamers dat ik hun niet heb laten zien. 16. Toen zei Jesaja tegen Hizkia: Luister naar het woord van de HEERE. 17. Er komt een tijd dat alles wat in uw paleis is, naar Babel wordt weggevoerd. Ook alles wat uw voorouders tot vandaag hebben opgeslagen, gaat mee. Er zal niets overblijven, zegt de HEERE. 18. Van uw eigen zonen, die na u komen, zullen zij er meenemen. Die zullen hovelingen worden in het paleis van de koning van Babel. 19. Hizkia zei tegen Jesaja: Het woord van de HEERE dat u gesproken hebt, is goed. Want hij dacht: Er zal toch vrede en veiligheid zijn zolang ik leef? 20. Wat verder over Hizkia te vertellen is, met al zijn macht, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. Daar staat ook hoe hij de vijver en de waterleiding maakte en water in de stad bracht. 21. Hizkia ging bij zijn voorouders te ruste, en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats. ## 2 Koningen 21 — Manasse en Amon 1. Manasse was twaalf jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 55 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Hefzibah. 2. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij volgde de gruwelen van de volken die de HEERE voor de Israëlieten uit het land verdreven had. 3. Hij herbouwde de offerhoogten die zijn vader Hizkia vernield had. Hij richtte altaren op voor Baäl en maakte een gewijde paal, net als Achab, de koning van Israël. Hij boog zich voor alle sterren van de hemel en diende ze. 4. Hij bouwde zelfs altaren in het huis van de HEERE, terwijl de HEERE gezegd had: In Jeruzalem zal ik mijn Naam laten wonen. 5. Ook bouwde hij altaren voor alle sterren van de hemel, in de twee voorhoven van het huis van de HEERE. 6. Hij liet zijn zoon door het vuur gaan. Hij deed aan wichelarij en waarzeggerij, en stelde geestenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed heel veel kwaad in de ogen van de HEERE en wekte zo Zijn toorn op. 7. Hij zette het beeld van de gewijde paal dat hij gemaakt had, in het huis van de HEERE. Over dat huis had de HEERE tegen David en Salomo gezegd: In dit huis en in Jeruzalem laat ik voor altijd mijn Naam wonen. Deze stad heb ik gekozen uit alle stammen van Israël. 8. Ik zal Israël niet meer laten zwerven weg uit het land dat ik hun voorouders gegeven heb. Maar dan moeten zij wel alles doen wat ik hun geboden heb, en heel de wet houden die mijn dienaar Mozes hun gegeven heeft. 9. Maar zij luisterden niet. Manasse bracht hen zo op een dwaalweg, dat zij erger deden dan de volken die de HEERE voor de Israëlieten vernietigd had. 10. Toen sprak de HEERE door Zijn dienaren, de profeten: 11. Manasse, de koning van Juda, heeft deze gruwelen gedaan. Hij heeft erger gedaan dan de Amorieten vóór hem, en hij heeft Juda met zijn drekgoden tot zonde gebracht. 12. Daarom zegt de HEERE, de God van Israël, dit: Ik breng onheil over Jeruzalem en Juda. Iedereen die ervan hoort, zal het in beide oren suizen. 13. Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria spannen en het paslood van het huis van Achab. Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals men een schaal schoonveegt, die daarna omgekeerd wordt. 14. Ik zal de rest van mijn erfdeel loslaten en hen in de macht van hun vijanden geven. Zij zullen buit en roofgoed worden voor al hun vijanden. 15. Want zij hebben gedaan wat slecht is in mijn ogen. Zij wekken mijn toorn op, vanaf de dag dat hun voorouders uit Egypte gingen tot op vandaag. 16. Manasse vergoot ook heel veel onschuldig bloed, tot Jeruzalem er van de ene kant tot de andere vol van was. Daarbij kwam nog zijn zonde, waarmee hij Juda deed wat slecht is in de ogen van de HEERE. 17. Wat verder over Manasse, zijn daden en zijn zonde te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 18. Manasse ging bij zijn voorouders te ruste en werd begraven in de tuin van zijn paleis, de tuin van Uzza. Zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. 19. Amon was 22 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Mesullemet en was een dochter van Haruz uit Jotba. 20. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, net als zijn vader Manasse. 21. Hij volgde helemaal de weg van zijn vader. Hij diende de drekgoden die zijn vader gediend had en boog zich voor hen neer. 22. Zo verliet hij de HEERE, de God van zijn voorouders, en hij ging niet de weg van de HEERE. 23. De dienaren van Amon smeedden een samenzwering tegen hem en doodden de koning in zijn paleis. 24. Maar het volk van het land doodde iedereen die tegen koning Amon had samengezworen. Daarna maakte het volk van het land zijn zoon Josia koning in zijn plaats. 25. Wat verder over Amon te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 26. Men begroef hem in zijn graf in de tuin van Uzza. Zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats. ## 2 Koningen 22 — Het wetboek wordt gevonden 1. Josia was acht jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 31 jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jedida en was een dochter van Adaja uit Bozkath. 2. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE. Hij volgde helemaal de weg van zijn vader David en week niet af naar rechts of naar links. 3. In het achttiende jaar van koning Josia stuurde de koning de schrijver Safan naar het huis van de HEERE. Safan was de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam. De koning zei tegen hem: 4. Ga naar de hogepriester Hilkia. Laat hem het geld tellen dat in het huis van de HEERE is gebracht en dat de drempelwachters bij het volk hebben opgehaald. 5. Laat hen dat geld geven aan de opzichters van het werk aan het huis van de HEERE. Die moeten het geven aan de werklieden die de schade aan het huis herstellen. 6. Het is voor de timmerlieden, de bouwers en de metselaars. Ook moeten zij er hout en gehouwen steen van kopen voor het herstel van het huis. 7. Er hoefde van dat geld geen rekening afgelegd te worden, want de mannen gingen er eerlijk mee om. 8. Toen zei de hogepriester Hilkia tegen de schrijver Safan: Ik heb het wetboek gevonden in het huis van de HEERE. Hilkia gaf het boek aan Safan, en die las het. 9. Daarna kwam de schrijver Safan bij de koning en bracht verslag uit. Hij zei: Uw dienaren hebben het geld uit het huis bij elkaar gebracht. Zij hebben het gegeven aan de opzichters van het werk aan het huis van de HEERE. 10. Ook vertelde de schrijver Safan de koning: De priester Hilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las het voor aan de koning. 11. Toen de koning de woorden van het wetboek hoorde, scheurde hij zijn kleren. 12. De koning gaf bevel aan de priester Hilkia en aan Ahikam, de zoon van Safan. Ook Achbor, de zoon van Michaja, de schrijver Safan en Asaja, de dienaar van de koning, kregen dat bevel. Hij zei: 13. Ga de HEERE raadplegen voor mij, voor het volk en voor heel Juda, over de woorden van dit boek dat gevonden is. Want de toorn van de HEERE tegen ons is groot. Onze voorouders hebben niet geluisterd naar de woorden van dit boek en niet gedaan wat erin staat. 14. Toen gingen de priester Hilkia, Ahikam, Achbor, Safan en Asaja naar de profetes Hulda. Zij was de vrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de beheerder van de kleren. Zij woonde in de nieuwe wijk van Jeruzalem. Daar spraken zij met haar. 15. Zij zei tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zeg tegen de man die jullie naar mij toe gestuurd heeft: 16. Zo zegt de HEERE: Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners. Alles wat in het boek staat dat de koning van Juda gelezen heeft, zal gebeuren. 17. Want zij hebben mij verlaten en reukwerk gebrand voor andere goden. Met alles wat zij gemaakt hebben, wekken zij mijn toorn op. Daarom ontbrandt mijn toorn tegen deze plaats, en die zal niet gedoofd worden. 18. Maar de koning van Juda heeft jullie gestuurd om de HEERE te raadplegen. Zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE, de God van Israël, over de woorden die je gehoord hebt: 19. Je hart is zacht geworden en je hebt je vernederd voor de HEERE. Want je hoorde wat ik gezegd heb over deze plaats en haar inwoners: dat zij een puinhoop en een vloek zullen worden. Je hebt je kleren gescheurd en voor mij gehuild. Daarom heb ik je gehoord, spreekt de HEERE. 20. Kijk, ik zal je bij je voorouders brengen. Je zult in vrede in je graf komen. Je ogen zullen al het onheil niet zien dat ik over deze plaats breng. Zij brachten dit antwoord terug bij de koning. ## 2 Koningen 23 — Josia vernieuwt het verbond 1. Toen stuurde de koning boden, en alle oudsten van Juda en Jeruzalem kwamen bij hem. 2. De koning ging naar het huis van de HEERE. Alle mannen van Juda en alle inwoners van Jeruzalem gingen met hem mee. Ook de priesters, de profeten en het hele volk gingen mee, van klein tot groot. Hij las hun alle woorden voor uit het boek van het verbond, dat in het huis van de HEERE gevonden was. 3. De koning ging bij de zuil staan en sloot een verbond voor het aangezicht van de HEERE. Hij beloofde de HEERE te volgen en Zijn geboden, Zijn waarschuwingen en Zijn voorschriften met heel zijn hart en heel zijn ziel te houden. Zo bevestigde hij de woorden van het verbond die in dit boek staan. Het hele volk stemde in met dit verbond. 4. De koning gaf de hogepriester Hilkia, de priesters van de tweede rang en de drempelwachters bevel. Zij moesten alle voorwerpen uit de tempel van de HEERE halen. Het ging om alles wat gemaakt was voor Baäl, voor de gewijde paal en voor de sterren. Hij verbrandde die buiten Jeruzalem in de velden van de Kidron en liet de as naar Bethel brengen. 5. Ook zette hij de afgodenpriesters af, die door de koningen van Juda waren aangesteld. Zij brandden reukwerk op de offerhoogten in de steden van Juda en rondom Jeruzalem. Ook wie reukwerk brandde voor Baäl, voor de zon, de maan, de sterrenbeelden en alle sterren van de hemel, zette hij af. 6. Hij haalde het beeld van de gewijde paal uit het huis van de HEERE weg. Buiten Jeruzalem verbrandde hij het bij de beek Kidron en verpulverde het tot stof. Dat stof gooide hij op de graven van het gewone volk. 7. Hij brak ook de huizen van de tempelprostitués af, die bij het huis van de HEERE stonden. Daar weefden de vrouwen tentdoeken voor de gewijde paal. 8. Hij haalde alle priesters uit de steden van Juda naar Jeruzalem. De offerhoogten waar die priesters reukwerk gebrand hadden, maakte hij onrein, van Geba tot Berseba. Ook brak hij de offerhoogten bij de poorten af. Een daarvan stond bij de ingang van de poort van Jozua, de bestuurder van de stad. Die lag links als je de stadspoort binnenging. 9. De priesters van de offerhoogten mochten niet offeren op het altaar van de HEERE in Jeruzalem. Wel aten zij ongezuurde broden bij hun collega's. 10. Hij maakte ook Tofeth onrein, in het dal van de zonen van Hinnom. Zo kon niemand meer zijn zoon of dochter voor Molech door het vuur laten gaan. 11. Hij schafte de paarden af die de koningen van Juda aan de zon gewijd hadden. Die stonden bij de ingang van het huis van de HEERE, bij de kamer van de hoveling Nathan-Melech, in de bijgebouwen. De wagens van de zon verbrandde hij. 12. De koning brak ook de altaren af op het dak van de bovenzaal van Achaz, die de koningen van Juda gemaakt hadden. Hetzelfde deed hij met de altaren die Manasse in de twee voorhoven van het huis van de HEERE gemaakt had. Hij verbrijzelde ze daar en gooide het gruis in de beek Kidron. 13. Ook maakte de koning de offerhoogten onrein die ten oosten van Jeruzalem lagen, rechts van de Berg van het Verderf. Salomo, de koning van Israël, had ze gebouwd voor Astoreth, de gruwel van de Sidoniërs, en voor Kamos, de gruwel van Moab. Ook voor Milchom, de gruwel van de Ammonieten, had hij er een gebouwd. 14. Hij sloeg ook de gewijde stenen stuk en hakte de gewijde palen om. De plaatsen daarvan vulde hij met mensenbeenderen. 15. Ook het altaar in Bethel brak hij af, met de offerhoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, gemaakt had, die Israël tot zonde bracht. Hij verbrandde de offerhoogte en verpulverde die tot stof; ook de gewijde paal verbrandde hij. 16. Toen Josia zich omdraaide, zag hij de graven op de berg. Hij liet de beenderen uit die graven halen en verbrandde ze op het altaar. Zo maakte hij het onrein, zoals de HEERE gezegd had door de man van God die dit aangekondigd had. 17. Verder vroeg hij: Wat is dat voor grafteken dat ik daar zie? De mensen van de stad zeiden tegen hem: Dat is het graf van de man van God die uit Juda kwam. Hij heeft aangekondigd wat u met dit altaar in Bethel gedaan hebt. 18. Hij zei: Laat hem liggen. Niemand mag zijn beenderen aanraken. Zo lieten zij zijn beenderen met rust, en ook die van de profeet uit Samaria. 19. Josia haalde ook alle tempels op de offerhoogten weg in de steden van Samaria. De koningen van Israël hadden die gebouwd en zo de toorn van de HEERE opgewekt. Hij deed daarmee net als in Bethel. 20. Alle priesters van de offerhoogten die daar waren, doodde hij op de altaren. Daar verbrandde hij mensenbeenderen op. Daarna ging hij terug naar Jeruzalem. 21. De koning gaf het hele volk bevel: Vier het pascha voor de HEERE, jullie God, zoals het in dit boek van het verbond beschreven staat. 22. Zo'n pascha was er niet meer gevierd sinds de tijd van de richters die Israël leidden. Ook niet in de tijd van de koningen van Israël en van Juda. 23. Pas in het achttiende jaar van koning Josia werd dit pascha voor de HEERE in Jeruzalem gevierd. 24. Josia deed ook de waarzeggers, de geestenbezweerders, de terafim, de drekgoden en alle gruwelen weg die in Juda en Jeruzalem te zien waren. Zo bevestigde hij de woorden van de wet uit het boek dat de priester Hilkia in het huis van de HEERE gevonden had. 25. Er was vóór hem geen koning zoals hij. Hij bekeerde zich tot de HEERE met heel zijn hart, heel zijn ziel en heel zijn kracht, naar heel de wet van Mozes. Ook na hem stond er niemand op zoals hij. 26. Toch bleef de HEERE hevig toornig op Juda. Zijn toorn was ontbrand om alles waarmee Manasse Hem getergd had. 27. De HEERE zei: Ook Juda zal ik bij mij wegsturen, zoals ik Israël heb weggestuurd. Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die ik gekozen heb, en ook het huis waarvan ik gezegd heb: Daar zal mijn Naam wonen. 28. Wat verder over Josia te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 29. In zijn tijd trok Farao Necho, de koning van Egypte, op naar de rivier de Eufraat, tegen de koning van Assyrië. Koning Josia ging hem tegemoet. Maar Necho doodde hem bij Megiddo, zodra hij hem zag. 30. Zijn dienaren brachten hem dood op een wagen van Megiddo naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. Het volk van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, zalfde hem en maakte hem koning in de plaats van zijn vader. 31. Joahaz was 23 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. Zijn moeder heette Hamutal en was een dochter van Jeremia uit Libna. 32. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, net als zijn voorouders. 33. Farao Necho liet hem gevangenzetten in Ribla, in het land Hamath, zodat hij niet in Jeruzalem kon regeren. Hij legde het land een boete op van ongeveer 3.400 kilo zilver en ongeveer 34 kilo goud. 34. Farao Necho maakte Eljakim, de zoon van Josia, koning in de plaats van zijn vader. Hij veranderde zijn naam in Jojakim. Joahaz nam hij mee naar Egypte, en daar stierf hij. 35. Jojakim betaalde het zilver en het goud aan Farao. Daarvoor legde hij het land een belasting op. Van iedereen in het land eiste hij zilver en goud, ieder naar wat hij bezat, om aan Farao Necho te geven. 36. Jojakim was 25 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Zebudda en was een dochter van Pedaja uit Ruma. 37. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, net als zijn voorouders. ## 2 Koningen 24 — Juda komt onder Babel 1. In zijn tijd trok Nebukadnezar, de koning van Babel, op. Jojakim werd drie jaar zijn onderdaan. Daarna keerde hij zich om en kwam tegen hem in opstand. 2. De HEERE stuurde benden Chaldeeën, Syriërs, Moabieten en Ammonieten op hem af. Hij stuurde hen tegen Juda om het te vernietigen. Zo ging het woord van de HEERE in vervulling, dat Hij gesproken had door Zijn dienaren, de profeten. 3. Dit gebeurde met Juda op bevel van de HEERE. Hij stuurde hen bij zich weg om de zonden van Manasse, om alles wat die gedaan had. 4. Ook het onschuldige bloed telde mee dat Manasse vergoten had, waarmee hij Jeruzalem gevuld had. Daarom wilde de HEERE niet vergeven. 5. Wat verder over Jojakim te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda. 6. Jojakim ging bij zijn voorouders te ruste, en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats. 7. De koning van Egypte trok niet meer uit zijn land. De koning van Babel had namelijk alles ingenomen wat van de koning van Egypte was, van de beek van Egypte tot de rivier de Eufraat. 8. Jojachin was achttien jaar toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. Zijn moeder heette Nehusta en was een dochter van Elnathan uit Jeruzalem. 9. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, net als zijn vader. 10. In die tijd trokken de dienaren van Nebukadnezar, de koning van Babel, op naar Jeruzalem. De stad werd belegerd. 11. Terwijl zijn dienaren de stad belegerden, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, er zelf ook naartoe. 12. Toen gaf Jojachin, de koning van Juda, zich over aan de koning van Babel. Ook zijn moeder, zijn dienaren, zijn hooggeplaatsten en zijn hovelingen gingen mee. De koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. 13. Hij haalde alle schatten uit het huis van de HEERE en uit het paleis weg. Hij sloeg alle gouden voorwerpen stuk die Salomo, de koning van Israël, voor de tempel van de HEERE gemaakt had, zoals de HEERE gezegd had. 14. Hij voerde heel Jeruzalem weg: alle hooggeplaatsten, alle dappere strijders, 10.000 gevangenen, en alle timmerlieden en smeden. Alleen de armste mensen van het land bleven achter. 15. Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, met de moeder van de koning, zijn vrouwen en zijn hovelingen. Ook de machtige mannen van het land bracht hij als gevangenen van Jeruzalem naar Babel. 16. Verder voerde de koning van Babel 7.000 sterke mannen weg, en 1.000 timmerlieden en smeden. Het waren allemaal mannen die goed konden vechten. Hij bracht hen als gevangenen naar Babel. 17. De koning van Babel maakte Mattanja, de oom van Jojachin, koning in zijn plaats. Hij veranderde zijn naam in Zedekia. 18. Zedekia was 21 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Hamutal en was een dochter van Jeremia uit Libna. 19. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, net als Jojakim. 20. Dit gebeurde door de toorn van de HEERE tegen Jeruzalem en Juda, tot Hij hen bij zich weggooide. En Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel. ## 2 Koningen 25 — Jeruzalem valt 1. Het was het negende jaar van zijn regering, de tiende dag van de tiende maand. Toen kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, met zijn hele leger naar Jeruzalem. Hij sloeg zijn kamp op tegen de stad en liet er rondom belegeringswerken bouwen. 2. Zo lag de stad onder belegering tot in het elfde jaar van koning Zedekia. 3. Op de negende dag van de vierde maand werd de honger in de stad te groot. Het volk van het land had geen brood meer. 4. Toen werd er een bres in de stad geslagen. Alle soldaten vluchtten 's nachts door de poort tussen de twee muren, bij de tuin van de koning. De Chaldeeën lagen rondom de stad, en de koning ging in de richting van de Vlakte. 5. Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning. Zij haalden hem in op de vlakte van Jericho, en zijn hele leger raakte van hem verspreid. 6. Zij grepen de koning en brachten hem naar de koning van Babel in Ribla. Daar spraken zij het vonnis over hem uit. 7. Zij doodden de zonen van Zedekia voor zijn ogen. Daarna maakten zij Zedekia blind, boeiden hem met twee bronzen ketenen en brachten hem naar Babel. 8. In de vijfde maand, op de zevende dag, kwam Nebuzaradan naar Jeruzalem. Hij was de bevelhebber van de lijfwacht en een dienaar van de koning van Babel. Dat was in het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel. 9. Hij verbrandde het huis van de HEERE en het paleis. Ook alle huizen van Jeruzalem verbrandde hij, tot elk huis van een vooraanstaande man toe. 10. Het hele leger van de Chaldeeën, dat bij de bevelhebber van de lijfwacht was, brak de muren rondom Jeruzalem af. 11. Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde de rest van het volk weg. Ook de overlopers die naar de koning van Babel waren gegaan, en wie er verder nog over was, voerde hij weg. 12. Alleen van de armste mensen van het land liet hij er een aantal achter, als wijnboeren en akkerbouwers. 13. De Chaldeeën braken de bronzen zuilen in het huis van de HEERE stuk, en ook de onderstellen en de bronzen zee. Het brons daarvan brachten zij naar Babel. 14. Zij namen ook de potten, de scheppen, de messen, de schalen voor reukwerk en alle bronzen voorwerpen mee waarmee de dienst gedaan werd. 15. De bevelhebber van de lijfwacht nam de vuurpannen en de sprengbekkens mee, alles wat van zuiver goud of zuiver zilver was. 16. Salomo had de twee zuilen, de ene zee en de onderstellen voor het huis van de HEERE gemaakt. Het brons daarvan was niet te wegen. 17. Elke zuil was ongeveer 8 meter hoog. Het bronzen kapiteel erop was ongeveer 1,4 meter hoog. Op het kapiteel zat rondom vlechtwerk met granaatappels, alles van brons. De andere zuil was net zo, ook met vlechtwerk. 18. De bevelhebber van de lijfwacht nam ook Seraja mee, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, met de drie drempelwachters. 19. Uit de stad nam hij een hoveling mee die over de soldaten ging. Ook nam hij vijf mannen uit de naaste kring van de koning mee. Verder nam hij de schrijver van de legerbevelhebber mee, die het volk voor het leger inschreef. Ten slotte nam hij 60 mannen uit het volk mee die nog in de stad waren. 20. Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel in Ribla. 21. De koning van Babel liet hen daar doden, in Ribla in het land Hamath. Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd. 22. Over het volk dat in Juda achterbleef, stelde Nebukadnezar, de koning van Babel, Gedalia aan. Hij was de zoon van Ahikam, de zoon van Safan. 23. Alle legeraanvoerders en hun mannen hoorden dat de koning van Babel Gedalia had aangesteld. Toen kwamen zij met hun mannen naar Gedalia in Mizpa. Het waren Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah. Ook Seraja, de zoon van Tanhumeth uit Netofa, en Jaäzanja, de zoon van de Maächathiet, kwamen. 24. Gedalia zwoer hun en hun mannen een eed. Hij zei tegen hen: Wees niet bang voor de dienaren van de Chaldeeën. Blijf in het land en dien de koning van Babel, dan zal het jullie goed gaan. 25. Maar in de zevende maand kwam Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama. Hij was van koninklijke afkomst en had tien mannen bij zich. Zij doodden Gedalia, en ook de Judeeërs en de Chaldeeën die met hem in Mizpa waren. 26. Toen vertrok het hele volk, van klein tot groot, met de legeraanvoerders naar Egypte. Zij waren namelijk bang voor de Chaldeeën. 27. In het zevenendertigste jaar dat Jojachin, de koning van Juda, weggevoerd was, kwam Evilmerodach aan de macht in Babel. In het jaar dat hij koning werd, in de twaalfde maand, op de 27e dag, liet hij Jojachin uit de gevangenis halen. 28. Hij sprak vriendelijk met hem. Hij gaf hem een hogere plaats dan de andere koningen die bij hem in Babel waren. 29. Jojachin mocht zijn gevangeniskleren uittrekken. Zijn leven lang at hij voortaan aan de tafel van de koning. 30. Voor zijn levensonderhoud kreeg hij elke dag zijn vaste deel van de koning, zijn leven lang. ## 1 Kronieken 1 — Van Adam tot Israël 1. Adam, Seth, Enos, 2. Kenan, Mahalal-El, Jered, 3. Henoch, Methusalah, Lamech, 4. Noach, en zijn zonen Sem, Cham en Jafeth. 5. De zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras. 6. De zonen van Gomer waren Askenaz, Difath en Thogarma. 7. De zonen van Javan waren Elisa en Tharsisa, en van hem stammen de Chittieten en de Dodanieten af. 8. De zonen van Cham waren Cusch, Mitsraim, Put en Kanaän. 9. De zonen van Cusch waren Seba, Havila, Sabta, Raema en Sabtecha. De zonen van Raema waren Scheba en Dedan. 10. Cusch kreeg ook Nimrod. Die werd de eerste machthebber op aarde. 11. Van Mitsraim stammen de Ludieten af, en de Anamieten, de Lehabieten en de Naftuchieten, 12. en ook de Pathrusieten en de Casluchieten, van wie de Filistijnen afstammen, en de Cafthorieten. 13. Kanaän kreeg Sidon, zijn oudste zoon, en Heth. 14. Van hem stammen ook de Jebusieten af, de Amorieten en de Girgasieten, 15. de Hevieten, de Arkieten en de Sinieten, 16. en de Arvadieten, de Zemarieten en de Hamathieten. 17. De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arfachsad, Lud en Aram, en verder Uz, Hul, Gether en Mesech. 18. Arfachsad kreeg Selah, en Selah kreeg Heber. 19. Heber kreeg twee zonen. De een heette Peleg, want in zijn tijd werd de aarde verdeeld. Zijn broer heette Joktan. 20. Joktan kreeg Almodad, Selef, Hazarmaveth, Jerah, 21. Hadoram, Uzal, Dikla, 22. Ebal, Abimaël, Scheba, 23. Ofir, Havila en Jobab. Zij waren allemaal zonen van Joktan. 24. Sem, Arfachsad, Selah, 25. Heber, Peleg, Rehu, 26. Serug, Nahor, Terah, 27. Abram, die ook Abraham heet. 28. De zonen van Abraham waren Izak en Ismaël. 29. Dit is hun nageslacht. De oudste zoon van Ismaël was Nebajoth. Verder kreeg hij Kedar, Adbeel, Mibsam, 30. Misma, Duma, Massa, Hadad, Thema, 31. Jetur, Nafis en Kedma. Dat waren de zonen van Ismaël. 32. Ketura was de bijvrouw van Abraham. Zij kreeg Zimram, Joksan, Medan, Midian, Isbak en Suah. De zonen van Joksan waren Scheba en Dedan. 33. De zonen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaa. Zij stamden allemaal van Ketura af. 34. Abraham kreeg Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israël. 35. De zonen van Ezau waren Elifaz, Rehuël, Jehus, Jaëlam en Korah. 36. De zonen van Elifaz waren Theman, Omar, Zefi, Gaetham en Kenaz, en bij Timna kreeg hij Amalek. 37. De zonen van Rehuël waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza. 38. De zonen van Seïr waren Lotan, Sobal, Zibeon, Ana, Dison, Ezer en Disan. 39. De zonen van Lotan waren Hori en Homam. De zus van Lotan heette Timna. 40. De zonen van Sobal waren Aljan, Manahath, Ebal, Sefi en Onam. De zonen van Zibeon waren Aja en Ana. 41. De zoon van Ana was Dison. De zonen van Dison waren Hamram, Esban, Jithran en Cheran. 42. De zonen van Ezer waren Bilhan, Zaävan en Jaäkan. De zonen van Disan waren Uz en Aran. 43. Dit zijn de koningen die in Edom regeerden voordat de Israëlieten een koning hadden. Bela, de zoon van Beor, regeerde er. Zijn stad heette Dinhaba. 44. Toen Bela stierf, werd Jobab koning. Hij was de zoon van Zerah en kwam uit Bozra. 45. Toen Jobab stierf, werd Husam koning. Hij kwam uit het land van de Themanieten. 46. Toen Husam stierf, werd Hadad koning. Hij was de zoon van Bedad en versloeg de Midianieten in de vlakte van Moab. Zijn stad heette Avith. 47. Toen Hadad stierf, werd Samla uit Masreka koning. 48. Toen Samla stierf, werd Saul uit Rehoboth aan de rivier koning. 49. Toen Saul stierf, werd Baäl-Hanan koning. Hij was de zoon van Achbor. 50. Toen Baäl-Hanan stierf, werd Hadad koning. Zijn stad heette Pahi. Zijn vrouw heette Mehetabeël, de dochter van Matred, de dochter van Mee-Sahab. 51. Toen Hadad stierf, kwamen er stamhoofden in Edom: Timna, Alja, Jetheth, 52. Aholi-Bama, Ela, Pinon, 53. Kenaz, Theman, Mibzar, 54. Magdiël en Iram. Dat waren de stamhoofden van Edom. ## 1 Kronieken 2 — De stam van Juda 1. Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Zebulon, 2. Dan, Jozef, Benjamin, Nafthali, Gad en Aser. 3. De zonen van Juda waren Er, Onan en Sela. Die drie kreeg hij bij de dochter van Sua, een vrouw uit Kanaän. Er, de oudste zoon van Juda, deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE. Daarom liet de HEERE hem sterven. 4. Thamar, zijn schoondochter, kreeg van hem Perez en Zerah. Juda had dus vijf zonen. 5. De zonen van Perez waren Hezron en Hamul. 6. De zonen van Zerah waren Zimri, Ethan, Heman, Chalcol en Dara, vijf in totaal. 7. De zoon van Charmi was Achar. Hij bracht Israël in het ongeluk, doordat hij iets meenam wat aan God gewijd was. 8. De zoon van Ethan was Azaria. 9. De zonen die Hezron kreeg, waren Jerahmeël, Ram en Chelubai. 10. Ram kreeg Amminadab, en Amminadab kreeg Nahesson, de leider van de stam Juda. 11. Nahesson kreeg Salma, en Salma kreeg Boaz. 12. Boaz kreeg Obed, en Obed kreeg Isaï. 13. Isaï kreeg Eliab, zijn oudste zoon, daarna Abinadab en Simea, 14. daarna Nethaneël en Raddai, 15. daarna Ozem, en als zevende David. 16. Hun zussen waren Zeruja en Abigaïl. Zeruja had drie zonen: Abisai, Joab en Asa-El. 17. Abigaïl kreeg Amasa. Zijn vader was Jether, een Ismaëliet. 18. Kaleb, de zoon van Hezron, kreeg kinderen bij zijn vrouw Azuba en bij Jerioth. Haar zonen waren Jeser, Sobab en Ardon. 19. Toen Azuba gestorven was, trouwde Kaleb met Efrath. Zij kreeg van hem Hur. 20. Hur kreeg Uri, en Uri kreeg Bezaleël. 21. Daarna trouwde Hezron met de dochter van Machir, de vader van Gilead. Hij was toen zestig jaar. Zij kreeg van hem Segub. 22. Segub kreeg Jaïr, die 23 steden in Gilead bezat. 23. Maar Gesur en Aram namen de dorpen van Jaïr van hem af, met Kenath en de plaatsen die daarbij hoorden: zestig steden. Zij stamden allemaal af van Machir, de vader van Gilead. 24. Na de dood van Hezron in Kaleb-Efratha kreeg Abia, de vrouw van Hezron, nog Asschur, de vader van Thekoa. 25. Jerahmeël was de oudste zoon van Hezron. Zijn zonen waren Ram, de oudste, en verder Buna, Oren, Ozem en Ahia. 26. Jerahmeël had nog een andere vrouw, Atara. Zij was de moeder van Onam. 27. De zonen van Ram, de oudste zoon van Jerahmeël, waren Maäz, Jamin en Eker. 28. De zonen van Onam waren Sammai en Jada. De zonen van Sammai waren Nadab en Abisur. 29. De vrouw van Abisur heette Abihaïl. Zij kreeg van hem Achban en Molid. 30. De zonen van Nadab waren Seled en Appaïm. Seled stierf zonder kinderen. 31. De zoon van Appaïm was Jisei, de zoon van Jisei was Sesan, en de zoon van Sesan was Achlai. 32. De zonen van Jada, de broer van Sammai, waren Jether en Jonathan. Jether stierf zonder kinderen. 33. De zonen van Jonathan waren Peleth en Zaza. Dat waren de nakomelingen van Jerahmeël. 34. Sesan had geen zonen, alleen dochters. Hij had een Egyptische slaaf die Jarha heette. 35. Sesan gaf zijn dochter aan zijn slaaf Jarha tot vrouw. Zij kreeg van hem Attai. 36. Attai kreeg Nathan, en Nathan kreeg Zabad. 37. Zabad kreeg Eflal, en Eflal kreeg Obed. 38. Obed kreeg Jehu, en Jehu kreeg Azaria. 39. Azaria kreeg Helez, en Helez kreeg Elasa. 40. Elasa kreeg Sismai, en Sismai kreeg Sallum. 41. Sallum kreeg Jekamja, en Jekamja kreeg Elisama. 42. Kaleb was de broer van Jerahmeël. Zijn oudste zoon was Mesa, de vader van Zif. Verder had hij de zonen van Maresa, de vader van Hebron. 43. De zonen van Hebron waren Korah, Tappuah, Rekem en Sema. 44. Sema kreeg Raham, de vader van Jorkeam, en Rekem kreeg Sammai. 45. De zoon van Sammai was Maon, en Maon was de vader van Beth-Zur. 46. Efa, de bijvrouw van Kaleb, kreeg Haran, Moza en Gazez. Haran kreeg ook een zoon die Gazez heette. 47. De zonen van Jochdai waren Regem, Jotham, Gesan, Pelet, Efa en Saäf. 48. Bij zijn bijvrouw Maächa kreeg Kaleb Seber en Tirhana. 49. Zij kreeg ook Saäf, de vader van Madmanna, en Seva, de vader van Machbena en van Gibea. De dochter van Kaleb heette Achsa. 50. Dit waren de nakomelingen van Kaleb. De zonen van Hur, de oudste zoon van Efratha, waren Sobal, de vader van Kirjath-Jearim, 51. Salma, de vader van Bethlehem, en Haref, de vader van Beth-Gader. 52. Sobal, de vader van Kirjath-Jearim, had als nakomelingen Haroe en de helft van de Menuchieten. 53. De families van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, de Futhieten, de Sumathieten en de Misraïeten. Van hen stammen de Zoraïeten en de Esthaolieten af. 54. De nakomelingen van Salma waren Bethlehem, de Netofathieten, Atroth-Beth-Joab, de helft van de Manathieten en de Zorieten. 55. In Jabes woonden families van schrijvers: de Tirathieten, de Simeathieten en de Suchathieten. Dat zijn de Kenieten, die afstammen van Hammath, de vader van de familie Rechab. ## 1 Kronieken 3 — Het koningshuis van David 1. Dit zijn de zonen van David die in Hebron geboren werden. De oudste was Amnon, zijn moeder was Ahinoam uit Jizreël. De tweede was Daniël, zijn moeder was Abigaïl uit Karmel. 2. De derde was Absalom, zijn moeder was Maächa, de dochter van Thalmai, de koning van Gesur. De vierde was Adonia, de zoon van Haggith. 3. De vijfde was Sefatja, zijn moeder was Abital. De zesde was Jithream, zijn moeder was Egla, de vrouw van David. 4. Deze zes werden in Hebron geboren. Daar regeerde David zeven jaar en zes maanden, en in Jeruzalem regeerde hij 33 jaar. 5. In Jeruzalem kreeg hij Simea, Sobab, Nathan en Salomo. Deze vier kreeg hij bij Bath-Sua, de dochter van Ammiël. 6. Verder kreeg hij Jibchar, Elisama, Elifelet, 7. Nogah, Nefeg, Jafia, 8. Elisama, Eljada en Elifelet: negen zonen. 9. Dat waren allemaal zonen van David. Daarnaast had hij nog zonen bij zijn bijvrouwen. Thamar was hun zus. 10. De zoon van Salomo was Rehabeam. Zijn zoon was Abia, diens zoon was Asa, en diens zoon was Josafat. 11. Daarna volgden Joram, Ahazia en Joas. 12. Daarna volgden Amazia, Azaria en Jotham. 13. Daarna volgden Achaz, Hizkia en Manasse. 14. Daarna volgden Amon en Josia. 15. De zonen van Josia waren Johanan, de oudste, daarna Jojakim, daarna Zedekia en daarna Sallum. 16. De zoon van Jojakim was Jechonia, en diens zoon was Zedekia. 17. De zoon van Jechonia, die gevangen weggevoerd was, was Sealthiël. 18. Verder had Jechonia nog Malchiram, Pedaja, Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja. 19. De zonen van Pedaja waren Zerubbabel en Simeï. De zonen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja. Selomith was hun zus. 20. Verder had Zerubbabel nog vijf kinderen: Hasuba, Ohel, Berechja, Hasadja en Jusabhesed. 21. De zonen van Hananja waren Pelatja en Jesaja. Verder waren er de families van Refaja, Arnan, Obadja en Sechanja. 22. De zoon van Sechanja was Semaja. De zonen van Semaja waren Hattus, Jigeal, Bariah, Nearja en Safat: zes in totaal. 23. De zonen van Nearja waren Eljoënai, Hizkia en Azrikam: drie in totaal. 24. De zonen van Eljoënai waren Hodajeva, Eljasib, Pelaja, Akkub, Johanan, Delaja en Anani: zeven in totaal. ## 1 Kronieken 4 — Families van Juda en Simeon 1. Tot de nakomelingen van Juda hoorden Perez, Hezron, Charmi, Hur en Sobal. 2. Reaja, de zoon van Sobal, kreeg Jahath, en Jahath kreeg Ahumai en Lahad. Dat zijn de families van de Zorathieten. 3. Dit zijn de zonen van Etam: Jizreël, Isma en Idbas. Hun zus heette Hazelelponi. 4. Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dat zijn de nakomelingen van Hur, de oudste zoon van Efratha en de vader van Bethlehem. 5. Asschur, de vader van Thekoa, had twee vrouwen: Hela en Naära. 6. Naära kreeg van hem Ahuzzam, Hefer, Temeni en Haähastari. Dat waren de zonen van Naära. 7. De zonen van Hela waren Zereth, Jezohar en Ethnan. 8. Koz kreeg Anub en Hazobeba, en van hem stammen ook de families van Aharlel af, de zoon van Harum. 9. Jabez had meer aanzien dan zijn broers. Zijn moeder had hem Jabez genoemd, want zij zei: Ik heb hem met pijn ter wereld gebracht. 10. Jabez riep de God van Israël aan. Hij bad: Zegen mij toch rijk en maak mijn gebied groter. Laat Uw hand met mij zijn en houd het kwaad bij mij vandaan, zodat het mij geen pijn doet. En God gaf hem waar hij om vroeg. 11. Chelub, de broer van Suha, kreeg Mechir. Die was de vader van Eston. 12. Eston kreeg Beth-Rafa, Pasea en Tehinna, de vader van Ir-Nahas. Dat zijn de mannen van Recha. 13. De zonen van Kenaz waren Othniël en Seraja. De zoon van Othniël was Hathath. 14. Meonothai kreeg Ofra. Seraja kreeg Joab, de stichter van het Dal van de Vaklieden. Daar woonden namelijk vaklieden. 15. De zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm. De zoon van Ela was Kenaz. 16. De zonen van Jehalelel waren Zif, Zifa, Thirea en Asareël. 17. De zonen van Ezra waren Jether, Mered, Efer en Jalon. Zijn vrouw kreeg Mirjam, Sammai en Isbah, de vader van Esthemoa. 18. Zijn Joodse vrouw kreeg Jered, de vader van Gedor, en Heber, de vader van Socho, en Jekuthiël, de vader van Zanoah. De andere zonen waren van Bitja, de dochter van de koning van Egypte, met wie Mered getrouwd was. 19. De vrouw van Hodija was de zus van Naham. Haar zonen waren de vaders van Kehila, uit de familie Garmi, en van Esthemoa, uit de familie Maächath. 20. De zonen van Simon waren Amnon, Rinna, Ben-Hanan en Tilon. De zonen van Iseï waren Zoheth en Ben-Zoheth. 21. Sela was een zoon van Juda. Zijn nakomelingen waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa, en de families van de linnenwevers in Beth-Asbea. 22. Verder waren dat Jokim, de mannen van Chozeba, en Joas en Saraf, die over Moab geheerst hebben, en Jasubi-Lehem. Dit zijn oude berichten. 23. Zij waren pottenbakkers. Zij woonden bij de plantages en de tuinen, en werkten daar voor de koning. 24. De zonen van Simeon waren Nemuël, Jamin, Jarib, Zerah en Saul. 25. De zoon van Saul was Sallum, diens zoon was Mibsam, en diens zoon was Misma. 26. De nakomelingen van Misma waren zijn zoon Hammuël, diens zoon Zaccur en diens zoon Simeï. 27. Simeï had zestien zonen en zes dochters. Maar zijn broers hadden niet veel kinderen. Hun families werden dan ook niet zo groot als die van Juda. 28. Zij woonden in Ber-Seba, Molada, Hazar-Sual, 29. Bilha, Ezem, Tholad, 30. Bethuël, Horma, Ziklag, 31. Beth-Markaboth, Hazar-Susim, Beth-Biri en Saäraim. Dat waren hun steden totdat David koning werd. 32. Verder hadden zij vijf plaatsen: Etam, Ain, Rimmon, Tochen en Asan. 33. Daarbij hoorden alle dorpen rondom die steden, tot aan Baäl toe. Daar woonden zij, en zo staat het in hun geslachtsregister. 34. Verder waren er Mesobab, Jamlech, Josa, de zoon van Amazia, 35. Joël, en Jehu, de zoon van Jesibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël, 36. en Eljoënai, Jaäkoba, Jesohaja, Asaja, Adiël, Jesimeël, Benaja, 37. en Ziza, de zoon van Sifeï, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja. 38. Deze mannen waren de leiders van hun families, en die families werden groot. 39. Zij trokken naar de streek van Gedor, tot aan de oostkant van het dal. Zij zochten weidegrond voor hun schapen. 40. Zij vonden vette en goede weidegrond, in een ruim land waar het rustig en stil was. Daar hadden vroeger nakomelingen van Cham gewoond. 41. Deze mannen, van wie de namen genoemd zijn, kwamen daar in de tijd van Hizkia, de koning van Juda. Zij verwoestten de tenten en de woningen van de bewoners die zij aantroffen en wijdden hen aan de ondergang. Tot vandaag toe wonen zij daar, want er was weidegrond voor hun schapen. 42. Ook trokken er vijfhonderd mannen uit de stam Simeon naar het bergland van Seïr. Hun aanvoerders waren Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël, de zonen van Iseï. 43. Zij versloegen de laatste Amalekieten die ontkomen waren, en zij wonen daar tot vandaag toe. ## 1 Kronieken 5 — De stammen aan de overkant van de Jordaan 1. Ruben was de oudste zoon van Israël. Maar hij had het bed van zijn vader onteerd. Daarom werd zijn recht als oudste zoon aan de zonen van Jozef gegeven. In het geslachtsregister staat hij dus niet als oudste. 2. Juda werd de machtigste onder zijn broers, en uit hem kwam de vorst voort. Maar het recht van de oudste zoon was voor Jozef. 3. De zonen van Ruben, de oudste zoon van Israël, waren Hanoch, Pallu, Hezron en Charmi. 4. Dit waren de nakomelingen van Joël: zijn zoon Semaja, diens zoon Gog, diens zoon Simeï, 5. diens zoon Micha, diens zoon Reaja, diens zoon Baäl, 6. en diens zoon Beëra. Hij was de leider van de Rubenieten. Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, voerde hem gevangen weg. 7. Zijn verwanten staan per familie in het geslachtsregister. De leiders waren Jehiël, Zecharja, 8. en Bela, de zoon van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van Joël. Die woonde in Aroër, en zijn gebied liep tot Nebo en Baäl-Meon. 9. Naar het oosten toe woonde hij tot aan de rand van de woestijn bij de rivier de Frath. Want hun vee was talrijk geworden in Gilead. 10. In de tijd van Saul voerden zij oorlog tegen de Hagarenen en versloegen hen. Daarna woonden zij in hun tenten in het hele gebied ten oosten van Gilead. 11. De zonen van Gad woonden tegenover hen, in Basan, tot aan Salcha toe. 12. Joël was het hoofd, Safam de tweede man. Verder woonden Jaenai en Safat in Basan. 13. Hun verwanten waren per familie Michaël, Mesullam, Seba, Jorai, Jachan, Zia en Heber: zeven in totaal. 14. Dit waren de zonen van Abihaïl, de zoon van Huri. Huri stamde af van Jaroah, Gilead, Michaël, Jesisai, Jahdo en Buz. 15. Ahi, de zoon van Abdiël en kleinzoon van Guni, was het hoofd van hun familie. 16. Zij woonden in Gilead en in Basan, in de plaatsen die daarbij hoorden, en in alle weidegronden van Saron tot aan de grenzen toe. 17. Zij werden allemaal in het geslachtsregister opgenomen in de tijd van Jotham, de koning van Juda, en van Jerobeam, de koning van Israël. 18. De stam Ruben, de stam Gad en de halve stam Manasse hadden 44.760 geoefende soldaten die konden uitrukken. Zij droegen schild en zwaard, spanden de boog en waren ervaren in de strijd. 19. Zij voerden oorlog tegen de Hagarenen, en tegen Jethur, Nafis en Nodab. 20. Zij kregen hulp in die strijd. De Hagarenen en al hun bondgenoten werden aan hen overgegeven. Want zij riepen God aan in de strijd, en Hij liet zich verbidden, omdat zij op Hem vertrouwden. 21. Zij namen hun vee mee: 50.000 kamelen, 250.000 schapen en 2.000 ezels. Ook namen zij 100.000 mensen gevangen. 22. Er vielen veel doden, want de strijd was van God. Zij woonden daar in hun plaats, totdat zij zelf gevangen werden weggevoerd. 23. De halve stam Manasse woonde in dat gebied. Zij werden talrijk, van Basan tot aan Baäl-Hermon, Senir en de berg Hermon. 24. Dit waren de hoofden van hun families: Hefer, Jisei, Eliël, Azriël, Jeremia, Hodavja en Jahdiël. Zij waren dappere mannen met een goede naam, hoofden van hun families. 25. Maar zij werden ontrouw aan de God van hun voorouders. Zij liepen de goden achterna van de volken van dat land, die God voor hen uit verdreven had. 26. Daarom zette de God van Israël Pul, de koning van Assyrië, ertoe aan om op te trekken, en ook Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië. Die voerde de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse gevangen weg. Hij bracht hen naar Halah, Habor, Hara en de rivier de Gozan, waar zij tot vandaag toe wonen. ## 1 Kronieken 6 — De stam Levi 1. De zonen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari. 2. De zonen van Kahath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël. 3. De kinderen van Amram waren Aäron, Mozes en Mirjam. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar. 4. Eleazar kreeg Pinehas, en Pinehas kreeg Abisua. 5. Abisua kreeg Bukki, en Bukki kreeg Uzzi. 6. Uzzi kreeg Zerahja, en Zerahja kreeg Merajoth. 7. Merajoth kreeg Amarja, en Amarja kreeg Ahitub. 8. Ahitub kreeg Zadok, en Zadok kreeg Ahimaäz. 9. Ahimaäz kreeg Azarja, en Azarja kreeg Johanan. 10. Johanan kreeg Azarja. Hij was de priester in de tempel die Salomo in Jeruzalem gebouwd had. 11. Azarja kreeg Amarja, en Amarja kreeg Ahitub. 12. Ahitub kreeg Zadok, en Zadok kreeg Sallum. 13. Sallum kreeg Hilkia, en Hilkia kreeg Azarja. 14. Azarja kreeg Seraja, en Seraja kreeg Jozadak. 15. Jozadak werd meegevoerd toen de HEERE Juda en Jeruzalem in ballingschap liet gaan door Nebukadnezar. 16. De zonen van Levi waren dus Gerson, Kahath en Merari. 17. De zonen van Gerson heetten Libni en Simeï. 18. De zonen van Kahath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël. 19. De zonen van Merari waren Maheli en Musi. Dit zijn de families van de Levieten, naar hun voorouders. 20. Van Gerson stamden af: zijn zoon Libni, diens zoon Jahath, diens zoon Zimma, 21. diens zoon Joah, diens zoon Iddo, diens zoon Zerah en diens zoon Jeathrai. 22. Van Kahath stamden af: zijn zoon Amminadab, diens zoon Korah, diens zoon Assir, 23. diens zoon Elkana, diens zoon Ebjasaf, diens zoon Assir, 24. diens zoon Tahath, diens zoon Uriël, diens zoon Uzzia en diens zoon Saul. 25. De zonen van Elkana waren Amasia en Ahimoth. 26. Verder stamden van Elkana af: zijn zoon Elkana, diens zoon Zofai, diens zoon Nahath, 27. diens zoon Eliab, diens zoon Jeroham en diens zoon Elkana. 28. De zonen van Samuël waren Vasni, de oudste, en daarna Abia. 29. Van Merari stamden af: zijn zoon Maheli, diens zoon Libni, diens zoon Simeï, diens zoon Uzza, 30. diens zoon Simea, diens zoon Haggija en diens zoon Asaja. 31. Dit zijn de mannen die David aanstelde voor de zang in het huis van de HEERE, nadat de ark daar een vaste plaats had gekregen. 32. Zij zorgden met hun gezang voor de dienst bij de ontmoetingstent, totdat Salomo de tempel van de HEERE in Jeruzalem bouwde. Zij deden hun werk volgens de regels die voor hen golden. 33. Dit zijn de mannen die daar met hun zonen dienst deden. Uit de familie Kahath kwam Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël, 34. de zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah, 35. de zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai, 36. de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja, 37. de zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah, 38. de zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël. 39. Zijn verwant Asaf stond aan zijn rechterkant. Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea, 40. de zoon van Michaël, de zoon van Baeseja, de zoon van Malchija, 41. de zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja, 42. de zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï, 43. de zoon van Jahath, de zoon van Gerson, de zoon van Levi. 44. Aan de linkerkant stonden hun verwanten uit de familie Merari. Dat waren Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch, 45. de zoon van Hasabja, de zoon van Amazia, de zoon van Hilkia, 46. de zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer, 47. de zoon van Maheli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi. 48. De andere Levieten kregen allerlei taken bij de tent, het huis van God. 49. Aäron en zijn zonen brachten de offers op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar. Zij deden al het werk in het allerheiligste en brachten verzoening voor Israël, precies zoals Mozes, de dienaar van God, geboden had. 50. Dit zijn de nakomelingen van Aäron: zijn zoon Eleazar, diens zoon Pinehas, diens zoon Abisua, 51. diens zoon Bukki, diens zoon Uzzi, diens zoon Serahja, 52. diens zoon Merajoth, diens zoon Amarja, diens zoon Ahitub, 53. diens zoon Zadok en diens zoon Ahimaäz. 54. Dit waren hun woonplaatsen, met de weidegronden binnen hun gebied. De zonen van Aäron, uit de familie Kahath, kregen het eerste lot. 55. Zij kregen Hebron in Juda, met de weidegronden eromheen. 56. Maar de akkers van de stad en de dorpen eromheen gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne. 57. De zonen van Aäron kregen dus de vrijstad Hebron, en verder Libna, Jattir en Esthemoa, elk met hun weidegronden, 58. en ook Hilen en Debir, elk met hun weidegronden, 59. en Asan en Beth-Semes, elk met hun weidegronden. 60. Van de stam Benjamin kregen zij Geba, Allemeth en Anathoth, elk met hun weidegronden. In totaal hadden hun families dertien steden. 61. De overige nakomelingen van Kahath kregen door het lot tien steden van de halve stam Manasse. 62. De nakomelingen van Gerson kregen per familie dertien steden van de stammen Issaschar, Aser en Nafthali, en van de stam Manasse in Basan. 63. De nakomelingen van Merari kregen per familie door het lot twaalf steden van de stammen Ruben, Gad en Zebulon. 64. Zo gaven de Israëlieten deze steden met hun weidegronden aan de Levieten. 65. Door het lot gaven zij hun de steden die met name genoemd zijn, uit de stammen Juda, Simeon en Benjamin. 66. Enkele families van Kahath kregen hun steden van de stam Efraïm. 67. Zij kregen de vrijstad Sichem in het bergland van Efraïm, met de weidegronden, en Gezer met de weidegronden, 68. en Jokmeam en Beth-Horon, elk met hun weidegronden, 69. en Ajalon en Gath-Rimmon, elk met hun weidegronden. 70. Van de halve stam Manasse kregen zij Aner en Bileam, elk met hun weidegronden. Dat waren de steden voor de overige families van Kahath. 71. De nakomelingen van Gerson kregen van de halve stam Manasse: Golan in Basan en Astharoth, elk met hun weidegronden. 72. Van de stam Issaschar kregen zij Kedes en Dobrath, elk met hun weidegronden, 73. en Ramoth en Anem, elk met hun weidegronden. 74. Van de stam Aser kregen zij Masal en Abdon, elk met hun weidegronden, 75. en Hukok en Rehob, elk met hun weidegronden. 76. Van de stam Nafthali kregen zij Kedes in Galilea, Hammon en Kirjathaim, elk met hun weidegronden. 77. De overige nakomelingen van Merari kregen van de stam Zebulon: Rimmono en Thabor, elk met hun weidegronden. 78. Aan de overkant van de Jordaan bij Jericho, ten oosten van de rivier, kregen zij van de stam Ruben nog twee steden. Dat waren Bezer in de woestijn en Jahza, elk met hun weidegronden, 79. en Kedemoth en Mefaath, elk met hun weidegronden. 80. Van de stam Gad kregen zij Ramoth in Gilead en Mahanaïm, elk met hun weidegronden, 81. en Hesbon en Jaëzer, elk met hun weidegronden. ## 1 Kronieken 7 — De stammen Issaschar, Benjamin, Nafthali, Manasse, Efraïm en Aser 1. De zonen van Issaschar waren Thola, Pua, Jasib en Simron: vier in totaal. 2. De zonen van Thola waren Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Samuël. Zij waren de hoofden van de families van Thola en dappere mannen. In de tijd van David waren zij met 22.600. 3. De zoon van Uzzi was Jizrahja. De zonen van Jizrahja waren Michaël, Obadja, Joël en Jisia. Deze vijf waren allemaal hoofden. 4. Bij hen hoorden per familie 36.000 man voor het leger, want zij hadden veel vrouwen en kinderen. 5. In alle families van Issaschar waren er 87.000 dappere mannen. Zij staan allemaal in het geslachtsregister. 6. De zonen van Benjamin waren Bela, Becher en Jediael: drie in totaal. 7. De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri. Deze vijf waren familiehoofden en dappere mannen. In het geslachtsregister staan er 22.034. 8. De zonen van Becher waren Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremoth, Abija, Anathoth en Alemeth. Zij waren allemaal zonen van Becher. 9. In het geslachtsregister staan zij per familie als hoofden en dappere mannen: 20.200 in totaal. 10. De zoon van Jediael was Bilhan. De zonen van Bilhan waren Jeüs, Benjamin, Ehud, Chenaäna, Zethan, Tharsis en Ahi-Sahar. 11. Zij waren allemaal nakomelingen van Jediael en hoofden van hun families. Er waren 17.200 dappere mannen die konden uitrukken voor de strijd. 12. Suppim en Huppim waren zonen van Ir, en Husim was een zoon van Aher. 13. De zonen van Nafthali waren Jahziël, Guni, Jezer en Sallum. Zij waren nakomelingen van Bilha. 14. De zoon van Manasse was Asriël, die zijn vrouw uit Gilead kreeg. Zijn Syrische bijvrouw kreeg Machir, de vader van Gilead. 15. Machir trouwde met Maächa, de zus van Huppim en Suppim. De tweede zoon heette Zelafead, en die kreeg alleen dochters. 16. Maächa, de vrouw van Machir, kreeg een zoon en noemde hem Peres. Zijn broer heette Seres, en diens zonen waren Ulam en Rekem. 17. De zoon van Ulam was Bedan. Zij waren nakomelingen van Gilead, de zoon van Machir en kleinzoon van Manasse. 18. Zijn zus Molecheth kreeg Ishod, Abiëzer en Mahela. 19. De zonen van Semida waren Ahjan, Sechem, Likhi en Aniam. 20. De nakomelingen van Efraïm waren zijn zoon Suthelah, diens zoon Bered, diens zoon Tahath, diens zoon Elada, diens zoon Tahath, 21. diens zoon Zabad, en diens zonen Suthelah, Ezer en Elad. De mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij hun vee kwamen weghalen. 22. Hun vader Efraïm rouwde daar lange tijd om, en zijn verwanten kwamen hem troosten. 23. Daarna sliep hij met zijn vrouw. Zij werd zwanger en kreeg een zoon. Hij noemde hem Beria, omdat er onheil in zijn huis was geweest. 24. Zijn dochter was Seëra. Zij bouwde Beneden-Beth-Horon en Boven-Beth-Horon, en ook Uzzen-Seëra. 25. Verder waren er zijn zoon Refah en Resef, diens zoon Telah, diens zoon Tahan, 26. diens zoon Ladan, diens zoon Ammihud, diens zoon Elisama, 27. diens zoon Non en diens zoon Jozua. 28. Hun bezit en hun woongebied waren Beth-El met de plaatsen eromheen. In het oosten lag Naäran en in het westen Gezer, met de plaatsen eromheen. Verder hoorde Sichem erbij, met de plaatsen eromheen tot aan Gaza toe. 29. Langs het gebied van Manasse lagen Beth-Sean, Thaänach, Megiddo en Dor, elk met de plaatsen eromheen. Daar woonden de nakomelingen van Jozef, de zoon van Israël. 30. De kinderen van Aser waren Jimna, Jisva, Jisvi en Beria, en hun zus Sera. 31. De zonen van Beria waren Heber en Malchiël. Malchiël was de vader van Birzavith. 32. Heber kreeg Jaflet, Somer en Hotham, en hun zus Sua. 33. De zonen van Jaflet waren Pasach, Bimhal en Asvath. Dat waren de zonen van Jaflet. 34. De zonen van Semer waren Ahi, Rohega, Jehubba en Aram. 35. De zonen van zijn broer Helem waren Zofah, Jimna, Seles en Amal. 36. De zonen van Zofah waren Suah, Harnefer, Sual, Beri, Jimra, 37. Bezer, Hod, Samma, Silsa, Jithran en Beëra. 38. De zonen van Jether waren Jefunne, Pispa en Ara. 39. De zonen van Ulla waren Arah, Hanniël en Rizja. 40. Zij waren allemaal nakomelingen van Aser, hoofden van hun families en uitgelezen dappere mannen, de eersten onder de leiders. In het geslachtsregister staan 26.000 man die konden uitrukken voor de strijd. ## 1 Kronieken 8 — De stam Benjamin en het huis van Saul 1. Benjamin kreeg Bela, zijn oudste zoon, daarna Asbel en Ahrah, 2. daarna Naho en Rafa. 3. Bela kreeg deze kinderen: Addar, Gera, Abihud, 4. Abisua, Naäman, Ahoah, 5. Gera, Sefufan en Huram. 6. Dit zijn de zonen van Ehud. Zij waren de familiehoofden van de inwoners van Geba, en zij werden naar Manahath overgebracht. 7. Dat waren Naäman, Ahia en Gera. Gera bracht hen over, en hij kreeg Uzza en Ahihud. 8. Saharaim kreeg kinderen in Moab, nadat hij zijn vrouwen Husim en Baära had weggestuurd. 9. Bij zijn vrouw Hodes kreeg hij Jobab, Zibja, Mesa, Malcham, 10. Jeüz, Sochja en Mirma. Dat waren zijn zonen, familiehoofden. 11. Bij Husim had hij Abitub en Elpaäl gekregen. 12. De zonen van Elpaäl waren Eber, Misam en Semed. Semed bouwde Ono en Lod met de plaatsen eromheen. 13. Verder waren er Beria en Sema. Zij waren de familiehoofden van de inwoners van Ajalon, en zij verdreven de inwoners van Gath. 14. Verder waren er Ahjo, Sasak, Jeremoth, 15. Zebadja, Arad, Eder, 16. Michaël, Jispa en Joha. Zij waren zonen van Beria. 17. Zebadja, Mesullam, Hizki, Heber, 18. Jismerai, Jizlia en Jobab waren zonen van Elpaäl. 19. Jakim, Zichri, Zabdi, 20. Eljoënai, Zillethai, Eliël, 21. Adaja, Beraja en Simrath waren zonen van Simeï. 22. Jispan, Eber, Eliël, 23. Abdon, Zichri, Hanan, 24. Hananja, Elam, Antothija, 25. Jifdeja en Pnuël waren zonen van Sasak. 26. Samserai, Seharja, Athalja, 27. Jaäresja, Elia en Zichri waren zonen van Jeroham. 28. Dit waren de familiehoofden, hoofden naar hun afstamming. Zij woonden in Jeruzalem. 29. In Gibeon woonde de stichter van Gibeon. Zijn vrouw heette Maächa. 30. Zijn oudste zoon was Abdon, daarna kwamen Zur, Kis, Baäl en Nadab, 31. en verder Gedor, Ahio en Zecher. 32. Mikloth kreeg Simea. Ook zij woonden tegenover hun verwanten in Jeruzalem, samen met hen. 33. Ner kreeg Kis, Kis kreeg Saul, en Saul kreeg Jonathan, Malchi-Sua, Abinadab en Esbaäl. 34. De zoon van Jonathan was Merib-Baäl, en Merib-Baäl kreeg Micha. 35. De zonen van Micha waren Pithon, Melech, Thaärea en Achaz. 36. Achaz kreeg Jehoadda, en Jehoadda kreeg Alemeth, Azmaveth en Zimri. Zimri kreeg Moza, 37. en Moza kreeg Bina. Diens zoon was Rafa, diens zoon Elasa en diens zoon Azel. 38. Azel had zes zonen. Zij heetten Azrikam, Bochru, Ismaël, Searja, Obadja en Hanan. Dat waren allemaal zonen van Azel. 39. De zonen van zijn broer Esek waren Ulam, de oudste, daarna Jeüs en Elifelet. 40. De zonen van Ulam waren dappere mannen die de boog konden spannen. Zij hadden veel zonen en kleinzonen: honderdvijftig in totaal. Zij hoorden allemaal bij de stam Benjamin. ## 1 Kronieken 9 — De bewoners van Jeruzalem na de ballingschap 1. Heel Israël werd in geslachtsregisters opgenomen. Die staan opgeschreven in het boek van de koningen van Israël. En Juda werd om zijn ontrouw naar Babel weggevoerd. 2. De eersten die terugkwamen en weer op hun eigen bezit in hun steden gingen wonen, waren Israëlieten, priesters, Levieten en tempeldienaren. 3. In Jeruzalem woonden mensen uit de stammen Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse. 4. Dat waren Uthai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani. Hij stamde af van Perez, de zoon van Juda. 5. Van de Silonieten waren er Asaja, de oudste, en zijn zonen. 6. Van de nakomelingen van Zerah was er Jeüel. Met hun verwanten waren zij met 690. 7. Van de stam Benjamin waren er Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodavia, de zoon van Hassenua, 8. Verder waren er Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi en kleinzoon van Michri. Ook was er Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reüel, de zoon van Jibnija. 9. Met hun verwanten waren zij met 956, naar hun afstamming. Al deze mannen waren hoofden van hun families. 10. Van de priesters waren er Jedaja, Jojarib, Jachin, 11. en Azarja, de zoon van Hilkija, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub. Hij had de leiding over het huis van God. 12. Verder was er Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchija. Ook was er Massi, de zoon van Adiël, de zoon van Jahzera. Die stamde af van Mesullam, Mesillemith en Immer. 13. Met hun verwanten, de hoofden van hun families, waren zij met 1.760. Zij waren bekwame mannen voor de dienst in het huis van God. 14. Van de Levieten waren er Semaja, de zoon van Hasub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja. Zij hoorden bij de familie Merari. 15. Verder waren er Bakbakkar, Heres, Galal en Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf, 16. en Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun, en Berechja, de zoon van Asa en kleinzoon van Elkana. Die woonde in de dorpen van de Netofathieten. 17. De poortwachters waren Sallum, Akkub, Talmon, Ahiman en hun verwanten. Sallum was hun hoofd. 18. Tot vandaag toe staan zij bij de Koningspoort aan de oostkant. Zij waren de poortwachters uit de groepen van Levi. 19. Sallum was de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah. Hij en zijn verwanten uit de familie Korah hadden de dienst bij de drempels van de tent. Zo hadden hun voorouders in het kamp van de HEERE de ingang bewaakt. 20. Vroeger had Pinehas, de zoon van Eleazar, de leiding over hen, en de HEERE was met hem. 21. Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortwachter bij de ingang van de ontmoetingstent. 22. In totaal waren er 212 mannen uitgekozen als poortwachter bij de drempels. Zij stonden per dorp in het geslachtsregister. David en de ziener Samuël hadden hun die taak toevertrouwd. 23. Zij en hun zonen hielden de wacht bij de poorten van het huis van de HEERE, het huis van de tent. 24. De poortwachters stonden aan vier kanten: in het oosten, het westen, het noorden en het zuiden. 25. Hun verwanten in de dorpen moesten telkens voor zeven dagen komen om met hen dienst te doen. 26. De vier hoofdpoortwachters hadden een vaste taak. Zij waren Levieten en hadden de zorg voor de kamers en de voorraden in het huis van God. 27. Zij brachten de nacht door rondom het huis van God, want zij hadden de wacht. Ook moesten zij het elke morgen openen. 28. Sommigen van hen zorgden voor het gerei van de dienst. Zij telden het als het naar binnen ging en als het naar buiten ging. 29. Anderen hadden de zorg voor het gerei en voor alle heilige voorwerpen, en voor de meelbloem, de wijn, de olie, de wierook en de specerijen. 30. Priesterzonen maakten de zalf van die specerijen klaar. 31. Mattithja, een Leviet en de oudste zoon van Sallum uit de familie Korah, had de vaste taak om het gebak in de pannen te bereiden. 32. Enkele verwanten uit de familie Kahath zorgden voor de toonbroden. Zij maakten die elke sabbat klaar. 33. Tot hen behoorden ook de zangers, de hoofden van de Levitische families. Zij woonden in de kamers en hadden geen andere taak, want zij waren er dag en nacht mee bezig. 34. Dit waren de hoofden van de Levitische families, hoofden naar hun afstamming. Zij woonden in Jeruzalem. 35. In Gibeon woonde Jeiël, de stichter van Gibeon. Zijn vrouw heette Maächa. 36. Zijn oudste zoon was Abdon, daarna kwamen Zur, Kis, Baäl, Ner en Nadab, 37. en verder Gedor, Ahio, Zacharja en Mikloth. 38. Mikloth kreeg Simeam. Ook zij woonden in Jeruzalem, tegenover hun verwanten en samen met hen. 39. Ner kreeg Kis, Kis kreeg Saul, en Saul kreeg Jonathan, Malchi-Sua, Abinadab en Esbaäl. 40. De zoon van Jonathan was Merib-Baäl, en Merib-Baäl kreeg Micha. 41. De zonen van Micha waren Pithon, Melech en Thaerea. 42. Achaz kreeg Jaera, en Jaera kreeg Alemeth, Azmaveth en Zimri. Zimri kreeg Moza, 43. en Moza kreeg Bina. Diens zoon was Refaja, diens zoon Elasa en diens zoon Azel. 44. Azel had zes zonen. Zij heetten Azrikam, Bochru, Ismaël, Searja, Obadja en Hanan. Dat waren de zonen van Azel. ## 1 Kronieken 10 — De dood van Saul 1. De Filistijnen voerden oorlog tegen Israël. De mannen van Israël sloegen op de vlucht voor hen en vielen dodelijk gewond op het Gilboagebergte. 2. De Filistijnen zaten Saul en zijn zonen op de hielen. Zij doodden Jonathan, Abinadab en Malchi-Sua, de zonen van Saul. 3. De strijd werd zwaar voor Saul. De boogschutters kregen hem in het vizier, en hij werd doodsbang voor hen. 4. Toen zei Saul tegen zijn wapendrager: Trek je zwaard en doorsteek mij ermee. Anders komen die onbesnedenen mij nog te grazen nemen. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij was doodsbang. Toen nam Saul zelf het zwaard en liet zich erin vallen. 5. Toen zijn wapendrager zag dat Saul dood was, liet ook hij zich in zijn zwaard vallen en stierf. 6. Zo stierven Saul en zijn drie zonen. Zijn hele huis kwam tegelijk om. 7. De mannen van Israël in het dal zagen dat het leger gevlucht was en dat Saul en zijn zonen dood waren. Toen lieten zij hun steden in de steek en sloegen op de vlucht. De Filistijnen kwamen en gingen er wonen. 8. De volgende dag kwamen de Filistijnen om de gesneuvelden te beroven. Toen vonden zij Saul en zijn zonen op het Gilboagebergte liggen. 9. Zij beroofden hem, namen zijn hoofd en zijn wapens mee en stuurden die overal in Filistea rond. Zo brachten zij het nieuws bij hun afgoden en bij het volk. 10. Zijn wapens legden zij in de tempel van hun god, en zijn hoofd hingen zij op in de tempel van Dagon. 11. Toen heel Jabes in Gilead hoorde wat de Filistijnen met Saul gedaan hadden, 12. stonden al hun weerbare mannen op. Zij haalden het lichaam van Saul en de lichamen van zijn zonen weg en brachten die naar Jabes. Daar begroeven zij hun beenderen onder de eik, en zij vastten zeven dagen. 13. Zo stierf Saul om zijn ontrouw. Hij was de HEERE ontrouw geweest en had zich niet aan Zijn woord gehouden. Ook had hij een geest van een dode laten oproepen om raad te vragen, 14. in plaats van de HEERE te zoeken. Daarom liet Hij hem sterven en gaf Hij het koningschap aan David, de zoon van Isaï. ## 1 Kronieken 11 — David wordt koning over heel Israël 1. Heel Israël kwam bij David in Hebron bijeen. Zij zeiden: Kijk, wij zijn uw eigen vlees en bloed. 2. Ook vroeger al, toen Saul nog koning was, was u het die Israël aanvoerde in de strijd. En de HEERE, uw God, heeft tegen u gezegd: Jij zult mijn volk Israël weiden, en jij zult vorst over mijn volk Israël zijn. 3. Alle oudsten van Israël kwamen bij de koning in Hebron. David sloot daar voor de HEERE een verbond met hen, en zij zalfden hem tot koning over Israël. Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij door Samuël gesproken had. 4. David trok met heel Israël naar Jeruzalem, dat toen Jebus heette. Daar woonden de Jebusieten, de bewoners van dat gebied. 5. De inwoners van Jebus zeiden tegen David: U komt er niet in. Toch veroverde David de bergvesting Sion, die nu de Stad van David heet. 6. David had namelijk gezegd: Wie de Jebusieten het eerst verslaat, wordt hoofd en aanvoerder. Joab, de zoon van Zeruja, klom als eerste naar boven, en zo werd hij hoofd. 7. David ging in de bergvesting wonen. Daarom noemt men die de Stad van David. 8. Hij bouwde de stad rondom uit, vanaf het Millo. Joab herstelde de rest van de stad. 9. David werd steeds machtiger, want de HEERE van de hemelse legers was met hem. 10. Dit zijn de aanvoerders van de helden van David. Samen met heel Israël steunden zij hem krachtig in zijn koningschap en maakten zij hem koning, zoals de HEERE over Israël gezegd had. 11. Dit is de lijst van de helden van David. Jasobam, de zoon van Hachmoni, was de aanvoerder van de dertig. Hij hief zijn speer op tegen driehonderd man en versloeg hen in één keer. 12. Na hem kwam Eleazar, de zoon van Dodo, uit de familie Ahoah. Hij was een van de drie helden. 13. Hij was met David bij Pas-Dammim. De Filistijnen hadden zich daar verzameld voor de strijd. Er lag een akker vol gerst, en het volk sloeg op de vlucht voor de Filistijnen. 14. Maar zij stelden zich midden op die akker op en verdedigden hem. Zij versloegen de Filistijnen, en de HEERE gaf een grote overwinning. 15. Drie van de dertig aanvoerders daalden af naar de rots, naar David in de grot van Adullam. Het leger van de Filistijnen had zijn kamp opgeslagen in het Refaimdal. 16. David zat toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden een wachtpost in Bethlehem. 17. David kreeg een verlangen en zei: Wie geeft mij water te drinken uit de put van Bethlehem, die bij de poort ligt? 18. Toen braken die drie door het kamp van de Filistijnen heen. Zij putten water uit de put van Bethlehem bij de poort en brachten het bij David. Maar David wilde het niet drinken. Hij goot het uit voor de HEERE 19. en zei: Dat verhoede mijn God! Zou ik het bloed drinken van deze mannen? Zij hebben het met gevaar voor hun leven gehaald. Daarom wilde hij het niet drinken. Dat deden de drie helden. 20. Abisai, de broer van Joab, was de aanvoerder van de tweede drie. Hij hief zijn speer op tegen driehonderd man en versloeg hen. Zo kreeg hij naam bij die drie. 21. Van de tweede drie had hij het meeste aanzien en werd hij hun aanvoerder. Toch hoorde hij niet bij de eerste drie. 22. Benaja, de zoon van Jojada, kwam uit Kabzeël en was de zoon van een dappere man. Hij deed grote daden. Hij versloeg twee geduchte strijders van Moab. Ook daalde hij af en doodde een leeuw in een put, op een dag dat het sneeuwde. 23. Ook versloeg hij een Egyptenaar, een reus van bijna 2,5 meter lang. De Egyptenaar had een speer in zijn hand als een weversboom. Maar Benaja ging met een stok op hem af, rukte de speer uit zijn hand en doodde hem met zijn eigen speer. 24. Dat waren de daden van Benaja, de zoon van Jojada. Zo kreeg hij naam bij de drie helden. 25. Hij had het meeste aanzien van de dertig, maar hoorde niet bij de drie. David stelde hem aan over zijn lijfwacht. 26. De helden van het leger waren: Asahel, de broer van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, uit Bethlehem; 27. Sammoth uit Harod; Helez uit Pelon; 28. Ira, de zoon van Ikkes, uit Thekoa; Abiëzer uit Anathoth; 29. Sibbechai uit Husa; Ilai uit de familie Ahoah; 30. Maharai uit Netofa; Heled, de zoon van Baäna, uit Netofa; 31. Ithai, de zoon van Ribai, uit Gibea in Benjamin; Benaja uit Pirhathon; 32. Hurai uit de dalen van Gaäs; Abiël uit Arba; 33. Azmaveth uit Bahurim; Eljahba uit Saälbon; 34. de zonen van Hasem uit Gizo; Jonathan, de zoon van Sage, uit Harar; 35. Ahiam, de zoon van Sachar, uit Harar; Elifal, de zoon van Ur; 36. Hefer uit Mechera; Ahia uit Pelon; 37. Hezro uit Karmel; Naäri, de zoon van Ezbai; 38. Joël, de broer van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri; 39. Zelek uit Ammon; Nahrai uit Beroth, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja; 40. Ira uit Jether; Gareb uit Jether; 41. Uria de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai; 42. Adina, de zoon van Siza, uit de stam Ruben. Hij was hun aanvoerder en had dertig man bij zich. 43. Verder Hanan, de zoon van Maächa; Josafat uit Mithni; 44. Uzzia uit Astharoth; Sama en Jeiël, de zonen van Hotham uit Aroër; 45. Jediael, de zoon van Simri, en zijn broer Joha uit Tiz; 46. Eliël uit Mahavim; Jeribai en Josavia, de zonen van Elnaäm; Jithma uit Moab; 47. en Eliël, Obed en Jaäziël uit Mezobaja. ## 1 Kronieken 12 — De mannen die zich bij David aansloten 1. Dit zijn de mannen die naar David in Ziklag kwamen, toen hij zich nog schuilhield voor Saul, de zoon van Kis. Ook zij hoorden bij de helden die hem in de strijd hielpen. 2. Zij waren gewapend met bogen. Zij konden met de rechter- en de linkerhand stenen slingeren en pijlen schieten. Zij waren verwanten van Saul, uit de stam Benjamin. 3. Ahiëzer was hun hoofd, en verder Joas. Zij waren zonen van Semaa uit Gibea. Daarna kwamen Jeziel en Pelet, de zonen van Azmaveth, en Beracha en Jehu uit Anathoth, 4. en Jismaja uit Gibeon, een held onder de dertig en hun aanvoerder, en Jirmeja, Jahaziël, Johanan en Jozabad uit Gedera, 5. Eluzai, Jerimoth, Bealja, Semarja en Sefatja uit Haruf, 6. Elkana, Jissia, Azareël, Joezer en Jasobam, uit de familie Korah, 7. en Joëla en Zebadja, de zonen van Jeroham, uit Gedor. 8. Ook uit de stam Gad liepen mannen naar David over, naar de bergvesting in de woestijn. Het waren dappere mannen, geoefend voor de oorlog en bewapend met schild en speer. Zij keken als leeuwen en waren zo snel als gazellen in de bergen. 9. Ezer was het hoofd, Obadja de tweede, Eliab de derde, 10. Mismanna de vierde, Jirmeja de vijfde, 11. Attai de zesde, Eliël de zevende, 12. Johanan de achtste, Elzabad de negende, 13. Jormeja de tiende en Machbannai de elfde. 14. Zij kwamen uit de stam Gad en waren legeraanvoerders. De kleinste onder hen was opgewassen tegen honderd man, de grootste tegen duizend. 15. Zij waren het die in de eerste maand de Jordaan overstaken, toen die buiten zijn oevers trad. Zij joegen alle bewoners van de dalen op de vlucht, naar het oosten en naar het westen. 16. Ook uit de stammen Benjamin en Juda kwamen mannen naar de bergvesting van David. 17. David ging hun tegemoet en zei tegen hen: Als u in vrede komt om mij te helpen, dan ben ik met u van harte één. Maar komt u om mij aan mijn vijanden te verraden? Er kleeft geen onrecht aan mijn handen. Laat de God van onze voorouders het dan zien en straffen! 18. Toen kwam de Geest over Amasai, de aanvoerder van de dertig. Hij zei: Wij zijn van u, David, wij staan aan uw kant, zoon van Isaï! Vrede, vrede voor u, en vrede voor wie u helpt, want uw God helpt u. Toen nam David hen aan en maakte hen aanvoerders van zijn troepen. 19. Ook uit de stam Manasse liepen er mannen naar David over, toen hij met de Filistijnen optrok om tegen Saul te strijden. Maar hij hoefde hen niet te helpen. De Filistijnse vorsten stuurden hem namelijk weg. Zij zeiden: Het kost ons de kop als hij naar zijn heer Saul overloopt. 20. Toen hij naar Ziklag ging, liepen deze mannen uit Manasse naar hem over: Adnah, Jozabad, Jediael, Michaël, Jozabad, Elihu en Zillethai. Zij waren aanvoerders van duizend man in Manasse. 21. Zij hielpen David tegen de rovende benden, want zij waren allemaal dappere mannen. Zij werden aanvoerders in het leger. 22. In die tijd kwamen er dag na dag mannen naar David toe om hem te helpen. Zo werd zijn leger heel groot, als een leger van God. 23. Dit zijn de aantallen van de gewapende afdelingen die naar David in Hebron kwamen. Zij droegen het koningschap van Saul aan hem over, zoals de HEERE gezegd had. 24. Uit de stam Juda kwamen 6.800 gewapende mannen met schild en speer. 25. Uit de stam Simeon kwamen 7.100 dappere mannen voor de strijd. 26. Uit de stam Levi kwamen er 4.600. 27. Jehojada was de leider van de nakomelingen van Aäron, en met hem waren er 3.700. 28. Zadok was nog jong en al een dappere man. Uit zijn familie kwamen 22 aanvoerders. 29. Uit de stam Benjamin, de verwanten van Saul, kwamen er 3.000. Tot dan toe hadden de meesten van hen namelijk de kant van het huis van Saul gehouden. 30. Uit de stam Efraïm kwamen 20.800 dappere mannen, bekende mannen in hun familie. 31. Uit de halve stam Manasse kwamen er 18.000. Zij waren met name aangewezen om David koning te maken. 32. Uit de stam Issaschar kwamen 200 hoofden. Zij hadden inzicht in de tijden en wisten wat Israël moest doen. Al hun verwanten stonden onder hun bevel. 33. Uit de stam Zebulon kwamen 50.000 man die konden uitrukken. Zij waren met alle wapens toegerust en stonden vastberaden in slagorde. 34. Uit de stam Nafthali kwamen 1.000 aanvoerders, en met hen 37.000 man met schild en speer. 35. Uit de stam Dan kwamen 28.600 man, klaar voor de strijd. 36. Uit de stam Aser kwamen 40.000 man die konden uitrukken en in slagorde konden staan. 37. Van de overkant van de Jordaan kwamen 120.000 man, met alle wapens voor de oorlog. Zij kwamen uit Ruben en Gad en de halve stam Manasse. 38. Al deze strijdbare mannen kwamen vastberaden naar Hebron om David koning te maken over heel Israël. Ook de rest van Israël was eensgezind om David koning te maken. 39. Zij bleven daar drie dagen bij David en aten en dronken, want hun verwanten hadden voor eten gezorgd. 40. Ook hun buren, tot in Issaschar, Zebulon en Nafthali, brachten voedsel op ezels, kamelen, muildieren en runderen. Zij brachten meel, vijgenkoeken, rozijnenkoeken, wijn, olie, runderen en kleinvee in overvloed. Er was namelijk grote blijdschap in Israël. ## 1 Kronieken 13 — De ark wordt gehaald 1. David overlegde met de aanvoerders van duizend en van honderd man, en met alle leiders. 2. Hij zei tegen de hele volksvergadering van Israël: Als u het goedvindt, en als de HEERE onze God het wil, laten wij dan boden sturen. Laten wij de rest van onze verwanten in alle delen van Israël bijeenroepen, en ook de priesters en Levieten in hun steden met hun weidegronden. Laten zij zich bij ons voegen. 3. Laten wij de ark van onze God terughalen. In de tijd van Saul hebben wij ons daar namelijk niet om bekommerd. 4. De hele volksvergadering zei dat zij dat zouden doen, want het hele volk vond het een goed plan. 5. Toen riep David heel Israël bijeen, van de beek van Egypte tot bij Hamath, om de ark van God uit Kirjath-Jearim te halen. 6. David trok met heel Israël op naar Baäla, dat is Kirjath-Jearim in Juda. Daar wilde hij de ark van God vandaan halen. Dat is de ark van de HEERE, die tussen de cherubs woont en naar wie zij genoemd is. 7. Zij vervoerden de ark van God op een nieuwe wagen uit het huis van Abinadab. Uza en Ahio menden de wagen. 8. David en heel Israël dansten uitbundig voor God, met liederen, harpen, luiten, tamboerijnen, cimbalen en trompetten. 9. Bij de dorsvloer van Chidon strekte Uza zijn hand uit om de ark vast te houden, want de runderen struikelden. 10. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uza. Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand naar de ark had uitgestrekt, en Uza stierf daar voor het aangezicht van God. 11. David was ontdaan omdat de HEERE zo hard tegen Uza was uitgevallen. Daarom heet die plaats tot vandaag toe Perez-Uza. 12. Die dag werd David bang voor God. Hij zei: Hoe kan ik de ark van God ooit bij mij brengen? 13. Daarom liet David de ark niet bij zich in de Stad van David brengen. Hij liet die uitwijken naar het huis van Obed-Edom uit Gath. 14. Zo bleef de ark van God drie maanden bij het gezin van Obed-Edom, in zijn huis. En de HEERE zegende het huis van Obed-Edom en alles wat hij had. ## 1 Kronieken 14 — Davids huis en zijn overwinningen 1. Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, en ook cederhout, metselaars en timmerlieden om een paleis voor hem te bouwen. 2. Toen begreep David dat de HEERE hem als koning over Israël bevestigd had. Zijn koningschap kwam namelijk hoog in aanzien, ter wille van Zijn volk Israël. 3. In Jeruzalem nam David nog meer vrouwen, en hij kreeg nog meer zonen en dochters. 4. Dit zijn de namen van de kinderen die hij in Jeruzalem kreeg: Sammua, Sobab, Nathan, Salomo, 5. Jibchar, Elisua, Elpelet, 6. Nogah, Nefeg, Jafia, 7. Elisama, Beëljada en Elifelet. 8. De Filistijnen hoorden dat David tot koning over heel Israël gezalfd was. Toen trokken zij allemaal op om hem te zoeken. David hoorde dat en trok hun tegemoet. 9. De Filistijnen waren gekomen en hadden zich in het Refaimdal verspreid. 10. Toen vroeg David aan God: Zal ik tegen de Filistijnen optrekken? Zult U hen aan mij overgeven? De HEERE antwoordde hem: Trek op, want ik zal hen aan je overgeven. 11. Zij trokken op naar Baäl-Perazim, en daar versloeg David hen. Hij zei: God heeft mijn vijanden door mijn hand doorbroken, zoals water een dam doorbreekt. Daarom noemden zij die plaats Baäl-Perazim. 12. De Filistijnen lieten daar hun goden achter. David gaf bevel om die te verbranden. 13. Maar de Filistijnen kwamen opnieuw en verspreidden zich weer in het dal. 14. David vroeg God nog eens om raad, en God zei tegen hem: Trek niet achter hen aan. Ga om hen heen en val hen aan van de kant van de balsemstruiken. 15. Zodra je in de toppen van de balsemstruiken het geluid van voetstappen hoort, moet je aanvallen. Dan is God namelijk voor je uit gegaan om het leger van de Filistijnen te verslaan. 16. David deed wat God hem geboden had. Zij versloegen het leger van de Filistijnen, van Gibeon tot aan Gezer. 17. Zo werd David beroemd in alle landen, en de HEERE joeg alle volken vrees voor hem aan. ## 1 Kronieken 15 — De ark komt in Jeruzalem 1. David bouwde huizen voor zichzelf in zijn stad. Ook maakte hij een plaats klaar voor de ark van God en zette daar een tent voor op. 2. Toen zei David: Alleen de Levieten mogen de ark van God dragen. Hen heeft de HEERE uitgekozen om de ark te dragen en Hem voor altijd te dienen. 3. David riep heel Israël bijeen in Jeruzalem om de ark van de HEERE naar de plaats te brengen die hij ervoor klaargemaakt had. 4. Hij liet de nakomelingen van Aäron en de Levieten komen. 5. Uit de familie Kehath kwam Uriël als hoofd, met 120 verwanten. 6. Uit de familie Merari kwam Asaja als hoofd, met 220 verwanten. 7. Uit de familie Gersom kwam Joël als hoofd, met 130 verwanten. 8. Uit de familie Elizafan kwam Semaja als hoofd, met 200 verwanten. 9. Uit de familie Hebron kwam Eliël als hoofd, met 80 verwanten. 10. Uit de familie Uzziël kwam Amminadab als hoofd, met 112 verwanten. 11. David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël en Amminadab. 12. Hij zei tegen hen: U bent de hoofden van de Levitische families. Heilig uzelf en uw verwanten, en breng dan de ark van de HEERE, de God van Israël, naar de plaats die ik ervoor klaargemaakt heb. 13. De vorige keer hebt u dat niet gedaan. Daarom is de HEERE, onze God, tegen ons uitgevallen. Wij hebben Hem toen niet gezocht zoals het hoort. 14. Toen heiligden de priesters en de Levieten zich om de ark van de HEERE, de God van Israël, op te halen. 15. De Levieten droegen de ark van God op hun schouders aan de draagbomen, zoals Mozes op bevel van de HEERE gezegd had. 16. David zei tegen de leiders van de Levieten dat zij hun verwanten als zangers moesten aanstellen, met muziekinstrumenten: luiten, harpen en cimbalen. Zij moesten met blijdschap hun stem laten horen. 17. Toen stelden de Levieten Heman aan, de zoon van Joël. Uit zijn verwanten kozen zij Asaf, de zoon van Berechja, en uit de familie Merari Ethan, de zoon van Kusaja. 18. Met hen kwam de tweede groep verwanten. Dat waren Zecharja, Ben, Jaäziel, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattithja, Elifele en Mikneja, met de poortwachters Obed-Edom en Jeiël. 19. De zangers Heman, Asaf en Ethan lieten de koperen cimbalen klinken. 20. Zecharja, Aziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja speelden luit in hoge stemming. 21. Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom, Jeiël en Azazja speelden harp in lage stemming, om de zang te dragen. 22. Chenanja, de leider van de Levieten, had de leiding over het zingen. Hij gaf er onderwijs in, want hij had er verstand van. 23. Berechja en Elkana waren poortwachters bij de ark. 24. De priesters Sebanja, Josafat, Nethaneël, Amasai, Zecharja, Benaja en Eliëzer bliezen op de trompetten voor de ark van God. Obed-Edom en Jehia waren ook poortwachters bij de ark. 25. Zo gingen David, de oudsten van Israël en de aanvoerders van duizend man met vreugde op weg. Zij haalden de ark van het verbond van de HEERE uit het huis van Obed-Edom. 26. God hielp de Levieten die de ark van het verbond van de HEERE droegen. Daarom offerden zij zeven stieren en zeven rammen. 27. David droeg een mantel van fijn linnen. Dat deden ook alle Levieten die de ark droegen, en de zangers, en Chenanja, die de zang leidde. Verder droeg David een linnen priesterhemd. 28. Zo bracht heel Israël de ark van het verbond van de HEERE naar boven. Er klonk gejuich, bazuingeschal, trompetten en cimbalen, en het spel van luiten en harpen. 29. Toen de ark bij de Stad van David kwam, keek Michal, de dochter van Saul, door een venster naar buiten. Zij zag koning David springen en dansen, en zij minachtte hem in haar hart. ## 1 Kronieken 16 — Het loflied bij de ark 1. Zij brachten de ark van God binnen en zetten die midden in de tent die David ervoor had opgezet. Daarna brachten zij brandoffers en dankoffers voor God. 2. Toen David klaar was met offeren, zegende hij het volk in de naam van de HEERE. 3. Hij gaf iedereen in Israël, man en vrouw, een rond brood, een stuk vlees en een rozijnenkoek. 4. Hij stelde een aantal Levieten aan om voor de ark van de HEERE dienst te doen. Zij moesten de HEERE, de God van Israël, aanroepen, danken en prijzen. 5. Asaf was het hoofd en Zecharja zijn tweede man. Verder waren er Jeiël, Semiramoth, Jehiël, Mattithja, Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeiël, met luiten en harpen. Asaf liet de cimbalen klinken. 6. De priesters Benaja en Jahaziël bliezen doorlopend op de trompetten voor de ark van het verbond van God. 7. Op die dag gaf David voor het eerst aan Asaf en zijn verwanten de opdracht om de HEERE met dit lied te prijzen: 8. Loof de HEERE, roep zijn naam aan, maak zijn daden bekend onder de volken. 9. Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem, vertel van al zijn wonderen. 10. Beroem u op zijn heilige naam. Laat het hart van wie de HEERE zoeken zich verblijden. 11. Vraag naar de HEERE en naar zijn kracht, zoek zijn aangezicht altijd door. 12. Denk aan de wonderen die Hij gedaan heeft, aan zijn tekenen en aan de uitspraken van zijn mond, 13. u, nakomelingen van Israël, zijn dienaar, u, kinderen van Jakob, zijn uitverkorenen. 14. Hij is de HEERE, onze God. Zijn oordelen gelden over de hele aarde. 15. Denk voor altijd aan zijn verbond, aan het woord dat Hij gaf voor duizend geslachten. 16. Dat is het verbond dat Hij met Abraham sloot, en de eed die Hij aan Izak zwoer. 17. Voor Jakob maakte Hij het tot een vaste regel, voor Israël tot een eeuwig verbond. 18. Hij zei: Ik geef jullie het land Kanaän als jullie eigen erfdeel. 19. Toen waren zij nog maar met weinigen, een klein groepje vreemdelingen in dat land. 20. Zij trokken van volk naar volk, van het ene koninkrijk naar het andere. 21. Hij liet niemand toe hen te onderdrukken. Hij strafte zelfs koningen om hen te beschermen. 22. Hij zei: Raak mijn gezalfden niet aan en doe mijn profeten geen kwaad. 23. Zing voor de HEERE, heel de aarde, verkondig elke dag opnieuw dat Hij redt. 24. Vertel van zijn majesteit onder de volken, van zijn wonderen onder alle naties. 25. Want de HEERE is groot en alle lof waard. Hij is ontzagwekkender dan alle goden. 26. De goden van de volken zijn niets, maar de HEERE heeft de hemel gemaakt. 27. Majesteit en glans gaan voor Hem uit, kracht en vreugde zijn in zijn heiligdom. 28. Geef de HEERE wat Hem toekomt, volken van de aarde, geef Hem eer en kracht. 29. Geef de HEERE de eer van zijn naam. Breng een gave en kom bij Hem. Buig u voor de HEERE in zijn heilige pracht. 30. Beef voor Hem, heel de aarde. Ja, de wereld staat vast en wankelt niet. 31. Laat de hemel blij zijn en de aarde juichen. Laat men onder de volken zeggen: De HEERE is koning! 32. Laat de zee bruisen met alles wat erin leeft. Laat het veld juichen met alles wat erop groeit. 33. Dan zullen de bomen van het bos jubelen voor de HEERE, want Hij komt om recht te spreken over de aarde. 34. Loof de HEERE, want Hij is goed, want zijn trouw duurt voor altijd. 35. Zeg: Verlos ons, God van ons heil. Breng ons bijeen en red ons van de volken, zodat wij uw heilige naam loven en ons beroemen op uw lof. 36. Geprezen zij de HEERE, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En het hele volk zei: Amen! en zij prezen de HEERE. 37. David liet Asaf en zijn verwanten daar bij de ark van het verbond van de HEERE achter. Zij moesten er dagelijks dienst doen, zoals voor elke dag was vastgesteld. 38. Obed-Edom en hun verwanten waren met 68 man. David stelde Obed-Edom, de zoon van Jeduthun, en Hosa aan als poortwachters. 39. De priester Zadok en zijn medepriesters liet hij achter bij de tent van de HEERE op de offerhoogte in Gibeon. 40. Zij moesten de HEERE elke morgen en elke avond brandoffers brengen op het brandofferaltaar. Zo staat het in de wet van de HEERE die Hij Israël gegeven had. 41. Bij hen waren Heman en Jeduthun en de anderen die met name gekozen waren om de HEERE te loven, want zijn trouw duurt voor altijd. 42. Heman en Jeduthun hadden de trompetten en de cimbalen voor de zangers, en de andere instrumenten voor de muziek van God. De zonen van Jeduthun stonden bij de poort. 43. Toen ging het hele volk naar huis, ieder naar zijn eigen huis. En David ging terug om zijn gezin te zegenen. ## 1 Kronieken 17 — De belofte aan David 1. Toen David in zijn paleis woonde, zei hij tegen de profeet Nathan: Kijk, ik woon in een huis van cederhout. Maar de ark van het verbond van de HEERE staat onder tentdoek. 2. Nathan zei tegen David: Doe alles wat u van plan bent, want God is met u. 3. Maar diezelfde nacht kwam het woord van God tot Nathan: 4. Ga naar mijn dienaar David en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Jij zult voor mij geen huis bouwen om in te wonen. 5. Ik heb nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik Israël uit Egypte leidde tot vandaag toe. Ik ben van tent naar tent getrokken, van woonplaats naar woonplaats. 6. Overal waar ik met Israël meetrok, heb ik de richters opgedragen mijn volk te weiden. Nooit heb ik tegen een van hen gezegd: Waarom bouwen jullie mij geen huis van cederhout? 7. Zeg daarom tegen mijn dienaar David: Zo zegt de HEERE van de hemelse legers: Ik heb je weggehaald bij de schapen vandaan. Jij moest vorst zijn over mijn volk Israël. 8. Ik ben met je geweest overal waar je ging, en ik heb al je vijanden voor je uit verdreven. Ik heb je naam zo groot gemaakt als die van de groten op aarde. 9. Ik heb mijn volk Israël een plaats gegeven en het daar geplant, zodat het er rustig kan wonen en niet meer opgejaagd wordt. Onrechtvaardige mensen zullen het niet meer onderdrukken zoals vroeger, 10. vanaf de dagen dat ik richters over mijn volk Israël aanstelde. Ik heb al je vijanden vernederd. En ik laat je weten dat de HEERE voor jou een huis zal bouwen. 11. Wanneer je leven voorbij is en je naar je voorouders gaat, zal ik je nakomeling laten opstaan, een van je eigen zonen. Ik zal zijn koningschap stevig maken. 12. Hij zal voor mij een huis bouwen, en ik zal zijn troon voor altijd vast doen staan. 13. Ik zal voor hem een Vader zijn en hij zal voor mij een zoon zijn. Mijn trouw zal ik niet van hem wegnemen, zoals ik die weggenomen heb van je voorganger. 14. Ik zal hem een vaste plaats geven in mijn huis en in mijn koninkrijk, voor altijd. Zijn troon zal voor altijd vaststaan. 15. Nathan bracht al deze woorden en dit hele visioen over aan David. 16. Toen ging koning David naar binnen en bleef voor de HEERE zitten. Hij zei: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn familie, dat U mij tot hier gebracht hebt? 17. En dat was U nog niet genoeg, o God. U hebt ook over de verre toekomst van het huis van uw dienaar gesproken. U hebt naar mij omgezien als naar iemand van hoge rang, HEERE God. 18. Wat kan David hier nog aan toevoegen, nu U uw dienaar zo geëerd hebt? U kent uw dienaar toch. 19. HEERE, ter wille van uw dienaar en naar uw eigen hart hebt U al deze grote dingen gedaan en bekendgemaakt. 20. HEERE, er is niemand zoals U, en er is geen God behalve U. Dat hebben wij met onze eigen oren gehoord. 21. En welk volk op aarde is als uw volk Israël? God is zelf op weg gegaan om het vrij te kopen als zijn eigen volk. U hebt zich zo een grote en ontzagwekkende naam gemaakt en volken verdreven voor uw volk uit, dat U uit Egypte bevrijd hebt. 22. U hebt uw volk Israël voor altijd tot uw eigen volk gemaakt, en U, HEERE, bent hun God geworden. 23. Laat nu, HEERE, het woord dat U over uw dienaar en zijn huis gesproken hebt voor altijd waar worden. Doe zoals U gezegd hebt. 24. Laat het waar worden en laat uw naam voor altijd groot zijn. Dan zal men zeggen: De HEERE van de hemelse legers, de God van Israël, is Israëls God. En laat het huis van uw dienaar David voor U vaststaan. 25. Want U, mijn God, hebt uw dienaar zelf laten weten dat U voor hem een huis zult bouwen. Daarom heeft uw dienaar de moed gevonden om dit gebed tot U te bidden. 26. Nu dan, HEERE, U bent God, en U hebt dit goede over uw dienaar gezegd. 27. U hebt besloten het huis van uw dienaar te zegenen, zodat het voor altijd voor U zal bestaan. Want U, HEERE, hebt het gezegend, en het zal voor altijd gezegend zijn. ## 1 Kronieken 18 — De overwinningen van David 1. Daarna versloeg David de Filistijnen en onderwierp hen. Hij nam Gath en de plaatsen eromheen van hen af. 2. Ook versloeg hij Moab. De Moabieten werden onderdanen van David en moesten belasting betalen. 3. David versloeg ook Hadar-Ezer, de koning van Zoba, bij Hamath, toen die zijn macht wilde vestigen aan de rivier de Frath. 4. David nam hem duizend wagens af, zevenduizend ruiters en twintigduizend man voetvolk. Hij sneed de pezen van alle wagenpaarden door, maar honderd wagenspannen hield hij over. 5. De Syriërs van Damaskus kwamen Hadar-Ezer, de koning van Zoba, helpen. Maar David versloeg 22.000 van hen. 6. David legde een bezetting in het Syrische Damaskus. De Syriërs werden onderdanen van David en moesten belasting betalen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij ging. 7. David nam de gouden schilden die de dienaren van Hadar-Ezer droegen, en bracht die naar Jeruzalem. 8. Ook nam David heel veel koper mee uit Tibchath en Chun, steden van Hadar-Ezer. Daarvan maakte Salomo later de koperen zee, de zuilen en het koperen gerei. 9. Thou, de koning van Hamath, hoorde dat David het hele leger van Hadar-Ezer, de koning van Zoba, verslagen had. 10. Toen stuurde hij zijn zoon Hadoram naar koning David om hem te groeten en geluk te wensen met zijn overwinning op Hadar-Ezer. Thou had zelf namelijk voortdurend oorlog met hem. Hadoram bracht allerlei voorwerpen van goud, zilver en koper mee. 11. Koning David wijdde die aan de HEERE. Dat deed hij ook met het zilver en het goud van alle volken die hij verslagen had: Edom, Moab, de Ammonieten, de Filistijnen en Amalek. 12. Abisai, de zoon van Zeruja, versloeg 18.000 Edomieten in het Zoutdal. 13. Hij legde een bezetting in Edom, en alle Edomieten werden onderdanen van David. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij ging. 14. Zo regeerde David over heel Israël. Hij deed zijn hele volk recht en gerechtigheid. 15. Joab, de zoon van Zeruja, had de leiding over het leger. Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier. 16. Zadok, de zoon van Ahitub, en Abimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters. Sausa was schrijver. 17. Benaja, de zoon van Jojada, had de leiding over de Krethi en de Plethi. De zonen van David waren de eersten naast de koning. ## 1 Kronieken 19 — De oorlog met de Ammonieten 1. Daarna stierf Nahas, de koning van de Ammonieten, en zijn zoon werd koning in zijn plaats. 2. David zei: Ik wil vriendelijk zijn voor Hanun, de zoon van Nahas, want zijn vader is vriendelijk voor mij geweest. Daarom stuurde David boden om hem te troosten na de dood van zijn vader. Maar toen de dienaren van David in het land van de Ammonieten bij Hanun kwamen om hem te troosten, 3. zeiden de leiders van de Ammonieten tegen Hanun: Denkt u dat David uw vader wil eren, nu hij troosters naar u toe stuurt? Zijn zijn dienaren niet gekomen om het land te doorzoeken en te verkennen, en om het omver te werpen? 4. Toen greep Hanun de dienaren van David. Hij schoor hun baard af, sneed hun kleren halverwege af tot aan hun heupen en stuurde hen weg. 5. Zij gingen op weg, en David kreeg bericht over deze mannen. Hij stuurde hun boden tegemoet, want zij schaamden zich diep. De koning liet zeggen: Blijf in Jericho tot jullie baard weer aangegroeid is. Kom dan terug. 6. De Ammonieten zagen in dat zij zich bij David gehaat hadden gemaakt. Daarom stuurden Hanun en de Ammonieten 34 ton zilver om wagens en ruiters te huren uit Mesopotamië, uit Syrië-Maächa en uit Zoba. 7. Zij huurden 32.000 wagens. De koning van Maächa kwam met zijn volk en sloeg zijn kamp op bij Medeba. Ook de Ammonieten kwamen uit hun steden bijeen en trokken op voor de strijd. 8. Toen David dat hoorde, stuurde hij Joab eropaf met het hele leger en de helden. 9. De Ammonieten trokken uit en stelden zich op voor de poort van de stad. De koningen die gekomen waren, stonden apart in het open veld. 10. Joab zag dat de aanval van voren en van achteren op hem gericht was. Daarom koos hij een aantal van de beste mannen van Israël uit en stelde die op tegenover de Syriërs. 11. De rest van het leger gaf hij onder bevel van zijn broer Abisai. Zij stelden zich op tegenover de Ammonieten. 12. Joab zei: Als de Syriërs te sterk voor mij worden, moet jij mij komen helpen. En als de Ammonieten te sterk voor jou worden, dan help ik jou. 13. Wees sterk. Laten wij ons dapper tonen voor ons volk en voor de steden van onze God. De HEERE zal doen wat goed is in zijn ogen. 14. Toen ging Joab met zijn mannen de strijd aan met de Syriërs, en die sloegen voor hem op de vlucht. 15. De Ammonieten zagen dat de Syriërs vluchtten. Toen sloegen ook zij voor Abisai, de broer van Joab, op de vlucht en trokken de stad in. Daarna ging Joab terug naar Jeruzalem. 16. De Syriërs zagen dat zij door Israël verslagen waren. Toen stuurden zij boden en lieten ook de Syriërs van de overkant van de rivier komen. Sofach, de legeraanvoerder van Hadar-Ezer, stond aan hun hoofd. 17. David kreeg dat bericht. Hij riep heel Israël bijeen, stak de Jordaan over, kwam bij hen en stelde zich tegenover hen op. David stelde zijn leger op tegenover de Syriërs, en zij raakten met hem slaags. 18. Maar de Syriërs sloegen voor Israël op de vlucht. David doodde 7.000 wagenstrijders en 40.000 man voetvolk, en ook Sofach, hun legeraanvoerder. 19. De dienaren van Hadar-Ezer zagen dat zij door Israël verslagen waren. Toen sloten zij vrede met David en werden zijn onderdanen. De Syriërs wilden de Ammonieten niet meer helpen. ## 1 Kronieken 20 — Rabba ingenomen en de reuzen verslagen 1. In het voorjaar, de tijd waarin koningen ten strijde trekken, voerde Joab het leger aan. Hij verwoestte het land van de Ammonieten, trok op en belegerde Rabba. David bleef zelf in Jeruzalem. Joab veroverde Rabba en verwoestte de stad. 2. David nam hun koning de kroon van het hoofd. Die woog ongeveer 34 kilo goud en er zat een edelsteen in. De kroon werd op het hoofd van David gezet. Ook nam hij heel veel buit uit de stad mee. 3. De bevolking voerde hij weg en zette hij aan het werk met zagen, ijzeren dorssleden en bijlen. Zo deed David met alle steden van de Ammonieten. Daarna keerde hij met het hele leger terug naar Jeruzalem. 4. Daarna kwam het bij Gezer tot een oorlog met de Filistijnen. Toen versloeg Sibchai uit Husa een zekere Sippai, een afstammeling van Rafa, en de Filistijnen werden onderworpen. 5. Er was opnieuw oorlog met de Filistijnen. Elhanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broer van Goliath uit Gath. De schacht van diens speer was als een weversboom. 6. Weer was er oorlog, nu bij Gath. Daar was een reus van een man, met zes vingers aan elke hand en zes tenen aan elke voet, 24 in totaal. Ook hij stamde van Rafa af. 7. Hij hoonde Israël, maar Jonathan, de zoon van Simea, de broer van David, versloeg hem. 8. Zij stamden allemaal van Rafa uit Gath af, en zij sneuvelden door de hand van David en zijn mannen. ## 1 Kronieken 21 — De volkstelling van David 1. Toen keerde de satan zich tegen Israël. Hij zette David ertoe aan om Israël te tellen. 2. David zei tegen Joab en de legeraanvoerders: Ga Israël tellen, van Ber-Seba tot Dan. Breng mij de uitslag, zodat ik weet hoe groot het volk is. 3. Joab zei: Laat de HEERE zijn volk honderd keer zo talrijk maken als het nu is. Mijn heer de koning, zij zijn toch allemaal dienaren van mijn heer? Waarom wil mijn heer dit dan? Waarom zou Israël hierdoor schuldig worden? 4. Maar het woord van de koning was sterker dan Joab. Daarom vertrok Joab. Hij trok heel Israël door en kwam daarna terug in Jeruzalem. 5. Joab gaf David de uitslag van de telling. In heel Israël waren 1.100.000 mannen die het zwaard konden hanteren, en in Juda 470.000. 6. Levi en Benjamin had hij niet meegeteld, want het bevel van de koning was hem een gruwel. 7. Deze zaak was kwaad in de ogen van God. Daarom strafte Hij Israël. 8. Toen zei David tegen God: Ik heb zwaar gezondigd door dit te doen. Vergeef uw dienaar toch zijn schuld, want ik ben heel dwaas geweest. 9. De HEERE sprak tot Gad, de ziener van David: 10. Ga naar David en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE: Ik leg je drie dingen voor. Kies er één uit, dan zal ik dat met je doen. 11. Gad kwam bij David en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Maak uw keuze. 12. Drie jaar honger. Of drie maanden lang op de vlucht voor uw tegenstanders, achtervolgd door het zwaard van uw vijanden. Of drie dagen het zwaard van de HEERE: de pest in het land, met de engel van de HEERE die overal in Israël verderf brengt. Bedenk nu wat ik moet antwoorden aan Hem die mij gestuurd heeft. 13. David zei tegen Gad: Ik zit vreselijk in het nauw. Laat mij toch in de hand van de HEERE vallen, want zijn barmhartigheid is groot. Maar laat mij niet in de hand van mensen vallen. 14. Toen liet de HEERE de pest over Israël komen, en er stierven 70.000 mannen in Israël. 15. God stuurde ook een engel naar Jeruzalem om de stad te verwoesten. Maar terwijl hij dat deed, zag de HEERE het en kreeg Hij spijt van dat onheil. Hij zei tegen de engel die verwoestte: Het is genoeg, trek je hand nu terug. De engel van de HEERE stond toen bij de dorsvloer van Ornan uit Jebus. 16. David sloeg zijn ogen op en zag de engel van de HEERE tussen hemel en aarde staan. Hij had een getrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem. Toen wierpen David en de oudsten zich in rouwkleren met hun gezicht op de grond. 17. David zei tegen God: Was ik het niet die opdracht gaf om het volk te tellen? Ik ben het die gezondigd en heel verkeerd gehandeld heeft. Maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? HEERE, mijn God, laat uw hand toch tegen mij en mijn familie zijn, maar niet als een plaag tegen uw volk. 18. Toen droeg de engel van de HEERE aan Gad op om tegen David te zeggen dat hij naar boven moest gaan. Hij moest voor de HEERE een altaar oprichten op de dorsvloer van Ornan uit Jebus. 19. David ging naar boven, zoals Gad in de naam van de HEERE gezegd had. 20. Ornan was tarwe aan het dorsen. Hij draaide zich om en zag de engel. Zijn vier zonen die bij hem waren, verstopten zich. 21. David kwam bij Ornan aan. Ornan keek op, zag David, ging de dorsvloer af en boog zich diep voor hem neer. 22. David zei tegen hem: Geef mij deze dorsvloer, dan bouw ik hier een altaar voor de HEERE. Geef hem mij voor de volle prijs, zodat de plaag onder het volk ophoudt. 23. Ornan zei tegen David: Neem hem maar, en laat mijn heer de koning doen wat goed is in zijn ogen. Kijk, ik geef de runderen voor de brandoffers, de dorssleden voor het hout en de tarwe voor het graanoffer. Ik geef het allemaal. 24. Maar koning David zei tegen Ornan: Nee, ik wil het beslist voor de volle prijs kopen. Ik neem voor de HEERE niet wat van u is, en ik breng geen brandoffer dat mij niets gekost heeft. 25. David gaf Ornan voor die plaats ongeveer zeven kilo goud. 26. Daar bouwde David een altaar voor de HEERE en bracht brandoffers en dankoffers. Hij riep de HEERE aan, en Hij antwoordde hem met vuur uit de hemel op het brandofferaltaar. 27. Toen zei de HEERE tegen de engel dat hij zijn zwaard weer in de schede moest steken. 28. David zag dat de HEERE hem op de dorsvloer van Ornan uit Jebus geantwoord had. Daarom bracht hij daar zijn offers. 29. De tent van de HEERE die Mozes in de woestijn gemaakt had, stond in die tijd namelijk met het brandofferaltaar op de offerhoogte in Gibeon. 30. Maar David durfde daar niet heen te gaan om God te zoeken. Hij was namelijk bang geworden voor het zwaard van de engel van de HEERE. ## 1 Kronieken 22 — David bereidt de bouw van de tempel voor 1. David zei: Hier komt het huis van de HEERE God, en hier komt het brandofferaltaar voor Israël. 2. David gaf bevel om de vreemdelingen in het land Israël bijeen te roepen. Hij stelde steenhouwers aan om stenen te houwen voor de bouw van het huis van God. 3. David legde een grote voorraad ijzer aan voor de spijkers en de beslagen van de poortdeuren, en zoveel koper dat het niet te wegen was. 4. Ook was er ontelbaar veel cederhout, want de mensen van Sidon en Tyrus brachten David cederhout in overvloed. 5. David zei namelijk: Mijn zoon Salomo is nog jong en onervaren. Het huis dat voor de HEERE gebouwd moet worden, moet groots zijn en in alle landen naam en glans krijgen. Ik zal er dus voorraad voor aanleggen. Zo legde David voor zijn dood een grote voorraad aan. 6. Toen riep hij zijn zoon Salomo en droeg hem op een huis te bouwen voor de HEERE, de God van Israël. 7. David zei tegen Salomo: Mijn zoon, ik had mij voorgenomen een huis te bouwen voor de naam van de HEERE, mijn God. 8. Maar het woord van de HEERE kwam tot mij: Jij hebt veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd. Jij zult voor mijn naam geen huis bouwen, want je hebt voor mijn ogen veel bloed op de aarde vergoten. 9. Maar er zal een zoon voor je geboren worden, en hij zal een man van rust zijn. Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden om hem heen. Salomo zal zijn naam zijn, en in zijn dagen zal ik Israël vrede en rust geven. 10. Hij zal voor mijn naam een huis bouwen. Hij zal voor mij een zoon zijn en ik voor hem een Vader. Ik zal de troon van zijn koningschap over Israël voor altijd vast doen staan. 11. Nu dan, mijn zoon, moge de HEERE met je zijn. Moge het je lukken om het huis van de HEERE, je God, te bouwen, zoals Hij over je gezegd heeft. 12. Moge de HEERE je inzicht en verstand geven wanneer Hij je aanstelt over Israël, zodat je de wet van de HEERE, je God, houdt. 13. Dan zal het je lukken, als je de wetten en regels nakomt die de HEERE aan Mozes voor Israël gegeven heeft. Wees sterk en houd moed. Wees niet bang en laat je niet ontmoedigen. 14. Kijk, met veel moeite heb ik voor het huis van de HEERE een voorraad aangelegd: ongeveer 3.400 ton goud en 34.000 ton zilver. Het koper en het ijzer zijn niet te wegen, zoveel is er. Ook hout en stenen heb ik klaargelegd. Voeg er zelf nog meer aan toe. 15. Je hebt ook veel werklieden tot je beschikking: steenhouwers, vaklieden in steen en hout, en allerlei mensen die bekwaam zijn in hun werk. 16. Het goud, het zilver, het koper en het ijzer zijn niet te tellen. Ga aan het werk, en moge de HEERE met je zijn. 17. David droeg ook alle leiders van Israël op om zijn zoon Salomo te helpen. Hij zei: 18. Is de HEERE, uw God, niet met u? Heeft Hij u niet rust gegeven aan alle kanten? Hij heeft de bewoners van het land aan mij overgegeven, en het land is onderworpen aan de HEERE en aan zijn volk. 19. Zoek daarom de HEERE, uw God, met hart en ziel. Sta op en bouw het heiligdom van de HEERE God. Dan kunnen de ark van het verbond en het heilige gerei van God daarheen worden gebracht, naar het huis dat voor zijn naam gebouwd wordt. ## 1 Kronieken 23 — De indeling van de Levieten 1. Toen David oud en verzadigd van dagen was, maakte hij zijn zoon Salomo koning over Israël. 2. Hij riep alle leiders van Israël bijeen, en ook de priesters en de Levieten. 3. De Levieten van dertig jaar en ouder werden geteld. Er waren 38.000 mannen. 4. Van hen moesten er 24.000 toezicht houden op het werk in het huis van de HEERE, en 6.000 moesten opzichter en rechter zijn. 5. Verder waren er 4.000 poortwachters en 4.000 die de HEERE moesten prijzen met de instrumenten die David voor de lofzang had laten maken. 6. David deelde hen in groepen in naar de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari. 7. Tot de familie Gerson hoorden Ladan en Simeï. 8. De zonen van Ladan waren Jehiël, het hoofd, en verder Zetham en Joël: drie in totaal. 9. De zonen van Simeï waren Selomith, Haziël en Haran: drie in totaal. Zij waren de familiehoofden van Ladan. 10. De zonen van Simeï waren Jahath, Zina, Jeüs en Beria: vier in totaal. 11. Jahath was het hoofd en Zizza de tweede. Jeüs en Beria hadden niet veel kinderen. Daarom golden zij samen als één familie. 12. De zonen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël: vier in totaal. 13. De zonen van Amram waren Aäron en Mozes. Aäron werd apart gezet om voor altijd de allerheiligste dingen te wijden, hij en zijn zonen. Zij moesten offers brengen voor de HEERE, Hem dienen en voor altijd in zijn naam zegenen. 14. De kinderen van Mozes, de man van God, werden onder de stam Levi gerekend. 15. De zonen van Mozes waren Gersom en Eliëzer. 16. Van de zonen van Gersom was Sebuël het hoofd. 17. Van de zonen van Eliëzer was Rehabja het hoofd. Eliëzer had geen andere zonen, maar Rehabja kreeg heel veel nakomelingen. 18. Van de zonen van Jizhar was Selomith het hoofd. 19. Van de zonen van Hebron was Jeria het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziël de derde en Jekameam de vierde. 20. Van de zonen van Uzziël was Micha het hoofd en Jissia de tweede. 21. De zonen van Merari waren Maheli en Musi. De zonen van Maheli waren Eleazar en Kis. 22. Eleazar stierf zonder zonen. Hij had alleen dochters, en die trouwden met hun neven, de zonen van Kis. 23. De zonen van Musi waren Maheli, Eder en Jeremoth: drie in totaal. 24. Dit zijn de nakomelingen van Levi per familie, de familiehoofden zoals zij met name geteld zijn. Zij deden het werk voor de dienst in het huis van de HEERE, vanaf twintig jaar en ouder. 25. David had namelijk gezegd: De HEERE, de God van Israël, heeft zijn volk rust gegeven, en Hij zal voor altijd in Jeruzalem wonen. 26. Daarom hoefden de Levieten de tent en het gerei voor de dienst niet meer te dragen. 27. Volgens de laatste woorden van David werden de Levieten geteld vanaf twintig jaar en ouder. 28. Hun plaats was namelijk naast de nakomelingen van Aäron bij de dienst in het huis van de HEERE. Zij zorgden voor de voorhoven en de kamers, voor de reiniging van de heilige dingen en voor het werk in het huis van God. 29. Ook zorgden zij voor de toonbroden, de meelbloem voor het graanoffer, de ongezuurde koeken en het bakwerk in de pan. Verder hielden zij alle maten en gewichten bij. 30. Elke morgen moesten zij klaarstaan om de HEERE te danken en te prijzen, en elke avond opnieuw. 31. Datzelfde gold bij alle brandoffers voor de HEERE op de sabbatten, de nieuwemaansdagen en de feesten. Zij moesten er steeds zijn, in het afgesproken aantal, zoals het voor hen was vastgesteld. 32. Zo hielden zij de wacht bij de ontmoetingstent en bij het heiligdom. Ook stonden zij hun verwanten bij, de nakomelingen van Aäron, in de dienst van het huis van de HEERE. ## 1 Kronieken 24 — De groepen van de priesters 1. Dit zijn de groepen van de nakomelingen van Aäron. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar. 2. Nadab en Abihu stierven nog tijdens het leven van hun vader, en zij hadden geen zonen. Daarom deden Eleazar en Ithamar het priesterwerk. 3. David deelde hen in naar hun taak in de dienst, samen met Zadok uit de familie van Eleazar en Abimelech uit de familie van Ithamar. 4. Bij de indeling bleken er onder de nakomelingen van Eleazar meer familiehoofden te zijn dan onder die van Ithamar. Uit Eleazar kwamen zestien familiehoofden en uit Ithamar acht. 5. Zij werden door loting ingedeeld, de een naast de ander. Onder de nakomelingen van Eleazar en van Ithamar waren namelijk leiders van het heiligdom en leiders in de dienst van God. 6. Semaja, de zoon van Nethaneël, een Levitische schrijver, schreef hen op. Daarbij waren de koning en de leiders, de priester Zadok, Achimelech, de zoon van Abjathar, en de familiehoofden van priesters en Levieten. Telkens werd er één familie voor Eleazar genomen en één voor Ithamar. 7. Het eerste lot viel op Jojarib, het tweede op Jedaja, 8. het derde op Harim, het vierde op Seorim, 9. het vijfde op Malchia, het zesde op Mijamin, 10. het zevende op Hakkoz, het achtste op Abia, 11. het negende op Jesua, het tiende op Sechanja, 12. het elfde op Eljasib, het twaalfde op Jakim, 13. het dertiende op Huppa, het veertiende op Jesebeab, 14. het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer, 15. het zeventiende op Hezir, het achttiende op Happizzes, 16. het negentiende op Petahja, het twintigste op Jehezkel, 17. het eenentwintigste op Jachin, het tweeëntwintigste op Gamul, 18. het drieëntwintigste op Delaja en het vierentwintigste op Maäzja. 19. Zo was hun taak geregeld wanneer zij het huis van de HEERE binnengingen. Dat ging volgens de regel die hun voorvader Aäron gegeven had, zoals de HEERE, de God van Israël, hem geboden had. 20. Van de overige Levieten waren dit de hoofden. Uit de familie Amram was dat Subael, en uit de zonen van Subael Jechdeja. 21. Uit de familie Rehabja was Jissia het hoofd. 22. Uit de familie Jizhar was dat Selomoth, en uit de zonen van Selomoth Jahath. 23. Uit de familie Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziël de derde en Jekameam de vierde. 24. Uit de familie Uzziël was dat Micha, en uit de zonen van Micha Samir. 25. De broer van Micha was Jissia, en uit de zonen van Jissia was dat Zecharja. 26. De zonen van Merari waren Maheli en Musi. De zoon van Jaazia was Beno. 27. De zonen van Merari via Jaazia waren Beno, Soham, Zakkur en Hibri. 28. De zoon van Maheli was Eleazar, en die had geen kinderen. 29. De zoon van Kis was Jerahmeël. 30. De zonen van Musi waren Maheli, Eder en Jeremoth. Dit zijn de Levieten, ingedeeld naar hun families. 31. Ook zij wierpen het lot, net als hun verwanten, de nakomelingen van Aäron. Dat gebeurde in het bijzijn van koning David, Zadok, Achimelech en de familiehoofden van de priesters en de Levieten. Voor het oudste hoofd gold dezelfde regel als voor zijn jongste broer. ## 1 Kronieken 25 — De zangers en de muzikanten 1. David en de legeraanvoerders zonderden mannen uit de families van Asaf, Heman en Jeduthun af voor de dienst. Zij moesten profeteren met harpen, luiten en cimbalen. Dit is de lijst van de mannen die dat werk deden. 2. Uit de familie van Asaf waren dat Zakkur, Jozef, Nethanja en Asarela. Zij stonden onder leiding van Asaf, die profeteerde onder leiding van de koning. 3. Uit de familie van Jeduthun waren dat Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja: zes in totaal. Zij stonden onder leiding van hun vader Jeduthun, die op de harp profeteerde en de HEERE dankte en prees. 4. Uit de familie van Heman waren dat Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, Romamthi-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir en Mahazioth. 5. Zij waren allemaal zonen van Heman, de ziener van de koning. Hij sprak de woorden van God om de hoorn van de koning op te heffen. God had Heman veertien zonen en drie dochters gegeven. 6. Zij stonden allemaal onder leiding van hun vader bij de zang in het huis van de HEERE, met cimbalen, luiten en harpen. Zij deden dienst in het huis van God onder leiding van de koning, van Asaf, Jeduthun en Heman. 7. Met hun verwanten die geoefend waren in de zang voor de HEERE waren zij met 288, allemaal vakkundige zangers. 8. Zij wierpen het lot voor hun dienstbeurten, jong en oud, meester en leerling, allemaal gelijk. 9. Het eerste lot viel voor Asaf op Jozef. Het tweede viel op Gedalja; met zijn verwanten en zonen waren zij met twaalf. 10. Het derde viel op Zakkur; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 11. Het vierde viel op Jizri; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 12. Het vijfde viel op Nethanja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 13. Het zesde viel op Bukkia; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 14. Het zevende viel op Jesarela; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 15. Het achtste viel op Jesaja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 16. Het negende viel op Mattanja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 17. Het tiende viel op Simeï; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 18. Het elfde viel op Azareël; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 19. Het twaalfde viel op Hasabja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 20. Het dertiende viel op Subael; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 21. Het veertiende viel op Mattithja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 22. Het vijftiende viel op Jeremoth; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 23. Het zestiende viel op Hananja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 24. Het zeventiende viel op Josbekasa; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 25. Het achttiende viel op Hanani; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 26. Het negentiende viel op Mallothi; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 27. Het twintigste viel op Eliatha; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 28. Het eenentwintigste viel op Hothir; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 29. Het tweeëntwintigste viel op Giddalti; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 30. Het drieëntwintigste viel op Mahazioth; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. 31. Het vierentwintigste viel op Romamthi-Ezer; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf. ## 1 Kronieken 26 — De poortwachters en de schatbewaarders 1. Dit zijn de groepen van de poortwachters. Uit de familie Korah was dat Meselemja, de zoon van Kore, uit de familie van Asaf. 2. Meselemja had zonen: Zecharja was de oudste, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniël de vierde, 3. Elam de vijfde, Johanan de zesde en Eljeöenai de zevende. 4. Ook Obed-Edom had zonen: Semaja was de oudste, Jozabad de tweede, Joah de derde, Sachar de vierde en Nethaneël de vijfde, 5. Ammiël de zesde, Issaschar de zevende en Peüllethai de achtste. God had hem namelijk gezegend. 6. Zijn zoon Semaja kreeg ook zonen. Zij hadden de leiding in hun familie, want zij waren dappere mannen. 7. De zonen van Semaja waren Othni, Refael, Obed en Elzabad. Zijn verwanten Elihu en Semachja waren ook dappere mannen. 8. Zij stamden allemaal van Obed-Edom af. Zij, hun zonen en hun verwanten waren sterke mannen, geschikt voor de dienst. Van Obed-Edom waren er 62. 9. Meselemja had zonen en verwanten die ook dappere mannen waren: achttien in totaal. 10. Hosa uit de familie Merari had zonen. Simri was het hoofd. Hij was niet de oudste, maar zijn vader had hem tot hoofd aangesteld. 11. Hilkia was de tweede, Tebalja de derde en Zecharja de vierde. Alle zonen en verwanten van Hosa waren met dertien. 12. Zo waren de groepen van de poortwachters ingedeeld, met hun hoofden. Net als hun verwanten hadden zij wachtdienst in het huis van de HEERE. 13. Zij wierpen per familie het lot om de poorten te verdelen, jong en oud gelijk. 14. Het lot voor de oostkant viel op Salemja. Voor zijn zoon Zecharja, een verstandig raadsman, wierpen zij ook het lot, en dat viel op de noordkant. 15. Voor Obed-Edom viel het op de zuidkant, en voor zijn zonen op de voorraadkamers. 16. Voor Suppim en Hosa viel het op de westkant, bij de Schallechetpoort aan de hoger gelegen weg. De wachtposten stonden tegenover elkaar. 17. Aan de oostkant stonden zes Levieten. Aan de noordkant en aan de zuidkant stonden er elke dag vier, en bij de voorraadkamers steeds twee aan twee. 18. Bij het bijgebouw aan de westkant stonden er vier aan de weg en twee bij het bijgebouw zelf. 19. Dit waren de groepen poortwachters uit de families Korah en Merari. 20. Van de Levieten had Ahia de zorg voor de schatten van het huis van God en voor de schatten van de gewijde gaven. 21. Uit de familie van Ladan, de Gersoniet, waren de familiehoofden de nakomelingen van Jehiëli. 22. De zonen van Jehiëli waren Zetham en zijn broer Joël. Zij hadden de zorg voor de schatten van het huis van de HEERE. 23. Ook de families Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël kregen taken. 24. Sebuël, de zoon van Gersom en kleinzoon van Mozes, had de leiding over de schatten. 25. Zijn verwanten uit de lijn van Eliëzer waren: zijn zoon Rehabja, diens zoon Jesaja, diens zoon Joram, diens zoon Zichri en diens zoon Selomith. 26. Deze Selomith en zijn verwanten hadden de zorg voor alle gaven die gewijd waren. Die kwamen van koning David, van de familiehoofden, van de aanvoerders van duizend en honderd man en van de legeraanvoerders. 27. Zij hadden die uit de oorlogen en uit de buit gewijd om het huis van de HEERE te onderhouden. 28. Ook wat de ziener Samuël gewijd had, en Saul, Abner en Joab. Alles wat iemand gewijd had, viel onder Selomith en zijn verwanten. 29. Uit de familie Jizhar hadden Chenanja en zijn zonen taken buiten de tempel. Zij waren opzichter en rechter in Israël. 30. Uit de familie Hebron waren Hasabja en zijn verwanten met 1.700 sterke mannen. Zij hadden het toezicht in Israël ten westen van de Jordaan, voor al het werk van de HEERE en de dienst van de koning. 31. Uit de familie Hebron was Jeria het hoofd. In het veertigste jaar van Davids koningschap werd hun geslachtsregister onderzocht, en in Jaëzer in Gilead werden dappere mannen onder hen gevonden. 32. Zijn verwanten waren 2.700 dappere familiehoofden. Koning David stelde hen aan over de stammen Ruben en Gad en de halve stam Manasse, voor alle zaken van God en van de koning. ## 1 Kronieken 27 — De legerafdelingen en de hofhouding 1. Dit zijn de Israëlieten naar hun aantal: de familiehoofden, de aanvoerders van duizend en honderd man en hun opzichters. Zij dienden de koning in alles wat de afdelingen betrof. Elke maand van het jaar kwam er één afdeling op en ging er één af, en elke afdeling telde 24.000 man. 2. Over de eerste afdeling, voor de eerste maand, ging Jasobam, de zoon van Zabdiël. Zijn afdeling telde 24.000 man. 3. Hij stamde af van Perez en was het hoofd van alle legeraanvoerders in de eerste maand. 4. Over de afdeling voor de tweede maand ging Dodai uit de familie Ahoah, met Mikloth als tweede man. Zijn afdeling telde 24.000 man. 5. De derde legeraanvoerder, voor de derde maand, was Benaja, de zoon van de hoofdpriester Jojada. Hij was het hoofd, en zijn afdeling telde 24.000 man. 6. Deze Benaja was een held onder de dertig en hun aanvoerder. Over zijn afdeling ging zijn zoon Ammizabad. 7. De vierde, voor de vierde maand, was Asahel, de broer van Joab, en na hem zijn zoon Zebadja. Zijn afdeling telde 24.000 man. 8. De vijfde, voor de vijfde maand, was aanvoerder Samhuth uit de familie Jizrah. Zijn afdeling telde 24.000 man. 9. De zesde, voor de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes uit Thekoa. Zijn afdeling telde 24.000 man. 10. De zevende, voor de zevende maand, was Helez uit Pelon, uit de stam Efraïm. Zijn afdeling telde 24.000 man. 11. De achtste, voor de achtste maand, was Sibbechai uit Husa, uit de familie Zerah. Zijn afdeling telde 24.000 man. 12. De negende, voor de negende maand, was Abiëzer uit Anathoth, uit de stam Benjamin. Zijn afdeling telde 24.000 man. 13. De tiende, voor de tiende maand, was Maharai uit Netofa, uit de familie Zerah. Zijn afdeling telde 24.000 man. 14. De elfde, voor de elfde maand, was Benaja uit Pirhathon, uit de stam Efraïm. Zijn afdeling telde 24.000 man. 15. De twaalfde, voor de twaalfde maand, was Heldai uit Netofa, uit de familie van Othniël. Zijn afdeling telde 24.000 man. 16. Over de stammen van Israël gingen deze leiders. Over Ruben ging Eliëzer, de zoon van Zichri. Over Simeon ging Sefatja, de zoon van Maächa. 17. Over Levi ging Hasabja, de zoon van Kemuël. Over de nakomelingen van Aäron ging Zadok. 18. Over Juda ging Elihu, een broer van David. Over Issaschar ging Omri, de zoon van Michaël. 19. Over Zebulon ging Jismaja, de zoon van Obadja. Over Nafthali ging Jerimoth, de zoon van Azriël. 20. Over Efraïm ging Hosea, de zoon van Azazja. Over de halve stam Manasse ging Joël, de zoon van Pedaja. 21. Over de andere helft van Manasse, in Gilead, ging Jiddo, de zoon van Zecharja. Over Benjamin ging Jaäsiël, de zoon van Abner. 22. Over Dan ging Azarel, de zoon van Jeroham. Dat waren de leiders van de stammen van Israël. 23. David telde de mannen van twintig jaar en jonger niet mee. De HEERE had namelijk gezegd dat Hij Israël zo talrijk zou maken als de sterren aan de hemel. 24. Joab, de zoon van Zeruja, was met tellen begonnen, maar hij maakte het niet af. Daarover was namelijk grote toorn over Israël gekomen. Het getal werd dan ook niet opgenomen in de kronieken van koning David. 25. Over de schatten van de koning ging Azmaveth, de zoon van Adiël. Over de voorraden op het land, in de steden, de dorpen en de torens ging Jonathan, de zoon van Uzzia. 26. Over de landarbeiders die de akkers bewerkten ging Ezri, de zoon van Chelub. 27. Over de wijngaarden ging Simeï uit Rama. Over de wijnvoorraden uit de wijngaarden ging Zabdi uit Sifmi. 28. Over de olijfgaarden en de wilde vijgenbomen in de laagte ging Baäl-Hanan uit Geder. Over de olievoorraden ging Joas. 29. Over de runderen die in Saron weidden ging Sitrai uit Saron. Over de runderen in de dalen ging Safat, de zoon van Adlai. 30. Over de kamelen ging Obil, een Ismaëliet. Over de ezelinnen ging Jechdeja uit Meronoth. 31. Over het kleinvee ging Jaziz, een Hagriet. Zij waren allemaal beheerders van het bezit van koning David. 32. Jonathan, de oom van David, was raadgever. Hij was een verstandig man en ook schrijver. Jehiël, de zoon van Hachmoni, zorgde voor de zonen van de koning. 33. Achitofel was raadgever van de koning, en Husai uit de familie Archi was de vriend van de koning. 34. Na Achitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar. Joab was de legeraanvoerder van de koning. ## 1 Kronieken 28 — David draagt de tempelbouw over aan Salomo 1. David riep alle leiders van Israël in Jeruzalem bijeen. Dat waren de leiders van de stammen en de aanvoerders van de afdelingen die de koning dienden. Ook kwamen de aanvoerders van duizend en honderd man en de beheerders van al het bezit en vee van de koning en zijn zonen. Verder de hofbeambten, de helden en alle dappere mannen. 2. Koning David stond op en zei: Luister naar mij, mijn broers en mijn volk. Ik had mij voorgenomen een huis van rust te bouwen voor de ark van het verbond van de HEERE, de voetbank van onze God. Ik heb alles voor de bouw klaargelegd. 3. Maar God heeft tegen mij gezegd: Jij zult voor mijn naam geen huis bouwen, want je bent een krijgsman en je hebt veel bloed vergoten. 4. Toch heeft de HEERE, de God van Israël, mij uit mijn hele familie uitgekozen om voor altijd koning over Israël te zijn. Hij koos Juda als leidende stam, en binnen Juda het huis van mijn vader. En onder de zonen van mijn vader had Hij een welgevallen aan mij en maakte Hij mij koning over heel Israël. 5. De HEERE heeft mij veel zonen gegeven. Uit hen allen heeft Hij mijn zoon Salomo uitgekozen. Hij mag op de troon van het koningschap van de HEERE over Israël zitten. 6. Hij heeft tegen mij gezegd: Jouw zoon Salomo zal mijn huis en mijn voorhoven bouwen. Ik heb hem uitgekozen als mijn zoon, en ik zal voor hem een Vader zijn. 7. Ik zal zijn koningschap voor altijd vast doen staan. Dat gebeurt als hij standvastig blijft in mijn geboden en mijn regels, zoals hij dat vandaag doet. 8. Nu dan, waar heel Israël bij is en onze God het hoort: zoek de geboden van de HEERE, uw God, en houd u eraan. Dan zult u dit goede land bezitten en het voor altijd doorgeven aan uw kinderen na u. 9. En jij, mijn zoon Salomo, leer de God van je vader kennen en dien Hem met een toegewijd hart en een bereidwillige ziel. De HEERE doorzoekt namelijk alle harten en begrijpt elke gedachte. Als je Hem zoekt, zul je Hem vinden. Maar als je Hem verlaat, zal Hij je voorgoed verstoten. 10. Zie het nu goed in: de HEERE heeft jou uitgekozen om een huis als heiligdom te bouwen. Wees sterk en doe het. 11. David gaf zijn zoon Salomo het ontwerp van de voorhal, de gebouwen daaromheen, de voorraadkamers, de bovenzalen, de binnenkamers en de ruimte voor het verzoendeksel. 12. Ook gaf hij het ontwerp van alles wat de Geest hem ingegeven had. Dat waren de voorhoven van het huis van de HEERE en alle kamers eromheen. Ook de voorraden van het huis van God en van de gewijde gaven. 13. Verder gaf hij de indeling van de priesters en de Levieten. Ook gaf hij de regeling voor al het werk in de dienst van het huis van de HEERE en voor al het gerei. 14. Hij gaf het gewicht aan goud voor al het gouden gerei van elke dienst, en het gewicht aan zilver voor al het zilveren gerei. 15. Ook gaf hij het gewicht voor de gouden kandelaars en hun lampen, elk apart. Zo deed hij ook voor de zilveren kandelaars met hun lampen. 16. Verder gaf hij het gewicht aan goud voor de tafels van de toonbroden, voor elke tafel apart, en het zilver voor de zilveren tafels. 17. Voor de vorken, de sprengschalen en de kannen gaf hij zuiver goud. Voor de gouden bekers gaf hij het gewicht per beker, en zo ook voor de zilveren bekers. 18. Voor het reukofferaltaar gaf hij gezuiverd goud naar gewicht. Ook gaf hij goud voor het ontwerp van de wagen: de cherubs die hun vleugels uitspreiden over de ark van het verbond van de HEERE. 19. David zei: Dit alles staat in een geschrift uit de hand van de HEERE, die mij inzicht gaf in heel dit ontwerp. 20. David zei tegen zijn zoon Salomo: Wees sterk en houd moed, en ga aan het werk. Wees niet bang en laat je niet ontmoedigen. De HEERE God, mijn God, zal met je zijn. Hij zal je niet in de steek laten tot al het werk voor de dienst van het huis van de HEERE af is. 21. Kijk, daar zijn de groepen van de priesters en de Levieten voor alle dienst in het huis van God. Voor elk werk staan vrijwilligers klaar die daar verstand van hebben. Ook de leiders en het hele volk staan tot je beschikking. ## 1 Kronieken 29 — De gaven voor de tempel en het gebed van David 1. Koning David zei tegen de hele vergadering: God heeft mijn zoon Salomo als enige uitgekozen. Hij is nog jong en onervaren, en dit werk is groot. Het is namelijk geen paleis voor een mens, maar voor God, de HEERE. 2. Ik heb met al mijn kracht voor het huis van mijn God gezorgd. Er is goud voor het gouden werk, zilver voor het zilveren, koper voor het koperen, ijzer voor het ijzeren en hout voor het houten werk. Verder onyxstenen, stenen om in te zetten, sierstenen, stenen in allerlei kleuren, allerlei kostbare stenen en heel veel marmer. 3. En omdat ik het huis van mijn God liefheb, geef ik daar mijn eigen goud en zilver bovenop. Dat komt naast alles wat ik al klaargelegd heb. 4. Het gaat om ongeveer honderd ton goud uit Ofir en 240 ton gezuiverd zilver, om de wanden van de gebouwen te bekleden. 5. Er is goud voor het gouden werk en zilver voor het zilveren, en voor alles wat de vaklieden maken. Wie wil er vandaag vrijwillig zijn handen vullen voor de HEERE? 6. Toen gaven de familiehoofden en de leiders van de stammen van Israël vrijwillig hun gaven. Ook de aanvoerders van duizend en honderd man en de opzichters van het werk van de koning gaven. 7. Voor de dienst van het huis van God gaven zij ongeveer 170 ton goud en tienduizend gouden munten. Verder 340 ton zilver, 610 ton koper en 3.400 ton ijzer. 8. Wie edelstenen had, gaf die voor de schat van het huis van de HEERE, onder beheer van Jehiël uit de familie Gerson. 9. Het volk was blij dat er zo vrijwillig gegeven werd. Zij gaven met een toegewijd hart aan de HEERE, en ook koning David was heel blij. 10. Daarom prees David de HEERE waar de hele vergadering bij was. Hij zei: Geprezen bent U, HEERE, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. 11. Van U, HEERE, is de grootheid, de kracht, de glorie, de overwinning en de majesteit. Alles in de hemel en op de aarde is van U. Van U, HEERE, is het koningschap, en U bent verheven als hoofd boven alles. 12. Rijkdom en eer komen van U, en U heerst over alles. In uw hand is kracht en macht, en het ligt in uw hand om iemand groot en sterk te maken. 13. Nu dan, onze God, wij danken U en prijzen uw glorierijke naam. 14. Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de kracht zouden hebben om zo vrijwillig te geven? Alles komt immers van U, en wij geven U wat wij uit uw hand ontvangen hebben. 15. Wij zijn vreemdelingen en gasten voor U, net als al onze voorouders. Onze dagen op aarde zijn als een schaduw, zonder hoop op blijvend bestaan. 16. HEERE, onze God, al deze rijkdom die wij bijeengebracht hebben om U een huis te bouwen voor uw heilige naam, komt uit uw hand. Het is allemaal van U. 17. Ik weet, mijn God, dat U het hart toetst en dat U blij bent met oprechtheid. Met een oprecht hart heb ik dit alles vrijwillig gegeven. En nu heb ik met vreugde gezien hoe uw volk hier vrijwillig aan U geeft. 18. HEERE, God van onze voorouders Abraham, Izak en Israël, bewaar dit voor altijd in het hart van uw volk. Richt hun hart op U. 19. Geef mijn zoon Salomo een toegewijd hart om uw geboden, uw getuigenissen en uw wetten te houden. Laat hem dit alles doen en het paleis bouwen dat ik heb voorbereid. 20. Daarna zei David tegen de hele vergadering: Prijs nu de HEERE, uw God. Toen prees de hele vergadering de HEERE, de God van hun voorouders. Zij bogen hun hoofd en knielden neer voor de HEERE en voor de koning. 21. De volgende morgen brachten zij offers en brandoffers voor de HEERE: duizend stieren, duizend rammen en duizend lammeren, met de drankoffers erbij. Er waren nog veel meer offers voor heel Israël. 22. Die dag aten en dronken zij met grote vreugde voor de HEERE. Zij maakten Salomo, de zoon van David, voor de tweede keer koning. Zij zalfden hem voor de HEERE tot vorst, en Zadok tot priester. 23. Zo ging Salomo op de troon van de HEERE zitten, als koning in de plaats van zijn vader David. Het ging hem goed, en heel Israël luisterde naar hem. 24. Alle leiders en helden, en ook alle zonen van koning David, onderwierpen zich aan koning Salomo. 25. De HEERE maakte Salomo heel groot in de ogen van heel Israël. Hij gaf hem een koninklijke majesteit zoals geen koning van Israël voor hem gehad had. 26. Zo heeft David, de zoon van Isaï, over heel Israël geregeerd. 27. Hij regeerde veertig jaar over Israël: zeven jaar in Hebron en 33 jaar in Jeruzalem. 28. Hij stierf op hoge leeftijd, verzadigd van dagen, rijkdom en eer. Zijn zoon Salomo werd koning in zijn plaats. 29. De geschiedenis van koning David staat van begin tot eind beschreven. Dat is te lezen in de geschriften van de ziener Samuël, van de profeet Nathan en van de ziener Gad. 30. Daar staat alles over zijn koningschap en zijn macht. Ook staat er wat er in zijn tijd gebeurde met hem, met Israël en met alle koninkrijken van de landen. ## 2 Kronieken 1 — Salomo vraagt om wijsheid 1. Salomo, de zoon van David, kreeg zijn koningschap stevig in handen. De HEERE, zijn God, was met hem en maakte hem heel groot. 2. Salomo sprak heel Israël toe: de aanvoerders van duizend en honderd man, de rechters, alle leiders in Israël en de familiehoofden. 3. Toen ging Salomo met de hele vergadering naar de offerhoogte in Gibeon. Daar stond namelijk de ontmoetingstent van God, die Mozes, de dienaar van de HEERE, in de woestijn gemaakt had. 4. De ark van God had David al uit Kirjath-Jearim gehaald. Hij had er in Jeruzalem een tent voor opgezet, op de plaats die hij ervoor klaargemaakt had. 5. Maar het koperen altaar dat Bezaleël gemaakt had, de zoon van Uri en kleinzoon van Hur, stond daar voor de tent van de HEERE. Salomo en de vergadering zochten het op. 6. Salomo bracht daar voor de HEERE offers op het koperen altaar bij de ontmoetingstent. Hij offerde er duizend brandoffers op. 7. Diezelfde nacht verscheen God aan Salomo. Hij zei tegen hem: Vraag wat je wilt dat ik je geef. 8. Salomo zei tegen God: U hebt mijn vader David veel goeds gedaan, en U hebt mij koning gemaakt in zijn plaats. 9. Laat nu, HEERE God, uw belofte aan mijn vader David waar worden. U hebt mij koning gemaakt over een volk zo talrijk als het stof van de aarde. 10. Geef mij nu wijsheid en inzicht, zodat ik dit volk kan leiden. Want wie zou anders recht kunnen spreken over dit grote volk van U? 11. God zei tegen Salomo: Dit had je in je hart. Je hebt niet gevraagd om rijkdom, bezit of eer, niet om het leven van je vijanden en niet om een lang leven. Je hebt gevraagd om wijsheid en inzicht, om recht te spreken over mijn volk, waarover ik je koning gemaakt heb. 12. Daarom krijg je wijsheid en inzicht. En ik zal je ook rijkdom, bezit en eer geven, zoveel als geen koning voor je gehad heeft en na je hebben zal. 13. Zo kwam Salomo van de offerhoogte in Gibeon, van de ontmoetingstent, terug in Jeruzalem. En hij regeerde over Israël. 14. Salomo bracht strijdwagens en ruiters bijeen. Hij had 1.400 wagens en 12.000 ruiters. Die legerde hij in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. 15. De koning maakte zilver en goud in Jeruzalem zo gewoon als steen, en cederhout zo gewoon als de wilde vijgenbomen in de laagte. 16. De paarden van Salomo werden uit Egypte ingevoerd. De handelaars van de koning kochten ze daar op in groepen, voor een vaste prijs. 17. Een wagen uit Egypte kostte ongeveer zeven kilo zilver en een paard bijna twee kilo. Zo voerden zij die ook uit voor alle koningen van de Hethieten en voor de koningen van Syrië. ## 2 Kronieken 2 — Salomo bereidt de tempelbouw voor 1. Salomo besloot een huis te bouwen voor de naam van de HEERE, en een paleis voor zichzelf. 2. Hij zette 70.000 dragers aan het werk en 80.000 steenhouwers in het bergland, met 3.600 opzichters erover. 3. Salomo stuurde een bericht naar Huram, de koning van Tyrus: U hebt mijn vader David cederhout gestuurd voor een paleis om in te wonen. Doe met mij hetzelfde. 4. Kijk, ik ga een huis bouwen voor de naam van de HEERE, mijn God, om het aan Hem te wijden. Daar zullen wij geurige specerijen voor Hem branden, de toonbroden klaarleggen en elke morgen en avond brandoffers brengen. Dat doen wij ook op de sabbatten, de nieuwemaansdagen en de feesten van de HEERE, onze God. Dat geldt voor altijd in Israël. 5. Het huis dat ik ga bouwen, moet groot zijn, want onze God is groter dan alle goden. 6. Maar wie zou de kracht hebben om een huis voor Hem te bouwen? Zelfs de hoogste hemel kan Hem niet bevatten. En wie ben ik dat ik een huis voor Hem zou bouwen? Ik kan alleen offers voor Hem branden. 7. Stuur mij daarom een vakman die kan werken in goud, zilver, koper en ijzer, en in purper, karmozijn en blauwpurper. Hij moet ook verstand hebben van graveerwerk. Hij kan samenwerken met de vaklieden die mijn vader David in Juda en Jeruzalem heeft aangesteld. 8. Stuur mij ook cederhout, cipressenhout en sandelhout uit de Libanon. Ik weet namelijk dat uw mensen verstand hebben van houthakken daar. Mijn mensen zullen hen helpen. 9. Zij moeten veel hout voor mij klaarmaken, want het huis dat ik ga bouwen, wordt groot en indrukwekkend. 10. En kijk, voor uw houthakkers geef ik ongeveer 4.400 ton tarwe en evenveel gerst. Verder geef ik ongeveer 440.000 liter wijn en evenveel olie. 11. Huram, de koning van Tyrus, antwoordde met een brief aan Salomo: De HEERE heeft zijn volk lief. Daarom heeft Hij u koning over hen gemaakt. 12. Verder schreef Huram: Geprezen zij de HEERE, de God van Israël, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Hij heeft koning David een wijze zoon gegeven, vol overleg en verstand, die een huis voor de HEERE en een paleis voor zichzelf zal bouwen. 13. Ik stuur u nu een vakman met veel verstand: Huram-Abi. 14. Zijn moeder komt uit de stam Dan en zijn vader uit Tyrus. Hij kan werken in goud, zilver, koper, ijzer, steen en hout, en in purper, blauwpurper, fijn linnen en karmozijn. Hij kan alle graveerwerk maken en elk ontwerp uitvoeren dat men hem voorlegt, samen met uw vaklieden en die van mijn heer, uw vader David. 15. Laat mijn heer de tarwe, de gerst, de olie en de wijn aan zijn dienaren sturen, zoals hij beloofd heeft. 16. Wij zullen zoveel hout uit de Libanon hakken als u nodig hebt. Wij brengen het als vlotten over zee naar Jafo, en dan kunt u het naar Jeruzalem laten halen. 17. Salomo telde alle vreemdelingen in het land Israël, net zoals zijn vader David hen geteld had. Er waren er 153.600. 18. Van hen maakte hij 70.000 dragers en 80.000 steenhouwers in het bergland. Daarboven stonden 3.600 opzichters. ## 2 Kronieken 3 — De bouw van de tempel 1. Salomo begon het huis van de HEERE te bouwen in Jeruzalem, op de berg Moria. Daar was de HEERE aan zijn vader David verschenen, op de plaats die David had klaargemaakt: de dorsvloer van Ornan uit Jebus. 2. Hij begon met bouwen op de tweede dag van de tweede maand, in het vierde jaar van zijn koningschap. 3. Dit zijn de maten die Salomo voor het huis van God aanhield, naar de oude maat: ongeveer 27 meter lang en 9 meter breed. 4. De voorhal aan de voorkant was net zo breed als het huis, ongeveer 9 meter, en 54 meter hoog. Van binnen bekleedde hij die met zuiver goud. 5. De grote zaal betimmerde hij met cipressenhout en bekleedde die met fijn goud. Daarop maakte hij palmen en vlechtwerk. 6. Hij versierde het huis ook met kostbare stenen. Het goud kwam uit Parvaïm. 7. De balken, de deurposten, de wanden en de deuren van het huis bekleedde hij met goud, en in de wanden graveerde hij cherubs. 8. Verder maakte hij het allerheiligste. Dat was net zo breed als het huis, ongeveer 9 meter, en ook 9 meter diep. Hij bekleedde het met fijn goud, ongeveer twintig ton. 9. De gouden spijkers wogen samen ongeveer een halve kilo. Ook de bovenzalen bekleedde hij met goud. 10. In het allerheiligste maakte hij twee cherubs van beeldhouwwerk, en die bekleedde hij met goud. 11. De vleugels van de cherubs hadden samen een spanwijdte van ongeveer 9 meter. De ene vleugel was ongeveer 2,25 meter lang en raakte de wand van het huis. De andere vleugel was even lang en raakte de vleugel van de andere cherub. 12. Zo was het ook bij de tweede cherub. Zijn ene vleugel van ongeveer 2,25 meter raakte de wand van het huis, en de andere raakte de vleugel van de eerste cherub. 13. De vleugels van deze cherubs spanden samen ongeveer 9 meter. Zij stonden rechtop, met hun gezicht naar de zaal toe. 14. Hij maakte ook het voorhangsel van blauwpurper, purper, karmozijn en fijn linnen, en daarop maakte hij cherubs. 15. Voor het huis maakte hij twee zuilen van ongeveer 16 meter hoog, met daarop een kapiteel van ongeveer 2,25 meter. 16. Hij maakte vlechtwerk zoals in het binnenste vertrek en zette dat boven op de zuilen. Ook maakte hij honderd granaatappels en zette die tussen het vlechtwerk. 17. Hij zette de zuilen voor de tempel neer, één rechts en één links. De rechter noemde hij Jachin en de linker Boaz. ## 2 Kronieken 4 — Het gerei voor de tempel 1. Hij maakte ook een koperen altaar van ongeveer 9 meter lang, 9 meter breed en 4,5 meter hoog. 2. Verder maakte hij de gegoten zee. Die was van rand tot rand ongeveer 4,5 meter breed en helemaal rond, en ongeveer 2,25 meter hoog. De omtrek was ongeveer 13,5 meter. 3. Onder de rand zaten rondom afbeeldingen van runderen, tien op elke 45 centimeter. Die twee rijen runderen waren tegelijk met de zee gegoten. 4. De zee stond op twaalf runderen. Drie keken naar het noorden, drie naar het westen, drie naar het zuiden en drie naar het oosten. De zee stond daar bovenop, en hun achterkanten wezen naar binnen. 5. De wand was een handbreedte dik, ongeveer 7,5 centimeter. De rand was gemaakt als de rand van een beker, als een leliebloem. Er kon ongeveer 66.000 liter water in. 6. Hij maakte tien wasvaten en zette er vijf rechts en vijf links. Daarin spoelden zij wat bij het brandoffer hoorde. De zee was er voor de priesters om zich te wassen. 7. Hij maakte ook tien gouden kandelaars naar het voorschrift en zette die in de tempel, vijf rechts en vijf links. 8. Verder maakte hij tien tafels en zette die in de tempel, vijf rechts en vijf links. Ook maakte hij honderd gouden sprengschalen. 9. Hij maakte de voorhof van de priesters en de grote voorhof, met de deuren daarvoor, en die deuren bekleedde hij met koper. 10. De zee zette hij rechts neer, aan de oostkant, naar het zuiden toe. 11. Huram maakte ook de potten, de scheppen en de sprengschalen. Zo maakte hij het werk af dat hij voor koning Salomo aan het huis van God deed. 12. Dat waren de twee zuilen met de ronde kapitelen erop, en de twee vlechtwerken om die ronde kapitelen te bedekken, 13. en de vierhonderd granaatappels voor die twee vlechtwerken: twee rijen per vlechtwerk, om de ronde kapitelen boven op de zuilen te bedekken. 14. Ook maakte hij de onderstellen en de wasvaten daarop, 15. en de ene zee met de twaalf runderen eronder. 16. Verder maakte Huram-Abi voor koning Salomo de potten, de scheppen, de vorken en al het bijbehorende gerei. Dat was van gepolijst koper, voor het huis van de HEERE. 17. De koning liet dat gieten in de vlakte van de Jordaan, in vormen van vaste klei, tussen Sukkoth en Zeredatha. 18. Salomo liet al dit gerei in grote hoeveelheden maken. Het koper werd niet eens gewogen, zoveel was het. 19. Salomo liet ook al het gerei voor het huis van God maken: het gouden altaar en de tafels met de toonbroden erop, 20. de kandelaars met hun lampen van zuiver goud, om die volgens het voorschrift aan te steken voor het binnenste vertrek, 21. en de bloemen, de lampen en de snuiters van goud, van het allerbeste goud. 22. Verder de messen, de sprengschalen, de schalen en de vuurpannen van zuiver goud. En de deuren van het huis, zowel de binnendeuren naar het allerheiligste als de deuren van de tempelzaal, waren van goud. ## 2 Kronieken 5 — De ark wordt in de tempel gebracht 1. Zo was al het werk klaar dat Salomo aan het huis van de HEERE liet doen. Daarna bracht hij de gewijde gaven van zijn vader David binnen: het zilver, het goud en al het gerei. Dat legde hij bij de schatten van het huis van God. 2. Toen riep Salomo de oudsten van Israël in Jeruzalem bijeen, met alle stamhoofden en familiehoofden van de Israëlieten. Zij moesten de ark van het verbond van de HEERE uit de Stad van David halen, dat is Sion. 3. Alle mannen van Israël kwamen bij de koning bijeen op het feest in de zevende maand. 4. Alle oudsten van Israël kwamen, en de Levieten tilden de ark op. 5. Zij brachten de ark naar boven, en ook de ontmoetingstent met al het heilige gerei dat erin stond. De priesters en de Levieten droegen dat. 6. Koning Salomo en de hele vergadering van Israël stonden voor de ark en offerden schapen en runderen. Het waren er zoveel dat niemand ze kon tellen. 7. De priesters brachten de ark van het verbond van de HEERE naar zijn plaats. Dat was het binnenste vertrek van het huis, het allerheiligste, onder de vleugels van de cherubs. 8. De cherubs spreidden namelijk hun vleugels uit boven de plaats van de ark. Zo overdekten zij de ark en de draagbomen van bovenaf. 9. De draagbomen waren zo lang dat de uiteinden ervan vanaf de voorkant van het binnenste vertrek te zien waren, maar van buiten niet. Tot vandaag toe is dat zo. 10. In de ark lagen alleen de twee stenen platen die Mozes er bij de Horeb in gelegd had. Daar sloot de HEERE een verbond met de Israëlieten, toen zij uit Egypte getrokken waren. 11. Toen kwamen de priesters uit het heiligdom naar buiten. Alle priesters die er waren, hadden zich geheiligd, zonder zich aan de indeling in groepen te houden. 12. De Levitische zangers stonden allemaal aan de oostkant van het altaar: de mannen van Asaf, Heman en Jeduthun, met hun zonen en verwanten. Zij droegen fijn linnen en hadden cimbalen, luiten en harpen. Bij hen stonden 120 priesters die op de trompetten bliezen. 13. De trompetters en de zangers lieten als uit één mond hun stem horen om de HEERE te prijzen en te danken. Zij verhieven hun stem met trompetten, cimbalen en andere instrumenten. Zij prezen de HEERE, omdat Hij goed is en zijn trouw voor altijd duurt. Toen vulde een wolk het huis van de HEERE. 14. De priesters konden door die wolk hun dienst niet meer doen, want de glorie van de HEERE had het huis van God gevuld. ## 2 Kronieken 6 — Het gebed van Salomo bij de inwijding 1. Toen zei Salomo: De HEERE heeft gezegd dat Hij in donkerheid zou wonen. 2. Nu heb ik voor U een huis gebouwd om in te wonen, een vaste plaats waar U voor altijd kunt blijven. 3. Daarna draaide de koning zich om en zegende de hele vergadering van Israël. De hele vergadering stond daarbij. 4. Hij zei: Geprezen zij de HEERE, de God van Israël. Wat Hij met zijn mond tegen mijn vader David gezegd heeft, heeft Hij met zijn hand vervuld. Hij zei: 5. Ik heb mijn volk uit Egypte geleid. Sinds die dag heb ik uit geen enkele stam van Israël een stad uitgekozen om daar een huis voor mijn naam te bouwen. Ook heb ik niemand uitgekozen om vorst over mijn volk Israël te zijn. 6. Maar nu heb ik Jeruzalem uitgekozen voor mijn naam, en David om over mijn volk Israël te heersen. 7. Mijn vader David had zich voorgenomen een huis te bouwen voor de naam van de HEERE, de God van Israël. 8. Maar de HEERE zei tegen mijn vader David: Je hebt je voorgenomen een huis voor mijn naam te bouwen, en dat was goed van je. 9. Toch zul jij dat huis niet bouwen. Je eigen zoon zal het huis voor mijn naam bouwen. 10. De HEERE heeft zijn woord waargemaakt. Ik ben opgevolgd in de plaats van mijn vader David en zit op de troon van Israël, zoals de HEERE gezegd heeft. En ik heb het huis gebouwd voor de naam van de HEERE, de God van Israël. 11. Daar heb ik de ark neergezet, met daarin het verbond dat de HEERE met de Israëlieten gesloten heeft. 12. Toen ging Salomo voor het altaar van de HEERE staan, tegenover de hele vergadering van Israël, en hij spreidde zijn handen uit. 13. Salomo had namelijk een koperen verhoging laten maken en die midden op de voorhof gezet. Die was ongeveer 2,25 meter lang, 2,25 meter breed en 1,35 meter hoog. Daarop ging hij staan. Hij knielde neer voor de hele vergadering van Israël en spreidde zijn handen uit naar de hemel. 14. Hij zei: HEERE, God van Israël, er is geen God zoals U, in de hemel of op de aarde. U houdt U aan het verbond en blijft trouw aan uw dienaren die met hun hele hart voor U leven. 15. U bent uw dienaar, mijn vader David, trouw gebleven. Wat U met uw mond tegen hem gezegd hebt, hebt U met uw hand vervuld, zoals vandaag blijkt. 16. Houd U nu, HEERE, God van Israël, aan uw belofte aan uw dienaar David. U zei: Er zal altijd iemand van jouw nakomelingen op de troon van Israël zitten. Dat geldt als je zonen hun weg bewaken en leven naar mijn wet, zoals jij gedaan hebt. 17. Laat nu, HEERE, God van Israël, uw woord waar worden dat U tegen uw dienaar David gesproken hebt. 18. Maar zou God werkelijk bij de mensen op de aarde wonen? Zelfs de hoogste hemel kan U niet bevatten, laat staan dit huis dat ik gebouwd heb. 19. Luister toch naar het gebed en het smeken van uw dienaar, HEERE, mijn God. Hoor het roepen en het bidden van uw dienaar voor U. 20. Laat uw ogen dag en nacht open zijn over dit huis, over de plaats waarvan U gezegd hebt dat U daar uw naam zou vestigen. Hoor het gebed dat uw dienaar op deze plaats bidt. 21. Luister naar het smeken van uw dienaar en van uw volk Israël, wanneer zij op deze plaats bidden. Hoor het vanuit uw woonplaats, vanuit de hemel. Hoor en vergeef. 22. Misschien misdraagt iemand zich tegen zijn naaste, en wordt er een eed van hem geëist. Die eed legt hij af voor uw altaar in dit huis. 23. Hoor het dan vanuit de hemel. Grijp in en doe uw dienaren recht. Vergeld de schuldige wat hij gedaan heeft en spreek de onschuldige vrij naar zijn onschuld. 24. Misschien wordt uw volk Israël door de vijand verslagen, omdat het tegen U gezondigd heeft. En dan komen zij tot inkeer, belijden uw naam en bidden en smeken in dit huis. 25. Hoor het dan vanuit de hemel. Vergeef de zonde van uw volk Israël en breng hen terug naar het land dat U hun en hun voorouders gegeven hebt. 26. Misschien blijft de hemel gesloten en valt er geen regen, omdat zij tegen U gezondigd hebben. En dan bidden zij op deze plaats, belijden uw naam en komen tot inkeer omdat U hen getroffen hebt. 27. Hoor het dan vanuit de hemel. Vergeef de zonde van uw dienaren en van uw volk Israël. Wijs hun de goede weg om te gaan, en geef regen op uw land, dat U uw volk als erfdeel gegeven hebt. 28. Misschien is er honger in het land, of pest, of graanbrand, meeldauw, sprinkhanen of ander ongedierte. Misschien belegert een vijand het volk in een van de steden, of is er een plaag of een ziekte. 29. Dan wordt er gebeden en gesmeekt, door één mens of door heel uw volk Israël. Ieder kent zijn eigen plaag en verdriet en strekt zijn handen uit naar dit huis. 30. Hoor het dan vanuit de hemel, uw vaste woonplaats. Vergeef, en geef ieder wat bij zijn wegen past, want U kent zijn hart. U alleen kent immers het hart van de mensen. 31. Dan zullen zij ontzag voor U hebben en in uw wegen gaan, zolang zij leven in het land dat U aan onze voorouders gegeven hebt. 32. Misschien komt er een vreemdeling die niet bij uw volk Israël hoort. Hij komt uit een ver land vanwege uw grote naam, uw sterke hand en uw uitgestrekte arm, en hij komt bidden in dit huis. 33. Hoor het dan vanuit de hemel, uw vaste woonplaats, en doe alles waar die vreemdeling U om vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam kennen en ontzag voor U hebben, net als uw volk Israël. Zij zullen weten dat uw naam over dit huis is uitgeroepen, dit huis dat ik gebouwd heb. 34. Misschien trekt uw volk ten strijde tegen zijn vijanden, langs de weg die U hun wijst. Dan bidden zij tot U in de richting van deze stad die U uitgekozen hebt. Zij bidden ook in de richting van dit huis dat ik voor uw naam gebouwd heb. 35. Hoor dan vanuit de hemel hun gebed en hun smeken, en doe hun recht. 36. Misschien zondigen zij tegen U, want er is geen mens die niet zondigt. Dan wordt U boos op hen en geeft U hen over aan de vijand. Zij worden dan als gevangenen weggevoerd naar een ver of nabij land. 37. Maar in het land van hun gevangenschap nemen zij het ter harte. Zij komen tot inkeer en smeken U daar: Wij hebben gezondigd, wij hebben verkeerd gehandeld en goddeloos geleefd. 38. Zij keren met heel hun hart en heel hun ziel naar U terug in het land van hun gevangenschap. Zij bidden in de richting van hun land, dat U aan hun voorouders gegeven hebt. Zij bidden ook naar deze stad die U uitgekozen hebt en naar dit huis dat ik voor uw naam gebouwd heb. 39. Hoor dan vanuit de hemel, uw vaste woonplaats, hun gebed en hun smeken. Doe hun recht en vergeef uw volk wat het tegen U misdaan heeft. 40. Nu, mijn God, laat uw ogen toch open zijn en uw oren luisteren naar het gebed op deze plaats. 41. En nu, HEERE God, sta op en kom naar uw rustplaats, U en de ark van uw kracht. Laat uw priesters bekleed zijn met redding, HEERE God, en laat uw getrouwen blij zijn over het goede. 42. HEERE God, wijs uw gezalfde niet af. Denk aan de trouw die U aan uw dienaar David bewezen hebt. ## 2 Kronieken 7 — De HEERE antwoordt met vuur 1. Toen Salomo klaar was met bidden, daalde er vuur uit de hemel. Het verteerde het brandoffer en de andere offers, en de glorie van de HEERE vulde het huis. 2. De priesters konden het huis van de HEERE niet binnengaan, want de glorie van de HEERE had het gevuld. 3. Alle Israëlieten zagen het vuur neerdalen en de glorie van de HEERE boven het huis. Toen knielden zij op de vloer met hun gezicht naar de grond. Zij aanbaden en prezen de HEERE, omdat Hij goed is en zijn trouw voor altijd duurt. 4. De koning en het hele volk brachten offers voor de HEERE. 5. Koning Salomo offerde 22.000 runderen en 120.000 schapen. Zo wijdden de koning en het hele volk het huis van God in. 6. De priesters stonden op hun post, en de Levieten met de muziekinstrumenten van de HEERE. Koning David had die laten maken om de HEERE te prijzen, omdat zijn trouw voor altijd duurt. De priesters bliezen tegenover hen op de trompetten, en heel Israël stond erbij. 7. Salomo wijdde ook het middelste deel van de voorhof, voor het huis van de HEERE. Daar bracht hij namelijk de brandoffers en het vet van de dankoffers. Het koperen altaar dat hij gemaakt had, was daar te klein voor. 8. In die tijd vierde Salomo zeven dagen lang feest, en heel Israël met hem. Het was een heel grote vergadering, van de ingang van Hamath tot de beek van Egypte. 9. Op de achtste dag hielden zij een feestelijke slotdag. Zij hadden zeven dagen de inwijding van het altaar gevierd en zeven dagen het feest. 10. Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand liet hij het volk naar huis gaan. Zij waren blij en opgewekt over het goede dat de HEERE aan David, aan Salomo en aan zijn volk Israël gedaan had. 11. Zo maakte Salomo het huis van de HEERE en het paleis van de koning af. Alles wat hij zich had voorgenomen voor het huis van de HEERE en voor zijn eigen huis, voerde hij goed uit. 12. De HEERE verscheen 's nachts aan Salomo. Hij zei tegen hem: Ik heb je gebed gehoord. Ik heb deze plaats voor mijzelf uitgekozen als een huis waar geofferd wordt. 13. Misschien sluit ik de hemel, zodat er geen regen valt. Of ik geef de sprinkhaan opdracht het land kaal te vreten, of ik stuur de pest onder mijn volk. 14. Mijn volk is naar mijn naam genoemd. Als zij dan nederig worden en bidden, mij zoeken en zich bekeren van hun slechte wegen, dan zal ik uit de hemel horen. Ik zal hun zonden vergeven en hun land genezen. 15. Van nu af zullen mijn ogen open zijn en mijn oren luisteren naar het gebed op deze plaats. 16. Want ik heb dit huis nu uitgekozen en geheiligd, zodat mijn naam er voor altijd zal zijn. Mijn ogen en mijn hart zullen daar altijd zijn. 17. En jij? Leef voor mij zoals je vader David dat deed. Doe alles wat ik je opgedragen heb en houd je aan mijn voorschriften en regels. 18. Dan zal ik je koningschap vast doen staan. Dat heb ik met je vader David afgesproken: er zal altijd iemand van jou over Israël heersen. 19. Maar misschien keren jullie je af en verlaten jullie mijn voorschriften en geboden, die ik jullie gegeven heb. Misschien gaan jullie andere goden dienen en buigen jullie je voor die goden. 20. Dan zal ik hen wegrukken uit mijn land, dat ik hun gegeven heb. En dit huis, dat ik voor mijn naam geheiligd heb, zal ik wegwerpen. Ik maak het tot een spreekwoord en een spot onder alle volken. 21. Iedereen die langs dit hoog verheven huis komt, zal ontzet zijn. Hij zal zeggen: Waarom heeft de HEERE dit met dit land en dit huis gedaan? 22. En men zal antwoorden: Zij hebben de HEERE verlaten, de God van hun voorouders, die hen uit Egypte geleid heeft. Zij hebben zich aan andere goden gehouden en die gediend. Daarom heeft Hij al dit onheil over hen gebracht. ## 2 Kronieken 8 — Wat Salomo verder bouwde 1. Twintig jaar lang bouwde Salomo aan het huis van de HEERE en aan zijn eigen paleis. 2. Daarna bouwde hij de steden weer op die Huram hem gegeven had, en hij liet Israëlieten daar wonen. 3. Salomo trok ook naar Hamath-Zoba en nam het in. 4. Hij bouwde Tadmor in de woestijn en alle voorraadsteden in Hamath. 5. Ook bouwde hij Hoog-Beth-Horon en Laag-Beth-Horon, versterkte steden met muren, deuren en grendels. 6. Verder bouwde hij Baälath en alle voorraadsteden die hij had. Ook bouwde hij alle wagensteden en de steden voor de ruiters. Zo bouwde hij alles wat hij wilde, in Jeruzalem, op de Libanon en in zijn hele rijk. 7. In het land woonden nog mensen die niet bij Israël hoorden: Hethieten, Amorieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten. 8. Hun nakomelingen waren in het land overgebleven, omdat de Israëlieten hen niet uitgeroeid hadden. Salomo liet hen dwangarbeid doen, tot vandaag toe. 9. Maar van de Israëlieten maakte Salomo niemand slaaf voor zijn werk. Zij waren soldaten, aanvoerders van zijn officieren en bevelhebbers over zijn wagens en ruiters. 10. Koning Salomo had 250 opzichters die leiding gaven aan het volk. 11. Salomo liet de dochter van Farao uit de Stad van David verhuizen naar het huis dat hij voor haar gebouwd had. Hij zei namelijk: Mijn vrouw mag niet wonen in het huis van David, de koning van Israël. Die plaatsen zijn heilig, want de ark van de HEERE is er geweest. 12. Toen bracht Salomo brandoffers voor de HEERE op het altaar dat hij voor de voorhal gebouwd had. 13. Hij offerde zoals Mozes het voor elke dag voorgeschreven had: op de sabbatten, de nieuwemaansdagen en de drie jaarlijkse feesten. Dat waren het feest van de ongezuurde broden, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. 14. Zoals zijn vader David had bepaald, stelde hij de groepen priesters aan voor hun dienst. Ook wees hij de Levieten hun taken toe: God prijzen en de priesters helpen, elke dag zoals voorgeschreven. Verder zette hij de poortwachters per groep bij elke poort, want zo had David, de man van God, het bevolen. 15. Niemand week af van wat de koning de priesters en de Levieten bevolen had, ook niet als het om de schatten ging. 16. Zo was al het werk van Salomo goed geregeld, vanaf de dag dat het huis van de HEERE gegrondvest werd tot het klaar was. Het huis van de HEERE was voltooid. 17. Toen ging Salomo naar Ezeon-Geber en naar Eloth, aan de kust in het land Edom. 18. Huram stuurde hem schepen, met zeelui die verstand van de zee hadden. Zij gingen met de mensen van Salomo naar Ofir en haalden daar ongeveer 15 ton goud vandaan. Dat brachten zij bij koning Salomo. ## 2 Kronieken 9 — De koningin van Scheba en het einde van Salomo 1. De koningin van Scheba hoorde over de roem van Salomo. Zij kwam naar Jeruzalem om hem met raadsels op de proef te stellen. Zij had een grote stoet bij zich, met kamelen die specerijen, veel goud en edelstenen droegen. Bij Salomo gekomen sprak zij met hem over alles wat zij op haar hart had. 2. Salomo gaf antwoord op al haar vragen. Niets was hem te moeilijk om uit te leggen. 3. De koningin van Scheba zag de wijsheid van Salomo en het huis dat hij gebouwd had. 4. Zij zag het eten op zijn tafel, hoe zijn hovelingen zaten en zijn dienaren stonden, en hoe zij gekleed waren. Zij zag zijn schenkers met hun kleding, en de trap waarlangs hij naar het huis van de HEERE ging. Toen was zij er helemaal stil van. 5. Zij zei tegen de koning: Het is echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid gehoord heb. 6. Ik geloofde het niet, tot ik kwam en het met eigen ogen zag. En kijk, nog niet de helft van uw grote wijsheid is mij verteld. U bent nog veel meer dan de verhalen zeggen. 7. Wat een geluk voor uw mannen, en voor uw dienaren die steeds bij u staan en uw wijsheid horen. 8. Geprezen zij de HEERE, uw God, die u graag op zijn troon gezet heeft als koning voor Hem. Uw God houdt van Israël en wil het voor altijd laten bestaan. Daarom heeft Hij u koning over hen gemaakt, om recht en gerechtigheid te doen. 9. Zij gaf de koning ongeveer 4 ton goud, heel veel specerijen en edelstenen. Nooit eerder waren er zulke specerijen als de koningin van Scheba aan koning Salomo gaf. 10. De mensen van Huram en die van Salomo brachten goud uit Ofir. Zij brachten ook sandelhout en edelstenen mee. 11. Van dat sandelhout maakte de koning trappen voor het huis van de HEERE en voor het paleis. Ook maakte hij er harpen en luiten van voor de zangers. Zoiets was in het land Juda nog nooit gezien. 12. Koning Salomo gaf de koningin van Scheba alles wat zij wilde en vroeg. Het was meer dan wat zij zelf meegebracht had. Daarna ging zij met haar dienaren terug naar haar land. 13. Het goud dat in één jaar bij Salomo binnenkwam, woog ongeveer 23 ton. 14. Dat was nog afgezien van wat handelaars en kooplui inbrachten. Ook alle koningen van Arabië en de bestuurders van het land brachten goud en zilver bij Salomo. 15. Koning Salomo maakte tweehonderd grote schilden van geslagen goud. Voor elk schild gebruikte hij ongeveer 7 kilo goud. 16. Ook maakte hij driehonderd kleinere schilden van geslagen goud, elk van ongeveer 3,5 kilo. De koning legde ze in het Woudhuis van de Libanon. 17. Verder maakte de koning een grote ivoren troon, die hij met zuiver goud overtrok. 18. De troon had zes treden en een gouden voetbank, die eraan vastzat. Aan weerskanten van de zitting waren leuningen, en daarbij stonden twee leeuwen. 19. Op de zes treden stonden aan beide kanten twaalf leeuwen. Zoiets was in geen enkel koninkrijk gemaakt. 20. Alle drinkbekers van koning Salomo waren van goud, en al het gerei van het Woudhuis van de Libanon was van zuiver goud. Zilver telde in de tijd van Salomo niet mee. 21. De schepen van de koning voeren namelijk met de mensen van Huram naar Tarsis. Eens in de drie jaar kwamen die schepen binnen met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen. 22. Zo werd koning Salomo groter dan alle koningen van de aarde in rijkdom en wijsheid. 23. Alle koningen van de aarde kwamen bij Salomo om de wijsheid te horen die God hem gegeven had. 24. Ieder van hen bracht een geschenk mee: zilveren en gouden voorwerpen, kleren, wapens, specerijen, paarden en muildieren. Dat gebeurde jaar na jaar. 25. Salomo had vierduizend stallen voor paarden en wagens, en 12.000 ruiters. Die legerde hij in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. 26. Hij heerste over alle koningen, van de Eufraat tot aan het land van de Filistijnen en tot aan de grens van Egypte. 27. De koning maakte zilver in Jeruzalem zo gewoon als steen, en cederhout zo gewoon als de wilde vijgenbomen in de laagte. 28. Voor Salomo werden paarden ingevoerd uit Egypte en uit alle andere landen. 29. De verdere geschiedenis van Salomo staat van begin tot eind beschreven bij de profeet Nathan. Ook staat zij in de profetie van Ahia uit Silo en in de visioenen van de ziener Jedi over Jerobeam, de zoon van Nebat. 30. Salomo regeerde veertig jaar in Jeruzalem over heel Israël. 31. Toen stierf Salomo, en hij werd begraven in de stad van zijn vader David. Zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats. ## 2 Kronieken 10 — Israël breekt met Rehabeam 1. Rehabeam ging naar Sichem, want heel Israël was daar bijeengekomen om hem koning te maken. 2. Jerobeam, de zoon van Nebat, hoorde dat. Hij was in Egypte, waar hij voor koning Salomo naartoe gevlucht was. Daarom kwam Jerobeam terug uit Egypte. 3. Zij hadden hem namelijk laten roepen. Jerobeam kwam met heel Israël, en zij zeiden tegen Rehabeam: 4. Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd. Maak het harde werk van uw vader lichter en verlicht het juk dat hij ons opgelegd heeft. Dan zullen wij u dienen. 5. Hij zei tegen hen: Kom over drie dagen bij mij terug. Toen ging het volk weg. 6. Koning Rehabeam ging te rade bij de oudsten die zijn vader Salomo gediend hadden toen die nog leefde. Hij vroeg: Wat raadt u aan? Wat moet ik dit volk antwoorden? 7. Zij zeiden tegen hem: Wees goed voor dit volk en vriendelijk tegen hen. Spreek goede woorden tegen hen, dan zullen zij u altijd dienen. 8. Maar hij legde de raad van de oudsten naast zich neer. Hij ging te rade bij de jongemannen die met hem opgegroeid waren en nu bij hem stonden. 9. Hij vroeg hun: Wat raadt u aan? Wat moeten wij dit volk antwoorden? Zij hebben mij gevraagd het juk lichter te maken dat mijn vader hun opgelegd heeft. 10. De jongemannen die met hem opgegroeid waren, zeiden: Het volk klaagt dat uw vader hun juk zwaar gemaakt heeft. Zij vragen u het lichter te maken. Antwoord hun dan zo: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader. 11. Mijn vader heeft u een zwaar juk opgelegd, maar ik zal het nog zwaarder maken. Mijn vader heeft u met zwepen gestraft, maar ik zal u met schorpioenen straffen. 12. Op de derde dag kwamen Jerobeam en het hele volk bij Rehabeam, zoals de koning gezegd had. 13. De koning gaf hun een hard antwoord. Hij legde de raad van de oudsten naast zich neer. 14. Hij sprak hen toe volgens de raad van de jongemannen: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal het nog zwaarder maken. Mijn vader heeft u met zwepen gestraft, maar ik zal u met schorpioenen straffen. 15. De koning luisterde dus niet naar het volk. Deze wending kwam van God, zodat de HEERE zijn woord waarmaakte. Dat had Hij door Ahia uit Silo tegen Jerobeam, de zoon van Nebat, gesproken. 16. Heel Israël zag dat de koning niet naar hen luisterde. Toen antwoordde het volk de koning: Wat hebben wij met David te maken? Wij hebben geen erfdeel bij de zoon van Isaï. Ga naar huis, Israël! Zorg nu maar voor je eigen huis, David! Zo ging heel Israël naar huis. 17. Maar over de Israëlieten die in de steden van Juda woonden, bleef Rehabeam koning. 18. Toen stuurde koning Rehabeam Hadoram, die over de dwangarbeid ging. De Israëlieten stenigden hem, zodat hij stierf. Koning Rehabeam kon nog net op zijn wagen springen en vluchtte naar Jeruzalem. 19. Zo kwam Israël in opstand tegen het huis van David, tot vandaag toe. ## 2 Kronieken 11 — Rehabeam versterkt Juda 1. Toen Rehabeam in Jeruzalem kwam, riep hij Juda en Benjamin bijeen: 180.000 geoefende soldaten. Zij moesten tegen Israël strijden om het koninkrijk voor Rehabeam terug te winnen. 2. Maar het woord van de HEERE kwam tot Semaja, de man van God: 3. Zeg tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tegen heel Israël in Juda en Benjamin: 4. De HEERE zegt: trek niet op en vecht niet tegen jullie broers. Laat iedereen naar huis gaan, want dit is door mij gebeurd. Zij luisterden naar de woorden van de HEERE en zagen af van de tocht tegen Jerobeam. 5. Rehabeam bleef in Jeruzalem wonen. Hij bouwde steden in Juda uit tot vestingen. 6. Hij versterkte Bethlehem, Etham en Thekoa, 7. Beth-Zur, Socho en Adullam, 8. Gath, Maresa en Zif, 9. Adoraïm, Lachis en Azeka, 10. Zora, Ajalon en Hebron. Dat waren de versterkte steden in Juda en Benjamin. 11. Hij maakte de vestingen sterk, stelde er bevelhebbers aan en legde er voorraden voedsel, olie en wijn neer. 12. In elke stad legde hij grote schilden en speren neer en maakte die heel sterk. Zo waren Juda en Benjamin van hem. 13. De priesters en de Levieten in heel Israël sloten zich bij hem aan, uit hun hele gebied. 14. De Levieten verlieten hun weidegronden en hun bezit en kwamen naar Juda en Jeruzalem. Jerobeam en zijn zonen hadden hen namelijk weggestuurd, zodat zij de HEERE niet meer als priester konden dienen. 15. Jerobeam had zelf priesters aangesteld voor de offerhoogten, voor de bokgoden en voor de kalveren die hij gemaakt had. 16. Uit alle stammen van Israël kwamen er mensen achter hen aan naar Jeruzalem. Zij wilden met heel hun hart de HEERE zoeken, de God van Israël, en Hem offers brengen. 17. Zo maakten zij het koninkrijk Juda sterk. Drie jaar lang steunden zij Rehabeam, de zoon van Salomo, want drie jaar lang leefden zij zoals David en Salomo. 18. Rehabeam trouwde met Mahalath, de dochter van Jerimoth, de zoon van David. Ook trouwde hij met Abihaïl, de dochter van Eliab, de zoon van Isaï. 19. Zij kreeg voor hem de zonen Jeüs, Semaria en Zaham. 20. Daarna trouwde hij met Maächa, de dochter van Absalom. Zij kreeg voor hem Abia, Attai, Ziza en Selomith. 21. Rehabeam hield meer van Maächa, de dochter van Absalom, dan van al zijn andere vrouwen en bijvrouwen. Hij had achttien vrouwen en zestig bijvrouwen, en hij kreeg achtentwintig zonen en zestig dochters. 22. Rehabeam maakte Abia, de zoon van Maächa, tot hoofd en leider onder zijn broers, want hij wilde hem koning maken. 23. Hij pakte het verstandig aan. Hij verspreidde zijn zonen over alle streken van Juda en Benjamin, in alle versterkte steden. Hij gaf hun volop voedsel en zocht voor hen veel vrouwen. ## 2 Kronieken 12 — Sisak trekt op tegen Jeruzalem 1. Toen Rehabeams koningschap sterk stond en hij machtig geworden was, verliet hij de wet van de HEERE. Heel Israël deed met hem mee. 2. In het vijfde jaar van koning Rehabeam trok Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem. Zij waren namelijk ontrouw geweest aan de HEERE. 3. Hij kwam met 1.200 wagens en 60.000 ruiters. Het volk dat met hem uit Egypte meekwam, was niet te tellen: Libiërs, Sukkieten en Nubiërs. 4. Hij nam de versterkte steden van Juda in en kwam tot bij Jeruzalem. 5. Toen kwam de profeet Semaja bij Rehabeam en de leiders van Juda, die zich vanwege Sisak in Jeruzalem verzameld hadden. Hij zei tegen hen: De HEERE zegt: jullie hebben mij verlaten, daarom heb ik jullie overgelaten aan Sisak. 6. Toen werden de leiders van Israël en de koning nederig en zeiden: De HEERE is rechtvaardig. 7. De HEERE zag dat zij nederig werden. Daarom kwam het woord van de HEERE tot Semaja: Zij zijn nederig geworden. Ik zal hen niet vernietigen, maar hun binnenkort redding geven. Mijn woede zal niet door Sisak over Jeruzalem uitgestort worden. 8. Toch zullen zij zijn dienaren worden. Dan zullen zij het verschil leren tussen mij dienen en de koninkrijken van de landen dienen. 9. Sisak, de koning van Egypte, trok op tegen Jeruzalem. Hij nam de schatten van het huis van de HEERE en van het paleis mee. Hij nam alles mee, ook alle gouden schilden die Salomo gemaakt had. 10. Koning Rehabeam maakte in plaats daarvan koperen schilden. Die gaf hij in bewaring aan de bevelhebbers van de lijfwacht, die de ingang van het paleis bewaakten. 11. Telkens als de koning naar het huis van de HEERE ging, kwam de lijfwacht de schilden dragen. Daarna brachten zij die terug naar de wachtkamer. 12. Omdat hij nederig werd, keerde de toorn van de HEERE zich van hem af. Hij werd niet helemaal vernietigd, en in Juda waren ook nog goede dingen. 13. Koning Rehabeam stond sterk in Jeruzalem en regeerde daar. Hij was eenenveertig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaar in Jeruzalem. Die stad had de HEERE uit alle stammen van Israël uitgekozen om er zijn naam te vestigen. Zijn moeder heette Naäma en kwam uit Ammon. 14. Hij deed wat slecht was, want hij zette zijn hart er niet op om de HEERE te zoeken. 15. De geschiedenis van Rehabeam staat van begin tot eind beschreven bij de profeet Semaja en bij de ziener Iddo, in de geslachtsregisters. Ook de oorlogen tussen Rehabeam en Jerobeam staan daar, zolang zij leefden. 16. Toen stierf Rehabeam, en hij werd begraven in de Stad van David. Zijn zoon Abia werd koning in zijn plaats. ## 2 Kronieken 13 — Abia verslaat Jerobeam 1. In het achttiende jaar van koning Jerobeam werd Abia koning over Juda. 2. Hij regeerde drie jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Michaja en was de dochter van Uriël uit Gibea. Tussen Abia en Jerobeam was er oorlog. 3. Abia begon de strijd met een leger van 400.000 uitgelezen, dappere mannen. Jerobeam stelde zich tegenover hem op met 800.000 uitgelezen, dappere mannen. 4. Abia ging boven op de berg Zemaraïm staan, in het bergland van Efraïm. Hij riep: Luister naar mij, Jerobeam en heel Israël! 5. Weet u dan niet dat de HEERE, de God van Israël, het koningschap over Israël voor altijd aan David gegeven heeft? Hij gaf het aan hem en zijn zonen, met een verbond van zout. 6. Toch is Jerobeam, de zoon van Nebat, in opstand gekomen tegen zijn heer. Hij was een dienaar van Salomo, de zoon van David. 7. Er sloten zich leeglopers en slechte mannen bij hem aan. Zij waren te sterk voor Rehabeam, de zoon van Salomo. Rehabeam was nog jong en onzeker en kon hen niet aan. 8. En nu denkt u sterk te staan tegen het koninkrijk van de HEERE, dat in handen van Davids zonen is. U bent met veel mensen, en u hebt de gouden kalveren bij u die Jerobeam als goden voor u gemaakt heeft. 9. Hebt u de priesters van de HEERE niet verjaagd, de zonen van Aäron, en de Levieten? Hebt u geen eigen priesters aangesteld, zoals de volken om u heen? Wie met een jonge stier en zeven rammen komt, wordt bij u priester van goden die geen goden zijn. 10. Maar de HEERE is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten. De priesters die de HEERE dienen, zijn zonen van Aäron, en de Levieten doen hun werk. 11. Elke morgen en elke avond branden zij brandoffers en geurig reukwerk voor de HEERE. Zij leggen het brood klaar op de reine tafel en steken elke avond de gouden kandelaar met zijn lampen aan. Wij doen wat de HEERE ons opgedragen heeft, maar u hebt Hem verlaten. 12. Kijk, God gaat ons voorop, met zijn priesters en de trompetten die het signaal tegen u geven. Israëlieten, vecht niet tegen de HEERE, de God van uw voorouders, want u zult niet winnen. 13. Maar Jerobeam liet een groep om hen heen trekken, zodat die in hun rug kwam. Zo stond het ene deel tegenover Juda en het andere in hun rug. 14. Juda keek om en zag dat de strijd van voren en van achteren kwam. Toen riepen zij tot de HEERE, en de priesters bliezen op de trompetten. 15. De mannen van Juda hieven de strijdkreet aan. Terwijl zij dat deden, versloeg God Jerobeam en heel Israël, voor Abia en Juda uit. 16. De Israëlieten vluchtten voor Juda, en God gaf hen in hun macht. 17. Abia en zijn leger brachten hun een zware slag toe. Van Israël sneuvelden 500.000 uitgelezen mannen. 18. Zo werden de Israëlieten in die tijd vernederd. De mannen van Juda werden sterk, omdat zij op de HEERE, de God van hun voorouders, gesteund hadden. 19. Abia achtervolgde Jerobeam en nam een aantal steden van hem in: Bethel, Jesana en Efron, met de plaatsen eromheen. 20. Jerobeam kwam zolang Abia leefde niet meer op krachten. De HEERE trof hem, en hij stierf. 21. Abia werd steeds sterker. Hij trouwde met veertien vrouwen en kreeg tweeëntwintig zonen en zestien dochters. 22. De verdere geschiedenis van Abia, zijn daden en zijn woorden, staat beschreven in het verhaal van de profeet Iddo. ## 2 Kronieken 14 — Asa zoekt de HEERE 1. Abia stierf, en zij begroeven hem in de Stad van David. Zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn tijd had het land tien jaar rust. 2. Asa deed wat goed en juist was in de ogen van de HEERE, zijn God. 3. Hij haalde de vreemde altaren en de offerhoogten weg, brak de gewijde stenen af en hakte de gewijde palen om. 4. Hij zei tegen Juda dat zij de HEERE, de God van hun voorouders, moesten zoeken en de wet en de geboden moesten doen. 5. Uit alle steden van Juda haalde hij de offerhoogten en de wierookaltaren weg. Het koninkrijk had rust onder hem. 6. Hij bouwde versterkte steden in Juda, want het land had rust. In die jaren was er geen oorlog tegen hem, omdat de HEERE hem rust gaf. 7. Hij zei tegen Juda: Laten wij deze steden bouwen en er muren omheen zetten, met torens, deuren en grendels. Het land ligt nog voor ons open, want wij hebben de HEERE, onze God, gezocht. Wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom rust gegeven. Zo bouwden zij, en het ging hun goed. 8. Asa had een leger van 300.000 man uit Juda, met grote schilden en speren. Uit Benjamin had hij 280.000 man met schilden en bogen. Het waren allemaal dappere strijders. 9. Zerah uit Nubië trok tegen hen op met een leger van een miljoen man en driehonderd wagens. Hij kwam tot bij Maresa. 10. Toen trok Asa hem tegemoet, en zij stelden zich op voor de strijd in het dal Zefatha bij Maresa. 11. Asa riep de HEERE, zijn God, aan en zei: HEERE, voor U maakt het niets uit of U de sterke of de zwakke helpt. Help ons, HEERE, onze God, want wij steunen op U. In uw naam zijn wij tegen deze overmacht opgetrokken. HEERE, U bent onze God. Laat een sterfelijk mens niets tegen U beginnen. 12. De HEERE versloeg de Nubiërs voor Asa en Juda uit, en zij sloegen op de vlucht. 13. Asa en zijn leger achtervolgden hen tot bij Gerar. Er vielen zoveel Nubiërs dat zij zich niet meer konden herstellen, want zij werden verpletterd voor de HEERE en zijn leger. Juda nam heel veel buit mee. 14. Zij verwoestten alle steden rond Gerar, want de schrik van de HEERE lag op hen. Zij plunderden al die steden, want er was veel buit. 15. Ook overvielen zij de tenten van de veehouders. Zij voerden veel schapen en kamelen weg en kwamen terug in Jeruzalem. ## 2 Kronieken 15 — Het verbond onder Asa 1. Toen kwam de Geest van God over Azaria, de zoon van Oded. 2. Hij ging Asa tegemoet en zei tegen hem: Luister naar mij, Asa, en heel Juda en Benjamin! De HEERE is met u zolang u met Hem bent. Als u Hem zoekt, zult u Hem vinden, maar als u Hem verlaat, zal Hij u verlaten. 3. Israël is lange tijd zonder de ware God geweest, zonder priester die onderwees en zonder de wet. 4. Maar in hun nood keerden zij terug naar de HEERE, de God van Israël. Zij zochten Hem, en Hij liet zich vinden. 5. In die tijd was niemand veilig op weg, niet bij het gaan en niet bij het komen. Er was veel onrust onder alle inwoners van die landen. 6. Volk botste tegen volk en stad tegen stad, want God bracht hen met allerlei nood in verwarring. 7. Wees dus sterk en laat uw handen niet verslappen, want er is loon voor uw werk. 8. Asa hoorde deze woorden, de profetie van de profeet Oded. Hij vatte moed en haalde de afschuwelijke afgoden weg uit heel Juda en Benjamin. Ook deed hij dat in de steden die hij in het bergland van Efraïm veroverd had. En hij vernieuwde het altaar van de HEERE, dat voor de voorhal stond. 9. Hij riep heel Juda en Benjamin bijeen, met de vreemdelingen uit Efraïm, Manasse en Simeon die bij hen woonden. Uit Israël waren namelijk velen naar hem overgelopen, toen zij zagen dat de HEERE, zijn God, met hem was. 10. Zij kwamen in de derde maand in Jeruzalem bijeen, in het vijftiende jaar van de regering van Asa. 11. Op die dag offerden zij de HEERE van de buit die zij meegebracht hadden: zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen. 12. Zij sloten een verbond dat zij de HEERE, de God van hun voorouders, zouden zoeken met heel hun hart en heel hun ziel. 13. Wie de HEERE, de God van Israël, niet zou zoeken, zou gedood worden, klein of groot, man of vrouw. 14. Zij zwoeren dat aan de HEERE met luide stem en gejuich, en met trompetten en hoorns. 15. Heel Juda was blij over deze eed, want zij hadden met heel hun hart gezworen. Zij hadden Hem met hun hele wil gezocht, en Hij liet zich vinden. De HEERE gaf hun rust aan alle kanten. 16. Koning Asa zette ook zijn moeder Maächa af als koningin-moeder. Zij had namelijk een afschuwelijk beeld voor de gewijde paal gemaakt. Asa hakte dat beeld om, verbrijzelde het en verbrandde het bij de beek Kidron. 17. De offerhoogten verdwenen niet uit Israël, maar het hart van Asa was zijn leven lang aan de HEERE toegewijd. 18. Hij bracht de gewijde gaven van zijn vader en zijn eigen gewijde gaven naar het huis van God: zilver, goud en gerei. 19. Er was geen oorlog tot in het vijfendertigste jaar van de regering van Asa. ## 2 Kronieken 16 — Asa steunt op Syrië 1. In het zesendertigste jaar van de regering van Asa trok Baësa, de koning van Israël, op tegen Juda. Hij versterkte Rama, zodat niemand nog naar Asa, de koning van Juda, toe of bij hem vandaan kon. 2. Toen haalde Asa zilver en goud uit de schatkamers van het huis van de HEERE en van het paleis. Hij stuurde dat naar Benhadad, de koning van Syrië, die in Damascus woonde. Hij liet zeggen: 3. Er is een verbond tussen mij en u, zoals tussen mijn vader en uw vader. Kijk, ik stuur u zilver en goud. Verbreek uw verbond met Baësa, de koning van Israël, zodat hij bij mij wegtrekt. 4. Benhadad luisterde naar koning Asa. Hij stuurde zijn legeraanvoerders naar de steden van Israël. Zij versloegen Ijon, Dan, Abel-Maïm en alle voorraadsteden van Nafthali. 5. Toen Baësa dat hoorde, hield hij op met het versterken van Rama en legde het werk stil. 6. Koning Asa riep heel Juda op. Zij droegen de stenen en het hout van Rama weg waarmee Baësa gebouwd had. Daarmee versterkte hij Geba en Mizpa. 7. In die tijd kwam de ziener Hanani bij Asa, de koning van Juda. Hij zei tegen hem: U hebt op de koning van Syrië gesteund en niet op de HEERE, uw God. Daarom is het leger van de koning van Syrië u ontglipt. 8. Waren de Nubiërs en Libiërs niet een groot leger, met heel veel wagens en ruiters? Omdat u toen op de HEERE steunde, gaf Hij hen in uw macht. 9. De ogen van de HEERE gaan over de hele aarde. Hij wil sterk zijn voor wie Hem met een toegewijd hart dient. Hierin hebt u dwaas gehandeld. Van nu af zult u oorlogen hebben. 10. Asa werd boos op de ziener en zette hem in de gevangenis, want hij was hierover woedend. In die tijd onderdrukte Asa ook mensen uit het volk. 11. De geschiedenis van Asa, van begin tot eind, staat beschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël. 12. In het negenendertigste jaar van zijn regering werd Asa ziek aan zijn voeten. Zijn ziekte werd heel ernstig. Ook toen zocht hij de HEERE niet, maar hij ging naar de dokters. 13. Zo stierf Asa. Hij overleed in het eenenveertigste jaar van zijn regering. 14. Zij begroeven hem in het graf dat hij voor zichzelf in de Stad van David had uitgehakt. Zij legden hem op een bed vol specerijen, klaargemaakt als een geurige mengeling. En zij ontstaken voor hem een heel groot vuur. ## 2 Kronieken 17 — Josafat laat het volk onderwijzen 1. Zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats. Hij maakte zich sterk tegen Israël. 2. Hij legerde troepen in alle versterkte steden van Juda. Ook zette hij bezettingen in het land Juda en in de steden van Efraïm die zijn vader Asa ingenomen had. 3. De HEERE was met Josafat, want hij ging de wegen die zijn voorvader David in het begin gegaan was. Hij zocht de Baäls niet. 4. Hij zocht juist de God van zijn vader en leefde naar zijn geboden. Hij deed niet wat Israël deed. 5. De HEERE maakte het koningschap in zijn hand vast. Heel Juda gaf Josafat geschenken, en hij kreeg veel rijkdom en eer. 6. Hij ging met opgeheven hoofd de wegen van de HEERE. Hij haalde ook de offerhoogten en de gewijde palen uit Juda weg. 7. In het derde jaar van zijn regering stuurde hij zijn leiders eropuit om in de steden van Juda te onderwijzen. Het waren Ben-Chaïl, Obadja, Zecharja, Nethaneël en Michaja. 8. Met hen gingen de Levieten Semaja, Nethanja, Zebadja, Asaël, Semiramoth, Jonathan, Adonia, Tobia en Tob-Adonia mee. Ook gingen de priesters Elisama en Joram mee. 9. Zij onderwezen in Juda, met het wetboek van de HEERE bij zich. Zij trokken alle steden van Juda rond en onderwezen het volk. 10. De schrik van de HEERE kwam over alle koninkrijken in de landen rond Juda, zodat zij geen oorlog tegen Josafat voerden. 11. Sommige Filistijnen brachten Josafat geschenken en een opgelegde schatting in zilver. De Arabieren brachten hem kleinvee: 7.700 rammen en 7.700 bokken. 12. Zo werd Josafat steeds groter. Hij bouwde burchten en voorraadsteden in Juda. 13. Hij had veel voorraden in de steden van Juda. In Jeruzalem had hij soldaten, dappere strijders. 14. Dit is hun telling, per familie. Uit Juda kwamen de aanvoerders over duizend man. Adna was aanvoerder, met 300.000 dappere strijders. 15. Naast hem stond aanvoerder Johanan, met 280.000 man. 16. Naast hem stond Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig aan de HEERE gegeven had, met 200.000 dappere strijders. 17. Uit Benjamin kwam Eljada, een dappere held, met 200.000 man die boog en schild droegen. 18. Naast hem stond Jozabad, met 180.000 man die voor de oorlog toegerust waren. 19. Zij stonden in dienst van de koning. Daarnaast waren er nog de mannen die de koning in de versterkte steden van heel Juda gelegerd had. ## 2 Kronieken 18 — Micha profeteert tegen Achab 1. Josafat had veel rijkdom en eer. Door een huwelijk werd hij familie van Achab. 2. Een paar jaar later ging hij naar Achab in Samaria. Achab slachtte veel schapen en runderen voor hem en voor zijn gevolg. Hij haalde hem over om samen tegen Ramoth in Gilead op te trekken. 3. Achab, de koning van Israël, vroeg aan Josafat, de koning van Juda: Gaat u met mij mee naar Ramoth in Gilead? Josafat antwoordde: Ik ben als u, en mijn volk is als uw volk. Wij gaan met u mee in deze strijd. 4. Josafat zei verder tegen de koning van Israël: Vraag vandaag toch eerst naar het woord van de HEERE. 5. Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, vierhonderd man. Hij vroeg hun: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het laten? Zij zeiden: Trek op, want God zal hen aan de koning overgeven. 6. Maar Josafat zei: Is hier niet nog een profeet van de HEERE aan wie wij het kunnen vragen? 7. De koning van Israël antwoordde Josafat: Er is nog één man door wie wij de HEERE kunnen vragen. Maar ik haat hem, want hij profeteert nooit iets goeds over mij, altijd onheil. Het is Micha, de zoon van Jimla. Josafat zei: Zo moet de koning niet praten. 8. Toen riep de koning van Israël een hofbeambte en zei: Haal snel Micha, de zoon van Jimla. 9. De koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op hun troon, in vol ornaat. Zij zaten op het plein bij de ingang van de poort van Samaria, en alle profeten profeteerden voor hun ogen. 10. Zedekia, de zoon van Kenaäna, had ijzeren horens gemaakt. Hij zei: De HEERE zegt: hiermee zult u de Syriërs neerstoten tot zij vernietigd zijn. 11. Alle profeten profeteerden hetzelfde: Trek op naar Ramoth in Gilead, en het zal u lukken. De HEERE zal hen aan de koning overgeven. 12. De bode die Micha ging halen, zei tegen hem: Kijk, de profeten voorspellen als uit één mond iets goeds voor de koning. Laat uw woord zijn zoals dat van hen en spreek iets goeds. 13. Maar Micha zei: Zo waar de HEERE leeft, ik zal zeggen wat mijn God zegt. 14. Toen hij bij de koning kwam, vroeg die hem: Micha, zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het laten? Hij zei: Trek op, en het zal u lukken. Zij zullen aan u overgegeven worden. 15. De koning zei tegen hem: Hoe vaak moet ik u bezweren dat u mij in de naam van de HEERE alleen de waarheid vertelt? 16. Hij zei: Ik zag heel Israël verspreid op de bergen, als schapen zonder herder. En de HEERE zei: Zij hebben geen heer. Laat ieder in vrede naar huis gaan. 17. Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Heb ik het u niet gezegd? Hij profeteert over mij niets goeds, alleen onheil. 18. Micha zei verder: Luister dan naar het woord van de HEERE. Ik zag de HEERE op zijn troon zitten, met het hele hemelse leger rechts en links van Hem. 19. De HEERE zei: Wie zal Achab, de koning van Israël, overhalen om op te trekken en te sneuvelen bij Ramoth in Gilead? De een zei dit en de ander dat. 20. Toen kwam er een geest naar voren, die voor de HEERE ging staan en zei: Ik zal hem overhalen. De HEERE vroeg hem: Waarmee? 21. Hij zei: Ik zal eropuit gaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. De HEERE zei: Je zult hem overhalen en het ook voor elkaar krijgen. Ga eropuit en doe het. 22. Kijk dus, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van deze profeten van u gelegd. De HEERE heeft onheil over u uitgesproken. 23. Toen kwam Zedekia, de zoon van Kenaäna, naar voren. Hij sloeg Micha in het gezicht en zei: Langs welke weg is de Geest van de HEERE van mij weggegaan om met u te spreken? 24. Micha zei: Dat zult u zien op de dag dat u van kamer naar kamer vlucht om u te verstoppen. 25. De koning van Israël zei: Neem Micha mee en breng hem terug naar Amon, de bestuurder van de stad. Breng hem ook bij Joas, de zoon van de koning. 26. Zeg tegen hen: de koning zegt: zet deze man in de gevangenis. Geef hem alleen wat brood en water tot ik in vrede terugkom. 27. Micha zei: Als u echt in vrede terugkomt, heeft de HEERE niet door mij gesproken. En hij zei: Luister, alle volken! 28. Zo trokken de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead. 29. De koning van Israël zei tegen Josafat: Ik ga vermomd de strijd in, maar trekt u uw eigen kleren aan. De koning van Israël vermomde zich, en zij gingen de strijd in. 30. De koning van Syrië had zijn wagenaanvoerders bevolen: Vecht niet tegen klein of groot, maar alleen tegen de koning van Israël. 31. Toen de wagenaanvoerders Josafat zagen, dachten zij: Dat is de koning van Israël. Zij omsingelden hem om te vechten. Maar Josafat riep het uit, en de HEERE hielp hem. God lokte hen bij hem weg. 32. De wagenaanvoerders zagen dat hij de koning van Israël niet was. Daarom lieten zij hem met rust. 33. Toen spande een man zomaar zijn boog. Hij trof de koning van Israël tussen de delen van zijn pantser. De koning zei tegen zijn wagenmenner: Keer om en breng mij uit het leger, want ik ben gewond. 34. Die dag werd de strijd steeds heviger. De koning van Israël hield zich in zijn wagen overeind tegenover de Syriërs, tot de avond. Bij zonsondergang stierf hij. ## 2 Kronieken 19 — Josafat stelt rechters aan 1. Josafat, de koning van Juda, kwam veilig terug naar zijn huis in Jeruzalem. 2. Jehu, de zoon van de ziener Hanani, ging hem tegemoet. Hij zei tegen koning Josafat: Moet u de goddeloze helpen en houden van wie de HEERE haat? Daarom rust er nu grote toorn van de HEERE op u. 3. Toch is er ook goeds bij u gevonden. U hebt de gewijde palen uit het land weggedaan en uw hart erop gezet om God te zoeken. 4. Josafat bleef in Jeruzalem wonen. Hij trok opnieuw het volk in, van Berseba tot het bergland van Efraïm, en bracht hen terug bij de HEERE, de God van hun voorouders. 5. Hij stelde rechters aan in het land, in alle versterkte steden van Juda, stad voor stad. 6. Hij zei tegen de rechters: Let goed op wat u doet. U spreekt geen recht voor mensen, maar voor de HEERE. Hij is bij u als u rechtspreekt. 7. Laat daarom ontzag voor de HEERE op u rusten. Pas op en doe het goed, want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht. Hij trekt niemand voor en neemt geen geschenken aan. 8. In Jeruzalem stelde Josafat ook Levieten, priesters en familiehoofden van Israël aan. Zij moesten rechtspreken voor de HEERE en geschillen beslechten. Zij deden dat vanuit Jeruzalem. 9. Hij gaf hun deze opdracht: Doe dit met ontzag voor de HEERE, trouw en met een toegewijd hart. 10. Er komen geschillen bij u van uw broers uit hun steden: over bloedschuld, over wet en gebod, over voorschriften en regels. Waarschuw hen dan, zodat zij niet schuldig worden tegenover de HEERE. Anders komt er grote toorn over u en over uw broers. Doe het zo, dan wordt u niet schuldig. 11. Kijk, Amarja, de hogepriester, gaat over alles wat met de HEERE te maken heeft. Zebadja, de zoon van Ismaël, de leider van het huis van Juda, gaat over alles wat met de koning te maken heeft. De Levieten staan als ambtenaren voor u klaar. Wees sterk en doe het, en de HEERE zal met de goede zijn. ## 2 Kronieken 20 — De HEERE strijdt voor Josafat 1. Daarna kwamen de Moabieten en de Ammonieten tegen Josafat ten strijde, en met hen nog anderen. 2. Er kwamen boodschappers bij Josafat, die zeiden: Er komt een grote menigte op u af van de overkant van de zee, uit Syrië. Zij zijn al in Hazezon-Thamar, dat is Engedi. 3. Josafat werd bang en besloot de HEERE te zoeken. Hij riep in heel Juda een vasten uit. 4. Juda kwam bijeen om hulp bij de HEERE te zoeken. Uit alle steden van Juda kwamen zij om de HEERE te zoeken. 5. Josafat ging staan in de vergadering van Juda en Jeruzalem, in het huis van de HEERE, voor de nieuwe voorhof. 6. Hij zei: HEERE, God van onze voorouders, bent U niet de God in de hemel? U heerst over alle koninkrijken van de volken. In uw hand is kracht en sterkte, en niemand kan tegen U op. 7. Hebt U, onze God, de inwoners van dit land niet verdreven voor uw volk Israël uit? Hebt U het niet voor altijd gegeven aan de nakomelingen van Abraham, die U liefhad? 8. Zij zijn daarin gaan wonen en hebben er een heiligdom voor uw naam gebouwd. Zij zeiden: 9. Als ons kwaad overkomt, het zwaard van het oordeel, of pest of honger, dan zullen wij voor dit huis en voor U gaan staan. Want uw naam is in dit huis. Wij zullen in onze nood tot U roepen, en U zult horen en redden. 10. En kijk nu naar de Ammonieten, de Moabieten en de mensen van het gebergte Seïr. U liet Israël niet door hun gebied trekken toen zij uit Egypte kwamen. Israël week voor hen uit en vernietigde hen niet. 11. Kijk hoe zij het ons nu vergelden: zij komen ons verdrijven uit uw eigendom, dat U ons gegeven hebt. 12. Onze God, zult U hen niet oordelen? Wij hebben geen kracht tegen deze grote menigte die op ons afkomt. Wij weten niet wat wij moeten doen, maar onze ogen zijn op U gericht. 13. Heel Juda stond voor de HEERE, ook hun kleine kinderen, hun vrouwen en hun zonen. 14. Toen kwam de Geest van de HEERE midden in de vergadering over Jahaziël. Hij was de zoon van Zecharja, de zoon van Benaja, de zoon van Jehiël, de zoon van Matthanja, een Leviet uit de zonen van Asaf. 15. Hij zei: Let op, heel Juda, inwoners van Jeruzalem en koning Josafat! De HEERE zegt tegen u: wees niet bang en schrik niet voor deze grote menigte. De strijd is niet van u, maar van God. 16. Trek morgen tegen hen op. Zij komen omhoog bij de pas van Ziz, en u zult hen vinden aan het einde van het dal, voor de woestijn van Jeruël. 17. In deze strijd hoeft u niet te vechten. Stel u op, blijf staan en zie hoe de HEERE u redt, Juda en Jeruzalem. Wees niet bang en schrik niet. Ga hun morgen tegemoet, want de HEERE zal met u zijn. 18. Toen boog Josafat zich met zijn gezicht naar de grond. Heel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neer voor de HEERE en aanbaden Hem. 19. De Levieten uit de Kahathieten en de Korachieten stonden op om de HEERE, de God van Israël, met luide stem te prijzen. 20. 's Morgens vroeg gingen zij op weg naar de woestijn van Thekoa. Terwijl zij uittrokken, ging Josafat staan en zei: Luister naar mij, Juda en inwoners van Jeruzalem! Vertrouw op de HEERE, uw God, dan staat u vast. Vertrouw op zijn profeten, dan zal het u lukken. 21. Hij overlegde met het volk en stelde zangers aan voor de HEERE. Zij moesten in heilige feestkleding voor de gewapende mannen uit gaan en zingen: Loof de HEERE, want zijn trouw duurt voor altijd! 22. Op het moment dat zij begonnen te juichen en te zingen, liet de HEERE de vijanden in een hinderlaag lopen. Dat waren de Ammonieten, de Moabieten en de mensen van het gebergte Seïr, die tegen Juda opgetrokken waren. Zij werden verslagen. 23. De Ammonieten en Moabieten keerden zich tegen de inwoners van het gebergte Seïr om hen te vernietigen. Toen zij met de mensen van Seïr klaar waren, hielpen zij elkaar naar de ondergang. 24. Juda kwam bij de wachttoren in de woestijn en keek naar de menigte. En kijk, daar lagen dode lichamen op de grond. Niemand was ontkomen. 25. Josafat en zijn leger kwamen om buit te halen. Zij vonden er veel: bezittingen, kleren en kostbare voorwerpen. Zij namen zoveel mee dat zij het niet konden dragen. Drie dagen lang haalden zij buit weg, want er was veel. 26. Op de vierde dag kwamen zij bijeen in het dal Beracha. Daar prezen zij de HEERE. Daarom heet die plaats tot vandaag toe het dal Beracha. 27. Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem terug, met Josafat voorop. Zij gingen met blijdschap naar Jeruzalem, want de HEERE had hun vreugde over hun vijanden gegeven. 28. Zij kwamen in Jeruzalem bij het huis van de HEERE, met luiten, harpen en trompetten. 29. De schrik van God kwam over alle koninkrijken in die landen, toen zij hoorden dat de HEERE tegen de vijanden van Israël gestreden had. 30. Zo had het koninkrijk van Josafat rust. Zijn God gaf hem rust aan alle kanten. 31. Zo regeerde Josafat over Juda. Hij was vijfendertig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde vijfentwintig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Azuba en was een dochter van Silhi. 32. Hij ging de weg van zijn vader Asa en week daar niet van af. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE. 33. Toch werden de offerhoogten niet weggehaald, want het volk had zijn hart nog niet op de God van hun voorouders gericht. 34. De verdere geschiedenis van Josafat staat van begin tot eind beschreven bij Jehu, de zoon van Hanani. Dat is opgenomen in het boek van de koningen van Israël. 35. Daarna sloot Josafat, de koning van Juda, zich aan bij Ahazia, de koning van Israël, die goddeloos handelde. 36. Hij deed met hem mee om schepen te bouwen die naar Tarsis zouden varen. Zij bouwden de schepen in Ezeon-Geber. 37. Maar Eliëzer, de zoon van Dodava uit Maresa, profeteerde tegen Josafat: Omdat u zich bij Ahazia hebt aangesloten, heeft de HEERE uw werk verscheurd. De schepen leden schipbreuk en konden niet naar Tarsis varen. ## 2 Kronieken 21 — Joram en de brief van Elia 1. Josafat stierf en werd bij zijn voorouders begraven in de Stad van David. Zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. 2. Joram had broers, de zonen van Josafat: Azarja, Jehiël, Zecharja, Azarjahu, Michaël en Sefatja. Zij waren allemaal zonen van Josafat, de koning van Israël. 3. Hun vader had hun veel gegeven: zilver, goud en kostbaarheden, en versterkte steden in Juda. Maar het koningschap gaf hij aan Joram, omdat die de oudste was. 4. Toen Joram het koningschap van zijn vader overnam en sterk stond, doodde hij al zijn broers met het zwaard. Ook doodde hij een aantal leiders van Israël. 5. Joram was tweeëndertig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar in Jeruzalem. 6. Hij ging de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed, want hij was met een dochter van Achab getrouwd. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. 7. Toch wilde de HEERE het huis van David niet vernietigen, vanwege het verbond dat Hij met David gesloten had. Hij had beloofd hem en zijn zonen altijd een lamp te geven. 8. In zijn tijd kwamen de Edomieten in opstand tegen Juda en stelden een eigen koning aan. 9. Daarom trok Joram met zijn aanvoerders en al zijn wagens op. Hij stond 's nachts op en versloeg de Edomieten die hem omsingeld hadden, met hun wagenaanvoerders. 10. Toch bleven de Edomieten in opstand tegen Juda, tot vandaag toe. In die tijd kwam ook Libna in opstand tegen hem, want hij had de HEERE, de God van zijn voorouders, verlaten. 11. Ook maakte hij offerhoogten in het bergland van Juda. Hij verleidde de inwoners van Jeruzalem tot ontrouw en bracht Juda daartoe. 12. Toen kwam er een brief van de profeet Elia bij hem: De HEERE, de God van uw vader David, zegt het volgende. U hebt niet geleefd zoals uw vader Josafat en zoals Asa, de koning van Juda. 13. U hebt de weg van de koningen van Israël gevolgd. U hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem tot ontrouw gebracht, zoals het huis van Achab deed. Ook hebt u uw broers gedood, uit het huis van uw vader, terwijl zij beter waren dan u. 14. Kijk, de HEERE zal uw volk zwaar treffen, en ook uw kinderen, uw vrouwen en al uw bezit. 15. Zelf zult u heel ziek worden, met een ziekte aan uw ingewanden. Jaar na jaar zal die erger worden, tot uw ingewanden naar buiten komen. 16. De HEERE zette de Filistijnen en de Arabieren die naast de Nubiërs wonen tegen Joram op. 17. Zij trokken op naar Juda, drongen het binnen en voerden alles weg wat zij in het paleis vonden. Ook namen zij zijn kinderen en zijn vrouwen mee. Alleen Joahaz bleef hem over, zijn jongste zoon. 18. Na dit alles trof de HEERE hem met een ongeneeslijke ziekte in zijn ingewanden. 19. Dat ging jaar na jaar door. Toen er twee jaar om waren, kwamen zijn ingewanden door de ziekte naar buiten, en hij stierf onder zware pijnen. Zijn volk ontstak voor hem geen vuur, zoals bij zijn voorouders. 20. Hij was tweeëndertig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar in Jeruzalem. Hij ging heen zonder dat iemand hem miste. Zij begroeven hem in de Stad van David, maar niet in de graven van de koningen. ## 2 Kronieken 22 — Ahazia en Athalia 1. De inwoners van Jeruzalem maakten zijn jongste zoon Ahazia koning in zijn plaats. Een bende die met de Arabieren het kamp binnengekomen was, had namelijk alle oudere zonen gedood. Zo werd Ahazia, de zoon van Joram, koning van Juda. 2. Ahazia was tweeënveertig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde één jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Athalia en was een dochter van Omri. 3. Ook hij ging de wegen van het huis van Achab, want zijn moeder gaf hem raad om goddeloos te handelen. 4. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, net als het huis van Achab. Na de dood van zijn vader gaven zij hem raad, tot zijn ondergang. 5. Hij volgde hun raad op. Met Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, trok hij ten strijde tegen Hazaël, de koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead. De Syriërs verwondden Joram. 6. Joram ging terug naar Jizreël om te herstellen van de wonden die hij bij Rama had opgelopen in de strijd tegen Hazaël. Ahazia, de zoon van Joram, de koning van Juda, ging naar Jizreël om Joram, de zoon van Achab, te bezoeken, want hij was ziek. 7. Dat Ahazia bij Joram kwam, werd zijn ondergang, en dat kwam van God. Want toen hij er was, trok hij met Joram op tegen Jehu, de zoon van Nimsi. De HEERE had Jehu gezalfd om het huis van Achab uit te roeien. 8. Terwijl Jehu het oordeel over het huis van Achab voltrok, vond hij de leiders van Juda en de neven van Ahazia die hem dienden. Hij doodde hen. 9. Daarna zocht hij Ahazia. Zij pakten hem op, want hij had zich in Samaria verstopt, en brachten hem bij Jehu. Zij doodden hem en begroeven hem, want zij zeiden: Hij is een zoon van Josafat, die de HEERE met heel zijn hart gezocht heeft. Zo bleef er in het huis van Ahazia niemand over die het koningschap kon overnemen. 10. Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag dat haar zoon dood was, bracht zij alle koningskinderen van het huis van Juda om. 11. Maar Jozabath, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Ahazia, weg tussen de koningszonen die gedood werden. Zij zette hem met zijn voedster in een slaapkamer. Zo verborg Jozabath hem voor Athalia, zodat die hem niet kon doden. Jozabath was de dochter van koning Joram, de vrouw van de priester Jojada en de zus van Ahazia. 12. Hij bleef zes jaar bij hen verborgen in het huis van God, terwijl Athalia over het land regeerde. ## 2 Kronieken 23 — Jojada maakt Joas koning 1. In het zevende jaar vatte Jojada moed. Hij sloot een verbond met de aanvoerders over honderd man. Dat waren Azarja, de zoon van Jeroham, Ismaël, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed. Ook Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, deden mee. 2. Zij trokken Juda door en riepen de Levieten uit alle steden van Juda bijeen, met de familiehoofden van Israël. Zij kwamen naar Jeruzalem. 3. De hele vergadering sloot in het huis van God een verbond met de koning. Jojada zei tegen hen: Kijk, de zoon van de koning zal koning zijn, zoals de HEERE over de zonen van David gesproken heeft. 4. Dit moet u doen. Een derde van u die op de sabbat dienst krijgt, priesters en Levieten, wordt wachter bij de drempels. 5. Een derde komt bij het paleis en een derde bij de Fundamentpoort. Al het volk staat in de voorhoven van het huis van de HEERE. 6. Niemand mag het huis van de HEERE binnengaan, behalve de priesters en de dienstdoende Levieten. Zij mogen naar binnen, want zij zijn geheiligd. Al het volk moet de wacht van de HEERE houden. 7. De Levieten gaan rondom de koning staan, ieder met zijn wapens in de hand. Wie het huis binnenkomt, wordt gedood. Blijf bij de koning als hij naar binnen gaat en als hij naar buiten komt. 8. De Levieten en heel Juda deden alles wat de priester Jojada bevolen had. Ieder nam zijn mannen mee, zowel die op de sabbat dienst kregen als die aflosten, want de priester Jojada liet de groepen niet weggaan. 9. De priester Jojada gaf de aanvoerders over honderd man de speren en de grote en kleine schilden van koning David. Die lagen in het huis van God. 10. Hij stelde het hele volk op, ieder met zijn wapen in de hand. Zij stonden van de rechterkant van het huis tot de linkerkant, bij het altaar en bij het huis, rondom de koning. 11. Toen brachten zij de zoon van de koning naar buiten. Zij zetten hem de kroon op, gaven hem de getuigenis en maakten hem koning. Jojada en zijn zonen zalfden hem en riepen: Leve de koning! 12. Athalia hoorde het volk toelopen en de koning toejuichen. Zij kwam naar het volk in het huis van de HEERE. 13. Zij keek, en daar stond de koning bij zijn zuil, aan de ingang. De aanvoerders en de trompetblazers stonden bij de koning, en het hele volk van het land was blij en blies op de trompetten. De zangers met hun instrumenten gaven het teken voor de lofzang. Toen scheurde Athalia haar kleren en riep: Verraad, verraad! 14. Maar de priester Jojada liet de aanvoerders over honderd man, die over het leger gingen, naar voren komen. Hij zei tegen hen: Breng haar tussen de rijen door naar buiten. Wie haar volgt, wordt met het zwaard gedood. De priester had namelijk gezegd dat zij haar niet in het huis van de HEERE mochten doden. 15. Zij grepen haar. Toen zij bij de ingang van de Paardenpoort naar het paleis kwam, doodden zij haar daar. 16. Jojada sloot een verbond tussen de HEERE, het hele volk en de koning, dat zij een volk voor de HEERE zouden zijn. 17. Daarna ging het hele volk naar de tempel van Baäl en brak die af. Zij sloegen zijn altaren en beelden kapot en doodden Matthan, de priester van Baäl, voor de altaren. 18. Jojada regelde de diensten in het huis van de HEERE weer. Hij legde die in handen van de Levitische priesters, die David in het huis van de HEERE had ingedeeld. Zij moesten de brandoffers van de HEERE brengen, zoals in de wet van Mozes staat, met blijdschap en gezang zoals David het ingesteld had. 19. Hij zette de poortwachters bij de poorten van het huis van de HEERE. Zo kon niemand naar binnen die op de een of andere manier onrein was. 20. Hij nam de aanvoerders over honderd man mee, met de machtigen, de leiders van het volk en het hele volk van het land. Zij brachten de koning uit het huis van de HEERE naar beneden en gingen door de hoge poort het paleis binnen. Daar zetten zij de koning op de koningstroon. 21. Het hele volk van het land was blij, en de stad kwam tot rust. Athalia was immers met het zwaard gedood. ## 2 Kronieken 24 — Joas knapt de tempel op 1. Joas was zeven jaar toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Zibja en kwam uit Berseba. 2. Joas deed wat juist was in de ogen van de HEERE, zolang de priester Jojada leefde. 3. Jojada koos twee vrouwen voor hem, en hij kreeg zonen en dochters. 4. Daarna nam Joas zich voor het huis van de HEERE op te knappen. 5. Hij riep de priesters en de Levieten bijeen en zei tegen hen: Ga naar de steden van Juda en haal bij heel Israël geld op. Daarmee kunt u elk jaar het huis van uw God herstellen. Doe dat snel. Maar de Levieten haastten zich niet. 6. Toen riep de koning Jojada, het hoofd, en vroeg hem: Waarom hebt u de Levieten er niet op aangesproken? Zij moeten uit Juda en Jeruzalem de bijdrage inzamelen voor de tent van de getuigenis. Die heeft Mozes, de dienaar van de HEERE, aan de vergadering van Israël opgelegd. 7. Onder de goddeloze Athalia hadden haar zonen het huis van God opengebroken. Zij hadden zelfs alle gewijde voorwerpen van het huis van de HEERE aan de Baäls besteed. 8. De koning gaf opdracht een kist te maken, en die zetten zij buiten bij de poort van het huis van de HEERE. 9. In Juda en Jeruzalem werd omgeroepen dat men de bijdrage voor de HEERE moest brengen. Mozes, de dienaar van God, had die in de woestijn aan Israël opgelegd. 10. Alle leiders en het hele volk waren blij. Zij brachten hun bijdrage en wierpen die in de kist, tot die vol was. 11. Telkens als de Levieten de kist bij de koning brachten, zagen zij dat er veel geld in zat. Dan kwamen de schrijver van de koning en de gevolmachtigde van de hogepriester. Zij maakten de kist leeg, tilden hem op en zetten hem terug op zijn plaats. Zo deden zij dag na dag, en zij zamelden veel geld in. 12. De koning en Jojada gaven het aan de mensen die het werk aan het huis van de HEERE leidden. Zij huurden steenhouwers en timmerlieden in om het huis van de HEERE op te knappen. Ook huurden zij smeden in ijzer en koper in. 13. De werkers deden hun werk, en het herstel vorderde onder hun handen. Zij brachten het huis van God weer in zijn oude staat en maakten het stevig. 14. Toen zij klaar waren, brachten zij het overgebleven geld bij de koning en Jojada. Daarvan liet hij voorwerpen maken voor het huis van de HEERE: gerei voor de dienst en voor de offers, schalen, en gouden en zilveren voorwerpen. Zolang Jojada leefde, werden er steeds brandoffers gebracht in het huis van de HEERE. 15. Jojada werd oud en verzadigd van het leven, en hij stierf. Hij was honderddertig jaar toen hij stierf. 16. Zij begroeven hem in de Stad van David, bij de koningen. Hij had namelijk goed gedaan in Israël, voor God en voor zijn huis. 17. Na de dood van Jojada kwamen de leiders van Juda zich voor de koning buigen, en de koning luisterde naar hen. 18. Zij verlieten het huis van de HEERE, de God van hun voorouders, en dienden de gewijde palen en de afgoden. Door die schuld kwam er grote toorn over Juda en Jeruzalem. 19. Toch stuurde Hij profeten naar hen toe om hen bij de HEERE terug te brengen. Die waarschuwden hen, maar zij wilden niet luisteren. 20. Toen kwam de Geest van God over Zacharia, de zoon van de priester Jojada. Hij ging voor het volk staan en zei: God zegt: waarom overtreedt u de geboden van de HEERE? Daarom zal het u niet lukken. Omdat u de HEERE verlaten hebt, zal Hij u verlaten. 21. Zij spanden tegen hem samen en stenigden hem op bevel van de koning, in de voorhof van het huis van de HEERE. 22. Koning Joas dacht niet meer aan de trouw die Jojada hem bewezen had, en doodde zijn zoon. Toen die stierf, zei hij: De HEERE zal het zien en vergelden! 23. Bij de jaarwisseling trok het leger van Syrië tegen hem op. Zij kwamen in Juda en Jeruzalem en doodden alle leiders van het volk. Alle buit stuurden zij naar de koning van Damascus. 24. Het leger van Syrië was maar klein, maar de HEERE gaf hun toch een heel groot leger in handen. Dat kwam doordat Juda de HEERE, de God van hun voorouders, verlaten had. Zo voltrokken zij het oordeel over Joas. 25. Toen zij van hem wegtrokken, lieten zij hem zwaargewond achter. Zijn dienaren spanden tegen hem samen vanwege het bloed van de zonen van de priester Jojada. Zij sloegen hem dood op zijn bed. Zij begroeven hem in de Stad van David, maar niet in de graven van de koningen. 26. Dit zijn de mannen die tegen hem samenspanden: Zabad, de zoon van Simeath uit Ammon, en Jozabad, de zoon van Simrith uit Moab. 27. Over zijn zonen, de zware last die hem opgelegd werd en de herbouw van het huis van God staat meer geschreven. Dat staat in het verhaal van het boek van de koningen. Zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats. ## 2 Kronieken 25 — Amazia en de goden van Seïr 1. Amazia was vijfentwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde negenentwintig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Joaddan en kwam uit Jeruzalem. 2. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, maar niet met een toegewijd hart. 3. Toen zijn koningschap vaststond, doodde hij de dienaren die zijn vader, de koning, vermoord hadden. 4. Maar hun kinderen doodde hij niet. Hij hield zich aan wat in de wet, in het boek van Mozes, staat. Daar heeft de HEERE geboden: Vaders mogen niet sterven om wat hun kinderen deden, en kinderen niet om wat hun vaders deden. Ieder sterft om zijn eigen zonde. 5. Amazia riep Juda bijeen. Hij stelde per familie aanvoerders over duizend en over honderd man aan, in heel Juda en Benjamin. Hij monsterde iedereen van twintig jaar en ouder: 300.000 uitgelezen mannen, klaar voor de strijd met speer en groot schild. 6. Ook huurde hij uit Israël 100.000 dappere strijders, voor ongeveer 3,4 ton zilver. 7. Maar er kwam een man van God bij hem, die zei: Koning, laat het leger van Israël niet met u meegaan. De HEERE is niet met Israël, niet met al die nakomelingen van Efraïm. 8. Ga gerust zelf en wees sterk in de strijd. Maar God zal u laten vallen voor de vijand, want God heeft de kracht om te helpen en om te laten vallen. 9. Amazia vroeg de man van God: Maar wat moet er dan met het zilver dat ik aan de troepen van Israël gegeven heb? De man van God zei: De HEERE kan u veel meer geven dan dat. 10. Toen stuurde Amazia de troepen uit Efraïm terug naar hun eigen plaats. Zij werden woedend op Juda en gingen in grote woede naar huis. 11. Amazia vatte moed en leidde zijn volk naar het Zoutdal. Daar versloeg hij tienduizend man van Seïr. 12. De mannen van Juda namen ook tienduizend man levend gevangen. Zij brachten hen boven op een rots en stortten hen van de top naar beneden, zodat zij allemaal te pletter vielen. 13. Maar de troepen die Amazia had teruggestuurd, vielen de steden van Juda binnen, van Samaria tot Beth-Horon. Zij doodden er drieduizend mensen en haalden veel buit weg. 14. Toen Amazia terugkwam van zijn overwinning op de Edomieten, nam hij de goden van de mensen van Seïr mee. Die stelde hij als zijn goden op. Hij boog zich voor hen neer en offerde hun. 15. Daarom werd de HEERE woedend op Amazia. Hij stuurde een profeet naar hem toe, die zei: Waarom zoekt u de goden van dat volk? Zij hebben hun eigen volk niet uit uw hand kunnen redden. 16. Terwijl hij sprak, zei de koning tegen hem: Hebben wij u soms tot raadgever van de koning gemaakt? Hou op! Waarom zouden zij u doodslaan? De profeet hield op, maar zei nog: Ik merk dat God besloten heeft u te vernietigen. U hebt dit gedaan en niet naar mijn raad geluisterd. 17. Amazia, de koning van Juda, liet zich adviseren en stuurde een bericht naar Joas, de koning van Israël. Joas was de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu. Hij liet zeggen: Kom, laten wij elkaar in de ogen kijken. 18. Maar Joas, de koning van Israël, stuurde Amazia, de koning van Juda, dit antwoord: Op de Libanon stond een distel. Die zei tegen de ceder op de Libanon: Geef uw dochter aan mijn zoon tot vrouw. Maar een wild dier van de Libanon kwam voorbij en vertrapte de distel. 19. U zegt: Kijk, ik heb de Edomieten verslagen. Daardoor bent u trots geworden en gaat u opscheppen. Blijf nu maar thuis. Waarom zou u het onheil over uzelf afroepen, en over Juda met u? 20. Maar Amazia luisterde niet. Dat kwam van God, want Hij wilde hen overgeven omdat zij de goden van Edom gezocht hadden. 21. Joas, de koning van Israël, trok op. Hij en Amazia, de koning van Juda, keken elkaar in de ogen bij Beth-Semes in Juda. 22. Juda werd door Israël verslagen, en iedereen vluchtte naar huis. 23. Joas, de koning van Israël, nam Amazia, de koning van Juda, gevangen bij Beth-Semes. Amazia was de zoon van Joas, de zoon van Joahaz. Joas bracht hem naar Jeruzalem en brak de muur van Jeruzalem af over 180 meter, van de Efraïmpoort tot de Hoekpoort. 24. Hij nam al het goud en zilver mee en alle voorwerpen die in het huis van God bij Obed-Edom lagen. Ook nam hij de schatten van het paleis en gijzelaars mee, en hij ging terug naar Samaria. 25. Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde nog vijftien jaar na de dood van Joas. Die Joas was de zoon van Joahaz en koning van Israël. 26. De verdere geschiedenis van Amazia, van begin tot eind, staat beschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël. 27. Vanaf het moment dat Amazia zich van de HEERE afkeerde, spanden zij in Jeruzalem tegen hem samen. Hij vluchtte naar Lachis, maar zij stuurden mannen achter hem aan en doodden hem daar. 28. Zij brachten hem op paarden terug en begroeven hem bij zijn voorouders in de stad van Juda. ## 2 Kronieken 26 — Uzzia wordt sterk en hoogmoedig 1. Het hele volk van Juda nam Uzzia, die zestien jaar was, en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia. 2. Hij bouwde Eloth weer op en bracht het terug bij Juda, nadat de koning bij zijn voorouders te ruste was gegaan. 3. Uzzia was zestien jaar toen hij koning werd, en hij regeerde tweeënvijftig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jecholia en kwam uit Jeruzalem. 4. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, net als zijn vader Amazia. 5. Hij zocht God in de tijd van Zacharia, die verstand had van de visioenen van God. Zolang hij de HEERE zocht, liet God het hem goed gaan. 6. Hij trok uit en streed tegen de Filistijnen. Hij brak de muren van Gath, Jabne en Asdod af, en hij bouwde steden bij Asdod en in het gebied van de Filistijnen. 7. God hielp hem tegen de Filistijnen, tegen de Arabieren die in Gur-Baäl woonden en tegen de Meünieten. 8. De Ammonieten brachten Uzzia geschenken. Zijn naam drong door tot aan de grens van Egypte, want hij werd heel sterk. 9. Uzzia bouwde torens in Jeruzalem, bij de Hoekpoort, bij de Dalpoort en bij de hoek van de muur, en hij versterkte die. 10. Ook bouwde hij torens in de woestijn en hakte veel putten uit, want hij had veel vee in de laagvlakte en op de hoogvlakte. Hij had boeren en wijnbouwers in het bergland en op het vruchtbare land, want hij hield van landbouw. 11. Uzzia had ook een leger van geoefende soldaten, dat in afdelingen ten strijde trok. Jeïel, de schrijver, en Mahaseja, de ambtenaar, hadden hen geteld, onder leiding van Hananja, een van de leiders van de koning. 12. In totaal waren er 2.600 familiehoofden van dappere strijders. 13. Onder hun leiding stond een leger van 307.500 man. Zij oefenden met grote kracht voor de oorlog om de koning tegen de vijand te helpen. 14. Uzzia zorgde voor het hele leger voor schilden, speren, helmen, pantsers, bogen en slingerstenen. 15. In Jeruzalem liet hij ook oorlogstuig maken, bedacht door vakmensen. Dat kwam op de torens en op de hoeken te staan om pijlen en grote stenen te schieten. Zo werd zijn naam wijd en zijd bekend, want hij werd wonderlijk geholpen tot hij sterk was. 16. Maar toen hij sterk geworden was, werd hij hoogmoedig, en dat werd zijn ondergang. Hij werd ontrouw aan de HEERE, zijn God, en ging de tempel van de HEERE binnen om op het reukaltaar te offeren. 17. De priester Azaria ging achter hem aan, met tachtig dappere priesters van de HEERE. 18. Zij hielden koning Uzzia tegen en zeiden: Het is niet aan u, Uzzia, om voor de HEERE reukwerk te branden. Dat is aan de priesters, de zonen van Aäron, die daarvoor geheiligd zijn. Ga het heiligdom uit, want u bent ontrouw. Dit brengt u geen eer bij de HEERE God. 19. Toen werd Uzzia boos. Hij had het wierookvat al in zijn hand om te offeren. Terwijl hij tegen de priesters uitviel, brak er melaatsheid uit op zijn voorhoofd. De priesters stonden erbij, bij het reukaltaar in het huis van de HEERE. 20. De hogepriester Azaria en alle priesters keken hem aan, en daar was hij melaats aan zijn voorhoofd. Zij stuurden hem snel weg, en hij haastte zich ook zelf naar buiten, omdat de HEERE hem getroffen had. 21. Koning Uzzia bleef melaats tot de dag van zijn dood. Als melaatse woonde hij in een apart huis, want hij was afgesneden van het huis van de HEERE. Zijn zoon Jotham had de leiding over het paleis en sprak recht over het volk van het land. 22. De verdere geschiedenis van Uzzia, van begin tot eind, is beschreven door de profeet Jesaja, de zoon van Amos. 23. Uzzia stierf, en zij begroeven hem bij zijn voorouders, op het veld bij de graven van de koningen. Zij zeiden namelijk: Hij is melaats. Zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats. ## 2 Kronieken 27 — Jotham richt zijn wegen op de HEERE 1. Jotham was vijfentwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jerusa en was een dochter van Zadok. 2. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, net als zijn vader Uzzia. Alleen ging hij de tempel van de HEERE niet binnen. Het volk bleef wel verkeerde dingen doen. 3. Hij bouwde de bovenpoort van het huis van de HEERE en werkte veel aan de muur van de Ofel. 4. Ook bouwde hij steden in het bergland van Juda, en in de bossen bouwde hij burchten en torens. 5. Hij streed tegen de koning van de Ammonieten en won van hen. Dat jaar gaven de Ammonieten hem ongeveer 3,4 ton zilver, 2.200 ton tarwe en evenveel gerst. Datzelfde brachten zij hem ook in het tweede en derde jaar. 6. Zo werd Jotham sterk, want hij richtte zijn wegen op de HEERE, zijn God. 7. De verdere geschiedenis van Jotham, met al zijn oorlogen en zijn daden, staat beschreven in het boek van de koningen van Israël en Juda. 8. Hij was vijfentwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. 9. Jotham stierf, en zij begroeven hem in de Stad van David. Zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. ## 2 Kronieken 28 — Achaz laat de HEERE los 1. Achaz was twintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. Hij deed niet wat juist was in de ogen van de HEERE, zoals zijn voorvader David. 2. Hij ging de wegen van de koningen van Israël en liet zelfs gegoten beelden voor de Baäls maken. 3. Hij offerde in het dal Ben-Hinnom en verbrandde zijn zonen in het vuur. Dat waren de gruwelijke gewoonten van de volken die de HEERE voor de Israëlieten verdreven had. 4. Ook offerde hij op de offerhoogten, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom. 5. Daarom gaf de HEERE, zijn God, hem over aan de koning van Syrië. Die versloeg hem en voerde een grote groep gevangenen weg naar Damascus. Hij werd ook overgegeven aan de koning van Israël, die hem een zware slag toebracht. 6. Pekah, de zoon van Remalia, doodde op één dag 120.000 mannen in Juda, allemaal geoefende soldaten. Dat gebeurde omdat zij de HEERE, de God van hun voorouders, verlaten hadden. 7. Zichri, een sterke man uit Efraïm, doodde Maäseja, de zoon van de koning, en Azrikam, het hoofd van het paleis. Ook doodde hij Elkana, de tweede man na de koning. 8. De Israëlieten voerden 200.000 vrouwen, zonen en dochters van hun broers als gevangenen weg. Zij plunderden ook veel buit bij hen en brachten die naar Samaria. 9. Daar was een profeet van de HEERE die Oded heette. Hij ging het leger tegemoet dat naar Samaria kwam en zei tegen hen: De HEERE, de God van uw voorouders, was woedend op Juda. Daarom heeft Hij hen aan u overgegeven. Maar u hebt hen in een woede gedood die tot aan de hemel reikt. 10. En nu wilt u de mensen van Juda en Jeruzalem tot slaven en slavinnen maken. Maar hebt u zelf dan geen schuld tegenover de HEERE, uw God? 11. Luister nu naar mij. Breng de gevangenen terug die u bij uw broers weggehaald hebt, want de toorn van de HEERE brandt tegen u. 12. Toen stonden er mannen op uit de hoofden van Efraïm: Azaria, de zoon van Johanan, en Berechja, de zoon van Mesillemoth. Ook Jehizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, stonden op. Zij gingen tegen de mannen in die uit het leger kwamen. 13. Zij zeiden tegen hen: U mag deze gevangenen hier niet binnenbrengen. Dat brengt ons schuld tegenover de HEERE. Wilt u nog meer doen bij onze zonden en onze schuld? Onze schuld is al groot, en de toorn brandt tegen Israël. 14. Toen lieten de soldaten de gevangenen en de buit los, waar de leiders en de hele vergadering bij stonden. 15. De mannen die met name genoemd waren, stonden op en ontfermden zich over de gevangenen. Zij kleedden iedereen die naakt was met kleren uit de buit. Zij gaven hun schoenen, eten en drinken en verzorgden hen met olie. Wie zwak was, zetten zij op ezels. Zo brachten zij hen naar hun broers in Jericho, de Palmstad. Daarna gingen zij terug naar Samaria. 16. In die tijd stuurde koning Achaz boden naar de koningen van Assyrië om hulp te vragen. 17. Daarbij waren ook de Edomieten gekomen. Zij hadden Juda verslagen en gevangenen weggevoerd. 18. De Filistijnen waren de steden in de laagvlakte en in het zuiden van Juda binnengevallen. Zij hadden Beth-Semes, Ajalon, Gederoth, Socho, Timna en Gimzo ingenomen, met de plaatsen eromheen, en gingen daar wonen. 19. De HEERE vernederde Juda namelijk vanwege Achaz, de koning van Israël. Hij had Juda losgemaakt van God en het heel ontrouw gemaakt aan de HEERE. 20. Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, kwam naar hem toe. Maar hij bracht hem in het nauw in plaats van hem te helpen. 21. Achaz nam een deel uit het huis van de HEERE, uit het paleis en van de leiders, en gaf dat aan de koning van Assyrië. Toch hielp die hem niet. 22. Juist toen men hem in het nauw bracht, werd koning Achaz nog ontrouwer aan de HEERE. 23. Hij offerde aan de goden van Damascus, die hem verslagen hadden. Hij zei: De goden van de koningen van Syrië helpen hun. Als ik hun offer, zullen zij mij ook helpen. Maar zij werden zijn ondergang, en die van heel Israël. 24. Achaz haalde de voorwerpen van het huis van God bij elkaar en sloeg ze aan stukken. Hij sloot de deuren van het huis van de HEERE en maakte voor zichzelf altaren op elke hoek in Jeruzalem. 25. In elke stad van Juda maakte hij offerhoogten om aan andere goden te offeren. Zo maakte hij de HEERE, de God van zijn voorouders, woedend. 26. De verdere geschiedenis en al zijn daden, van begin tot eind, staan beschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël. 27. Achaz stierf, en zij begroeven hem in de stad Jeruzalem. Zij legden hem niet in de graven van de koningen van Israël. Zijn zoon Jehizkia werd koning in zijn plaats. ## 2 Kronieken 29 — Jehizkia reinigt de tempel 1. Jehizkia werd koning toen hij vijfentwintig jaar was, en hij regeerde negenentwintig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Abia en was een dochter van Zacharia. 2. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, net als zijn voorvader David. 3. In het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, opende hij de deuren van het huis van de HEERE en herstelde ze. 4. Hij liet de priesters en de Levieten komen en riep hen bijeen op het plein aan de oostkant. 5. Hij zei tegen hen: Luister naar mij, Levieten. Heilig nu uzelf en heilig het huis van de HEERE, de God van uw voorouders. Breng het onreine uit het heiligdom naar buiten. 6. Onze voorouders zijn ontrouw geweest en hebben gedaan wat slecht was in de ogen van de HEERE, onze God. Zij hebben Hem verlaten, zich van de woning van de HEERE afgekeerd en Hem de rug toegekeerd. 7. Ook hebben zij de deuren van de voorhal gesloten, de lampen gedoofd en geen reukwerk gebrand. Zij hebben geen brandoffer in het heiligdom aan de God van Israël gebracht. 8. Daarom kwam de grote toorn van de HEERE over Juda en Jeruzalem. Hij heeft hen overgegeven aan schrik, verwoesting en spot, zoals u met eigen ogen ziet. 9. Kijk, onze voorouders zijn door het zwaard gevallen. Onze zonen, onze dochters en onze vrouwen zijn daarom in gevangenschap geraakt. 10. Nu heb ik mij voorgenomen een verbond te sluiten met de HEERE, de God van Israël, zodat zijn brandende toorn zich van ons afkeert. 11. Mijn zonen, wees nu niet traag. De HEERE heeft u uitgekozen om voor Hem te staan en Hem te dienen, als zijn dienaren die reukwerk branden. 12. Toen stonden de Levieten op: Mahath, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja, van de Kahathieten. Van de Merarieten waren dat Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleël. Van de Gersonieten waren dat Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah. 13. Van de zonen van Elizafan kwamen Simri en Jeïel, en van de zonen van Asaf Zecharja en Mattanja. 14. Van de zonen van Heman kwamen Jehiël en Simeï, en van de zonen van Jeduthun Semaja en Uzziël. 15. Zij riepen hun broers bijeen, heiligden zich en kwamen om het huis van de HEERE te reinigen. Dat had de koning bevolen op gezag van de woorden van de HEERE. 16. De priesters gingen het huis van de HEERE binnen om het te reinigen. Alles wat onrein was en zij in de tempel vonden, brachten zij naar de voorhof. De Levieten pakten het op en brachten het naar buiten, naar de beek Kidron. 17. Zij begonnen met heiligen op de eerste dag van de eerste maand. Op de achtste dag van die maand kwamen zij bij de voorhal van de HEERE. In acht dagen heiligden zij het huis van de HEERE, en op de zestiende dag waren zij klaar. 18. Daarna kwamen zij bij koning Hizkia en zeiden: Wij hebben het hele huis van de HEERE gereinigd. Dat geldt ook voor het brandofferaltaar met al zijn gerei en de tafel voor de toonbroden met al haar gerei. 19. Al het gerei dat koning Achaz in zijn ontrouw tijdens zijn regering weggegooid had, hebben wij klaargemaakt en geheiligd. Kijk, het staat voor het altaar van de HEERE. 20. De volgende morgen vroeg riep koning Jehizkia de leiders van de stad bijeen, en hij ging naar het huis van de HEERE. 21. Zij brachten zeven stieren, zeven rammen, zeven lammeren en zeven geitenbokken als zondoffer voor het koningshuis, voor het heiligdom en voor Juda. Hij zei tegen de priesters, de zonen van Aäron, dat zij die op het altaar van de HEERE moesten offeren. 22. Zij slachtten de runderen, en de priesters vingen het bloed op en sprenkelden het op het altaar. Zo deden zij ook met de rammen en met de lammeren. 23. Daarna brachten zij de bokken voor het zondoffer naar voren, voor de koning en de vergadering, en zij legden hun handen erop. 24. De priesters slachtten ze en brachten met hun bloed op het altaar verzoening voor heel Israël. De koning had dat brandoffer en dat zondoffer namelijk voor heel Israël bevolen. 25. Hij stelde de Levieten op in het huis van de HEERE, met cimbalen, luiten en harpen. Zo had David het bevolen, met Gad, de ziener van de koning, en de profeet Nathan. Dat bevel kwam van de HEERE, door zijn profeten. 26. De Levieten stonden er met de instrumenten van David, en de priesters met de trompetten. 27. Hizkia gaf bevel het brandoffer op het altaar te brengen. Op het moment dat het brandoffer begon, begon ook het lied voor de HEERE. Daarbij klonken de trompetten en de instrumenten van David, de koning van Israël. 28. De hele vergadering boog zich neer terwijl het lied klonk en de trompetten schalden. Dat duurde tot het brandoffer klaar was. 29. Toen het offeren afgelopen was, knielden de koning en iedereen die bij hem was, en zij bogen zich neer. 30. Koning Jehizkia en de leiders zeiden tegen de Levieten dat zij de HEERE moesten prijzen met de woorden van David en van de ziener Asaf. Zij prezen Hem met vreugde, bogen hun hoofd en knielden neer. 31. Toen zei Jehizkia: Nu hebt u zich aan de HEERE gewijd. Kom naar voren en breng slachtoffers en lofoffers naar het huis van de HEERE. De vergadering bracht slachtoffers en lofoffers, en wie daartoe bereid was, bracht brandoffers. 32. De vergadering bracht als brandoffer zeventig runderen, honderd rammen en tweehonderd lammeren. Dat waren allemaal brandoffers voor de HEERE. 33. Verder waren er als gewijde gaven zeshonderd runderen en drieduizend schapen. 34. Er waren te weinig priesters om alle brandoffers te villen. Daarom hielpen hun broers, de Levieten, tot het werk klaar was en de andere priesters zich geheiligd hadden. De Levieten waren namelijk oprechter van hart om zich te heiligen dan de priesters. 35. Er waren ook veel brandoffers, met het vet van de dankoffers en met de drankoffers erbij. Zo werd de dienst in het huis van de HEERE weer op orde gebracht. 36. Jehizkia en het hele volk waren blij om wat God voor het volk klaargemaakt had, want dit was snel gegaan. ## 2 Kronieken 30 — Het pascha van Jehizkia 1. Daarna stuurde Jehizkia een bericht naar heel Israël en Juda. Ook schreef hij brieven aan Efraïm en Manasse. Zij moesten naar het huis van de HEERE in Jeruzalem komen om pascha te vieren voor de HEERE, de God van Israël. 2. De koning had namelijk met zijn leiders en de hele vergadering in Jeruzalem overlegd om het pascha in de tweede maand te houden. 3. Zij hadden het niet op de gewone tijd kunnen houden, omdat er te weinig priesters geheiligd waren en het volk niet in Jeruzalem bijeengekomen was. 4. De koning en de hele vergadering vonden dit een goed besluit. 5. Zij besloten in heel Israël, van Berseba tot Dan, op te roepen tot het pascha voor de HEERE, de God van Israël, in Jeruzalem. Zij hadden het namelijk lang niet gevierd zoals het voorgeschreven is. 6. De boden gingen met de brieven van de koning en zijn leiders door heel Israël en Juda. In opdracht van de koning zeiden zij: Israëlieten, keer terug naar de HEERE, de God van Abraham, Izak en Israël. Dan zal Hij zich keren naar wie er van u over zijn, wie ontkomen zijn aan de koningen van Assyrië. 7. Wees niet zoals uw voorouders en uw broers, die ontrouw waren aan de HEERE, de God van hun voorouders. Daarom heeft Hij hen aan de verwoesting overgegeven, zoals u ziet. 8. Wees nu niet koppig zoals uw voorouders. Geef de HEERE de hand en kom naar zijn heiligdom, dat Hij voor altijd geheiligd heeft. Dien de HEERE, uw God, dan zal zijn brandende toorn zich van u afkeren. 9. Als u terugkeert naar de HEERE, zullen uw broers en uw kinderen barmhartigheid vinden bij wie hen gevangen houdt. Zij zullen dan naar dit land terugkomen. Want de HEERE, uw God, is genadig en barmhartig. Hij zal zich niet van u afkeren als u naar Hem terugkeert. 10. De boden trokken van stad tot stad door het gebied van Efraïm en Manasse, tot in Zebulon. Maar men lachte hen uit en bespotte hen. 11. Toch werden sommigen uit Aser, Manasse en Zebulon nederig en kwamen naar Jeruzalem. 12. Ook in Juda was de hand van God. Hij gaf hun één hart om te doen wat de koning en de leiders bevolen hadden, naar het woord van de HEERE. 13. In Jeruzalem kwam veel volk bijeen om in de tweede maand het feest van de ongezuurde broden te vieren. Het was een heel grote vergadering. 14. Zij stonden op en haalden de altaren weg die in Jeruzalem stonden. Ook haalden zij alle wierookaltaren weg en gooiden die in de beek Kidron. 15. Op de veertiende dag van de tweede maand slachtten zij het paaslam. De priesters en de Levieten schaamden zich, heiligden zich en brachten brandoffers in het huis van de HEERE. 16. Zij stonden op hun plaats, zoals het hoort volgens de wet van Mozes, de man van God. De priesters sprenkelden het bloed dat zij van de Levieten aannamen. 17. Veel mensen in die vergadering hadden zich niet geheiligd. Daarom slachtten de Levieten de paaslammeren voor iedereen die niet rein was, om die voor de HEERE te heiligen. 18. Veel mensen uit Efraïm, Manasse, Issaschar en Zebulon hadden zich niet gereinigd. Zij aten het pascha toch, anders dan voorgeschreven is. Maar Jehizkia bad voor hen: De HEERE is goed. Laat Hij verzoening doen. 19. Het gaat om ieder die zijn hele hart erop gericht heeft God te zoeken, de HEERE, de God van zijn voorouders. Dat geldt ook als hij het niet deed volgens de reinheid van het heiligdom. 20. De HEERE luisterde naar Jehizkia en genas het volk. 21. De Israëlieten die in Jeruzalem waren, vierden zeven dagen lang het feest van de ongezuurde broden, met grote blijdschap. De Levieten en de priesters prezen de HEERE dag na dag, met luid klinkende instrumenten. 22. Jehizkia sprak hartelijk met alle Levieten die goed verstand van de dienst van de HEERE hadden. Zeven dagen lang aten zij van de offergaven van het feest. Zij brachten dankoffers en prezen de HEERE, de God van hun voorouders. 23. De hele vergadering besloot nog zeven dagen door te gaan. Die zeven dagen vierden zij met blijdschap. 24. Jehizkia, de koning van Juda, gaf de vergadering duizend stieren en zevenduizend schapen. De leiders gaven de vergadering duizend stieren en tienduizend schapen. Er hadden zich nu veel priesters geheiligd. 25. De hele vergadering van Juda was blij, met de priesters en de Levieten. Ook de hele groep die uit Israël gekomen was, was blij, en de vreemdelingen uit het land Israël die in Juda woonden. 26. Er was grote blijdschap in Jeruzalem. Sinds de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was zoiets in Jeruzalem niet meer gebeurd. 27. Toen stonden de Levitische priesters op en zegenden het volk. Hun stem werd gehoord, want hun gebed kwam bij zijn heilige woning in de hemel. ## 2 Kronieken 31 — De gaven voor de priesters en Levieten 1. Toen dit alles klaar was, trokken alle Israëlieten die er waren naar de steden van Juda. Zij sloegen de gewijde stenen kapot, hakten de gewijde palen om en haalden de offerhoogten en de altaren weg. Dat deden zij in heel Juda en Benjamin, en ook in Efraïm en Manasse, tot alles weg was. Daarna ging iedereen terug naar zijn eigen bezit in zijn stad. 2. Hizkia deelde de priesters en de Levieten weer in groepen in, ieder naar zijn dienst. Zij moesten de brandoffers en de dankoffers brengen, dienen, danken en prijzen in de poorten van het kamp van de HEERE. 3. De koning gaf uit zijn eigen bezit een deel voor de brandoffers. Dat waren de brandoffers van de morgen en de avond, en die van de sabbatten, de nieuwemaansdagen en de feesten. Zo staat het in de wet van de HEERE. 4. Hij zei tegen het volk, tegen de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel voor de priesters en de Levieten moesten geven. Dan konden die zich aan de wet van de HEERE houden. 5. Toen dit bekend werd, brachten de Israëlieten veel eerstelingen van graan, nieuwe wijn, olie en honing, en van alles wat het land opbracht. Ook brachten zij de tienden van alles in overvloed. 6. De Israëlieten en de mensen van Juda die in de steden van Juda woonden, brachten ook tienden van runderen en schapen. Verder brachten zij tienden van de gewijde gaven voor de HEERE, hun God. Zij legden alles op grote stapels. 7. In de derde maand begonnen zij die stapels aan te leggen, en in de zevende maand waren zij klaar. 8. Toen Jehizkia en de leiders kwamen kijken en die stapels zagen, prezen zij de HEERE en zijn volk Israël. 9. Jehizkia vroeg de priesters en de Levieten naar die stapels. 10. Azaria, de hogepriester uit het huis van Zadok, antwoordde hem: Men is dit hefoffer naar het huis van de HEERE gaan brengen. Sindsdien hebben wij genoeg gegeten en houden wij veel over. De HEERE heeft zijn volk gezegend, en daarom is deze grote hoeveelheid overgebleven. 11. Toen zei Jehizkia dat men kamers in het huis van de HEERE moest inrichten, en dat deden zij. 12. Daar brachten zij trouw het hefoffer, de tienden en de gewijde gaven in. Chonanja, de Leviet, had de leiding, en zijn broer Simeï was zijn tweede man. 13. Jehiël, Azazja, Nahath, Asahel, Jerimoth, Jozabad, Eliël, Jismachja, Mahath en Benaja waren opzichters onder Chonanja en zijn broer Simeï. Zo hadden koning Jehizkia en Azaria, de leider van het huis van God, het bevolen. 14. Kore, de zoon van Jimna, de Leviet, was poortwachter aan de oostkant. Hij ging over de vrijwillige gaven voor God en verdeelde het hefoffer van de HEERE en de allerheiligste gaven. 15. Onder hem stonden Eden, Minjamin, Jesua, Semaja, Amarja en Sechanja. Zij deelden in de steden van de priesters trouw uit aan hun broers, aan klein en groot. 16. Dat gold voor iedereen van drie jaar en ouder die in het geslachtsregister stond. Zij kwamen elke dag in het huis van de HEERE voor hun dienst, naar hun taak en hun groep. 17. Zo stonden de priesters per familie in het geslachtsregister, en de Levieten van twintig jaar en ouder naar hun taak en hun groep. 18. In het register stonden ook al hun kleine kinderen, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, in de hele vergadering. Zij hadden zich namelijk trouw geheiligd voor hun ambt. 19. Ook bij de priesters, de zonen van Aäron, waren er op de weidegronden bij hun steden mannen met name aangewezen. Zij moesten in elke stad het deel uitdelen aan alle mannen onder de priesters en aan iedereen die in het register van de Levieten stond. 20. Zo deed Jehizkia in heel Juda. Hij deed wat goed, juist en trouw was voor de HEERE, zijn God. 21. Alles wat hij begon voor de dienst van het huis van God, deed hij met heel zijn hart. Ook hield hij zich met heel zijn hart aan de wet en het gebod om zijn God te zoeken. Daarom ging het hem goed. ## 2 Kronieken 32 — Sanherib voor Jeruzalem 1. Na deze trouwe daden kwam Sanherib, de koning van Assyrië. Hij trok Juda binnen, belegerde de versterkte steden en dacht die te veroveren. 2. Jehizkia zag dat Sanherib kwam en dat hij Jeruzalem wilde aanvallen. 3. Hij overlegde met zijn leiders en helden om de bronnen buiten de stad dicht te stoppen, en zij hielpen hem. 4. Er kwam veel volk bijeen dat alle bronnen dichtstopte, ook de beek die midden door het gebied liep. Zij zeiden: Waarom zouden de koningen van Assyrië hier komen en veel water vinden? 5. Hij maakte zich sterk. Hij bouwde de hele muur op die gebroken was en trok die op tot aan de torens, met nog een muur daarbuiten. Ook versterkte hij de Millo in de Stad van David en liet hij veel wapens en schilden maken. 6. Hij stelde legeraanvoerders over het volk aan en riep hen bij zich op het plein bij de stadspoort. Hij sprak hen moed in en zei: 7. Wees sterk en houd moed. Wees niet bang en schrik niet voor de koning van Assyrië en voor de hele menigte bij hem. Met ons is er meer dan met hem. 8. Bij hem is een arm van vlees, maar bij ons is de HEERE, onze God. Hij helpt ons en voert onze oorlogen. Het volk steunde op de woorden van Jehizkia, de koning van Juda. 9. Daarna stuurde Sanherib, de koning van Assyrië, zijn dienaren naar Jeruzalem. Zelf lag hij met zijn hele macht voor Lachis. Zij moesten tegen Jehizkia, de koning van Juda, en tegen heel Juda in Jeruzalem zeggen: 10. Sanherib, de koning van Assyrië, zegt: waarop vertrouwt u, dat u in de vesting Jeruzalem blijft? 11. Jehizkia praat u toch alleen maar om, zodat u van honger en dorst sterft? Hij zegt: De HEERE, onze God, zal ons uit de hand van de koning van Assyrië redden. 12. Maar heeft diezelfde Jehizkia niet zijn offerhoogten en altaren weggehaald? Hij zei tegen Juda en Jeruzalem: Voor dat ene altaar moet u buigen en daarop offeren. 13. Weet u niet wat ik en mijn voorouders met alle volken van de landen gedaan hebben? Hebben de goden van die volken hun land uit mijn hand kunnen redden? 14. Wie van alle goden van die volken, die mijn voorouders vernietigd hebben, heeft zijn volk uit mijn hand kunnen redden? Zou uw God u dan wel uit mijn hand kunnen redden? 15. Laat Jehizkia u dus niet bedriegen en niet zo ompraten. Geloof hem niet. Geen god van welk volk of koninkrijk ook heeft zijn volk uit mijn hand kunnen redden. Uw God zal u dus zeker niet uit mijn hand redden. 16. Zijn dienaren spraken nog meer tegen God, de HEERE, en tegen zijn dienaar Jehizkia. 17. Ook schreef hij brieven om de HEERE, de God van Israël, te honen. Daarin stond: De goden van de volken van de landen hebben hun volk niet uit mijn hand gered. Zo zal ook de God van Jehizkia zijn volk niet uit mijn hand redden. 18. Zij riepen met luide stem in het Judees tegen de mensen van Jeruzalem die op de muur stonden. Zo wilden zij hen bang maken en in verwarring brengen om de stad in te nemen. 19. Zij spraken over de God van Jeruzalem alsof Hij een van de goden van de volken op aarde was, een maaksel van mensenhanden. 20. Maar koning Jehizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden hiertegen en riepen naar de hemel. 21. De HEERE stuurde een engel, die alle dappere strijders, leiders en aanvoerders in het leger van de koning van Assyrië vernietigde. Beschaamd keerde hij terug naar zijn land. Toen hij de tempel van zijn god binnenging, doodden zijn eigen zonen hem daar met het zwaard. 22. Zo redde de HEERE Jehizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de hand van Sanherib, de koning van Assyrië. Ook uit de hand van alle anderen redde Hij hen. Hij gaf hun rust aan alle kanten. 23. Velen brachten geschenken voor de HEERE naar Jeruzalem en kostbaarheden voor Jehizkia, de koning van Juda. Daarna stond hij hoog in aanzien bij alle volken. 24. In die tijd werd Jehizkia doodziek. Hij bad tot de HEERE, en die antwoordde hem en gaf hem een wonderteken. 25. Maar Jehizkia deed niets terug voor wat hem gegeven was, want hij werd hoogmoedig. Daarom kwam er grote toorn over hem, over Juda en over Jeruzalem. 26. Toen werd Jehizkia nederig over zijn hoogmoed, hij en de inwoners van Jeruzalem. Daarom kwam de grote toorn van de HEERE niet over hen zolang Jehizkia leefde. 27. Jehizkia had heel veel rijkdom en eer. Hij maakte schatkamers voor zilver, goud, edelstenen, specerijen, schilden en allerlei kostbare voorwerpen. 28. Ook maakte hij voorraadschuren voor de opbrengst van graan, nieuwe wijn en olie, en stallen voor allerlei vee en kooien voor de kudden. 29. Verder bouwde hij steden voor zichzelf en kreeg hij veel schapen en runderen, want God gaf hem heel veel bezit. 30. Jehizkia stopte ook de bovenste uitloop van het water van de Gihon dicht. Hij leidde het naar beneden, naar de westkant van de Stad van David. Alles wat Jehizkia deed, lukte hem. 31. Maar toen de gezanten van de leiders van Babel bij hem waren, liet God hem los. Zij kwamen vragen naar het wonderteken dat in het land gebeurd was. God stelde hem zo op de proef om te weten wat er in zijn hart was. 32. De verdere geschiedenis van Jehizkia en zijn goede daden staan beschreven in het visioen van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz. Ook staan zij in het boek van de koningen van Juda en Israël. 33. Jehizkia stierf, en zij begroeven hem hoog bij de graven van de zonen van David. Heel Juda en de inwoners van Jeruzalem bewezen hem eer bij zijn dood. Zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats. ## 2 Kronieken 33 — Manasse en Amon 1. Manasse was twaalf jaar toen hij koning werd, en hij regeerde vijfenvijftig jaar in Jeruzalem. 2. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij volgde de gruwelijke gewoonten van de volken die de HEERE voor de Israëlieten verdreven had. 3. Hij bouwde de offerhoogten weer op die zijn vader Jehizkia afgebroken had. Hij richtte altaren op voor de Baäls, maakte gewijde palen en boog zich voor de hele hemelse legermacht, en hij diende die. 4. Hij bouwde ook altaren in het huis van de HEERE, waarvan de HEERE gezegd had: In Jeruzalem zal mijn naam voor altijd zijn. 5. Verder bouwde hij altaren voor de hele hemelse legermacht, in de beide voorhoven van het huis van de HEERE. 6. Hij liet zijn zonen door het vuur gaan in het dal Ben-Hinnom. Hij deed aan wichelarij, waarzeggerij en toverij, en hij stelde geestenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed heel veel wat slecht was in de ogen van de HEERE en maakte Hem woedend. 7. Hij zette ook het beeld dat hij gemaakt had in het huis van God. Over dat huis had God tegen David en zijn zoon Salomo gezegd: In dit huis en in Jeruzalem zal ik mijn naam voor altijd zetten. Ik heb Jeruzalem uit alle stammen van Israël uitgekozen. 8. En ik zal Israël niet meer wegjagen uit het land dat ik aan jullie voorouders gegeven heb. Dat geldt als zij alles doen wat ik hun opgedragen heb, naar de hele wet, de voorschriften en de regels van Mozes. 9. Manasse liet Juda en de inwoners van Jeruzalem dwalen. Zij deden erger dan de volken die de HEERE voor de Israëlieten vernietigd had. 10. De HEERE sprak wel tegen Manasse en zijn volk, maar zij letten er niet op. 11. Daarom bracht de HEERE de legeraanvoerders van de koning van Assyrië over hen. Die namen Manasse gevangen met haken, boeiden hem met twee koperen ketenen en voerden hem naar Babel. 12. Toen hij in het nauw zat, smeekte hij de HEERE, zijn God, ernstig om hulp. Hij vernederde zich diep voor de God van zijn voorouders. 13. Hij bad tot Hem, en God liet zich verbidden en hoorde zijn smeken. Hij bracht hem terug naar Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de HEERE God is. 14. Daarna bouwde hij de buitenmuur aan de Stad van David. Die liep van de westkant van de Gihon in het dal tot aan de ingang van de Vispoort. Hij trok die om de Ofel heen en maakte hem heel hoog. Ook legerde hij legeraanvoerders in alle versterkte steden in Juda. 15. Hij haalde de vreemde goden en dat beeld uit het huis van de HEERE weg. Ook haalde hij alle altaren weg die hij op de tempelberg en in Jeruzalem gebouwd had, en hij gooide ze buiten de stad. 16. Hij herstelde het altaar van de HEERE en bracht er dankoffers en lofoffers op. Hij zei tegen Juda dat zij de HEERE, de God van Israël, moesten dienen. 17. Maar het volk offerde nog op de offerhoogten, al was het aan de HEERE, hun God. 18. De verdere geschiedenis van Manasse en zijn gebed tot zijn God staan in de kronieken van de koningen van Israël. Daar staan ook de woorden van de zieners die in de naam van de HEERE, de God van Israël, tot hem spraken. 19. Zijn gebed, en hoe God zich liet verbidden, staan beschreven in de woorden van de zieners. Daar staat ook al zijn zonde en ontrouw, en waar hij offerhoogten bouwde en gewijde palen en beelden neerzette, voordat hij nederig werd. 20. Manasse stierf, en zij begroeven hem bij zijn huis. Zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. 21. Amon was tweeëntwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar in Jeruzalem. 22. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, net als zijn vader Manasse. Amon offerde aan alle beelden die zijn vader Manasse gemaakt had, en hij diende ze. 23. Maar hij vernederde zich niet voor de HEERE, zoals zijn vader Manasse dat wel gedaan had. Deze Amon maakte zijn schuld juist groter. 24. Zijn dienaren spanden tegen hem samen en doodden hem in zijn huis. 25. Maar het volk van het land doodde iedereen die tegen koning Amon samengespannen had. Het volk maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats. ## 2 Kronieken 34 — Josia en het gevonden wetboek 1. Josia was acht jaar toen hij koning werd, en hij regeerde eenendertig jaar in Jeruzalem. 2. Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE. Hij ging de wegen van zijn voorvader David en week daar niet van af, niet naar rechts en niet naar links. 3. In het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog jong was, begon hij de God van zijn voorvader David te zoeken. In het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de offerhoogten, de gewijde palen en de beelden. 4. Onder zijn ogen braken zij de altaren van de Baäls af. De wierookaltaren die daarboven stonden, hakte hij om. De gewijde palen en de beelden sloeg hij stuk en maakte hij tot gruis, dat hij uitstrooide over de graven van wie eraan geofferd hadden. 5. De botten van de priesters verbrandde hij op hun altaren. Zo reinigde hij Juda en Jeruzalem. 6. Ook in de steden van Manasse, Efraïm en Simeon, tot in Nafthali toe, en in de verwoeste plaatsen eromheen deed hij dat. 7. Hij brak de altaren en de gewijde palen af en vergruisde de beelden. Alle wierookaltaren hakte hij om, in heel het land Israël. Daarna ging hij terug naar Jeruzalem. 8. In het achttiende jaar van zijn regering waren het land en het huis gereinigd. Toen stuurde hij Safan, de zoon van Azalia, en Maäseja, de bestuurder van de stad. Ook stuurde hij Joha, de zoon van Joahaz, de kanselier. Zij moesten het huis van de HEERE, zijn God, herstellen. 9. Zij kwamen bij Hilkia, de hogepriester, en gaven hem het geld dat in het huis van God gebracht was. De Levieten die de drempel bewaakten, hadden dat ingezameld bij Manasse en Efraïm en bij de rest van Israël. Ook uit heel Juda en Benjamin en van de teruggekeerden in Jeruzalem was er geld gekomen. 10. Zij gaven het aan de opzichters van het werk aan het huis van de HEERE. Die gaven het door aan de mannen die aan het huis van de HEERE werkten om het op te knappen en te herstellen. 11. Zij gaven het aan de vaklieden en de bouwers om gehouwen stenen te kopen. Ook kochten zij er hout van voor de verbindingen en voor de zolderingen van de gebouwen die de koningen van Juda hadden laten vervallen. 12. Die mannen deden hun werk trouw. Hun opzichters waren Jahath en Obadja, Levieten uit de zonen van Merari, en Zecharja en Mesullam uit de Kahathieten. Zij moesten het werk vooruit helpen. Al die Levieten hadden ook verstand van muziekinstrumenten. 13. Zij gingen ook over de dragers en gaven leiding aan iedereen die werkte. Andere Levieten waren schrijver, ambtenaar of poortwachter. 14. Toen zij het geld uit het huis van de HEERE haalden, vond de priester Hilkia het wetboek van de HEERE, dat door Mozes gegeven was. 15. Hilkia zei tegen Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van de HEERE gevonden. En Hilkia gaf hem dat boek. 16. Safan bracht het boek naar de koning. Hij deed hem ook verslag: Alles wat aan uw dienaren opgedragen is, doen zij. 17. Zij hebben het geld dat in het huis van de HEERE lag, bij elkaar gedaan. Zij hebben het aan de opzichters en aan de werklieden gegeven. 18. Verder vertelde Safan, de schrijver, aan de koning: De priester Hilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las daaruit voor aan de koning. 19. Toen de koning de woorden van de wet hoorde, scheurde hij zijn kleren. 20. De koning gaf Hilkia opdracht, en ook Ahikam, de zoon van Safan, en Abdon, de zoon van Micha. Verder gaf hij opdracht aan Safan, de schrijver, en aan Asaja, de dienaar van de koning. Hij zei: 21. Ga de HEERE raadplegen voor mij en voor wie er nog over zijn in Israël en Juda. Doe dat over de woorden van dit boek dat gevonden is. De woede van de HEERE die over ons is uitgestort, is groot. Onze voorouders hebben zich namelijk niet aan het woord van de HEERE gehouden en niet gedaan wat in dit boek staat. 22. Toen ging Hilkia met de mannen van de koning naar de profetes Hulda. Zij was de vrouw van Sallum, de zoon van Tokhath, de zoon van Hasra, de beheerder van de kleren. Zij woonde in de nieuwe wijk van Jeruzalem, en zij spraken daar met haar. 23. Zij zei tegen hen: De HEERE, de God van Israël, zegt het volgende. Zeg tegen de man die u naar mij toe gestuurd heeft: 24. De HEERE zegt: kijk, ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners. Dat zijn alle vervloekingen die staan in het boek dat men de koning van Juda heeft voorgelezen. 25. Zij hebben mij verlaten en aan andere goden geofferd. Zo hebben zij mij met al hun daden woedend gemaakt. Daarom wordt mijn woede over deze plaats uitgestort, en die zal niet gedoofd worden. 26. Maar tegen de koning van Juda, die u stuurde om de HEERE te raadplegen, moet u dit zeggen. De HEERE, de God van Israël, zegt over de woorden die je gehoord hebt: 27. Je hart is week geworden en je hebt je voor God vernederd toen je zijn woorden tegen deze plaats en haar inwoners hoorde. Je hebt je voor mij vernederd, je kleren gescheurd en voor mij gehuild. Daarom heb ik je gehoord, zegt de HEERE. 28. Kijk, ik zal je bij je voorouders brengen, en je zult in vrede in je graf komen. Je ogen zullen al het onheil niet zien dat ik over deze plaats en haar inwoners breng. Zij brachten dit antwoord bij de koning. 29. Toen liet de koning alle oudsten van Juda en Jeruzalem bijeenroepen. 30. De koning ging naar het huis van de HEERE, met alle mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Ook de priesters, de Levieten en het hele volk gingen mee, van groot tot klein. Hij las hun alle woorden voor van het boek van het verbond dat in het huis van de HEERE gevonden was. 31. De koning ging op zijn plaats staan en sloot een verbond voor de HEERE. Hij zou de HEERE volgen en zich met heel zijn hart en heel zijn ziel houden aan zijn geboden, getuigenissen en voorschriften. Zo zou hij doen wat in dat boek over het verbond geschreven staat. 32. Hij liet iedereen in Jeruzalem en Benjamin daarachter gaan staan. De inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond van God, de God van hun voorouders. 33. Josia haalde alle gruwelijke dingen weg uit alle gebieden van de Israëlieten. Hij liet iedereen in Israël de HEERE, hun God, dienen. Zolang hij leefde, weken zij niet af van de HEERE, de God van hun voorouders. ## 2 Kronieken 35 — Het pascha van Josia 1. Daarna vierde Josia in Jeruzalem het pascha voor de HEERE. Op de veertiende dag van de eerste maand slachtten zij het paaslam. 2. Hij stelde de priesters op hun post en moedigde hen aan voor de dienst in het huis van de HEERE. 3. De Levieten onderwezen heel Israël en waren voor de HEERE heilig. Hij zei tegen hen: Zet de heilige ark in het huis dat Salomo, de zoon van David, gebouwd heeft. U hoeft die niet meer op uw schouders te dragen. Dien nu de HEERE, uw God, en zijn volk Israël. 4. Maak u klaar per familie en per groep, zoals David, de koning van Israël, het voorschreef en zoals zijn zoon Salomo het beschreef. 5. Ga in het heiligdom staan, per familiegroep van uw broers, het volk, en naar de afdelingen van de families van de Levieten. 6. Slacht het paaslam, heilig uzelf en maak het klaar voor uw broers. Doe dat naar het woord van de HEERE, dat Hij door Mozes gegeven heeft. 7. Josia gaf het volk van zijn eigen bezit dertigduizend lammeren en jonge geitenbokken als paasoffer, en drieduizend runderen. 8. Ook zijn leiders gaven vrijwillig voor het volk, de priesters en de Levieten. Hilkia, Zacharia en Jehiël, de leiders van het huis van God, gaven de priesters 2.600 stuks kleinvee en driehonderd runderen als paasoffer. 9. Chonanja gaf met zijn broers Semaja en Nethaneël, en met Hasabja, Jeïel en Jozabad, de Levieten een paasoffer. Deze leiders van de Levieten gaven vijfduizend stuks kleinvee en vijfhonderd runderen. 10. Zo werd de dienst geregeld. De priesters stonden op hun plaats en de Levieten in hun groepen, zoals de koning bevolen had. 11. Toen slachtten zij het paaslam. De priesters sprenkelden het bloed dat zij aannamen, en de Levieten trokken de huiden af. 12. Zij legden de stukken voor het brandoffer apart, om ze per familiegroep aan het volk te geven. Zo kon men aan de HEERE offeren, zoals in het boek van Mozes staat. Met de runderen deden zij hetzelfde. 13. Zij roosterden het paaslam boven het vuur, zoals voorgeschreven is. De andere gewijde gaven kookten zij in potten, ketels en pannen, en zij deelden die snel uit aan het volk. 14. Daarna maakten zij het klaar voor zichzelf en voor de priesters. De priesters, de zonen van Aäron, waren tot in de nacht bezig met de brandoffers en het vet. Daarom maakten de Levieten het klaar voor zichzelf en voor de priesters. 15. De zangers, de zonen van Asaf, stonden op hun plaats, zoals David, Asaf, Heman en Jeduthun, de ziener van de koning, het bevolen hadden. De poortwachters stonden bij elke poort. Zij hoefden hun dienst niet te verlaten, want hun broers, de Levieten, maakten het voor hen klaar. 16. Zo werd die dag de hele dienst van de HEERE geregeld. Men vierde pascha en bracht brandoffers op het altaar van de HEERE, zoals koning Josia bevolen had. 17. De Israëlieten die er waren, vierden toen het pascha en zeven dagen lang het feest van de ongezuurde broden. 18. Zo'n pascha was er in Israël niet meer gevierd sinds de dagen van de profeet Samuël. Geen van de koningen van Israël had zo'n pascha gehouden als Josia nu hield. Hij vierde het met de priesters en de Levieten, met heel Juda en Israël dat er was, en met de inwoners van Jeruzalem. 19. Dit pascha werd gevierd in het achttiende jaar van de regering van Josia. 20. Na dit alles had Josia het huis in orde gebracht. Toen trok Necho, de koning van Egypte, op om bij Karchemis aan de Eufraat te strijden. Josia ging hem tegemoet. 21. Necho stuurde boden naar hem toe met de boodschap: Wat heb ik met u te maken, koning van Juda? Ik kom vandaag niet tegen u, maar tegen een koningshuis dat oorlog tegen mij voert. God heeft gezegd dat ik mij moest haasten. Blijf uit de buurt van God, die met mij is, anders vernietigt Hij u. 22. Maar Josia keerde zich niet van hem af. Hij vermomde zich om tegen hem te strijden en luisterde niet naar de woorden van Necho, die uit de mond van God kwamen. Hij ging strijden in het dal van Megiddo. 23. De boogschutters raakten koning Josia. Toen zei de koning tegen zijn dienaren: Breng mij weg, want ik ben zwaargewond. 24. Zijn dienaren haalden hem van zijn wagen en legden hem op de tweede wagen die hij bij zich had. Zij brachten hem naar Jeruzalem, en daar stierf hij. Hij werd begraven in de graven van zijn voorouders, en heel Juda en Jeruzalem rouwden om Josia. 25. Jeremia maakte een klaaglied over Josia. Ook alle zangers en zangeressen zingen in hun klaagliederen over Josia, tot vandaag toe. Zij maakten er een vaste gewoonte van in Israël, en die liederen staan in de klaagliederen. 26. De verdere geschiedenis van Josia en zijn goede daden staan beschreven, in overeenstemming met wat in de wet van de HEERE staat. 27. Zijn geschiedenis, van begin tot eind, staat in het boek van de koningen van Israël en Juda. ## 2 Kronieken 36 — Het einde van Juda en het bevel van Kores 1. Het volk van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, en maakte hem in Jeruzalem koning in de plaats van zijn vader. 2. Joahaz was drieëntwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. 3. De koning van Egypte zette hem in Jeruzalem af. Hij legde het land een boete op van ongeveer 3,4 ton zilver en 34 kilo goud. 4. De koning van Egypte maakte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem en veranderde zijn naam in Jojakim. Zijn broer Joahaz nam Necho mee naar Egypte. 5. Jojakim was vijfentwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zijn God. 6. Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op. Hij boeide hem met twee koperen ketenen om hem naar Babel te voeren. 7. Nebukadnezar bracht ook voorwerpen uit het huis van de HEERE naar Babel en zette die in zijn tempel daar. 8. De verdere geschiedenis van Jojakim staat in het boek van de koningen van Israël en Juda. Daar staan ook de gruwelijke dingen die hij deed en wat hem aangerekend werd. Zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats. 9. Jojachin was acht jaar toen hij koning werd. Hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem en deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. 10. Bij de jaarwisseling liet koning Nebukadnezar hem naar Babel halen, met de kostbare voorwerpen uit het huis van de HEERE. Hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem. 11. Zedekia was eenentwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. 12. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zijn God. Hij vernederde zich niet voor de profeet Jeremia, die namens de HEERE sprak. 13. Ook kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnezar, die hem bij God had laten zweren. Hij was koppig en verhardde zijn hart, zodat hij zich niet bekeerde tot de HEERE, de God van Israël. 14. Ook alle leiders van de priesters en het volk werden steeds ontrouwer, naar alle gruwelijke gewoonten van de volken. Zij maakten het huis van de HEERE onrein, dat Hij in Jeruzalem geheiligd had. 15. De HEERE, de God van hun voorouders, stuurde telkens opnieuw zijn boden naar hen toe, want Hij wilde zijn volk en zijn woning sparen. 16. Maar zij lachten de boden van God uit, verachtten zijn woorden en spotten met zijn profeten. Toen werd de woede van de HEERE tegen zijn volk zo groot dat er geen herstel meer mogelijk was. 17. Hij liet de koning van de Chaldeeën tegen hen opkomen. Die doodde hun jongemannen met het zwaard in hun heiligdom. Hij spaarde jongemannen noch meisjes, ouderen noch grijsaards. God gaf hen allemaal in zijn macht. 18. Alle voorwerpen uit het huis van God, groot en klein, voerde hij naar Babel. Hetzelfde deed hij met de schatten van het huis van de HEERE en met die van de koning en zijn leiders. 19. Zij verbrandden het huis van God, braken de muur van Jeruzalem af en staken alle paleizen in brand. Alle kostbare voorwerpen daarin vernielden zij. 20. Wie aan het zwaard ontkomen was, voerde hij weg naar Babel. Daar waren zij slaven van hem en zijn zonen, tot het koninkrijk Perzië aan de macht kwam. 21. Zo ging het woord in vervulling dat de HEERE door Jeremia gesproken had. Het land kreeg zijn sabbatsjaren terug: al die tijd van verwoesting lag het braak, tot de zeventig jaar om waren. 22. In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, ging het woord van de HEERE door Jeremia in vervulling. De HEERE maakte de geest van Kores wakker. Die liet in zijn hele koninkrijk omroepen, en ook op schrift zetten: 23. Kores, de koning van Perzië, zegt: de HEERE, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven. Hij heeft mij opgedragen een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, in Juda. Wie van u hoort bij zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem. Laat hij optrekken. ## Ezra 1 — Kores laat de ballingen teruggaan 1. In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, ging het woord van de HEERE door Jeremia in vervulling. De HEERE maakte de geest van Kores wakker. Die liet in zijn hele koninkrijk omroepen, en ook op schrift zetten: 2. Kores, de koning van Perzië, zegt: de HEERE, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven. Hij heeft mij opgedragen een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, in Juda. 3. Wie van u hoort bij zijn volk? Zijn God zij met hem. Laat hij optrekken naar Jeruzalem in Juda en daar het huis van de HEERE bouwen, de God van Israël. Hij is de God die in Jeruzalem woont. 4. Wie achterblijft, waar hij ook als vreemdeling woont, moet door de mensen van zijn plaats geholpen worden. Zij geven hem zilver, goud, bezittingen en vee, naast een vrijwillige gave voor het huis van God in Jeruzalem. 5. Toen stonden de familiehoofden van Juda en Benjamin op, met de priesters en de Levieten. Ook iedereen wiens geest God wakker maakte, stond op. Zij trokken op om het huis van de HEERE in Jeruzalem te bouwen. 6. Alle mensen om hen heen hielpen hen met zilveren voorwerpen, goud, bezittingen, vee en kostbaarheden, naast alles wat vrijwillig gegeven werd. 7. Koning Kores haalde ook de voorwerpen van het huis van de HEERE tevoorschijn. Nebukadnezar had die uit Jeruzalem weggevoerd en in het huis van zijn god gezet. 8. Kores, de koning van Perzië, liet ze uitleveren door Mithredath, de schatmeester. Die telde ze uit aan Sesbazar, de leider van Juda. 9. Dit is het aantal: dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen, 10. dertig gouden bekers, vierhonderdtien andere zilveren bekers en duizend andere voorwerpen. 11. In totaal waren er 5.400 gouden en zilveren voorwerpen. Sesbazar bracht ze allemaal mee toen de ballingen van Babel naar Jeruzalem terugkeerden. ## Ezra 2 — De lijst van wie terugkwamen 1. Dit zijn de mensen uit het gewest die terugkwamen uit de ballingschap. Nebukadnezar, de koning van Babel, had hen naar Babel weggevoerd. Zij keerden terug naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn eigen stad. 2. Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baëna. Dit is het aantal mannen van het volk van Israël. 3. De nakomelingen van Paros: 2.172. 4. De nakomelingen van Sefatja: 372. 5. De nakomelingen van Arach: 775. 6. De nakomelingen van Pahath-Moab, via Jesua en Joab: 2.812. 7. De nakomelingen van Elam: 1.254. 8. De nakomelingen van Zatthu: 945. 9. De nakomelingen van Zakkai: 760. 10. De nakomelingen van Bani: 642. 11. De nakomelingen van Bebai: 623. 12. De nakomelingen van Azgad: 1.222. 13. De nakomelingen van Adonikam: 666. 14. De nakomelingen van Bigvai: 2.056. 15. De nakomelingen van Adin: 454. 16. De nakomelingen van Ater, via Hizkia: 98. 17. De nakomelingen van Bezai: 323. 18. De nakomelingen van Jora: 112. 19. De nakomelingen van Hasum: 223. 20. De nakomelingen van Gibbar: 95. 21. De mensen uit Bethlehem: 123. 22. De mannen uit Netofa: 56. 23. De mannen uit Anathoth: 128. 24. De mensen uit Azmaveth: 42. 25. De mensen uit Kirjath-Arim, Cefira en Beëroth: 743. 26. De mensen uit Rama en Gaba: 621. 27. De mannen uit Michmas: 122. 28. De mannen uit Bethel en Ai: 223. 29. De mensen uit Nebo: 52. 30. De mensen uit Magbis: 156. 31. De nakomelingen van de andere Elam: 1.254. 32. De nakomelingen van Harim: 320. 33. De mensen uit Lod, Hadid en Ono: 725. 34. De mensen uit Jericho: 345. 35. De mensen uit Senaä: 3.630. 36. Dit waren de priesters. De nakomelingen van Jedaja, van het huis van Jesua: 973. 37. De nakomelingen van Immer: 1.052. 38. De nakomelingen van Pashur: 1.247. 39. De nakomelingen van Harim: 1.017. 40. Dit waren de Levieten. De nakomelingen van Jesua en Kadmiël, uit de familie van Hodavja: 74. 41. Dit waren de zangers. De nakomelingen van Asaf: 128. 42. Dit waren de poortwachters: de nakomelingen van Sallum, Ater, Talmon, Akkub, Hatita en Sobai. Samen waren zij met 139. 43. Dit waren de tempelknechten: de nakomelingen van Ziha, Hasufa en Tabbaoth, 44. van Keros, Siaha en Padon, 45. van Lebana, Hagaba en Akkub, 46. van Hagab, Samlai en Hanan, 47. van Giddel, Gahar en Reaja, 48. van Rezin, Nekoda en Gazzam, 49. van Uza, Paseah en Bezai, 50. van Asna, de Mehunim en de Nefusim, 51. van Bakbuk, Hakufa en Harhur, 52. van Bazluth, Mehida en Harsa, 53. van Barkos, Sisera en Thamah, 54. van Neziah en Hatifa. 55. Dit waren de nakomelingen van de dienaren van Salomo: de nakomelingen van Sotai, Sofereth en Peruda, 56. van Jaäla, Darkon en Giddel, 57. van Sefatja, Hattil, Pocheret-Hazebaïm en Ami. 58. Alle tempelknechten en nakomelingen van de dienaren van Salomo waren samen met 392. 59. Ook deze mensen kwamen mee, uit Tel-Melah, Tel-Harsa, Cherub, Addan en Immer. Zij konden niet aantonen uit welke familie zij kwamen en of zij uit Israël waren. 60. Het waren de nakomelingen van Delaja, Tobia en Nekoda: 652. 61. Ook bij de priesters waren er zulke families: de nakomelingen van Habaja, Koz en Barzillai. Die laatste had een vrouw uit de dochters van Barzillai uit Gilead genomen en was naar hem genoemd. 62. Zij zochten hun naam in het geslachtsregister, maar die stond er niet in. Daarom werden zij als onrein uit het priesterschap geweerd. 63. De landvoogd zei tegen hen dat zij niet van de allerheiligste gaven mochten eten. Dat mocht pas als er een priester zou zijn met de urim en de tummim. 64. De hele vergadering telde samen 42.360 mensen. 65. Daar kwamen nog hun slaven en slavinnen bij, 7.337 mensen. Ook hadden zij tweehonderd zangers en zangeressen. 66. Zij hadden 736 paarden en 245 muildieren, 67. 435 kamelen en 6.720 ezels. 68. Sommige familiehoofden gaven bij hun komst in het huis van de HEERE in Jeruzalem vrijwillig voor het huis van God. Zo kon het weer op zijn vaste plaats gezet worden. 69. Zij gaven naar wat zij konden missen voor de kas van het werk: 61.000 gouden munten, ongeveer 2,9 ton zilver en honderd priestergewaden. 70. De priesters, de Levieten, een deel van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempelknechten gingen in hun steden wonen. Heel Israël woonde in zijn eigen steden. ## Ezra 3 — Het altaar en het fundament van de tempel 1. Toen de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden woonden, kwam het volk als één man bijeen in Jeruzalem. 2. Jesua, de zoon van Jozadak, stond op met zijn broers, de priesters. Ook Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, stond op met zijn broers. Zij bouwden het altaar van de God van Israël om er brandoffers op te brengen. Zo staat het in de wet van Mozes, de man van God. 3. Zij zetten het altaar op zijn fundament, al waren zij bang voor de volken om hen heen. Zij brachten er brandoffers voor de HEERE op, 's morgens en 's avonds. 4. Zij vierden het Loofhuttenfeest zoals het voorgeschreven is. Elke dag brachten zij het vastgestelde aantal brandoffers, zoals het voor die dag hoorde. 5. Daarna brachten zij het dagelijkse brandoffer, en die van de nieuwemaansdagen en van alle heilige feesten van de HEERE. Ook bracht ieder die dat wilde een vrijwillige gave aan de HEERE. 6. Vanaf de eerste dag van de zevende maand begonnen zij de HEERE brandoffers te brengen. De tempel van de HEERE was toen nog niet gegrondvest. 7. Zij gaven geld aan de steenhouwers en de vaklieden. Ook gaven zij eten, drinken en olie aan de mensen van Sidon en Tyrus. Die moesten cederhout van de Libanon over zee naar Jafo brengen, met vergunning van Kores, de koning van Perzië. 8. In het tweede jaar na hun komst bij het huis van God in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen zij. Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, gingen voorop. Met hen waren hun broers, de priesters, de Levieten en alle teruggekeerde ballingen. Zij stelden de Levieten van twintig jaar en ouder aan om toezicht te houden op het werk aan het huis van de HEERE. 9. Jesua stond op met zijn zonen en broers, en Kadmiël met zijn zonen, de mensen van Juda, als één man. Zij hielden toezicht op wie aan het huis van God werkten. Ook de zonen van Henadad hielpen, met hun zonen en broers, de Levieten. 10. Toen de bouwers het fundament van de tempel van de HEERE legden, stelden zij de priesters op in hun kleding, met de trompetten. De Levieten, de zonen van Asaf, kwamen met cimbalen om de HEERE te prijzen, zoals David, de koning van Israël, het had ingesteld. 11. Zij zongen om de beurt en prezen en dankten de HEERE: Hij is goed, zijn trouw voor Israël duurt voor altijd. Heel het volk juichte luid, omdat het huis van de HEERE gegrondvest werd. 12. Maar veel oude priesters, Levieten en familiehoofden die het eerste huis gezien hadden, huilden luid toen zij het fundament van dit huis zagen. Anderen juichten juist luid van vreugde. 13. Het volk kon het gejuich van vreugde niet onderscheiden van het huilen van het volk. Het volk juichte zo luid dat het tot in de verte te horen was. ## Ezra 4 — De bouw wordt tegengewerkt 1. De tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden dat de teruggekeerde ballingen een tempel bouwden voor de HEERE, de God van Israël. 2. Zij kwamen naar Zerubbabel en de familiehoofden toe en zeiden: Laat ons met u meebouwen, want wij zoeken uw God net als u. Wij offeren Hem al sinds de dagen van Esar-Haddon, de koning van Assur, die ons hierheen heeft gebracht. 3. Maar Zerubbabel, Jesua en de andere familiehoofden van Israël zeiden tegen hen: Het past niet dat u met ons een huis voor onze God bouwt. Wij alleen zullen bouwen voor de HEERE, de God van Israël, zoals koning Kores van Perzië ons bevolen heeft. 4. Toen ontmoedigde het volk van het land de mensen van Juda en maakte hen bang om te bouwen. 5. Zij huurden raadgevers in om hun plannen te dwarsbomen. Dat deden zij zolang Kores, de koning van Perzië, regeerde, tot in de regering van Darius, de koning van Perzië. 6. Aan het begin van de regering van Ahasveros schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem. 7. In de dagen van Arthahsasta schreven Bislam, Mithredath, Tabeël en de anderen van hun groep aan Arthahsasta, de koning van Perzië. De brief was in het Aramees geschreven en werd ook zo vertaald. 8. Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven de volgende brief tegen Jeruzalem aan koning Arthahsasta. 9. De afzenders waren Rehum, de kanselier, Simsai, de schrijver, en de anderen van hun groep. Dat waren de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten en de Afarsieten. Verder de Archevieten, de Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten en de Elamieten. 10. Ook de andere volken schreven mee. De grote en beroemde Asnappar had hen weggevoerd en in de stad Samaria laten wonen. Verder schreven de anderen aan deze kant van de rivier mee. 11. Dit is het afschrift van de brief die zij aan koning Arthahsasta stuurden: Uw dienaren, de mannen aan deze kant van de rivier. 12. De koning moet weten dat de Joden die bij u vandaan kwamen, bij ons in Jeruzalem zijn aangekomen. Zij bouwen die opstandige en slechte stad weer op. Zij maken de muren af en herstellen de fundamenten. 13. De koning moet ook weten wat er gebeurt als die stad opgebouwd is en de muren klaar zijn. Dan betalen zij geen belasting, accijns of tol meer, en dat kost de koningen inkomsten. 14. Wij worden uit het paleis betaald, en het past ons niet toe te zien hoe de koning oneer wordt aangedaan. Daarom sturen wij dit bericht om de koning op de hoogte te brengen. 15. Laat men zoeken in het boek van de kronieken van uw voorouders. Dan zult u in dat boek vinden dat deze stad opstandig was en schade toebracht aan koningen en gewesten. Al van oudsher hebben zij daar opstand gesticht. Daarom is die stad verwoest. 16. Wij laten de koning dus weten wat er gebeurt als die stad opgebouwd wordt. Zijn de muren eenmaal klaar, dan houdt u niets meer over aan deze kant van de rivier. 17. De koning stuurde dit antwoord aan Rehum, de kanselier, aan Simsai, de schrijver, en aan de anderen van hun groep die in Samaria woonden. Ook de anderen aan deze kant van de rivier kregen het: Vrede. 18. De brief die u ons gestuurd hebt, is mij duidelijk voorgelezen. 19. Op mijn bevel is er gezocht, en men heeft gevonden dat deze stad zich van oudsher tegen de koningen verzet heeft. Er is daar opstand en afval geweest. 20. Er zijn ook machtige koningen over Jeruzalem geweest, die heersten over het hele gebied aan de overkant van de rivier. Aan hen werd belasting, accijns en tol betaald. 21. Geef nu bevel die mannen tegen te houden. Die stad mag niet opgebouwd worden, tot ik daar bevel toe geef. 22. Pas op dat u hierin geen fout maakt. Waarom zou de schade voor de koningen groter worden? 23. Het afschrift van de brief van koning Arthahsasta werd aan Rehum, Simsai, de schrijver, en hun groep voorgelezen. Toen gingen zij haastig naar de Joden in Jeruzalem. Met geweld en macht hielden zij hen tegen. 24. Toen kwam het werk aan het huis van God in Jeruzalem stil te liggen. Het lag stil tot in het tweede jaar van de regering van Darius, de koning van Perzië. ## Ezra 5 — De brief van Thathnai aan Darius 1. De profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tegen de Joden in Juda en Jeruzalem. Zij deden dat in de naam van de God van Israël. 2. Toen stonden Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, op. Zij begonnen het huis van God in Jeruzalem te bouwen, met de profeten van God die hen steunden. 3. In die tijd kwamen Thathnai, de landvoogd van het gebied aan deze kant van de rivier, en Sthar-Boznai met hun groep naar hen toe. Zij vroegen: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en deze muur af te maken? 4. Ook vroegen zij ons hoe de mannen heetten die aan dit gebouw werkten. 5. Maar het oog van hun God waakte over de oudsten van de Joden. Daarom hielden zij hen niet tegen, tot de zaak bij Darius kwam en zij daarover antwoord terugkregen. 6. Dit is het afschrift van de brief die Thathnai, de landvoogd van het gebied aan deze kant van de rivier, aan koning Darius stuurde. Hij deed dat met Sthar-Boznai en zijn groep, de Afarsechaïeten uit dat gebied. 7. Zij stuurden hem een verslag. Daarin stond: Koning Darius, alle vrede voor u. 8. De koning moet weten dat wij naar het gewest Juda zijn gegaan, naar het huis van de grote God. Dat wordt gebouwd met grote stenen, en er wordt hout in de wanden gelegd. Het werk gaat snel en het vlot onder hun handen. 9. Wij hebben die oudsten gevraagd wie hun bevel gegeven had dit huis te bouwen en deze muur af te maken. 10. Wij hebben ook naar hun namen gevraagd, om die aan u door te geven. Zo konden wij de namen opschrijven van de mannen die hun leiders zijn. 11. Zij gaven ons dit antwoord: Wij zijn dienaren van de God van de hemel en de aarde. Wij bouwen het huis dat hier vele jaren geleden al gebouwd is. Een groot koning van Israël had het gebouwd en afgemaakt. 12. Maar onze voorouders maakten de God van de hemel woedend. Daarom gaf Hij hen over aan Nebukadnezar, de koning van Babel, de Chaldeeër. Die heeft dat huis verwoest en het volk naar Babel weggevoerd. 13. Maar in het eerste jaar van Kores, de koning van Babel, gaf koning Kores bevel dit huis van God te bouwen. 14. Nebukadnezar had de gouden en zilveren voorwerpen uit de tempel in Jeruzalem weggehaald en in de tempel van Babel gezet. Koning Kores haalde die daar weer uit en gaf ze aan een man die Sesbazar heette, die hij als landvoogd had aangesteld. 15. Hij zei tegen hem: Neem deze voorwerpen mee en breng ze naar de tempel in Jeruzalem. Laat het huis van God op zijn plaats herbouwd worden. 16. Toen kwam die Sesbazar en legde de fundamenten van het huis van God in Jeruzalem. Van toen af tot nu toe wordt eraan gebouwd, maar het is nog niet klaar. 17. Als de koning het goedvindt, laat men dan zoeken in het schathuis van de koning in Babel. Misschien is er inderdaad een bevel van koning Kores om dit huis van God in Jeruzalem te bouwen. Laat de koning ons dan zijn besluit hierover toesturen. ## Ezra 6 — Darius laat de tempel afbouwen 1. Toen gaf koning Darius bevel, en zij zochten in de kanselarij in Babel, waar de schatten bewaard werden. 2. In Achmetha, de burcht in het gewest Medië, werd een rol gevonden. Daarin stond het volgende bericht. 3. In het eerste jaar van koning Kores gaf hij dit bevel: Het huis van God in Jeruzalem moet herbouwd worden. Dat gebeurt op de plaats waar men offers brengt. De fundamenten moeten stevig zijn. Het huis wordt ongeveer 27 meter hoog en 27 meter breed. 4. Er komen drie lagen grote stenen en een laag nieuw hout. De kosten worden uit het huis van de koning betaald. 5. Ook moeten de gouden en zilveren voorwerpen van het huis van God worden teruggegeven. Nebukadnezar had die uit de tempel in Jeruzalem weggevoerd naar Babel. Zij moeten terug naar de tempel in Jeruzalem, naar hun eigen plaats, en in het huis van God gezet worden. 6. Darius liet antwoorden: Nu dan, Thathnai, landvoogd aan de overkant van de rivier, en Sthar-Boznai met uw groep, de Afarsechaïeten daar. Blijf uit de buurt. 7. Laat het werk aan dit huis van God met rust. De landvoogd van de Joden en hun oudsten mogen dit huis van God op zijn plaats bouwen. 8. Ik geef ook bevel over wat u voor die oudsten van de Joden moet doen om dit huis van God te bouwen. Uit de inkomsten van de koning, uit de belasting van het gebied aan de overkant van de rivier, moeten die mannen snel betaald krijgen. Zo valt het werk niet stil. 9. Wat zij nodig hebben, moeten zij krijgen. Dat zijn jonge stieren, rammen en lammeren voor de brandoffers aan de God van de hemel, en tarwe, zout, wijn en olie. De priesters in Jeruzalem zeggen wat nodig is, en zij krijgen het elke dag, zonder mankeren. 10. Dan kunnen zij offers brengen die de God van de hemel aangenaam zijn, en bidden voor het leven van de koning en zijn kinderen. 11. Verder geef ik bevel: bij wie dit besluit verandert, wordt een balk uit zijn huis gerukt en rechtop gezet, en daaraan wordt hij opgehangen. Zijn huis wordt daarom een mesthoop. 12. De God die zijn naam daar heeft laten wonen, werpe elk volk en elke koning neer die zich hiertegen keert. Wie zijn hand uitsteekt om dit huis van God in Jeruzalem te veranderen of te verwoesten, zal Hij neerwerpen. Ik, Darius, heb dit bevel gegeven. Het moet snel worden uitgevoerd. 13. Thathnai, de landvoogd aan de overkant van de rivier, Sthar-Boznai en hun groep deden meteen wat koning Darius geschreven had. 14. De oudsten van de Joden bouwden verder, en het ging goed door het profeteren van de profeet Haggai en van Zacharia, de zoon van Iddo. Zij bouwden en maakten het af naar het bevel van de God van Israël. Ook deden zij het naar het bevel van Kores, Darius en Arthahsasta, de koningen van Perzië. 15. Dit huis was klaar op de derde dag van de maand Adar, in het zesde jaar van de regering van koning Darius. 16. De Israëlieten, de priesters, de Levieten en de andere teruggekeerde ballingen wijdden dit huis van God met vreugde in. 17. Bij de inwijding van dit huis van God offerden zij honderd runderen, tweehonderd rammen en vierhonderd lammeren. Ook offerden zij twaalf geitenbokken als zondoffer voor heel Israël, één voor elke stam. 18. Zij stelden de priesters in hun afdelingen aan en de Levieten in hun groepen. Zo dienden zij God in Jeruzalem, zoals in het boek van Mozes staat. 19. De teruggekeerde ballingen vierden het pascha op de veertiende dag van de eerste maand. 20. De priesters en de Levieten hadden zich als één man gereinigd, en zij waren allemaal rein. Zij slachtten het paaslam voor alle teruggekeerde ballingen, voor hun broers, de priesters, en voor zichzelf. 21. Zo aten de Israëlieten die uit de ballingschap teruggekomen waren. Ook iedereen die zich van de onreinheid van de volken in het land had afgezonderd, at mee. Zij wilden de HEERE, de God van Israël, zoeken. 22. Zij vierden zeven dagen lang het feest van de ongezuurde broden, met blijdschap. De HEERE had hen blij gemaakt en het hart van de koning van Assur naar hen toe gekeerd. Zo hielp die hen bij het werk aan het huis van God, de God van Israël. ## Ezra 7 — Ezra gaat naar Jeruzalem 1. Hierna, in de regering van Arthahsasta, de koning van Perzië, kwam Ezra. Hij was de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Hilkia, 2. de zoon van Sallum, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitub, 3. de zoon van Amarja, de zoon van Azarja, de zoon van Merajoth, 4. de zoon van Zerahja, de zoon van Uzzi, de zoon van Bukki, 5. de zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de hogepriester. 6. Deze Ezra kwam uit Babel. Hij was een kundig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de HEERE, de God van Israël, gegeven heeft. De koning gaf hem alles wat hij vroeg, want de hand van de HEERE, zijn God, was over hem. 7. Ook een aantal Israëlieten, priesters, Levieten, zangers, poortwachters en tempelknechten trok op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van koning Arthahsasta. 8. Hij kwam in de vijfde maand in Jeruzalem aan, in het zevende jaar van deze koning. 9. Op de eerste dag van de eerste maand begon de tocht uit Babel. Op de eerste dag van de vijfde maand kwam hij in Jeruzalem aan, want de goede hand van zijn God was over hem. 10. Ezra had zijn hart erop gezet de wet van de HEERE te zoeken en te doen, en om Israël de voorschriften en regels te leren. 11. Dit is het afschrift van de brief die koning Arthahsasta aan Ezra gaf. Ezra was priester en schriftgeleerde, kundig in de geboden en voorschriften die de HEERE aan Israël gaf. 12. Arthahsasta, koning van de koningen, aan Ezra, de priester en schriftgeleerde van de wet van de God van de hemel: alle vrede. 13. Ik geef bevel dat iedereen uit het volk van Israël in mijn koninkrijk vrij met u mee mag gaan naar Jeruzalem. Dat geldt ook voor hun priesters en Levieten. 14. U wordt namelijk door de koning en zijn zeven raadsheren gestuurd. U moet in Judea en Jeruzalem onderzoek doen naar de wet van uw God, die u bij zich hebt. 15. Ook moet u het zilver en goud meenemen voor de God van Israël, die in Jeruzalem woont. De koning en zijn raadsheren hebben dat vrijwillig gegeven. 16. Neem ook al het zilver en goud mee dat u in het hele gewest Babel vindt. Daarbij horen de vrijwillige gaven van het volk en de priesters voor het huis van hun God in Jeruzalem. 17. Koop daar dan meteen runderen, rammen en lammeren voor, met de bijbehorende graanoffers en drankoffers. Offer die op het altaar van het huis van uw God in Jeruzalem. 18. Wat u en uw broers goeddunkt met het overige zilver en goud te doen, mag u doen, zoals uw God het wil. 19. De voorwerpen die u gekregen hebt voor de dienst in het huis van uw God, moet u afgeven bij de God van Jeruzalem. 20. Wat er verder nodig is voor het huis van uw God en wat u moet uitgeven, mag u uit het schathuis van de koning betalen. 21. Ik, koning Arthahsasta, geef bevel aan alle schatmeesters aan de overkant van de rivier. Alles wat Ezra, de priester en schriftgeleerde van de wet van de God van de hemel, van u vraagt, moet snel gedaan worden. 22. Dat gaat tot ongeveer 3,4 ton zilver, 22 ton tarwe, 2.200 liter wijn en 2.200 liter olie, en zout zonder vaste hoeveelheid. 23. Alles wat de God van de hemel beveelt, moet zorgvuldig gedaan worden voor het huis van de God van de hemel. Waarom zou er grote toorn komen over het koninkrijk van de koning en zijn kinderen? 24. Wij laten u ook weten dat u hun geen belasting, accijns of tol mag opleggen. Dat geldt voor alle priesters, Levieten, zangers, poortwachters, tempelknechten en andere dienaren van het huis van deze God. 25. En u, Ezra, moet met de wijsheid van uw God die u bij zich hebt, bestuurders en rechters aanstellen. Zij moeten recht spreken over het hele volk aan de overkant van de rivier, over iedereen die de wetten van God kent. Wie ze niet kent, moet u ze leren. 26. Wie de wet van uw God en de wet van de koning niet doet, moet snel berecht worden. De straf is de dood, verbanning, een boete of gevangenschap. 27. Geprezen zij de HEERE, de God van onze voorouders. Hij heeft dit in het hart van de koning gegeven, om het huis van de HEERE in Jeruzalem mooi te maken. 28. Hij heeft mij trouw bewezen bij de koning, zijn raadsheren en alle machtige leiders van de koning. Ik vatte moed, want de hand van de HEERE, mijn God, was over mij. Ik riep de hoofden uit Israël bijeen om met mij op te trekken. ## Ezra 8 — De tocht van Ezra naar Jeruzalem 1. Dit zijn de familiehoofden met hun geslachtsregister die met mij uit Babel optrokken, tijdens de regering van koning Arthahsasta. 2. Van de nakomelingen van Pinehas: Gersom. Van de nakomelingen van Ithamar: Daniël. Van de nakomelingen van David: Hattus. 3. Van de nakomelingen van Sechanja, uit de nakomelingen van Paros: Zacharja, met 150 mannen die in het register stonden. 4. Van de nakomelingen van Pahath-Moab: Eljehoenai, de zoon van Zerahja, met tweehonderd mannen. 5. Van de nakomelingen van Sechanja: de zoon van Jahaziël, met driehonderd mannen. 6. Van de nakomelingen van Adin: Ebed, de zoon van Jonathan, met vijftig mannen. 7. Van de nakomelingen van Elam: Jesaja, de zoon van Athalja, met zeventig mannen. 8. Van de nakomelingen van Sefatja: Zebadja, de zoon van Michaël, met tachtig mannen. 9. Van de nakomelingen van Joab: Obadja, de zoon van Jehiël, met 218 mannen. 10. Van de nakomelingen van Selomith: de zoon van Josifja, met 160 mannen. 11. Van de nakomelingen van Babai: Zacharja, de zoon van Bebai, met achtentwintig mannen. 12. Van de nakomelingen van Azgad: Johanan, de zoon van Katan, met 110 mannen. 13. Van de laatste nakomelingen van Adonikam: Elifelet, Jehiël en Semaja, met zestig mannen. 14. Van de nakomelingen van Bigvai: Uthai en Zabbud, met zeventig mannen. 15. Ik verzamelde hen bij de rivier die naar Ahava loopt, en daar bleven wij drie dagen. Toen keek ik naar het volk en de priesters, en ik vond daar niemand van de Levieten. 16. Daarom liet ik Eliëzer, Ariël, Semaja, Elnathan, Jarib, Elnathan, Nathan, Zacharja en Mesullam roepen, die hoofden waren. Ook liet ik Jojarib en Elnathan roepen, die leraren waren. 17. Ik stuurde hen naar Iddo, het hoofd in de plaats Chasifja. Ik legde hun de woorden in de mond die zij tegen Iddo, zijn broer en de tempelknechten daar moesten zeggen. Zij moesten ons dienaren voor het huis van onze God brengen. 18. De goede hand van onze God was over ons. Zij brachten ons een verstandig man uit de nakomelingen van Mahli, de zoon van Levi, de zoon van Israël. Het was Serebja, met zijn zonen en broers, achttien man. 19. Ook kwam Hasabja, met Jesaja uit de nakomelingen van Merari, met zijn broers en hun zonen, twintig man. 20. Verder kwamen er 220 tempelknechten, die David en de leiders aan de Levieten gegeven hadden. Zij werden allemaal bij naam genoemd. 21. Daar bij de rivier Ahava riep ik een vasten uit. Wij wilden ons voor onze God vernederen en Hem om een veilige reis vragen, voor ons, onze kinderen en al onze bezittingen. 22. Ik schaamde mij om de koning om soldaten en ruiters te vragen die ons onderweg tegen de vijand moesten beschermen. Wij hadden namelijk tegen de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over allen die Hem zoeken. Zijn kracht en zijn toorn treffen allen die Hem verlaten. 23. Zo vastten wij en vroegen het aan onze God, en Hij liet zich verbidden. 24. Toen wees ik twaalf van de leiders van de priesters aan: Serebja, Hasabja en tien van hun broers. 25. Ik woog voor hen het zilver, het goud en de voorwerpen af, de gave voor het huis van onze God. Die was gegeven door de koning, zijn raadsheren en zijn leiders, en door heel Israël dat er was. 26. Ik woog hun ongeveer 22 ton zilver toe, en honderd zilveren voorwerpen van elk ongeveer 34 kilo. Aan goud woog ik ongeveer 3,4 ton af. 27. Verder twintig gouden bekers, samen duizend gouden munten waard, en twee voorwerpen van glanzend, goed koper, kostbaar als goud. 28. Ik zei tegen hen: U bent heilig voor de HEERE, en deze voorwerpen zijn heilig. Dit zilver en goud is een vrijwillige gave aan de HEERE, de God van uw voorouders. 29. Waak erover en bewaar het, tot u het in Jeruzalem afweegt. Dat doet u in de kamers van het huis van de HEERE. De leiders van de priesters en de Levieten zijn erbij, met de familiehoofden van Israël. 30. Toen namen de priesters en de Levieten het afgewogen zilver, goud en gerei aan. Zij moesten het naar het huis van onze God in Jeruzalem brengen. 31. Op de twaalfde dag van de eerste maand vertrokken wij van de rivier Ahava naar Jeruzalem. De hand van onze God was over ons. Hij redde ons van de vijand en van wie ons onderweg belaagden. 32. Wij kwamen in Jeruzalem aan en bleven daar drie dagen. 33. Op de vierde dag werden het zilver, het goud en de voorwerpen in het huis van onze God gewogen. Dat gebeurde door de priester Meremoth, de zoon van Uria, met Eleazar, de zoon van Pinehas. Ook de Levieten Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnuï, waren erbij. 34. Alles werd geteld en gewogen, en het hele gewicht werd toen opgeschreven. 35. De teruggekeerde ballingen brachten brandoffers voor de God van Israël: twaalf stieren voor heel Israël, zesennegentig rammen en zevenenzeventig lammeren. Ook offerden zij twaalf bokken als zondoffer. Alles was een brandoffer voor de HEERE. 36. Daarna gaven zij de wetten van de koning aan zijn stadhouders en landvoogden aan deze kant van de rivier. Die hielpen het volk en het huis van God. ## Ezra 9 — Het gebed van Ezra 1. Toen dit alles gedaan was, kwamen de leiders naar mij toe. Zij zeiden: Het volk van Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van deze landen. Zij doen hun gruwelijke dingen na: die van de Kanaänieten, Hethieten, Ferezieten, Jebusieten, Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten. 2. Zij hebben dochters van die volken tot vrouw genomen, voor zichzelf en voor hun zonen. Zo is het heilige volk vermengd met de volken van deze landen. De leiders en bestuurders gingen daarin voorop. 3. Toen ik dit hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel. Ik trok haren uit mijn hoofd en mijn baard en zat verslagen neer. 4. Iedereen die beefde voor de woorden van de God van Israël, kwam bij mij. Zij deden dat om de ontrouw van de teruggekeerde ballingen. Ik bleef verslagen zitten tot het avondoffer. 5. Bij het avondoffer stond ik op uit mijn rouw, met mijn gescheurde kleed en mantel. Ik knielde neer en spreidde mijn handen uit naar de HEERE, mijn God. 6. Ik zei: Mijn God, ik schaam mij diep om mijn gezicht naar U op te heffen. Onze zonden zijn ons boven het hoofd gegroeid en onze schuld reikt tot aan de hemel. 7. Vanaf de dagen van onze voorouders hebben wij grote schuld, tot vandaag toe. Om onze zonden zijn wij overgegeven aan de koningen van de landen, wij, onze koningen en onze priesters. Dat gebeurde door het zwaard, gevangenschap, plundering en schande, zoals vandaag nog. 8. Maar nu is er even genade geweest van de HEERE, onze God. Hij heeft ons een groep laten ontkomen en ons een houvast gegeven op zijn heilige plaats. Zo maakt onze God onze ogen weer helder en geeft Hij ons een beetje leven in onze slavernij. 9. Wij zijn immers slaven. Maar onze God heeft ons in onze slavernij niet verlaten. Hij heeft ons trouw laten vinden bij de koningen van Perzië. Zo gaf Hij ons een beetje leven om het huis van onze God op te bouwen en de puinhopen ervan te herstellen. Ook gaf Hij ons bescherming in Juda en Jeruzalem. 10. En nu, onze God, wat moeten wij hierna nog zeggen? Wij hebben uw geboden verlaten. 11. U hebt die geboden door uw dienaren, de profeten, gegeven. U zei: Het land dat jullie in bezit gaan nemen, is een onrein land. De volken van die landen hebben het met hun gruwelijke daden bevuild, van het ene einde tot het andere. 12. Geef daarom jullie dochters niet aan hun zonen en neem hun dochters niet voor jullie zonen. Zoek nooit hun vrede of hun voorspoed. Dan worden jullie sterk, eten jullie het goede van het land en laten jullie het voor altijd aan jullie kinderen na. 13. Alles wat ons overkomen is, kwam door onze slechte daden en onze grote schuld. En toch, onze God, hebt U ons minder gestraft dan onze zonden verdienden en ons een groep laten ontkomen. 14. Zouden wij dan opnieuw uw geboden breken en ons verzwageren met de volken van deze gruwelijke daden? Zou U niet zo woedend op ons worden dat er niemand overblijft en niemand ontkomt? 15. HEERE, God van Israël, U bent rechtvaardig. Wij zijn overgebleven als een kleine groep, zoals het vandaag is. Kijk, wij staan met onze schuld voor U, en zo kan niemand voor U bestaan. ## Ezra 10 — Het volk stuurt de vreemde vrouwen weg 1. Terwijl Ezra zo bad en dit beleed, huilde hij en wierp hij zich voor het huis van God neer. Er kwam een heel grote menigte Israëlieten bij hem, mannen, vrouwen en kinderen, want het volk huilde luid. 2. Toen zei Sechanja, de zoon van Jehiël, een van de nakomelingen van Elam, tegen Ezra: Wij zijn ontrouw geweest aan onze God. Wij hebben vrouwen van de volken van het land bij ons laten wonen. Maar hierin is er nog hoop voor Israël. 3. Laten wij nu een verbond sluiten met onze God om al die vrouwen en hun kinderen weg te sturen. Dat doen wij naar de raad van de HEERE en van wie beven voor het gebod van onze God. Laat het gaan zoals de wet het zegt. 4. Sta op, want dit is uw zaak. Wij staan achter u. Wees sterk en doe het. 5. Toen stond Ezra op. Hij liet de leiders van de priesters, de Levieten en heel Israël zweren dat zij dit zouden doen, en zij zwoeren het. 6. Ezra stond op van voor het huis van God en ging naar de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib. Daar at hij geen brood en dronk hij geen water, want hij rouwde om de ontrouw van de teruggekeerde ballingen. 7. Zij lieten in Juda en Jeruzalem omroepen dat alle teruggekeerde ballingen naar Jeruzalem moesten komen. 8. Wie niet binnen drie dagen kwam, zou volgens het besluit van de leiders en de oudsten al zijn bezit verliezen. Hij zou ook worden uitgesloten uit de vergadering van de teruggekeerde ballingen. 9. Binnen drie dagen kwamen alle mannen van Juda en Benjamin in Jeruzalem bijeen. Het was de twintigste dag van de negende maand. Heel het volk zat op het plein bij het huis van God, rillend om deze zaak en van de stortregens. 10. Toen stond de priester Ezra op en zei tegen hen: U bent ontrouw geweest en hebt vrouwen van vreemde volken bij u laten wonen. Zo hebt u de schuld van Israël nog groter gemaakt. 11. Belijd het nu aan de HEERE, de God van uw voorouders, en doe wat Hij wil. Ga weg bij de volken van het land en bij de vreemde vrouwen. 12. De hele vergadering antwoordde met luide stem: U hebt gelijk, wij moeten doen wat u zegt. 13. Maar het volk is met velen en het is de tijd van de stortregens. Wij kunnen hier niet buiten blijven staan. Het is ook geen werk van één of twee dagen, want velen van ons zijn hierin ontrouw geweest. 14. Laat onze leiders daarom voor de hele vergadering optreden. Iedereen in onze steden die een vreemde vrouw bij zich heeft laten wonen, komt dan op een vastgestelde tijd. De oudsten en de rechters van elke stad komen met hen mee. Zo keren wij de brandende toorn van onze God over deze zaak van ons af. 15. Alleen Jonathan, de zoon van Asahel, en Jehazia, de zoon van Tikva, waren hiertegen. Mesullam en de Leviet Sabbethai steunden hen. 16. De teruggekeerde ballingen deden het zo. De priester Ezra koos mannen uit, familiehoofden, elk voor zijn familie, allemaal bij naam genoemd. Op de eerste dag van de tiende maand gingen zij zitten om deze zaak te onderzoeken. 17. Op de eerste dag van de eerste maand waren zij klaar met alle mannen die een vreemde vrouw bij zich hadden laten wonen. 18. Onder de zonen van de priesters bleken er te zijn die een vreemde vrouw hadden. Van de zonen van Jesua, de zoon van Jozadak, en zijn broers: Maäseja, Eliëzer, Jarib en Gedalja. 19. Zij beloofden met de hand dat zij hun vrouwen zouden wegsturen. Voor hun schuld offerden zij een ram uit de kudde. 20. Van de nakomelingen van Immer: Hanani en Zebadja. 21. Van de nakomelingen van Harim: Maäseja, Elia, Semaja, Jehiël en Uzia. 22. Van de nakomelingen van Pashur: Eljoënai, Maäseja, Ismaël, Nethaneël, Jozabad en Elasa. 23. Van de Levieten: Jozabad, Simeï, Kelaja, die ook Kelita heet, Pethahja, Juda en Eliëzer. 24. Van de zangers: Eljasib. Van de poortwachters: Sallum, Telem en Uri. 25. Van Israël: van de nakomelingen van Paros: Ramja, Jezia, Malchia, Mijamin, Eleazar, Malchia en Benaja. 26. Van de nakomelingen van Elam: Mattanja, Zacharja, Jehiël, Abdi, Jeremoth en Elia. 27. Van de nakomelingen van Zatthu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, Jeremoth, Zabad en Aziza. 28. Van de nakomelingen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai en Athlai. 29. Van de nakomelingen van Bani: Mesullam, Malluch, Adaja, Jasub, Seal en Jeramoth. 30. Van de nakomelingen van Pahath-Moab: Adna, Chelal, Benaja, Maäseja, Mattanja, Bezaleël, Binnuï en Manasse. 31. Van de nakomelingen van Harim: Eliëzer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon, 32. Benjamin, Malluch en Semarja. 33. Van de nakomelingen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse en Simeï. 34. Van de nakomelingen van Bani: Maädai, Amram, Uël, 35. Benaja, Bedeja, Cheluhu, 36. Vanja, Meremoth, Eljasib, 37. Mattanja, Mathnai, Jaäsai, 38. Bani, Binnuï, Simeï, 39. Selemja, Nathan, Adaja, 40. Machnadbai, Sasai, Saraï, 41. Azareël, Selemja, Semarja, 42. Sallum, Amarja en Jozef. 43. Van de nakomelingen van Nebo: Jeïel, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, Joël en Benaja. 44. Zij hadden allemaal vreemde vrouwen genomen. Sommigen van hen hadden bij die vrouwen kinderen gekregen. ## Nehemia 1 — Nehemia hoort over Jeruzalem 1. Dit is de geschiedenis van Nehemia, de zoon van Hachalja. In de maand Chisleu, in het twintigste jaar, was ik in de burcht van Susan. 2. Toen kwam Hanani, een van mijn broers, met een paar mannen uit Juda. Ik vroeg hun naar de Joden die ontkomen waren en uit de ballingschap waren overgebleven, en naar Jeruzalem. 3. Zij zeiden tegen mij: De mensen die daar in het gewest uit de ballingschap zijn overgebleven, leven in grote ellende en schande. De muur van Jeruzalem is afgebroken en de poorten zijn verbrand. 4. Toen ik dit hoorde, ging ik zitten en huilde. Dagenlang rouwde ik, en ik vastte en bad voor de God van de hemel. 5. Ik zei: HEERE, God van de hemel, grote en ontzagwekkende God. U houdt zich aan het verbond en blijft trouw aan wie U liefhebben en zich aan uw geboden houden. 6. Laat uw oor luisteren en uw ogen open zijn, en hoor het gebed van uw dienaar. Dag en nacht bid ik voor U voor de Israëlieten, uw dienaren. Ik belijd de zonden van de Israëlieten, die wij tegen U begaan hebben. Ook ik en mijn familie hebben gezondigd. 7. Wij hebben het helemaal bij U verbruid. Wij hebben ons niet gehouden aan de geboden, de voorschriften en de regels die U aan uw dienaar Mozes hebt gegeven. 8. Denk toch aan het woord dat U aan uw dienaar Mozes gegeven hebt. U zei: Als jullie ontrouw worden, zal ik jullie onder de volken verstrooien. 9. Maar als jullie naar mij terugkeren en je aan mijn geboden houden en die doen, dan haal ik jullie terug. Al waren jullie verdreven tot aan het einde van de hemel, ik zal jullie daar weghalen. Ik breng jullie naar de plaats die ik heb uitgekozen om er mijn naam te laten wonen. 10. Zij zijn toch uw dienaren en uw volk, dat U verlost hebt met uw grote kracht en uw sterke hand. 11. HEERE, laat uw oor toch luisteren naar het gebed van uw dienaar. Luister ook naar het gebed van uw dienaren die graag ontzag voor uw naam hebben. Laat het uw dienaar vandaag lukken en geef hem barmhartigheid bij deze man. Ik was namelijk de schenker van de koning. ## Nehemia 2 — Nehemia gaat naar Jeruzalem 1. In de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Arthahsasta, stond er wijn voor hem. Ik nam de wijn op en gaf die aan de koning. Nooit eerder was ik verdrietig geweest in zijn aanwezigheid. 2. De koning zei tegen mij: Waarom kijkt u zo verdrietig? U bent toch niet ziek? Dit kan alleen verdriet van het hart zijn. Toen werd ik heel bang. 3. Ik zei tegen de koning: Lang leve de koning! Hoe zou ik niet verdrietig kijken? De stad waar mijn voorouders begraven liggen, ligt in puin, en haar poorten zijn door vuur verteerd. 4. De koning zei tegen mij: Wat wilt u vragen? Toen bad ik tot de God van de hemel. 5. Ik zei tegen de koning: Als de koning het goedvindt en als uw dienaar bij u in de gunst staat, stuur mij dan naar Juda. Laat mij de stad herbouwen waar mijn voorouders begraven liggen. 6. De koning vroeg mij, terwijl de koningin naast hem zat: Hoe lang duurt uw reis, en wanneer komt u terug? Het beviel de koning mij te sturen, en ik noemde hem een datum. 7. Verder zei ik tegen de koning: Als de koning het goedvindt, geef mij dan brieven mee voor de landvoogden aan de overkant van de rivier. Zij moeten mij doorlaten tot ik in Juda kom. 8. Geef mij ook een brief voor Asaf, de beheerder van het bos van de koning. Hij moet mij hout geven voor de balken van de poorten van de burcht bij het huis. Ook heb ik hout nodig voor de stadsmuur en voor het huis waar ik zal wonen. De koning gaf ze mij, want de goede hand van mijn God was over mij. 9. Toen kwam ik bij de landvoogden aan de overkant van de rivier en gaf hun de brieven van de koning. De koning had ook legeraanvoerders en ruiters met mij meegestuurd. 10. Sanballat uit Horon en Tobia, de Ammonitische dienaar, hoorden dat. Het beviel hun helemaal niet dat er iemand gekomen was die het goede zocht voor de Israëlieten. 11. Ik kwam in Jeruzalem aan en bleef daar drie dagen. 12. Daarna stond ik 's nachts op, met een paar mannen. Ik had niemand verteld wat mijn God mij in het hart gegeven had om voor Jeruzalem te doen. Ik had geen ander dier bij mij dan het dier waarop ik reed. 13. 's Nachts ging ik door de Dalpoort naar buiten, langs de Drakenbron naar de Mestpoort. Ik bekeek de muren van Jeruzalem, die afgebroken waren, en haar poorten, die door vuur verteerd waren. 14. Ik ging verder naar de Bronpoort en naar de vijver van de koning. Daar was geen ruimte voor het dier om onder mij door te gaan. 15. Toen ging ik 's nachts omhoog door het dal en bekeek de muur. Daarna keerde ik om en kwam weer binnen door de Dalpoort. 16. De bestuurders wisten niet waar ik heen was gegaan of wat ik deed. Ik had nog niets verteld aan de Joden, de priesters, de edelen, de bestuurders en de anderen die het werk deden. 17. Toen zei ik tegen hen: U ziet in wat voor ellende wij zitten. Jeruzalem ligt in puin en haar poorten zijn verbrand. Kom, laten wij de muur van Jeruzalem opbouwen, zodat wij niet langer bespot worden. 18. Ik vertelde hun hoe de hand van mijn God goed voor mij geweest was, en wat de koning tegen mij gezegd had. Toen zeiden zij: Laten wij aan de slag gaan en bouwen. En zij pakten het goede werk stevig aan. 19. Sanballat uit Horon, Tobia, de Ammonitische dienaar, en Gesem de Arabier hoorden dat. Zij bespotten ons en keken op ons neer. Zij zeiden: Wat is dat nu wat u doet? Wilt u tegen de koning in opstand komen? 20. Ik gaf hun dit antwoord: De God van de hemel zal het ons laten lukken. Wij, zijn dienaren, gaan aan de slag en bouwen. U hebt geen deel, geen recht en geen aandenken in Jeruzalem. ## Nehemia 3 — Wie aan de muur bouwden 1. Eljasib, de hogepriester, ging met zijn broers, de priesters, aan de slag. Zij bouwden de Schaapspoort, wijdden die en zetten de deuren erin. Zij wijdden de muur tot aan de toren Mea en de toren Hananeël. 2. Naast hem bouwden de mannen van Jericho, en daarnaast bouwde Zacchur, de zoon van Imri. 3. De Vispoort werd gebouwd door de mensen van Senaä. Zij legden de balken en zetten de deuren erin, met de sloten en de grendels. 4. Naast hen herstelde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz. Daarnaast herstelde Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël. Daarnaast herstelde Zadok, de zoon van Baëna. 5. Daarnaast herstelden de mensen van Thekoa. Maar hun vooraanstaande mannen wilden zich niet voor het werk van hun Heere buigen. 6. De Oude Poort herstelden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de zoon van Besodja. Zij legden de balken en zetten de deuren erin, met de sloten en de grendels. 7. Daarnaast herstelden Melatja uit Gibeon en Jadon uit Meronoth, met de mannen van Gibeon en Mizpa. Zij werkten tot aan de zetel van de landvoogd aan deze kant van de rivier. 8. Daarnaast herstelde Uzziël, de zoon van Harhoja, een van de goudsmeden. Daarnaast herstelde Hananja, de zoon van een van de zalfbereiders. Zij herstelden Jeruzalem tot aan de brede muur. 9. Daarnaast herstelde Refaja, de zoon van Hur, de leider van de ene helft van Jeruzalem. 10. Daarnaast herstelde Jedaja, de zoon van Harumaf, tegenover zijn eigen huis. Daarnaast herstelde Hattus, de zoon van Hasabneja. 11. Een tweede stuk herstelden Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-Moab. Zij herstelden ook de Bakoventoren. 12. Daarnaast herstelde Sallum, de zoon van Lohes, de leider van de andere helft van Jeruzalem, met zijn dochters. 13. De Dalpoort herstelden Hanun en de inwoners van Zanoah. Zij bouwden die en zetten de deuren erin, met de sloten en de grendels. Ook herstelden zij 450 meter muur, tot aan de Mestpoort. 14. De Mestpoort herstelde Malchia, de zoon van Rechab, de leider van het gebied Beth-Cherem. Hij bouwde die en zette de deuren erin, met de sloten en de grendels. 15. De Bronpoort herstelde Sallum, de zoon van Kol-Hoze, de leider van het gebied Mizpa. Hij bouwde die, overdekte hem en zette de deuren erin, met de sloten en de grendels. Ook herstelde hij de muur van de vijver Selah bij de tuin van de koning. Hij werkte tot aan de trappen die van de Stad van David afdalen. 16. Na hem herstelde Nehemia, de zoon van Azbuk, de leider van de ene helft van Beth-Zur. Hij werkte tot tegenover de graven van David, tot aan de gegraven vijver en tot aan het huis van de helden. 17. Na hem herstelden de Levieten, met Rehum, de zoon van Bani. Daarnaast herstelde Hasabja, de leider van de ene helft van Kehila, voor zijn eigen gebied. 18. Na hem herstelden hun broers, met Bavai, de zoon van Henadad, de leider van de andere helft van Kehila. 19. Daarnaast herstelde Ezer, de zoon van Jesua, de leider van Mizpa, een tweede stuk. Dat lag tegenover de opgang naar het wapenhuis, bij de hoek. 20. Na hem herstelde Baruch, de zoon van Zabbai, vol vuur een tweede stuk. Dat liep van de hoek tot aan de deur van het huis van Eljasib, de hogepriester. 21. Na hem herstelde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz, een tweede stuk. Dat liep van de deur van het huis van Eljasib tot aan het einde van dat huis. 22. Na hem herstelden de priesters die in de omgeving woonden. 23. Daarna herstelden Benjamin en Hassub, tegenover hun eigen huis. Na hen herstelde Azaria, de zoon van Maäseja, de zoon van Hananja, bij zijn eigen huis. 24. Na hem herstelde Binnuï, de zoon van Henadad, een tweede stuk. Dat liep van het huis van Azaria tot aan de hoek en de bocht. 25. Palal, de zoon van Uzai, werkte tegenover de hoek en de hoge toren. Die toren steekt uit het paleis van de koning naar voren, bij de voorhof van de gevangenis. Na hem werkte Pedaja, de zoon van Paros. 26. De tempelknechten die op de Ofel woonden, herstelden tot tegenover de Waterpoort in het oosten en de uitstekende toren. 27. Daarna herstelden de mensen van Thekoa een tweede stuk, tegenover de grote uitstekende toren en tot aan de muur van de Ofel. 28. Boven de Paardenpoort herstelden de priesters, ieder tegenover zijn eigen huis. 29. Daarna herstelde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn eigen huis. Na hem herstelde Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaker van de Oostpoort. 30. Na hem herstelden Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zesde zoon van Zalaf, een tweede stuk. Na hen herstelde Mesullam, de zoon van Berechja, tegenover zijn eigen kamer. 31. Na hem herstelde Malchia, de zoon van een goudsmid, tot aan het huis van de tempelknechten en de handelaars. Hij werkte tegenover de Wachtpoort, tot aan de bovenzaal op de hoek. 32. Tussen de bovenzaal op de hoek en de Schaapspoort herstelden de goudsmeden en de handelaars. ## Nehemia 4 — Bouwen met het zwaard bij de hand 1. Toen Sanballat hoorde dat wij de muur bouwden, werd hij woedend. Hij bespotte de Joden. 2. In het bijzijn van zijn broers en het leger van Samaria zei hij: Wat doen die zwakke Joden toch? Laat men hen zomaar begaan? Gaan zij offeren? Denken zij het in één dag af te maken? Maken zij de verbrande stenen uit de puinhopen soms weer levend? 3. Tobia de Ammoniet stond naast hem en zei: Laat ze maar bouwen. Als er een vos op springt, breekt hij hun stenen muur al af. 4. Hoor, onze God, hoe wij veracht worden. Laat hun spot op hun eigen hoofd terugkomen. Geef hen als buit in een land van ballingschap. 5. Dek hun schuld niet toe en wis hun zonde niet uit voor U. Zij hebben U getergd, recht tegenover de bouwers. 6. Wij bouwden de muur verder, en de hele muur werd tot op de helft gesloten. Het volk had er hart voor om te werken. 7. Sanballat, Tobia, de Arabieren, de Ammonieten en de mensen van Asdod hoorden dat het herstel van de muren van Jeruzalem vorderde. De gaten begonnen dicht te raken, en daar werden zij woedend over. 8. Zij spanden allemaal samen om tegen Jeruzalem te gaan strijden en verwarring te stichten. 9. Maar wij baden tot onze God en zetten dag en nacht wachters tegen hen uit. 10. Toen zei Juda: De kracht van de dragers is op, en er ligt zoveel puin dat wij niet aan de muur kunnen bouwen. 11. Onze vijanden hadden gezegd: Zij zullen het niet weten of zien, tot wij bij hen zijn. Dan slaan wij hen dood en leggen wij het werk stil. 12. De Joden die bij hen woonden, kwamen wel tien keer bij ons. Zij zeiden dat zij van alle kanten op ons af zouden komen. 13. Daarom stelde ik het volk op in de lage plekken achter de muur en op de open plaatsen. Ik zette hen per familie op, met hun zwaarden, speren en bogen. 14. Ik keek toe, stond op en zei tegen de edelen, de bestuurders en de rest van het volk: Wees niet bang voor hen. Denk aan de HEERE, die groot en ontzagwekkend is. Strijd voor uw broers, uw zonen en dochters, uw vrouwen en uw huizen. 15. Onze vijanden hoorden dat wij het wisten en dat God hun plan verijdeld had. Toen gingen wij allemaal terug naar de muur, ieder naar zijn werk. 16. Vanaf die dag werkte de helft van mijn mannen aan het werk. De andere helft hield de speren, schilden, bogen en pantsers vast. De aanvoerders stonden achter heel het huis van Juda. 17. Wie aan de muur bouwden, wie lasten droegen en wie oplaadden, werkten met één hand. In de andere hand hielden zij hun wapen. 18. De bouwers hadden allemaal hun zwaard om hun middel gegord terwijl zij bouwden. De man die op de hoorn blies, stond naast mij. 19. Ik zei tegen de edelen, de bestuurders en de rest van het volk: Het werk is groot en uitgestrekt. Wij staan ver uit elkaar op de muur. 20. Waar u het geluid van de hoorn hoort, moet u zich bij ons verzamelen. Onze God zal voor ons strijden. 21. Zo werkten wij door, en de helft van hen hield de speren vast, van zonsopgang tot de sterren verschenen. 22. In die tijd zei ik ook tegen het volk: Laat iedereen met zijn knecht binnen Jeruzalem overnachten. Dan houden zij 's nachts wacht voor ons en werken zij overdag. 23. Ik, mijn broers, mijn knechten en de wachters achter mij trokken onze kleren niet uit. Ieder hield zijn wapen bij zich, zelfs als hij water ging halen. ## Nehemia 5 — Nehemia komt op voor de armen 1. Maar er kwam luid geklaag van het volk en hun vrouwen tegen hun broers, de Joden. 2. Sommigen zeiden: Wij zijn met velen, met onze zonen en dochters. Wij moeten graan hebben om te eten en in leven te blijven. 3. Anderen zeiden: Wij verpanden onze akkers, wijngaarden en huizen om in deze hongersnood graan te krijgen. 4. Weer anderen zeiden: Wij hebben geld geleend voor de belasting van de koning, met onze akkers en wijngaarden als onderpand. 5. Ons lichaam is toch net zo als dat van onze broers, en onze kinderen zijn als hun kinderen. Toch moeten wij onze zonen en dochters als slaven afstaan. Sommige van onze dochters zijn al slavin, en wij kunnen er niets aan doen. Onze akkers en wijngaarden zijn van anderen. 6. Toen ik hun geklaag en deze woorden hoorde, werd ik heel boos. 7. Ik overwoog het in mijn hart en klaagde daarna de edelen en de bestuurders aan. Ik zei tegen hen: U legt uw eigen broers een schuldlast op. Verder riep ik een grote vergadering tegen hen bijeen. 8. Ik zei tegen hen: Wij hebben onze broers, de Joden, die aan de volken verkocht waren, zoveel mogelijk teruggekocht. Zou u dan uw eigen broers verkopen, zodat zij weer aan ons verkocht worden? Toen zwegen zij en wisten niets te zeggen. 9. Verder zei ik: Wat u doet, is niet goed. Zou u niet leven met ontzag voor onze God, om de spot van de volken, onze vijanden? 10. Ook ik, mijn broers en mijn knechten lenen hun geld en graan. Laten wij deze schuldlast toch loslaten. 11. Geef hun vandaag nog hun akkers, wijngaarden, olijfgaarden en huizen terug. Geef ook het honderdste deel terug van het geld, het graan, de nieuwe wijn en de olie die u van hen geëist hebt. 12. Toen zeiden zij: Wij geven het terug en eisen niets meer van hen. Wij zullen doen wat u zegt. Ik riep de priesters erbij en liet hen zweren dat zij zich hieraan zouden houden. 13. Ook schudde ik de plooi van mijn kleed uit. Toen zei ik: Wie zich hier niet aan houdt, moge God zo uitschudden uit zijn huis en zijn bezit. Zo moet hij uitgeschud en leeg worden. De hele vergadering zei: Amen. Zij prezen de HEERE, en het volk hield zich eraan. 14. Vanaf de dag dat hij mij aanstelde als hun landvoogd in het land Juda, heb ik het brood van de landvoogd niet gegeten. Dat gold ook voor mijn broers. Het ging om twaalf jaar, van het twintigste tot het tweeëndertigste jaar van koning Arthahsasta. 15. De vorige landvoogden hadden het volk zwaar belast. Zij namen brood en wijn van hen, en daarbij ongeveer een halve kilo zilver. Ook hun knechten heersten over het volk. Maar ik deed dat niet, omdat ik ontzag had voor God. 16. Ik heb juist meegewerkt aan het werk aan deze muur. Wij hebben geen land gekocht, en al mijn knechten werkten daar mee. 17. Aan mijn tafel zaten ook 150 Joden en bestuurders, met de mensen die uit de volken om ons heen naar ons toe kwamen. 18. Per dag werden er een rund en zes uitgelezen schapen klaargemaakt, en ook vogels voor mij. Om de tien dagen was er veel wijn van allerlei soort. Toch vroeg ik het brood van de landvoogd niet, want de lasten voor dit volk waren al zwaar. 19. Denk aan mij ten goede, mijn God, om alles wat ik voor dit volk gedaan heb. ## Nehemia 6 — Pogingen om Nehemia te stoppen 1. Sanballat, Tobia, Gesem de Arabier en onze andere vijanden hoorden dat ik de muur gebouwd had en dat er geen gat meer in zat. De deuren had ik toen nog niet in de poorten gezet. 2. Toen stuurden Sanballat en Gesem mij dit bericht: Kom, laten wij elkaar ontmoeten in een van de dorpen in het dal Ono. Maar zij wilden mij kwaad doen. 3. Ik stuurde boden naar hen toe met dit antwoord: Ik doe een groot werk en kan niet naar beneden komen. Waarom zou het werk stilliggen omdat ik het laat liggen en naar u toe kom? 4. Vier keer stuurden zij mij hetzelfde bericht, en ik gaf hun steeds hetzelfde antwoord. 5. De vijfde keer stuurde Sanballat zijn knecht naar mij toe, met een open brief in zijn hand. 6. Daarin stond: Onder de volken wordt gezegd, en Gasmu zegt het ook, dat u en de Joden in opstand willen komen. Daarom bouwt u de muur, en u wilt hun koning worden. 7. U zou ook profeten hebben aangesteld om in Jeruzalem over u uit te roepen: Hij is koning in Juda. De koning zal dit zeker horen. Kom daarom, laten wij samen overleggen. 8. Maar ik stuurde hem dit antwoord: Er is niets gebeurd van wat u zegt. U verzint het allemaal zelf. 9. Zij wilden ons namelijk allemaal bang maken. Zij dachten: Dan laten zij het werk los en komt het niet af. Maar, mijn God, maak mijn handen sterk. 10. Ik ging naar het huis van Semaja, de zoon van Delaja, de zoon van Mehetabeël, die daar opgesloten zat. Hij zei: Laten wij elkaar in het huis van God ontmoeten, midden in de tempel, en de tempeldeuren sluiten. Zij komen namelijk om u te doden, vannacht nog. 11. Maar ik zei: Zou iemand als ik vluchten? En wie zoals ik zou de tempel in gaan om in leven te blijven? Ik ga er niet in. 12. Ik merkte namelijk dat God hem niet gestuurd had. Hij sprak deze profetie tegen mij omdat Tobia en Sanballat hem gehuurd hadden. 13. Hij was gehuurd om mij bang te maken, zodat ik dat zou doen en zou zondigen. Dan zouden zij mij een slechte naam kunnen geven en mij kunnen honen. 14. Denk aan Tobia en Sanballat, mijn God, om wat zij gedaan hebben. Denk ook aan de profetes Noadja en aan de andere profeten die mij bang wilden maken. 15. De muur was klaar op de vijfentwintigste dag van Elul, in tweeënvijftig dagen. 16. Toen al onze vijanden dat hoorden, werden alle volken om ons heen bang. Zij kelderden in eigen ogen, want zij begrepen dat dit werk door onze God gedaan was. 17. In die tijd stuurden edelen van Juda ook veel brieven naar Tobia, en er kwamen brieven van Tobia bij hen. 18. Velen in Juda hadden hem namelijk trouw gezworen, want hij was de schoonzoon van Sechanja, de zoon van Arah. Zijn zoon Johanan was getrouwd met de dochter van Mesullam, de zoon van Berechja. 19. Zij vertelden mij ook wat hij goed deed en brachten mijn woorden aan hem over. Tobia stuurde brieven om mij bang te maken. ## Nehemia 7 — De lijst van wie waren teruggekomen 1. Toen de muur gebouwd was, zette ik de deuren erin. De poortwachters, de zangers en de Levieten werden aangesteld. 2. Ik gaf de leiding over Jeruzalem aan mijn broer Hanani en aan Hananja, de bevelhebber van de burcht. Hananja was een betrouwbaar man en had meer ontzag voor God dan veel anderen. 3. Ik zei tegen hen: Laat de poorten van Jeruzalem pas opengaan als de zon al warm is. Laat de wachters de deuren sluiten en grendelen terwijl zij er nog staan. Zet ook wachtposten uit van de inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn post en tegenover zijn eigen huis. 4. De stad was ruim en groot, maar er woonden weinig mensen, en de huizen waren nog niet herbouwd. 5. Mijn God gaf mij in het hart de edelen, de bestuurders en het volk bijeen te roepen om hen per familie in te schrijven. Ik vond het geslachtsregister van wie het eerst waren teruggekomen. Daarin stond het volgende. 6. Dit zijn de mensen uit het gewest die terugkwamen uit de ballingschap. Nebukadnezar, de koning van Babel, had hen weggevoerd. Zij keerden terug naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn eigen stad. 7. Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raämja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehum en Baëna. Dit is het aantal mannen van het volk van Israël. 8. De nakomelingen van Parhos: 2.172. 9. De nakomelingen van Sefatja: 372. 10. De nakomelingen van Arach: 652. 11. De nakomelingen van Pahath-Moab, via Jesua en Joab: 2.818. 12. De nakomelingen van Elam: 1.254. 13. De nakomelingen van Zatthu: 845. 14. De nakomelingen van Zakkai: 760. 15. De nakomelingen van Binnuï: 648. 16. De nakomelingen van Bebai: 628. 17. De nakomelingen van Azgad: 2.322. 18. De nakomelingen van Adonikam: 667. 19. De nakomelingen van Bigvai: 2.067. 20. De nakomelingen van Adin: 655. 21. De nakomelingen van Ater, via Hizkia: 98. 22. De nakomelingen van Hassum: 328. 23. De nakomelingen van Bezai: 324. 24. De nakomelingen van Harif: 112. 25. De mensen uit Gibeon: 95. 26. De mannen uit Bethlehem en Netofa: 188. 27. De mannen uit Anathoth: 128. 28. De mannen uit Beth-Azmaveth: 42. 29. De mannen uit Kirjath-Jearim, Cefira en Beëroth: 743. 30. De mannen uit Rama en Gaba: 620. 31. De mannen uit Michmas: 122. 32. De mannen uit Bethel en Ai: 123. 33. De mannen uit het andere Nebo: 52. 34. De nakomelingen van de andere Elam: 1.254. 35. De nakomelingen van Harim: 320. 36. De mensen uit Jericho: 345. 37. De mensen uit Lod, Hadid en Ono: 721. 38. De mensen uit Senaä: 3.930. 39. De priesters: de nakomelingen van Jedaja, van het huis van Jesua: 973. 40. De nakomelingen van Immer: 1.052. 41. De nakomelingen van Pashur: 1.247. 42. De nakomelingen van Harim: 1.017. 43. De Levieten: de nakomelingen van Jesua, via Kadmiël, uit de familie van Hodeva: 74. 44. De zangers: de nakomelingen van Asaf: 148. 45. De poortwachters: de nakomelingen van Sallum, Ater, Talmon, Akkub, Hatita en Sobai: 138. 46. De tempelknechten: de nakomelingen van Ziha, Hasufa en Tabbaoth, 47. van Keros, Sia en Padon, 48. van Lebana, Hagaba en Salmai, 49. van Hanan, Giddel en Gahar, 50. van Reaja, Rezin en Nekoda, 51. van Gazzam, Uzza en Paseah, 52. van Bezai, de Meünim en de Nefussim, 53. van Bakbuk, Hakufa en Harhur, 54. van Bazlith, Mehida en Harsa, 55. van Barkos, Sisera en Thamah, 56. van Neziah en Hatifa. 57. De nakomelingen van de dienaren van Salomo: de nakomelingen van Sotai, Sofereth en Perida, 58. van Jaëla, Darkon en Giddel, 59. van Sefatja, Hattil, Pochereth van Zebaïm en Amon. 60. Alle tempelknechten en nakomelingen van de dienaren van Salomo waren samen met 392. 61. Ook deze mensen kwamen mee, uit Thel-Melah, Thel-Harsa, Cherub, Addon en Immer. Zij konden niet aantonen uit welke familie zij kwamen en of zij uit Israël waren. 62. Het waren de nakomelingen van Delaja, Tobia en Nekoda: 642. 63. Ook bij de priesters waren er zulke families: de nakomelingen van Habaja, Koz en Barzillai. Die laatste had een vrouw uit de dochters van Barzillai uit Gilead genomen en was naar hem genoemd. 64. Zij zochten hun naam in het register, maar die was niet te vinden. Daarom werden zij als onrein uit het priesterschap geweerd. 65. De landvoogd zei tegen hen dat zij niet van de allerheiligste gaven mochten eten. Dat mocht pas als er een priester zou zijn met de urim en de tummim. 66. De hele vergadering telde samen 42.360 mensen. 67. Daar kwamen nog hun slaven en slavinnen bij, 7.337 mensen. Ook hadden zij 245 zangers en zangeressen. 68. Zij hadden 736 paarden en 245 muildieren, 69. 435 kamelen en 6.720 ezels. 70. Een deel van de familiehoofden gaf voor het werk. De landvoogd gaf voor de kas duizend gouden munten, vijftig sprengschalen en 530 priestergewaden. 71. Andere familiehoofden gaven voor de kas van het werk 20.000 gouden munten en ongeveer 1,3 ton zilver. 72. De rest van het volk gaf 20.000 gouden munten, ongeveer 1,1 ton zilver en 67 priestergewaden. 73. De priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, een deel van het volk, de tempelknechten en heel Israël woonden in hun steden. ## Nehemia 8 — Ezra leest de wet voor 1. Toen de zevende maand aanbrak, woonden de Israëlieten in hun steden. 2. Het hele volk kwam als één man bijeen op het plein voor de Waterpoort. Zij vroegen Ezra, de schriftgeleerde, het boek van de wet van Mozes te halen, die de HEERE aan Israël gegeven had. 3. De priester Ezra bracht de wet voor de vergadering, mannen en vrouwen en iedereen die het kon begrijpen. Dat was op de eerste dag van de zevende maand. 4. Hij las eruit voor op het plein voor de Waterpoort, van het ochtendlicht tot de middag. Hij las voor de mannen, de vrouwen en wie het konden begrijpen, en het hele volk luisterde naar het wetboek. 5. Ezra, de schriftgeleerde, stond op een houten verhoging die daarvoor gemaakt was. Rechts van hem stonden Mattithja, Sema, Anaja, Uria, Hilkia en Maäseja. Links van hem stonden Pedaja, Misaël, Malchia, Hasum, Hasbaddana, Zacharja en Mesullam. 6. Ezra opende het boek voor de ogen van het hele volk, want hij stond hoger dan zij. Toen hij het opende, ging het hele volk staan. 7. Ezra prees de HEERE, de grote God. Het hele volk antwoordde: Amen, amen! Zij hieven hun handen op, bogen zich en aanbaden de HEERE met hun gezicht naar de grond. 8. Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan en Pelaja onderwezen het volk in de wet, met de Levieten. Het volk bleef op zijn plaats staan. 9. Zij lazen duidelijk voor uit het boek, de wet van God. Zij legden de zin uit, zodat men begreep wat er voorgelezen werd. 10. Nehemia, de landvoogd, en Ezra, de priester en schriftgeleerde, spraken het hele volk toe. De Levieten die het volk onderwezen, deden dat met hen. Zij zeiden: Deze dag is heilig voor de HEERE, uw God. Rouw niet en huil niet. Het hele volk huilde namelijk toen zij de woorden van de wet hoorden. 11. Verder zei hij tegen hen: Ga eten wat lekker is en drink wat zoet is. Stuur ook porties naar wie niets klaargemaakt heeft. Deze dag is heilig voor onze HEERE. Wees niet verdrietig, want de vreugde van de HEERE is uw kracht. 12. De Levieten brachten het hele volk tot rust. Zij zeiden: Wees stil, want deze dag is heilig. Wees niet verdrietig. 13. Toen ging het hele volk weg om te eten en te drinken, porties te sturen en groot feest te vieren. Zij hadden namelijk begrepen wat men hun bekendgemaakt had. 14. De volgende dag kwamen de familiehoofden van het hele volk, de priesters en de Levieten bij Ezra, de schriftgeleerde. Zij wilden de woorden van de wet beter begrijpen. 15. Zij vonden in de wet geschreven wat de HEERE door Mozes bevolen had. De Israëlieten moesten in loofhutten wonen tijdens het feest in de zevende maand. 16. Ook moesten zij het in al hun steden en in Jeruzalem laten omroepen: Ga het bergland in. Haal takken van olijfbomen en andere olieachtige bomen. Haal ook takken van mirten, palmen en andere dichte bomen, om loofhutten te maken, zoals het voorgeschreven is. 17. Zo ging het volk eropuit en haalde takken. Zij maakten loofhutten, ieder op zijn dak en in zijn voorhof. Ook kwamen er loofhutten in de voorhoven van het huis van God, op het plein bij de Waterpoort en op het plein bij de Efraïmpoort. 18. De hele vergadering van teruggekeerde ballingen maakte loofhutten en woonde daarin. Sinds de dagen van Jozua, de zoon van Nun, hadden de Israëlieten dat niet meer gedaan. Er was heel grote blijdschap. 19. Elke dag las men voor uit het wetboek van God, van de eerste dag tot de laatste. Zij vierden zeven dagen feest, en op de achtste dag een feestelijke slotdag, zoals het hoort. ## Nehemia 9 — Het volk belijdt zijn zonden 1. Op de vierentwintigste dag van die maand kwamen de Israëlieten bijeen. Zij vastten, droegen rouwkleren en hadden aarde op hun hoofd. 2. De Israëlieten zonderden zich af van alle vreemdelingen. Zij gingen staan en beleden hun eigen zonden en de zonden van hun voorouders. 3. Zij stonden op hun plaats en lazen een kwart van de dag uit het wetboek van de HEERE, hun God. Een ander kwart van de dag beleden zij hun zonden en aanbaden zij de HEERE, hun God. 4. Jesua, Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Chenani gingen op de verhoging van de Levieten staan. Zij riepen met luide stem tot de HEERE, hun God. 5. De Levieten Jesua, Kadmiël, Bani, Hasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja en Petahja zeiden: Sta op en prijs de HEERE, uw God, voor eeuwig. Laat men uw heerlijke naam prijzen, die hoger is dan alle lof en eer. 6. U alleen bent de HEERE. U hebt de hemel gemaakt, de hoogste hemel en alles wat daarin leeft. U maakte de aarde en alles wat daarop is, de zeeën en alles wat daarin is. U houdt dat alles in leven, en de hemelse legers aanbidden U. 7. U bent de HEERE, de God die Abram uitkoos. U leidde hem weg uit Ur van de Chaldeeën en gaf hem de naam Abraham. 8. U vond zijn hart trouw voor U en sloot een verbond met hem. U beloofde het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Jebusieten en de Girgasieten aan zijn nakomelingen te geven. U hebt uw woord waargemaakt, want U bent rechtvaardig. 9. U hebt de ellende van onze voorouders in Egypte gezien. U hebt hun roepen bij de Schelfzee gehoord. 10. U hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao, aan al zijn dienaren en aan het hele volk van zijn land. U wist namelijk dat zij trots met hen omgingen. Zo hebt U zich een naam gemaakt, zoals het vandaag nog is. 11. U hebt de zee voor hen gespleten, zodat zij midden door de zee over droge grond gingen. Hun achtervolgers wierp U in de diepte, als een steen in machtig water. 12. Overdag leidde U hen met een wolkkolom en 's nachts met een vuurkolom. Zo verlichtte U de weg die zij moesten gaan. 13. U daalde neer op de berg Sinaï en sprak met hen vanuit de hemel. U gaf hun rechtvaardige regels en betrouwbare wetten, goede voorschriften en geboden. 14. U maakte hun uw heilige sabbat bekend. U gaf hun geboden, voorschriften en een wet, door uw dienaar Mozes. 15. U gaf hun brood uit de hemel voor hun honger en water uit de rots voor hun dorst. U zei dat zij het land in bezit moesten gaan nemen dat U hun met een eed beloofd had. 16. Maar zij en onze voorouders waren trots. Zij waren koppig en luisterden niet naar uw geboden. 17. Zij weigerden te luisteren en dachten niet aan de wonderen die U bij hen gedaan had. Zij waren koppig en kozen in hun opstand een leider om terug te gaan naar hun slavernij. Maar U bent een God die vergeeft, genadig en barmhartig, geduldig en groot van trouw. U hebt hen toch niet verlaten. 18. Zij maakten zelfs een gegoten kalf en zeiden: Dit is uw God, die u uit Egypte geleid heeft. Zo lasterden zij zwaar. 19. Toch hebt U hen door uw grote barmhartigheid niet in de woestijn losgelaten. De wolkkolom week overdag niet van hen om hen te leiden, en de vuurkolom 's nachts niet om hun weg te verlichten. 20. U gaf uw goede Geest om hen te onderwijzen. U hield uw manna niet bij hun mond weg en gaf hun water voor hun dorst. 21. Veertig jaar lang hebt U hen in de woestijn onderhouden. Zij kwamen niets tekort. Hun kleren sleten niet en hun voeten zwollen niet op. 22. U gaf hun koninkrijken en volken en verdeelde die als grensgebieden onder hen. Zo namen zij het land van Sihon in bezit, de koning van Hesbon, en het land van Og, de koning van Basan. 23. U maakte hun kinderen zo talrijk als de sterren aan de hemel. U bracht hen in het land dat U aan hun voorouders beloofd had. 24. De kinderen kwamen daarin en namen dat land in bezit. U bracht de inwoners van het land, de Kanaänieten, voor hen ten onder. U gaf hen in hun macht, met hun koningen en de volken van het land, om met hen te doen wat zij wilden. 25. Zij namen versterkte steden en vruchtbaar land in bezit. Zij kregen huizen vol met goede dingen, uitgehakte putten, wijngaarden, olijfgaarden en veel vruchtbomen. Zij aten, werden verzadigd en vet, en leefden in overvloed door uw grote goedheid. 26. Maar zij werden opstandig en kwamen tegen U in verzet. Zij wierpen uw wet achter hun rug en doodden uw profeten, die hen waarschuwden om bij U terug te komen. Zo lasterden zij zwaar. 27. Daarom gaf U hen over aan hun onderdrukkers, die het hun moeilijk maakten. Maar als zij in hun nood tot U riepen, hoorde U hen uit de hemel. In uw grote barmhartigheid gaf U hun redders, die hen uit de macht van hun onderdrukkers bevrijdden. 28. Zodra zij rust hadden, deden zij weer wat slecht was voor U. Dan liet U hen los in de macht van hun vijanden, die over hen heersten. Als zij zich dan bekeerden en U aanriepen, hoorde U hen uit de hemel. Keer op keer hebt U hen in uw barmhartigheid gered. 29. U waarschuwde hen om terug te keren naar uw wet. Maar zij waren trots en luisterden niet naar uw geboden. Zij zondigden tegen uw regels, terwijl een mens die ze doet daardoor leeft. Zij trokken hun schouder terug, waren koppig en wilden niet luisteren. 30. Vele jaren lang hebt U hen verdragen. Door uw Geest waarschuwde U hen, door uw profeten, maar zij wilden niet luisteren. Daarom gaf U hen over aan de volken van de landen. 31. Maar door uw grote barmhartigheid hebt U hen niet vernietigd en niet losgelaten, want U bent een genadig en barmhartig God. 32. Nu dan, onze God, grote, machtige en ontzagwekkende God, die zich aan het verbond en aan zijn trouw houdt. Laat alle moeite die ons getroffen heeft toch niet gering zijn voor U. Het trof onze koningen, onze leiders, onze priesters, onze profeten, onze voorouders en uw hele volk. Dat duurt van de dagen van de koningen van Assur tot vandaag toe. 33. Maar U bent rechtvaardig in alles wat ons overkomen is. U hebt trouw gehandeld, maar wij hebben goddeloos gehandeld. 34. Onze koningen, onze leiders, onze priesters en onze voorouders hebben uw wet niet gedaan. Zij luisterden niet naar uw geboden en naar uw getuigenissen, waarmee U hen waarschuwde. 35. Zij hebben U niet gediend in hun eigen koninkrijk, met al het goede dat U hun gaf. Zij deden het niet in dat wijde en vruchtbare land dat U hun gaf, en zij bekeerden zich niet van hun slechte daden. 36. Kijk, vandaag zijn wij slaven. In het land dat U onze voorouders gegeven hebt om de vruchten en het goede ervan te eten, daar zijn wij slaven. 37. De opbrengst gaat naar de koningen die U vanwege onze zonden over ons hebt gesteld. Zij heersen naar eigen goeddunken over ons lichaam en over ons vee. Zo zitten wij in grote nood. 38. Om dit alles sluiten wij een vast verbond en schrijven dat op. Onze leiders, onze Levieten en onze priesters verzegelen het. ## Nehemia 10 — Het verbond wordt ondertekend 1. De verzegelaars waren: Nehemia, de landvoogd, de zoon van Hachalja, en Zidkia, 2. Seraja, Azarja, Jeremia, 3. Pashur, Amarja, Malchia, 4. Hattus, Sebanja, Malluch, 5. Harim, Meremoth, Obadja, 6. Daniël, Ginnethon, Baruch, 7. Mesullam, Abia, Mijamin, 8. Maäzia, Bilgai en Semaja. Dit waren de priesters. 9. De Levieten waren: Jesua, de zoon van Azanja, Binnuï van de zonen van Henadad, en Kadmiël, 10. en hun broers Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan, 11. Micha, Rehob, Hasabja, 12. Zakkur, Serebja, Sebanja, 13. Hodia, Bani en Beninu. 14. De hoofden van het volk waren: Parhos, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani, 15. Bunni, Azgad, Bebai, 16. Adonia, Bigvai, Adin, 17. Ater, Hizkia, Azzur, 18. Hodia, Hasum, Bezai, 19. Harif, Anathoth, Nebai, 20. Magpias, Mesullam, Hezir, 21. Mesezabeël, Zadok, Jaddua, 22. Pelatja, Hanan, Anaja, 23. Hosea, Hananja, Hassub, 24. Hallohes, Pilha, Sobek, 25. Rehum, Hasabna, Maäseja, 26. Ahia, Hanan, Anan, 27. Malluch, Harim en Baäna. 28. De rest van het volk sloot zich daarbij aan: de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers en de tempelknechten. Ook deed iedereen mee die zich van de volken van de landen had afgezonderd voor de wet van God. Hun vrouwen, zonen en dochters deden mee, iedereen die het kon begrijpen. 29. Zij sloten zich aan bij hun broers, de vooraanstaanden, en gingen onder eed een verbintenis aan. Zij zouden leven naar de wet van God, die door Mozes, de dienaar van God, gegeven is. Ook zouden zij alle geboden van de HEERE, onze Heere, en zijn regels en voorschriften houden en doen. 30. Wij zouden onze dochters niet aan de volken van het land geven en hun dochters niet voor onze zonen nemen. 31. Als de volken van het land op de sabbat waren of graan te koop brengen, kopen wij niets van hen. Dat geldt voor de sabbat en voor elke heilige dag. In het zevende jaar laten wij het land rusten en schelden wij elke schuld kwijt. 32. Verder legden wij onszelf de verplichting op om elk jaar ongeveer vier gram zilver te geven voor de dienst van het huis van onze God. 33. Dat is voor het toonbrood, het dagelijkse graanoffer en het dagelijkse brandoffer. Het is ook voor de sabbatten, de nieuwemaansdagen, de feesten, de heilige gaven en de zondoffers om verzoening te doen over Israël. Zo is het voor al het werk aan het huis van onze God. 34. Wij wierpen ook het lot onder de priesters, de Levieten en het volk over het brengen van het hout. Dat moest per familie op vaste tijden bij het huis van onze God komen, jaar na jaar. Het werd verbrand op het altaar van de HEERE, onze God, zoals in de wet staat. 35. Wij zouden ook jaar na jaar de eerste opbrengst van ons land naar het huis van de HEERE brengen. Datzelfde deden wij met de eerste vruchten van alle bomen. 36. Ook zouden wij onze eerstgeboren zonen en de eerstgeboren dieren brengen, zoals in de wet staat. De eerstgeboren runderen en schapen brengen wij naar het huis van onze God, naar de priesters die daar dienen. 37. De eerstelingen van ons deeg en onze hefoffers brengen wij naar de priesters, in de kamers van het huis van onze God. Zo doen wij ook met de vrucht van alle bomen, de nieuwe wijn en de olie. De tienden van ons land brengen wij naar de Levieten. Zij innen die tienden in alle steden waar wij het land bewerken. 38. Een priester, een zoon van Aäron, zal bij de Levieten zijn als zij de tienden innen. De Levieten brengen dan een tiende deel naar het huis van onze God, naar de kamers van het schathuis. 39. De Israëlieten en de Levieten moeten het hefoffer van graan, nieuwe wijn en olie naar die kamers brengen. Daar liggen namelijk de voorwerpen van het heiligdom, en daar zijn de dienstdoende priesters, de poortwachters en de zangers. Zo zullen wij het huis van onze God niet in de steek laten. ## Nehemia 11 — Wie in Jeruzalem gingen wonen 1. De leiders van het volk woonden in Jeruzalem. De rest van het volk wierp het lot. Eén op de tien zou in de heilige stad Jeruzalem wonen, en negen van de tien in de andere steden. 2. Het volk zegende alle mannen die uit zichzelf aanboden in Jeruzalem te gaan wonen. 3. Dit zijn de hoofden van het gewest die in Jeruzalem woonden. In de steden van Juda woonde ieder op zijn eigen bezit: Israëlieten, priesters, Levieten, tempelknechten en nakomelingen van de dienaren van Salomo. 4. In Jeruzalem woonden mensen uit Juda en uit Benjamin. Van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, de zoon van Zacharja, de zoon van Amarja. Die was een zoon van Sefatja, de zoon van Mahalaleël, uit de nakomelingen van Perez. 5. Ook woonde er Maäseja, de zoon van Baruch, de zoon van Kol-Hose, de zoon van Hazaja. Die was een zoon van Adaja, de zoon van Jojarib, de zoon van Zacharja, de zoon van Siloni. 6. Alle nakomelingen van Perez die in Jeruzalem woonden, waren 468 dappere mannen. 7. Dit zijn de nakomelingen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Joëd, de zoon van Pedaja. Die was een zoon van Kolaja, de zoon van Maäseja, de zoon van Ithiël, de zoon van Jesaja. 8. Na hem kwamen Gabbai en Sallai: 928 man. 9. Joël, de zoon van Zichri, was hun opzichter. Juda, de zoon van Senua, was de tweede man over de stad. 10. Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, en Jachin. 11. Seraja was de leider van het huis van God. Hij was de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub. 12. Hun broers die het werk in het huis deden, waren met 822. Verder Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amzi. Die was een zoon van Zacharja, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia. 13. Zijn broers, familiehoofden, waren met 242. Verder Amassai, de zoon van Azareël, de zoon van Achzai, de zoon van Mesillemoth, de zoon van Immer. 14. Hun broers, dappere helden, waren met 128. Hun opzichter was Zabdiël, de zoon van Gedolim. 15. Van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, de zoon van Buni. 16. Sabbethai en Jozabad, hoofden van de Levieten, gingen over het werk buiten het huis van God. 17. Matthanja was het hoofd dat de dankzegging in het gebed begon. Hij was de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf. Bakbukja was de tweede onder zijn broers, en verder Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun. 18. Alle Levieten in de heilige stad waren met 284. 19. De poortwachters Akkub en Talmon en hun broers, die de poorten bewaakten, waren met 172. 20. De rest van Israël, met de priesters en de Levieten, woonde in alle steden van Juda, ieder op zijn erfdeel. 21. De tempelknechten woonden op de Ofel. Ziha en Gispa gingen over hen. 22. De opzichter van de Levieten in Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Hasabja. Die was een zoon van Matthanja, de zoon van Micha. De zangers uit de nakomelingen van Asaf zorgden voor het werk in het huis van God. 23. Er was namelijk een bevel van de koning over hen. De zangers kregen elke dag hun vaste deel. 24. Petahja, de zoon van Mesezabeël, uit de nakomelingen van Zerah, de zoon van Juda, stond de koning terzijde in alles wat het volk betrof. 25. Sommige mensen uit Juda woonden in de dorpen bij hun akkers. Zij woonden in Kirjath-Arba en de plaatsen eromheen, in Dibon en de plaatsen eromheen, en in Jekabzeël en zijn dorpen. 26. Ook woonden zij in Jesua, Molada en Beth-Pelet, 27. in Hazar-Sual, in Berseba en de plaatsen eromheen, 28. in Ziklag, in Mechona en de plaatsen eromheen, 29. in En-Rimmon, Zora en Jarmuth, 30. in Zanoah, Adullam en zijn dorpen, in Lachis met zijn akkers en in Azeka met de plaatsen eromheen. Zij woonden dus van Berseba tot aan het dal Hinnom. 31. De nakomelingen van Benjamin uit Geba woonden in Michmas, Aja, Bethel en de plaatsen eromheen, 32. in Anathoth, Nob en Ananja, 33. in Hazor, Rama en Gitthaïm, 34. in Hadid, Zeboïm en Neballat, 35. en in Lod en Ono, in het dal van de vaklieden. 36. Van de Levieten woonden sommige groepen uit Juda bij Benjamin. ## Nehemia 12 — De inwijding van de muur 1. Dit zijn de priesters en de Levieten die met Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en met Jesua optrokken: Seraja, Jeremia, Ezra, 2. Amarja, Malluch, Hattus, 3. Sechanja, Rehum, Meremoth, 4. Iddo, Ginnethoi, Abia, 5. Mijamin, Maädja, Bilga, 6. Semaja, Jojarib, Jedaja, 7. Sallu, Amok, Hilkia en Jedaja. Dat waren de hoofden van de priesters en hun broers in de tijd van Jesua. 8. De Levieten waren Jesua, Binnuï, Kadmiël, Serebja, Juda en Matthanja. Die laatste ging met zijn broers over de dankliederen. 9. Bakbukja en Unni, hun broers, stonden tegenover hen bij de diensten. 10. Jesua kreeg Jojakim, Jojakim kreeg Eljasib, en Eljasib kreeg Jojada. 11. Jojada kreeg Jonathan, en Jonathan kreeg Jaddua. 12. In de tijd van Jojakim waren dit de priesters, de familiehoofden. Van Seraja was dat Meraja, van Jeremia Hananja, 13. van Ezra Mesullam, van Amarja Johanan, 14. van Melichu Jonathan, van Sebanja Jozef, 15. van Harim Adna, van Merajoth Helkai, 16. van Iddo Zacharia, van Ginnethon Mesullam, 17. van Abia Zichri, en van Minjamin en Moadja Piltai, 18. van Bilga Sammua, van Semaja Jonathan, 19. van Jojarib Matthenai, van Jedaja Uzzi, 20. van Sallai Kallai, van Amok Heber, 21. van Hilkia Hasabja en van Jedaja Nethaneël. 22. In de tijd van Eljasib, Jojada, Johanan en Jaddua werden de familiehoofden van de Levieten opgeschreven. Ook de priesters werden opgeschreven, tot de regering van Darius de Pers. 23. De familiehoofden van de Levieten staan beschreven in het boek van de kronieken, tot de tijd van Johanan, de zoon van Eljasib. 24. De hoofden van de Levieten waren Hasabja, Serebja en Jesua, de zoon van Kadmiël. Hun broers stonden tegenover hen om te prijzen en te danken, groep tegenover groep, zoals David, de man van God, het bevolen had. 25. Matthanja, Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub waren poortwachters. Zij hielden de wacht bij de voorraadkamers van de poorten. 26. Zij deden dienst in de tijd van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Jozadak. Ook deden zij dat in de tijd van Nehemia, de landvoogd, en van de priester Ezra, de schriftgeleerde. 27. Voor de inwijding van de muur van Jeruzalem zochten zij de Levieten uit al hun plaatsen op. Zij brachten hen naar Jeruzalem om de inwijding met vreugde te vieren, met dankliederen en gezang, met cimbalen, luiten en harpen. 28. De zangers kwamen bijeen uit de vlakte rond Jeruzalem en uit de dorpen van de Netofathieten. 29. Zij kwamen ook uit Beth-Gilgal en uit de velden van Geba en Asmaveth. De zangers hadden namelijk dorpen voor zichzelf gebouwd rond Jeruzalem. 30. De priesters en de Levieten reinigden zichzelf. Daarna reinigden zij het volk, de poorten en de muur. 31. Toen liet ik de leiders van Juda de muur op gaan. Ik stelde twee grote dankkoren op die in optocht liepen. Het ene ging rechts over de muur, naar de Mestpoort toe. 32. Achter hen liepen Hosaja en de helft van de leiders van Juda. 33. Ook liepen Azarja, Ezra en Mesullam mee, 34. met Juda, Benjamin, Semaja en Jeremia. 35. Van de zonen van de priesters liepen er mee met trompetten: Zacharja, de zoon van Jonathan, de zoon van Semaja. Die was een zoon van Matthanja, de zoon van Michaja, de zoon van Zakkur, de zoon van Asaf. 36. Zijn broers Semaja, Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneël, Juda en Hanani liepen mee. Zij hadden de muziekinstrumenten van David, de man van God, bij zich. Ezra, de schriftgeleerde, liep voor hen uit. 37. Bij de Bronpoort gingen zij recht vooruit omhoog langs de trappen van de Stad van David. Zij liepen over de opgang van de muur, langs het huis van David, tot aan de Waterpoort in het oosten. 38. Het tweede dankkoor liep de andere kant op, en ik liep erachter met de helft van het volk. Wij gingen over de muur, langs de Bakoventoren tot aan de brede muur. 39. Daarna liepen wij langs de Efraïmpoort, de Oude Poort en de Vispoort, langs de toren Hananeël en de toren Mea, tot aan de Schaapspoort. Bij de Wachtpoort bleven zij staan. 40. Daarna stonden de beide dankkoren in het huis van God, en ik ook, met de helft van de bestuurders. 41. De priesters Eljakim, Maäseja, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zacharja en Hananja stonden er met trompetten. 42. Verder stonden er Maäseja, Semaja, Eleazar, Uzzi, Johanan, Malchia, Elam en Ezer. De zangers lieten zich horen, met Jizrahja als leider. 43. Die dag brachten zij grote offers en waren zij blij, want God had hun grote blijdschap gegeven. Ook de vrouwen en de kinderen waren blij. De vreugde van Jeruzalem was tot in de verte te horen. 44. Diezelfde dag stelden zij mannen aan over de kamers voor de schatten, de hefoffers, de eerstelingen en de tienden. Zij moesten daarin uit de akkers bij de steden verzamelen wat de wet aan de priesters en de Levieten toewees. Juda was namelijk blij met de priesters en de Levieten die daar hun dienst deden. 45. Zij deden de dienst van hun God en de dienst van de reiniging. Dat gold ook voor de zangers en de poortwachters, zoals David en zijn zoon Salomo het bevolen hadden. 46. Al in de tijd van David en Asaf waren er namelijk leiders van de zangers en van de lof- en dankliederen voor God. 47. Daarom gaf heel Israël in de tijd van Zerubbabel en van Nehemia elke dag de vaste delen voor de zangers en de poortwachters. Zij gaven ook gewijde gaven voor de Levieten, en de Levieten gaven die aan de nakomelingen van Aäron. ## Nehemia 13 — Nehemia grijpt in 1. Op die dag las men uit het boek van Mozes voor aan het volk. Daarin stond geschreven dat Ammonieten en Moabieten nooit in de vergadering van God mochten komen. 2. Zij waren de Israëlieten namelijk niet met brood en water tegemoetgekomen. Zij hadden zelfs Bileam gehuurd om hen te vervloeken, maar onze God maakte van die vloek een zegen. 3. Toen zij deze wet hoorden, zonderden zij iedereen van vreemde afkomst van Israël af. 4. De priester Eljasib ging over de kamers van het huis van onze God. Hij was al eerder familie van Tobia geworden. 5. Hij had voor hem een grote kamer ingericht. Daar bracht men eerst het graanoffer, de wierook en het gerei. Ook lagen daar de tienden van graan, nieuwe wijn en olie voor de Levieten, de zangers en de poortwachters, en het hefoffer van de priesters. 6. Bij dit alles was ik niet in Jeruzalem. In het tweeëndertigste jaar van Arthahsasta, de koning van Babel, was ik naar de koning gegaan. Na een tijd vroeg ik de koning opnieuw verlof. 7. Ik kwam in Jeruzalem en hoorde van het kwaad dat Eljasib voor Tobia gedaan had. Hij had een kamer voor hem gemaakt in de voorhoven van het huis van God. 8. Dat beviel mij helemaal niet. Ik gooide alle spullen van Tobia de kamer uit. 9. Verder gaf ik bevel de kamers te reinigen. Ik bracht het gerei van het huis van God er weer in, met het graanoffer en de wierook. 10. Ook hoorde ik dat het deel van de Levieten niet gegeven was. Daardoor waren de Levieten en de zangers die het werk deden weggegaan, ieder naar zijn eigen akker. 11. Ik klaagde de bestuurders aan en zei: Waarom is het huis van God verwaarloosd? Ik riep de Levieten bijeen en zette hen weer op hun plaats. 12. Toen bracht heel Juda de tienden van het graan, de nieuwe wijn en de olie naar de voorraadkamers. 13. Ik stelde als beheerders over de voorraden aan: de priester Selemja, de schrijver Zadok en Pedaja uit de Levieten. Hanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Matthanja, stond hen bij. Zij golden als betrouwbaar, en zij moesten de delen aan hun broers uitdelen. 14. Denk aan mij, mijn God, om wat ik hierin gedaan heb. Wis de goede daden niet uit die ik voor het huis van mijn God en zijn diensten gedaan heb. 15. In die tijd zag ik in Juda mensen op de sabbat de wijnpers treden. Zij haalden ook graanschoven binnen en laadden die op ezels, met wijn, druiven en vijgen. Al die lading brachten zij op de sabbat in Jeruzalem. Ik waarschuwde hen op de dag dat zij die waren verkochten. 16. Er woonden ook mensen uit Tyrus, die vis en allerlei koopwaar aanvoerden. Zij verkochten dat op de sabbat aan de mensen van Juda en in Jeruzalem. 17. Ik klaagde de edelen van Juda aan en zei tegen hen: Wat een slechte zaak doet u hier! U ontheiligt de sabbatdag. 18. Deden uw voorouders niet hetzelfde? Daarom bracht onze God al dit onheil over ons en over deze stad. En u maakt de brandende toorn over Israël nog groter door de sabbat te ontheiligen. 19. Toen het in de poorten van Jeruzalem donker werd, vlak voor de sabbat, gaf ik bevel de deuren te sluiten. Ik beval dat zij pas na de sabbat weer open mochten. Bij de poorten zette ik een paar van mijn mannen neer, zodat er op de sabbat geen lading binnenkwam. 20. Toen overnachtten de handelaars en de verkopers van allerlei koopwaar een paar keer buiten Jeruzalem. 21. Ik waarschuwde hen en zei: Waarom overnacht u tegenover de muur? Als u het weer doet, sla ik de hand aan u. Van toen af kwamen zij niet meer op de sabbat. 22. Verder zei ik tegen de Levieten dat zij zich moesten reinigen en de poorten moesten bewaken, om de sabbatdag heilig te houden. Denk ook hierin aan mij, mijn God, en spaar mij naar uw grote trouw. 23. In die tijd zag ik ook Joden die vrouwen uit Asdod, Ammon en Moab bij zich hadden laten wonen. 24. Hun kinderen spraken half de taal van Asdod. Zij konden geen Joods spreken, maar spraken de taal van het ene of het andere volk. 25. Ik klaagde hen aan, vervloekte hen en sloeg sommige mannen. Ik trok hun de haren uit en liet hen bij God zweren: Geef uw dochters niet aan hun zonen. Neem hun dochters niet voor uw zonen of voor uzelf. 26. Heeft Salomo, de koning van Israël, daarin niet gezondigd? Onder veel volken was er geen koning zoals hij. God had hem lief en maakte hem koning over heel Israël. Toch brachten de vreemde vrouwen ook hem tot zonde. 27. Zouden wij dan naar u luisteren en al dit grote kwaad doen? Zouden wij ontrouw worden aan onze God door vreemde vrouwen bij ons te laten wonen? 28. Ook was een van de zonen van Jojada, de zoon van de hogepriester Eljasib, de schoonzoon van Sanballat uit Horon geworden. Daarom joeg ik hem bij mij weg. 29. Denk aan hen, mijn God, want zij hebben het priesterschap onrein gemaakt, en ook het verbond van het priesterschap en van de Levieten. 30. Zo reinigde ik hen van alles wat vreemd was. Ik regelde de diensten van de priesters en de Levieten, ieder op zijn werk. 31. Ook regelde ik het brengen van het hout op vaste tijden en het brengen van de eerstelingen. Denk aan mij ten goede, mijn God. ## Esther 1 — Koningin Vasthi weigert te komen 1. Dit gebeurde in de tijd van Ahasveros. Hij regeerde over 127 gewesten, van India tot Nubië. 2. In die tijd zat koning Ahasveros op zijn koningstroon in de burcht van Susan. 3. In het derde jaar van zijn regering gaf hij een feestmaal voor al zijn leiders en dienaren. De legerleiding van Perzië en Medië was erbij, met de aanzienlijken en de bestuurders van de gewesten. 4. Honderdtachtig dagen lang liet hij de rijkdom van zijn koninkrijk zien, met alle pracht van zijn grootheid. 5. Toen die dagen om waren, gaf de koning een feestmaal voor alle mensen in de burcht van Susan, van groot tot klein. Dat duurde zeven dagen en vond plaats in de tuin bij het paleis. 6. Er hingen witte, groene en hemelsblauwe doeken, vastgemaakt met linnen en purperen koorden aan zilveren ringen en marmeren zuilen. De rustbanken waren van goud en zilver en stonden op een vloer van porfier, marmer, albast en kostbare steen. 7. Men schonk te drinken in gouden bekers, en geen beker was gelijk. Er was veel koninklijke wijn, zoals bij een koning past. 8. Het drinken ging volgens een regel: niemand werd gedwongen. De koning had zijn hofmeesters nadrukkelijk bevolen ieder zijn eigen zin te laten doen. 9. Ook koningin Vasthi gaf een feestmaal voor de vrouwen, in het koninklijk paleis van koning Ahasveros. 10. Op de zevende dag was de koning vrolijk van de wijn. Hij riep zijn zeven hofbeambten die hem dienden: Mehuman, Biztha, Charbona, Bigtha, Abagtha, Zethar en Charchas. 11. Zij moesten koningin Vasthi met de koninklijke kroon bij hem brengen. Hij wilde de volken en de leiders haar schoonheid laten zien, want zij was mooi om te zien. 12. Maar koningin Vasthi weigerde te komen op het woord van de koning dat de hofbeambten haar overbrachten. Toen werd de koning heel boos, en zijn woede laaide op. 13. De koning legde het voor aan de wijzen die de tijden kenden. Zo ging dat met zaken van de koning: hij legde ze voor aan wie de wet en het recht kenden. 14. Het dichtst bij hem stonden Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres, Marsena en Memuchan. Deze zeven leiders van de Perzen en de Meden mochten bij de koning komen en zaten vooraan in het koninkrijk. 15. Hij vroeg: Wat moet er volgens de wet met koningin Vasthi gebeuren? Zij heeft het woord van koning Ahasveros, door de hofbeambten overgebracht, niet gedaan. 16. Toen zei Memuchan waar de koning en de leiders bij waren: Koningin Vasthi heeft niet alleen tegen de koning misdaan. Zij heeft ook misdaan tegen alle leiders en alle volken in alle gewesten van koning Ahasveros. 17. Wat de koningin gedaan heeft, komt bij alle vrouwen terecht. Dan zullen zij hun mannen minachten, want men zal zeggen: Koning Ahasveros liet koningin Vasthi halen, maar zij kwam niet. 18. Vandaag nog zullen de vrouwen van de leiders van Perzië en Medië hetzelfde zeggen tegen alle leiders van de koning. Zij hebben immers gehoord wat de koningin deed. Er zal genoeg minachting en woede zijn. 19. Als de koning het goedvindt, laat er dan een koninklijk besluit uitgaan. Laat dat opschrijven in de wetten van de Perzen en de Meden, zodat het niet herroepen wordt. Vasthi mag niet meer bij koning Ahasveros komen, en de koning geeft haar koninklijke plaats aan een ander, die beter is dan zij. 20. Als het bevel van de koning in zijn hele grote koninkrijk gehoord wordt, zullen alle vrouwen hun mannen eren, van groot tot klein. 21. Dit woord beviel de koning en de leiders, en de koning deed wat Memuchan gezegd had. 22. Hij stuurde brieven naar alle gewesten van de koning, elk gewest in zijn eigen schrift en elk volk in zijn eigen taal. Daarin stond dat elke man heer in zijn eigen huis moest zijn en de taal van zijn eigen volk moest spreken. ## Esther 2 — Esther wordt koningin 1. Later, toen de woede van koning Ahasveros gezakt was, dacht hij aan Vasthi. Hij dacht aan wat zij gedaan had en aan wat er over haar besloten was. 2. Toen zeiden de jonge mannen die de koning dienden: Laat men voor de koning jonge meisjes zoeken die mooi zijn om te zien. 3. Laat de koning in alle gewesten van zijn koninkrijk opzichters aanstellen. Zij moeten alle mooie jonge meisjes naar de burcht van Susan brengen, naar het vrouwenverblijf. Daar staan zij onder Hegai, de hofbeambte van de koning die over de vrouwen gaat, en krijgen zij hun schoonheidsmiddelen. 4. Het meisje dat de koning het mooist vindt, wordt koningin in de plaats van Vasthi. Dit voorstel beviel de koning, en hij deed het zo. 5. In de burcht van Susan woonde een Joodse man die Mordechai heette. Hij was de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, uit de stam Benjamin. 6. Hij was uit Jeruzalem weggevoerd met de ballingen die met Jechonia, de koning van Juda, meegingen. Nebukadnezar, de koning van Babel, had hen weggevoerd. 7. Hij voedde Hadassa op, dat is Esther, de dochter van zijn oom. Zij had geen vader en geen moeder. Zij was een meisje met een mooie gestalte en een mooi gezicht. Toen haar ouders stierven, nam Mordechai haar als dochter aan. 8. Toen het bevel van de koning bekend werd, kwamen veel meisjes samen in de burcht van Susan, onder Hegai. Ook Esther werd naar het paleis van de koning gebracht, onder Hegai, die over de vrouwen ging. 9. Het meisje beviel hem en kreeg zijn gunst. Hij gaf haar meteen haar schoonheidsmiddelen en haar porties eten. Ook gaf hij haar zeven uitgelezen meisjes uit het paleis van de koning. Hij bracht haar met haar meisjes naar het beste deel van het vrouwenverblijf. 10. Esther had niets verteld over haar volk en haar familie. Mordechai had haar namelijk verboden dat te vertellen. 11. Elke dag liep Mordechai voor de voorhof van het vrouwenverblijf. Hij wilde weten hoe het met Esther ging en wat er met haar zou gebeuren. 12. Elk meisje kwam aan de beurt om bij koning Ahasveros te komen. Dat gebeurde na twaalf maanden, zoals de regel voor de vrouwen was. Zo lang duurde hun verzorging: zes maanden met mirreolie en zes maanden met balsem en andere middelen. 13. Daarmee kwam het meisje bij de koning. Alles wat zij vroeg, kreeg zij mee uit het vrouwenverblijf naar het paleis van de koning. 14. 's Avonds ging zij naar binnen en 's morgens ging zij naar het tweede vrouwenverblijf. Daar stond zij onder Saasgaz, de hofbeambte van de koning die over de bijvrouwen ging. Zij kwam niet meer bij de koning, behalve als hij naar haar verlangde en haar bij name liet roepen. 15. Toen kwam Esther aan de beurt om bij de koning te komen. Zij was de dochter van Abichaïl, de oom van Mordechai, die haar als dochter had aangenomen. Zij vroeg niets anders dan wat Hegai, de hofbeambte die over de vrouwen ging, aanraadde. Esther kreeg de genegenheid van iedereen die haar zag. 16. Zo werd Esther bij koning Ahasveros in zijn paleis gebracht, in de tiende maand, de maand Tebeth, in het zevende jaar van zijn regering. 17. De koning hield meer van Esther dan van alle andere vrouwen. Zij kreeg zijn genegenheid en gunst meer dan alle andere meisjes. Hij zette de koninklijke kroon op haar hoofd en maakte haar koningin in de plaats van Vasthi. 18. Toen gaf de koning een groot feestmaal voor al zijn leiders en dienaren: het feestmaal van Esther. Hij gaf de gewesten kwijtschelding en deelde geschenken uit, zoals bij een koning past. 19. Toen er voor de tweede keer meisjes verzameld werden, zat Mordechai in de poort van de koning. 20. Esther had nog steeds niets verteld over haar familie en haar volk, zoals Mordechai haar bevolen had. Zij deed wat Mordechai zei, net als toen zij bij hem opgevoed werd. 21. In die tijd, terwijl Mordechai in de poort van de koning zat, werden Bigthan en Theres woedend. Zij waren twee hofbeambten van de koning die de drempel bewaakten, en zij wilden koning Ahasveros doden. 22. Mordechai kwam dit te weten en vertelde het aan koningin Esther. Esther zei het tegen de koning namens Mordechai. 23. De zaak werd onderzocht en klopte. Beide mannen werden aan een paal gehangen, en het werd in de kronieken opgeschreven waar de koning bij was. ## Esther 3 — Haman beraamt een plan tegen de Joden 1. Later maakte koning Ahasveros Haman groot, de zoon van Hammedatha uit Agag. Hij gaf hem een hogere plaats dan alle leiders om hem heen. 2. Alle dienaren van de koning in de poort knielden en bogen voor Haman, want dat had de koning bevolen. Maar Mordechai knielde niet en boog niet. 3. Toen zeiden de dienaren van de koning in de poort tegen Mordechai: Waarom overtreedt u het gebod van de koning? 4. Zij zeiden dat elke dag tegen hem, maar hij luisterde niet. Toen vertelden zij het aan Haman, om te zien of Mordechai zijn houding zou volhouden. Hij had hun namelijk verteld dat hij een Jood was. 5. Haman zag dat Mordechai niet knielde en niet voor hem boog. Toen werd Haman razend. 6. Hij vond het te min om alleen Mordechai te doden, want men had hem verteld bij welk volk Mordechai hoorde. Daarom zocht Haman een manier om alle Joden in het hele koninkrijk van Ahasveros te vernietigen, het volk van Mordechai. 7. In de eerste maand, de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men het pur, dat is het lot, voor Haman. Men deed dat dag na dag en maand na maand, tot de twaalfde maand, de maand Adar. 8. Haman had tegen koning Ahasveros gezegd: Er is een volk verspreid en verdeeld onder de volken in alle gewesten van uw koninkrijk. Hun wetten zijn anders dan die van alle andere volken, en zij houden zich niet aan de wetten van de koning. Het is voor de koning niet verstandig hen te laten blijven. 9. Als de koning het goedvindt, laat er dan een besluit geschreven worden om hen te vernietigen. Dan zal ik ongeveer 340 ton zilver afwegen voor de ambtenaren, om in de schatkamers van de koning te brengen. 10. Toen deed de koning zijn zegelring van zijn hand en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedatha uit Agag, de vijand van de Joden. 11. De koning zei tegen Haman: Dat zilver mag u houden. Doe met dat volk wat u goeddunkt. 12. Op de dertiende dag van de eerste maand werden de schrijvers van de koning geroepen. Er werd precies opgeschreven wat Haman beval, voor de stadhouders van de koning, de landvoogden van elk gewest en de leiders van elk volk. Elk gewest kreeg het in zijn eigen schrift en elk volk in zijn eigen taal. Het werd geschreven in de naam van koning Ahasveros en verzegeld met zijn ring. 13. De brieven gingen met boden naar alle gewesten van de koning. Daarin stond dat men alle Joden moest vernietigen, doden en uitroeien, jong en oud, kleine kinderen en vrouwen. Dat moest gebeuren op één dag: de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand Adar. Hun bezit mocht geplunderd worden. 14. Een afschrift van het bevel moest in alle gewesten als wet worden uitgevaardigd en aan alle volken bekend worden gemaakt. Zo konden zij zich klaarmaken voor die dag. 15. De boden gingen haastig op weg, opgejaagd door het woord van de koning. De wet werd in de burcht van Susan uitgevaardigd. De koning en Haman zaten te drinken, maar de stad Susan was in verwarring. ## Esther 4 — Mordechai vraagt Esther te spreken 1. Toen Mordechai alles wist wat er gebeurd was, scheurde hij zijn kleren. Hij trok een rouwkleed aan en deed as op zijn hoofd. Zo ging hij midden door de stad en riep het luid en bitter uit. 2. Hij kwam tot voor de poort van de koning, want niemand mocht in rouwkleed de poort van de koning binnengaan. 3. In elk gewest en elke plaats waar het woord en de wet van de koning aankwamen, rouwden de Joden zwaar. Zij vastten, huilden en klaagden luid, en velen lagen in rouwkleren en as. 4. De meisjes en de hofbeambten van Esther kwamen het haar vertellen. De koningin schrok er hevig van. Zij stuurde kleren om Mordechai aan te trekken in plaats van zijn rouwkleed, maar hij nam ze niet aan. 5. Toen riep Esther Hatach, een van de hofbeambten die de koning voor haar had aangesteld. Zij stuurde hem naar Mordechai om te horen wat er aan de hand was en waarom. 6. Hatach ging naar Mordechai op het plein van de stad, voor de poort van de koning. 7. Mordechai vertelde hem alles wat hem overkomen was. Ook noemde hij het precieze bedrag aan zilver dat Haman had toegezegd voor de schatkamers van de koning, om de Joden om te brengen. 8. Hij gaf hem ook een afschrift van de wet die in Susan was uitgevaardigd om hen te vernietigen. Hatach moest dat aan Esther laten zien en het haar uitleggen. Zij moest naar de koning gaan om hem te smeken en voor haar volk te pleiten. 9. Hatach kwam terug en vertelde Esther de woorden van Mordechai. 10. Toen gaf Esther Hatach een boodschap terug voor Mordechai. 11. Alle dienaren van de koning en het volk in de gewesten weten het. Wie zonder uitnodiging bij de koning in de binnenhof komt, man of vrouw, wacht maar één vonnis: de dood. Alleen wie de koning de gouden scepter toereikt, blijft leven. Zelf ben ik al dertig dagen niet geroepen om bij de koning te komen. 12. Zij vertelden de woorden van Esther aan Mordechai. 13. Mordechai liet Esther dit antwoorden: Denk niet dat u als enige van alle Joden zult ontkomen, omdat u in het paleis van de koning bent. 14. Als u nu blijft zwijgen, komt er voor de Joden van een andere kant verlichting en redding. Maar u en uw familie zullen omkomen. Wie weet bent u juist voor een tijd als deze koningin geworden. 15. Toen liet Esther Mordechai antwoorden: 16. Ga alle Joden in Susan bijeenroepen en vast voor mij. Eet en drink drie dagen lang niets, dag noch nacht. Ik en mijn meisjes zullen ook zo vasten. Daarna ga ik naar de koning, ook al is dat tegen de wet. Kom ik om, dan kom ik om. 17. Toen ging Mordechai weg en deed alles wat Esther hem opgedragen had. ## Esther 5 — Esther nodigt de koning en Haman uit 1. Op de derde dag trok Esther haar koninklijke kleren aan. Zij ging in de binnenhof van het paleis staan, tegenover het paleis van de koning. De koning zat op zijn troon in het paleis, tegenover de ingang. 2. Toen de koning koningin Esther in de hof zag staan, kreeg zij zijn genegenheid. Hij reikte haar de gouden scepter toe die hij in zijn hand had. Esther kwam dichterbij en raakte de punt van de scepter aan. 3. De koning zei tegen haar: Wat is er, koningin Esther? Wat wilt u vragen? U krijgt het, tot de helft van het koninkrijk toe. 4. Esther zei: Als de koning het goedvindt, kom dan vandaag met Haman naar het maal dat ik voor hem klaargemaakt heb. 5. De koning zei: Haal Haman snel, zodat wij doen wat Esther vraagt. De koning kwam met Haman naar het maal dat Esther klaargemaakt had. 6. Bij de wijn zei de koning tegen Esther: Wat is uw vraag? U krijgt het. Wat wilt u verzoeken? Het gebeurt, tot de helft van het koninkrijk toe. 7. Esther antwoordde: Mijn vraag en mijn verzoek zijn deze. 8. Als ik de genegenheid van de koning gevonden heb, en als het de koning goeddunkt mijn vraag in te willigen, kom dan met Haman. Kom naar het maal dat ik voor u klaarmaak, en morgen zal ik doen wat de koning vraagt. 9. Die dag ging Haman vrolijk en opgewekt naar buiten. Maar toen hij Mordechai in de poort van de koning zag, stond die niet op en bewoog hij zich niet voor hem. Toen werd Haman razend op Mordechai. 10. Toch hield Haman zich in en ging naar huis. Hij liet zijn vrienden komen en zijn vrouw Zeres. 11. Haman vertelde hun over zijn grote rijkdom en zijn vele zonen. Hij vertelde ook hoe de koning hem groot gemaakt had en hoger geplaatst dan de leiders en de dienaren van de koning. 12. Verder zei Haman: Koningin Esther heeft bij het maal dat zij klaarmaakte niemand anders met de koning laten komen dan mij. Ook morgen ben ik bij haar genodigd, samen met de koning. 13. Maar dit alles betekent niets voor mij, zolang ik die Jood Mordechai in de poort van de koning zie zitten. 14. Toen zeiden zijn vrouw Zeres en al zijn vrienden tegen hem: Laat een paal maken van 22,5 meter hoog. Zeg morgen tegen de koning dat men Mordechai daaraan moet hangen. Ga daarna vrolijk met de koning naar het maal. Dat advies beviel Haman, en hij liet de paal maken. ## Esther 6 — Eer voor Mordechai 1. Die nacht kon de koning niet slapen. Hij liet het boek van de kronieken halen, en het werd hem voorgelezen. 2. Daarin stond geschreven dat Mordechai Bigthana en Theres had aangegeven. Dat waren twee hofbeambten van de koning die de drempel bewaakten en koning Ahasveros hadden willen doden. 3. De koning zei: Wat voor eer en onderscheiding heeft Mordechai hiervoor gekregen? De jonge mannen die hem dienden, zeiden: Hij heeft niets gekregen. 4. Toen zei de koning: Wie is er in de hof? Haman was net in de buitenhof van het paleis gekomen. Hij wilde de koning vragen Mordechai op te hangen aan de paal die hij voor hem had laten maken. 5. De jonge mannen van de koning zeiden tegen hem: Kijk, Haman staat in de hof. De koning zei: Laat hem binnenkomen. 6. Toen Haman binnenkwam, zei de koning tegen hem: Wat moet men doen met de man aan wie de koning graag eer bewijst? Haman dacht bij zichzelf: Aan wie zou de koning liever eer bewijzen dan aan mij? 7. Daarom zei Haman tegen de koning: Voor de man aan wie de koning graag eer bewijst, 8. moet men het koninklijke kleed halen dat de koning zelf draagt, en het paard waarop de koning rijdt. Ook moet de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worden. 9. Dat kleed en dat paard moeten aan een van de hoogste leiders van de koning gegeven worden. Die trekt de man het kleed aan aan wie de koning graag eer bewijst. Hij laat hem op dat paard door de straten van de stad rijden. Voor hem uit roept hij: Zo doet men met de man aan wie de koning graag eer bewijst! 10. Toen zei de koning tegen Haman: Haast u, neem dat kleed en dat paard. Doe zo met Mordechai, de Jood, die bij de poort van de koning zit. Laat niets weg van alles wat u gezegd hebt. 11. Haman nam dat kleed en dat paard. Hij trok Mordechai het kleed aan en liet hem door de straten van de stad rijden. Voor hem uit riep hij: Zo doet men met de man aan wie de koning graag eer bewijst! 12. Daarna ging Mordechai terug naar de poort van de koning. Maar Haman haastte zich naar huis, treurig en met bedekt hoofd. 13. Haman vertelde zijn vrouw Zeres en al zijn vrienden wat hem overkomen was. Zijn wijze raadgevers en zijn vrouw Zeres zeiden tegen hem: U bent al begonnen te vallen voor Mordechai. Als hij uit het Joodse volk is, kunt u niets tegen hem beginnen. U zult zeker voor hem vallen. 14. Terwijl zij nog met hem spraken, kwamen de hofbeambten van de koning. Zij haastten zich om Haman naar het maal te brengen dat Esther klaargemaakt had. ## Esther 7 — Esther klaagt Haman aan 1. De koning kwam met Haman om bij koningin Esther te drinken. 2. Ook op die tweede dag zei de koning bij de wijn tegen Esther: Wat is uw vraag, koningin Esther? U krijgt het. Wat wilt u verzoeken? Het gebeurt, tot de helft van het koninkrijk toe. 3. Koningin Esther antwoordde: Koning, als ik uw genegenheid gevonden heb, en als het de koning goeddunkt: geef mij mijn leven, daar vraag ik om. Geef ook mijn volk het leven, dat is mijn verzoek. 4. Wij zijn namelijk verkocht, ik en mijn volk, om vernietigd, gedood en uitgeroeid te worden. Als wij als slaven en slavinnen waren verkocht, zou ik gezwegen hebben. Maar deze schade kan de onderdrukker de koning nooit vergoeden. 5. Koning Ahasveros zei tegen koningin Esther: Wie is dat, en waar is hij die het lef heeft dat te doen? 6. Esther zei: De onderdrukker en de vijand is deze slechte Haman! Toen schrok Haman hevig, waar de koning en de koningin bij waren. 7. De koning stond woedend op van de wijn en ging naar de tuin van het paleis. Haman bleef staan om koningin Esther om zijn leven te smeken, want hij zag dat de koning zijn ondergang al besloten had. 8. Toen de koning uit de tuin terugkwam in de zaal van het wijnmaal, was Haman op de bank gevallen waarop Esther lag. De koning zei: Wil hij de koningin ook nog geweld aandoen, hier bij mij in huis? Zodra dat woord uit de mond van de koning kwam, bedekten zij het gezicht van Haman. 9. Charbona, een van de hofbeambten die bij de koning stonden, zei: Kijk, bij het huis van Haman staat een paal van 22,5 meter. Hij heeft die gemaakt voor Mordechai, die goed voor de koning gesproken heeft. Toen zei de koning: Hang hem daaraan. 10. Zo hingen zij Haman aan de paal die hij voor Mordechai had laten maken. Toen zakte de woede van de koning. ## Esther 8 — Een nieuw besluit voor de Joden 1. Diezelfde dag gaf koning Ahasveros het huis van Haman, de vijand van de Joden, aan koningin Esther. Mordechai kwam bij de koning, want Esther had verteld wat hij voor haar was. 2. De koning deed zijn zegelring af, die hij van Haman had teruggenomen, en gaf die aan Mordechai. Esther stelde Mordechai aan over het huis van Haman. 3. Esther sprak opnieuw met de koning. Zij viel voor zijn voeten neer, huilde en smeekte hem. Hij moest het kwaad van Haman uit Agag ongedaan maken, en het plan dat hij tegen de Joden bedacht had. 4. De koning reikte Esther de gouden scepter toe. Toen stond Esther op en ging voor de koning staan. 5. Zij zei: Als de koning het goedvindt en ik zijn genegenheid gevonden heb, laat er dan een besluit geschreven worden. Dat vraag ik als de koning dit juist vindt en ik hem beval. De brieven met het plan van Haman moeten herroepen worden. Haman, de zoon van Hammedatha uit Agag, had die geschreven om de Joden in alle gewesten van de koning om te brengen. 6. Hoe zou ik kunnen aanzien dat mijn volk dit kwaad treft? Hoe zou ik kunnen aanzien dat mijn familie wordt vernietigd? 7. Toen zei koning Ahasveros tegen koningin Esther en tegen Mordechai, de Jood: Kijk, ik heb het huis van Haman aan Esther gegeven. Hemzelf heeft men aan de paal gehangen, omdat hij de hand aan de Joden geslagen had. 8. Schrijf nu zelf voor de Joden wat u goeddunkt, in de naam van de koning, en verzegel het met de ring van de koning. Wat in de naam van de koning geschreven en met zijn ring verzegeld is, kan niet herroepen worden. 9. Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, op de drieëntwintigste dag van de derde maand, de maand Sivan. Er werd precies opgeschreven wat Mordechai beval, voor de Joden en voor de stadhouders, landvoogden en bestuurders van de gewesten. Het ging om 127 gewesten, van India tot Nubië. Elk gewest kreeg het in zijn eigen schrift en elk volk in zijn eigen taal, en de Joden in hun eigen schrift en taal. 10. Men schreef het in de naam van koning Ahasveros en verzegelde het met zijn ring. De brieven gingen met bereden boden op snelle paarden uit de koninklijke stoeterij. 11. De koning stond de Joden in elke stad toe zich te verzamelen en voor hun leven op te komen. Zij mochten elke gewapende macht van volk of gewest die hen aanviel vernietigen, doden en uitroeien, met hun kinderen en vrouwen, en hun bezit plunderen. 12. Dat gold op één dag in alle gewesten van koning Ahasveros: de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand Adar. 13. Een afschrift van dit besluit moest in alle gewesten als wet worden uitgevaardigd en aan alle volken bekend worden gemaakt. Zo konden de Joden zich klaarmaken voor die dag om zich op hun vijanden te wreken. 14. De boden op de snelle koninklijke paarden gingen haastig op weg, opgejaagd door het woord van de koning. Deze wet werd in de burcht van Susan uitgevaardigd. 15. Mordechai ging bij de koning weg in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed. Hij droeg een grote gouden kroon en een mantel van fijn linnen en purper. De stad Susan juichte en was blij. 16. Voor de Joden was er licht, blijdschap, vreugde en eer. 17. In elk gewest en elke stad waar het woord en de wet van de koning aankwamen, was er blijdschap bij de Joden. Zij vierden vreugde met maaltijden en feestdagen. Veel mensen uit de volken van het land sloten zich bij de Joden aan, want de schrik voor de Joden was op hen gevallen. ## Esther 9 — De dagen van Purim 1. Op de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand Adar, moest het woord en de wet van de koning uitgevoerd worden. De vijanden van de Joden hoopten die dag over hen te heersen, maar het liep anders. De Joden heersten juist over hun vijanden. 2. De Joden verzamelden zich in hun steden, in alle gewesten van koning Ahasveros. Zij sloegen de hand aan wie hun ondergang zochten. Niemand hield stand tegen hen, want de schrik voor hen was op alle volken gevallen. 3. Alle bestuurders van de gewesten, de stadhouders, de landvoogden en de ambtenaren van de koning steunden de Joden. De vrees voor Mordechai was namelijk op hen gevallen. 4. Mordechai was namelijk groot in het paleis van de koning, en zijn naam ging door alle gewesten. Die man, Mordechai, werd steeds groter. 5. De Joden versloegen al hun vijanden met het zwaard. Zij doodden en vernietigden hen en deden met hun vijanden wat zij wilden. 6. In de burcht van Susan doodden de Joden vijfhonderd mannen. 7. Zij doodden Parsandatha, Dalfon, Asfata, 8. Poratha, Adalia, Aridatha, 9. Parmastha, Arisai, Aridai en Vaizatha. 10. Dat waren de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de vijand van de Joden. Maar zij sloegen hun hand niet aan de buit. 11. Diezelfde dag hoorde de koning hoeveel mensen er in de burcht van Susan gedood waren. 12. De koning zei tegen koningin Esther: In de burcht van Susan hebben de Joden vijfhonderd mannen gedood, en ook de tien zonen van Haman. Wat zullen zij dan in de andere gewesten van de koning gedaan hebben? Wat is nu uw vraag? U krijgt het. Wat wilt u verder verzoeken? Het gebeurt. 13. Esther zei: Als de koning het goedvindt, laat de Joden in Susan dan ook morgen doen wat vandaag bevolen is. En laat de tien zonen van Haman aan de paal hangen. 14. De koning zei dat het zo moest gebeuren. In Susan werd dat bevolen, en men hing de tien zonen van Haman op. 15. De Joden in Susan kwamen ook op de veertiende dag van de maand Adar bijeen. Zij doodden in Susan driehonderd mannen, maar zij sloegen hun hand niet aan de buit. 16. De andere Joden in de gewesten van de koning kwamen ook bijeen. Zij kwamen op voor hun leven en kregen rust van hun vijanden. Zij doodden 75.000 van hun vijanden, maar zij sloegen hun hand niet aan de buit. 17. Dit gebeurde op de dertiende dag van de maand Adar. Op de veertiende dag rustten zij, en zij maakten die tot een dag van maaltijden en vreugde. 18. De Joden in Susan kwamen op de dertiende en de veertiende dag bijeen. Op de vijftiende dag rustten zij, en zij maakten die tot een dag van maaltijden en vreugde. 19. Daarom vieren de Joden van het platteland, die in open steden wonen, de veertiende dag van de maand Adar. Dat is een dag van vreugde en maaltijden, een feestdag waarop men elkaar porties stuurt. 20. Mordechai schreef deze gebeurtenissen op. Hij stuurde brieven aan alle Joden in alle gewesten van koning Ahasveros, dichtbij en ver weg. 21. Hij legde hun op om elk jaar de veertiende en de vijftiende dag van de maand Adar te vieren. 22. Dat waren de dagen waarop de Joden rust kregen van hun vijanden. Het was de maand waarin hun verdriet in blijdschap veranderde en hun rouw in een feestdag. Zij moesten er dagen van maaltijden en vreugde van maken, waarop zij elkaar porties sturen en gaven aan de armen geven. 23. De Joden namen aan wat zij begonnen waren en wat Mordechai hun geschreven had. 24. Haman, de zoon van Hammedatha uit Agag, de vijand van alle Joden, had hen willen ombrengen. Hij had het pur, dat is het lot, geworpen om hen te verslaan en om te brengen. 25. Maar toen de zaak bij de koning kwam, gaf hij schriftelijk bevel dat het kwade plan tegen de Joden op Hamans eigen hoofd zou terugkomen. Men heeft hem en zijn zonen aan de paal gehangen. 26. Daarom noemt men die dagen Purim, naar de naam pur. Om alles wat in die brief stond, en om wat zij zelf gezien en meegemaakt hadden, 27. namen de Joden dit op zich, voor henzelf, hun nakomelingen en iedereen die zich bij hen aansloot. Zij zouden deze twee dagen elk jaar op de vastgestelde tijd vieren, zoals het voorgeschreven was. 28. Deze dagen moesten in elk geslacht, elke familie, elk gewest en elke stad herdacht en gevierd worden. De dagen van Purim mochten onder de Joden nooit voorbijgaan, en hun nakomelingen moesten ze blijven gedenken. 29. Daarna schreven koningin Esther, de dochter van Abichaïl, en Mordechai, de Jood, met alle gezag een tweede brief over Purim. 30. Hij stuurde de brieven aan alle Joden in de 127 gewesten van het koninkrijk van Ahasveros, met woorden van vrede en trouw. 31. Zij moesten deze dagen van Purim op de vastgestelde tijden vieren, zoals Mordechai, de Jood, en koningin Esther het hun opgelegd hadden. Zo hadden zij het ook voor zichzelf en hun nakomelingen vastgelegd, met het vasten en het roepen erbij. 32. Het bevel van Esther legde deze gewoonte van Purim vast, en het werd in een boek opgeschreven. ## Esther 10 — De grootheid van Mordechai 1. Daarna legde koning Ahasveros belasting op aan het land en aan de eilanden in zee. 2. Alles wat hij met zijn macht en kracht deed, staat beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Medië en Perzië. Ook staat daar hoe groot de koning Mordechai gemaakt had. 3. Mordechai, de Jood, was de tweede man na koning Ahasveros. Hij was groot bij de Joden en geliefd bij al zijn broers. Hij zocht het beste voor zijn volk en sprak over vrede voor al zijn nakomelingen. ## Job 1 — Job verliest alles 1. In het land Uz woonde een man die Job heette. Hij was eerlijk en oprecht. Hij had ontzag voor God en bleef ver van het kwaad. 2. Hij kreeg zeven zonen en drie dochters. 3. Hij had zevenduizend schapen, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen en vijfhonderd ezelinnen. Ook had hij heel veel knechten. Deze man was groter dan alle mensen in het oosten. 4. Zijn zonen hielden om beurten een maaltijd in hun eigen huis. Zij nodigden dan ook hun drie zussen uit om mee te eten en te drinken. 5. Als die dagen van feest voorbij waren, liet Job hen halen en heiligde hen. Hij stond vroeg op en bracht voor ieder van hen een brandoffer. Job dacht namelijk: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en God in hun hart vervloekt. Zo deed Job altijd. 6. Op een dag kwamen de hemelse wezens bij de HEERE. Ook de satan kwam met hen mee. 7. De HEERE zei tegen de satan: Waar kom je vandaan? De satan antwoordde de HEERE: Ik heb over de aarde gezworven en haar doorkruist. 8. De HEERE zei tegen de satan: Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Niemand op aarde is zoals hij: eerlijk en oprecht, met ontzag voor God en ver van het kwaad. 9. De satan antwoordde de HEERE: Heeft Job soms voor niets ontzag voor God? 10. U hebt toch een haag gezet om hem, om zijn huis en om alles wat hij heeft? U hebt het werk van zijn handen gezegend, en zijn vee is talrijk geworden in het land. 11. Maar strek uw hand eens uit en tast alles aan wat hij heeft. Dan zal hij U openlijk vervloeken. 12. De HEERE zei tegen de satan: Kijk, alles wat hij heeft is in jouw hand. Alleen hemzelf mag je niet aanraken. Toen ging de satan bij de HEERE weg. 13. Op een dag aten en dronken de zonen en dochters van Job wijn in het huis van hun oudste broer. 14. Toen kwam er een bode bij Job en zei: De runderen liepen te ploegen en de ezelinnen graasden ernaast. 15. Toen deden de Sabeeërs een inval en namen ze mee. De knechten doodden zij met het zwaard. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen. 16. Terwijl hij nog sprak, kwam er een ander en zei: Vuur van God viel uit de hemel. Het sloeg in bij de schapen en de knechten en verbrandde hen. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen. 17. Terwijl hij nog sprak, kwam er een ander en zei: De Chaldeeën vormden drie groepen en vielen de kamelen aan. Zij namen ze mee en doodden de knechten met het zwaard. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen. 18. Terwijl hij nog sprak, kwam er een ander en zei: Uw zonen en dochters aten en dronken wijn in het huis van hun oudste broer. 19. Toen kwam er een harde wind over de woestijn. Die trof de vier hoeken van het huis, zodat het op de jonge mensen viel en zij stierven. Alleen ik ben ontkomen om het u te vertellen. 20. Toen stond Job op, scheurde zijn mantel en schoor zijn hoofd kaal. Hij viel op de grond en boog zich neer. 21. Hij zei: Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen, en naakt keer ik daarheen terug. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen. De naam van de HEERE zij geprezen. 22. Bij dit alles zondigde Job niet. Hij zei niets verkeerds over God. ## Job 2 — Job wordt ziek 1. Opnieuw kwamen de hemelse wezens op een dag bij de HEERE. Ook de satan kwam met hen mee om zich bij de HEERE te melden. 2. De HEERE zei tegen de satan: Waar kom je vandaan? De satan antwoordde de HEERE: Ik heb over de aarde gezworven en haar doorkruist. 3. De HEERE zei tegen de satan: Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Niemand op aarde is zoals hij: eerlijk en oprecht, met ontzag voor God en ver van het kwaad. Hij houdt nog steeds vast aan zijn oprechtheid. Jij hebt mij tegen hem opgezet om hem zonder reden te verslinden. 4. De satan antwoordde de HEERE: Huid voor huid. Een mens geeft alles wat hij heeft voor zijn leven. 5. Maar strek uw hand eens uit en tast zijn botten en zijn vlees aan. Dan zal hij U openlijk vervloeken. 6. De HEERE zei tegen de satan: Kijk, hij is in jouw hand. Maar spaar zijn leven. 7. Toen ging de satan bij de HEERE weg. Hij sloeg Job met pijnlijke zweren, van zijn voetzool tot zijn hoofd. 8. Job nam een potscherf om zich te krabben, en hij ging midden in de as zitten. 9. Toen zei zijn vrouw tegen hem: Houd je nog steeds vast aan je oprechtheid? Vervloek God en sterf. 10. Maar hij zei tegen haar: Je praat als een dwaze vrouw. Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet? Bij dit alles zondigde Job niet met zijn woorden. 11. De drie vrienden van Job hoorden van al het onheil dat hem getroffen had. Elifaz uit Theman, Bildad uit Suah en Zofar uit Naäma kwamen ieder uit hun eigen plaats. Zij spraken af samen te gaan om hem hun medeleven te tonen en te troosten. 12. Toen zij hem van een afstand zagen, herkenden zij hem niet. Zij begonnen luid te huilen, scheurden hun mantel en gooiden stof omhoog over hun hoofd. 13. Zeven dagen en zeven nachten zaten zij met hem op de grond. Niemand zei een woord tegen hem, want zij zagen dat zijn pijn heel groot was. ## Job 3 — Job vervloekt de dag van zijn geboorte 1. Daarna deed Job zijn mond open en vervloekte de dag van zijn geboorte. 2. Job zei: 3. Weg met de dag waarop ik geboren ben, en met de nacht waarin men zei: Er is een jongen verwekt. 4. Laat die dag donker zijn. Laat God van boven er niet naar vragen, en laat er geen lichtglans over schijnen. 5. Laat duisternis en doodsschaduw hem opeisen. Laat wolken op hem gaan liggen en laat de zwarte dampen van de dag hem doen schrikken. 6. Laat het donker die nacht wegnemen. Laat hij niet meetellen bij de dagen van het jaar en niet in het aantal maanden komen. 7. Kijk, laat die nacht onvruchtbaar zijn. Laat er geen vrolijk gezang in klinken. 8. Laat wie dagen vervloeken hem vervloeken, zij die klaarstaan om hun klacht te wekken. 9. Laat de sterren van zijn schemering donker worden. Laat hij op licht wachten dat niet komt, en de eerste stralen van de dageraad niet zien. 10. Want hij heeft de deuren van mijn moeders buik niet gesloten en de ellende niet voor mijn ogen verborgen. 11. Waarom ben ik niet bij mijn geboorte gestorven? Waarom heb ik geen laatste adem gegeven toen ik uit de buik kwam? 12. Waarom waren er knieën die mij opvingen? Waarom waren er borsten die mij te drinken gaven? 13. Nu zou ik liggen en stil zijn. Ik zou slapen en rust hebben, 14. bij de koningen en raadgevers van de aarde, die voor zichzelf ruïnes herbouwden, 15. of bij de leiders die goud hadden en hun huizen met zilver vulden. 16. Of ik zou er niet zijn, als een kind dat te vroeg geboren werd, als kinderen die het licht nooit gezien hebben. 17. Daar houden de slechte mensen op met tekeergaan. Daar rusten de mensen die op zijn. 18. Daar hebben de gevangenen samen rust. Zij horen de stem van de slavendrijver niet. 19. Klein en groot zijn daar gelijk, en de slaaf is vrij van zijn heer. 20. Waarom geeft Hij licht aan wie ellendig zijn, en leven aan wie bitter bedroefd zijn? 21. Zij wachten op de dood, maar die komt niet. Zij graven ernaar, meer dan naar verborgen schatten. 22. Zij zouden opspringen van blijdschap en juichen als zij het graf vonden. 23. Waarom licht voor de man wiens weg verborgen is, die God heeft ingesloten? 24. Mijn zuchten komt in plaats van mijn brood. Mijn kreunen stroomt als water naar buiten. 25. Want waar ik bang voor was, is gebeurd. Wat ik vreesde, is over mij gekomen. 26. Ik had geen rust en geen stilte. Ik kon niet uitrusten, en de onrust kwam. ## Job 4 — Elifaz spreekt 1. Toen antwoordde Elifaz uit Theman: 2. Als iemand een woord tegen u zegt, wordt u dan verdrietig? Maar wie kan zijn woorden inhouden? 3. Kijk, u hebt veel mensen onderwezen en slappe handen sterk gemaakt. 4. Uw woorden hielpen wie struikelde weer overeind. Knikkende knieën maakte u vast. 5. Maar nu komt het bij uzelf, en u bent verdrietig. Het raakt u, en u bent van streek. 6. Was uw ontzag voor God niet uw houvast? Was de oprechtheid van uw wegen niet uw hoop? 7. Denk toch na: wie is er ooit onschuldig omgekomen? Waar zijn eerlijke mensen vernietigd? 8. Wat ik gezien heb, is dit: wie onrecht ploegen en ellende zaaien, oogsten dat ook. 9. Door de adem van God gaan zij te gronde. Door het blazen van zijn neus verdwijnen zij. 10. Het brullen van de leeuw en de stem van de felle leeuw verstommen. De tanden van de jonge leeuwen worden gebroken. 11. De oude leeuw komt om, omdat er geen prooi is. De jongen van de leeuwin raken verspreid. 12. Er kwam in het geheim een woord bij mij. Mijn oor ving er iets van op. 13. Het was tussen gedachten uit visioenen in de nacht, toen een diepe slaap op de mensen viel. 14. Toen overviel mij angst en beven, en al mijn botten schudden. 15. Een geest gleed langs mijn gezicht. De haren op mijn lichaam gingen overeind staan. 16. Hij stond stil, maar ik herkende zijn gestalte niet. Er stond een gedaante voor mijn ogen. Het was stil, en ik hoorde een stem: 17. Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker? 18. Kijk, zelfs op zijn dienaren vertrouwt Hij niet. Zelfs bij zijn engelen ziet Hij tekortkoming. 19. Hoeveel minder dan op wie in lemen huizen wonen, waarvan het fundament in het stof ligt. Zij worden verbrijzeld, sneller dan een mot. 20. Van de morgen tot de avond worden zij vermorzeld. Zonder dat iemand erop let, gaan zij voorgoed voorbij. 21. Wordt het koord van hun tent niet losgetrokken? Zij sterven, maar zonder wijsheid. ## Job 5 — Gelukkig wie God terechtwijst 1. Roep maar, is er iemand die u antwoordt? Naar wie van de heiligen zou u zich keren? 2. Ergernis brengt de dwaas om, en jaloezie doodt de onnozele. 3. Ik heb een dwaas zien wortelschieten, maar meteen vervloekte ik zijn huis. 4. Zijn zonen bleven ver van hulp. Zij werden in de poort verbrijzeld, en niemand redde hen. 5. Wie honger had, at zijn oogst op, tot tussen de doorns vandaan. Rovers slokten hun bezit op. 6. Onrecht komt niet uit het stof, en ellende groeit niet uit de grond. 7. Maar de mens wordt voor ellende geboren, zoals vonken omhoogvliegen. 8. Ik zou God zoeken en mijn zaak aan God voorleggen. 9. Hij doet grote dingen die niemand kan doorgronden, wonderen die niemand kan tellen. 10. Hij geeft regen op de aarde en stuurt water over de velden. 11. Hij zet wie vernederd zijn hoog, en wie rouwen brengt Hij in veiligheid. 12. Hij verijdelt de plannen van sluwe mensen, zodat hun handen niets bereiken. 13. Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid, zodat de raad van bedriegers vastloopt. 14. Overdag lopen zij in het donker. Op de middag tasten zij rond als in de nacht. 15. Maar Hij redt de arme van het zwaard, van hun mond en uit de hand van de sterke. 16. Zo is er hoop voor wie zwak is, en het onrecht houdt zijn mond. 17. Kijk, gelukkig is de mens die God terechtwijst. Wijs de vermaning van de Almachtige dus niet af. 18. Want Hij doet pijn en verbindt. Hij verwondt, en zijn handen genezen. 19. In zes noden zal Hij u redden, en in de zevende zal het kwaad u niet raken. 20. In hongersnood redt Hij u van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard. 21. Voor de zweep van de tong bent u verborgen. U hoeft niet bang te zijn als de verwoesting komt. 22. Om verwoesting en honger zult u lachen. Voor de wilde dieren hoeft u niet bang te zijn. 23. Want u zult in vrede leven met de stenen van het veld, en de dieren van het veld zullen vrede met u houden. 24. U zult merken dat het vrede is in uw tent. U zult uw huis nalopen en niets missen. 25. U zult merken dat uw nageslacht talrijk is, uw kinderen als het gras op de aarde. 26. In hoge ouderdom komt u in het graf, zoals een korenschoof op zijn tijd binnengehaald wordt. 27. Kijk, dit hebben wij onderzocht, en zo is het. Luister ernaar en neem het ter harte. ## Job 6 — Job antwoordt Elifaz 1. Maar Job antwoordde: 2. Werd mijn verdriet maar eerlijk gewogen, en mijn ellende samen op de weegschaal gelegd. 3. Het zou zwaarder zijn dan het zand van de zeeën. Daarom slikken mijn woorden zich in. 4. De pijlen van de Almachtige zitten in mij, en hun gif drinkt mijn geest leeg. De verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld. 5. Balkt een wilde ezel bij vers gras? Loeit een rund bij zijn voer? 6. Eet men flauw voedsel zonder zout? Zit er smaak in het slijm van een eierdooier? 7. Ik wil uw woorden niet eens aanraken. Zij zijn als bedorven eten voor mij. 8. Kreeg ik maar wat ik vraag. Gaf God maar waar ik op hoop. 9. Wilde God mij maar verbrijzelen, zijn hand laten gaan en een einde aan mij maken. 10. Dat zou nog mijn troost zijn. Ik zou opspringen in mijn pijn als Hij niet spaarde, want ik heb de woorden van de Heilige niet verzwegen. 11. Wat is mijn kracht nog, dat ik zou blijven hopen? Wat is mijn einde, dat ik zou volhouden? 12. Is mijn kracht soms de kracht van steen? Is mijn lichaam van brons? 13. Is er dan geen hulp meer in mij? Is alle redding uit mij verdreven? 14. Wie het zwaar heeft, verdient de trouw van zijn vriend, ook als hij het ontzag voor de Almachtige verliest. 15. Maar mijn broers zijn zo trouweloos als een beek, als beddingen die overlopen en weer leeglopen. 16. Zij zijn donker van het ijs, en de sneeuw verbergt zich erin. 17. Maar als de hitte komt, drogen zij op. Als het warm wordt, verdwijnen zij van hun plaats. 18. Karavanen wijken van hun weg af, trekken de woestijn in en komen om. 19. De karavanen van Thema kijken uit, de reizigers van Scheba hopen erop. 20. Zij worden beschaamd, want zij hadden erop vertrouwd. Zij komen erbij en staan voor schut. 21. Zo bent u nu voor mij: u ziet de ellende en wordt bang. 22. Heb ik soms gezegd: Geef mij iets, betaal voor mij uit uw bezit? 23. Of: Bevrijd mij uit de hand van de onderdrukker, koop mij los uit de hand van tirannen? 24. Leer mij, dan zal ik zwijgen. Laat mij zien waarin ik gedwaald heb. 25. Hoe krachtig zijn eerlijke woorden! Maar wat bewijst uw verwijt eigenlijk? 26. Denkt u woorden te kunnen berispen? De woorden van een wanhopig mens zijn toch maar wind. 27. U zou zelfs om een weeskind loten en over uw vriend onderhandelen. 28. Maar kijk mij nu eens aan. Ik lieg niet, recht in uw gezicht. 29. Kom toch terug, laat er geen onrecht zijn. Kom terug, want mijn zaak staat nog steeds recht. 30. Is er onrecht op mijn tong? Proeft mijn mond soms niet wat ellende is? ## Job 7 — Het leven van een mens is zwaar werk 1. Is het leven van een mens op aarde geen zwaar werk? Zijn zijn dagen niet als die van een dagloner? 2. Een slaaf snakt naar schaduw, en een dagloner wacht op zijn loon. 3. Zo kreeg ik maanden van leegte toebedeeld, en nachten vol moeite wachtten mij op. 4. Als ik ga liggen, denk ik: Wanneer mag ik opstaan? Maar de avond duurt eindeloos, en ik lig te woelen tot het licht wordt. 5. Mijn lichaam zit onder de wormen en de korsten van vuil. Mijn huid barst open en gaat etteren. 6. Mijn dagen gingen sneller dan een weversspoel. Zij liepen af zonder hoop. 7. Bedenk dat mijn leven een zucht wind is. Mijn ogen zullen het goede niet meer zien. 8. Wie mij nu ziet, zal mij niet meer zien. Uw ogen zoeken mij, maar ik ben er niet meer. 9. Een wolk lost op en drijft weg. Zo komt wie in het dodenrijk afdaalt niet meer terug. 10. Hij keert niet meer terug naar zijn huis, en zijn plaats kent hem niet meer. 11. Daarom zal ik mijn mond niet houden. Ik zal spreken in de benauwdheid van mijn geest en klagen in de bitterheid van mijn ziel. 12. Ben ik soms de zee of een zeemonster, dat U een wacht bij mij zet? 13. Als ik denk: Mijn bed zal mij troosten, mijn slaapplaats neemt mijn klacht een beetje weg, 14. dan jaagt U mij schrik aan met dromen en maakt U mij bang met visioenen. 15. Ik zou liever gewurgd worden, liever sterven dan zo in mijn botten verder leven. 16. Ik heb er genoeg van. Ik leef toch niet eeuwig. Laat mij met rust, want mijn dagen zijn maar lucht. 17. Wat is de mens, dat U hem zo groot vindt? Waarom richt U uw hart op hem? 18. Waarom zoekt U hem elke morgen op en stelt U hem elk moment op de proef? 19. Hoe lang kijkt U nog niet van mij weg? Laat mij toch los, al is het maar zo lang als ik slik. 20. Als ik gezondigd heb, wat doe ik U daarmee, bewaker van de mensen? Waarom hebt U mij tot uw mikpunt gemaakt, zodat ik mijzelf tot last ben? 21. Waarom vergeeft U mijn overtreding niet en neemt U mijn schuld niet weg? Straks lig ik in het stof. Dan zoekt U mij, maar ik ben er niet meer. ## Job 8 — Bildad spreekt 1. Toen antwoordde Bildad uit Suah: 2. Hoe lang blijft u dit zeggen? De woorden uit uw mond zijn een stormwind. 3. Zou God het recht verdraaien? Zou de Almachtige de gerechtigheid verdraaien? 4. Als uw kinderen tegen Hem gezondigd hebben, dan heeft Hij hen overgeleverd aan hun eigen overtreding. 5. Maar als u God vroeg zoekt en de Almachtige om genade smeekt, 6. en als u zuiver en oprecht bent, dan zal Hij voor u opstaan. Hij zal uw rechtmatige woning weer in orde brengen. 7. Uw begin was klein, maar uw einde zal heel groot zijn. 8. Vraag het toch aan het vorige geslacht. Let goed op wat hun vaders onderzocht hebben. 9. Wij zijn van gisteren en weten niets, want onze dagen op aarde zijn een schaduw. 10. Zullen zij u niet onderwijzen en tot u spreken? Zullen zij niet uit hun hart woorden voortbrengen? 11. Groeit papyrus zonder moeras? Schiet riet op zonder water? 12. Terwijl het nog groen is en niet gesneden wordt, verdort het al eerder dan elk gras. 13. Zo gaat het met iedereen die God vergeet. De hoop van wie zonder God leeft, gaat verloren. 14. Waar hij op vertrouwt, houdt geen stand. Zijn zekerheid is een spinnenweb. 15. Hij leunt op zijn huis, maar het houdt niet. Hij grijpt zich eraan vast, maar het blijft niet staan. 16. Hij staat sappig in de zon, en zijn ranken gaan over de tuin. 17. Zijn wortels vlechten zich om een steenhoop en zoeken houvast tussen de stenen. 18. Maar als men hem van zijn plaats wegrukt, ontkent die plaats hem: Ik heb je nooit gezien. 19. Kijk, dat is de vreugde van zijn weg. Uit het stof komen anderen op. 20. Kijk, God verwerpt de oprechte niet, en Hij neemt de hand van boosdoeners niet vast. 21. Hij zal uw mond nog met lachen vullen en uw lippen met gejuich. 22. Wie u haten, zullen met schaamte bedekt worden. De tent van de goddelozen zal er niet meer zijn. ## Job 9 — Hoe kan een mens gelijk krijgen bij God? 1. Maar Job antwoordde: 2. Natuurlijk weet ik dat het zo is. Maar hoe zou een mens gelijk krijgen bij God? 3. Als iemand met Hem in discussie wil, kan hij Hem niet één op de duizend vragen beantwoorden. 4. Hij is wijs van hart en sterk van kracht. Wie heeft zich ooit tegen Hem verhard en het overleefd? 5. Hij verzet bergen zonder dat zij het merken. In zijn woede keert Hij ze om. 6. Hij laat de aarde van haar plaats schudden, zodat haar zuilen beven. 7. Hij geeft de zon een bevel, en zij komt niet op. Hij verzegelt de sterren. 8. Hij spant in zijn eentje de hemel uit en loopt over de hoogten van de zee. 9. Hij maakte de Grote Beer, de Orion, het Zevengesternte en de sterren van het zuiden. 10. Hij doet grote dingen die niemand kan doorgronden, wonderen die niemand kan tellen. 11. Kijk, Hij gaat mij voorbij, en ik zie Hem niet. Hij komt langs, en ik merk Hem niet op. 12. Kijk, Hij grijpt, en wie laat Hem teruggeven? Wie zegt tegen Hem: Wat doet U daar? 13. God houdt zijn toorn niet in. Zelfs de helpers van Rahab buigen onder Hem. 14. Hoeveel minder zou ik Hem kunnen antwoorden en mijn woorden tegenover Hem kiezen? 15. Zelfs als ik gelijk had, zou ik Hem niet antwoorden. Ik zou mijn rechter om genade vragen. 16. Als ik roep en Hij antwoordt, geloof ik nog niet dat Hij naar mij geluisterd heeft. 17. Want Hij vermorzelt mij in een storm en maakt mijn wonden groter zonder reden. 18. Hij laat mij niet op adem komen, maar verzadigt mij met bitterheid. 19. Gaat het om kracht? Kijk, Hij is sterk. Gaat het om recht? Wie daagt Hem voor de rechter? 20. Als ik mijzelf vrijspreek, veroordeelt mijn eigen mond mij. Ben ik onschuldig, dan verklaart Hij mij toch schuldig. 21. Ik ben onschuldig, maar het kan mij niets meer schelen. Ik veracht mijn leven. 22. Het komt op hetzelfde neer. Daarom zeg ik: Hij maakt een einde aan de onschuldige en aan de goddeloze. 23. Als een plaag ineens doodt, lacht Hij om de wanhoop van de onschuldigen. 24. De aarde is in de macht van goddelozen. Hij bedekt het gezicht van haar rechters. Als Hij het niet doet, wie dan? 25. Mijn dagen waren sneller dan een hardloper. Zij vluchtten weg zonder het goede te zien. 26. Zij gleden voorbij als boten van riet, als een adelaar die op zijn prooi duikt. 27. Als ik zeg: Ik zal mijn klacht vergeten, mijn gezicht opklaren en weer vrolijk zijn, 28. dan schrik ik weer terug voor al mijn pijn. Ik weet dat U mij niet onschuldig zult verklaren. 29. Ik word toch schuldig bevonden. Waarom zou ik mij dan voor niets afmatten? 30. Al waste ik mij met sneeuwwater en maakte ik mijn handen schoon met loog, 31. dan zou U mij toch in de modderpoel dopen, zodat mijn eigen kleren van mij zouden walgen. 32. Hij is namelijk geen mens zoals ik, die ik zou kunnen antwoorden als wij samen voor de rechter kwamen. 33. Er is geen scheidsrechter tussen ons, die zijn hand op ons beiden kan leggen. 34. Laat Hij zijn stok van mij weghalen en mij niet langer met schrik overvallen. 35. Dan zou ik spreken zonder bang voor Hem te zijn. Maar zo sta ik er niet voor. ## Job 10 — Job pleit bij God 1. Ik ben mijn leven moe. Ik laat mijn klacht de vrije loop en spreek in de bitterheid van mijn ziel. 2. Ik zal tegen God zeggen: Veroordeel mij niet. Laat mij weten waarover U met mij strijdt. 3. Vindt U het goed om te onderdrukken? Verwerpt U het werk van uw eigen handen, terwijl U het plan van goddelozen laat slagen? 4. Hebt U ogen van vlees? Ziet U zoals een mens ziet? 5. Zijn uw dagen als de dagen van een mens? Zijn uw jaren als de jaren van een man? 6. Waarom zoekt U dan naar mijn schuld en spoort U mijn zonde op? 7. U weet toch dat ik niet goddeloos ben. Toch is er niemand die mij uit uw hand redt. 8. Uw handen hebben mij gevormd en gemaakt, en nu keren zij zich tegen mij en verslinden mij. 9. Denk toch eraan dat U mij als klei gevormd hebt. Wilt U mij weer tot stof laten worden? 10. Hebt U mij niet uitgegoten als melk en laten stollen als kaas? 11. U hebt mij bekleed met huid en vlees. Met botten en pezen hebt U mij samengeweven. 12. U hebt mij leven en trouw gegeven. Uw zorg heeft mijn adem bewaard. 13. Maar dit hield U in uw hart verborgen. Ik weet dat dit bij U was. 14. Als ik zondig, ziet U het meteen. U zult mij mijn schuld niet vergeven. 15. Als ik goddeloos ben, wee mij. En ben ik rechtvaardig, dan durf ik mijn hoofd nog niet op te heffen. Ik ben verzadigd van schande en zie mijn ellende aan. 16. Als ik het toch ophef, jaagt U mij als een leeuw. Steeds weer toont U uw macht tegen mij. 17. U zet steeds nieuwe getuigen tegen mij in en maakt uw toorn tegen mij groter. Steeds weer komt er een heel leger op mij af. 18. Waarom hebt U mij uit de moederschoot gehaald? Was ik maar gestorven voordat een oog mij zag. 19. Dan zou ik zijn alsof ik nooit bestaan had. Ik zou van de moederschoot naar het graf gebracht zijn. 20. Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op en laat mij met rust, zodat ik een beetje op adem kom. 21. Dat is voordat ik heenga en niet meer terugkom, naar het land van duisternis en doodsschaduw. 22. Het is een aardedonker land, donker als de doodsschaduw, zonder enige orde, waar het licht is als de nacht. ## Job 11 — Zofar spreekt 1. Toen antwoordde Zofar uit Naäma: 2. Moet al dat gepraat onbeantwoord blijven? Krijgt een man met veel woorden zomaar gelijk? 3. Zou uw gebabbel de mensen laten zwijgen? Zou u spotten en niemand u beschamen? 4. U hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen. 5. Sprak God maar eens, en deed Hij zijn mond maar open tegen u. 6. Dan zou Hij u de geheimen van de wijsheid laten zien, want die hebben twee kanten. Weet dan dat God een deel van uw schuld vergeet. 7. Kunt u de diepten van God doorgronden? Kunt u de Almachtige tot in zijn volmaaktheid kennen? 8. Het is hoger dan de hemel, wat kunt u doen? Dieper dan het dodenrijk, wat kunt u weten? 9. Zijn maat is langer dan de aarde en breder dan de zee. 10. Als Hij voorbijgaat en iemand opsluit of voor het gerecht roept, wie zal Hem tegenhouden? 11. Hij kent de mensen die niets waard zijn. Hij ziet het kwaad, en zou Hij er dan niet op letten? 12. Een leeghoofd wordt nog eerder verstandig dan dat een wilde ezel een mens baart. 13. Als u uw hart op Hem richt, strek dan uw handen naar Hem uit. 14. Als er kwaad in uw hand is, doe dat dan ver weg. Laat onrecht niet in uw tenten wonen. 15. Dan kunt u uw gezicht zonder smet opheffen. U zult vast staan en niet bang zijn. 16. U zult uw moeite vergeten. U zult eraan denken als aan water dat voorbijgestroomd is. 17. Uw leven zal helderder opgaan dan de middag. Het donker zal als de morgen zijn. 18. U zult vertrouwen, want er is hoop. U zult om u heen kijken en gerust gaan slapen. 19. U zult liggen zonder dat iemand u opschrikt. Velen zullen uw gunst zoeken. 20. Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken. Hun toevlucht is weg, en hun hoop is het uitblazen van hun laatste adem. ## Job 12 — Bij God is wijsheid en macht 1. Maar Job antwoordde: 2. Natuurlijk, u bent het volk, en met u zal de wijsheid uitsterven. 3. Ik heb net zo goed verstand als u. Ik doe niet voor u onder. Wie weet zulke dingen niet? 4. Ik ben iemand die door zijn vriend uitgelachen wordt. Ik roep tot God, en Hij antwoordt mij. De rechtvaardige en oprechte wordt uitgelachen. 5. Wie het goed heeft, kijkt neer op tegenslag. Hij vindt dat je zo iemand best een duw kunt geven. 6. De tenten van rovers hebben rust. Wie God tergen, voelen zich veilig, met hun god in hun hand. 7. Vraag het toch aan de dieren, die zullen het u leren. Vraag het aan de vogels van de hemel, die zullen het u vertellen. 8. Of spreek met de aarde, en zij zal het u leren. De vissen van de zee zullen het u vertellen. 9. Wie van hen allen weet niet dat de hand van de HEERE dit gedaan heeft? 10. In zijn hand is het leven van alles wat leeft, en de adem van ieder mens. 11. Proeft het oor de woorden niet, zoals het gehemelte het eten proeft? 12. Bij oude mensen is wijsheid, en een lang leven geeft inzicht. 13. Bij Hem is wijsheid en macht. Hij heeft raad en inzicht. 14. Kijk, als Hij afbreekt, wordt er niet meer opgebouwd. Als Hij iemand opsluit, gaat er niets meer open. 15. Kijk, Hij houdt het water tegen, en alles droogt uit. Hij laat het los, en het zet het land onder. 16. Bij Hem is kracht en inzicht. Van Hem zijn de misleide en de misleider. 17. Hij voert raadgevers beroofd weg, en rechters maakt Hij dwaas. 18. Hij maakt de gordel van koningen los en bindt een touw om hun middel. 19. Hij voert priesters beroofd weg, en machthebbers brengt Hij ten val. 20. Hij ontneemt vertrouwde raadgevers hun spraak en neemt het inzicht van ouderen weg. 21. Hij giet verachting uit over aanzienlijken en maakt de riem van sterke mannen slap. 22. Hij haalt diepe dingen uit het donker tevoorschijn en brengt de doodsschaduw aan het licht. 23. Hij maakt volken groot en vernietigt ze. Hij breidt volken uit en voert ze weg. 24. Hij neemt het verstand van de leiders van het land weg en laat hen dwalen in een woestenij zonder weg. 25. Zij tasten in het donker, zonder licht. Hij laat hen dwalen als een dronkaard. ## Job 13 — Job wil zijn zaak voorleggen aan God 1. Kijk, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en begrepen. 2. Wat u weet, weet ik ook. Ik doe niet voor u onder. 3. Maar ik wil met de Almachtige spreken. Ik wil mijn zaak bij God bepleiten. 4. Want u smeert er leugens overheen. U bent allemaal dokters die niets kunnen. 5. Hield u toch helemaal uw mond. Dat zou u voor wijsheid aangerekend worden. 6. Luister toch naar mijn verdediging. Let op wat mijn lippen aanvoeren. 7. Wilt u voor God onrecht spreken? Wilt u voor Hem met bedrog aankomen? 8. Wilt u partij voor Hem kiezen? Wilt u zijn zaak bepleiten? 9. Zou het goed aflopen als Hij u onderzocht? Kunt u Hem bedriegen zoals je een mens bedriegt? 10. Hij zal u zeker terechtwijzen, als u in het geheim partij kiest. 11. Zou zijn hoogheid u niet doen schrikken? Zou de vrees voor Hem niet op u vallen? 12. Uw wijze woorden zijn spreuken van as. Uw verdediging is een wal van leem. 13. Wees stil en laat mij spreken. Er kome over mij wat komt. 14. Waarom zou ik mijn vlees tussen mijn tanden nemen en mijn leven in mijn hand leggen? 15. Kijk, al zou Hij mij doden, ik blijf hopen. Toch zal ik mijn wegen voor Hem verdedigen. 16. Juist dat zal mijn redding zijn, want wie zonder God leeft, komt niet bij Hem. 17. Luister goed naar mijn woorden. Laat mijn uitleg in uw oren komen. 18. Kijk, ik heb mijn zaak op orde. Ik weet dat ik gelijk zal krijgen. 19. Wie wil er met mij in discussie? Dan zou ik zwijgen en sterven. 20. Doe alleen twee dingen niet met mij. Dan zal ik mij niet voor U verbergen. 21. Haal uw hand ver van mij weg, en laat de schrik voor U mij niet overvallen. 22. Roep dan, dan zal ik antwoorden. Of laat mij spreken, en geef U mij antwoord. 23. Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Laat mij mijn overtreding en mijn zonden zien. 24. Waarom verbergt U uw gezicht en behandelt U mij als uw vijand? 25. Wilt U een blad dat wegwaait verbrijzelen? Wilt U een droge halm achtervolgen? 26. U schrijft namelijk bittere dingen tegen mij. U laat mij de fouten van mijn jeugd erven. 27. U zet mijn voeten in het blok en let op al mijn paden. U trekt een lijn rond mijn voetzolen. 28. En zo vergaat een mens als iets wat wegrot, als een kleed dat de mot opeet. ## Job 14 — De mens is kort van dagen 1. Een mens, uit een vrouw geboren, leeft kort en heeft zijn buik vol onrust. 2. Hij komt op als een bloem en wordt afgesneden. Hij vlucht weg als een schaduw en blijft niet. 3. En op zo iemand houdt U uw ogen gericht. Mij daagt U voor uw rechtbank. 4. Wie haalt een reine tevoorschijn uit een onreine? Niemand. 5. Zijn dagen staan vast. Het aantal van zijn maanden is bij U bekend. U hebt grenzen gesteld die hij niet zal overschrijden. 6. Kijk van hem weg, zodat hij rust heeft. Laat hem van zijn dag genieten als een dagloner. 7. Voor een boom is er nog hoop. Als hij omgehakt wordt, loopt hij weer uit, en zijn scheuten houden niet op. 8. Zijn wortel mag oud worden in de aarde en zijn stronk mag afsterven in het stof, 9. maar van de geur van water loopt hij weer uit en maakt hij takken als een jonge plant. 10. Maar een man sterft en is weg. Een mens blaast zijn laatste adem uit, en waar is hij dan? 11. Het water loopt weg uit een meer, en een rivier droogt op en valt droog. 12. Zo gaat de mens liggen en staat niet meer op. Tot de hemel er niet meer is, worden zij niet wakker en niet uit hun slaap gewekt. 13. Verborg U mij maar in het dodenrijk. Verstopte U mij maar tot uw toorn voorbij was. Stelde U maar een termijn en dacht U aan mij. 14. Als een man sterft, zou hij dan weer leven? Dan zou ik al de dagen van mijn zware dienst hopen, tot mijn aflossing kwam. 15. U zou roepen en ik zou U antwoorden. U zou verlangen naar het werk van uw handen. 16. Maar nu telt U mijn stappen. U let alleen maar op mijn zonde. 17. Mijn overtreding zit verzegeld in een buidel. U plakt mijn schuld aan elkaar. 18. Toch valt een berg ook uiteen, en een rots verschuift van zijn plaats. 19. Water slijt de stenen af, en stortvloeden spoelen de grond weg. Zo maakt U de hoop van de mens kapot. 20. U overweldigt hem voorgoed, en hij gaat heen. U verandert zijn gezicht en stuurt hem weg. 21. Komen zijn kinderen tot eer, dan weet hij het niet. Worden zij klein, dan merkt hij het niet. 22. Alleen zijn eigen lichaam voelt nog pijn, en om zichzelf treurt zijn ziel. ## Job 15 — Elifaz spreekt opnieuw 1. Toen antwoordde Elifaz uit Theman: 2. Geeft een wijs man antwoord met lucht? Vult hij zijn buik met de oostenwind? 3. Verdedigt hij zich met woorden die niets opleveren, met praat waar niemand iets aan heeft? 4. U breekt zelfs het ontzag voor God af en neemt het gebed bij Hem weg. 5. Uw eigen schuld legt u de woorden in de mond. U hebt de taal van sluwe mensen gekozen. 6. Uw eigen mond veroordeelt u, niet ik. Uw eigen lippen getuigen tegen u. 7. Bent u soms als eerste mens geboren? Bent u eerder voortgebracht dan de heuvels? 8. Hebt u meegeluisterd in de raad van God? Hebt u de wijsheid voor uzelf opgeëist? 9. Wat weet u wat wij niet weten? Wat begrijpt u wat wij niet begrijpen? 10. Onder ons is ook een grijze man, ja een stokoude, ouder dan uw vader. 11. Vindt u de troost van God te gering? Is een woord dat zachtjes tot u komt niet genoeg? 12. Waarom sleept uw hart u mee? Waarom flikkeren uw ogen zo? 13. U keert zich met uw geest tegen God en laat zulke woorden uit uw mond komen. 14. Wat is een mens, dat hij rein zou zijn? Wie uit een vrouw geboren is, hoe zou hij rechtvaardig zijn? 15. Kijk, zelfs op zijn heiligen vertrouwt Hij niet. Zelfs de hemel is niet rein in zijn ogen. 16. Hoeveel te meer geldt dat voor een mens, weerzinwekkend en bedorven, die onrecht drinkt als water. 17. Ik zal het u uitleggen. Luister naar mij, en ik vertel wat ik gezien heb. 18. Het is wat de wijzen verkondigd hebben en niet verzwegen, zoals zij het van hun vaders kregen. 19. Aan hen alleen was het land gegeven, en geen vreemde trok tussen hen door. 20. De goddeloze doet zichzelf zijn leven lang pijn. Voor de tiran zijn maar weinig jaren weggelegd. 21. Angstgeluiden klinken in zijn oren. Midden in de vrede overvalt de verwoester hem. 22. Hij gelooft niet dat hij uit het donker terugkomt. Hij weet dat hij voor het zwaard bewaard wordt. 23. Hij zwerft rond om brood: waar is het? Hij weet dat de dag van de duisternis klaarstaat. 24. Angst en benauwdheid maken hem bang. Zij overweldigen hem als een koning die klaarstaat voor de strijd. 25. Want hij strekt zijn hand uit tegen God en gedraagt zich groot tegenover de Almachtige. 26. Met gestrekte nek rent hij op Hem af, achter zijn dikke, hoge schild. 27. Zijn gezicht is dik van het vet, en zijn heupen zitten vol vlees. 28. Hij ging wonen in verwoeste steden, in huizen waarin niemand meer woont en die tot puin vervallen. 29. Hij zal niet rijk blijven, en zijn bezit houdt geen stand. Zijn oogst buigt niet naar de grond. 30. Hij ontkomt niet aan het donker. Een vlam zal zijn jonge takken verdrogen, en de adem van zijn mond neemt hem weg. 31. Laat hij niet op leegte vertrouwen, want dan bedriegt hij zichzelf. Leegte zal ook zijn beloning zijn. 32. Voor zijn tijd wordt hij afbetaald, en zijn tak zal niet groen worden. 33. Men zal zijn onrijpe druiven afrukken als van een wijnstok, en zijn bloesem afwerpen als van een olijfboom. 34. De kring van wie zonder God leven, blijft leeg achter. Vuur verteert de tenten van wie steekpenningen aannemen. 35. Zij gaan zwanger van moeite en baren onrecht. Hun binnenste maakt bedrog klaar. ## Job 16 — Moeilijke vertroosters 1. Maar Job antwoordde: 2. Zulke dingen heb ik vaak gehoord. U bent allemaal troosters die het erger maken. 3. Komt er nooit een einde aan al die lucht? Wat drijft u om zo te antwoorden? 4. Ik zou ook zo kunnen praten als u in mijn plaats stond. Ik zou woorden tegen u opstapelen en mijn hoofd over u schudden. 5. Maar ik zou u juist sterken met mijn mond. Mijn woorden zouden uw pijn verzachten. 6. Als ik spreek, wordt mijn pijn niet minder. Als ik zwijg, gaat er niets van weg. 7. Nu heeft Hij mij uitgeput. U hebt mijn hele kring verwoest. 8. U hebt mij verschrompeld, en dat spreekt tegen mij. Mijn magerheid staat tegen mij op en getuigt in mijn gezicht. 9. Zijn toorn verscheurt mij en Hij haat mij. Hij knarst met zijn tanden over mij. Mijn tegenstander kijkt mij met scherpe ogen aan. 10. Zij sperren hun mond tegen mij open. Zij slaan mij smadelijk op de wang en scharen zich samen tegen mij. 11. God heeft mij overgeleverd aan wie onrecht doet. Hij heeft mij in de handen van goddelozen geworpen. 12. Ik had rust, maar Hij heeft mij gebroken. Hij greep mij bij mijn nek en verpletterde mij. Hij zette mij neer als zijn mikpunt. 13. Zijn schutters omringen mij. Hij splijt mijn nieren zonder sparen en giet mijn gal op de grond. 14. Hij slaat bres op bres in mij. Hij stormt op mij af als een soldaat. 15. Ik heb rouwkleren op mijn huid genaaid. Mijn hoorn heb ik in het stof gestoken. 16. Mijn gezicht is rood van het huilen. Op mijn oogleden ligt de doodsschaduw. 17. En dat terwijl er geen geweld in mijn handen is en mijn gebed zuiver is. 18. Aarde, bedek mijn bloed niet. Laat mijn roepen nergens tot rust komen. 19. Kijk, ook nu is mijn getuige in de hemel. Wie voor mij instaat, is in de hoogte. 20. Mijn vrienden lachen mij uit. Mijn oog stort tranen voor God. 21. Was er maar iemand die voor een mens bij God pleitte, zoals een mens dat voor zijn vriend doet. 22. Want er komen nog maar weinig jaren. Dan ga ik de weg waarlangs ik niet terugkom. ## Job 17 — Waar is dan mijn hoop? 1. Mijn geest is gebroken, mijn dagen doven uit. Het graf wacht op mij. 2. Om mij heen staan spotters. Mijn oog moet de nacht doorbrengen bij hun getreiter. 3. Stel U toch garant voor mij bij Uzelf. Wie zou anders borg voor mij staan? 4. U hebt hun hart voor inzicht gesloten. Daarom zult U hen niet laten winnen. 5. Wie zijn vrienden aangeeft voor een deel van de buit, diens kinderen zullen wegkwijnen. 6. Hij heeft mij tot een spreekwoord onder de volken gemaakt. Ik ben iemand in wiens gezicht men spuugt. 7. Mijn oog is dof geworden van verdriet. Al mijn ledematen zijn als een schaduw. 8. Oprechte mensen staan hiervan versteld. Wie onschuldig is, komt in opstand tegen wie zonder God leeft. 9. Toch houdt de rechtvaardige vast aan zijn weg, en wie rein van handen is, wordt steeds sterker. 10. Maar kom allemaal maar opnieuw. Onder u vind ik geen enkele wijze. 11. Mijn dagen zijn voorbij. Mijn plannen zijn verscheurd, alles waar mijn hart aan hing. 12. Zij maken van de nacht een dag. Het licht zou vlakbij zijn, zeggen zij, terwijl het donker is. 13. Als ik ergens op hoop, is het dat het dodenrijk mijn huis wordt. In de duisternis spreid ik mijn bed. 14. Tegen het graf zeg ik: U bent mijn vader. Tegen de wormen: Mijn moeder en mijn zus. 15. Waar is dan mijn hoop? Wie ziet er nog iets van mijn hoop? 16. Zij daalt af naar de grendels van het dodenrijk, als wij samen in het stof rusten. ## Job 18 — Bildad spreekt opnieuw 1. Toen antwoordde Bildad uit Suah: 2. Hoe lang duurt het nog voor u ophoudt met praten? Wees verstandig, dan kunnen wij ook iets zeggen. 3. Waarom worden wij als vee beschouwd? Waarom zijn wij dom in uw ogen? 4. U verscheurt uzelf in uw woede. Zou om u de aarde verlaten worden? Zou een rots van zijn plaats gehaald worden? 5. Ja, het licht van de goddeloze zal uitgaan. De vonk van zijn vuur zal niet meer schijnen. 6. Het licht in zijn tent wordt donker. De lamp boven hem gaat uit. 7. Zijn krachtige stappen worden kort. Zijn eigen plan brengt hem ten val. 8. Met zijn voeten loopt hij in een net. Hij stapt boven op een valkuil. 9. Een strik pakt hem bij de hiel. Een klem houdt hem vast. 10. Een touw ligt voor hem verborgen in de grond, en een val op zijn pad. 11. Van alle kanten jagen verschrikkingen hem angst aan en zitten hem op de hielen. 12. Zijn kracht wordt uitgehongerd. Het verderf staat klaar naast hem. 13. Een dodelijke ziekte vreet aan zijn huid. De eerstgeborene van de dood verteert zijn ledematen. 14. Hij wordt weggerukt uit de tent waarop hij vertrouwde. Men voert hem naar de koning van de verschrikkingen. 15. In zijn tent woont wat niet van hem is. Over zijn woning wordt zwavel gestrooid. 16. Van onderen verdrogen zijn wortels. Van boven verdort zijn tak. 17. Zijn naam verdwijnt van de aarde. Op straat spreekt niemand meer over hem. 18. Men stoot hem van het licht het donker in en jaagt hem de wereld uit. 19. Hij heeft geen zoon of kleinzoon onder zijn volk. In zijn huis blijft niemand over. 20. Wie na hem komen, staan versteld over zijn dag, en wie voor hem waren, schrikken ervan. 21. Zo vergaat het de huizen van wie onrecht doen. Dat is de plaats van wie God niet kent. ## Job 19 — Ik weet dat mijn Verlosser leeft 1. Maar Job antwoordde: 2. Hoe lang blijft u mij kwellen en met woorden verbrijzelen? 3. U hebt mij nu al tien keer vernederd. U schaamt u niet dat u mij zo hard behandelt. 4. Al zou ik echt gedwaald hebben, dan is die dwaling mijn eigen zaak. 5. Als u zich echt boven mij verheft en mijn schande tegen mij gebruikt, 6. weet dan dat God mij onderuit gehaald heeft en mij met zijn net omsingeld heeft. 7. Kijk, ik roep: Geweld! Maar ik krijg geen antwoord. Ik schreeuw, maar er is geen recht. 8. Hij heeft mijn weg versperd, zodat ik niet verder kan. Over mijn paden heeft Hij duisternis gelegd. 9. Mijn eer heeft Hij mij afgenomen. De kroon van mijn hoofd heeft Hij weggehaald. 10. Hij breekt mij aan alle kanten af, zodat ik heenga. Mijn hoop trekt Hij los als een boom. 11. Hij heeft zijn toorn tegen mij doen ontbranden. Hij rekent mij tot zijn vijanden. 12. Zijn troepen komen samen aanzetten. Zij banen zich een weg naar mij toe en slaan hun kamp op rond mijn tent. 13. Mijn broers heeft Hij ver van mij weggehaald. Wie mij kenden, zijn mij vreemd geworden. 14. Mijn familie blijft weg, en mijn bekenden vergeten mij. 15. Mijn huisgenoten en dienstmeisjes zien mij als een vreemde. Ik ben een buitenlander in hun ogen. 16. Ik riep mijn knecht, maar hij antwoordde niet. Ik moest hem smeken met mijn mond. 17. Mijn adem stoot mijn vrouw af. Ik stink voor mijn eigen broers. 18. Zelfs kleine kinderen kijken op mij neer. Als ik opsta, spotten zij met mij. 19. Al mijn vertrouwelingen hebben een afkeer van mij. Wie ik liefhad, hebben zich tegen mij gekeerd. 20. Mijn botten kleven aan mijn huid en aan mijn vlees. Ik ben maar net ontkomen, met het vel van mijn tanden. 21. Heb toch medelijden met mij, mijn vrienden, want de hand van God heeft mij geraakt. 22. Waarom vervolgt u mij net als God? Wordt u niet zat van mijn vlees? 23. Werden mijn woorden maar opgeschreven. Werden zij maar in een boek gezet. 24. Werden zij maar met een ijzeren stift en lood voor altijd in een rots gehouwen. 25. Want ik weet: mijn Verlosser leeft. Als laatste zal Hij over het stof opstaan. 26. En nadat mijn huid zo is stukgeslagen, zal ik vanuit mijn vlees God zien. 27. Ik zal Hem zelf zien, met mijn eigen ogen, en niet als een vreemde. Mijn hart verlangt daar hevig naar. 28. U zegt: Waarom zouden wij hem vervolgen? Alsof de wortel van de zaak bij mij te vinden is. 29. Wees dan zelf maar bang voor het zwaard. Op zulke misdaden staat het zwaard, zodat u weet dat er een oordeel is. ## Job 20 — Zofar spreekt opnieuw 1. Toen antwoordde Zofar uit Naäma: 2. Mijn gedachten dringen mij te antwoorden. Daarom haast ik mij zo. 3. Ik heb een verwijt gehoord dat mij vernedert. Maar mijn inzicht geeft mij een antwoord in. 4. Weet u dit dan niet, al sinds God de mens op aarde zette? 5. Het gejuich van goddelozen duurt maar even. De vreugde van wie zonder God leeft, is een ogenblik. 6. Al zou zijn hoogheid tot de hemel reiken en zijn hoofd tot aan de wolken, 7. toch vergaat hij voorgoed, als zijn eigen drek. Wie hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij? 8. Hij vliegt weg als een droom en is niet meer te vinden. Hij wordt verjaagd als een visioen in de nacht. 9. Het oog dat hem zag, ziet hem niet meer. Zijn eigen plaats kijkt niet meer naar hem om. 10. Zijn kinderen moeten de armen gunstig stemmen. Zijn eigen handen geven zijn bezit terug. 11. Zijn botten zaten vol jeugdige kracht, maar die gaat met hem in het stof liggen. 12. Het kwaad smaakt zoet in zijn mond. Hij verstopt het onder zijn tong. 13. Hij spaart het en laat het niet los. Hij houdt het vast in zijn gehemelte. 14. Maar in zijn maag verandert zijn voedsel. Het wordt slangengif in hem. 15. Hij heeft rijkdom ingeslikt, maar hij spuugt het uit. God drijft het uit zijn buik. 16. Hij zoog slangengif op. De tong van een adder zal hem doden. 17. Hij zal de beken niet meer zien, de stromen van honing en room. 18. Hij geeft zijn winst terug en slikt die niet door. Van zijn opbrengst geniet hij niet. 19. Want hij onderdrukte en liet de armen in de steek. Hij roofde een huis dat hij niet gebouwd had. 20. Hij kende in zijn binnenste geen rust. Van alles wat hij begeerde, houdt hij niets over. 21. Er bleef niets over van wat hij verslond. Daarom houdt zijn voorspoed geen stand. 22. Als hij volop heeft, raakt hij in het nauw. Alle handen van wie het zwaar hebben, komen op hem af. 23. Als hij zijn buik gaat vullen, stuurt God zijn brandende toorn over hem. Die regent op hem neer terwijl hij eet. 24. Vlucht hij voor het ijzeren wapen, dan doorboort de bronzen boog hem. 25. Men trekt de pijl uit zijn rug, de glinsterende punt uit zijn gal. Verschrikkingen komen over hem. 26. Alle duisternis ligt klaar in zijn schatkamers. Een vuur dat niemand aanblies verteert hem. Wie er nog in zijn tent over is, gaat het slecht. 27. De hemel legt zijn schuld bloot, en de aarde komt tegen hem in opstand. 28. De opbrengst van zijn huis wordt weggevoerd. Alles vloeit weg op de dag van Gods toorn. 29. Dat is het deel dat God een goddeloos mens geeft, het erfdeel dat God voor hem heeft vastgesteld. ## Job 21 — Waarom gaat het goddelozen goed? 1. Maar Job antwoordde: 2. Luister goed naar mijn woorden. Laat dat uw troost voor mij zijn. 3. Verdraag mij terwijl ik spreek. En als ik uitgesproken ben, mag u spotten. 4. Klaag ik soms tegen een mens? En waarom zou mijn geest niet ongeduldig zijn? 5. Kijk mij aan en sta versteld. Leg uw hand op uw mond. 6. Als ik eraan denk, schrik ik zelf. Mijn lichaam begint te beven. 7. Waarom blijven goddelozen leven? Waarom worden zij oud en machtig en rijk? 8. Hun kinderen staan stevig om hen heen. Hun nakomelingen zien zij met eigen ogen. 9. Hun huizen hebben vrede en kennen geen angst. De stok van God raakt hen niet. 10. Hun stier dekt zonder te missen. Hun koe kalft en verliest haar kalf niet. 11. Hun kleine kinderen lopen naar buiten als een kudde, en hun kinderen springen rond. 12. Zij zingen bij tamboerijn en harp en zijn blij bij het geluid van de fluit. 13. In voorspoed slijten zij hun dagen. In één ogenblik dalen zij rustig af naar het dodenrijk. 14. Toch zeggen zij tegen God: Blijf bij ons vandaan. Wij hebben geen zin om uw wegen te kennen. 15. Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? Wat levert het op als wij Hem zoeken? 16. Kijk, hun voorspoed hebben zij niet zelf in de hand. De raad van goddelozen blijft ver van mij. 17. Hoe vaak gaat de lamp van goddelozen nu echt uit? Hoe vaak komt hun ondergang en deelt God hun in zijn toorn pijn uit? 18. Hoe vaak worden zij als stro voor de wind, als kaf dat de wervelwind wegblaast? 19. Men zegt: God bewaart zijn straf voor zijn kinderen. Laat Hij het hemzelf vergelden, zodat hij het merkt. 20. Laat zijn eigen ogen zijn ondergang zien. Laat hij drinken van de woede van de Almachtige. 21. Want wat kan zijn huis hem nog schelen als het aantal van zijn maanden om is? 22. Kan iemand God kennis bijbrengen, terwijl Hij zelfs de hoogsten oordeelt? 23. De één sterft in volle kracht, helemaal rustig en tevreden. 24. Zijn emmers stonden vol melk, en zijn botten waren vol merg. 25. De ander sterft met een bittere ziel en heeft nooit van het goede gegeten. 26. Samen liggen zij in het stof, en de wormen bedekken hen. 27. Kijk, ik ken uw gedachten en de plannen waarmee u mij geweld aandoet. 28. U zegt: Waar is het huis van de machtige? Waar is de tent waarin goddelozen woonden? 29. Hebt u het nooit gevraagd aan wie onderweg zijn? Kent u hun verhalen dan niet? 30. Op de dag van het onheil wordt de slechte mens gespaard. Op de dag van de toorn wordt hij weggeleid. 31. Wie houdt hem zijn weg voor? Wie vergeldt hem wat hij gedaan heeft? 32. Uiteindelijk wordt hij naar het graf gedragen, en men waakt bij zijn grafheuvel. 33. De aardkluiten van het dal zijn zoet voor hem. Iedereen loopt achter hem aan, en voor hem gingen er ontelbaar velen. 34. Hoe wilt u mij dan troosten met lucht? Van uw antwoorden blijft alleen bedrog over. ## Job 22 — Elifaz klaagt Job aan 1. Toen antwoordde Elifaz uit Theman: 2. Heeft God er iets aan als een mens verstandig is? Een wijze heeft er alleen zelf voordeel van. 3. Heeft de Almachtige er baat bij dat u rechtvaardig bent? Wint Hij er iets bij als u onberispelijk leeft? 4. Wijst Hij u terecht omdat u ontzag voor Hem hebt? Daagt Hij u daarom voor het gerecht? 5. Is uw kwaad niet groot? Komt er geen einde aan uw schuld? 6. U hebt uw broers zonder reden een onderpand afgenomen. U hebt mensen hun kleren uitgetrokken tot zij naakt stonden. 7. U hebt een vermoeide geen water te drinken gegeven. Wie honger had, onthield u brood. 8. De man met macht kreeg het land, en wie in aanzien stond mocht er wonen. 9. Weduwen hebt u met lege handen weggestuurd. De armen van wezen hebt u gebroken. 10. Daarom liggen er strikken om u heen en overvalt schrik u ineens. 11. Of ziet u het donker niet, en de watervloed die u bedekt? 12. Is God niet hoog in de hemel? Kijk maar naar de hoogste sterren, hoe ver die staan. 13. Toch zegt u: Wat weet God daarvan? Kan Hij door de donkerheid heen oordelen? 14. Wolken zijn een scherm voor Hem, zodat Hij niets ziet. Hij wandelt langs de rand van de hemel. 15. Wilt u de oude weg blijven gaan die slechte mensen bewandeld hebben? 16. Zij werden weggerukt voordat hun tijd gekomen was. Hun fundament spoelde weg als een rivier. 17. Zij zeiden tegen God: Blijf bij ons vandaan. Wat kon de Almachtige hun maken? 18. Toch had Hij hun huizen met goede dingen gevuld. De raad van goddelozen blijft ver van mij. 19. De rechtvaardigen zien het en zijn blij. Wie onschuldig is, lacht om hen. 20. Zij zeggen: Onze tegenstanders zijn vernietigd, en het vuur heeft hun rijkdom verteerd. 21. Sluit u toch bij Hem aan en heb vrede. Daardoor zal het goede naar u toe komen. 22. Neem toch onderwijs aan uit zijn mond en berg zijn woorden op in uw hart. 23. Als u terugkeert naar de Almachtige, wordt u weer opgebouwd. Doe het onrecht ver uit uw tenten weg. 24. Leg dan uw goud in het stof, en het goud van Ofir bij de stenen van de beek. 25. Dan zal de Almachtige zelf uw goud zijn en uw stapels zilver. 26. Dan zult u vreugde vinden in de Almachtige. U zult uw gezicht naar God opheffen. 27. U zult tot Hem bidden en Hij zal u horen. U zult uw beloften nakomen. 28. Wat u besluit, zal doorgaan. Over uw wegen zal licht schijnen. 29. Als men neergaat, zegt u: Omhoog! Wie de ogen neerslaat, zal Hij redden. 30. Hij redt zelfs wie niet onschuldig is. Door de zuiverheid van uw handen wordt hij gered. ## Job 23 — Kon ik Hem maar vinden 1. Maar Job antwoordde: 2. Ook vandaag is mijn klacht opstandig. Zijn hand drukt zwaar op mijn zuchten. 3. Wist ik maar waar ik Hem vinden kon. Dan zou ik naar zijn zetel gaan. 4. Ik zou mijn zaak voor Hem uiteenzetten en mijn mond vullen met argumenten. 5. Ik zou horen wat Hij mij antwoordt en begrijpen wat Hij tegen mij zegt. 6. Zou Hij met al zijn macht tegen mij procederen? Nee, Hij zou juist naar mij luisteren. 7. Dan zou een eerlijk mens zijn zaak bij Hem bepleiten, en ik zou voorgoed vrijuit gaan bij mijn rechter. 8. Kijk, ga ik naar voren, dan is Hij er niet. Ga ik naar achteren, dan merk ik Hem niet op. 9. Werkt Hij links, dan zie ik Hem niet. Keert Hij zich naar rechts, dan zie ik Hem evenmin. 10. Maar Hij kent de weg die ik ga. Als Hij mij onderzoekt, kom ik als goud tevoorschijn. 11. Mijn voet is in zijn spoor gebleven. Ik heb zijn weg gehouden en ben er niet van afgeweken. 12. Ik ben niet afgeweken van het gebod uit zijn mond. De woorden van zijn mond bewaarde ik zorgvuldiger dan mijn dagelijks brood. 13. Maar Hij is de enige, wie brengt Hem op andere gedachten? Wat Hij wil, dat doet Hij. 14. Hij zal volbrengen wat over mij besloten is, en zulke plannen heeft Hij er nog veel. 15. Daarom ben ik van streek als ik voor Hem sta. Als ik erover nadenk, ben ik bang voor Hem. 16. God heeft mijn hart week gemaakt. De Almachtige heeft mij van streek gebracht. 17. Toch ben ik niet weggevaagd door het donker, hoewel duisternis mijn gezicht bedekt. ## Job 24 — Waarom grijpt God niet in? 1. Waarom stelt de Almachtige geen tijden vast? Waarom zien wie Hem kennen zijn dagen niet? 2. Er zijn mensen die grensstenen verzetten. Zij roven kudden en weiden die als hun eigen bezit. 3. De ezel van wezen drijven zij weg. De os van een weduwe nemen zij als onderpand. 4. Zij duwen de armen van de weg af. Wie het moeilijk heeft in het land, moet zich verstoppen. 5. Kijk, als wilde ezels in de woestijn gaan zij eropuit om te werken. Zij zoeken vroeg naar voedsel, en de steppe geeft brood voor hun kinderen. 6. Op het veld oogsten zij het voer van een ander. Zij lezen de wijngaard van de goddeloze na. 7. Zonder kleren brengen zij de nacht door, zonder iets om zich tegen de kou te dekken. 8. Zij worden nat van de regen in de bergen. Zonder onderdak drukken zij zich tegen de rotsen. 9. Men rukt het weeskind van de borst. Van wie arm is, neemt men een onderpand. 10. Zonder kleren lopen zij rond. Hongerig dragen zij de schoven. 11. Tussen de muren van anderen persen zij olie. Zij treden de wijnpersen en hebben zelf dorst. 12. Uit de stad stijgt het gekreun van stervenden op. De gewonden schreeuwen om hulp, maar God let niet op hun gebed. 13. Er zijn mensen die tegen het licht in gaan. Zij kennen zijn wegen niet en blijven niet op zijn paden. 14. Bij het eerste licht staat de moordenaar op. Hij doodt wie arm en behoeftig is, en 's nachts is hij een dief. 15. Het oog van de overspeler wacht op de schemering. Hij denkt: Geen oog zal mij zien. En hij bedekt zijn gezicht. 16. In het donker breekt men in huizen in die men overdag had uitgezocht. Zij kennen het licht niet. 17. De ochtend is voor hen allemaal als doodsschaduw. De verschrikkingen van de doodsschaduw zijn hun vertrouwd. 18. Hij drijft snel weg op het water. Zijn deel op de aarde is vervloekt. Niemand slaat nog de weg naar zijn wijngaard in. 19. Droogte en hitte nemen het sneeuwwater weg. Zo neemt het dodenrijk wie gezondigd hebben. 20. De moederschoot vergeet hem, de wormen smullen van hem. Niemand denkt nog aan hem. Het onrecht wordt gebroken als een boom. 21. Hij buit de onvruchtbare vrouw uit, die geen kind kreeg, en doet een weduwe geen goed. 22. Maar God sleept de machtigen mee met zijn kracht. Staat Hij op, dan is niemand zeker van zijn leven. 23. Hij geeft hun veiligheid, en daarop steunen zij. Toch houdt Hij hun wegen in het oog. 24. Korte tijd staan zij hoog, en dan zijn zij er niet meer. Zij worden neergedrukt en weggehaald zoals iedereen. Zij worden afgesneden als de top van een aar. 25. Als het zo niet is, wie maakt mij dan tot leugenaar? Wie toont aan dat mijn woorden niets waard zijn? ## Job 25 — Bildad spreekt kort 1. Toen antwoordde Bildad uit Suah: 2. Bij Hem is heerschappij en ontzag. Hij maakt vrede in zijn hoogten. 3. Zijn troepen zijn niet te tellen. Over wie gaat zijn licht niet op? 4. Hoe zou een mens dan gelijk krijgen bij God? Hoe zou wie uit een vrouw geboren is rein zijn? 5. Kijk, zelfs de maan is niet helder genoeg, en de sterren zijn niet rein in zijn ogen. 6. Hoeveel te minder de mens, die een made is, en een mensenkind, dat een worm is. ## Job 26 — Job over de macht van God 1. Maar Job antwoordde: 2. Wat hebt u iemand zonder kracht geholpen? Hoe hebt u een arm zonder sterkte gered? 3. Wat voor raad hebt u iemand zonder wijsheid gegeven? Wat hebt u nu echt duidelijk gemaakt? 4. Aan wie hebt u die woorden verteld? Wiens geest sprak er uit u? 5. De schimmen van de doden beven, diep onder het water, met alles wat daar woont. 6. Het dodenrijk ligt naakt voor Hem. Het verderf heeft geen deksel. 7. Hij spant het noorden uit over de leegte. Hij hangt de aarde aan niets. 8. Hij bindt het water in zijn wolken, en de wolk scheurt er niet onder. 9. Hij bedekt het gezicht van zijn troon en spreidt zijn wolk erover uit. 10. Hij heeft een cirkel getrokken over het water, tot waar het licht en het donker elkaar raken. 11. De zuilen van de hemel beven en schrikken van zijn dreiging. 12. Met zijn kracht bracht Hij de zee tot rust. Met zijn inzicht sloeg Hij Rahab neer. 13. Door zijn adem werd de hemel helder. Zijn hand doorboorde de vluchtende slang. 14. Kijk, dat zijn nog maar de randen van zijn wegen. Wat wij van Hem horen, is maar een fluistering. Wie zou de donder van zijn macht kunnen begrijpen? ## Job 27 — Job houdt vast aan zijn oprechtheid 1. Job ging verder met zijn betoog en zei: 2. Zo waar God leeft, die mij mijn recht ontnomen heeft, en de Almachtige, die mijn ziel bitter gemaakt heeft: 3. zolang mijn adem nog in mij is en de adem van God in mijn neus, 4. zullen mijn lippen geen onrecht spreken en zal mijn tong geen bedrog uitspreken. 5. Het zij verre van mij dat ik u gelijk zou geven. Tot mijn laatste adem laat ik mijn oprechtheid niet los. 6. Ik houd vast aan mijn rechtvaardigheid en laat die niet los. Mijn hart klaagt mij om geen enkele dag aan. 7. Laat het mijn vijand vergaan als de goddeloze, en wie tegen mij opstaat als wie onrecht doet. 8. Want wat heeft iemand zonder God te hopen, als hij afgesneden wordt en God zijn ziel opeist? 9. Zal God zijn roepen horen als er nood over hem komt? 10. Zal hij vreugde vinden in de Almachtige? Zal hij God altijd aanroepen? 11. Ik zal u leren hoe de hand van God werkt. Wat bij de Almachtige is, zal ik niet verzwijgen. 12. Kijk, u hebt het zelf allemaal gezien. Waarom dan al die woorden zonder inhoud? 13. Dit is het deel dat God een goddeloos mens geeft, het erfdeel dat tirannen van de Almachtige krijgen. 14. Krijgt hij veel kinderen, dan zijn zij voor het zwaard. Zijn nakomelingen krijgen geen brood genoeg. 15. Wie van hem overblijven, worden door de pest begraven. Zijn weduwen zullen niet om hem huilen. 16. Al stapelt hij zilver op als stof en legt hij kleren klaar als leem, 17. hij maakt het klaar, maar de rechtvaardige trekt het aan. De onschuldige verdeelt het zilver. 18. Hij bouwt zijn huis als een spinnenweb, als een hut die een wachter neerzet. 19. Rijk gaat hij slapen, maar het wordt niet meer opgehaald. Hij doet zijn ogen open, en het is er niet meer. 20. Verschrikkingen overvallen hem als een watervloed. 's Nachts sleurt een storm hem weg. 21. De oostenwind tilt hem op en voert hem weg. Hij blaast hem van zijn plaats. 22. God werpt zonder sparen op hem neer. Hij probeert uit zijn hand te vluchten. 23. Men klapt in de handen om hem en fluit hem na vanaf zijn plaats. ## Job 28 — Waar is de wijsheid te vinden? 1. Voor zilver is er een mijn, en er is een plaats waar men goud wint. 2. IJzer wordt uit de grond gehaald, en uit steen smelt men koper. 3. De mens maakt een einde aan het donker. Tot in de verste hoeken zoekt hij naar erts in het diepste donker. 4. Ver van bewoonde plaatsen hakt hij een schacht. Vergeten door voorbijgangers hangt hij te bengelen, ver van de mensen. 5. Uit de aarde komt brood voort, maar diep eronder wordt zij omgewoeld als door vuur. 6. Haar stenen zijn de vindplaats van saffier, en er zit goudstof in. 7. Geen roofvogel kent dat pad. Geen valkenoog heeft het gezien. 8. Geen trotse roofdieren hebben het betreden. Geen leeuw is er langsgekomen. 9. De mens slaat zijn hand aan de harde rots. Hij keert bergen om vanaf hun voet. 10. In de rotsen hakt hij gangen uit, en zijn oog ziet alles wat kostbaar is. 11. Hij dicht de bronnen van rivieren af, en wat verborgen was, brengt hij aan het licht. 12. Maar de wijsheid, waar is die te vinden? Waar is de plaats van het inzicht? 13. De mens kent haar waarde niet. Zij is niet te vinden in het land van de levenden. 14. De diepte zegt: Zij is niet in mij. En de zee zegt: Zij is niet bij mij. 15. Zij is niet te koop voor het beste goud, en haar prijs is niet in zilver af te wegen. 16. Zij is niet te betalen met goud uit Ofir, met kostbare onyx of saffier. 17. Goud en glas halen het niet bij haar. Je ruilt haar niet voor een sieraad van fijn goud. 18. Koraal en kristal zijn niet het noemen waard. Wijsheid bezitten is meer waard dan robijnen. 19. De topaas uit Nubië haalt het niet bij haar. Zij is niet te betalen met zuiver goud. 20. Waar komt die wijsheid dan vandaan? Waar is de plaats van het inzicht? 21. Zij is verborgen voor de ogen van alles wat leeft, en ook voor de vogels van de hemel. 22. Het verderf en de dood zeggen: Wij hebben er met onze oren van gehoord. 23. God kent de weg naar haar. Hij weet waar zij is. 24. Want Hij kijkt tot aan de einden van de aarde. Hij ziet alles onder de hemel. 25. Toen Hij de wind zijn gewicht gaf en het water afmat, 26. toen Hij de regen zijn regel gaf en een weg voor de bliksem bij de donder, 27. toen zag Hij haar en beschreef haar. Hij stelde haar vast en doorgrondde haar. 28. Tegen de mens zei Hij: Kijk, ontzag voor de HEERE, dat is wijsheid. Wegblijven van het kwaad, dat is inzicht. ## Job 29 — Zoals het vroeger was 1. Job ging verder met zijn betoog en zei: 2. Was ik maar weer als in de maanden van vroeger, in de dagen waarin God mij bewaarde. 3. Toen liet Hij zijn lamp boven mijn hoofd schijnen. Bij zijn licht liep ik door het donker. 4. Zo was ik in de bloei van mijn leven, toen God mijn tent in vertrouwen nam. 5. Toen was de Almachtige nog bij mij, en mijn kinderen waren om mij heen. 6. Toen waste ik mijn voeten in room, en de rots goot stromen olie voor mij uit. 7. Als ik naar de poort van de stad ging en mijn plaats op het plein innam, 8. trokken jonge mannen zich terug als zij mij zagen, en oude mannen stonden op. 9. Vooraanstaanden hielden hun woorden in en legden hun hand op hun mond. 10. De stem van de leiders zweeg, en hun tong kleefde aan hun gehemelte. 11. Wie mij hoorde, prees mij gelukkig. Wie mij zag, sprak goed van mij. 12. Want ik redde de arme die om hulp riep, en het weeskind dat geen helper had. 13. De zegen van wie omkwam kwam op mij. Het hart van de weduwe liet ik weer zingen. 14. Ik trok gerechtigheid aan als een kleed. Mijn recht was mijn mantel en mijn tulband. 15. Voor blinden was ik ogen, en voor kreupelen was ik voeten. 16. Ik was een vader voor wie arm was. De zaak van een onbekende zocht ik uit. 17. Ik brak de kaken van wie onrecht deed en rukte de prooi uit zijn tanden. 18. Ik dacht: Ik zal in mijn eigen nest sterven, met dagen zo talrijk als het zand. 19. Mijn wortel reikte tot het water, en de dauw bleef 's nachts op mijn takken liggen. 20. Mijn eer bleef bij mij fris, en mijn boog werd in mijn hand steeds weer nieuw. 21. Men luisterde naar mij en wachtte af. Men zweeg om mijn raad te horen. 22. Na mijn woord zei niemand meer iets. Mijn woorden drupten op hen neer. 23. Zij wachtten op mij als op de regen. Zij sperden hun mond open als naar de late regen. 24. Als ik naar hen lachte, konden zij het niet geloven. Het licht van mijn gezicht lieten zij niet vallen. 25. Ik koos hun weg en zat vooraan. Ik woonde als een koning bij zijn troepen, als iemand die treurenden troost. ## Job 30 — Maar nu lachen zij mij uit 1. Maar nu lachen mensen mij uit die jonger zijn dan ik. Hun vaders vond ik niet goed genoeg om bij de honden van mijn kudde te zetten. 2. Wat had ik aan de kracht van hun handen? Alle veerkracht was uit hen verdwenen. 3. Door gebrek en honger waren zij uitgeteerd. Zij knaagden aan de dorre steppe, in het donkere, verwoeste land. 4. Zij plukten zoutkruid tussen de struiken. Wortels van bremstruiken waren hun brood. 5. Zij werden uit de samenleving weggejaagd. Men schreeuwde hen na als achter een dief. 6. Zij moesten wonen in de kloven van de dalen, in holen in de grond en tussen de rotsen. 7. Tussen de struiken schreeuwden zij. Onder de netels kropen zij bij elkaar. 8. Zij waren kinderen van dwazen, kinderen zonder naam. Zij waren het land uit geslagen. 9. En nu ben ik hun spotlied geworden. Ik ben een woord waarmee zij schelden. 10. Zij hebben een afkeer van mij en blijven ver weg. Zij sparen het spuug niet voor mijn gezicht. 11. God heeft mijn boogpees losgemaakt en mij vernederd. Daarom laten zij zich tegenover mij gaan. 12. Aan mijn rechterhand staat het gespuis op. Zij stoten mijn voeten weg en banen hun aanvalswegen tegen mij. 13. Zij breken mijn pad af en helpen mee aan mijn ondergang. Niemand houdt hen tegen. 14. Zij komen aan door een brede bres. Onder het puin rollen zij op mij af. 15. Verschrikkingen keren zich tegen mij. Mijn waardigheid wordt weggeblazen als door de wind. Mijn geluk is voorbijgedreven als een wolk. 16. Nu vloeit mijn leven uit mij weg. Dagen van ellende houden mij vast. 17. 's Nachts doorboort Hij mijn botten. De pijn die aan mij knaagt, gaat nooit slapen. 18. Met grote kracht grijpt Hij mijn kleed. Hij knelt mij als de kraag van mijn hemd. 19. Hij heeft mij in de modder gegooid. Ik ben als stof en as geworden. 20. Ik roep U om hulp, maar U antwoordt niet. Ik sta voor U, maar U kijkt niet naar mij. 21. U bent wreed voor mij geworden. Met de kracht van uw hand keert U zich tegen mij. 22. U tilt mij op in de wind en laat mij erop rijden. U laat mij vergaan in de storm. 23. Ik weet dat U mij naar de dood brengt, naar het huis waar al wat leeft samenkomt. 24. Toch steekt men in een puinhoop zijn hand niet uit naar wie om hulp roept in zijn ondergang. 25. Huilde ik niet om wie het moeilijk had? Was ik niet verdrietig om wie arm was? 26. Toch kwam er kwaad toen ik het goede verwachtte. Er kwam donkerheid toen ik op licht hoopte. 27. Mijn binnenste kookt en komt niet tot rust. Dagen van ellende kwamen mij tegemoet. 28. Ik loop rond in het zwart, maar niet door de zon. Ik sta op in de vergadering en schreeuw om hulp. 29. Ik ben een broer van de jakhalzen geworden, een metgezel van de struisvogels. 30. Mijn huid is zwart geworden en laat los. Mijn botten gloeien van de koorts. 31. Daarom is mijn harp een klaaglied geworden en mijn fluit een stem van huilende mensen. ## Job 31 — Job legt zijn leven open 1. Ik heb een verbond met mijn ogen gesloten. Hoe zou ik dan naar een jonge vrouw kijken? 2. Want wat is het deel dat God van boven geeft, het erfdeel van de Almachtige uit de hoogte? 3. Is er geen ondergang voor wie onrecht doet, geen ramp voor wie kwaad bedrijven? 4. Ziet Hij mijn wegen niet? Telt Hij niet al mijn stappen? 5. Als ik met leugen omgegaan ben, als mijn voet zich naar bedrog haastte, 6. laat God mij dan op een eerlijke weegschaal wegen. Dan zal Hij weten dat ik oprecht ben. 7. Als mijn stap van de weg is afgeweken, als mijn hart mijn ogen gevolgd is, als er iets aan mijn handen kleeft, 8. laat mij dan zaaien en een ander eten. Laat mijn gewas dan uitgerukt worden. 9. Als mijn hart verleid is door een vrouw, als ik bij de deur van mijn naaste geloerd heb, 10. laat mijn vrouw dan voor een ander malen, en laten anderen zich over haar buigen. 11. Want dat is een schandelijke daad, een misdaad voor de rechters. 12. Het is een vuur dat verteert tot in het verderf. Het zou heel mijn opbrengst met wortel en al verbranden. 13. Als ik het recht van mijn knecht of mijn dienstmeisje genegeerd heb toen zij een klacht tegen mij hadden, 14. wat zou ik dan doen als God opstaat? Wat zou ik antwoorden als Hij mij ondervraagt? 15. Heeft Hij die mij in de buik maakte, hem niet ook gemaakt? Heeft niet Eén ons in de moederschoot gevormd? 16. Als ik de armen hun wens onthouden heb, of de ogen van de weduwe laten wegkwijnen, 17. als ik mijn brood alleen gegeten heb en het weeskind er niets van kreeg, 18. terwijl hij van mijn jeugd af bij mij opgroeide als bij een vader, en ik haar vanaf mijn geboorte geleid heb, 19. als ik iemand heb zien omkomen zonder kleren, of iemand die arm was zonder deken, 20. en zijn lichaam mij niet gezegend heeft toen hij warm werd van de wol van mijn lammeren, 21. als ik mijn hand tegen een weeskind opgeheven heb, omdat ik in de poort steun had, 22. laat dan mijn schouder uit het gewricht vallen en mijn arm van de kom afbreken. 23. Want de ondergang die God stuurt, joeg mij angst aan. Voor zijn hoogheid kon ik niets beginnen. 24. Als ik goud tot mijn hoop gemaakt heb, of tegen het fijne goud gezegd heb: U bent mijn vertrouwen, 25. als ik blij geweest ben omdat mijn vermogen groot was en mijn hand veel verworven had, 26. als ik naar de zon keek terwijl die schitterde, of naar de maan die prachtig voortging, 27. en mijn hart in het geheim verleid werd, zodat mijn hand een kus wierp naar mijn mond, 28. dan was dat ook een misdaad voor de rechter, want dan had ik God in de hoogte verloochend. 29. Als ik blij geweest ben om de ondergang van wie mij haatte, als ik opsprong toen het kwaad hem trof, 30. terwijl ik mijn mond nooit heb laten zondigen door zijn leven te vervloeken, 31. als de mensen van mijn tent niet gezegd hebben: Wie is er niet met zijn vlees verzadigd? 32. De vreemdeling hoefde niet op straat te slapen. Mijn deuren zette ik open naar de weg. 33. Als ik mijn overtredingen bedekt heb zoals mensen doen, door mijn schuld in mijn binnenste te verbergen, 34. omdat ik bang was voor de grote menigte en schrok van de minachting van de families, zodat ik zweeg en de deur niet uit ging, 35. had ik maar iemand die naar mij luisterde. Kijk, hier is mijn handtekening. Laat de Almachtige mij antwoorden. Laat mijn tegenstander zijn aanklacht opschrijven. 36. Ik zou die op mijn schouder dragen. Ik zou hem als een kroon om mij binden. 37. Ik zou Hem rekenschap geven van elke stap. Als een vorst zou ik naar Hem toe gaan. 38. Als mijn land om hulp tegen mij roept en zijn voren samen huilen, 39. als ik zijn opbrengst gegeten heb zonder te betalen en zijn boeren naar adem heb laten snakken, 40. laat er dan distels opkomen in plaats van tarwe, en onkruid in plaats van gerst. Hier eindigen de woorden van Job. ## Job 32 — Elihu neemt het woord 1. Toen hielden de drie mannen op met antwoorden, omdat Job in eigen ogen rechtvaardig was. 2. Toen werd Elihu woedend, de zoon van Baracheël uit Buz, uit de familie van Ram. Hij werd woedend op Job, omdat die zichzelf meer in zijn recht stelde dan God. 3. Hij werd ook woedend op de drie vrienden. Zij hadden geen antwoord gevonden en verklaarden Job toch schuldig. 4. Elihu had gewacht tot Job uitgesproken was, omdat de anderen ouder waren dan hij. 5. Toen Elihu zag dat die drie mannen geen antwoord meer hadden, werd hij woedend. 6. Elihu, de zoon van Baracheël uit Buz, zei: Ik ben jong en u bent oud. Daarom was ik bang en durfde ik u mijn mening niet te geven. 7. Ik dacht: Laten de jaren spreken. Laat een lang leven wijsheid leren. 8. Maar het is de geest in de mens, de adem van de Almachtige, die inzicht geeft. 9. Niet de ouderen zijn per se wijs. Niet de bejaarden begrijpen altijd het recht. 10. Daarom zeg ik: luister naar mij. Ook ik zal mijn mening geven. 11. Kijk, ik heb op uw woorden gewacht. Ik heb geluisterd naar uw redeneringen terwijl u naar woorden zocht. 12. Ik heb goed op u gelet. Maar niemand van u heeft Job weerlegd of zijn woorden beantwoord. 13. Zeg dan niet: Wij hebben de wijsheid gevonden. God moet hem verslaan, geen mens. 14. Tegen mij heeft hij zijn woorden niet gericht. Ik zal hem dan ook niet met uw woorden antwoorden. 15. Zij staan verslagen en antwoorden niet meer. De woorden zijn hun ontnomen. 16. Moet ik wachten terwijl zij niets zeggen? Zij staan stil en antwoorden niet meer. 17. Ook ik zal mijn deel antwoorden. Ook ik zal mijn mening geven. 18. Want ik zit vol woorden. De geest in mijn binnenste dringt aan. 19. Kijk, mijn binnenste is als wijn zonder luchtgat. Als nieuwe wijnzakken staat het op barsten. 20. Ik moet spreken om lucht te krijgen. Ik zal mijn lippen openen en antwoorden. 21. Ik zal niemand voortrekken en niemand vleien. 22. Want ik kan niet vleien. Anders zou mijn Maker mij snel wegnemen. ## Job 33 — God spreekt op meer dan één manier 1. Job, luister toch naar mijn woorden. Neem alles wat ik zeg ter harte. 2. Kijk, ik heb mijn mond opengedaan. Mijn tong begint te spreken. 3. Mijn woorden komen uit een oprecht hart. Mijn lippen zeggen zuiver wat ik weet. 4. De Geest van God heeft mij gemaakt. De adem van de Almachtige geeft mij leven. 5. Antwoord mij als u kunt. Zet uw zaak klaar en ga voor mij staan. 6. Kijk, voor God ben ik net als u. Ook ik ben uit klei gevormd. 7. U hoeft niet bang voor mij te zijn. Mijn hand zal niet zwaar op u drukken. 8. U hebt het in mijn oren gezegd. Ik heb de klank van uw woorden gehoord. 9. U zei: Ik ben rein en zonder overtreding. Ik ben zuiver en heb geen schuld. 10. Kijk, Hij zoekt redenen tegen mij. Hij ziet mij als zijn vijand. 11. Hij zet mijn voeten in het blok en let op al mijn paden. 12. Kijk, hierin hebt u geen gelijk, antwoord ik u. God is groter dan een mens. 13. Waarom maakt u ruzie met Hem? Hij hoeft niet van al zijn daden rekenschap te geven. 14. God spreekt op één manier, en op nog een tweede, maar men let er niet op. 15. In een droom, in een visioen in de nacht, als een diepe slaap op de mensen valt, als zij op hun bed sluimeren, 16. dan opent Hij het oor van de mensen en drukt Hij zijn waarschuwing erin. 17. Zo houdt Hij een mens af van wat hij doet en verbergt Hij de hoogmoed voor een man. 18. Zo houdt Hij zijn leven weg van het graf, zodat hij niet door het zwaard omkomt. 19. Ook wordt een mens gestraft met pijn op zijn bed, met een voortdurend beven in zijn botten. 20. Zijn leven walgt dan van brood, en zijn ziel van het lekkerste eten. 21. Zijn vlees slinkt weg tot je het niet meer ziet. Zijn botten, eerst onzichtbaar, steken uit. 22. Zijn leven nadert het graf, en zijn adem de boodschappers van de dood. 23. Is er dan een boodschapper bij Hem, een bemiddelaar, één uit duizend, om een mens te laten zien wat goed voor hem is, 24. dan is Hij hem genadig en zegt: Red hem, zodat hij niet in het graf afdaalt. Ik heb losgeld gevonden. 25. Zijn vlees wordt frisser dan in zijn jeugd. Hij keert terug naar de dagen van zijn jonge kracht. 26. Hij bidt tot God, en God neemt hem aan. Hij mag zijn gezicht met gejuich zien, want God geeft hem zijn gerechtigheid terug. 27. Hij zingt voor de mensen en zegt: Ik heb gezondigd en het recht verdraaid, maar het is mij niet vergolden. 28. God heeft mijn leven verlost van het graf, en mijn leven ziet het licht. 29. Kijk, dit alles doet God twee of drie keer met een mens. 30. Zo brengt Hij zijn leven terug van het graf en laat Hij hem in het licht van de levenden staan. 31. Let op, Job, luister naar mij. Zwijg, dan zal ik spreken. 32. Hebt u iets te zeggen, antwoord mij dan. Spreek, want ik zou u graag in het gelijk stellen. 33. Hebt u niets, luister dan naar mij. Zwijg, dan zal ik u wijsheid leren. ## Job 34 — God doet geen onrecht 1. Elihu ging verder en zei: 2. Luister naar mijn woorden, wijzen. Verstandige mensen, spits uw oren. 3. Want het oor proeft woorden, zoals het gehemelte het eten proeft. 4. Laten wij samen uitzoeken wat recht is. Laten wij samen leren wat goed is. 5. Want Job heeft gezegd: Ik heb gelijk, en God heeft mij mijn recht ontnomen. 6. Moet ik liegen over mijn eigen recht? Mijn wond is ongeneeslijk, en ik heb niets misdaan. 7. Welke man is er als Job? Hij drinkt spot als water. 8. Hij trekt op met wie kwaad doen en loopt met goddeloze mensen mee. 9. Want hij heeft gezegd: Een man heeft er niets aan om God graag te dienen. 10. Daarom, verstandige mensen, luister naar mij. Het zij verre van God om goddeloos te zijn, en van de Almachtige om onrecht te doen. 11. Want Hij vergeldt een mens naar zijn werk. Hij laat ieder vinden wat bij zijn weg past. 12. God handelt echt niet goddeloos, en de Almachtige verdraait het recht niet. 13. Wie heeft Hem over de aarde aangesteld? Wie heeft Hem de hele wereld toevertrouwd? 14. Als Hij alleen aan zichzelf zou denken en zijn geest en adem zou terugnemen, 15. dan zou al wat leeft tegelijk sterven en zou de mens weer stof worden. 16. Als u verstand hebt, luister dan hiernaar. Spits uw oren voor wat ik zeg. 17. Zou iemand die het recht haat, kunnen regeren? Wilt u de Rechtvaardige, de Machtige, veroordelen? 18. Zegt men soms tegen een koning: Nietsnut? Of tegen aanzienlijken: Goddeloze? 19. Hoeveel minder tegen Hem, die leiders niet voortrekt en de rijke niet boven de arme stelt. Zij zijn immers allemaal het werk van zijn handen. 20. In één ogenblik sterven zij. Midden in de nacht wordt een volk geschud en gaat het voorbij. Machtigen worden weggenomen zonder dat een mensenhand eraan te pas komt. 21. Want zijn ogen zijn op de wegen van ieder mens gericht. Hij ziet al zijn stappen. 22. Er is geen duisternis en geen doodsschaduw waar wie kwaad doen zich kunnen verbergen. 23. Hij hoeft een mens geen tijd te geven om voor God te verschijnen. 24. Hij breekt machtigen zonder onderzoek en zet anderen in hun plaats. 25. Hij kent hun daden. Daarom keert Hij hen 's nachts om, en zij worden verbrijzeld. 26. Hij slaat hen als goddelozen, op een plaats waar iedereen het ziet. 27. Zij zijn immers van Hem afgeweken en hebben geen van zijn wegen begrepen. 28. Zo bracht Hij het roepen van de arme bij zich en hoorde Hij het schreeuwen van wie het zwaar had. 29. Als Hij rust geeft, wie brengt dan onrust? Als Hij zijn gezicht verbergt, wie krijgt Hem dan te zien? Dat geldt voor een volk en voor een mens alleen. 30. Zo houdt Hij mensen zonder God van de macht af, zodat zij het volk niet in strikken vangen. 31. Heeft iemand tegen God gezegd: Ik heb mijn straf gedragen, ik zal geen kwaad meer doen. 32. Wat ik niet zie, leer U mij. Heb ik onrecht gedaan, dan doe ik het niet meer. 33. Moet God dan naar uw zin vergelden, omdat u zijn oordeel afwijst? U moet kiezen, niet ik. Zeg dan wat u weet. 34. Verstandige mensen zullen met mij zeggen, en elke wijze die naar mij luistert: 35. Job spreekt zonder kennis, en zijn woorden zijn niet verstandig. 36. Werd Job maar tot het uiterste onderzocht, om zijn antwoorden in de trant van slechte mensen. 37. Want bij zijn zonde voegt hij nog opstand. Hij klapt onder ons in de handen en stapelt zijn woorden op tegen God. ## Job 35 — Wat heeft God aan uw gedrag? 1. Elihu ging verder en zei: 2. Vindt u dit recht, dat u gezegd hebt: Ik sta meer in mijn recht dan God? 3. U hebt namelijk gezegd: Wat heb ik eraan? Wat schiet ik ermee op, meer dan wanneer ik zondig? 4. Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden erbij. 5. Kijk naar de hemel en zie. Kijk naar de wolken, hoe hoog zij boven u staan. 6. Als u zondigt, wat doet u Hem daarmee aan? Als uw overtredingen talrijk zijn, wat maakt u Hem dan? 7. Als u rechtvaardig bent, wat geeft u Hem dan? Wat krijgt Hij uit uw hand? 8. Uw slechtheid raakt een mens zoals u. Uw rechtvaardigheid raakt een mensenkind. 9. Onder zware druk roepen mensen om hulp. Zij schreeuwen onder de arm van de machtigen. 10. Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, die liederen geeft in de nacht, 11. die ons meer leert dan de dieren op aarde en ons wijzer maakt dan de vogels in de lucht? 12. Daar roepen zij, maar Hij antwoordt niet, vanwege de hoogmoed van slechte mensen. 13. God luistert niet naar lege woorden. De Almachtige kijkt er niet naar om. 14. En dan zegt u nog dat u Hem niet ziet. Maar uw zaak ligt voor Hem, dus wacht op Hem. 15. Nu zegt u dat zijn toorn niets uitricht en dat Hij niet let op de ergste overtreding. 16. Zo doet Job zijn mond open zonder inhoud. Hij stapelt woorden op zonder kennis. ## Job 36 — God is groot, wij begrijpen Hem niet 1. Elihu ging nog verder en zei: 2. Heb nog even geduld met mij. Ik zal u laten zien dat er nog meer voor God te zeggen is. 3. Ik haal mijn kennis van ver. Ik geef mijn Maker het recht dat Hem toekomt. 4. Mijn woorden zijn echt niet vals. Iemand met zuivere kennis staat voor u. 5. Kijk, God is machtig, maar Hij veracht niemand. Hij is machtig door de kracht van zijn inzicht. 6. Hij laat de goddeloze niet in leven, maar de armen geeft Hij hun recht. 7. Hij houdt zijn ogen op de rechtvaardige gericht. Bij koningen op de troon zet Hij hen voor altijd, en zij worden hoog geplaatst. 8. Maar als zij in boeien vastzitten en gevangen worden gehouden met touwen van ellende, 9. dan laat Hij hun zien wat zij doen en hoe zij in hun overmoed overtreden. 10. Hij opent hun oor voor de terechtwijzing en zegt dat zij zich van het onrecht moeten bekeren. 11. Als zij luisteren en Hem dienen, eindigen zij hun dagen in voorspoed en hun jaren in vreugde. 12. Maar als zij niet luisteren, komen zij om door het zwaard. Zij sterven zonder kennis. 13. Wie in hun hart zonder God leven, stapelen toorn op. Zij roepen niet om hulp als Hij hen bindt. 14. Hun leven sterft in de jeugd. Hun bestaan eindigt bij de tempelhoeren. 15. Hij redt wie het zwaar heeft door zijn lijden. In de onderdrukking opent Hij hun oor. 16. Ook u had Hij weggelokt uit de muil van de nood, naar een ruime plaats zonder benauwdheid. Uw tafel zou vol staan met het beste eten. 17. Maar u hebt het oordeel van de goddelozen op u geladen. Oordeel en recht houden u vast. 18. Pas op dat de woede u niet tot spot verleidt. Laat een grote losprijs u niet op een dwaalspoor brengen. 19. Zou uw roepen u uit de nood helpen, of al uw krachtsinspanningen? 20. Verlang niet naar de nacht waarin volken van hun plaats worden weggehaald. 21. Pas op, keer u niet naar het onrecht. Juist daarvoor hebt u gekozen, in plaats van voor het lijden. 22. Kijk, God is verheven door zijn kracht. Wie is een leraar zoals Hij? 23. Wie heeft Hem zijn weg voorgeschreven? Wie heeft gezegd: U doet onrecht? 24. Denk eraan dat u zijn werk groot maakt, het werk dat de mensen bezingen. 25. Alle mensen zien het aan. De mens kijkt ernaar van verre. 26. Kijk, God is groot, en wij begrijpen Hem niet. Het aantal van zijn jaren is niet te doorgronden. 27. Want Hij trekt de druppels water omhoog. Uit zijn nevel druppelt de regen neer. 28. De wolken laten die stromen en gieten hem overvloedig over de mensen uit. 29. Wie begrijpt hoe de wolken zich uitspreiden en hoe het kraakt in zijn tent? 30. Kijk, Hij spreidt zijn licht om zich heen en bedekt de bodem van de zee. 31. Daarmee oordeelt Hij de volken, en Hij geeft voedsel in overvloed. 32. Met zijn handen bedekt Hij de bliksem en stuurt Hij hem op zijn doel af. 33. Het gedonder kondigt Hem aan. Zelfs het vee voelt dat er onweer op komst is. ## Job 37 — De stem van God in het onweer 1. Ook mijn hart beeft hiervan en springt op van zijn plaats. 2. Luister goed naar het rommelen van zijn stem, naar het geluid dat uit zijn mond komt. 3. Hij stuurt het rechtuit onder de hele hemel, en zijn licht tot aan de randen van de aarde. 4. Daarna brult zijn stem. Hij dondert met zijn verheven stem en houdt de bliksem niet tegen als zijn stem klinkt. 5. God dondert wonderlijk met zijn stem. Hij doet grote dingen die wij niet begrijpen. 6. Hij zegt tegen de sneeuw: Val op de aarde. Zo zegt Hij het ook tegen de regenbui en tegen de zware stortregens. 7. Dan legt Hij de hand van ieder mens stil, zodat alle mensen zijn werk erkennen. 8. De dieren trekken zich terug en blijven in hun holen. 9. Uit zijn kamer komt de storm, en uit de noordenwind de kou. 10. Door de adem van God komt het ijs, en het brede water wordt hard. 11. Hij belaadt de wolken met vocht en verstrooit de wolken van zijn licht. 12. Zij draaien rond zoals Hij ze stuurt, om alles te doen wat Hij opdraagt op de hele bewoonde aarde. 13. Zo laat Hij ze komen, als straf voor zijn land of als teken van zijn trouw. 14. Neem dit ter harte, Job. Sta stil en let op de wonderen van God. 15. Weet u hoe God ze aanstuurt en hoe Hij het licht in zijn wolk laat schijnen? 16. Weet u hoe de wolken zweven, de wonderen van Hem die volmaakt is in kennis? 17. Weet u waarom uw kleren warm zijn als de aarde stil ligt onder de zuidenwind? 18. Hebt u met Hem de hemel uitgespannen, vast als een gegoten spiegel? 19. Leer ons wat wij tegen Hem moeten zeggen. Wij kunnen door de duisternis niets ordelijk voorleggen. 20. Moet Hem verteld worden dat ik wil spreken? Als iemand dat wenst, wordt hij verslonden. 21. Nu kijkt men niet naar het licht dat helder in de hemel staat, als de wind erlangs gaat en de lucht schoonveegt. 22. Uit het noorden komt een gouden gloed. Om God heen hangt een ontzagwekkende majesteit. 23. De Almachtige kunnen wij niet doorgronden. Hij is groot van kracht, maar recht en gerechtigheid schendt Hij niet. 24. Daarom hebben mensen ontzag voor Hem. Hij kijkt niet op tegen wie zichzelf wijs vinden. ## Job 38 — De HEERE antwoordt uit de storm 1. Toen antwoordde de HEERE Job uit een storm. Hij zei: 2. Wie is dat, die mijn plan verduistert met woorden zonder kennis? 3. Maak je klaar als een man. Ik zal je vragen stellen, en jij onderwijst mij. 4. Waar was je toen ik de aarde grondvestte? Vertel het, als je zoveel inzicht hebt. 5. Wie heeft haar maten bepaald? Jij weet het vast. Wie heeft het meetlint over haar gespannen? 6. Waarop zijn haar voetstukken neergezet? Wie heeft haar hoeksteen gelegd, 7. toen de morgensterren samen juichten en alle hemelse wezens het uitriepen van vreugde? 8. Wie heeft de zee met deuren afgesloten, toen zij naar buiten brak uit de moederschoot? 9. Toen maakte ik een wolk tot haar kleed en dikke duisternis tot haar doeken. 10. Toen stelde ik mijn grens voor haar vast en zette ik grendels en deuren. 11. Ik zei tegen haar: tot hier en niet verder, hier stuit de hoogmoed van je golven. 12. Heb jij ooit de morgen bevolen? Heb jij de dageraad zijn plaats gewezen, 13. zodat hij de randen van de aarde vastpakt en de goddelozen eruit geschud worden? 14. Dan verandert de aarde als klei onder een zegel. Alles staat erop als de plooien van een kleed. 15. De goddelozen wordt hun licht ontnomen, en de opgeheven arm wordt gebroken. 16. Ben je tot bij de bronnen van de zee gekomen? Heb je op de bodem van de diepte gelopen? 17. Zijn de poorten van de dood aan je getoond? Heb je de poorten van de doodsschaduw gezien? 18. Heb je de breedte van de aarde overzien? Vertel het, als je dit alles weet. 19. Waar is de weg naar de plek waar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats? 20. Kun jij haar naar haar gebied brengen? Ken je de paden naar haar huis? 21. Je weet het vast, want je was toen al geboren, en je dagen zijn talrijk. 22. Ben je bij de voorraadkamers van de sneeuw geweest? Heb je de voorraadkamers van de hagel gezien? 23. Die houd ik achter voor de tijd van nood, voor de dag van strijd en oorlog. 24. Waar is de weg waarlangs het licht zich verdeelt en de oostenwind zich over de aarde verspreidt? 25. Wie heeft een geul gegraven voor de stortregen en een weg voor de bliksem bij de donder, 26. om te regenen op land waar niemand woont, op de woestijn waar geen mens is, 27. om het verlaten en verwoeste land te drenken en gras te laten opkomen? 28. Heeft de regen een vader? Wie heeft de dauwdruppels verwekt? 29. Uit wiens buik komt het ijs? Wie heeft de rijp van de hemel gebaard? 30. Het water wordt hard als steen, en de oppervlakte van de diepte vriest dicht. 31. Kun jij de banden van het Zevengesternte vastmaken of de touwen van de Orion losmaken? 32. Kun jij de sterrenbeelden op tijd laten opkomen en de Grote Beer met haar jongen leiden? 33. Ken je de wetten van de hemel? Kun jij zijn heerschappij over de aarde regelen? 34. Kun jij je stem naar de wolken verheffen, zodat een vloed water je bedekt? 35. Kun jij de bliksem uitsturen, zodat hij gaat en tegen je zegt: Hier zijn wij? 36. Wie heeft wijsheid in het binnenste gelegd? Wie heeft het verstand inzicht gegeven? 37. Wie telt de wolken met wijsheid? Wie kantelt de kruiken van de hemel, 38. als het stof tot één massa wordt en de kluiten aan elkaar kleven? ## Job 39 — De dieren die niemand temt 1. Jaag jij de prooi voor de leeuwin? Vul jij de honger van de jonge leeuwen, 2. als zij in hun holen neerhurken en in het struikgewas op de loer liggen? 3. Wie geeft de raaf zijn voedsel, als zijn jongen tot God roepen en ronddwalen zonder eten? 4. Weet jij wanneer de steengeiten jongen krijgen? Heb jij gelet op de weeën van de hinden? 5. Tel jij de maanden die zij volmaken? Weet jij de tijd waarop zij jongen? 6. Zij hurken neer, brengen hun jongen ter wereld en hun weeën zijn voorbij. 7. Hun jongen worden sterk en groeien op in het vrije veld. Zij gaan weg en komen niet meer terug. 8. Wie heeft de wilde ezel vrijgelaten? Wie heeft de touwen van het wilde dier losgemaakt? 9. Ik heb hem de steppe tot huis gegeven en het zoutland tot woonplaats. 10. Hij lacht om het lawaai van de stad. Het geschreeuw van een drijver hoort hij niet. 11. Hij speurt de bergen af voor zijn weide en zoekt naar al wat groen is. 12. Wil een wilde stier jou dienen? Overnacht hij bij jouw voerbak? 13. Bind jij hem met touwen aan de voren? Eggt hij achter jou de dalen? 14. Vertrouw je op hem omdat zijn kracht groot is? Laat je jouw werk aan hem over? 15. Geloof je dat hij je graan terugbrengt en het op je dorsvloer verzamelt? 16. De vleugels van de struisvogel klapperen vrolijk. Maar zijn het de vleugels en veren van een ooievaar? 17. Zij laat haar eieren op de grond achter en laat ze in het zand warm worden. 18. Zij vergeet dat een voet ze kan verpletteren en dat een wild dier ze kan vertrappen. 19. Zij is hard voor haar jongen, alsof die niet van haar zijn. Haar moeite is voor niets, maar zij is niet bang. 20. Want God heeft haar geen wijsheid gegeven en haar geen inzicht toebedeeld. 21. Maar als zij opspringt en wegrent, lacht zij om het paard en zijn ruiter. 22. Geef jij het paard zijn kracht? Bekleed jij zijn hals met manen? 23. Laat jij hem springen als een sprinkhaan? Zijn trotse gesnuif jaagt schrik aan. 24. Hij stampt in het dal en is blij met zijn kracht. Hij trekt de gewapende vijand tegemoet. 25. Hij lacht om de angst en schrikt nergens van. Voor het zwaard draait hij zich niet om. 26. Boven hem rammelt de pijlkoker, de flikkerende speer en de lans. 27. Sidderend en woest slokt hij de grond op. Hij houdt zich niet in als de hoorn klinkt. 28. Bij elke hoornstoot hinnikt hij: Vooruit! Van verre ruikt hij de strijd, het donderen van de aanvoerders en het krijgsgeschreeuw. 29. Vliegt de valk door jouw inzicht en spreidt hij zijn vleugels naar het zuiden? 30. Stijgt de adelaar op jouw bevel omhoog en bouwt hij zijn nest in de hoogte? 31. Hij woont en overnacht op de rots, op de punt van de rots en op een vaste plaats. 32. Van daar speurt hij naar voedsel. Zijn ogen kijken tot in de verte. 33. Zijn jongen slurpen bloed. Waar gevallenen liggen, daar is hij. 34. De HEERE antwoordde Job en zei: 35. Wil iemand die alles beter weet met de Almachtige twisten? Laat wie God aanklaagt maar antwoorden. 36. Toen antwoordde Job de HEERE: 37. Kijk, ik ben te gering. Wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. 38. Eén keer heb ik gesproken, maar ik antwoord niet meer. Twee keer, maar ik ga niet verder. ## Job 40 — Behemoth en de Leviathan 1. De HEERE antwoordde Job uit de storm en zei: 2. Maak je klaar als een man. Ik zal je vragen stellen, en jij onderwijst mij. 3. Wil je mijn recht opzijzetten? Wil je mij veroordelen om zelf gelijk te krijgen? 4. Heb jij een arm zoals God? Kun jij donderen met een stem zoals de zijne? 5. Tooi je dan met hoogheid en verhevenheid. Kleed je in majesteit en glans. 6. Laat de uitbarstingen van je toorn los. Kijk naar iedere hoogmoedige en verneder hem. 7. Kijk naar iedere hoogmoedige en breng hem ten onder. Verpletter de goddelozen waar zij staan. 8. Verberg hen samen in het stof. Sluit hun gezicht op in het verborgene. 9. Dan zal ook ik je prijzen, omdat je eigen rechterhand je gered heeft. 10. Kijk naar Behemoth, die ik gemaakt heb net als jou. Hij eet gras als een rund. 11. Kijk toch, zijn kracht zit in zijn lendenen, zijn macht in de spieren van zijn buik. 12. Hij maakt zijn staart stijf als een ceder. De pezen van zijn dijen zijn stevig gevlochten. 13. Zijn botten zijn buizen van brons. Zijn ledematen zijn als staven ijzer. 14. Hij is het eerste van Gods werken. Alleen zijn Maker kan met het zwaard bij hem komen. 15. De bergen brengen hem voer. Daar spelen alle dieren van het veld. 16. Onder lotusbomen ligt hij, verscholen in het riet en het moeras. 17. De lotusbomen geven hem schaduw. De wilgen bij de beek staan om hem heen. 18. Kijk, als de rivier kolkt, schrikt hij niet. Hij blijft rustig, al stroomt de Jordaan hem in de bek. 19. Kan iemand hem vangen terwijl hij toekijkt? Kan iemand hem met haken door de neus boren? 20. Trek jij de Leviathan met een vishaak omhoog? Bind jij zijn tong met een touw? 21. Doe jij een riet door zijn neus? Doorboor jij zijn kaak met een haak? 22. Zal hij je veel smeken? Zal hij vriendelijk tegen je praten? 23. Zal hij een verbond met je sluiten? Neem jij hem aan als slaaf voor altijd? 24. Speel jij met hem als met een vogeltje? Bind jij hem vast voor je meisjes? 25. Verhandelen vissers hem samen? Verdelen zij hem onder de kooplui? 26. Vul jij zijn huid met harpoenen, of zijn kop met een vissersspeer? 27. Leg je hand maar eens op hem. Denk aan de strijd, en doe het niet meer. 28. Kijk, wie op hem hoopt, komt bedrogen uit. Alleen al van de aanblik gaat men neer. ## Job 41 — Niemand is als hij op aarde 1. Niemand is zo roekeloos dat hij hem wakker maakt. Wie durft dan tegen mij op te staan? 2. Wie heeft mij iets gegeven dat ik terug moet betalen? Alles onder de hele hemel is van mij. 3. Ik zal zijn ledematen niet verzwijgen, en niet zijn kracht en zijn prachtige bouw. 4. Wie tilt zijn bovenste huid op? Wie komt met een dubbel gebit bij hem in de buurt? 5. Wie opent de deuren van zijn muil? Rondom zijn tanden hangt schrik. 6. Zijn rug is een rij schilden, gesloten als met een strak zegel. 7. Het ene sluit zo dicht op het andere aan dat er geen lucht tussen komt. 8. Zij kleven aan elkaar en grijpen in elkaar, zodat zij niet los te maken zijn. 9. Als hij niest, flitst er licht. Zijn ogen zijn als de stralen van de dageraad. 10. Uit zijn muil komen fakkels. Vurige vonken springen eruit. 11. Uit zijn neusgaten komt rook, als uit een kokende pot op een vuur van riet. 12. Zijn adem zet kolen in vlam. Uit zijn muil komt een vuurgloed. 13. In zijn nek zit zijn kracht. Voor hem uit springt de schrik. 14. De lappen van zijn vlees kleven aan elkaar. Zij zitten muurvast en wijken niet. 15. Zijn hart is hard als steen, hard als de onderste molensteen. 16. Als hij zich opricht, deinzen de sterken terug. Van schrik raken zij het spoor bijster. 17. Een zwaard dat hem raakt, houdt geen stand. Speer, pijl of pantser evenmin. 18. IJzer is voor hem als stro, en brons als vermolmd hout. 19. Een pijl jaagt hem niet op de vlucht. Slingerstenen worden voor hem kaf. 20. Een knots is voor hem als een strootje. Hij lacht om het suizen van de speer. 21. Aan zijn onderkant zitten scherpe scherven. Hij ploegt door de modder als een dorsslee. 22. Hij laat de diepte koken als een pot. De zee maakt hij tot een ketel met zalf. 23. Achter zich laat hij een lichtend spoor. De diepte lijkt wel grijs haar. 24. Op aarde is niets aan hem gelijk. Hij is gemaakt om nergens bang voor te zijn. 25. Hij kijkt neer op alles wat hoog is. Hij is koning over alle trotse dieren. ## Job 42 — Job krijgt alles dubbel terug 1. Toen antwoordde Job de HEERE: 2. Ik weet dat U alles kunt. Geen plan van U is te stuiten. 3. U vroeg: Wie is het die mijn plan verduistert zonder kennis? Ik heb gesproken zonder te begrijpen, over wonderen die te groot voor mij zijn. 4. Luister toch, zei U, dan zal ik spreken. Ik zal U vragen stellen, en U onderwijst mij. 5. Van horen zeggen kende ik U. Maar nu heeft mijn oog U gezien. 6. Daarom neem ik alles terug en heb ik berouw, in stof en as. 7. Nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, zei Hij tegen Elifaz uit Theman: Ik ben woedend op jou en op je twee vrienden. Jullie hebben niet juist over mij gesproken, zoals mijn dienaar Job wel deed. 8. Neem nu zeven stieren en zeven rammen. Ga naar mijn dienaar Job en breng een brandoffer voor jezelf. Laat mijn dienaar Job voor jullie bidden. Dan zal ik naar hem luisteren en jullie niet naar je dwaasheid behandelen. Jullie hebben namelijk niet juist over mij gesproken, zoals mijn dienaar Job wel deed. 9. Toen gingen Elifaz uit Theman, Bildad uit Suah en Zofar uit Naäma weg. Zij deden wat de HEERE gezegd had, en de HEERE luisterde naar Job. 10. De HEERE bracht een keer in het lot van Job toen hij voor zijn vrienden gebeden had. Hij gaf Job het dubbele van alles wat hij gehad had. 11. Al zijn broers en zussen kwamen bij hem, met iedereen die hem vroeger gekend had. Zij aten bij hem thuis en toonden hun medeleven. Zij troostten hem over al het kwaad dat de HEERE over hem gebracht had. Ieder gaf hem een geldstuk en een gouden ring. 12. De HEERE zegende het latere leven van Job meer dan zijn eerste. Hij kreeg veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen. 13. Ook kreeg hij zeven zonen en drie dochters. 14. De eerste noemde hij Jemima, de tweede Kezia en de derde Keren-Happuch. 15. In het hele land waren geen vrouwen zo mooi als de dochters van Job. Hun vader gaf hun een erfdeel naast hun broers. 16. Job leefde daarna nog honderdveertig jaar. Hij zag zijn kinderen en kleinkinderen, tot in het vierde geslacht. 17. Toen stierf Job, oud en verzadigd van het leven. ## Psalmen 1 — Een boom aan het water 1. Gelukkig is de mens die niet meegaat met het plan van goddelozen. Hij blijft niet staan op de weg van zondaars en zit niet bij spotters. 2. Maar hij houdt van de wet van de HEERE. Dag en nacht denkt hij over Zijn wet na. 3. Hij zal zijn als een boom, geplant aan het water. Die geeft zijn vrucht op tijd en zijn blad verwelkt niet. Alles wat hij doet, zal lukken. 4. Zo gaat het niet met de goddelozen. Zij zijn als kaf dat de wind wegblaast. 5. Daarom zullen de goddelozen niet standhouden in het gericht. De zondaars zullen niet staan in de kring van de rechtvaardigen. 6. Want de HEERE kent de weg van de rechtvaardigen. Maar de weg van de goddelozen loopt dood. ## Psalmen 2 — Waarom komen de volken in opstand? 1. Waarom komen de volken in opstand? Waarom bedenken zij zinloze plannen? 2. De koningen van de aarde stellen zich op. De vorsten spannen samen tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde. Zij zeggen: 3. Laten wij hun banden stukbreken en hun touwen van ons afgooien. 4. Hij die in de hemel woont, lacht. De Heer bespot hen. 5. Dan spreekt Hij tot hen in Zijn toorn. In Zijn woede jaagt Hij hun schrik aan. 6. Ik heb mijn Koning zelf aangesteld op Sion, mijn heilige berg. 7. Ik zal het besluit bekendmaken. De HEERE heeft tegen mij gezegd: Jij bent mijn Zoon. Vandaag heb ik je verwekt. 8. Vraag het van mij, dan geef ik je de volken als erfdeel en de einden van de aarde als bezit. 9. Je zult hen verpletteren met een ijzeren scepter. Je zult hen stukslaan als aardewerk. 10. Wees dan verstandig, koningen. Laat je onderwijzen, rechters van de aarde. 11. Dien de HEERE met ontzag en juich met beven. 12. Kus de Zoon, anders wordt Hij boos en gaan jullie onderweg te gronde. Want Zijn toorn ontbrandt zomaar. Gelukkig is iedereen die bij Hem schuilt. ## Psalmen 3 — U bent een schild om mij heen 1. Een psalm van David, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom. 2. HEERE, wat zijn mijn tegenstanders talrijk geworden! Velen staan tegen mij op. 3. Velen zeggen over mij: God zal hem niet redden. Sela. 4. Maar U, HEERE, bent een schild om mij heen. U bent mijn eer en U heft mijn hoofd omhoog. 5. Ik riep hardop tot de HEERE en Hij antwoordde mij vanaf Zijn heilige berg. Sela. 6. Ik ging liggen en sliep. Ik werd wakker, want de HEERE hield mij vast. 7. Ik ben niet bang voor tienduizenden mensen die zich rondom tegen mij opstellen. 8. Sta op, HEERE, red mij, mijn God. Want U hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen. U hebt de tanden van de goddelozen gebroken. 9. Bij de HEERE is de redding. Uw zegen is over Uw volk. Sela. ## Psalmen 4 — In vrede ga ik liggen 1. Een psalm van David, voor de koorleider, bij snaarspel. 2. Antwoord mij als ik roep, God die mij recht doet. In de benauwdheid maakte U ruimte voor mij. Wees mij genadig en luister naar mijn gebed. 3. Mensen, hoelang blijven jullie mijn eer te schande maken? Hoelang houden jullie van leegheid en zoeken jullie de leugen? Sela. 4. Weet toch dat de HEERE Zijn trouwe dienaar heeft uitgekozen. De HEERE hoort mij als ik tot Hem roep. 5. Word maar boos, maar zondig niet. Denk erover na op je bed en wees stil. Sela. 6. Breng eerlijke offers en vertrouw op de HEERE. 7. Velen zeggen: wie laat ons het goede zien? Laat het licht van Uw gezicht over ons schijnen, HEERE. 8. U hebt mijn hart meer vreugde gegeven dan zij hebben als hun koren en hun wijn overvloedig zijn. 9. In vrede ga ik liggen en slaap ik meteen. Want U alleen, HEERE, laat mij veilig wonen. ## Psalmen 5 — 's Morgens hoort U mijn stem 1. Een psalm van David, voor de koorleider, bij fluitspel. 2. HEERE, luister naar mijn woorden. Let op mijn zuchten. 3. Hoor mijn roep om hulp, mijn Koning en mijn God. Want tot U bid ik. 4. 's Morgens, HEERE, hoort U mijn stem. 's Morgens leg ik alles voor U neer en wacht ik af. 5. Want U bent geen God die blij is met goddeloosheid. Wie kwaad doet, mag niet bij U blijven. 6. Opscheppers kunnen niet voor Uw ogen bestaan. U haat iedereen die onrecht doet. 7. U vernietigt wie leugens spreken. Van moordenaars en bedriegers heeft de HEERE een afkeer. 8. Maar ik mag Uw huis binnengaan, door Uw grote trouw. Vol ontzag zal ik mij buigen naar Uw heilige tempel. 9. HEERE, leid mij in Uw gerechtigheid, want mijn vijanden loeren op mij. Maak Uw weg recht voor mij. 10. Want in hun mond is niets betrouwbaars. Hun binnenste is vol verderf. Hun keel is een open graf en met hun tong vleien zij. 11. Verklaar hen schuldig, God. Laat hun plannen mislukken. Verdrijf hen om hun vele overtredingen, want zij zijn opstandig tegen U. 12. Maar laat iedereen die bij U schuilt voor altijd blij zijn. Laat hen juichen, want U beschermt hen. Laat wie Uw naam liefhebben juichen om U. 13. Want U, HEERE, zegent de rechtvaardige. U omringt hem met Uw goedheid als met een schild. ## Psalmen 6 — HEERE, hoelang nog? 1. Een psalm van David, voor de koorleider, bij snaarspel, op de wijs van de achtste. 2. HEERE, straf mij niet in Uw toorn. Sla mij niet in Uw woede. 3. Wees mij genadig, HEERE, want ik ben uitgeput. Genees mij, HEERE, want mijn botten beven. 4. Ja, mijn ziel beeft hevig. En U, HEERE, hoelang nog? 5. Kom terug, HEERE, red mijn leven. Bevrijd mij, want U bent trouw. 6. Want in de dood denkt niemand aan U. Wie zou U prijzen in het graf? 7. Ik ben moe van het zuchten. Elke nacht maak ik mijn bed nat; ik doorweek mijn matras met tranen. 8. Mijn ogen zijn dof van verdriet; zij zijn oud geworden door al mijn tegenstanders. 9. Ga weg van mij, jullie allemaal die onrecht doen. Want de HEERE heeft mijn huilen gehoord. 10. De HEERE heeft mijn smeken gehoord. De HEERE neemt mijn gebed aan. 11. Al mijn vijanden zullen diep beschaamd en verbijsterd worden. Zij zullen zich omdraaien en in een ogenblik beschaamd staan. ## Psalmen 7 — God is een rechtvaardige Rechter 1. Een klaaglied van David, dat hij voor de HEERE zong over de woorden van Cusch, uit de stam Benjamin. 2. HEERE, mijn God, bij U schuil ik. Red mij van al mijn achtervolgers en bevrijd mij. 3. Anders verscheurt hij mij als een leeuw en sleept hij mij weg, terwijl niemand mij redt. 4. HEERE, mijn God, als ik dit gedaan heb, als er onrecht aan mijn handen kleeft, 5. als ik kwaad vergolden heb aan wie in vrede met mij leefde, terwijl ik juist wie mij zonder reden benauwde heb gered, 6. laat dan de vijand mij achtervolgen en inhalen. Laat hem mijn leven de grond in trappen en mijn eer in het stof leggen. Sela. 7. Sta op, HEERE, in Uw toorn. Verhef U tegen de woede van mijn belagers. Word wakker voor mij; U hebt het gericht bevolen. 8. Laat de menigte van volken zich om U verzamelen. Keer daarboven terug naar de hoogte. 9. De HEERE spreekt recht over de volken. Doe mij recht, HEERE, naar mijn gerechtigheid en naar mijn onschuld. 10. Laat het kwaad van de goddelozen ophouden en maak de rechtvaardige vast. U die harten en nieren beproeft, rechtvaardige God. 11. Mijn schild is bij God, die redt wie oprecht van hart zijn. 12. God is een rechtvaardige Rechter, een God die elke dag toornt. 13. Als iemand zich niet bekeert, dan wet Hij Zijn zwaard. Hij spant Zijn boog en legt aan. 14. Hij maakt dodelijke wapens voor hem klaar. Zijn pijlen maakt Hij tot brandende pijlen. 15. Kijk, hij is zwanger van onrecht. Hij draagt kwaad in zich en baart leugen. 16. Hij groef een kuil en maakte die diep. Maar hij is zelf in de put gevallen die hij gemaakt heeft. 17. Zijn kwaad keert terug op zijn eigen hoofd. Zijn geweld daalt neer op zijn eigen schedel. 18. Ik zal de HEERE prijzen om Zijn gerechtigheid. Ik zal zingen voor de naam van de HEERE, de Allerhoogste. ## Psalmen 8 — Hoe machtig is Uw naam 1. Een psalm van David, voor de koorleider, op de wijs van de Gittith. 2. HEERE, onze Heer, hoe machtig is Uw naam op heel de aarde! U hebt Uw majesteit boven de hemel gezet. 3. Uit de mond van kinderen en baby's hebt U een sterke muur gebouwd. Dat deed U om Uw tegenstanders, om de vijand en de wraakzuchtige het zwijgen op te leggen. 4. Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren die U hebt neergezet, 5. wat is dan de mens, dat U aan hem denkt? Wat is een mensenkind, dat U naar hem omziet? 6. Toch hebt U hem bijna goddelijk gemaakt. U hebt hem gekroond met eer en majesteit. 7. U laat hem heersen over het werk van Uw handen. U hebt alles onder zijn voeten gelegd: 8. alle schapen en runderen, en ook de dieren van het veld, 9. de vogels van de hemel en de vissen van de zee, alles wat de paden van de zee doorkruist. 10. HEERE, onze Heer, hoe machtig is Uw naam op heel de aarde! ## Psalmen 9 — Een burcht voor wie onderdrukt wordt 1. Een psalm van David, voor de koorleider, op de wijs van Muth-Labben. 2. Ik zal de HEERE prijzen met heel mijn hart. Ik zal al Uw wonderen vertellen. 3. Ik zal blij zijn en juichen om U. Ik zal zingen voor Uw naam, Allerhoogste. 4. Want mijn vijanden zijn teruggedeinsd. Zij struikelden en kwamen om voor Uw gezicht. 5. Want U hebt mijn recht en mijn zaak behartigd. U bent op de troon gaan zitten als een rechtvaardige Rechter. 6. U hebt de volken bestraft en de goddeloze vernietigd. U hebt hun naam voor altijd uitgewist. 7. Vijand, je bent voorgoed verwoest. Je hebt steden uitgeroeid, maar de herinnering aan hen is met hen verdwenen. 8. Maar de HEERE zal voor altijd zitten. Hij heeft Zijn troon klaargezet voor het gericht. 9. Hij zal de wereld rechtvaardig oordelen. Hij zal eerlijk recht spreken over de volken. 10. De HEERE zal een burcht zijn voor wie onderdrukt wordt, een burcht in tijden van nood. 11. Wie Uw naam kennen, zullen op U vertrouwen. Want U, HEERE, laat wie U zoeken niet in de steek. 12. Zing voor de HEERE, die op Sion woont. Vertel onder de volken wat Hij gedaan heeft. 13. Want Hij zoekt vergoten bloed en Hij denkt eraan. Het roepen van de ellendigen vergeet Hij niet. 14. Wees mij genadig, HEERE. Zie hoe mijn vijanden mij vernederen. U tilt mij op uit de poorten van de dood. 15. Dan zal ik al Uw lof vertellen in de poorten van de dochter van Sion. Dan zal ik juichen om Uw redding. 16. De volken zijn gezonken in de kuil die zij zelf gemaakt hadden. Hun voet raakte verstrikt in het net dat zij verborgen hadden. 17. De HEERE heeft zich bekendgemaakt; Hij heeft recht gedaan. De goddeloze is verstrikt in het werk van zijn eigen handen. Higgajon. Sela. 18. De goddelozen keren terug naar het dodenrijk, alle volken die God vergeten. 19. Want de arme wordt niet voor altijd vergeten. De hoop van de ellendigen gaat niet voorgoed verloren. 20. Sta op, HEERE, laat de mens niet sterker worden. Laat de volken voor U geoordeeld worden. 21. HEERE, jaag hun schrik aan. Laat de volken weten dat zij maar mensen zijn. Sela. ## Psalmen 10 — Waarom staat U zo ver weg? 1. HEERE, waarom staat U zo ver weg? Waarom verbergt U zich in tijden van nood? 2. In zijn hoogmoed jaagt de goddeloze de arme op. Laat hen gevangen worden in de plannen die zij bedacht hebben. 3. Want de goddeloze schept op over zijn eigen verlangen. Hij prijst de hebzuchtige en veracht de HEERE. 4. De goddeloze steekt zijn neus in de lucht en vraagt niets. Al zijn gedachten zijn: er is geen God. 5. Zijn wegen lijken altijd te lukken. Uw oordelen zijn hoog en ver van hem. Al zijn tegenstanders blaast hij weg. 6. Hij zegt in zijn hart: ik zal niet wankelen. Van geslacht op geslacht zal mij geen kwaad overkomen. 7. Zijn mond is vol vloek, bedrog en list. Onder zijn tong zit onheil en onrecht. 8. Hij ligt op de loer bij de dorpen. In het verborgene doodt hij de onschuldige. Zijn ogen loeren naar de arme. 9. Hij ligt op de loer in een schuilplaats, als een leeuw in zijn hol. Hij loert om de arme te grijpen. Hij grijpt de arme en sleept hem mee in zijn net. 10. Hij duikt in elkaar en bukt zich, en de arme valt in zijn sterke klauwen. 11. Hij zegt in zijn hart: God is het vergeten. Hij heeft Zijn gezicht verborgen en ziet het nooit. 12. Sta op, HEERE God, hef Uw hand op. Vergeet de ellendigen niet. 13. Waarom veracht de goddeloze God? Waarom zegt hij in zijn hart: U vraagt er toch niet naar? 14. U ziet het wel. U kijkt naar het onrecht en het verdriet en neemt het in Uw hand. De arme vertrouwt op U; U bent de helper van de wees. 15. Breek de arm van de goddeloze en de kwaadaardige. Zoek zijn goddeloosheid op tot U er niets meer van vindt. 16. De HEERE is Koning voor eeuwig en altijd. De volken zijn uit Zijn land verdwenen. 17. HEERE, U hebt het verlangen van de zachtmoedigen gehoord. U zult hun hart sterk maken en Uw oor zal luisteren. 18. U doet recht aan de wees en de onderdrukte. Dan zal een mens van de aarde niet langer schrik aanjagen. ## Psalmen 11 — Bij de HEERE schuil ik 1. Een psalm van David, voor de koorleider. Bij de HEERE schuil ik. Hoe kunnen jullie dan tegen mij zeggen: vlucht als een vogel naar je bergen? 2. Want kijk, de goddelozen spannen de boog. Zij leggen hun pijl op de pees om in het donker te schieten op wie oprecht van hart zijn. 3. Als de fundamenten omvergegooid worden, wat kan de rechtvaardige dan nog doen? 4. De HEERE is in Zijn heilige tempel. De troon van de HEERE staat in de hemel. Zijn ogen kijken toe; Zijn blik toetst de mensen. 5. De HEERE toetst de rechtvaardige. Maar Hij haat de goddeloze en wie van geweld houdt. 6. Hij zal op de goddelozen vurige kolen en zwavel laten regenen. Een verzengende wind zal hun deel zijn. 7. Want de HEERE is rechtvaardig en Hij houdt van gerechtigheid. Wie oprecht is, zal Zijn gezicht zien. ## Psalmen 12 — De woorden van de HEERE zijn zuiver 1. Een psalm van David, voor de koorleider, op de wijs van de achtste. 2. Help toch, HEERE, want er is geen trouwe mens meer. De betrouwbare mensen zijn zeldzaam geworden. 3. Zij liegen tegen elkaar, met vleiende lippen. Zij spreken met een dubbel hart. 4. Laat de HEERE alle vleiende lippen afsnijden en elke opschepperige tong. 5. Zij zeggen: met onze tong winnen wij. Onze lippen zijn van ons; wie is de baas over ons? 6. Om de verwoesting van de ellendigen en het kreunen van de armen zal ik nu opstaan, zegt de HEERE. Ik zal redding brengen aan wie ernaar snakt. 7. De woorden van de HEERE zijn zuivere woorden. Zij zijn als zilver, gesmolten in een oven van klei, zeven keer gezuiverd. 8. U, HEERE, zult hen bewaren. U zult hen voor altijd beschermen tegen dit geslacht. 9. Overal lopen de goddelozen rond, als het laagste onder de mensen hoog geprezen wordt. ## Psalmen 13 — Hoelang nog, HEERE? 1. Een psalm van David, voor de koorleider. 2. Hoelang nog, HEERE? Zult U mij voor altijd vergeten? Hoelang verbergt U Uw gezicht voor mij? 3. Hoelang moet ik nog met zorgen worstelen en elke dag verdriet in mijn hart hebben? Hoelang staat mijn vijand boven mij? 4. Kijk toch, antwoord mij, HEERE, mijn God. Geef licht aan mijn ogen, zodat ik niet in de dood wegzink. 5. Anders zegt mijn vijand: ik heb hem overwonnen. Dan juichen mijn tegenstanders als ik wankel. 6. Maar ik vertrouw op Uw trouw. Mijn hart zal juichen om Uw redding. 7. Ik zal zingen voor de HEERE, want Hij is goed voor mij geweest. ## Psalmen 14 — De dwaas zegt: er is geen God 1. Een psalm van David, voor de koorleider. De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God. Zij richten alles te gronde en doen afschuwelijke dingen. Er is niemand die goed doet. 2. De HEERE kijkt uit de hemel naar de mensen. Hij wil zien of iemand verstandig is en God zoekt. 3. Zij zijn allemaal afgedwaald; samen zijn zij bedorven. Er is niemand die goed doet, zelfs niet één. 4. Hebben zij dan geen inzicht, al die mensen die onrecht doen? Zij eten mijn volk op alsof zij brood eten. De HEERE roepen zij niet aan. 5. Daar worden zij door grote angst overvallen. Want God is bij het geslacht van de rechtvaardige. 6. Jullie lachen om het plan van de arme. Maar de HEERE is zijn toevlucht. 7. Kwam de redding voor Israël maar uit Sion! Als de HEERE het lot van Zijn volk keert, dan zal Jakob juichen en Israël blij zijn. ## Psalmen 15 — Wie mag wonen op Uw heilige berg? 1. Een psalm van David. HEERE, wie mag verblijven in Uw tent? Wie mag wonen op Uw heilige berg? 2. Wie oprecht leeft en doet wat goed is en met zijn hart de waarheid spreekt. 3. Wie niet roddelt met zijn tong, zijn vrienden geen kwaad doet en geen schande spreekt over zijn naaste. 4. Wie de verwerpelijke mens veracht, maar wie ontzag voor de HEERE hebben, eert. Wie een belofte houdt, ook als het hem schade doet. 5. Wie zijn geld niet uitleent tegen rente en geen geschenk aanneemt tegen de onschuldige. Wie dit doet, zal nooit wankelen. ## Psalmen 16 — Het pad van het leven 1. Een gedicht van David. Bewaar mij, God, want bij U schuil ik. 2. Ik heb tegen de HEERE gezegd: U bent mijn Heer. Mijn geluk is bij U alleen. 3. De heiligen die in het land zijn, zijn de edelen. In hen vind ik al mijn vreugde. 4. Wie een andere god achternalopen, zullen veel verdriet hebben. Ik zal hun drankoffers van bloed niet brengen en hun namen niet op mijn lippen nemen. 5. De HEERE is mijn erfdeel en mijn beker. U houdt mijn lot in Uw hand. 6. Het meetlint viel voor mij in mooi gebied. Ja, ik ben blij met mijn erfdeel. 7. Ik zal de HEERE prijzen, die mij raad geeft. Zelfs in de nacht spreekt mijn hart mij toe. 8. Ik houd de HEERE altijd voor ogen. Omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. 9. Daarom is mijn hart blij en juicht mijn ziel. Ook mijn lichaam zal veilig rusten. 10. Want U zult mij niet aan het dodenrijk overlaten. U zult niet toelaten dat Uw trouwe dienaar het graf ziet. 11. U maakt mij het pad van het leven bekend. Bij U is overvloedige vreugde. Aan Uw rechterhand is geluk, voor altijd. ## Psalmen 17 — Bewaar mij als je oogappel 1. Een gebed van David. HEERE, luister naar een eerlijke zaak. Let op mijn roepen. Hoor mijn gebed; het komt van eerlijke lippen. 2. Laat mijn recht van U uitgaan. Laat Uw ogen zien wat eerlijk is. 3. U hebt mijn hart getoetst en het 's nachts onderzocht. U hebt mij gekeurd en niets gevonden. Wat ik denk, gaat mijn mond niet te buiten. 4. Wat de daden van mensen betreft: ik heb mij naar het woord van Uw lippen gehouden en de paden van de geweldenaar gemeden. 5. Mijn stappen bleven in Uw sporen; mijn voeten wankelden niet. 6. Ik roep U aan, want U antwoordt mij, God. Neig Uw oor naar mij en hoor mijn woorden. 7. Toon Uw wonderbare trouw. U redt wie bij U schuilen van wie opstaan tegen Uw rechterhand. 8. Bewaar mij als de appel van Uw oog. Verberg mij in de schaduw van Uw vleugels, 9. voor de goddelozen die mij bestoken, voor mijn doodsvijanden die mij omringen. 10. Zij sluiten hun harde hart af. Met hun mond spreken zij hoogmoedig. 11. Zij omsingelen ons bij elke stap. Zij loeren op ons om ons tegen de grond te gooien. 12. Hij lijkt op een leeuw die wil verscheuren, op een jonge leeuw die in een schuilplaats ligt. 13. Sta op, HEERE, kom hem tegemoet en werp hem neer. Bevrijd mij met Uw zwaard van de goddeloze. 14. Bevrijd mij met Uw hand van mensen, HEERE, van mensen van deze wereld. Hun deel is in dit leven. U vult hun buik met Uw voorraad. Hun kinderen worden verzadigd en zij laten de rest na aan hun kleinkinderen. 15. Maar ik zal Uw gezicht zien in gerechtigheid. Als ik wakker word, zal ik verzadigd zijn met Uw aanblik. ## Psalmen 18 — De HEERE is mijn rots 1. Voor de koorleider. Een psalm van David, de knecht van de HEERE. Hij sprak deze woorden tot de HEERE op de dag dat de HEERE hem gered had. Toen bevrijdde Hij hem uit de hand van al zijn vijanden en van Saul. 2. Hij zei: Ik heb U lief, HEERE, mijn kracht. 3. De HEERE is mijn rots, mijn burcht en mijn bevrijder. Mijn God is mijn rots, bij wie ik schuil. Hij is mijn schild, de hoorn van mijn redding, mijn veilige hoogte. 4. Ik riep de HEERE aan, die alle lof verdient, en ik werd gered van mijn vijanden. 5. Banden van de dood hadden mij omringd. Stromen van verderf joegen mij angst aan. 6. Banden van het dodenrijk omringden mij. Strikken van de dood kwamen op mij af. 7. In mijn nood riep ik de HEERE aan; ik riep tot mijn God. Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn tempel. Mijn roep om hulp bereikte Zijn oren. 8. Toen schudde en beefde de aarde. De fundamenten van de bergen trilden en schudden, want Hij was woedend. 9. Rook steeg op uit Zijn neus en verterend vuur kwam uit Zijn mond. Kolen werden erdoor aangestoken. 10. Hij boog de hemel en daalde neer. Donkere wolken waren onder Zijn voeten. 11. Hij reed op een cherub en vloog. Ja, Hij zweefde op de vleugels van de wind. 12. Hij maakte duisternis tot Zijn schuilplaats. Om Hem heen was Zijn tent: donker water en dikke wolken. 13. Door de glans voor Hem uit dreven Zijn wolken weg, met hagel en vurige kolen. 14. De HEERE donderde in de hemel. De Allerhoogste liet Zijn stem klinken, met hagel en vurige kolen. 15. Hij schoot Zijn pijlen af en verstrooide hen. Hij slingerde bliksems en joeg hen op de vlucht. 16. De beddingen van het water werden zichtbaar. De fundamenten van de wereld kwamen bloot te liggen, door Uw dreigen, HEERE, door de adem uit Uw neus. 17. Hij stak Zijn hand uit vanuit de hoogte en greep mij. Hij trok mij op uit het diepe water. 18. Hij redde mij van mijn sterke vijand en van wie mij haatten, want zij waren sterker dan ik. 19. Zij overvielen mij op de dag van mijn ongeluk. Maar de HEERE was mijn steun. 20. Hij bracht mij in de vrijheid. Hij redde mij, want Hij had vreugde in mij. 21. De HEERE deed mij naar mijn gerechtigheid. Hij gaf mij terug naar de reinheid van mijn handen. 22. Want ik heb de wegen van de HEERE gehouden. Ik ben niet goddeloos van mijn God afgeweken. 23. Want al Zijn regels hield ik voor ogen. Zijn wetten deed ik niet van mij weg. 24. Ik was oprecht tegenover Hem en bewaarde mij voor mijn schuld. 25. Zo gaf de HEERE mij terug naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid van mijn handen voor Zijn ogen. 26. Tegenover wie trouw is, bent U trouw. Tegenover wie oprecht is, bent U oprecht. 27. Tegenover wie zuiver is, bent U zuiver. Maar tegenover wie krom is, bent U onverzettelijk. 28. Want U redt het onderdrukte volk. Maar hoogmoedige ogen vernedert U. 29. Want U laat mijn lamp schijnen. De HEERE, mijn God, maakt mijn duisternis licht. 30. Want met U ren ik op een bende af. Met mijn God spring ik over een muur. 31. De weg van God is volmaakt. Het woord van de HEERE is zuiver. Hij is een schild voor iedereen die bij Hem schuilt. 32. Want wie is God, behalve de HEERE? Wie is een rots, behalve onze God? 33. Het is God die mij met kracht omgordt en mijn weg volmaakt maakt. 34. Hij maakt mijn voeten als die van een hinde. Hij laat mij staan op mijn hoogten. 35. Hij leert mijn handen om te strijden, zodat mijn armen een bronzen boog kunnen spannen. 36. U gaf mij het schild van Uw redding. Uw rechterhand steunde mij. Uw zorg maakte mij groot. 37. U maakte ruimte voor mijn stappen. Mijn enkels zwikten niet. 38. Ik achtervolgde mijn vijanden en haalde hen in. Ik keerde niet terug voordat ik hen vernietigd had. 39. Ik verpletterde hen, zodat zij niet meer konden opstaan. Zij vielen onder mijn voeten. 40. Want U omgordde mij met kracht voor de strijd. U liet wie tegen mij opstonden voor mij buigen. 41. U liet mijn vijanden voor mij vluchten. Wie mij haatten, vernietigde ik. 42. Zij riepen, maar er was geen redder. Zij riepen tot de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet. 43. Toen vermaalde ik hen als stof voor de wind. Ik veegde hen weg als modder op straat. 44. U hebt mij gered uit de twist van het volk. U stelde mij aan als hoofd van de volken. Een volk dat ik niet kende, diende mij. 45. Zodra zij van mij hoorden, gehoorzaamden zij mij. Vreemden kropen voor mij. 46. Vreemden verloren de moed en kwamen bevend uit hun burchten. 47. De HEERE leeft! Geprezen zij mijn rots! Verhoogd zij de God die mij redt! 48. Het is God die mij recht verschaft en volken aan mij onderwerpt. 49. Hij redt mij van mijn vijanden. Ja, U tilt mij op boven wie tegen mij opstaan. U bevrijdt mij van de gewelddadige man. 50. Daarom zal ik U prijzen onder de volken, HEERE. Ik zal zingen voor Uw naam. 51. Hij geeft Zijn koning grote overwinningen. Hij is trouw aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn nageslacht, voor altijd. ## Psalmen 19 — De hemel vertelt de eer van God 1. Een psalm van David, voor de koorleider. 2. De hemel vertelt de eer van God. Het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen. 3. De ene dag geeft het door aan de andere. De ene nacht maakt het bekend aan de andere. 4. Er is geen spraak en er zijn geen woorden; hun stem wordt niet gehoord. 5. Toch gaat hun boodschap over heel de aarde en hun woorden tot aan het einde van de wereld. Daar heeft Hij een tent gezet voor de zon. 6. Zij komt tevoorschijn als een bruidegom uit zijn kamer. Zij is blij als een held die zijn baan loopt. 7. Zij komt op aan het ene einde van de hemel en loopt haar baan tot het andere einde. Niets blijft verborgen voor haar gloed. 8. De wet van de HEERE is volmaakt; zij geeft de mens nieuwe kracht. De getuigenis van de HEERE is betrouwbaar; zij maakt de eenvoudige wijs. 9. De bevelen van de HEERE zijn eerlijk; zij maken het hart blij. Het gebod van de HEERE is zuiver; het geeft licht aan de ogen. 10. Het ontzag voor de HEERE is rein; het blijft voor altijd. De regels van de HEERE zijn waar; samen zijn zij rechtvaardig. 11. Zij zijn kostbaarder dan goud, ja dan veel zuiver goud. Zij zijn zoeter dan honing, dan honing uit de raat. 12. Ook Uw dienaar wordt erdoor gewaarschuwd. Wie ze houdt, krijgt een grote beloning. 13. Wie ziet zijn eigen fouten? Reinig mij van wat ik niet eens weet. 14. Houd Uw dienaar ook terug van hoogmoed. Laat die niet over mij heersen. Dan zal ik oprecht zijn en vrij van grote overtreding. 15. Laat de woorden van mijn mond en de gedachten van mijn hart U bevallen, HEERE, mijn rots en mijn verlosser. ## Psalmen 20 — Wij vertrouwen op de naam van de HEERE 1. Een psalm van David, voor de koorleider. 2. Moge de HEERE je antwoorden op de dag van nood. Moge de naam van de God van Jakob je beschermen. 3. Moge Hij je hulp sturen vanuit het heiligdom en je steunen vanuit Sion. 4. Moge Hij aan al je graanoffers denken en je brandoffer aannemen. Sela. 5. Moge Hij je geven wat je hart verlangt en al je plannen laten slagen. 6. Wij zullen juichen om Uw redding. In de naam van onze God zullen wij de vlaggen hijsen. Moge de HEERE al je wensen vervullen. 7. Nu weet ik dat de HEERE Zijn gezalfde redt. Hij zal hem antwoorden uit Zijn heilige hemel, met de machtige redding van Zijn rechterhand. 8. Sommigen vertrouwen op wagens en anderen op paarden. Maar wij vertrouwen op de naam van de HEERE, onze God. 9. Zij zakken door de knieën en vallen. Maar wij staan op en blijven staan. 10. HEERE, red de koning. Antwoord ons op de dag dat wij roepen. ## Psalmen 21 — De koning is blij om Uw kracht 1. Een psalm van David, voor de koorleider. 2. HEERE, de koning is blij om Uw kracht. Wat juicht hij om Uw redding! 3. U hebt hem gegeven wat zijn hart verlangde. Wat hij met zijn lippen vroeg, hebt U hem niet geweigerd. Sela. 4. Want U komt hem tegemoet met rijke zegen. U zet een kroon van zuiver goud op zijn hoofd. 5. Hij vroeg U om leven en U gaf het hem: lengte van dagen, voor eeuwig en altijd. 6. Groot is zijn eer door Uw redding. U hebt hem majesteit en glans gegeven. 7. Want U maakt hem tot een zegen voor altijd. U maakt hem blij met de vreugde van Uw aanwezigheid. 8. Want de koning vertrouwt op de HEERE. Door de trouw van de Allerhoogste zal hij niet wankelen. 9. Uw hand zal al Uw vijanden vinden. Uw rechterhand zal vinden wie U haten. 10. U zult hen maken als een brandende oven op het moment dat U verschijnt. De HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden en het vuur zal hen verteren. 11. U zult hun nageslacht van de aarde wegvagen en hun kinderen uit de mensheid. 12. Want zij smeedden kwaad tegen U. Zij bedachten een plan, maar het lukte hun niet. 13. Want U zult hen laten vluchten. Met Uw boogpezen richt U op hun gezicht. 14. Verhef U, HEERE, in Uw kracht. Dan zullen wij zingen en Uw macht bezingen met liederen. ## Psalmen 22 — Mijn God, waarom hebt U mij verlaten? 1. Een psalm van David, voor de koorleider, op de wijs van De hinde van de dageraad. 2. Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? U bent ver van mijn redding, ver van mijn schreeuwen. 3. Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet. Ik roep 's nachts, maar ik vind geen rust. 4. Toch bent U heilig. U troont op de lofzangen van Israël. 5. Op U hebben onze vaderen vertrouwd. Zij vertrouwden en U hebt hen gered. 6. Zij riepen tot U en zij werden bevrijd. Op U vertrouwden zij en zij werden niet beschaamd. 7. Maar ik ben een worm en geen mens. Ik word bespot door mensen en veracht door het volk. 8. Iedereen die mij ziet, lacht om mij. Zij trekken een grimas en schudden hun hoofd. Zij zeggen: 9. Hij heeft het bij de HEERE neergelegd. Laat die hem redden. Laat die hem bevrijden, want Hij houdt toch van hem. 10. U bent het toch die mij uit de buik gehaald hebt. U liet mij veilig zijn aan de borst van mijn moeder. 11. Vanaf mijn geboorte ben ik op U geworpen. Vanaf de buik van mijn moeder bent U mijn God. 12. Blijf dan niet ver van mij, want de nood is dichtbij en er is geen helper. 13. Veel stieren hebben mij omsingeld. Sterke stieren van Basan hebben mij omringd. 14. Zij sperren hun muil tegen mij open, als een brullende leeuw die verscheurt. 15. Ik ben uitgegoten als water. Al mijn botten zijn ontwricht. Mijn hart is als was; het is gesmolten in mijn binnenste. 16. Mijn kracht is opgedroogd als een potscherf. Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte. U legt mij in het stof van de dood. 17. Want honden hebben mij omsingeld. Een bende boosdoeners heeft mij omringd. Zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord. 18. Ik kan al mijn botten tellen. Zij kijken toe en staren mij aan. 19. Zij verdelen mijn kleren onder elkaar. Over mijn mantel werpen zij het lot. 20. Maar U, HEERE, blijf niet ver. Mijn kracht, kom mij snel te hulp. 21. Red mijn leven van het zwaard, mijn kostbare leven uit de macht van de hond. 22. Verlos mij uit de muil van de leeuw. U hebt mij geantwoord van tussen de hoorns van de wilde stieren. 23. Dan zal ik Uw naam vertellen aan mijn volksgenoten. Midden in de grote kring zal ik U prijzen. 24. Jullie die ontzag hebben voor de HEERE, prijs Hem! Heel het nageslacht van Jakob, eer Hem! Heb ontzag voor Hem, heel het nageslacht van Israël! 25. Want Hij heeft de ellende van de arme niet veracht en niet verafschuwd. Hij heeft Zijn gezicht niet voor hem verborgen. Toen hij tot Hem riep, hoorde Hij het. 26. Over U gaat mijn lofzang in de grote menigte. Mijn beloften zal ik nakomen bij wie ontzag voor Hem hebben. 27. De armen zullen eten en verzadigd worden. Wie de HEERE zoeken, zullen Hem prijzen. Jullie hart zal voor altijd leven. 28. Alle einden van de aarde zullen eraan denken en zich tot de HEERE keren. Alle families van de volken zullen zich voor U buigen. 29. Want het koningschap is van de HEERE. Hij heerst over de volken. 30. Alle rijken van de aarde zullen eten en zich buigen. Voor Hem zullen allen knielen die naar het stof afdalen, ook wie zijn eigen leven niet in stand kan houden. 31. Het nageslacht zal Hem dienen. Er zal over de Heer verteld worden aan komende geslachten. 32. Zij zullen komen en Zijn gerechtigheid verkondigen aan een volk dat nog geboren wordt. Want Hij heeft het gedaan. ## Psalmen 23 — De HEERE is mijn Herder 1. Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder; mij ontbreekt niets. 2. Hij laat mij liggen in groene weiden. Hij brengt mij rustig naar stil water. 3. Hij geeft mij nieuwe kracht. Hij leidt mij op het goede spoor, om Zijn naam. 4. Al ging ik door een donker dal, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent bij mij. Uw stok en Uw staf geven mij moed. 5. U dekt de tafel voor mij, voor de ogen van mijn tegenstanders. U zalft mijn hoofd met olie; mijn beker vloeit over. 6. Ja, geluk en trouw zullen mij volgen, al de dagen van mijn leven. Ik zal blijven in het huis van de HEERE, mijn leven lang. ## Psalmen 24 — Wie mag de berg van de HEERE bestijgen? 1. Een psalm van David. Van de HEERE is de aarde en alles wat erop is, de wereld en wie daar wonen. 2. Want Hij heeft haar gegrondvest op de zeeën en haar vastgezet op de rivieren. 3. Wie mag de berg van de HEERE bestijgen? Wie mag staan op Zijn heilige plaats? 4. Wie rein is van handen en zuiver van hart. Wie zijn ziel niet richt op wat leeg is en niet vals zweert. 5. Hij zal zegen ontvangen van de HEERE en gerechtigheid van de God die hem redt. 6. Dat is het geslacht dat naar Hem vraagt, dat Uw gezicht zoekt: Jakob. Sela. 7. Hef je hoofden op, poorten. Ga open, eeuwenoude deuren! Dan komt de Koning van de eer binnen. 8. Wie is die Koning van de eer? De HEERE, sterk en machtig, de HEERE, machtig in de strijd. 9. Hef je hoofden op, poorten. Ja, ga open, eeuwenoude deuren! Dan komt de Koning van de eer binnen. 10. Wie is Hij, die Koning van de eer? De HEERE van de legermachten; Hij is de Koning van de eer. Sela. ## Psalmen 25 — Maak mij Uw wegen bekend 1. Een psalm van David. Naar U, HEERE, hef ik mijn ziel op. 2. Mijn God, op U vertrouw ik. Laat mij niet beschaamd worden. Laat mijn vijanden niet juichen om mij. 3. Ja, niemand die U verwacht, zal beschaamd worden. Beschaamd worden zij die zonder reden ontrouw zijn. 4. HEERE, maak mij Uw wegen bekend. Leer mij Uw paden. 5. Leid mij in Uw waarheid en leer mij. Want U bent de God die mij redt. U verwacht ik heel de dag. 6. Denk aan Uw barmhartigheid, HEERE, en aan Uw trouw. Want die zijn er van oudsher. 7. Denk niet aan de zonden van mijn jeugd en aan mijn overtredingen. Denk aan mij naar Uw trouw, om Uw goedheid, HEERE. 8. De HEERE is goed en rechtvaardig. Daarom wijst Hij zondaars de weg. 9. Hij leidt zachtmoedigen in het recht. Hij leert de zachtmoedigen Zijn weg. 10. Alle paden van de HEERE zijn trouw en waarheid, voor wie Zijn verbond en Zijn geboden bewaren. 11. Om Uw naam, HEERE, vergeef mijn schuld, want die is groot. 12. Wie is de mens die ontzag heeft voor de HEERE? Hij zal hem de weg wijzen die hij moet kiezen. 13. Hij zal het goede genieten en zijn nageslacht zal het land bezitten. 14. De HEERE deelt Zijn geheim met wie ontzag voor Hem hebben. Hij maakt hun Zijn verbond bekend. 15. Mijn ogen zijn altijd op de HEERE. Want Hij trekt mijn voeten uit het net. 16. Wend U naar mij toe en wees mij genadig. Want ik ben eenzaam en ellendig. 17. De angsten van mijn hart zijn groot geworden. Bevrijd mij uit mijn nood. 18. Zie mijn ellende en mijn moeite. Neem al mijn zonden weg. 19. Zie mijn vijanden, want zij zijn talrijk. Zij haten mij met een wrede haat. 20. Bewaar mijn leven en red mij. Laat mij niet beschaamd worden, want bij U schuil ik. 21. Laat oprechtheid en eerlijkheid mij beschermen, want ik verwacht U. 22. God, verlos Israël uit al zijn nood. ## Psalmen 26 — Toets mij, HEERE 1. Een psalm van David. Doe mij recht, HEERE, want ik leef in oprechtheid. Ik vertrouw op de HEERE; ik zal niet wankelen. 2. Toets mij, HEERE, en onderzoek mij. Keur mijn nieren en mijn hart. 3. Want Uw trouw staat mij voor ogen en ik wandel in Uw waarheid. 4. Ik zit niet bij mensen die leeg zijn en ik ga niet om met huichelaars. 5. Ik haat de kring van boosdoeners. Bij de goddelozen zit ik niet. 6. Ik was mijn handen in onschuld. Ik ga rond om Uw altaar, HEERE, 7. om luid een loflied te laten horen en al Uw wonderen te vertellen. 8. HEERE, ik houd van het huis waar U woont, van de plaats waar Uw eer verblijft. 9. Ruk mijn ziel niet weg met de zondaars en mijn leven niet met de moordenaars. 10. Aan hun handen kleeft schandelijk bedrog; hun rechterhand is vol steekpenningen. 11. Maar ik wandel in oprechtheid. Verlos mij dan en wees mij genadig. 12. Mijn voet staat op vlakke grond. In de grote kring zal ik de HEERE prijzen. ## Psalmen 27 — De HEERE is mijn licht 1. Een psalm van David. De HEERE is mijn licht en mijn redding; voor wie zou ik bang zijn? De HEERE is de kracht van mijn leven; voor wie zou ik schrikken? 2. Toen boosdoeners op mij afkwamen om mij te verslinden, mijn tegenstanders en mijn vijanden, struikelden zij zelf en vielen. 3. Al belegerde een leger mij, mijn hart zou niet bang zijn. Al brak er oorlog tegen mij uit, toch bleef ik vertrouwen. 4. Eén ding heb ik van de HEERE gevraagd en dat zal ik blijven zoeken. Ik wil heel mijn leven in het huis van de HEERE wonen. Dan zie ik de lieflijkheid van de HEERE en denk ik na in Zijn tempel. 5. Want Hij verbergt mij in Zijn hut op de dag van het kwaad. Hij verstopt mij in Zijn tent en zet mij hoog op een rots. 6. Nu al wordt mijn hoofd verhoogd boven mijn vijanden om mij heen. In Zijn tent zal ik offers brengen met gejuich. Ik zal zingen, ja, ik zal spelen voor de HEERE. 7. Hoor mijn stem, HEERE, als ik roep. Wees mij genadig en antwoord mij. 8. Mijn hart zegt namens U: zoek mijn gezicht. Uw gezicht zoek ik, HEERE. 9. Verberg Uw gezicht niet voor mij. Wijs Uw dienaar niet af in toorn. U bent mijn hulp geweest. Laat mij niet los en verlaat mij niet, God die mij redt. 10. Al hebben mijn vader en mijn moeder mij verlaten, de HEERE neemt mij aan. 11. HEERE, leer mij Uw weg. Leid mij op een recht pad, want mijn vijanden loeren op mij. 12. Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders. Want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan en zij blazen geweld uit. 13. Toch geloof ik dat ik het goede van de HEERE zal zien in het land van de levenden. 14. Wacht op de HEERE. Wees sterk en Hij zal je hart sterk maken. Ja, wacht op de HEERE. ## Psalmen 28 — De HEERE is mijn kracht en mijn schild 1. Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE, mijn rots. Houd U niet doof voor mij. Want als U zwijgt, lijk ik op wie in de kuil afdalen. 2. Hoor mijn smeken als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar Uw heilige tempel. 3. Sleur mij niet mee met de goddelozen en met wie onrecht doen. Zij praten vriendelijk met hun naaste, maar er is kwaad in hun hart. 4. Geef hun naar hun daden en naar het kwaad van hun doen. Geef hun naar het werk van hun handen. Laat hun eigen daden op hen terugkomen. 5. Want zij letten niet op wat de HEERE doet en niet op het werk van Zijn handen. Daarom zal Hij hen afbreken en niet opbouwen. 6. Geprezen zij de HEERE, want Hij heeft mijn smeken gehoord. 7. De HEERE is mijn kracht en mijn schild. Op Hem vertrouwde mijn hart en ik werd geholpen. Daarom juicht mijn hart en met mijn lied zal ik Hem prijzen. 8. De HEERE is de kracht van Zijn volk. Hij is de vesting die Zijn gezalfde redt. 9. Red Uw volk en zegen Uw erfdeel. Weid hen en draag hen, voor altijd. ## Psalmen 29 — De stem van de HEERE 1. Een psalm van David. Geef de HEERE, machtige wezens, geef de HEERE eer en kracht. 2. Geef de HEERE de eer van Zijn naam. Buig voor de HEERE in heilige feestkleding. 3. De stem van de HEERE klinkt boven het water. De God van de eer laat de donder rollen. De HEERE is boven het grote water. 4. De stem van de HEERE is vol kracht. De stem van de HEERE is vol majesteit. 5. De stem van de HEERE breekt de ceders. Ja, de HEERE breekt de ceders van de Libanon. 6. Hij laat de Libanon huppelen als een kalf en de Sirjon als een jonge wilde stier. 7. De stem van de HEERE hakt vlammen van vuur uit. 8. De stem van de HEERE laat de woestijn beven. De HEERE laat de woestijn van Kades beven. 9. De stem van de HEERE laat de hinden jongen werpen en ontbladert de bossen. In Zijn tempel roept iedereen: eer! 10. De HEERE troonde boven de watervloed. Ja, de HEERE troont als Koning voor altijd. 11. De HEERE zal Zijn volk kracht geven. De HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede. ## Psalmen 30 — 's Avonds tranen, 's morgens gejuich 1. Een psalm, een lied bij de inwijding van het huis van David. 2. Ik zal U prijzen, HEERE, want U hebt mij omhooggetrokken. U hebt mijn vijanden geen reden gegeven om blij te zijn. 3. HEERE, mijn God, ik riep tot U en U hebt mij genezen. 4. HEERE, U hebt mijn leven uit het dodenrijk omhooggehaald. U hebt mij in leven gehouden, zodat ik niet in de kuil afdaalde. 5. Zing voor de HEERE, jullie die Hem trouw zijn. Prijs Hem bij de gedachte aan Zijn heiligheid. 6. Want Zijn toorn duurt een ogenblik, maar Zijn goedheid een leven lang. 's Avonds blijft het huilen, maar 's morgens is er gejuich. 7. Ik zei in mijn voorspoed: ik zal nooit wankelen. 8. Want HEERE, door Uw goedheid stond mijn berg vast. Maar toen U Uw gezicht verborg, schrok ik. 9. Tot U, HEERE, riep ik. Ik smeekte de Heer: 10. Wat heeft U eraan als ik sterf en in het graf afdaal? Zal het stof U prijzen? Zal het Uw trouw verkondigen? 11. Hoor, HEERE, en wees mij genadig. HEERE, wees mijn helper. 12. U hebt mijn klaaglied veranderd in een dans. U hebt mijn rouwkleed losgemaakt en mij omgord met vreugde. 13. Zo zal mijn ziel voor U zingen en niet zwijgen. HEERE, mijn God, voor altijd zal ik U prijzen. ## Psalmen 31 — In Uw hand leg ik mijn leven 1. Een psalm van David, voor de koorleider. 2. Bij U, HEERE, schuil ik. Laat mij nooit beschaamd staan. Red mij, want U doet recht. 3. Luister naar mij en kom mij snel te hulp. Wees voor mij een sterke rots, een burcht waarin ik veilig ben. 4. Want U bent mijn rots en mijn burcht. Leid mij en wijs mij de weg, om Uw naam. 5. Haal mij uit het net dat ze stiekem voor mij spanden, want U bent mijn kracht. 6. In Uw hand leg ik mijn leven. U hebt mij vrijgekocht, HEERE, God die trouw bent. 7. Ik heb een hekel aan mensen die op niets vertrouwen. Zelf vertrouw ik op de HEERE. 8. Ik zal juichen en blij zijn om Uw trouw. Want U hebt mijn ellende gezien. U wist hoe bang ik was. 9. U hebt mij niet uitgeleverd aan mijn vijand. U hebt mij ruimte gegeven om te staan. 10. Wees mij genadig, HEERE, want ik zit in het nauw. Mijn ogen zijn dof van verdriet, mijn hele lichaam is op. 11. Mijn leven verdwijnt in zorgen, mijn jaren in gezucht. Mijn kracht bezwijkt door mijn schuld en mijn botten teren weg. 12. Al mijn tegenstanders lachen mij uit. Voor mijn buren ben ik een schande, voor mijn bekenden een schrikbeeld. Wie mij op straat ziet, loopt weg. 13. Ik ben vergeten als een dode. Ik lijk op een kapotte kruik. 14. Ik hoor hoe velen over mij fluisteren. Overal is angst. Ze steken de koppen bij elkaar en willen mij doden. 15. Maar ik vertrouw op U, HEERE. Ik zeg: U bent mijn God. 16. Mijn tijden liggen in Uw hand. Red mij uit de greep van mijn vijanden en vervolgers. 17. Laat Uw gezicht over Uw dienaar lichten. Verlos mij, want U bent trouw. 18. HEERE, laat mij niet beschaamd staan, want ik roep U aan. Laat de slechte mensen beschaamd staan en zwijgen in het graf. 19. Laat de leugenmond verstommen, die brutaal spreekt over wie goed doet, uit trots en verachting. 20. Hoe groot is het goede dat U bewaart voor wie ontzag voor U hebben. U geeft het openlijk aan wie bij U schuilen. 21. U verbergt hen dicht bij Uzelf, ver van de listen van mensen. U houdt hen veilig onder Uw dak, ver van ruziënde tongen. 22. Geprezen is de HEERE! Zijn trouw aan mij was een wonder. Hij bracht mij in een stad met sterke muren. 23. Ik zei in mijn angst: Ik ben weggevaagd uit Uw ogen. Toch hoorde U mijn smeken toen ik naar U riep. 24. Heb de HEERE lief, al Zijn vrienden. De HEERE beschermt wie trouw zijn, maar de trotse krijgt dubbel terug. 25. Wees sterk en houd moed, jullie allemaal die hopen op de HEERE. ## Psalmen 32 — Gelukkig is wie vergeving kreeg 1. Een lied van David om van te leren. Gelukkig is wie vergeving kreeg, wiens zonde is toegedekt. 2. Gelukkig is de mens die van de HEERE geen schuld aangerekend krijgt, in wie geen bedrog zit. 3. Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg. De hele dag kreunde ik. 4. Dag en nacht drukte Uw hand op mij. Mijn kracht droogde op als in de zomerhitte. Sela. 5. Toen bekende ik U mijn zonde. Ik verborg mijn schuld niet langer. Ik zei: Ik belijd mijn daden aan de HEERE. En U vergaf mij. Sela. 6. Daarom moet ieder die U trouw is tot U bidden nu U te vinden bent. Als het water hoog stijgt, zal het hem niet raken. 7. U bent mijn schuilplaats. U beschermt mij tegen benauwdheid. U omringt mij met liederen van bevrijding. Sela. 8. Ik zal je onderwijzen en je de weg wijzen die je moet gaan. Ik zal je raad geven en mijn oog op je houden. 9. Wees niet als een paard of een muildier zonder verstand. Die moet je met toom en bit in bedwang houden, anders komt hij niet bij je. 10. Wie kwaad doet krijgt veel pijn. Maar wie op de HEERE vertrouwt, wordt omringd door Zijn trouw. 11. Wees blij in de HEERE en juich, rechtvaardigen. Zing van vreugde, jullie allemaal die eerlijk van hart zijn. ## Psalmen 33 — Zing voor Hem een nieuw lied 1. Juich in de HEERE, rechtvaardigen. Wie eerlijk leeft, mag Hem loven. 2. Prijs de HEERE met de harp. Zing voor Hem bij de luit met tien snaren. 3. Zing voor Hem een nieuw lied. Speel goed, met een blij geluid. 4. Want het woord van de HEERE is waar en alles wat Hij doet is betrouwbaar. 5. Hij houdt van recht en gerechtigheid. De aarde is vol van de trouw van de HEERE. 6. Door het woord van de HEERE zijn de hemelen gemaakt, door de adem van Zijn mond alle sterren. 7. Hij verzamelt het zeewater als in een dam. Hij bergt de diepe wateren op in voorraadkamers. 8. Laat de hele aarde ontzag hebben voor de HEERE. Laat iedereen op de wereld voor Hem beven. 9. Want Hij spreekt en het is er. Hij geeft een bevel en het staat er. 10. De HEERE haalt de plannen van de volken onderuit. Hij breekt de gedachten van de naties. 11. Maar het plan van de HEERE houdt eeuwig stand, wat Hij bedenkt geldt van geslacht op geslacht. 12. Gelukkig is het volk dat de HEERE als God heeft, het volk dat Hij koos om van Hem te zijn. 13. De HEERE kijkt uit de hemel neer en ziet alle mensen. 14. Vanaf de plaats waar Hij woont, kijkt Hij naar iedereen die op aarde leeft. 15. Hij die hun hart heeft gevormd, let op alles wat ze doen. 16. Een koning wordt niet gered door een groot leger. Een held komt niet vrij door grote kracht. 17. Een paard helpt niet om te winnen. Hoe sterk het ook is, redden kan het niet. 18. Zie, het oog van de HEERE rust op wie ontzag voor Hem hebben, op wie hopen op Zijn trouw. 19. Hij redt hun leven van de dood en houdt hen in leven als er honger is. 20. Wij wachten op de HEERE. Hij is onze hulp en ons schild. 21. Ons hart is blij om Hem, want wij vertrouwen op Zijn heilige naam. 22. Laat Uw trouw over ons zijn, HEERE, zoals wij op U hopen. ## Psalmen 34 — Proef en merk hoe goed de HEERE is 1. Een psalm van David, van toen hij zich anders voordeed bij Abimelech, die hem wegstuurde zodat hij weg kon gaan. 2. Ik zal de HEERE altijd prijzen. Zijn lof zal steeds in mijn mond zijn. 3. Mijn ziel roemt in de HEERE. Wie klein is zal het horen en blij zijn. 4. Maak samen met mij de HEERE groot. Laten wij samen Zijn naam hoog houden. 5. Ik zocht de HEERE en Hij antwoordde mij. Hij redde mij uit alles waar ik bang voor was. 6. Wie naar Hem opkijken, gaan stralen. Hun gezicht wordt niet rood van schaamte. 7. Deze arme man riep en de HEERE hoorde hem. Hij verloste hem uit al zijn nood. 8. De engel van de HEERE slaat zijn kamp op rondom wie ontzag voor Hem hebben, en hij redt hen. 9. Proef en merk hoe goed de HEERE is. Gelukkig is de mens die bij Hem schuilt. 10. Heb ontzag voor de HEERE, jullie die van Hem zijn. Want wie ontzag voor Hem heeft, komt niets tekort. 11. Jonge leeuwen lijden gebrek en honger. Maar wie de HEERE zoeken, missen niets van wat goed is. 12. Kom, kinderen, luister naar mij. Ik zal jullie leren wat ontzag voor de HEERE is. 13. Wie van jullie houdt van het leven en wil goede dagen zien? 14. Houd dan je tong bij het kwaad vandaan en spreek geen bedrog. 15. Ga het kwaad uit de weg en doe het goede. Zoek de vrede en jaag die na. 16. De ogen van de HEERE rusten op wie rechtvaardig zijn. Zijn oren luisteren naar hun roepen. 17. Maar de HEERE keert zich tegen wie kwaad doen. Hun naam wist Hij van de aarde. 18. Zij roepen en de HEERE hoort. Hij redt hen uit al hun nood. 19. De HEERE is dicht bij wie gebroken zijn van hart. Hij helpt wie verslagen zijn van geest. 20. Wie rechtvaardig is treft veel tegenslag. Maar uit dat alles redt de HEERE hem. 21. Hij beschermt al zijn botten. Niet een ervan wordt gebroken. 22. Het kwaad doodt de slechte mens. Wie de rechtvaardige haat, wordt schuldig verklaard. 23. De HEERE koopt het leven van Zijn dienaren vrij. Wie bij Hem schuilt, wordt niet schuldig verklaard. ## Psalmen 35 — HEERE, voer mijn zaak 1. Een psalm van David. Voer mijn zaak, HEERE, tegen wie mij aanklagen. Strijd tegen wie mij bestrijden. 2. Pak het schild en het kleine schild en sta op om mij te helpen. 3. Haal de speer tevoorschijn en versper de weg voor mijn vervolgers. Zeg tegen mij: Ik ben je redding. 4. Laat hen beschaamd staan die mij naar het leven staan. Laat ze terugdeinzen en rood worden die kwaad tegen mij bedenken. 5. Laat ze worden als kaf in de wind, terwijl de engel van de HEERE hen wegjaagt. 6. Laat hun weg donker en glad zijn, terwijl de engel van de HEERE hen achtervolgt. 7. Want zonder reden verborgen ze hun net voor mij. Zonder reden groeven ze een kuil voor mij. 8. Laat de ondergang hem onverwacht overvallen. Laat het net dat hij verborg hemzelf vangen. Laat hij erin vallen en verloren gaan. 9. Dan zal ik juichen om de HEERE. Ik zal blij zijn omdat Hij redt. 10. Heel mijn lichaam zal zeggen: HEERE, wie is als U? U redt de arme van wie sterker is, de arme en behoeftige van wie hem berooft. 11. Vals getuigen staan op. Ze vragen mij dingen waar ik niets van weet. 12. Ze betalen mij kwaad voor goed. Ik sta helemaal alleen. 13. Maar toen zij ziek waren, droeg ik rouwkleren. Ik vastte tot ik uitgeput was. Mijn gebed kwam onbeantwoord bij mij terug. 14. Ik liep rond alsof het mijn vriend was, alsof het mijn eigen broer was. Ik ging gebogen in het zwart, als iemand die om zijn moeder treurt. 15. Maar toen ik struikelde, waren zij blij en liepen ze samen. Als vreemden verzamelden ze zich tegen mij en ik merkte het niet. Ze scheurden mij stuk en zwegen niet. 16. Als goddeloze spotters aan tafel knarsten ze hun tanden tegen mij. 17. HEERE, hoe lang blijft U toekijken? Haal mij weg uit hun verwoesting, red mijn kostbare leven van de jonge leeuwen. 18. Dan zal ik U prijzen in de grote samenkomst. Tussen veel mensen zal ik U loven. 19. Laat wie mij zonder reden vijandig is, niet lachen om mij. Laat wie mij zonder grond haat, niet knipogen. 20. Want ze spreken niet van vrede. Ze verzinnen bedrog tegen wie rustig in het land leven. 21. Ze zetten hun mond wijd open tegen mij. Ze zeggen: Ha, ha, wij hebben het met eigen ogen gezien. 22. U hebt het gezien, HEERE. Zwijg niet. HEERE, blijf niet ver van mij. 23. Word wakker en sta op voor mijn recht, mijn God en mijn HEERE, voor mijn zaak. 24. Doe mij recht, HEERE mijn God, want U bent rechtvaardig. Laat hen niet lachen om mij. 25. Laat hen niet denken en niet zeggen: Mooi zo, dat wilden wij; wij hebben hem verslonden. 26. Laat hen beschaamd en rood worden die blij zijn met mijn ellende. Laat schaamte en schande hen bedekken die groot doen tegen mij. 27. Maar laat juichen en blij zijn wie mij mijn recht gunnen. Laat hen steeds zeggen: Groot is de HEERE, die vrede gunt aan Zijn dienaar. 28. Dan zal mijn tong spreken over Uw gerechtigheid, de hele dag over Uw lof. ## Psalmen 36 — Bij U is de bron van het leven 1. Een psalm van David, de dienaar van de HEERE, voor de koorleider. 2. Diep in mijn hart hoor ik wat de zonde tegen de slechte mens zegt. Er is geen ontzag voor God in zijn ogen. 3. Hij praat zichzelf goed. Zo merkt hij zijn eigen schuld niet, die toch te haten is. 4. Zijn woorden zijn onrecht en bedrog. Hij is opgehouden verstandig te zijn en goed te doen. 5. Op zijn bed bedenkt hij onrecht. Hij kiest een weg die niet goed is. Het kwaad wijst hij niet af. 6. HEERE, Uw trouw reikt tot de hemel. Uw betrouwbaarheid reikt tot de wolken. 7. Uw gerechtigheid is als de hoogste bergen, Uw oordelen als de diepste zee. Mensen en dieren redt U, HEERE. 8. Hoe kostbaar is Uw trouw, o God. Mensen schuilen in de schaduw van Uw vleugels. 9. Ze eten zich vol aan de rijkdom van Uw huis. U laat hen drinken uit de beek van Uw vreugde. 10. Want bij U is de bron van het leven. In Uw licht zien wij het licht. 11. Blijf trouw aan wie U kennen. Blijf rechtvaardig voor wie eerlijk van hart zijn. 12. Laat de voet van de trotse mij niet vertrappen. Laat de hand van de slechte mens mij niet verjagen. 13. Kijk, daar zijn ze gevallen, de mensen die onrecht doen. Ze zijn neergeslagen en kunnen niet meer opstaan. ## Psalmen 37 — Word niet boos om wie kwaad doen 1. Een psalm van David. Word niet boos om wie kwaad doen. Wees niet jaloers op wie onrecht plegen. 2. Want als gras worden ze snel afgesneden. Als groen kruid verwelken ze. 3. Vertrouw op de HEERE en doe het goede. Blijf in het land wonen en leef in trouw. 4. Geniet van de HEERE. Dan geeft Hij je wat je hart verlangt. 5. Leg je weg in de handen van de HEERE. Vertrouw op Hem en Hij zal het doen. 6. Hij laat je gerechtigheid opkomen als het licht, je recht als de zon op het midden van de dag. 7. Wees stil bij de HEERE en wacht op Hem. Word niet boos om wie het goed gaat, om de man die zijn sluwe plannen uitvoert. 8. Laat je woede los en laat de drift gaan. Word niet boos, want dat leidt alleen tot kwaad. 9. Want wie kwaad doen, verdwijnen. Maar wie op de HEERE wachten, krijgen het land in bezit. 10. Nog even, en de slechte mens is er niet meer. Je kijkt naar zijn plaats, maar hij is weg. 11. Wie klein zijn krijgen het land in bezit. Ze zullen genieten van grote vrede. 12. De slechte mens beraamt plannen tegen wie rechtvaardig is. Hij knarst zijn tanden tegen hem. 13. De HEERE lacht om hem, want Hij ziet dat zijn dag komt. 14. De slechte mensen trekken het zwaard en spannen hun boog. Zo willen ze de arme en behoeftige vellen, wie eerlijk leeft afslachten. 15. Maar hun zwaard gaat in hun eigen hart. Hun bogen worden gebroken. 16. Het weinige van wie rechtvaardig is, is beter dan de rijkdom van veel slechte mensen. 17. Want de armen van de slechte mensen worden gebroken. Maar de HEERE houdt de rechtvaardigen overeind. 18. De HEERE kent de dagen van wie eerlijk zijn. Hun erfdeel blijft voor altijd. 19. In slechte tijden staan ze niet beschaamd. In dagen van honger krijgen ze genoeg. 20. Maar de slechte mensen gaan verloren. De vijanden van de HEERE verdwijnen als de pracht van de weiden. Als rook gaan ze op. 21. De slechte mens leent en betaalt niet terug. Maar de rechtvaardige heeft medelijden en geeft. 22. Wie door Hem gezegend zijn, krijgen het land in bezit. Wie door Hem vervloekt zijn, verdwijnen. 23. De HEERE maakt de stappen van zo iemand vast. Hij houdt van zijn weg. 24. Als hij valt, blijft hij niet liggen. Want de HEERE houdt zijn hand vast. 25. Ik ben jong geweest en ik ben oud geworden. Nooit zag ik een rechtvaardige in de steek gelaten, of zijn kinderen bedelen om brood. 26. De hele dag heeft hij medelijden en leent hij uit. Zijn kinderen worden tot zegen. 27. Ga het kwaad uit de weg en doe het goede. Dan blijf je voor altijd wonen. 28. Want de HEERE houdt van recht. Hij laat Zijn vrienden niet los. Voor altijd worden zij bewaard. Maar de kinderen van de slechten verdwijnen. 29. De rechtvaardigen krijgen het land in bezit. Ze zullen er voor altijd wonen. 30. De mond van wie rechtvaardig is spreekt wijsheid. Zijn tong zegt wat recht is. 31. De wet van zijn God zit in zijn hart. Zijn stappen glijden niet uit. 32. De slechte mens loert op wie rechtvaardig is en zoekt hem te doden. 33. Maar de HEERE laat hem niet in zijn macht. Hij laat hem niet veroordelen als hij terechtstaat. 34. Wacht op de HEERE en blijf op Zijn weg. Dan zal Hij je verhogen en krijg je het land in bezit. Je zult zien hoe de slechte mensen verdwijnen. 35. Ik heb een wrede en slechte man gezien. Hij breidde zich uit als een boom in eigen grond. 36. Maar hij ging voorbij en kijk, hij was er niet meer. Ik zocht hem, maar hij was niet te vinden. 37. Let op de vrome en kijk naar wie eerlijk is. Want het einde van zo iemand is vrede. 38. Maar wie overtreden, worden samen verdelgd. Het einde van de slechte mensen is de ondergang. 39. De redding van de rechtvaardigen komt van de HEERE. Hij is hun burcht in tijden van nood. 40. De HEERE helpt hen en bevrijdt hen. Hij bevrijdt hen van de slechte mensen en redt hen, want zij schuilen bij Hem. ## Psalmen 38 — Mijn schuld is mij te zwaar 1. Een psalm van David, om te blijven gedenken. 2. HEERE, straf mij niet in Uw woede. Wijs mij niet terecht in Uw drift. 3. Want Uw pijlen zijn in mij gegaan. Uw hand is zwaar op mij neergekomen. 4. Door Uw toorn is er niets gezonds aan mijn lichaam. Door mijn zonde is er geen rust in mijn botten. 5. Mijn schulden groeien mij boven het hoofd. Als een zware last zijn ze mij te zwaar. 6. Mijn wonden stinken en zweren, en dat door mijn eigen dwaasheid. 7. Ik loop krom, ik ben helemaal gebogen. De hele dag ga ik in het zwart. 8. Mijn lichaam brandt van de koorts. Er is niets gezonds aan mij. 9. Ik ben verzwakt en helemaal gebroken. Ik kreun om de onrust in mijn hart. 10. HEERE, al mijn verlangen ligt voor U open. Mijn zuchten is niet verborgen voor U. 11. Mijn hart bonkt, mijn kracht is weg. Zelfs het licht in mijn ogen is verdwenen. 12. Wie van mij hielden en mijn vrienden blijven op afstand van mijn ziekte. Mijn naaste familie blijft ver weg staan. 13. Wie mij naar het leven staan, spannen strikken. Wie mij kwaad willen doen, praten over mijn ondergang. De hele dag verzinnen ze listen. 14. Maar ik ben als een dove die niets hoort, als een stomme die zijn mond niet opendoet. 15. Ja, ik ben als iemand die niet hoort, die geen antwoord in zijn mond heeft. 16. Want op U, HEERE, hoop ik. U zult antwoorden, HEERE mijn God. 17. Want ik dacht: Laat ze toch niet lachen om mij. Als mijn voet wankelt, doen ze groot tegen mij. 18. Want ik sta op het punt te vallen. Mijn pijn is altijd bij mij. 19. Ik erken mijn schuld. Ik zit in de zorgen om mijn zonde. 20. Maar mijn vijanden leven en worden sterk. Wie mij zonder reden haten, zijn talrijk. 21. Wie kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen omdat ik het goede najaag. 22. Verlaat mij niet, HEERE. Mijn God, blijf niet ver van mij. 23. Kom mij snel te hulp, HEERE, mijn redding. ## Psalmen 39 — Laat mij weten hoe kort ik ben 1. Een psalm van David, voor de koorleider, voor Jedutun. 2. Ik zei: Ik zal op mijn wegen letten en niet zondigen met mijn tong. Ik zal mijn mond in toom houden zolang de slechte mens tegenover mij staat. 3. Ik was stil en zei niets, zelfs het goede zweeg ik. Maar mijn pijn werd alleen maar erger. 4. Mijn hart werd heet vanbinnen. Terwijl ik nadacht ontbrandde er een vuur. Toen sprak ik met mijn tong: 5. HEERE, laat mij weten wanneer het einde komt. Hoeveel dagen krijg ik nog? Laat mij weten hoe kort ik ben. 6. Kijk, U hebt mijn dagen kort gemaakt, een handbreed maar. Mijn leven is niets voor U. Ieder mens is maar een ademtocht, hoe stevig hij ook staat. Sela. 7. De mens loopt rond als een schaduw. Hij maakt zich druk om niets. Hij verzamelt en weet niet wie het straks krijgt. 8. En nu, HEERE, waar wacht ik dan op? Mijn hoop is op U. 9. Bevrijd mij van alles wat ik verkeerd deed. Maak mij niet tot spot van dwaze mensen. 10. Ik ben stil en doe mijn mond niet open, want U hebt het gedaan. 11. Haal Uw slagen bij mij weg. Ik ga eraan onderdoor, zo hard drukt Uw hand. 12. Wie schuldig is, straft U terecht. U laat zijn schoonheid wegteren als een mot. Ieder mens is maar een ademtocht. Sela. 13. Hoor mijn gebed, HEERE, en luister naar mijn roepen. Zwijg niet bij mijn tranen. Want ik ben maar een gast bij U, een vreemdeling, net als al mijn voorouders. 14. Kijk even weg van mij, zodat ik weer opleef, voordat ik heenga en er niet meer ben. ## Psalmen 40 — Hij trok mij uit de modder 1. Een psalm van David, voor de koorleider. 2. Ik heb lang op de HEERE gewacht. Hij boog zich naar mij toe en hoorde mij roepen. 3. Hij trok mij uit de put van het gedreun, uit de modder en het slijk. Hij zette mijn voeten op een rots en maakte mijn stappen vast. 4. Hij gaf mij een nieuw lied in de mond, een lied voor onze God. Velen zullen het zien en ontzag krijgen en op de HEERE vertrouwen. 5. Gelukkig is de man die op de HEERE vertrouwt, die zich niet keert tot de trotsen en tot wie zich met leugens inlaten. 6. HEERE mijn God, wat hebt U veel wonderen gedaan en veel voor ons bedacht. Niemand kan het U navertellen. Wilde ik het vertellen en uitspreken, er is te veel om op te noemen. 7. U wilde geen slachtoffer en geen graanoffer. U hebt mijn oren geopend. Een offer dat verbrand wordt of een offer voor de zonde vroeg U niet. 8. Toen zei ik: Kijk, ik kom. In de boekrol staat over mij geschreven. 9. Ik doe graag wat U wilt, mijn God. Uw wet zit diep in mijn binnenste. 10. Ik vertel het goede nieuws van Uw recht in de grote samenkomst. Kijk, ik houd mijn lippen niet dicht. HEERE, U weet het. 11. Uw recht houd ik niet verborgen in mijn hart. Uw trouw en Uw redding spreek ik uit. Uw goedheid en Uw waarheid verzwijg ik niet in de grote samenkomst. 12. HEERE, houd Uw barmhartigheid niet bij mij weg. Laat Uw goedheid en Uw trouw mij altijd beschermen. 13. Want rampen zonder tal hebben mij omsingeld. Mijn schulden hebben mij te pakken, ik kan niet meer zien. Ze zijn talrijker dan de haren op mijn hoofd. De moed is mij ontzonken. 14. Wees zo goed, HEERE, en red mij. HEERE, kom mij snel te hulp. 15. Laat hen samen beschaamd en rood staan die mij naar het leven staan. Laat hen terugdeinzen en te schande worden die blij zijn met mijn ongeluk. 16. Laat hen verstijven van schaamte die over mij zeggen: Ha, ha! 17. Laat blij en vrolijk zijn in U allen die U zoeken. Laat wie van Uw redding houden altijd zeggen: Groot is de HEERE! 18. Ik ben arm en behoeftig, maar de Heer denkt aan mij. U bent mijn hulp en mijn bevrijder. Mijn God, wacht niet te lang. ## Psalmen 41 — Gelukkig is wie oog heeft voor de arme 1. Een psalm van David, voor de koorleider. 2. Gelukkig is wie oog heeft voor de arme. Op de dag van het kwaad zal de HEERE hem bevrijden. 3. De HEERE zal hem bewaren en in leven houden. Hij zal gelukkig zijn op aarde. Lever hem niet uit aan de grillen van zijn vijanden. 4. De HEERE zal hem steunen op zijn ziekbed. Als hij ziek is, maakt U zijn bed weer op. 5. Ik zei: HEERE, wees mij genadig. Genees mij, want ik heb tegen U gezondigd. 6. Mijn vijanden spreken kwaad over mij. Ze zeggen: Wanneer gaat hij dood en is zijn naam verdwenen? 7. Als er een komt kijken, praat hij vals. Zijn hart verzamelt ondertussen onrecht. Buiten gekomen vertelt hij het rond. 8. Iedereen die mij haat, mompelt met de anderen over mij. Ze bedenken kwaad tegen mij en zeggen: 9. Hem heeft iets ergs te pakken. Wie zo ligt, staat niet meer op. 10. Zelfs mijn beste vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zich tegen mij gekeerd. 11. Maar U, HEERE, wees mij genadig en help mij overeind. Dan zal ik het hun vergelden. 12. Hieraan merk ik dat U blij met mij bent: mijn vijand zal niet over mij juichen. 13. En mij houdt U overeind omdat ik eerlijk ben. U laat mij voor altijd bij U staan. 14. Geprezen is de HEERE, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen, ja, amen. ## Psalmen 42 — Zoals een hert naar water verlangt 1. Een lied om van te leren, voor de koorleider, van de zonen van Korach. 2. Zoals een hert schreeuwt naar stromend water, zo schreeuwt mijn ziel naar U, o God. 3. Mijn ziel heeft dorst naar God, naar de levende God. Wanneer mag ik komen en voor Gods gezicht verschijnen? 4. Mijn tranen zijn mijn brood, dag en nacht. Want de hele dag zeggen ze tegen mij: Waar is je God? 5. Hieraan denk ik, en ik stort mijn hart uit. Want vroeger liep ik in de stoet mee naar het huis van God, met gejuich en dankliederen, tussen de feestvierende menigte. 6. Waarom ben je zo bedroefd, mijn ziel? Waarom ben je onrustig in mij? Hoop op God. Ik zal Hem weer prijzen, want Hij redt mij. 7. Mijn God, mijn ziel is bedroefd in mij. Daarom denk ik aan U vanuit het land van de Jordaan, bij de Hermon, bij de kleine berg. 8. De ene diepte roept naar de andere bij het gebulder van Uw watervallen. Al Uw golven en baren gingen over mij heen. 9. Overdag zal de HEERE Zijn trouw gebieden. Bij nacht is Zijn lied bij mij, een gebed tot de God van mijn leven. 10. Ik zal tegen God zeggen: Mijn rots, waarom vergeet U mij? Waarom moet ik in het zwart rondgaan, terwijl mijn vijand mij verdrukt? 11. Het is alsof mijn botten worden verbrijzeld als mijn tegenstanders mij honen. De hele dag zeggen ze tegen mij: Waar is je God? 12. Waarom ben je zo bedroefd, mijn ziel? Waarom ben je onrustig in mij? Hoop op God. Ik zal Hem weer prijzen. Hij is mijn redding en mijn God. ## Psalmen 43 — Zend Uw licht en Uw waarheid 1. Doe mij recht, o God, en voer mijn zaak tegen een volk zonder trouw. Bevrijd mij van de man van bedrog en onrecht. 2. Want U bent de God die mij sterk maakt. Waarom stoot U mij dan weg? Waarom moet ik in het zwart rondgaan, terwijl mijn vijand mij verdrukt? 3. Zend Uw licht en Uw waarheid. Laten die mij leiden en mij brengen naar Uw heilige berg, naar de plaats waar U woont. 4. Dan zal ik naar het altaar van God gaan, naar de God die mijn blijdschap en mijn vreugde is. Dan zal ik U prijzen bij de harp, o God, mijn God. 5. Waarom ben je zo bedroefd, mijn ziel? Waarom ben je onrustig in mij? Hoop op God. Ik zal Hem weer prijzen. Hij is mijn redding en mijn God. ## Psalmen 44 — Sta op en help ons 1. Een lied om van te leren, voor de koorleider, van de zonen van Korach. 2. O God, wij hebben het met eigen oren gehoord. Onze vaders hebben ons verteld wat U in hun dagen gedaan hebt, lang geleden. 3. Met eigen hand hebt U volken verdreven, maar hen hebt U geplant. U hebt naties geslagen, maar hen liet U uitlopen. 4. Niet met hun zwaard kregen zij het land, niet hun arm gaf hun de overwinning. Het was Uw rechterhand en Uw arm en het licht van Uw gezicht, want U hield van hen. 5. U bent mijn Koning, o God. Geef bevel dat Jakob gered wordt. 6. Met U stoten wij onze tegenstanders neer. In Uw naam vertrappen wij wie tegen ons opstaan. 7. Want ik vertrouw niet op mijn boog. Mijn zwaard zal mij niet redden. 8. Nee, U redt ons van onze tegenstanders. U maakt beschaamd wie ons haten. 9. Op God roemen wij de hele dag. Uw naam zullen wij voor altijd prijzen. Sela. 10. Maar nu hebt U ons weggestoten en te schande gemaakt. U trekt niet meer met onze legers mee. 11. U laat ons terugdeinzen voor de vijand. Wie ons haten, roven ons leeg. 12. U geeft ons als schapen om op te eten. U verstrooit ons onder de volken. 13. U verkoopt Uw volk voor niets. U vroeg er geen hoge prijs voor. 14. U maakt ons tot smaad voor onze buren, tot spot en hoon voor wie om ons heen wonen. 15. U maakt ons tot een spreekwoord onder de volken. De naties schudden hun hoofd om ons. 16. De hele dag staat mijn schande mij voor ogen. De schaamte bedekt mijn gezicht, 17. door de stem van wie hoont en lastert, door de blik van de vijand die wraak wil. 18. Dit alles is ons overkomen, en toch zijn wij U niet vergeten. Wij hebben Uw verbond niet verbroken. 19. Ons hart is niet van U weggegaan. Onze voet is niet van Uw pad geweken. 20. Toch hebt U ons verpletterd op de plaats van de jakhalzen en ons bedekt met diepe duisternis. 21. Als wij de naam van onze God waren vergeten en onze handen hadden uitgestrekt naar een vreemde god, 22. zou God dat dan niet merken? Hij kent immers de geheimen van het hart. 23. Nee, om U worden wij de hele dag gedood. Men ziet ons als schapen voor de slacht. 24. Word wakker! Waarom slaapt U, Heer? Word wakker en stoot ons niet voor altijd weg. 25. Waarom verbergt U Uw gezicht? Waarom vergeet U onze ellende en onze onderdrukking? 26. Want onze ziel ligt neergebogen in het stof. Ons lichaam kleeft aan de grond. 27. Sta op en help ons. Koop ons vrij, want U bent trouw. ## Psalmen 45 — Een lied voor de koning 1. Een lied om van te leren, een liefdeslied, voor de koorleider, van de zonen van Korach, op de wijs van De lelies. 2. Mijn hart stroomt over van goede woorden. Ik draag mijn lied voor aan een koning. Mijn tong is de pen van een vlotte schrijver. 3. U bent de mooiste van alle mensen. Uw lippen zijn vol van vriendelijkheid. Daarom heeft God U voor altijd gezegend. 4. Gord Uw zwaard aan de heup, held. Draag Uw glans en Uw pracht. 5. Rijd voorspoedig uit voor de waarheid en voor het zachte recht. Laat Uw rechterhand U ontzagwekkende daden leren. 6. Uw pijlen zijn scherp. Volken vallen onder U. Ze treffen het hart van de vijanden van de koning. 7. Uw troon, o God, staat voor eeuwig en altijd. De scepter van Uw koninkrijk is een scepter van recht. 8. U houdt van gerechtigheid en haat het kwaad. Daarom heeft God, Uw God, U met vreugdeolie gezalfd, meer dan Uw metgezellen. 9. Al Uw kleren geuren naar mirre, aloë en kaneel. Uit paleizen van ivoor klinkt snarenspel dat U blij maakt. 10. Dochters van koningen zijn onder Uw gasten. De koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir. 11. Luister, dochter, en kijk goed, en spits je oren. Vergeet je volk en het huis van je vader. 12. Dan zal de koning verlangen naar je schoonheid. Hij is nu je heer, dus buig voor Hem. 13. De stad Tyrus komt met een geschenk. De rijken van het volk zoeken je gunst. 14. De dochter van de koning is vanbinnen helemaal stralend. Haar kleed is van gouden borduurwerk. 15. In geborduurde kleren wordt zij naar de koning gebracht. De meisjes achter haar, haar vriendinnen, worden bij Hem gebracht. 16. Met blijdschap en gejuich worden ze geleid. Zo gaan ze het paleis van de koning binnen. 17. In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen komen. U zult hen tot vorsten maken over de hele aarde. 18. Ik zal Uw naam laten gedenken van geslacht op geslacht. Daarom zullen de volken U prijzen voor eeuwig en altijd. ## Psalmen 46 — God is voor ons een schuilplaats 1. Een lied op de wijs van Alamot, voor de koorleider, van de zonen van Korach. 2. God is voor ons een schuilplaats en een sterkte. Hij is een hulp gebleken die altijd klaarstaat in nood. 3. Daarom zijn wij niet bang, al gaat de aarde van haar plaats, al storten de bergen in het diepst van de zee. 4. Laat het water maar bruisen en schuimen. Laat de bergen maar beven als het opzwelt. Sela. 5. Er is een rivier waarvan de beekjes de stad van God blij maken, de heilige woning van de Allerhoogste. 6. God is in haar midden, zij zal niet wankelen. God zal haar helpen als de morgen aanbreekt. 7. Volken raasden, koninkrijken wankelden. Hij liet Zijn stem horen en de aarde smolt weg. 8. De HEERE van de legermachten is met ons. De God van Jakob is onze burcht. Sela. 9. Kom en kijk naar de daden van de HEERE, die de aarde ontzagwekkend heeft toegetakeld. 10. Hij maakt een eind aan de oorlogen tot aan de rand van de aarde. Hij breekt de boog en slaat de speer doormidden. De wagens verbrandt Hij in het vuur. 11. Laat los en weet dat ik God ben. Ik word hoog geprezen onder de volken, ik word hoog geprezen op de aarde. 12. De HEERE van de legermachten is met ons. De God van Jakob is onze burcht. Sela. ## Psalmen 47 — God is Koning over de hele aarde 1. Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach. 2. Klap in je handen, alle volken. Juich voor God met een blij geluid. 3. Want de HEERE, de Allerhoogste, is ontzagwekkend, een groot Koning over de hele aarde. 4. Hij brengt volken onder ons en naties onder onze voeten. 5. Hij koos voor ons ons erfdeel uit, de trots van Jakob, van wie Hij houdt. Sela. 6. God stijgt op onder gejuich, de HEERE bij het geluid van de ramshoorn. 7. Zing voor God, zing! Zing voor onze Koning, zing! 8. Want God is Koning over de hele aarde. Zing een lied dat iets te zeggen heeft. 9. God regeert over de volken. God zit op Zijn heilige troon. 10. De leiders van de volken komen samen bij het volk van de God van Abraham. Want van God zijn de schilden van de aarde. Hij is hoog verheven. ## Psalmen 48 — De stad van onze God 1. Een lied, een psalm, van de zonen van Korach. 2. Groot is de HEERE en zeer te prijzen, in de stad van onze God, op Zijn heilige berg. 3. Mooi gelegen, een vreugde voor de hele aarde is de berg Sion, aan de noordkant, de stad van de grote Koning. 4. God woont in haar paleizen. Daar is Hij bekend als een burcht. 5. Want kijk, de koningen kwamen samen. Samen trokken zij op. 6. Zodra zij het zagen, stonden zij versteld. Ze schrokken en vluchtten weg. 7. Daar greep de beving hen aan, pijn als van een vrouw die een kind krijgt. 8. Met een oostenwind brak U de schepen van Tarsis. 9. Wat wij gehoord hadden, dat hebben wij gezien in de stad van de HEERE van de legermachten, in de stad van onze God. God houdt haar voor altijd overeind. Sela. 10. O God, wij denken aan Uw trouw, midden in Uw tempel. 11. Zoals Uw naam is, o God, zo is Uw lof tot aan het einde van de aarde. Uw rechterhand is vol gerechtigheid. 12. Laat de berg Sion blij zijn. Laat de dorpen van Juda juichen om Uw oordelen. 13. Loop rond langs Sion en ga er omheen. Tel haar torens. 14. Kijk goed naar haar muur en let op haar paleizen. Dan kun je het vertellen aan de mensen na jou. 15. Want deze God is onze God, voor eeuwig en altijd. Hij zal ons leiden, tot over de dood heen. ## Psalmen 49 — Rijkdom gaat niet mee 1. Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach. 2. Luister hiernaar, alle volken. Let op, iedereen die op de wereld woont, 3. gewone mensen en aanzienlijke mensen, rijk en arm bij elkaar. 4. Mijn mond zal wijsheid spreken. Wat ik in mijn hart bedenk is vol inzicht. 5. Ik luister aandachtig naar een spreuk. Bij de harp zal ik mijn raadsel oplossen. 6. Waarom zou ik bang zijn in kwade dagen, als het onrecht van mijn belagers mij omringt? 7. Zij vertrouwen op hun bezit en roemen op hun grote rijkdom. 8. Toch kan niemand van hen een ander vrijkopen. Aan God kan hij de losprijs niet betalen. 9. Want het loskopen van een leven is te duur. Daar houdt het voor altijd mee op. 10. Niemand blijft dus voor altijd leven zonder het graf te zien. 11. Hij ziet immers dat de wijzen sterven, dat dwaas en dom samen omkomen en hun bezit aan anderen laten. 12. Toch denken zij dat hun huizen er eeuwig staan en hun woningen van geslacht op geslacht. Hun namen geven zij aan hun landerijen. 13. Maar de mens blijft niet in zijn pracht. Hij lijkt op de dieren die vergaan. 14. Dat is de weg van wie op zichzelf vertrouwen. En wie na hen komen, praten hun woorden na. Sela. 15. Als schapen worden zij naar het graf gedreven. De dood zal hun herder zijn. In de morgen krijgen de eerlijken de macht over hen. Hun gestalte vergaat in het graf, ver van hun huis. 16. Maar God zal mijn leven vrijkopen uit de greep van het graf, want Hij zal mij aannemen. Sela. 17. Wees niet bang als iemand rijk wordt, als de pracht van zijn huis toeneemt. 18. Want bij zijn sterven neemt hij niets mee. Zijn pracht gaat niet met hem het graf in. 19. Al prijst hij zichzelf gelukkig tijdens zijn leven, en al prijzen ze je omdat het je goed gaat, 20. toch komt ook hij bij het geslacht van zijn vaderen, die het licht nooit meer zien. 21. De mens die in pracht leeft maar geen inzicht heeft, lijkt op de dieren die vergaan. ## Psalmen 50 — God roept Zijn volk voor het gericht 1. Een psalm van Asaf. De God van de goden, de HEERE, spreekt. Hij roept de aarde, van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat. 2. Vanuit Sion, volmaakt van schoonheid, verschijnt God in stralend licht. 3. Onze God komt en zwijgt niet. Voor Hem uit gaat een verterend vuur. Om Hem heen is een zware storm. 4. Hij roept naar de hemel boven en naar de aarde, om Zijn volk te oordelen. 5. Hij zegt: Breng mijn trouwe mensen bij mij, die door een offer een verbond met mij sloten. 6. En de hemel maakt Zijn recht bekend, want God is Zelf de rechter. Sela. 7. Luister, mijn volk, ik ga spreken. Israël, ik klaag je aan. Ik, God, ben jouw God. 8. Over je offers val ik je niet aan. Je offers die verbrand worden staan altijd voor mij. 9. Ik hoef geen stier uit je huis, geen bokken uit je hokken. 10. Want elk dier in het bos is van mij, en het vee op duizend bergen. 11. Ik ken elke vogel in de bergen. Wat in het veld beweegt, is bij mij bekend. 12. Als ik honger had, zou ik het je niet zeggen. Want van mij is de wereld en alles wat daarin is. 13. Zou ik vlees van stieren eten of bloed van bokken drinken? 14. Offer aan God een danklied en houd je beloften aan de Allerhoogste. 15. Roep mij aan op de dag van de nood. Ik zal je eruit helpen en jij zult mij eren. 16. Maar tegen de slechte mens zegt God: Wat heb jij mijn regels op te noemen? Waarom neem je mijn verbond in de mond? 17. Je haat het immers als iemand je terechtwijst. Mijn woorden gooi je achter je weg. 18. Zie je een dief, dan loop je met hem mee. Je hoort bij de mensen die vreemdgaan. 19. Je mond gebruik je voor het kwaad. Je tong knoopt bedrog aan elkaar. 20. Je zit erbij en praat kwaad over je eigen broer. De zoon van je moeder maak je zwart. 21. Dat doe je, en ik zweeg. Toen dacht je dat ik net zo was als jij. Maar ik zal je aanklagen en het je recht voor ogen zetten. 22. Begrijp dit toch, jullie die God vergeten. Anders verscheur ik en is er niemand die redt. 23. Wie een danklied offert, eert mij. Wie zijn weg goed kiest, zal zien hoe God redt. ## Psalmen 51 — Schep in mij een zuiver hart 1. Een psalm van David, voor de koorleider. 2. Van toen de profeet Natan bij hem was gekomen, nadat hij met Batseba had geslapen. 3. Wees mij genadig, o God, want U bent trouw. Wis mijn overtreding uit, want U bent vol erbarmen. 4. Was mij helemaal schoon van mijn schuld. Maak mij rein van mijn zonde. 5. Want ik ken mijn overtredingen. Mijn zonde staat mij altijd voor ogen. 6. Tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd. Ik deed wat kwaad is in Uw ogen. Zo bent U in het gelijk als U spreekt, zuiver als U oordeelt. 7. Kijk, ik ben in schuld geboren. In zonde heeft mijn moeder mij ontvangen. 8. Kijk, U wilt waarheid diep vanbinnen. In het verborgene leert U mij wijsheid. 9. Neem mijn zonde weg met hysop, dan ben ik rein. Was mij, dan word ik witter dan sneeuw. 10. Laat mij weer vreugde en blijdschap horen. Laat de botten juichen die U hebt gebroken. 11. Kijk niet langer naar mijn zonden. Wis al mijn schuld uit. 12. Schep in mij een zuiver hart, o God. Geef mij vanbinnen een nieuwe, vaste geest. 13. Stuur mij niet weg van Uw gezicht. Neem Uw heilige Geest niet van mij weg. 14. Geef mij de vreugde van Uw redding terug. Laat een gewillige geest mij steunen. 15. Dan zal ik overtreders Uw wegen leren. Dan keren zondaars naar U terug. 16. Red mij van de bloedschuld, o God, God die mij redt. Dan zal mijn tong juichen over Uw gerechtigheid. 17. Heere, maak mijn lippen open. Dan zal mijn mond Uw lof vertellen. 18. Want U wilt geen offer, anders zou ik het geven. In offers die verbrand worden hebt U geen vreugde. 19. De offers voor God zijn een gebroken geest. Een gebroken en verslagen hart zult U niet verachten, o God. 20. Doe goed aan Sion, want dat wilt U. Bouw de muren van Jeruzalem weer op. 21. Dan zult U vreugde hebben in eerlijke offers, in offers die helemaal verbrand worden. Dan zal men stieren op Uw altaar offeren. ## Psalmen 52 — Waarom pocht u op het kwaad? 1. Een lied van David om van te leren, voor de koorleider. 2. Van toen Doëg uit Edom bij Saul was gekomen en hem had verteld: David is in het huis van Achimelech geweest. 3. Waarom pocht u op het kwaad, sterke man? De trouw van God duurt toch de hele dag. 4. Uw tong bedenkt alleen maar onheil. Als een geslepen scheermes is zij, vol bedrog. 5. U houdt meer van kwaad dan van goed, meer van leugen dan van eerlijke taal. Sela. 6. U houdt van alle woorden die verslinden, van een tong vol bedrog. 7. Daarom zal God u voorgoed afbreken. Hij zal u wegvegen en uit uw tent rukken. Hij zal u ontwortelen uit het land van de levenden. Sela. 8. De rechtvaardigen zullen het zien en ontzag krijgen. Ze zullen om hem lachen en zeggen: 9. Kijk, dat is de man die God niet als zijn sterkte nam. Hij vertrouwde op zijn grote rijkdom en werd sterk door anderen kwaad te doen. 10. Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in het huis van God. Ik vertrouw op de trouw van God, voor eeuwig en altijd. 11. Ik zal U voor altijd prijzen om wat U hebt gedaan. Ik zal hopen op Uw naam, want die is goed voor wie U trouw zijn. ## Psalmen 53 — De dwaas zegt: er is geen God 1. Een lied van David om van te leren, voor de koorleider, op de wijs van Machalat. 2. De dwaas zegt bij zichzelf: Er is geen God. Ze zijn verdorven en doen afschuwelijk onrecht. Er is niemand die goed doet. 3. God kijkt uit de hemel neer op de mensen. Hij wil zien of er iemand verstandig is, iemand die God zoekt. 4. Allemaal zijn ze afgedwaald, samen zijn ze bedorven. Er is niemand die goed doet, zelfs niet één. 5. Hebben ze dan geen inzicht, die onrecht doen? Ze eten het volk van God op alsof het brood is. God roepen ze niet aan. 6. Daar werden ze bang, banger dan ooit, terwijl er niets te vrezen was. Want God verstrooide de botten van wie jou belegerde. Jij maakte hen te schande, want God heeft hen afgewezen. 7. Kwam de redding voor Israël maar uit Sion! Als God het lot van Zijn volk keert, zal Jakob juichen en Israël blij zijn. ## Psalmen 54 — God is mijn helper 1. Een lied van David om van te leren, voor de koorleider, bij snarenspel. 2. Van toen de mannen uit Zif bij Saul waren gekomen en tegen hem hadden gezegd: David houdt zich toch bij ons verborgen? 3. O God, red mij door Uw naam. Doe mij recht door Uw kracht. 4. O God, hoor mijn gebed. Luister naar de woorden van mijn mond. 5. Want vreemden staan tegen mij op. Wrede mannen staan mij naar het leven. Ze houden God niet voor ogen. Sela. 6. Kijk, God is mijn helper. De Heere is bij wie mij overeind houden. 7. Hij zal dat kwaad op mijn belagers laten terugkomen. Maak er een eind aan, want U bent trouw. 8. Uit vrije wil zal ik U offeren. Ik zal Uw naam prijzen, HEERE, want die is goed. 9. Want Hij heeft mij uit alle nood gered. Mijn oog heeft neergekeken op mijn vijanden. ## Psalmen 55 — Had ik maar vleugels als een duif 1. Een lied van David om van te leren, voor de koorleider, bij snarenspel. 2. O God, luister naar mijn gebed. Verberg U niet voor mijn smeken. 3. Let op mij en geef mij antwoord. Ik dwaal rond in mijn klacht en ik kreun, 4. om het geschreeuw van de vijand, om de druk van de slechte mens. Want ze schuiven mij onrecht in de schoenen en haten mij in hun woede. 5. Mijn hart krimpt vanbinnen. De verschrikkingen van de dood zijn op mij gevallen. 6. Angst en beven overvallen mij. Ik huiver over mijn hele lichaam. 7. Zodat ik zeg: Had ik maar vleugels als een duif! Dan zou ik wegvliegen en ergens rust vinden. 8. Kijk, ik zou ver weg zwerven. Ik zou overnachten in de woestijn. Sela. 9. Ik zou mij haasten naar een schuilplaats, weg van de wilde wind en de storm. 10. Verwar hen, HEERE, en verdeel hun tongen. Want ik zie geweld en ruzie in de stad. 11. Dag en nacht gaan ze rond over haar muren. Onrecht en ellende zitten binnen in haar. 12. Verderf is binnen in haar. List en bedrog gaan niet weg van haar plein. 13. Het is geen vijand die mij hoont, dat had ik kunnen dragen. Het is niet iemand die mij haat die groot doet tegen mij, dan had ik mij verborgen. 14. Maar jij bent het, een mens als ik, mijn vertrouweling, mijn goede bekende. 15. Wij hadden samen fijne gesprekken. Wij liepen in de stoet naar het huis van God. 16. Laat de dood hen overvallen. Laat ze levend in het dodenrijk afdalen. Want het kwaad woont bij hen, diep vanbinnen. 17. Maar ik zal tot God roepen. En de HEERE zal mij redden. 18. 's Avonds, 's morgens en 's middags zal ik klagen en kreunen. En Hij zal mijn stem horen. 19. Hij heeft mij in vrede bevrijd uit de strijd tegen mij. Want ze stonden met velen tegenover mij. 20. God zal horen en hun antwoorden, Hij die van oudsher op de troon zit. Sela. Want zij veranderen niet en hebben geen ontzag voor God. 21. Hij sloeg zijn hand aan wie in vrede met hem leefden. Hij brak zijn afspraak. 22. Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart wil strijd. Zijn woorden zijn zachter dan olie, en toch zijn het getrokken zwaarden. 23. Leg je zorg bij de HEERE neer, dan zal Hij je dragen. Hij laat nooit toe dat de rechtvaardige wankelt. 24. Maar U, o God, zult hen in de put van het verderf laten zakken. Mannen van bloed en bedrog halen niet de helft van hun dagen. Ik echter zal op U vertrouwen. ## Psalmen 56 — Op God vertrouw ik, ik ben niet bang 1. Een gouden lied van David, voor de koorleider, op de wijs van De duif van de verre bomen. Van toen de Filistijnen hem in Gat hadden gegrepen. 2. Wees mij genadig, o God, want mensen willen mij verslinden. De hele dag verdrukt mijn belager mij. 3. Mijn belagers willen mij de hele dag verslinden. Want ik heb er veel die tegen mij vechten, Allerhoogste. 4. Op de dag dat ik bang ben, zal ik op U vertrouwen. 5. Bij God prijs ik Zijn woord. Op God vertrouw ik, ik ben niet bang. Wat kan een mens mij doen? 6. De hele dag verdraaien ze mijn woorden. Al hun gedachten over mij zijn slecht. 7. Ze scholen samen en verstoppen zich. Ze letten op mijn stappen, want ze willen mij doden. 8. Zouden ze na zoveel onrecht vrijuit gaan? Sla de volken neer in Uw woede, o God. 9. U hebt mijn omzwervingen geteld. Vang mijn tranen op in Uw kruik. Staan ze niet in Uw boek? 10. Mijn vijanden zullen terugdeinzen op de dag dat ik roep. Dit weet ik: God is met mij. 11. Bij God prijs ik Zijn woord. Bij de HEERE prijs ik Zijn woord. 12. Op God vertrouw ik, ik ben niet bang. Wat kan een mens mij doen? 13. O God, wat ik U beloofde zal ik nakomen. Ik zal U dankoffers brengen. 14. Want U hebt mij van de dood gered. U hebt mijn voeten voor struikelen behoed. Zo mag ik voor Gods gezicht wandelen in het licht van de levenden. ## Psalmen 57 — In de schaduw van Uw vleugels 1. Een gouden lied van David, voor de koorleider, op de wijs van Verderf niet, van toen hij voor Saul in de grot vluchtte. 2. Wees mij genadig, o God, wees mij genadig. Want bij U schuil ik. In de schaduw van Uw vleugels schuil ik, tot het gevaar voorbij is. 3. Ik roep tot God, de Allerhoogste, tot God die alles voor mij afmaakt. 4. Hij zal uit de hemel hulp sturen en mij redden. Hij maakt te schande wie mij wil verslinden. Sela. God zal Zijn trouw en Zijn waarheid sturen. 5. Ik lig tussen leeuwen, tussen mensen die vuur spuwen. Hun tanden zijn speren en pijlen, hun tong is een scherp zwaard. 6. Verhef U boven de hemel, o God. Laat Uw eer over de hele aarde gaan. 7. Ze spanden een net voor mijn voeten. Ik ging gebukt. Ze groeven een kuil voor mij en vielen er zelf in. Sela. 8. Mijn hart is gereed, o God, mijn hart is gereed. Ik zal zingen en spelen. 9. Word wakker, mijn ziel. Word wakker, luit en harp. Ik wil de dageraad wekken. 10. Ik zal U prijzen onder de volken, Heere. Ik zal voor U zingen onder de naties. 11. Want Uw trouw is groot tot aan de hemel, Uw waarheid tot aan de wolken. 12. Verhef U boven de hemel, o God. Laat Uw eer over de hele aarde gaan. ## Psalmen 58 — Er is een God die op aarde recht doet 1. Een gouden lied van David, voor de koorleider, op de wijs van Verderf niet. 2. Spreken jullie werkelijk recht, machthebbers? Oordelen jullie eerlijk, mensen? 3. Nee, in jullie hart bedenken jullie onrecht. Met jullie handen wegen jullie geweld af op aarde. 4. Wie kwaad doen, gaan al hun eigen weg vanaf de geboorte. Wie leugens spreken, dwalen af vanaf de moederschoot. 5. Hun gif lijkt op het gif van een slang. Ze zijn als een dove adder die zijn oren dichtstopt, 6. zodat hij de stem van de bezweerder niet hoort, hoe kundig die ook is. 7. O God, breek de tanden in hun mond. Breek de kaken van die jonge leeuwen, HEERE. 8. Laat ze wegvloeien als water. Als iemand op hen mikt, laat zijn pijlen dan stomp zijn. 9. Laat hen verdwijnen als een slak die wegsmelt. Laat hen als een doodgeboren kind de zon nooit zien. 10. Nog voor jullie potten de doornstruik voelen, vaagt Hij hen weg, groen en al, in Zijn woede. 11. De rechtvaardige zal blij zijn als hij de vergelding ziet. Hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de slechte mens. 12. En de mensen zullen zeggen: Er is toch loon voor de rechtvaardige. Er is toch een God die op aarde recht doet. ## Psalmen 59 — Mijn God is mijn burcht 1. Een gouden lied van David, voor de koorleider, op de wijs van Verderf niet, van toen Saul zijn huis liet bewaken om hem te doden. 2. Red mij van mijn vijanden, mijn God. Zet mij hoog boven wie tegen mij opstaan. 3. Red mij van wie onrecht doen. Verlos mij van de mannen van bloed. 4. Want kijk, ze loeren op mijn leven. Sterke mannen scholen tegen mij samen. En dat zonder dat ik iets misdeed, HEERE. 5. Zonder mijn schuld komen ze aanrennen en maken zich klaar. Word wakker, kom mij tegemoet en zie. 6. U, HEERE, God van de legermachten, God van Israël, word wakker en straf al die volken. Wees niemand genadig die trouweloos onrecht doet. Sela. 7. Tegen de avond komen ze terug. Ze grommen als honden en sluipen rond de stad. 8. Kijk, hun mond stroomt over. Op hun lippen liggen zwaarden. Want wie hoort het toch? 9. Maar U, HEERE, lacht om hen. U spot met al die volken. 10. Mijn sterkte, op U zal ik wachten. Want God is mijn burcht. 11. Mijn trouwe God komt mij tegemoet. God laat mij neerkijken op mijn belagers. 12. Dood hen niet meteen, anders vergeet mijn volk het. Laat hen zwerven door Uw kracht en werp hen neer, Heere, ons schild. 13. Laat hen gevangen raken in hun eigen trots. Dat is om de zonde van hun mond en het woord op hun lippen, om de vloek en de leugen die zij vertellen. 14. Maak een eind aan hen in Uw woede. Maak een eind aan hen tot ze er niet meer zijn. Laat hen weten dat God heerst in Jakob, tot aan de einden van de aarde. Sela. 15. Laat ze dan tegen de avond maar terugkomen. Laat ze grommen als honden en rond de stad sluipen. 16. Laat ze maar zwerven op zoek naar eten. Laat ze de nacht doorbrengen zonder verzadigd te zijn. 17. Maar ik zal zingen over Uw kracht. 's Morgens zal ik juichen over Uw trouw. Want U was mijn burcht, een toevlucht op de dag dat ik bang was. 18. Voor U zal ik zingen, mijn sterkte. Want God is mijn burcht, mijn trouwe God. ## Psalmen 60 — Geef ons hulp uit de nood 1. Een gouden lied van David om van te leren, voor de koorleider, op de wijs van De lelie van de vermaning. 2. Van toen hij gevochten had tegen de Arameeërs van Mesopotamië en van Soba, en Joab terugkwam en twaalfduizend Edomieten versloeg in het Zoutdal. 3. O God, U hebt ons weggestoten en ons uiteengeslagen. U was boos. Kom weer naar ons terug. 4. U hebt het land laten schudden en opengespleten. Genees zijn scheuren, want het wankelt. 5. U hebt Uw volk harde dingen laten zien. U hebt ons wijn laten drinken die ons doet wankelen. 6. Maar nu hebt U wie ontzag voor U hebben een vlag gegeven, om die te hijsen voor de waarheid. Sela. 7. Zo worden zij bevrijd van wie U houdt. Red met Uw rechterhand en geef ons antwoord. 8. God heeft in Zijn heiligdom gesproken: Ik zal juichen als ik Sichem verdeel en het dal van Sukkot opmeet. 9. Gilead is van mij en Manasse is van mij. Efraïm is de helm op mijn hoofd, Juda is mijn scepter. 10. Moab is mijn waskom. Op Edom gooi ik mijn sandaal. Over Filistea juich ik het uit. 11. Wie brengt mij binnen de vestingstad? Wie leidt mij tot in Edom? 12. Bent U het niet, o God, die ons had weggestoten? U trok toch niet meer met onze legers mee? 13. Geef ons hulp uit de nood, want redding door mensen is niets waard. 14. Met God zullen wij dappere daden doen. Hij zal onze tegenstanders vertrappen. ## Psalmen 61 — Leid mij naar de rots die te hoog is 1. Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel. 2. O God, hoor mijn roepen. Let op mijn gebed. 3. Van het einde van de aarde roep ik tot U, terwijl mijn hart bezwijkt. Leid mij naar de rots die te hoog is voor mij. 4. Want U bent mijn toevlucht geweest, een sterke toren tegen de vijand. 5. Ik wil voor altijd in Uw tent wonen. Ik wil schuilen onder Uw vleugels. Sela. 6. Want U, o God, hebt gehoord wat ik beloofde. U hebt mij het erfdeel gegeven van wie ontzag voor Uw naam hebben. 7. U zult de dagen van de koning verlengen. Zijn jaren zullen duren van geslacht op geslacht. 8. Hij zal voor altijd voor Gods gezicht blijven zitten. Laat trouw en waarheid over hem waken. 9. Dan zal ik voor Uw naam zingen, altijd door, en elke dag doen wat ik beloofd heb. ## Psalmen 62 — Mijn ziel is stil bij God 1. Een psalm van David, voor de koorleider, over Jedutun. 2. Alleen bij God is mijn ziel stil. Van Hem komt mijn redding. 3. Alleen Hij is mijn rots en mijn redding, mijn burcht. Ik zal niet ernstig wankelen. 4. Hoe lang zullen jullie tegen een mens tekeergaan? Jullie worden allemaal neergeslagen, als een muur die overhelt, een wand die wegzakt. 5. Ze willen hem alleen maar van zijn hoogte stoten. Ze houden van leugens. Met hun mond zegenen ze, maar vanbinnen vervloeken ze. Sela. 6. Maar jij, mijn ziel, wees stil bij God. Want van Hem komt mijn verwachting. 7. Alleen Hij is mijn rots en mijn redding, mijn burcht. Ik zal niet wankelen. 8. Bij God ligt mijn redding en mijn eer. De rots van mijn kracht, mijn toevlucht, is God. 9. Vertrouw altijd op Hem, volk. Stort je hart bij Hem uit. God is voor ons een toevlucht. Sela. 10. Gewone mensen zijn maar een ademtocht, aanzienlijke mensen een leugen. Samen op de weegschaal wegen ze minder dan lucht. 11. Vertrouw niet op afpersing en verwacht niets van roof. Als je bezit groeit, zet je hart er dan niet op. 12. God heeft één ding gesproken, en twee dingen heb ik gehoord: De kracht is van God. 13. En bij U, Heere, is de trouw. Want U geeft ieder naar wat hij heeft gedaan. ## Psalmen 63 — Mijn ziel dorst naar U 1. Een psalm van David, van toen hij in de woestijn van Juda was. 2. O God, U bent mijn God. Ik zoek U bij het eerste licht. Mijn ziel dorst naar U. Mijn lichaam verlangt naar U, in een droog en dor land zonder water. 3. Zo heb ik U in het heiligdom gezien, en Uw kracht en Uw eer aanschouwd. 4. Want Uw trouw is beter dan het leven. Mijn lippen zullen U prijzen. 5. Zo zal ik U prijzen mijn leven lang. In Uw naam zal ik mijn handen opheffen. 6. Mijn ziel wordt verzadigd als aan een rijke maaltijd. Met juichende lippen zal mijn mond U loven. 7. Als ik op mijn bed aan U denk, blijf ik de hele nacht over U nadenken. 8. Want U bent mijn hulp geweest. In de schaduw van Uw vleugels zal ik juichen. 9. Mijn ziel houdt zich aan U vast. Uw rechterhand houdt mij overeind. 10. Maar wie mij naar het leven staan, zullen afdalen naar de diepte van de aarde. 11. Ze zullen vallen door het zwaard. Ze zullen een prooi worden voor de jakhalzen. 12. Maar de koning zal blij zijn om God. Ieder die bij Hem zweert zal juichen. Want de mond van de leugenaars wordt gesnoerd. ## Psalmen 64 — Verberg mij voor het geheime overleg 1. Een psalm van David, voor de koorleider. 2. Hoor mijn stem, o God, als ik klaag. Bescherm mijn leven tegen de dreiging van de vijand. 3. Verberg mij voor het geheime overleg van wie kwaad doen, voor het rumoer van wie onrecht plegen. 4. Ze slijpen hun tong als een zwaard. Ze leggen een bitter woord aan als een pijl. 5. Vanuit hun schuilplaats schieten ze op wie eerlijk is. Plotseling schieten ze en ze zijn nergens bang voor. 6. Ze sterken elkaar in een slechte zaak. Ze praten over het verbergen van vallen. Ze zeggen: Wie ziet ons? 7. Ze zoeken naar allerlei slinkse streken. Wat ze bedenken is doortrapt. Het binnenste van een mens is diep. 8. Maar God zal met een pijl op hen schieten. Ineens zijn hun wonden er. 9. Hun eigen tong doet hen struikelen. Iedereen die hen ziet, schudt zijn hoofd. 10. Alle mensen zullen ontzag krijgen. Ze zullen vertellen wat God gedaan heeft en begrijpen wat Zijn werk is. 11. De rechtvaardige zal blij zijn in de HEERE en bij Hem schuilen. Alle mensen met een eerlijk hart zullen juichen. ## Psalmen 65 — U kroont het jaar met Uw goedheid 1. Een psalm van David, een lied, voor de koorleider. 2. Voor U is de stilte een lofzang, o God, in Sion. Aan U zal men nakomen wat beloofd is. 3. U hoort het gebed. Tot U zal ieder mens komen. 4. Mijn schuld was mij te machtig. Maar onze overtredingen, die verzoent U. 5. Gelukkig is wie U uitkiest en dichtbij laat komen, om in Uw voorhoven te wonen. Wij zullen genieten van het goede van Uw huis, het heilige van Uw tempel. 6. Met ontzagwekkende daden antwoordt U ons in gerechtigheid, God die ons redt. U bent het vertrouwen van de hele aarde en van de verste zeeën. 7. U zet de bergen vast door Uw kracht. U bent omgord met macht. 8. U brengt het bruisen van de zeeën tot rust, het bruisen van hun golven en het tumult van de volken. 9. Wie aan de einden van de aarde wonen, staan versteld van Uw tekenen. De uitgang van de morgen en de avond laat U juichen. 10. U bezoekt het land en geeft het overvloed. U maakt het rijk. De beek van God staat vol water. Zo maakt U hun koren gereed. 11. U drenkt de voren en maakt de kluiten vlak. Met regen maakt U de grond zacht. U zegent wat er opkomt. 12. U kroont het jaar met Uw goedheid. Waar Uw wagen gaat, druipt het van overvloed. 13. De weiden in de woestijn druipen ervan. De heuvels omgorden zich met vreugde. 14. De velden zijn bekleed met kudden. De dalen liggen vol koren. Ze juichen, ze zingen. ## Psalmen 66 — Kom en kijk naar de daden van God 1. Een lied, een psalm, voor de koorleider. Juich voor God, hele aarde. 2. Zing over de eer van Zijn naam. Geef Hem de lof die Hem toekomt. 3. Zeg tegen God: Wat bent U ontzagwekkend in Uw werken. Om Uw grote kracht buigen Uw vijanden zich voor U. 4. Laat de hele aarde voor U buigen en voor U zingen. Laat haar zingen over Uw naam. Sela. 5. Kom en kijk naar de daden van God. Ontzagwekkend is wat Hij onder de mensen doet. 6. Hij veranderde de zee in droog land. Te voet trokken ze door de rivier. Daar waren wij blij om Hem. 7. Hij heerst voor altijd met Zijn macht. Zijn ogen houden de volken in het oog. Laat wie opstandig zijn zich niet verheffen. Sela. 8. Prijs onze God, volken. Laat Zijn lof luid klinken. 9. Hij houdt ons in leven en laat onze voet niet wankelen. 10. Want U hebt ons getoetst, o God. U hebt ons gelouterd zoals men zilver loutert. 11. U bracht ons in een net. U legde een zware last op onze rug. 12. U liet mensen over ons hoofd rijden. Wij kwamen door vuur en water. Maar U bracht ons naar de overvloed. 13. Ik zal met offers Uw huis binnengaan. Ik zal U geven wat ik beloofd heb. 14. Wat mijn lippen hebben gezegd en mijn mond heeft uitgesproken toen ik in nood was. 15. Vette dieren zal ik U offeren, met de geur van rammen. Ik zal runderen met bokken klaarmaken. Sela. 16. Kom en luister, allen die ontzag voor God hebben. Ik zal vertellen wat Hij voor mij gedaan heeft. 17. Met mijn mond riep ik Hem aan. Onder mijn tong lag al een lied van lof. 18. Had ik onrecht in mijn hart gezien, dan zou de Heere niet geluisterd hebben. 19. Maar God heeft echt geluisterd. Hij heeft gelet op mijn gebed. 20. Geprezen is God. Hij heeft mijn gebed niet afgewezen en Zijn trouw niet van mij weggenomen. ## Psalmen 67 — Laat de volken U prijzen 1. Een psalm, een lied, voor de koorleider, bij snarenspel. 2. God zij ons genadig en zegene ons. Laat Hij Zijn gezicht over ons doen lichten. Sela. 3. Zo wordt op aarde Uw weg bekend, onder alle volken Uw redding. 4. Laat de volken U prijzen, o God. Laat alle volken U prijzen. 5. De naties zullen blij zijn en juichen. Want U oordeelt de volken eerlijk. U leidt de naties op aarde. Sela. 6. Laat de volken U prijzen, o God. Laat alle volken U prijzen. 7. De aarde geeft haar oogst. God, onze God, zal ons zegenen. 8. God zal ons zegenen. En alle einden van de aarde zullen ontzag voor Hem hebben. ## Psalmen 68 — God staat op en Zijn vijanden stuiven uiteen 1. Een psalm, een lied van David, voor de koorleider. 2. God staat op en Zijn vijanden stuiven uiteen. Wie Hem haten, vluchten voor Zijn gezicht weg. 3. U verdrijft hen zoals rook verwaait. Zoals was smelt voor het vuur, zo vergaan de slechte mensen voor Gods gezicht. 4. Maar de rechtvaardigen zullen blij zijn. Ze zullen opspringen voor Gods gezicht en juichen van vreugde. 5. Zing voor God, zing over Zijn naam. Maak de weg vrij voor Hem die door de vlakte rijdt. HEERE is Zijn naam. Juich voor Zijn gezicht. 6. Hij is een vader van de wezen en een rechter voor de weduwen. Zo is God in Zijn heilige woning. 7. God geeft de eenzamen een huis. Hij leidt gevangenen uit naar voorspoed. Maar wie opstandig zijn, wonen op dorre grond. 8. O God, toen U voor Uw volk uit trok, toen U door de woestijn schreed, Sela, 9. beefde de aarde en druppelde de hemel voor Gods gezicht. Zelfs de Sinaï beefde voor God, de God van Israël. 10. U liet een milde regen vallen, o God. Uw uitgeput erfdeel maakte U weer sterk. 11. Uw kudde ging er wonen. In Uw goedheid zorgde U voor de arme, o God. 12. De HEERE gaf het woord. Groot was de schare vrouwen die het goede nieuws bracht. 13. De koningen van de legers vluchtten weg, zij vluchtten weg. En wie thuisbleef, verdeelde de buit. 14. Al lagen jullie tussen de schaapskooien, jullie worden als vleugels van een duif, bedekt met zilver, met veren van geel goud. 15. Toen de Almachtige de koningen verstrooide, viel er sneeuw op de Salmon. 16. De berg van Basan is een machtige berg. De berg van Basan is een berg met veel toppen. 17. Waarom kijken jullie jaloers, bergen met veel toppen? Dit is de berg die God wilde als woning. Ja, hier zal de HEERE voor altijd wonen. 18. De wagens van God zijn ontelbaar, duizenden bij duizenden. De Heere is in hun midden, in heiligheid, als op de Sinaï. 19. U bent omhooggegaan. U hebt gevangenen meegevoerd. U hebt gaven aangenomen om onder de mensen uit te delen. Zelfs opstandigen mogen bij U wonen, HEERE God. 20. Geprezen is de Heere. Dag aan dag draagt Hij ons. Die God is onze redding. Sela. 21. Die God is voor ons een God die echt redt. Bij de HEERE, onze Heere, is een uitweg uit de dood. 22. Ja, God zal de kop van Zijn vijanden verbrijzelen, de harige schedel van wie in zijn schuld blijft lopen. 23. De Heere heeft gezegd: Ik zal hen terughalen uit Basan. Ik zal hen terughalen uit de diepten van de zee. 24. Zo zul je je voet zetten in het bloed van de vijand. En je honden krijgen hun deel. 25. O God, ze hebben Uw stoet gezien, de stoet van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom. 26. Voorop gingen de zangers, daarachter de muzikanten. Daartussen liepen de meisjes met de tamboerijn. 27. Prijs God in de samenkomsten. Prijs de Heere, jullie die uit de bron van Israël komen. 28. Daar is Benjamin, de kleinste, die over hen heerst. Daar zijn de vorsten van Juda met hun stoet, de vorsten van Zebulon en Naftali. 29. Uw God heeft u kracht opgedragen. Wees sterk, o God, in wat U voor ons gedaan hebt. 30. Om Uw tempel in Jeruzalem zullen koningen U geschenken brengen. 31. Bestraf het wilde dier in het riet, de kudde stieren met de kalveren van de volken. Vertrap wie op zilver uit is. Verstrooi de volken die van oorlog houden. 32. Uit Egypte zullen gezanten komen. Nubië zal zich haasten om zijn handen naar God uit te strekken. 33. Zing voor God, koninkrijken van de aarde. Zing voor de Heere. Sela. 34. Zing voor Hem die rijdt door de hoogste hemel, die er is van oudsher. Kijk, Hij laat Zijn stem horen, een machtige stem. 35. Geef God de eer van de macht. Zijn hoogheid is over Israël, Zijn kracht in de wolken. 36. Ontzagwekkend bent U, o God, vanuit Uw heiligdom. De God van Israël geeft Zijn volk kracht en sterkte. Geprezen is God. ## Psalmen 69 — Het water staat mij aan de lippen 1. Een psalm van David, voor de koorleider, op de wijs van De lelies. 2. Red mij, o God. Want het water staat mij aan de lippen. 3. Ik zak weg in diepe modder, er is geen vaste grond. Ik ben in diep water gekomen en de stroom sleurt mij mee. 4. Ik ben moe van het roepen, mijn keel is schor. Mijn ogen zijn moe van het wachten op mijn God. 5. Wie mij zonder reden haten, zijn talrijker dan de haren op mijn hoofd. Machtig zijn mijn vijanden die mij zonder grond willen vernietigen. Wat ik niet gestolen heb, moet ik teruggeven. 6. O God, U kent mijn dwaasheid. Mijn schulden zijn voor U niet verborgen. 7. Laat door mij niet beschaamd staan wie op U hopen, Heere, HEERE van de legermachten. Laat door mij niet te schande worden wie U zoeken, God van Israël. 8. Want om U word ik uitgescholden. Schaamte bedekt mijn gezicht. 9. Ik ben een vreemde geworden voor mijn broers, onbekend voor de kinderen van mijn moeder. 10. Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd. De schimpwoorden van wie U honen, zijn op mij gevallen. 11. Ik huilde en vastte, en zelfs dat werd mij nagedragen. 12. Ik trok rouwkleren aan, en ik werd een spotnaam voor hen. 13. Wie in de poort zitten, praten over mij. Ik ben een spotlied voor wie sterke drank drinken. 14. Maar mijn gebed is tot U, HEERE. Er komt een tijd van Uw goedheid, o God. Antwoord mij in Uw grote trouw, want Uw redding is betrouwbaar. 15. Trek mij uit het slijk, laat mij niet wegzakken. Laat mij gered worden van wie mij haten en uit het diepe water. 16. Laat de stroom mij niet overspoelen. Laat de diepte mij niet verslinden. Laat de put zijn mond niet boven mij sluiten. 17. Antwoord mij, HEERE, want Uw trouw is goed. Kijk naar mij om, want U bent vol erbarmen. 18. Verberg Uw gezicht niet voor Uw dienaar, want ik zit in het nauw. Antwoord mij snel. 19. Kom dicht bij mij en koop mij vrij. Verlos mij, want mijn vijanden kijken toe. 20. U kent mijn smaad, mijn schaamte en mijn schande. Al mijn belagers staan voor U. 21. De smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben er ziek van. Ik wachtte op medelijden, maar er kwam niets. Ik zocht troosters, maar ik vond ze niet. 22. Ze gaven mij gif te eten. In mijn dorst gaven ze mij azijn te drinken. 23. Laat hun tafel voor hen een val worden. Laat hun feest een strik zijn. 24. Laat hun ogen donker worden, zodat ze niets zien. Laat hun heupen steeds beven. 25. Stort Uw woede over hen uit. Laat Uw brandende toorn hen inhalen. 26. Laat hun kamp verwoest worden. Laat er niemand meer wonen in hun tenten. 27. Want ze vervolgen wie U geslagen hebt. Ze praten na over de pijn van wie U verwondde. 28. Reken hun schuld op schuld aan. Laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid. 29. Laat hen uit het boek van het leven gewist worden. Laat hen niet bij de rechtvaardigen staan. 30. Maar ik ben arm en vol pijn. Uw redding, o God, zal mij veilig zetten. 31. Ik zal Gods naam prijzen met een lied. Ik zal Hem groot maken met een danklied. 32. Dat zal de HEERE beter bevallen dan een os, dan een stier met hoorns en hoeven. 33. Wie klein zijn, zullen het zien en blij zijn. Jullie die God zoeken, jullie hart zal opleven. 34. Want de HEERE luistert naar wie arm zijn. Zijn gevangenen veracht Hij niet. 35. Laten hemel en aarde Hem prijzen, de zeeën en alles wat daarin wemelt. 36. Want God zal Sion redden en de steden van Juda bouwen. Daar zullen zij wonen en het land bezitten. 37. De kinderen van Zijn dienaren zullen het erven. Wie van Zijn naam houden, zullen er wonen. ## Psalmen 70 — Kom mij snel te hulp 1. Een psalm van David, voor de koorleider, om te blijven gedenken. 2. Haast U, o God, om mij te redden. HEERE, kom mij snel te hulp. 3. Laat hen beschaamd en rood staan die mij naar het leven staan. Laat hen terugdeinzen en te schande worden die blij zijn met mijn ongeluk. 4. Laat hen verstijven van schaamte die zeggen: Ha, ha! 5. Laat blij en vrolijk zijn in U allen die U zoeken. Laat wie van Uw redding houden altijd zeggen: Groot is God! 6. Maar ik ben arm en behoeftig. Kom snel bij mij, o God. U bent mijn hulp en mijn bevrijder. HEERE, wacht niet te lang. ## Psalmen 71 — Verlaat mij niet als ik oud ben 1. Bij U, HEERE, schuil ik. Laat mij nooit beschaamd staan. 2. Red mij en bevrijd mij, want U doet recht. Luister naar mij en verlos mij. 3. Wees voor mij een rots om in te wonen, waar ik altijd heen kan gaan. U hebt bevel gegeven mij te redden, want U bent mijn rots en mijn burcht. 4. Mijn God, bevrijd mij uit de greep van de slechte mens, uit de hand van wie onrecht doet en geweld pleegt. 5. Want U bent mijn verwachting, Heere, HEERE. Op U vertrouw ik van jongs af aan. 6. Op U heb ik gesteund vanaf mijn geboorte. Vanaf de moederschoot bent U mijn helper. Over U gaat mijn lied altijd door. 7. Voor velen ben ik een raadsel geweest. Maar U bent mijn sterke toevlucht. 8. Laat mijn mond vol zijn van Uw lof, de hele dag van Uw luister. 9. Werp mij niet weg als ik oud ben. Verlaat mij niet als mijn kracht opraakt. 10. Want mijn vijanden praten over mij. Wie op mij loeren, overleggen samen. 11. Ze zeggen: God heeft hem verlaten. Jaag hem na en grijp hem, want er is niemand die redt. 12. O God, blijf niet ver van mij. Mijn God, kom mij snel te hulp. 13. Laat beschaamd en verteerd worden wie mij aanklagen. Laat bedekt worden met smaad en schande wie mijn ongeluk zoeken. 14. Maar ik zal altijd blijven hopen. Ik zal Uw lof steeds groter maken. 15. Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, de hele dag Uw redding. Ik weet niet eens hoeveel het er zijn. 16. Ik zal komen met de machtige daden van de Heere HEERE. Ik zal Uw gerechtigheid noemen, die van U alleen. 17. O God, U hebt mij geleerd van jongs af aan. Tot nu toe vertel ik Uw wonderen. 18. Verlaat mij ook niet nu ik oud en grijs ben, o God. Laat mij Uw arm bekendmaken aan dit geslacht, Uw macht aan wie nog komen. 19. Uw gerechtigheid, o God, reikt tot de hoogte. U hebt grote dingen gedaan. O God, wie is als U? 20. U hebt mij veel nood en kwaad laten zien. U zult mij weer levend maken. U zult mij weer omhoog halen uit de diepten van de aarde. 21. U zult mij weer aanzien geven. U zult mij opnieuw troosten. 22. Ik zal U prijzen bij de luit om Uw trouw, mijn God. Ik zal voor U zingen bij de harp, Heilige van Israël. 23. Mijn lippen zullen juichen als ik voor U zing, en ook mijn ziel, die U hebt vrijgekocht. 24. Ook mijn tong zal de hele dag Uw gerechtigheid vertellen. Want ze staan beschaamd en rood, die mijn ongeluk zochten. ## Psalmen 72 — Geef de koning Uw recht 1. Voor Salomo. O God, geef de koning Uw recht. Geef de zoon van de koning Uw gerechtigheid. 2. Dan zal hij Uw volk eerlijk besturen en Uw armen met recht. 3. De bergen zullen vrede dragen voor het volk, de heuvels gerechtigheid. 4. Hij zal recht doen aan de armen van het volk. Hij zal de kinderen van de behoeftige redden en de onderdrukker verbrijzelen. 5. Ze zullen ontzag voor U hebben zolang de zon en de maan er zijn, van geslacht op geslacht. 6. Hij zal neerdalen als regen op een pas gemaaid veld, als buien die de aarde drenken. 7. In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien. Er zal veel vrede zijn, zolang de maan er is. 8. Hij zal heersen van zee tot zee, van de rivier tot aan de einden van de aarde. 9. Wie in de woestijn wonen, zullen voor hem knielen. Zijn vijanden zullen het stof likken. 10. De koningen van Tarsis en de eilanden zullen geschenken brengen. De koningen van Seba en Saba zullen schatting betalen. 11. Ja, alle koningen zullen voor hem buigen. Alle volken zullen hem dienen. 12. Want hij redt de behoeftige die roept, de arme die geen helper heeft. 13. Hij zal het opnemen voor de zwakke en de arme. Hij zal het leven van de armen redden. 14. Hij zal hen bevrijden van list en geweld. Hun bloed zal kostbaar zijn in zijn ogen. 15. Lang zal hij leven. Men zal hem goud uit Seba geven. Men zal altijd voor hem bidden en hem de hele dag zegenen. 16. Laat er overvloed van koren zijn in het land, tot op de toppen van de bergen. Laat de opbrengst ruisen als de Libanon. Laat de stad bloeien als het gras op het veld. 17. Zijn naam zal blijven voor altijd. Zolang de zon er is, zal zijn naam voortleven. Alle volken zullen in hem gezegend worden en hem gelukkig prijzen. 18. Geprezen is de HEERE God, de God van Israël. Hij alleen doet wonderen. 19. En geprezen is Zijn luisterrijke naam voor altijd. Laat de hele aarde vol worden van Zijn luister. Amen, ja, amen. 20. Hier eindigen de gebeden van David, de zoon van Isaï. ## Psalmen 73 — Bijna gleden mijn voeten uit 1. Een psalm van Asaf. God is echt goed voor Israël, voor wie zuiver van hart zijn. 2. Maar ik, bijna gleden mijn voeten uit. Het scheelde weinig of mijn stappen schoten weg. 3. Want ik was jaloers op de opscheppers. Ik zag hoe goed het slechte mensen ging. 4. Ze lijden geen pijn tot aan hun dood. Hun lichaam is gezond en sterk. 5. Ze hebben geen moeite zoals andere mensen. Ze worden niet geplaagd zoals ieder ander. 6. Daarom hangt de trots om hen als een ketting. Het geweld bedekt hen als een mantel. 7. Hun ogen puilen uit van het vet. Hun hart loopt over van waanbeelden. 8. Ze spotten en spreken boosaardig over onderdrukking. Ze praten uit de hoogte. 9. Ze zetten hun mond op tegen de hemel. Hun tong gaat rond over de aarde. 10. Daarom loopt zelfs Zijn volk achter hen aan en drinkt hun woorden in als water. 11. Ze zeggen: Hoe zou God het weten? Zou de Allerhoogste er weet van hebben? 12. Kijk, zo zijn die slechte mensen. Altijd zorgeloos worden ze rijker en rijker. 13. Dus hield ik voor niets mijn hart zuiver en waste ik mijn handen in onschuld. 14. Want ik werd de hele dag geplaagd. Elke morgen kreeg ik mijn straf. 15. Als ik zou zeggen: Ik zal net zo praten, dan zou ik Uw kinderen verraden. 16. Ik dacht na om dit te begrijpen. Maar het was te zwaar voor mijn ogen, 17. totdat ik in Gods heiligdom kwam en zag hoe het met hen afloopt. 18. U zet hen op glad ijs. U laat hen vallen tot puin. 19. Hoe plotseling worden ze verwoest. Ze komen aan hun eind en worden weggevaagd door schrik. 20. Als een droom na het ontwaken. Als U opstaat, Heere, veegt U hun schim weg. 21. Toen mijn hart verbitterd was en het stak diep vanbinnen, 22. toen was ik dom en wist ik niets. Ik was als een redeloos dier bij U. 23. Toch blijf ik altijd bij U. U hebt mijn rechterhand vastgepakt. 24. U zult mij leiden door Uw raad. En daarna zult U mij in luister opnemen. 25. Wie heb ik in de hemel behalve U? Naast U verlang ik niets op aarde. 26. Al bezwijken mijn lichaam en mijn hart, God is de rots van mijn hart en mijn deel voor altijd. 27. Want kijk, wie ver van U zijn, gaan verloren. U maakt een eind aan ieder die U ontrouw is. 28. Maar voor mij is het goed om dicht bij God te zijn. Bij de Heere HEERE schuil ik, om al Uw daden te vertellen. ## Psalmen 74 — Waarom stoot U ons voorgoed weg? 1. Een lied om van te leren, van Asaf. O God, waarom stoot U ons voorgoed weg? Waarom rookt Uw woede tegen de schapen van Uw weide? 2. Denk aan Uw volk dat U lang geleden verwierf, aan de stam die U vrijkocht als Uw erfdeel, aan de berg Sion waar U woonde. 3. Richt Uw stappen naar deze eeuwige puinhopen. De vijand heeft alles in het heiligdom verwoest. 4. Uw tegenstanders brulden midden in Uw plaats van samenkomst. Ze zetten hun eigen tekens neer. 5. Het leek alsof ze met bijlen omhoog gingen in een dicht bos. 6. Zo sloegen ze het houtsnijwerk aan stukken met bijl en hamer. 7. Ze staken Uw heiligdom in brand. Tot op de grond ontwijdden ze de woning van Uw naam. 8. Ze zeiden bij zichzelf: Wij zullen ze allemaal uitroeien. Ze verbrandden alle plaatsen in het land waar men bij God samenkwam. 9. Wij zien onze tekenen niet meer. Er is geen profeet meer. Niemand bij ons weet hoe lang dit nog duurt. 10. Hoe lang, o God, zal de tegenstander nog honen? Zal de vijand Uw naam voor altijd lasteren? 11. Waarom trekt U Uw hand terug, Uw rechterhand? Haal hem uit Uw mantel en maak er een eind aan. 12. Toch bent U, God, mijn Koning van oudsher. U brengt redding midden op de aarde. 13. U hebt door Uw kracht de zee gespleten. U hebt de koppen van de zeemonsters verbrijzeld. 14. U hebt de koppen van Leviatan verpletterd. U gaf hem als voedsel aan de dieren van de woestijn. 15. U hebt bron en beek laten openbreken. U hebt machtige rivieren drooggelegd. 16. Van U is de dag, van U is ook de nacht. U hebt het licht en de zon gemaakt. 17. U hebt alle grenzen van de aarde vastgesteld. Zomer en winter hebt U gevormd. 18. Denk hieraan: de vijand hoonde de HEERE, een dwaas volk lasterde Uw naam. 19. Geef het leven van Uw duif niet prijs aan de wilde dieren. Vergeet het leven van Uw armen niet voorgoed. 20. Denk aan het verbond. Want de donkere hoeken van het land zitten vol met holen van geweld. 21. Laat wie verdrukt wordt niet beschaamd terugkeren. Laat de arme en behoeftige Uw naam prijzen. 22. Sta op, o God, en voer Uw zaak. Denk aan de smaad die de dwaas U de hele dag aandoet. 23. Vergeet het geschreeuw van Uw tegenstanders niet. Het lawaai van wie tegen U opstaan wordt steeds luider. ## Psalmen 75 — God is de rechter 1. Voor de koorleider, op de wijs van Verderf niet, een psalm, een lied van Asaf. 2. Wij prijzen U, o God, wij prijzen U. Uw naam is dichtbij. Men vertelt van Uw wonderen. 3. God zegt: Ik kies het juiste moment. Dan zal ik eerlijk oordelen. 4. De aarde beeft met al haar bewoners. Maar ik houd haar zuilen stevig vast. Sela. 5. Ik zeg tegen de opscheppers: Schep niet op. En tegen wie kwaad doen: steek je hoorn niet omhoog. 6. Steek je hoorn niet omhoog naar de hemel. Spreek niet met een stijve nek. 7. Want de verhoging komt niet uit het oosten of het westen, en ook niet uit de woestijn. 8. Nee, God is de rechter. Hij vernedert de een en verhoogt de ander. 9. Want in de hand van de HEERE is een beker met schuimende, gekruide wijn. Daaruit schenkt Hij. Alle slechte mensen op aarde zullen hem leegdrinken tot de laatste droesem. 10. Maar ik zal het voor altijd vertellen. Ik zal zingen voor de God van Jakob. 11. Hij zal alle hoorns van de slechte mensen afhakken. De hoorns van de rechtvaardige worden opgeheven. ## Psalmen 76 — Ontzagwekkend bent U 1. Een psalm, een lied van Asaf, voor de koorleider, bij snarenspel. 2. God is bekend in Juda. Zijn naam is groot in Israël. 3. In Salem staat Zijn tent, Zijn woning is in Sion. 4. Daar brak Hij de vurige pijlen van de boog, het schild, het zwaard en de oorlog. Sela. 5. Stralend bent U, machtiger dan de bergen vol buit. 6. De dappersten werden beroofd. Ze zonken weg in hun slaap. Geen van de sterke mannen kon nog een hand oplichten. 7. Door Uw dreigen, God van Jakob, vielen wagen en paard in slaap. 8. Ontzagwekkend bent U. Wie houdt stand voor U als Uw woede komt? 9. U liet vanuit de hemel een oordeel horen. De aarde werd bang en zweeg, 10. toen God opstond om recht te doen, om alle armen van de aarde te redden. Sela. 11. Zelfs de woede van mensen zal U eren. Wat er aan woede overblijft, bindt U vast. 12. Doe geloften aan de HEERE, uw God, en kom ze na, jullie allemaal die om Hem heen staan. Laat hen geschenken brengen aan Hem voor wie men ontzag heeft. 13. Hij snijdt de adem van de vorsten af. Voor de koningen van de aarde is Hij ontzagwekkend. ## Psalmen 77 — Ik denk aan de daden van de HEERE 1. Een psalm van Asaf, voor de koorleider, over Jedutun. 2. Mijn stem gaat naar God en ik roep. Mijn stem gaat naar God en Hij zal naar mij luisteren. 3. Op de dag van mijn nood zocht ik de HEERE. 's Nachts strekte ik mijn hand uit en liet niet af. Mijn ziel weigerde troost. 4. Dacht ik aan God, dan kreunde ik. Peinsde ik, dan bezweek mijn geest. Sela. 5. U hield mijn ogen open. Ik was verslagen en kon niets zeggen. 6. Ik dacht terug aan de dagen van vroeger, aan de jaren van lang geleden. 7. 's Nachts dacht ik aan mijn lied. Ik overlegde in mijn hart en mijn geest zocht verder. 8. Zal de Heere ons voor altijd wegstoten? Zal Hij nooit meer goed voor ons zijn? 9. Is Zijn trouw voorgoed voorbij? Is het gedaan met Zijn belofte, van geslacht op geslacht? 10. Is God vergeten genadig te zijn? Heeft Zijn woede Zijn erbarmen dichtgedaan? Sela. 11. Toen zei ik: Dit doet mij pijn. Maar de rechterhand van de Allerhoogste kan het keren. 12. Ik zal denken aan de daden van de HEERE. Ja, ik zal denken aan Uw wonderen van vroeger. 13. Ik zal al Uw werk overdenken en over Uw daden spreken. 14. O God, Uw weg is heilig. Welke god is zo groot als onze God? 15. U bent de God die wonderen doet. U hebt Uw kracht laten zien onder de volken. 16. Met Uw arm hebt U Uw volk vrijgekocht, de kinderen van Jakob en Jozef. Sela. 17. Het water zag U, o God. Het water zag U en beefde. Zelfs de diepten sidderden. 18. De wolken goten water uit. De hemel liet zijn stem horen. Uw pijlen vlogen heen en weer. 19. Uw donder rolde rond. De bliksem verlichtte de wereld. De aarde sidderde en beefde. 20. Uw weg ging door de zee, Uw pad door het grote water. En toch werden Uw voetstappen niet gezien. 21. U leidde Uw volk als een kudde, door de hand van Mozes en Aäron. ## Psalmen 78 — Wij vertellen het aan de kinderen 1. Een lied van Asaf om van te leren. Luister, mijn volk, naar mijn onderricht. Spits je oren voor de woorden van mijn mond. 2. Ik zal mijn mond opendoen met spreuken. Ik zal raadsels van vroeger naar buiten brengen. 3. Wat wij gehoord hebben en weten, wat onze vaders ons verteld hebben, 4. dat verbergen wij niet voor hun kinderen. Wij vertellen aan het volgende geslacht over de roemrijke daden van de HEERE, over Zijn kracht en de wonderen die Hij deed. 5. Want Hij richtte een getuigenis op in Jakob en gaf een wet in Israël. Hij gebood onze vaderen om het aan hun kinderen bekend te maken. 6. Zo zou het volgende geslacht het weten, de kinderen die nog geboren moesten worden. En zij zouden opstaan en het aan hun kinderen vertellen. 7. Dan zouden zij hun hoop op God stellen, Gods daden niet vergeten en Zijn geboden bewaren. 8. Dan zouden zij niet worden als hun vaderen, een koppig en opstandig geslacht. Dat was een geslacht dat zijn hart niet op God richtte en met zijn geest niet trouw was. 9. De zonen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd. 10. Zij hielden Gods verbond niet. Zij weigerden te leven naar Zijn wet. 11. Zij vergaten Zijn daden en de wonderen die Hij hun had laten zien. 12. Voor hun vaderen had Hij wonderen gedaan in Egypte, in de vlakte van Soan. 13. Hij spleet de zee en liet hen erdoor gaan. Hij liet het water staan als een dam. 14. Overdag leidde Hij hen met een wolk, en de hele nacht met een licht van vuur. 15. Hij spleet de rotsen in de woestijn en gaf hun overvloedig te drinken, als uit diepe wateren. 16. Want Hij liet stromen komen uit de rots. Hij liet het water neerdalen als rivieren. 17. Toch bleven zij tegen Hem zondigen. In het dorre land tergden zij de Allerhoogste. 18. Zij daagden God uit in hun hart en vroegen om eten waar ze zin in hadden. 19. Zij spraken tegen God. Ze zeiden: Kan God een tafel dekken in de woestijn? 20. Kijk, Hij sloeg op de rots en er stroomde water uit, beken kwamen naar buiten. Maar kan Hij ook brood geven? Kan Hij Zijn volk vlees bezorgen? 21. Daarom hoorde de HEERE het en werd Hij boos. Een vuur ontbrandde tegen Jakob en Zijn woede laaide op tegen Israël. 22. Want zij geloofden niet in God en vertrouwden niet op Zijn redding. 23. Toch gaf Hij bevel aan de wolken boven en opende Hij de deuren van de hemel. 24. Hij liet manna op hen regenen om te eten. Hij gaf hun koren uit de hemel. 25. Ieder at het brood van de engelen. Hij stuurde hun voedsel in overvloed. 26. Hij liet de oostenwind opsteken aan de hemel. Door Zijn kracht dreef Hij de zuidenwind aan. 27. Hij liet vlees op hen regenen als stof, gevleugelde vogels als zand aan de zee. 28. Hij liet het vallen midden in hun kamp, rondom hun tenten. 29. Toen aten zij en werden meer dan verzadigd. Hij gaf hun waar ze zin in hadden. 30. Maar ze waren hun begeerte nog niet kwijt. Het eten zat nog in hun mond, 31. toen de woede van God tegen hen opkwam. Hij doodde de sterksten onder hen en velde de jonge mannen van Israël. 32. Ondanks dit alles zondigden zij door. Zij geloofden niet, ook al zagen ze Zijn wonderen. 33. Daarom liet Hij hun dagen vervliegen als een ademtocht en hun jaren in schrik. 34. Als Hij hen doodde, vroegen ze naar Hem. Ze keerden om en zochten God weer. 35. Dan dachten ze eraan dat God hun rots was, dat God, de Allerhoogste, hun bevrijder was. 36. Maar ze vleiden Hem met hun mond en logen tegen Hem met hun tong. 37. Want hun hart was niet trouw aan Hem. Ze waren niet betrouwbaar in Zijn verbond. 38. Maar Hij is barmhartig. Hij vergaf hun schuld en verwoestte hen niet. Vaak hield Hij Zijn woede in en liet Zijn toorn niet losbreken. 39. Hij bedacht dat zij maar mensen waren, een wind die weggaat en niet terugkomt. 40. Hoe vaak tergden zij Hem in de woestijn en deden zij Hem pijn in de wildernis. 41. Steeds opnieuw daagden zij God uit. Zij stelden de Heilige van Israël grenzen. 42. Zij dachten niet aan Zijn hand, aan de dag dat Hij hen van de vijand verloste. 43. Zij dachten niet aan Zijn tekenen in Egypte, aan Zijn wonderen in de vlakte van Soan. 44. Hij veranderde hun rivieren in bloed, ook hun beken, zodat ze niet konden drinken. 45. Hij stuurde steekvliegen op hen af die hen opvraten, en kikkers die hen te gronde richtten. 46. Hij gaf hun oogst aan de vraatzuchtige insecten, de vrucht van hun werk aan de sprinkhanen. 47. Hij vernielde hun wijnstokken met hagel en hun vijgenbomen met ijzel. 48. Hij gaf hun vee over aan de hagel en hun kudden aan de bliksem. 49. Hij stuurde Zijn brandende woede op hen af, verbolgenheid, woede en benauwdheid, een schare boden van onheil. 50. Hij baande een pad voor Zijn woede. Hij spaarde hun leven niet. Hun vee gaf Hij prijs aan de pest. 51. Hij sloeg alle oudste zonen in Egypte, de eerste kracht in de tenten van Cham. 52. Maar Zijn eigen volk leidde Hij weg als schapen. Als een kudde bracht Hij hen door de woestijn. 53. Hij leidde hen veilig, zodat zij niet bang waren. Maar de zee bedekte hun vijanden. 54. Hij bracht hen naar Zijn heilig gebied, naar deze berg die Zijn rechterhand verworven had. 55. Hij verdreef de volken voor hen uit. Hij verdeelde hun erfdeel met het meetsnoer en liet de stammen van Israël in hun tenten wonen. 56. Toch daagden zij God uit, de Allerhoogste, en tergden zij Hem. Zij hielden Zijn geboden niet. 57. Zij keerden terug en waren ontrouw, net als hun vaderen. Zij bleken onbetrouwbaar als een kromme boog. 58. Zij maakten Hem boos met hun offerhoogten. Zij tergden Hem met hun beelden. 59. God hoorde het en werd woedend. Hij wees Israël volledig af. 60. Daarom verliet Hij de tabernakel in Silo, de tent waarin Hij onder de mensen woonde. 61. Hij gaf Zijn sterkte over in gevangenschap, Zijn luister in de hand van de vijand. 62. Hij leverde Zijn volk over aan het zwaard. Hij was woedend op Zijn erfdeel. 63. Het vuur verteerde hun jonge mannen. Voor hun meisjes werd geen bruiloftslied gezongen. 64. Hun priesters vielen door het zwaard. Hun weduwen konden niet eens huilen. 65. Toen werd de Heere wakker als iemand die slaapt, als een held die zich oprichtte na de wijn. 66. Hij sloeg Zijn vijanden terug. Hij bezorgde hun een eeuwige schande. 67. Hij wees de tent van Jozef af. De stam Efraïm koos Hij niet. 68. Maar Hij koos de stam Juda, de berg Sion, waar Hij van hield. 69. Hij bouwde Zijn heiligdom hoog als de hemel, vast als de aarde die Hij voor altijd grondvestte. 70. Hij koos Zijn dienaar David en haalde hem weg bij de schaapskooien. 71. Vanachter de zogende schapen haalde Hij hem, om Jakob te weiden, Zijn volk, en Israël, Zijn erfdeel. 72. En hij weidde hen met een zuiver hart. Met kundige hand leidde hij hen. ## Psalmen 79 — Help ons, om de eer van Uw naam 1. Een psalm van Asaf. O God, vreemde volken zijn Uw erfdeel binnengedrongen. Ze hebben Uw heilige tempel bezoedeld. Ze hebben Jeruzalem tot een puinhoop gemaakt. 2. Ze gaven de lijken van Uw dienaren aan de vogels van de hemel. Het vlees van wie U trouw waren gaven ze aan de dieren van het land. 3. Ze vergoten hun bloed als water rondom Jeruzalem. En er was niemand die hen begroef. 4. Wij zijn een schande geworden voor onze buren, tot spot en hoon voor wie om ons heen wonen. 5. Hoe lang nog, HEERE? Blijft U voor altijd boos? Blijft Uw jaloezie branden als vuur? 6. Stort Uw woede uit over de volken die U niet kennen, over de koninkrijken die Uw naam niet aanroepen. 7. Want ze hebben Jakob verslonden en zijn mooie woning verwoest. 8. Reken ons de oude schuld niet aan. Kom ons snel tegemoet met Uw erbarmen, want wij zijn heel zwak geworden. 9. Help ons, God die ons redt, om de eer van Uw naam. Bevrijd ons en vergeef onze zonden, om Uw naam. 10. Waarom zouden de volken zeggen: Waar is hun God? Laat voor onze ogen onder de volken bekend worden dat U het bloed van Uw dienaren wreekt. 11. Laat het kreunen van de gevangenen bij U komen. Laat wie ten dode gedoemd zijn leven, door Uw sterke arm. 12. Geef onze buren zevenvoudig terug wat zij U hebben aangedaan, Heere. 13. Dan zullen wij, Uw volk en de schapen van Uw weide, U voor altijd prijzen. Van geslacht op geslacht zullen wij Uw lof vertellen. ## Psalmen 80 — Herder van Israël, breng ons terug 1. Voor de koorleider, op de wijs van De lelies, een getuigenis, een psalm van Asaf. 2. Herder van Israël, luister. U leidt Jozef als een kudde. U troont tussen de cherubs. Verschijn in Uw glans. 3. Wek Uw macht op voor Efraïm, Benjamin en Manasse. Kom ons redden. 4. O God, breng ons terug. Laat Uw gezicht over ons lichten, dan worden wij gered. 5. HEERE, God van de legermachten, hoe lang blijft U boos bij het gebed van Uw volk? 6. U geeft hun brood van tranen te eten. U laat hen tranen drinken, in volle maat. 7. U maakt ons tot twistappel voor onze buren. Onze vijanden lachen ons uit. 8. God van de legermachten, breng ons terug. Laat Uw gezicht over ons lichten, dan worden wij gered. 9. U haalde een wijnstok uit Egypte. U verdreef de volken en plantte hem. 10. U maakte ruimte voor hem. Hij schoot wortel en vulde het land. 11. De bergen raakten bedekt met zijn schaduw. Zijn ranken waren als machtige ceders. 12. Hij strekte zijn takken uit tot aan de zee, zijn scheuten tot aan de rivier. 13. Waarom hebt U zijn muren doorbroken? Nu plukt iedereen die voorbijkomt ervan. 14. Het everzwijn uit het bos wroet hem om. Het wild van het veld vreet hem kaal. 15. God van de legermachten, kom toch terug. Kijk uit de hemel en zie het. Zorg voor deze wijnstok, 16. voor de stam die Uw rechterhand geplant heeft, voor de zoon die U sterk hebt gemaakt. 17. Hij is verbrand met vuur en omgehakt. Door Uw dreigende blik gaan zij te gronde. 18. Leg Uw hand op de man aan Uw rechterhand, op de mensenzoon die U sterk hebt gemaakt. 19. Dan zullen wij niet meer van U weglopen. Houd ons in leven, dan roepen wij Uw naam aan. 20. HEERE, God van de legermachten, breng ons terug. Laat Uw gezicht over ons lichten, dan worden wij gered. ## Psalmen 81 — Doe je mond wijd open 1. Voor de koorleider, op de wijs van de Gittiet, een psalm van Asaf. 2. Zing vrolijk voor God, onze kracht. Juich voor de God van Jakob. 3. Zet een lied in en sla de tamboerijn. Speel de mooie harp en de luit. 4. Blaas de ramshoorn bij nieuwe maan, op de vastgestelde tijd, op onze feestdag. 5. Want dat is een regel in Israël, een voorschrift van de God van Jakob. 6. Hij stelde het in als getuigenis voor Jozef, toen Hij optrok tegen Egypte. Daar hoorde ik een taal die ik niet kende: 7. Ik heb de last van je schouders gehaald. Je handen zijn los van de draagkorf. 8. In je nood riep je en ik hielp je eruit. Ik antwoordde je uit het onweer. Ik toetste je bij het water van Meriba. Sela. 9. Luister, mijn volk, ik wil je waarschuwen. Israël, als je toch naar mij luisterde. 10. Er mag bij jou geen vreemde god zijn. Je mag niet buigen voor een god van elders. 11. Ik ben de HEERE, jouw God. Ik heb je uit Egypte gehaald. Doe je mond wijd open en ik zal hem vullen. 12. Maar mijn volk luisterde niet naar mij. Israël wilde niets van mij weten. 13. Toen liet ik hen begaan in hun koppige hart. Ze gingen hun eigen gang. 14. Als mijn volk toch naar mij luisterde. Als Israël toch mijn wegen ging. 15. In een oogwenk zou ik hun vijanden neerslaan. Mijn hand zou ik keren tegen hun tegenstanders. 16. Wie de HEERE haten, zouden voor Hem kruipen. En hun tijd zou voor altijd duren. 17. Hij zou hen voeden met het beste van de tarwe. Ja, ik zou je verzadigen met honing uit de rots. ## Psalmen 82 — Doe recht aan de arme en de wees 1. Een psalm van Asaf. God staat op in de kring van de goden. Hij spreekt recht in hun midden: 2. Hoe lang oordelen jullie nog onrechtvaardig? Hoe lang kiezen jullie de kant van wie kwaad doen? Sela. 3. Doe recht aan de arme en de wees. Geef de verdrukte en de behoeftige hun recht. 4. Bevrijd de arme en de behoeftige. Ruk hen los uit de greep van wie kwaad doen. 5. Zij weten niets en begrijpen niets. Zij lopen rond in het donker. Daardoor wankelen alle fundamenten van de aarde. 6. Ik heb wel gezegd: Jullie zijn goden, jullie zijn allemaal zonen van de Allerhoogste. 7. Toch zullen jullie sterven als gewone mensen. Als een van de vorsten zullen jullie vallen. 8. Sta op, o God, oordeel de aarde. Want alle volken zijn van U. ## Psalmen 83 — God, zwijg toch niet 1. Een lied, een psalm van Asaf. 2. O God, zwijg toch niet. Houd U niet doof en blijf niet stil, o God. 3. Want kijk, Uw vijanden maken lawaai. Wie U haten, steken hun hoofd op. 4. Ze smeden een geheim plan tegen Uw volk. Ze overleggen tegen wie U beschermt. 5. Ze zeiden: Kom, laten wij hen uitroeien, zodat ze geen volk meer zijn. Laat niemand de naam Israël nog noemen. 6. Ja, zij hebben eensgezind overlegd. Tegen U hebben zij een verbond gesloten. 7. De tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de Hagrieten, 8. Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de inwoners van Tyrus. 9. Ook Assur heeft zich bij hen aangesloten. Zij waren een sterke arm voor de kinderen van Lot. Sela. 10. Doe met hen als met Midian, als met Sisera en Jabin bij de beek Kison. 11. Zij werden vernietigd bij Endor. Zij werden mest voor de akker. 12. Maak hun leiders als Oreb en Zeëb, al hun vorsten als Zebach en Salmunna. 13. Zij zeiden: Wij nemen de weidegronden van God voor onszelf in bezit. 14. Mijn God, maak hen als dwarrelend stof, als kaf voor de wind. 15. Zoals vuur een bos verbrandt en de vlam de bergen in brand zet, 16. zo moet U hen opjagen met Uw storm en laten schrikken door Uw wervelwind. 17. Maak hun gezicht vol schande, zodat zij Uw naam zoeken, HEERE. 18. Laat hen voorgoed beschaamd en verschrikt zijn. Laat hen rood worden van schaamte en omkomen. 19. Dan zullen zij weten dat U alleen de HEERE heet, de Allerhoogste over de hele aarde. ## Psalmen 84 — Hoe lief is mij Uw huis 1. Voor de koorleider, op de wijs van de Gittiet, een psalm van de zonen van Korach. 2. Hoe lief is mij Uw woning, HEERE van de legermachten. 3. Mijn ziel verlangt en smacht naar de voorhoven van de HEERE. Mijn hart en mijn lichaam roepen het uit naar de levende God. 4. Zelfs de mus vindt een huis. De zwaluw vindt een nest voor haar jongen, bij Uw altaren, HEERE van de legermachten, mijn Koning en mijn God. 5. Gelukkig zijn zij die in Uw huis wonen. Zij prijzen U altijd door. Sela. 6. Gelukkig is de mens die kracht vindt in U, die de gebaande wegen in zijn hart draagt. 7. Trekken zij door het dorre dal, dan maken zij het tot een oase. Ook overdekt de regen het met zegen. 8. Zij gaan van kracht tot kracht. Ieder van hen zal voor God verschijnen in Sion. 9. HEERE, God van de legermachten, hoor mijn gebed. Luister, God van Jakob. Sela. 10. O God, ons schild, zie ons aan. Kijk naar het gezicht van Uw gezalfde. 11. Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders. Ik sta liever op de drempel van het huis van mijn God dan lang te wonen in de tenten van het kwaad. 12. Want God, de HEERE, is een zon en een schild. De HEERE geeft genade en eer. Hij onthoudt het goede niet aan wie eerlijk leven. 13. HEERE van de legermachten, gelukkig is de mens die op U vertrouwt. ## Psalmen 85 — Trouw en waarheid ontmoeten elkaar 1. Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach. 2. U bent goed geweest voor Uw land, HEERE. U hebt het lot van Jakob gekeerd. 3. U hebt de schuld van Uw volk weggenomen. U hebt al hun zonden toegedekt. Sela. 4. U hebt al Uw woede weggenomen. U keerde U af van Uw brandende toorn. 5. Breng ons terug, God die ons redt. Maak een eind aan Uw boosheid over ons. 6. Blijft U voor altijd boos op ons? Zet U Uw toorn voort van geslacht op geslacht? 7. Wilt U ons niet weer levend maken, zodat Uw volk blij is om U? 8. Laat ons Uw trouw zien, HEERE, en geef ons Uw redding. 9. Ik zal horen wat God, de HEERE, spreekt. Hij spreekt van vrede tot Zijn volk en tot wie Hem trouw zijn. Laten zij niet terugvallen in dwaasheid. 10. Ja, Zijn redding is dichtbij voor wie ontzag voor Hem hebben, zodat Zijn luister in ons land woont. 11. Trouw en waarheid ontmoeten elkaar. Gerechtigheid en vrede kussen elkaar. 12. De waarheid komt op uit de aarde. De gerechtigheid kijkt neer uit de hemel. 13. Ook zal de HEERE het goede geven. Ons land zal zijn oogst geven. 14. De gerechtigheid zal voor Hem uit gaan en Zijn voetstappen tot een weg maken. ## Psalmen 86 — Leer mij Uw weg 1. Een gebed van David. HEERE, luister en antwoord mij, want ik ben arm en behoeftig. 2. Bewaar mijn leven, want ik ben U trouw. Mijn God, red Uw dienaar die op U vertrouwt. 3. Wees mij genadig, HEERE, want de hele dag roep ik tot U. 4. Maak Uw dienaar blij, want naar U, HEERE, hef ik mijn ziel op. 5. Want U, HEERE, bent goed en vergeeft graag. U bent vol trouw voor allen die U aanroepen. 6. HEERE, luister naar mijn gebed. Let op mijn smeken. 7. Op de dag van mijn nood roep ik U aan, want U geeft mij antwoord. 8. Onder de goden is niemand als U, Heere. Er is niets wat lijkt op Uw werk. 9. Alle volken die U gemaakt hebt, Heere, zullen komen. Ze zullen voor U buigen en Uw naam eren. 10. Want U bent groot en U doet wonderen. U alleen bent God. 11. Leer mij Uw weg, HEERE. Ik zal leven in Uw waarheid. Maak mijn hart één, zodat ik ontzag heb voor Uw naam. 12. Heere, mijn God, ik zal U prijzen met heel mijn hart. Ik zal Uw naam voor altijd eren. 13. Want Uw trouw aan mij is groot. U hebt mij weggetrokken uit het diepst van het graf. 14. O God, trotse mensen staan tegen mij op. Een bende wrede mannen staat mij naar het leven. Zij houden U niet voor ogen. 15. Maar U, Heere, bent een barmhartige en genadige God. U hebt geduld en bent vol trouw en waarheid. 16. Keer U naar mij toe en wees mij genadig. Geef Uw dienaar Uw kracht en red de zoon van Uw dienares. 17. Doe aan mij een teken van goedheid. Laat wie mij haten het zien en beschaamd staan, omdat U, HEERE, mij hebt geholpen en getroost. ## Psalmen 87 — Deze is daar geboren 1. Een psalm, een lied van de zonen van Korach. Zijn fundament ligt op de heilige bergen. 2. De HEERE houdt van de poorten van Sion, meer dan van alle woningen van Jakob. 3. Prachtige dingen worden over u gezegd, stad van God. Sela. 4. Ik noem Rahab en Babel onder wie mij kennen. Kijk, ook Filistea en Tyrus, met Nubië: deze is daar geboren. 5. En over Sion zal men zeggen: Deze en die is daar geboren. De Allerhoogste Zelf houdt haar staande. 6. De HEERE telt hen mee als Hij de volken opschrijft: Deze is daar geboren. Sela. 7. En de zangers en de dansers zingen: Al mijn bronnen zijn in u. ## Psalmen 88 — Mijn ziel is verzadigd van ellende 1. Een lied, een psalm van de zonen van Korach, voor de koorleider, op de wijs van Machalat Leannot. Een lied van Heman de Ezrachiet om van te leren. 2. HEERE, God die mij redt, overdag en 's nachts roep ik tot U. 3. Laat mijn gebed bij U komen. Luister naar mijn roepen. 4. Want mijn ziel is verzadigd van ellende. Mijn leven raakt aan het graf. 5. Ik word geteld bij wie in de kuil afdalen. Ik ben als een man zonder kracht. 6. Ik lig tussen de doden, als gevallenen die in het graf liggen. Aan hen denkt U niet meer. Zij zijn afgesneden van Uw hand. 7. U hebt mij in de diepste kuil gelegd, in het donker, in de diepten. 8. Uw woede drukt op mij. Met al Uw golven hebt U mij neergedrukt. Sela. 9. U hebt mijn bekenden ver van mij weggehaald. U hebt mij voor hen afschuwelijk gemaakt. Ik ben opgesloten en kan er niet uit. 10. Mijn oog is dof van ellende. HEERE, de hele dag roep ik tot U. Ik strek mijn handen naar U uit. 11. Doet U wonderen aan de doden? Zullen de schimmen opstaan en U prijzen? Sela. 12. Wordt Uw trouw verteld in het graf, Uw betrouwbaarheid in het verderf? 13. Worden Uw wonderen bekend in het donker, Uw gerechtigheid in het land van de vergetelheid? 14. Maar ik roep tot U, HEERE. 's Morgens komt mijn gebed U tegemoet. 15. HEERE, waarom stoot U mij weg? Waarom verbergt U Uw gezicht voor mij? 16. Van jongs af aan ben ik arm en doodziek. Ik draag Uw verschrikkingen en ik weet mij geen raad. 17. Uw brandende woede gaat over mij heen. Uw verschrikkingen maken mij kapot. 18. De hele dag omringen zij mij als water. Van alle kanten sluiten zij mij in. 19. U hebt vriend en makker ver van mij weggehaald. Alleen het donker is mij nog bekend. ## Psalmen 89 — Ik zal zingen over de trouw van de HEERE 1. Een lied van Etan de Ezrachiet om van te leren. 2. Ik zal voor altijd zingen over de trouw van de HEERE. Met mijn mond zal ik Uw waarheid bekendmaken, van geslacht op geslacht. 3. Want ik zei: Uw trouw staat voor altijd overeind. In de hemel hebt U Uw waarheid vastgezet. U zei: 4. Ik heb een verbond gesloten met wie ik uitkoos. Ik heb aan mijn dienaar David gezworen: 5. Ik zal je nageslacht voor altijd laten bestaan. Ik zal je troon opbouwen van geslacht op geslacht. Sela. 6. De hemel prijst Uw wonderen, HEERE. Uw trouw klinkt in de kring van de heiligen. 7. Want wie in de hemel kan zich meten met de HEERE? Wie onder de hemelse machten lijkt op de HEERE? 8. God wordt diep ontzien in de raad van de heiligen. Hij is ontzagwekkend voor allen om Hem heen. 9. HEERE, God van de legermachten, wie is als U? U bent machtig, HEERE. Uw trouw is overal om U heen. 10. U heerst over de trots van de zee. Als haar golven zich verheffen, brengt U ze tot rust. 11. U hebt Rahab verpletterd als een gevallene. Met Uw sterke arm hebt U Uw vijanden verstrooid. 12. Van U is de hemel en van U is de aarde. De wereld en alles wat erop is, hebt U gegrondvest. 13. Noord en zuid hebt U geschapen. Tabor en Hermon juichen om Uw naam. 14. U hebt een arm vol macht. Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog. 15. Gerechtigheid en recht dragen Uw troon. Trouw en waarheid gaan voor U uit. 16. Gelukkig is het volk dat het feestgeluid kent. HEERE, zij zullen wandelen in het licht van Uw gezicht. 17. De hele dag zullen zij juichen om Uw naam. Door Uw gerechtigheid worden zij verhoogd. 18. Want U bent de glans van hun kracht. Door Uw goedheid wordt onze hoorn verhoogd. 19. Want ons schild komt van de HEERE, onze koning van de Heilige van Israël. 20. Toen sprak U in een visioen tot wie U trouw waren, en U zei: Ik heb hulp gegeven aan een held. Ik heb iemand uit het volk verhoogd. 21. Ik heb David gevonden, mijn dienaar. Met mijn heilige olie heb ik hem gezalfd. 22. Mijn hand zal hem vasthouden. Mijn arm zal hem sterk maken. 23. Geen vijand zal hem in het nauw brengen. Geen onrechtvaardige zal hem onderdrukken. 24. Ik zal zijn tegenstanders voor zijn ogen verpletteren. Wie hem haten, zal ik neerslaan. 25. Mijn trouw en mijn goedheid zullen met hem zijn. Door mijn naam wordt zijn hoorn verhoogd. 26. Ik zal zijn hand op de zee leggen, zijn rechterhand op de rivieren. 27. Hij zal mij noemen: U bent mijn Vader, mijn God, de rots die mij redt. 28. Ook zal ik hem tot eerstgeboren zoon maken, tot de hoogste van de koningen op aarde. 29. Ik zal mijn trouw voor altijd voor hem bewaren. Mijn verbond met hem blijft vast. 30. Ik zal zijn nageslacht voor altijd laten bestaan, zijn troon zolang de hemel er is. 31. Als zijn kinderen mijn wet verlaten en niet leven naar mijn regels, 32. als zij mijn voorschriften ontwijden en mijn geboden niet houden, 33. dan zal ik hun overtreding straffen met de stok en hun schuld met slagen. 34. Maar mijn trouw zal ik hem niet ontnemen. In mijn betrouwbaarheid zal ik niet tekortschieten. 35. Ik zal mijn verbond niet ontwijden. Wat over mijn lippen kwam, zal ik niet veranderen. 36. Eens heb ik gezworen bij mijn heiligheid: Ik zal David niet voorliegen. 37. Zijn nageslacht zal er altijd zijn. Zijn troon zal voor mij staan als de zon. 38. Hij zal vast staan als de maan. De getuige in de hemel is betrouwbaar. Sela. 39. Maar nu hebt U hem weggestoten en afgewezen. U bent woedend geworden op Uw gezalfde. 40. U hebt het verbond met Uw dienaar opgezegd. U hebt zijn kroon in het stof gegooid. 41. U hebt al zijn muren doorbroken. U hebt zijn vestingen tot puin gemaakt. 42. Iedereen die langskwam heeft hem beroofd. Hij is een schande geworden voor zijn buren. 43. U hebt de rechterhand van zijn tegenstanders verhoogd. U hebt al zijn vijanden blij gemaakt. 44. Ook hebt U de scherpte van zijn zwaard weggenomen. U hebt hem niet staande gehouden in de strijd. 45. U hebt een eind gemaakt aan zijn glans. Zijn troon hebt U tegen de grond gesmeten. 46. U hebt de dagen van zijn jeugd verkort. U hebt hem met schaamte bedekt. Sela. 47. Hoe lang nog, HEERE? Blijft U zich verbergen? Blijft Uw woede branden als vuur? 48. Denk eraan hoe kort mijn leven is. Waarvoor hebt U alle mensen anders geschapen? 49. Welke man leeft er die de dood niet zal zien, die zichzelf kan redden uit de greep van het graf? Sela. 50. HEERE, waar is Uw trouw van vroeger, die U David gezworen hebt bij Uw betrouwbaarheid? 51. Denk aan de smaad van Uw dienaren, HEERE. Ik draag in mijn hart de hoon van vele volken. 52. Zo honen Uw vijanden, HEERE. Zo bespotten zij elke stap van Uw gezalfde. 53. Geprezen is de HEERE voor altijd. Amen, ja, amen. ## Psalmen 90 — Leer ons onze dagen tellen 1. Een gebed van Mozes, de man van God. HEERE, U bent voor ons een toevlucht geweest, van geslacht op geslacht. 2. Nog voor de bergen geboren waren, voordat U de aarde en de wereld voortbracht, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God. 3. U laat de mens terugkeren tot stof. U zegt: Keer terug, mensenkinderen. 4. Want duizend jaar zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, die voorbij is, als een wake in de nacht. 5. U spoelt hen weg, zij zijn als een slaap. 's Morgens zijn zij als het gras dat opkomt. 6. 's Morgens bloeit het en het schiet op. 's Avonds wordt het gemaaid en het verdort. 7. Want wij vergaan door Uw woede. Door Uw toorn worden wij overvallen. 8. U legt onze schulden voor U neer, onze verborgen zonden in het licht van Uw gezicht. 9. Al onze dagen gaan voorbij onder Uw woede. Wij brengen onze jaren door als een zucht. 10. De dagen van onze jaren zijn zeventig jaar. Bij grote kracht worden het er tachtig. Het beste daarvan is moeite en verdriet. Het gaat snel voorbij en wij vliegen weg. 11. Wie kent de kracht van Uw woede? Wie vreest U zoals U te vrezen bent? 12. Leer ons zo onze dagen tellen dat wij een wijs hart krijgen. 13. Kom terug, HEERE. Hoe lang nog? Heb medelijden met Uw dienaren. 14. Verzadig ons 's morgens met Uw trouw. Dan zullen wij juichen en blij zijn, al onze dagen. 15. Maak ons blij naar het aantal dagen dat U ons neerdrukte, naar de jaren waarin wij het kwaad zagen. 16. Laat Uw werk aan Uw dienaren zichtbaar worden, en Uw luister aan hun kinderen. 17. Laat de vriendelijkheid van de HEERE, onze God, over ons zijn. Bevestig het werk van onze handen. Ja, bevestig het werk van onze handen. ## Psalmen 91 — Wie schuilt bij de Allerhoogste 1. Wie schuilt bij de Allerhoogste, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. 2. Ik zeg tegen de HEERE: Mijn toevlucht en mijn burcht, mijn God op wie ik vertrouw. 3. Want Hij zal je redden uit de val van de vogelvanger, uit de dodelijke pest. 4. Met Zijn vleugels zal Hij je bedekken. Onder Zijn vleugels vind je bescherming. Zijn waarheid is een schild en een pantser. 5. Je hoeft niet bang te zijn voor de schrik van de nacht, voor de pijl die overdag vliegt, 6. voor de pest die in het donker rondgaat, voor de ramp die midden op de dag verwoest. 7. Duizend zullen er vallen naast je, tienduizend aan je rechterhand. Maar jou zal het niet raken. 8. Je zult het alleen met eigen ogen zien. Je zult zien hoe wie kwaad doen hun loon krijgen. 9. Want U, HEERE, bent mijn toevlucht. Je hebt de Allerhoogste tot je schuilplaats gemaakt. 10. Geen kwaad zal je overkomen. Geen plaag zal je tent naderen. 11. Want Hij zal Zijn engelen bevel geven om jou te bewaren op al je wegen. 12. Zij zullen je op hun handen dragen, zodat je je voet niet stoot aan een steen. 13. Je zult over leeuw en adder lopen. Je zult jonge leeuw en slang vertrappen. 14. Omdat hij zich aan mij vastklampt, zal ik hem bevrijden, zegt God. Ik zal hem hoog plaatsen, want hij kent mijn naam. 15. Hij zal mij aanroepen en ik zal hem antwoorden. In de nood zal ik bij hem zijn. Ik zal hem eruit halen en hem eren. 16. Ik zal hem verzadigen met een lang leven. Ik zal hem laten zien hoe ik red. ## Psalmen 92 — Het is goed om de HEERE te prijzen 1. Een psalm, een lied voor de sabbat. 2. Het is goed om de HEERE te prijzen, om te zingen voor Uw naam, Allerhoogste. 3. Het is goed om 's morgens Uw trouw te vertellen en 's nachts Uw betrouwbaarheid, 4. bij het tiensnarige instrument en de luit, bij een zorgvuldig lied op de harp. 5. Want U hebt mij blij gemaakt met Uw daden, HEERE. Ik zal juichen over het werk van Uw handen. 6. HEERE, wat zijn Uw werken groot. Wat zijn Uw gedachten diep. 7. Een dom mens weet daar niets van. Een dwaas begrijpt dit niet: 8. dat slechte mensen opschieten als gras en dat allen die onrecht doen tot bloei komen, om voor altijd verdelgd te worden. 9. Maar U, HEERE, bent voor altijd de Allerhoogste. 10. Want kijk, Uw vijanden, HEERE, kijk, Uw vijanden gaan verloren. Allen die onrecht doen, worden verstrooid. 11. Maar U hebt mijn hoorn opgeheven als die van een wilde stier. Ik ben overgoten met verse olie. 12. Mijn oog zal neerkijken op wie mij belagen. Mijn oren zullen horen van wie kwaad doen en tegen mij opstaan. 13. De rechtvaardige zal groeien als een palm. Hij zal opgaan als een ceder op de Libanon. 14. Wie geplant zijn in het huis van de HEERE, zullen groeien in de voorhoven van onze God. 15. Ook op hoge leeftijd zullen zij vrucht dragen. Zij zullen vol sap en groen blijven, 16. om te vertellen dat de HEERE rechtvaardig is. Hij is mijn rots en in Hem is geen onrecht. ## Psalmen 93 — De HEERE regeert 1. De HEERE regeert. Hij is gekleed in hoogheid. De HEERE is gekleed in kracht en heeft zich omgord. Zo staat de wereld vast, zij zal niet wankelen. 2. Uw troon staat vast van oudsher. U bent er van eeuwigheid af. 3. De rivieren verheffen hun stem, HEERE. De rivieren verheffen hun bruisen. De rivieren verheffen hun donderend geweld. 4. Maar machtiger dan het bruisen van grote wateren, machtiger dan de golven van de zee is de HEERE in de hoogte. 5. Uw getuigenissen zijn zeer betrouwbaar. Heiligheid siert Uw huis, HEERE, tot in lengte van dagen. ## Psalmen 94 — God die recht doet, verschijn 1. God die recht doet, HEERE die recht doet, verschijn in Uw glans. 2. Rechter van de aarde, sta op. Geef de trotse mensen hun verdiende loon. 3. Hoe lang nog, HEERE? Hoe lang zullen de slechte mensen nog juichen? 4. Hoe lang stromen hun woorden nog over? Hoe lang praten wie onrecht doen nog groot? 5. HEERE, zij verpletteren Uw volk. Zij verdrukken Uw erfdeel. 6. De weduwe en de vreemdeling doden zij. De wezen brengen zij om. 7. En ze zeggen: De HEERE ziet het niet. De God van Jakob merkt het niet. 8. Let toch op, domme mensen. Dwazen, wanneer worden jullie verstandig? 9. Zou Hij die het oor plant niet horen? Zou Hij die het oog vormt niet zien? 10. Zou Hij die de volken opvoedt niet straffen, Hij die de mens kennis leert? 11. De HEERE kent de gedachten van de mens. Hij weet dat ze niets voorstellen. 12. Gelukkig is de man die U opvoedt, HEERE, die U leert uit Uw wet. 13. Zo geeft U hem rust in kwade dagen, totdat er voor de slechte mens een kuil gegraven wordt. 14. Want de HEERE laat Zijn volk niet in de steek. Hij verlaat Zijn erfdeel niet. 15. Want het recht keert terug naar de gerechtigheid. Alle mensen met een eerlijk hart zullen het volgen. 16. Wie komt voor mij op tegen wie kwaad doen? Wie gaat voor mij staan tegen wie onrecht plegen? 17. Was de HEERE mijn hulp niet geweest, dan zou ik allang in de stilte wonen. 18. Als ik zei: Mijn voet wankelt, dan hield Uw trouw mij overeind, HEERE. 19. Als de zorgen zich in mij opstapelden, dan maakten Uw troostwoorden mij weer blij. 20. Hoort een rechterstoel vol onheil bij U, die met wetten ellende maakt? 21. Ze spannen samen tegen het leven van wie rechtvaardig is. Ze veroordelen onschuldig bloed. 22. Maar de HEERE is mijn burcht geworden, mijn God de rots waar ik schuil. 23. Hij zal hun onrecht op hen laten terugkomen. Hij zal hen vernietigen om hun kwaad. De HEERE, onze God, zal hen vernietigen. ## Psalmen 95 — Kom, laten wij knielen 1. Kom, laten wij juichen voor de HEERE. Laten wij jubelen voor de rots die ons redt. 2. Laten wij Hem tegemoet gaan met een danklied. Laten wij voor Hem juichen met liederen. 3. Want de HEERE is een grote God, een groot Koning boven alle goden. 4. In Zijn hand liggen de diepten van de aarde. Van Hem zijn de toppen van de bergen. 5. Van Hem is de zee, want Hij heeft haar gemaakt. Zijn handen hebben het droge land gevormd. 6. Kom, laten wij aanbidden en buigen. Laten wij knielen voor de HEERE die ons gemaakt heeft. 7. Want Hij is onze God. Wij zijn het volk van Zijn weide, de schapen van Zijn hand. Luisterden jullie vandaag maar naar Zijn stem: 8. Maak je hart niet hard, zoals bij Meriba, zoals op de dag van Massa in de woestijn. 9. Daar daagden jullie voorouders mij uit. Zij stelden mij op de proef, hoewel ze mijn werk hadden gezien. 10. Veertig jaar had ik verdriet om dat geslacht. Ik zei: Zij zijn een volk dat in zijn hart afdwaalt. Zij kennen mijn wegen niet. 11. Daarom heb ik in mijn woede gezworen: Nooit zullen zij komen op de plaats van mijn rust. ## Psalmen 96 — Zing voor de HEERE een nieuw lied 1. Zing voor de HEERE een nieuw lied. Zing voor de HEERE, hele aarde. 2. Zing voor de HEERE, prijs Zijn naam. Vertel elke dag opnieuw dat Hij redt. 3. Vertel onder de volken van Zijn eer, onder alle naties van Zijn wonderen. 4. Want de HEERE is groot en zeer te prijzen. Hij is ontzagwekkend boven alle goden. 5. Want alle goden van de volken zijn niets. Maar de HEERE heeft de hemel gemaakt. 6. Majesteit en luister gaan voor Hem uit. Kracht en pracht zijn in Zijn heiligdom. 7. Geef de HEERE wat Hem toekomt, families van de volken. Geef de HEERE eer en kracht. 8. Geef de HEERE de eer van Zijn naam. Breng een offer en kom in Zijn voorhoven. 9. Aanbid de HEERE in heilige pracht. Beef voor Hem, hele aarde. 10. Zeg onder de volken: De HEERE regeert. Ja, de wereld staat vast, zij zal niet wankelen. Hij zal de volken eerlijk oordelen. 11. Laat de hemel blij zijn en de aarde juichen. Laat de zee bruisen met alles wat erin is. 12. Laat het veld jubelen met alles wat er groeit. Laat alle bomen in het bos juichen 13. voor de HEERE. Want Hij komt, Hij komt om de aarde te oordelen. Hij zal de wereld oordelen met gerechtigheid en de volken met Zijn waarheid. ## Psalmen 97 — De aarde mag juichen 1. De HEERE regeert. Laat de aarde juichen. Laat de vele eilanden blij zijn. 2. Wolken en donker zijn om Hem heen. Gerechtigheid en recht dragen Zijn troon. 3. Voor Hem uit gaat een vuur. Het zet Zijn tegenstanders rondom in brand. 4. Zijn bliksem verlicht de wereld. De aarde ziet het en beeft. 5. De bergen smelten als was voor de HEERE, voor de Heer van de hele aarde. 6. De hemel vertelt van Zijn gerechtigheid. Alle volken zien Zijn eer. 7. Beschaamd staan allen die beelden dienen, die opscheppen over hun afgoden. Buig voor Hem, alle goden. 8. Sion hoorde het en was blij. De dorpen van Juda juichten om Uw oordelen, HEERE. 9. Want U, HEERE, bent de Allerhoogste over de hele aarde. U bent ver verheven boven alle goden. 10. Jullie die de HEERE liefhebben, haat het kwaad. Hij bewaart het leven van wie Hem trouw zijn. Hij redt hen uit de greep van wie kwaad doen. 11. Licht is gezaaid voor de rechtvaardige, vreugde voor wie eerlijk van hart zijn. 12. Rechtvaardigen, wees blij in de HEERE. Prijs Hem en denk aan Zijn heiligheid. ## Psalmen 98 — Juich voor de HEERE, hele aarde 1. Een psalm. Zing voor de HEERE een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan. Zijn rechterhand en Zijn heilige arm hebben Hem de overwinning gegeven. 2. De HEERE heeft bekendgemaakt dat Hij redt. Voor de ogen van de volken heeft Hij Zijn gerechtigheid getoond. 3. Hij dacht aan Zijn trouw en Zijn waarheid voor het huis van Israël. Alle einden van de aarde hebben gezien hoe onze God redt. 4. Juich voor de HEERE, hele aarde. Roep het uit van vreugde, zing en speel. 5. Zing voor de HEERE bij de harp, bij de harp en met luide stem. 6. Juich met trompetten en met de ramshoorn voor de Koning, de HEERE. 7. Laat de zee bruisen met alles wat erin is, de wereld met allen die er wonen. 8. Laat de rivieren in de handen klappen. Laat de bergen samen juichen 9. voor de HEERE. Want Hij komt om de aarde te oordelen. Hij zal de wereld oordelen met gerechtigheid en de volken eerlijk. ## Psalmen 99 — Heilig is Hij 1. De HEERE regeert. Laat de volken beven. Hij troont tussen de cherubs. Laat de aarde schudden. 2. De HEERE is groot in Sion. Hij is hoog boven alle volken. 3. Laten zij Uw grote en ontzagwekkende naam prijzen. Heilig is Hij. 4. Sterk is de Koning die van recht houdt. U hebt eerlijkheid vastgelegd. U hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob. 5. Verhef de HEERE, onze God, en buig voor de voetbank van Zijn voeten. Heilig is Hij. 6. Mozes en Aäron waren bij Zijn priesters, Samuël bij wie Zijn naam aanriepen. Zij riepen tot de HEERE en Hij gaf hun antwoord. 7. Hij sprak tot hen in de wolkkolom. Zij hielden zich aan Zijn getuigenissen en aan de regels die Hij hun gegeven had. 8. HEERE, onze God, U hebt hun antwoord gegeven. U was voor hen een God die vergeeft, ook al strafte U hun daden. 9. Verhef de HEERE, onze God, en buig voor Zijn heilige berg. Want de HEERE, onze God, is heilig. ## Psalmen 100 — Dien de HEERE met vreugde 1. Een danklied. Juich voor de HEERE, hele aarde. 2. Dien de HEERE met vreugde. Kom voor Hem met een vrolijk lied. 3. Weet dat de HEERE God is. Hij heeft ons gemaakt en niet wijzelf. Wij zijn Zijn volk, de schapen van Zijn weide. 4. Kom Zijn poorten binnen met een danklied, Zijn voorhoven met lofgezang. Prijs Hem en dank Zijn naam. 5. Want de HEERE is goed. Zijn trouw duurt voor altijd. Zijn betrouwbaarheid geldt van geslacht op geslacht. ## Psalmen 101 — Ik zal zingen van trouw en recht 1. Een psalm van David. Ik zal zingen van trouw en recht. Voor U zal ik zingen, HEERE. 2. Ik wil verstandig leven op de rechte weg. Wanneer komt U bij mij? Ik wil door mijn eigen huis lopen met een oprecht hart. 3. Ik zal niets slechts voor ogen houden. Ik haat het gedrag van wie zich van God afkeren; het zal niet aan mij blijven kleven. 4. Een verdraaid hart zal ver van mij blijven. Van het kwaad wil ik niets weten. 5. Wie in het geheim over zijn naaste roddelt, die zal ik vernietigen. Wie hoogmoedig kijkt en trots van hart is, die kan ik niet verdragen. 6. Mijn ogen zoeken wie trouw zijn in het land; zij mogen bij mij wonen. Wie leeft op de rechte weg, die mag mij dienen. 7. Wie bedriegt, zal niet in mijn huis blijven. Wie leugens spreekt, houdt voor mijn ogen geen stand. 8. Elke morgen zal ik alle goddelozen in het land vernietigen, om uit de stad van de HEERE iedereen uit te roeien die onrecht doet. ## Psalmen 102 — Maar U, HEERE, blijft voor altijd 1. Een gebed van iemand die het zwaar heeft, wanneer hij het niet meer aankan en zijn klacht uitstort voor de HEERE. 2. HEERE, hoor mijn gebed. Laat mijn roepen bij U komen. 3. Verberg Uw gezicht niet voor mij op de dag dat ik het benauwd heb. Luister naar mij. Antwoord mij snel op de dag dat ik roep. 4. Want mijn dagen gaan op in rook. Mijn botten gloeien als een haardvuur. 5. Mijn hart is geslagen en verdord als gras. Ik vergeet zelfs mijn brood te eten. 6. Door al mijn zuchten kleven mijn botten aan mijn huid. 7. Ik lijk op een roerdomp in de woestijn. Ik ben geworden als een steenuil in de wildernis. 8. Ik lig wakker. Ik ben als een eenzame vogel op een dak. 9. Mijn vijanden schelden mij de hele dag uit. Wie tegen mij tekeergaan, gebruiken mijn naam als vloek. 10. Want ik eet as als brood en meng mijn drinken met tranen, 11. door Uw woede en Uw grote toorn. Want U hebt mij opgetild en weer neergegooid. 12. Mijn dagen zijn als een schaduw die langer wordt. Zelf verdor ik als gras. 13. Maar U, HEERE, blijft voor altijd. Van geslacht op geslacht wordt Uw naam genoemd. 14. U zult opstaan en medelijden hebben met Sion. Het is tijd om haar genadig te zijn; de vastgestelde tijd is gekomen. 15. Want Uw dienaren houden van haar stenen. Zij hebben medelijden met haar puin. 16. Dan zullen de volken ontzag hebben voor de naam van de HEERE, alle koningen van de aarde voor Uw majesteit. 17. De HEERE zal Sion opbouwen en verschijnen in Zijn majesteit. 18. Hij zal Zich wenden tot het gebed van wie alles kwijt is. Hun gebed zal Hij niet verachten. 19. Dat zal worden opgeschreven voor het volgende geslacht. Het volk dat nog geschapen wordt, zal de HEERE prijzen. 20. Want Hij heeft neergekeken vanuit Zijn heilige hoogte. Vanuit de hemel heeft de HEERE naar de aarde gekeken, 21. om het zuchten van de gevangenen te horen en los te maken wie ten dode zijn opgeschreven, 22. zodat men in Sion de naam van de HEERE zal vertellen en in Jeruzalem Zijn lof, 23. wanneer volken en koninkrijken samenkomen om de HEERE te dienen. 24. Onderweg heeft Hij mijn kracht gebroken. Hij heeft mijn dagen korter gemaakt. 25. Ik zei: Mijn God, neem mij niet weg midden in mijn leven. Uw jaren duren van geslacht op geslacht. 26. Vroeger hebt U de aarde gegrondvest. De hemel is het werk van Uw handen. 27. Die zullen vergaan, maar U blijft bestaan. Zij zullen allemaal verslijten als een kledingstuk. U wisselt ze om als een jas en zij veranderen. 28. Maar U blijft Dezelfde en aan Uw jaren komt geen eind. 29. De kinderen van Uw dienaren zullen blijven wonen. Hun nageslacht zal voor Uw gezicht vast staan. ## Psalmen 103 — Loof de HEERE, mijn ziel 1. Een psalm van David. Loof de HEERE, mijn ziel. Alles wat in mij is, loof Zijn heilige naam. 2. Loof de HEERE, mijn ziel, en vergeet niet één van Zijn weldaden. 3. Hij vergeeft al je schuld. Hij geneest al je ziekten. 4. Hij koopt je leven vrij uit het graf. Hij kroont je met trouw en ontferming. 5. Hij vult je mond met het goede, zodat je weer jong wordt als een adelaar. 6. De HEERE doet recht. Hij spreekt recht voor iedereen die onderdrukt wordt. 7. Hij liet Mozes Zijn wegen kennen, de Israëlieten Zijn daden. 8. Barmhartig en genadig is de HEERE, geduldig en groot in trouw. 9. Hij zal niet altijd verwijten maken. Hij zal niet eeuwig boos blijven. 10. Hij doet ons niet naar onze zonden. Hij vergeldt ons niet naar onze schuld. 11. Want zo hoog als de hemel boven de aarde is, zo groot is Zijn trouw voor wie ontzag voor Hem hebben. 12. Zo ver als het oosten van het westen is, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons weg. 13. Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo ontfermt de HEERE Zich over wie ontzag voor Hem hebben. 14. Want Hij weet waarvan wij gemaakt zijn. Hij denkt eraan dat wij stof zijn. 15. De dagen van een mens zijn als het gras. Hij bloeit als een bloem in het veld. 16. Als de wind eroverheen is gegaan, is zij weg en kent haar plaats haar niet meer. 17. Maar de trouw van de HEERE is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie ontzag voor Hem hebben. Zijn gerechtigheid is voor hun kleinkinderen, 18. voor wie Zijn verbond houden en eraan denken Zijn bevelen te doen. 19. De HEERE heeft Zijn troon vast in de hemel gezet. Zijn koningschap heerst over alles. 20. Loof de HEERE, Zijn engelen, sterke helden die Zijn woord doen en luisteren naar de stem van Zijn woord. 21. Loof de HEERE, al Zijn legers, Zijn dienaren die doen wat Hij wil. 22. Loof de HEERE, al Zijn werken, overal waar Hij heerst. Loof de HEERE, mijn ziel. ## Psalmen 104 — Hoe groot zijn Uw werken 1. Loof de HEERE, mijn ziel. HEERE, mijn God, U bent heel groot. U bent gekleed in majesteit en pracht. 2. Hij hult Zich in licht als in een mantel. Hij spant de hemel uit als een tentdoek. 3. Hij bouwt Zijn bovenzalen op het water. Hij maakt de wolken tot Zijn wagen. Hij gaat op de vleugels van de wind. 4. Hij maakt Zijn engelen tot geesten, Zijn dienaren tot vlammend vuur. 5. Hij heeft de aarde op haar pijlers gezet; zij zal nooit wankelen. 6. U had haar met de oervloed bedekt als met een kleed. Het water stond boven de bergen. 7. Voor Uw dreigen vluchtten zij weg. Voor het geluid van Uw donder haastten zij zich. 8. Bergen rezen op, dalen zakten weg, naar de plaats die U voor hen had bepaald. 9. U hebt een grens gesteld die zij niet zullen overschrijden. Nooit meer zullen zij de aarde bedekken. 10. Hij stuurt bronnen door de dalen; tussen de bergen stromen zij verder. 11. Zij geven alle dieren van het veld te drinken. Wilde ezels lessen er hun dorst. 12. Bij dat water wonen de vogels van de hemel; tussen de takken laten zij hun stem horen. 13. Vanuit Zijn bovenzalen geeft Hij de bergen water. Van de vrucht van Uw werk wordt de aarde verzadigd. 14. Hij laat gras opkomen voor het vee en planten voor de mens om te verbouwen, zodat er brood uit de aarde komt, 15. en wijn, die het hart van de mens blij maakt, en olie, die zijn gezicht doet glanzen, en brood, dat het hart van de mens sterk maakt. 16. De bomen van de HEERE krijgen genoeg, de ceders van de Libanon, die Hij geplant heeft. 17. Daar nestelen de vogels. De ooievaar heeft zijn huis in de dennen. 18. De hoge bergen zijn voor de steenbokken, de rotsen zijn een schuilplaats voor de klipdassen. 19. Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden. De zon weet wanneer zij ondergaat. 20. U brengt de duisternis en het wordt nacht. Dan komen alle dieren van het bos naar buiten. 21. De jonge leeuwen brullen om een prooi en vragen zo hun voedsel van God. 22. Gaat de zon op, dan trekken zij zich terug en gaan liggen in hun holen. 23. Dan gaat de mens naar buiten, naar zijn werk, en werkt tot de avond. 24. Hoe groot zijn Uw werken, HEERE. U hebt ze alle met wijsheid gemaakt. De aarde is vol van Uw rijkdom. 25. Daar is de zee, groot en wijd. Daarin wemelt het van dieren zonder getal, kleine en grote. 26. Daar varen de schepen, en de Leviathan, die U gevormd hebt om erin te spelen. 27. Zij allen wachten op U, dat U hun voedsel geeft op de juiste tijd. 28. Geeft U het hun, dan rapen zij het op. Opent U Uw hand, dan worden zij verzadigd met het goede. 29. Verbergt U Uw gezicht, dan schrikken zij. Neemt U hun adem weg, dan sterven zij en keren terug tot stof. 30. Zendt U Uw Geest, dan worden zij geschapen. Zo maakt U het gezicht van de aarde weer nieuw. 31. De majesteit van de HEERE duurt voor altijd. Laat de HEERE Zich verheugen in Zijn werken. 32. Kijkt Hij naar de aarde, dan beeft zij. Raakt Hij de bergen aan, dan roken zij. 33. Ik zal voor de HEERE zingen zolang ik leef. Ik zal voor mijn God zingen zolang ik er ben. 34. Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn. Ik zal blij zijn in de HEERE. 35. Laat de zondaars van de aarde verdwijnen en laat er geen goddelozen meer zijn. Loof de HEERE, mijn ziel. Halleluja. ## Psalmen 105 — Hij denkt voor altijd aan Zijn verbond 1. Loof de HEERE, roep Zijn naam aan, maak Zijn daden bekend onder de volken. 2. Zing voor Hem, speel voor Hem, vertel aandachtig van al Zijn wonderen. 3. Beroem je op Zijn heilige naam. Laat het hart blij zijn van wie de HEERE zoeken. 4. Vraag naar de HEERE en naar Zijn kracht. Zoek Zijn aangezicht, altijd door. 5. Denk aan de wonderen die Hij gedaan heeft, aan Zijn tekenen en aan de uitspraken van Zijn mond, 6. jullie, nakomelingen van Abraham, Zijn dienaar, kinderen van Jakob, die Hij uitkoos. 7. Hij is de HEERE, onze God. Zijn oordelen gelden over de hele aarde. 8. Voor altijd denkt Hij aan Zijn verbond, aan het woord dat Hij gaf voor duizend geslachten, 9. aan het verbond dat Hij met Abraham sloot en aan de eed die Hij aan Izak zwoer. 10. Voor Jakob maakte Hij het tot een vaste regel, voor Israël tot een eeuwig verbond. 11. Hij zei: Ik zal jullie het land Kanaän geven; dat is het gebied dat jullie erven. 12. Toen waren zij nog maar met weinigen, een klein groepje vreemdelingen in dat land. 13. Zij trokken van volk naar volk, van het ene koninkrijk naar het andere. 14. Hij liet niemand toe hen te onderdrukken. Hij strafte zelfs koningen om hen te beschermen en zei: 15. Raak Mijn gezalfden niet aan en doe Mijn profeten geen kwaad. 16. Hij riep ook een hongersnood over het land. Hij brak elke voorraad brood. 17. Hij stuurde een man voor hen uit: Jozef, die als slaaf werd verkocht. 18. Zij klemden zijn voeten in het blok, zijn hals kwam in de ijzers. 19. Zo bleef het tot de tijd dat zijn woord uitkwam. Het woord van de HEERE louterde hem. 20. De koning liet hem halen en losmaken. De heerser van de volken liet hem vrij. 21. Hij maakte hem heer over zijn huis en heerser over al zijn bezit, 22. zodat hij zijn vorsten kon binden naar eigen inzicht en zijn oudsten kon onderwijzen. 23. Daarna kwam Israël in Egypte. Jakob woonde als vreemdeling in het land van Cham. 24. Hij maakte Zijn volk heel talrijk en sterker dan Zijn tegenstanders. 25. Hij keerde hun hart om, zodat zij Zijn volk gingen haten en Zijn dienaren met list behandelden. 26. Hij stuurde Mozes, Zijn dienaar, en Aäron, die Hij had uitgekozen. 27. Zij deden onder hen Zijn tekenen en Zijn wonderen in het land van Cham. 28. Hij stuurde duisternis en maakte het donker. En zij waren niet ongehoorzaam aan Zijn woord. 29. Hij veranderde hun water in bloed en doodde hun vissen. 30. Hun land wemelde van de kikkers, tot in de slaapkamers van hun koningen. 31. Hij sprak, en er kwamen zwermen ongedierte en luizen in heel hun gebied. 32. Hij gaf hun hagel in plaats van regen, vlammend vuur in hun land. 33. Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgenboom en brak de bomen in hun gebied. 34. Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, ontelbaar veel. 35. Zij vraten al het groen in hun land op, zij aten de vrucht van hun akkers. 36. Hij trof ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerste vrucht van al hun kracht. 37. Hij leidde hen naar buiten met zilver en goud. Onder hun stammen struikelde niemand. 38. Egypte was blij toen zij wegtrokken, want angst voor hen was over hen gevallen. 39. Hij spreidde een wolk uit als een dak en vuur om de nacht te verlichten. 40. Zij vroegen, en Hij liet kwartels komen. Hij verzadigde hen met brood uit de hemel. 41. Hij opende een rots en er stroomde water uit. Als een rivier ging het door het dorre land. 42. Want Hij dacht aan Zijn heilige woord, aan Abraham, Zijn dienaar. 43. Zo leidde Hij Zijn volk naar buiten met vreugde, wie Hij had uitgekozen met gejuich. 44. Hij gaf hun de landen van de volken. Wat andere volken hadden opgebouwd, kregen zij in bezit, 45. zodat zij Zijn voorschriften zouden houden en Zijn wetten bewaren. Halleluja. ## Psalmen 106 — Wij hebben gezondigd, net als onze voorouders 1. Halleluja. Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn trouw duurt voor altijd. 2. Wie kan de machtige daden van de HEERE navertellen? Wie kan al Zijn lof verkondigen? 3. Gelukkig zijn zij die het recht bewaren, die altijd doen wat rechtvaardig is. 4. Denk aan mij, HEERE, met de goedheid die U voor Uw volk hebt. Zie naar mij om met Uw redding, 5. zodat ik het goede zie van wie U koos, mij verheug met de vreugde van Uw volk en mij beroem samen met Uw eigen bezit. 6. Wij hebben gezondigd, net als onze voorouders. Wij hebben verkeerd gedaan, wij hebben slecht gehandeld. 7. Onze voorouders in Egypte letten niet op Uw wonderen. Zij dachten niet aan Uw grote trouw, maar waren opstandig bij de zee, bij de Schelfzee. 8. Toch verloste Hij hen om Zijn naam, om Zijn kracht bekend te maken. 9. Hij bedreigde de Schelfzee, zodat zij droogviel. Hij liet hen door de diepte gaan als door een woestijn. 10. Hij verloste hen uit de hand van wie hen haatte. Hij bevrijdde hen uit de hand van de vijand. 11. Het water bedekte hun tegenstanders. Niet één van hen bleef over. 12. Toen geloofden zij Zijn woorden. Zij zongen Zijn lof. 13. Maar zij vergaten Zijn daden al snel. Zij wachtten Zijn raad niet af. 14. In de woestijn werden zij hebberig. In de wildernis daagden zij God uit. 15. Toen gaf Hij hun wat zij vroegen, maar Hij maakte hen ook mager van binnen. 16. In het kamp werden zij jaloers op Mozes en op Aäron, de heilige van de HEERE. 17. De aarde ging open en verslond Dathan. Zij bedekte de groep van Abiram. 18. Een vuur brandde in hun groep. Een vlam verbrandde de goddelozen. 19. Bij de Horeb maakten zij een kalf. Zij bogen voor een gegoten beeld. 20. Zij ruilden hun Eer in voor het beeld van een stier die gras eet. 21. Zij vergaten God, hun Redder, die grote dingen had gedaan in Egypte, 22. wonderen in het land van Cham, ontzagwekkende daden bij de Schelfzee. 23. Daarom zei Hij dat Hij hen zou vernietigen. Maar Mozes, die Hij had uitgekozen, ging voor Hem in de bres staan om Zijn woede af te wenden, zodat Hij hen niet vernietigde. 24. Zij versmaadden ook het mooie land. Zij geloofden Zijn woord niet. 25. Zij mopperden in hun tenten. Naar de stem van de HEERE luisterden zij niet. 26. Daarom hief Hij Zijn hand tegen hen op en zwoer dat Hij hen zou laten vallen in de woestijn, 27. dat Hij hun nakomelingen zou laten vallen tussen de volken en hen zou verstrooien over de landen. 28. Zij bonden zich ook aan Baäl-peor en aten van offers voor de doden. 29. Zo maakten zij de Heere boos met wat zij deden, en er brak een plaag onder hen uit. 30. Toen stond Pinehas op en sprak recht, en de plaag hield op. 31. Dat is hem gerekend als gerechtigheid, van geslacht op geslacht, voor altijd. 32. Bij het water van Meriba maakten zij Hem heel boos, en het liep slecht af met Mozes door hun schuld. 33. Want zij maakten zijn geest bitter, zodat hij ondoordachte woorden sprak. 34. Zij vernietigden de volken niet die de HEERE hun genoemd had. 35. In plaats daarvan vermengden zij zich met de volken en leerden hun gewoonten. 36. Zij dienden hun afgoden, en die werden een val voor hen. 37. Zij offerden zelfs hun zonen en hun dochters aan de demonen. 38. Zij vergoten onschuldig bloed, het bloed van hun zonen en dochters, dat zij offerden aan de afgoden van Kanaän. Zo raakte het land ontheiligd door die bloedschuld. 39. Zij maakten zich onrein door wat zij deden. Met hun daden waren zij ontrouw. 40. Daarom ontstak de toorn van de HEERE tegen Zijn volk. Hij kreeg een afkeer van Zijn eigen bezit. 41. Hij gaf hen over in de hand van de volken. Wie hen haatten, heersten over hen. 42. Hun vijanden onderdrukten hen. Zij werden vernederd onder hun hand. 43. Vaak heeft Hij hen gered, maar zij tergden Hem met hun eigen plannen en raakten uitgeput door hun eigen schuld. 44. Toch zag Hij hun nood aan, toen Hij hun schreeuw hoorde. 45. Hij dacht aan Zijn verbond, hun ten goede. Hij kreeg spijt om Zijn grote trouw. 46. Hij gaf hun ontferming bij allen die hen gevangen hielden. 47. Verlos ons, HEERE, onze God, en breng ons bijeen uit de volken, zodat wij Uw heilige naam loven en ons beroemen op Uw lof. 48. Geprezen zij de HEERE, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Laat het hele volk zeggen: Amen. Halleluja. ## Psalmen 107 — Laat hen de HEERE danken voor Zijn trouw 1. Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn trouw duurt voor altijd. 2. Laat dat zeggen wie de HEERE bevrijd heeft, die Hij bevrijdde uit de hand van de tegenstanders 3. en die Hij bijeenbracht uit alle landen, uit het oosten en het westen, uit het noorden en van de zee. 4. Sommigen dwaalden door de woestijn, over ongebaande wegen. Zij vonden geen stad om te wonen. 5. Zij hadden honger en dorst. Hun leven raakte op. 6. Maar zij riepen tot de HEERE in hun nood, en Hij redde hen uit hun angst. 7. Hij leidde hen langs een rechte weg naar een stad om te wonen. 8. Laat hen de HEERE danken voor Zijn trouw, voor Zijn wonderen aan de mensen. 9. Want Hij heeft de dorstige verzadigd en de hongerige gevuld met het goede. 10. Anderen zaten in het donker en in de schaduw van de dood, gevangen in ellende en ijzer. 11. Want zij waren opstandig geweest tegen de geboden van God. Zij hadden de raad van de Allerhoogste verworpen. 12. Daarom boog Hij hun hart onder zware moeite. Zij struikelden en er was niemand die hielp. 13. Maar zij riepen tot de HEERE in hun nood, en Hij verloste hen uit hun angst. 14. Hij haalde hen uit het donker en de schaduw van de dood. Hij brak hun boeien stuk. 15. Laat hen de HEERE danken voor Zijn trouw, voor Zijn wonderen aan de mensen. 16. Want Hij heeft bronzen deuren gebroken en ijzeren grendels doormidden geslagen. 17. Dwazen werden geplaagd om hun opstandige weg en om hun schuld. 18. Zij walgden van alle eten. Zij kwamen tot aan de poorten van de dood. 19. Maar zij riepen tot de HEERE in hun nood, en Hij verloste hen uit hun angst. 20. Hij stuurde Zijn woord en genas hen. Hij trok hen weg uit hun kuilen. 21. Laat hen de HEERE danken voor Zijn trouw, voor Zijn wonderen aan de mensen. 22. Laat hen dankoffers brengen en met gejuich vertellen wat Hij gedaan heeft. 23. Weer anderen gingen met schepen de zee op om handel te drijven op het grote water. 24. Zij zagen de werken van de HEERE en Zijn wonderen in de diepte. 25. Hij sprak, en er stak een storm op die de golven hoog opjoeg. 26. Zij stegen op naar de hemel en zakten weg in de diepte. Hun moed smolt weg van angst. 27. Zij dansten en waggelden als een dronken man. Al hun kennis hielp hun niets meer. 28. Maar zij riepen tot de HEERE in hun nood, en Hij bracht hen uit hun angst. 29. Hij liet de storm gaan liggen, zodat de golven stil werden. 30. Toen waren zij blij dat het stil werd, en Hij bracht hen naar de haven waar zij wilden zijn. 31. Laat hen de HEERE danken voor Zijn trouw, voor Zijn wonderen aan de mensen. 32. Laat hen Hem hoog prijzen in de bijeenkomst van het volk en Hem eren waar de oudsten samen zitten. 33. Hij maakt rivieren tot woestijn en waterstromen tot dorstig land. 34. Vruchtbaar land wordt een zoutvlakte, om het kwaad van wie er wonen. 35. Hij maakt de woestijn tot een waterplas en het dorre land tot waterstromen. 36. Daar laat Hij hongerigen wonen, en zij bouwen een stad om in te wonen. 37. Zij zaaien akkers in en planten wijngaarden, die een rijke oogst opleveren. 38. Hij zegent hen, zodat zij heel talrijk worden, en Hij laat hun vee niet minder worden. 39. Daarna worden zij weer minder en gaan zij gebukt onder onderdrukking, kwaad en verdriet. 40. Hij stort verachting uit over de vorsten en laat hen dwalen in een woestenij zonder weg. 41. Maar de arme tilt Hij uit zijn ellende omhoog. Hij maakt families zo groot als kudden. 42. Wie eerlijk leeft, ziet het en is blij. Al het onrecht houdt zijn mond. 43. Wie is wijs? Laat die hierop letten en goed nadenken over de trouw van de HEERE. ## Psalmen 108 — Mijn hart is gereed, o God 1. Een lied, een psalm van David. 2. O God, mijn hart is gereed. Ik zal zingen en spelen, ook met mijn ziel. 3. Word wakker, luit en harp. Ik zal wakker worden bij het eerste licht. 4. Ik zal U prijzen onder de volken, HEERE. Ik zal voor U zingen onder de naties. 5. Want Uw trouw reikt hoger dan de hemel, Uw waarheid tot aan de wolken. 6. Verhef U boven de hemel, o God. Laat Uw eer over de hele aarde gaan. 7. Zo worden zij bevrijd van wie U houdt. Red met Uw rechterhand en geef ons antwoord. 8. God heeft in Zijn heiligdom gesproken: Ik zal juichen als ik Sichem verdeel en het dal van Sukkot opmeet. 9. Gilead is van mij en Manasse is van mij. Efraïm is de helm op mijn hoofd, Juda is mijn scepter. 10. Moab is mijn waskom. Op Edom gooi ik mijn sandaal. Over Filistea juich ik het uit. 11. Wie brengt mij binnen de vestingstad? Wie leidt mij tot in Edom? 12. Bent U het niet, o God, die ons had weggestoten? U trok toch niet meer met onze legers mee? 13. Geef ons hulp uit de nood, want redding door mensen is niets waard. 14. Met God zullen wij dappere daden doen. Hij zal onze tegenstanders vertrappen. ## Psalmen 109 — Help mij, HEERE, mijn God 1. Een psalm van David, voor de koorleider. God die ik prijs, zwijg niet. 2. Want een goddeloze mond en een bedrieglijke mond gaan tegen mij open. Zij spreken over mij met een valse tong. 3. Zij hebben mij omringd met woorden van haat. Zonder reden vallen zij mij aan. 4. Voor mijn liefde klagen zij mij aan, maar ik bleef bidden. 5. Zij vergelden mij kwaad voor goed en haat voor mijn liefde. 6. Stel een goddeloze over hem aan. Laat de satan aan zijn rechterhand staan. 7. Laat hem schuldig worden bevonden als hij terechtstaat. Laat zijn gebed tot zonde worden. 8. Laat zijn dagen weinig zijn. Laat een ander zijn ambt overnemen. 9. Laat zijn kinderen wezen worden en zijn vrouw weduwe. 10. Laat zijn kinderen zwerven en bedelen. Laat hen eten zoeken tussen hun verwoeste huizen. 11. Laat de schuldeiser beslag leggen op alles wat hij heeft. Laat vreemden roven waar hij voor gewerkt heeft. 12. Laat er niemand zijn die goed voor hem is. Laat niemand zich ontfermen over zijn wezen. 13. Laat zijn nakomelingen worden uitgeroeid. Laat hun naam in de volgende generatie worden uitgewist. 14. Laat de schuld van zijn voorouders bij de HEERE in gedachten blijven. Laat de zonde van zijn moeder niet worden uitgewist. 15. Laat die altijd voor de HEERE liggen. Laat Hij de herinnering aan hen van de aarde wegvagen. 16. Want hij dacht er niet aan goed te doen. Hij vervolgde de arme en behoeftige man en wie gebroken was van hart, om hem te doden. 17. Hij hield van de vloek; laat die over hem komen. Hij had geen zin in de zegen; laat die ver van hem blijven. 18. Hij trok de vloek aan als een kleed. Laat die in hem doordringen als water en als olie in zijn botten. 19. Laat die voor hem zijn als een kleed waarin hij zich wikkelt, als een riem die hij altijd omdoet. 20. Laat dit het loon zijn dat de HEERE mijn tegenstanders geeft, wie kwaad spreken over mij. 21. Maar U, HEERE, mijn Heere, handel met mij om Uw naam. Uw trouw is goed; red mij. 22. Want ik ben arm en behoeftig. Mijn hart is diep in mij gewond. 23. Ik verdwijn als een schaduw die langer wordt. Ik word weggeblazen als een sprinkhaan. 24. Mijn knieën knikken van het vasten. Mijn lichaam is vermagerd; er zit geen vet meer aan. 25. Bovendien ben ik voor hen een mikpunt van spot. Zien zij mij, dan schudden zij hun hoofd. 26. Help mij, HEERE, mijn God. Red mij naar Uw trouw. 27. Laat hen weten dat dit Uw hand is, dat U het gedaan hebt, HEERE. 28. Laat hen maar vloeken, als U maar zegent. Laten zij opstaan en beschaamd worden, maar laat Uw dienaar blij zijn. 29. Laat mijn tegenstanders bekleed worden met schande. Laat hun schaamte hen bedekken als een mantel. 30. Ik zal de HEERE hardop prijzen. Midden onder velen zal ik Hem eren. 31. Want Hij staat aan de rechterhand van de arme, om hem te redden van wie hem veroordelen. ## Psalmen 110 — De HEERE zei tegen mijn Heere 1. Een psalm van David. De HEERE zei tegen mijn Heere: Ga aan mijn rechterhand zitten, totdat ik Uw vijanden als een voetbank onder Uw voeten leg. 2. De HEERE zal de scepter van Uw macht uitstrekken vanuit Sion: Heers te midden van Uw vijanden. 3. Uw volk zal zich gewillig aanbieden op de dag dat U Uw leger verzamelt, in heilige pracht. Uit de schoot van de dageraad komt de dauw van Uw jeugd. 4. De HEERE heeft gezworen en Hij zal er geen spijt van krijgen: U bent Priester tot in eeuwigheid, naar de orde van Melchizedek. 5. De HEERE staat aan Uw rechterhand. Op de dag van Zijn toorn zal Hij koningen verslaan. 6. Hij zal recht spreken onder de volken. Hij zal het slagveld vullen met doden. Hij zal het hoofd verslaan van een groot land. 7. Onderweg zal Hij drinken uit de beek. Daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen. ## Psalmen 111 — De werken van de HEERE zijn groot 1. Halleluja. Ik zal de HEERE prijzen met heel mijn hart, in de kring en de bijeenkomst van wie eerlijk zijn. 2. De werken van de HEERE zijn groot. Wie er vreugde in vinden, zoeken ze uit. 3. Wat Hij doet is majesteit en pracht. Zijn gerechtigheid houdt voor altijd stand. 4. Hij heeft voor Zijn wonderen een gedenkteken gemaakt. Genadig en barmhartig is de HEERE. 5. Hij heeft eten gegeven aan wie ontzag voor Hem hebben. Voor altijd denkt Hij aan Zijn verbond. 6. Hij heeft Zijn volk de kracht van Zijn werken laten zien door hun het land van de volken te geven. 7. Wat Zijn handen doen is waarheid en recht. Al Zijn bevelen zijn betrouwbaar. 8. Zij staan vast voor altijd en eeuwig, gedaan in waarheid en oprechtheid. 9. Hij heeft Zijn volk verlossing gestuurd. Hij heeft Zijn verbond voor altijd ingesteld. Heilig en ontzagwekkend is Zijn naam. 10. Ontzag voor de HEERE is het begin van wijsheid. Iedereen die ernaar leeft, krijgt goed inzicht. Zijn lof houdt voor altijd stand. ## Psalmen 112 — Gelukkig is wie ontzag heeft voor de HEERE 1. Halleluja. Gelukkig is de mens die ontzag heeft voor de HEERE, die grote vreugde vindt in Zijn geboden. 2. Zijn nageslacht zal machtig zijn op aarde. Het geslacht van wie eerlijk zijn, zal gezegend worden. 3. In zijn huis is bezit en rijkdom. Zijn gerechtigheid houdt voor altijd stand. 4. Voor wie eerlijk zijn gaat het licht op in het donker. Hij is genadig, barmhartig en rechtvaardig. 5. Goed gaat het de man die zich ontfermt en uitleent, die zijn zaken eerlijk regelt. 6. Ja, hij zal nooit wankelen. Aan de rechtvaardige zal men voor altijd blijven denken. 7. Voor een slecht bericht is hij niet bang. Zijn hart staat vast; hij vertrouwt op de HEERE. 8. Zijn hart is stevig, hij is niet bang, totdat hij op zijn tegenstanders neerkijkt. 9. Hij deelt uit, hij geeft aan de arme. Zijn gerechtigheid houdt voor altijd stand. Zijn hoorn wordt hoog geheven in eer. 10. De goddeloze ziet het en wordt boos. Hij knarst met zijn tanden en smelt weg. Wat de goddelozen willen, gaat verloren. ## Psalmen 113 — Hij zet de arme bij de vorsten 1. Halleluja. Prijs, dienaren van de HEERE, prijs de naam van de HEERE. 2. Geprezen zij de naam van de HEERE, van nu af tot in eeuwigheid. 3. Van waar de zon opgaat tot waar zij ondergaat, zij de naam van de HEERE geprezen. 4. De HEERE is hoog boven alle volken. Zijn majesteit reikt boven de hemel. 5. Wie is als de HEERE, onze God? Hij woont heel hoog. 6. Hij kijkt heel diep neer, in de hemel en op de aarde. 7. Hij tilt de geringe op uit het stof. Hij haalt de arme omhoog uit het vuil, 8. om hem te laten zitten bij de vorsten, bij de vorsten van Zijn volk. 9. Hij geeft de vrouw zonder kinderen een gezin in huis, als een blijde moeder van kinderen. Halleluja. ## Psalmen 114 — Beef, aarde, voor de Heere 1. Toen Israël uit Egypte trok, het huis van Jakob weg bij een volk met een vreemde taal, 2. werd Juda Zijn heiligdom, Israël het gebied waar Hij heerste. 3. De zee zag het en vluchtte. De Jordaan trok zich terug. 4. De bergen sprongen als rammen, de heuvels als lammeren. 5. Wat was er, zee, dat je vluchtte? Jordaan, dat je je terugtrok? 6. Bergen, dat jullie opsprongen als rammen? Heuvels, als lammeren? 7. Beef, aarde, voor het gezicht van de Heere, voor het gezicht van de God van Jakob. 8. Hij veranderde de rots in een waterplas, de keisteen in een bron van water. ## Psalmen 115 — Niet ons, HEERE, maar Uw naam 1. Niet ons, HEERE, niet ons, maar geef eer aan Uw naam, om Uw trouw, om Uw waarheid. 2. Waarom zouden de volken zeggen: Waar is nu hun God? 3. Onze God is toch in de hemel. Hij doet alles wat Hij wil. 4. Hun afgoden zijn zilver en goud, gemaakt door mensenhanden. 5. Zij hebben een mond, maar spreken niet. Zij hebben ogen, maar zien niet. 6. Zij hebben oren, maar horen niet. Zij hebben een neus, maar ruiken niet. 7. Zij hebben handen, maar voelen niet. Zij hebben voeten, maar lopen niet. Uit hun keel komt geen geluid. 8. Wie ze maken, worden net als zij, en ook iedereen die op ze vertrouwt. 9. Israël, vertrouw op de HEERE. Hij is hun hulp en hun schild. 10. Huis van Aäron, vertrouw op de HEERE. Hij is hun hulp en hun schild. 11. Jullie die ontzag hebben voor de HEERE, vertrouw op de HEERE. Hij is hun hulp en hun schild. 12. De HEERE heeft aan ons gedacht. Hij zal zegenen. Hij zal het huis van Israël zegenen. Hij zal het huis van Aäron zegenen. 13. Hij zal zegenen wie ontzag voor Hem hebben, de kleinen samen met de groten. 14. De HEERE zal jullie zegen groter maken, voor jullie en voor jullie kinderen. 15. Jullie zijn gezegend door de HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft. 16. De hemel is de hemel van de HEERE, maar de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven. 17. De doden prijzen de HEERE niet, niemand die is afgedaald in de stilte. 18. Maar wij zullen de HEERE prijzen, van nu af tot in eeuwigheid. Halleluja. ## Psalmen 116 — Ik heb de HEERE lief 1. Ik heb de HEERE lief, want Hij hoort mijn stem, mijn smeekbeden. 2. Want Hij buigt Zijn oor naar mij. Daarom zal ik Hem aanroepen zolang ik leef. 3. De banden van de dood hadden mij omringd. De angsten van het dodenrijk hadden mij gegrepen. Ik kwam in nood en verdriet terecht. 4. Maar ik riep de naam van de HEERE aan: HEERE, red toch mijn leven. 5. De HEERE is genadig en rechtvaardig. Onze God ontfermt Zich. 6. De HEERE bewaart wie eenvoudig zijn. Ik was uitgeput, maar Hij heeft mij gered. 7. Kom terug tot je rust, mijn ziel, want de HEERE is goed voor je geweest. 8. Want U, HEERE, hebt mijn leven gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van struikelen. 9. Ik zal wandelen voor het gezicht van de HEERE, in de landen van de levenden. 10. Ik heb geloofd, daarom sprak ik. Ik was zwaar neergedrukt. 11. In mijn haast zei ik: Alle mensen zijn leugenaars. 12. Wat zal ik de HEERE teruggeven voor al Zijn weldaden aan mij? 13. Ik zal de beker van de redding opheffen en de naam van de HEERE aanroepen. 14. Ik zal mijn geloften aan de HEERE inlossen, nu, in het bijzijn van heel Zijn volk. 15. Kostbaar is in de ogen van de HEERE de dood van wie Hem trouw zijn. 16. HEERE, ik ben echt Uw dienaar. Ik ben Uw dienaar, de zoon van Uw dienares. U hebt mijn boeien losgemaakt. 17. Ik zal U een dankoffer brengen en de naam van de HEERE aanroepen. 18. Ik zal mijn gelofte aan de HEERE inlossen, nu, in het bijzijn van heel Zijn volk, 19. in de voorhoven van het huis van de HEERE, midden in jou, Jeruzalem. Halleluja. ## Psalmen 117 — Loof de HEERE, alle volken 1. Loof de HEERE, alle volken. Prijs Hem, alle naties. 2. Want Zijn trouw is machtig over ons. De waarheid van de HEERE duurt voor altijd. Halleluja. ## Psalmen 118 — Zijn trouw duurt voor altijd 1. Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn trouw duurt voor altijd. 2. Laat Israël nu zeggen: Zijn trouw duurt voor altijd. 3. Laat het huis van Aäron nu zeggen: Zijn trouw duurt voor altijd. 4. Laat wie ontzag hebben voor de HEERE nu zeggen: Zijn trouw duurt voor altijd. 5. Uit de nood riep ik de HEERE aan. De HEERE antwoordde mij en zette mij in de ruimte. 6. De HEERE is bij mij, ik zal niet bang zijn. Wat zou een mens mij doen? 7. De HEERE is bij mij als mijn helper. Ik zal met voldoening neerzien op wie mij haten. 8. Het is beter bij de HEERE te schuilen dan op mensen te vertrouwen. 9. Het is beter bij de HEERE te schuilen dan op vorsten te vertrouwen. 10. Alle volken hadden mij omringd. In de naam van de HEERE heb ik ze verslagen. 11. Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd. In de naam van de HEERE heb ik ze verslagen. 12. Zij hadden mij omringd als bijen, maar zij doofden uit als een vuur van doornen. In de naam van de HEERE heb ik ze verslagen. 13. Je hebt mij hard geduwd, zodat ik bijna viel, maar de HEERE heeft mij geholpen. 14. De HEERE is mijn kracht en mijn lied. Hij is mijn redding geworden. 15. In de tenten van de rechtvaardigen klinkt gejuich om de redding. De rechterhand van de HEERE doet machtige daden. 16. De rechterhand van de HEERE is hoog geheven. De rechterhand van de HEERE doet machtige daden. 17. Ik zal niet sterven, maar leven, en vertellen wat de HEERE gedaan heeft. 18. De HEERE heeft mij hard gestraft, maar Hij heeft mij niet aan de dood overgegeven. 19. Open voor mij de poorten van de gerechtigheid. Ik zal erdoor naar binnen gaan en de HEERE prijzen. 20. Dit is de poort van de HEERE; de rechtvaardigen gaan erdoor naar binnen. 21. Ik zal U prijzen, want U hebt mij geantwoord. U bent mijn redding geworden. 22. De steen die de bouwers afkeurden, is de belangrijkste hoeksteen geworden. 23. De HEERE heeft dit gedaan. Het is wonderlijk in onze ogen. 24. Dit is de dag die de HEERE gemaakt heeft. Laten wij juichen en blij zijn. 25. HEERE, geef toch redding. HEERE, geef toch voorspoed. 26. Gezegend is hij die komt in de naam van de HEERE. Wij zegenen jullie vanuit het huis van de HEERE. 27. De HEERE is God; Hij heeft ons licht gegeven. Bind het feestoffer met touwen vast aan de horens van het altaar. 28. U bent mijn God, daarom zal ik U prijzen. Mijn God, ik zal U hoog verheffen. 29. Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn trouw duurt voor altijd. ## Psalmen 119 — Uw woord is een lamp voor mijn voet 1. Gelukkig zijn wie onberispelijk leven, wie de wet van de HEERE volgen. 2. Gelukkig zijn wie Zijn getuigenissen bewaren, wie Hem met heel hun hart zoeken. 3. Zij doen geen onrecht, maar gaan Zijn wegen. 4. HEERE, U hebt geboden dat men Uw bevelen goed moet bewaren. 5. Ach, waren mijn wegen maar vast gericht op het houden van Uw voorschriften. 6. Dan zou ik niet beschaamd staan als ik naar al Uw geboden kijk. 7. Ik zal U prijzen met een oprecht hart, als ik Uw rechtvaardige regels heb geleerd. 8. Ik zal Uw voorschriften bewaren. Laat mij niet helemaal in de steek. 9. Waarmee houdt een jongere zijn pad zuiver? Door zich te houden aan Uw woord. 10. Ik zoek U met heel mijn hart. Laat mij niet afdwalen van Uw geboden. 11. Ik heb Uw woord in mijn hart bewaard, zodat ik niet tegen U zou zondigen. 12. HEERE, U bent gezegend. Leer mij Uw voorschriften. 13. Met mijn lippen heb ik alle regels uit Uw mond verteld. 14. De weg van Uw getuigenissen maakt mij blijer dan alle rijkdom. 15. Ik zal Uw bevelen overdenken en op Uw paden letten. 16. Ik zal mij verheugen in Uw voorschriften. Uw woord zal ik niet vergeten. 17. Wees goed voor Uw dienaar, zodat ik leef en Uw woord bewaar. 18. Open mijn ogen, zodat ik de wonderen van Uw wet zie. 19. Ik ben een vreemdeling op aarde. Verberg Uw geboden niet voor mij. 20. Mijn ziel is gebroken van verlangen naar Uw oordelen, altijd door. 21. U bestraft de vervloekte trotsen, die afdwalen van Uw geboden. 22. Neem smaad en verachting van mij weg, want ik heb Uw getuigenissen bewaard. 23. Zelfs als vorsten bij elkaar zitten en tegen mij spreken, denkt Uw dienaar over Uw voorschriften na. 24. Uw getuigenissen zijn mijn vreugde; zij zijn mijn raadgevers. 25. Mijn ziel kleeft aan het stof. Houd mij in leven naar Uw woord. 26. Ik heb U mijn wegen verteld en U hebt mij geantwoord. Leer mij Uw voorschriften. 27. Laat mij de weg van Uw bevelen begrijpen, dan zal ik over Uw wonderen nadenken. 28. Mijn ziel druipt weg van verdriet. Richt mij op naar Uw woord. 29. Houd de weg van de leugen bij mij vandaan. Geef mij in genade Uw wet. 30. Ik heb de weg van de waarheid gekozen. Uw regels houd ik mij voor ogen. 31. Ik houd mij vast aan Uw getuigenissen. HEERE, laat mij niet beschaamd staan. 32. Ik zal de weg van Uw geboden lopen, want U maakt mijn hart wijd. 33. HEERE, leer mij de weg van Uw voorschriften, dan zal ik die houden tot het eind. 34. Geef mij inzicht, dan zal ik Uw wet houden. Ja, ik zal mij eraan houden met heel mijn hart. 35. Laat mij gaan op het pad van Uw geboden, want daar houd ik van. 36. Neig mijn hart naar Uw getuigenissen en niet naar geldzucht. 37. Houd mijn ogen af van wat leeg is. Houd mij in leven op Uw wegen. 38. Maak Uw belofte waar aan Uw dienaar, die ontzag voor U heeft. 39. Neem de smaad weg waar ik bang voor ben, want Uw regels zijn goed. 40. Kijk, ik verlang naar Uw bevelen. Houd mij in leven door Uw gerechtigheid. 41. Laat Uw trouw mij bereiken, HEERE, Uw redding, zoals U beloofd hebt. 42. Dan heb ik een antwoord voor wie mij bespot, want ik vertrouw op Uw woord. 43. Neem het woord van de waarheid niet helemaal uit mijn mond weg, want ik hoop op Uw regels. 44. Dan zal ik mij altijd aan Uw wet houden, voor eeuwig en altijd. 45. Dan zal ik lopen in de ruimte, want ik heb Uw bevelen gezocht. 46. Ik zal over Uw getuigenissen spreken voor koningen, en mij niet schamen. 47. Ik zal mij verheugen in Uw geboden, waar ik van houd. 48. Ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, waar ik van houd, en over Uw voorschriften nadenken. 49. Denk aan het woord dat U tot Uw dienaar sprak, want daarop hebt U mij laten hopen. 50. Dat is mijn troost in mijn ellende: Uw belofte heeft mij in leven gehouden. 51. Trotse mensen hebben mij zwaar bespot, maar van Uw wet ben ik niet geweken. 52. HEERE, ik dacht aan Uw oordelen van vroeger, en ik vond troost. 53. Grote ontzetting greep mij aan om de goddelozen, die Uw wet verlaten. 54. Uw voorschriften waren mijn liederen in het huis waar ik als vreemdeling woonde. 55. HEERE, 's nachts dacht ik aan Uw naam en hield ik Uw wet. 56. Dit is mij gebeurd omdat ik Uw bevelen bewaard heb. 57. De HEERE is mijn deel. Ik heb gezegd dat ik Uw woorden zal bewaren. 58. Ik heb met heel mijn hart Uw gunst gezocht. Wees mij genadig, zoals U beloofd hebt. 59. Ik heb over mijn wegen nagedacht en mijn voeten teruggekeerd naar Uw getuigenissen. 60. Ik heb mij gehaast en niet getalmd om Uw geboden te houden. 61. Benden van goddelozen hebben mij beroofd, maar Uw wet ben ik niet vergeten. 62. Midden in de nacht sta ik op om U te prijzen om Uw rechtvaardige regels. 63. Ik ben een vriend van allen die ontzag voor U hebben en die Uw bevelen houden. 64. HEERE, de aarde is vol van Uw trouw. Leer mij Uw voorschriften. 65. U hebt goed gedaan aan Uw dienaar, HEERE, naar Uw woord. 66. Leer mij goed oordelen en kennis, want ik geloof in Uw geboden. 67. Voordat ik vernederd werd, dwaalde ik. Nu houd ik mij aan Uw woord. 68. U bent goed en U doet goed. Leer mij Uw voorschriften. 69. Trotse mensen hebben leugens over mij verzonnen, maar ik bewaar Uw bevelen met heel mijn hart. 70. Hun hart is ongevoelig als vet, maar ik vind vreugde in Uw wet. 71. Het was goed voor mij dat ik vernederd werd, zodat ik Uw voorschriften leerde. 72. De wet uit Uw mond is beter voor mij dan duizenden stukken goud of zilver. 73. Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd. Geef mij inzicht, zodat ik Uw geboden leer. 74. Wie ontzag voor U hebben, zullen mij zien en blij zijn, omdat ik op Uw woord gehoopt heb. 75. Ik weet, HEERE, dat Uw oordelen rechtvaardig zijn en dat U mij uit trouw vernederd hebt. 76. Laat Uw trouw mij toch troosten, zoals U Uw dienaar beloofd hebt. 77. Laat Uw ontferming mij bereiken, zodat ik leef, want Uw wet is al mijn vreugde. 78. Laat de trotsen beschaamd staan, want zij hebben mij met leugens omvergeduwd. Ik denk over Uw geboden na. 79. Laat wie ontzag voor U hebben zich tot mij keren, en wie Uw getuigenissen kennen. 80. Laat mijn hart oprecht zijn in Uw voorschriften, zodat ik niet beschaamd sta. 81. Mijn ziel bezwijkt van verlangen naar Uw redding. Ik hoop op Uw woord. 82. Mijn ogen bezwijken van verlangen naar Uw belofte. Ik zeg: Wanneer troost U mij? 83. Want ik ben geworden als een leren zak in de rook, maar Uw voorschriften ben ik niet vergeten. 84. Hoeveel dagen heeft Uw dienaar nog? Wanneer spreekt U recht over wie mij vervolgen? 85. Trotse mensen hebben kuilen voor mij gegraven. Dat past niet bij Uw wet. 86. Al Uw geboden zijn waarheid. Zij vervolgen mij met leugens; help mij. 87. Zij hebben mij bijna van de aarde weggevaagd, maar Uw bevelen heb ik niet verlaten. 88. Houd mij in leven naar Uw trouw, dan zal ik de getuigenis uit Uw mond bewaren. 89. HEERE, Uw woord staat voor altijd vast in de hemel. 90. Uw trouw duurt van geslacht op geslacht. U hebt de aarde vastgezet en zij blijft staan. 91. Volgens Uw verordeningen staan zij er vandaag nog, want alles staat in Uw dienst. 92. Als Uw wet niet al mijn vreugde was geweest, was ik in mijn ellende allang omgekomen. 93. Uw bevelen zal ik nooit vergeten, want daardoor hebt U mij in leven gehouden. 94. Ik ben van U; red mij, want ik heb Uw bevelen gezocht. 95. Goddelozen hebben op mij geloerd om mij te laten omkomen, maar ik let op Uw getuigenissen. 96. Aan alles wat volmaakt lijkt heb ik een eind gezien, maar Uw gebod is heel wijd. 97. Hoe lief heb ik Uw wet. De hele dag denk ik erover na. 98. Uw geboden maken mij wijzer dan mijn vijanden, want zij zijn altijd bij mij. 99. Ik heb meer inzicht dan al mijn leraren, omdat ik over Uw getuigenissen nadenk. 100. Ik ben verstandiger dan de ouderen, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. 101. Ik heb mijn voeten weggehouden van elk kwaad pad, om mij aan Uw woord te houden. 102. Van Uw regels ben ik niet afgeweken, want U hebt mij onderwezen. 103. Hoe zoet zijn Uw woorden voor mijn gehemelte, zoeter dan honing voor mijn mond. 104. Door Uw bevelen krijg ik inzicht. Daarom haat ik elk pad van leugen. 105. Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. 106. Ik heb gezworen en ik zal het houden: ik zal mij aan Uw rechtvaardige regels houden. 107. Ik ben zwaar vernederd, HEERE. Houd mij in leven naar Uw woord. 108. Laat de vrijwillige woorden van mijn mond U behagen, HEERE, en leer mij Uw regels. 109. Mijn leven ligt voortdurend in mijn hand, maar Uw wet vergeet ik niet. 110. Goddelozen hebben een val voor mij gezet, maar van Uw bevelen ben ik niet afgedwaald. 111. Uw getuigenissen heb ik als een eeuwig erfdeel genomen, want zij zijn de vreugde van mijn hart. 112. Ik heb mijn hart erop gezet Uw voorschriften te doen, voor altijd, tot het eind. 113. Ik haat dubbelhartige gedachten, maar Uw wet heb ik lief. 114. U bent mijn schuilplaats en mijn schild. Ik hoop op Uw woord. 115. Ga weg van mij, jullie die kwaad doen, dan kan ik de geboden van mijn God bewaren. 116. Ondersteun mij zoals U beloofd hebt, zodat ik leef. Laat mij niet beschaamd staan in mijn hoop. 117. Houd mij overeind, dan zal ik gered zijn en steeds op Uw voorschriften letten. 118. U verwerpt iedereen die afdwaalt van Uw voorschriften, want hun bedrog is leugen. 119. U ruimt alle goddelozen van de aarde op als schuim. Daarom heb ik Uw getuigenissen lief. 120. Mijn haren gaan overeind staan van schrik voor U. Ik ben bang voor Uw oordelen. 121. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan. Geef mij niet over aan wie mij onderdrukken. 122. Sta borg voor Uw dienaar, zodat het hem goed gaat. Laat trotse mensen mij niet onderdrukken. 123. Mijn ogen bezwijken van verlangen naar Uw redding en naar Uw rechtvaardige belofte. 124. Doe met Uw dienaar naar Uw trouw en leer mij Uw voorschriften. 125. Ik ben Uw dienaar. Geef mij inzicht, dan zal ik Uw getuigenissen kennen. 126. Het is tijd dat de HEERE ingrijpt, want zij hebben Uw wet gebroken. 127. Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja meer dan het zuiverste goud. 128. Daarom houd ik al Uw bevelen over alles voor juist. Elk pad van leugen haat ik. 129. Uw getuigenissen zijn wonderlijk. Daarom bewaart mijn ziel ze. 130. Het opengaan van Uw woorden geeft licht; het maakt eenvoudige mensen wijs. 131. Ik heb mijn mond wijd opengedaan en gehijgd, want ik verlangde naar Uw geboden. 132. Kijk naar mij en wees mij genadig, zoals het hoort bij wie van Uw naam houden. 133. Maak mijn voetstappen vast in Uw woord. Laat geen onrecht over mij heersen. 134. Verlos mij van de onderdrukking door mensen, dan zal ik Uw bevelen houden. 135. Laat Uw gezicht over Uw dienaar lichten en leer mij Uw voorschriften. 136. Beken water stromen uit mijn ogen, omdat zij zich niet aan Uw wet houden. 137. HEERE, U bent rechtvaardig, en elk van Uw oordelen is juist. 138. U hebt Uw getuigenissen opgelegd in gerechtigheid en in grote trouw. 139. Mijn ijver heeft mij verteerd, omdat mijn tegenstanders Uw woorden vergeten zijn. 140. Uw woord is door en door zuiver, en Uw dienaar heeft het lief. 141. Ik ben klein en veracht, maar Uw bevelen vergeet ik niet. 142. Uw gerechtigheid is gerechtigheid voor altijd, en Uw wet is de waarheid. 143. Nood en angst hebben mij getroffen, maar Uw geboden zijn mijn vreugde. 144. De gerechtigheid van Uw getuigenissen duurt voor altijd. Laat mij die begrijpen, dan zal ik leven. 145. Ik heb met heel mijn hart geroepen: Antwoord mij, HEERE. Ik zal Uw voorschriften bewaren. 146. Ik roep U aan; red mij, dan zal ik Uw getuigenissen houden. 147. Ik was er voor de morgenschemering en riep om hulp. Ik hoopte op Uw woord. 148. Mijn ogen zijn de nachtwaken voor, om over Uw woord na te denken. 149. Hoor mijn stem naar Uw trouw, HEERE. Houd mij in leven naar Uw recht. 150. Wie op kwade plannen uit zijn, komen dichtbij. Zij zijn ver van Uw wet. 151. Maar U, HEERE, bent nabij, en al Uw geboden zijn waarheid. 152. Al lang weet ik van Uw getuigenissen dat U ze voor altijd hebt vastgezet. 153. Zie mijn ellende aan en red mij, want Uw wet ben ik niet vergeten. 154. Voer mijn rechtszaak en koop mij vrij. Houd mij in leven naar Uw belofte. 155. De redding is ver van de goddelozen, want zij zoeken Uw voorschriften niet. 156. HEERE, Uw ontferming is groot. Houd mij in leven naar Uw regels. 157. Wie mij vervolgen en wie tegen mij zijn, zijn met velen, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet af. 158. Ik heb gezien wie trouweloos handelen, en het deed mij verdriet dat zij zich niet aan Uw woord hielden. 159. Zie hoe lief ik Uw bevelen heb, HEERE. Houd mij in leven naar Uw trouw. 160. Vanaf het begin is Uw woord waarheid, en al Uw rechtvaardige regels duren voor altijd. 161. Vorsten hebben mij zonder reden vervolgd, maar mijn hart heeft ontzag voor Uw woord. 162. Ik ben blij om Uw belofte, als iemand die een grote buit vindt. 163. Ik haat de leugen en heb er een afkeer van, maar Uw wet heb ik lief. 164. Zeven keer per dag prijs ik U om Uw rechtvaardige regels. 165. Wie van Uw wet houden, hebben veel vrede; niets brengt hen ten val. 166. HEERE, ik hoop op Uw redding en ik doe Uw geboden. 167. Mijn ziel houdt Uw getuigenissen, en ik heb ze heel erg lief. 168. Ik houd Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen liggen voor U open. 169. HEERE, laat mijn roepen tot voor U komen. Geef mij inzicht naar Uw woord. 170. Laat mijn smeken voor U komen. Red mij naar Uw belofte. 171. Mijn lippen zullen overvloeien van lof, want U leert mij Uw voorschriften. 172. Mijn tong zal zingen van Uw woord, want al Uw geboden zijn rechtvaardig. 173. Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen gekozen. 174. HEERE, ik verlang naar Uw redding, en Uw wet is al mijn vreugde. 175. Laat mijn ziel leven, dan zal zij U prijzen. Laat Uw regels mij helpen. 176. Ik heb gedwaald als een verloren schaap. Zoek Uw dienaar, want Uw geboden ben ik niet vergeten. ## Psalmen 120 — Ik riep tot de HEERE in mijn nood 1. Een pelgrimslied. Ik riep tot de HEERE in mijn nood, en Hij heeft mij geantwoord. 2. HEERE, red mijn leven van valse lippen, van een bedrieglijke tong. 3. Wat zal Hij jou geven, bedrieglijke tong? Wat zal Hij eraan toevoegen? 4. Scherpe pijlen van een krijgsman, met gloeiende kolen van de jeneverstruik. 5. Wee mij, dat ik als vreemdeling in Mesech woon, dat ik bij de tenten van Kedar woon. 6. Mijn ziel heeft lang gewoond bij mensen die de vrede haten. 7. Ik ben uit op vrede, maar als ik spreek, zijn zij uit op oorlog. ## Psalmen 121 — De HEERE is je Bewaarder 1. Een pelgrimslied. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, waarvandaan mijn hulp komen zal. 2. Mijn hulp komt van de HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft. 3. Hij zal je voet niet laten wankelen. Hij die jou bewaart, zal niet sluimeren. 4. Kijk, Hij die Israël bewaart, zal niet sluimeren en niet slapen. 5. De HEERE is je Bewaarder. De HEERE is je schaduw aan je rechterhand. 6. Overdag zal de zon je niet steken, en 's nachts de maan niet. 7. De HEERE zal je bewaren voor alle kwaad. Hij zal je leven bewaren. 8. De HEERE zal je gaan en je komen bewaren, van nu af tot in eeuwigheid. ## Psalmen 122 — Bid om de vrede van Jeruzalem 1. Een pelgrimslied van David. Ik was blij met wie tegen mij zeiden: Wij zullen naar het huis van de HEERE gaan. 2. Onze voeten staan in je poorten, Jeruzalem. 3. Jeruzalem is gebouwd als een stad die goed aaneengesloten is. 4. Daarheen gaan de stammen op, de stammen van de HEERE, naar de getuigenis voor Israël, om de naam van de HEERE te danken. 5. Want daar staan de rechterstoelen, de tronen van het huis van David. 6. Bid om de vrede van Jeruzalem. Laat het goed gaan met wie van je houden. 7. Vrede zij binnen je muren, welvaart in je paleizen. 8. Om mijn broers en mijn vrienden zal ik zeggen: vrede zij in jou. 9. Om het huis van de HEERE, onze God, zal ik het goede voor je zoeken. ## Psalmen 123 — Onze ogen zijn op de HEERE gericht 1. Een pelgrimslied. Ik hef mijn ogen op naar U, die in de hemel troont. 2. Kijk, zoals de ogen van dienaren gericht zijn op de hand van hun heer, zoals de ogen van een dienares gericht zijn op de hand van haar meesteres, zo zijn onze ogen gericht op de HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig is. 3. Wees ons genadig, HEERE, wees ons genadig, want wij hebben meer dan genoeg verachting gehad. 4. Wij hebben meer dan genoeg gehad van de spot van wie het goed gaat, van de verachting van de trotsen. ## Psalmen 124 — Onze hulp is in de naam van de HEERE 1. Een pelgrimslied van David. Laat Israël nu zeggen: Als de HEERE niet bij ons was geweest, 2. als de HEERE niet bij ons was geweest toen mensen tegen ons opstonden, 3. dan hadden zij ons levend verslonden, toen hun woede tegen ons ontbrandde. 4. Dan had het water ons overspoeld, dan was een stroom over ons heen gegaan. 5. Dan waren de woeste wateren over ons heen gegaan. 6. Geprezen zij de HEERE, die ons niet als prooi aan hun tanden heeft overgegeven. 7. Wij zijn ontkomen als een vogel uit de val van de vogelvanger. De val is gebroken en wij zijn ontkomen. 8. Onze hulp is in de naam van de HEERE, die hemel en aarde gemaakt heeft. ## Psalmen 125 — Zoals bergen rondom Jeruzalem 1. Een pelgrimslied. Wie op de HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt maar voor altijd blijft. 2. Rondom Jeruzalem liggen bergen. Zo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu af tot in eeuwigheid. 3. Want de scepter van de goddeloosheid zal niet rusten op het land van de rechtvaardigen, zodat de rechtvaardigen hun handen niet naar onrecht uitstrekken. 4. HEERE, doe goed aan wie goed zijn en aan wie oprecht zijn van hart. 5. Maar wie afbuigen naar hun kromme wegen, zal de HEERE wegvoeren samen met wie onrecht doen. Vrede zal over Israël zijn. ## Psalmen 126 — Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien 1. Een pelgrimslied. Toen de HEERE het lot van Sion keerde, waren wij als mensen die dromen. 2. Toen was onze mond vol lachen en onze tong vol gejuich. Toen zei men onder de volken: De HEERE heeft grote dingen voor hen gedaan. 3. De HEERE heeft grote dingen voor ons gedaan; daarom zijn wij blij. 4. HEERE, keer ons lot, zoals de beken terugkeren in het zuiden. 5. Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. 6. Wie het zaad draagt om te zaaien, gaat huilend op weg, maar hij komt zeker met gejuich terug en draagt zijn schoven. ## Psalmen 127 — Als de HEERE het huis niet bouwt 1. Een pelgrimslied van Salomo. Als de HEERE het huis niet bouwt, werken de bouwers er tevergeefs aan. Als de HEERE de stad niet bewaart, waakt de wachter tevergeefs. 2. Het is tevergeefs dat jullie vroeg opstaan en laat naar bed gaan en brood eten dat je met zorgen verdient. Wie Hij liefheeft, geeft Hij het in hun slaap. 3. Kijk, kinderen zijn een erfdeel van de HEERE. De vrucht van de moederschoot is een beloning. 4. Als pijlen in de hand van een held, zo zijn de zonen die je jong krijgt. 5. Gelukkig is de man die zijn pijlkoker ermee gevuld heeft. Zij zullen niet beschaamd staan als zij in de poort tegenover vijanden staan. ## Psalmen 128 — De HEERE zal je zegenen uit Sion 1. Een pelgrimslied. Gelukkig is ieder die ontzag heeft voor de HEERE, die Zijn wegen gaat. 2. Je zult eten van het werk van je handen. Gelukkig ben je, en het zal je goed gaan. 3. Je vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok binnen in je huis, je kinderen als jonge olijfbomen rondom je tafel. 4. Kijk, zo zal de man gezegend worden die ontzag heeft voor de HEERE. 5. De HEERE zal je zegenen uit Sion. Je zult het goede van Jeruzalem zien, alle dagen van je leven. 6. Je zult je kleinkinderen zien. Vrede over Israël. ## Psalmen 129 — Zij hebben mij niet overwonnen 1. Een pelgrimslied. Laat Israël nu zeggen: Zij hebben mij vaak benauwd vanaf mijn jeugd. 2. Zij hebben mij vaak benauwd vanaf mijn jeugd, maar zij hebben mij niet overwonnen. 3. Ploegers hebben over mijn rug geploegd. Zij hebben hun voren lang getrokken. 4. De HEERE is rechtvaardig; Hij heeft de touwen van de goddelozen doorgehakt. 5. Laat iedereen die Sion haat beschaamd terugdeinzen. 6. Laat hen worden als gras op de daken, dat verdort nog voor men het uittrekt. 7. De maaier vult er zijn hand niet mee, de schovenbinder zijn arm niet. 8. En wie voorbijkomen, zeggen niet: De zegen van de HEERE zij over jullie. Wij zegenen jullie in de naam van de HEERE. ## Psalmen 130 — Uit de diepten roep ik tot U 1. Een pelgrimslied. Uit de diepten roep ik tot U, HEERE. 2. HEERE, hoor naar mijn stem. Laat Uw oren letten op mijn smeken. 3. Als U op de zonden zou letten, HEERE, wie zou dan standhouden? 4. Maar bij U is vergeving, zodat men ontzag voor U heeft. 5. Ik verwacht de HEERE. Mijn ziel verwacht Hem, en ik hoop op Zijn woord. 6. Mijn ziel wacht op de HEERE, meer dan wachters op de morgen, meer dan wachters op de morgen. 7. Israël, hoop op de HEERE, want bij de HEERE is trouw en bij Hem is veel verlossing. 8. Hij zal Israël verlossen van al zijn schuld. ## Psalmen 131 — Als een kind bij zijn moeder 1. Een pelgrimslied van David. HEERE, mijn hart is niet hoogmoedig en mijn ogen kijken niet uit de hoogte. Ik heb mij niet begeven in dingen die te groot en te wonderlijk voor mij zijn. 2. Ik heb mijn ziel tot rust gebracht en stil gemaakt, als een kind dat niet meer bij zijn moeder drinkt. Als zo'n kind is mijn ziel in mij. 3. Israël, hoop op de HEERE, van nu af tot in eeuwigheid. ## Psalmen 132 — Sta op, HEERE, naar Uw rustplaats 1. Een pelgrimslied. HEERE, denk aan David, aan al zijn moeite. 2. Hij heeft de HEERE gezworen, hij heeft een gelofte gedaan aan de Machtige van Jakob: 3. Ik zal mijn huis niet binnengaan, ik zal niet op mijn bed gaan liggen, 4. ik zal mijn ogen geen slaap gunnen, mijn oogleden geen sluimer, 5. totdat ik een plaats voor de HEERE gevonden heb, een woning voor de Machtige van Jakob. 6. Kijk, wij hoorden ervan in Efratha. Wij vonden haar in de velden van Jaär. 7. Laten wij Zijn woning binnengaan. Laten wij ons buigen voor de voetbank van Zijn voeten. 8. Sta op, HEERE, naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw kracht. 9. Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid. Laat wie U trouw zijn juichen. 10. Wijs Uw gezalfde niet af, om David, Uw dienaar. 11. De HEERE heeft David de waarheid gezworen, en Hij zal daar niet van afwijken: Een zoon uit je eigen lichaam zal ik op je troon zetten. 12. Als je zonen mijn verbond houden en mijn getuigenissen die ik hun leren zal, dan zullen ook hun zonen voor altijd op je troon zitten. 13. Want de HEERE heeft Sion uitgekozen. Hij wilde daar wonen en zei: 14. Dit is mijn rustplaats voor altijd. Hier zal ik wonen, want dat wilde ik. 15. Ik zal haar voorraad rijk zegenen. Haar armen zal ik met brood verzadigen. 16. Haar priesters zal ik bekleden met redding, en wie haar trouw zijn zullen luid juichen. 17. Daar zal ik voor David een hoorn laten opkomen. Ik heb voor mijn gezalfde een lamp klaargezet. 18. Zijn vijanden zal ik bekleden met schaamte, maar op zijn hoofd zal zijn kroon bloeien. ## Psalmen 133 — Hoe goed is het als broers samenwonen 1. Een pelgrimslied van David. Kijk, hoe goed en hoe fijn is het als broers ook samenwonen. 2. Het is als de kostbare olie op het hoofd, die neerdaalt op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt tot op de zoom van zijn kleren. 3. Het is als de dauw van de Hermon, die neerdaalt op de bergen van Sion. Want daar geeft de HEERE Zijn zegen en het leven tot in eeuwigheid. ## Psalmen 134 — Prijs de HEERE, jullie die er 's nachts staan 1. Een pelgrimslied. Kijk, prijs de HEERE, alle dienaren van de HEERE, die 's nachts in het huis van de HEERE staan. 2. Hef je handen op naar het heiligdom en prijs de HEERE. 3. De HEERE zal je zegenen uit Sion, Hij die hemel en aarde gemaakt heeft. ## Psalmen 135 — Prijs de naam van de HEERE 1. Halleluja. Prijs de naam van de HEERE. Prijs Hem, dienaren van de HEERE, 2. jullie die staan in het huis van de HEERE, in de voorhoven van het huis van onze God. 3. Loof de HEERE, want de HEERE is goed. Zing voor Zijn naam, want dat is heerlijk. 4. Want de HEERE heeft Jakob uitgekozen, Israël tot Zijn eigendom. 5. Ik weet dat de HEERE groot is, dat onze Heere hoger is dan alle goden. 6. Alles wat de HEERE wil, doet Hij, in de hemel en op de aarde, in de zeeën en alle diepten. 7. Hij laat wolken opstijgen van het einde van de aarde. Hij maakt bliksems bij de regen. Hij haalt de wind uit Zijn voorraadkamers. 8. Hij sloeg de eerstgeborenen van Egypte, van mens tot dier. 9. Hij stuurde tekenen en wonderen midden in jou, Egypte, tegen Farao en al zijn dienaren. 10. Hij sloeg veel volken en doodde machtige koningen: 11. Sihon, de koning van de Amorieten, Og, de koning van Basan, en alle koninkrijken van Kanaän. 12. Hun land gaf Hij als erfdeel, als erfdeel aan Zijn volk Israël. 13. HEERE, Uw naam blijft voor altijd. HEERE, men zal aan U denken van geslacht op geslacht. 14. Want de HEERE zal recht doen aan Zijn volk. Hij zal medelijden hebben met Zijn dienaren. 15. De afgoden van de volken zijn zilver en goud, gemaakt door mensenhanden. 16. Zij hebben een mond, maar spreken niet. Zij hebben ogen, maar zien niet. 17. Zij hebben oren, maar horen niet. Er is zelfs geen adem in hun mond. 18. Wie ze maken, worden net als zij, en ook iedereen die op ze vertrouwt. 19. Huis van Israël, prijs de HEERE. Huis van Aäron, prijs de HEERE. 20. Huis van Levi, prijs de HEERE. Jullie die ontzag hebben voor de HEERE, prijs de HEERE. 21. Geprezen zij de HEERE vanuit Sion, Hij die in Jeruzalem woont. Halleluja. ## Psalmen 136 — Loof de God van de goden 1. Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn trouw duurt voor altijd. 2. Loof de God van de goden, want Zijn trouw duurt voor altijd. 3. Loof de Heere van de heren, want Zijn trouw duurt voor altijd. 4. Hem die alleen grote wonderen doet, want Zijn trouw duurt voor altijd. 5. Hem die de hemel met inzicht gemaakt heeft, want Zijn trouw duurt voor altijd. 6. Hem die de aarde over het water heeft uitgespannen, want Zijn trouw duurt voor altijd. 7. Hem die de grote lichten gemaakt heeft, want Zijn trouw duurt voor altijd. 8. De zon om over de dag te heersen, want Zijn trouw duurt voor altijd. 9. De maan en de sterren om over de nacht te heersen, want Zijn trouw duurt voor altijd. 10. Hem die de Egyptenaren in hun eerstgeborenen sloeg, want Zijn trouw duurt voor altijd. 11. En Israël uit hun midden weghaalde, want Zijn trouw duurt voor altijd. 12. Met een sterke hand en een uitgestrekte arm, want Zijn trouw duurt voor altijd. 13. Hem die de Schelfzee in tweeën deelde, want Zijn trouw duurt voor altijd. 14. En Israël er middendoor liet gaan, want Zijn trouw duurt voor altijd. 15. Hij stortte Farao met zijn leger in de Schelfzee, want Zijn trouw duurt voor altijd. 16. Hem die Zijn volk door de woestijn leidde, want Zijn trouw duurt voor altijd. 17. Hem die grote koningen versloeg, want Zijn trouw duurt voor altijd. 18. En machtige koningen doodde, want Zijn trouw duurt voor altijd. 19. Sihon, de koning van de Amorieten, want Zijn trouw duurt voor altijd. 20. En Og, de koning van Basan, want Zijn trouw duurt voor altijd. 21. En Hij gaf hun land als erfdeel, want Zijn trouw duurt voor altijd. 22. Als erfdeel aan Zijn dienaar Israël, want Zijn trouw duurt voor altijd. 23. Hij dacht aan ons toen wij vernederd waren, want Zijn trouw duurt voor altijd. 24. En Hij rukte ons los van onze tegenstanders, want Zijn trouw duurt voor altijd. 25. Hij geeft eten aan alles wat leeft, want Zijn trouw duurt voor altijd. 26. Loof de God van de hemel, want Zijn trouw duurt voor altijd. ## Psalmen 137 — Aan de rivieren van Babel 1. Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij en huilden, als wij aan Sion dachten. 2. Onze harpen hingen wij aan de wilgen die daar staan. 3. Want wie ons daar gevangen hielden, vroegen ons om een lied. Wie ons hadden neergeworpen, vroegen om vrolijkheid: Zing voor ons een van de liederen van Sion. 4. Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen in een vreemd land? 5. Als ik jou vergeet, Jeruzalem, laat mijn rechterhand dan zichzelf vergeten. 6. Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven als ik niet aan jou denk, als ik Jeruzalem niet stel boven mijn hoogste vreugde. 7. HEERE, denk aan de Edomieten op de dag van Jeruzalem. Zij zeiden: Breek af, breek af, tot op de fundamenten. 8. Dochter van Babel, jij die verwoest zult worden, gelukkig is wie jou betaalt wat jij ons hebt aangedaan. 9. Gelukkig is wie jouw kleine kinderen grijpt en tegen de rots verplettert. ## Psalmen 138 — Ik zal U prijzen met heel mijn hart 1. Een psalm van David. Ik zal U prijzen met heel mijn hart. Voor de goden zal ik voor U zingen. 2. Ik zal mij buigen naar Uw heilige tempel en Uw naam prijzen, om Uw trouw en om Uw waarheid. Want boven alles wat Uw naam zegt, hebt U Uw woord groot gemaakt. 3. Op de dag dat ik riep, hebt U mij geantwoord. U hebt mij sterk gemaakt met kracht in mijn ziel. 4. Alle koningen van de aarde zullen U prijzen, HEERE, wanneer zij de woorden uit Uw mond gehoord hebben. 5. Zij zullen zingen over de wegen van de HEERE, want de majesteit van de HEERE is groot. 6. Want de HEERE is hoog, en toch ziet Hij de nederige aan. De hoogmoedige kent Hij van verre. 7. Als ik midden in de nood loop, houdt U mij in leven. U strekt Uw hand uit tegen de woede van mijn vijanden, en Uw rechterhand redt mij. 8. De HEERE zal het voor mij afmaken. HEERE, Uw trouw duurt voor altijd. Laat het werk van Uw handen niet los. ## Psalmen 139 — HEERE, U doorgrondt en kent mij 1. Een psalm van David, voor de koorleider. HEERE, U doorgrondt en kent mij. 2. U weet wanneer ik zit en wanneer ik opsta. Van verre begrijpt U mijn gedachten. 3. U omringt mijn gaan en mijn liggen. U bent vertrouwd met al mijn wegen. 4. Er ligt nog geen woord op mijn tong, en kijk, HEERE, U weet het al. 5. U sluit mij in van achteren en van voren, en U legt Uw hand op mij. 6. Die kennis is te wonderlijk voor mij. Zij is te hoog; ik kan er niet bij. 7. Waar zou ik heengaan voor Uw Geest? Waar zou ik vluchten voor Uw gezicht? 8. Als ik naar de hemel opsteeg, bent U daar. Als ik mij in het dodenrijk neerlegde, kijk, daar bent U. 9. Als ik de vleugels van de dageraad nam en ging wonen aan het uiterste van de zee, 10. ook daar zou Uw hand mij leiden en zou Uw rechterhand mij vasthouden. 11. Als ik zei: Het donker zal mij toch wel bedekken, dan is de nacht licht om mij heen. 12. Zelfs het donker is voor U niet donker. De nacht licht op als de dag; het donker is als het licht. 13. Want U hebt mijn diepste binnenste gemaakt. U hebt mij geweven in de buik van mijn moeder. 14. Ik prijs U, want ik ben ontzagwekkend en wonderlijk gemaakt. Uw werken zijn wonderlijk; dat weet mijn ziel heel goed. 15. Mijn gebeente was niet voor U verborgen toen ik in het verborgene gemaakt werd, toen ik als een borduurwerk gevormd werd in de diepten van de aarde. 16. Uw ogen zagen mij toen ik nog ongevormd was. In Uw boek stonden zij alle geschreven: de dagen die gevormd zouden worden, toen er nog niet één van bestond. 17. Hoe kostbaar zijn Uw gedachten voor mij, God. Hoe geweldig veel zijn het er. 18. Zou ik ze tellen? Zij zijn talrijker dan zandkorrels. Word ik wakker, dan ben ik nog bij U. 19. God, breng de goddeloze toch om. Ga weg van mij, jullie moordenaars. 20. Zij spreken schandelijk over U. Uw vijanden verheffen zich zonder grond. 21. Zou ik niet haten wie U haten, HEERE? Zou ik geen verdriet hebben om wie tegen U opstaan? 22. Ik haat hen met een volkomen haat. Zij zijn vijanden voor mij geworden. 23. Doorgrond mij, God, en ken mijn hart. Toets mij en ken mijn gedachten. 24. Kijk of er bij mij een weg is die pijn doet, en leid mij op de eeuwige weg. ## Psalmen 140 — Red mij, HEERE, van de kwade mens 1. Een psalm van David, voor de koorleider. 2. Red mij, HEERE, van de kwade mens. Bescherm mij tegen de man van geweld. 3. Zij bedenken veel kwaad in hun hart. Elke dag komen zij samen om oorlog te voeren. 4. Zij scherpen hun tong als een slang. Onder hun lippen zit gif van een adder. Sela. 5. Bewaar mij, HEERE, voor de handen van de goddeloze. Bescherm mij tegen de man van geweld, tegen wie van plan zijn mijn voeten weg te stoten. 6. Trotse mensen hebben een val voor mij verborgen, en touwen. Zij hebben een net uitgespreid langs de weg. Zij hebben vallen voor mij gezet. Sela. 7. Ik heb tegen de HEERE gezegd: U bent mijn God. Luister, HEERE, naar mijn smeken. 8. HEERE, mijn Heere, kracht van mijn redding, U hebt mijn hoofd bedekt op de dag van de strijd. 9. HEERE, geef de goddeloze niet wat hij wil. Laat zijn kwade plan niet lukken; hij zou zich verheffen. Sela. 10. Laat het onheil van hun eigen lippen het hoofd bedekken van wie mij omringen. 11. Laat er vurige kolen op hen vallen. Laat Hij hen in het vuur werpen, in diepe kuilen, zodat zij niet meer opstaan. 12. Een lasteraar zal geen stand houden op aarde. Een gewelddadig man zal worden opgejaagd tot hij helemaal verdreven is. 13. Ik weet dat de HEERE de zaak van de ellendige zal behartigen en recht zal doen aan de armen. 14. Zeker, de rechtvaardigen zullen Uw naam prijzen. Wie eerlijk zijn, zullen voor Uw gezicht blijven. ## Psalmen 141 — Zet een wacht voor mijn mond 1. Een psalm van David. HEERE, ik roep U aan; kom snel bij mij. Luister naar mijn stem als ik tot U roep. 2. Laat mijn gebed voor U staan als reukwerk, het opheffen van mijn handen als het avondoffer. 3. HEERE, zet een wacht voor mijn mond. Bewaak de deur van mijn lippen. 4. Laat mijn hart niet neigen naar het kwaad, zodat ik geen slechte dingen doe samen met mannen die onrecht bedrijven. Laat mij niet eten van hun lekkernijen. 5. Laat de rechtvaardige mij slaan; dat is goed voor mij. Laat hij mij terechtwijzen; dat is olie op mijn hoofd, die mijn hoofd niet zal breken. Want ook dan zal mijn gebed er zijn als het hun slecht gaat. 6. Hun rechters zijn langs de rotswand naar beneden gestort. Toen hoorden zij dat mijn woorden goed waren. 7. Onze botten liggen verstrooid bij de ingang van het graf, zoals wanneer iemand de aarde openbreekt en omspit. 8. Maar op U zijn mijn ogen gericht, HEERE, mijn Heere. Bij U schuil ik; laat mij niet weerloos achter. 9. Bewaar mij voor de val die zij voor mij hebben gelegd, voor de strikken van wie onrecht doen. 10. Laat de goddelozen samen in hun eigen netten vallen, terwijl ik veilig voorbijga. ## Psalmen 142 — U bent mijn toevlucht 1. Een lied van David om van te leren, een gebed toen hij in de grot was. 2. Met mijn stem riep ik tot de HEERE. Met mijn stem smeekte ik de HEERE. 3. Ik stortte mijn klacht voor Hem uit. Ik maakte mijn nood voor Hem bekend. 4. Toen mijn geest in mij bezweek, kende U mijn pad. Op de weg die ik zou gaan, hebben zij een val voor mij verborgen. 5. Ik keek naar rechts en zag: niemand die mij kende. Ik kon nergens heen; niemand zorgde voor mijn leven. 6. Tot U riep ik, HEERE. Ik zei: U bent mijn toevlucht, mijn deel in het land van de levenden. 7. Let op mijn roepen, want ik ben heel zwak geworden. Red mij van wie mij vervolgen, want zij zijn sterker dan ik. 8. Haal mijn ziel uit de gevangenis, zodat ik Uw naam prijs. De rechtvaardigen zullen mij omringen wanneer U goed voor mij bent geweest. ## Psalmen 143 — Leer mij doen wat U wilt 1. Een psalm van David. HEERE, hoor mijn gebed. Luister naar mijn smeken. Antwoord mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid. 2. Ga niet met Uw dienaar in het gericht, want niemand die leeft is rechtvaardig voor U. 3. Want de vijand vervolgt mij. Hij vertrapt mijn leven tegen de grond. Hij zet mij in het donker, als mensen die al lang dood zijn. 4. Daarom bezwijkt mijn geest in mij. Mijn hart is verbijsterd. 5. Ik denk aan de dagen van vroeger. Ik overdenk alles wat U gedaan hebt. Ik spreek bij mijzelf over het werk van Uw handen. 6. Ik strek mijn handen naar U uit. Mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela. 7. Antwoord mij snel, HEERE, want mijn geest bezwijkt. Verberg Uw gezicht niet voor mij, anders word ik als wie in de kuil afdalen. 8. Laat mij in de morgen Uw trouw horen, want ik vertrouw op U. Laat mij de weg weten die ik moet gaan, want ik hef mijn ziel naar U op. 9. Red mij van mijn vijanden, HEERE. Bij U schuil ik. 10. Leer mij doen wat U wilt, want U bent mijn God. Laat Uw goede Geest mij leiden over een effen land. 11. HEERE, houd mij in leven om Uw naam. Haal mijn ziel uit de nood, om Uw gerechtigheid. 12. Roei mijn vijanden uit om Uw trouw. Breng allen om die mij benauwen, want ik ben Uw dienaar. ## Psalmen 144 — Gelukkig is het volk waarvan de HEERE God is 1. Een psalm van David. Geprezen zij de HEERE, mijn rots, die mijn handen leert vechten, mijn vingers leert strijden. 2. Hij is mijn trouwe helper en mijn burcht, mijn vesting en mijn bevrijder, mijn schild, bij wie ik schuil, die mijn volk aan mij onderwerpt. 3. HEERE, wat is de mens, dat U hem kent, het mensenkind, dat U aan hem denkt? 4. De mens lijkt op een ademtocht. Zijn dagen zijn als een schaduw die voorbijgaat. 5. HEERE, buig Uw hemel en daal neer. Raak de bergen aan, zodat zij roken. 6. Laat de bliksem flitsen en verstrooi hen. Schiet Uw pijlen af en breng hen in verwarring. 7. Steek Uw handen uit vanuit de hoogte. Bevrijd mij en trek mij uit het grote water, uit de hand van vreemden. 8. Hun mond spreekt leugens en hun rechterhand is een rechterhand van bedrog. 9. God, ik zal een nieuw lied voor U zingen. Op de luit met tien snaren zal ik voor U spelen. 10. U geeft koningen de overwinning. U bevrijdt Uw dienaar David van het dodelijke zwaard. 11. Bevrijd mij en red mij uit de hand van vreemden. Hun mond spreekt leugens en hun rechterhand is een rechterhand van bedrog. 12. Dan zullen onze zonen zijn als planten die groot geworden zijn in hun jeugd, onze dochters als hoekzuilen, uitgehouwen voor een paleis. 13. Onze voorraadschuren zullen vol zijn en van alles opleveren. Onze kudden zullen bij duizenden werpen, bij tienduizenden op onze weiden. 14. Onze runderen zullen goed beladen zijn. Er zal geen bres zijn, geen uittocht, geen geschreeuw op onze straten. 15. Gelukkig is het volk dat het zo vergaat. Gelukkig is het volk waarvan de HEERE God is. ## Psalmen 145 — Uw koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen 1. Een lofzang van David. Mijn God en Koning, ik zal U hoog verheffen en Uw naam prijzen, voor eeuwig en altijd. 2. Elke dag zal ik U prijzen en Uw naam loven, voor eeuwig en altijd. 3. De HEERE is groot en zeer te prijzen. Zijn grootheid is niet te doorgronden. 4. Het ene geslacht zal het andere vertellen over Uw werken. Zij zullen Uw machtige daden verkondigen. 5. Ik zal spreken over de glans van Uw majesteit en over Uw wonderlijke daden. 6. Zij zullen vertellen over de kracht van Uw ontzagwekkende daden, en Uw grootheid zal ik verder vertellen. 7. Zij zullen de herinnering aan Uw grote goedheid uitstorten en Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen. 8. Genadig en barmhartig is de HEERE, geduldig en groot in trouw. 9. De HEERE is goed voor iedereen. Zijn ontferming rust op al Zijn werken. 10. Al Uw werken zullen U prijzen, HEERE, en wie U trouw zijn zullen U zegenen. 11. Zij zullen spreken over de majesteit van Uw koninkrijk en over Uw macht, 12. om aan de mensen Zijn machtige daden bekend te maken en de glans van Zijn koninkrijk. 13. Uw koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen. Uw heerschappij duurt van geslacht op geslacht. 14. De HEERE ondersteunt allen die vallen en richt alle gebogenen op. 15. Aller ogen wachten op U, en U geeft hun hun eten op de juiste tijd. 16. U opent Uw hand en verzadigt alles wat leeft, naar Uw wil. 17. De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen en trouw in al Zijn werken. 18. De HEERE is dicht bij allen die Hem aanroepen, bij allen die Hem in waarheid aanroepen. 19. Hij doet wat wie ontzag voor Hem hebben verlangen. Hij hoort hun roepen en redt hen. 20. De HEERE bewaart allen die Hem liefhebben, maar alle goddelozen vernietigt Hij. 21. Mijn mond zal de lof van de HEERE uitspreken. Laat alles wat leeft Zijn heilige naam prijzen, voor eeuwig en altijd. ## Psalmen 146 — Vertrouw niet op vorsten 1. Halleluja. Prijs de HEERE, mijn ziel. 2. Ik zal de HEERE prijzen zolang ik leef. Ik zal voor mijn God zingen zolang ik er ben. 3. Vertrouw niet op vorsten, op een mens, bij wie geen redding is. 4. Zijn adem gaat uit, hij keert terug naar de aarde. Op die dag vergaan zijn plannen. 5. Gelukkig is wie de God van Jakob als helper heeft, wiens hoop is op de HEERE, zijn God, 6. die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en alles wat erin is, die trouw blijft voor altijd. 7. Hij doet recht aan wie onderdrukt worden. Hij geeft brood aan wie honger hebben. De HEERE maakt gevangenen los. 8. De HEERE opent de ogen van blinden. De HEERE richt gebogenen op. De HEERE heeft de rechtvaardigen lief. 9. De HEERE bewaart de vreemdelingen. Hij houdt de wees en de weduwe staande, maar de weg van de goddelozen buigt Hij om. 10. De HEERE zal voor eeuwig regeren, jouw God, Sion, van geslacht op geslacht. Halleluja. ## Psalmen 147 — Hij telt de sterren en noemt ze bij naam 1. Loof de HEERE, want het is goed voor onze God te zingen. Het is heerlijk; de lof past Hem. 2. De HEERE bouwt Jeruzalem. Hij brengt de verdrevenen van Israël bijeen. 3. Hij geneest wie gebroken zijn van hart en verbindt hun wonden. 4. Hij telt het aantal sterren. Hij noemt ze allemaal bij naam. 5. Onze Heere is groot en zeer sterk. Zijn inzicht is niet te meten. 6. De HEERE houdt de zachtmoedigen staande. De goddelozen vernedert Hij tot op de grond. 7. Zing voor de HEERE om beurten met dank. Speel voor onze God op de harp. 8. Hij bedekt de hemel met wolken. Hij bereidt regen voor de aarde. Hij laat gras opkomen op de bergen. 9. Hij geeft het vee zijn voer, en de jonge raven wanneer zij roepen. 10. Hij vindt geen vreugde in de kracht van het paard. Hij heeft geen behagen in de benen van een man. 11. De HEERE heeft behagen in wie ontzag voor Hem hebben, in wie hopen op Zijn trouw. 12. Jeruzalem, roem de HEERE. Sion, prijs je God. 13. Want Hij maakt de grendels van je poorten sterk. Hij zegent je kinderen binnen je muren. 14. Hij geeft vrede binnen je grenzen. Hij verzadigt je met de beste tarwe. 15. Hij stuurt Zijn bevel naar de aarde. Zijn woord loopt heel snel. 16. Hij geeft sneeuw als wol. Hij strooit rijp uit als as. 17. Hij werpt Zijn ijs neer als brokken. Wie kan standhouden voor Zijn kou? 18. Hij stuurt Zijn woord en doet ze smelten. Hij laat Zijn wind waaien en het water stroomt. 19. Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn voorschriften en Zijn regels. 20. Zo heeft Hij met geen enkel ander volk gedaan; Zijn regels kennen zij niet. Halleluja. ## Psalmen 148 — Laat alles de naam van de HEERE prijzen 1. Halleluja. Prijs de HEERE vanuit de hemel. Prijs Hem in de hoogste plaatsen. 2. Prijs Hem, al Zijn engelen. Prijs Hem, al Zijn legers. 3. Prijs Hem, zon en maan. Prijs Hem, alle lichtende sterren. 4. Prijs Hem, hoogste hemel, en jullie, wateren boven de hemel. 5. Laat zij de naam van de HEERE prijzen, want Hij gaf het bevel en zij werden geschapen. 6. Hij heeft ze vastgezet voor eeuwig en altijd. Hij heeft hun een orde gegeven die geen van hen zal overtreden. 7. Prijs de HEERE vanaf de aarde, jullie zeemonsters en alle diepten, 8. vuur en hagel, sneeuw en nevel, stormwind die doet wat Hij zegt, 9. bergen en alle heuvels, vruchtbomen en alle ceders, 10. wilde dieren en al het vee, kruipende dieren en gevleugelde vogels, 11. koningen van de aarde en alle volken, vorsten en alle rechters van de aarde, 12. jongemannen en ook meisjes, ouderen samen met de jongeren. 13. Laat zij de naam van de HEERE prijzen, want Zijn naam alleen is hoog verheven. Zijn majesteit is boven aarde en hemel. 14. Hij heeft de hoorn van Zijn volk verhoogd, tot roem van allen die Hem trouw zijn, van de Israëlieten, het volk dat dicht bij Hem is. Halleluja. ## Psalmen 149 — Zing voor de HEERE een nieuw lied 1. Halleluja. Zing voor de HEERE een nieuw lied. Laat Zijn lof klinken in de gemeente van wie Hem trouw zijn. 2. Laat Israël blij zijn om zijn Maker. Laat de kinderen van Sion juichen om hun Koning. 3. Laat zij Zijn naam prijzen met de fluit, voor Hem spelen op de tamboerijn en de harp. 4. Want de HEERE heeft behagen in Zijn volk. Hij zal de zachtmoedigen sieren met redding. 5. Laat wie Hem trouw zijn juichen om die eer. Laat zij jubelen op hun bed. 6. De lofprijzingen van God zullen in hun keel zijn en een tweesnijdend zwaard in hun hand, 7. om wraak te doen over de volken en straf over de naties, 8. om hun koningen te binden met ketenen en hun edelen met ijzeren boeien, 9. om aan hen het opgeschreven recht te voltrekken. Dat zal de eer zijn van allen die Hem trouw zijn. Halleluja. ## Psalmen 150 — Alles wat adem heeft, prijs de HEERE 1. Halleluja. Prijs God in Zijn heiligdom. Prijs Hem in Zijn machtige hemelgewelf. 2. Prijs Hem om Zijn machtige daden. Prijs Hem naar Zijn geweldige grootheid. 3. Prijs Hem met het geluid van de ramshoorn. Prijs Hem met luit en harp. 4. Prijs Hem met tamboerijn en fluit. Prijs Hem met snaren en pijpen. 5. Prijs Hem met helder klinkende cimbalen. Prijs Hem met cimbalen die schallen van vreugde. 6. Alles wat adem heeft, prijs de HEERE. Halleluja. ## Spreuken 1 — Het begin van kennis 1. De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël. 2. Zij leren je wijsheid en opvoeding kennen. Zij laten je verstandige woorden begrijpen. 3. Zij leren je hoe je verstandig leeft, rechtvaardig, eerlijk en oprecht. 4. Zij geven de onervaren mens inzicht, en de jongere kennis en bedachtzaamheid. 5. Wie wijs is, luistert en leert erbij. Wie verstandig is, krijgt goede raad. 6. Zo begrijp je een spreuk en een beeld, de woorden van wijzen en hun raadsels. 7. Ontzag voor de HEERE is het begin van kennis. Dwazen verachten wijsheid en opvoeding. 8. Mijn zoon, luister naar de opvoeding van je vader. Verlaat het onderwijs van je moeder niet. 9. Zij zijn een mooie krans voor je hoofd en een ketting om je hals. 10. Mijn zoon, als zondaars je proberen over te halen, doe dan niet mee. 11. Zij zeggen: Ga met ons mee. Wij loeren op bloed en liggen zomaar op de loer voor een onschuldige. 12. Laten wij hen levend verslinden, zoals het graf doet, in één keer, als mensen die in de kuil vallen. 13. Wij zullen allerlei kostbaarheden vinden. Wij zullen onze huizen met buit vullen. 14. Doe mee, dan delen wij samen. Wij hebben allemaal één beurs. 15. Mijn zoon, ga niet met hen mee. Houd je voet van hun pad. 16. Want hun voeten lopen naar het kwaad. Zij haasten zich om bloed te vergieten. 17. Voor de ogen van vogels spant men het net toch tevergeefs? 18. Maar zij loeren op hun eigen bloed. Zij liggen op de loer voor hun eigen leven. 19. Zo gaat het met iedereen die uit is op oneerlijke winst. Die winst kost hem het leven. 20. De Wijsheid roept hardop op straat. Op de pleinen laat zij haar stem horen. 21. Zij roept op de drukste hoeken. Bij de ingang van de poorten spreekt zij in de stad: 22. Onervaren mensen, hoe lang houden jullie nog van je onwetendheid? Hoe lang genieten spotters van hun spot en haten dwazen de kennis? 23. Luister naar mijn terechtwijzing. Kijk, ik zal mijn geest over jullie uitstorten en jullie mijn woorden bekendmaken. 24. Ik heb geroepen, maar jullie weigerden. Ik heb mijn hand uitgestoken, maar niemand lette erop. 25. Jullie sloegen al mijn raad in de wind en wilden mijn terechtwijzing niet. 26. Daarom zal ook ik lachen als jullie ondergaan. Ik zal spotten als de schrik jullie overvalt. 27. Dat is als de schrik komt als een storm en jullie ondergang als een wervelwind, als nood en angst over jullie komen. 28. Dan zullen zij mij roepen, maar ik antwoord niet. Zij zullen mij vroeg zoeken, maar zij vinden mij niet. 29. Want zij hebben de kennis gehaat en niet gekozen voor ontzag voor de HEERE. 30. Zij wilden mijn raad niet en versmaadden al mijn terechtwijzingen. 31. Daarom zullen zij eten van de vrucht van hun eigen weg en verzadigd worden van hun eigen plannen. 32. Want onervaren mensen worden gedood door hun eigen afkeer. De zorgeloosheid van dwazen richt hen te gronde. 33. Maar wie naar mij luistert, woont veilig. Hij heeft rust en is niet bang voor het kwaad. ## Spreuken 2 — Zoek de wijsheid als een schat 1. Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt en mijn geboden bij je bewaart, 2. als je je oor naar de wijsheid richt en je hart naar het inzicht neigt, 3. ja, als je om verstand roept en je stem verheft om inzicht, 4. als je haar zoekt als zilver en naspeurt als een verborgen schat, 5. dan zul je het ontzag voor de HEERE begrijpen en de kennis van God vinden. 6. Want de HEERE geeft wijsheid. Uit zijn mond komen kennis en inzicht. 7. Voor de oprechten legt Hij redding klaar. Hij is een schild voor wie eerlijk leven. 8. Hij bewaakt de paden van het recht en beschermt de weg van wie Hem trouw zijn. 9. Dan zul je begrijpen wat rechtvaardig, eerlijk en oprecht is, en elk goed pad. 10. Wanneer de wijsheid in je hart komt en kennis je ziel goeddoet, 11. dan zal bedachtzaamheid over je waken en inzicht je beschermen. 12. Zij redden je van de verkeerde weg, van de man die met valse woorden komt, 13. van mensen die de rechte paden verlaten om over donkere wegen te gaan, 14. die blij zijn als zij kwaad doen en genieten van slechte streken, 15. van wie kromme paden gaan en van de rechte weg afwijken. 16. Zij redden je van de vrouw van een ander, van de onbekende die met gladde woorden komt. 17. Zij heeft de man van haar jeugd verlaten en het verbond van haar God vergeten. 18. Haar huis zakt weg naar de dood, en haar paden leiden naar de schimmen. 19. Wie bij haar binnengaat, komt niet terug. Zij bereiken de paden van het leven niet. 20. Zo ga je de weg van goede mensen en houd je de paden van rechtvaardigen. 21. Want de oprechten zullen in het land wonen, en wie onberispelijk zijn, blijven erin. 22. Maar goddelozen worden uit het land uitgeroeid, en trouwelozen worden eruit weggerukt. ## Spreuken 3 — Vertrouw op de HEERE 1. Mijn zoon, vergeet mijn onderwijs niet. Laat je hart mijn geboden bewaren. 2. Want zij geven je lange dagen, jaren van leven en vrede. 3. Laat trouw en liefde je niet loslaten. Bind ze om je hals en schrijf ze op de tafel van je hart. 4. Dan vind je gunst en waardering bij God en bij de mensen. 5. Vertrouw met heel je hart op de HEERE en steun niet op je eigen verstand. 6. Ken Hem op al je wegen, dan zal Hij je paden recht maken. 7. Wees niet wijs in eigen ogen. Heb ontzag voor de HEERE en blijf ver van het kwaad. 8. Dat is een medicijn voor je lichaam en verfrissing voor je botten. 9. Eer de HEERE met je bezit en met de eerste opbrengst van alles wat je oogst. 10. Dan zullen je schuren volop gevuld worden en je perskuipen overlopen van nieuwe wijn. 11. Mijn zoon, verwerp de opvoeding van de HEERE niet en word niet verdrietig van zijn terechtwijzing. 12. Want de HEERE wijst terecht wie Hij liefheeft, zoals een vader doet met de zoon van wie hij houdt. 13. Gelukkig is de mens die wijsheid vindt, de mens die inzicht krijgt. 14. Want zij levert meer op dan zilver, en haar opbrengst is beter dan goud. 15. Zij is kostbaarder dan robijnen. Niets van wat je verlangt, is met haar te vergelijken. 16. In haar rechterhand is een lang leven, in haar linkerhand rijkdom en eer. 17. Haar wegen zijn heerlijke wegen, en al haar paden zijn vrede. 18. Zij is een boom van het leven voor wie haar vastgrijpen. Wie haar vasthoudt, is gelukkig. 19. De HEERE heeft de aarde met wijsheid gegrondvest. Met inzicht heeft Hij de hemel vastgezet. 20. Door zijn kennis braken de waterdiepten open en druipt de dauw uit de wolken. 21. Mijn zoon, laat ze niet uit je ogen verdwijnen. Bewaar wijs beleid en bedachtzaamheid. 22. Want zij zijn leven voor je ziel en een sieraad om je hals. 23. Dan ga je veilig je weg en stoot je je voet niet. 24. Als je gaat liggen, schrik je niet. Je gaat liggen en je slaap is zoet. 25. Wees niet bang voor plotselinge schrik, of voor de ondergang van goddelozen als die komt. 26. Want de HEERE is je houvast. Hij bewaart je voet voor de val. 27. Houd het goede niet weg van wie het toekomt, als je het kunt geven. 28. Zeg niet tegen je naaste dat hij morgen maar terug moet komen, terwijl je het bij je hebt. 29. Beraam geen kwaad tegen je naaste, terwijl hij vol vertrouwen bij je woont. 30. Maak zonder reden geen ruzie met iemand die je geen kwaad gedaan heeft. 31. Wees niet jaloers op een man van geweld en kies geen van zijn wegen. 32. Want wie bedriegt, is een gruwel voor de HEERE. Met de oprechte deelt Hij zijn geheim. 33. De vloek van de HEERE ligt op het huis van de goddeloze, maar de woning van rechtvaardigen zegent Hij. 34. Met spotters drijft Hij de spot, maar aan nederige mensen geeft Hij genade. 35. Wijzen zullen eer erven, maar dwazen halen zich schande op de hals. ## Spreuken 4 — Wat mijn vader mij leerde 1. Luister, kinderen, naar de opvoeding van een vader. Let goed op, dan krijg je inzicht. 2. Want ik geef jullie goed onderwijs. Verlaat mijn onderricht niet. 3. Ook ik was een zoon bij mijn vader, teer en enig kind bij mijn moeder. 4. Hij onderwees mij en zei: Laat je hart mijn woorden vasthouden. Houd je aan mijn geboden, dan zul je leven. 5. Verwerf wijsheid, verwerf inzicht. Vergeet de woorden van mijn mond niet en wijk er niet van af. 6. Verlaat haar niet, dan zal zij je beschermen. Heb haar lief, dan zal zij je bewaren. 7. Wijsheid gaat boven alles: verwerf wijsheid. Verwerf inzicht met alles wat je bezit. 8. Houd haar hoog, dan zal zij jou hoog houden. Zij zal je eren als je haar omhelst. 9. Zij zal een mooie krans op je hoofd zetten en je een sierlijke kroon geven. 10. Luister, mijn zoon, en neem mijn woorden aan. Dan worden de jaren van je leven veel. 11. Ik onderwijs je in de weg van de wijsheid. Ik laat je op rechte sporen lopen. 12. Als je gaat, wordt je stap niet belemmerd. Als je rent, struikel je niet. 13. Grijp de opvoeding vast en laat haar niet los. Bewaar haar, want zij is je leven. 14. Kom niet op het pad van goddelozen. Zet geen stap op de weg van slechte mensen. 15. Laat die weg liggen en ga er niet overheen. Wijk ervan af en loop voorbij. 16. Want zij slapen niet als zij geen kwaad gedaan hebben. Zij kunnen niet slapen als zij niemand hebben laten struikelen. 17. Want zij eten het brood van goddeloosheid en drinken de wijn van geweld. 18. Maar het pad van rechtvaardigen is als een stralend licht, dat steeds helderder wordt tot het volle dag is. 19. De weg van goddelozen is als het donker. Zij weten niet waarover zij struikelen. 20. Mijn zoon, let op mijn woorden. Neig je oor naar wat ik zeg. 21. Laat ze niet uit je ogen verdwijnen. Bewaar ze midden in je hart. 22. Want zij zijn leven voor wie ze vinden, en genezing voor heel hun lichaam. 23. Behoed je hart boven alles wat je bewaart, want daaruit komt het leven voort. 24. Doe valse taal weg uit je mond en houd bedrieglijke lippen ver van je. 25. Laat je ogen recht vooruit kijken, recht voor je uit. 26. Let goed op de weg die je voet gaat, en al je wegen zullen vast zijn. 27. Wijk niet af naar rechts of naar links. Houd je voet weg van het kwaad. ## Spreuken 5 — De vreemde vrouw en je eigen bron 1. Mijn zoon, let op mijn wijsheid. Neig je oor naar mijn inzicht. 2. Zo houd je bedachtzaamheid vast en bewaren je lippen kennis. 3. Want de lippen van de vreemde vrouw druipen van honing. Haar mond is gladder dan olie. 4. Maar op het laatst is zij bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. 5. Haar voeten dalen af naar de dood. Haar stappen gaan recht naar het dodenrijk. 6. Zij let niet op het pad van het leven. Haar wegen dwalen af, en zij merkt het niet. 7. Luister nu naar mij, kinderen. Wijk niet af van de woorden van mijn mond. 8. Houd je weg ver van haar. Kom niet in de buurt van de deur van haar huis. 9. Anders geef je je eer aan anderen en je jaren aan iemand die wreed is. 10. Anders worden vreemden zat van jouw vermogen, en komt je zware werk in het huis van een onbekende. 11. Dan kreun je aan het eind, als je lichaam en je vlees zijn opgeteerd. 12. Dan zeg je: Hoe heb ik de opvoeding kunnen haten? Hoe kon mijn hart de terechtwijzing versmaden? 13. Ik heb niet geluisterd naar mijn leraren en mijn oor niet geneigd naar wie mij onderwezen. 14. Ik was bijna in alle ellende geraakt, midden in de vergadering en de bijeenkomst. 15. Drink water uit je eigen put, stromend water uit je eigen bron. 16. Zouden je bronnen zich over straat verspreiden, je waterbeken over de pleinen? 17. Laat ze van jou alleen zijn, en niet van vreemden naast je. 18. Je bron zij gezegend. Wees blij met de vrouw van je jeugd. 19. Zij is een lieflijke hinde, een bevallige gems. Laat haar borsten je altijd verzadigen. Blijf altijd verrukt van haar liefde. 20. Waarom zou je, mijn zoon, verrukt zijn van een vreemde vrouw? Waarom de schoot van een onbekende omhelzen? 21. Want de wegen van een mens liggen open voor de ogen van de HEERE. Hij weegt al zijn sporen. 22. De goddeloze wordt gevangen door zijn eigen schuld. De touwen van zijn zonde houden hem vast. 23. Hij sterft omdat hij geen opvoeding wilde. Door zijn grote dwaasheid dwaalt hij af. ## Spreuken 6 — Borg staan, de mier en wat de HEERE haat 1. Mijn zoon, als je borg bent gaan staan voor je naaste en je hand gegeven hebt voor een vreemde, 2. dan ben je verstrikt geraakt in je eigen woorden. Je bent gevangen door wat je zelf gezegd hebt. 3. Doe dan dit, mijn zoon, en red jezelf, want je bent in de macht van je naaste. Ga erheen, verneder je en dring bij hem aan. 4. Gun je ogen geen slaap en je oogleden geen sluimer. 5. Red jezelf als een gazelle uit de hand van de jager, als een vogel uit de hand van de vogelvanger. 6. Ga naar de mier, luiaard. Kijk naar haar wegen en word wijs. 7. Zij heeft geen leider, geen opzichter en geen heerser. 8. Toch maakt zij haar brood klaar in de zomer en verzamelt zij haar voedsel in de oogsttijd. 9. Hoe lang blijf je liggen, luiaard? Wanneer sta je op uit je slaap? 10. Nog even slapen, nog even doezelen, nog even de handen over elkaar om te rusten, 11. en je armoede komt als een landloper en je gebrek als een gewapend man. 12. Een nietsnut, een slecht mens, gaat rond met een valse mond. 13. Hij knipoogt, schuifelt met zijn voeten en wijst met zijn vingers. 14. In zijn hart zit bedrog. Hij smeedt altijd kwaad en zaait ruzie. 15. Daarom komt zijn ondergang plotseling. In een ogenblik wordt hij gebroken, zonder genezing. 16. Deze zes dingen haat de HEERE. Zeven dingen zijn Hem een gruwel: 17. trotse ogen, een valse tong, handen die onschuldig bloed vergieten, 18. een hart dat kwade plannen smeedt, voeten die zich haasten om kwaad te doen, 19. een valse getuige die leugens uitblaast, en iemand die ruzie zaait tussen broers. 20. Mijn zoon, bewaar het gebod van je vader. Verlaat het onderwijs van je moeder niet. 21. Bind ze altijd op je hart. Hang ze om je hals. 22. Als je loopt, zullen zij je leiden. Als je ligt, waken zij over je. Als je wakker wordt, spreken zij met je. 23. Want het gebod is een lamp en het onderwijs een licht. Terechtwijzing en opvoeding zijn de weg naar het leven. 24. Zij bewaren je voor de slechte vrouw, voor de gladde tong van een onbekende. 25. Begeer haar schoonheid niet in je hart. Laat haar je niet vangen met haar wimpers. 26. Want om een hoer moet je een brood betalen, maar de vrouw van een ander jaagt op je kostbare leven. 27. Kan iemand vuur in zijn kleren dragen zonder dat die verbranden? 28. Kan iemand over gloeiende kolen lopen zonder zijn voeten te branden? 29. Zo gaat het met wie naar de vrouw van zijn naaste gaat. Wie haar aanraakt, blijft niet ongestraft. 30. Men veracht een dief niet als hij steelt om zijn honger te stillen. 31. Maar wordt hij gepakt, dan moet hij het zevenvoudig terugbetalen. Hij geeft al het bezit van zijn huis. 32. Wie overspel pleegt met een vrouw, heeft geen verstand. Wie dat doet, vernietigt zichzelf. 33. Hij krijgt slagen en schande, en zijn smaad wordt niet uitgewist. 34. Want jaloezie maakt een man razend. Op de dag van de wraak zal hij niet sparen. 35. Hij neemt geen genoegen met een losprijs. Hij geeft niet toe, hoe groot je geschenk ook is. ## Spreuken 7 — Een jongeman zonder verstand 1. Mijn zoon, bewaar mijn woorden. Berg mijn geboden bij je op. 2. Bewaar mijn geboden, dan zul je leven. Bewaar mijn onderwijs als je oogappel. 3. Bind ze om je vingers. Schrijf ze op de tafel van je hart. 4. Zeg tegen de wijsheid: U bent mijn zus. Noem het inzicht je vertrouwde vriendin. 5. Zij bewaren je voor de vrouw van een ander, voor de onbekende die met gladde woorden komt. 6. Want vanuit het raam van mijn huis, door mijn traliewerk, keek ik naar buiten. 7. Ik zag onder de onervaren jongens een jongeman zonder verstand. 8. Hij liep over straat, bij haar hoek langs, en ging de weg naar haar huis op. 9. Het was in de schemering, aan het eind van de dag, in het holst van de nacht en het donker. 10. En kijk, daar kwam een vrouw hem tegemoet, gekleed als een hoer en met bijbedoelingen. 11. Zij was luidruchtig en opstandig. Haar voeten bleven niet thuis. 12. Nu eens op straat, dan weer op de pleinen, loerde zij bij elke hoek. 13. Zij greep hem vast en kuste hem. Met een brutaal gezicht zei zij tegen hem: 14. Ik moest dankoffers brengen, en vandaag heb ik mijn geloften ingelost. 15. Daarom ben ik naar buiten gekomen, jou tegemoet. Ik heb je gezocht en ik heb je gevonden. 16. Ik heb mijn bed opgemaakt met dekens, met bont linnen uit Egypte. 17. Ik heb mijn bed besprenkeld met mirre, aloë en kaneel. 18. Kom, laten wij ons tot de morgen dronken drinken aan liefde. Laten wij genieten van elkaar. 19. Want mijn man is niet thuis. Hij is op reis, ver weg. 20. Hij heeft de geldbuidel meegenomen. Pas bij volle maan komt hij thuis. 21. Zij haalde hem over met al haar praatjes. Met haar gladde lippen dreef zij hem mee. 22. Meteen ging hij achter haar aan, als een os die naar de slacht gaat, als een dwaas die geboeid wordt gestraft. 23. Tot een pijl zijn lever doorboorde, als een vogel die naar de strik vliegt en niet weet dat het zijn leven kost. 24. Luister nu naar mij, kinderen. Let op de woorden van mijn mond. 25. Laat je hart niet afdwalen naar haar wegen. Verdwaal niet op haar paden. 26. Want zij heeft velen dodelijk verwond. Zelfs sterke mannen zijn door haar gedood. 27. Haar huis is de weg naar het graf, die afdaalt naar de kamers van de dood. ## Spreuken 8 — De Wijsheid roept 1. Roept de Wijsheid niet? Laat het Inzicht haar stem niet horen? 2. Boven op de hoogten langs de weg, waar de paden samenkomen, staat zij. 3. Bij de poorten, aan de ingang van de stad, bij de deuren roept zij luid: 4. Tot u, mannen, roep ik. Mijn stem gaat naar de mensenkinderen. 5. Onervaren mensen, leer inzicht. Dwazen, word verstandig van hart. 6. Luister, want ik zeg belangrijke dingen. Mijn lippen spreken alleen wat eerlijk is. 7. Mijn mond spreekt de waarheid uit. Goddeloosheid is een gruwel voor mijn lippen. 8. Alle woorden van mijn mond zijn rechtvaardig. Er zit niets kroms of verdraaids in. 9. Zij zijn alle duidelijk voor wie verstand heeft, en juist voor wie kennis vinden. 10. Neem mijn opvoeding aan, en niet zilver. Neem kennis, liever dan het beste goud. 11. Want wijsheid is beter dan robijnen. Niets van wat je verlangt, is met haar te vergelijken. 12. Ik, Wijsheid, woon bij de bedachtzaamheid. Ik vind kennis en overleg. 13. Ontzag voor de HEERE is het kwade haten. Trots, hoogmoed, de slechte weg en een valse mond haat ik. 14. Bij mij is raad en beleid. Ik ben het inzicht, bij mij is kracht. 15. Door mij regeren koningen en stellen leiders het recht vast. 16. Door mij heersen vorsten en aanzienlijken, alle rechters op aarde. 17. Ik heb lief wie mij liefhebben. Wie mij vroeg zoeken, zullen mij vinden. 18. Rijkdom en eer zijn bij mij, duurzaam bezit en gerechtigheid. 19. Mijn vrucht is beter dan goud, zelfs dan zuiver goud. Wat ik opbreng, is meer dan uitgelezen zilver. 20. Ik loop op de weg van de gerechtigheid, midden op de paden van het recht. 21. Zo geef ik wie mij liefhebben een blijvend bezit. Ik vul hun schatkamers. 22. De HEERE bezat mij aan het begin van zijn weg, nog voor zijn werken van toen. 23. Van eeuwigheid af ben ik aangesteld, vanaf het begin, voordat de aarde bestond. 24. Ik werd geboren toen er nog geen waterdiepten waren, toen er nog geen bronnen vol water waren. 25. Voordat de bergen vastgezet werden, eerder dan de heuvels, werd ik geboren. 26. Hij had de aarde en de velden nog niet gemaakt, nog geen kluitje van de wereld. 27. Toen Hij de hemel klaarmaakte, was ik erbij. Toen Hij een cirkel trok over de diepte, 28. toen Hij de wolken hoog vastzette, toen Hij de bronnen van de diepte vast liet staan, 29. toen Hij de zee haar grens gaf, zodat het water zijn bevel niet overtrad, toen Hij de fundamenten van de aarde legde, 30. toen was ik bij Hem als een lieveling. Ik was dag aan dag zijn vreugde, altijd spelend voor zijn gezicht. 31. Ik speelde op de aarde die Hij gemaakt had, en ik had vreugde in de mensenkinderen. 32. Luister nu naar mij, kinderen. Gelukkig zijn wie mijn wegen bewaren. 33. Luister naar de opvoeding en word wijs. Sla haar niet in de wind. 34. Gelukkig is de mens die naar mij luistert, die dag aan dag bij mijn deuren waakt en bij mijn deurposten wacht. 35. Want wie mij vindt, vindt het leven en krijgt de gunst van de HEERE. 36. Maar wie tegen mij zondigt, doet zichzelf geweld aan. Wie mij haten, hebben de dood lief. ## Spreuken 9 — Twee uitnodigingen 1. De Wijsheid heeft haar huis gebouwd. Zij heeft haar zeven zuilen uitgehakt. 2. Zij heeft haar vee geslacht en haar wijn gemengd. Ook heeft zij haar tafel gedekt. 3. Zij heeft haar dienstmeisjes uitgestuurd. Zij roept boven op de hoogten van de stad. 4. Zij zegt: Wie onervaren is, kom hierheen! En tegen wie geen verstand heeft, zegt zij: 5. Kom, eet van mijn brood en drink van de wijn die ik gemengd heb. 6. Laat de onwetendheid los, dan zul je leven. Ga de weg van het inzicht. 7. Wie een spotter terechtwijst, haalt zich schande op de hals. Wie een goddeloze berispt, krijgt er een smet van. 8. Wijs een spotter niet terecht, anders gaat hij je haten. Wijs een wijze terecht, en hij zal van je houden. 9. Geef een wijze onderwijs, dan wordt hij nog wijzer. Onderwijs een rechtvaardige, dan leert hij erbij. 10. Ontzag voor de HEERE is het begin van wijsheid. De Heilige kennen is inzicht. 11. Want door mij worden je dagen talrijk. Er komen jaren van leven bij. 12. Als je wijs bent, ben je wijs voor jezelf. Ben je een spotter, dan draag je het alleen. 13. Een dwaze vrouw is luidruchtig. Zij is onwetend en weet nergens van. 14. Zij zit bij de deur van haar huis, op een stoel op de hoogten van de stad. 15. Zo roept zij naar wie voorbijgaan, naar wie recht hun weg vervolgen. 16. Zij zegt: Wie onervaren is, kom hierheen! En tegen wie geen verstand heeft, zegt zij: 17. Gestolen water is zoet, en brood dat je stiekem eet, smaakt lekker. 18. Maar hij weet niet dat daar de schimmen zijn, dat haar gasten in de diepten van het dodenrijk liggen. ## Spreuken 10 — De spreuken van Salomo 1. De spreuken van Salomo. Een wijze zoon maakt zijn vader blij, maar een dwaze zoon is het verdriet van zijn moeder. 2. Schatten die je onrechtvaardig verdient, helpen niet. Maar rechtvaardigheid redt van de dood. 3. De HEERE laat rechtvaardige mensen geen honger lijden, maar de begeerte van goddelozen stoot Hij weg. 4. Een luie hand maakt arm, maar de hand van wie hard werkt, maakt rijk. 5. Wie in de zomer oogst, is een verstandige zoon. Wie in de oogsttijd ligt te slapen, maakt schande. 6. Op het hoofd van de rechtvaardige rusten zegeningen, maar de mond van goddelozen verbergt geweld. 7. De herinnering aan een rechtvaardige is een zegen, maar de naam van goddelozen vergaat. 8. Wie wijs van hart is, neemt geboden aan, maar wie dwaas praat, komt ten val. 9. Wie eerlijk leeft, loopt veilig, maar wie kromme wegen gaat, wordt ontmaskerd. 10. Wie met zijn oog knipoogt, richt verdriet aan, en wie dwaas praat, komt ten val. 11. De mond van een rechtvaardige is een bron van leven, maar de mond van goddelozen verbergt geweld. 12. Haat roept ruzie op, maar liefde dekt alle overtredingen toe. 13. Op de lippen van een verstandige vind je wijsheid, maar op de rug van wie geen verstand heeft de stok. 14. Wijze mensen leggen kennis op, maar de mond van een dwaas brengt de ondergang dichtbij. 15. Het bezit van een rijke is zijn sterke stad, maar armoede is de ondergang van wie arm zijn. 16. Wat een rechtvaardige verdient, leidt tot leven. Wat een goddeloze opbrengt, leidt tot zonde. 17. Wie zich laat opvoeden, gaat het pad naar het leven. Wie terechtwijzing afwijst, brengt anderen op een dwaalspoor. 18. Wie haat verbergt, heeft valse lippen. Wie kwaad rondstrooit, is een dwaas. 19. Waar veel woorden zijn, ontbreekt de overtreding niet. Wie zijn lippen in bedwang houdt, is verstandig. 20. De tong van een rechtvaardige is uitgelezen zilver. Het hart van goddelozen is weinig waard. 21. De lippen van een rechtvaardige voeden velen, maar dwazen sterven door gebrek aan verstand. 22. De zegen van de HEERE maakt rijk, en Hij voegt er geen verdriet aan toe. 23. Voor een dwaas is schandelijk doen een spelletje, maar wijsheid hoort bij een man van inzicht. 24. Waar een goddeloze bang voor is, dat overkomt hem. Wat rechtvaardigen verlangen, geeft God. 25. Als een storm voorbijtrekt, is de goddeloze weg, maar de rechtvaardige staat voor altijd vast. 26. Zoals azijn voor de tanden en rook voor de ogen, zo is een luiaard voor wie hem stuurt. 27. Ontzag voor de HEERE verlengt je dagen, maar de jaren van goddelozen worden korter. 28. De hoop van rechtvaardigen wordt blijdschap, maar de verwachting van goddelozen vergaat. 29. De weg van de HEERE is een vesting voor wie oprecht is, maar de ondergang van wie kwaad doen. 30. De rechtvaardige zal nooit wankelen, maar goddelozen zullen het land niet bewonen. 31. De mond van een rechtvaardige brengt wijsheid voort, maar een valse tong wordt afgesneden. 32. De lippen van een rechtvaardige weten wat goed valt, maar de mond van goddelozen alleen wat krom is. ## Spreuken 11 — Eerlijk gewicht en eerlijk hart 1. Een valse weegschaal is een gruwel voor de HEERE, maar een zuiver gewicht bevalt Hem. 2. Komt de trots, dan komt ook de schande. Bij nederige mensen is wijsheid. 3. De oprechtheid van eerlijke mensen leidt hen, maar de valsheid van trouwelozen verwoest hen. 4. Bezit helpt niet op de dag van de toorn, maar rechtvaardigheid redt van de dood. 5. De rechtvaardigheid van een oprecht mens maakt zijn weg recht, maar de goddeloze valt door zijn eigen goddeloosheid. 6. De rechtvaardigheid van eerlijke mensen redt hen, maar trouwelozen worden gevangen in hun eigen begeerte. 7. Als een goddeloos mens sterft, vergaat zijn hoop. Ook alles waarop hij vertrouwde, is voorbij. 8. De rechtvaardige wordt uit de nood bevrijd, en de goddeloze komt in zijn plaats. 9. Wie God niet kent, richt zijn naaste te gronde met zijn mond, maar door kennis worden rechtvaardigen bevrijd. 10. Als het rechtvaardigen goed gaat, juicht de stad. Als goddelozen omkomen, klinkt gejuich. 11. Door de zegen van eerlijke mensen komt een stad omhoog, maar door de mond van goddelozen wordt zij afgebroken. 12. Wie geen verstand heeft, kijkt neer op zijn naaste, maar iemand met inzicht zwijgt. 13. Wie roddelt, brengt geheimen naar buiten, maar wie betrouwbaar is, houdt een zaak voor zich. 14. Zonder leiding gaat een volk ten onder, maar bij veel raadgevers is redding. 15. Wie borg staat voor een vreemde, komt in de problemen. Wie dat weigert, is veilig. 16. Een vriendelijke vrouw houdt haar eer vast, zoals sterke mannen rijkdom vasthouden. 17. Een vriendelijk mens doet zichzelf goed, maar wie wreed is, doet zichzelf pijn. 18. Een goddeloze werkt voor een bedrieglijk loon, maar wie rechtvaardigheid zaait, krijgt een zeker loon. 19. Zo leidt rechtvaardigheid naar het leven, en wie het kwade najaagt, jaagt zijn eigen dood na. 20. Mensen met een krom hart zijn een gruwel voor de HEERE, maar wie oprecht leven, bevallen Hem. 21. Reken erop: een slecht mens blijft niet ongestraft, maar de kinderen van rechtvaardigen ontkomen. 22. Een mooie vrouw zonder verstand is als een gouden ring in de snuit van een varken. 23. Wat rechtvaardigen verlangen, is alleen het goede. Wat goddelozen kunnen verwachten, is toorn. 24. De een deelt uit en krijgt er nog meer bij. De ander houdt vast wat hij hoort te geven, en komt tekort. 25. Wie zegent, wordt zelf gezegend. Wie anderen te drinken geeft, krijgt zelf ook te drinken. 26. Wie graan achterhoudt, wordt door het volk vervloekt, maar wie het verkoopt, krijgt zegen op zijn hoofd. 27. Wie het goede zoekt, zoekt gunst. Wie het kwade najaagt, wordt erdoor getroffen. 28. Wie op zijn rijkdom vertrouwt, zal vallen, maar rechtvaardigen zullen groeien als jong blad. 29. Wie zijn eigen huis te gronde richt, erft wind. Een dwaas wordt de knecht van wie wijs van hart is. 30. De vrucht van een rechtvaardige is een boom van het leven, en wie mensen wint, is wijs. 31. Kijk, de rechtvaardige krijgt op aarde al zijn loon. Hoeveel te meer dan de goddeloze en de zondaar. ## Spreuken 12 — Woorden die steken en woorden die genezen 1. Wie zich graag laat opvoeden, houdt van kennis. Wie terechtwijzing haat, is dom. 2. Een goed mens krijgt de gunst van de HEERE, maar wie kwade plannen smeedt, veroordeelt Hij. 3. Een mens houdt geen stand door goddeloosheid, maar de wortel van rechtvaardigen wankelt niet. 4. Een sterke vrouw is de kroon van haar man, maar een vrouw die schande maakt, is als verrotting in zijn botten. 5. De gedachten van rechtvaardigen zijn eerlijk, maar de plannen van goddelozen zijn bedrog. 6. De woorden van goddelozen loeren op bloed, maar de mond van oprechte mensen redt hen. 7. Goddelozen worden omvergeworpen en zijn er niet meer, maar het huis van rechtvaardigen blijft staan. 8. Een mens wordt geprezen naar zijn verstand, maar wie krom van hart is, wordt veracht. 9. Beter is iemand die weinig lijkt en zelf zijn werk doet, dan wie zich groot houdt en geen brood heeft. 10. Een rechtvaardige weet wat zijn dier nodig heeft, maar zelfs het medelijden van goddelozen is wreed. 11. Wie zijn land bewerkt, krijgt brood genoeg. Wie leeglopers achternaloopt, heeft geen verstand. 12. Een goddeloze begeert de buit van slechte mensen, maar de wortel van rechtvaardigen draagt vrucht. 13. In een verkeerd woord zit de valstrik voor een slecht mens, maar een rechtvaardige komt uit de nood. 14. Van de vrucht van zijn woorden wordt een mens verzadigd met het goede. Wat zijn handen doen, komt bij hem terug. 15. De weg van een dwaas lijkt hemzelf goed, maar wie naar raad luistert, is wijs. 16. De woede van een dwaas is meteen bekend, maar wie verstandig is, bedekt de schande. 17. Wie de waarheid vertelt, laat zien wat recht is, maar een valse getuige komt met bedrog. 18. Er zijn mensen die praten als steken van een zwaard, maar de tong van wijzen geneest. 19. Een eerlijke mond houdt altijd stand, maar een valse tong maar één ogenblik. 20. Bedrog zit in het hart van wie kwaad smeden, maar wie vrede raden, hebben blijdschap. 21. Een rechtvaardige wordt niet door onheil getroffen, maar goddelozen worden vol kwaad. 22. Valse lippen zijn een gruwel voor de HEERE, maar wie trouw handelen, bevallen Hem. 23. Een verstandig mens houdt zijn kennis voor zich, maar het hart van dwazen roept zijn dwaasheid uit. 24. De hand van wie hard werkt, zal heersen, maar wie lui is, komt onder dwangarbeid. 25. Zorgen in het hart van een mens drukken hem neer, maar een goed woord maakt hem blij. 26. Een rechtvaardige wijst zijn naaste de weg, maar de weg van goddelozen laat hen dwalen. 27. Een luiaard braadt zijn eigen vangst niet, maar kostbaar bezit hoort bij wie hard werkt. 28. Op het pad van de gerechtigheid is leven. Die weg leidt niet naar de dood. ## Spreuken 13 — Wie zijn mond bewaart 1. Een wijze zoon luistert naar de opvoeding van zijn vader, maar een spotter luistert niet naar terechtwijzing. 2. Van de vrucht van zijn woorden eet een mens het goede, maar wie trouweloos is, hongert naar geweld. 3. Wie zijn mond bewaart, behoudt zijn leven. Wie zijn lippen wijd opendoet, gaat ten onder. 4. Een luiaard verlangt van alles, maar krijgt niets. Wie hard werkt, krijgt overvloed. 5. Een rechtvaardige haat leugentaal, maar een goddeloze maakt zichzelf verachtelijk en te schande. 6. Rechtvaardigheid bewaart wie oprecht leeft, maar goddeloosheid brengt de zondaar ten val. 7. De een doet zich rijk voor en heeft niets. De ander doet zich arm voor en heeft veel. 8. Een rijk mens moet zijn leven soms vrijkopen, maar een arme hoort geen dreigement. 9. Het licht van rechtvaardigen straalt vrolijk, maar de lamp van goddelozen gaat uit. 10. Trots brengt alleen maar ruzie, maar bij wie zich laten raden is wijsheid. 11. Bezit uit het niets slinkt weg, maar wie met de hand bijeenbrengt, ziet het groeien. 12. Hoop die telkens wordt uitgesteld, maakt het hart ziek. Maar een vervuld verlangen is een boom van het leven. 13. Wie het woord veracht, richt zichzelf te gronde, maar wie ontzag heeft voor het gebod, krijgt zijn loon. 14. Het onderwijs van een wijze is een bron van leven, om weg te blijven van de strikken van de dood. 15. Goed verstand geeft welwillendheid, maar de weg van trouwelozen loopt dood. 16. Iemand met verstand handelt met kennis, maar een dwaas stalt zijn dwaasheid uit. 17. Een slechte bode raakt in het ongeluk, maar een betrouwbare gezant brengt genezing. 18. Armoede en schande komen over wie de opvoeding afwijst, maar wie terechtwijzing aanneemt, wordt geëerd. 19. Een vervuld verlangen is zoet voor de ziel, maar dwazen hebben er een gruwel van om het kwade te laten. 20. Wie met wijzen omgaat, wordt wijs. Wie met dwazen optrekt, komt in de problemen. 21. Het kwaad achtervolgt zondaars, maar rechtvaardigen wordt het goede vergolden. 22. Een goed mens laat zelfs zijn kleinkinderen een erfenis na, maar het bezit van een zondaar is bewaard voor de rechtvaardige. 23. De akker van armen brengt veel voedsel op, maar door onrecht gaat het verloren. 24. Wie zijn stok achterhoudt, haat zijn zoon. Wie van hem houdt, voedt hem op tijd op. 25. Een rechtvaardige eet tot hij genoeg heeft, maar de buik van goddelozen komt tekort. ## Spreuken 14 — De weg die recht lijkt 1. Een wijze vrouw bouwt haar huis, maar een dwaze breekt het met eigen handen af. 2. Wie eerlijk leeft, heeft ontzag voor de HEERE. Wie kromme wegen gaat, veracht Hem. 3. In de mond van een dwaas zit een stok voor zijn eigen rug, maar de lippen van wijzen bewaren hen. 4. Zonder runderen is de voerbak schoon, maar door de kracht van een os is de opbrengst groot. 5. Een betrouwbare getuige liegt niet, maar een valse getuige blaast leugens uit. 6. Een spotter zoekt wijsheid en vindt die niet, maar voor iemand met inzicht is kennis makkelijk. 7. Ga weg bij een dwaas, want bij hem vind je geen woorden van kennis. 8. De wijsheid van een verstandig mens is dat hij zijn weg begrijpt, maar de dwaasheid van dwazen is bedrog. 9. Dwazen lachen om schuld, maar bij oprechte mensen is welwillendheid. 10. Het hart kent zijn eigen bittere verdriet, en een vreemde deelt niet in zijn blijdschap. 11. Het huis van goddelozen wordt verwoest, maar de tent van oprechte mensen zal bloeien. 12. Er is een weg die iemand recht lijkt, maar het eind ervan is de weg naar de dood. 13. Zelfs bij het lachen kan een hart pijn doen, en het eind van die vreugde is verdriet. 14. Wie in zijn hart afdwaalt, krijgt zijn eigen wegen terug, maar een goed mens krijgt terug wat hij deed. 15. Een onervaren mens gelooft alles, maar wie verstandig is, let op zijn stappen. 16. Een wijze is voorzichtig en blijft ver van het kwaad, maar een dwaas is driftig en zorgeloos. 17. Wie snel boos wordt, doet dwaze dingen, en wie kwade plannen smeedt, wordt gehaat. 18. Onervaren mensen erven dwaasheid, maar verstandige mensen worden met kennis gekroond. 19. Slechte mensen moeten buigen voor goede, en goddelozen bij de poorten van rechtvaardigen. 20. Een arme wordt zelfs door zijn vriend gehaat, maar wie rijk is, heeft veel vrienden. 21. Wie op zijn naaste neerkijkt, zondigt. Gelukkig is wie zich over de armen ontfermt. 22. Dwalen wie kwaad bedenken niet? Maar trouw en liefde krijgen wie het goede bedenken. 23. Bij hard werken is er altijd winst, maar praten alleen brengt gebrek. 24. De kroon van wijzen is hun rijkdom, maar de dwaasheid van dwazen blijft dwaasheid. 25. Een betrouwbare getuige redt levens, maar wie leugens uitblaast, is een bedrieger. 26. In het ontzag voor de HEERE ligt een sterk vertrouwen. Ook zijn kinderen vinden bij Hem een toevlucht. 27. Ontzag voor de HEERE is een bron van leven, om weg te blijven van de strikken van de dood. 28. Een groot volk is de glorie van een koning, maar zonder volk gaat een vorst ten onder. 29. Wie geduldig is, heeft veel inzicht, maar wie snel opvliegt, stapelt dwaasheid op. 30. Een rustig hart geeft het lichaam leven, maar jaloezie is verrotting in de botten. 31. Wie een arme onderdrukt, beledigt zijn Maker, maar wie zich over armen ontfermt, eert Hem. 32. Een goddeloze wordt door zijn eigen kwaad weggevaagd, maar een rechtvaardige vindt zelfs bij zijn dood een toevlucht. 33. Wijsheid rust in het hart van wie inzicht heeft, maar bij dwazen komt alles naar buiten. 34. Gerechtigheid maakt een volk groot, maar zonde is een schandvlek voor de volken. 35. Een koning is blij met een verstandige dienaar, maar hij wordt boos op wie schande maakt. ## Spreuken 15 — Een zacht antwoord 1. Een zacht antwoord keert de woede af, maar een hard woord wekt boosheid op. 2. De tong van wijzen maakt kennis aantrekkelijk, maar de mond van dwazen giet dwaasheid uit. 3. De ogen van de HEERE zijn overal. Hij ziet de slechte mensen en de goede. 4. Een tong die geneest, is een boom van het leven, maar een valse tong breekt de geest. 5. Een dwaas veracht de opvoeding van zijn vader, maar wie terechtwijzing aanneemt, is verstandig. 6. In het huis van een rechtvaardige is een grote schat, maar de opbrengst van goddelozen brengt onrust. 7. De lippen van wijzen strooien kennis rond, maar het hart van dwazen doet dat niet. 8. Het offer van goddelozen is een gruwel voor de HEERE, maar het gebed van oprechte mensen bevalt Hem. 9. De weg van goddelozen is een gruwel voor de HEERE, maar wie de gerechtigheid najaagt, heeft Hij lief. 10. Zware terechtwijzing wacht wie het pad verlaat. Wie terechtwijzing haat, zal sterven. 11. Het dodenrijk en het verderf liggen open voor de HEERE. Hoeveel te meer de harten van de mensen. 12. Een spotter houdt niet van wie hem terechtwijst. Hij gaat niet naar de wijzen toe. 13. Een blij hart maakt het gezicht vrolijk, maar door pijn in het hart raakt de geest gebroken. 14. Een verstandig hart zoekt kennis, maar de mond van dwazen voedt zich met dwaasheid. 15. Alle dagen van wie het zwaar heeft, zijn slecht, maar een blij hart is een doorlopend feestmaal. 16. Beter weinig met ontzag voor de HEERE, dan een grote schat met onrust erbij. 17. Beter een bord groente met liefde, dan een gemest rund met haat erbij. 18. Een driftig mens roept ruzie op, maar wie geduldig is, brengt de twist tot rust. 19. De weg van een luiaard is als een doornhaag, maar het pad van oprechte mensen is geëffend. 20. Een wijze zoon maakt zijn vader blij, maar een dwaas mens veracht zijn moeder. 21. Dwaasheid is een pretje voor wie geen verstand heeft, maar iemand met inzicht loopt rechtuit. 22. Zonder overleg lopen plannen stuk, maar met veel raadgevers houden zij stand. 23. Een mens is blij met een goed antwoord uit zijn mond. En wat is een woord op zijn tijd toch goed. 24. Voor een verstandig mens loopt de weg van het leven omhoog, weg van het dodenrijk beneden. 25. Het huis van hoogmoedige mensen breekt de HEERE af, maar de grens van een weduwe zet Hij vast. 26. Kwade plannen zijn een gruwel voor de HEERE, maar vriendelijke woorden zijn Hem aangenaam. 27. Wie op oneerlijke winst uit is, richt zijn huis te gronde, maar wie geschenken haat, zal leven. 28. Het hart van een rechtvaardige denkt na voor hij antwoordt, maar de mond van goddelozen giet kwaad uit. 29. De HEERE is ver van goddelozen, maar het gebed van rechtvaardigen hoort Hij. 30. Stralende ogen maken het hart blij, en goed nieuws geeft kracht tot in de botten. 31. Wie luistert naar een terechtwijzing die leven geeft, hoort thuis bij de wijzen. 32. Wie opvoeding afwijst, veracht zichzelf, maar wie terechtwijzing hoort, krijgt verstand. 33. Ontzag voor de HEERE is opvoeding tot wijsheid, en nederigheid gaat aan de eer vooraf. ## Spreuken 16 — De mens maakt plannen 1. Een mens maakt plannen in zijn hart, maar het antwoord van de tong komt van de HEERE. 2. Alle wegen van een mens lijken hemzelf zuiver, maar de HEERE weegt de geesten. 3. Leg je werk in de handen van de HEERE, dan zullen je plannen slagen. 4. De HEERE heeft alles gemaakt met een doel, zelfs de goddeloze voor de dag van het onheil. 5. Iedereen met een hoogmoedig hart is een gruwel voor de HEERE. Reken erop: hij blijft niet ongestraft. 6. Door liefde en trouw wordt schuld verzoend, en door ontzag voor de HEERE blijft men ver van het kwaad. 7. Als de wegen van een mens de HEERE bevallen, verzoent Hij zelfs zijn vijanden met hem. 8. Beter weinig met rechtvaardigheid, dan een grote opbrengst zonder recht. 9. Het hart van een mens bedenkt zijn weg, maar de HEERE bepaalt zijn stappen. 10. Een koning spreekt als een orakel. Bij een vonnis mag zijn mond niet ontsporen. 11. Een eerlijke waag en weegschaal zijn van de HEERE. Alle gewichten in de buidel zijn zijn werk. 12. Koningen hebben een gruwel van goddeloos handelen, want door gerechtigheid staat een troon vast. 13. Rechtvaardige woorden bevallen koningen, en zij houden van wie eerlijk spreekt. 14. De woede van een koning is als een bode van de dood, maar een wijs man stelt die woede tevreden. 15. In het stralende gezicht van een koning is leven, en zijn gunst is als een wolk met late regen. 16. Hoeveel beter is het wijsheid te krijgen dan goud, en inzicht te verwerven dan zilver. 17. De weg van oprechte mensen is: blijf ver van het kwaad. Wie op zijn weg let, bewaart zijn leven. 18. Trots gaat voor de ondergang, en hoogmoed voor de val. 19. Beter nederig zijn bij eenvoudige mensen, dan buit delen met hoogmoedigen. 20. Wie verstandig omgaat met het woord, vindt het goede. Gelukkig is wie op de HEERE vertrouwt. 21. Wie wijs van hart is, wordt verstandig genoemd, en vriendelijke woorden vergroten het leereffect. 22. Inzicht is een bron van leven voor wie het heeft, maar de straf van dwazen is hun eigen dwaasheid. 23. Het hart van een wijze maakt zijn mond verstandig en vergroot het effect van zijn woorden. 24. Vriendelijke woorden zijn een honingraat, zoet voor de ziel en genezing voor de botten. 25. Er is een weg die iemand recht lijkt, maar het eind ervan is de weg naar de dood. 26. De honger van een arbeider werkt voor hem. Zijn eigen mond drijft hem aan. 27. Een nietsnut graaft naar kwaad. Op zijn lippen ligt een verzengend vuur. 28. Een vals mens zaait ruzie, en wie roddelt, drijft goede vrienden uit elkaar. 29. Een man van geweld verleidt zijn naaste en laat hem een weg gaan die niet goed is. 30. Wie zijn ogen dichtknijpt, bedenkt valse dingen. Wie zijn lippen op elkaar klemt, brengt het kwaad tot stand. 31. Grijze haren zijn een sierlijke kroon. Zij worden gevonden op de weg van de gerechtigheid. 32. Wie geduldig is, is beter dan een held. Wie zichzelf beheerst, beter dan wie een stad inneemt. 33. Het lot wordt in de plooi van het kleed geworpen, maar de beslissing komt helemaal van de HEERE. ## Spreuken 17 — Een droge korst met rust 1. Beter een droge korst met rust erbij, dan een huis vol offervlees met ruzie. 2. Een verstandige knecht krijgt gezag over een zoon die schande maakt. Hij deelt mee in de erfenis onder de broers. 3. De smeltkroes is voor zilver en de oven voor goud, maar de HEERE beproeft de harten. 4. Wie kwaad doet, luistert naar valse lippen. Een leugenaar leent zijn oor aan een bedrieglijke tong. 5. Wie een arme bespot, beledigt zijn Maker. Wie blij is om andermans ongeluk, blijft niet ongestraft. 6. Kleinkinderen zijn de kroon van oude mensen, en kinderen zijn trots op hun ouders. 7. Mooie woorden passen niet bij een dwaas, en leugens nog veel minder bij iemand die aanzien heeft. 8. Een geschenk lijkt een toversteen in de ogen van wie het geeft. Waar hij zich ook wendt, het lijkt te lukken. 9. Wie een overtreding toedekt, zoekt liefde, maar wie de zaak weer oprakelt, drijft vrienden uit elkaar. 10. Een terechtwijzing dringt dieper door bij iemand met verstand, dan honderd slagen bij een dwaas. 11. Een opstandig mens zoekt alleen het kwaad. Daarom wordt er een harde bode naar hem gestuurd. 12. Kom liever een berin tegen die van haar jongen beroofd is, dan een dwaas in zijn dwaasheid. 13. Wie kwaad vergeldt voor goed, uit diens huis zal het kwaad niet wijken. 14. Ruzie beginnen is als een dijk doorsteken. Houd op voordat de twist losbarst. 15. Wie de goddeloze vrijspreekt en de rechtvaardige veroordeelt, beiden zijn een gruwel voor de HEERE. 16. Waarom zou een dwaas geld in handen hebben om wijsheid te kopen? Hij heeft er toch geen verstand voor. 17. Een vriend is er altijd, en in tijden van nood wordt hij als een broer. 18. Iemand zonder verstand geeft de hand en staat borg voor zijn naaste. 19. Wie ruzie liefheeft, houdt van overtreding. Wie zijn deur te hoog maakt, zoekt zijn eigen ondergang. 20. Wie krom van hart is, vindt het goede niet. Wie een valse tong heeft, valt in het kwaad. 21. Wie een dwaas tot zoon krijgt, krijgt verdriet. De vader van een dwaas heeft geen vreugde. 22. Een blij hart is een goed medicijn, maar een gebroken geest droogt de botten uit. 23. Een goddeloze neemt in het geheim een geschenk aan om het recht te buigen. 24. Iemand met inzicht houdt de wijsheid voor ogen, maar de ogen van een dwaas dwalen tot het einde van de aarde. 25. Een dwaze zoon is verdriet voor zijn vader en bittere pijn voor de vrouw die hem baarde. 26. Het is niet goed een rechtvaardige te beboeten, en aanzienlijke mensen te slaan om hun eerlijkheid. 27. Wie kennis heeft, houdt zijn woorden in. Wie inzicht heeft, blijft koel. 28. Zelfs een dwaas die zwijgt, wordt voor wijs gehouden. Wie zijn lippen op elkaar houdt, lijkt verstandig. ## Spreuken 18 — Dood en leven in de macht van de tong 1. Wie zich afzondert, zoekt zijn eigen zin. Tegen alle goede raad in gaat hij tekeer. 2. Een dwaas heeft geen zin in inzicht, maar wil alleen zijn eigen hart laten zien. 3. Als een goddeloze komt, komt ook de verachting, en met schande komt de smaad. 4. De woorden uit de mond van een mens zijn diep water, een bruisende beek, een bron van wijsheid. 5. Het is niet goed partij te kiezen voor een goddeloze en zo een rechtvaardige zijn recht te ontnemen. 6. De lippen van een dwaas brengen hem in de ruzie, en zijn mond roept om slagen. 7. De mond van een dwaas is zijn ondergang, en zijn lippen zijn een strik voor zichzelf. 8. De woorden van een roddelaar zijn als lekkere hapjes. Zij glijden naar binnen tot diep in de buik. 9. Wie slap is in zijn werk, is een broer van wie alles verwoest. 10. De naam van de HEERE is een sterke toren. De rechtvaardige rent erheen en staat veilig. 11. Het bezit van een rijke is zijn sterke stad, in zijn verbeelding een hoge muur. 12. Voor de ondergang wordt het hart van een mens hoogmoedig, en nederigheid gaat aan de eer vooraf. 13. Wie antwoordt voordat hij geluisterd heeft, is dwaas en maakt zich te schande. 14. De geest van een mens houdt hem op de been bij ziekte, maar wie tilt een gebroken geest op? 15. Het hart van iemand met inzicht verwerft kennis, en het oor van wijzen zoekt naar kennis. 16. Een geschenk maakt ruimte voor een mens en brengt hem bij aanzienlijke mensen. 17. Wie het eerst zijn zaak bepleit, lijkt in zijn recht te staan, tot zijn tegenpartij komt en hem doorvraagt. 18. Het lot maakt een einde aan geschillen en beslist tussen machtige partijen. 19. Een broer die je gekrenkt hebt, is ontoegankelijker dan een sterke stad. Ruzies zijn als de grendels van een burcht. 20. Van de vrucht van zijn mond wordt iemands buik gevuld. Hij wordt verzadigd van wat zijn lippen opleveren. 21. Dood en leven zijn in de macht van de tong. Wie haar liefheeft, zal haar vruchten eten. 22. Wie een vrouw gevonden heeft, heeft iets goeds gevonden en heeft de gunst van de HEERE gekregen. 23. Een arme spreekt smekend, maar een rijke antwoordt hard. 24. Wie veel vrienden heeft, kan ten onder gaan, maar er is een vriend die meer aanhankelijk is dan een broer. ## Spreuken 19 — Beter arm en oprecht 1. Beter een arme die eerlijk leeft, dan iemand met valse lippen die dwaas is. 2. Verlangen zonder kennis is niet goed, en wie zich met zijn voeten haast, doet misstappen. 3. De dwaasheid van een mens verpest zijn eigen weg, en dan wordt zijn hart nog kwaad op de HEERE. 4. Bezit brengt veel vrienden, maar een arme wordt door zijn vriend verlaten. 5. Een valse getuige blijft niet ongestraft, en wie leugens uitblaast, ontkomt niet. 6. Velen zoeken de gunst van een vrijgevig mens, en iedereen is de vriend van wie geschenken geeft. 7. Alle broers van een arme haten hem, en zijn vrienden blijven nog verder weg. Hij loopt hen achterna met woorden, maar zij zijn er niet meer. 8. Wie verstand krijgt, houdt van zichzelf. Wie inzicht bewaart, zal het goede vinden. 9. Een valse getuige blijft niet ongestraft, en wie leugens uitblaast, komt om. 10. Luxe past niet bij een dwaas, en nog veel minder past het dat een slaaf over vorsten heerst. 11. Inzicht maakt een mens geduldig. Het is zijn eer een overtreding voorbij te laten gaan. 12. De woede van een koning is als het brullen van een jonge leeuw, maar zijn gunst is als dauw op het gras. 13. Een dwaze zoon is een ramp voor zijn vader, en het gekijf van een vrouw is als een lekkende kraan. 14. Huis en bezit erf je van je ouders, maar een verstandige vrouw komt van de HEERE. 15. Luiheid doet je in een diepe slaap vallen, en wie lui is, zal honger lijden. 16. Wie het gebod bewaart, bewaart zijn leven. Wie zijn wegen veracht, zal sterven. 17. Wie zich over een arme ontfermt, leent aan de HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergoeden. 18. Voed je zoon op zolang er hoop is, maar ga niet zo ver dat je hem ombrengt. 19. Wie snel woedend wordt, moet de gevolgen dragen. Als je hem redt, moet je het steeds opnieuw doen. 20. Luister naar raad en neem opvoeding aan, dan word je later wijs. 21. In het hart van een mens zijn veel plannen, maar de raad van de HEERE houdt stand. 22. Van een mens wordt trouw verwacht. Beter arm zijn dan een leugenaar. 23. Ontzag voor de HEERE leidt tot leven. Dan slaap je tevreden en word je niet door onheil bezocht. 24. Een luiaard steekt zijn hand in de schotel, maar brengt hem niet eens naar zijn mond. 25. Sla een spotter, dan wordt een onervaren mens verstandig. Wijs iemand met inzicht terecht, en hij begrijpt kennis. 26. Wie zijn vader mishandelt en zijn moeder wegjaagt, is een zoon die schande en smaad brengt. 27. Houd op, mijn zoon, met luisteren naar opvoeding als je toch afdwaalt van woorden van kennis. 28. Een nietswaardige getuige bespot het recht, en de mond van goddelozen slokt onrecht op. 29. Voor spotters liggen vonnissen klaar, en slagen voor de rug van dwazen. ## Spreuken 20 — Wijn is een spotter 1. Wijn is een spotter en sterke drank is luidruchtig. Wie erdoor waggelt, is niet wijs. 2. De dreiging van een koning is als het brullen van een jonge leeuw. Wie hem kwaad maakt, brengt zijn eigen leven in gevaar. 3. Het is een eer voor een mens om van ruzie af te blijven, maar elke dwaas barst los. 4. Een luiaard ploegt niet in de herfst. In de oogsttijd zoekt hij iets, maar er is niets. 5. Een plan in het hart van een mens is diep water, maar iemand met inzicht haalt het naar boven. 6. Veel mensen roepen dat zij trouw zijn, maar wie vindt een echt betrouwbaar mens? 7. Een rechtvaardige leeft eerlijk. Gelukkig zijn de kinderen die na hem komen. 8. Een koning die op de rechterstoel zit, ziet met zijn ogen al het kwaad uiteenstuiven. 9. Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? 10. Tweeërlei gewicht en tweeërlei maat zijn allebei een gruwel voor de HEERE. 11. Zelfs een jongen laat aan zijn daden zien of zijn werk zuiver en eerlijk is. 12. Een oor dat hoort en een oog dat ziet: de HEERE heeft ze allebei gemaakt. 13. Houd niet van slapen, anders word je arm. Houd je ogen open, dan heb je brood genoeg. 14. De koper zegt: Slecht, slecht! Maar als hij weggaat, schept hij erover op. 15. Er is goud en er zijn veel robijnen, maar lippen die kennis spreken zijn het kostbaarste sieraad. 16. Neem het kleed van wie borg staat voor een vreemde. Laat hem een pand geven voor onbekenden. 17. Brood dat je met bedrog kreeg, smaakt zoet, maar daarna zit je mond vol steentjes. 18. Plannen slagen door overleg. Voer daarom oorlog met goede raad. 19. Wie roddelt, brengt geheimen naar buiten. Ga dan ook niet om met wie zijn lippen niet kan houden. 20. Wie zijn vader of moeder vervloekt, diens lamp gaat uit in diepe duisternis. 21. Een erfenis die je in het begin te snel binnenhaalt, is aan het eind niet gezegend. 22. Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden. Wacht op de HEERE, Hij zal je redden. 23. Tweeërlei gewicht is een gruwel voor de HEERE, en een valse weegschaal is niet goed. 24. De stappen van een mens komen van de HEERE. Hoe zou een mens dan zijn eigen weg begrijpen? 25. Het is een valstrik om iets ondoordacht heilig te verklaren en pas na je belofte na te denken. 26. Een wijze koning jaagt de goddelozen uiteen en laat het dorsrad over hen gaan. 27. De adem van een mens is een lamp van de HEERE. Hij doorzoekt alle kamers van het binnenste. 28. Liefde en trouw bewaren een koning, en door liefde houdt hij zijn troon overeind. 29. De trots van jonge mannen is hun kracht, en de glorie van ouderen is hun grijze haar. 30. Bloedende striemen zuiveren het kwaad weg, en slagen reinigen het diepste van het binnenste. ## Spreuken 21 — Het hart van de koning in Gods hand 1. Het hart van een koning is in de hand van de HEERE als waterstromen. Hij leidt het waarheen Hij wil. 2. Elke weg van een mens lijkt hemzelf recht, maar de HEERE weegt de harten. 3. Gerechtigheid en recht doen vindt de HEERE beter dan een offer. 4. Trotse ogen, een hoogmoedig hart en de lamp van goddelozen zijn zonde. 5. De plannen van wie hard werken, leveren winst op, maar wie zich haast, komt tekort. 6. Schatten verdienen met een valse tong is vluchtige damp, een jacht op de dood. 7. Het geweld van goddelozen sleept hen mee, omdat zij weigeren recht te doen. 8. De weg van een schuldig mens is krom, maar het doen van wie rein is, is recht. 9. Beter op een hoek van het dak wonen, dan in een gezamenlijk huis met een ruziënde vrouw. 10. Een goddeloze verlangt naar kwaad. Zijn naaste vindt geen genade in zijn ogen. 11. Als een spotter gestraft wordt, wordt een onervaren mens wijs. Als een wijze onderwijs krijgt, neemt hij kennis aan. 12. De Rechtvaardige let op het huis van de goddeloze en stort goddelozen in het onheil. 13. Wie zijn oor dichtstopt voor het roepen van een arme, zal zelf roepen en geen antwoord krijgen. 14. Een geschenk in het geheim bedaart de woede, en een gift onder de mantel de hevige toorn. 15. Voor een rechtvaardige is het een vreugde recht te doen, maar voor wie kwaad doen is het een verschrikking. 16. Een mens die afdwaalt van de weg van het inzicht, komt in de vergadering van de schimmen te rusten. 17. Wie van feesten houdt, komt tekort. Wie van wijn en olie houdt, wordt niet rijk. 18. De goddeloze wordt het losgeld voor de rechtvaardige, en de trouweloze voor wie oprecht is. 19. Beter in een woestijn wonen, dan bij een ruziënde en boze vrouw. 20. In het huis van een wijze ligt een kostbare schat en olie, maar een dwaas mens verslindt het. 21. Wie rechtvaardigheid en liefde najaagt, vindt leven, rechtvaardigheid en eer. 22. Een wijze klimt de stad van helden binnen en haalt de vesting neer waarop zij vertrouwden. 23. Wie zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn leven voor benauwdheid. 24. Wie hoogmoedig opschept, heet spotter. Hij handelt uit grenzeloze arrogantie. 25. Het verlangen van een luiaard brengt hem om, want zijn handen weigeren te werken. 26. De hele dag zit hij te verlangen, maar een rechtvaardige geeft en houdt niets achter. 27. Het offer van goddelozen is een gruwel, en hoeveel te meer als hij het met kwade bedoelingen brengt. 28. Een valse getuige komt om, maar wie goed geluisterd heeft, mag altijd spreken. 29. Een goddeloos mens zet een stoer gezicht op, maar wie oprecht is, zorgt dat zijn weg vaststaat. 30. Er is geen wijsheid, geen inzicht en geen plan die tegen de HEERE opgewassen zijn. 31. Het paard wordt klaargemaakt voor de dag van de strijd, maar de overwinning komt van de HEERE. ## Spreuken 22 — Een goede naam 1. Een goede naam is meer waard dan grote rijkdom, en waardering meer dan zilver en goud. 2. Rijken en armen ontmoeten elkaar. De HEERE heeft hen allemaal gemaakt. 3. Een verstandig mens ziet het gevaar en zoekt dekking, maar onervaren mensen lopen door en moeten boeten. 4. Het loon van nederigheid en ontzag voor de HEERE is rijkdom, eer en leven. 5. Op de weg van een vals mens liggen doorns en strikken. Wie zijn leven bewaakt, blijft er ver vandaan. 6. Leer een jongen de weg die hij moet gaan. Ook als hij oud is, zal hij er niet van afwijken. 7. Een rijke heerst over de armen, en wie leent, wordt de knecht van wie uitleent. 8. Wie onrecht zaait, zal ellende oogsten, en de stok van zijn woede breekt. 9. Wie goed uit zijn ogen kijkt, zal gezegend worden, want hij deelt zijn brood met de armen. 10. Jaag de spotter weg, dan verdwijnt de ruzie. Dan houden geschil en schande op. 11. Wie een zuiver hart liefheeft en vriendelijk spreekt, heeft de koning tot vriend. 12. De ogen van de HEERE bewaken de kennis, maar de woorden van trouwelozen keert Hij om. 13. Een luiaard zegt: Er loopt een leeuw buiten. Ik word midden op straat nog gedood. 14. De mond van een vreemde vrouw is een diepe kuil. Wie de HEERE verwerpt, valt erin. 15. Dwaasheid zit vastgebonden in het hart van een jongen, maar de stok van de opvoeding drijft haar ver van hem weg. 16. Wie een arme uitbuit om zelf meer te krijgen, en wie aan een rijke geeft, komt zeker tekort. 17. Neig je oor en luister naar de woorden van de wijzen. Richt je hart op mijn kennis. 18. Het is heerlijk als je ze in je binnenste bewaart en ze samen op je lippen klaarliggen. 19. Opdat je vertrouwen op de HEERE zou zijn, maak ik ze vandaag aan jou bekend. 20. Heb ik je niet dertig spreuken geschreven, vol raad en kennis? 21. Zo leer je de betrouwbaarheid van ware woorden, zodat je juist antwoord kunt geven aan wie je stuurt. 22. Beroof een arme niet omdat hij arm is, en vertrap een ellendig mens niet in de poort. 23. Want de HEERE zal hun zaak bepleiten en wie hen berooft, van het leven beroven. 24. Sluit geen vriendschap met een driftig mens, en ga niet om met wie snel woedend wordt. 25. Anders leer je zijn wegen af te kijken en zet je een strik voor je eigen leven. 26. Wees niet iemand die de hand geeft en borg staat voor andermans schulden. 27. Als je niet kunt betalen, waarom zou men dan je bed onder je vandaan halen? 28. Verzet de oude grenssteen niet die je voorouders gezet hebben. 29. Zie je een man die bekwaam is in zijn werk? Hij zal bij koningen staan, niet bij mensen zonder aanzien. ## Spreuken 23 — Kijk uit bij de tafel van een heerser 1. Als je aan tafel gaat bij een heerser, let dan goed op wie er voor je zit. 2. Zet een mes op je keel als je een gulzig mens bent. 3. Verlang niet naar zijn lekkere gerechten, want het is bedrieglijk voedsel. 4. Sloof je niet uit om rijk te worden. Wees verstandig genoeg om te stoppen. 5. Laat je ogen niet vliegen naar wat er niet is. Rijkdom maakt zich vleugels als een adelaar en vliegt naar de hemel. 6. Eet niet het brood van iemand die gierig kijkt, en verlang niet naar zijn lekkere gerechten. 7. Want zoals hij in zijn hart rekent, zo is hij. Hij zegt wel: Eet en drink, maar zijn hart is niet bij jou. 8. Het hapje dat je gegeten hebt, spuug je weer uit, en je vriendelijke woorden zijn verspild. 9. Praat niet tegen een dwaas, want hij zal je verstandige woorden verachten. 10. Verzet de oude grenssteen niet en kom niet op de akkers van wezen. 11. Want hun losser is sterk. Hij zal hun zaak tegen jou bepleiten. 12. Richt je hart op de opvoeding en je oren op woorden van kennis. 13. Onthoud een jongen de opvoeding niet. Als je hem met de stok slaat, zal hij niet sterven. 14. Je slaat hem met de stok en redt zijn leven van het dodenrijk. 15. Mijn zoon, als jouw hart wijs is, dan is mijn hart ook blij. 16. Mijn binnenste juicht als jouw lippen eerlijke dingen zeggen. 17. Laat je hart niet jaloers zijn op zondaars, maar leef altijd met ontzag voor de HEERE. 18. Want er is echt een toekomst, en jouw hoop zal niet worden afgesneden. 19. Luister, mijn zoon, en word wijs. Zet je hart op de goede weg. 20. Ga niet om met wijndrinkers of met mensen die zich volproppen met vlees. 21. Want een dronkaard en een veelvraat worden arm, en slaperigheid kleedt je in lompen. 22. Luister naar je vader, die je verwekt heeft, en kijk niet op je moeder neer als zij oud is. 23. Koop de waarheid en verkoop haar niet, en ook wijsheid, opvoeding en inzicht. 24. De vader van een rechtvaardige is heel blij. Wie een wijze zoon krijgt, is blij met hem. 25. Laat je vader en je moeder blij zijn. Laat haar juichen die jou gebaard heeft. 26. Mijn zoon, geef mij je hart en laat je ogen mijn wegen bewaken. 27. Want een hoer is een diepe kuil, en de vrouw van een ander een nauwe put. 28. Ook zij ligt op de loer als een rover, en zij maakt veel mensen ontrouw. 29. Wie heeft er wee? Wie heeft er verdriet? Wie heeft er ruzie en geklaag? Wie heeft er wonden zonder reden en rode ogen? 30. Dat zijn mensen die lang bij de wijn blijven zitten, die op zoek gaan naar gemengde drank. 31. Kijk niet naar de wijn als hij rood glanst, als hij in de beker fonkelt en soepel naar binnen glijdt. 32. Op het laatst bijt hij als een slang en spuit hij gif als een adder. 33. Je ogen zien vreemde dingen en je hart praat wartaal. 34. Je bent als iemand die midden op zee ligt te slapen, als iemand die boven in de mast in slaap valt. 35. Je zegt: Ze hebben mij geslagen, maar ik voelde niets. Ze hebben mij afgetuigd, maar ik merkte het niet. Wanneer word ik wakker? Dan zoek ik de wijn weer op. ## Spreuken 24 — Door wijsheid wordt een huis gebouwd 1. Wees niet jaloers op slechte mensen, en verlang er niet naar bij hen te zijn. 2. Want hun hart bedenkt geweld, en hun lippen praten over ellende. 3. Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door inzicht wordt het stevig. 4. Door kennis raken de kamers gevuld met alles wat kostbaar en mooi is. 5. Een wijze man is sterk, en wie kennis heeft, wordt nog krachtiger. 6. Want met goed overleg voer je oorlog, en bij veel raadgevers is de overwinning. 7. Voor een dwaas is wijsheid te hoog. In de poort doet hij zijn mond niet open. 8. Wie plannen maakt om kwaad te doen, noemt men een meester in bedrog. 9. Een dwaas plan is zonde, en een spotter is een gruwel voor de mensen. 10. Als je het op de dag van benauwdheid laat afweten, is je kracht klein. 11. Red wie naar de dood worden gesleept. Houd tegen wie wankelend naar de slachtbank gaan. 12. Als je zegt: Wij wisten dat niet, let Hij die de harten weegt daar dan niet op? Hij die op je leven let, weet Hij het niet? Hij zal ieder mens vergelden naar zijn werk. 13. Eet honing, mijn zoon, want die is goed. Honing uit de raat is zoet voor je gehemelte. 14. Zo is de kennis van de wijsheid voor je ziel. Als je haar vindt, is er een toekomst, en je hoop wordt niet afgesneden. 15. Loer niet, goddeloze, op de woning van een rechtvaardige. Verwoest zijn rustplaats niet. 16. Want een rechtvaardige valt zeven keer en staat weer op, maar goddelozen struikelen het onheil in. 17. Wees niet blij als je vijand valt. Laat je hart niet juichen als hij struikelt. 18. Anders ziet de HEERE het en vindt Hij het verkeerd, en keert Hij zijn toorn van hem af. 19. Word niet kwaad over wie kwaad doen. Wees niet jaloers op goddelozen. 20. Want voor een slecht mens is er geen toekomst. De lamp van goddelozen gaat uit. 21. Mijn zoon, heb ontzag voor de HEERE en voor de koning. Sluit je niet aan bij oproerlingen. 22. Want hun ondergang komt plotseling. Wie weet welk onheil die twee kunnen brengen? 23. Ook deze spreuken zijn van de wijzen. Partijdig zijn bij de rechtspraak is niet goed. 24. Wie tegen een schuldige zegt: U hebt gelijk, die zullen de volken vervloeken en de naties verwensen. 25. Maar wie hem terechtwijzen, gaat het goed. Over hen komt een rijke zegen. 26. Wie een eerlijk antwoord geeft, geeft als het ware een kus op de lippen. 27. Zorg eerst dat je werk buiten klaar is en je akker in orde. Bouw daarna je huis. 28. Getuig niet zonder reden tegen je naaste. Zou je met je lippen bedriegen? 29. Zeg niet: Wat hij mij aandeed, doe ik hem aan. Ik vergeld ieder naar zijn werk. 30. Ik kwam langs de akker van een luiaard, langs de wijngaard van een mens zonder verstand. 31. En kijk, alles stond vol distels. De grond was bedekt met onkruid, en de stenen muur was afgebroken. 32. Ik zag het en nam het ter harte. Ik keek ernaar en trok er een les uit. 33. Nog even slapen, nog even doezelen, nog even de handen over elkaar om te rusten, 34. en je armoede komt als een landloper en je gebrek als een gewapend man. ## Spreuken 25 — Spreuken die de mannen van Hizkia verzamelden 1. Dit zijn ook spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, de koning van Juda, overgeschreven hebben. 2. Het is de eer van God om een zaak te verbergen, en de eer van koningen om een zaak te onderzoeken. 3. De hoogte van de hemel, de diepte van de aarde en het hart van koningen zijn niet te doorgronden. 4. Haal het schuim van het zilver weg, dan kan de edelsmid er een vat van maken. 5. Haal de goddeloze weg bij de koning, dan staat zijn troon vast door gerechtigheid. 6. Zet jezelf niet op de voorgrond bij de koning en ga niet op de plaats van de groten staan. 7. Het is beter dat men tegen je zegt: Kom hier naar voren, dan dat je vernederd wordt voor de ogen van een edelman. 8. Ga niet te snel procederen. Wat doe je op het laatst, als je naaste je te schande maakt? 9. Bepleit je zaak met je naaste zelf, maar verklap het geheim van een ander niet. 10. Anders zal wie het hoort je uitschelden, en raak je die slechte naam niet meer kwijt. 11. Een woord dat op het juiste moment gesproken wordt, is als gouden appels op zilveren schalen. 12. Een wijze terechtwijzing bij een luisterend oor is als een gouden ring en een sieraad van fijn goud. 13. Een betrouwbare bode is voor wie hem sturen als koele sneeuw op een oogstdag. Hij verfrist het hart van zijn heer. 14. Wie opschept over een geschenk dat hij niet geeft, is als wolken en wind zonder regen. 15. Met geduld overtuig je een heerser, en een zachte tong breekt zelfs botten. 16. Heb je honing gevonden, eet dan genoeg. Eet je te veel, dan spuug je het weer uit. 17. Kom niet te vaak in het huis van je naaste, anders krijgt hij genoeg van je en gaat hij je haten. 18. Wie valse getuigenis geeft tegen zijn naaste, is als een strijdhamer, een zwaard en een scherpe pijl. 19. Vertrouwen op een trouweloos mens in tijden van nood is als een rotte tand en een verzwikte voet. 20. Wie liedjes zingt bij een treurig hart, is als iemand die een jas uittrekt op een koude dag, als azijn op soda. 21. Als wie jou haat honger heeft, geef hem dan brood. Heeft hij dorst, geef hem dan water. 22. Zo stapel je vurige kolen op zijn hoofd, en de HEERE zal het je vergelden. 23. De noordenwind brengt regen, en een tong die stiekem roddelt, brengt boze gezichten. 24. Beter op een hoek van het dak wonen, dan in een gezamenlijk huis met een ruziënde vrouw. 25. Goed nieuws uit een ver land is als koud water voor een uitgedroogde keel. 26. Een rechtvaardige die voor een goddeloze wankelt, is als een vertrapte bron en een vervuilde put. 27. Te veel honing eten is niet goed, en te veel eer zoeken evenmin. 28. Een mens die zichzelf niet in bedwang heeft, is als een opengebroken stad zonder muur. ## Spreuken 26 — De dwaas, de luiaard en de roddelaar 1. Zoals sneeuw in de zomer en regen in de oogsttijd, zo past eer niet bij een dwaas. 2. Zoals een mus wegfladdert en een zwaluw wegvliegt, zo raakt een vloek zonder reden je niet. 3. Een zweep is voor het paard, een toom voor de ezel, en een stok voor de rug van dwazen. 4. Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, anders word je zelf net als hij. 5. Antwoord een dwaas wel naar zijn dwaasheid, anders vindt hij zichzelf nog wijs. 6. Wie een boodschap door een dwaas laat brengen, hakt zijn eigen voeten af en drinkt geweld. 7. Als slappe benen van een kreupele, zo is een spreuk in de mond van dwazen. 8. Wie een dwaas eer geeft, is als iemand die een steen vastbindt in een slinger. 9. Als een doorn die in de hand van een dronkaard prikt, zo is een spreuk in de mond van dwazen. 10. Als een boogschutter die zomaar op iedereen schiet, zo is wie een dwaas of een voorbijganger inhuurt. 11. Zoals een hond terugkeert naar zijn braaksel, zo herhaalt een dwaas zijn dwaasheid. 12. Zie je een mens die zichzelf wijs vindt? Van een dwaas is meer te verwachten dan van hem. 13. Een luiaard zegt: Er loopt een leeuw op de weg, een leeuw op het plein. 14. Zoals een deur op zijn scharnier draait, zo draait een luiaard op zijn bed. 15. Een luiaard steekt zijn hand in de schotel, maar is te moe om hem naar zijn mond te brengen. 16. Een luiaard vindt zichzelf wijzer dan zeven mensen die verstandig antwoorden. 17. Wie zich kwaad maakt over een ruzie die hem niet aangaat, is als iemand die een hond bij de oren pakt. 18. Als een dolleman die vuurpijlen en dodelijke pijlen afschiet, 19. zo is iemand die zijn naaste bedriegt en zegt: Ik maakte toch maar een grapje? 20. Zonder hout gaat het vuur uit, en zonder roddelaar houdt de ruzie op. 21. Houtskool doet de gloed oplaaien en hout het vuur. Zo doet een ruziezoeker de twist ontbranden. 22. De woorden van een roddelaar zijn als lekkere hapjes. Zij glijden naar binnen tot diep in de buik. 23. Vurige lippen bij een slecht hart zijn als een aarden pot met een laagje zilverglazuur. 24. Wie haat draagt, verbergt het met zijn lippen, maar van binnen koestert hij bedrog. 25. Praat hij vriendelijk, geloof hem dan niet, want in zijn hart zitten zeven gruwelen. 26. Zijn haat gaat schuil achter bedrog, maar zijn slechtheid komt in de vergadering aan het licht. 27. Wie een kuil graaft, valt erin, en wie een steen omhoog rolt, krijgt die op zich terug. 28. Een valse tong haat wie zij kapotmaakt, en een gladde mond richt ondergang aan. ## Spreuken 27 — IJzer scherpt men met ijzer 1. Schep niet op over de dag van morgen, want je weet niet wat die dag brengt. 2. Laat een ander je prijzen en niet je eigen mond, een vreemde en niet je eigen lippen. 3. Een steen is zwaar en zand weegt veel, maar de ergernis om een dwaas weegt zwaarder dan allebei. 4. Woede is wreed en toorn is een vloedgolf, maar wie houdt stand tegen jaloezie? 5. Openlijke terechtwijzing is beter dan verborgen liefde. 6. De wonden van een vriend zijn eerlijk, maar de kussen van wie je haat zijn overvloedig. 7. Wie genoeg heeft, vertrapt honing, maar voor wie honger heeft, is al het bittere zoet. 8. Als een vogel die van zijn nest wegdwaalt, zo is een mens die wegdwaalt van zijn plaats. 9. Olie en reukwerk maken het hart blij, en zo verheugt de raad van een vriend de ziel. 10. Laat je eigen vriend en de vriend van je vader niet in de steek. Ga niet naar het huis van je broer als het je slecht gaat. Een buur dichtbij is beter dan een broer ver weg. 11. Wees wijs, mijn zoon, en maak mijn hart blij. Dan kan ik antwoord geven aan wie mij bespot. 12. Een verstandig mens ziet het gevaar en zoekt dekking, maar onervaren mensen lopen door en moeten boeten. 13. Neem het kleed van wie borg staat voor een vreemde. Laat hem een pand geven voor een onbekende vrouw. 14. Wie zijn vriend 's morgens vroeg met luide stem zegent, dat wordt hem als een vloek aangerekend. 15. Een dak dat blijft lekken op een regendag en een ruziënde vrouw lijken op elkaar. 16. Wie haar in bedwang wil houden, houdt de wind tegen of grijpt olie met zijn rechterhand. 17. IJzer scherpt men met ijzer. Zo scherpt de ene mens de ander. 18. Wie zijn vijgenboom verzorgt, zal zijn vruchten eten. Wie op zijn heer let, wordt geëerd. 19. Zoals water het gezicht weerspiegelt, zo weerspiegelt het hart van een mens de mens zelf. 20. Het dodenrijk en het verderf raken nooit verzadigd, en de ogen van een mens evenmin. 21. De smeltkroes is voor zilver en de oven voor goud, en een mens wordt getoetst aan de lof die hij krijgt. 22. Al zou je een dwaas stampen in een vijzel, midden tussen het graan, zijn dwaasheid raakt hij niet kwijt. 23. Zorg dat je je schapen goed kent. Let goed op je kudden. 24. Want een schat blijft niet eeuwig, en een kroon gaat niet van geslacht op geslacht. 25. Als het gras verdwijnt en het jonge groen tevoorschijn komt, wordt het bergkruid verzameld. 26. De lammeren geven je kleding, en de bokken de prijs van een akker. 27. Er is genoeg geitenmelk als voedsel voor jou, voor je huis en voor je dienstmeisjes. ## Spreuken 28 — Wie zijn overtredingen bekent 1. Goddelozen vluchten terwijl niemand hen achtervolgt, maar rechtvaardigen zijn moedig als een jonge leeuw. 2. Door het onrecht van een land komen er steeds nieuwe heersers, maar door een verstandig en wijs mens blijft de orde bestaan. 3. Een arm mens die geringe mensen uitbuit, is als een stortbui die alles wegspoelt, zodat er geen brood meer is. 4. Wie de wet loslaten, prijzen goddelozen, maar wie de wet bewaren, komen tegen hen in verzet. 5. Slechte mensen begrijpen het recht niet, maar wie de HEERE zoeken, begrijpen alles. 6. Beter een arme die eerlijk leeft, dan iemand die kromme wegen gaat, al is hij rijk. 7. Wie de wet bewaart, is een verstandige zoon, maar wie omgaat met veelvraten, maakt zijn vader te schande. 8. Wie zijn bezit vergroot met rente en woeker, verzamelt het voor iemand die zich over de armen ontfermt. 9. Wie zijn oor afwendt en de wet niet hoort, diens gebed is zelfs een gruwel. 10. Wie oprechte mensen op een slechte weg brengt, valt zelf in zijn eigen kuil, maar wie onberispelijk zijn, erven het goede. 11. Een rijk man vindt zichzelf wijs, maar een arme met inzicht kijkt dwars door hem heen. 12. Als rechtvaardigen juichen, is er grote luister, maar als goddelozen opkomen, gaan de mensen zich verstoppen. 13. Wie zijn overtredingen verbergt, zal het niet goed gaan, maar wie ze bekent en loslaat, krijgt barmhartigheid. 14. Gelukkig is de mens die altijd ontzag heeft, maar wie zijn hart verhardt, valt in het kwaad. 15. Een goddeloze die over een arm volk heerst, is een brullende leeuw en een aanvallende beer. 16. Een vorst zonder inzicht onderdrukt veel, maar wie oneerlijke winst haat, leeft lang. 17. Een mens die de dood van een ander op zijn geweten heeft, vlucht tot in het graf. Laat niemand hem tegenhouden. 18. Wie eerlijk leeft, wordt gered, maar wie kromme wegen gaat, valt ineens. 19. Wie zijn land bewerkt, heeft brood genoeg, maar wie leeglopers achternaloopt, krijgt armoede genoeg. 20. Een betrouwbaar mens krijgt veel zegen, maar wie zich haast om rijk te worden, blijft niet ongestraft. 21. Partijdig zijn is niet goed, en toch doet een mens kwaad om een stuk brood. 22. Wie zich haast naar rijkdom, heeft een hebzuchtig oog. Hij weet niet dat gebrek hem zal treffen. 23. Wie een mens terechtwijst, vindt later meer gunst dan wie met zijn tong vleit. 24. Wie zijn vader of moeder besteelt en zegt: Dat is geen overtreding, is een makker van wie alles verwoest. 25. Wie hebzuchtig is, roept ruzie op, maar wie op de HEERE vertrouwt, krijgt overvloed. 26. Wie op zijn eigen hart vertrouwt, is een dwaas, maar wie in wijsheid leeft, ontkomt. 27. Wie aan de armen geeft, komt niets tekort, maar wie zijn ogen afwendt, krijgt veel vervloekingen. 28. Als goddelozen opkomen, verbergen de mensen zich, maar als zij omkomen, worden rechtvaardigen talrijk. ## Spreuken 29 — Wie zich laat terechtwijzen 1. Wie vaak terechtgewezen wordt en toch koppig blijft, wordt plotseling gebroken, zonder genezing. 2. Als rechtvaardigen groot worden, is het volk blij, maar als een goddeloze heerst, zucht het volk. 3. Wie van wijsheid houdt, maakt zijn vader blij, maar wie met hoeren omgaat, verkwist zijn bezit. 4. Een koning houdt een land overeind door recht, maar wie omkoping aanneemt, breekt het af. 5. Wie zijn naaste vleit, spant een net voor zijn voeten. 6. In de overtreding van een slecht mens ligt een valstrik, maar een rechtvaardige juicht en is blij. 7. Een rechtvaardige kent het recht van de armen, maar een goddeloze begrijpt dat inzicht niet. 8. Spotters zetten een stad in vuur en vlam, maar wijzen keren de woede af. 9. Als een wijze met een dwaas een zaak uitvecht, is er geen rust, of die nu tekeergaat of lacht. 10. Bloeddorstige mensen haten wie onberispelijk is, maar oprechte mensen zoeken hem op. 11. Een dwaas laat al zijn gemoed de vrije loop, maar een wijze houdt zich in. 12. Als een heerser naar leugentaal luistert, worden al zijn dienaren goddeloos. 13. Een arme en een uitbuiter komen elkaar tegen. De HEERE geeft hun allebei licht in de ogen. 14. Een koning die de armen trouw recht doet, diens troon staat voor altijd vast. 15. De stok en de terechtwijzing geven wijsheid, maar een kind dat zijn gang mag gaan, maakt zijn moeder te schande. 16. Als goddelozen talrijk worden, groeit de overtreding, maar rechtvaardigen zullen hun val zien. 17. Voed je zoon op, dan geeft hij je rust en schenkt hij je vreugde. 18. Zonder openbaring raakt een volk losgeslagen, maar gelukkig is wie de wet bewaart. 19. Een slaaf laat zich niet met woorden alleen opvoeden. Hij begrijpt het wel, maar hij reageert niet. 20. Zie je een mens die te snel is met zijn woorden? Van een dwaas is meer te verwachten dan van hem. 21. Wie zijn slaaf van jongs af verwent, ziet hem later als een zoon optreden. 22. Een driftig mens roept ruzie op, en wie snel woedend wordt, begaat veel overtredingen. 23. De hoogmoed van een mens vernedert hem, maar wie nederig van geest is, houdt de eer vast. 24. Wie met een dief deelt, haat zichzelf. Hij hoort de vloek, maar hij zegt niets. 25. Bang zijn voor mensen legt een valstrik, maar wie op de HEERE vertrouwt, staat veilig. 26. Velen zoeken de gunst van een heerser, maar het recht van een mens komt van de HEERE. 27. Een onrechtvaardig mens is een gruwel voor rechtvaardigen, en wie eerlijk leeft, is een gruwel voor de goddeloze. ## Spreuken 30 — De woorden van Agur 1. De woorden van Agur, de zoon van Jake, uit Massa. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal: 2. Ik ben dommer dan wie ook. Ik heb geen mensenverstand. 3. Ik heb geen wijsheid geleerd en ken de Heilige niet. 4. Wie is naar de hemel opgestegen en weer neergedaald? Wie heeft de wind in zijn handen verzameld? Wie heeft het water in een kleed gebonden? Wie heeft alle einden van de aarde vastgezet? Hoe heet Hij, en hoe heet zijn zoon? Weet jij het soms? 5. Elk woord van God is gelouterd. Hij is een schild voor wie bij Hem schuilen. 6. Voeg niets aan zijn woorden toe, anders wijst Hij je terecht en blijk je een leugenaar. 7. Twee dingen vraag ik U. Onthoud ze mij niet voordat ik sterf. 8. Houd leegte en leugentaal ver van mij. Geef mij geen armoede en geen rijkdom. Geef mij het brood dat ik nodig heb. 9. Anders word ik te vol en verloochen ik U met de vraag: Wie is de HEERE? Of ik word arm en ga stelen, en tast de naam van mijn God aan. 10. Zwart niet over een slaaf bij zijn heer, anders vervloekt hij je en draag jij de schuld. 11. Er is een soort mensen dat zijn vader vervloekt en zijn moeder niet zegent. 12. Er is een soort dat zichzelf rein vindt, maar zijn eigen vuil niet heeft afgewassen. 13. Er is een soort met hoogmoedige ogen en een trotse blik. 14. Er is een soort met tanden als zwaarden en kiezen als messen, om de armen van de aarde weg te vreten. 15. De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Drie dingen raken nooit verzadigd, ja vier zeggen nooit: Genoeg. 16. Het dodenrijk, de gesloten moederschoot, de aarde die nooit genoeg water krijgt, en het vuur dat nooit zegt: Genoeg. 17. Een oog dat een vader bespot en niet naar een moeder wil luisteren, wordt door raven uit het dal uitgepikt en door jonge arenden opgegeten. 18. Drie dingen zijn te wonderlijk voor mij, ja vier begrijp ik niet: 19. de weg van een arend in de lucht en de weg van een slang op een rots. Verder de weg van een schip midden op zee en de weg van een man bij een jonge vrouw. 20. Zo gaat het bij een overspelige vrouw: zij eet, veegt haar mond af en zegt: Ik heb niets verkeerds gedaan. 21. Om drie dingen beeft de aarde, ja om vier, die zij niet kan dragen: 22. om een slaaf die koning wordt, om een dwaas die zich volpropt met brood, 23. om een ongeliefde vrouw die trouwt, en om een slavin die de plaats van haar meesteres inneemt. 24. Vier dieren zijn de kleinste op aarde, en toch zijn zij bijzonder wijs: 25. de mieren zijn een zwak volk, en toch leggen zij hun voedsel aan in de zomer. 26. De klipdassen zijn een machteloos volk, en toch bouwen zij hun huis in de rotsen. 27. De sprinkhanen hebben geen koning, en toch trekken zij in geordende zwermen uit. 28. De hagedis kun je met de hand vangen, en toch zit hij in de paleizen van koningen. 29. Drie schrijden statig voort, ja vier hebben een prachtige gang: 30. de leeuw, de held onder de dieren, die voor niets terugdeinst, 31. de haan die trots rondstapt, de bok, en een koning aan het hoofd van zijn leger. 32. Als je dwaas geweest bent door jezelf te verheffen, of als je kwaad bedacht hebt, leg dan je hand op je mond. 33. Want melk karnen geeft boter, de neus knijpen geeft bloed, en woede opwekken geeft ruzie. ## Spreuken 31 — De woorden van koning Lemuël 1. De woorden van koning Lemuël, de uitspraak waarmee zijn moeder hem onderwees. 2. Wat, mijn zoon? Wat, zoon van mijn schoot? Wat, zoon van mijn geloften? 3. Geef je kracht niet aan vrouwen, en ga niet de weg van wie koningen ten val brengt. 4. Het past koningen niet, Lemuël, het past koningen niet om wijn te drinken, en heersers niet om naar sterke drank te verlangen. 5. Anders drinken zij en vergeten zij de wet, en verdraaien zij het recht van alle verdrukten. 6. Geef sterke drank aan wie ten onder gaat, en wijn aan wie bitter bedroefd is. 7. Laat hem drinken en zijn armoede vergeten. Laat hem niet meer aan zijn ellende denken. 8. Doe je mond open voor wie zelf niet kan spreken, voor het recht van allen die dreigen om te komen. 9. Doe je mond open, spreek rechtvaardig recht en kom op voor wie arm en verdrukt is. 10. Wie vindt een sterke vrouw? Zij is veel meer waard dan robijnen. 11. Het hart van haar man vertrouwt op haar, en het zal hem aan niets ontbreken. 12. Zij doet hem goed en geen kwaad, alle dagen van haar leven. 13. Zij zoekt wol en vlas en werkt met plezier met haar handen. 14. Zij is als de schepen van een koopman: zij haalt haar brood van ver. 15. Zij staat op als het nog nacht is, geeft haar huis te eten en haar dienstmeisjes hun deel. 16. Zij zet haar zinnen op een akker en koopt die. Van wat zij verdient, plant zij een wijngaard. 17. Zij omgordt haar middel met kracht en maakt haar armen sterk. 18. Zij merkt dat haar handel goed gaat. 's Nachts gaat haar lamp niet uit. 19. Zij strekt haar handen uit naar het spinrokken, en haar vingers houden de spoel vast. 20. Zij opent haar hand voor wie arm is en strekt haar handen uit naar wie in nood is. 21. Zij is niet bang voor de sneeuw voor haar huis, want haar hele huis is warm gekleed. 22. Zij maakt zelf haar dekens. Haar kleding is van fijn linnen en purper. 23. Haar man is bekend in de poorten, als hij daar zit met de oudsten van het land. 24. Zij maakt fijne kleden en verkoopt ze. Zij levert gordels aan de koopman. 25. Kracht en waardigheid zijn haar kleding. Zij lacht om de dag die komt. 26. Zij doet haar mond open met wijsheid, en op haar tong ligt vriendelijk onderwijs. 27. Zij let goed op wat er in haar huis gebeurt en eet het brood van de luiheid niet. 28. Haar kinderen staan op en prijzen haar gelukkig. Ook haar man prijst haar: 29. Veel vrouwen hebben zich sterk getoond, maar jij overtreft ze allemaal. 30. Charme is bedrieglijk en schoonheid is vluchtig, maar een vrouw met ontzag voor de HEERE wordt geprezen. 31. Geef haar de vrucht van haar handen. Laat haar werk haar prijzen in de poorten. ## Prediker 1 — Er is niets nieuws onder de zon 1. De woorden van de Prediker, de zoon van David, koning in Jeruzalem. 2. Lucht en leegte, zegt de Prediker. Lucht en leegte, alles is leeg. 3. Wat levert het een mens op dat hij zwoegt onder de zon? 4. Het ene geslacht gaat, het volgende komt, maar de aarde blijft altijd bestaan. 5. De zon komt op en de zon gaat onder. Zij hijgt terug naar de plaats waar zij opkomt. 6. De wind gaat naar het zuiden en draait naar het noorden. Rond en rond gaat hij, en steeds keert de wind op zijn baan terug. 7. Alle beken lopen naar de zee, maar de zee raakt niet vol. Naar de plaats waar de beken heen gaan, gaan zij telkens weer. 8. Alle dingen zijn zo vermoeiend dat niemand het kan zeggen. Het oog kijkt zich niet vol en het oor luistert zich niet vol. 9. Wat geweest is, zal er weer zijn. Wat gedaan is, zal weer gedaan worden. Er is niets nieuws onder de zon. 10. Is er iets waarvan men kan zeggen: Kijk, dit is nieuw? Het was er al in de eeuwen voor ons. 11. Aan wat vroeger was, denkt niemand meer. En aan wat later komt, zal ook niemand meer denken bij wie daarna leven. 12. Ik, de Prediker, was koning over Israël in Jeruzalem. 13. Ik zette mij erop om met wijsheid alles te onderzoeken wat er onder de hemel gebeurt. Dat is een zware bezigheid die God de mensen gegeven heeft om zich mee bezig te houden. 14. Ik zag alles wat er onder de zon gebeurt. En kijk, het was allemaal lucht en najagen van wind. 15. Wat krom is, kun je niet recht maken, en wat ontbreekt, kun je niet meetellen. 16. Ik zei bij mijzelf: Kijk, ik heb meer wijsheid verzameld dan iedereen die voor mij in Jeruzalem was. Mijn hart heeft veel wijsheid en kennis gezien. 17. Ik zette mij erop om wijsheid en kennis te leren kennen, en ook onzin en dwaasheid. Ik merkte dat ook dat najagen van wind is. 18. Want bij veel wijsheid is veel verdriet, en wie kennis vermeerdert, vermeerdert pijn. ## Prediker 2 — De Prediker probeert alles uit 1. Ik zei bij mijzelf: Kom, ik zal je op de proef stellen met plezier. Geniet van het goede. Maar kijk, ook dat was leegte. 2. Over het lachen zei ik: Onzin. En over de vreugde: Wat schiet je ermee op? 3. Ik probeerde mijn lichaam met wijn op te vrolijken, terwijl mijn hart zich toch door wijsheid liet leiden. Ik hield vast aan de dwaasheid tot ik zou zien wat goed is voor mensen onder de hemel, al de dagen van hun leven. 4. Ik pakte grote dingen aan. Ik bouwde huizen voor mijzelf en plantte wijngaarden. 5. Ik legde tuinen en parken aan en plantte er allerlei vruchtbomen in. 6. Ik maakte waterbekkens om er een bos met jonge bomen mee te besproeien. 7. Ik kocht slaven en slavinnen, en er werden er ook bij mij thuis geboren. Ook had ik meer runderen en schapen dan iedereen die voor mij in Jeruzalem was. 8. Ik verzamelde zilver en goud, en de schatten van koningen en gewesten. Ik nam zangers en zangeressen in dienst, en alles waar mensen van genieten: vrouwen in overvloed. 9. Zo werd ik groot, groter dan iedereen die voor mij in Jeruzalem was. Ook bleef mijn wijsheid bij mij. 10. Alles wat mijn ogen verlangden, heb ik mij gegeven. Ik hield mijn hart van geen enkel plezier af. Mijn hart genoot van al mijn werk, en dat was mijn deel van al mijn zwoegen. 11. Toen keek ik naar alles wat mijn handen gemaakt hadden en naar het werk waaraan ik gezwoegd had. Kijk, het was allemaal lucht en najagen van wind, en er is geen winst onder de zon. 12. Daarna keek ik naar wijsheid en naar onzin en dwaasheid. Wat kan de man doen die na de koning komt? Hij doet wat al lang gedaan is. 13. Toen zag ik dat wijsheid meer oplevert dan dwaasheid, zoals licht meer oplevert dan duisternis. 14. De wijze heeft zijn ogen in zijn hoofd, maar de dwaas loopt in het donker. Toch merkte ik dat hun beiden hetzelfde overkomt. 15. Daarom zei ik bij mijzelf: Wat de dwaas overkomt, overkomt ook mij. Waarom ben ik dan zo wijs geweest? En ik dacht dat ook dat leegte was. 16. Want aan de wijze wordt niet langer gedacht dan aan de dwaas. In de dagen die komen, is alles allang vergeten. Hoe kan het dat de wijze net zo sterft als de dwaas? 17. Daarom kreeg ik een hekel aan het leven, want het werk dat onder de zon gedaan wordt, vond ik slecht. Het is allemaal lucht en najagen van wind. 18. Ik kreeg ook een hekel aan al mijn gezwoeg onder de zon, omdat ik het moet achterlaten aan de mens die na mij komt. 19. En wie weet of die wijs zal zijn of dwaas? Toch krijgt hij de macht over alles waarvoor ik gezwoegd en wijs gehandeld heb onder de zon. Ook dat is leegte. 20. Daarom liet ik mijn hart wanhopen over al het werk waarvoor ik gezwoegd had onder de zon. 21. Want er is een mens die zwoegt met wijsheid, kennis en bekwaamheid. Toch moet hij zijn deel overlaten aan iemand die er niet voor gewerkt heeft. Ook dat is leegte en een groot kwaad. 22. Wat houdt een mens over van al zijn gezwoeg en van de onrust in zijn hart waarmee hij zwoegt onder de zon? 23. Al zijn dagen zijn vol pijn en zijn bezigheid is verdriet. Zelfs 's nachts komt zijn hart niet tot rust. Ook dat is leegte. 24. Er is voor een mens niets beters dan eten en drinken en van het goede genieten bij zijn werk. Ook dat, zag ik, komt uit de hand van God. 25. Want wie kan eten en wie kan genieten zonder Hem? 26. Aan de mens die Hem bevalt, geeft Hij wijsheid, kennis en vreugde. Maar de zondaar geeft Hij de taak om te verzamelen en op te stapelen, en dat gaat naar wie God bevalt. Ook dat is leegte en najagen van wind. ## Prediker 3 — Alles heeft zijn tijd 1. Alles heeft zijn tijd, en elk voornemen onder de hemel heeft zijn uur. 2. Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om te oogsten. 3. Een tijd om te doden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen. 4. Een tijd om te huilen en een tijd om te lachen, een tijd om te rouwen en een tijd om te dansen. 5. Een tijd om stenen weg te gooien en een tijd om stenen te verzamelen. Een tijd om te omhelzen en een tijd om dat niet te doen. 6. Een tijd om te zoeken en een tijd om te verliezen, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te gooien. 7. Een tijd om te scheuren en een tijd om te naaien, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken. 8. Een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede. 9. Wat levert het een werker op waarvoor hij zwoegt? 10. Ik heb de bezigheid gezien die God de mensen gegeven heeft om zich mee bezig te houden. 11. Hij heeft alles mooi gemaakt op zijn tijd. Ook heeft Hij de eeuwigheid in hun hart gelegd, maar zonder dat een mens het werk van God kan doorgronden, van begin tot eind. 12. Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beters is dan blij te zijn en goed te doen in hun leven. 13. Ook dat ieder mens eet en drinkt en geniet van al zijn werk. Dat is een gave van God. 14. Ik weet dat alles wat God doet, voor altijd blijft. Er valt niets aan toe te voegen en niets van af te doen. God doet dat, zodat de mensen ontzag voor Hem hebben. 15. Wat er is, was er al. Wat komen zal, is er allang geweest. En God zoekt weer op wat voorbij is. 16. Verder zag ik onder de zon: op de plaats van het recht was onrecht, en op de plaats van de gerechtigheid was onrecht. 17. Ik zei bij mijzelf: God zal de rechtvaardige en de goddeloze oordelen, want er is een tijd voor elk voornemen en voor elk werk. 18. Ik zei bij mijzelf over de mensen: God stelt hen op de proef, zodat zij zien dat zij op zichzelf niet meer zijn dan dieren. 19. Want wat de mensen overkomt, overkomt ook de dieren. Hun overkomt hetzelfde. Zoals de een sterft, zo sterft de ander. Zij hebben allemaal dezelfde adem, en de mens is niet meer dan het dier. Alles is leegte. 20. Zij gaan allemaal naar één plaats. Zij komen allemaal uit het stof en keren allemaal terug tot stof. 21. Wie weet of de adem van de mensen omhoog gaat en de adem van de dieren omlaag, de aarde in? 22. Zo zag ik dat er niets beters is dan dat een mens geniet van zijn werk, want dat is zijn deel. Wie zal hem laten zien wat er na hem gebeurt? ## Prediker 4 — Twee zijn beter dan één 1. Daarna keek ik naar alle onderdrukking die er onder de zon gebeurt. Kijk, daar waren de tranen van wie onderdrukt worden, en niemand troostte hen. Hun onderdrukkers hadden de macht, en zij hadden geen trooster. 2. Daarom prees ik de doden, die al gestorven zijn, gelukkiger dan de levenden, die nu nog leven. 3. Maar beter dan die beiden is wie er nog niet is en het slechte werk niet gezien heeft dat onder de zon gebeurt. 4. Verder zag ik dat al het zwoegen en alle bekwaamheid in het werk voortkomen uit afgunst tussen mensen. Ook dat is leegte en najagen van wind. 5. De dwaas vouwt zijn handen en eet zijn eigen vlees op. 6. Beter een hand vol rust, dan twee vuisten vol gezwoeg en najagen van wind. 7. Ik keek opnieuw en zag leegte onder de zon. 8. Er is iemand die helemaal alleen is, zonder zoon en zonder broer. Toch komt er geen einde aan zijn gezwoeg, en zijn ogen krijgen geen genoeg van rijkdom. Voor wie zwoeg ik dan, en onthoud ik mijzelf het goede? Ook dat is leegte en een zware bezigheid. 9. Twee zijn beter dan één, want samen krijgen zij een goede beloning voor hun werk. 10. Als zij vallen, helpt de een de ander overeind. Maar wee de een die valt zonder een tweede om hem op te helpen. 11. Ook als er twee bij elkaar liggen, hebben zij het warm. Maar hoe wordt iemand alleen warm? 12. Als iemand de een overweldigt, houden de twee samen stand. Een driedubbel snoer breekt niet zo snel. 13. Beter een arme en wijze jongen, dan een oude en dwaze koning die zich niet meer laat waarschuwen. 14. Want de een komt uit de gevangenis en wordt koning, terwijl de ander in zijn koninkrijk geboren werd en arm wordt. 15. Ik zag iedereen die onder de zon leeft, meelopen met die jongen, de tweede, die zijn plaats zou innemen. 16. Er kwam geen einde aan al het volk dat voor hen uit ging. Toch zullen wie na hem komen niet blij met hem zijn. Ook dat is leegte en najagen van wind. 17. Let op je voeten als je naar het huis van God gaat. Kom liever dichtbij om te luisteren dan om als dwazen een offer te brengen. Zij weten niet eens dat zij kwaad doen. ## Prediker 5 — Beloften en bezit 1. Wees niet te snel met je mond en laat je hart geen woord haasten voor God. Want God is in de hemel en jij bent op de aarde. Laat je woorden daarom weinig zijn. 2. Want zoals een droom komt door veel bezigheid, zo komen dwaze woorden door veel praten. 3. Als je God iets belooft, stel het dan niet uit om het te betalen. Hij houdt niet van dwazen. Betaal wat je belooft. 4. Het is beter niets te beloven dan iets te beloven en het niet te betalen. 5. Laat je mond je niet tot zonde brengen. Zeg niet tegen de bode: Het was een vergissing. Waarom zou God boos worden om jouw woorden en het werk van je handen vernietigen? 6. Want bij veel dromen en veel woorden is veel leegte. Heb daarom ontzag voor God. 7. Als je in een gewest ziet dat armen onderdrukt worden en dat recht en gerechtigheid geroofd worden, verbaas je dan niet. Want boven de hoge staat een hogere, en boven hen staan er nog hogeren. 8. Voor iedereen geldt de opbrengst van het land. Zelfs een koning wordt door de akker gediend. 9. Wie van geld houdt, krijgt nooit genoeg geld. Wie van rijkdom houdt, krijgt nooit genoeg opbrengst. Ook dat is leegte. 10. Als het bezit toeneemt, nemen ook de eters toe. Wat heeft de eigenaar er dan aan, behalve dat zijn ogen ernaar kijken? 11. De slaap van een arbeider is zoet, of hij nu weinig of veel gegeten heeft. Maar de overvloed van een rijke laat hem niet slapen. 12. Er is een pijnlijk kwaad dat ik zag onder de zon: rijkdom die de eigenaar bewaart tot zijn eigen schade. 13. Of die rijkdom gaat verloren door een tegenslag, en als hij een zoon krijgt, heeft hij niets meer in zijn hand. 14. Zoals hij uit de buik van zijn moeder kwam, zo gaat hij naakt weer terug. Van zijn gezwoeg neemt hij niets mee in zijn hand. 15. Ook dat is een pijnlijk kwaad: precies zoals hij kwam, gaat hij weg. Wat levert het hem op dat hij voor de wind gezwoegd heeft? 16. Al zijn dagen at hij in het donker, met veel verdriet, ziekte en woede. 17. Kijk, dit is wat ik goed en mooi vond: eten en drinken en genieten van al het werk waaraan je zwoegt onder de zon. Doe dat al de dagen van je leven die God je geeft. Dat is je deel. 18. God geeft een mens soms rijkdom en bezit. Geeft Hij hem ook de macht om ervan te eten en zijn deel te nemen, dan is dat een gave van God. 19. Zo iemand denkt niet veel aan de dagen van zijn leven, want God antwoordt hem met vreugde in zijn hart. ## Prediker 6 — Rijkdom zonder genot 1. Er is een kwaad dat ik zag onder de zon, en het komt veel voor bij de mensen. 2. God geeft een man rijkdom, bezit en eer, zodat hem niets ontbreekt van alles wat hij verlangt. Maar God geeft hem niet de macht om ervan te eten, en een vreemde eet het op. Dat is leegte en een pijnlijk kwaad. 3. Stel dat een man honderd kinderen krijgt en vele jaren leeft, zodat zijn dagen talrijk worden. Maar hij geniet niet van het goede en krijgt geen begrafenis. Dan zeg ik dat een doodgeboren kind beter af is. 4. Want dat kind komt in leegte en gaat in duisternis weg, en in duisternis blijft zijn naam bedekt. 5. Het heeft de zon niet gezien en niets geweten. Het heeft meer rust dan die man. 6. Al leefde die man tweeduizend jaar zonder het goede te zien, gaan zij niet allebei naar één plaats? 7. Al het zwoegen van een mens is voor zijn mond, en toch raakt zijn verlangen niet vervuld. 8. Wat heeft een wijze dan meer dan een dwaas? Wat heeft een arme eraan die weet hoe je onder de levenden moet leven? 9. Beter is wat je ogen zien dan wat je verlangen najaagt. Ook dat is leegte en najagen van wind. 10. Wat er is, is allang bij name genoemd. Het is bekend wat een mens is: hij kan niet procederen met wie sterker is dan hij. 11. Hoe meer woorden, hoe meer leegte. Wat heeft een mens daaraan? 12. Want wie weet wat goed is voor een mens in dit leven, in de weinige dagen van zijn leegte, die hij doorbrengt als een schaduw? Wie vertelt een mens wat er na hem komt onder de zon? ## Prediker 7 — Beter een goede naam 1. Beter een goede naam dan goede olie, en de dag van je sterven beter dan de dag van je geboorte. 2. Beter naar een rouwhuis gaan dan naar een feesthuis. Daar zie je het einde van ieder mens, en wie leeft, neemt dat ter harte. 3. Verdriet is beter dan lachen, want door een bedroefd gezicht wordt het hart beter. 4. Het hart van wijzen is in het rouwhuis, maar het hart van dwazen in het huis van de vreugde. 5. Het is beter naar de terechtwijzing van een wijze te luisteren dan naar het lied van dwazen. 6. Want zoals doorns knetteren onder een pot, zo is het lachen van een dwaas. Ook dat is leegte. 7. Afpersing maakt zelfs een wijze dol, en omkoping bederft het hart. 8. Het einde van een zaak is beter dan het begin. Geduldig zijn is beter dan hoogmoedig zijn. 9. Word niet snel kwaad van geest, want woede rust in de boezem van dwazen. 10. Zeg niet: Hoe komt het dat vroeger alles beter was? Die vraag stel je niet uit wijsheid. 11. Wijsheid is goed, net als een erfdeel, en zij geeft voordeel aan wie de zon zien. 12. Want wijsheid geeft schaduw en geld geeft schaduw, maar het voordeel van kennis is dat wijsheid haar bezitter in leven houdt. 13. Kijk naar het werk van God. Wie kan recht maken wat Hij krom gemaakt heeft? 14. Geniet van het goede op de goede dag, en kijk goed op de dag van tegenspoed. God heeft de een naast de ander gemaakt, zodat een mens niet ontdekt wat er na hem komt. 15. Dit alles heb ik gezien in de dagen van mijn leegte. Er is een rechtvaardige die omkomt ondanks zijn rechtvaardigheid, en een goddeloze die lang leeft ondanks zijn slechtheid. 16. Wees niet al te rechtvaardig en houd jezelf niet al te wijs. Waarom zou je jezelf verwoesten? 17. Wees ook niet al te goddeloos en wees geen dwaas. Waarom zou je sterven voor je tijd? 18. Het is goed dat je aan het ene vasthoudt en het andere niet loslaat. Wie ontzag heeft voor God, ontkomt aan allebei. 19. Wijsheid maakt een wijze sterker dan tien machthebbers in een stad. 20. Er is werkelijk geen mens op aarde die alleen maar goed doet en nooit zondigt. 21. Let ook niet op alles wat men zegt, anders hoor je nog dat je knecht je vervloekt. 22. Want je hart weet zelf hoe vaak jij anderen vervloekt hebt. 23. Dit alles heb ik met wijsheid onderzocht. Ik zei: Ik zal wijs worden, maar zij bleef ver van mij. 24. Wat ver weg is en heel diep, wie zal dat vinden? 25. Ik zette mij ertoe om wijsheid en samenhang te zoeken en te onderzoeken. Ook wilde ik leren hoe dom de goddeloosheid is en hoe dwaas de onzin. 26. Ik vond iets bitterder dan de dood: de vrouw wier hart een net en een fuik is en wier handen boeien zijn. Wie God bevalt, ontkomt aan haar, maar de zondaar wordt door haar gevangen. 27. Kijk, dit heb ik gevonden, zegt de Prediker: het ene bij het andere gelegd om de samenhang te vinden. 28. Wat mijn ziel nog zoekt, heb ik niet gevonden. Eén man uit duizend heb ik gevonden, maar onder al die vrouwen niet één. 29. Kijk, alleen dit heb ik gevonden: God heeft de mens recht gemaakt, maar zij hebben allerlei streken bedacht. ## Prediker 8 — Wie is als de wijze? 1. Wie is als de wijze? Wie kent de uitleg van de dingen? De wijsheid van een mens laat zijn gezicht stralen en verzacht zijn strenge blik. 2. Houd je aan het bevel van de koning, vanwege de eed die je bij God gezworen hebt. 3. Ga niet overhaast bij hem weg en blijf niet bij een slechte zaak staan. Hij doet immers alles wat hij wil. 4. Waar het woord van de koning is, is macht. Wie zegt er tegen hem: Wat doet u daar? 5. Wie het gebod bewaart, krijgt geen kwaad te zien. Het hart van een wijze kent tijd en manier. 6. Want voor elk voornemen is er een tijd en een manier, en het kwaad van een mens drukt zwaar op hem. 7. Hij weet immers niet wat er komen gaat. Wie kan hem vertellen wanneer het gebeurt? 8. Geen mens heeft macht over de adem om die vast te houden, en niemand heeft macht over de dag van zijn dood. In die strijd is geen verlof, en goddeloosheid redt haar meester niet. 9. Dit alles heb ik gezien toen ik mijn hart richtte op alles wat er onder de zon gebeurt. Soms heeft de ene mens macht over de andere, tot diens schade. 10. Ook zag ik goddelozen begraven worden en tot rust komen. Maar wie goed deden, moesten weg uit de heilige plaats en werden vergeten in de stad. Ook dat is leegte. 11. Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel wordt uitgevoerd, is het hart van de mensen vol plannen om kwaad te doen. 12. Een zondaar doet soms honderd keer kwaad en leeft toch lang. Toch weet ik dat het goed zal gaan met wie ontzag voor God hebben. 13. Maar het zal de goddeloze niet goed gaan. Hij zal zijn dagen niet verlengen, maar zijn als een schaduw, omdat hij geen ontzag heeft voor God. 14. Er is nog een leegte die op aarde gebeurt: er zijn rechtvaardigen die krijgen wat goddelozen verdienen, en goddelozen die krijgen wat rechtvaardigen verdienen. Ik zeg dat ook dat leegte is. 15. Daarom prees ik de vreugde, want een mens heeft onder de zon niets beters dan eten, drinken en blij zijn. Dat gaat met hem mee bij zijn werk, de dagen van zijn leven die God hem geeft onder de zon. 16. Ik zette mijn hart erop om wijsheid te leren kennen. Ik keek naar de bezigheid die op aarde gebeurt, waarbij mensen dag en nacht de slaap niet in hun ogen krijgen. 17. Toen zag ik heel het werk van God. Een mens kan niet doorgronden wat er onder de zon gebeurt. Hoe hij ook zwoegt om het te zoeken, hij vindt het niet. En al zegt een wijze dat hij het weet, hij kan het toch niet doorgronden. ## Prediker 9 — Hetzelfde lot voor iedereen 1. Dit alles heb ik in mijn hart gelegd om het goed te begrijpen. De rechtvaardigen en de wijzen en hun werken zijn in Gods hand. Ook liefde en haat kent de mens niet van wat voor hem ligt. 2. Iedereen overkomt hetzelfde: de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine en de onreine. Wie offert en wie niet offert, de goede en de zondaar, wie zweert en wie bang is voor een eed. 3. Dit is een kwaad bij alles wat onder de zon gebeurt: iedereen overkomt hetzelfde. Het hart van de mensen is vol boosheid, en hun leven zit vol onzinnigheid. Daarna gaan zij naar de doden. 4. Wie nog bij de levenden hoort, heeft hoop. Want een levende hond is beter dan een dode leeuw. 5. De levenden weten dat zij zullen sterven, maar de doden weten helemaal niets. Zij krijgen geen loon meer, en hun naam raakt vergeten. 6. Hun liefde, hun haat en hun jaloezie zijn al verdwenen. Zij hebben geen deel meer aan alles wat onder de zon gebeurt. 7. Ga dan, eet je brood met vreugde en drink je wijn met een blij hart. Want God heeft al een behagen in je werk. 8. Laat je kleren altijd wit zijn en laat op je hoofd de olie niet ontbreken. 9. Geniet van het leven met de vrouw van wie je houdt. Doe dat al de dagen van je lege leven die God je onder de zon geeft. Dat is je deel in dit leven en in je werk. 10. Alles wat je hand vindt om te doen, doe dat met je kracht. Want in het graf waar je heen gaat, is geen werk, geen plan, geen kennis en geen wijsheid. 11. Ik keek opnieuw onder de zon. De snelste wint de wedloop niet en de held wint de strijd niet. De wijze heeft niet altijd eten, de verstandige niet altijd rijkdom en de kundige niet altijd gunst. Tijd en toeval overkomen hen allemaal. 12. Ook weet de mens zijn tijd niet. Zoals vissen gevangen worden in een dodelijk net en vogels in een strik, zo worden ook mensen verstrikt. Dat gebeurt op een kwade tijd die plotseling over hen komt. 13. Ook dit heb ik onder de zon aan wijsheid gezien, en het maakte diepe indruk op mij. 14. Er was een kleine stad met weinig inwoners. Een grote koning trok ertegen op, omsingelde haar en bouwde grote belegeringswerken. 15. In die stad woonde een arme wijze man. Hij redde de stad door zijn wijsheid, maar niemand dacht meer aan die arme man. 16. Toen zei ik: Wijsheid is beter dan kracht. Toch veracht men de wijsheid van een arme en luistert men niet naar zijn woorden. 17. Rustig gesproken woorden van wijzen kun je beter horen dan het geschreeuw van een heerser over dwazen. 18. Wijsheid is beter dan wapens, maar één zondaar bederft veel goeds. ## Prediker 10 — Een beetje dwaasheid 1. Een dode vlieg laat de zalf van de zalfmaker stinken en gisten. Zo doet een beetje dwaasheid met iemand die kostbaar is door wijsheid en eer. 2. Het hart van een wijze wijst hem naar rechts, maar het hart van een dwaas naar links. 3. Zelfs als een dwaas over de weg loopt, ontbreekt hem verstand. Tegen iedereen laat hij merken dat hij dwaas is. 4. Als de woede van een heerser tegen je opkomt, verlaat dan je plaats niet. Kalmte voorkomt grote fouten. 5. Er is nog een kwaad dat ik onder de zon zag, een misgreep die van een machthebber uitgaat. 6. Een dwaas krijgt een hoge plaats, maar rijken zitten in de laagte. 7. Ik heb knechten te paard gezien en vorsten die als knechten te voet gingen. 8. Wie een kuil graaft, valt erin. Wie een muur doorbreekt, wordt door een slang gebeten. 9. Wie stenen wegdraagt, doet zichzelf pijn. Wie hout klooft, loopt gevaar. 10. Wordt het ijzer stomp en slijpt hij de snede niet, dan moet hij meer kracht gebruiken. Wijsheid heeft het voordeel dat zij iets goed maakt. 11. Als de slang al gebeten heeft voordat er bezworen is, heeft de beste slangenbezweerder er niets meer aan. 12. De woorden uit de mond van een wijze zijn aangenaam, maar de lippen van een dwaas verslinden hemzelf. 13. Zijn eerste woorden zijn dwaasheid, en zijn laatste woorden zijn kwaadaardige waanzin. 14. Een dwaas maakt veel woorden. Toch weet geen mens wat er gebeuren zal. Wie vertelt hem wat er na hem komt? 15. Het gezwoeg van dwazen maakt hen moe, want zij weten niet eens de weg naar de stad. 16. Wee jou, land, waarvan de koning een kind is en de vorsten al in de ochtend eten! 17. Gelukkig ben jij, land, waarvan de koning een zoon van edelen is. Daar eten de vorsten op tijd, om sterk te zijn en niet om te drinken. 18. Door grote luiheid zakt het dak in, en door slappe handen gaat het huis lekken. 19. Men houdt maaltijden om te lachen, en wijn maakt het leven blij. Geld geeft antwoord op alles. 20. Vervloek de koning niet, zelfs niet in je gedachten. Vervloek een rijke niet in je slaapkamer. Want een vogel van de hemel zou het geluid meenemen en een gevleugelde zou het woord doorvertellen. ## Prediker 11 — Werp je brood uit op het water 1. Werp je brood uit op het water, want na vele dagen zul je het terugvinden. 2. Geef een deel aan zeven, ja, ook aan acht. Want je weet niet welk kwaad er op de aarde komt. 3. Als de wolken vol zijn, storten zij regen uit op de aarde. En valt een boom naar het zuiden of naar het noorden, dan blijft hij liggen waar hij valt. 4. Wie op de wind let, zal niet zaaien. Wie naar de wolken kijkt, zal niet maaien. 5. Je weet niet welke weg de wind gaat, en niet hoe de botjes groeien in de buik van een zwangere vrouw. Zo ken je ook het werk van God niet, die alles maakt. 6. Zaai je zaad in de ochtend en laat je hand tegen de avond niet rusten. Want je weet niet wat lukt, dit of dat, of dat het allebei goed is. 7. Het licht is zoet, en het is goed voor de ogen om de zon te zien. 8. Leeft een mens veel jaren, laat hij dan in die alle blij zijn. Maar laat hij ook denken aan de dagen van de duisternis, want die zullen talrijk zijn. Alles wat komt, is leegte. 9. Wees blij, jongeman, in je jeugd, en laat je hart plezier hebben in je jonge dagen. Ga de wegen van je hart en volg wat je ogen zien. Maar weet dat God je over dit alles zal oordelen. 10. Doe daarom de ergernis weg uit je hart en houd het kwaad weg van je lichaam. Want jeugd en jonge jaren zijn leegte. ## Prediker 12 — Denk aan je Schepper 1. Denk aan je Schepper in de dagen van je jeugd. Doe dat voordat de slechte dagen komen en de jaren waarvan je zegt: Ik vind er niets meer aan. 2. Doe dat voordat de zon, het licht, de maan en de sterren donker worden en de wolken terugkomen na de regen. 3. Dan beven de wachters van het huis en krommen de sterke mannen zich. De maalsters houden op, want zij zijn te weinig geworden. Wie door de vensters kijken, zien niets meer. 4. De deuren naar de straat gaan dicht en het geluid van de molen wordt zacht. Men staat op bij de stem van een vogeltje, en alle zangeressen klinken gedempt. 5. Men wordt bang voor de hoogte en ziet gevaren op de weg. De amandelboom bloeit, de sprinkhaan sleept zich voort en de lust vergaat. Want de mens gaat naar zijn eeuwige huis, en op straat lopen de rouwklagers. 6. Denk aan Hem voordat het zilveren koord losraakt en de gouden schaal breekt. Denk aan Hem voordat de kruik bij de bron stukvalt en het rad bij de put in stukken breekt. 7. Dan keert het stof terug naar de aarde, zoals het was, en keert de geest terug naar God, die hem gegeven heeft. 8. De Prediker zegt: Leegte van de leegtes, alles is leegte! 9. De Prediker was wijs. Daarom leerde hij het volk ook kennis. Hij lette op, deed onderzoek en zette veel spreuken op orde. 10. De Prediker zocht naar mooie woorden, en wat hij opschreef is eerlijk: woorden van waarheid. 11. De woorden van wijzen zijn als prikkels, als spijkers die diep zijn ingeslagen. Zij komen van de verzamelaars en zijn gegeven door de ene Herder. 12. En verder, mijn zoon, wees gewaarschuwd. Aan het maken van veel boeken komt geen einde, en veel lezen maakt je lichaam moe. 13. Het slot van alles wat gehoord is: heb ontzag voor God en houd je aan Zijn geboden. Dat geldt voor ieder mens. 14. Want God zal elk werk beoordelen, ook alles wat verborgen is, goed of kwaad. ## Hooglied 1 — Het lied van de liefde 1. Het Hooglied, dat van Salomo is. 2. Laat hij mij kussen met de kussen van zijn mond! Want jouw liefde is beter dan wijn. 3. Je oliën geuren heerlijk. Je naam is als uitgegoten olie. Daarom houden de meisjes van je. 4. Trek mij mee, dan lopen wij achter je aan! De koning heeft mij in zijn kamers gebracht. Wij zullen blij zijn en ons in jou verheugen. Wij prijzen jouw liefde meer dan wijn. Terecht houden zij van je. 5. Ik ben donker en toch mooi, meisjes van Jeruzalem, als de tenten van Kedar, als de gordijnen van Salomo. 6. Kijk mij niet aan omdat ik donker ben, want de zon heeft mij verbrand. De zonen van mijn moeder waren kwaad op mij. Zij zetten mij bij de wijngaarden. Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt. 7. Vertel mij, jij van wie ik zoveel houd, waar je weidt en waar je de kudde in de middag laat rusten. Waarom zou ik rondlopen met een sluier bij de kudden van je vrienden? 8. Als je het niet weet, mooiste van alle vrouwen, ga dan in de sporen van de schapen. Laat je geiten weiden bij de tenten van de herders. 9. Mijn vriendin, ik vergelijk je met een merrie voor de wagens van Farao. 10. Je wangen staan mooi tussen de kettinkjes, je hals in de snoeren van parels. 11. Wij zullen gouden kettinkjes voor je maken, met zilveren stipjes. 12. Zolang de koning aan zijn tafel zit, geeft mijn nardus haar geur. 13. Mijn liefste is voor mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten rust. 14. Mijn liefste is voor mij een tros hennabloemen uit de wijngaarden van En-gedi. 15. Kijk, je bent mooi, mijn vriendin. Kijk, je bent mooi. Je ogen zijn duiven. 16. Kijk, jij bent mooi, mijn liefste, echt heerlijk. Ons bed is groen. 17. De balken van ons huis zijn ceders, onze zoldering is van cipressen. ## Hooglied 2 — Een lelie tussen de distels 1. Ik ben een roos van Saron, een lelie van de dalen. 2. Als een lelie tussen de distels, zo is mijn vriendin tussen de meisjes. 3. Als een appelboom tussen de bomen van het bos, zo is mijn liefste tussen de jongens. Ik zit graag in zijn schaduw, en zijn vrucht is zoet voor mijn mond. 4. Hij bracht mij in het wijnhuis, en zijn vlag boven mij is liefde. 5. Houd mij overeind met rozijnenkoeken, verkwik mij met appels, want ik ben ziek van liefde. 6. Zijn linkerhand ligt onder mijn hoofd, en zijn rechterhand omhelst mij. 7. Ik bezweer jullie, meisjes van Jeruzalem, bij de gazellen en de hinden van het veld: maak de liefde niet wakker voordat zij het zelf wil. 8. Dat is de stem van mijn liefste! Kijk, daar komt hij, springend over de bergen, huppelend over de heuvels. 9. Mijn liefste lijkt op een gazelle of een jong hert. Kijk, hij staat achter onze muur. Hij kijkt door de vensters en tuurt door de traliën. 10. Mijn liefste antwoordt en zegt tegen mij: Sta op, mijn vriendin, mijn mooiste, en kom mee! 11. Want kijk, de winter is voorbij en de regentijd is over. 12. De bloemen komen tevoorschijn in het land, de tijd van zingen breekt aan, en in ons land klinkt de tortelduif. 13. De vijgenboom geeft zijn eerste vijgen, en de bloeiende wijnstokken geuren. Sta op, mijn vriendin, mijn mooiste, en kom mee! 14. Mijn duif in de kloven van de rots, in de schuilhoek van de steile wand, laat mij je gezicht zien en je stem horen. Want je stem is zoet en je gezicht is mooi. 15. Vang de vossen voor ons, de kleine vossen die de wijngaarden vernielen, want onze wijngaarden staan in bloei. 16. Mijn liefste is van mij en ik ben van hem. Hij weidt tussen de lelies. 17. Tot de dag aanbreekt en de schaduwen vluchten: kom terug, mijn liefste, als een gazelle of een jong hert op de bergen van Bether. ## Hooglied 3 — Ik zocht hem van wie ik houd 1. In de nacht zocht ik op mijn bed hem van wie ik zoveel houd. Ik zocht hem, maar ik vond hem niet. 2. Ik sta op en ga de stad rond, door de wijken en de straten. Ik zoek hem van wie ik zoveel houd. Ik zocht hem, maar ik vond hem niet. 3. De wachters die de stad rondgingen, vonden mij. Ik vroeg hun of zij hem gezien hadden van wie ik zoveel houd. 4. Nauwelijks was ik hun voorbij, of ik vond hem van wie ik zoveel houd. Ik hield hem vast en liet hem niet gaan. Zo bracht ik hem in het huis van mijn moeder, in de kamer van wie mij gebaard heeft. 5. Ik bezweer jullie, meisjes van Jeruzalem, bij de gazellen en de hinden van het veld: maak de liefde niet wakker voordat zij het zelf wil. 6. Wie komt daar uit de woestijn omhoog, als zuilen van rook, geurend van mirre en wierook, van alle poeders van de koopman? 7. Kijk, dat is de draagstoel van Salomo. Zestig helden uit Israël staan eromheen. 8. Zij dragen allemaal een zwaard en zijn geoefend voor de strijd. Ieder heeft zijn zwaard op de heup vanwege de schrik van de nacht. 9. Koning Salomo heeft voor zichzelf een draagkoets gemaakt van hout uit de Libanon. 10. De stijlen maakte hij van zilver, de bodem van goud en de zitting van purper. Van binnen was zij bekleed met liefde van de meisjes van Jeruzalem. 11. Kom naar buiten, meisjes van Sion, en kijk naar koning Salomo. Hij draagt de kroon waarmee zijn moeder hem kroonde op zijn bruiloftsdag, op de dag dat zijn hart blij was. ## Hooglied 4 — Je bent helemaal mooi 1. Kijk, je bent mooi, mijn vriendin, kijk, je bent mooi. Je ogen zijn duiven achter je sluier. Je haar is als een kudde geiten die van de berg Gilead afdaalt. 2. Je tanden zijn als pas geschoren schapen die uit het waterbad komen. Ze gaan twee aan twee, en niet één ontbreekt. 3. Je lippen zijn als een scharlaken draad, en je mond is lieflijk. Je slapen achter je sluier zijn als een halve granaatappel. 4. Je hals is als de toren van David, gebouwd met rijen stenen. Er hangen duizend schilden aan, allemaal schilden van helden. 5. Je borsten zijn als twee jongen, een tweeling van een gazelle, die tussen de lelies weiden. 6. Tot de dag aanbreekt en de schaduwen vluchten, zal ik naar de berg van de mirre gaan, naar de heuvel van de wierook. 7. Je bent helemaal mooi, mijn vriendin, er is geen gebrek aan jou. 8. Kom met mij mee van de Libanon, mijn bruid, kom met mij mee van de Libanon. Kijk uit vanaf de top van de Amana, vanaf de top van de Senir en de Hermon. Kijk vanaf de holen van de leeuwen en de bergen van de luipaarden. 9. Je hebt mijn hart gestolen, mijn bruid. Je hebt mijn hart gestolen met één blik van je ogen, met één steen van je halsketting. 10. Wat is jouw liefde mooi, mijn bruid! Jouw liefde is veel beter dan wijn, en de geur van je oliën beter dan alle specerijen. 11. Je lippen druppen van honing, mijn bruid. Honing en melk liggen onder je tong, en de geur van je kleren is als de geur van de Libanon. 12. Je bent een afgesloten tuin, mijn bruid, een afgesloten bron, een verzegelde put. 13. Wat uit jou opkomt, is een paradijs van granaatappels met de beste vruchten, met hennabloemen en nardus, 14. met nardus en saffraan, kalmoes en kaneel, met allerlei geurige bomen, mirre en aloë, met de fijnste specerijen. 15. Jij bent een bron in de tuinen, een put met stromend water dat van de Libanon komt. 16. Word wakker, noordenwind, en kom, zuidenwind! Waai door mijn tuin, zodat de geuren naar buiten stromen. Laat mijn liefste in zijn tuin komen en van zijn beste vruchten eten. ## Hooglied 5 — Ik sliep, maar mijn hart was wakker 1. Ik ben in mijn tuin gekomen, mijn bruid. Ik heb mijn mirre met mijn specerij geplukt. Ik heb mijn honingraat met mijn honing gegeten en mijn wijn met mijn melk gedronken. Eet, vrienden, drink en word dronken van liefde! 2. Ik sliep, maar mijn hart was wakker. Daar klopte mijn liefste: Doe open, mijn liefste, mijn vriendin, mijn duif, mijn volmaakte! Want mijn hoofd is nat van de dauw en mijn haren zijn vol druppels van de nacht. 3. Ik heb mijn kleed al uitgedaan, moet ik het weer aantrekken? Ik heb mijn voeten al gewassen, moet ik ze weer vuil maken? 4. Mijn liefste stak zijn hand door de opening van de deur, en mijn hart ging naar hem uit. 5. Ik stond op om mijn liefste open te doen. Mijn handen dropen van mirre, mijn vingers van vloeiende mirre, op de greep van de grendel. 6. Ik deed open voor mijn liefste, maar hij was weg. Hij was al doorgelopen. Mijn ziel bezweek toen hij sprak. Ik zocht hem, maar ik vond hem niet. Ik riep hem, maar hij antwoordde niet. 7. De wachters die de stad rondgingen, vonden mij. Zij sloegen mij en verwondden mij. De wachters op de muren namen mij mijn sluier af. 8. Ik bezweer jullie, meisjes van Jeruzalem: als jullie mijn liefste vinden, zeg hem dan dat ik ziek ben van liefde. 9. Wat heeft jouw liefste meer dan een ander, mooiste van alle vrouwen? Wat heeft jouw liefste meer dan een ander, dat je ons zo bezweert? 10. Mijn liefste is stralend en rood, hij valt op tussen tienduizend. 11. Zijn hoofd is van het zuiverste goud. Zijn haren zijn gekruld en zwart als een raaf. 12. Zijn ogen zijn als duiven bij waterstromen, gewassen in melk, gevat als edelstenen. 13. Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als torentjes van geurige kruiden. Zijn lippen zijn lelies die druipen van vloeiende mirre. 14. Zijn handen zijn als gouden staven, bezet met turkoois. Zijn buik is als glanzend ivoor, bedekt met saffieren. 15. Zijn benen zijn als marmeren pilaren op voetstukken van zuiver goud. Zijn gestalte is als de Libanon, uitgelezen als de ceders. 16. Zijn mond is enkel zoetheid, en alles aan hem is begeerlijk. Zo is mijn liefste, zo is mijn vriend, meisjes van Jeruzalem. ## Hooglied 6 — Waar is jouw liefste heen gegaan? 1. Waar is jouw liefste heen gegaan, mooiste van alle vrouwen? Welke kant is hij op, dan zoeken wij hem met jou? 2. Mijn liefste is naar zijn tuin gegaan, naar de bedden met specerijen, om te weiden in de tuinen en lelies te plukken. 3. Ik ben van mijn liefste en mijn liefste is van mij. Hij weidt tussen de lelies. 4. Je bent mooi, mijn vriendin, als Tirza, lieflijk als Jeruzalem, ontzagwekkend als een leger met vaandels. 5. Wend je ogen van mij af, want zij overweldigen mij. Je haar is als een kudde geiten die van Gilead afdaalt. 6. Je tanden zijn als een kudde schapen die uit het waterbad komen. Ze gaan twee aan twee, en niet één ontbreekt. 7. Je slapen achter je sluier zijn als een halve granaatappel. 8. Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen, en meisjes zonder getal. 9. Maar één is mijn duif, mijn volmaakte, de enige van haar moeder, de lieveling van wie haar gebaard heeft. De meisjes zagen haar en prezen haar gelukkig. De koninginnen en de bijvrouwen roemden haar. 10. Wie is zij, die opkomt als de dageraad, mooi als de maan, zuiver als de zon, ontzagwekkend als een leger met vaandels? 11. Ik ging naar de notentuin om te kijken naar het groen in het dal. Ik wilde zien of de wijnstok bloeide en de granaatbomen uitliepen. 12. Voordat ik het wist, bracht mijn verlangen mij op de wagens van mijn volk. 13. Kom terug, kom terug, Sulammit! Kom terug, kom terug, zodat wij naar je kunnen kijken. Waarom kijken jullie naar de Sulammit, als naar een dans van twee koren? ## Hooglied 7 — Hoe mooi zijn je voeten 1. Hoe mooi zijn je voeten in je sandalen, dochter van een edelman! De rondingen van je heupen zijn als sieraden, werk van een kunstenaar. 2. Je navel is als een ronde schaal waarin de wijn niet ontbreekt. Je buik is als een berg tarwe, omzoomd met lelies. 3. Je borsten zijn als twee jongen, een tweeling van een gazelle. 4. Je hals is als een toren van ivoor. Je ogen zijn als de vijvers van Hesbon bij de poort van Bath-rabbim. Je neus is als de toren van de Libanon, die naar Damaskus kijkt. 5. Je hoofd rijst op als de Karmel, en je haar glanst als purper. Een koning ligt gevangen in die lokken. 6. Wat ben je mooi en wat ben je lieflijk, liefde vol verrukking! 7. Je gestalte lijkt op een palmboom, en je borsten op de trossen. 8. Ik dacht: ik wil in die palmboom klimmen en zijn takken grijpen. Laat je borsten dan zijn als druiventrossen en de geur van je adem als appels. 9. Je mond is als goede wijn die zacht naar binnen gaat en de lippen van slapers doet spreken. 10. Ik ben van mijn liefste, en zijn verlangen gaat naar mij uit. 11. Kom, mijn liefste, laten wij het veld in gaan en overnachten tussen de hennabloemen. 12. Laten wij vroeg naar de wijngaarden gaan en kijken of de wijnstok bloeit, of de knoppen zich openen en de granaatbomen uitlopen. Daar zal ik jou mijn liefde geven. 13. De liefdesappels geuren, en bij onze deuren liggen allerlei kostbare vruchten, nieuwe en oude. Die heb ik voor jou bewaard, mijn liefste. ## Hooglied 8 — Sterk als de dood is de liefde 1. Was jij maar mijn broer, gevoed aan de borsten van mijn moeder! Dan zou ik je op straat kussen als ik je vond, en niemand zou mij daarom verachten. 2. Ik zou je meenemen naar het huis van mijn moeder, die mij heeft grootgebracht. Ik zou je kruidenwijn te drinken geven, het sap van mijn granaatappels. 3. Zijn linkerhand ligt onder mijn hoofd, en zijn rechterhand omhelst mij. 4. Ik bezweer jullie, meisjes van Jeruzalem: maak de liefde niet wakker voordat zij het zelf wil. 5. Wie komt daar omhoog uit de woestijn, leunend op haar liefste? Onder de appelboom heb ik je gewekt. Daar heeft je moeder je gebaard, daar kreeg zij weeën om jou. 6. Zet mij als een zegel op je hart, als een zegel op je arm. Want de liefde is sterk als de dood, en de hartstocht hard als het graf. Haar vonken zijn vurige vonken, een vlam van de HEERE. 7. Veel water kan de liefde niet blussen, en rivieren spoelen haar niet weg. Als iemand al zijn bezit voor de liefde gaf, zou men hem alleen maar uitlachen. 8. Wij hebben een klein zusje, dat nog geen borsten heeft. Wat zullen wij met haar doen op de dag dat men om haar komt vragen? 9. Is zij een muur, dan bouwen wij een zilveren kanteel op haar. Is zij een deur, dan zetten wij er planken van cederhout tegenaan. 10. Ik ben een muur, en mijn borsten zijn als torens. Zo werd ik in zijn ogen iemand die vrede vindt. 11. Salomo had een wijngaard in Baäl-hamon. Hij gaf die wijngaard aan wachters, en ieder moest voor de opbrengst duizend zilverstukken betalen. 12. Mijn eigen wijngaard heb ik voor mij. De duizend zilverstukken zijn voor jou, Salomo, en tweehonderd voor wie zijn vruchten bewaken. 13. Jij die in de tuinen woont, de vrienden luisteren naar je stem. Laat mij die horen! 14. Kom snel, mijn liefste, en wees als een gazelle of een jong hert op de bergen vol specerijen. ## Jesaja 1 — Het visioen van Jesaja 1. Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem. Het was in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda. 2. Hoor, hemel, en luister, aarde, want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen grootgebracht en opgevoed, maar zij zijn tegen mij in opstand gekomen. 3. Een os kent zijn eigenaar en een ezel de voerbak van zijn baas. Maar Israël weet van niets, mijn volk begrijpt het niet. 4. Wee dat zondige volk, zwaar van schuld, dat nageslacht van boosdoeners, die verdorven kinderen! Zij hebben de HEERE verlaten en de Heilige van Israël beledigd. Zij zijn van Hem weggelopen. 5. Waarom willen jullie nog meer slagen krijgen? Jullie worden alleen maar opstandiger. Het hele hoofd is ziek en het hele hart is moe. 6. Van de voetzool tot het hoofd is er niets gaafs aan. Er zijn alleen wonden, striemen en open builen. Zij zijn niet uitgedrukt, niet verbonden en niet met olie verzacht. 7. Jullie land is verwoest en jullie steden zijn verbrand. Vreemden eten jullie akkers op voor je ogen. Het is een woestenij, omgekeerd door vreemden. 8. De dochter van Sion is overgebleven als een hutje in een wijngaard, als een nachthut in een komkommerveld, als een belegerde stad. 9. Had de HEERE van de legermachten ons niet een kleine rest gelaten, dan waren wij als Sodom geworden en hadden wij op Gomorra geleken. 10. Hoor het woord van de HEERE, leiders van Sodom! Luister naar de wet van onze God, volk van Gomorra! 11. De HEERE zegt: Wat moet ik met jullie vele offers? Ik heb genoeg van brandoffers van rammen en van het vet van gemeste dieren. Aan het bloed van stieren, lammeren en bokken heb ik geen plezier. 12. Als jullie voor mijn aangezicht komen, wie heeft dat dan van jullie gevraagd? Wie vroeg jullie mijn voorhoven plat te lopen? 13. Breng geen zinloze offers meer. Het reukwerk is mij een gruwel. Nieuwe maan, sabbat en feestbijeenkomst verdraag ik niet, want onrecht en feest gaan niet samen. 14. Jullie nieuwe maanden en vaste feesten haat ik. Zij zijn mij een last geworden, en ik ben het moe ze te dragen. 15. Als jullie je handen uitstrekken, verberg ik mijn ogen voor jullie. Ook als jullie veel bidden, luister ik niet, want jullie handen zitten vol bloed. 16. Was je, maak je schoon, doe je slechte daden uit mijn ogen weg. Houd op met kwaad doen. 17. Leer goed te doen, zoek het recht. Help wie onderdrukt wordt, doe recht aan de wees, verdedig de zaak van de weduwe. 18. Kom, laten wij de zaak samen uitpraten, zegt de HEERE. Al waren jullie zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw. Al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. 19. Als jullie gewillig zijn en luisteren, zullen jullie het goede van het land eten. 20. Maar als jullie weigeren en opstandig zijn, zal het zwaard jullie opeten. De mond van de HEERE heeft het gezegd. 21. Hoe is de trouwe stad een hoer geworden! Zij was vol recht en gerechtigheid woonde er, maar nu wonen er moordenaars. 22. Jouw zilver is schuim geworden, jouw wijn is met water aangelengd. 23. Jouw leiders zijn opstandig en heulen met dieven. Zij houden allemaal van geschenken en jagen op betaling. De wees doen zij geen recht, en de zaak van de weduwe komt bij hen niet aan bod. 24. Daarom spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten, de Machtige van Israël: Wee! Ik zal mij ontladen op mijn tegenstanders en mij wreken op mijn vijanden. 25. Ik zal mijn hand tegen je keren. Ik zal je schuim helemaal wegzuiveren en al je tin verwijderen. 26. Ik zal je rechters teruggeven als vroeger en je raadslieden als in het begin. Daarna zul je de stad van gerechtigheid heten, de trouwe stad. 27. Sion zal door recht verlost worden, en wie in haar terugkeren door gerechtigheid. 28. Maar opstandigen en zondaars worden samen gebroken, en wie de HEERE verlaten, komen om. 29. Zij zullen zich schamen over de eiken waar jullie zo van hielden, en rood worden over de tuinen die jullie hebben uitgekozen. 30. Want jullie zullen zijn als een eik waarvan de bladeren afvallen, en als een tuin zonder water. 31. De sterke zal worden als vlas en zijn werk als een vonk. Zij zullen samen branden en niemand zal het blussen. ## Jesaja 2 — De berg van het huis van de HEERE 1. Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, zag over Juda en Jeruzalem. 2. In de laatste dagen zal de berg met het huis van de HEERE vaststaan op de top van de bergen. Hij zal hoger zijn dan de heuvels, en alle volken zullen ernaartoe stromen. 3. Veel volken zullen op weg gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE. Ga mee naar het huis van de God van Jakob. Dan zal Hij ons Zijn wegen leren en zullen wij Zijn paden gaan. Want uit Sion komt de wet, en uit Jeruzalem het woord van de HEERE. 4. Hij zal rechtspreken tussen de volken en veel naties terechtwijzen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard heffen tegen een ander volk, en zij zullen de oorlog niet meer leren. 5. Kom, huis van Jakob, laten wij wandelen in het licht van de HEERE. 6. U hebt Uw volk, het huis van Jakob, losgelaten. Zij zitten vol praktijken uit het oosten en zijn waarzeggers zoals de Filistijnen. Met kinderen van vreemden sluiten zij verbonden. 7. Hun land is vol zilver en goud, en hun schatten zijn eindeloos. Hun land is vol paarden, en hun wagens zijn niet te tellen. 8. Hun land is ook vol afgoden. Voor het werk van hun handen buigen zij zich, voor wat hun eigen vingers gemaakt hebben. 9. Zo bukt de gewone man en vernedert de aanzienlijke zich. Vergeef het hun daarom niet. 10. Ga de rots in en verberg je in het stof voor de schrik van de HEERE en voor de glans van Zijn majesteit. 11. De trotse ogen van de mens worden neergeslagen en de hoogmoed van mannen wordt gebogen. Alleen de HEERE zal op die dag hoog zijn. 12. Want er komt een dag van de HEERE van de legermachten. Die dag komt tegen alles wat hoogmoedig en hoog is, tegen alles wat zich verheft, om het te vernederen. 13. Die dag komt tegen alle hoge en verheven ceders van de Libanon en tegen alle eiken van Basan, 14. tegen alle hoge bergen en tegen alle verheven heuvels, 15. tegen elke hoge toren en tegen elke sterke muur, 16. tegen alle schepen van Tarsis en tegen alle pronkstukken die men begeert. 17. De hoogmoed van de mens wordt gebogen en de trots van mannen vernederd. Alleen de HEERE zal op die dag hoog zijn. 18. En alle afgoden zullen helemaal verdwijnen. 19. Dan gaan de mensen in grotten van de rotsen en in holen van de aarde. Zo vluchten zij voor de schrik van de HEERE en de glans van Zijn majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te laten beven. 20. Op die dag zal de mens zijn zilveren en gouden afgoden wegwerpen voor de mollen en de vleermuizen. Hij had ze gemaakt om zich ervoor te buigen. 21. Zij kruipen in de spleten van de rotsen en in de kloven van de steenrotsen. Zo vluchten zij voor de schrik van de HEERE en de glans van Zijn majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te laten beven. 22. Vertrouw dan niet op de mens, die alleen adem in zijn neus heeft. Wat is hij eigenlijk waard? ## Jesaja 3 — De leiders van het volk 1. Kijk, de Heere, de HEERE van de legermachten, neemt uit Jeruzalem en Juda de stok en de staf weg. Weg gaat elke voorraad brood en elke voorraad water. 2. Hij neemt de held en de soldaat weg, de rechter en de profeet, de waarzegger en de oudste, 3. de bevelhebber over vijftig en de aanzienlijke, de raadsman, de kundige handwerksman en de knappe bezweerder. 4. De HEERE zegt: Ik zal jonge jongens tot hun vorsten maken, en kinderen zullen over hen heersen. 5. Het volk zal elkaar verdringen, de een tegen de ander, iedereen tegen zijn naaste. De jongen zal brutaal zijn tegen de oude, en wie niets voorstelt tegen wie aanzien heeft. 6. Iemand zal zijn broer in het huis van zijn vader vastgrijpen en zeggen: Jij hebt nog een mantel, wees jij onze leider. Neem deze puinhoop onder jouw hand. 7. Maar op die dag zal hij zijn hand opsteken en zeggen: Ik kan geen genezer zijn. In mijn huis is geen brood en geen mantel. Maak mij niet tot leider van het volk. 8. Want Jeruzalem struikelt en Juda valt. Hun tong en hun daden gaan tegen de HEERE in en tarten de ogen van Zijn heerlijkheid. 9. Hun gezicht getuigt tegen hen. Zij vertellen hun zonden vrijuit, net als Sodom, en verbergen ze niet. Wee hen, want zij doen zichzelf kwaad. 10. Zeg tegen de rechtvaardige dat het hem goed zal gaan. Zij zullen de vrucht van hun daden eten. 11. Wee de goddeloze, het zal hem slecht gaan, want wat zijn handen deden, krijgt hij terug. 12. Kinderen drijven mijn volk op en vrouwen heersen erover. Mijn volk, wie jou leiden, doen jou dwalen. Zij laten de weg die je gaat verdwijnen. 13. De HEERE staat op om te pleiten. Hij staat klaar om de volken te oordelen. 14. De HEERE komt met een aanklacht tegen de oudsten en de leiders van Zijn volk: Jullie hebben de wijngaard opgegeten. Wat jullie van de arme roofden, ligt in jullie huizen. 15. Wat bezielt jullie dat jullie mijn volk vermorzelen en de gezichten van armen vermalen? Zo spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten. 16. Verder zegt de HEERE: De dochters van Sion zijn hoogmoedig. Zij lopen met gestrekte hals en lonken met hun ogen. Zij trippelen voort en rinkelen met hun voetringen. 17. Daarom zal de HEERE de schedel van de dochters van Sion kaal maken en hun schaamte blootleggen. 18. Op die dag neemt de HEERE de sieraden weg: de enkelbanden, de haarnetjes en de maantjes, 19. de oorhangers, de armbandjes en de sluiers, 20. de hoofdbanden, de enkelkettinkjes, de gordels, de reukflesjes en de amuletten, 21. de zegelringen en de neusringen, 22. de feestkleren, de mantels, de omslagdoeken en de tasjes, 23. de spiegels, de fijne hemden, de tulbanden en de sluiers. 24. Dan komt er stank in plaats van balsem, een touw in plaats van een gordel, een kaal hoofd in plaats van vlechten. Er komt een rouwkleed in plaats van een feestgewaad, en een brandmerk in plaats van schoonheid. 25. Jouw mannen zullen door het zwaard vallen en jouw helden in de strijd. 26. De poorten van de stad zullen treuren en rouwen. Zij zal leeggeplunderd op de grond zitten. ## Jesaja 4 — Wat overblijft in Sion 1. Op die dag zullen zeven vrouwen één man vastgrijpen en zeggen: Wij eten ons eigen brood en dragen onze eigen kleren. Laat ons alleen jouw naam dragen en neem onze schande weg. 2. Op die dag zal de SPRUIT van de HEERE tot sieraad en eer zijn. De vrucht van het land zal trots en versiering zijn voor wie in Israël ontkomen. 3. Wie in Sion overblijft en in Jeruzalem gespaard wordt, zal heilig heten: ieder die in Jeruzalem opgeschreven is om te leven. 4. Dat gebeurt als de Heere het vuil van de dochters van Sion heeft afgewassen. Hij verdrijft het bloed uit de stad door de Geest van het oordeel en de Geest van de uitbranding. 5. Dan zal de HEERE over heel de berg Sion en over de bijeenkomsten daar overdag een wolk scheppen. In de nacht geeft Hij rook en de glans van een vlammend vuur. Want over alles wat heerlijk is, komt een beschutting. 6. Er zal een hut zijn die overdag schaduw geeft tegen de hitte, en die schuilplaats biedt tegen storm en regen. ## Jesaja 5 — Het lied van de wijngaard 1. Ik wil voor mijn vriend een lied zingen over zijn wijngaard. Mijn vriend had een wijngaard op een vruchtbare heuvel. 2. Hij spitte hem om en haalde de stenen eruit. Hij plantte er de beste wijnstokken. Midden erin bouwde hij een toren en hij hakte er ook een perskuip uit. Hij verwachtte goede druiven, maar de wijngaard gaf zure druiven. 3. Nu dan, inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda, spreek recht tussen mij en mijn wijngaard. 4. Wat had ik nog meer aan mijn wijngaard kunnen doen? Waarom verwachtte ik goede druiven, terwijl hij zure druiven gaf? 5. Nu zal ik jullie vertellen wat ik met mijn wijngaard doe. Ik haal zijn heg weg, zodat hij wordt afgegraasd. Ik breek zijn muur af, zodat hij vertrapt wordt. 6. Ik maak hem tot een wildernis. Hij wordt niet gesnoeid en niet geschoffeld, en distels en doorns zullen er opschieten. De wolken geef ik opdracht geen regen op hem te laten vallen. 7. Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant. Hij wachtte op recht, maar kijk, het werd onrecht. Hij wachtte op gerechtigheid, maar kijk, het werd geschreeuw. 8. Wee wie huis aan huis trekken en akker aan akker voegen, tot er geen plaats meer is. Zo wonen jullie alleen midden in het land. 9. In mijn oren heeft de HEERE van de legermachten gezworen: Veel huizen zullen een puinhoop worden, grote en mooie huizen zonder bewoner. 10. Tien akkers wijngaard zullen maar twintig liter wijn geven, en tweehonderd liter zaad levert twintig liter op. 11. Wee wie vroeg opstaan om sterkedrank te zoeken, en tot in de schemering blijven zitten tot de wijn hen verhit! 12. Bij hun feesten klinken harpen en luiten, tamboerijnen en fluiten, en er is wijn. Maar naar het werk van de HEERE kijken zij niet, en wat Zijn handen maken, zien zij niet. 13. Daarom gaat mijn volk in ballingschap, omdat het niets begrijpt. Hun aanzienlijken lijden honger en hun menigte verdroogt van dorst. 14. Daarom sperde het graf zijn keel wijd open en zette het zijn mond eindeloos open. Daarin dalen de pracht en de menigte van de stad af, met alle drukte en vrolijkheid. 15. Dan wordt de gewone man gebogen en de aanzienlijke vernederd, en de ogen van de hoogmoedigen worden neergeslagen. 16. Maar de HEERE van de legermachten wordt hoog door het recht, en de heilige God laat Zijn heiligheid zien door gerechtigheid. 17. Dan grazen de lammeren alsof het hun eigen weide is, en vreemden eten van de puinhopen van de rijken. 18. Wee wie het onrecht meetrekken met touwen van leugen, en de zonde als met wagentouwen! 19. Zij zeggen: Laat Hij opschieten en Zijn werk versnellen, zodat wij het zien. Laat het plan van de Heilige van Israël maar komen, dan weten wij het. 20. Wee wie het kwade goed noemen en het goede kwaad, wie duisternis licht maken en licht duisternis, wie bitter zoet maken en zoet bitter! 21. Wee wie wijs zijn in eigen ogen en zichzelf verstandig vinden! 22. Wee wie helden zijn in wijn drinken en kampioenen in het mengen van sterkedrank! 23. Zij spreken de schuldige vrij voor een geschenk en ontnemen de rechtvaardige zijn recht. 24. Zoals een vuurtong stoppels verteert en dor gras in de vlam verdwijnt, zo zal hun wortel wegrotten en hun bloesem als stof opstuiven. Want zij verwerpen de wet van de HEERE van de legermachten en minachten het woord van de Heilige van Israël. 25. Daarom is de HEERE woedend op Zijn volk. Hij strekte Zijn hand ertegen uit en sloeg het, zodat de bergen beefden en de lijken als vuil op straat lagen. Ondanks dit alles keert Zijn woede zich niet af, en Zijn hand blijft uitgestrekt. 26. Hij zal een vlag opsteken voor een volk van ver weg en het vanaf het einde van de aarde naar zich toe fluiten. Kijk, snel en vlug komen zij aan. 27. Niemand onder hen is moe en niemand struikelt. Niemand sluimert of slaapt. Geen gordel raakt los en geen schoenriem scheurt. 28. Hun pijlen zijn scherp en al hun bogen staan gespannen. De hoeven van hun paarden lijken op steen en hun wielen op een wervelwind. 29. Hun gebrul is als dat van een leeuwin. Zij brullen als jonge leeuwen, grommen, grijpen de prooi en slepen die weg, en niemand redt haar. 30. Op die dag zullen zij over het land bruisen als de bruisende zee. Kijkt men naar de aarde, dan is er alleen duisternis en benauwdheid, en zelfs het licht wordt donker door de wolken. ## Jesaja 6 — De roeping van Jesaja 1. In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere op een hoge en verheven troon zitten. De zomen van Zijn kleed vulden de tempel. 2. Boven Hem stonden serafs. Elk had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn gezicht, met twee zijn voeten, en met twee vloog hij. 3. De een riep naar de ander: Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten! De hele aarde is vol van Zijn heerlijkheid. 4. De deurposten schudden van het geluid van die roep, en het huis vulde zich met rook. 5. Toen zei ik: Wee mij, ik ga eraan! Want ik ben een man met onreine lippen en ik woon onder een volk met onreine lippen. En mijn ogen hebben de Koning gezien, de HEERE van de legermachten. 6. Maar een van de serafs vloog naar mij toe. Hij had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met een tang van het altaar had gepakt. 7. Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: Kijk, dit heeft je lippen aangeraakt. Je schuld is van je weggenomen en je zonde is verzoend. 8. Daarna hoorde ik de stem van de Heere: Wie zal ik sturen? Wie zal er voor ons gaan? Toen zei ik: Hier ben ik, stuur mij. 9. Hij zei: Ga naar dit volk en zeg tegen hen: jullie zullen goed horen, maar niets begrijpen. Jullie zullen goed kijken, maar niets zien. 10. Maak het hart van dit volk ongevoelig, maak hun oren doof en sluit hun ogen. Anders zien zij met hun ogen, horen zij met hun oren en begrijpen zij met hun hart, en bekeren zij zich en worden zij genezen. 11. Toen zei ik: Hoe lang, Heere? En Hij zei: Totdat de steden verwoest zijn en er niemand meer woont, totdat de huizen leeg zijn en het land een wildernis is. 12. Want de HEERE zal de mensen ver wegbrengen, en het land zal grotendeels verlaten zijn. 13. Toch blijft er een tiende deel over. Ook dat wordt weer afgeweid. Maar bij een eik of een terebint blijft na het vallen van de bladeren een stronk over. Zo is het heilige zaad de stronk van dit volk. ## Jesaja 7 — Het teken van Immanuël 1. In de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, trok Rezin op. Rezin was de koning van Syrië, en met hem kwam Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël. Zij trokken op tegen Jeruzalem om oorlog te voeren, maar zij kregen de stad niet in handen. 2. Het huis van David kreeg bericht: Syrië heeft zich bij Efraïm gelegerd. Toen beefde het hart van de koning en het hart van zijn volk, zoals bomen in het bos beven in de wind. 3. De HEERE zei tegen Jesaja: Ga Achaz tegemoet, jij en je zoon Schear-Jaschub. Ga naar het einde van de waterloop van de bovenste vijver, aan de weg van het bleekveld. 4. Zeg tegen hem: wees kalm en rustig, wees niet bang en laat je hart niet week worden. Het gaat maar om twee rokende stukken hout, om de woede van Rezin met Syrië en van de zoon van Remalia. 5. Syrië heeft kwaad tegen je beraamd, samen met Efraïm en de zoon van Remalia. 6. Zij zeiden: Laten wij optrekken tegen Juda, het schrik aanjagen en het onder ons verdelen. Laten wij de zoon van Tabeal daar koning maken. 7. Maar dit zegt de Heere HEERE: het gebeurt niet, het komt er niet. 8. Want het hoofd van Syrië is Damaskus, en het hoofd van Damaskus is Rezin. Over vijfenzestig jaar zal Efraïm verbroken zijn en geen volk meer wezen. 9. Het hoofd van Efraïm is Samaria, en het hoofd van Samaria is de zoon van Remalia. Als jullie niet geloven, houden jullie geen stand. 10. De HEERE sprak verder tegen Achaz. 11. Hij zei: Vraag voor jezelf een teken van de HEERE, je God. Vraag het diep beneden of hoog daarboven. 12. Maar Achaz zei: Ik vraag niets. Ik wil de HEERE niet op de proef stellen. 13. Toen zei Jesaja: Luister toch, huis van David! Is het jullie te weinig mensen te vermoeien? Moeten jullie ook mijn God vermoeien? 14. Daarom zal de Heere zelf jullie een teken geven. Kijk, de jonge vrouw wordt zwanger en zal een zoon baren, en zij zal Hem IMMANUËL noemen. 15. Boter en honing zal Hij eten, tot Hij het kwade kan verwerpen en het goede kan kiezen. 16. Er zijn twee koningen waar jij bang voor bent. Hun land zal verlaten zijn voordat dit kind het kwade kan verwerpen en het goede kan kiezen. 17. Maar de HEERE zal over jou, over je volk en over het huis van je vader dagen laten komen. Zulke dagen zijn er niet geweest sinds Efraïm zich van Juda afscheidde. Hij brengt de koning van Assyrië. 18. Op die dag zal de HEERE fluiten naar de vliegen bij de monding van de rivieren van Egypte. Hij fluit ook naar de bijen in het land Assur. 19. Zij zullen komen en allemaal neerstrijken in de steile dalen, in de spleten van de rotsen, in alle doornhagen en op alle weidegrond. 20. Op die dag zal de Heere met een gehuurd scheermes van de overkant van de rivier het hoofd en het haar van de benen afscheren. Dat scheermes is de koning van Assyrië, en ook de baard scheert hij helemaal weg. 21. Op die dag zal iemand nog een jonge koe en twee schapen in leven houden. 22. Zij geven zoveel melk dat hij boter kan eten. Iedereen die in het land overblijft, zal boter en honing eten. 23. Op die dag zal elke plek waar duizend wijnstokken stonden, duizend zilverstukken waard, vol doorns en distels staan. 24. Men zal daar met pijl en boog moeten gaan, want het hele land is vol doorns en distels. 25. Op alle heuvels die men met de hak bewerkte, komt men niet meer uit angst voor doorns en distels. Daar zullen de ossen los lopen en het kleinvee vertrapt de grond. ## Jesaja 8 — Snel komt de roof 1. De HEERE zei tegen mij: Neem een grote rol en schrijf daarop met gewone letters: snel komt de roof, vlug komt de buit. 2. Toen nam ik betrouwbare getuigen: Uria, de priester, en Zacharia, de zoon van Jeberechja. 3. Ik ging naar de profetes, en zij werd zwanger en kreeg een zoon. De HEERE zei tegen mij: Noem hem Maher-Schalal-Chazbaz. 4. Want het jongetje kan nog geen vader of moeder roepen. Toch zal men dan al de rijkdom van Damaskus en de buit van Samaria wegdragen voor de koning van Assur. 5. De HEERE sprak nog verder tegen mij. 6. Hij zei: Dit volk veracht het zachte water van Siloa en juicht om Rezin en de zoon van Remalia. 7. Daarom laat de Heere het sterke en geweldige water van de rivier over hen opkomen: de koning van Assyrië met al zijn pracht. Hij zal buiten al zijn beddingen treden en over al zijn oevers gaan. 8. Hij trekt door Juda heen, overstroomt het en gaat erdoor tot aan de hals. Zijn uitgespreide vleugels zullen de breedte van jouw land vullen, Immanuël. 9. Volken, maak maar lawaai, jullie worden gebroken. Luister, alle verre landen: gord je maar aan, jullie worden gebroken. Gord je aan, jullie worden gebroken. 10. Smeed maar een plan, het wordt verijdeld. Spreek maar een woord, het houdt geen stand, want God is met ons. 11. Zo heeft de HEERE met sterke hand tegen mij gesproken. Hij waarschuwde mij niet de weg van dit volk te gaan. 12. Hij zei: Noem niet alles een samenzwering wat dit volk een samenzwering noemt. Wees niet bang voor wat zij vrezen en schrik er niet van. 13. De HEERE van de legermachten moeten jullie heilig houden. Voor Hem moeten jullie ontzag hebben, voor Hem moeten jullie bang zijn. 14. Dan zal Hij een heiligdom zijn. Maar voor de twee huizen van Israël wordt Hij een steen waarover je struikelt en een rots waarover je valt. Voor de inwoners van Jeruzalem wordt Hij een val en een strik. 15. Velen van hen zullen struikelen en vallen, zij breken, raken verstrikt en worden gevangen. 16. Bind de getuigenis dicht, verzegel de wet bij mijn leerlingen. 17. Ik zal wachten op de HEERE, die Zijn gezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal op Hem hopen. 18. Kijk, ik en de kinderen die de HEERE mij gegeven heeft, zijn tekens en wonderen in Israël. Zij komen van de HEERE van de legermachten, die op de berg Sion woont. 19. Zij zullen tegen jullie zeggen: Vraag het aan de waarzeggers en de geesten die piepen en mompelen. Zeg dan: mag een volk zijn God niet vragen? Waarom zou men voor de levenden de doden raadplegen? 20. Ga naar de wet en de getuigenis! Wie niet volgens dit woord spreekt, zal geen dageraad zien. 21. Men zal door het land trekken, zwaar gedrukt en hongerig. Wie honger heeft, wordt woedend en vervloekt zijn koning en zijn God, terwijl hij omhoogkijkt. 22. Kijkt hij naar de aarde, dan ziet hij benauwdheid en duisternis. Hij is verduisterd door angst en wordt voortgedreven in het donker. 23. Maar het land dat in het nauw zat, zal niet in het donker blijven. Eerst maakte Hij het land van Zebulon en het land van Naftali gering. Later bracht Hij eer aan de weg langs de zee, aan de overkant van de Jordaan, in Galilea van de volken. ## Jesaja 9 — Een Kind is ons geboren 1. Het volk dat in duisternis loopt, zal een groot licht zien. Over wie wonen in het land van de schaduw van de dood, zal een licht schijnen. 2. U hebt dit volk talrijk gemaakt, maar de vreugde nog niet groot. Toch zullen zij blij zijn voor Uw aangezicht, zoals men blij is in de oogsttijd en zoals men juicht bij het verdelen van de buit. 3. Want U hebt het juk dat hen drukte gebroken. U brak de stok op hun schouder en de staf van hun drijver, zoals op de dag van Midian. 4. Elke laars van wie dreunend marcheert en elke mantel die in bloed gewenteld is, gaat in het vuur, als voedsel voor de vlammen. 5. Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. De heerschappij rust op Zijn schouder, en men noemt Hem Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, eeuwige Vader, Vredevorst. 6. Aan deze heerschappij en aan de vrede komt geen einde, op de troon van David en in zijn koninkrijk. Hij zal het vestigen en ondersteunen met recht en gerechtigheid, van nu af tot in eeuwigheid. De ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen. 7. De Heere heeft een woord naar Jakob gestuurd, en het is in Israël gevallen. 8. Het hele volk zal het merken, Efraïm en de inwoners van Samaria, die vol hoogmoed en trots zijn. 9. Zij zeggen: De tichelstenen zijn gevallen, maar wij bouwen met gehouwen steen. De wilde vijgenbomen zijn omgehakt, maar wij zetten er ceders voor in de plaats. 10. Daarom zal de HEERE de tegenstanders van Rezin tegen hem opzetten en zijn vijanden opjagen. 11. De Syriërs komen van voren en de Filistijnen van achteren, en zij eten Israël op met volle mond. Ondanks dit alles keert Zijn woede zich niet af, en Zijn hand blijft uitgestrekt. 12. Want het volk keert zich niet tot Hem die het slaat, en de HEERE van de legermachten zoeken zij niet. 13. Daarom zal de HEERE uit Israël kop en staart afhakken, tak en riet, op één dag. 14. De oudste en de aanzienlijke zijn de kop, en de profeet die leugens leert, is de staart. 15. Want de leiders van dit volk brengen het op een dwaalweg, en wie zich laten leiden, worden verslonden. 16. Daarom is de Heere niet blij over hun jonge mannen, en over hun wezen en weduwen ontfermt Hij zich niet. Zij zijn allemaal huichelaars en boosdoeners, en elke mond spreekt dwaasheid. Ondanks dit alles keert Zijn woede zich niet af, en Zijn hand blijft uitgestrekt. 17. Want de goddeloosheid brandt als vuur. Zij verteert doorns en distels en steekt het struikgewas van het bos in brand, dat opgaat in een zuil van rook. 18. Door de woede van de HEERE van de legermachten wordt het land verschroeid, en het volk is voedsel voor het vuur. Niemand spaart de ander. 19. Snijdt men aan de rechterkant, dan houdt men honger. Eet men aan de linkerkant, dan wordt men niet verzadigd. Ieder eet het vlees van zijn eigen arm. 20. Manasse eet Efraïm en Efraïm eet Manasse, en samen keren zij zich tegen Juda. Ondanks dit alles keert Zijn woede zich niet af, en Zijn hand blijft uitgestrekt. ## Jesaja 10 — Wee Assur, de stok van de toorn 1. Wee wie onrechtvaardige wetten maken en wie schrijvers laten opschrijven wat mensen kwelt. 2. Zij houden de armen van hun recht af en roven het recht van de zwakken in het volk van de HEERE. Weduwen worden hun buit en wezen plunderen zij leeg. 3. Maar wat gaan jullie doen op de dag van de afrekening, als de verwoesting van ver komt? Naar wie vluchten jullie om hulp, en waar laten jullie je rijkdom? 4. Er blijft niets over dan te bukken tussen gevangenen of te vallen tussen gedoden. Ondanks dit alles keert Zijn woede zich niet af, en Zijn hand blijft uitgestrekt. 5. Wee Assur, de stok van mijn toorn! Mijn woede is een knuppel in hun hand. 6. Ik stuur hem tegen een huichelachtig volk. Ik geef hem bevel tegen het volk waarop ik boos ben, om te roven en te plunderen en het te vertrappen als straatvuil. 7. Maar zo bedoelt hij het niet en zo denkt hij niet. Hij wil vernietigen en veel volken uitroeien. 8. Want hij zegt: Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen? 9. Is Kalno niet als Karchemis? Is Hamath niet als Arfad? Is Samaria niet als Damaskus? 10. Mijn hand vond de koninkrijken van de afgoden, terwijl hun beelden er meer waren dan die van Jeruzalem en Samaria. 11. Zou ik met Jeruzalem en haar beelden niet doen wat ik met Samaria en haar afgoden deed? 12. Eerst voltooit de HEERE heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem. Daarna straft Hij de trots van de koning van Assyrië en zijn hoogmoedige blik. 13. Want hij zegt: Door de kracht van mijn hand heb ik dit gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig. Ik heb de grenzen van volken verlegd, hun voorraden geroofd en als een machtige de bewoners neergehaald. 14. Mijn hand vond de rijkdom van de volken als een nest. Zoals men verlaten eieren bij elkaar raapt, zo heb ik de hele aarde bijeengeraapt. Niemand bewoog een vleugel, deed zijn bek open of piepte. 15. Beroemt een bijl zich tegen wie ermee hakt? Doet een zaag groot tegen wie haar trekt? Alsof een stok wie hem optilt zou bewegen, alsof een staf geen hout zou zijn. 16. Daarom zal de Heere HEERE van de legermachten onder zijn vetten mageren sturen. Onder zijn pracht zal Hij een vuur laten branden als een vuurgloed. 17. Want het Licht van Israël wordt een vuur en zijn Heilige een vlam. Die zal op één dag zijn doorns en distels in brand steken en verteren. 18. Hij zal ook de pracht van zijn bos en zijn akkerland verteren, van ziel tot vlees. Het zal zijn alsof een zieke wegkwijnt. 19. De bomen die van zijn bos overblijven, zullen zo weinig zijn dat een jongen ze kan opschrijven. 20. Op die dag zal wat van Israël overblijft, en wie van het huis van Jakob ontkomen, niet meer steunen op wie hen sloeg. Zij zullen eerlijk steunen op de HEERE, de Heilige van Israël. 21. Een rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God. 22. Al is jouw volk, Israël, als het zand van de zee, toch zal maar een rest terugkeren. De vernietiging is vast besloten en stroomt over van gerechtigheid. 23. Want de Heere HEERE van de legermachten voert een vast besloten vernietiging uit in het hele land. 24. Daarom zegt de Heere HEERE van de legermachten: Wees niet bang, mijn volk dat in Sion woont, voor Assur. Hij slaat je met de stok en heft zijn staf tegen je op, zoals Egypte deed. 25. Nog heel even, dan is mijn woede voorbij en richt mijn toorn zich op hun ondergang. 26. De HEERE van de legermachten zal een gesel tegen hem opheffen, zoals bij de slachting van Midian aan de rots van Oreb. Zijn staf zal over de zee zijn, zoals Hij die ophief tegen Egypte. 27. Op die dag zal zijn last van je schouder vallen en zijn juk van je hals. Het juk wordt verbroken door de zalving. 28. Hij komt naar Ajath en trekt door Migron. In Michmas legt hij zijn uitrusting neer. 29. Zij gaan door de bergpas en overnachten in Geba. Rama beeft, Gibea van Saul vlucht. 30. Schreeuw het uit, dochter van Gallim! Laat het horen tot Laïs toe, arm Anathoth! 31. Madmena slaat op de vlucht, de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid. 32. Nog deze dag blijft hij in Nob. Daar balt hij zijn vuist tegen de berg van de dochter van Sion, tegen de heuvel van Jeruzalem. 33. Maar kijk, de Heere HEERE van de legermachten kapt de takken met geweld af. Wie hoog opgeschoten zijn, worden omgehakt, en wie verheven zijn, worden vernederd. 34. Hij hakt het struikgewas van het bos om met ijzer, en de Libanon zal vallen door de Machtige. ## Jesaja 11 — Een twijg uit de stronk van Isaï 1. Er zal een twijg opkomen uit de afgehakte stronk van Isaï, en een scheut uit zijn wortels zal vrucht dragen. 2. Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten. Dat is de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en kracht, de Geest van kennis en ontzag voor de HEERE. 3. Hij zal ademen in het ontzag voor de HEERE. Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien en niet beslissen naar wat Zijn oren horen. 4. Maar Hij zal de armen rechtvaardig oordelen en eerlijk beslissen voor de zachtmoedigen in het land. Hij zal de aarde slaan met de stok van Zijn mond, en met de adem van Zijn lippen de goddeloze doden. 5. Gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn, en trouw de gordel om Zijn middel. 6. De wolf zal bij het lam wonen en de luipaard bij de geitenbok liggen. Kalf, jonge leeuw en mestvee zijn samen, en een kleine jongen drijft ze. 7. Koe en berin zullen samen grazen en hun jongen liggen bij elkaar. De leeuw zal stro eten als het rund. 8. Een zuigeling zal spelen bij het hol van een adder, en een peuter steekt zijn hand in het nest van de gifslang. 9. Niemand zal kwaad doen of verderf brengen op heel de heilige berg van de HEERE. Want de aarde zal vol kennis van de HEERE zijn, zoals het water de bodem van de zee bedekt. 10. Op die dag zullen de volken vragen naar de Wortel van Isaï, die als een vaandel voor de volken zal staan. Zijn rustplaats zal heerlijk zijn. 11. Op die dag zal de Heere opnieuw Zijn hand uitsteken om de rest van Zijn volk terug te halen. Zij komen uit Assyrië, Egypte, Pathros, Ethiopië, Elam, Sinear, Hamath en van de eilanden van de zee. 12. Hij zal een vaandel opsteken voor de volken. Hij verzamelt de verdrevenen van Israël en brengt de verstrooiden van Juda bijeen van de vier hoeken van de aarde. 13. De jaloezie van Efraïm zal verdwijnen en de vijanden van Juda worden uitgeroeid. Efraïm zal niet jaloers zijn op Juda, en Juda zal Efraïm niet benauwen. 14. Zij zullen op de schouder van de Filistijnen naar het westen vliegen en samen de volken in het oosten beroven. Edom en Moab leggen zij hun hand op, en de Ammonieten zullen hen gehoorzamen. 15. De HEERE zal de zeearm van Egypte droogleggen. Hij zal Zijn hand over de rivier bewegen met de kracht van Zijn wind. Hij slaat haar in zeven beken, zodat men er met schoenen doorheen kan gaan. 16. Er zal een gebaande weg zijn voor de rest van Zijn volk die uit Assur overblijft. Zo was er ook een weg voor Israël toen het uit Egypte trok. ## Jesaja 12 — Het lied van de dank 1. Op die dag zul je zeggen: Ik dank U, HEERE. U was boos op mij, maar Uw toorn is voorbij en U troost mij. 2. Kijk, God is mijn redding. Ik zal vertrouwen en niet bang zijn. Want de HEERE is mijn kracht en mijn lied, en Hij werd mijn redding. 3. Met vreugde zullen jullie water putten uit de bronnen van de redding. 4. Op die dag zul je zeggen: Dank de HEERE, roep Zijn naam aan! Maak Zijn daden bekend onder de volken en vertel dat Zijn naam hoog is. 5. Zing voor de HEERE, want Hij heeft grote dingen gedaan. Laat dat bekend zijn op de hele aarde. 6. Juich en zing, inwoners van Sion, want groot in jullie midden is de Heilige van Israël. ## Jesaja 13 — De last van Babel 1. De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft. 2. Hef een vaandel op een kale berg, roep hen luid toe en wenk met de hand, zodat zij door de poorten van de edelen binnentrekken. 3. Ik heb mijn ingewijden bevel gegeven. Ik heb mijn helden geroepen voor mijn toorn, wie juichen over mijn hoogheid. 4. Op de bergen klinkt een rumoer als van een grote menigte. Het is het lawaai van koninkrijken, van volken die zich verzamelen. De HEERE van de legermachten monstert het leger. 5. Zij komen uit een ver land, van het einde van de hemel. Het is de HEERE met de werktuigen van Zijn woede, om het hele land te verwoesten. 6. Huil, want de dag van de HEERE is dichtbij. Hij komt als een verwoesting van de Almachtige. 7. Daarom worden alle handen slap en smelt het hart van iedereen. 8. Zij schrikken, pijn en weeën grijpen hen aan, en zij krimpen ineen als een vrouw die baart. Verbijsterd kijken zij elkaar aan, met vuurrode gezichten. 9. Kijk, de dag van de HEERE komt, hard, met woede en brandende toorn. Hij maakt het land tot een woestenij en roeit de zondaars eruit weg. 10. De sterren van de hemel en hun beelden geven geen licht meer. De zon wordt donker bij haar opgang en de maan laat haar licht niet schijnen. 11. Ik zal de wereld haar boosheid vergelden en de goddelozen hun schuld. Ik maak een einde aan de trots van de overmoedigen en verneder de hoogmoed van tirannen. 12. Ik maak een mens zeldzamer dan zuiver goud, en een mensenkind kostbaarder dan goud uit Ofir. 13. Daarom laat ik de hemel beven, en de aarde zal van haar plaats wijken. Dat gebeurt door de woede van de HEERE van de legermachten, op de dag van Zijn brandende toorn. 14. Iedereen zal zijn als een opgejaagde gazelle en als schapen die niemand bijeenbrengt. Ieder keert terug naar zijn eigen volk en vlucht naar zijn eigen land. 15. Wie gevonden wordt, wordt doorstoken, en wie opgepakt wordt, valt door het zwaard. 16. Hun kleine kinderen worden voor hun ogen verpletterd, hun huizen geplunderd en hun vrouwen onteerd. 17. Kijk, ik zet de Meden tegen hen op. Zij geven niets om zilver en hebben geen plezier in goud. 18. Hun bogen verpletteren jonge mannen. Zij ontfermen zich niet over de vrucht van de buik, en hun oog spaart geen kinderen. 19. Zo zal het Babel vergaan, het sieraad van de koninkrijken, de trotse pracht van de Chaldeeën. Het gaat zoals God Sodom en Gomorra omkeerde. 20. Nooit meer zal daar iemand wonen, van geslacht op geslacht. Geen Arabier zal er zijn tent opzetten en geen herder zal er zijn kudde laten rusten. 21. Maar wilde dieren van de woestijn zullen er liggen, en hun huizen zullen vol zijn van huilende beesten. Struisvogels zullen er wonen en bokgeesten zullen er dansen. 22. Hyena's zullen roepen in de verlaten burchten en jakhalzen in de weelderige paleizen. Haar tijd is nabij en haar dagen worden niet uitgesteld. ## Jesaja 14 — Hoe ben je gevallen, morgenster 1. De HEERE zal zich over Jakob ontfermen. Hij zal Israël opnieuw uitkiezen en hen in hun eigen land zetten. Vreemdelingen zullen zich bij hen aansluiten en zich bij het huis van Jakob voegen. 2. Volken zullen hen meenemen en thuisbrengen. Het huis van Israël zal hen in het land van de HEERE in bezit nemen als knechten en dienstmeisjes. Zij zullen hun bewakers gevangen houden en over hun drijvers heersen. 3. Er komt een dag dat de HEERE je rust geeft van je pijn, je onrust en de harde dienst die je moest doen. 4. Dan zul je dit spotlied aanheffen over de koning van Babel: Hoe is de drijver tot rust gekomen! Hoe is de onderdrukking opgehouden! 5. De HEERE heeft de stok van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers. 6. Die sloeg volken in woede met slagen zonder ophouden. Die heerste in toorn over naties en vervolgde zonder dat iemand het kon tegenhouden. 7. Nu rust de hele aarde en is zij stil. Men barst uit in gejuich. 8. Zelfs de cipressen zijn blij over jou. De ceders van de Libanon zeggen: Sinds jij daar ligt, komt niemand meer omhoog om ons om te hakken. 9. Het dodenrijk beneden komt in beweging om je te ontmoeten als je komt. Het wekt de schimmen voor je op, alle leiders van de aarde. Het laat alle koningen van de volken van hun troon opstaan. 10. Zij zullen allemaal antwoorden en tegen je zeggen: Ook jij bent zwak geworden zoals wij. Jij bent net als wij. 11. Je trots is in het dodenrijk gestort, met het geluid van je harpen. Maden liggen onder je en wormen bedekken je. 12. Hoe ben je uit de hemel gevallen, morgenster, zoon van de dageraad! Hoe ben je tegen de grond geslagen, jij die de volken neersloeg! 13. Je zei in je hart: Ik zal naar de hemel opstijgen en mijn troon boven de sterren van God verheffen. Ik zal zitten op de berg van de samenkomst, ver in het noorden. 14. Ik zal boven de wolken uitstijgen en gelijk worden aan de Allerhoogste. 15. Maar je wordt in het dodenrijk neergestoten, tot in de diepste kuil. 16. Wie je zien, kijken naar je en denken na: Is dat de man die de aarde deed schudden en koninkrijken deed beven? 17. Die de wereld tot een woestijn maakte en haar steden verwoestte, die zijn gevangenen niet naar huis liet gaan? 18. Alle koningen van de volken liggen met eer begraven, ieder in zijn eigen graf. 19. Maar jij bent uit je graf geworpen als een verafschuwde tak. Je ligt bedekt onder gedoden die door het zwaard zijn doorstoken, die in een steenkuil neerdalen, als een vertrapt lijk. 20. Je wordt niet bij hen begraven, want je hebt je land verwoest en je volk gedood. Het nageslacht van boosdoeners wordt nooit meer genoemd. 21. Maak de slachtbank klaar voor zijn kinderen, om de schuld van hun vaderen. Zij mogen niet opstaan, de aarde erven en de wereld vol steden zetten. 22. Ik zal tegen hen opstaan, zegt de HEERE van de legermachten. Ik zal van Babel de naam en de rest uitroeien, de zoon en de kleinzoon, zegt de HEERE. 23. Ik maak het tot bezit van nachtuilen en tot waterpoelen. Ik veeg het weg met de bezem van de vernietiging, zegt de HEERE van de legermachten. 24. De HEERE van de legermachten heeft gezworen: Wat ik bedacht heb, gebeurt. Wat ik van plan ben, komt er. 25. Ik zal Assur in mijn land verbreken en hem op mijn bergen vertrappen. Dan gaat zijn juk van hen af en zijn last van hun schouder. 26. Dit is het plan dat over de hele aarde besloten is, en dit is de hand die over alle volken is uitgestrekt. 27. De HEERE van de legermachten heeft het besloten, wie zal het dan breken? Zijn hand is uitgestrekt, wie zal die dan keren? 28. In het jaar dat koning Achaz stierf, kwam deze last. 29. Wees niet blij, heel Filistea, dat de stok die je sloeg gebroken is. Want uit de wortel van de slang komt een gifslang voort, en haar vrucht is een vurige vliegende draak. 30. De eerstgeborenen van de armen zullen weiden en de behoeftigen zullen veilig liggen. Maar jouw wortel zal ik door honger doden, en wie van jou overblijft, zal hij ombrengen. 31. Huil, poort! Schreeuw, stad! Heel Filistea smelt weg. Want uit het noorden komt rook, en niemand blijft achter in zijn gelederen. 32. Wat antwoordt men dan de boden van het volk? Dat de HEERE Sion gegrond heeft, en dat de verdrukten van Zijn volk daar een toevlucht vinden. ## Jesaja 15 — De last van Moab 1. De last van Moab. In één nacht is Ar in Moab verwoest en vernietigd. In één nacht is Kir in Moab verwoest en vernietigd. 2. Men gaat op naar Baith en Dibon, naar de offerhoogten, om te huilen. Over Nebo en Medeba jammert Moab. Alle hoofden zijn kaal en alle baarden zijn afgeschoren. 3. Op straat dragen zij rouwkleren. Op hun daken en op hun pleinen huilt iedereen, en zij gaan in tranen ten onder. 4. Hesbon en Eleale schreeuwen, hun stem is tot Jahaz te horen. Daarom schreeuwen de soldaten van Moab, en hun ziel beeft in hen. 5. Mijn hart schreeuwt om Moab. Zijn vluchtelingen gaan tot Zoar toe. Huilend klimmen zij de helling van Luhith op, en op de weg naar Horonaim klinkt een jammerkreet. 6. De wateren van Nimrim worden een woestenij. Het gras is verdord, het jonge groen is verdwenen en er is niets groens meer. 7. Wat zij verzameld en opgeslagen hebben, dragen zij weg over de beek van de wilgen. 8. Het geschreeuw gaat rond door het gebied van Moab. Hun gehuil klinkt tot Eglaim en hun gejammer tot Beer-Elim. 9. De wateren van Dimon zijn vol bloed. En ik breng nog meer over Dimon: leeuwen over wie uit Moab ontkomen en over wie in het land overblijven. ## Jesaja 16 — Stuur de lammeren 1. Stuur de lammeren voor de heerser van het land vanuit Sela door de woestijn naar de berg van de dochter van Sion. 2. Anders zullen de dochters van Moab bij de doorwaadbare plaatsen van de Arnon zijn als opgejaagde vogels, uit hun nest verdreven. 3. Geef raad en spreek recht. Maak je schaduw midden op de dag als de nacht. Verberg de verdrevenen en verraad de vluchtelingen niet. 4. Laat mijn verdrevenen bij jou wonen, Moab. Wees een schuilplaats voor hen tegen de verwoester. Want de onderdrukker is voorbij, de verwoesting is geëindigd en de vertrappers zijn uit het land verdwenen. 5. Dan zal een troon in goedheid vaststaan. Daarop zal iemand blijvend zitten in de tent van David, die oordeelt, het recht zoekt en snel gerechtigheid doet. 6. Wij hebben van de trots van Moab gehoord; hij is zeer trots. Zijn hoogmoed, zijn trots en zijn woede zijn groter dan zijn kracht. 7. Daarom zal Moab over Moab jammeren, allemaal zullen zij jammeren. Over de rozijnenkoeken van Kir-Hareseth zullen jullie zuchten, want zij zijn gebroken. 8. De velden van Hesbon zijn verwelkt en ook de wijnstok van Sibma. De heersers van de volken vertrapten zijn beste ranken. Zij reikten tot Jaëzer en dwaalden door de woestijn. Zijn scheuten spreidden zich uit en gingen over de zee. 9. Daarom huil ik met Jaëzer om de wijnstok van Sibma. Ik maak je nat met mijn tranen, Hesbon en Eleale. Want over je zomervruchten en je oogst is het vreugdegeschreeuw gevallen. 10. Vreugde en blijdschap zijn uit de boomgaard weggenomen. In de wijngaarden wordt niet meer gezongen en gejuicht. Niemand perst nog wijn in de bakken, want ik heb het vreugdegeschreeuw laten ophouden. 11. Daarom klinkt mijn binnenste over Moab als een harp, en mijn hart over Kir-Heres. 12. Als Moab zich op de offerhoogte heeft afgemat en in zijn heiligdom gaat bidden, zal het niets uithalen. 13. Dit is het woord dat de HEERE eerder over Moab gesproken heeft. 14. Maar nu zegt de HEERE: Binnen drie jaar, gerekend als de jaren van een dagloner, wordt de eer van Moab veracht. Dat geldt voor heel zijn grote menigte. Wat overblijft, zal klein en machteloos zijn. ## Jesaja 17 — De last van Damaskus 1. De last van Damaskus. Kijk, Damaskus wordt weggenomen en zal geen stad meer zijn. Zij wordt een vervallen puinhoop. 2. De steden van Aroër worden verlaten. Zij zijn voor de kudden, die daar rustig liggen zonder dat iemand ze opschrikt. 3. De vesting van Efraïm verdwijnt, en ook het koninkrijk van Damaskus en wat van de Syriërs overblijft. Het zal hun vergaan als de heerlijkheid van de Israëlieten, zegt de HEERE van de legermachten. 4. Op die dag zal de heerlijkheid van Jakob mager worden, en het vet van zijn lichaam zal verdwijnen. 5. Het zal zijn als wanneer een maaier het staande koren pakt en met zijn arm de aren afmaait. Het zal zijn als iemand die aren leest in het dal Refaïm. 6. Toch blijft er een nalezing over, zoals bij het schudden van een olijfboom. Er blijven twee of drie olijven boven in de top, en vier of vijf aan de vruchtbare takken, zegt de HEERE, de God van Israël. 7. Op die dag zal de mens kijken naar zijn Maker, en zijn ogen zullen zien op de Heilige van Israël. 8. Hij zal niet meer kijken naar de altaren die zijn handen maakten. Ook de gewijde palen en de zonnezuilen van zijn vingers laat hij staan. 9. Op die dag zullen zijn sterke steden zijn als een verlaten struik en een hoge tak, die men achterliet voor de Israëlieten. Er zal verwoesting zijn. 10. Want je bent de God van je redding vergeten en hebt niet gedacht aan de Rots van je sterkte. Daarom plant je wel mooie planten en zet je er vreemde ranken bij. 11. Op de dag dat je ze plant, laat je ze groeien, en in de ochtend laat je je zaad bloeien. Maar de oogst verdwijnt op de dag van ziekte en pijn. 12. Wee, een gedruis van grote volken die bruisen als bruisende zeeën. Wee, een geraas van naties die razen als geweldig water. 13. De naties razen als grote wateren, maar Hij zal hen bestraffen, en zij vluchten ver weg. Zij worden opgejaagd als kaf op de bergen voor de wind, als distelpluis voor de wervelwind. 14. Tegen de avond is er schrik, en voor de ochtend zijn zij er niet meer. Dat is het deel van wie ons beroven, het lot van wie ons plunderen. ## Jesaja 18 — Het land aan de rivieren van Ethiopië 1. Wee het land van ritselende vleugels, aan de overkant van de rivieren van Ethiopië. 2. Het stuurt gezanten over zee, in boten van riet over het water. Ga, snelle boden, naar een volk dat lang en glad is, naar een volk dat overal gevreesd wordt. Het is een volk van kracht op kracht, dat vertrapt, en zijn land wordt door rivieren doorsneden. 3. Alle bewoners van de wereld, alle mensen op aarde: als men een vaandel opsteekt op de bergen, zullen jullie het zien. Als de bazuin klinkt, zullen jullie het horen. 4. Want dit heeft de HEERE tegen mij gezegd: Ik zal stil toekijken vanuit mijn woning. Ik ben als de glinsterende hitte boven het licht, als een dauwwolk in de hitte van de oogst. 5. Want voor de oogst, als de bloesem voorbij is en de bloem een rijpende druif wordt, grijpt Hij in. Hij snijdt de ranken met snoeimessen af en hakt de takken weg. 6. Samen worden zij overgelaten aan de roofvogels van de bergen en aan de dieren van het land. De roofvogels overzomeren erop en alle dieren van het land overwinteren erop. 7. In die tijd zal aan de HEERE van de legermachten een geschenk gebracht worden. Het komt van een volk dat lang en glad is en overal gevreesd wordt. Het is een volk van kracht op kracht, dat vertrapt, en zijn land wordt door rivieren doorsneden. Het gaat naar de plaats van de naam van de HEERE van de legermachten, naar de berg Sion. ## Jesaja 19 — De last van Egypte 1. De last van Egypte. Kijk, de HEERE rijdt op een snelle wolk en komt naar Egypte. De afgoden van Egypte beven voor Hem, en het hart van de Egyptenaren smelt van binnen. 2. Ik zal Egyptenaren tegen Egyptenaren opzetten. Zij zullen vechten, de een tegen de ander, stad tegen stad en koninkrijk tegen koninkrijk. 3. De geest van de Egyptenaren zal leeglopen en hun plannen zal ik verwarren. Dan vragen zij hun afgoden, hun bezweerders, hun waarzeggers en hun geestenbezweerders. 4. Ik lever de Egyptenaren over in de hand van harde heren. Een strenge koning zal over hen heersen, zegt de Heere HEERE van de legermachten. 5. De wateren van de zee zullen opdrogen, en de rivier zal wegzakken en verdrogen. 6. De kanalen gaan stinken, de stromen van Egypte lopen leeg en drogen op. Riet en biezen verwelken. 7. Het papyrusgras bij de Nijl, aan de oevers van de stroom, en al het gezaaide langs de stroom verdroogt. Het waait weg en is er niet meer. 8. De vissers zullen treuren en iedereen die een haak in de stroom werpt, zal rouwen. Wie het werpnet over het water uitspreidt, kwijnt weg. 9. De bewerkers van fijn vlas worden beschaamd, en ook de wevers van witte stof. 10. De pijlers van het land worden verbrijzeld, en alle loonarbeiders worden bedroefd. 11. De vorsten van Zoan zijn dwazen, en de raad van de wijze raadgevers van Farao is dom geworden. Hoe kunnen jullie dan tegen Farao zeggen: Ik ben een zoon van wijzen, een zoon van oude koningen? 12. Waar zijn je wijzen dan? Laat zij je vertellen wat de HEERE van de legermachten over Egypte besloten heeft. 13. De vorsten van Zoan zijn dwaas geworden en de vorsten van Nof zijn bedrogen. Zij laten Egypte dwalen, tot in de hoeken van zijn stammen. 14. De HEERE heeft een geest van verwarring in hen gegoten. Zij laten Egypte dwalen in alles wat het doet, zoals een dronkaard rondtolt in zijn braaksel. 15. Er zal geen werk zijn voor Egypte dat kop of staart, tak of riet nog kan doen. 16. Op die dag zullen de Egyptenaren als vrouwen zijn. Zij zullen beven en bang zijn voor de opgeheven hand van de HEERE van de legermachten. 17. Het land Juda zal een schrik zijn voor Egypte. Wie eraan denkt, zal bang worden voor het besluit dat de HEERE van de legermachten tegen hen genomen heeft. 18. Op die dag zullen er vijf steden in Egypte zijn die de taal van Kanaän spreken en bij de HEERE van de legermachten zweren. Eén ervan zal de stad van de zon heten. 19. Op die dag zal er midden in Egypte een altaar voor de HEERE staan, en bij de grens een gedenksteen voor de HEERE. 20. Dat zal een teken en getuigenis zijn voor de HEERE van de legermachten in Egypte. Als zij tot de HEERE roepen vanwege hun onderdrukkers, zal Hij hun een redder en verdediger sturen die hen bevrijdt. 21. De HEERE zal zich aan de Egyptenaren bekendmaken, en zij zullen de HEERE op die dag kennen. Zij zullen Hem dienen met slachtoffers en graanoffers en hun geloften aan de HEERE doen en betalen. 22. De HEERE zal Egypte hard slaan en het genezen. Zij zullen zich tot de HEERE bekeren, en Hij zal zich laten verbidden en hen genezen. 23. Op die dag zal er een gebaande weg van Egypte naar Assyrië zijn. De Assyriërs komen in Egypte en de Egyptenaren in Assyrië, en samen zullen zij de Heere dienen. 24. Op die dag zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assyrië, een zegen midden op de aarde. 25. De HEERE van de legermachten zal hen zegenen: Gezegend is mijn volk Egypte, het werk van mijn handen Assyrië, en mijn eigendom Israël. ## Jesaja 20 — Jesaja loopt blootsvoets 1. In het jaar dat Tartan naar Asdod kwam, gestuurd door Sargon, de koning van Assyrië, voerde hij oorlog tegen Asdod en nam het in. 2. In die tijd sprak de HEERE door Jesaja, de zoon van Amoz: Ga, maak het rouwkleed van je heupen los en doe je schoenen uit. Hij deed dat en liep ontbloot en blootsvoets rond. 3. Toen zei de HEERE: Mijn knecht Jesaja loopt drie jaar ontbloot en blootsvoets rond, als teken en wonder over Egypte en Ethiopië. 4. Zo zal de koning van Assyrië de gevangenen van Egypte wegvoeren en de Ethiopiërs in ballingschap brengen. Zij gaan jong en oud, ontbloot en blootsvoets, met blote billen, tot schande van Egypte. 5. Dan zullen zij schrikken en zich schamen over Ethiopië, waar zij op hoopten, en over Egypte, waar zij trots op waren. 6. De bewoners van deze kust zullen op die dag zeggen: Kijk, zo is het gegaan met wie wij hoopten. Naar hem vluchtten wij om hulp. Wij wilden gered worden van de koning van Assyrië. Hoe zullen wij dan ontkomen? ## Jesaja 21 — De last van de woestijn aan de zee 1. De last van de woestijn aan de zee. Zoals wervelwinden door het zuiden razen, zo komt het uit de woestijn, uit een vreselijk land. 2. Mij is een hard visioen gemeld: de verrader verraadt en de verwoester verwoest. Trek op, Elam! Beleger haar, Media! Ik maak een einde aan al haar gezucht. 3. Daarom zijn mijn heupen vol pijn. Weeën grepen mij aan als de weeën van een vrouw die baart. Ik krimp ineen van wat ik hoor en ik schrik van wat ik zie. 4. Mijn hart dwaalt, huiver overvalt mij. De schemering waarnaar ik verlangde, is mij tot beven geworden. 5. Men dekt de tafel, zet de wacht uit, eet en drinkt. Sta op, vorsten, en smeer de schilden in! 6. Want dit heeft de Heere tegen mij gezegd: Ga, zet een wachter uit en laat hem melden wat hij ziet. 7. Hij zag een wagen met een span paarden, een wagen met ezels en een wagen met kamelen. Hij lette heel scherp op. 8. Hij riep: Op de uitkijktoren sta ik overdag altijd, Heere, en op mijn post blijf ik hele nachten staan. 9. En kijk, daar komt een wagen met mannen, een span paarden! Toen antwoordde hij: Gevallen, gevallen is Babel! Al haar godenbeelden zijn op de grond stukgeslagen. 10. Mijn gedorste volk, kind van mijn dorsvloer! Wat ik gehoord heb van de HEERE van de legermachten, de God van Israël, heb ik jullie verteld. 11. De last van Duma. Uit Seïr roept men naar mij: Wachter, hoe ver is de nacht? Wachter, hoe ver is de nacht? 12. De wachter zei: De morgen komt, en ook de nacht. Willen jullie vragen, vraag dan. Kom terug en kom hier. 13. De last tegen Arabië. In het struikgewas van Arabië zullen jullie overnachten, karavanen van Dedanieten. 14. Kom de dorstige tegemoet met water. Inwoners van het land Thema, breng brood voor wie vluchten. 15. Want zij vluchten voor de zwaarden, voor het getrokken zwaard, voor de gespannen boog en voor de zwaarte van de oorlog. 16. Want dit heeft de HEERE tegen mij gezegd: Binnen een jaar is het met de eer van Kedar gedaan. Reken dat als de jaren van een dagloner. 17. Van de boogschutters, de helden van Kedar, zullen er weinig overblijven, want de HEERE, de God van Israël, heeft het gezegd. ## Jesaja 22 — De last van het dal van het visioen 1. De last van het dal van het visioen. Wat is er met je, dat jullie allemaal op de daken klimmen? 2. Je was vol lawaai, luidruchtige stad, uitgelaten stad. Je gesneuvelden zijn niet door het zwaard gevallen en niet in de strijd gestorven. 3. Al je leiders zijn samen weggevlucht en zonder boog gevangen. Iedereen die in je gevonden werd, is samen gebonden, hoe ver zij ook gevlucht waren. 4. Daarom zeg ik: kijk van mij weg, laat mij bitter huilen. Probeer mij niet te troosten over de ondergang van de dochter van mijn volk. 5. Want het is een dag van verwarring, vertrapping en ontsteltenis van de Heere, de HEERE van de legermachten, in het dal van het visioen. Muren worden neergehaald en er klinkt geschreeuw naar de bergen. 6. Elam pakte de pijlkoker op, met wagens, mannen en ruiters, en Kir haalde het schild tevoorschijn. 7. Je mooiste dalen raakten vol wagens, en de ruiters stelden zich op bij de poort. 8. Hij nam het deksel van Juda weg. Op die dag keken jullie naar de wapens in het huis van het woud. 9. Jullie zagen de vele scheuren in de stad van David, en jullie verzamelden het water van de benedenvijver. 10. Jullie telden de huizen van Jeruzalem en braken huizen af om de muur te versterken. 11. Jullie maakten een bekken tussen de twee muren voor het water van de oude vijver. Maar jullie keken niet omhoog naar Hem die dit doet, en letten niet op Hem die het lang geleden gemaakt heeft. 12. Op die dag riep de Heere, de HEERE van de legermachten, op tot huilen en rouwen, tot kaalscheren en het dragen van een rouwkleed. 13. Maar kijk, er was vreugde en blijdschap: men slachtte runderen en schapen, at vlees en dronk wijn. Men zei: Laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij. 14. Maar de HEERE van de legermachten heeft het mij in de oren gezegd: Deze schuld wordt niet verzoend totdat jullie sterven. Zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten. 15. Dit zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Ga naar die beheerder, naar Sebna, het hoofd van het paleis. 16. Zeg tegen hem: wat heb je hier en wie heb je hier, dat je hier een graf voor jezelf uithakt? Je hakt je graf in de hoogte uit en laat een woning in de rots voor je uitkappen. 17. Kijk, de HEERE zal je wegslingeren met kracht, man. Hij zal je stevig vastgrijpen. 18. Hij rolt je op als een bal en werpt je in een wijd land. Daar zul je sterven, daar blijven je prachtige wagens, schandvlek van het huis van je heer. 19. Ik zal je uit je ambt stoten, en Hij zal je van je plaats verdrijven. 20. Op die dag zal ik mijn knecht Eljakim, de zoon van Hilkia, roepen. 21. Ik zal hem jouw mantel aantrekken en hem met jouw gordel omgorden. Jouw macht geef ik in zijn hand, en hij zal een vader zijn voor de inwoners van Jeruzalem en het huis van Juda. 22. Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen. Hij zal opendoen en niemand zal sluiten, hij zal sluiten en niemand zal opendoen. 23. Ik sla hem vast als een pin in een stevige plaats, en hij zal een erezetel zijn voor het huis van zijn vader. 24. Aan hem zal men heel de eer van het huis van zijn vader hangen, met alle nakomelingen, ook alle kleine vaten, van bekers tot kruiken. 25. Op die dag, zegt de HEERE van de legermachten, zal de pin die in een stevige plaats zat, losraken. Hij wordt afgehakt, valt, en de last die eraan hing, wordt afgesneden. Want de HEERE heeft het gezegd. ## Jesaja 23 — De last van Tyrus 1. De last van Tyrus. Huil, schepen van Tarsis, want Tyrus is verwoest. Er is geen huis meer en niemand kan er nog binnengaan. Vanuit het land Chittim werd het hun bekend. 2. Zwijg, bewoners van de kust, die door de kooplieden van Sidon rijk werden, de zeevaarders. 3. Over grote wateren kwam het graan van Sichor, de oogst van de Nijl. Tyrus was de markt van de volken. 4. Schaam je, Sidon, want de zee spreekt, de burcht van de zee: Ik heb geen weeën gehad en niet gebaard. Ik heb geen jonge mannen grootgebracht en geen meisjes opgevoed. 5. Zoals men schrok van het bericht over Egypte, zo zal men beven bij het bericht over Tyrus. 6. Steek over naar Tarsis! Huil, bewoners van de kust! 7. Is dit jullie uitgelaten stad, die al sinds oude dagen bestaat? Haar eigen voeten dragen haar ver weg om in den vreemde te wonen. 8. Wie heeft dit besloten over Tyrus, de stad die kronen uitdeelde? Haar kooplieden waren vorsten en haar handelaars de aanzienlijksten op aarde. 9. De HEERE van de legermachten heeft het besloten. Zo ontwijdt Hij de trots van alle pracht en vernedert Hij de aanzienlijksten op aarde. 10. Stroom door je land als de Nijl, dochter van Tarsis. Er is geen dam meer. 11. Hij strekte Zijn hand uit over de zee en liet koninkrijken beven. De HEERE gaf bevel tegen Kanaän om haar vestingen te vernietigen. 12. Hij zei: Je zult niet meer uitgelaten zijn, onteerde dochter van Sidon. Sta op, steek over naar Chittim, maar ook daar zul je geen rust hebben. 13. Kijk naar het land van de Chaldeeën: dat volk bestond nog niet. Assur richtte het op voor de woestijnbewoners. Zij zetten hun torens op en bouwden hun paleizen, maar Hij maakte er een puinhoop van. 14. Huil, schepen van Tarsis, want jullie vesting is verwoest. 15. Op die dag zal Tyrus zeventig jaar vergeten worden, zolang als een koning leeft. Na zeventig jaar zal het Tyrus vergaan als in het lied van de hoer. 16. Het lied zegt: Neem de harp en ga de stad rond, vergeten hoer. Speel goed en zing veel liederen, zodat men aan je denkt. 17. Na zeventig jaar zal de HEERE naar Tyrus omzien. Zij zal terugkeren tot haar hoerenloon en ontucht bedrijven met alle koninkrijken op de aardbodem. 18. Maar haar handel en haar loon zullen voor de HEERE heilig zijn. Het wordt niet opgepot of opgeslagen. Haar handel is voor wie voor de HEERE wonen, zodat zij genoeg te eten hebben en goede kleding. ## Jesaja 24 — De aarde wordt leeggemaakt 1. Kijk, de HEERE maakt het land leeg en verwoest het. Hij keert het ondersteboven en verstrooit zijn inwoners. 2. Het zal de priester vergaan als het volk, de heer als de knecht, de meesteres als de dienstmeid. Zo vergaat het koper en verkoper, uitlener en lener, schuldeiser en schuldenaar. 3. Het land zal helemaal leeggemaakt en geplunderd worden, want de HEERE heeft dit woord gesproken. 4. Het land treurt en verwelkt, de wereld kwijnt en verwelkt, en de hoogsten van het volk kwijnen weg. 5. Het land is ontwijd door zijn inwoners. Zij overtreden de wetten, veranderen de regels en verbreken het eeuwige verbond. 6. Daarom verteert een vloek het land en boeten de bewoners ervoor. Daarom verbranden de inwoners van het land en blijven er weinig mensen over. 7. De most treurt, de wijnstok kwijnt, en iedereen met een blij hart zucht. 8. De vreugde van de tamboerijnen is weg, het lawaai van de feestvierders houdt op, de vreugde van de harp is voorbij. 9. Men drinkt geen wijn meer met gezang, en de sterkedrank smaakt bitter voor wie hem drinkt. 10. De verwoeste stad is gebroken. Alle huizen staan dicht, zodat niemand er binnen kan. 11. Op straat klinkt geklaag om de wijn. Alle blijdschap is verduisterd en de vreugde van het land is verdwenen. 12. In de stad blijft alleen verwoesting over, en met gekraak wordt de poort aan stukken geslagen. 13. Zo zal het midden in het land gaan, tussen de volken: als bij het schudden van een olijfboom, als bij de nalezing na de wijnoogst. 14. Dan zullen zij hun stem verheffen en juichen. Vanaf de zee zullen zij jubelen over de heerlijkheid van de HEERE. 15. Eer daarom de HEERE in het oosten, en op de eilanden van de zee de naam van de HEERE, de God van Israël. 16. Van het einde van de aarde horen wij liederen tot eer van de Rechtvaardige. Maar ik zeg: ik verga, ik verga, wee mij! Verraders verraden, ja, verraders verraden met verraad. 17. Angst, kuil en strik komen over jullie, inwoners van het land! 18. Wie vlucht voor het geluid van de angst, valt in de kuil. Wie uit de kuil klimt, raakt in de strik gevangen. Want de sluizen in de hoogte gaan open en de fundamenten van de aarde beven. 19. De aarde barst helemaal open, de aarde scheurt helemaal, de aarde wankelt hevig. 20. De aarde waggelt als een dronkaard en zwaait heen en weer als een nachthut. Haar overtreding drukt zwaar op haar, en zij valt en staat niet meer op. 21. Op die dag zal de HEERE afrekenen met de machten in de hoogte en met de koningen op de aarde. 22. Zij worden bijeengedreven als gevangenen in een put en opgesloten in een kerker. Na vele dagen zal men naar hen omzien. 23. De maan zal rood van schaamte worden en de zon beschaamd staan. Want de HEERE van de legermachten zal regeren op de berg Sion en in Jeruzalem, en voor Zijn oudsten zal er heerlijkheid zijn. ## Jesaja 25 — U bent mijn God 1. HEERE, U bent mijn God. Ik zal U verhogen en Uw naam prijzen, want U hebt wonderen gedaan. Uw plannen van lang geleden zijn trouw en vast. 2. U hebt van de stad een steenhoop gemaakt en van de vesting een puinhoop. Het paleis van vreemden is geen stad meer en wordt nooit meer herbouwd. 3. Daarom zal een machtig volk U eren en zal de stad van tirannieke volken ontzag voor U hebben. 4. Want U bent een sterkte voor de arme geweest, een sterkte voor de behoeftige in zijn nood. U was een toevlucht tegen de storm en een schaduw tegen de hitte, want het blazen van tirannen is als een storm tegen een muur. 5. Als hitte op dorre grond dempt U het rumoer van vreemden. Zoals hitte wijkt voor de schaduw van een wolk, zo verstomt het lied van de tirannen. 6. Op deze berg zal de HEERE van de legermachten voor alle volken een feestmaal aanrichten. Het is een maaltijd met vet en merg en met oude, gezuiverde wijnen. 7. Op deze berg zal Hij de sluier verslinden die alle volken bedekt, en het kleed dat over alle naties ligt. 8. Hij zal de dood voorgoed verslinden. De Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen. Hij neemt de schande van Zijn volk van de hele aarde weg, want de HEERE heeft het gezegd. 9. Op die dag zal men zeggen: Kijk, dit is onze God. Wij hebben op Hem gewacht en Hij redt ons. Dit is de HEERE, op Hem hebben wij gewacht. Laten wij juichen en blij zijn over Zijn redding. 10. Want de hand van de HEERE zal op deze berg rusten. Maar Moab wordt onder Hem vertrapt, zoals stro vertrapt wordt in de mestput. 11. Hij zal Zijn handen daar uitspreiden, zoals een zwemmer zijn armen uitspreidt. Hij zal hun hoogmoed vernederen, ondanks de listen van hun handen. 12. Hij zal de hoge vestingen van jouw muren buigen en neerhalen, tot op de grond, tot in het stof. ## Jesaja 26 — Wij hebben een sterke stad 1. Op die dag zal dit lied in het land Juda gezongen worden: Wij hebben een sterke stad. God stelt redding tot muren en wallen. 2. Doe de poorten open, zodat het rechtvaardige volk binnengaat, dat de trouw bewaart. 3. U bewaart in volkomen vrede wie standvastig is van geest, want men vertrouwt op U. 4. Vertrouw altijd op de HEERE, want in de Heere HEERE is een eeuwige rots. 5. Hij buigt de hooggezetenen neer, de verheven stad. Hij vernedert haar tot op de grond en laat haar tot in het stof reiken. 6. De voet zal haar vertrappen, de voeten van de arme, de stappen van de zwakke. 7. Het pad van de rechtvaardige is recht. U effent de weg van de rechtvaardige. 8. Ook op de weg van Uw oordelen hebben wij op U gewacht, HEERE. Ons hart verlangt naar Uw naam en naar wat U in herinnering brengt. 9. Met mijn ziel verlangde ik naar U in de nacht, en met mijn geest in mij zoek ik U vroeg. Want als Uw oordelen over de aarde gaan, leren de bewoners van de wereld gerechtigheid. 10. Als de goddeloze genade krijgt, leert hij toch geen gerechtigheid. In een land van recht doet hij onrecht en hij ziet de hoogheid van de HEERE niet. 11. HEERE, Uw hand is opgeheven, maar zij zien het niet. Zij zullen het zien en beschaamd worden door Uw ijver voor Uw volk. Het vuur zal Uw tegenstanders verteren. 12. HEERE, U zult ons vrede geven, want alles wat wij deden, hebt U voor ons gedaan. 13. HEERE, onze God, andere heren dan U hebben over ons geheerst. Maar alleen door U denken wij aan Uw naam. 14. Zij zijn dood en zullen niet meer leven, zij zijn gestorven en zullen niet opstaan. Daarom hebt U met hen afgerekend, hen vernietigd en elke herinnering aan hen uitgewist. 15. U hebt dit volk vermeerderd, HEERE, U hebt dit volk vermeerderd. U hebt Uzelf verheerlijkt. Maar U hebt hen ver weg gedaan, tot aan alle einden van de aarde. 16. HEERE, in nood hebben zij U gezocht. Zij fluisterden hun gebed toen Uw tuchtiging over hen kwam. 17. Zoals een zwangere vrouw pijn heeft als zij gaat baren en schreeuwt in haar weeën, zo waren wij voor Uw aangezicht, HEERE. 18. Wij waren zwanger en hadden pijn, maar wij baarden slechts wind. Wij brachten het land geen redding, en er werden geen wereldbewoners geboren. 19. Uw doden zullen leven, ook mijn lichaam zal opstaan. Word wakker en juich, jullie die in het stof wonen! Want Uw dauw is als dauw op het jonge groen, en de aarde geeft de gestorvenen terug. 20. Ga, mijn volk, ga je kamers binnen en sluit de deuren achter je. Verberg je een klein ogenblik, tot de woede voorbij is. 21. Want kijk, de HEERE komt uit Zijn plaats om de bewoners van de aarde hun schuld te vergelden. De aarde zal het bloed dat zij bedekte blootleggen en haar gedoden niet langer verbergen. ## Jesaja 27 — De wijngaard van de HEERE 1. Op die dag zal de HEERE afrekenen met de Leviathan, de vluchtende slang, met Zijn harde, grote en sterke zwaard. Hij rekent af met de Leviathan, de kronkelende slang, en doodt het monster in de zee. 2. Op die dag zal er een wijngaard van rode wijn zijn. Zing daarover om beurten! 3. Ik, de HEERE, bewaak hem. Elk ogenblik geef ik hem water. Dag en nacht bewaak ik hem, zodat niemand hem kwaad doet. 4. Woede heb ik niet. Wie zou mij doorn en distel in de strijd voorzetten? Dan zou ik erop aanvallen en alles tegelijk verbranden. 5. Of men moest mijn kracht vastgrijpen en vrede met mij sluiten, ja, vrede met mij sluiten. 6. In de toekomst zal Jakob wortel schieten, Israël zal bloeien en groeien, en zij zullen de wereld met vruchten vullen. 7. Heeft Hij hem geslagen zoals Hij zijn slager sloeg? Is hij gedood zoals zijn doden gedood zijn? 8. Met mate hebt U met hem getwist toen U hem wegstuurde. Hij verdreef hem met Zijn harde wind, op de dag van de oostenwind. 9. Daardoor zal de schuld van Jakob verzoend worden. Dit is de hele vrucht: dat Hij zijn zonde wegdoet. Dan maakt Hij alle stenen van het altaar tot verkruimelde kalksteen, en de gewijde palen en zonnezuilen blijven niet staan. 10. Want de vaste stad wordt eenzaam, de woonplaats verlaten en achtergelaten als een woestijn. Daar zullen kalveren grazen, daar zullen zij liggen en haar takken kaal eten. 11. Als haar takken verdorren, worden zij afgebroken, en vrouwen komen ze verbranden. Want het is een volk zonder verstand. Daarom ontfermt zijn Maker zich niet over hem, en zijn Formeerder toont hem geen genade. 12. Op die dag zal de HEERE dorsen, van de rivier tot aan de beek van Egypte. En jullie zullen een voor een opgeraapt worden, Israëlieten. 13. Op die dag zal er op een grote bazuin geblazen worden. Dan komen zij die in het land Assur verloren waren en zij die verdreven waren naar Egypte. Zij zullen de HEERE aanbidden op de heilige berg in Jeruzalem. ## Jesaja 28 — De dronken kroon van Efraïm 1. Wee de trotse kroon van de dronkaards van Efraïm! Zijn prachtige sieraad is een verwelkende bloem, boven op de vruchtbare vallei van wie door de wijn geveld zijn. 2. Kijk, de Heere heeft iemand die sterk en machtig is. Als een hagelbui, als een verwoestende storm, als een vloed van sterk water werpt Hij het met de hand tegen de grond. 3. De trotse kronen van de dronkaards van Efraïm zullen vertrapt worden. 4. De verwelkende bloem van hun prachtige sieraad, boven op de vruchtbare vallei, wordt als een vroege vijg voor de zomer. Wie hem ziet, slikt hem door zodra hij hem in zijn hand heeft. 5. Op die dag zal de HEERE van de legermachten een prachtige kroon en een sierlijke krans zijn voor wie van Zijn volk overblijven. 6. Hij zal een geest van recht zijn voor wie recht spreekt, en een kracht voor wie de strijd terugdringen tot aan de poort. 7. Ook zij dwalen door de wijn en waggelen door de sterkedrank. Priester en profeet dwalen door de sterkedrank. Zij zijn door de wijn verslonden en waggelen. Zij dwalen bij het zien en wankelen bij het rechtspreken. 8. Alle tafels zitten vol braaksel en vuil, zodat geen plek schoon is. 9. Wie wil Hij dan kennis leren? Aan wie wil Hij uitleggen wat Hij zegt? Aan pas gespeende kinderen, net weg van de borst? 10. Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een beetje, daar een beetje. 11. Daarom zal Hij met stamelende lippen en in een andere taal tot dit volk spreken. 12. Tegen hen had Hij gezegd: Dit is de rust, geef de vermoeide rust. Dit is de verkwikking. Maar zij wilden niet luisteren. 13. Zo zal het woord van de HEERE voor hen zijn: gebod op gebod, regel op regel, hier een beetje, daar een beetje. Zo gaan zij weg, vallen achterover, breken, raken verstrikt en worden gevangen. 14. Luister daarom naar het woord van de HEERE, spotters, heersers over dit volk in Jeruzalem! 15. Jullie zeggen: Wij hebben een verbond met de dood gesloten en een afspraak met het dodenrijk. Als de overstromende gesel voorbijtrekt, raakt hij ons niet. Wij hebben de leugen tot toevlucht gemaakt en ons in het bedrog verborgen. 16. Daarom zegt de Heere HEERE: Kijk, ik leg in Sion een grondsteen, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen die vast gegrondvest is. Wie gelooft, hoeft niet te haasten. 17. Ik zal het recht tot meetlint maken en de gerechtigheid tot schietlood. De hagel zal de toevlucht van de leugen wegvagen en het water zal de schuilplaats overspoelen. 18. Jullie verbond met de dood wordt vernietigd en jullie afspraak met het dodenrijk houdt geen stand. Als de overstromende gesel voorbijtrekt, worden jullie vertrapt. 19. Telkens als hij voorbijtrekt, zal hij jullie meesleuren. Elke morgen trekt hij voorbij, bij dag en bij nacht. Alleen al het bericht begrijpen zal een verschrikking zijn. 20. Want het bed is te kort om je erop uit te strekken, en de deken te smal om je eronder te wikkelen. 21. Want de HEERE zal opstaan zoals op de berg Perazim en beven zoals in het dal van Gibeon. Hij doet Zijn werk, Zijn vreemde werk, en verricht Zijn daad, Zijn vreemde daad. 22. Spot nu niet meer, anders worden jullie boeien nog strakker. Want ik heb van de Heere HEERE van de legermachten gehoord dat er een vernietiging vast besloten is over het hele land. 23. Luister goed en hoor mijn stem. Let op en hoor wat ik zeg. 24. Ploegt een boer de hele dag om te zaaien? Blijft hij zijn land maar openbreken en eggen? 25. Als hij de grond geëffend heeft, strooit hij dille en zaait hij komijn. Hij zet tarwe in rijen, gerst op zijn plek en spelt aan de rand. 26. Zijn God leert hem hoe het moet en onderwijst hem. 27. Dille dorst men niet met een dorsslee, en over komijn laat men geen wagenwiel gaan. Dille slaat men uit met een stok en komijn met een staf. 28. Broodkoren moet fijngemaakt worden, maar men dorst het niet eindeloos. Men laat er het wagenwiel en de paarden niet overheen gaan om het te verbrijzelen. 29. Ook dit komt van de HEERE van de legermachten. Hij is wonderlijk in raad en groot in wat Hij doet. ## Jesaja 29 — Wee Ariël 1. Wee Ariël, Ariël, de stad waar David zijn kamp opsloeg! Laat de jaren maar doorgaan en de feesten hun ronde doen. 2. Toch zal ik Ariël benauwen. Er komt geklaag en verdriet, en die stad zal voor mij een offeraltaar zijn. 3. Ik zal je van alle kanten belegeren. Ik sluit je in met wallen en werp verschansingen tegen je op. 4. Dan word je vernederd. Vanuit de aarde zul je spreken en je woorden komen zacht uit het stof. Je stem klinkt uit de grond als die van een geest, en je woorden piepen uit het stof. 5. De menigte van je vreemde soldaten wordt als fijn stof en de menigte tirannen als wegwaaiend kaf. Het zal plotseling gebeuren, in een ogenblik. 6. De HEERE van de legermachten zal naar je omzien met donder en aardbeving en groot geraas, met wervelwind en storm en een verterende vuurvlam. 7. Als een droom in de nacht zal de menigte van alle volken zijn die tegen Ariël vechten. Zo vergaat het allen die haar en haar vestingen aanvallen en benauwen. 8. Het is als iemand die honger heeft en droomt dat hij eet, maar bij het wakker worden leeg blijft. Het is als iemand die dorst heeft en droomt dat hij drinkt, maar bij het wakker worden nog uitgeput is. Zo zal het de menigte van alle volken vergaan die tegen de berg Sion strijden. 9. Sta stil en wees verbijsterd! Wees verblind en blind! Zij zijn dronken, maar niet van wijn, zij waggelen, maar niet van sterkedrank. 10. Want de HEERE heeft een geest van diepe slaap over jullie uitgegoten. Hij heeft jullie ogen gesloten en de profeten, jullie hoofden en de zieners verblind. 11. Daarom is elk visioen voor jullie als de woorden van een verzegeld boek. Men geeft het aan iemand die lezen kan en zegt: Lees dit toch. Maar hij zegt: Dat kan ik niet, het is verzegeld. 12. Of men geeft het boek aan iemand die niet lezen kan en zegt: Lees dit toch. En hij zegt: Ik kan niet lezen. 13. De Heere heeft gezegd: Dit volk nadert mij met de mond en eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij. Hun ontzag voor mij bestaat uit aangeleerde mensengeboden. 14. Daarom zal ik opnieuw wonderlijk met dit volk handelen, wonderlijk en verbazend. De wijsheid van hun wijzen zal vergaan en het verstand van hun verstandigen zal zich verbergen. 15. Wee wie hun plannen diep voor de HEERE verbergen, wie hun werk in het donker doen en zeggen: Wie ziet ons? Wie kent ons? 16. Jullie draaien alles om! Alsof de pottenbakker gelijk was aan de klei. Zegt het maaksel soms van zijn maker: Hij heeft mij niet gemaakt. Zegt de pot van de pottenbakker: Hij begrijpt er niets van. 17. Duurt het niet nog maar even, of de Libanon verandert in een boomgaard, en de boomgaard wordt als een bos gerekend? 18. Op die dag zullen doven de woorden van het boek horen, en de ogen van blinden zullen zien uit het donker en de duisternis. 19. De zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde vinden in de HEERE, en de armen onder de mensen zullen blij zijn in de Heilige van Israël. 20. Want de tiran is er niet meer, met de spotter is het gedaan, en allen die op onrecht uit zijn, zijn uitgeroeid. 21. Dat zijn zij die een mens om een woord schuldig verklaren. Zij zetten strikken voor wie in de poort rechtspreekt en duwen de rechtvaardige met loze woorden weg. 22. Daarom zegt de HEERE, die Abraham verlost heeft, tegen het huis van Jakob: Jakob wordt niet meer beschaamd. Zijn gezicht zal niet meer bleek worden. 23. Want als hij zijn kinderen ziet, het werk van mijn handen, zullen zij mijn naam heilig houden. Zij zullen de Heilige van Jakob heilig houden en ontzag hebben voor de God van Israël. 24. Wie dwalen van geest zijn, zullen tot inzicht komen, en wie mopperen, zullen zich laten onderwijzen. ## Jesaja 30 — Wee de kinderen die afvallen 1. Wee de opstandige kinderen, zegt de HEERE. Zij maken plannen, maar niet van mij. Zij sluiten verbonden, maar niet uit mijn Geest, en stapelen zonde op zonde. 2. Zij gaan op weg naar Egypte zonder mij te vragen. Zij zoeken kracht bij de macht van Farao en schuilen in de schaduw van Egypte. 3. De kracht van Farao zal jullie tot schaamte worden, en het schuilen in de schaduw van Egypte tot schande. 4. Want hun vorsten zijn in Zoan geweest en hun gezanten zijn tot bij Chanes gekomen. 5. Allen worden beschaamd door een volk dat hun niets oplevert, geen hulp en geen voordeel, maar alleen schande en smaad. 6. De last over de dieren van het zuiden. Zij trekken door een land van angst en benauwdheid, waar leeuw en leeuwin, gifslang en vliegende draak zijn. Hun goederen dragen zij op de ruggen van ezels. Hun schatten gaan op de bulten van kamelen, naar een volk dat hun niets oplevert. 7. Want Egypte helpt vergeefs en voor niets. Daarom noem ik het: Rahab die stilzit. 8. Ga nu en schrijf het voor hen op een tafel, teken het op in een boek. Het moet blijven tot de laatste dag, voor altijd, tot in eeuwigheid. 9. Want het is een opstandig volk, leugenachtige kinderen die de wet van de HEERE niet willen horen. 10. Zij zeggen tegen de zieners: Zie niets. En tegen de schouwers: Schouw voor ons niet wat recht is. Spreek ons naar de mond en schouw bedrog. 11. Ga van de weg af, wijk van het pad. Laat de Heilige van Israël ons met rust! 12. Daarom zegt de Heilige van Israël: Jullie verwerpen dit woord en vertrouwen op onderdrukking en bedrog. Daarop steunen jullie. 13. Daarom zal deze schuld voor jullie zijn als een scheur in een hoge muur, die naar buiten uitpuilt en plotseling in een ogenblik instort. 14. Hij zal die muur breken zoals men een pottenbakkerskruik breekt. Hij spaart niets bij het verbrijzelen, zodat er geen scherf overblijft om vuur uit de haard te halen of water uit een put te scheppen. 15. Want dit zegt de Heere HEERE, de Heilige van Israël: In omkeer en rust zouden jullie gered worden. In stilte en vertrouwen zou jullie kracht liggen. Maar jullie wilden niet. 16. Jullie zeiden: Nee, wij vluchten op paarden. Wij rijden op snelle paarden. Daarom zullen jullie vluchten en zullen jullie achtervolgers snel zijn. 17. Duizend zullen vluchten voor de dreiging van één, en voor de dreiging van vijf vluchten jullie allemaal. Ten slotte blijven jullie over als een mast op een bergtop en als een vlag op een heuvel. 18. Daarom wacht de HEERE om jullie genadig te zijn, daarom staat Hij op om zich over jullie te ontfermen. Want de HEERE is een God van recht. Gelukkig zijn allen die op Hem wachten. 19. Het volk zal in Sion wonen, in Jeruzalem. Je zult niet meer huilen. Hij zal je zeker genadig zijn als je roept. Zodra Hij het hoort, antwoordt Hij je. 20. De Heere zal jullie wel brood van benauwdheid en water van verdrukking geven. Maar je leraars zullen zich niet meer verbergen, en je ogen zullen je leraars zien. 21. Je oren zullen een woord achter je horen: Dit is de weg, ga daarop. Dat hoor je als je naar rechts of naar links zou afwijken. 22. Jullie zullen het zilveren beslag van je beelden en het gouden overtrek van je godenbeelden onrein noemen. Je zult ze wegwerpen als een vies kleed en tegen elk ervan zeggen: Weg ermee! 23. Dan zal Hij regen geven voor het zaad waarmee je het land bezaait. Het brood van de opbrengst zal rijk en voedzaam zijn. Je vee zal op die dag in een wijde weide grazen. 24. De ossen en de ezels die het land bewerken, zullen gezouten voer eten, gewand met schep en wan. 25. Op elke hoge berg en op elke verheven heuvel zullen beken en waterstromen zijn, op de dag van de grote slachting, wanneer de torens vallen. 26. Het licht van de maan zal zijn als het licht van de zon. Het licht van de zon wordt zevenvoudig, als het licht van zeven dagen. Dat gebeurt op de dag dat de HEERE de breuk van Zijn volk verbindt en de wond geneest die Hij sloeg. 27. Kijk, de naam van de HEERE komt van ver. Zijn toorn brandt en de last is zwaar. Zijn lippen zijn vol woede en Zijn tong is als een verterend vuur. 28. Zijn adem is als een overstromende beek die tot aan de hals reikt. Hij schudt de volken in een zeef van vergeefsheid en legt een misleidende toom in de kaken van de naties. 29. Bij jullie zal een lofzang klinken, zoals in de nacht dat het feest wordt gevierd. Er zal vreugde in het hart zijn, als bij wie met fluitspel opgaat naar de berg van de HEERE, naar de Rots van Israël. 30. De HEERE zal Zijn machtige stem laten horen en Zijn neerdalende arm laten zien. Hij komt met brandende toorn en een verterende vuurvlam, met wolkbreuk, stortbui en hagelstenen. 31. Want door de stem van de HEERE zal Assur verpletterd worden, Assur die met de stok sloeg. 32. Overal waar de stok van de straf neerkomt, die de HEERE hem oplegt, zal men tamboerijnen en harpen horen. Met zwaaiende arm zal Hij tegen hen strijden. 33. Want de brandplaats is al lang klaar, ook voor de koning is zij gereed. Hij heeft haar diep en wijd gemaakt, met veel vuur en hout. De adem van de HEERE steekt haar aan als een zwavelstroom. ## Jesaja 31 — Wee wie naar Egypte gaan 1. Wee wie naar Egypte gaan om hulp en steunen op paarden. Zij vertrouwen op wagens, omdat er veel zijn, en op ruiters, omdat die machtig zijn. Maar zij kijken niet naar de Heilige van Israël en zoeken de HEERE niet. 2. Toch is ook Hij wijs. Hij laat het kwaad komen en neemt Zijn woorden niet terug. Hij zal opstaan tegen het huis van de boosdoeners en tegen de hulp van wie onrecht doen. 3. De Egyptenaren zijn mensen en geen God, en hun paarden zijn vlees en geen geest. De HEERE zal Zijn hand uitstrekken: de helper struikelt, wie geholpen wordt valt, en samen komen zij om. 4. Want dit heeft de HEERE tegen mij gezegd: Een leeuw, een jonge leeuw, gromt over zijn prooi. Roept men een hele groep herders tegen hem bijeen, dan schrikt hij niet van hun stem en buigt hij niet voor hun aantal. Zo zal de HEERE van de legermachten neerdalen om te strijden op de berg Sion en op haar heuvel. 5. Als vliegende vogels zal de HEERE van de legermachten Jeruzalem beschermen. Hij zal haar beschermen en redden, sparen en bevrijden. 6. Keer terug naar Hem, Israëlieten, van wie jullie zo diep zijn afgeweken. 7. Want op die dag zal ieder zijn zilveren en gouden afgoden wegwerpen, die jullie handen tot zonde gemaakt hebben. 8. Assur zal vallen door een zwaard dat niet van een man is. Een zwaard dat niet van een mens is, zal hem verteren. Hij vlucht voor het zwaard en zijn jonge mannen worden dwangarbeiders. 9. Van angst zal hij zijn rots voorbijgaan, en zijn vorsten zullen schrikken voor de vlag. Zo zegt de HEERE, die in Sion een vuur heeft en in Jeruzalem een oven. ## Jesaja 32 — Een koning die regeert in gerechtigheid 1. Kijk, een koning zal regeren in gerechtigheid, en vorsten zullen heersen naar recht. 2. Elk van hen zal zijn als een beschutting tegen de wind en een schuilplaats tegen de stortbui. Zij zijn als waterbeken in een dorre streek, als de schaduw van een zware rots in een uitgedroogd land. 3. De ogen van wie zien, zullen niet meer dichtgaan, en de oren van wie horen, zullen opletten. 4. Het hart van de onbezonnen mensen zal kennis begrijpen, en de tong van stamelaars zal vlot en duidelijk spreken. 5. Een dwaas zal niet meer edel genoemd worden, en een bedrieger niet meer aanzienlijk. 6. Want een dwaas spreekt dwaasheid en zijn hart doet onrecht. Hij pleegt huichelarij en spreekt dwaling tegen de HEERE. Hij laat de hongerige leeg en onthoudt de dorstige drinken. 7. Het gereedschap van de bedrieger is slecht. Hij verzint schandelijke plannen om de armen met leugens kapot te maken, zelfs als de arme zijn recht bepleit. 8. Maar een edel mens bedenkt edele dingen en blijft bij zijn edele daden. 9. Sta op, zorgeloze vrouwen, hoor mijn stem! Dochters die zich zo veilig voelen, luister naar wat ik zeg. 10. Over een jaar en wat dagen zullen jullie sidderen, zelfverzekerde dochters. Want de wijnoogst mislukt en er komt geen inzameling. 11. Beef, zorgeloze vrouwen! Sidder, dochters die je zo veilig voelen! Trek je kleren uit, ontbloot je en bind een rouwkleed om je heupen. 12. Men zal zich op de borst slaan om de mooie akkers en om de vruchtbare wijnstokken. 13. Op het land van mijn volk komen doorns en distels op, ja, op alle huizen van vreugde in de uitgelaten stad. 14. Want het paleis zal verlaten zijn en het gewoel van de stad zal ophouden. Ofel en de wachttorens worden voor altijd holen, een vreugde voor wilde ezels en een weide voor kudden. 15. Dat duurt tot de Geest uit de hoogte over ons wordt uitgegoten. Dan wordt de woestijn een boomgaard, en de boomgaard wordt als een bos gerekend. 16. Het recht zal in de woestijn wonen en de gerechtigheid zal in de boomgaard blijven. 17. Het werk van de gerechtigheid zal vrede zijn, en het gevolg ervan rust en zekerheid voor altijd. 18. Mijn volk zal in een woonplaats van vrede wonen, in veilige huizen en op rustige plekken. 19. Maar het zal hagelen als het bos neerstort, en de stad zal diep vernederd worden. 20. Gelukkig zijn jullie die bij alle wateren zaaien en de os en de ezel vrij laten lopen. ## Jesaja 33 — Wee jou, verwoester 1. Wee jou, verwoester, die zelf niet verwoest bent, verrader, die zelf niet verraden bent! Ben je klaar met verwoesten, dan word je verwoest. Ben je klaar met verraden, dan word je verraden. 2. HEERE, wees ons genadig, wij wachten op U. Wees elke morgen hun arm, en onze redding in tijden van nood. 3. Van het geluid van het gedreun vluchten de volken. Als U opstaat, worden de naties verstrooid. 4. Dan wordt jullie buit verzameld zoals sprinkhanen verzameld worden. Men springt erop af zoals sprinkhanen heen en weer springen. 5. De HEERE is verheven, want Hij woont in de hoogte. Hij heeft Sion gevuld met recht en gerechtigheid. 6. Hij zal de vastheid van jouw tijden zijn, de kracht van jouw redding, wijsheid en kennis. Het ontzag voor de HEERE is zijn schat. 7. Kijk, hun helden schreeuwen buiten en de boden van de vrede huilen bitter. 8. De gebaande wegen liggen verlaten en niemand loopt nog op de paden. Hij verbreekt het verbond, veracht de steden en telt geen mens. 9. Het land treurt en kwijnt. De Libanon staat beschaamd en verwelkt. Saron is een woestijn geworden, en Basan en Karmel zijn kaalgeschud. 10. Nu zal ik opstaan, zegt de HEERE. Nu zal ik verhoogd worden, nu zal ik verheven worden. 11. Jullie zijn zwanger van stro en baren stoppels. Jullie eigen adem zal jullie als vuur verslinden. 12. De volken zullen zijn als kalk die gebrand wordt, als afgehakte doorns die in het vuur verbranden. 13. Hoor wat ik gedaan heb, jullie die ver weg zijn. Erken mijn macht, jullie die dichtbij zijn. 14. De zondaars in Sion zijn geschrokken en de huichelaars beven. Zij zeggen: Wie van ons kan wonen bij een verterend vuur? Wie van ons kan wonen bij een eeuwige gloed? 15. Wie rechtvaardig leeft en eerlijk spreekt, wijst winst uit onderdrukking af. Hij schudt zijn handen uit om geen geschenk te houden. Hij sluit zijn oor voor plannen met bloed en zijn ogen voor het kwaad. 16. Zo iemand zal in de hoogte wonen. Rotsburchten zijn zijn vesting. Zijn brood krijgt hij en zijn water is verzekerd. 17. Je ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid. Zij zullen een wijd land zien. 18. Je hart zal terugdenken aan de schrik: Waar is de schrijver? Waar is de belastingman? Waar is hij die de torens telde? 19. Je zult dat brutale volk niet meer zien. Het spreekt een duistere taal die je niet kunt volgen, met een vreemde tong die je niet verstaat. 20. Kijk naar Sion, de stad van onze feesten. Je ogen zullen Jeruzalem zien, een rustige woonplaats, een tent die niet wordt afgebroken. Haar pinnen worden nooit uitgetrokken en geen van haar touwen scheurt. 21. Maar daar zal de HEERE machtig bij ons zijn. Het wordt een plaats van rivieren en brede stromen, waar geen roeiboot vaart en geen groot schip overheen gaat. 22. Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze Koning. Hij zal ons redden. 23. Jouw touwen hangen slap, zij houden de mast niet recht en spannen het zeil niet uit. Dan wordt de buit van een grote roof verdeeld, en zelfs kreupelen zullen roven. 24. Geen bewoner zal zeggen: Ik ben ziek. Het volk dat daar woont, krijgt vergeving van zijn schuld. ## Jesaja 34 — Het oordeel over de volken 1. Kom dichterbij, volken, om te horen. Naties, luister! Laat de aarde horen en alles wat erop is, de wereld en al wat eruit voortkomt. 2. Want de HEERE is woedend op alle volken en boos op heel hun leger. Hij heeft hen aan de vernietiging gewijd en aan de slachting overgegeven. 3. Hun gesneuvelden worden weggegooid en de stank van hun lijken stijgt op. De bergen zullen smelten van hun bloed. 4. Heel het leger van de hemel zal wegteren. De hemel wordt opgerold als een boekrol. Al hun sterren vallen af zoals een blad van de wijnstok valt en een vijg van de vijgenboom. 5. Want mijn zwaard is dronken geworden in de hemel. Kijk, het daalt neer om Edom te oordelen, het volk dat ik aan de vernietiging gewijd heb. 6. Het zwaard van de HEERE is vol bloed en druipt van vet. Het draagt het bloed van lammeren en bokken en het vet van de nieren van rammen. Want de HEERE houdt een offerfeest in Bozra en een grote slachting in het land van Edom. 7. Wilde stieren vallen met hen mee, jonge stieren met sterke stieren. Hun land raakt doordrenkt van bloed en hun stof wordt vet van het smeer. 8. Want het is de dag van de wraak van de HEERE, een jaar van vergelding voor de zaak van Sion. 9. Hun beken veranderen in pek en hun stof in zwavel. Hun land wordt brandend pek. 10. Het zal dag en nacht niet geblust worden en de rook stijgt eeuwig op. Van geslacht op geslacht ligt het verlaten, en nooit meer trekt iemand erdoorheen. 11. Maar de pelikaan en de nachtuil zullen het bezitten, en de ransuil en de raaf zullen er wonen. Hij spant er het meetlint van de leegte over en het schietlood van het niets. 12. Hun edelen zijn er niet meer om het koningschap uit te roepen, en al hun vorsten worden niets. 13. In hun paleizen komen doorns op, netels en distels in hun vestingen. Het wordt een woning voor jakhalzen en een verblijf voor struisvogels. 14. Woestijndieren ontmoeten er hyena's, en bokgeesten roepen elkaar toe. Ook het nachtdier zal zich daar neerzetten en er rust vinden. 15. Daar zal de pijlslang nestelen en eieren leggen, ze uitbroeden en haar jongen in haar schaduw verzamelen. Ook de gieren komen daar bijeen. 16. Zoek in het boek van de HEERE en lees. Niet één van deze dieren zal ontbreken, geen enkel dier mist zijn soortgenoot. Want Zijn mond heeft het bevolen en Zijn Geest brengt ze bijeen. 17. Hij heeft voor hen het lot geworpen en Zijn hand heeft het hun toebedeeld met het meetlint. Voor altijd zullen zij het bezitten, van geslacht op geslacht zullen zij er wonen. ## Jesaja 35 — De woestijn zal bloeien 1. De woestijn en het dorre land zullen hierover blij zijn, en de wildernis zal juichen en bloeien als een lelie. 2. Zij zal volop bloeien en juichen van vreugde. De pracht van de Libanon is haar gegeven, de luister van Karmel en Saron. Zij zullen de heerlijkheid van de HEERE zien, de luister van onze God. 3. Maak slappe handen sterk en zet wankele knieën vast. 4. Zeg tegen wie bang zijn van hart: Wees sterk, wees niet bang! Kijk, jullie God komt met wraak en met Gods vergelding. Hij komt en zal jullie redden. 5. Dan zullen de ogen van blinden opengaan en de oren van doven geopend worden. 6. Dan zal de kreupele springen als een hert en de tong van de stomme zal juichen. Want in de woestijn breken waterstromen door en in de wildernis beken. 7. Het dorre land wordt een waterplas en het dorstige land een bron. Waar jakhalzen lagen, zal gras met riet en biezen groeien. 8. Daar zal een gebaande weg zijn, en die weg zal de heilige weg heten. Niemand die onrein is, komt erover, want hij is voor het volk zelf. Zelfs dwazen zullen er niet verdwalen. 9. Er zal geen leeuw zijn en geen roofdier zal erop komen; die worden daar niet gevonden. Alleen de verlosten zullen erover gaan. 10. Wie door de HEERE vrijgekocht zijn, zullen terugkeren en met gejuich in Sion komen. Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn. Vreugde en blijdschap krijgen zij, en verdriet en zuchten vluchten weg. ## Jesaja 36 — Rabsake bij de muur 1. In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle versterkte steden van Juda en nam ze in. 2. De koning van Assyrië stuurde Rabsake met een groot leger van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia. Hij ging staan bij de waterloop van de bovenste vijver, aan de weg van het bleekveld. 3. Toen kwamen drie mannen naar hem toe. Het waren Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van het paleis, Sebna, de schrijver, en Joah, de kanselier. 4. Rabsake zei tegen hen: Zeg tegen Hizkia: dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië. Waar haal je dat vertrouwen vandaan? 5. Je zegt dat je plan en macht hebt voor de oorlog, maar dat zijn loze woorden. Op wie vertrouw je nu, dat je tegen mij in opstand komt? 6. Kijk, je vertrouwt op Egypte, die geknakte rietstok. Wie daarop leunt, krijgt hem in zijn hand en wordt doorboord. Zo is Farao, de koning van Egypte, voor iedereen die op hem vertrouwt. 7. Misschien zeg je tegen mij: wij vertrouwen op de HEERE, onze God. Maar is dat niet degene wiens hoogten en altaren Hizkia heeft weggenomen? Hij zei tegen Juda en Jeruzalem dat zij alleen voor dit altaar mochten buigen. 8. Sluit dan een weddenschap met mijn heer, de koning van Assyrië. Ik geef je tweeduizend paarden als jij er ruiters voor kunt vinden. 9. Hoe zou je dan één bevelhebber kunnen afslaan, zelfs de geringste knecht van mijn heer? Maar je vertrouwt op Egypte, op wagens en ruiters. 10. Bovendien ben ik niet zonder de HEERE tegen dit land opgetrokken om het te verwoesten. De HEERE zei tegen mij: trek op tegen dat land en verwoest het. 11. Toen zeiden Eljakim, Sebna en Joah tegen Rabsake: Spreek toch Aramees tegen uw knechten, want wij verstaan dat. Spreek niet in het Judees, terwijl het volk op de muur meeluistert. 12. Maar Rabsake zei: Heeft mijn heer mij alleen naar jouw heer en naar jou gestuurd om deze woorden te zeggen? Hij stuurde mij juist naar de mannen op de muur, die met jullie hun eigen vuil zullen eten en hun eigen water drinken. 13. Toen ging Rabsake staan en riep met luide stem in het Judees: Hoor de woorden van de grote koning, de koning van Assyrië! 14. Dit zegt de koning: laat Hizkia jullie niet bedriegen, want hij kan jullie niet redden. 15. Laat Hizkia jullie niet op de HEERE laten vertrouwen. Hij zegt dat de HEERE jullie zeker zal redden en dat deze stad niet aan de koning van Assyrië wordt gegeven. 16. Luister niet naar Hizkia. Want dit zegt de koning van Assyrië: sluit vrede met mij en kom naar buiten. Dan eet ieder van zijn eigen wijnstok en zijn eigen vijgenboom, en drinkt ieder water uit zijn eigen put. 17. Dat duurt tot ik kom en jullie meeneem naar een land als het jullie land, een land van koren en most, van brood en wijngaarden. 18. Laat Hizkia jullie niet misleiden door te zeggen dat de HEERE jullie zal redden. Heeft een god van de volken zijn land ooit gered uit de hand van de koning van Assyrië? 19. Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim? Hebben zij Samaria uit mijn hand gered? 20. Wie van alle goden van deze landen heeft zijn land uit mijn hand gered? Zou de HEERE dan Jeruzalem uit mijn hand redden? 21. Maar zij zwegen en antwoordden hem geen woord, want de koning had bevolen hem niet te antwoorden. 22. Toen kwamen drie mannen met gescheurde kleren bij Hizkia. Het waren Eljakim, het hoofd van het paleis, Sebna, de schrijver, en Joah, de kanselier. Zij vertelden hem de woorden van Rabsake. ## Jesaja 37 — Hizkia bidt 1. Toen koning Hizkia dit hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een rouwkleed aan en ging naar het huis van de HEERE. 2. Daarna stuurde hij een gezantschap in rouwkleren naar de profeet Jesaja, de zoon van Amoz. Het waren Eljakim, het hoofd van het paleis, Sebna, de schrijver, en de oudste priesters. 3. Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: vandaag is een dag van nood, straf en schande. De kinderen liggen klaar om geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren. 4. Misschien hoort de HEERE, uw God, de woorden van Rabsake. Zijn heer, de koning van Assyrië, stuurde hem om de levende God te honen. Misschien straft de HEERE, uw God, hem om die woorden. Bid daarom voor de rest die nog over is. 5. De knechten van koning Hizkia kwamen bij Jesaja. 6. Jesaja zei tegen hen: Zeg tegen jullie heer: dit zegt de HEERE. Wees niet bang voor de woorden waarmee de dienaren van de koning van Assyrië mij gelasterd hebben. 7. Kijk, ik geef hem een geest, zodat hij een bericht hoort en naar zijn eigen land terugkeert. Daar zal ik hem door het zwaard laten vallen. 8. Rabsake keerde terug en vond de koning van Assyrië strijdend tegen Libna. Hij had namelijk gehoord dat de koning uit Lachis vertrokken was. 9. Toen hoorde hij over Tirhaka, de koning van Cusch: Hij is opgetrokken om tegen u te strijden. Toen hij dat hoorde, stuurde hij opnieuw boden naar Hizkia. 10. Zij moesten dit tegen Hizkia, de koning van Juda, zeggen: Laat je God, op wie je vertrouwt, je niet bedriegen. Hij zegt dat Jeruzalem niet aan de koning van Assyrië gegeven wordt. 11. Je hebt gehoord wat de koningen van Assyrië met alle landen gedaan hebben: zij hebben ze vernietigd. Zou jij dan gered worden? 12. Hebben de goden van de volken hen gered die mijn vaders verwoest hebben, Gozan, Haran, Rezef en de mensen van Eden in Telassar? 13. Waar is de koning van Hamath, de koning van Arpad en de koning van Sefarvaim, van Hena en Ivva? 14. Hizkia nam de brieven uit de hand van de boden en las ze. Toen ging hij naar het huis van de HEERE en spreidde ze uit voor het aangezicht van de HEERE. 15. Hizkia bad tot de HEERE. 16. Hij zei: HEERE van de legermachten, God van Israël, die tussen de cherubs troont! U alleen bent de God van alle koninkrijken op aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 17. HEERE, neig Uw oor en luister. HEERE, open Uw ogen en kijk. Hoor alle woorden van Sanherib, die gestuurd heeft om de levende God te honen. 18. Het is waar, HEERE: de koningen van Assyrië hebben alle landen en hun gebieden verwoest. 19. Zij hebben hun goden in het vuur geworpen. Dat waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen. Daarom konden zij ze vernietigen. 20. Nu dan, HEERE, onze God, red ons uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken op aarde weten dat U alleen de HEERE bent. 21. Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amoz, een boodschap naar Hizkia: Dit zegt de HEERE, de God van Israël. Ik heb gehoord wat je tot mij gebeden hebt over Sanherib, de koning van Assyrië. 22. Dit is het woord dat de HEERE over hem gesproken heeft: de maagd, de dochter van Sion, veracht je en bespot je. De dochter van Jeruzalem schudt haar hoofd achter je. 23. Wie heb je gehoond en gelasterd? Tegen wie heb je je stem verheven en je ogen omhooggeslagen? Tegen de Heilige van Israël! 24. Door je knechten heb je de HEERE gehoond. Je zei: met mijn vele wagens beklom ik de hoogte van de bergen, de flanken van de Libanon. Ik hak zijn hoge ceders om en zijn beste cipressen. Ik kom tot zijn verste top, in zijn dichte woud. 25. Ik groef putten en dronk water. Met mijn voetzolen droogde ik alle rivieren van Egypte op. 26. Heb je niet gehoord dat ik dit lang geleden gedaan heb en al in oude dagen gevormd? Nu heb ik het laten komen, zodat jij versterkte steden tot puinhopen kon maken. 27. Daarom stonden hun inwoners machteloos, verslagen en beschaamd. Zij waren als gras op het veld, als jong groen, als gras op de daken dat verdort voordat het opschiet. 28. Maar ik ken je zitten en je opstaan, je uitgaan en je binnenkomen, en je woede tegen mij. 29. Je bent woedend op mij en je overmoed kwam mij ter ore. Daarom leg ik mijn haak in je neus en mijn bit in je lippen. Ik laat je terugkeren langs de weg waarlangs je gekomen bent. 30. Dit zal voor jou het teken zijn: dit jaar eet men wat vanzelf opkomt, en het tweede jaar wat daaruit weer opschiet. Maar zaai in het derde jaar, oogst, plant wijngaarden en eet hun vruchten. 31. Wat van het huis van Juda ontkomen is en overblijft, zal weer wortelschieten naar beneden en vrucht dragen naar boven. 32. Want uit Jeruzalem komt een rest en van de berg Sion wie ontkomen zijn. De ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen. 33. Daarom zegt de HEERE over de koning van Assyrië: hij zal deze stad niet binnenkomen en er geen pijl inschieten. Hij zal er niet met een schild voor komen en geen wal tegen opwerpen. 34. Langs de weg waarlangs hij gekomen is, zal hij terugkeren. Deze stad komt hij niet binnen, zegt de HEERE. 35. Want ik zal deze stad beschermen en redden, om mijzelf en om David, mijn knecht. 36. Toen ging de engel van de HEERE uit en sloeg in het kamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend man. Toen men vroeg in de morgen opstond, lagen daar allemaal lijken. 37. Sanherib, de koning van Assyrië, brak op, keerde terug en bleef in Ninevé. 38. Terwijl hij zich boog in het huis van Nisroch, zijn god, versloegen zijn zonen Adramelech en Sarezer hem met het zwaard. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en zijn zoon Esar-Haddon werd koning in zijn plaats. ## Jesaja 38 — De ziekte van Hizkia 1. In die dagen werd Hizkia zo ziek dat hij bijna stierf. De profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam bij hem en zei: Dit zegt de HEERE. Regel je zaken, want je zult sterven en niet blijven leven. 2. Toen draaide Hizkia zijn gezicht naar de muur en bad tot de HEERE. 3. Hij zei: Ach HEERE, denk er toch aan dat ik trouw en met een volkomen hart voor Uw aangezicht geleefd heb. Ik heb gedaan wat goed is in Uw ogen. En Hizkia huilde luid. 4. Toen kwam het woord van de HEERE tot Jesaja. 5. Hij zei: Ga naar Hizkia en zeg: dit zegt de HEERE, de God van je vader David. Ik heb je gebed gehoord en je tranen gezien. Ik voeg vijftien jaar aan je leven toe. 6. Ik zal je en deze stad uit de hand van de koning van Assyrië redden, en ik zal deze stad beschermen. 7. Dit zal voor jou het teken zijn van de HEERE, dat Hij doet wat Hij gezegd heeft. 8. Kijk, ik laat de schaduw op de treden van de zonnewijzer van Achaz tien treden teruggaan. En de zon ging tien treden terug op de treden die zij al gedaald was. 9. Dit is het geschrift van Hizkia, de koning van Juda, toen hij ziek geweest was en van zijn ziekte genezen was. 10. Ik zei: Nu mijn dagen worden afgesneden, moet ik door de poorten van het graf gaan. Ik word beroofd van de rest van mijn jaren. 11. Ik zei: ik zal de HEERE niet meer zien, de HEERE in het land van de levenden. Ik zal geen mens meer zien tussen de bewoners van de wereld. 12. Mijn levenstijd is weggehaald en van mij weggevoerd als de tent van een herder. Ik heb mijn leven opgerold als een wever zijn weefsel. Hij snijdt mij van de scheerdraad af. Van dag tot nacht maakt U een einde aan mij. 13. Ik hield mij stil tot de morgen. Als een leeuw breekt Hij al mijn botten. Van dag tot nacht maakt U een einde aan mij. 14. Als een gierzwaluw piepte ik en ik kirde als een duif. Mijn ogen keken smekend omhoog. HEERE, ik word verdrukt, wees U mijn borg. 15. Wat zal ik zeggen? Hij heeft het mij toegezegd en Hij heeft het gedaan. Ik zal al mijn jaren zachtjes voortgaan vanwege de bitterheid van mijn ziel. 16. Heere, hierdoor leeft men, en hierin ligt het leven van mijn geest. U hebt mij gezond gemaakt en genezen. 17. Kijk, de bitterheid werd mij tot vrede. U hebt mijn ziel liefdevol omarmd, zodat zij niet in de kuil van het verderf kwam. U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen. 18. Want het graf zal U niet loven en de dood zal U niet prijzen. Wie in de kuil neerdalen, hopen niet op Uw trouw. 19. De levende, de levende, die zal U loven, zoals ik vandaag doe. De vader zal zijn kinderen over Uw trouw vertellen. 20. De HEERE stond klaar om mij te redden. Daarom zullen wij mijn liederen spelen, al de dagen van ons leven, in het huis van de HEERE. 21. Jesaja had gezegd: Neem een klomp vijgen en leg die als pleister op het gezwel, dan zal hij genezen. 22. En Hizkia had gezegd: Wat is het teken dat ik naar het huis van de HEERE zal opgaan? ## Jesaja 39 — De gezanten uit Babel 1. In die tijd stuurde Merodach-Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia. Hij had namelijk gehoord dat Hizkia ziek geweest en weer beter geworden was. 2. Hizkia was blij met hen en liet hun zijn schatkamer zien. Hij toonde het zilver, het goud, de specerijen, de beste olie en zijn hele wapenhuis. Er was niets in zijn huis of in zijn hele rijk dat Hizkia hun niet liet zien. 3. Toen kwam de profeet Jesaja bij koning Hizkia en zei: Wat hebben die mannen gezegd, en waar komen zij vandaan? Hizkia zei: Zij zijn uit een ver land bij mij gekomen, uit Babel. 4. Hij zei: Wat hebben zij in je huis gezien? Hizkia zei: Zij hebben alles gezien wat in mijn huis is. Er is niets in mijn schatten dat ik hun niet getoond heb. 5. Toen zei Jesaja tegen Hizkia: Hoor het woord van de HEERE van de legermachten. 6. Er komen dagen dat alles wat in je huis is, en alles wat je vaderen tot vandaag hebben opgeslagen, naar Babel wordt weggevoerd. Er blijft niets over, zegt de HEERE. 7. Ook van je zonen die uit jou zullen voortkomen, zullen zij er meenemen. Zij zullen hovelingen zijn in het paleis van de koning van Babel. 8. Maar Hizkia zei tegen Jesaja: Het woord van de HEERE dat u gesproken hebt, is goed. Hij dacht namelijk: In mijn dagen zal er vrede en trouw zijn. ## Jesaja 40 — Troost mijn volk 1. Troost, troost mijn volk, zegt jullie God. 2. Spreek naar het hart van Jeruzalem en roep haar toe dat haar strijd voorbij is. Haar schuld is verzoend, want zij heeft uit de hand van de HEERE dubbel ontvangen voor al haar zonden. 3. Een stem roept: Bereid in de woestijn de weg van de HEERE. Maak in de wildernis een rechte baan voor onze God. 4. Alle dalen zullen verhoogd worden en alle bergen en heuvels vernederd. Wat krom is, wordt recht, en wat ruw is, wordt een vlakte. 5. De heerlijkheid van de HEERE zal zichtbaar worden, en alle mensen zullen het samen zien. Want de mond van de HEERE heeft het gesproken. 6. Een stem zegt: Roep! En ik zeg: Wat moet ik roepen? Alle mensen zijn gras, en al hun trouw is als een bloem in het veld. 7. Het gras verdort en de bloem valt af als de adem van de HEERE erover blaast. Werkelijk, het volk is gras. 8. Het gras verdort en de bloem valt af, maar het woord van onze God houdt eeuwig stand. 9. Klim op een hoge berg, Sion, brengster van goed nieuws. Verhef je stem met kracht, Jeruzalem, brengster van goed nieuws. Verhef haar, wees niet bang, zeg tegen de steden van Juda: Kijk, hier is jullie God! 10. Kijk, de Heere HEERE komt met kracht en Zijn arm heerst. Zijn loon is bij Hem en Zijn beloning gaat voor Hem uit. 11. Hij zal Zijn kudde weiden als een herder. Hij verzamelt de lammeren in Zijn armen en draagt ze aan Zijn borst. De zogende dieren leidt Hij zachtjes. 12. Wie heeft het water in zijn handpalm gemeten en de hemel met een span afgemeten? Wie heeft het stof van de aarde in een maat gevat, de bergen gewogen op een weegschaal en de heuvels in een balans? 13. Wie heeft de Geest van de HEERE gestuurd, en wie onderwees Hem als raadsman? 14. Met wie overlegde Hij, wie gaf Hem inzicht? Wie leerde Hem het pad van het recht, wie leerde Hem kennis en wees Hem de weg van het verstand? 15. Kijk, de volken zijn als een druppel aan een emmer en als een stofje op de weegschaal. Kijk, Hij tilt de eilanden op als fijn stof. 16. De Libanon is niet genoeg om te branden, en zijn dieren zijn niet genoeg voor een brandoffer. 17. Alle volken zijn als niets voor Hem. Zij gelden bij Hem als minder dan niets, als leegte. 18. Met wie wil je God dan vergelijken? Welk beeld zet je naast Hem? 19. Een vakman giet een beeld, een goudsmid overtrekt het met goud en maakt er zilveren kettingen bij. 20. Wie te arm is voor zo'n gave, kiest hout dat niet rot. Hij zoekt een kundige vakman om een beeld te maken dat niet wankelt. 21. Weet je het niet? Hoor je het niet? Is het je niet van het begin af verteld? Heb je niet begrepen hoe de aarde gegrondvest is? 22. Hij troont boven de kring van de aarde, en haar bewoners zijn als sprinkhanen. Hij spant de hemel uit als een doek en spreidt hem uit als een tent om in te wonen. 23. Hij maakt vorsten tot niets en rechters van de aarde tot leegte. 24. Nauwelijks zijn zij geplant, nauwelijks gezaaid, nauwelijks wortelt hun stek in de aarde, of Hij blaast erover en zij verdorren. Een stormwind neemt hen mee als stoppels. 25. Met wie wil je mij dan vergelijken, zodat ik zijn gelijke zou zijn? zegt de Heilige. 26. Kijk omhoog en zie wie dit geschapen heeft. Hij brengt hun leger in getal naar buiten en roept ze allemaal bij naam. Door Zijn grote kracht en machtige sterkte ontbreekt er niet één. 27. Waarom zeg je dan, Jakob, en waarom spreek je zo, Israël: mijn weg is voor de HEERE verborgen en mijn recht ontgaat mijn God? 28. Weet je het niet? Heb je niet gehoord dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden van de aarde, niet moe of mat wordt? Zijn verstand is niet te doorgronden. 29. Hij geeft de vermoeide kracht en vermeerdert de sterkte van wie geen kracht heeft. 30. Jonge mensen worden moe en mat, en jonge mannen struikelen zeker. 31. Maar wie op de HEERE wachten, krijgen nieuwe kracht. Zij stijgen op met vleugels als adelaars. Zij lopen en worden niet moe, zij gaan en worden niet mat. ## Jesaja 41 — Wees niet bang, ik help je 1. Zwijg voor mij, eilanden, en laat de volken nieuwe kracht krijgen. Laat hen naderbij komen en spreken. Laten wij samen voor het gerecht komen. 2. Wie heeft uit het oosten die rechtvaardige laten opstaan en hem geroepen om te volgen? Wie gaf volken aan hem over en liet hem over koningen heersen? Zijn zwaard maakte hen tot stof en zijn boog tot weggewaaide stoppels. 3. Hij achtervolgde hen en trok ongedeerd verder, over een pad dat zijn voeten nooit gegaan waren. 4. Wie heeft dit gedaan en tot stand gebracht en de geslachten vanaf het begin geroepen? Ik, de HEERE, ben de Eerste, en bij de laatsten ben ik dezelfde. 5. De eilanden zagen het en werden bang. De einden van de aarde beefden. Zij kwamen naderbij. 6. De een hielp de ander en zei tegen zijn maat: Wees sterk! 7. De vakman moedigde de goudsmid aan, en wie met de hamer gladstrijkt, wie op het aambeeld slaat. Hij zei over het soldeersel: Het is goed. Daarna zette hij het vast met spijkers, zodat het niet zou wankelen. 8. Maar jij, Israël, bent mijn knecht. Jij, Jakob, heb ik uitgekozen, nageslacht van Abraham, die mij liefhad. 9. Ik heb je gegrepen van de einden van de aarde en je uit haar verste hoeken geroepen. Ik zei tegen je: jij bent mijn knecht, ik heb je gekozen en niet verworpen. 10. Wees niet bang, want ik ben met je. Kijk niet angstig rond, want ik ben je God. Ik maak je sterk, ik help je, ik ondersteun je met mijn rechterhand van gerechtigheid. 11. Kijk, allen die woedend op je zijn, worden beschaamd en te schande. Wie met je twisten, worden als niets en gaan verloren. 12. Je zult hen zoeken, maar niet vinden. Wie ruzie met je maken, worden als niets, en wie oorlog tegen je voeren, als lucht. 13. Want ik, de HEERE, je God, grijp je rechterhand. Ik zeg tegen je: wees niet bang, ik help je. 14. Wees niet bang, wormpje Jakob, volkje Israël. Ik help je, zegt de HEERE, en je Verlosser is de Heilige van Israël. 15. Kijk, ik maak van jou een scherpe nieuwe dorsslee met scherpe pinnen. Je zult bergen dorsen en vermalen, en heuvels als kaf maken. 16. Je zult ze wannen, de wind neemt ze mee en de storm verstrooit ze. Maar jij zult juichen in de HEERE en je beroemen op de Heilige van Israël. 17. De armen en behoeftigen zoeken water, maar er is geen. Hun tong versmacht van dorst. Ik, de HEERE, zal hen verhoren. Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten. 18. Ik zal rivieren openen op de kale hoogten en bronnen in de dalen. Ik maak de woestijn tot een waterplas en het dorre land tot waterbronnen. 19. Ik plant in de woestijn de ceder, de acacia, de mirte en de olijfboom. In de wildernis zet ik de cipres, de olm en de buksboom bij elkaar. 20. Zo zullen zij zien en erkennen, overwegen en begrijpen. Dan weten zij dat de hand van de HEERE dit gedaan heeft en dat de Heilige van Israël het geschapen heeft. 21. Breng jullie zaak naar voren, zegt de HEERE. Kom met jullie sterkste bewijzen, zegt de Koning van Jakob. 22. Laat hen maar naar voren komen en ons vertellen wat er gaat gebeuren. Vertel ons de vroegere dingen, zodat wij ze ter harte nemen en het einde ervan weten. Of laat ons horen wat komen gaat. 23. Vertel wat hierna komt, zodat wij weten dat jullie goden zijn. Doe iets goeds of iets kwaads, zodat wij verbaasd staan en samen toekijken. 24. Kijk, jullie zijn minder dan niets en jullie werk is nietig. Wie jullie kiest, is een gruwel. 25. Ik laat iemand uit het noorden opkomen, en hij komt van waar de zon opgaat. Hij zal mijn naam aanroepen. Hij loopt over heersers heen als over leem, zoals een pottenbakker klei treedt. 26. Wie heeft dit vanaf het begin verteld, zodat wij het weten? Wie zei het vooraf, zodat wij zeggen: hij heeft gelijk? Niemand vertelde het, niemand liet het horen, niemand hoorde jullie woorden. 27. Ik ben de Eerste die tegen Sion zegt: kijk, daar zijn zij! En aan Jeruzalem geef ik een blijde boodschapper. 28. Ik keek rond, maar er was niemand. Onder hen was geen raadgever die ik iets kon vragen en die mij antwoord zou geven. 29. Kijk, zij zijn allemaal leegte. Hun werk is nietig, hun gegoten beelden zijn wind en leegte. ## Jesaja 42 — Kijk, mijn Knecht 1. Kijk, mijn Knecht, die ik ondersteun, mijn Uitverkorene, in wie ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op Hem gelegd, en Hij zal het recht aan de volken brengen. 2. Hij zal niet schreeuwen en Zijn stem niet verheffen. Hij laat Zijn stem niet op straat horen. 3. Het geknakte riet zal Hij niet breken en de kwijnende vlaspit niet doven. In trouw zal Hij het recht brengen. 4. Hij zal niet doven en niet breken tot Hij het recht op aarde gevestigd heeft. De eilanden wachten op Zijn onderwijs. 5. Dit zegt God, de HEERE, die de hemel geschapen en uitgespannen heeft. Hij spreidde de aarde uit met alles wat eruit voortkomt. Hij geeft adem aan het volk daarop en geest aan wie erover gaan. 6. Ik, de HEERE, heb je geroepen in gerechtigheid. Ik grijp je bij de hand, ik bescherm je en maak je tot een verbond voor het volk en tot een licht voor de volken. 7. Zo open je blinde ogen, haal je gevangenen uit de kerker en wie in het donker zitten uit de gevangenis. 8. Ik ben de HEERE, dat is mijn naam. Mijn eer geef ik aan niemand anders en mijn lof niet aan beelden. 9. Kijk, wat eerder kwam, is gebeurd. Nu vertel ik nieuwe dingen. Voordat zij opkomen, laat ik ze jullie horen. 10. Zing voor de HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde van de aarde. Zing, jullie die de zee bevaren, en alles wat erin is, eilanden en hun bewoners. 11. Laat de woestijn en haar steden hun stem verheffen, met de dorpen waar Kedar woont. Laat de bewoners van de rotsen juichen en van de bergtoppen schreeuwen. 12. Laat hen de HEERE eer geven en Zijn lof verkondigen op de eilanden. 13. De HEERE trekt uit als een held en wekt Zijn ijver op als een strijder. Hij juicht en schreeuwt luid en overwint Zijn vijanden. 14. Ik heb lang gezwegen, ik heb mij stil gehouden en ingehouden. Nu schreeuw ik als een barende vrouw. Ik verwoest en verslind alles tegelijk. 15. Ik maak bergen en heuvels kaal en laat al hun gras verdorren. Ik maak rivieren tot eilanden en droog de poelen uit. 16. Ik zal blinden leiden over een weg die zij niet kennen. Ik laat hen gaan over paden die zij niet kennen. Ik maak de duisternis voor hen tot licht en het kromme tot recht. Dit zal ik doen en ik zal hen niet verlaten. 17. Maar wie op beelden vertrouwen en tegen gegoten beelden zeggen: Jullie zijn onze goden, zullen terugdeinzen en diep beschaamd worden. 18. Luister, doven! Kijk op, blinden, en zie! 19. Wie is zo blind als mijn knecht, en zo doof als mijn bode die ik stuur? Wie is blind als de vertrouweling, blind als de knecht van de HEERE? 20. Je ziet veel dingen, maar je onthoudt ze niet. Je oren staan open, maar je hoort niet. 21. De HEERE had behagen in hem omwille van Zijn gerechtigheid. Hij maakte de wet groot en luisterrijk. 22. Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk. Zij zitten allemaal vast in holen en verborgen in gevangenissen. Zij werden een prooi en niemand redt hen, een buit die niemand terugvraagt. 23. Wie van jullie luistert hiernaar? Wie let op en hoort wat hierna komt? 24. Wie heeft Jakob als buit overgegeven en Israël aan de rovers? Was het niet de HEERE, tegen wie wij gezondigd hebben? Zij wilden niet op Zijn wegen gaan en luisterden niet naar Zijn wet. 25. Daarom stortte Hij Zijn brandende toorn over hen uit en het geweld van de oorlog. Dat zette hen van alle kanten in vlam, maar zij merkten het niet. Het stak hen in brand, maar zij namen het niet ter harte. ## Jesaja 43 — Ik heb je bij je naam geroepen 1. Maar nu zegt de HEERE, jouw Schepper, Jakob, jouw Formeerder, Israël: Wees niet bang, want ik heb je verlost. Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij. 2. Als je door het water gaat, ben ik bij je. Door de rivieren zullen zij je niet overspoelen. Als je door het vuur gaat, zul je niet verbranden en de vlam zal je niet verschroeien. 3. Want ik ben de HEERE, jouw God, de Heilige van Israël, jouw Redder. Ik gaf Egypte als losgeld voor jou, Ethiopië en Seba in jouw plaats. 4. Sinds je kostbaar bent in mijn ogen, ben je geëerd en heb ik van je gehouden. Daarom geef ik mensen in jouw plaats en volken in ruil voor jouw leven. 5. Wees niet bang, want ik ben met je. Ik breng je nageslacht uit het oosten en verzamel je uit het westen. 6. Ik zal tegen het noorden zeggen: geef hen! En tegen het zuiden: houd hen niet vast! Breng mijn zonen van ver en mijn dochters van het einde van de aarde. 7. Ik bedoel ieder die naar mijn naam genoemd is, die ik geschapen heb tot mijn eer, die ik gevormd en gemaakt heb. 8. Breng het blinde volk naar voren, dat toch ogen heeft, en de doven, die toch oren hebben. 9. Laat alle volken samenkomen en de naties zich verzamelen. Wie van hen kan dit vertellen? Laat hen ons de vroegere dingen laten horen en hun getuigen brengen, zodat zij gelijk krijgen en men zegt: het is waar. 10. Jullie zijn mijn getuigen, zegt de HEERE, en mijn knecht die ik uitgekozen heb. Zo weten en geloven jullie mij en begrijpen jullie dat ik het ben. Voor mij is geen God gevormd en na mij zal er geen zijn. 11. Ik, ik ben de HEERE, en buiten mij is er geen redder. 12. Ik heb het verteld, ik heb gered en ik heb het laten horen, en geen vreemde god was bij jullie. Jullie zijn mijn getuigen, zegt de HEERE, dat ik God ben. 13. Ook voor de dag er was, ben ik, en niemand kan iets uit mijn hand redden. Ik werk, en wie zal het keren? 14. Dit zegt de HEERE, jullie Verlosser, de Heilige van Israël: Om jullie heb ik naar Babel gestuurd. Ik laat hen allemaal als vluchtelingen afdalen, ook de Chaldeeën in de schepen waarop zij juichten. 15. Ik ben de HEERE, jullie Heilige, de Schepper van Israël, jullie Koning. 16. Dit zegt de HEERE, die een weg maakte in de zee en een pad in het sterke water. 17. Hij liet wagens en paarden uitrukken, leger en macht. Samen liggen zij neer en staan niet meer op. Zij zijn uitgedoofd, gedoofd als een vlaspit. 18. Denk niet meer aan de vroegere dingen en let niet op wat voorbij is. 19. Kijk, ik maak iets nieuws. Nu komt het op, merken jullie het niet? Ik leg een weg in de woestijn en rivieren in de wildernis. 20. De dieren van het veld zullen mij eren, de jakhalzen en de struisvogels. Want ik geef water in de woestijn en rivieren in de wildernis, om mijn volk, mijn uitverkorenen, te drinken te geven. 21. Dit volk heb ik voor mij gevormd, en zij zullen mijn lof vertellen. 22. Maar jij hebt mij niet aangeroepen, Jakob. Je bent moe van mij geworden, Israël. 23. Je hebt mij geen schapen voor je brandoffers gebracht en mij niet geëerd met je slachtoffers. Ik heb je geen graanoffers opgelegd en je niet vermoeid met wierook. 24. Je hebt geen kalmoes voor mij gekocht en mij niet verzadigd met het vet van je offers. Maar je hebt mij belast met je zonden en mij vermoeid met je onrecht. 25. Ik, ik ben het die je overtredingen uitwist om mijzelf, en ik denk niet meer aan je zonden. 26. Help mij herinneren, laten wij samen rechten. Vertel jij je zaak maar, zodat je gelijk kunt krijgen. 27. Je eerste vader zondigde en je woordvoerders kwamen tegen mij in opstand. 28. Daarom ontwijdde ik de leiders van het heiligdom, gaf ik Jakob aan de ban prijs en Israël aan de spot. ## Jesaja 44 — Ik ben de Eerste en de Laatste 1. Hoor nu, mijn knecht Jakob, Israël, die ik uitgekozen heb. 2. Dit zegt de HEERE, je Maker, die je vormde vanaf de moederschoot en die je helpt. Wees niet bang, Jakob, mijn knecht, en Jesurun, die ik uitgekozen heb. 3. Want ik zal water gieten op het dorstige land en stromen op het droge. Ik zal mijn Geest op je nageslacht gieten en mijn zegen op je kinderen. 4. Zij zullen opschieten tussen het gras, als wilgen aan waterbeken. 5. De een zal zeggen: Ik ben van de HEERE. Een ander noemt zich met de naam van Jakob. Weer een ander schrijft op zijn hand dat hij van de HEERE is en noemt zich met de naam van Israël. 6. Dit zegt de HEERE, de Koning van Israël, zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten. Ik ben de Eerste en ik ben de Laatste, en buiten mij is er geen God. 7. Wie is als ik? Laat hij het uitroepen en vertellen en het voor mij op een rij zetten, sinds ik een eeuwig volk gesteld heb. Laat hen vertellen wat komt en wat gebeuren zal. 8. Schrik niet en wees niet bang. Heb ik het je niet van vroeger af laten horen en verteld? Jullie zijn mijn getuigen. Is er een God buiten mij? Er is geen andere rots; ik ken er geen. 9. Wie beelden maken, zijn allemaal leegte, en hun kostbare dingen helpen niet. Hun eigen getuigen zien niets en weten niets, daarom worden zij beschaamd. 10. Wie maakt er nu een god en giet een beeld dat niets oplevert? 11. Kijk, al zijn makkers worden beschaamd, want de vaklieden zijn ook maar mensen. Laten zij zich allemaal verzamelen en opstaan; zij zullen schrikken en samen beschaamd worden. 12. De ijzersmid maakt een bijl, werkt in de gloed en vormt hem met hamers. Hij werkt met zijn sterke arm, maar hij krijgt honger en wordt krachteloos. Hij drinkt geen water en raakt uitgeput. 13. De timmerman spant het meetlint en tekent af met een stift. Hij schaaft het glad en tekent met de passer. Hij maakt het naar een menselijke gestalte, in de schoonheid van een mens, om in een huis te staan. 14. Hij hakt ceders om, of neemt een cipres of een eik en laat die groeien tussen de bomen van het bos. Hij plant een pijnboom, en de regen laat hem groot worden. 15. Zo krijgt de mens brandstof. Hij neemt ervan en warmt zich, steekt het aan en bakt er brood bij. Maar hij maakt er ook een god van en buigt ervoor. Hij maakt er een beeld van en knielt ervoor neer. 16. De ene helft verbrandt hij in het vuur. Bij die helft eet hij vlees, hij braadt een gebraad en wordt verzadigd. Hij warmt zich ook en zegt: Heerlijk, ik ben warm geworden, ik zie het vuur! 17. Van de rest maakt hij een god, zijn eigen beeld. Hij knielt ervoor, buigt zich en bidt het aan en zegt: Red mij, want u bent mijn god! 18. Zij weten niets en begrijpen niets. Hun ogen zijn dichtgestreken, zodat zij niet zien, en hun hart, zodat zij niet begrijpen. 19. Niemand neemt het ter harte, niemand heeft de kennis of het verstand. Anders zou hij zeggen: ik heb de helft in het vuur verbrand en op de kolen brood gebakken. Ik heb er vlees bij gebraden en gegeten. Zou ik van de rest een gruwel maken en knielen voor een stuk hout? 20. Hij voedt zich met as. Zijn bedrogen hart heeft hem afgeleid, zodat hij zijn leven niet kan redden en niet kan zeggen: is er geen leugen in mijn rechterhand? 21. Denk hieraan, Jakob en Israël, want jij bent mijn knecht. Ik heb je gevormd; jij bent mijn knecht, Israël, ik zal je niet vergeten. 22. Ik veeg je overtredingen weg als een nevel en je zonden als een wolk. Keer terug naar mij, want ik heb je verlost. 23. Zing van vreugde, hemel, want de HEERE heeft het gedaan! Juich, diepten van de aarde! Barst uit in gejuich, bergen, bossen en alle bomen daarin! Want de HEERE heeft Jakob verlost en toont Zijn heerlijkheid in Israël. 24. Dit zegt de HEERE, je Verlosser, die je vormde vanaf de moederschoot: ik ben de HEERE, die alles doet. Ik alleen spande de hemel uit en spreidde de aarde uit, geheel door mijzelf. 25. Ik vernietig de tekenen van leugenaars en maak waarzeggers dwaas. Ik laat wijzen terugdeinzen en maak hun kennis tot onzin. 26. Ik bevestig het woord van mijn knecht en volbreng de raad van mijn boden. Ik zeg tegen Jeruzalem: je zult bewoond worden. En tegen de steden van Juda: jullie worden herbouwd, en ik zal hun puinhopen weer oprichten. 27. Ik zeg tegen de diepte: droog op! En ik zal je rivieren laten verdrogen. 28. Ik zeg over Kores: hij is mijn herder, en hij zal alles doen wat ik wil. Hij zegt tegen Jeruzalem: word gebouwd, en tegen de tempel: word gegrondvest. ## Jesaja 45 — Kores, de gezalfde van de HEERE 1. Dit zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde, tegen Kores, wiens rechterhand ik vastgrijp: ik zal volken voor hem neerwerpen en koningen ontwapenen. Ik open deuren voor hem, en poorten zullen niet gesloten blijven. 2. Ik zal voor je uit gaan en ruwe wegen effen maken. Ik zal bronzen deuren verbrijzelen en ijzeren grendels stukslaan. 3. Ik geef je de schatten van het donker en verborgen rijkdommen. Zo zul je weten dat ik de HEERE ben, die je bij je naam roept, de God van Israël. 4. Omwille van Jakob, mijn knecht, en van Israël, mijn uitverkorene, riep ik je bij je naam. Ik gaf je een erenaam, terwijl je mij niet kende. 5. Ik ben de HEERE en niemand anders. Buiten mij is er geen God. Ik gordde je aan, terwijl je mij niet kende. 6. Zo weet men van oost tot west dat er buiten mij niets is. Ik ben de HEERE en niemand anders. 7. Ik vorm het licht en schep de duisternis. Ik maak vrede en schep het onheil. Ik, de HEERE, doe dit alles. 8. Laat de hemel van boven druppen en de wolken gerechtigheid laten stromen. Laat de aarde zich openen en redding voortbrengen, met gerechtigheid ernaast. Ik, de HEERE, heb dat geschapen. 9. Wee wie met zijn Maker twist, een potscherf tussen aarden scherven! Zegt de klei tegen wie haar vormt: Wat maak je nu? Zegt je werk soms dat je geen handen hebt? 10. Wee wie tegen een vader zegt: Wat verwek je daar? en tegen een vrouw: Wat baar je daar? 11. Dit zegt de HEERE, de Heilige van Israël, zijn Formeerder: vraag mij naar wat komt. Willen jullie mij bevelen over mijn kinderen en over het werk van mijn handen? 12. Ik heb de aarde gemaakt en de mens erop geschapen. Ik ben het! Mijn handen spanden de hemel uit en ik gaf bevel aan heel zijn leger. 13. Ik heb hem gewekt in gerechtigheid en ik maak al zijn wegen recht. Hij zal mijn stad bouwen en mijn ballingen loslaten, zonder prijs en zonder geschenk, zegt de HEERE van de legermachten. 14. Dit zegt de HEERE: de opbrengst van Egypte, de handel van Ethiopië en de Sabeeërs, die lange mannen, zullen naar je toe komen. Zij zullen van jou zijn en achter je aan gaan, in boeien. Zij zullen voor je buigen en je smeken: Werkelijk, God is bij jou, en er is geen andere God. 15. Werkelijk, U bent een God die zich verborgen houdt, de God van Israël, de Redder. 16. Zij worden allemaal beschaamd en te schande. Wie beelden maken, gaan samen met schande heen. 17. Maar Israël wordt door de HEERE verlost met een eeuwige verlossing. Jullie zullen nooit beschaamd of te schande worden. 18. Dit zegt de HEERE, die de hemel geschapen heeft en die de aarde vormde en maakte. Hij heeft haar gegrondvest. Hij schiep haar niet als leegte, maar vormde haar om er te wonen. Ik ben de HEERE en niemand anders. 19. Ik heb niet in het verborgene gesproken, ergens in een donker land. Ik heb tegen het nageslacht van Jakob niet gezegd: zoek mij tevergeefs. Ik ben de HEERE, die gerechtigheid spreekt en verkondigt wat recht is. 20. Verzamel je en kom, kom samen naar voren, jullie die aan de volken ontkomen zijn. Zij weten niets die hun houten beelden dragen en een god aanbidden die niet kan redden. 21. Vertel het en kom naar voren, overleg samen. Wie liet dit van oudsher horen? Wie vertelde het toen al? Was ik het niet, de HEERE? Buiten mij is er geen God, een rechtvaardige God en Redder, niemand dan ik. 22. Keer je naar mij toe en word gered, alle einden van de aarde. Want ik ben God en niemand anders. 23. Ik heb bij mijzelf gezworen. Uit mijn mond ging gerechtigheid uit, een woord dat niet terugkeert: voor mij zal elke knie buigen en elke tong zal bij mij zweren. 24. Men zal over mij zeggen: alleen in de HEERE is gerechtigheid en kracht. Naar Hem zal men komen, maar allen die woedend op Hem zijn, worden beschaamd. 25. In de HEERE zal heel het nageslacht van Israël gerechtvaardigd worden en zich beroemen. ## Jesaja 46 — Bel buigt, Nebo zakt ineen 1. Bel buigt, Nebo zakt ineen. Hun beelden liggen op dieren en lastdieren. Wat jullie meedroegen, is een last voor vermoeide beesten. 2. Samen zakken zij ineen en buigen zij. Zij konden de last niet redden, en zijzelf gaan in ballingschap. 3. Luister naar mij, huis van Jakob en heel de rest van het huis van Israël. Jullie zijn door mij gedragen vanaf de moederschoot en opgetild vanaf de geboorte. 4. Tot in jullie ouderdom blijf ik dezelfde. Tot jullie grijs zijn, zal ik jullie dragen. Ik heb het gedaan en ik zal jullie optillen, dragen en redden. 5. Met wie willen jullie mij vergelijken en gelijkstellen? Wie zetten jullie naast mij, zodat wij op elkaar zouden lijken? 6. Zij schudden goud uit de beurs en wegen zilver op de weegschaal. Zij huren een goudsmid, en die maakt er een god van. Dan knielen zij en buigen zij ervoor. 7. Zij tillen hem op hun schouder, dragen hem en zetten hem op zijn plaats. Daar staat hij en hij wijkt niet van zijn plek. Roept iemand tot hem, dan antwoordt hij niet en redt hij niemand uit zijn nood. 8. Denk hieraan en houd je vast, neem het ter harte, overtreders. 9. Denk aan de vroegere dingen van lang geleden. Ik ben God en er is geen ander. Ik ben God en niemand is als ik. 10. Ik vertel vanaf het begin wat het einde zal zijn, en van oudsher wat nog niet gebeurd is. Ik zeg: mijn plan houdt stand, en ik doe alles wat ik wil. 11. Ik roep een roofvogel uit het oosten, de man van mijn plan uit een ver land. Ik heb het gesproken en ik laat het komen. Ik heb het bedacht en ik doe het ook. 12. Luister naar mij, jullie met een hard hart, jullie die ver van de gerechtigheid zijn. 13. Ik breng mijn gerechtigheid dichtbij, zij is niet ver meer, en mijn redding zal niet uitblijven. Ik geef redding in Sion en mijn heerlijkheid aan Israël. ## Jesaja 47 — Daal af, dochter van Babel 1. Daal af en ga in het stof zitten, jonge vrouw, dochter van Babel. Zit op de grond, er is geen troon meer, dochter van de Chaldeeën. Men zal je niet meer teer en verwend noemen. 2. Pak de handmolen en maal meel. Doe je sluier af, stroop je rok op, ontbloot je benen en waad door de rivieren. 3. Je naaktheid zal blootgelegd worden en je schande gezien. Ik zal wraak nemen en ik spaar niemand. 4. De naam van onze Verlosser is HEERE van de legermachten, de Heilige van Israël. 5. Zit zwijgend en ga het donker in, dochter van de Chaldeeën. Men zal je niet meer koningin van de koninkrijken noemen. 6. Ik was woedend op mijn volk. Ik ontwijdde mijn eigendom en gaf hen in jouw hand. Maar jij toonde hun geen barmhartigheid en legde zelfs op de oude je zware juk. 7. Je zei: Ik zal voor altijd koningin zijn. Je nam dit niet ter harte en dacht niet aan de afloop. 8. Hoor nu dit, jij die in weelde leeft en je zo veilig voelt, die in je hart zegt: Ik ben het, en niemand anders. Ik zal geen weduwe zijn en geen kinderen verliezen. 9. Toch zullen deze twee dingen je in één ogenblik overkomen, op één dag: het verlies van kinderen en het weduwschap. Zij komen volop over je, ondanks al je toverij en al je bezweringen. 10. Je vertrouwde op je slechtheid en zei: Niemand ziet mij. Je wijsheid en je kennis hebben je misleid. Je zei in je hart: Ik ben het, en niemand anders. 11. Daarom komt er onheil over je, waarvan je de dageraad niet kent. Er valt verderf op je dat je niet kunt afkopen. Plotseling komt er een verwoesting over je die je niet ziet aankomen. 12. Kom dan maar met je bezweringen en je vele toverijen, waaraan je je van jongs af hebt ingespannen. Misschien heb je er baat bij, misschien maakt het je sterk. 13. Je bent moe geworden van al je plannen. Laat de hemelwaarnemers maar opstaan, wie naar de sterren kijken en per nieuwe maan voorspellen. Laat hen jou redden van wat over je komt. 14. Kijk, zij zijn als stoppels; het vuur verbrandt hen. Zij kunnen zichzelf niet uit de vlam redden. Het zijn geen kolen om je bij te warmen, geen vuur om bij te zitten. 15. Zo vergaat het hen voor wie jij je hebt ingespannen, je handelaars van jongs af. Ieder dwaalt zijn eigen kant op, en niemand redt jou. ## Jesaja 48 — Ga weg uit Babel 1. Hoor dit, huis van Jakob, jullie die de naam Israël dragen en uit de bron van Juda voortkomen. Jullie zweren bij de naam van de HEERE en noemen de God van Israël, maar niet in waarheid en niet in gerechtigheid. 2. Zij noemen zich naar de heilige stad en steunen op de God van Israël. HEERE van de legermachten is Zijn naam. 3. Ik heb de vroegere dingen van tevoren verteld. Uit mijn mond kwamen zij voort en ik liet ze horen. Plotseling deed ik ze, en zij kwamen. 4. Ik wist immers dat jij hard bent, dat je nek een ijzeren pees is en je voorhoofd van brons. 5. Daarom heb ik het je van tevoren verteld, voordat het kwam liet ik het je horen. Anders zou je zeggen: mijn afgod heeft dit gedaan, mijn beeld heeft het bevolen. 6. Je hebt het gehoord; kijk er nu naar. Zullen jullie het niet zelf vertellen? Van nu af laat ik je nieuwe dingen horen, verborgen dingen die je niet kende. 7. Nu pas zijn zij geschapen, niet vroeger. Tot vandaag heb je ze niet gehoord, anders zou je zeggen: kijk, dat wist ik allang. 8. Je hebt ze niet gehoord en niet geweten. Van vroeger af is je oor niet geopend. Want ik wist dat je volstrekt trouweloos zou handelen; van de moederschoot af heet je een overtreder. 9. Om mijn naam houd ik mijn toorn langer in. Om mijn roem bedwing ik mij voor jou, zodat ik je niet afsnijd. 10. Kijk, ik heb je gelouterd, maar niet als zilver. Ik heb je beproefd in de smeltoven van de ellende. 11. Om mijzelf, om mijzelf zal ik het doen. Want hoe zou mijn naam ontwijd worden? Mijn eer geef ik aan niemand anders. 12. Luister naar mij, Jakob, en Israël, mijn geroepene. Ik ben dezelfde. Ik ben de Eerste en ik ben ook de Laatste. 13. Mijn hand heeft de aarde gegrondvest en mijn rechterhand spande de hemel uit. Als ik ze roep, staan zij samen klaar. 14. Verzamel je allemaal en luister. Wie van hen heeft dit verteld? De HEERE heeft hem lief. Hij zal doen wat Hij wil met Babel, en Zijn arm zal tegen de Chaldeeën zijn. 15. Ik, ik heb het gesproken en hem ook geroepen. Ik laat hem komen en zijn weg zal voorspoedig zijn. 16. Kom dichterbij en hoor dit. Vanaf het begin heb ik niet in het verborgene gesproken. Sinds het gebeurt, ben ik erbij. En nu heeft de Heere HEERE mij gestuurd, met Zijn Geest. 17. Dit zegt de HEERE, je Verlosser, de Heilige van Israël. Ik ben de HEERE, je God, die je leert wat goed voor je is en je leidt op de weg die je gaan moet. 18. Had je maar naar mijn geboden geluisterd! Dan was je vrede als een rivier geweest en je gerechtigheid als de golven van de zee. 19. Je nageslacht zou zijn als het zand, je kinderen als de korrels ervan. Hun naam zou nooit uitgewist of verdelgd zijn voor mijn aangezicht. 20. Ga weg uit Babel, vlucht van de Chaldeeën! Vertel het met een juichende stem, laat het horen, breng het tot aan het einde van de aarde. Zeg: De HEERE heeft Zijn knecht Jakob verlost! 21. Zij hadden geen dorst toen Hij hen door de woestijn leidde. Hij liet water uit de rots stromen. Hij spleet de rots, en het water vloeide. 22. Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE. ## Jesaja 49 — Een licht voor de volken 1. Luister naar mij, eilanden, en let op, verre volken. De HEERE heeft mij geroepen vanaf de moederschoot. Vanaf de buik van mijn moeder noemde Hij mijn naam. 2. Hij maakte mijn mond als een scherp zwaard en verborg mij in de schaduw van Zijn hand. Hij maakte mij tot een gladde pijl en stopte mij weg in Zijn koker. 3. Hij zei tegen mij: Jij bent mijn knecht, Israël, door wie ik verheerlijkt zal worden. 4. Maar ik zei: ik heb tevergeefs gezwoegd, mijn kracht voor niets en zonder zin gegeven. Toch is mijn recht bij de HEERE en mijn loon bij mijn God. 5. En nu zegt de HEERE, die mij vanaf de moederschoot tot Zijn knecht vormde om Jakob bij Hem terug te brengen. Israël laat zich niet verzamelen, maar toch ben ik geëerd in de ogen van de HEERE, en mijn God is mijn kracht. 6. Hij zei verder: Het is te weinig dat jij mijn knecht bent. Je richt de stammen van Jakob op en brengt terug wie in Israël bewaard zijn. Ik maak jou ook tot een licht voor de volken, zodat mijn redding tot het einde van de aarde reikt. 7. Dit zegt de HEERE, de Verlosser van Israël, Zijn Heilige. Hij spreekt tegen wie diep veracht wordt, tegen wie het volk verafschuwt, tegen de knecht van heersers. Koningen zullen het zien en opstaan, en vorsten zullen zich buigen. Dat gebeurt om de HEERE, die trouw is, om de Heilige van Israël, die jou gekozen heeft. 8. Dit zegt de HEERE: in de tijd van het welbehagen heb ik je verhoord en op de dag van redding heb ik je geholpen. Ik zal je bewaren en je maken tot een verbond voor het volk, om het land te herstellen en verwoeste erfdelen weer uit te delen. 9. Zo zeg je tegen gevangenen: kom naar buiten, en tegen wie in het donker zitten: laat je zien. Zij zullen langs de wegen weiden en op alle kale hoogten hun weide vinden. 10. Zij zullen geen honger of dorst hebben, en hitte en zon zullen hen niet steken. Want wie zich over hen ontfermt, zal hen leiden en hen zachtjes naar waterbronnen brengen. 11. Ik maak al mijn bergen tot een weg, en mijn paden worden verhoogd. 12. Kijk, dezen komen van ver, dezen uit het noorden en het westen, en dezen uit het land Sinim. 13. Juich, hemel, en wees blij, aarde! Bergen, barst uit in gejuich! Want de HEERE heeft Zijn volk getroost en ontfermt zich over Zijn ellendigen. 14. Maar Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, de HEERE is mij vergeten. 15. Kan een vrouw haar zuigeling vergeten en zich niet ontfermen over het kind van haar schoot? Zelfs al zou zij het vergeten, ik vergeet jou niet. 16. Kijk, ik heb je in mijn handpalmen gegraveerd. Je muren staan mij altijd voor ogen. 17. Je zonen haasten zich naar je toe, en wie je verwoestten en vernielden, gaan bij je weg. 18. Kijk om je heen en zie: zij verzamelen zich allemaal en komen naar je toe. Zo waar als ik leef, zegt de HEERE, je zult ze allemaal als een sieraad dragen en ze ombinden als een bruid. 19. Want je puinhopen, je eenzame plekken en je verwoeste land zullen nu te klein zijn voor je inwoners. Wie jou verslonden, zijn ver weg. 20. De kinderen die je verloren had, zullen nog in je oren zeggen: De plaats is te krap voor mij, maak ruimte, zodat ik kan wonen. 21. Dan zul je in je hart zeggen: Wie heeft mij deze kinderen gebaard? Ik was kinderloos en eenzaam, weggevoerd en verdreven. Wie heeft dezen dan opgevoed? Ik was alleen overgebleven, waar waren zij dan? 22. Dit zegt de Heere HEERE: kijk, ik hef mijn hand op naar de volken en steek mijn vaandel op voor de naties. Zij zullen je zonen in hun armen brengen en je dochters op hun schouders dragen. 23. Koningen zullen je verzorgers zijn en hun vorstinnen je voedsters. Zij zullen zich met het gezicht naar de grond voor je buigen en het stof van je voeten likken. Dan zul je weten dat ik de HEERE ben en dat wie op mij wachten niet beschaamd worden. 24. Kan een held zijn buit afgenomen worden, of kunnen gevangenen van een rechtvaardige ontkomen? 25. Toch zegt de HEERE: ja, de gevangenen van de held worden hem afgenomen en de buit van de tiran ontkomt. Ik zal twisten met wie met jou twisten, en ik zal je kinderen verlossen. 26. Ik zal je verdrukkers hun eigen vlees laten eten en hen dronken maken van hun eigen bloed, als van jonge wijn. Dan zullen alle mensen weten dat ik, de HEERE, jouw Redder ben, jouw Verlosser, de Machtige van Jakob. ## Jesaja 50 — De rug van de Knecht 1. Dit zegt de HEERE: waar is de scheidbrief van jullie moeder, waarmee ik haar weggestuurd heb? Aan welke schuldeiser heb ik jullie verkocht? Kijk, om jullie schuld zijn jullie verkocht, en om jullie overtredingen is jullie moeder weggestuurd. 2. Waarom was er niemand toen ik kwam? Waarom antwoordde niemand toen ik riep? Is mijn hand te kort om te verlossen? Heb ik geen kracht om te redden? Kijk, met mijn dreiging maak ik de zee droog en de rivieren tot woestijn. Hun vissen stinken van dorst, want er is geen water. 3. Ik kleed de hemel in het zwart en geef hem een rouwkleed om. 4. De Heere HEERE gaf mij een tong van leerlingen, zodat ik de vermoeide met een woord kan bijstaan. Elke morgen wekt Hij mij, Hij wekt mijn oor om te horen zoals leerlingen horen. 5. De Heere HEERE heeft mijn oor geopend, en ik ben niet opstandig geweest. Ik ben niet teruggedeinsd. 6. Ik geef mijn rug aan wie mij slaan en mijn wangen aan wie mij de baard uittrekken. Ik verberg mijn gezicht niet voor beschimping en speeksel. 7. Want de Heere HEERE helpt mij, daarom word ik niet te schande. Daarom maakte ik mijn gezicht hard als een steen, want ik weet dat ik niet beschaamd word. 8. Hij die mij recht doet, is dichtbij. Wie wil met mij twisten? Laten wij samen gaan staan. Wie heeft een zaak tegen mij? Laat hij hier bij mij komen. 9. Kijk, de Heere HEERE helpt mij. Wie zal mij dan veroordelen? Kijk, zij zullen allemaal verslijten als een kleed; de mot zal hen opeten. 10. Wie van jullie heeft ontzag voor de HEERE en luistert naar de stem van Zijn Knecht? Wie in het donker loopt en geen licht heeft, moet vertrouwen op de naam van de HEERE en steunen op zijn God. 11. Kijk, jullie steken allemaal een vuur aan en omgorden je met fakkels. Loop dan maar in de vlam van je eigen vuur en in de fakkels die je hebt aangestoken. Dit krijgen jullie van mijn hand: in pijn zullen jullie liggen. ## Jesaja 51 — Kijk naar de rots waaruit je gehouwen bent 1. Luister naar mij, jullie die gerechtigheid najagen en de HEERE zoeken. Kijk naar de rots waaruit je gehouwen bent en naar de put waaruit je gegraven bent. 2. Kijk naar Abraham, jullie vader, en naar Sara, die jullie gebaard heeft. Want ik riep hem toen hij nog alleen was. Ik zegende hem en maakte hem talrijk. 3. Want de HEERE zal Sion troosten en al haar puinhopen troosten. Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de tuin van de HEERE. Vreugde en blijdschap zullen daar zijn, dank en het geluid van gezang. 4. Luister naar mij, mijn volk, en let op mij, mijn natie. Want een wet zal van mij uitgaan, en mijn recht stel ik tot een licht voor de volken. 5. Mijn gerechtigheid is nabij, mijn redding trekt uit en mijn armen zullen de volken oordelen. De eilanden wachten op mij en hopen op mijn arm. 6. Kijk omhoog naar de hemel en naar de aarde beneden. De hemel zal verdwijnen als rook en de aarde verslijten als een kleed. Haar bewoners sterven net zo. Maar mijn redding blijft eeuwig en mijn gerechtigheid wordt niet gebroken. 7. Luister naar mij, jullie die de gerechtigheid kennen, volk met mijn wet in het hart. Wees niet bang voor de smaad van mensen en schrik niet van hun beschimpingen. 8. Want de mot zal hen opeten als een kleed en de worm als wol. Maar mijn gerechtigheid blijft eeuwig en mijn redding van geslacht op geslacht. 9. Ontwaak, ontwaak, bekleed je met kracht, arm van de HEERE! Ontwaak als in de dagen van vroeger, als in de geslachten van lang geleden. Was U het niet die Rahab neersloeg en het zeemonster doorboorde? 10. Was U het niet die de zee droogmaakte, de wateren van de grote diepte? Die de diepten van de zee tot een weg maakte, zodat de verlosten erdoorheen konden gaan? 11. Zo zullen wie door de HEERE vrijgekocht zijn terugkeren en met gejuich in Sion komen. Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn. Vreugde en blijdschap zullen zij krijgen, en verdriet en zuchten vluchten weg. 12. Ik, ik ben het die jullie troost. Wie ben jij dan, dat je bang bent voor een mens die sterft, voor een mensenkind dat als gras vergaat? 13. Je vergeet de HEERE, je Maker, die de hemel uitspande en de aarde grondvestte. Je bent de hele dag bang voor de woede van de verdrukker, die klaarstaat om te vernietigen. Waar is die woede van de verdrukker nu? 14. Wie gebogen gevangen zit, wordt snel losgelaten. Hij zal niet in de kuil sterven en zijn brood zal hem niet ontbreken. 15. Want ik ben de HEERE, je God, die de zee opzweept zodat haar golven bruisen. HEERE van de legermachten is Zijn naam. 16. Ik leg mijn woorden in je mond en bedek je in de schaduw van mijn hand. Zo plant ik de hemel en grondvest ik de aarde, en zeg ik tegen Sion: jullie zijn mijn volk. 17. Word wakker, word wakker, sta op, Jeruzalem! Jij hebt uit de hand van de HEERE de beker van Zijn woede gedronken. De droesem van de beker van duizeling heb je gedronken en helemaal leeggezogen. 18. Van alle kinderen die zij gebaard heeft, is er niemand die haar leidt. Van alle kinderen die zij opvoedde, is er niemand die haar bij de hand neemt. 19. Deze twee dingen overkwamen je; wie heeft medelijden met jou? Er is verwoesting en vernietiging, honger en zwaard. Hoe zal ik je troosten? 20. Je kinderen zijn bezweken en liggen op elke straathoek, als een antilope in een net. Zij zijn vol van de woede van de HEERE, van de dreiging van je God. 21. Hoor daarom dit, verdrukte, jij die dronken bent, maar niet van wijn. 22. Dit zegt de Heere, de HEERE, je God, die de zaak van Zijn volk bepleit. Kijk, ik neem de beker van duizeling uit je hand, de droesem van de beker van mijn woede. Je zult hem nooit meer drinken. 23. Ik geef hem aan wie jou pijn deden, die tegen je zeiden: Buig je neer, dan lopen wij over je heen. En jij maakte je rug als de grond, als een straat voor wie erover gaan. ## Jesaja 52 — Hoe lieflijk zijn de voeten 1. Word wakker, word wakker, bekleed je met kracht, Sion! Trek je mooie kleren aan, Jeruzalem, heilige stad. Want voortaan komt er niemand meer in die onbesneden of onrein is. 2. Schud het stof van je af, sta op en ga zitten, Jeruzalem. Maak de banden om je hals los, gevangen dochter van Sion. 3. Want dit zegt de HEERE: jullie zijn voor niets verkocht, en jullie worden ook zonder geld losgekocht. 4. Want dit zegt de Heere HEERE: vroeger trok mijn volk naar Egypte om daar als vreemdeling te wonen, en Assur heeft het zonder reden onderdrukt. 5. En nu, wat moet ik hier doen? zegt de HEERE. Mijn volk is voor niets weggehaald. Wie over hen heersen, laten hen huilen, zegt de HEERE, en mijn naam wordt de hele dag gelasterd. 6. Daarom zal mijn volk mijn naam kennen op die dag. Zij zullen weten dat ik het zelf ben die spreekt: kijk, hier ben ik. 7. Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van wie goed nieuws brengt, van wie vrede laat horen. Hij brengt goed nieuws van het goede en laat redding horen. Hij zegt tegen Sion: Jouw God is Koning. 8. Hoor je wachters! Zij verheffen hun stem en juichen samen. Want zij zien met eigen ogen hoe de HEERE naar Sion terugkeert. 9. Barst uit in gejuich, puinhopen van Jeruzalem! Want de HEERE heeft Zijn volk getroost en Jeruzalem verlost. 10. De HEERE heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken. Alle einden van de aarde zullen de redding van onze God zien. 11. Vertrek, vertrek, ga daar weg en raak niets onreins aan. Ga weg uit hun midden en reinig je, jullie die de voorwerpen van de HEERE dragen. 12. Want jullie hoeven niet haastig weg te gaan en niet te vluchten. De HEERE zal voor jullie uit trekken, en de God van Israël sluit jullie rij. 13. Kijk, mijn Knecht zal verstandig handelen. Hij zal verhoogd en verheven worden, ja, zeer hoog. 14. Zoals velen over jou ontzet waren, zo verwoest was Zijn gezicht, meer dan van iemand anders, en Zijn gestalte meer dan die van mensen. 15. Zo zal Hij veel volken besprenkelen. Koningen zullen hun mond over Hem sluiten. Want zij zien wat hun niet verteld was en begrijpen wat zij niet gehoord hadden. ## Jesaja 53 — Een Man van smarten 1. Wie heeft onze boodschap geloofd? Aan wie is de arm van de HEERE zichtbaar geworden? 2. Hij schoot op als een twijgje voor Zijn aangezicht, als een wortel uit dorre grond. Hij had geen gestalte en geen pracht. Toen wij Hem zagen, was er niets aan Hem waardoor wij Hem begeerd zouden hebben. 3. Hij werd veracht, de minste onder de mensen, een Man van smarten, vertrouwd met ziekte. Men verborg het gezicht voor Hem. Hij werd veracht en wij achtten Hem niet. 4. Werkelijk, Hij heeft onze ziekten op zich genomen en onze smarten gedragen. Maar wij dachten dat Hij geslagen was, door God getroffen en vernederd. 5. Maar Hij is verwond om onze overtredingen en verbrijzeld om onze schuld. De straf die ons vrede brengt, lag op Hem, en door Zijn striemen is er genezing voor ons. 6. Wij dwaalden allemaal als schapen, ieder ging zijn eigen weg. Maar de HEERE liet de schuld van ons allen op Hem neerkomen. 7. Hij werd mishandeld, maar Hij deed Zijn mond niet open. Als een lam werd Hij naar de slacht geleid. Als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, deed Hij Zijn mond niet open. 8. Door dwang en recht werd Hij weggenomen. Wie van Zijn tijdgenoten dacht eraan? Hij werd afgesneden uit het land van de levenden. Om de overtreding van mijn volk kwam de plaag op Hem. 9. Men gaf Hem een graf bij de goddelozen, en bij een rijke in Zijn dood. Toch had Hij geen onrecht gedaan en was er geen bedrog in Zijn mond. 10. Toch behaagde het de HEERE Hem te verbrijzelen; Hij maakte Hem ziek. Als Zijn ziel zichzelf tot schuldoffer stelt, zal Hij nageslacht zien en lang leven. Wat de HEERE wil, zal door Zijn hand voorspoedig zijn. 11. Om het zwoegen van Zijn ziel zal Hij het zien en verzadigd worden. Door Zijn kennis zal mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij draagt hun schuld. 12. Daarom geef ik Hem een deel onder velen, en Hij zal de machtigen als buit verdelen. Want Hij goot Zijn ziel uit in de dood en werd bij de overtreders gerekend. Hij droeg de zonde van velen en bad voor de overtreders. ## Jesaja 54 — Zing, onvruchtbare 1. Zing vrolijk, onvruchtbare, die niet gebaard hebt! Barst uit in gejuich, jij die geen weeën gekend hebt! Want de kinderen van de eenzame zijn talrijker dan die van de getrouwde, zegt de HEERE. 2. Maak de plaats van je tent wijd en span de doeken van je woning uit, houd je niet in. Maak je touwen lang en zet je pinnen stevig vast. 3. Want je zult uitbreken naar rechts en naar links. Je nageslacht zal volken in bezit nemen en verwoeste steden bewonen. 4. Wees niet bang, want je zult niet beschaamd worden. Word niet rood, want je zult niet te schande worden. Je zult de schande van je jeugd vergeten en niet meer denken aan de smaad van je weduwschap. 5. Want je Maker is je Man, HEERE van de legermachten is Zijn naam. De Heilige van Israël is je Verlosser; Hij heet de God van de hele aarde. 6. Want de HEERE heeft je geroepen als een verlaten vrouw met een bedroefde geest. Je bent de vrouw van zijn jeugd die versmaad werd, zegt je God. 7. Voor een klein ogenblik heb ik je verlaten, maar met grote ontferming haal ik je terug. 8. In een opwelling van toorn verborg ik mijn gezicht even voor je. Maar met eeuwige liefde ontferm ik mij over je, zegt de HEERE, je Verlosser. 9. Dit is voor mij als de wateren van Noach. Ik zwoer toen dat die wateren de aarde niet meer zouden overstromen. Zo zweer ik nu dat ik niet meer boos op je zal zijn en je niet meer zal bedreigen. 10. Want bergen zullen wijken en heuvels wankelen, maar mijn liefde zal niet van je wijken. Mijn verbond van vrede wankelt niet, zegt de HEERE, die zich over je ontfermt. 11. Verdrukte, door de storm voortgedreven, ongetrooste: kijk, ik leg je stenen in fraaie mortel en grondvest je op saffieren. 12. Ik maak je tinnen van robijn, je poorten van kristal en je hele muur van kostbare stenen. 13. Al je kinderen zullen door de HEERE onderwezen zijn, en de vrede van je kinderen zal groot zijn. 14. Je zult door gerechtigheid gevestigd worden. Blijf ver van verdrukking, want je hoeft niet bang te zijn, en ver van schrik, want die komt niet bij je. 15. Kijk, men zal zich zeker verzamelen, maar niet door mij. Wie zich tegen je verzamelt, zal om jou vallen. 16. Kijk, ik heb de smid geschapen die kolen in het vuur aanblaast en een werktuig maakt voor zijn werk. Ik heb ook de verwoester geschapen om te vernielen. 17. Geen wapen dat tegen je gesmeed wordt, zal slagen. Elke tong die je in het gericht aanklaagt, zul je veroordelen. Dit is het erfdeel van de knechten van de HEERE, en hun gerechtigheid komt van mij, zegt de HEERE. ## Jesaja 55 — Kom naar het water 1. Kom naar het water, iedereen die dorst heeft! Wie geen geld heeft, kom en koop en eet. Kom, koop zonder geld en zonder prijs wijn en melk. 2. Waarom betaal je geld voor wat geen brood is en je loon voor wat niet verzadigt? Luister goed naar mij en eet het goede, en je ziel zal genieten van het beste. 3. Luister en kom naar mij, hoor, en je ziel zal leven. Ik zal met jullie een eeuwig verbond sluiten: de betrouwbare gunstbewijzen van David. 4. Kijk, ik heb hem tot getuige voor de volken gemaakt, tot vorst en gebieder van de volken. 5. Kijk, je zult een volk roepen dat je niet kende, en een volk dat jou niet kende, zal naar je toe rennen. Dat gebeurt om de HEERE, je God, en om de Heilige van Israël, die je verheerlijkt heeft. 6. Zoek de HEERE terwijl Hij te vinden is. Roep Hem aan terwijl Hij nabij is. 7. Laat de goddeloze zijn weg verlaten en de onrechtvaardige zijn gedachten. Laat hij terugkeren naar de HEERE, dan zal Hij zich over hem ontfermen, en naar onze God, want Hij vergeeft rijkelijk. 8. Want mijn gedachten zijn niet jullie gedachten, en jullie wegen zijn niet mijn wegen, zegt de HEERE. 9. Want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan jullie wegen en mijn gedachten hoger dan jullie gedachten. 10. De regen en de sneeuw dalen uit de hemel neer en keren daar niet terug. Zij doordrenken de aarde, laten haar uitspruiten en geven zaad aan de zaaier en brood aan de eter. 11. Zo zal ook mijn woord zijn dat uit mijn mond uitgaat. Het zal niet leeg naar mij terugkeren, maar doen wat mij behaagt en slagen in wat ik ermee wil. 12. Want jullie zullen met blijdschap uittrekken en in vrede geleid worden. De bergen en heuvels zullen voor jullie uitbarsten in gejuich, en alle bomen van het veld zullen in de handen klappen. 13. In plaats van een doorn komt een cipres op, in plaats van een distel een mirte. Dat zal voor de HEERE een naam zijn, een eeuwig teken dat niet uitgewist wordt. ## Jesaja 56 — Mijn huis, een huis van gebed 1. Dit zegt de HEERE: bewaar het recht en doe gerechtigheid. Want mijn redding komt bijna en mijn gerechtigheid wordt spoedig zichtbaar. 2. Gelukkig is de mens die dit doet en het mensenkind dat eraan vasthoudt. Hij houdt de sabbat en ontwijdt hem niet, en hij houdt zijn hand van alle kwaad. 3. Laat de vreemdeling die zich bij de HEERE gevoegd heeft niet zeggen: De HEERE zal mij zeker van Zijn volk scheiden. En laat de ontmande niet zeggen: Kijk, ik ben een dorre boom. 4. Want dit zegt de HEERE over de ontmanden die mijn sabbatten houden, die kiezen wat mij behaagt en vasthouden aan mijn verbond. 5. Ik zal hun in mijn huis en binnen mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan zonen en dochters. Ik geef ieder van hen een eeuwige naam die niet wordt uitgewist. 6. En de vreemdelingen voegen zich bij de HEERE om Hem te dienen. Zij hebben de naam van de HEERE lief en willen Zijn knechten zijn. Ieder van hen houdt de sabbat, ontwijdt hem niet en houdt vast aan mijn verbond. 7. Hen zal ik naar mijn heilige berg brengen en blij maken in mijn huis van gebed. Hun brandoffers en slachtoffers zullen aangenaam zijn op mijn altaar. Want mijn huis zal een huis van gebed heten voor alle volken. 8. De Heere HEERE, die de verdrevenen van Israël verzamelt, zegt: Ik zal er nog meer verzamelen bij wie al bijeengebracht zijn. 9. Kom om te eten, alle dieren van het veld, alle dieren in het bos! 10. Zijn wachters zijn allemaal blind en weten niets. Het zijn stomme honden die niet kunnen blaffen. Zij liggen te dromen en houden van sluimeren. 11. Deze honden zijn vraatzuchtig en worden nooit verzadigd. Het zijn herders zonder verstand. Zij gaan allemaal hun eigen weg, ieder op zijn eigen winst uit. 12. Zij zeggen: Kom, ik haal wijn en wij drinken sterkedrank. Morgen zal zijn als vandaag, alleen nog veel grootser. ## Jesaja 57 — De rechtvaardige komt om 1. De rechtvaardige komt om, en niemand neemt het ter harte. Trouwe mensen worden weggenomen, zonder dat iemand begrijpt dat de rechtvaardige voor het kwaad wordt weggenomen. 2. Hij gaat de vrede binnen. Zij rusten op hun bed, ieder die in oprechtheid geleefd heeft. 3. Maar kom hier, kinderen van de tovenares, nakomelingen van overspel en ontucht. 4. Met wie drijven jullie de spot? Tegen wie sperren jullie je mond open en steken jullie je tong uit? Zijn jullie geen kinderen van overtreding, nageslacht van leugen? 5. Jullie branden van lust bij de eiken, onder elke groene boom. Jullie slachten kinderen in de dalen, onder de spleten van de rotsen. 6. Bij de gladde stenen van het dal ligt jouw deel; dat is jouw lot. Je giet er drankoffers uit en brengt er graanoffers. Zou ik daarover tevreden zijn? 7. Op een hoge en verheven berg zet je je bed neer. Ook klim je daarheen om offers te brengen. 8. Achter de deur en de post zet je je teken. Je keert je van mij af, ontbloot je en klimt naar boven. Je maakt je bed breed en sluit een verbond met hen. Je houdt van hun bed, waar je het maar ziet. 9. Je trekt met olie naar de koning en gebruikt steeds meer zalf. Je stuurt je gezanten ver weg en vernedert je tot in het dodenrijk. 10. Je bent moe van je lange reis, maar je zegt niet: het is hopeloos. Je hebt nieuwe kracht gevonden, daarom word je niet moedeloos. 11. Voor wie was je bang en ongerust? Je hebt gelogen en niet aan mij gedacht. Je hebt mij niet ter harte genomen. Komt het niet doordat ik zwijg, al zo lang, en je daarom geen ontzag voor mij hebt? 12. Ik zal jouw gerechtigheid bekendmaken en je werken. Ze zullen je niet helpen. 13. Als je roept, laat dan je verzameling afgoden je redden. De wind zal ze allemaal wegvoeren, een zucht neemt ze mee. Maar wie op mij vertrouwt, zal het land erven en mijn heilige berg in bezit nemen. 14. Men zal zeggen: Hoog de weg op, hoog de weg op! Bereid de weg, haal de struikelblokken weg van de weg van het volk. 15. Want dit zegt de Hoge en Verhevene, die eeuwig woont en wiens naam heilig is. Ik woon in de hoogte en in het heilige, en ook bij wie verbrijzeld en nederig van geest zijn. Ik maak de geest van de nederigen levend en het hart van de verbrijzelden. 16. Want ik zal niet eeuwig twisten en niet altijd boos zijn. Anders zou de geest voor mij bezwijken, en de zielen die ik gemaakt heb. 17. Ik was boos om hun hebzuchtige onrecht en sloeg hen. Ik verborg mij en was boos, maar zij liepen afvallig hun eigen weg. 18. Ik zie hun wegen en ik zal hen genezen. Ik zal hen leiden en hun troost teruggeven, vooral aan wie treuren. 19. Ik schep de vrucht van de lippen. Vrede, vrede voor wie ver weg is en voor wie dichtbij is, zegt de HEERE, en ik zal hen genezen. 20. Maar de goddelozen zijn als een opgezweepte zee, die niet tot rust kan komen. Haar water werpt slijk en modder op. 21. De goddelozen hebben geen vrede, zegt mijn God. ## Jesaja 58 — Het vasten dat ik kies 1. Roep uit volle keel en houd je niet in. Verhef je stem als een bazuin. Vertel mijn volk hun overtreding en het huis van Jakob hun zonden. 2. Toch zoeken zij mij dagelijks en willen zij mijn wegen kennen. Zij lijken een volk dat gerechtigheid doet en het recht van zijn God niet verlaat. Zij vragen mij naar rechtvaardige oordelen en willen graag dicht bij God komen. 3. Zij zeggen: Waarom vasten wij en ziet U het niet? Waarom kwellen wij ons en merkt U het niet? Kijk, op je vastendag doe je je eigen zin en drijf je al je arbeiders op. 4. Kijk, jullie vasten om ruzie en twist, om met de vuist te slaan. Vast niet zoals vandaag, als je je stem in de hoogte wilt laten horen. 5. Is dat het vasten dat ik kies? Een dag waarop een mens zichzelf kwelt, zijn hoofd buigt als een riet en een rouwkleed onder zich spreidt? Noem je dat vasten en een dag die de HEERE behaagt? 6. Is dit niet het vasten dat ik kies: de boeien van goddeloosheid losmaken, de banden van het juk ontbinden, verdrukten vrijlaten en elk juk verbreken? 7. Is het niet dat je je brood deelt met wie honger heeft en arme zwervers in huis haalt? Je kleedt een naakte en verbergt je niet voor je eigen familie. 8. Dan zal je licht doorbreken als de dageraad en je herstel snel opkomen. Je gerechtigheid gaat voor je uit, en de heerlijkheid van de HEERE sluit je rij. 9. Dan zul je roepen en de HEERE zal antwoorden. Je zult schreeuwen en Hij zal zeggen: Kijk, hier ben ik. Doe dan het juk uit je midden weg, en het wijzen met de vinger en het kwaadspreken. 10. Open je ziel voor wie honger heeft en verzadig de vernederde. Dan zal je licht opgaan in de duisternis en je donkerheid worden als de middag. 11. De HEERE zal je altijd leiden. Hij zal je ziel verzadigen in dorre tijden en je botten sterk maken. Je zult zijn als een besproeide tuin en als een waterbron die nooit opdroogt. 12. Wie uit jou voortkomen, zullen de oude puinhopen herbouwen. Je zult fundamenten van vroegere geslachten weer oprichten. Men zal je noemen: wie bressen dichtmetselt, wie paden herstelt om te wonen. 13. Houd je voet terug op de sabbat en doe op mijn heilige dag niet je eigen zin. Noem de sabbat een verlustiging en houd de heilige dag van de HEERE in ere. Eer hem door niet je eigen wegen te gaan, je eigen zin niet te zoeken en er geen woord over te spreken. 14. Dan zul je vreugde vinden in de HEERE. Ik zal je laten rijden over de hoogten van de aarde en je voeden met het erfdeel van je vader Jakob. Want de mond van de HEERE heeft het gesproken. ## Jesaja 59 — Jullie zonden maken scheiding 1. Kijk, de hand van de HEERE is niet te kort om te verlossen, en Zijn oor is niet doof om te horen. 2. Maar jullie ongerechtigheden maken scheiding tussen jullie en jullie God. Jullie zonden verbergen Zijn gezicht, zodat Hij niet hoort. 3. Want jullie handen zijn met bloed bevlekt en jullie vingers met onrecht. Jullie lippen spreken leugens en jullie tong mompelt onrecht. 4. Niemand roept om gerechtigheid en niemand pleit eerlijk in het gericht. Zij vertrouwen op leegte en spreken leugen. Zij zijn zwanger van kwaad en baren onrecht. 5. Zij broeden slangeneieren uit en weven spinnenwebben. Wie van hun eieren eet, sterft, en als je erop drukt, barst er een adder uit. 6. Hun webben deugen niet als kleding en zij kunnen zich niet bedekken met hun werk. Hun werk is onrecht, en geweld ligt in hun handen. 7. Hun voeten rennen naar het kwaad en zij haasten zich om onschuldig bloed te vergieten. Hun gedachten zijn gedachten van onrecht; verwoesting en vernieling liggen op hun wegen. 8. De weg van de vrede kennen zij niet, en er is geen recht in hun sporen. Zij maken hun paden krom; wie erop gaat, kent de vrede niet. 9. Daarom is het recht ver van ons en bereikt de gerechtigheid ons niet. Wij wachten op licht, maar kijk, het is donker. Wij wachten op glans, maar wij lopen in het duister. 10. Wij tasten langs de muur als blinden, wij tasten als mensen zonder ogen. Op de middag struikelen wij als in de schemering. Onder de sterken zijn wij als doden. 11. Wij grommen allemaal als beren en kirren steeds als duiven. Wij wachten op recht, maar er is geen, op redding, maar die is ver van ons. 12. Want onze overtredingen zijn talrijk voor U, en onze zonden getuigen tegen ons. Onze overtredingen zijn bij ons en onze schuld kennen wij. 13. Wij overtraden en logen tegen de HEERE en weken terug van onze God. Wij spraken over onderdrukking en afval en verzonnen leugenwoorden in het hart. 14. Daarom is het recht teruggeweken en staat de gerechtigheid ver weg. De waarheid struikelt op straat en wat recht is, kan er niet binnenkomen. 15. De waarheid ontbreekt, en wie het kwaad mijdt, wordt beroofd. De HEERE zag het, en het was kwaad in Zijn ogen dat er geen recht was. 16. Hij zag dat er niemand was en verbaasde zich dat er geen voorbidder was. Daarom bracht Zijn eigen arm Hem redding en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem. 17. Hij trok gerechtigheid aan als een pantser en zette de helm van de redding op. Hij trok de kleren van de wraak aan en sloeg de ijver om als een mantel. 18. Hij zal vergelden naar de daden: woede aan Zijn tegenstanders, vergelding aan Zijn vijanden. Ook de eilanden zal Hij hun loon geven. 19. Dan zullen zij de naam van de HEERE vrezen vanaf het westen en Zijn heerlijkheid vanaf het oosten. Als de vijand komt als een stroom, zal de Geest van de HEERE het vaandel tegen hem opsteken. 20. Er zal een Verlosser naar Sion komen, voor wie zich in Jakob bekeren van hun overtreding, zegt de HEERE. 21. Wat mij betreft, dit is mijn verbond met hen, zegt de HEERE. Mijn Geest die op je is en mijn woorden die ik in je mond gelegd heb, zullen niet wijken uit je mond. Zij wijken ook niet uit de mond van je nageslacht, van nu af tot in eeuwigheid, zegt de HEERE. ## Jesaja 60 — Sta op, word verlicht 1. Sta op, word verlicht, want je licht komt en de heerlijkheid van de HEERE gaat over je op. 2. Want kijk, duisternis bedekt de aarde en donkerheid de volken. Maar over jou gaat de HEERE op, en Zijn heerlijkheid wordt over je gezien. 3. Volken zullen naar jouw licht gaan en koningen naar de glans die over je is opgegaan. 4. Kijk om je heen en zie: zij verzamelen zich allemaal en komen naar je toe. Je zonen komen van ver, en je dochters worden op de heup gedragen. 5. Dan zul je het zien en stralen. Je hart zal bonzen en wijd worden. Want de rijkdom van de zee komt naar je toe en de schatten van de volken komen bij je. 6. Een menigte kamelen zal je bedekken, jonge kamelen uit Midian en Efa. Allen uit Scheba zullen komen. Zij brengen goud en wierook en verkondigen de lof van de HEERE. 7. Alle schapen van Kedar zullen bij je verzameld worden en de rammen van Nebajoth zullen je dienen. Zij komen als welkom offer op mijn altaar, en ik zal mijn prachtige huis luisterrijk maken. 8. Wie zijn dat, die daar komen aanvliegen als een wolk, als duiven naar hun til? 9. Want de eilanden wachten op mij, en de schepen van Tarsis voorop. Zij brengen je kinderen van ver, met hun zilver en goud. Dat doen zij voor de naam van de HEERE, je God, en voor de Heilige van Israël, die je verheerlijkt heeft. 10. Vreemden zullen je muren bouwen en hun koningen zullen je dienen. Want in mijn woede sloeg ik je, maar in mijn welbehagen ontferm ik mij over je. 11. Je poorten zullen altijd openstaan; dag en nacht gaan zij niet dicht. Zo brengt men de rijkdom van de volken bij je binnen, met hun koningen in de stoet. 12. Want het volk en het koninkrijk dat jou niet dient, zal vergaan. Die volken worden volkomen verwoest. 13. De pracht van de Libanon komt naar je toe: de cipres, de olm en de buksboom bij elkaar. Zij versieren de plaats van mijn heiligdom, en ik zal de plaats van mijn voeten luisterrijk maken. 14. Gebogen zullen de kinderen van je onderdrukkers naar je toe komen. Allen die je gelasterd hebben, zullen zich buigen aan je voeten. Zij zullen je de stad van de HEERE noemen, het Sion van de Heilige van Israël. 15. Je was verlaten en gehaat, zodat niemand door je heen ging. Nu maak ik je tot een eeuwige pracht, tot een vreugde van geslacht op geslacht. 16. Je zult de melk van volken drinken en aan de borst van koningen liggen. Dan zul je weten dat ik, de HEERE, je Redder ben, je Verlosser, de Machtige van Jakob. 17. In plaats van brons breng ik goud, in plaats van ijzer zilver, in plaats van hout brons en in plaats van stenen ijzer. Ik maak de vrede tot je opzichter en de gerechtigheid tot je bestuur. 18. Er zal geen geweld meer gehoord worden in je land, geen verwoesting of vernieling in je gebied. Je zult je muren Redding noemen en je poorten Lof. 19. De zon zal overdag niet meer je licht zijn, en de maan zal je niet meer beschijnen. Want de HEERE zal je eeuwig licht zijn en je God je luister. 20. Je zon zal niet meer ondergaan en je maan haar licht niet intrekken. Want de HEERE zal je eeuwig licht zijn, en de dagen van je rouw zijn voorbij. 21. Je volk zal helemaal uit rechtvaardigen bestaan. Zij zullen het land voor altijd bezitten. Zij zijn een scheut van mijn planting, een werk van mijn handen, tot mijn eer. 22. De kleinste zal tot duizend worden en de minste tot een machtig volk. Ik, de HEERE, zal dit op zijn tijd snel laten gebeuren. ## Jesaja 61 — De Geest van de HEERE is op mij 1. De Geest van de Heere HEERE is op mij, want de HEERE heeft mij gezalfd. Hij stuurde mij om goed nieuws te brengen aan de zachtmoedigen en om gebroken harten te verbinden. Ik roep vrijheid uit voor gevangenen en opening van de kerker voor wie gebonden zijn. 2. Ik roep het jaar van het welbehagen van de HEERE uit en de dag van de wraak van onze God. Ik troost alle treurenden. 3. Ik geef de treurenden van Sion een kroon in plaats van as en vreugdeolie in plaats van rouw. Ik geef hun een kleed van lof in plaats van een moedeloze geest. Men zal hen eiken van gerechtigheid noemen, een planting van de HEERE, tot Zijn eer. 4. Zij zullen de oude puinhopen herbouwen en de vroegere verwoestingen weer oprichten. Zij vernieuwen de verwoeste steden die van geslacht op geslacht verlaten lagen. 5. Vreemden zullen klaarstaan om jullie kudden te weiden. Buitenlanders zullen jullie boeren en wijnbouwers zijn. 6. Maar jullie zullen priesters van de HEERE heten. Men zal jullie dienaren van onze God noemen. Jullie zullen de rijkdom van de volken eten en je beroemen op hun pracht. 7. In plaats van dubbele schaamte en schande zullen zij juichen over hun deel. Daarom krijgen zij in hun land een dubbel erfdeel en eeuwige vreugde. 8. Want ik, de HEERE, heb het recht lief. Ik haat roof in een brandoffer. Ik zal hun werk trouw belonen en een eeuwig verbond met hen sluiten. 9. Hun nageslacht zal bekend worden onder de volken en hun kinderen te midden van de naties. Iedereen die hen ziet, zal erkennen dat zij het nageslacht zijn dat de HEERE gezegend heeft. 10. Ik ben heel blij in de HEERE, mijn ziel juicht in mijn God. Want Hij heeft mij bekleed met kleren van redding en de mantel van gerechtigheid omgedaan. Zo tooit een bruidegom zich als een priester, en een bruid met haar sieraden. 11. Want de aarde laat haar groen opkomen en een tuin laat opschieten wat erin gezaaid is. Zo laat de Heere HEERE gerechtigheid en lof opkomen voor alle volken. ## Jesaja 62 — Om Sion zal ik niet zwijgen 1. Om Sion zal ik niet zwijgen en om Jeruzalem zal ik niet rusten. Ik zwijg pas als haar gerechtigheid opgaat als een glans en haar redding als een brandende fakkel. 2. De volken zullen je gerechtigheid zien en alle koningen je heerlijkheid. Je zult een nieuwe naam krijgen, die de mond van de HEERE zelf bepaalt. 3. Je zult een prachtige kroon zijn in de hand van de HEERE, een koninklijke tulband in de hand van je God. 4. Men zal je niet meer de Verlatene noemen en je land niet meer de Verwoeste. Je zult heten: mijn welbehagen is in haar, en je land: de Gehuwde. Want de HEERE heeft een welbehagen in jou, en je land wordt gehuwd. 5. Want zoals een jongeman met een jonge vrouw trouwt, zo zullen je kinderen met jou trouwen. Zoals een bruidegom blij is over zijn bruid, zo zal je God blij zijn over jou. 6. Jeruzalem, ik heb wachters op je muren gezet. Dag en nacht zullen zij niet zwijgen. Jullie die de HEERE herinneren, gun jezelf geen rust. 7. Geef Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem herstelt en haar tot een lof op aarde maakt. 8. De HEERE heeft gezworen bij Zijn rechterhand en bij Zijn sterke arm. Ik geef je koren niet meer als voedsel aan je vijanden. Vreemden zullen je most niet drinken waarvoor jij gewerkt hebt. 9. Wie het koren binnenhalen, zullen het eten en de HEERE prijzen. Wie de druiven verzamelen, zullen de wijn drinken in de voorhoven van mijn heiligdom. 10. Trek door, trek door de poorten en bereid de weg voor het volk. Hoog de baan op, hoog haar op, ruim de stenen weg en steek een vaandel omhoog voor de volken. 11. Kijk, de HEERE laat het horen tot aan het einde van de aarde. Zeg tegen de dochter van Sion: Kijk, je redding komt. Zijn loon is bij Hem en Zijn beloning gaat voor Hem uit. 12. Men zal hen het heilige volk noemen, de verlosten van de HEERE. En jij zult heten: de Gezochte, de stad die niet verlaten is. ## Jesaja 63 — Wie komt daar uit Edom? 1. Wie is dat, die uit Edom komt, met besprenkelde kleren uit Bozra? Die daar pronkt in Zijn gewaad en voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, die in gerechtigheid spreekt, machtig om te verlossen. 2. Waarom is Uw gewaad rood en zijn Uw kleren als van iemand die de wijnpers treedt? 3. Ik heb de pers alleen getreden; niemand van de volken was bij mij. Ik trad hen in mijn toorn en vertrapte hen in mijn woede. Hun bloed spatte op mijn kleren en heel mijn gewaad heb ik bevlekt. 4. Want de dag van de wraak was in mijn hart, en het jaar van mijn verlosten was gekomen. 5. Ik keek, maar er was niemand die hielp. Ik was ontzet, want er was niemand die steunde. Daarom bracht mijn eigen arm mij redding en mijn woede ondersteunde mij. 6. Ik vertrapte de volken in mijn toorn en maakte hen dronken in mijn woede. Hun kracht liet ik naar de aarde neerdalen. 7. Ik zal de goedheid van de HEERE noemen, de lof van de HEERE, naar alles wat de HEERE ons gedaan heeft. Ik noem de grote goedheid voor het huis van Israël, naar Zijn barmhartigheid en Zijn vele gunsten. 8. Want Hij zei: Zij zijn toch mijn volk, kinderen die niet zullen liegen. Zo werd Hij hun Redder. 9. In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel van Zijn aangezicht redde hen. Door Zijn liefde en Zijn genade verloste Hij hen. Hij tilde hen op en droeg hen alle dagen van vroeger. 10. Maar zij werden opstandig en deden Zijn heilige Geest verdriet. Daarom veranderde Hij voor hen in een vijand en streed Hij zelf tegen hen. 11. Toch dacht Hij aan de dagen van vroeger, aan Mozes en Zijn volk. Waar is Hij die hen uit de zee omhoog bracht, met de herders van Zijn kudde? Waar is Hij die Zijn heilige Geest in hun midden legde? 12. Waar is Hij die Zijn heerlijke arm liet gaan aan de rechterhand van Mozes? Hij spleet het water voor hen, om zich een eeuwige naam te maken. 13. Hij leidde hen door de diepten. Als een paard in de woestijn struikelden zij niet. 14. Als vee dat de vallei in gaat, zo gaf de Geest van de HEERE hun rust. Zo leidde U Uw volk, om Uzelf een heerlijke naam te maken. 15. Kijk uit de hemel en zie vanuit Uw heilige en heerlijke woning. Waar zijn Uw ijver en Uw kracht, Uw ontroering en Uw barmhartigheid? Die houdt U van mij weg. 16. Toch bent U onze Vader. Abraham weet niets van ons en Israël kent ons niet. U, HEERE, bent onze Vader; Verlosser van ons is Uw naam van oudsher. 17. HEERE, waarom laat U ons van Uw wegen dwalen? Waarom verhardt U ons hart, zodat wij geen ontzag voor U hebben? Keer terug omwille van Uw knechten, de stammen van Uw erfdeel. 18. Uw heilige volk heeft het maar korte tijd bezeten. Onze tegenstanders hebben Uw heiligdom vertrapt. 19. Wij zijn geworden als mensen over wie U nooit geheerst hebt, die nooit naar Uw naam genoemd zijn. ## Jesaja 64 — Scheur toch de hemel open 1. Scheur toch de hemel open en kom naar beneden, zodat de bergen voor U wegsmelten. 2. Zoals een smeltvuur brandt en water doet borrelen, zo moet U Uw naam bekendmaken aan Uw tegenstanders. Laat de volken beven voor Uw aangezicht. 3. Toen U vreselijke dingen deed die wij niet verwachtten, kwam U naar beneden en smolten de bergen voor U weg. 4. Van oudsher heeft niemand het gehoord of vernomen, en geen oog heeft gezien wat U doet voor wie op U wacht. 5. U ontmoet wie met vreugde gerechtigheid doen en aan U denken op Uw wegen. Kijk, U was boos omdat wij zondigden. Op die wegen ligt de eeuwigheid, zodat wij gered worden. 6. Maar wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een vies kleed. Wij vallen allemaal af als een blad, en onze misdaden voeren ons weg als de wind. 7. Er is niemand die Uw naam aanroept, niemand die zich opricht om U vast te grijpen. Want U verbergt Uw gezicht voor ons en laat ons wegsmelten door onze schuld. 8. Maar nu, HEERE, U bent onze Vader. Wij zijn leem en U bent onze pottenbakker. Wij zijn allemaal het werk van Uw handen. 9. HEERE, wees niet zo boos en denk niet eeuwig aan onze schuld. Kijk toch, wij zijn allemaal Uw volk. 10. Uw heilige steden zijn een woestijn geworden. Sion is een woestijn geworden en Jeruzalem een puinhoop. 11. Ons heilige en prachtige huis, waarin onze vaderen U loofden, is met vuur verbrand. Alles wat ons dierbaar was, ligt in puin. 12. HEERE, zou U zich hierover inhouden? Zou U zwijgen en ons zo diep laten lijden? ## Jesaja 65 — Ik schep een nieuwe hemel 1. Ik was te vinden voor wie niet naar mij vroegen. Ik liet mij vinden door wie mij niet zochten. Tegen een volk dat mijn naam niet droeg, zei ik: kijk, hier ben ik, hier ben ik. 2. De hele dag strekte ik mijn handen uit naar een opstandig volk. Zij gaan een weg die niet goed is, achter hun eigen gedachten aan. 3. Het is een volk dat mij voortdurend tergt, recht in mijn gezicht. Zij offeren in tuinen en branden wierook op tegels. 4. Zij zitten bij de graven en overnachten op verborgen plaatsen. Zij eten varkensvlees en hebben brouwsels van gruwelijke dingen in hun potten. 5. Zij zeggen: Blijf waar je bent en kom niet bij mij, want ik ben heiliger dan jij. Zulke mensen zijn rook in mijn neus, een vuur dat de hele dag brandt. 6. Kijk, het staat voor mij geschreven. Ik zal niet zwijgen, maar vergelden, ja, in hun schoot zal ik vergelden. 7. Ik vergeld jullie schuld en de schuld van jullie vaderen samen, zegt de HEERE. Zij brandden wierook op de bergen en hoonden mij op de heuvels. Daarom meet ik hun vroegere loon in hun schoot terug. 8. Dit zegt de HEERE: als men most vindt in een tros druiven, zegt men: Vernietig hem niet, er zit een zegen in. Zo zal ik het doen omwille van mijn knechten en niet alles vernietigen. 9. Ik zal nageslacht uit Jakob voortbrengen en uit Juda een erfgenaam van mijn bergen. Mijn uitverkorenen zullen het bezitten en mijn knechten zullen daar wonen. 10. Saron zal een schaapskooi worden en het dal van Achor een rustplaats voor runderen, voor mijn volk dat mij gezocht heeft. 11. Maar jullie verlaten de HEERE en vergeten mijn heilige berg. Jullie dekken een tafel voor het geluk en vullen bekers voor het lot. 12. Ik bestem jullie voor het zwaard, en jullie zullen allemaal knielen voor de slachting. Want ik riep, maar jullie antwoordden niet. Ik sprak, maar jullie luisterden niet. Jullie deden wat kwaad is in mijn ogen en kozen wat mij niet behaagt. 13. Daarom zegt de Heere HEERE: kijk, mijn knechten zullen eten, maar jullie zullen honger hebben. Mijn knechten zullen drinken, maar jullie zullen dorst hebben. Mijn knechten zullen blij zijn, maar jullie zullen beschaamd staan. 14. Kijk, mijn knechten zullen juichen van harte, maar jullie zullen schreeuwen van verdriet en huilen van gebroken geest. 15. Jullie naam zullen jullie achterlaten als een vloek voor mijn uitverkorenen. De Heere HEERE zal jullie doden, maar Zijn knechten geeft Hij een andere naam. 16. Wie zich op aarde zegent, zal zich zegenen in de God van de waarheid. Wie op aarde zweert, zal zweren bij de God van de waarheid. Want de vroegere noden zijn vergeten en verborgen voor mijn ogen. 17. Want kijk, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Aan de vroegere dingen zal niemand meer denken; ze komen niet meer in het hart op. 18. Wees blij en juich voor altijd over wat ik schep. Want kijk, ik schep Jeruzalem tot vreugde en haar volk tot blijdschap. 19. Ik zal mij verheugen over Jeruzalem en blij zijn over mijn volk. In haar zal geen stem van huilen of geschreeuw meer gehoord worden. 20. Daar zal geen zuigeling meer zijn die maar weinig dagen leeft, en geen oude man die zijn jaren niet volmaakt. Wie op honderdjarige leeftijd sterft, geldt nog als jong, en de zondaar van honderd jaar is vervloekt. 21. Zij zullen huizen bouwen en erin wonen, wijngaarden planten en hun vrucht eten. 22. Zij zullen niet bouwen voor een ander om te bewonen en niet planten voor een ander om te eten. Want de dagen van mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom, en mijn uitverkorenen zullen genieten van het werk van hun handen. 23. Zij zullen niet tevergeefs zwoegen en niet baren voor een plotselinge dood. Want zij zijn het nageslacht van wie de HEERE gezegend heeft, zij en hun kinderen met hen. 24. Nog voordat zij roepen, zal ik antwoorden. Terwijl zij nog spreken, zal ik horen. 25. De wolf en het lam zullen samen weiden, de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal het voedsel van de slang zijn. Zij zullen geen kwaad doen of verderf brengen op heel mijn heilige berg, zegt de HEERE. ## Jesaja 66 — De hemel is mijn troon 1. Dit zegt de HEERE: de hemel is mijn troon en de aarde de voetbank van mijn voeten. Waar zou dan het huis zijn dat jullie voor mij bouwen, en waar de plaats van mijn rust? 2. Want mijn hand heeft dit alles gemaakt en zo is het alles ontstaan, zegt de HEERE. Maar op deze mens zal ik letten: op de arme en verslagene van geest, die beeft voor mijn woord. 3. Wie een os slacht, doodt ook een man. Wie een lam offert, breekt ook een hond de nek. Wie een graanoffer brengt, offert ook varkensbloed. Wie wierook brandt, zegent ook een afgod. Zij kiezen hun eigen wegen en hun ziel houdt van hun gruwelen. 4. Daarom kies ik hun straf en breng ik over hen wat zij vrezen. Want ik riep en niemand antwoordde. Ik sprak en zij luisterden niet. Zij deden wat kwaad is in mijn ogen en kozen wat mij niet behaagt. 5. Hoor het woord van de HEERE, jullie die beven voor Zijn woord. Jullie eigen volksgenoten die jullie haten en verstoten om mijn naam, zeggen: Laat de HEERE zich groot tonen! Maar Hij zal verschijnen tot jullie vreugde, en zij zullen beschaamd staan. 6. Er klinkt een luid rumoer uit de stad, een stem uit de tempel: de stem van de HEERE, die Zijn vijanden vergeldt. 7. Voordat zij weeën had, heeft zij gebaard. Voordat de pijn kwam, bracht zij een jongetje ter wereld. 8. Wie heeft ooit zoiets gehoord? Wie heeft zoiets gezien? Kan een land op één dag geboren worden? Kan een volk in één keer ter wereld komen? Toch kreeg Sion weeën en baarde zij haar kinderen. 9. Zou ik de moederschoot openen en niet laten baren? zegt de HEERE. Zou ik, die laat baren, de schoot sluiten? zegt je God. 10. Wees blij met Jeruzalem en juich over haar, allen die van haar houden. Wees vrolijk met haar, jullie allen die over haar getreurd hebben. 11. Zo zullen jullie drinken en verzadigd worden aan de borst van haar troost. Jullie zullen genieten van de glans van haar heerlijkheid. 12. Want dit zegt de HEERE. Kijk, ik leid de vrede naar haar toe als een rivier en de rijkdom van de volken als een overstromende beek. Jullie zullen drinken, op de heup gedragen worden en op de knieën vertroeteld. 13. Zoals iemand die door zijn moeder getroost wordt, zo zal ik jullie troosten. In Jeruzalem zullen jullie getroost worden. 14. Jullie zullen het zien en je hart zal blij zijn. Je botten zullen opbloeien als jong gras. Dan wordt de hand van de HEERE bekend aan Zijn knechten, en Hij zal woedend zijn op Zijn vijanden. 15. Want kijk, de HEERE komt met vuur en Zijn wagens als een wervelwind. Hij komt met brandende toorn en met vlammen van vuur. 16. Want met vuur en met Zijn zwaard zal de HEERE oordelen over alle mensen. Wie door de HEERE gedood worden, zullen talrijk zijn. 17. Wie zichzelf heiligen en reinigen voor de tuinen, achter één in het midden. Wie varkensvlees, gruwelijke dingen en muizen eten, zullen samen omkomen, zegt de HEERE. 18. Ik ken hun werken en hun gedachten. De tijd komt dat ik alle volken en talen verzamel. Zij zullen komen en mijn heerlijkheid zien. 19. Ik zal een teken onder hen zetten. Wie ontkomen zijn, stuur ik naar de volken: naar Tarsis, Pul en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, naar de verre eilanden. Zij hebben niet van mij gehoord en mijn heerlijkheid niet gezien. Zij zullen mijn heerlijkheid onder de volken verkondigen. 20. Zij zullen al jullie verwanten uit alle volken als graanoffer voor de HEERE brengen. Zij komen op paarden en wagens, in draagstoelen, op muildieren en snelle kamelen, naar mijn heilige berg in Jeruzalem, zegt de HEERE. Zo brengen de Israëlieten hun graanoffer in een rein vat naar het huis van de HEERE. 21. Ook uit hen zal ik enkelen tot priesters en Levieten nemen, zegt de HEERE. 22. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde die ik maak, zullen voor mij blijven staan, zegt de HEERE. Zo zullen ook jullie nageslacht en jullie naam blijven staan. 23. Van nieuwe maan tot nieuwe maan en van sabbat tot sabbat zullen alle mensen komen om voor mij te buigen, zegt de HEERE. 24. Zij zullen naar buiten gaan en de lijken zien van wie tegen mij in opstand kwamen. Hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet doven. Zij zullen voor alle mensen een afschuw zijn. ## Jeremia 1 — De roeping van Jeremia 1. De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, een van de priesters in Anathoth, in het gebied van Benjamin. 2. Tot hem kwam het woord van de HEERE in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda. Dat was in het dertiende jaar van zijn regering. 3. Het kwam ook tot hem in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. Dat duurde tot het einde van het elfde jaar van Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda. In de vijfde maand werd Jeruzalem weggevoerd. 4. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 5. Hij zei: Voordat ik je in de moederschoot vormde, kende ik je. Voordat je geboren werd, heb ik je geheiligd. Ik heb je aangesteld tot profeet voor de volken. 6. Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, ik kan niet spreken, want ik ben te jong. 7. Maar de HEERE zei tegen mij: Zeg niet dat je te jong bent. Overal waarheen ik je stuur, zul je gaan, en alles wat ik je opdraag, zul je spreken. 8. Wees niet bang voor hen, want ik ben met je om je te redden, zegt de HEERE. 9. De HEERE stak Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. De HEERE zei tegen mij: Kijk, ik leg mijn woorden in je mond. 10. Kijk, ik stel je vandaag aan over de volken en de koninkrijken. Je zult uitrukken en afbreken, verwoesten en omverhalen, maar ook bouwen en planten. 11. Het woord van de HEERE kwam tot mij: Wat zie je, Jeremia? Ik zei: Ik zie een amandeltak. 12. De HEERE zei tegen mij: Je hebt goed gezien, want ik waak over mijn woord om het te doen. 13. Voor de tweede keer kwam het woord van de HEERE tot mij: Wat zie je? Ik zei: Ik zie een kokende pot, die vanuit het noorden overhelt. 14. De HEERE zei tegen mij: Uit het noorden zal het onheil losbarsten over alle inwoners van het land. 15. Want kijk, ik roep alle stammen van de koninkrijken in het noorden, zegt de HEERE. Zij zullen komen en ieder zijn troon zetten bij de ingang van de poorten van Jeruzalem. Zij komen tegen al haar muren rondom en tegen alle steden van Juda. 16. Ik zal mijn oordelen over hen uitspreken om al hun boosheid. Zij hebben mij verlaten, wierook gebrand voor andere goden en zich gebogen voor het werk van hun handen. 17. Maak jij je klaar, sta op en zeg tegen hen alles wat ik je opdraag. Wees niet bang voor hen, anders maak ik jou bang voor hen. 18. Want kijk, ik maak je vandaag tot een versterkte stad, een ijzeren pilaar en bronzen muren tegen het hele land. Je staat tegenover de koningen van Juda, haar vorsten, haar priesters en het volk van het land. 19. Zij zullen tegen je strijden, maar zij zullen je niet aankunnen. Want ik ben met je om je te redden, zegt de HEERE. ## Jeremia 2 — Twee kwade dingen 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 2. Hij zei: Ga en roep het uit voor de oren van Jeruzalem: dit zegt de HEERE. Ik denk aan de trouw van je jeugd, aan de liefde van je bruidstijd, toen je mij volgde in de woestijn, in onbezaaid land. 3. Israël was heilig voor de HEERE, de eerste vrucht van Zijn oogst. Wie ervan aten, werden schuldig; onheil kwam over hen, zegt de HEERE. 4. Hoor het woord van de HEERE, huis van Jakob en alle families van het huis van Israël. 5. Dit zegt de HEERE: welk onrecht vonden jullie vaderen bij mij, dat zij zo ver van mij wegliepen? Zij liepen achter leegte aan en werden zelf leeg. 6. Zij vroegen niet: waar is de HEERE, die ons uit Egypte bracht? Hij leidde ons door de woestijn, door een land van steppen en kuilen, van dorheid en schaduw van de dood. Daar ging niemand doorheen en woonde geen mens. 7. Ik bracht jullie in een vruchtbaar land om de vruchten en het goede ervan te eten. Maar toen jullie er kwamen, maakten jullie mijn land onrein en mijn erfdeel tot een gruwel. 8. De priesters vroegen niet: waar is de HEERE? Wie de wet hanteerden, kenden mij niet. De herders kwamen tegen mij in opstand, en de profeten profeteerden bij Baäl en liepen achter nutteloze dingen aan. 9. Daarom zal ik nog met jullie twisten, zegt de HEERE, en ook met jullie kleinkinderen. 10. Ga maar naar de eilanden van de Chitteeërs en kijk. Stuur naar Kedar en let goed op. Kijk of zoiets ooit gebeurd is. 11. Heeft ooit een volk zijn goden ingeruild, terwijl het geen goden zijn? Toch heeft mijn volk zijn Eer ingeruild voor wat niets oplevert. 12. Wees ontzet hierover, hemel, huiver en sta versteld, zegt de HEERE. 13. Want mijn volk heeft twee kwade dingen gedaan. Zij hebben mij verlaten, de bron van levend water, om zelf bakken uit te hakken, gebarsten bakken die geen water houden. 14. Is Israël dan een slaaf of een huisgeboren knecht? Waarom is hij dan een prooi geworden? 15. Jonge leeuwen brulden over hem en lieten hun stem horen. Zij maakten zijn land tot een woestenij. Zijn steden zijn verbrand, zodat niemand er meer woont. 16. Ook de mensen van Nof en Tachpanhes hebben je schedel kaalgevreten. 17. Doe je dit niet zelf, doordat je de HEERE, je God, verlaat terwijl Hij je op de weg leidt? 18. En nu, wat heb je te zoeken op de weg naar Egypte, om het water van de Nijl te drinken? Wat heb je te zoeken op de weg naar Assur, om het water van de rivier te drinken? 19. Je eigen boosheid zal je straffen en je afkeer zal je terechtwijzen. Weet dan en zie hoe kwaad en bitter het is dat je de HEERE, je God, verlaat. Je hebt geen ontzag voor mij, zegt de Heere, de HEERE van de legermachten. 20. Lang geleden brak ik je juk en verscheurde ik je banden. Maar je zei: ik wil niet dienen. Op elke hoge heuvel en onder elke groene boom lag je als een hoer. 21. Ik had je toch geplant als een edele wijnstok, van volkomen zuiver zaad. Hoe ben je dan voor mij veranderd in wilde ranken van een vreemde wijnstok? 22. Al zou je je wassen met loog en veel zeep gebruiken, toch blijft je schuld voor mij zichtbaar, zegt de Heere HEERE. 23. Hoe kun je zeggen: ik ben niet onrein, ik ben de Baäls niet achterna gelopen? Kijk naar je weg in het dal en zie wat je gedaan hebt, jij snelle jonge kameel die alle kanten op rent. 24. Zij is een wilde ezelin, gewend aan de woestijn, die in haar lust de wind opsnuift. Wie houdt haar tegen? Wie haar zoeken, hoeven zich niet af te matten; in haar maand vinden zij haar. 25. Houd je voet terug, zodat hij niet blootloopt, en je keel van dorst. Maar je zegt: het heeft geen zin. Nee, ik houd van vreemden en die zal ik volgen. 26. Zoals een dief zich schaamt als hij betrapt wordt, zo staat het huis van Israël beschaamd. Dat geldt hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten. 27. Zij zeggen tegen een stuk hout: jij bent mijn vader, en tegen een steen: jij hebt mij verwekt. Zij keren mij hun rug toe en niet hun gezicht. Maar in tijden van onheil zeggen zij: sta op en red ons. 28. Waar zijn dan je goden die je voor jezelf gemaakt hebt? Laat hen opstaan als zij je in tijden van onheil kunnen redden. Want je goden zijn zo talrijk als je steden, Juda. 29. Waarom klaag je mij aan? Jullie zijn allemaal tegen mij in opstand gekomen, zegt de HEERE. 30. Tevergeefs heb ik jullie kinderen geslagen; zij namen geen tucht aan. Jullie eigen zwaard heeft je profeten verslonden als een verscheurende leeuw. 31. Jullie van deze tijd, let op het woord van de HEERE! Ben ik voor Israël een woestijn geweest of een land van diepe duisternis? Waarom zegt mijn volk dan: wij gaan onze eigen gang, wij komen niet meer bij U? 32. Vergeet een jonge vrouw haar sieraden of een bruid haar gordel? Toch is mijn volk mij vergeten, dagen zonder tal. 33. Wat maak je je weg goed om liefde te zoeken! Zelfs de slechtste vrouwen heb je je wegen geleerd. 34. Ja, aan je zomen zit het bloed van onschuldige armen. Ik hoefde er niet naar te graven; het lag overal open. 35. Toch zeg je: ik ben onschuldig, Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Kijk, ik zal met je rechten, omdat je zegt: ik heb niet gezondigd. 36. Waarom loop je zo veel rond en verander je steeds van weg? Ook door Egypte word je beschaamd, zoals je door Assur beschaamd bent. 37. Ook daarvandaan zul je weggaan met je handen op je hoofd. Want de HEERE heeft verworpen op wie je vertrouwde; met hen zul je niet slagen. ## Jeremia 3 — Keer terug, afkerige kinderen 1. Men zegt: als een man zijn vrouw wegstuurt en zij gaat bij een ander horen, zou hij dan nog naar haar terugkeren? Zou dat land niet zwaar ontwijd worden? Jij hebt met veel minnaars gehoereerd. Keer toch terug naar mij, zegt de HEERE. 2. Kijk omhoog naar de kale hoogten en zie: waar ben je niet onteerd? Aan de wegen zat je op hen te wachten als een Arabier in de woestijn. Zo ontwijdde je het land met je ontucht en je boosheid. 3. Daarom bleven de regenbuien uit en kwam de late regen niet. Toch had je het voorhoofd van een hoer en weigerde je je te schamen. 4. Roep je nu niet tot mij: mijn Vader, U bent de leidsman van mijn jeugd? 5. Blijft Hij eeuwig boos? Houdt Hij het altijd vast? Kijk, zo spreek je, maar je doet dat kwaad en je krijgt je zin. 6. In de dagen van koning Josia zei de HEERE tegen mij: Heb je gezien wat het afkerige Israël gedaan heeft? Zij ging elke hoge berg op en onder elke groene boom, en daar hoereerde zij. 7. Ik dacht dat zij na dit alles naar mij zou terugkeren, maar zij keerde niet terug. Dat zag de trouweloze Juda, haar zus. 8. Ik zag het: omdat het afkerige Israël overspel bedreef, stuurde ik haar weg en gaf ik haar de scheidbrief. Toch was de trouweloze Juda, haar zus, niet bang, maar ging ook zelf hoereren. 9. Door haar lichtzinnige ontucht ontwijdde zij het land, want zij pleegde overspel met steen en hout. 10. Ondanks dit alles keerde haar trouweloze zus Juda niet met haar hele hart naar mij terug, maar alleen in schijn, zegt de HEERE. 11. De HEERE zei tegen mij: Het afkerige Israël staat er beter voor dan de trouweloze Juda. 12. Ga en roep deze woorden uit naar het noorden: keer terug, afkerig Israël, zegt de HEERE. Dan zal ik mijn toorn niet op jullie laten vallen, want ik ben trouw, zegt de HEERE. Ik houd de toorn niet eeuwig vast. 13. Erken alleen je schuld: je bent tegen de HEERE, je God, in opstand gekomen. Je liep achter vreemden aan onder elke groene boom, en je luisterde niet naar mijn stem, zegt de HEERE. 14. Keer terug, afkerige kinderen, zegt de HEERE, want ik ben jullie man. Ik zal jullie aannemen, één uit een stad en twee uit een familie, en ik breng jullie naar Sion. 15. Ik zal jullie herders geven naar mijn hart, die jullie weiden met kennis en inzicht. 16. Jullie zullen in het land talrijk en vruchtbaar worden, zegt de HEERE. In die dagen zal men niet meer spreken over de ark van het verbond van de HEERE. Men zal er niet meer aan denken, haar niet missen en haar niet opnieuw maken. 17. In die tijd zal men Jeruzalem de troon van de HEERE noemen. Alle volken zullen zich daar verzamelen om de naam van de HEERE, in Jeruzalem. Zij zullen niet meer hun eigen boze hart volgen. 18. In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan. Samen zullen zij uit het land van het noorden komen, naar het land dat ik jullie vaderen als erfdeel gegeven heb. 19. Ik had gezegd: hoe graag zou ik je onder de kinderen zetten en je het mooie land geven, het sierlijke erfdeel van de volken! Ik dacht: je zult mij Vader noemen en je niet van mij afkeren. 20. Maar zoals een vrouw haar man ontrouw verlaat, zo zijn jullie mij ontrouw geweest, huis van Israël, zegt de HEERE. 21. Op de kale hoogten klinkt een stem, het huilen en smeken van de Israëlieten. Want zij hebben hun weg verdraaid en de HEERE, hun God, vergeten. 22. De HEERE zegt: Keer terug, afkerige kinderen, ik zal jullie afkeer genezen. Hier zijn wij, wij komen naar U, want U bent de HEERE, onze God. 23. Werkelijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvels en het rumoer op de bergen. Werkelijk, in de HEERE, onze God, ligt de redding van Israël. 24. Maar de schande heeft het werk van onze vaderen opgegeten vanaf onze jeugd: hun schapen en runderen, hun zonen en dochters. 25. Wij liggen in onze schaamte en onze schande bedekt ons. Want wij hebben gezondigd tegen de HEERE, onze God, wij en onze vaderen, van onze jeugd tot vandaag. Wij hebben niet geluisterd naar de stem van de HEERE, onze God. ## Jeremia 4 — Breek een braakland open 1. Als je terugkeert, Israël, zegt de HEERE, keer dan terug naar mij. Als je je gruwelen voor mijn ogen wegdoet, hoef je niet meer te zwerven. 2. Zweer dan: zo waar de HEERE leeft, in waarheid, in recht en in gerechtigheid. Dan zullen de volken zich in Hem zegenen en zich op Hem beroemen. 3. Want dit zegt de HEERE tegen de mannen van Juda en tegen Jeruzalem: breek een braakland voor jezelf open en zaai niet tussen de doorns. 4. Besnijd je voor de HEERE en verwijder de voorhuid van je hart, mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Anders slaat mijn woede uit als een vuur dat niemand kan blussen, vanwege jullie slechte daden. 5. Vertel het in Juda en laat het horen in Jeruzalem. Blaas de bazuin in het land, roep met volle stem en zeg: verzamel je en laten wij de versterkte steden ingaan. 6. Steek een vaandel op naar Sion, vlucht in groepen en blijf niet staan. Want ik breng onheil uit het noorden en een grote ramp. 7. De leeuw is uit zijn struikgewas gekomen en de verwoester van volken is opgetrokken. Hij is uit zijn plaats gegaan om je land tot een woestenij te maken. Je steden worden verwoest, zodat er niemand meer woont. 8. Doe daarom rouwkleren aan, klaag en huil, want de brandende toorn van de HEERE is niet van ons afgekeerd. 9. Op die dag, zegt de HEERE, zal het hart van de koning en van de vorsten bezwijken. De priesters zullen ontzet staan en de profeten verbijsterd. 10. Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, U hebt dit volk en Jeruzalem zwaar misleid. U zei dat zij vrede zouden hebben, terwijl het zwaard tot aan de ziel raakt. 11. In die tijd zal men tegen dit volk en tegen Jeruzalem zeggen: er komt een gloeiende wind uit de woestijn. Hij komt van de kale hoogten naar de dochter van mijn volk. Hij komt niet om te wannen en niet om te zuiveren. 12. Een sterkere wind dan die komt voor mij. Nu zal ik ook mijn oordelen over hen uitspreken. 13. Kijk, hij komt op als wolken, zijn wagens zijn als een wervelwind en zijn paarden sneller dan arenden. Wee ons, wij zijn verwoest! 14. Was je hart schoon van boosheid, Jeruzalem, dan word je gered. Hoe lang laat je je lege gedachten nog in je binnenste overnachten? 15. Want een stem meldt het vanaf Dan en laat onheil horen vanaf het bergland van Efraïm. 16. Vertel het aan de volken, laat het horen tegen Jeruzalem: belegeraars komen uit een ver land en verheffen hun stem tegen de steden van Juda. 17. Als wachters op een veld staan zij rondom haar, want zij is opstandig tegen mij geweest, zegt de HEERE. 18. Je eigen weg en je daden hebben je dit aangedaan. Dit is je boosheid, en het is zo bitter dat het je hart raakt. 19. Mijn binnenste, mijn binnenste! Ik krimp van pijn. Mijn hart bonst in mij, ik kan niet zwijgen. Want mijn ziel hoort het geluid van de bazuin en het krijgsgeschreeuw. 20. Ramp op ramp wordt gemeld, want het hele land is verwoest. Plotseling zijn mijn tenten verwoest, mijn tentkleden in een ogenblik. 21. Hoe lang moet ik het vaandel zien en het geluid van de bazuin horen? 22. Werkelijk, mijn volk is dwaas; mij kennen zij niet. Het zijn domme kinderen zonder inzicht. Zij zijn wijs om kwaad te doen, maar goed doen kunnen zij niet. 23. Ik zag het land aan, en kijk, het was woest en leeg. Ik keek naar de hemel, en zijn licht was er niet. 24. Ik zag de bergen aan, en kijk, zij beefden, en alle heuvels schudden. 25. Ik keek, en er was geen mens. Alle vogels van de hemel waren weggevlogen. 26. Ik keek, en het vruchtbare land was een woestijn. Al zijn steden waren afgebroken, voor de HEERE, voor Zijn brandende toorn. 27. Want dit zegt de HEERE: het hele land zal een woestenij zijn, maar ik zal er geen einde aan maken. 28. Daarom zal de aarde treuren en de hemel daarboven zwart worden. Want ik heb het gesproken en besloten. Ik zal er geen spijt van krijgen en ik kom er niet op terug. 29. Voor het geroep van ruiters en boogschutters vlucht elke stad. Men gaat de struiken in en klimt de rotsen op. Alle steden zijn verlaten en niemand woont er nog. 30. En jij, verwoeste, wat ga je doen? Al kleed je je in scharlaken, al doe je gouden sieraden om, al maak je je ogen op met verf, je maakt jezelf tevergeefs mooi. Je minnaars verachten je en willen je leven. 31. Want ik hoor een stem als van een vrouw in barensnood, als van iemand die haar eerste kind krijgt. Het is de stem van de dochter van Sion. Zij hijgt en strekt haar handen uit en roept: Wee mij, mijn ziel bezwijkt door de moordenaars. ## Jeremia 5 — Zoek in de straten van Jeruzalem 1. Ga door de straten van Jeruzalem, kijk goed rond en zoek op haar pleinen. Als je één iemand vindt die recht doet en waarheid zoekt, zal ik haar vergeven. 2. Ook al zeggen zij: zo waar de HEERE leeft, toch zweren zij vals. 3. HEERE, zien Uw ogen niet naar waarheid? U sloeg hen, maar zij voelden geen pijn. U verteerde hen, maar zij weigerden de tucht. Zij maakten hun gezicht harder dan een rots en weigerden terug te keren. 4. Ik dacht: dit zijn maar gewone mensen. Zij handelen dwaas, want zij kennen de weg van de HEERE niet en het recht van hun God niet. 5. Ik zal naar de groten gaan en met hen spreken, want die kennen de weg van de HEERE en het recht van hun God. Maar ook zij hadden samen het juk gebroken en de banden verscheurd. 6. Daarom heeft een leeuw uit het bos hen geslagen en verwoest een wolf uit de steppe hen. Een luipaard loert op hun steden; wie eruit komt, wordt verscheurd. Want hun overtredingen zijn talrijk en hun afkeer is groot. 7. Hoe zou ik je dit vergeven? Je kinderen hebben mij verlaten en zweren bij wat geen God is. Ik gaf hun genoeg, maar zij pleegden overspel en liepen in drommen naar het hoerenhuis. 8. Als goed gevoerde hengsten staan zij vroeg op. Ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste. 9. Zou ik dit niet bezoeken? zegt de HEERE. Zou ik mij niet wreken op zo'n volk? 10. Klim op haar muren en verwoest ze, maar maak er geen einde aan. Haal haar ranken weg, want zij zijn niet van de HEERE. 11. Want het huis van Israël en het huis van Juda zijn mij volkomen ontrouw geweest, zegt de HEERE. 12. Zij verloochenen de HEERE en zeggen: Hij is het niet, ons overkomt geen kwaad; wij zullen zwaard noch honger zien. 13. De profeten zullen tot wind worden, want het woord is niet bij hen. Laat het hun zo vergaan. 14. Omdat jullie dit zeggen, spreekt de HEERE, de God van de legermachten. Kijk, ik maak mijn woorden in je mond tot vuur en dit volk tot hout, en het zal hen verteren. 15. Kijk, ik breng een volk van ver over jullie, huis van Israël, zegt de HEERE. Het is een sterk volk, een heel oud volk, een volk waarvan je de taal niet kent en niet verstaat wat het zegt. 16. Zijn pijlkoker is als een open graf; het zijn allemaal helden. 17. Het zal je oogst en je brood opeten, het voedsel van je zonen en dochters. Het zal je schapen en runderen opeten, je wijnstok en je vijgenboom. Je versterkte steden waarop je vertrouwt, maakt het arm met het zwaard. 18. Toch zal ik ook in die dagen geen einde aan jullie maken, zegt de HEERE. 19. Jullie zullen vragen waarom de HEERE, onze God, dit alles gedaan heeft. Zeg dan tegen hen: jullie hebben mij verlaten en vreemde goden in je land gediend. Zo zullen jullie vreemden dienen in een land dat niet van jullie is. 20. Vertel dit in het huis van Jakob en laat het horen in Juda. 21. Hoor nu dit, dwaas volk zonder verstand. Jullie hebben ogen, maar zien niet; oren, maar horen niet. 22. Zouden jullie geen ontzag voor mij hebben? zegt de HEERE. Zouden jullie niet beven voor mijn aangezicht? Ik heb het zand als grens voor de zee gesteld, een eeuwige regel die zij niet overschrijdt. Haar golven slaan, maar overwinnen niet; zij bruisen, maar gaan er niet overheen. 23. Maar dit volk heeft een afvallig en opstandig hart. Zij zijn afgevallen en weggegaan. 24. Zij zeggen niet in hun hart: laten wij ontzag hebben voor de HEERE, onze God. Hij geeft de vroege en late regen op tijd en bewaart voor ons de vaste weken van de oogst. 25. Jullie ongerechtigheden houden dat tegen, en jullie zonden onthouden je dat goede. 26. Want onder mijn volk zijn goddelozen. Zij loeren als vogelvangers, zetten een dodelijke strik en vangen mensen. 27. Zoals een kooi vol vogels zit, zo zijn hun huizen vol bedrog. Daarom zijn zij groot en rijk geworden. 28. Zij zijn vet en glad en gaan zelfs de daden van de bozen te boven. Zij doen geen recht, zelfs niet aan een wees, en toch gaat het hun goed. Het recht van de armen doen zij niet. 29. Zou ik dit niet bezoeken? zegt de HEERE. Zou ik mij niet wreken op zo'n volk? 30. Er gebeurt iets verschrikkelijks en afschuwelijks in het land. 31. De profeten profeteren leugens en de priesters heersen op eigen gezag. Mijn volk houdt daarvan. Maar wat zullen jullie doen als het einde komt? ## Jeremia 6 — Vlucht, kinderen van Benjamin 1. Vlucht in groepen, kinderen van Benjamin, weg uit Jeruzalem! Blaas de bazuin in Thekoa en steek een vuurteken op boven Beth-Cherem. Want uit het noorden komt onheil en een grote ramp. 2. De dochter van Sion heb ik vergeleken met een mooie en verwende vrouw. 3. Maar er komen herders naar haar toe met hun kudden. Zij slaan hun tenten rondom haar op en ieder graast zijn eigen deel af. 4. Bereid de strijd tegen haar voor! Sta op en laten wij op de middag optrekken. Wee ons, de dag loopt ten einde en de avondschaduwen worden lang. 5. Sta op, laten wij in de nacht optrekken en haar paleizen verwoesten. 6. Want dit zegt de HEERE van de legermachten: hak bomen om en werp een wal op tegen Jeruzalem. Dat is de stad die bezocht wordt; binnen in haar is enkel verdrukking. 7. Zoals een put zijn water opgeeft, zo geeft zij haar boosheid op. Geweld en verwoesting klinken in haar. Ziekte en wonden staan mij steeds voor ogen. 8. Laat je waarschuwen, Jeruzalem, anders keert mijn ziel zich van je af. Anders maak ik je tot een woestenij, een onbewoond land. 9. Dit zegt de HEERE van de legermachten: men zal de rest van Israël zorgvuldig nalezen als een wijnstok. Strek je hand nog eens uit naar de ranken, als een druivenplukker. 10. Tegen wie zal ik spreken en waarschuwen, zodat zij horen? Kijk, hun oor is onbesneden en zij kunnen niet luisteren. Het woord van de HEERE is voor hen een schande; zij vinden er niets aan. 11. Daarom ben ik vol van de woede van de HEERE; ik ben moe van inhouden. Ik zal haar uitstorten over de kinderen op straat en over de jonge mannen bij elkaar. Zelfs man en vrouw worden gevangen, oud en hoogbejaard. 12. Hun huizen gaan over op anderen, met hun akkers en vrouwen erbij. Want ik strek mijn hand uit tegen de inwoners van dit land, zegt de HEERE. 13. Want van klein tot groot zijn zij allemaal uit op winst. Van profeet tot priester pleegt ieder van hen bedrog. 14. Zij genezen de breuk van de dochter van mijn volk maar oppervlakkig. Zij zeggen: vrede, vrede! Maar er is geen vrede. 15. Schamen zij zich dat zij gruwelen deden? Nee, zij schamen zich helemaal niet en weten niet wat blozen is. Daarom zullen zij vallen onder wie vallen. Als ik hen bezoek, zullen zij struikelen, zegt de HEERE. 16. Dit zegt de HEERE: ga op de wegen staan en kijk. Vraag naar de oude paden, waar toch de goede weg is, en ga daarop. Dan zullen jullie rust vinden voor je ziel. Maar zij zeggen: wij gaan daar niet op. 17. Ik heb ook wachters over jullie aangesteld die zeiden: luister naar het geluid van de bazuin. Maar zij zeggen: wij luisteren niet. 18. Hoor daarom, volken, en weet, vergadering, wat er onder hen gebeurt. 19. Luister, aarde! Kijk, ik breng onheil over dit volk, de vrucht van hun eigen gedachten. Want zij letten niet op mijn woorden en mijn wet verwerpen zij. 20. Waarvoor komt er dan wierook uit Scheba naar mij en de beste kalmoes uit een ver land? Jullie brandoffers bevallen mij niet en jullie slachtoffers zijn mij niet zoet. 21. Daarom zegt de HEERE: kijk, ik leg dit volk struikelblokken in de weg. Vaders en kinderen zullen erover struikelen, buren en vrienden zullen omkomen. 22. Dit zegt de HEERE. Kijk, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie staat op van de uiteinden van de aarde. 23. Zij dragen boog en speer. Het is een wreed volk zonder barmhartigheid. Hun stem bruist als de zee en zij rijden op paarden. Het is toegerust als één man voor de oorlog tegen jou, dochter van Sion. 24. Wij hebben het bericht gehoord en onze handen werden slap. Benauwdheid greep ons aan, pijn als van een vrouw die baart. 25. Ga niet het veld in en loop niet op de weg, want het zwaard van de vijand is daar; overal is schrik. 26. Dochter van mijn volk, doe een rouwkleed aan en wentel je in de as. Rouw als om een enig kind, met een bittere klacht. Want plotseling komt de verwoester over ons. 27. Ik heb je onder mijn volk gezet als toetser en vesting, zodat je hun weg kunt kennen en beproeven. 28. Zij zijn allemaal de opstandigsten van de opstandigen, die met roddel rondgaan. Zij zijn brons en ijzer; zij zijn allemaal verderfelijk. 29. De blaasbalg is verbrand en het lood is door het vuur verteerd. Tevergeefs smolt de smelter zo ijverig, want de bozen zijn niet weggehaald. 30. Men noemt hen verworpen zilver, want de HEERE heeft hen verworpen. ## Jeremia 7 — De tempel van de HEERE 1. Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam. 2. Hij zei: Ga in de poort van het huis van de HEERE staan en roep daar dit woord uit. Zeg: hoor het woord van de HEERE, heel Juda, jullie die door deze poorten binnengaan om de HEERE te aanbidden. 3. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Maak je wegen en je daden goed, dan laat ik jullie op deze plaats wonen. 4. Vertrouw niet op leugenwoorden als: dit is de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE. 5. Maar maak echt je wegen en je daden goed. Doe werkelijk recht tussen de een en de ander. 6. Onderdruk de vreemdeling, de wees en de weduwe niet. Vergiet op deze plaats geen onschuldig bloed en loop geen andere goden achterna, tot je eigen schade. 7. Dan laat ik jullie op deze plaats wonen, in het land dat ik jullie vaderen gegeven heb, van eeuw tot eeuw. 8. Kijk, jullie vertrouwen op leugenwoorden die niets opleveren. 9. Zouden jullie stelen, moorden en overspel plegen, vals zweren, wierook branden voor Baäl en andere goden volgen die jullie niet kennen? 10. En dan komen jullie voor mijn aangezicht staan in dit huis dat mijn naam draagt. Zeggen jullie dan: wij zijn gered, om al deze gruwelen te doen? 11. Is dit huis dat mijn naam draagt in jullie ogen een rovershol? Kijk, ik heb het ook gezien, zegt de HEERE. 12. Ga naar mijn plaats in Silo, waar ik eerst mijn naam liet wonen. Kijk wat ik daarmee gedaan heb om de boosheid van mijn volk Israël. 13. En nu doen jullie dit alles, zegt de HEERE. Steeds opnieuw sprak ik tot jullie, maar jullie luisterden niet. Ik riep, maar jullie antwoordden niet. 14. Daarom zal ik met dit huis dat mijn naam draagt, waarop jullie vertrouwen, hetzelfde doen als met Silo. Ook met deze plaats, die ik jullie en jullie vaderen gegeven heb. 15. Ik zal jullie van mijn aangezicht wegwerpen, zoals ik al jullie verwanten, heel het nageslacht van Efraïm, weggeworpen heb. 16. Bid jij niet voor dit volk. Hef geen klacht of gebed voor hen op en dring niet bij mij aan, want ik zal je niet horen. 17. Zie je niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem? 18. De kinderen sprokkelen hout, de vaders steken het vuur aan en de vrouwen kneden deeg om offerkoeken te maken voor de koningin van de hemel. Zij brengen drankoffers aan andere goden om mij verdriet te doen. 19. Doen zij mij verdriet? zegt de HEERE. Doen zij het niet zichzelf aan, tot hun eigen schande? 20. Daarom zegt de Heere HEERE: kijk, mijn toorn en mijn woede worden over deze plaats uitgestort. Zij komen over mens en dier, over de bomen van het veld en de vrucht van het land. Het zal branden en niet geblust worden. 21. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: voeg je brandoffers bij je slachtoffers en eet het vlees maar op. 22. Want toen ik jullie vaderen uit Egypte leidde, sprak ik niet met hen over brandoffers en slachtoffers en gaf ik daarover geen gebod. 23. Maar dit heb ik hun geboden: luister naar mijn stem, dan zal ik jullie God zijn en zullen jullie mijn volk zijn. Ga helemaal de weg die ik jullie wijs, dan zal het jullie goed gaan. 24. Maar zij luisterden niet en neigden hun oor niet. Zij gingen hun eigen gang, naar het goeddunken van hun boze hart, en gingen achteruit in plaats van vooruit. 25. Van de dag af dat jullie vaderen uit Egypte trokken tot vandaag toe stuurde ik al mijn knechten, de profeten, dagelijks en steeds opnieuw. 26. Maar zij luisterden niet naar mij en neigden hun oor niet. Zij maakten hun nek hard en deden het nog erger dan hun vaderen. 27. Ook als jij al deze woorden tegen hen zegt, zullen zij niet naar je luisteren. Je zult hen roepen, maar zij antwoorden je niet. 28. Zeg daarom tegen hen: dit is het volk dat niet luistert naar de stem van de HEERE, zijn God, en geen tucht aanneemt. De waarheid is verdwenen en weggevaagd uit hun mond. 29. Scheer je haar af, Jeruzalem, en gooi het weg. Hef een klaaglied aan op de kale hoogten, want de HEERE heeft het geslacht van Zijn woede verworpen en verlaten. 30. Want de kinderen van Juda hebben gedaan wat kwaad is in mijn ogen, zegt de HEERE. Zij hebben hun gruwelen in het huis gezet dat mijn naam draagt en het zo onrein gemaakt. 31. Zij bouwden de offerhoogten van Tofeth in het dal van de zoon van Hinnom, om hun zonen en dochters met vuur te verbranden. Dat heb ik niet geboden en het is niet in mijn hart opgekomen. 32. Daarom komen er dagen, zegt de HEERE, dat het niet meer Tofeth of dal van de zoon van Hinnom zal heten, maar Moorddal. Men zal in Tofeth begraven omdat er geen plaats meer is. 33. De lijken van dit volk zullen voedsel zijn voor de vogels van de hemel en de dieren van het land, en niemand zal ze verjagen. 34. Ik zal uit de steden van Juda en de straten van Jeruzalem de stem van vreugde en blijdschap laten ophouden. Ook de stem van bruidegom en bruid zwijgt. Want het land zal een woestenij worden. ## Jeremia 8 — Is er geen balsem in Gilead? 1. In die tijd, zegt de HEERE, zullen zij de botten van de koningen van Juda uit hun graven halen. Ook de botten van hun vorsten, de priesters, de profeten en de inwoners van Jeruzalem. 2. Zij zullen ze uitspreiden voor de zon, de maan en heel het leger van de hemel. Die hadden zij lief en dienden zij, die liepen zij achterna en aanbaden zij. Zij worden niet verzameld en niet begraven; zij worden mest op de aardbodem. 3. De dood zal boven het leven verkozen worden door allen die van dit boze geslacht overblijven. Dat geldt op alle plaatsen waarheen ik hen verdreven heb, zegt de HEERE van de legermachten. 4. Zeg verder tegen hen: dit zegt de HEERE. Valt men en staat men niet weer op? Keert men zich af en komt men niet terug? 5. Waarom keert dit volk in Jeruzalem zich dan blijvend af? Zij houden vast aan bedrog en weigeren terug te keren. 6. Ik heb geluisterd en gehoord: zij spreken wat niet juist is. Niemand heeft spijt van zijn boosheid en vraagt: wat heb ik gedaan? Ieder rent zijn eigen weg, als een paard dat de strijd in stormt. 7. Zelfs de ooievaar aan de hemel kent zijn vaste tijden. Tortelduif, gierzwaluw en kraanvogel houden hun trektijd aan. Maar mijn volk kent het recht van de HEERE niet. 8. Hoe kunnen jullie zeggen: wij zijn wijs en de wet van de HEERE is bij ons? Kijk, de valse pen van de schrijvers heeft er leugen van gemaakt. 9. De wijzen worden beschaamd, geschrokken en gevangen. Kijk, zij hebben het woord van de HEERE verworpen; welke wijsheid zouden zij dan hebben? 10. Daarom geef ik hun vrouwen aan anderen en hun akkers aan nieuwe eigenaars. Want van klein tot groot zijn zij allemaal uit op winst; van profeet tot priester pleegt ieder bedrog. 11. Zij genezen de breuk van de dochter van mijn volk maar oppervlakkig. Zij zeggen: vrede, vrede! Maar er is geen vrede. 12. Schamen zij zich dat zij gruwelen deden? Nee, zij schamen zich helemaal niet en weten niet wat blozen is. Daarom zullen zij vallen onder wie vallen. In de tijd van hun bezoeking zullen zij struikelen, zegt de HEERE. 13. Ik zal hen zeker wegvagen, zegt de HEERE. Er zijn geen druiven aan de wijnstok en geen vijgen aan de vijgenboom; zelfs het blad is afgevallen. Wat ik hun gegeven heb, overtreden zij. 14. Waarom blijven wij zitten? Verzamel je en laten wij de versterkte steden ingaan en daar zwijgen. Want de HEERE, onze God, heeft ons laten zwijgen en ons gifwater te drinken gegeven, omdat wij tegen de HEERE gezondigd hebben. 15. Wij wachtten op vrede, maar er kwam niets goeds. Wij wachtten op genezing, maar kijk, er is schrik. 16. Vanaf Dan hoort men het snuiven van zijn paarden. Het hele land beeft van het gebries van zijn hengsten. Zij komen en verslinden het land en alles erop, de stad en haar inwoners. 17. Want kijk, ik stuur slangen onder jullie, gifslangen die niet te bezweren zijn, en die zullen jullie bijten, zegt de HEERE. 18. Mijn troost is verdriet geworden; mijn hart is ziek in mij. 19. Kijk, van ver weg klinkt het geschreeuw van de dochter van mijn volk. Is de HEERE dan niet in Sion, is haar koning niet bij haar? Waarom hebben zij mij getergd met hun beelden, met vreemde leegte? 20. De oogst is voorbij, de zomer is afgelopen, en wij zijn niet gered. 21. Ik ben gebroken door de breuk van de dochter van mijn volk. Ik ga in het zwart en ontzetting heeft mij aangegrepen. 22. Is er geen balsem in Gilead? Is daar geen genezer? Waarom is de gezondheid van de dochter van mijn volk dan niet hersteld? ## Jeremia 9 — Was mijn hoofd maar water 1. Was mijn hoofd maar water en mijn oog een bron van tranen! Dan zou ik dag en nacht huilen om de gesneuvelden van de dochter van mijn volk. 2. Had ik maar een hut in de woestijn voor reizigers! Dan zou ik mijn volk verlaten en bij hen weggaan. Want zij zijn allemaal overspelers, een troep trouwelozen. 3. Zij spannen hun tong als een boog voor de leugen. Zij worden machtig in het land, maar niet door waarheid. Zij gaan van kwaad tot erger, en mij kennen zij niet, zegt de HEERE. 4. Pas op voor je vriend en vertrouw geen broer. Want elke broer bedriegt en elke vriend gaat rond met roddel. 5. Zij bedriegen elkaar en spreken de waarheid niet. Zij leren hun tong leugens spreken en matten zich af met verkeerd doen. 6. Je woont midden in bedrog. Door bedrog weigeren zij mij te kennen, zegt de HEERE. 7. Daarom zegt de HEERE van de legermachten: kijk, ik zal hen smelten en beproeven. Wat kan ik anders doen met de dochter van mijn volk? 8. Hun tong is een moordende pijl die bedrog spreekt. Met de mond spreekt ieder vriendelijk tegen zijn naaste, maar van binnen legt hij een hinderlaag. 9. Zou ik dit niet bezoeken? zegt de HEERE. Zou ik mij niet wreken op zo'n volk? 10. Ik zal huilen en klagen over de bergen en een klaaglied zingen over de weiden in de woestijn. Want zij zijn verbrand, zodat niemand er doorheen trekt. Men hoort er geen vee, en vogels en dieren zijn weggetrokken. 11. Ik zal Jeruzalem tot steenhopen maken, een verblijf voor jakhalzen. De steden van Juda maak ik tot een woestenij zonder inwoners. 12. Wie is zo wijs dat hij dit begrijpt? Tegen wie heeft de mond van de HEERE gesproken, zodat hij het kan vertellen? Waarom is het land vergaan en verbrand als een woestijn, zodat niemand erdoorheen trekt? 13. De HEERE zei: Zij hebben mijn wet verlaten die ik hun gegeven heb. Zij hebben niet naar mijn stem geluisterd en er niet naar geleefd. 14. Zij volgden hun eigen koppige hart en de Baäls, zoals hun vaderen hun geleerd hadden. 15. Daarom zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: kijk, ik zal dit volk alsem te eten geven en gifwater te drinken. 16. Ik zal hen verstrooien onder volken die zij niet kenden, zij en hun vaderen. Ik stuur het zwaard achter hen aan tot ik hen vernietigd heb. 17. Dit zegt de HEERE van de legermachten: let op en roep de klaagvrouwen, laat hen komen. Stuur naar de kundige vrouwen, laat hen komen. 18. Laat hen zich haasten en over ons een klaaglied aanheffen, zodat onze ogen tranen en onze oogleden van water stromen. 19. Want uit Sion klinkt een klaagstem: hoe zijn wij verwoest! Wij staan diep beschaamd, want wij hebben het land verlaten en zij hebben onze woningen omvergeworpen. 20. Hoor dan het woord van de HEERE, vrouwen, en laat je oor het woord van Zijn mond ontvangen. Leer je dochters klagen en elkaar klaagliederen zingen. 21. Want de dood is door onze vensters geklommen en onze paleizen binnengekomen. Hij roeit de kinderen op straat uit en de jonge mannen op de pleinen. 22. Zeg: dit zegt de HEERE. De lijken van mensen zullen liggen als mest op het open veld, als een bundel achter de maaier die niemand opraapt. 23. Dit zegt de HEERE: laat een wijze zich niet beroemen op zijn wijsheid, en een sterke niet op zijn kracht. Laat een rijke zich niet beroemen op zijn rijkdom. 24. Wie zich beroemt, moet zich hierop beroemen: dat hij begrijpt en mij kent. Ik ben de HEERE, die goedheid, recht en gerechtigheid doet op aarde. Daarin heb ik vreugde, zegt de HEERE. 25. Kijk, er komen dagen, zegt de HEERE, dat ik iedereen bezoek die wel besneden is maar toch onbesneden. 26. Dat gaat over Egypte, Juda, Edom, de Ammonieten, Moab en allen met kaalgeschoren slapen die in de woestijn wonen. Want alle volken zijn onbesneden, en heel het huis van Israël is onbesneden van hart. ## Jeremia 10 — De goden van de volken 1. Hoor het woord dat de HEERE tot jullie spreekt, huis van Israël. 2. Dit zegt de HEERE: leer de weg van de volken niet. Schrik niet van de tekenen aan de hemel, ook al schrikken de volken daarvan. 3. Want de gebruiken van de volken zijn leegte. Het is hout, uit het bos gehakt, bewerkt door de bijl van een vakman. 4. Men versiert het met zilver en goud en zet het vast met spijkers en hamers, zodat het niet wankelt. 5. Zij staan als een vogelverschrikker in een komkommerveld en kunnen niet spreken. Zij moeten gedragen worden, want lopen kunnen zij niet. Wees niet bang voor hen, want zij doen geen kwaad en ook geen goed. 6. Niemand is als U, HEERE. U bent groot en Uw naam is groot in kracht. 7. Wie zou geen ontzag voor U hebben, Koning van de volken? Dat komt U toe. Want onder alle wijzen van de volken en in al hun koninkrijken is niemand als U. 8. In één ding zijn zij dom en dwaas: van een stuk hout valt niets te leren dan leegte. 9. Geplet zilver komt uit Tarsis en goud uit Ufaz, werk van een vakman en van een goudsmid. Hun kleding is blauwpurper en roodpurper; het is allemaal werk van kunstenaars. 10. Maar de HEERE God is de waarheid. Hij is de levende God en een eeuwige Koning. Voor Zijn woede beeft de aarde, en de volken kunnen Zijn toorn niet verdragen. 11. Dit moeten jullie tegen hen zeggen. De goden die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen verdwijnen van de aarde en van onder deze hemel. 12. Hij heeft de aarde gemaakt door Zijn kracht, de wereld gegrondvest door Zijn wijsheid en de hemel uitgespannen door Zijn verstand. 13. Als Hij Zijn stem laat horen, bruist het water in de hemel. Hij laat dampen opstijgen van het einde van de aarde. Hij maakt bliksem bij de regen en laat de wind uit Zijn schatkamers komen. 14. Ieder mens staat dom te kijken en weet niets. Elke goudsmid wordt beschaamd om zijn beeld, want zijn gegoten beeld is leugen en er zit geen adem in. 15. Het is leegte, bedrieglijk werk. Op de dag van hun bezoeking zullen zij verdwijnen. 16. Maar het deel van Jakob is anders, want Hij is de Formeerder van alles. Israël is de stam van Zijn erfdeel. HEERE van de legermachten is Zijn naam. 17. Raap je bundel van de grond, jij die in de belegerde stad woont. 18. Want dit zegt de HEERE: kijk, ik slinger de inwoners van het land deze keer weg. Ik zal hen benauwen, zodat zij het merken. 19. Wee mij om mijn breuk! Mijn wond is pijnlijk. Ik had gedacht: dit is een ziekte die ik wel kan dragen. 20. Mijn tent is verwoest en al mijn touwen zijn gebroken. Mijn kinderen zijn van mij weggegaan en zij zijn er niet meer. Niemand zet mijn tent nog op of spant mijn kleden uit. 21. Want de herders zijn dom geworden en hebben de HEERE niet gezocht. Daarom hebben zij niet verstandig gehandeld en is hun hele kudde verstrooid. 22. Kijk, er komt een bericht en een groot gedreun uit het land van het noorden. De steden van Juda worden een woestenij, een verblijf voor jakhalzen. 23. Ik weet, HEERE, dat de mens zijn weg niet in eigen hand heeft. Geen mens die loopt, bepaalt zelf zijn stap. 24. Straf mij, HEERE, maar met mate. Doe het niet in Uw toorn, anders maakt U mij tot niets. 25. Stort Uw woede uit over de volken die U niet kennen en over de families die Uw naam niet aanroepen. Want zij hebben Jakob opgegeten en verslonden en zijn woning verwoest. ## Jeremia 11 — De woorden van het verbond 1. Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam. 2. Hij zei: Hoor de woorden van dit verbond en spreek tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. 3. Zeg tegen hen: dit zegt de HEERE, de God van Israël. Vervloekt is de man die de woorden van dit verbond niet hoort. 4. Ik heb dit aan jullie vaderen geboden toen ik hen uit Egypte leidde, uit de ijzeroven. Ik zei: luister naar mijn stem en doe alles wat ik jullie opdraag. Dan zullen jullie mijn volk zijn en ik jullie God. 5. Zo zal ik de eed houden die ik jullie vaderen zwoer: een land geven dat overvloeit van melk en honing, zoals het vandaag is. Toen antwoordde ik: amen, HEERE. 6. De HEERE zei tegen mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem. Zeg: hoor de woorden van dit verbond en doe ze. 7. Want ik heb jullie vaderen ernstig gewaarschuwd toen ik hen uit Egypte leidde, en tot vandaag toe steeds opnieuw. Ik zei: luister naar mijn stem. 8. Maar zij luisterden niet en neigden hun oor niet. Ieder volgde het goeddunken van zijn boze hart. Daarom bracht ik over hen alle woorden van dit verbond, die ik geboden had te doen, maar die zij niet deden. 9. Verder zei de HEERE tegen mij: Er is een samenzwering gevonden onder de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. 10. Zij zijn teruggekeerd tot de zonden van hun voorvaderen, die weigerden naar mijn woorden te luisteren. Zij liepen achter andere goden aan om die te dienen. Het huis van Israël en het huis van Juda hebben mijn verbond met hun vaderen gebroken. 11. Daarom zegt de HEERE: kijk, ik breng onheil over hen waaraan zij niet kunnen ontkomen. Als zij dan tot mij roepen, zal ik niet naar hen luisteren. 12. Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem gaan roepen tot de goden voor wie zij wierook brandden. Maar die kunnen hen in de tijd van hun onheil helemaal niet redden. 13. Want je goden zijn zo talrijk als je steden, Juda. Zo talrijk als de straten van Jeruzalem zijn de altaren die jullie voor die schande gezet hebben, altaren om voor Baäl wierook te branden. 14. Bid jij niet voor dit volk en hef geen klacht of gebed voor hen op. Want ik zal niet luisteren als zij in hun onheil tot mij roepen. 15. Wat heeft mijn geliefde nog in mijn huis te zoeken, terwijl zij met velen die schanddaad doet? Ook het heilige vlees is van je weggenomen. Als je kwaad doet, spring je op van vreugde. 16. De HEERE noemde je een groene olijfboom, mooi van vrucht. Maar nu heeft Hij met groot geraas een vuur eronder aangestoken, en zijn takken worden gebroken. 17. Want de HEERE van de legermachten, die je geplant heeft, heeft onheil over je uitgesproken. Dat komt door de boosheid van het huis van Israël en het huis van Juda, die mij tergen door voor Baäl wierook te branden. 18. De HEERE liet het mij weten, zodat ik het wist. Toen liet U mij hun daden zien. 19. Ik was als een tam lam dat naar de slacht geleid wordt. Ik wist niet dat zij plannen tegen mij maakten. Zij zeiden: laten wij de boom met zijn vrucht vernietigen. Laten wij hem uitroeien uit het land van de levenden, zodat niemand meer aan zijn naam denkt. 20. Maar HEERE van de legermachten, rechtvaardige Rechter, die nieren en hart beproeft, laat mij Uw wraak op hen zien. Want aan U heb ik mijn zaak toevertrouwd. 21. Daarom spreekt de HEERE over de mannen van Anathoth die je leven zoeken. Zij zeggen dat je niet mag profeteren in de naam van de HEERE, anders sterf je door hun handen. 22. Daarom zegt de HEERE van de legermachten: kijk, ik zal hen bezoeken. De jonge mannen zullen door het zwaard sterven en hun zonen en dochters van honger. 23. Er zal niets van hen overblijven, want ik breng onheil over de mannen van Anathoth in het jaar van hun bezoeking. ## Jeremia 12 — Waarom gaat het de goddelozen goed? 1. U zou rechtvaardig zijn, HEERE, als ik met U zou twisten. Toch wil ik met U over Uw oordelen spreken. Waarom gaat het de goddelozen voor de wind? Waarom hebben alle trouwelozen rust? 2. U hebt hen geplant en zij hebben wortel geschoten. Zij groeien en dragen ook vrucht. U bent dicht bij hun mond, maar ver van hun binnenste. 3. Maar U, HEERE, kent mij. U ziet mij en beproeft mijn hart, dat het bij U is. Sleep hen weg als schapen naar de slacht en zet hen apart voor de dag van het doden. 4. Hoe lang zal het land treuren en het gras op elk veld verdorren? Door de boosheid van de bewoners vergaan de dieren en de vogels. Zij zeggen immers: Hij ziet ons einde niet. 5. Als je met voetgangers loopt en zij maken je al moe, hoe wil je dan met paarden wedijveren? Als je alleen in een vredig land vertrouwt, wat doe je dan in het struikgewas van de Jordaan? 6. Want ook je broers en het huis van je vader zijn je ontrouw. Ook zij roepen je luid achterna. Geloof hen niet, ook al spreken zij vriendelijk tegen je. 7. Ik heb mijn huis verlaten en mijn erfdeel opgegeven. Ik heb de geliefde van mijn ziel in de hand van haar vijanden gegeven. 8. Mijn erfdeel werd voor mij als een leeuw in het bos. Zij verhief haar stem tegen mij, daarom heb ik haar gehaat. 9. Mijn erfdeel is voor mij een bonte roofvogel; de roofvogels staan er rondom tegen. Kom, verzamel je, alle dieren van het veld, kom om te eten! 10. Veel herders hebben mijn wijngaard vernield en mijn akker vertrapt. Mijn kostbare akker hebben zij tot een woeste wildernis gemaakt. 11. Men heeft hem tot een woestenij gemaakt. Verwoest treurt hij voor mij. Het hele land is verwoest, omdat niemand het ter harte neemt. 12. Op alle kale hoogten in de woestijn zijn verwoesters gekomen. Want het zwaard van de HEERE verteert van het ene einde van het land tot het andere. Er is geen vrede voor wie dan ook. 13. Zij hebben tarwe gezaaid, maar doorns geoogst. Zij hebben zich afgemat zonder resultaat. Sta beschaamd om jullie opbrengst, om de brandende toorn van de HEERE. 14. Dit zegt de HEERE over al mijn boze buren die mijn erfdeel aanraken, dat ik mijn volk Israël gegeven heb. Kijk, ik zal hen uit hun land rukken, en het huis van Juda ruk ik uit hun midden. 15. Nadat ik hen uitgerukt heb, zal ik terugkeren en mij over hen ontfermen. Ik breng hen terug, ieder naar zijn erfdeel en ieder naar zijn land. 16. Misschien leren zij echt de wegen van mijn volk en zweren zij bij mijn naam dat de HEERE leeft. Dan zullen zij midden onder mijn volk gebouwd worden. Vroeger leerden zij mijn volk juist zweren bij Baäl. 17. Maar als zij niet luisteren, zal ik dat volk helemaal uitrukken en vernietigen, zegt de HEERE. ## Jeremia 13 — De linnen gordel 1. De HEERE zei tegen mij: Ga een linnen gordel kopen en doe hem om je heupen, maar laat hem niet in het water komen. 2. Ik kocht een gordel naar het woord van de HEERE en deed hem om mijn heupen. 3. Toen kwam het woord van de HEERE voor de tweede keer tot mij. 4. Hij zei: Neem de gordel die je gekocht hebt en die om je heupen zit. Sta op, ga naar de Frath en verberg hem daar in een rotsspleet. 5. Ik ging en verborg hem bij de Frath, zoals de HEERE mij bevolen had. 6. Na vele dagen zei de HEERE tegen mij: Sta op, ga naar de Frath en haal daar de gordel die ik je heb laten verbergen. 7. Ik ging naar de Frath, groef en haalde de gordel van de plaats waar ik hem verborgen had. En kijk, de gordel was bedorven en nergens meer goed voor. 8. Toen kwam het woord van de HEERE tot mij. 9. Dit zegt de HEERE: Zo zal ik de trots van Juda vernietigen en de grote trots van Jeruzalem. 10. Dit boze volk weigert naar mijn woorden te luisteren. Het volgt het goeddunken van zijn eigen hart en loopt achter andere goden aan om die te dienen en voor hen te buigen. Het zal worden als deze gordel, die nergens meer goed voor is. 11. Een gordel zit vast om de heupen van een man. Zo liet ik heel het huis van Israël en heel het huis van Juda aan mij vastzitten, zegt de HEERE. Zij zouden mijn volk zijn, tot naam, lof en eer. Maar zij hebben niet geluisterd. 12. Zeg daarom dit woord tegen hen: dit zegt de HEERE, de God van Israël. Alle kruiken worden met wijn gevuld. Dan zullen zij tegen je zeggen: weten wij dan niet dat alle kruiken met wijn gevuld worden? 13. Maar jij moet tegen hen zeggen: dit zegt de HEERE. Kijk, ik zal alle inwoners van dit land vullen met dronkenschap. Dat geldt de koningen op de troon van David, de priesters, de profeten en alle inwoners van Jeruzalem. 14. Ik zal hen tegen elkaar stukslaan, vaders en kinderen samen, zegt de HEERE. Ik zal niet sparen, geen medelijden hebben en mij niet ontfermen, maar hen vernietigen. 15. Hoor en luister goed, wees niet hoogmoedig, want de HEERE heeft gesproken. 16. Geef eer aan de HEERE, jullie God, voordat Hij het donker maakt en jullie voeten zich stoten in de schemerende bergen. Jullie wachten op licht, maar Hij maakt het tot schaduw van de dood en tot duisternis. 17. Als jullie hier niet naar luisteren, zal mijn ziel in het verborgen huilen om die hoogmoed. Mijn oog zal bitter huilen en van tranen stromen, omdat de kudde van de HEERE weggevoerd is. 18. Zeg tegen de koning en de koningin-moeder: ga lager zitten, want jullie prachtige kroon is van je hoofd gevallen. 19. De steden in het zuiden zijn gesloten en niemand opent ze. Heel Juda is weggevoerd, helemaal weggevoerd. 20. Kijk omhoog en zie wie daar uit het noorden komen. Waar is de kudde die je gegeven was, de schapen waar je trots op was? 21. Wat zul je zeggen als Hij je bezoekt? Je hebt hen zelf geleerd om vorsten over je te zijn. Zal de pijn je niet aangrijpen als van een vrouw die baart? 22. En als je in je hart zegt: waarom overkomt mij dit? Om je vele schuld zijn je zomen opgetild en je hielen met geweld ontbloot. 23. Kan een Ethiopiër zijn huid veranderen of een luipaard zijn vlekken? Dan zouden ook jullie goed kunnen doen, die geleerd hebben kwaad te doen. 24. Daarom zal ik hen verstrooien als stoppels die wegwaaien op de woestijnwind. 25. Dat is jouw lot, het deel dat ik voor je afmeet, zegt de HEERE. Want je bent mij vergeten en vertrouwt op leugen. 26. Daarom til ik ook je zomen op tot over je gezicht, zodat je schande te zien is. 27. Ik heb je overspel gezien en je hunkeren, je schandelijke ontucht op de heuvels en in het veld. Ik heb je gruwelen gezien. Wee jou, Jeruzalem! Word je dan niet rein? Hoe lang nog? ## Jeremia 14 — De grote droogte 1. Het woord van de HEERE dat tot Jeremia kwam over de grote droogte. 2. Juda treurt en haar poorten zijn verzwakt. Zij zitten in het zwart op de grond, en het geschreeuw van Jeruzalem stijgt op. 3. De aanzienlijken sturen hun knechten om water. Zij komen bij de putten, maar vinden geen water. Zij komen terug met lege kruiken, beschaamd en rood van schaamte, en bedekken hun hoofd. 4. De grond is gebarsten, omdat er geen regen op het land valt. De boeren staan beschaamd en bedekken hun hoofd. 5. Zelfs de hinde in het veld laat haar jong achter, omdat er geen jong gras is. 6. De wilde ezels staan op de kale hoogten en snuiven de wind op als jakhalzen. Hun ogen bezwijken, omdat er geen groen is. 7. Al getuigen onze zonden tegen ons, HEERE, doe het toch om Uw naam. Want onze afkeer is groot; wij hebben tegen U gezondigd. 8. Hoop van Israël, zijn Redder in tijd van nood, waarom bent U als een vreemdeling in het land? Waarom als een reiziger die alleen blijft overnachten? 9. Waarom bent U als een verbijsterd man, als een held die niet kan redden? Toch bent U in ons midden, HEERE, en wij dragen Uw naam. Verlaat ons niet. 10. Dit zegt de HEERE over dit volk: zij houden ervan om te zwerven en sparen hun voeten niet. Daarom heeft de HEERE geen behagen in hen. Nu denkt Hij aan hun schuld en bezoekt Hij hun zonden. 11. Verder zei de HEERE tegen mij: Bid niet voor het geluk van dit volk. 12. Al vasten zij, ik zal niet naar hun geschreeuw luisteren. Al brengen zij brandoffers en graanoffers, ik zal geen behagen in hen hebben. Ik zal hen vernietigen door zwaard, honger en pest. 13. Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, de profeten zeggen tegen hen dat zij geen zwaard zullen zien en geen honger zullen hebben. Zij beloven blijvende vrede op deze plaats. 14. De HEERE zei tegen mij: De profeten profeteren leugens in mijn naam. Ik heb hen niet gestuurd, hun niets opgedragen en niet tot hen gesproken. Zij profeteren jullie een vals visioen, waarzeggerij, leegte en bedrog uit hun eigen hart. 15. Daarom zegt de HEERE over de profeten die in mijn naam profeteren zonder dat ik hen gestuurd heb. Zij zeggen dat er geen zwaard en geen honger in dit land zal komen. Juist die profeten zullen door zwaard en honger omkomen. 16. Het volk tot wie zij profeteren, zal op de straten van Jeruzalem liggen door honger en zwaard. Niemand zal hen begraven, hen, hun vrouwen, hun zonen en dochters. Zo stort ik hun eigen boosheid over hen uit. 17. Zeg dit woord tegen hen: mijn ogen zullen dag en nacht tranen en niet ophouden. Want de jonge dochter van mijn volk is zwaar gebroken, met een heel pijnlijke slag. 18. Ga ik het veld in, dan zie ik wie door het zwaard gevallen zijn. Kom ik in de stad, dan zie ik wie ziek zijn van honger. Zelfs profeet en priester zwerven door het land zonder te weten. 19. Hebt U Juda dan helemaal verworpen? Walgt Uw ziel van Sion? Waarom hebt U ons geslagen zonder genezing? Wij wachtten op vrede, maar er kwam niets goeds; op genezing, maar kijk, er is schrik. 20. HEERE, wij kennen onze goddeloosheid en de schuld van onze vaderen, want wij hebben tegen U gezondigd. 21. Versmaad ons niet, om Uw naam. Werp de troon van Uw heerlijkheid niet neer. Denk aan Uw verbond met ons en verbreek het niet. 22. Kunnen de nietige goden van de volken regen geven? Kan de hemel vanzelf buien geven? Bent U het niet, HEERE, onze God? Daarom wachten wij op U, want U doet dit alles. ## Jeremia 15 — Al stonden Mozes en Samuël voor mij 1. Maar de HEERE zei tegen mij: Al stonden Mozes en Samuël voor mij, toch zou mijn hart niet naar dit volk uitgaan. Stuur hen weg van mijn aangezicht en laat hen gaan. 2. Als zij je vragen waar zij heen moeten, zeg dan tegen hen: dit zegt de HEERE. Wie bestemd is voor de dood, gaat naar de dood, en wie voor het zwaard, naar het zwaard. Wie bestemd is voor de honger, gaat naar de honger, en wie voor de gevangenschap, naar de gevangenschap. 3. Ik zal hen bezoeken met vier plagen, zegt de HEERE. Het zwaard komt om te doden en de honden om te slepen. De vogels en de dieren komen om te eten en te vernietigen. 4. Ik zal hen tot een schrikbeeld maken voor alle koninkrijken op aarde. Dat komt door wat Manasse, de zoon van Hizkia, de koning van Juda, in Jeruzalem deed. 5. Want wie zou jou sparen, Jeruzalem? Wie zou medelijden met je hebben? Wie zou een omweg maken om naar je vrede te vragen? 6. Jij hebt mij verlaten, zegt de HEERE; je ging achteruit. Daarom strek ik mijn hand tegen je uit en vernietig ik je. Ik ben het moe geworden om spijt te hebben. 7. Ik zal hen wannen met een wan in de poorten van het land. Ik heb mijn volk van kinderen beroofd en vernietigd, want zij keerden niet terug van hun wegen. 8. Hun weduwen werden voor mij talrijker dan het zand van de zee. Ik bracht over de moeder van een jonge man een verwoester op klaarlichte dag. Plotseling liet ik schrik en ontzetting over de stad komen. 9. Wie zeven kinderen baarde, is verzwakt. Zij blies haar laatste adem uit; haar zon ging onder terwijl het nog dag was. Zij staat beschaamd en rood van schaamte. Wie van hen overblijft, geef ik aan het zwaard, voor de ogen van hun vijanden, zegt de HEERE. 10. Wee mij, mijn moeder, dat je mij gebaard hebt, een man van twist en ruzie voor het hele land. Ik heb niets geleend en niets uitgeleend, en toch vervloekt iedereen mij. 11. De HEERE zei: Werkelijk, ik zal je goed doen. Werkelijk, in de tijd van onheil en nood laat ik de vijand je smeken. 12. Kan ijzer het ijzer uit het noorden breken, of brons? 13. Ik zal je vermogen en je schatten zonder prijs als buit geven, om al je zonden in heel je gebied. 14. Ik zal je met je vijanden meevoeren naar een land dat je niet kent. Want in mijn toorn is een vuur ontstoken dat over jullie brandt. 15. HEERE, U weet het. Denk aan mij, bezoek mij en wreek mij op mijn vervolgers. Neem mij niet weg in Uw geduld met hen. Weet dat ik om U smaad draag. 16. Toen Uw woorden gevonden werden, heb ik ze opgegeten. Uw woord werd mij tot vreugde en blijdschap van mijn hart, want ik draag Uw naam, HEERE, God van de legermachten. 17. Ik heb niet in de kring van spotters gezeten en niet gejuicht. Door Uw hand zat ik alleen, want U had mij met woede gevuld. 18. Waarom duurt mijn pijn maar voort en is mijn wond zo pijnlijk? Zij weigert te genezen. Zou U voor mij zijn als een beek die bedriegt, als water dat niet betrouwbaar is? 19. Daarom zegt de HEERE: als jij terugkeert, laat ik je terugkomen, en je zult voor mijn aangezicht staan. Als je het kostbare van het waardeloze scheidt, zul je als mijn mond zijn. Laat hen naar jou terugkeren, maar keer jij niet naar hen terug. 20. Ik heb je tegen dit volk gesteld als een sterke bronzen muur. Zij zullen tegen je strijden, maar je niet aankunnen. Want ik ben met je om je te redden en te bevrijden, zegt de HEERE. 21. Ja, ik zal je redden uit de hand van de bozen en je bevrijden uit de greep van tirannen. ## Jeremia 16 — Geen vrouw, geen kinderen 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 2. Hij zei: Neem geen vrouw en krijg geen zonen of dochters op deze plaats. 3. Want dit zegt de HEERE over de zonen en dochters die op deze plaats geboren worden, en over hun moeders en vaders in dit land. 4. Zij zullen aan pijnlijke ziekten sterven. Men zal niet om hen rouwen en hen niet begraven; zij worden mest op de aardbodem. Zij zullen omkomen door zwaard en honger, en hun lijken worden voedsel voor de vogels en de dieren. 5. Want dit zegt de HEERE: ga niet in een huis waar een rouwmaaltijd is. Ga niet klagen en heb geen medelijden met hen. Want ik heb mijn vrede, mijn goedheid en mijn barmhartigheid van dit volk weggenomen, zegt de HEERE. 6. Groot en klein zullen in dit land sterven en niet begraven worden. Men zal niet om hen klagen, zich niet insnijden en zich niet kaal scheren om hen. 7. Men zal geen brood uitdelen bij de rouw om iemand over een dode te troosten. Men zal hun ook geen troostbeker te drinken geven om vader of moeder. 8. Ga ook niet in een huis waar feest is om bij hen te zitten, te eten en te drinken. 9. Want dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Kijk, voor jullie ogen en in jullie dagen laat ik op deze plaats de vreugde ophouden. Dan zwijgt ook de stem van bruidegom en bruid. 10. Als jij dit volk al deze woorden vertelt, zullen zij vragen: waarom spreekt de HEERE al dit grote kwaad over ons uit? Wat is onze misdaad en onze zonde tegen de HEERE, onze God? 11. Zeg dan tegen hen: jullie vaderen hebben mij verlaten, zegt de HEERE. Zij liepen achter andere goden aan, dienden die en bogen ervoor. Maar mij hebben zij verlaten en mijn wet niet gehouden. 12. En jullie hebben het nog erger gedaan dan jullie vaderen. Kijk, ieder van jullie volgt het goeddunken van zijn boze hart en luistert niet naar mij. 13. Daarom werp ik jullie uit dit land in een land dat jullie niet kennen, jullie noch jullie vaderen. Daar zullen jullie dag en nacht andere goden dienen, omdat ik jullie geen genade geef. 14. Daarom komen er dagen, zegt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: zo waar de HEERE leeft, die de Israëlieten uit Egypte geleid heeft. 15. Maar men zal zeggen: zo waar de HEERE leeft, die de Israëlieten uit het land van het noorden geleid heeft. Hij bracht hen uit alle landen waarheen Hij hen verdreven had. Want ik breng hen terug in hun land, dat ik hun vaderen gegeven heb. 16. Kijk, ik stuur veel vissers, zegt de HEERE, en die zullen hen vissen. Daarna stuur ik veel jagers, en die zullen hen opjagen van elke berg en elke heuvel en uit de rotsspleten. 17. Want mijn ogen zijn op al hun wegen. Zij zijn niet verborgen voor mijn aangezicht, en hun schuld blijft niet verborgen voor mijn ogen. 18. Eerst zal ik hun schuld en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij mijn land ontwijd hebben. Zij hebben mijn erfdeel gevuld met de lijken van hun gruwelen en afgoden. 19. HEERE, U bent mijn kracht en mijn sterkte, mijn toevlucht op de dag van nood. Naar U zullen de volken komen van de einden van de aarde en zeggen: onze vaderen erfden alleen leugen en leegte, waar niets aan was. 20. Zou een mens zelf goden maken? Het zijn toch geen goden. 21. Daarom, kijk, deze keer maak ik het hun bekend. Ik laat hun mijn hand en mijn macht zien, en zij zullen weten dat mijn naam HEERE is. ## Jeremia 17 — Het hart is arglistig 1. De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren stift, met een punt van diamant. Zij staat gegrift op de tafel van hun hart en op de horens van jullie altaren. 2. Hun kinderen denken aan hun altaren en hun gewijde palen, bij het groene geboomte op de hoge heuvels. 3. Mijn berg met het veld, jouw vermogen en al je schatten geef ik als buit. Ook je offerhoogten geef ik weg, om de zonde in heel je gebied. 4. Je zult je erfdeel moeten loslaten dat ik je gegeven heb, door je eigen schuld. Ik laat je je vijanden dienen in een land dat je niet kent. Want jullie hebben in mijn toorn een vuur ontstoken dat eeuwig brandt. 5. Dit zegt de HEERE. Vervloekt is de man die op een mens vertrouwt, die vlees tot zijn kracht maakt en wiens hart van de HEERE afwijkt. 6. Hij zal zijn als een struik in de wildernis, die niet merkt dat er iets goeds komt. Hij blijft op dorre plekken in de woestijn, in zout en onbewoond land. 7. Maar gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt en wiens vertrouwen de HEERE is. 8. Hij zal zijn als een boom die aan het water geplant is en zijn wortels uitstrekt naar de rivier. Hij merkt het niet als er hitte komt, want zijn blad blijft groen. In een jaar van droogte maakt hij zich geen zorgen en blijft hij vrucht dragen. 9. Het hart is arglistiger dan wat ook, ja, dodelijk. Wie kan het kennen? 10. Ik, de HEERE, doorgrond het hart en beproef de nieren. Zo geef ik ieder naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn daden. 11. Als een patrijs die eieren verzamelt zonder ze uit te broeden, zo is wie rijkdom vergaart zonder recht. Halverwege zijn dagen moet hij die achterlaten, en aan zijn einde blijkt hij een dwaas. 12. Een troon van heerlijkheid, verheven vanaf het begin, is de plaats van ons heiligdom. 13. HEERE, hoop van Israël, allen die U verlaten, worden beschaamd. Wie van mij afwijken, worden in de aarde geschreven, want zij verlaten de HEERE, de bron van levend water. 14. Genees mij, HEERE, dan zal ik genezen zijn. Red mij, dan zal ik gered zijn, want U bent mijn lof. 15. Kijk, zij zeggen tegen mij: waar is het woord van de HEERE? Laat het maar komen! 16. Ik heb niet aangedrongen, meer dan een herder achter U past. Ik heb de dag van onheil niet gewild; U weet het. Wat uit mijn lippen kwam, was voor Uw aangezicht. 17. Wees U mij geen schrik. U bent mijn toevlucht op de dag van onheil. 18. Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden. Laat hen schrikken, maar laat mij niet schrikken. Breng over hen de dag van onheil en breek hen met een dubbele breuk. 19. Dit heeft de HEERE tegen mij gezegd: Ga in de poort staan waar het volk doorgaat. Daar gaan ook de koningen van Juda in en uit. Sta ook in alle andere poorten van Jeruzalem. 20. Zeg tegen hen: hoor het woord van de HEERE, koningen van Juda, heel Juda en alle inwoners van Jeruzalem die door deze poorten binnenkomen. 21. Dit zegt de HEERE: pas op voor je leven. Draag geen last op de sabbatdag en breng er niets door de poorten van Jeruzalem. 22. Draag ook geen last uit je huizen op de sabbatdag en doe geen werk. Houd de sabbatdag heilig, zoals ik jullie vaderen geboden heb. 23. Maar zij luisterden niet en neigden hun oor niet. Zij maakten hun nek hard om niet te horen en geen tucht aan te nemen. 24. Als jullie echt naar mij luisteren, zegt de HEERE, dan brengen jullie geen last door de poorten van deze stad op de sabbatdag. Dan houden jullie de sabbatdag heilig en doen jullie er geen werk. 25. Dan zullen door de poorten van deze stad koningen en vorsten binnengaan die op de troon van David zitten. Zij rijden op wagens en paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. En deze stad zal voor altijd bewoond blijven. 26. Men zal komen uit de steden van Juda en uit de plaatsen rond Jeruzalem. Zij komen uit het gebied van Benjamin, uit de laagte, het bergland en het zuiden. Zij brengen brandoffers, slachtoffers, graanoffers, wierook en lofoffers naar het huis van de HEERE. 27. Maar misschien luisteren jullie niet naar mij om de sabbatdag heilig te houden. Misschien dragen jullie toch een last door de poorten van Jeruzalem. Dan steek ik een vuur aan in haar poorten. Dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren en niet geblust worden. ## Jeremia 18 — Het huis van de pottenbakker 1. Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam. 2. Hij zei: Sta op en ga naar het huis van de pottenbakker. Daar zal ik je mijn woorden laten horen. 3. Ik ging naar het huis van de pottenbakker, en kijk, hij was aan het werk op de draaischijf. 4. Het voorwerp dat hij van klei maakte, mislukte in zijn hand. Toen maakte hij er een ander voorwerp van, zoals het goed leek in de ogen van de pottenbakker. 5. Toen kwam het woord van de HEERE tot mij. 6. Hij zei: Zou ik met jullie niet kunnen doen als deze pottenbakker, huis van Israël? Kijk, zoals klei in de hand van de pottenbakker, zo zijn jullie in mijn hand, huis van Israël. 7. Het ene ogenblik spreek ik over een volk en een koninkrijk dat ik zal uitrukken, afbreken en vernietigen. 8. Maar als dat volk zich bekeert van zijn boosheid, dan krijg ik spijt van het kwaad dat ik van plan was te doen. 9. Het andere ogenblik spreek ik over een volk en een koninkrijk dat ik zal bouwen en planten. 10. Maar misschien doet het wat kwaad is in mijn ogen en luistert het niet naar mijn stem. Dan krijg ik spijt van het goede dat ik beloofd had te doen. 11. Zeg nu tegen de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem: dit zegt de HEERE. Kijk, ik vorm onheil tegen jullie en bedenk een plan tegen jullie. Bekeer je toch, ieder van zijn boze weg, en maak je wegen en je daden goed. 12. Maar zij zeggen: het heeft geen zin. Wij volgen onze eigen gedachten en doen ieder het goeddunken van zijn boze hart. 13. Daarom zegt de HEERE: vraag het maar onder de volken. Wie heeft zoiets ooit gehoord? De jonge dochter Israël heeft iets heel afschuwelijks gedaan. 14. Verdwijnt de sneeuw van de Libanon ooit van de rotsen in het veld? Drogen de koele bergbeken ooit op? 15. Toch is mijn volk mij vergeten. Zij branden wierook voor de leegte. Zij lieten hen struikelen op hun wegen, op de oude paden, om te lopen op zijpaden, op een onbegaanbare weg. 16. Zo maken zij hun land tot een schrikbeeld, tot eeuwig gefluit. Iedereen die er langskomt, zal ontzet zijn en zijn hoofd schudden. 17. Als een oostenwind zal ik hen verstrooien voor de vijand. Ik laat hun mijn rug zien en niet mijn gezicht, op de dag van hun ondergang. 18. Toen zeiden zij: Kom, laten wij plannen tegen Jeremia maken. De wet zal de priester niet ontbreken, de raad de wijze niet en het woord de profeet niet. Kom, laten wij hem met de tong slaan en niet naar zijn woorden luisteren. 19. HEERE, luister naar mij en hoor wat mijn tegenstanders zeggen. 20. Wordt kwaad met goed vergolden? Zij hebben een kuil voor mijn leven gegraven. Denk eraan hoe ik voor Uw aangezicht stond om goed over hen te spreken en Uw woede van hen af te wenden. 21. Geef daarom hun zonen aan de honger over en laat hen wegvloeien door het geweld van het zwaard. Laat hun vrouwen kinderloos en weduwe worden. Laat hun mannen door de dood omkomen en hun jonge mannen door het zwaard vallen in de strijd. 22. Laat er geschreeuw uit hun huizen klinken als U plotseling een bende over hen brengt. Want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen en strikken verborgen voor mijn voeten. 23. Maar U, HEERE, kent al hun dodelijke plannen tegen mij. Verzoen hun schuld niet en wis hun zonde niet uit voor Uw aangezicht. Laat hen voor U neergeveld worden en handel zo met hen op de dag van Uw toorn. ## Jeremia 19 — De gebroken kruik 1. Dit zegt de HEERE: Ga een aarden kruik kopen en neem enkele oudsten van het volk en van de priesters mee. 2. Ga naar het dal van de zoon van Hinnom, bij de ingang van de Scherfpoort. Roep daar de woorden uit die ik tegen je zeg. 3. Zeg: hoor het woord van de HEERE, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Kijk, ik breng onheil over deze plaats, zodat ieder die het hoort, zal tuiten in de oren. 4. Want zij hebben mij verlaten en deze plaats vervreemd. Zij brandden er wierook voor andere goden die zij niet kenden, zij, hun vaderen en de koningen van Juda. Zij hebben deze plaats gevuld met bloed van onschuldigen. 5. Zij bouwden de offerhoogten van Baäl om hun zonen met vuur te verbranden als brandoffers voor Baäl. Dat heb ik niet geboden, niet gezegd en het is niet in mijn hart opgekomen. 6. Daarom komen er dagen, zegt de HEERE, dat deze plaats niet meer Tofeth of dal van de zoon van Hinnom heet, maar Moorddal. 7. Want ik zal het plan van Juda en Jeruzalem op deze plaats verijdelen. Ik laat hen vallen door het zwaard voor hun vijanden, door de hand van wie hun leven zoeken. Hun lijken geef ik als voedsel aan de vogels en de dieren. 8. Ik zal deze stad tot een schrikbeeld en tot gefluit maken. Iedereen die erlangs komt, zal ontzet zijn en fluiten om al haar plagen. 9. Ik zal hen het vlees van hun zonen en dochters laten eten. Ieder zal het vlees van zijn naaste eten, in de belegering en de benauwdheid waarmee hun vijanden hen benauwen. 10. Dan moet je de kruik breken voor de ogen van de mannen die met je meegegaan zijn. 11. Zeg tegen hen: dit zegt de HEERE van de legermachten. Zo zal ik dit volk en deze stad breken, zoals men een aarden pot breekt die niet meer heel te maken is. Men zal in Tofeth begraven omdat er geen andere plaats is. 12. Zo zal ik met deze plaats doen en met haar inwoners, zegt de HEERE, en ik maak deze stad als Tofeth. 13. De huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda worden onrein als de plaats Tofeth. Op hun daken brandden zij wierook voor heel het leger van de hemel en brachten zij drankoffers aan andere goden. 14. Toen kwam Jeremia terug uit Tofeth, waarheen de HEERE hem gestuurd had om te profeteren. Hij ging in de voorhof van het huis van de HEERE staan en sprak tot het hele volk. 15. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Kijk, ik breng over deze stad en al haar steden al het kwaad dat ik over haar gesproken heb. Want zij hebben hun nek hard gemaakt om niet naar mijn woorden te luisteren. ## Jeremia 20 — Pashur slaat Jeremia 1. Pashur, de zoon van Immer, de priester en hoofdopzichter in het huis van de HEERE, hoorde Jeremia deze woorden profeteren. 2. Toen sloeg Pashur de profeet Jeremia en zette hem vast in het blok bij de bovenste Benjaminpoort, die bij het huis van de HEERE hoort. 3. De volgende dag haalde Pashur Jeremia uit het blok. Toen zei Jeremia tegen hem: De HEERE noemt je niet Pashur, maar Magor-Missabib. 4. Want dit zegt de HEERE: kijk, ik maak je tot een schrik voor jezelf en voor al je vrienden. Zij zullen vallen door het zwaard van hun vijanden, terwijl jij het ziet. Ik geef heel Juda in de hand van de koning van Babel, die hen naar Babel wegvoert en met het zwaard slaat. 5. Ook geef ik alle rijkdom van deze stad, al haar opbrengst en al haar kostbaarheden in de hand van hun vijanden. Ook alle schatten van de koningen van Juda geef ik hun. Die zullen ze roven, meenemen en naar Babel brengen. 6. En jij, Pashur, en alle inwoners van je huis zullen in gevangenschap gaan. Je zult in Babel komen, daar sterven en daar begraven worden, jij en al je vrienden aan wie je leugens geprofeteerd hebt. 7. HEERE, U hebt mij overgehaald en ik liet mij overhalen. U was mij te sterk en U hebt gewonnen. De hele dag lachen zij mij uit; iedereen bespot mij. 8. Want telkens als ik spreek, moet ik schreeuwen: geweld en verwoesting! Zo is het woord van de HEERE voor mij de hele dag tot smaad en spot geworden. 9. Toen zei ik: ik denk niet meer aan Hem en spreek niet meer in Zijn naam. Maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, opgesloten in mijn botten. Ik deed moeite om het te verdragen, maar ik kon het niet. 10. Want ik hoorde het gefluister van velen: schrik rondom! Geef het aan, dan geven wij het door. Al mijn vrienden loeren op een misstap van mij. Zij zeggen: misschien laat hij zich verleiden, dan overmeesteren wij hem en nemen wij wraak. 11. Maar de HEERE is met mij als een geduchte held. Daarom zullen mijn vervolgers struikelen en niets kunnen. Zij staan diep beschaamd, want zij hebben niet verstandig gehandeld. Het wordt een eeuwige schande die niet vergeten wordt. 12. HEERE van de legermachten, die de rechtvaardige beproeft en nieren en hart ziet, laat mij Uw wraak op hen zien. Want aan U heb ik mijn zaak toevertrouwd. 13. Zing voor de HEERE, prijs de HEERE! Want Hij heeft het leven van de arme gered uit de hand van boosdoeners. 14. Vervloekt is de dag waarop ik geboren ben. De dag waarop mijn moeder mij baarde, zij niet gezegend. 15. Vervloekt is de man die mijn vader het bericht bracht dat hem een zoon geboren was, en hem daarmee heel blij maakte. 16. Laat die man zijn als de steden die de HEERE omkeerde zonder spijt. Laat hem in de morgen geschreeuw horen en op de middag krijgsgeschreeuw. 17. Waarom heeft Hij mij niet in de moederschoot gedood? Dan was mijn moeder mijn graf geweest en was haar schoot voor altijd zwanger gebleven. 18. Waarom ben ik uit de moederschoot gekomen, om moeite en verdriet te zien en mijn dagen in schaamte te laten vergaan? ## Jeremia 21 — De weg van het leven en de weg van de dood 1. Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam. Koning Zedekia stuurde toen Pashur, de zoon van Malchia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe. 2. Zij zeiden: Vraag toch de HEERE voor ons, want Nebukadrezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons. Misschien doet de HEERE met ons naar al Zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt. 3. Toen zei Jeremia tegen hen: Dit moeten jullie tegen Zedekia zeggen. 4. Dit zegt de HEERE, de God van Israël. Kijk, ik keer de wapens in jullie hand om. Daarmee strijden jullie tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën die jullie belegeren. Ik verzamel ze midden in deze stad. 5. Ik zal zelf tegen jullie strijden, met uitgestrekte hand en sterke arm, met toorn, woede en grote verbolgenheid. 6. Ik zal de inwoners van deze stad slaan, mens en dier. Zij zullen sterven aan een grote pest. 7. Daarna, zegt de HEERE, zal ik Zedekia, de koning van Juda, zijn knechten en het volk overgeven. Wie in deze stad overblijven van de pest, het zwaard en de honger, geef ik in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel. Ik geef hen in de hand van hun vijanden en van wie hun leven zoeken. Hij zal hen met het zwaard slaan zonder te sparen of medelijden te hebben. 8. Tegen dit volk moet je zeggen: dit zegt de HEERE. Kijk, ik leg jullie de weg van het leven en de weg van de dood voor. 9. Wie in deze stad blijft, zal sterven door zwaard, honger of pest. Maar wie eruit gaat en overloopt naar de Chaldeeën die jullie belegeren, zal leven en zijn leven als buit behouden. 10. Want ik heb mijn aangezicht tegen deze stad gericht ten kwade en niet ten goede, zegt de HEERE. Zij wordt in de hand van de koning van Babel gegeven, en hij zal haar met vuur verbranden. 11. En tegen het huis van de koning van Juda: hoor het woord van de HEERE. 12. Huis van David, dit zegt de HEERE: spreek elke morgen recht en red wie beroofd is uit de hand van de onderdrukker. Anders slaat mijn woede uit als een vuur dat niemand kan blussen, vanwege jullie slechte daden. 13. Kijk, ik kom naar je toe, bewoner van het dal, rots van de vlakte, zegt de HEERE. Jullie zeggen: wie zou op ons afkomen, wie zou onze woningen binnendringen? 14. Ik zal jullie bezoeken naar de vrucht van jullie daden, zegt de HEERE. Ik steek een vuur aan in haar bos, en dat zal alles eromheen verteren. ## Jeremia 22 — Doe recht en gerechtigheid 1. Dit zegt de HEERE: Ga naar het huis van de koning van Juda en spreek daar dit woord. 2. Zeg: hoor het woord van de HEERE, koning van Juda, die op de troon van David zit. Hoor het ook, jij en je knechten en je volk die door deze poorten binnenkomen. 3. Dit zegt de HEERE: doe recht en gerechtigheid. Red wie beroofd is uit de hand van de onderdrukker. Onderdruk de vreemdeling, de wees en de weduwe niet, doe geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed op deze plaats. 4. Als jullie dit werkelijk doen, zullen door de poorten van dit huis koningen binnengaan die op de troon van David zitten. Zij rijden op wagens en paarden, zij en hun knechten en hun volk. 5. Maar luisteren jullie niet naar deze woorden, dan heb ik bij mijzelf gezworen, zegt de HEERE, dat dit huis een woestenij wordt. 6. Want dit zegt de HEERE over het huis van de koning van Juda: jij bent voor mij als Gilead, als de top van de Libanon. Toch maak ik je tot een woestijn, tot onbewoonde steden. 7. Ik zal verwoesters tegen je wijden, ieder met zijn gereedschap. Zij zullen je mooiste ceders omhakken en in het vuur werpen. 8. Veel volken zullen langs deze stad trekken en tegen elkaar zeggen: waarom heeft de HEERE dit met deze grote stad gedaan? 9. En men zal antwoorden: omdat zij het verbond van de HEERE, hun God, verlaten hebben en zich voor andere goden bogen en die dienden. 10. Huil niet om de dode en beklaag hem niet. Huil liever om wie weggaat, want hij komt nooit meer terug om zijn geboorteland te zien. 11. Want dit zegt de HEERE over Sallum, de zoon van Josia, de koning van Juda. Hij regeerde in de plaats van zijn vader Josia en is van deze plaats weggegaan. Hij zal hier nooit meer terugkomen. 12. Maar op de plaats waarheen zij hem weggevoerd hebben, zal hij sterven. Dit land zal hij niet meer zien. 13. Wee wie zijn huis bouwt met onrecht en zijn bovenkamers met onrechtvaardigheid, wie zijn naaste voor niets laat werken en hem zijn loon niet geeft. 14. Hij zegt: ik bouw mij een ruim huis met hoge bovenkamers. Hij hakt er vensters in, bekleedt het met cederhout en verft het rood. 15. Ben je koning omdat je met ceders pronkt? At en dronk je vader niet, en deed hij niet recht en gerechtigheid? Toen ging het hem goed. 16. Hij deed recht aan de arme en de behoeftige, en toen ging het hem goed. Is dat niet mij kennen? zegt de HEERE. 17. Maar jouw ogen en je hart zijn alleen op winst gericht. Je bent uit op onschuldig bloed, op onderdrukking en op geweld. 18. Daarom zegt de HEERE over Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. Men zal niet om hem rouwen met: ach, mijn broer, ach, mijn zus! Men zal niet klagen: ach, heer, ach, zijn majesteit! 19. Hij zal begraven worden als een ezel: weggesleept en neergegooid, ver buiten de poorten van Jeruzalem. 20. Klim op de Libanon en roep. Verhef je stem in Basan en roep vanaf de Abarim. Want al je minnaars zijn gebroken. 21. Ik sprak tot je in je grote voorspoed, maar je zei: ik luister niet. Dat is je weg vanaf je jeugd: je hebt niet naar mijn stem geluisterd. 22. De wind zal al je herders weiden en je minnaars zullen in gevangenschap gaan. Dan zul je beschaamd en te schande staan om al je boosheid. 23. Jij woont op de Libanon en nestelt in de ceders. Hoe zul je kreunen als de weeën je overvallen, de pijn als van een vrouw die baart! 24. Zo waar ik leef, zegt de HEERE. Al was Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring aan mijn rechterhand, toch zou ik je afrukken. 25. Ik geef je in de hand van wie je leven zoeken en van wie je vreest. Zij zijn Nebukadnezar, de koning van Babel, en de Chaldeeën. 26. Ik zal jou en je moeder die je gebaard heeft, wegwerpen naar een ander land waar jullie niet geboren zijn. Daar zullen jullie sterven. 27. En naar het land waarnaar hun ziel verlangt om terug te keren, zullen zij niet terugkeren. 28. Is deze man Chonia dan een veracht en gebroken beeld? Is hij een pot waar niemand iets aan vindt? Waarom zijn hij en zijn nageslacht weggeworpen in een land dat zij niet kennen? 29. Land, land, land, hoor het woord van de HEERE! 30. Dit zegt de HEERE: schrijf deze man op als kinderloos, een man die in zijn dagen niet zal slagen. Want niemand van zijn nageslacht zal slagen, op de troon van David zitten of nog over Juda heersen. ## Jeremia 23 — De rechtvaardige Spruit 1. Wee de herders die de schapen van mijn weide laten omkomen en verstrooien, zegt de HEERE. 2. Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël, over de herders die mijn volk weiden. Jullie hebben mijn schapen verstrooid en verdreven en niet naar hen omgezien. Kijk, ik zal jullie bezoeken om jullie slechte daden, zegt de HEERE. 3. Zelf zal ik de rest van mijn schapen verzamelen uit alle landen waarheen ik hen verdreven heb. Ik breng hen terug naar hun weiden, en zij zullen vruchtbaar zijn en talrijk worden. 4. Ik zal herders over hen aanstellen die hen weiden. Zij zullen niet meer bang zijn of schrikken en geen van hen zal ontbreken, zegt de HEERE. 5. Kijk, er komen dagen, zegt de HEERE, dat ik voor David een rechtvaardige Spruit laat opstaan. Hij zal als Koning regeren, voorspoedig zijn en recht en gerechtigheid doen op aarde. 6. In Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël veilig wonen. Dit is de naam waarmee men Hem noemen zal: de HEERE, onze gerechtigheid. 7. Daarom komen er dagen, zegt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: zo waar de HEERE leeft, die de Israëlieten uit Egypte geleid heeft. 8. Maar men zal zeggen: zo waar de HEERE leeft, die het nageslacht van Israël uit het land van het noorden geleid heeft. Hij bracht hen uit alle landen waarheen ik hen verdreven had. En zij zullen in hun eigen land wonen. 9. Over de profeten. Mijn hart is in mij gebroken en al mijn botten beven. Ik ben als een dronken man, als iemand die door de wijn overmand is, vanwege de HEERE en Zijn heilige woorden. 10. Want het land is vol overspelers. Het land treurt om de vloek en de weiden in de woestijn verdorren. Hun loop is boos en hun kracht wordt verkeerd gebruikt. 11. Want profeet en priester zijn allebei huichelaars. Zelfs in mijn huis vind ik hun boosheid, zegt de HEERE. 12. Daarom wordt hun weg als glibberige plekken in het donker. Zij worden voortgedreven en vallen erin. Want ik breng onheil over hen in het jaar van hun bezoeking, zegt de HEERE. 13. Bij de profeten van Samaria zag ik iets dwaas: zij profeteerden bij Baäl en leidden mijn volk Israël op een dwaalspoor. 14. Maar bij de profeten van Jeruzalem zie ik iets afschuwelijks. Zij plegen overspel en gaan om met leugen. Zij versterken de handen van boosdoeners, zodat niemand zich bekeert van zijn boosheid. Zij zijn voor mij allemaal als Sodom en haar inwoners als Gomorra. 15. Daarom zegt de HEERE van de legermachten over deze profeten: kijk, ik geef hun alsem te eten en gifwater te drinken. Want van de profeten van Jeruzalem is de huichelarij over heel het land uitgegaan. 16. Dit zegt de HEERE van de legermachten: luister niet naar de woorden van de profeten die jullie profeteren. Zij maken jullie leeg. Zij spreken het visioen van hun eigen hart, niet uit de mond van de HEERE. 17. Tegen wie mij lasteren, zeggen zij steeds: de HEERE heeft gesproken, jullie zullen vrede hebben. En tegen ieder die zijn eigen boze hart volgt, zeggen zij: jullie zal geen kwaad overkomen. 18. Want wie heeft in de raad van de HEERE gestaan en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft op Zijn woord gelet en het gehoord? 19. Kijk, een storm van de HEERE is uitgegaan, een woede, een wervelstorm. Die zal neerkomen op het hoofd van de goddelozen. 20. De toorn van de HEERE keert niet terug voordat Hij de plannen van Zijn hart heeft uitgevoerd. Aan het einde van de dagen zullen jullie het goed begrijpen. 21. Ik heb die profeten niet gestuurd, en toch renden zij. Ik heb niet tot hen gesproken, en toch profeteerden zij. 22. Als zij in mijn raad gestaan hadden, dan hadden zij mijn volk mijn woorden laten horen. Dan hadden zij hen teruggebracht van hun boze weg en van hun slechte daden. 23. Ben ik een God van dichtbij, zegt de HEERE, en niet een God van veraf? 24. Zou iemand zich zo kunnen verbergen dat ik hem niet zie? zegt de HEERE. Vul ik de hemel en de aarde niet? zegt de HEERE. 25. Ik heb gehoord wat de profeten zeggen die in mijn naam leugens profeteren. Zij zeggen: ik heb gedroomd, ik heb gedroomd. 26. Hoe lang nog? Zit er dan een droom in het hart van de profeten die leugen profeteren? Het zijn profeten van hun eigen bedrieglijke hart. 27. Zij willen mijn volk mijn naam laten vergeten door hun dromen, die zij elkaar vertellen, zoals hun vaderen mijn naam vergaten door Baäl. 28. De profeet die een droom heeft, moet die droom vertellen. Wie mijn woord heeft, moet mijn woord getrouw spreken. Wat heeft stro met koren te maken? zegt de HEERE. 29. Is mijn woord niet als vuur, zegt de HEERE, en als een hamer die een rots verbrijzelt? 30. Daarom, kijk, ik keer mij tegen de profeten, zegt de HEERE, die mijn woorden van elkaar stelen. 31. Kijk, ik keer mij tegen de profeten, zegt de HEERE, die hun eigen tong gebruiken en zeggen: Hij heeft gesproken. 32. Kijk, ik keer mij tegen wie valse dromen profeteren, zegt de HEERE, en die vertellen. Zij misleiden mijn volk met hun leugens en hun grootspraak. Ik heb hen niet gestuurd en hun niets bevolen, en zij doen dit volk geen enkel nut, zegt de HEERE. 33. Als dit volk, of een profeet of priester, je vraagt wat de last van de HEERE is, zeg dan tegen hen: welke last? Ik zal jullie verlaten, zegt de HEERE. 34. Iemand zegt misschien: de last van de HEERE. Of dat nu een profeet, een priester of iemand uit het volk is, die man en zijn huis zal ik bezoeken. 35. Zo moeten jullie tegen elkaar zeggen: wat heeft de HEERE geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken? 36. Maar de uitdrukking last van de HEERE mogen jullie niet meer gebruiken. Want ieders eigen woord zal zijn last zijn, omdat jullie de woorden verdraaien van de levende God, de HEERE van de legermachten, onze God. 37. Zo moeten jullie tegen de profeet zeggen: wat heeft de HEERE je geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken? 38. Maar omdat jullie zeggen: de last van de HEERE, daarom zegt de HEERE dit. Jullie gebruiken die uitdrukking, terwijl ik jullie liet zeggen dat jullie dat niet mochten. 39. Daarom, kijk, ik zal jullie volkomen vergeten. Ik zal jullie en de stad die ik jullie en jullie vaderen gegeven heb, van mijn aangezicht wegwerpen. 40. Ik zal jullie eeuwige smaad aandoen en eeuwige schande, die niet vergeten wordt. ## Jeremia 24 — De twee korven met vijgen 1. De HEERE liet mij iets zien: er stonden twee korven met vijgen voor de tempel van de HEERE. Dat was nadat Nebukadnezar, de koning van Babel, Jechonia had weggevoerd, de zoon van Jojakim, de koning van Juda. Hij voerde ook de vorsten van Juda weg en de timmerlieden en smeden uit Jeruzalem. 2. In de ene korf zaten heel goede vijgen, als vroege vijgen. In de andere korf zaten heel slechte vijgen, zo slecht dat je ze niet kon eten. 3. De HEERE zei tegen mij: Wat zie je, Jeremia? Ik zei: Vijgen. De goede vijgen zijn heel goed en de slechte heel slecht, zo slecht dat je ze niet kunt eten. 4. Toen kwam het woord van de HEERE tot mij. 5. Dit zegt de HEERE, de God van Israël: Zoals deze goede vijgen, zo zal ik de ballingen van Juda ten goede aanzien. Ik heb hen van deze plaats naar het land van de Chaldeeën gestuurd. 6. Ik zal mijn oog op hen richten ten goede en hen terugbrengen in dit land. Ik zal hen bouwen en niet afbreken, planten en niet uitrukken. 7. Ik zal hun een hart geven om mij te kennen, dat ik de HEERE ben. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn, want zij zullen zich met heel hun hart tot mij bekeren. 8. Maar zoals de slechte vijgen die je niet kunt eten, zo zal ik Zedekia maken, de koning van Juda, met zijn vorsten. Zo doe ik ook met de rest van Jeruzalem die in dit land overbleef en met wie in Egypte wonen, zegt de HEERE. 9. Ik zal hen tot een schrikbeeld maken voor alle koninkrijken op aarde, tot smaad, spreekwoord, spot en vloek op alle plaatsen waarheen ik hen verdrijf. 10. Ik zal onder hen het zwaard, de honger en de pest sturen. Zo worden zij vernietigd uit het land dat ik hun en hun vaderen gegeven had. ## Jeremia 25 — Zeventig jaar Babel 1. Het woord dat tot Jeremia kwam over heel het volk van Juda. Dat was in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. Dat was het eerste jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel. 2. De profeet Jeremia sprak het uit tegen heel het volk van Juda en tegen alle inwoners van Jeruzalem. 3. Vanaf het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, kwam het woord van de HEERE tot mij. Dat duurt tot vandaag toe. Dat is drieëntwintig jaar. Ik heb steeds opnieuw tot jullie gesproken, maar jullie hebben niet geluisterd. 4. Ook heeft de HEERE al Zijn knechten, de profeten, steeds opnieuw naar jullie gestuurd. Maar jullie hebben niet geluisterd en je oor niet geneigd om te horen. 5. Zij zeiden: bekeer je toch, ieder van zijn boze weg en van jullie slechte daden. Woon dan in het land dat de HEERE jullie en jullie vaderen gegeven heeft, van eeuw tot eeuw. 6. Loop niet achter andere goden aan om die te dienen en voor hen te buigen. Terg mij niet met het werk van jullie handen, dan doe ik jullie geen kwaad. 7. Maar jullie hebben niet naar mij geluisterd, zegt de HEERE. Jullie tergden mij met het werk van jullie handen, tot jullie eigen schade. 8. Daarom zegt de HEERE van de legermachten: omdat jullie mijn woorden niet gehoord hebben, 9. kijk, ik zal alle stammen van het noorden laten halen, zegt de HEERE, en ook Nebukadnezar, de koning van Babel, mijn knecht. Ik breng hen over dit land, over zijn inwoners en over alle volken hier rondom. Ik zal hen aan de vernietiging wijden en tot een schrikbeeld maken, tot gefluit en eeuwige puinhopen. 10. Ik laat bij hen de stem van vrolijkheid en blijdschap verdwijnen. Ook de stem van bruidegom en bruid zwijgt, het geluid van de molen en het licht van de lamp. 11. Heel dit land zal een woestenij worden, een schrikbeeld. Deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen. 12. Maar als de zeventig jaar voorbij zijn, zal ik de koning van Babel en dat volk hun schuld bezoeken, zegt de HEERE. Ook het land van de Chaldeeën maak ik tot eeuwige puinhopen. 13. Ik zal over dat land alles brengen wat ik erover gesproken heb. Dat is alles wat in dit boek staat, wat Jeremia over al deze volken geprofeteerd heeft. 14. Want ook machtige volken en grote koningen zullen hen laten dienen. Zo zal ik hun vergelden naar hun daden en naar het werk van hun handen. 15. Want dit heeft de HEERE, de God van Israël, tegen mij gezegd: Neem deze beker met de wijn van de woede uit mijn hand. Laat alle volken drinken naar wie ik je stuur. 16. Zij zullen drinken, waggelen en razen door het zwaard dat ik onder hen stuur. 17. Ik nam de beker uit de hand van de HEERE en liet alle volken drinken naar wie de HEERE mij gestuurd had. 18. Dat waren Jeruzalem en de steden van Juda, met haar koningen en vorsten. Zo werden zij een woestenij, een schrikbeeld, iets om over te fluiten en een vloek, zoals het vandaag is. 19. Ook Farao, de koning van Egypte, met zijn knechten, zijn vorsten en heel zijn volk. 20. Ook heel het mengvolk en alle koningen van het land Uz. Ook alle koningen van het land van de Filistijnen, met Askelon, Gaza, Ekron en de rest van Asdod. 21. Ook Edom, Moab en de Ammonieten. 22. Ook alle koningen van Tyrus en alle koningen van Sidon, en de koningen van de eilanden aan de overkant van de zee. 23. Ook Dedan, Thema en Buz, en allen met kaalgeschoren slapen. 24. Ook alle koningen van Arabië en alle koningen van het mengvolk dat in de woestijn woont. 25. Ook alle koningen van Zimri, alle koningen van Elam en alle koningen van Medië. 26. Ook alle koningen van het noorden, dichtbij en veraf, de een na de ander, ja, alle koninkrijken op de aardbodem. En de koning van Sesach zal na hen drinken. 27. Zeg dan tegen hen: dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Drink en word dronken, spuug en val neer zonder weer op te staan, vanwege het zwaard dat ik onder jullie stuur. 28. Misschien weigeren zij de beker uit je hand aan te nemen om te drinken. Zeg dan tegen hen: dit zegt de HEERE van de legermachten. Jullie zullen zeker drinken! 29. Want kijk, in de stad die mijn naam draagt, begin ik met slaan. Zouden jullie dan vrijuit gaan? Jullie gaan niet vrijuit, want ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, zegt de HEERE van de legermachten. 30. Profeteer al deze woorden tegen hen en zeg: de HEERE zal brullen uit de hoogte en Zijn stem laten horen uit Zijn heilige woning. Hij zal luid brullen over Zijn weide. Als druiventreders zal Hij juichen tegen alle inwoners van de aarde. 31. Het geluid zal tot aan het einde van de aarde komen. Want de HEERE heeft een rechtszaak met de volken en Hij houdt gericht over alle mensen. De goddelozen geeft Hij aan het zwaard over, zegt de HEERE. 32. Dit zegt de HEERE van de legermachten. Kijk, onheil gaat van volk tot volk en een grote storm komt op van de uiteinden van de aarde. 33. Wie op die dag door de HEERE gedood zijn, zullen liggen van het ene einde van de aarde tot het andere. Zij worden niet beklaagd, niet opgeraapt en niet begraven; zij worden mest op de aardbodem. 34. Huil, herders, en schreeuw! Wentel je in de as, leiders van de kudde. Want jullie dagen om geslacht te worden zijn vervuld. Jullie zullen vallen als een kostbaar vat. 35. De herders kunnen niet meer vluchten en de leiders van de kudde niet ontkomen. 36. Er klinkt geschreeuw van de herders en gehuil van de leiders van de kudde, omdat de HEERE hun weide verwoest. 37. De vredige weiden worden vernietigd door de brandende toorn van de HEERE. 38. Als een jonge leeuw heeft Hij Zijn schuilplaats verlaten. Hun land is een woestenij geworden door het zwaard van de verdrukker en door Zijn brandende toorn. ## Jeremia 26 — Jeremia wordt aangeklaagd 1. In het begin van de regering van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE. 2. Dit zegt de HEERE: Ga in de voorhof van het huis van de HEERE staan. Spreek tot alle steden van Juda die komen aanbidden in het huis van de HEERE. Zeg alles wat ik je opgedragen heb, laat er geen woord van weg. 3. Misschien luisteren zij en bekeert ieder zich van zijn boze weg. Dan zal ik spijt krijgen van het kwaad dat ik van plan ben te doen om hun slechte daden. 4. Zeg dan tegen hen: dit zegt de HEERE. Als jullie niet naar mij luisteren en niet leven naar mijn wet die ik jullie gegeven heb, 5. en als jullie niet luisteren naar de woorden van mijn knechten, de profeten, die ik steeds opnieuw naar jullie stuurde, 6. dan maak ik dit huis als Silo. Dan maak ik deze stad tot een vloek voor alle volken op aarde. 7. De priesters, de profeten en heel het volk hoorden Jeremia deze woorden spreken in het huis van de HEERE. 8. Jeremia zei alles wat de HEERE hem tegen het hele volk had opgedragen. Toen grepen de priesters, de profeten en heel het volk hem. Zij zeiden: Je zult zeker sterven! 9. Waarom heb je in de naam van de HEERE geprofeteerd dat dit huis als Silo zal worden en deze stad verwoest en onbewoond? Het hele volk verzamelde zich tegen Jeremia in het huis van de HEERE. 10. Toen de vorsten van Juda dit hoorden, gingen zij uit het huis van de koning naar het huis van de HEERE. Zij gingen zitten bij de ingang van de nieuwe poort van de HEERE. 11. Toen zeiden de priesters en de profeten tegen de vorsten en het volk: Deze man verdient de doodstraf. Hij heeft tegen deze stad geprofeteerd, zoals jullie zelf gehoord hebben. 12. Maar Jeremia zei tegen alle vorsten en tegen heel het volk: De HEERE heeft mij gestuurd. Ik moest tegen dit huis en tegen deze stad alle woorden profeteren die jullie gehoord hebben. 13. Maak nu jullie wegen en jullie daden goed en luister naar de stem van de HEERE, jullie God. Dan zal de HEERE spijt krijgen van het kwaad dat Hij over jullie gesproken heeft. 14. En ik, kijk, ik ben in jullie handen. Doe met mij wat goed en recht is in jullie ogen. 15. Maar weet zeker: als jullie mij doden, brengen jullie onschuldig bloed over jezelf, over deze stad en over haar inwoners. Want de HEERE heeft mij werkelijk naar jullie gestuurd om al deze woorden te spreken. 16. Toen zeiden de vorsten en heel het volk tegen de priesters en de profeten: Deze man verdient de doodstraf niet. Hij heeft tot ons gesproken in de naam van de HEERE, onze God. 17. Ook stonden er mannen op uit de oudsten van het land. Zij spraken tot de hele vergadering van het volk. 18. Micha uit Moreseth profeteerde in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Hij zei tegen heel het volk van Juda: dit zegt de HEERE van de legermachten. Sion zal als een akker geploegd worden, Jeruzalem wordt een puinhoop en de tempelberg wordt een beboste hoogte. 19. Hebben Hizkia, de koning van Juda, en heel Juda hem toen gedood? Had hij geen ontzag voor de HEERE en smeekte hij het aangezicht van de HEERE niet? Toen kreeg de HEERE spijt van het kwaad dat Hij over hen gesproken had. Wij doen onszelf groot kwaad aan. 20. Er was ook een man die in de naam van de HEERE profeteerde, Uria, de zoon van Semaja, uit Kirjath-Jearim. Hij profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, net als Jeremia. 21. Toen koning Jojakim en al zijn machthebbers en vorsten zijn woorden hoorden, wilde de koning hem doden. Uria hoorde het, werd bang en vluchtte naar Egypte. 22. Maar koning Jojakim stuurde mannen naar Egypte: Elnathan, de zoon van Achbor, en andere mannen met hem. 23. Zij haalden Uria uit Egypte en brachten hem bij koning Jojakim. Die sloeg hem met het zwaard en gooide zijn lichaam in de graven van het gewone volk. 24. Maar Ahikam, de zoon van Safan, beschermde Jeremia, zodat men hem niet aan het volk overgaf om hem te doden. ## Jeremia 27 — Het juk op de hals 1. In het begin van de regering van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE tot Jeremia. 2. Dit zei de HEERE tegen mij: Maak banden en jukken en leg die op je hals. 3. Stuur ze naar de koning van Edom, de koning van Moab, de koning van de Ammonieten, de koning van Tyrus en de koning van Sidon. Doe dat door de boden die naar Zedekia, de koning van Juda, in Jeruzalem komen. 4. Draag hun op om tegen hun heren te zeggen: dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. 5. Ik heb de aarde gemaakt, de mens en het vee op de aardbodem, door mijn grote kracht en mijn uitgestrekte arm. Ik geef het aan wie het in mijn ogen toekomt. 6. Nu heb ik al deze landen in de hand van Nebukadnezar gegeven, de koning van Babel, mijn knecht. Zelfs de dieren van het veld heb ik hem gegeven om hem te dienen. 7. Alle volken zullen hem dienen, en zijn zoon en zijn kleinzoon, tot ook de tijd van zijn eigen land komt. Dan zullen machtige volken en grote koningen hem laten dienen. 8. Er is misschien een volk of koninkrijk dat Nebukadnezar, de koning van Babel, niet dient. Wie zijn hals niet onder zijn juk legt, zal ik bezoeken, zegt de HEERE. Ik doe dat met zwaard, honger en pest, tot ik hen door zijn hand vernietigd heb. 9. Luister niet naar jullie profeten, waarzeggers, dromers, bezweerders en tovenaars, die tegen jullie zeggen dat jullie de koning van Babel niet hoeven te dienen. 10. Want zij profeteren jullie leugens, zodat jullie ver uit je land gebracht worden. Zo stoot ik jullie weg en komen jullie om. 11. Maar het volk dat zijn hals onder het juk van de koning van Babel brengt en hem dient, laat ik in zijn eigen land. Het zal het land bebouwen en er wonen. 12. Daarna sprak ik tot Zedekia, de koning van Juda, met dezelfde woorden. Ik zei: breng je hals onder het juk van de koning van Babel. Dien hem en zijn volk, dan zullen jullie leven. 13. Waarom zouden jij en je volk sterven door zwaard, honger en pest? Zo heeft de HEERE gesproken over het volk dat de koning van Babel niet dient. 14. Luister niet naar de woorden van de profeten die tegen jullie zeggen dat jullie de koning van Babel niet hoeven te dienen. Want zij profeteren jullie leugens. 15. Want ik heb hen niet gestuurd, zegt de HEERE. Zij profeteren vals in mijn naam, zodat ik jullie wegstoot en jullie omkomen, jullie en de profeten die voor jullie profeteren. 16. Ook sprak ik tot de priesters en tot heel dit volk. Ik zei: dit zegt de HEERE. Luister niet naar de woorden van jullie profeten, die zeggen dat de voorwerpen uit het huis van de HEERE nu snel uit Babel terugkomen. Want zij profeteren jullie leugens. 17. Luister niet naar hen, maar dien de koning van Babel, dan zullen jullie leven. Waarom zou deze stad een woestenij worden? 18. Als zij werkelijk profeten zijn en het woord van de HEERE bij hen is, laat hen dan bidden tot de HEERE van de legermachten. Laten zij bidden voor de voorwerpen die nog over zijn in het huis van de HEERE, in het paleis en in Jeruzalem. Die moeten niet naar Babel gaan. 19. Want dit zegt de HEERE van de legermachten over de zuilen, de zee en de onderstellen. Hij spreekt ook over de rest van de voorwerpen die in deze stad zijn overgebleven. 20. Nebukadnezar, de koning van Babel, nam ze niet mee. Hij voerde toen Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, uit Jeruzalem naar Babel weg, met alle edelen van Juda. 21. Ja, dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Hij spreekt over de voorwerpen die zijn overgebleven in het huis van de HEERE, in het paleis en in Jeruzalem. 22. Zij zullen naar Babel gebracht worden en daar blijven tot de dag dat ik naar hen omzie, zegt de HEERE. Dan zal ik ze laten halen en naar deze plaats terugbrengen. ## Jeremia 28 — De profeet Hananja 1. Dat was in hetzelfde jaar, aan het begin van de regering van Zedekia, de koning van Juda. In het vierde jaar, in de vijfde maand, sprak Hananja tot mij. Hij was de zoon van Azur, een profeet uit Gibeon. Hij sprak in het huis van de HEERE, voor de ogen van de priesters en van heel het volk. 2. Hij zei: Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Ik heb het juk van de koning van Babel verbroken. 3. Binnen twee volle jaren breng ik naar deze plaats alle voorwerpen van het huis van de HEERE terug. Nebukadnezar, de koning van Babel, heeft ze van deze plaats weggenomen en naar Babel gebracht. 4. Ook Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, breng ik terug naar deze plaats. Ik breng ook alle ballingen van Juda terug die in Babel gekomen zijn, zegt de HEERE. Want ik zal het juk van de koning van Babel verbreken. 5. Toen sprak de profeet Jeremia tot de profeet Hananja. Dat was voor de ogen van de priesters en van heel het volk dat in het huis van de HEERE stond. 6. De profeet Jeremia zei: Amen, laat de HEERE het zo doen! Laat de HEERE je woorden bevestigen die je geprofeteerd hebt. Laat Hij de voorwerpen van het huis van de HEERE en alle ballingen uit Babel terugbrengen naar deze plaats. 7. Maar hoor nu dit woord dat ik spreek voor jouw oren en voor de oren van heel het volk. 8. De profeten die vóór mij en vóór jou leefden, hebben van oudsher tegen veel landen en grote koninkrijken geprofeteerd over oorlog, onheil en pest. 9. Als een profeet vrede profeteert, dan blijkt pas bij het uitkomen van zijn woord dat de HEERE hem werkelijk gestuurd heeft. 10. Toen nam de profeet Hananja het juk van de hals van de profeet Jeremia en brak het. 11. Hananja zei voor de ogen van heel het volk: Dit zegt de HEERE. Zo zal ik binnen twee volle jaren het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, van de hals van alle volken breken. En de profeet Jeremia ging zijn weg. 12. Maar het woord van de HEERE kwam tot Jeremia, nadat de profeet Hananja het juk van zijn hals gebroken had. 13. Hij zei: Ga en zeg tegen Hananja: dit zegt de HEERE. Houten jukken heb je gebroken, maar daarvoor in de plaats maak je ijzeren jukken. 14. Want dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Ik heb een ijzeren juk gelegd op de hals van al deze volken, om Nebukadnezar van Babel te dienen. En zij zullen hem dienen; zelfs de dieren van het veld heb ik hem gegeven. 15. De profeet Jeremia zei tegen de profeet Hananja: Hoor nu, Hananja. De HEERE heeft je niet gestuurd, maar jij hebt dit volk op leugen laten vertrouwen. 16. Daarom zegt de HEERE: kijk, ik werp je weg van de aardbodem. Dit jaar zul je sterven, omdat je afval tegen de HEERE gesproken hebt. 17. Zo stierf de profeet Hananja in datzelfde jaar, in de zevende maand. ## Jeremia 29 — De brief aan de ballingen 1. Dit zijn de woorden van de brief die de profeet Jeremia uit Jeruzalem stuurde. Hij stuurde die aan de overgebleven oudsten van de ballingen, aan de priesters, de profeten en heel het volk dat Nebukadnezar naar Babel had weggevoerd. 2. Dat was nadat koning Jechonia en de koningin-moeder waren weggegaan. Ook de hovelingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem en de timmerlieden en smeden waren vertrokken. 3. Hij stuurde de brief door Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Hilkia. Zedekia, de koning van Juda, stuurde hen naar Nebukadnezar, de koning van Babel. 4. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, tegen alle ballingen die ik van Jeruzalem naar Babel heb laten wegvoeren. 5. Bouw huizen en woon daarin. Plant tuinen en eet de vrucht ervan. 6. Neem vrouwen en krijg zonen en dochters. Neem vrouwen voor je zonen en geef je dochters aan mannen, zodat zij zonen en dochters krijgen. Word daar talrijk en niet minder. 7. Zoek de vrede van de stad waarheen ik jullie heb laten wegvoeren en bid voor haar tot de HEERE. Want in haar vrede zullen jullie vrede hebben. 8. Want dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: laat je profeten en waarzeggers onder jullie je niet bedriegen. Luister niet naar de dromen die jullie laten dromen. 9. Want zij profeteren jullie leugens in mijn naam. Ik heb hen niet gestuurd, zegt de HEERE. 10. Want dit zegt de HEERE: als er zeventig jaar in Babel voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn goede woord aan jullie vervullen en jullie naar deze plaats terugbrengen. 11. Want ik weet welke gedachten ik over jullie heb, zegt de HEERE: gedachten van vrede en niet van kwaad. Ik geef jullie toekomst en hoop. 12. Dan zullen jullie mij aanroepen, gaan bidden, en ik zal naar jullie luisteren. 13. Jullie zullen mij zoeken en vinden, als jullie met heel je hart naar mij vragen. 14. Ik zal mij door jullie laten vinden, zegt de HEERE. Ik zal jullie lot keren en jullie verzamelen uit alle volken en plaatsen waarheen ik jullie verdreven heb. Ik breng jullie terug naar de plaats vanwaar ik jullie heb laten wegvoeren. 15. Jullie zeggen: de HEERE heeft ons in Babel profeten gegeven. 16. Daarom zegt de HEERE dit over de koning die op de troon van David zit. Hij spreekt ook over het volk in deze stad, jullie verwanten die niet mee in ballingschap gingen. 17. Dit zegt de HEERE van de legermachten: kijk, ik stuur het zwaard, de honger en de pest onder hen. Ik maak hen als afschuwelijke vijgen, zo slecht dat je ze niet kunt eten. 18. Ik zal hen achtervolgen met zwaard, honger en pest. Ik geef hen over tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde, tot vloek en ontzetting onder alle volken waarheen ik hen verdreven heb. 19. Want zij hebben niet naar mijn woorden geluisterd, zegt de HEERE. Ik stuurde mijn knechten, de profeten, steeds opnieuw naar hen. Maar jullie hebben niet geluisterd, zegt de HEERE. 20. Hoor dan het woord van de HEERE, alle ballingen die ik van Jeruzalem naar Babel gestuurd heb. 21. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, over Achab, de zoon van Kolaja, en Zedekia, de zoon van Maäseja. Zij profeteren jullie leugens in mijn naam. Kijk, ik geef hen in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal hen voor jullie ogen doden. 22. Naar hen zal men onder alle ballingen van Juda in Babel een vloek maken. Men zal zeggen: de HEERE doe met jou als met Zedekia en Achab, die de koning van Babel roosterde. 23. Want zij deden iets dwaas in Israël. Zij pleegden overspel met de vrouwen van hun naasten en spraken in mijn naam een leugenwoord dat ik hun niet geboden had. Ik weet het en ik ben er getuige van, zegt de HEERE. 24. Tegen Semaja uit Nechlam moet je dit zeggen. 25. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Jij hebt in je eigen naam brieven gestuurd aan heel het volk in Jeruzalem. Je schreef ook aan de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, en aan alle priesters. 26. Je schreef: De HEERE heeft je tot priester aangesteld in plaats van de priester Jojada. Jullie moeten opzichters zijn in het huis van de HEERE over iedere gek die zich voor profeet uitgeeft. Zet zo iemand in de gevangenis en in het blok. 27. Waarom heb je Jeremia uit Anathoth dan niet berispt, die zich bij jullie voor profeet uitgeeft? 28. Hij heeft ons immers in Babel laten weten: het duurt lang. Bouw huizen en woon daarin, plant tuinen en eet de vrucht ervan. 29. De priester Zefanja had deze brief voorgelezen aan de profeet Jeremia. 30. Daarom kwam het woord van de HEERE tot Jeremia. 31. Stuur dit aan alle ballingen: dit zegt de HEERE over Semaja uit Nechlam. Semaja heeft voor jullie geprofeteerd terwijl ik hem niet gestuurd heb, en hij heeft jullie op leugen laten vertrouwen. 32. Daarom zegt de HEERE: kijk, ik zal Semaja uit Nechlam en zijn nageslacht bezoeken. Hij zal niemand hebben die onder dit volk woont. Hij zal het goede niet zien dat ik mijn volk doe, zegt de HEERE, want hij heeft afval tegen de HEERE gesproken. ## Jeremia 30 — Een tijd van benauwdheid voor Jakob 1. Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam. 2. Dit zegt de HEERE, de God van Israël: Schrijf alle woorden die ik tot je gesproken heb in een boek. 3. Want kijk, er komen dagen, zegt de HEERE, dat ik het lot van mijn volk Israël en Juda zal keren. Ik breng hen terug in het land dat ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het bezitten. 4. Dit zijn de woorden die de HEERE over Israël en Juda gesproken heeft. 5. Want dit zegt de HEERE: wij horen een stem van schrik. Er is angst en geen vrede. 6. Vraag en zie: kan een man baren? Waarom zie ik dan iedere man met zijn handen op zijn heupen, als een vrouw die baart, en alle gezichten bleek? 7. Wee, die dag is zo groot dat er geen andere op lijkt. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, maar hij zal eruit gered worden. 8. Op die dag, zegt de HEERE van de legermachten, zal ik zijn juk van je hals breken en je banden verscheuren. Vreemden zullen hem niet meer laten dienen. 9. Maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen en hun koning David, die ik hun zal geven. 10. Wees dus niet bang, mijn knecht Jakob, zegt de HEERE. Schrik niet, Israël. Want kijk, ik zal je uit verre landen redden en je nageslacht uit het land van hun ballingschap. Jakob zal terugkomen, rustig en veilig, en niemand zal hem opschrikken. 11. Want ik ben met je om je te redden, zegt de HEERE. Ik zal een einde maken aan alle volken waarheen ik je verstrooid heb. Maar aan jou maak ik geen einde. Ik zal je met mate straffen en je niet vrijuit laten gaan. 12. Want dit zegt de HEERE: je breuk is dodelijk en je wond is pijnlijk. 13. Er is niemand die jouw zaak behandelt. Voor je zweer is geen geneesmiddel, er zijn geen pleisters. 14. Al je minnaars zijn je vergeten en vragen niet naar je. Want ik heb je geslagen als een vijand, met de straf van een wreedaard, om je grote schuld en je vele zonden. 15. Waarom schreeuw je om je breuk, omdat je pijn dodelijk is? Om je grote schuld en je vele zonden heb ik je dit aangedaan. 16. Daarom zullen allen die jou opeten, zelf opgegeten worden. Al je tegenstanders gaan in gevangenschap. Wie jou beroven, worden beroofd, en wie jou plunderen, geef ik over aan plundering. 17. Want ik zal je gezondheid herstellen en je van je wonden genezen, zegt de HEERE. Men noemt jou immers de verstotene, en zegt: dat is Sion, niemand vraagt naar haar. 18. Dit zegt de HEERE: kijk, ik keer het lot van de tenten van Jakob en ontferm mij over hun woningen. De stad wordt herbouwd op haar puinheuvel en het paleis komt op zijn plaats te staan. 19. Uit hen zal dank opklinken en de stem van wie feestvieren. Ik maak hen talrijk en zij zullen niet minder worden. Ik maak hen geëerd en zij zullen niet gering zijn. 20. Hun zonen zullen zijn als vroeger en hun vergadering zal voor mijn aangezicht vaststaan. Ik zal al hun onderdrukkers bezoeken. 21. Hun machtige zal uit henzelf voortkomen en hun heerser uit hun midden. Ik zal hem laten naderen en hij zal dicht bij mij komen. Want wie zou zelf durven naderen tot mij? zegt de HEERE. 22. Jullie zullen mijn volk zijn en ik zal jullie God zijn. 23. Kijk, een storm van de HEERE, een woede is uitgegaan, een aanhoudende storm. Die zal neerkomen op het hoofd van de goddelozen. 24. De brandende toorn van de HEERE keert niet terug voordat Hij de plannen van Zijn hart heeft uitgevoerd. Aan het einde van de dagen zullen jullie erop letten. ## Jeremia 31 — Een nieuw verbond 1. In die tijd, zegt de HEERE, zal ik de God zijn van alle families van Israël, en zij zullen mijn volk zijn. 2. Dit zegt de HEERE: het volk dat aan het zwaard ontkwam, vond genade in de woestijn. Ik ging op weg om Israël rust te geven. 3. Van ver is de HEERE aan mij verschenen. Ik heb je liefgehad met een eeuwige liefde. Daarom heb ik je met goedheid naar mij toe getrokken. 4. Ik zal je opnieuw bouwen en je zult gebouwd worden, jonge dochter Israël. Je zult je weer tooien met tamboerijnen en uitgaan in de dans van wie feestvieren. 5. Je zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria. De planters zullen planten en de vrucht genieten. 6. Want er komt een dag dat de wachters op het bergland van Efraïm roepen. Zij zeggen: sta op, laten wij opgaan naar Sion, naar de HEERE, onze God. 7. Want dit zegt de HEERE: juich luid over Jakob en jubel om het hoofd van de volken. Laat het horen, zing lof en zeg: HEERE, red Uw volk, de rest van Israël. 8. Kijk, ik breng hen uit het land van het noorden en verzamel hen van de einden van de aarde. Onder hen zijn blinden en kreupelen, zwangere vrouwen en vrouwen die baren. Als een grote menigte keren zij hierheen terug. 9. Zij zullen komen met geween, en met smeekbeden zal ik hen leiden. Ik breng hen naar waterbeken, op een rechte weg waarop zij niet struikelen. Want ik ben voor Israël een Vader, en Efraïm is mijn eerstgeborene. 10. Hoor het woord van de HEERE, volken, en vertel het op de verre eilanden. Zeg: wie Israël verstrooid heeft, zal hem weer verzamelen en hem bewaken als een herder zijn kudde. 11. Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht en hem verlost uit de hand van wie sterker was dan hij. 12. Zij zullen komen en juichen op de hoogte van Sion. Zij zullen toestromen naar het goede van de HEERE: koren, most en olie, jonge schapen en runderen. Hun ziel zal zijn als een besproeide tuin en zij zullen niet meer treuren. 13. Dan zal de jonge vrouw blij zijn in de dans, met jonge mannen en ouderen samen. Ik verander hun rouw in vreugde, ik troost hen en maak hen blij na hun verdriet. 14. Ik zal de priesters verzadigen met overvloed, en mijn volk zal genoeg hebben aan mijn goed, zegt de HEERE. 15. Dit zegt de HEERE: in Rama klinkt een stem, een klacht, een bitter geween. Rachel huilt om haar kinderen en weigert zich te laten troosten, want zij zijn er niet meer. 16. Dit zegt de HEERE: houd je stem in van geween en je ogen van tranen. Want er is loon voor je werk, zegt de HEERE; zij zullen terugkomen uit het land van de vijand. 17. Er is hoop voor je toekomst, zegt de HEERE, want je kinderen keren terug naar hun eigen gebied. 18. Ik heb wel gehoord hoe Efraïm klaagt: U hebt mij getuchtigd en ik ben getuchtigd als een kalf dat nog niet gewend is. Breng mij terug, dan kom ik terug, want U bent de HEERE, mijn God. 19. Want nadat ik teruggekeerd was, kreeg ik spijt. Toen ik tot inzicht kwam, sloeg ik mij op de heup. Ik stond beschaamd en rood van schaamte, omdat ik de smaad van mijn jeugd droeg. 20. Is Efraïm niet mijn dierbare zoon, mijn lievelingskind? Telkens als ik tegen hem spreek, denk ik nog met liefde aan hem. Daarom is mijn binnenste ontroerd over hem. Ik zal mij zeker over hem ontfermen, zegt de HEERE. 21. Zet wegwijzers neer en plaats palen. Let goed op de gebaande weg die je gegaan bent. Keer terug, jonge dochter Israël, keer terug naar deze steden van jou. 22. Hoe lang blijf je aarzelen, afkerige dochter? Want de HEERE heeft iets nieuws op aarde geschapen: de vrouw zal de man omringen. 23. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Als ik hun lot keer, zal men in het land van Juda opnieuw zeggen: de HEERE zegene je, woning van gerechtigheid, heilige berg. 24. Juda en al zijn steden zullen daar samen wonen, de boeren en wie met de kudde trekken. 25. Want ik heb de vermoeide ziel verkwikt en elke treurige ziel verzadigd. 26. Hierop werd ik wakker en keek om mij heen, en mijn slaap was mij zoet. 27. Kijk, er komen dagen, zegt de HEERE. Dan zal ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien met zaad van mensen en zaad van dieren. 28. Ik waakte over hen om uit te rukken, af te breken, om te halen en te vernietigen. Zo zal ik over hen waken om te bouwen en te planten, zegt de HEERE. 29. In die dagen zal men niet meer zeggen: de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden. 30. Maar ieder zal om zijn eigen schuld sterven. Ieder mens die onrijpe druiven eet, krijgt zelf stompe tanden. 31. Kijk, er komen dagen, zegt de HEERE, dat ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluit. 32. Dat is niet als het verbond dat ik met hun vaderen sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte te leiden. Zij verbraken mijn verbond, terwijl ik hun man was, zegt de HEERE. 33. Maar dit is het verbond dat ik na die dagen met het huis van Israël sluit, zegt de HEERE. Ik zal mijn wet in hun binnenste geven en in hun hart schrijven. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 34. Dan zal niemand meer zijn naaste of zijn broer hoeven leren: ken de HEERE. Want zij zullen mij allemaal kennen, van klein tot groot, zegt de HEERE. Want ik zal hun schuld vergeven en aan hun zonden niet meer denken. 35. Dit zegt de HEERE, die de zon geeft om overdag te schijnen. Hij geeft de vaste orde van maan en sterren voor de nacht. Hij zweept de zee op, zodat haar golven bruisen. HEERE van de legermachten is Zijn naam. 36. Zou die vaste orde ooit voor mij wijken, zegt de HEERE? Dan pas zou het nageslacht van Israël ophouden een volk voor mij te zijn. 37. Dit zegt de HEERE. Misschien kan de hemel daarboven gemeten worden en de fundamenten van de aarde beneden doorgrond. Dan pas zal ik heel het nageslacht van Israël verwerpen om wat zij gedaan hebben, zegt de HEERE. 38. Kijk, er komen dagen, zegt de HEERE, dat deze stad voor de HEERE herbouwd wordt, van de toren Hananeël tot de Hoekpoort. 39. Het meetsnoer zal verder lopen tot de heuvel Gareb en zich dan naar Goath wenden. 40. Het hele dal van de lijken en de as zal heilig zijn voor de HEERE. Dat geldt ook voor alle velden tot aan de beek Kidron, tot de hoek van de Paardenpoort in het oosten. Nooit meer zal er iets uitgerukt of afgebroken worden. ## Jeremia 32 — Jeremia koopt een akker 1. Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam in het tiende jaar van Zedekia, de koning van Juda. Dat jaar was het achttiende jaar van Nebukadnezar. 2. Het leger van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem. De profeet Jeremia zat opgesloten in de wachtplaats bij het paleis van de koning van Juda. 3. Want Zedekia, de koning van Juda, had hem laten opsluiten. Hij zei: Waarom profeteer jij dat de HEERE deze stad in de hand van de koning van Babel geeft en dat hij haar zal innemen? 4. Je zegt dat Zedekia, de koning van Juda, niet aan de Chaldeeën zal ontkomen. Hij wordt zeker in de hand van de koning van Babel gegeven. Zij zullen elkaar van mond tot mond spreken en elkaar in de ogen zien. 5. Hij zal Zedekia naar Babel brengen, en daar zal hij blijven tot ik naar hem omzie, zegt de HEERE. Al strijden jullie tegen de Chaldeeën, jullie zullen geen succes hebben. 6. Jeremia zei: het woord van de HEERE kwam tot mij. 7. Hij zei: Kijk, Hanameël, de zoon van je oom Sallum, komt naar je toe. Hij zal zeggen: koop mijn akker bij Anathoth, want jij hebt het recht van lossing om hem te kopen. 8. Hanameël, de zoon van mijn oom, kwam naar het woord van de HEERE bij mij in de wachtplaats. Hij zei: Koop toch mijn akker bij Anathoth, in het gebied van Benjamin. Jij hebt het erfrecht en de lossing; koop hem voor jezelf. Toen begreep ik dat het het woord van de HEERE was. 9. Dus kocht ik van Hanameël, de zoon van mijn oom, de akker bij Anathoth. Ik woog hem het geld af: zeventien zilverstukken. 10. Ik zette mijn naam op de akte en verzegelde die. Ik liet getuigen tekenen en woog het geld op de weegschaal. 11. Ik nam de koopakte, de verzegelde met de bepalingen en de open akte. 12. Ik gaf de koopakte aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja. Dat deed ik voor de ogen van Hanameël, van de getuigen die de akte ondertekend hadden, en van alle Judeeërs die in de wachtplaats zaten. 13. Voor hun ogen gaf ik Baruch deze opdracht. 14. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Neem deze akten, de verzegelde koopakte en de open akte. Doe ze in een aarden pot. Dan blijven zij vele dagen bewaard. 15. Want dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: er zullen in dit land weer huizen, akkers en wijngaarden gekocht worden. 16. Nadat ik de koopakte aan Baruch, de zoon van Nerija, gegeven had, bad ik tot de HEERE. 17. Ach, Heere HEERE, U hebt de hemel en de aarde gemaakt door Uw grote kracht en Uw uitgestrekte arm. Niets is voor U te wonderlijk. 18. U bewijst goedheid aan duizenden, maar U vergeldt de schuld van de vaderen in de schoot van hun kinderen na hen. U bent de grote, machtige God; Uw naam is HEERE van de legermachten. 19. U bent groot van raad en machtig van daad. Uw ogen staan open voor alle wegen van mensen, om ieder te geven naar zijn wegen en naar de vrucht van zijn daden. 20. U deed tekenen en wonderen in Egypte, en tot vandaag toe in Israël en onder andere mensen. Zo hebt U zich een naam gemaakt, zoals die er vandaag is. 21. U leidde Uw volk Israël uit Egypte met tekenen en wonderen, met sterke hand en uitgestrekte arm en met grote schrik. 22. U gaf hun dit land, dat U hun vaderen gezworen had te geven, een land dat overvloeit van melk en honing. 23. Zij kwamen erin en namen het in bezit. Maar zij luisterden niet naar Uw stem en leefden niet naar Uw wet. Zij deden niets van wat U hun geboden had. Daarom hebt U al dit kwaad over hen gebracht. 24. Kijk naar de wallen: zij zijn tot aan de stad gekomen om haar in te nemen. De stad wordt in de hand van de Chaldeeën gegeven door zwaard, honger en pest. Wat U gesproken hebt, gebeurt, en U ziet het zelf. 25. Toch hebt U tegen mij gezegd, Heere HEERE: koop die akker voor geld en laat getuigen tekenen. En dat terwijl de stad in de hand van de Chaldeeën gegeven is. 26. Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia. 27. Kijk, ik ben de HEERE, de God van alle mensen. Zou er iets voor mij te wonderlijk zijn? 28. Daarom zegt de HEERE: kijk, ik geef deze stad in de hand van de Chaldeeën. Ik geef haar aan Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal haar innemen. 29. De Chaldeeën die tegen deze stad strijden, zullen binnenkomen en haar met vuur verbranden. Zij verbranden ook de huizen waar men op het dak wierook brandde voor Baäl en drankoffers aan andere goden bracht om mij te tergen. 30. Want de Israëlieten en de Judeeërs hebben van jongs af alleen gedaan wat kwaad is in mijn ogen. De Israëlieten hebben mij alleen maar getergd met het werk van hun handen, zegt de HEERE. 31. Want deze stad heeft mij tot toorn en woede gebracht vanaf de dag dat men haar bouwde tot vandaag toe. Daarom moet ik haar van mijn aangezicht wegdoen. 32. Dat komt door alle boosheid van de Israëlieten en de Judeeërs, die mij tergden. Het waren hun koningen, hun vorsten, hun priesters en profeten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. 33. Zij keerden mij hun rug toe en niet hun gezicht. Ik leerde hen steeds opnieuw, maar zij luisterden niet en namen geen tucht aan. 34. Zij zetten hun gruwelen in het huis dat mijn naam draagt en maakten het zo onrein. 35. Zij bouwden de offerhoogten van Baäl in het dal van de zoon van Hinnom. Daar lieten zij hun zonen en dochters voor Moloch door het vuur gaan. Dat heb ik hun niet geboden en het is niet in mijn hart opgekomen. Zo lieten zij Juda zondigen. 36. Daarom zegt de HEERE, de God van Israël, nu dit over deze stad. Jullie zeggen dat zij door zwaard, honger en pest in de hand van de koning van Babel gegeven wordt. 37. Kijk, ik zal hen verzamelen uit alle landen waarheen ik hen verdreven heb in mijn toorn en mijn grote woede. Ik breng hen terug naar deze plaats en laat hen veilig wonen. 38. Ja, zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 39. Ik zal hun één hart en één weg geven, om altijd ontzag voor mij te hebben. Dat is voor hun eigen bestwil en dat van hun kinderen na hen. 40. Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten: ik zal mij niet van hen afkeren, maar hun goed doen. Ik zal ontzag voor mij in hun hart geven, zodat zij niet van mij afwijken. 41. Ik zal blij zijn over hen en hun goed doen. Ik zal hen trouw in dat land planten, met heel mijn hart en heel mijn ziel. 42. Want dit zegt de HEERE. Zoals ik over dit volk al dit grote kwaad gebracht heb, zo breng ik over hen al het goede dat ik hun beloof. 43. Er zullen weer akkers gekocht worden in dit land. Jullie zeggen nu dat het verwoest is, zonder mens of dier, en aan de Chaldeeën gegeven. 44. Men zal akkers voor geld kopen, akten ondertekenen en verzegelen en getuigen laten tekenen. Dat gebeurt in het gebied van Benjamin, rondom Jeruzalem, in de steden van Juda, in het bergland, in de laagte en in het zuiden. Want ik zal hun lot keren, zegt de HEERE. ## Jeremia 33 — Roep tot mij 1. Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Jeremia, terwijl hij nog opgesloten zat in de wachtplaats. 2. Dit zegt de HEERE, die het doet, de HEERE die het vormt om het te bevestigen. HEERE is Zijn naam. 3. Roep tot mij en ik zal je antwoorden. Ik zal je grote en onbegrijpelijke dingen bekendmaken die je niet weet. 4. Want dit zegt de HEERE, de God van Israël, over de huizen van deze stad. Hij spreekt ook over de huizen van de koningen van Juda, die door de wallen en het zwaard zijn afgebroken. 5. Men komt binnen om tegen de Chaldeeën te strijden. Maar dat gebeurt alleen om de huizen te vullen met lijken van mensen die ik in mijn toorn en woede geslagen heb. Ik heb mijn gezicht voor deze stad verborgen om al hun boosheid. 6. Kijk, ik zal haar herstel en genezing brengen. Ik zal hen genezen en hun overvloed van vrede en trouw laten zien. 7. Ik zal het lot van Juda en het lot van Israël keren en hen opbouwen als vroeger. 8. Ik zal hen reinigen van alle schuld waarmee zij tegen mij zondigden. Ik zal alle schuld vergeven waarmee zij tegen mij zondigden en in opstand kwamen. 9. Dan zal deze stad voor mij een naam van vreugde zijn, een lof en een sieraad bij alle volken op aarde. Zij zullen horen van al het goede dat ik hun doe. Zij zullen beven en sidderen om al het goede en de vrede die ik haar geef. 10. Dit zegt de HEERE over deze plaats, waarvan jullie zeggen dat zij verwoest is, zonder mens of dier. In de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, zal weer gehoord worden: 11. de stem van vrolijkheid en blijdschap, de stem van bruidegom en bruid. Men zal horen hoe men zegt: prijs de HEERE van de legermachten, want de HEERE is goed en Zijn goedheid duurt eeuwig. Men brengt dankoffers naar het huis van de HEERE. Want ik zal het lot van het land keren als vroeger, zegt de HEERE. 12. Dit zegt de HEERE van de legermachten. Deze plaats is verwoest, zonder mens of dier. Toch zullen hier en in al haar steden weer weiden zijn van herders die hun kudden laten rusten. 13. In de steden van het bergland, van de laagte en van het zuiden gaan de kudden weer onder de hand van de teller door. Dat gebeurt ook in het gebied van Benjamin, rondom Jeruzalem en in de steden van Juda, zegt de HEERE. 14. Kijk, er komen dagen, zegt de HEERE. Dan vervul ik het goede woord dat ik over het huis van Israël en het huis van Juda gesproken heb. 15. In die dagen en in die tijd zal ik voor David een SPRUIT van gerechtigheid laten opkomen. Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. 16. In die dagen zal Juda verlost worden en Jeruzalem veilig wonen. Men zal haar noemen: de HEERE, onze gerechtigheid. 17. Want dit zegt de HEERE: het zal David nooit ontbreken aan een man op de troon van het huis van Israël. 18. Ook zal het de Levitische priesters voor mijn aangezicht nooit ontbreken aan een man die brandoffers brengt, graanoffers laat roken en slachtoffers klaarmaakt, alle dagen. 19. Het woord van de HEERE kwam tot Jeremia. 20. Dit zegt de HEERE. Stel dat jullie mijn verbond met de dag en de nacht zouden kunnen verbreken, zodat dag en nacht niet op hun tijd komen. 21. Dan pas zou ook mijn verbond met mijn knecht David verbroken kunnen worden, zodat hij geen zoon heeft die op zijn troon regeert. Ook mijn verbond met de Levieten, de priesters, mijn dienaren, zou dan verbroken zijn. 22. Het leger van de hemel is niet te tellen en het zand van de zee niet te meten. Zo zal ik het nageslacht van mijn knecht David vermeerderen, en ook de Levieten die mij dienen. 23. Het woord van de HEERE kwam tot Jeremia. 24. Heb je niet gezien wat dit volk zegt? Zij zeggen dat de HEERE de twee families die Hij gekozen had, nu verworpen heeft. Zo verachten zij mijn volk, alsof het voor hen geen volk meer is. 25. Dit zegt de HEERE. Stel dat mijn verbond met dag en nacht niet bestond en dat ik de vaste orde van hemel en aarde niet gemaakt had. 26. dan zou ik ook het nageslacht van Jakob en van mijn knecht David verwerpen. Dan zou ik uit zijn nageslacht geen heerser nemen over het nageslacht van Abraham, Izak en Jakob. Maar ik zal hun lot keren en mij over hen ontfermen. ## Jeremia 34 — Het verbroken verbond over de slaven 1. Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam. Nebukadnezar, de koning van Babel, streed toen met heel zijn leger tegen Jeruzalem en al haar steden. Alle koninkrijken onder zijn heerschappij en alle volken streden mee. 2. Dit zegt de HEERE, de God van Israël: Ga en spreek tot Zedekia, de koning van Juda. Zeg tegen hem: dit zegt de HEERE. Kijk, ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden. 3. Jij zult niet aan zijn hand ontkomen, maar je wordt zeker gegrepen en aan hem overgegeven. Je ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien en hij zal van mond tot mond met je spreken. Je zult in Babel komen. 4. Maar hoor het woord van de HEERE, Zedekia, koning van Juda. Dit zegt de HEERE over jou: je zult niet door het zwaard sterven. 5. Je zult in vrede sterven. Zoals men rouwvuren ontstak voor je vaderen, de vroegere koningen, zo zal men ook voor jou branden. Men zal om je klagen: ach, heer! Want ik heb het woord gesproken, zegt de HEERE. 6. De profeet Jeremia sprak al deze woorden tot Zedekia, de koning van Juda, in Jeruzalem. 7. Het leger van de koning van Babel streed toen tegen Jeruzalem en tegen de overgebleven steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azeka. Dat waren de laatste versterkte steden van Juda. 8. Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam. Koning Zedekia had toen een verbond gesloten met heel het volk in Jeruzalem om vrijheid uit te roepen. 9. Ieder moest zijn slaaf en zijn slavin laten gaan, als die een Hebreeuwse man of vrouw was. Niemand mocht nog een Judeeër als slaaf houden. 10. Alle vorsten en heel het volk die het verbond gesloten hadden, luisterden. Ieder liet zijn slaaf en zijn slavin vrij en hield hen niet langer in dienst. 11. Maar daarna kwamen zij erop terug. Zij haalden de slaven en slavinnen terug die zij hadden vrijgelaten en dwongen hen weer tot slavernij. 12. Daarom kwam het woord van de HEERE tot Jeremia. 13. Dit zegt de HEERE, de God van Israël: Ik heb een verbond gesloten met jullie vaderen toen ik hen uit Egypte leidde, uit het slavenhuis. Ik zei: 14. na zeven jaar moet ieder zijn Hebreeuwse verwant laten gaan die zich aan hem verkocht heeft en hem zes jaar gediend heeft. Je moet hem vrijlaten. Maar jullie vaderen luisterden niet naar mij en neigden hun oor niet. 15. Vandaag waren jullie teruggekeerd en deden jullie wat recht is in mijn ogen. Jullie riepen vrijheid uit voor elkaar en sloten een verbond voor mijn aangezicht, in het huis dat mijn naam draagt. 16. Maar jullie zijn weer omgekeerd en hebben mijn naam ontwijd. Ieder haalde zijn slaaf en slavin terug die hij naar eigen wens had vrijgelaten. Jullie dwongen hen opnieuw tot slavernij. 17. Daarom zegt de HEERE: jullie hebben niet naar mij geluisterd om vrijheid uit te roepen voor elkaar. Kijk, dan roep ik vrijheid over jullie uit, zegt de HEERE: vrijheid voor zwaard, pest en honger. Ik maak jullie tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde. 18. Ik zal de mannen overgeven die mijn verbond overtreden hebben. Zij hielden de woorden van het verbond niet dat zij voor mijn aangezicht sloten. Zij hakten daarbij een kalf in tweeën en gingen tussen de stukken door. 19. Dat zijn de vorsten van Juda en van Jeruzalem, de hovelingen en de priesters. Ook heel het volk van het land ging tussen de stukken van het kalf door. 20. Ja, ik geef hen in de hand van hun vijanden en van wie hun leven zoeken. Hun lijken zullen voedsel zijn voor de vogels van de hemel en de dieren van het land. 21. Ook Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten geef ik in de hand van hun vijanden en van wie hun leven zoeken. Ik geef hen in de hand van het leger van de koning van Babel, dat nu bij jullie is weggetrokken. 22. Kijk, ik geef bevel, zegt de HEERE, en ik breng hen terug naar deze stad. Zij zullen tegen haar strijden, haar innemen en met vuur verbranden. Ik maak de steden van Juda tot een woestenij, zonder bewoners. ## Jeremia 35 — De Rechabieten 1. Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. 2. Ga naar het huis van de Rechabieten en spreek met hen. Breng hen in het huis van de HEERE, in een van de kamers, en geef hun wijn te drinken. 3. Toen haalde ik Jaäzanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Habazzinja. Ook zijn broers en al zijn zonen kwamen mee, heel het huis van de Rechabieten. 4. Ik bracht hen in het huis van de HEERE, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van Jigdalja, de man van God. Die kamer lag naast de kamer van de vorsten, boven de kamer van Maäseja, de zoon van Sallum, de deurwachter. 5. Ik zette de leden van het huis van de Rechabieten kannen wijn en bekers voor en zei tegen hen: Drink wijn. 6. Maar zij zeiden: Wij drinken geen wijn. Want onze vader Jonadab, de zoon van Rechab, heeft ons geboden: jullie mogen nooit wijn drinken, jullie niet en jullie kinderen niet. 7. Jullie mogen geen huis bouwen, geen zaad zaaien en geen wijngaard planten of bezitten. Jullie moeten al je dagen in tenten wonen. Dan zullen jullie lang leven in het land waar jullie als vreemdeling wonen. 8. Wij hebben geluisterd naar de stem van Jonadab, de zoon van Rechab, onze vader, in alles wat hij ons geboden heeft. Wij drinken al onze dagen geen wijn, wij niet, onze vrouwen niet en onze zonen en dochters niet. 9. Wij bouwen ook geen huizen om in te wonen. Wij hebben geen wijngaard, geen akker en geen zaad. 10. Wij hebben in tenten gewoond. Zo hebben wij geluisterd en gedaan wat onze vader Jonadab ons geboden heeft. 11. Maar Nebukadrezar, de koning van Babel, trok tegen dit land op. Toen zeiden wij: laten wij naar Jeruzalem gaan vanwege het leger van de Chaldeeën en van de Syriërs. Daarom zijn wij in Jeruzalem gebleven. 12. Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia. 13. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ga naar de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Zeg: nemen jullie geen tucht aan om naar mijn woorden te luisteren? zegt de HEERE. 14. De woorden van Jonadab, de zoon van Rechab, zijn nagekomen. Hij verbood zijn kinderen wijn te drinken, en zij hebben tot vandaag toe niet gedronken. Zij luisterden naar het gebod van hun vader. Ik heb steeds opnieuw tot jullie gesproken, maar jullie luisterden niet naar mij. 15. Ik stuurde al mijn knechten, de profeten, steeds opnieuw naar jullie. Zij zeiden: bekeer je toch, ieder van zijn boze weg, en maak je daden goed. Loop geen andere goden achterna om hen te dienen. Dan zullen jullie blijven in het land dat ik jullie en jullie vaderen gegeven heb. Maar jullie neigden je oor niet en luisterden niet naar mij. 16. De kinderen van Jonadab, de zoon van Rechab, hielden het gebod van hun vader dat hij hun gaf. Maar dit volk luistert niet naar mij. 17. Daarom zegt de HEERE, de God van de legermachten, de God van Israël. Kijk, ik breng over Juda en over alle inwoners van Jeruzalem al het kwaad dat ik tegen hen gesproken heb. Want ik sprak tot hen en zij luisterden niet; ik riep hen en zij antwoordden niet. 18. Tegen het huis van de Rechabieten zei Jeremia: Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Jullie hebben geluisterd naar het gebod van jullie vader Jonadab. Jullie hielden al zijn geboden en deden alles wat hij jullie opdroeg. 19. Daarom zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Het zal Jonadab, de zoon van Rechab, nooit ontbreken aan een man die voor mij staat. ## Jeremia 36 — De verbrande boekrol 1. In het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE tot Jeremia. 2. Neem een boekrol en schrijf daarop alle woorden die ik tot je gesproken heb over Israël, over Juda en over alle volken. Schrijf alles op vanaf de dagen van Josia tot vandaag toe. 3. Misschien horen die van het huis van Juda al het kwaad dat ik van plan ben hun te doen. Dan bekeert ieder zich van zijn boze weg en zal ik hun schuld en zonde vergeven. 4. Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Nerija. Baruch schreef uit de mond van Jeremia alle woorden van de HEERE op een boekrol. 5. Jeremia gaf Baruch deze opdracht: Ik ben verhinderd; ik kan niet in het huis van de HEERE komen. 6. Ga jij dan en lees uit de rol die je uit mijn mond geschreven hebt. Lees de woorden van de HEERE voor de oren van het volk in het huis van de HEERE, op de vastendag. Lees ze ook voor heel Juda dat uit de steden komt. 7. Misschien komt hun smeking voor het aangezicht van de HEERE en bekeert ieder zich van zijn boze weg. Want groot is de toorn en de woede die de HEERE tegen dit volk uitgesproken heeft. 8. Baruch, de zoon van Nerija, deed alles wat de profeet Jeremia hem opgedragen had. Hij las uit dat boek de woorden van de HEERE voor in het huis van de HEERE. 9. Dat was in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. In de negende maand riep men een vasten uit voor het aangezicht van de HEERE. Dat gold heel het volk in Jeruzalem en allen die uit de steden van Juda kwamen. 10. Baruch las in dat boek de woorden van Jeremia voor in het huis van de HEERE. Dat gebeurde in de kamer van Gemarja, de zoon van de schrijver Safan, in de bovenste voorhof, bij de deur van de nieuwe poort. Heel het volk hoorde het. 11. Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, hoorde alle woorden van de HEERE uit dat boek. 12. Hij ging naar het huis van de koning, naar de kamer van de schrijver. Daar zaten alle vorsten. Het waren Elisama de schrijver en Delaja de zoon van Semaja. Ook Elnathan de zoon van Achbor, Gemarja de zoon van Safan en Zedekia de zoon van Hananja zaten daar. 13. Michaja vertelde hun alle woorden die hij gehoord had toen Baruch uit het boek voorlas voor het volk. 14. Toen stuurden alle vorsten Jehudi naar Baruch. Jehudi was de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cuschi. Hij moest zeggen: Neem de rol waaruit je voorgelezen hebt in je hand en kom. Baruch, de zoon van Nerija, nam de rol in zijn hand en kwam bij hen. 15. Zij zeiden tegen hem: Ga toch zitten en lees ze voor ons voor. En Baruch las voor. 16. Toen zij al die woorden hoorden, schrokken zij en keken elkaar aan. Zij zeiden tegen Baruch: Wij moeten al deze woorden aan de koning vertellen. 17. Zij vroegen Baruch: Vertel ons toch hoe je al deze woorden uit zijn mond geschreven hebt. 18. Baruch zei tegen hen: Hij sprak al deze woorden uit zijn mond en ik schreef ze met inkt in dit boek. 19. Toen zeiden de vorsten tegen Baruch: Ga je verbergen, jij en Jeremia. Niemand mag weten waar jullie zijn. 20. Zij gingen naar de koning in de voorhof. De rol legden zij weg in de kamer van de schrijver Elisama. Zij vertelden al die woorden aan de koning. 21. Toen stuurde de koning Jehudi om de rol te halen. Hij haalde die uit de kamer van de schrijver Elisama. Jehudi las hem voor aan de koning en aan alle vorsten die bij de koning stonden. 22. De koning zat in het winterhuis, in de negende maand, en voor hem brandde een vuur in een komfoor. 23. Telkens als Jehudi drie of vier kolommen gelezen had, sneed de koning ze eraf met een schrijversmes. Hij gooide ze in het vuur van het komfoor, tot de hele rol in het vuur verteerd was. 24. Zij schrokken niet en scheurden hun kleren niet, de koning niet en zijn knechten niet, hoewel zij al deze woorden gehoord hadden. 25. Elnathan, Delaja en Gemarja drongen er bij de koning op aan de rol niet te verbranden, maar hij luisterde niet naar hen. 26. De koning gaf Jerahmeël, de zoon van de koning, bevel om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia te grijpen. Ook Zeraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, kregen dat bevel. Maar de HEERE had hen verborgen. 27. Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia, nadat de koning de rol met de woorden van Baruch verbrand had. 28. Neem opnieuw een andere rol en schrijf daarop alle eerdere woorden die op de eerste rol stonden, die Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft. 29. En tegen Jojakim, de koning van Juda, moet je zeggen: dit zegt de HEERE. Jij hebt deze rol verbrand. Je vroeg waarom erop geschreven stond dat de koning van Babel zeker zou komen, dit land zou verwoesten en mens en dier zou laten verdwijnen. 30. Daarom zegt de HEERE over Jojakim, de koning van Juda: hij zal niemand hebben die op de troon van David zit. Zijn lijk zal weggeworpen worden, overdag in de hitte en s nachts in de vorst. 31. Ik zal hem, zijn nageslacht en zijn knechten hun schuld bezoeken. Ik breng over hen, over de inwoners van Jeruzalem en over de mannen van Juda al het kwaad dat ik tot hen gesproken heb. Maar zij hebben niet geluisterd. 32. Jeremia nam een andere rol en gaf die aan de schrijver Baruch, de zoon van Nerija. Die schreef daarop uit de mond van Jeremia alle woorden van het boek dat Jojakim, de koning van Juda, verbrand had. Er werden nog veel soortgelijke woorden aan toegevoegd. ## Jeremia 37 — Jeremia in de kerker 1. Zedekia, de zoon van Josia, werd koning in de plaats van Chonja, de zoon van Jojakim. Nebukadrezar, de koning van Babel, had hem koning gemaakt in het land van Juda. 2. Maar hij luisterde niet naar de woorden van de HEERE, hij niet, zijn knechten niet en het volk van het land niet. De HEERE sprak die woorden door de profeet Jeremia. 3. Toch stuurde koning Zedekia Juchal, de zoon van Selemja, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar de profeet Jeremia. Zij moesten zeggen: Bid toch voor ons tot de HEERE, onze God. 4. Jeremia ging toen nog in en uit onder het volk; zij hadden hem nog niet in de gevangenis gezet. 5. Het leger van Farao was uit Egypte opgetrokken. Toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden dat bericht hoorden, trokken zij van Jeruzalem weg. 6. Toen kwam het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia. 7. Dit zegt de HEERE, de God van Israël: Zeg dit tegen de koning van Juda, die jullie naar mij gestuurd heeft om mij te vragen. Kijk, het leger van Farao dat jullie te hulp kwam, zal terugkeren naar zijn eigen land Egypte. 8. De Chaldeeën zullen terugkomen en tegen deze stad strijden. Zij zullen haar innemen en met vuur verbranden. 9. Dit zegt de HEERE: bedrieg jezelf niet door te zeggen dat de Chaldeeën zeker van ons wegtrekken. Want zij zullen niet wegtrekken. 10. Stel dat jullie heel het leger van de Chaldeeën versloegen en dat er alleen gewonde mannen overbleven. Dan zouden die opstaan uit hun tenten en deze stad met vuur verbranden. 11. Toen het leger van de Chaldeeën van Jeruzalem weggetrokken was vanwege het leger van Farao, gebeurde het volgende. 12. Jeremia ging uit Jeruzalem weg om naar het gebied van Benjamin te gaan en daar zijn deel in ontvangst te nemen tussen het volk. 13. Toen hij in de Benjaminpoort was, stond daar de wachtcommandant Jerija, de zoon van Selemja, de zoon van Hananja. Die greep de profeet Jeremia en zei: Jij wilt overlopen naar de Chaldeeën! 14. Jeremia zei: Dat is niet waar, ik wil niet naar de Chaldeeën overlopen. Maar hij luisterde niet naar hem. Jerija greep Jeremia en bracht hem bij de vorsten. 15. De vorsten werden woedend op Jeremia en sloegen hem. Zij zetten hem gevangen in het huis van de schrijver Jonathan, want dat hadden zij tot gevangenis gemaakt. 16. Zo kwam Jeremia in de kelder met de gewelven, en daar bleef hij vele dagen zitten. 17. Toen stuurde koning Zedekia iemand om hem te halen. De koning vroeg hem in zijn huis, in het geheim: Is er een woord van de HEERE? Jeremia zei: Dat is er. En hij zei: Je zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden. 18. Verder zei Jeremia tegen koning Zedekia: Wat heb ik tegen u, uw knechten of dit volk misdaan, dat jullie mij in de gevangenis gezet hebben? 19. Waar zijn nu jullie profeten die voor jullie profeteerden dat de koning van Babel niet tegen jullie en dit land zou komen? 20. Luister toch, mijn heer de koning. Laat mijn smeekbede bij u gehoor vinden. Breng mij niet terug naar het huis van de schrijver Jonathan, anders sterf ik daar. 21. Toen gaf koning Zedekia bevel. Men bracht Jeremia naar de wachtplaats. Elke dag gaf men hem een rond brood uit de Bakkersstraat, tot al het brood in de stad op was. Zo bleef Jeremia in de wachtplaats. ## Jeremia 38 — Jeremia in de put 1. Jeremia sprak woorden tot heel het volk. Sefatja de zoon van Matthan, Gedalja de zoon van Pashur, Juchal de zoon van Selemja en Pashur de zoon van Malchia hoorden ze. 2. Hij zei: Dit zegt de HEERE. Wie in deze stad blijft, zal sterven door zwaard, honger of pest. Maar wie naar de Chaldeeën uitgaat, zal leven en zijn leven als buit behouden. 3. Dit zegt de HEERE. Deze stad wordt zeker in de hand van het leger van de koning van Babel gegeven, en dat zal haar innemen. 4. Toen zeiden de vorsten tegen de koning: Laat deze man toch gedood worden. Hij maakt de handen slap van de soldaten die in deze stad over zijn en van heel het volk. Deze man zoekt geen vrede voor dit volk, maar onheil. 5. Koning Zedekia zei: Kijk, hij is in jullie hand, want de koning kan niets tegen jullie beginnen. 6. Toen namen zij Jeremia en gooiden hem in de put van Malchia, de zoon van de koning, die in de wachtplaats lag. Zij lieten Jeremia met touwen zakken. In de put was geen water, maar modder, en Jeremia zonk weg in de modder. 7. Ebed-Melech, de Ethiopiër, een van de hovelingen in het huis van de koning, hoorde dat zij Jeremia in de put gedaan hadden. De koning zat op dat moment in de Benjaminpoort. 8. Ebed-Melech ging uit het huis van de koning naar buiten en sprak tot de koning. 9. Mijn heer de koning, deze mannen hebben verkeerd gehandeld met de profeet Jeremia. Zij hebben hem in de put gegooid. Daar zal hij van honger sterven, want er is geen brood meer in de stad. 10. Toen gaf de koning de Ethiopiër Ebed-Melech bevel: Neem dertig mannen met je mee. Haal de profeet Jeremia uit de put voordat hij sterft. 11. Ebed-Melech nam de mannen mee en ging in het huis van de koning naar de ruimte onder de schatkamer. Daar haalde hij oude versleten lappen en hij liet die met touwen naar Jeremia in de put zakken. 12. Ebed-Melech, de Ethiopiër, zei tegen Jeremia: Leg deze oude versleten lappen onder je oksels, onder de touwen. En Jeremia deed dat. 13. Zij trokken Jeremia aan de touwen omhoog en haalden hem uit de put. En Jeremia bleef in de wachtplaats. 14. Toen liet koning Zedekia de profeet Jeremia bij zich halen, bij de derde ingang van het huis van de HEERE. De koning zei tegen Jeremia: Ik vraag je iets; verberg niets voor mij. 15. Jeremia zei tegen Zedekia: Als ik het u vertel, zult u mij dan niet zeker doden? En als ik u raad geef, zult u toch niet naar mij luisteren. 16. Toen zwoer koning Zedekia in het geheim tegen Jeremia: Zo waar de HEERE leeft, die ons dit leven gegeven heeft. Ik zal je niet doden en niet overgeven aan de mannen die je leven zoeken. 17. Toen zei Jeremia tegen Zedekia: Dit zegt de HEERE, de God van de legermachten, de God van Israël. Als u vrijwillig naar de vorsten van de koning van Babel uitgaat, zult u in leven blijven. Dan wordt deze stad niet met vuur verbrand en blijven u en uw huis leven. 18. Maar als u niet naar de vorsten van de koning van Babel uitgaat, wordt deze stad in de hand van de Chaldeeën gegeven. Zij zullen haar met vuur verbranden, en u zult niet aan hun hand ontkomen. 19. Koning Zedekia zei tegen Jeremia: Ik ben bang voor de Judeeërs die naar de Chaldeeën zijn overgelopen. Misschien geven zij mij aan hen over en drijven zij de spot met mij. 20. Jeremia zei: Zij zullen u niet overgeven. Luister toch naar de stem van de HEERE, zoals ik tot u spreek. Dan zal het u goed gaan en zult u in leven blijven. 21. Maar als u weigert uit te gaan, dan is dit het woord dat de HEERE mij heeft laten zien. 22. Kijk, alle vrouwen die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, worden naar de vorsten van de koning van Babel gebracht. Zij zullen zeggen: uw vertrouwde vrienden hebben u opgehitst en u de baas gekregen. Uw voeten zijn in de modder gezakt en zij zijn weggelopen. 23. Al uw vrouwen en al uw zonen zullen naar de Chaldeeën gebracht worden. Ook u zult niet aan hun hand ontkomen, maar door de hand van de koning van Babel gegrepen worden. En deze stad zal met vuur verbrand worden. 24. Toen zei Zedekia tegen Jeremia: Laat niemand van deze woorden weten, dan zul je niet sterven. 25. Misschien horen de vorsten dat ik met je gesproken heb. Dan komen zij naar je toe en zeggen: vertel ons wat je tegen de koning gezegd hebt. Verberg niets voor ons, dan doden wij je niet. En wat heeft de koning tegen jou gezegd? 26. Zeg dan tegen hen: ik smeekte de koning om mij niet terug te laten brengen naar het huis van Jonathan, om daar te sterven. 27. Toen alle vorsten bij Jeremia kwamen en hem ondervroegen, vertelde hij hun precies wat de koning bevolen had. Zij lieten hem met rust, want het gesprek was niet gehoord. 28. Jeremia bleef in de wachtplaats tot de dag dat Jeruzalem werd ingenomen. Hij was er nog toen Jeruzalem was ingenomen. ## Jeremia 39 — De val van Jeruzalem 1. In het negende jaar van Zedekia, de koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar naar Jeruzalem. Hij was de koning van Babel en had heel zijn leger bij zich. Zij belegerden de stad. 2. In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende dag van de maand, werd er een bres in de stad geslagen. 3. Alle vorsten van de koning van Babel trokken binnen en namen plaats in de middelste poort. Het waren Nergal-Sarezer, Samgar-Nebu, Sarsechim, Nergal-Sarezer de opperbevelhebber, en de overige vorsten van de koning van Babel. 4. Toen Zedekia, de koning van Juda, en alle soldaten hen zagen, vluchtten zij. Zij gingen s nachts de stad uit door de tuin van de koning, door de poort tussen de twee muren, en trokken de vlakte in. 5. Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen. Zij haalden Zedekia in op de vlakte van Jericho en grepen hem. Zij brachten hem naar Nebukadrezar, de koning van Babel, in Ribla in het land Hamath. Daar sprak die het vonnis over hem uit. 6. De koning van Babel doodde de zonen van Zedekia in Ribla voor zijn ogen. Ook doodde de koning van Babel alle edelen van Juda. 7. Hij maakte Zedekia blind en bond hem met twee bronzen ketenen om hem naar Babel te brengen. 8. De Chaldeeën verbrandden het huis van de koning en de huizen van het volk met vuur. Zij braken de muren van Jeruzalem af. 9. De rest van het volk dat in de stad was overgebleven, en de overlopers die naar hem waren gegaan, voerde Nebuzaradan weg naar Babel. Hij was de bevelhebber van de lijfwacht. 10. Maar van de armen die niets hadden, liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, enkelen achter in het land van Juda. Hij gaf hun die dag wijngaarden en akkers. 11. Over Jeremia had Nebukadrezar, de koning van Babel, bevel gegeven aan Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht. 12. Hij zei: Neem hem mee en zorg goed voor hem. Doe hem geen kwaad, maar doe met hem zoals hij je zegt. 13. Zo stuurden Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, en Nebuschazban en Nergal-Sarezer en alle bevelhebbers van de koning van Babel een bericht. 14. Zij lieten Jeremia uit de wachtplaats halen en gaven hem over aan Gedalja, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan. Die moest hem naar huis brengen. Zo bleef hij te midden van het volk. 15. Het woord van de HEERE was tot Jeremia gekomen toen hij nog opgesloten zat in de wachtplaats. 16. Ga en zeg tegen Ebed-Melech, de Ethiopiër: dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Kijk, ik breng mijn woorden over deze stad, ten kwade en niet ten goede. Op die dag zul jij het zien gebeuren. 17. Maar jou zal ik op die dag redden, zegt de HEERE. Je zult niet overgegeven worden aan de mannen voor wie je bang bent. 18. Want ik zal je zeker bevrijden. Je zult niet door het zwaard vallen, maar je leven als buit behouden, omdat je op mij vertrouwd hebt, zegt de HEERE. ## Jeremia 40 — Gedalja in Mizpa 1. Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam, nadat Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, hem in Rama had laten gaan. Hij had hem laten halen terwijl hij geboeid stond tussen alle gevangenen van Jeruzalem en Juda die naar Babel werden weggevoerd. 2. De bevelhebber van de lijfwacht liet Jeremia halen en zei tegen hem: De HEERE, jouw God, heeft dit onheil over deze plaats aangekondigd. 3. De HEERE heeft het laten komen en gedaan zoals Hij gesproken had. Want jullie hebben tegen de HEERE gezondigd en niet naar Zijn stem geluisterd. Daarom is dit jullie overkomen. 4. Kijk, vandaag maak ik je los van de boeien om je handen. Als het goed is in je ogen om met mij naar Babel te komen, kom dan; ik zal goed voor je zorgen. Maar als je dat liever niet doet, laat het dan. Kijk, het hele land ligt voor je open; ga waarheen het goed en recht is in je ogen. 5. Als je niet wilt terugkeren, ga dan naar Gedalja, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan. De koning van Babel heeft hem over de steden van Juda aangesteld. Woon bij hem te midden van het volk, of ga waarheen het recht is in je ogen. De bevelhebber van de lijfwacht gaf hem proviand en een geschenk en liet hem gaan. 6. Zo kwam Jeremia bij Gedalja, de zoon van Ahikam, in Mizpa. Hij woonde bij hem te midden van het volk dat in het land was achtergelaten. 7. Alle legeraanvoerders die in het veld waren, hoorden het met hun mannen. De koning van Babel had Gedalja, de zoon van Ahikam, over het land aangesteld. Zij hoorden ook dat hij hem de mannen, vrouwen en kinderen had toevertrouwd, de armsten van het land die niet naar Babel waren weggevoerd. 8. Toen kwamen zij bij Gedalja in Mizpa. Het waren Ismaël de zoon van Nethanja, Johanan en Jonathan de zonen van Kareah, en Seraja de zoon van Tanhumeth. Ook de zonen van Efai uit Netofa en Jezanja uit Maächa kwamen, met hun mannen. 9. Gedalja, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, zwoer aan hen en hun mannen: Wees niet bang om de Chaldeeën te dienen. Blijf in het land en dien de koning van Babel, dan zal het jullie goed gaan. 10. Kijk, ik woon in Mizpa om de Chaldeeën te woord te staan die naar ons toe komen. Verzamel jullie wijn, zomervruchten en olie en doe die in jullie vaten. Woon in de steden die jullie ingenomen hebben. 11. Ook alle Judeeërs in Moab, bij de Ammonieten, in Edom en in alle andere landen hoorden het. Zij hoorden dat de koning van Babel een rest in Juda had gelaten. Hij had Gedalja, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, over hen aangesteld. 12. Toen keerden alle Judeeërs terug uit alle plaatsen waarheen zij verdreven waren. Zij kwamen in het land van Juda bij Gedalja in Mizpa en verzamelden heel veel wijn en zomervruchten. 13. Maar Johanan, de zoon van Kareah, en alle legeraanvoerders die in het veld waren, kwamen bij Gedalja in Mizpa. 14. Zij zeiden tegen hem: Weet u wel dat Baälis, de koning van de Ammonieten, Ismaël, de zoon van Nethanja, gestuurd heeft om u te doden? Maar Gedalja, de zoon van Ahikam, geloofde hen niet. 15. Johanan, de zoon van Kareah, sprak in het geheim met Gedalja in Mizpa. Hij zei: Laat mij toch gaan en Ismaël, de zoon van Nethanja, doden. Niemand zal het weten. Waarom zou hij u doden? Dan wordt heel Juda dat zich bij u verzameld heeft, verstrooid en gaat de rest van Juda verloren. 16. Maar Gedalja, de zoon van Ahikam, zei tegen Johanan, de zoon van Kareah: Doe dat niet, want wat je over Ismaël zegt, is niet waar. ## Jeremia 41 — De moord op Gedalja 1. In de zevende maand kwam Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, naar Gedalja, de zoon van Ahikam, in Mizpa. Hij was van koninklijken bloede en kwam met tien hoge ambtenaren van de koning. Daar in Mizpa aten zij samen brood. 2. Toen stond Ismaël, de zoon van Nethanja, op met de tien mannen die bij hem waren. Zij sloegen Gedalja, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, met het zwaard. Zo doodde hij de man die de koning van Babel over het land had aangesteld. 3. Ismaël doodde ook alle Judeeërs die bij Gedalja in Mizpa waren, en de Chaldeese soldaten die daar gevonden werden. 4. De tweede dag na de moord op Gedalja wist nog niemand ervan. 5. Toen kwamen er tachtig mannen uit Sichem, Silo en Samaria. Hun baard was afgeschoren, hun kleren gescheurd en zij hadden zich ingesneden. Zij hadden graanoffers en wierook bij zich om naar het huis van de HEERE te brengen. 6. Ismaël, de zoon van Nethanja, ging hun vanuit Mizpa huilend tegemoet. Toen hij hen ontmoette, zei hij: Kom naar Gedalja, de zoon van Ahikam! 7. Maar toen zij midden in de stad gekomen waren, sneed Ismaël, de zoon van Nethanja, hun de keel af. Hij gooide hen in de put, hij en de mannen die bij hem waren. 8. Toch waren er tien mannen onder hen die tegen Ismaël zeiden: Dood ons niet. Wij hebben verborgen voorraden in het veld: tarwe, gerst, olie en honing. Toen liet hij hen leven en doodde hen niet met hun verwanten. 9. Ismaël gooide alle lijken in de put van de mannen die hij naast Gedalja gedood had. Dat was dezelfde put die koning Asa gemaakt had vanwege Baësa, de koning van Israël. Ismaël, de zoon van Nethanja, vulde die met de gedoden. 10. Ismaël voerde heel de rest van het volk in Mizpa weg, ook de dochters van de koning. Dat was al het volk dat in Mizpa was achtergebleven en dat Nebuzaradan aan Gedalja had toevertrouwd. Ismaël voerde hen weg en trok op naar de Ammonieten. 11. Toen Johanan, de zoon van Kareah, en alle legeraanvoerders die bij hem waren hoorden wat Ismaël, de zoon van Nethanja, gedaan had, 12. namen zij al hun mannen mee om tegen Ismaël, de zoon van Nethanja, te strijden. Zij vonden hem bij het grote water bij Gibeon. 13. Toen heel het volk dat bij Ismaël was Johanan, de zoon van Kareah, en alle legeraanvoerders zag, werden zij blij. 14. Heel het volk dat Ismaël uit Mizpa had weggevoerd, keerde zich om en liep over naar Johanan, de zoon van Kareah. 15. Maar Ismaël, de zoon van Nethanja, ontkwam aan Johanan met acht mannen en trok naar de Ammonieten. 16. Toen nam Johanan, de zoon van Kareah, met alle legeraanvoerders die bij hem waren, de rest van het volk mee. Hij had hen teruggehaald van Ismaël, de zoon van Nethanja, die Gedalja gedood had. Het waren soldaten, vrouwen, kinderen en hovelingen die hij uit Gibeon had teruggebracht. 17. Zij trokken weg en sloegen hun kamp op bij Geruth-Chimham, dicht bij Bethlehem. Zij wilden verder trekken om in Egypte te komen. 18. Zij deden dat uit angst voor de Chaldeeën. Want Ismaël, de zoon van Nethanja, had Gedalja, de zoon van Ahikam, gedood, die de koning van Babel over het land had aangesteld. ## Jeremia 42 — Ga niet naar Egypte 1. Toen kwamen alle legeraanvoerders naar voren, met Johanan, de zoon van Kareah, en Jezanja, de zoon van Hosaja. Ook heel het volk kwam, van klein tot groot. 2. Zij zeiden tegen de profeet Jeremia: Laat onze smeekbede bij u gehoor vinden. Bid voor ons tot de HEERE, uw God, voor heel deze rest. Want wij zijn met weinigen overgebleven van velen, zoals u zelf ziet. 3. Laat de HEERE, uw God, ons de weg bekendmaken die wij moeten gaan en wat wij moeten doen. 4. De profeet Jeremia zei tegen hen: Ik heb het gehoord. Kijk, ik zal tot de HEERE, jullie God, bidden zoals jullie vragen. Alles wat de HEERE jullie antwoordt, zal ik jullie vertellen. Ik zal geen woord voor jullie achterhouden. 5. Toen zeiden zij tegen Jeremia: De HEERE zij tussen ons een waarachtige en betrouwbare getuige. Wij zullen precies doen wat de HEERE, uw God, door u tot ons zegt. 6. Of het nu goed of kwaad is, wij zullen luisteren naar de stem van de HEERE, onze God, naar wie wij u sturen. Dan zal het ons goed gaan, als wij naar de stem van de HEERE, onze God, luisteren. 7. Na tien dagen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia. 8. Toen riep hij Johanan, de zoon van Kareah, en alle legeraanvoerders die bij hem waren, en heel het volk, van klein tot groot. 9. Hij zei tegen hen: Jullie stuurden mij naar de HEERE, de God van Israël, met jullie smeekbede. Dit zegt Hij. 10. Als jullie in dit land blijven wonen, zal ik jullie bouwen en niet afbreken, planten en niet uitrukken. Want ik heb spijt van het kwaad dat ik jullie aangedaan heb. 11. Wees niet bang voor de koning van Babel, voor wie jullie nu bang zijn. Wees niet bang voor hem, zegt de HEERE. Want ik ben met jullie om jullie te redden en uit zijn hand te bevrijden. 12. Ik zal jullie barmhartigheid geven, zodat hij zich over jullie ontfermt en jullie terugbrengt naar jullie eigen land. 13. Maar misschien zeggen jullie: wij blijven niet in dit land. Dan luisteren jullie niet naar de stem van de HEERE, jullie God. 14. Jullie zeggen dan: nee, wij gaan naar Egypte. Daar zien wij geen oorlog en horen wij geen bazuin. Daar hebben wij geen honger naar brood, en daar willen wij blijven. 15. Hoor dan nu het woord van de HEERE, rest van Juda. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Stel dat jullie werkelijk besluiten naar Egypte te gaan en daar als vreemdeling te wonen. 16. Dan zal het zwaard waar jullie bang voor zijn, jullie daar in Egypte inhalen. De honger waar jullie voor vrezen, zal jullie daar achtervolgen, en daar zullen jullie sterven. 17. Zo zal het gaan met alle mannen die besluiten naar Egypte te gaan om daar als vreemdeling te wonen. Zij zullen sterven door zwaard, honger en pest. Niemand van hen zal overblijven of ontkomen aan het kwaad dat ik over hen breng. 18. Want dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Zoals mijn toorn en mijn woede over de inwoners van Jeruzalem is uitgestort, zo wordt mijn woede over jullie uitgestort als jullie in Egypte komen. Jullie zullen een vervloeking, een schrikbeeld en een smaad worden, en deze plaats niet meer zien. 19. De HEERE heeft tegen jullie gesproken, rest van Juda: ga niet naar Egypte. Weet zeker dat ik jullie vandaag gewaarschuwd heb. 20. Jullie hebben jezelf misleid. Jullie stuurden mij naar de HEERE, jullie God, en zeiden: bid voor ons tot de HEERE, onze God. Maak ons alles bekend wat de HEERE, onze God, zegt, en wij zullen het doen. 21. Vandaag heb ik het jullie bekendgemaakt. Maar jullie hebben niet geluisterd naar de stem van de HEERE, jullie God, en niet naar alles waarmee Hij mij naar jullie gestuurd heeft. 22. Weet dan nu zeker dat jullie zullen sterven door zwaard, honger en pest. Dat gebeurt op de plaats waar jullie graag heen willen om daar te wonen. ## Jeremia 43 — Naar Egypte, tegen het woord in 1. Jeremia was klaar met het spreken van alle woorden van de HEERE, hun God, tot het hele volk. De HEERE, hun God, had hem met al die woorden naar hen toe gestuurd. 2. Toen zeiden Azarja, de zoon van Hosaja, en Johanan, de zoon van Kareah, en alle overmoedige mannen tegen Jeremia: Jij spreekt leugens. De HEERE, onze God, heeft je niet gestuurd om te zeggen dat wij niet naar Egypte mogen gaan om daar te wonen. 3. Maar Baruch, de zoon van Nerija, hitst je tegen ons op. Hij wil ons overleveren aan de Chaldeeën, zodat zij ons doden of naar Babel wegvoeren. 4. Zo luisterden Johanan, de zoon van Kareah, de legeraanvoerders en heel het volk niet naar de stem van de HEERE. Zij bleven niet in het land van Juda. 5. Johanan, de zoon van Kareah, en alle legeraanvoerders namen de hele rest van Juda mee. Dat waren de mensen die uit alle volken waarheen zij verdreven waren, teruggekeerd waren om in het land van Juda te wonen. 6. Zij namen de mannen, de vrouwen, de kinderen en de dochters van de koning mee. Ook namen zij iedereen mee die Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, bij Gedalja had gelaten. Ook de profeet Jeremia en Baruch, de zoon van Nerija, gingen mee. 7. Zij trokken naar Egypte, want zij luisterden niet naar de stem van de HEERE. En zij kwamen in Tachpanhes. 8. Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia in Tachpanhes. 9. Neem grote stenen in je hand en verberg ze in de klei van het plaveisel bij de ingang van het paleis van Farao in Tachpanhes. Doe dat voor de ogen van de mannen van Juda. 10. Zeg tegen hen: dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Kijk, ik laat Nebukadrezar halen, de koning van Babel, mijn knecht. Ik zal zijn troon boven op deze stenen zetten die ik verborgen heb, en hij zal zijn prachtige tent erover spannen. 11. Hij zal komen en Egypte slaan. Wie bestemd is voor de dood, gaat naar de dood; wie voor de gevangenschap, naar de gevangenschap; wie voor het zwaard, naar het zwaard. 12. Ik zal een vuur aansteken in de tempels van de goden van Egypte. Hij zal ze verbranden en de beelden wegvoeren. Hij zal Egypte om zich heen slaan zoals een herder zijn kleed omslaat, en hij zal daar ongehinderd wegtrekken. 13. Hij zal de gedenkstenen van Beth-Semes in Egypte stukslaan en de tempels van de goden van Egypte met vuur verbranden. ## Jeremia 44 — De koningin van de hemel 1. Het woord dat tot Jeremia kwam voor alle Judeeërs die in Egypte woonden: in Migdol, Tachpanhes, Nof en in het land Pathros. 2. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Jullie hebben al het kwaad gezien. Ik bracht het over Jeruzalem en over alle steden van Juda. Kijk, zij liggen vandaag verlaten en niemand woont er. 3. Dat komt door hun boosheid, waarmee zij mij tergden. Zij gingen wierook branden en andere goden dienen die zij niet kenden, zij niet, jullie niet en jullie vaderen niet. 4. Ik stuurde al mijn knechten, de profeten, steeds opnieuw naar jullie. Zij zeiden: doe toch die gruwelijke daad niet die ik haat. 5. Maar zij luisterden niet en neigden hun oor niet. Zij bekeerden zich niet van hun boosheid en bleven voor andere goden wierook branden. 6. Daarom werden mijn woede en mijn toorn uitgestort. Die brandden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, zodat zij verlaten en verwoest zijn, zoals het vandaag is. 7. En nu zegt de HEERE, de God van de legermachten, de God van Israël: waarom doen jullie jezelf zo veel kwaad aan? Waarom roeien jullie man en vrouw, kind en zuigeling uit Juda uit, zodat er geen rest van jullie overblijft? 8. Jullie tergen mij met het werk van jullie handen. Jullie branden wierook voor andere goden in Egypte, waar jullie naartoe gegaan zijn om te wonen. Zo roeien jullie jezelf uit en worden jullie een vloek en een smaad onder alle volken op aarde. 9. Zijn jullie de boosheid van jullie vaderen vergeten, en die van de koningen van Juda en van hun vrouwen? Zijn jullie je eigen boosheid en die van jullie vrouwen vergeten, die jullie deden in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem? 10. Tot vandaag toe zijn zij niet verbrijzeld van hart. Zij hadden geen ontzag en leefden niet naar mijn wet en mijn geboden, die ik jullie en jullie vaderen gegeven heb. 11. Daarom zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: kijk, ik keer mij tegen jullie ten kwade, om heel Juda uit te roeien. 12. Ik zal de rest van Juda wegnemen die besloten heeft naar Egypte te gaan om daar te wonen. Zij zullen allemaal in Egypte omkomen. Zij vallen door het zwaard en komen om van honger, van klein tot groot. Zij zullen een vervloeking, een schrikbeeld en een smaad worden. 13. Want ik zal wie in Egypte wonen bezoeken, zoals ik Jeruzalem bezocht heb: met zwaard, honger en pest. 14. Van de rest van Juda die naar Egypte gekomen is om daar te wonen, zal niemand ontkomen of overblijven. Zij verlangen terug te keren naar het land van Juda om daar te wonen, maar zij zullen niet terugkeren, behalve enkele vluchtelingen. 15. Toen antwoordden alle mannen die wisten dat hun vrouwen voor andere goden wierook brandden. Ook alle vrouwen die daar stonden, een grote menigte, antwoordden, en heel het volk dat in Egypte in Pathros woonde. 16. Zij zeiden: Wat het woord betreft dat u in de naam van de HEERE tot ons gesproken hebt: wij luisteren niet naar u. 17. Wij zullen zeker alles doen wat wij beloofd hebben. Wij branden wierook voor de koningin van de hemel en brengen haar drankoffers. Dat deden wij en onze vaderen, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem. Toen hadden wij brood genoeg, waren wij blij en zagen wij geen kwaad. 18. Maar sinds wij ophielden met wierook branden voor de koningin van de hemel en met haar drankoffers, hebben wij aan alles gebrek. Wij komen om door zwaard en honger. 19. En als wij voor de koningin van de hemel wierook branden en haar drankoffers brengen, doen wij dat toch niet buiten onze mannen om? Wij maken voor haar offerkoeken met haar beeltenis en brengen haar drankoffers. 20. Toen sprak Jeremia tot heel het volk, tot de mannen en de vrouwen en tot allen die hem zo geantwoord hadden. 21. Jullie en jullie vaderen brandden wierook in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem. Ook jullie koningen, jullie vorsten en het volk van het land deden dat. Heeft de HEERE daar niet aan gedacht? Is het niet in Zijn hart opgekomen? 22. De HEERE kon het niet langer verdragen vanwege jullie slechte daden en de gruwelen die jullie deden. Daarom is jullie land een woestenij geworden, een schrikbeeld en een vloek, zonder bewoners, zoals het vandaag is. 23. Jullie brandden wierook, zondigden tegen de HEERE en luisterden niet naar Zijn stem. Jullie leefden niet naar Zijn wet, Zijn geboden en Zijn getuigenissen. Daarom is dit kwaad jullie overkomen, zoals het vandaag is. 24. Verder zei Jeremia tegen heel het volk en tegen alle vrouwen: Hoor het woord van de HEERE, heel Juda dat in Egypte woont. 25. Dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël. Jullie en jullie vrouwen hebben met de mond gesproken en het met de handen uitgevoerd. Jullie zeiden: wij zullen onze geloften zeker houden en wierook branden voor de koningin van de hemel en haar drankoffers brengen. Houd jullie geloften dan maar en voer ze uit. 26. Hoor daarom het woord van de HEERE, heel Juda dat in Egypte woont. Kijk, ik zweer bij mijn grote naam, zegt de HEERE. Mijn naam zal in heel Egypte door geen enkele man van Juda meer genoemd worden met de woorden: zo waar de Heere HEERE leeft. 27. Kijk, ik waak over hen ten kwade en niet ten goede. Alle mannen van Juda die in Egypte zijn, zullen door zwaard en honger omkomen, tot zij er niet meer zijn. 28. Maar wie aan het zwaard ontkomen, zullen uit Egypte terugkeren naar het land van Juda, met weinigen. Dan zal heel de rest van Juda die naar Egypte kwam om er te wonen, weten wiens woord standhoudt: het mijne of het hunne. 29. Dit zal voor jullie het teken zijn, zegt de HEERE, dat ik jullie op deze plaats bezoek. Zo zullen jullie weten dat mijn woorden over jullie zeker standhouden, ten kwade. 30. Dit zegt de HEERE: kijk, ik geef Farao Hofra, de koning van Egypte, in de hand van zijn vijanden en van wie zijn leven zoeken. Zo gaf ik ook Zedekia, de koning van Juda, in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn vijand. ## Jeremia 45 — Het woord voor Baruch 1. Het woord dat de profeet Jeremia sprak tot Baruch, de zoon van Nerija. Baruch schreef die woorden toen op uit de mond van Jeremia, in een boek. Dat was in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. 2. Dit zegt de HEERE, de God van Israël, over jou, Baruch. 3. Jij zegt: Wee mij, want de HEERE heeft verdriet aan mijn pijn toegevoegd. Ik ben moe van mijn zuchten en vind geen rust. 4. Zeg dit tegen hem: dit zegt de HEERE. Kijk, wat ik gebouwd heb, breek ik af, en wat ik geplant heb, ruk ik uit, in heel dit land. 5. En zou jij dan grote dingen voor jezelf zoeken? Zoek ze niet. Want kijk, ik breng onheil over alle mensen, zegt de HEERE. Maar jou geef ik je leven als buit, overal waar je heen gaat. ## Jeremia 46 — Het woord over Egypte 1. Het woord van de HEERE dat tot de profeet Jeremia kwam over de volken. 2. Over Egypte, over het leger van Farao Necho, de koning van Egypte, dat bij de rivier de Frath lag bij Karchemis. Nebukadrezar, de koning van Babel, versloeg het in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. 3. Maak het kleine en het grote schild klaar en kom naar de strijd! 4. Span de paarden in en stijg op, ruiters! Ga in de rij staan met je helmen. Poets de speren en trek je pantsers aan! 5. Waarom zie ik dat zij versaagd zijn en terugwijken? Zelfs hun helden zijn verslagen. Zij slaan op de vlucht en kijken niet om. Overal is schrik, zegt de HEERE. 6. De snelle kan niet wegvluchten en de held niet ontkomen. In het noorden, aan de oever van de Frath, zijn zij gestruikeld en gevallen. 7. Wie is dat, die opkomt als de Nijl, met water dat golft als rivieren? 8. Egypte komt op als de Nijl, met water dat golft als rivieren. Hij zegt: ik zal opkomen en de aarde bedekken. Ik zal de stad en haar bewoners vernietigen. 9. Ruk uit, paarden, en raas, wagens! Laat de helden uittrekken: de Ethiopiërs en de mannen van Put met hun schilden, en de Lydiërs die de boog spannen. 10. Maar deze dag is van de Heere HEERE van de legermachten, een dag van wraak. Hij wreekt zich op Zijn tegenstanders. Het zwaard zal verslinden, verzadigd worden en dronken van hun bloed. Want de Heere HEERE van de legermachten houdt een offerfeest in het land van het noorden, aan de Frath. 11. Ga naar Gilead en haal balsem, jonge vrouw, dochter van Egypte. Tevergeefs gebruik je veel medicijnen; er is geen genezing voor je. 12. De volken hebben van je schande gehoord en het land is vol van je geschreeuw. Want held struikelde over held; samen zijn zij gevallen. 13. Het woord dat de HEERE tot de profeet Jeremia sprak over de komst van Nebukadrezar, de koning van Babel, om Egypte te slaan. 14. Vertel het in Egypte en laat het horen in Migdol. Laat het ook horen in Nof en Tachpanhes. Zeg: stel je op en maak je klaar, want het zwaard heeft alles om je heen verslonden. 15. Waarom zijn je sterke mannen weggevaagd? Zij hielden geen stand, omdat de HEERE hen voortdreef. 16. Hij liet velen struikelen; de een viel over de ander. Zij zeiden: sta op, laten wij terugkeren naar ons eigen volk en ons geboorteland, weg van het moordende zwaard. 17. Daar riepen zij: Farao, de koning van Egypte, is alleen maar lawaai. Hij heeft zijn kans voorbij laten gaan. 18. Zo waar ik leef, zegt de Koning, wiens naam HEERE van de legermachten is. Hij zal komen als de Tabor tussen de bergen en als de Karmel bij de zee. 19. Maak je bagage klaar voor de ballingschap, bewoonster, dochter van Egypte. Want Nof zal een woestenij worden, verbrand en onbewoond. 20. Egypte is een prachtige jonge koe, maar uit het noorden komt de horzel op haar af. 21. Zelfs haar huursoldaten in haar midden zijn als gemeste kalveren. Ook zij hebben zich omgedraaid en zijn samen gevlucht; zij hielden geen stand. Want de dag van hun ondergang kwam over hen, de tijd van hun bezoeking. 22. Haar stem gaat weg als het sissen van een slang. Want zij komen met een leger en gaan met bijlen op haar af, als houthakkers. 23. Zij hebben haar woud omgehakt, zegt de HEERE, hoe ondoordringbaar het ook is. Want zij zijn talrijker dan sprinkhanen, niet te tellen. 24. De dochter van Egypte staat beschaamd. Zij is gegeven in de hand van het volk uit het noorden. 25. De HEERE van de legermachten, de God van Israël, zegt: kijk, ik bezoek de menigte van No. Ik bezoek Farao en Egypte, met haar goden en haar koningen, ja Farao en wie op hem vertrouwen. 26. Ik geef hen in de hand van wie hun leven zoeken, in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en van zijn knechten. Maar daarna zal zij weer bewoond worden als in vroeger dagen, zegt de HEERE. 27. Maar jij, mijn knecht Jakob, wees niet bang. Schrik niet, Israël. Want kijk, ik zal je redden uit verre landen en je nageslacht uit het land van hun ballingschap. Jakob zal terugkomen, rustig en veilig, en niemand zal hem opschrikken. 28. Wees dus niet bang, mijn knecht Jakob, zegt de HEERE, want ik ben met je. Ik zal een einde maken aan alle volken waarheen ik je verdreven heb. Maar aan jou maak ik geen einde. Ik zal je met mate straffen en je niet vrijuit laten gaan. ## Jeremia 47 — Het woord over de Filistijnen 1. Het woord van de HEERE dat tot de profeet Jeremia kwam over de Filistijnen, voordat Farao Gaza versloeg. 2. Dit zegt de HEERE: Kijk, er komt water op uit het noorden. Het wordt een beek die buiten zijn oevers treedt. Het overstroomt het land en alles wat erin is, de stad en wie erin wonen. De mensen zullen schreeuwen en alle bewoners van het land zullen huilen. 3. Zij horen het kletteren van de hoeven van zijn sterke paarden, het dreunen van zijn wagens en het rommelen van zijn wielen. De vaders kijken niet om naar hun kinderen, want hun handen hangen slap. 4. Want de dag komt waarop alle Filistijnen verwoest worden. Tyrus en Sidon wordt elke helper afgesneden die nog over is. Want de HEERE zal de Filistijnen verwoesten, de rest van het eiland Kafthor. 5. Gaza is kaalgeschoren. Askelon is uitgeroeid, met de rest van hun vlakte. Hoe lang zul je jezelf nog insnijdingen maken? 6. Ach, zwaard van de HEERE, hoe lang zul je nog niet stil zijn? Ga terug in je schede, rust en houd je stil. 7. Maar hoe zou het stil kunnen zijn? De HEERE heeft het zwaard zelf bevel gegeven. Tegen Askelon en tegen de kust aan de zee heeft Hij het besteld. ## Jeremia 48 — Het woord over Moab 1. Over Moab zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, dit: Wee over Nebo, want zij is verwoest. Kirjathaim staat beschaamd en is ingenomen. De hoge burcht is beschaamd en verschrikt. 2. Er is geen roem van Moab meer in Hesbon. Zij bedachten kwaad tegen haar en zeiden: kom, laten wij haar uitroeien, zodat zij geen volk meer is. Ook jij, Madmen, wordt neergehouwen. Het zwaard zal je achtervolgen. 3. Uit Horonaim klinkt een stem van geschreeuw: verwoesting en een grote ramp! 4. Moab is gebroken. Haar kleine kinderen laten hun gehuil horen. 5. Op de helling naar Luhith klinkt het ene gehuil na het andere. Op de weg omlaag naar Horonaim hoorden de vijanden een jammerklacht om de ramp. 6. Vlucht, red je leven! Word als een kale struik in de woestijn. 7. Jij vertrouwde op je werken en op je schatten. Daarom word ook jij ingenomen. Kamos gaat in ballingschap, met zijn priesters en zijn vorsten samen. 8. De verwoester komt over elke stad; geen stad zal ontkomen. Het dal gaat te gronde en de vlakte wordt verwoest, want de HEERE heeft het gezegd. 9. Geef Moab vleugels, want zij zal al vliegend wegtrekken. Haar steden worden een woestenij, zonder één bewoner. 10. Vervloekt is wie het werk van de HEERE bedrieglijk doet. Ja, vervloekt is wie zijn zwaard van bloed terughoudt. 11. Moab leefde van jongs af aan onbezorgd. Hij lag stil op zijn droesem en werd niet van vat in vat gegoten. Hij ging niet in ballingschap. Daarom bleef zijn smaak in hem en veranderde zijn geur niet. 12. Daarom, kijk, de dagen komen, zegt de HEERE, dat ik hem tappers zal sturen. Zij zullen hem uitgieten, zijn vaten leegmaken en hun kruiken stukslaan. 13. Dan zal Moab beschaamd staan om Kamos, zoals het huis van Israël beschaamd stond om Beth-El, waarop het vertrouwde. 14. Hoe kunnen jullie zeggen: wij zijn helden en dappere strijders? 15. Moab is verwoest en zijn steden zijn ingenomen. De besten van zijn jonge mannen zijn afgevoerd om geslacht te worden. Zo spreekt de Koning, wiens naam HEERE van de legermachten is. 16. De ondergang van Moab is nabij. Zijn onheil komt heel snel. 17. Beklaag hem, jullie allemaal die om hem heen wonen en allen die zijn naam kennen. Zeg: hoe is de sterke staf gebroken, de prachtige stok! 18. Kom omlaag uit je heerlijkheid en ga in de dorst zitten, bewoonster, dochter van Dibon. Want de verwoester van Moab is tegen je opgetrokken en heeft je vestingen vernield. 19. Ga aan de weg staan en kijk uit, bewoonster van Aroër. Vraag aan de vluchtende man en aan de ontkomen vrouw: wat is er gebeurd? 20. Moab staat beschaamd, want hij is verslagen. Huil en schreeuw! Vertel bij de Arnon dat Moab verwoest is. 21. Het oordeel is gekomen over het vlakke land: over Holon, over Jahza en over Mefaath, 22. en over Dibon, over Nebo en over Beth-Diblathaim, 23. en over Kirjathaim, over Beth-Gamul en over Beth-Meon, 24. en over Kerioth en over Bozra. Ja, over alle steden van het land van Moab, ver weg en dichtbij. 25. De hoorn van Moab is afgehakt en zijn arm is gebroken, zegt de HEERE. 26. Maak hem dronken, want hij maakte zich groot tegen de HEERE. Moab zal in zijn eigen braaksel rollen en zelf een mikpunt van spot worden. 27. Was Israël voor jou geen mikpunt van spot? Werd hij soms tussen dieven aangetroffen? Waarom schudde je dan je hoofd, telkens als je over hem sprak? 28. Verlaat de steden en ga in de rotsen wonen, inwoners van Moab. Word als een duif die nestelt aan de rand van een kloof. 29. Wij hebben gehoord hoe hoogmoedig Moab is, en hij is heel hoogmoedig. Wij hoorden van zijn trots, zijn hoogmoed, zijn overmoed en zijn verwaande hart. 30. Ik ken zijn overmoed, zegt de HEERE, maar die stelt niets voor. Zijn grootspraak brengt niets tot stand. 31. Daarom zal ik om Moab huilen. Om heel Moab zal ik schreeuwen. Om de mensen van Kir-Heres wordt gezucht. 32. Meer dan om Jaëzer zal ik om jou wenen, wijnstok van Sibma. Je ranken reikten tot over de zee, tot aan de zee van Jaëzer. Maar de verwoester viel op je zomervruchten en op je wijnoogst. 33. De blijdschap en de vreugde zijn weggenomen uit de boomgaard, uit het land van Moab. Ik heb de wijn uit de perskuipen laten ophouden. Niemand zal nog druiven treden met vreugdegeroep. Er klinkt geroep, maar het is geen vreugdegeroep. 34. Zij schreeuwden vanuit Hesbon tot aan Eleale en tot aan Jahaz. Van Zoar tot Horonaim en Eglath-Selisia verhieven zij hun stem. Ook het water van Nimrim zal opdrogen. 35. Ik zal in Moab een einde maken, zegt de HEERE, aan wie op de offerhoogte offert en zijn goden wierook brengt. 36. Daarom klaagt mijn hart om Moab als een fluit. Mijn hart klaagt als een fluit om de mensen van Kir-Heres. Alles wat hij gespaard had, is verloren. 37. Want elk hoofd is kaalgeschoren en elke baard is afgeknipt. Op alle handen zijn insnijdingen en om de heupen een rouwkleed. 38. Op alle daken van Moab en op al haar pleinen is rouw. Want ik heb Moab gebroken als een pot waar niemand iets aan heeft, zegt de HEERE. 39. Hoe is hij verslagen! Zij huilen. Hoe heeft Moab zich beschaamd afgewend! Zo wordt Moab een spot en een schrikbeeld voor iedereen om hem heen. 40. Want dit zegt de HEERE: kijk, hij zal snel aanvliegen als een arend en zijn vleugels over Moab uitspreiden. 41. De steden zijn veroverd en de vestingen zijn ingenomen. Op die dag zal het hart van de helden van Moab zijn als het hart van een vrouw in barensnood. 42. Moab wordt vernietigd, zodat het geen volk meer is. Want hij heeft zich groot gemaakt tegen de HEERE. 43. Angst, een kuil en een strik wachten jou, bewoner van Moab, zegt de HEERE. 44. Wie voor de angst vlucht, valt in de kuil. Wie uit de kuil klimt, raakt in de strik gevangen. Want ik breng over haar, over Moab, het jaar van hun bezoeking, zegt de HEERE. 45. Wie voor de macht van de vijand vluchtten, bleven uitgeput staan in de schaduw van Hesbon. Maar er ging een vuur uit van Hesbon en een vlam uit het midden van Sihon. Het verteerde de slapen van Moab en de schedels van de schreeuwers. 46. Wee jou, Moab! Het volk van Kamos is verloren. Want je zonen zijn weggevoerd in gevangenschap en je dochters ook. 47. Maar aan het einde van de dagen zal ik het lot van Moab keren, zegt de HEERE. Tot zover het oordeel over Moab. ## Jeremia 49 — Het woord over Ammon, Edom, Damaskus, Kedar en Elam 1. Over de Ammonieten zegt de HEERE dit: Heeft Israël dan geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom heeft Malcham dan het gebied van Gad geërfd? Waarom woont zijn volk in de steden daar? 2. Daarom, kijk, de dagen komen, zegt de HEERE, dat ik tegen Rabba van de Ammonieten een strijdkreet laat horen. Het wordt een puinhoop en de dorpen eromheen worden in brand gestoken. Dan zal Israël erven van wie hem geërfd hadden, zegt de HEERE. 3. Huil, Hesbon, want Ai is verwoest. Schreeuw, dochters van Rabba! Doe rouwkleren aan, rouw en loop rond tussen de muren. Want Malcham gaat in ballingschap, met zijn priesters en zijn vorsten samen. 4. Waarom roem je op je dalen? Je dal loopt leeg, afvallige dochter. Jij vertrouwt op je schatten en zegt: wie zou tegen mij optrekken? 5. Kijk, ik breng angst over je, zegt de Heere HEERE van de legermachten. Die angst komt van allen om je heen. Jullie worden verdreven, ieder voor zich, en niemand brengt de zwervers bijeen. 6. Maar daarna zal ik het lot van de Ammonieten keren, zegt de HEERE. 7. Over Edom zegt de HEERE van de legermachten dit: Is er dan geen wijsheid meer in Theman? Hebben de verstandigen geen raad meer? Is hun wijsheid vergaan? 8. Vlucht, keer om en verstop je diep, inwoners van Dedan. Want ik breng de ondergang van Ezau over hem, de tijd dat ik hem bezoek. 9. Als er druivenplukkers bij je gekomen waren, zouden zij toch een nalezing hebben overgelaten? Als er in de nacht dieven waren gekomen, zouden zij toch niet meer stelen dan genoeg is? 10. Maar ik heb Ezau helemaal ontbloot en zijn schuilplaatsen blootgelegd, zodat hij zich niet kan verbergen. Zijn nageslacht is verwoest, ook zijn familie en zijn buren, en hij is er niet meer. 11. Laat je wezen achter; ik zal hen in leven houden. En laat je weduwen op mij vertrouwen. 12. Want dit zegt de HEERE: kijk, wie niet verdiend hadden de beker te drinken, moeten hem toch helemaal drinken. Zou jij dan vrijuit gaan? Nee, je gaat niet vrijuit; je zult de beker helemaal leegdrinken. 13. Want ik heb bij mijzelf gezworen, zegt de HEERE, dat Bozra een schrikbeeld zal worden, een smaad, een puinhoop en een vloek. Al haar steden zullen voor altijd woestenijen worden. 14. Ik heb een bericht gehoord van de HEERE. Er is een gezant naar de volken gestuurd om te zeggen: verzamel je en trek tegen haar op, sta op voor de strijd! 15. Want kijk, ik heb je klein gemaakt onder de volken, veracht onder de mensen. 16. De schrik die je verspreidde heeft je bedrogen, en ook de trots van je hart. Jij woont in de kloven van de rotsen en houdt je vast op de top van de heuvel. Al zou je je nest zo hoog bouwen als een arend, ik haal je daar omlaag, zegt de HEERE. 17. Zo wordt Edom een schrikbeeld. Iedereen die langsloopt zal huiveren en sissen om al haar wonden. 18. Het zal zijn als bij de omkering van Sodom en Gomorra en hun buursteden, zegt de HEERE. Niemand zal daar wonen; geen mens zal er verblijven. 19. Kijk, als een leeuw uit het struikgewas van de Jordaan komt hij op tegen de sterke weide. Ik zal Edom in een ogenblik daaruit wegjagen. En wie ik uitkies, stel ik erover aan. Want wie is aan mij gelijk? Wie zou mij dagvaarden? Welke herder houdt voor mij stand? 20. Hoor daarom het besluit van de HEERE over Edom en Zijn plannen met de bewoners van Theman. Zeker, de kleinsten van de kudde zullen hen wegslepen. Zeker, hun weide zal met hen vergaan. 21. De aarde beeft van het geluid van hun val. Het geschreeuw is te horen tot bij de Schelfzee. 22. Kijk, hij komt op en vliegt snel als een arend en spreidt zijn vleugels over Bozra uit. Op die dag zal het hart van de helden van Edom zijn als het hart van een vrouw in barensnood. 23. Over Damaskus. Hamath en Arpad staan beschaamd, want zij hoorden een slecht bericht en smolten weg. Aan de zee is onrust; niemand kan er rusten. 24. Damaskus is slap geworden en heeft zich omgedraaid om te vluchten. Angst greep haar aan. Benauwdheid en pijn als van een barende vrouw hebben haar gepakt. 25. Hoe is de beroemde stad niet verlaten, de stad van mijn vreugde! 26. Daarom zullen haar jonge mannen op haar pleinen vallen. Al haar soldaten worden op die dag neergehouwen, zegt de HEERE van de legermachten. 27. Ik zal een vuur aansteken in de muur van Damaskus. Het zal de paleizen van Benhadad verteren. 28. Over Kedar en over de koninkrijken van Hazor. Nebukadrezar, de koning van Babel, versloeg ze. De HEERE zegt dit: Sta op, trek op tegen Kedar en verwoest de mensen van het oosten. 29. Zij zullen hun tenten en hun kudden wegnemen, hun tentkleden en al hun spullen. Ook hun kamelen nemen zij mee. Zij zullen tegen hen roepen: overal is schrik! 30. Vlucht, ga snel weg, verstop je diep, inwoners van Hazor, zegt de HEERE. Want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een plan tegen jullie gemaakt en iets tegen jullie bedacht. 31. Sta op, trek op tegen een volk dat rustig en veilig woont, zegt de HEERE. Het heeft geen deuren en geen grendels en woont op zichzelf. 32. Hun kamelen zullen buit worden en hun grote kudden roof. Ik zal hen naar alle windstreken verstrooien, allen die hun haar aan de slapen afscheren. Van alle kanten breng ik onheil over hen, zegt de HEERE. 33. Hazor wordt een verblijf voor jakhalzen, een woestenij voor altijd. Niemand zal daar wonen; geen mens zal er verblijven. 34. Het woord van de HEERE dat tot de profeet Jeremia kwam over Elam, aan het begin van de regering van Zedekia, de koning van Juda. 35. Dit zegt de HEERE van de legermachten: Kijk, ik breek de boog van Elam, hun voornaamste kracht. 36. Ik breng de vier winden over Elam, uit de vier hoeken van de hemel. Ik verstrooi hen naar al die winden. Er zal geen volk zijn waar de verdrevenen van Elam niet komen. 37. Ik zal Elam laten beven voor hun vijanden en voor wie hun leven zoeken. Ik breng onheil over hen, de gloed van mijn toorn, zegt de HEERE. Ik stuur het zwaard achter hen aan tot ik hen vernietigd heb. 38. Ik zal mijn troon in Elam zetten en de koning en de vorsten daar verdelgen, zegt de HEERE. 39. Maar aan het einde van de dagen zal ik het lot van Elam keren, zegt de HEERE. ## Jeremia 50 — Het woord over Babel 1. Het woord dat de HEERE sprak over Babel, over het land van de Chaldeeën, door de profeet Jeremia. 2. Vertel het onder de volken en laat het horen. Hijs een vlag, laat het horen en houd het niet geheim. Zeg: Babel is ingenomen. Bel staat beschaamd, Merodach is verpletterd. Haar godenbeelden staan beschaamd en haar afgoden zijn verpletterd. 3. Want uit het noorden komt een volk tegen haar op. Dat zal haar land tot een woestenij maken, zonder één bewoner. Mens en dier zijn weggevlucht en weggetrokken. 4. In die dagen en in die tijd, zegt de HEERE, zullen de Israëlieten komen, zij en de Judeeërs samen. Zij zullen al huilend hun weg gaan en de HEERE, hun God, zoeken. 5. Zij zullen naar Sion vragen en die kant op kijken. Zij zullen komen en zich bij de HEERE voegen in een eeuwig verbond dat niet vergeten wordt. 6. Mijn volk was een kudde verdwaalde schapen. Hun herders brachten hen op een dwaalspoor en voerden hen de bergen in. Zij gingen van berg naar heuvel en vergaten hun rustplaats. 7. Allen die hen vonden, aten hen op. Hun tegenstanders zeiden: wij zijn niet schuldig. Want zij hebben gezondigd tegen de HEERE, de weide van gerechtigheid. Zij zondigden tegen de HEERE, de hoop van hun vaderen. 8. Vlucht weg uit Babel en ga weg uit het land van de Chaldeeën. Wees als de bokken die voor de kudde uit lopen. 9. Want kijk, ik wek een menigte van grote volken op uit het land van het noorden. Ik breng hen tegen Babel. Zij zullen zich tegen haar opstellen en vandaar wordt zij ingenomen. Hun pijlen zijn als die van een geoefend soldaat; geen keert leeg terug. 10. Chaldea zal buit worden. Allen die haar plunderen, zullen genoeg krijgen, zegt de HEERE. 11. Jullie zijn blij en juichen, plunderaars van mijn erfdeel. Jullie springen rond als een kalf in het gras en hinniken als hengsten. 12. Daarom staat jullie moeder diep beschaamd. Wie jullie baarde, is rood van schaamte. Kijk, zij is de minste van de volken geworden, een woestijn, een dor en verlaten land. 13. Door de toorn van de HEERE zal zij onbewoond blijven. Zij wordt helemaal een woestenij. Iedereen die langs Babel loopt, zal huiveren en sissen om al haar wonden. 14. Stel je rondom Babel op, jullie allemaal die de boog spannen. Schiet op haar en spaar de pijlen niet, want zij heeft tegen de HEERE gezondigd. 15. Juich over haar aan alle kanten; zij heeft zich overgegeven. Haar torens zijn gevallen en haar muren zijn afgebroken. Want dit is de wraak van de HEERE. Wreek je op haar en doe met haar zoals zij gedaan heeft. 16. Roei uit Babel de zaaier uit en wie in de oogsttijd de oogst binnenhaalt. Laat iedereen voor het moordende zwaard terugkeren naar zijn eigen volk. Laat ieder vluchten naar zijn eigen land. 17. Israël is een opgejaagd lam dat door leeuwen verdreven is. Eerst at de koning van Assur hem op. En als laatste heeft Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn botten gebroken. 18. Daarom zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, dit: Kijk, ik zal de koning van Babel en zijn land bezoeken. Dat doe ik zoals ik de koning van Assur bezocht heb. 19. Ik zal Israël terugbrengen naar zijn eigen weide. Hij zal grazen op de Karmel en in Basan. In het bergland van Efraïm en in Gilead zal hij genoeg te eten hebben. 20. In die dagen en in die tijd, zegt de HEERE, zal men de schuld van Israël zoeken, maar die is er niet. Men zal de zonden van Juda zoeken, maar ze worden niet gevonden. Want ik vergeef het wie ik laat overblijven. 21. Trek op tegen het land Merathaim en tegen de bewoners van Pekod. Verwoest en vernietig alles achter hen, zegt de HEERE. Doe alles wat ik je bevolen heb. 22. Er klinkt strijdgeschreeuw in het land, en een grote ramp. 23. Hoe is de hamer van de hele aarde stukgeslagen en gebroken! Hoe is Babel een schrikbeeld geworden onder de volken! 24. Ik heb een val voor je gezet en je bent gevangen, Babel, zonder dat je het wist. Je bent gevonden en gegrepen, omdat je de strijd met de HEERE aanging. 25. De HEERE heeft Zijn wapenkamer geopend en de wapens van Zijn toorn tevoorschijn gehaald. Want dit is een werk van de Heere HEERE van de legermachten, in het land van de Chaldeeën. 26. Kom van heinde en ver op haar af. Open haar schuren, gooi haar op een hoop als korenschoven en vernietig haar. Laat er niets van over. 27. Dood al haar stieren met het zwaard; laat ze naar de slacht gaan. Wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd dat zij bezocht worden. 28. Hoor de stem van wie uit het land Babel gevlucht en ontkomen zijn. Zij vertellen in Sion van de wraak van de HEERE, onze God, de wraak voor Zijn tempel. 29. Roep de schutters op tegen Babel, allen die de boog spannen. Sla het beleg om haar heen en laat niemand ontkomen. Vergeld haar naar haar werk en doe met haar alles wat zij gedaan heeft. Want zij was hoogmoedig tegen de HEERE, tegen de Heilige van Israël. 30. Daarom zullen haar jonge mannen op haar pleinen vallen. Al haar soldaten worden op die dag uitgeroeid, zegt de HEERE. 31. Kijk, ik keer mij tegen jou, trotse stad, zegt de Heere HEERE van de legermachten. Want jouw dag is gekomen, de tijd dat ik je bezoek. 32. Dan zal de trotse struikelen en vallen, en niemand helpt hem overeind. Ik zal een vuur aansteken in zijn steden en dat zal alles om hem heen verteren. 33. Dit zegt de HEERE van de legermachten: De Israëlieten en de Judeeërs worden samen onderdrukt. Allen die hen gevangen namen, houden hen vast en weigeren hen los te laten. 34. Maar hun Verlosser is sterk. Zijn naam is HEERE van de legermachten. Hij zal hun zaak zeker bepleiten. Zo brengt Hij rust in het land, maar onrust over de bewoners van Babel. 35. Het zwaard komt over de Chaldeeën, zegt de HEERE, en over de bewoners van Babel, over haar vorsten en over haar wijzen. 36. Het zwaard komt over de leugenprofeten, zodat zij dwaas worden. Het zwaard komt over haar helden, zodat zij bezwijken. 37. Het zwaard komt over zijn paarden en zijn wagens en over al het vreemde volk in haar midden, zodat zij krachteloos worden. Het zwaard komt over haar schatten, zodat die geplunderd worden. 38. Droogte komt over haar water, zodat het opdroogt. Want het is een land van gesneden beelden, en zij zijn dol op hun afschuwelijke goden. 39. Daarom zullen de wilde dieren van de woestijn er wonen, met de hyena's. Ook struisvogels zullen er wonen. Nooit meer zal er iemand verblijven; van geslacht op geslacht blijft zij onbewoond. 40. Zoals God Sodom en Gomorra en hun buursteden omkeerde, zegt de HEERE, zo zal daar niemand wonen en geen mens er verblijven. 41. Kijk, daar komt een volk uit het noorden. Een grote natie en machtige koningen worden opgewekt van de einden van de aarde. 42. Zij dragen boog en speer. Zij zijn wreed en kennen geen medelijden. Hun stem bruist als de zee en zij rijden op paarden. Zij staan opgesteld als één man voor de strijd, tegen jou, dochter van Babel. 43. De koning van Babel hoorde het bericht over hen en zijn handen werden slap. Angst greep hem aan, pijn als van een barende vrouw. 44. Kijk, als een leeuw uit het struikgewas van de Jordaan komt hij op tegen de sterke weide. Ik zal hen in een ogenblik daaruit wegjagen. En wie ik uitkies, stel ik erover aan. Want wie is aan mij gelijk? Wie zou mij dagvaarden? Welke herder houdt voor mij stand? 45. Hoor daarom het besluit van de HEERE over Babel en Zijn plannen met het land van de Chaldeeën. Zeker, de kleinsten van de kudde zullen hen wegslepen. Zeker, hun weide zal met hen vergaan. 46. De aarde beeft van het geluid van de val van Babel. Het geschreeuw is te horen onder de volken. ## Jeremia 51 — Babel valt en staat niet meer op 1. Dit zegt de HEERE: Kijk, ik wek een verwoestende wind op tegen Babel en tegen wie wonen in het hart van wie tegen mij opstaan. 2. Ik stuur wanners naar Babel; zij zullen haar wannen en haar land leegmaken. Op de dag van het onheil komen zij van alle kanten op haar af. 3. Laat de schutter zijn boog spannen tegen wie spant en tegen wie pronkt in zijn pantser. Spaar haar jonge mannen niet en vernietig heel haar leger. 4. Laat de gedoden liggen in het land van de Chaldeeën en de doorstokenen op haar pleinen. 5. Want Israël en Juda zijn niet als weduwen achtergelaten door hun God, de HEERE van de legermachten. Dat is zo, ook al is hun land vol schuld tegenover de Heilige van Israël. 6. Vlucht uit Babel en laat ieder zijn leven redden. Kom niet om door haar schuld. Want dit is de tijd van de wraak van de HEERE; Hij vergeldt haar wat zij verdient. 7. Babel was een gouden beker in de hand van de HEERE, die de hele aarde dronken maakte. De volken dronken van haar wijn en daarom werden zij waanzinnig. 8. Plotseling is Babel gevallen en gebroken. Huil over haar. Haal balsem voor haar pijn; misschien geneest zij. 9. Wij hebben Babel willen genezen, maar zij is niet genezen. Laat haar dan los en laten wij ieder naar zijn eigen land gaan. Want haar oordeel reikt tot de hemel en stijgt tot de wolken. 10. De HEERE heeft ons recht aan het licht gebracht. Kom, laten wij in Sion vertellen wat de HEERE, onze God, gedaan heeft. 11. Slijp de pijlen en pak de schilden. De HEERE heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt. Zijn plan is tegen Babel, om haar te verwoesten. Want dit is de wraak van de HEERE, de wraak voor Zijn tempel. 12. Hijs de vlag op de muren van Babel. Versterk de wacht, zet wachters neer en leg hinderlagen. Want wat de HEERE zich voorgenomen heeft, doet Hij ook. Hij doet wat Hij over de bewoners van Babel gezegd heeft. 13. Jij die aan veel water woont en rijk bent aan schatten: je einde is gekomen, de maat van je hebzucht is vol. 14. De HEERE van de legermachten heeft bij zichzelf gezworen: ik heb je gevuld met mensen als een zwerm sprinkhanen. Toch zal men over jou juichen. 15. Hij maakte de aarde door Zijn kracht. Hij richtte de wereld op door Zijn wijsheid en spande de hemel uit door Zijn inzicht. 16. Als Hij Zijn stem laat klinken, bruist het water in de hemel. Hij laat de wolken opstijgen van de einden van de aarde. Hij maakt bliksem bij de regen en haalt de wind uit Zijn voorraadkamers. 17. Ieder mens staat dom en zonder kennis. Elke goudsmid staat beschaamd om zijn beeld. Want zijn gegoten beeld is bedrog; er zit geen adem in. 18. Ze zijn niets, belachelijk werk. Als de tijd komt dat zij bezocht worden, vergaan zij. 19. Het deel van Jakob is niet zoals zij. Want Hij is de Maker van alles, en Israël is de stam van Zijn erfdeel. Zijn naam is HEERE van de legermachten. 20. Jij bent mijn hamer, mijn wapen voor de oorlog. Met jou sla ik volken stuk en met jou vernietig ik koninkrijken. 21. Met jou sla ik het paard en zijn ruiter stuk. Met jou sla ik de wagen en zijn menner stuk. 22. Met jou sla ik man en vrouw stuk, oud en jong, jongen en meisje. 23. Met jou sla ik de herder en zijn kudde stuk, de boer en zijn span ossen, landvoogden en bestuurders. 24. Maar ik zal Babel en alle bewoners van Chaldea vergelden wat zij Sion hebben aangedaan, voor jullie eigen ogen, zegt de HEERE. 25. Kijk, ik keer mij tegen jou, verwoestende berg, zegt de HEERE, jij die de hele aarde verwoest. Ik strek mijn hand tegen je uit en rol je van de rotsen af. Ik maak je tot een uitgebrande berg. 26. Uit jou zal men geen hoeksteen nemen en geen steen voor een fundament. Want je zult voor altijd een woestenij zijn, zegt de HEERE. 27. Hijs de vlag in het land en blaas de ramshoorn onder de volken. Roep de volken tegen haar op. Roep de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz tegen haar bijeen. Stel een aanvoerder tegen haar aan en laat de paarden aanrukken als een zwerm sprinkhanen. 28. Roep de volken tegen haar op, de koningen van Medië, hun landvoogden en al hun bestuurders, ja heel het gebied van hun heerschappij. 29. Dan beeft het land en krimpt het ineen. Want elk plan van de HEERE tegen Babel staat vast: haar land wordt een woestenij, zonder één bewoner. 30. De helden van Babel zijn opgehouden met vechten. Zij zitten in de vestingen en hun kracht is op; zij zijn krachteloos geworden. Haar huizen zijn in brand gestoken en haar grendels zijn gebroken. 31. De ene bode rent de andere tegemoet en de ene boodschapper de andere. Zij melden de koning van Babel dat zijn stad van alle kanten ingenomen is. 32. Ook melden zij dat de doorwaadbare plaatsen bezet zijn, dat de rietvelden verbrand zijn en dat de soldaten radeloos zijn. 33. Want dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer. Het is tijd om haar te dorsen. Nog even, dan komt de oogsttijd voor haar. 34. Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten en verpletterd. Hij zette mij weg als een lege kruik. Hij verslond mij als een monster en vulde zijn buik met mijn lekkernijen. Daarna spoelde hij mij weg. 35. Laat het geweld dat mij is aangedaan op Babel neerkomen, zegt de bewoonster van Sion. Laat mijn bloed neerkomen op de bewoners van Chaldea, zegt Jeruzalem. 36. Daarom zegt de HEERE dit: Kijk, ik neem het voor je op en ik wreek je. Ik zal haar zee droogleggen en haar bron laten opdrogen. 37. Babel wordt een puinhoop, een verblijf voor jakhalzen, een schrikbeeld en een mikpunt van spot, zonder één bewoner. 38. Zij brullen samen als jonge leeuwen; zij grommen als leeuwenwelpen. 39. Als zij verhit zijn, zet ik hun een drank voor en maak hen dronken, zodat zij uitgelaten worden. Maar zij zullen een eeuwige slaap slapen en niet wakker worden, zegt de HEERE. 40. Ik voer hen weg om geslacht te worden als lammeren, als rammen met bokken. 41. Hoe is Sesach veroverd, de roem van de hele aarde ingenomen! Hoe is Babel een schrikbeeld geworden onder de volken! 42. Een zee is over Babel gestegen; door de massa golven is zij bedekt. 43. Haar steden zijn een woestenij geworden, een dor en verlaten land, waar niemand woont en geen mens doorheen trekt. 44. Ik zal Bel in Babel bezoeken. Ik haal uit zijn muil wat hij verslonden heeft. De volken zullen niet meer naar hem toestromen. Ook de muur van Babel is gevallen. 45. Ga weg uit haar midden, mijn volk. Laat ieder zijn leven redden voor de gloed van de toorn van de HEERE. 46. Laat jullie hart niet week worden en wees niet bang voor het gerucht dat in het land gehoord wordt. Het ene jaar komt er een gerucht en het volgende jaar weer een. Er zal geweld in het land zijn, heerser tegen heerser. 47. Daarom, kijk, de dagen komen dat ik de gesneden beelden van Babel bezoek. Heel haar land zal beschaamd staan en al haar gedoden zullen in haar midden liggen. 48. De hemel en de aarde en alles wat daarin is, zullen juichen over Babel. Want uit het noorden komen de verwoesters op haar af, zegt de HEERE. 49. Zoals Babel de gedoden van Israël deed vallen, zo vallen in Babel de gedoden van heel de aarde. 50. Jullie die aan het zwaard ontkomen zijn, ga weg en blijf niet staan. Denk van ver aan de HEERE en laat Jeruzalem in jullie hart opkomen. 51. Jullie zeggen misschien: wij staan beschaamd, want wij hoorden hoe wij bespot werden. Schaamte bedekte ons gezicht, want vreemden kwamen in de heilige delen van het huis van de HEERE. 52. Daarom, kijk, de dagen komen, zegt de HEERE, dat ik haar gesneden beelden bezoek. In heel haar land zullen de gewonden kreunen. 53. Al klom Babel op naar de hemel en al maakte zij haar hoge burcht sterk, toch stuur ik verwoesters op haar af, zegt de HEERE. 54. Er klinkt geschreeuw uit Babel, het geluid van een grote ramp uit het land van de Chaldeeën. 55. Want de HEERE verwoest Babel en maakt een einde aan haar luide stem. Hun golven bruisen als grote wateren; hun stemmen klinken luid op. 56. Want de verwoester komt over haar, over Babel. Haar helden worden gevangen en hun bogen worden gebroken. Want de HEERE is een God van vergelding; Hij betaalt hun zeker terug. 57. Ik zal haar vorsten en haar wijzen dronken maken, haar landvoogden, haar bestuurders en haar helden. Zij zullen een eeuwige slaap slapen en niet wakker worden, zegt de Koning, wiens naam HEERE van de legermachten is. 58. Dit zegt de HEERE van de legermachten: De brede muur van Babel wordt tot de grond toe afgebroken. Haar hoge poorten worden in brand gestoken. Zo hebben de volken zich voor niets afgemat en de naties zich moe gewerkt voor het vuur. 59. Dit is het woord dat de profeet Jeremia opdroeg aan Seraja, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja. Seraja ging met Zedekia, de koning van Juda, naar Babel, in het vierde jaar van zijn regering. Seraja was hofmaarschalk. 60. Jeremia schreef al het onheil dat over Babel zou komen in een boek. Het waren al deze woorden die tegen Babel geschreven zijn. 61. Jeremia zei tegen Seraja: Als je in Babel komt, zorg dan dat je al deze woorden hardop leest. 62. Dan moet je zeggen: HEERE, U hebt over deze plaats gesproken dat U haar zult uitroeien. Er zal geen bewoner overblijven, geen mens en geen dier; zij zal voor altijd een woestenij zijn. 63. En als je klaar bent met het lezen van dit boek, bind er dan een steen aan en gooi het midden in de Frath. 64. Zeg dan: Zo zal Babel zinken en niet meer opkomen, door het onheil dat ik over haar breng. Zij zullen zich moe werken. Tot zover de woorden van Jeremia. ## Jeremia 52 — De val van Jeruzalem 1. Zedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Hamutal; zij was een dochter van Jeremia uit Libna. 2. Hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE, net zoals Jojakim gedaan had. 3. Want door de toorn van de HEERE tegen Jeruzalem en Juda gebeurde dit, tot Hij hen van Zijn gezicht wegwierp. En Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel. 4. Het was het negende jaar van zijn regering, de tiende maand, de tiende dag van de maand. Toen kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem met heel zijn leger. Zij sloegen hun kamp op tegen de stad en bouwden er belegeringswallen omheen. 5. Zo lag de stad onder beleg tot het elfde jaar van koning Zedekia. 6. In de vierde maand, op de negende dag van de maand, werd de honger in de stad heel groot. Het volk van het land had geen brood meer. 7. Toen werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Alle soldaten vluchtten en trokken 's nachts de stad uit, door de poort tussen de twee muren bij de koninklijke tuin. De Chaldeeën lagen rondom de stad. Zij namen de weg naar de Jordaanvlakte. 8. Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning. Zij haalden Zedekia in op de vlakte van Jericho, en heel zijn leger werd van hem weggejaagd. 9. Zij grepen de koning en brachten hem naar de koning van Babel in Ribla, in het land Hamath. Daar sprak hij het vonnis over hem uit. 10. De koning van Babel doodde de zonen van Zedekia voor zijn ogen. Ook doodde hij in Ribla alle vorsten van Juda. 11. Hij maakte Zedekia blind en boeide hem met twee bronzen ketenen. De koning van Babel bracht hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood. 12. Daarna, in de vijfde maand, op de tiende dag van de maand, kwam Nebuzaradan naar Jeruzalem. Dit was het negentiende jaar van koning Nebukadrezar, de koning van Babel. Nebuzaradan was de bevelhebber van de lijfwacht en stond in dienst van de koning van Babel. 13. Hij verbrandde het huis van de HEERE en het paleis van de koning. Ook alle huizen van Jeruzalem en alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur. 14. Heel het leger van de Chaldeeën dat bij de bevelhebber van de lijfwacht was, brak alle muren van Jeruzalem af. 15. Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde de armsten van het volk weg. Ook voerde hij de rest van het volk weg dat in de stad was overgebleven. Daarbij waren de overlopers die naar de koning van Babel waren gegaan, en de rest van de menigte. 16. Maar van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, een deel achter als wijnboeren en akkerbouwers. 17. Verder braken de Chaldeeën de bronzen zuilen af die in het huis van de HEERE stonden, en ook de onderstellen en de bronzen zee daar. Al het brons daarvan brachten zij naar Babel. 18. Ook namen zij de potten, de scheppen, de messen, de sprengschalen, de schalen voor wierook en alle bronzen voorwerpen mee waarmee de dienst gedaan werd. 19. De bevelhebber van de lijfwacht nam ook de schalen mee, de vuurpannen, de sprengschalen, de potten, de kandelaars, de schalen voor wierook en de kannen. Alles wat van zuiver goud en van zuiver zilver was, nam hij mee. 20. Dan waren er nog de twee zuilen, de ene zee en de twaalf bronzen runderen onder de onderstellen. Koning Salomo had die voor het huis van de HEERE laten maken. Het brons van al deze voorwerpen was niet te wegen. 21. Wat de zuilen betreft: de ene zuil was ongeveer acht meter hoog. Een meetlint van ongeveer vijfenhalve meter ging eromheen. De wand was vier vingers dik en de zuil was hol. 22. Het kapiteel erop was van brons. Het ene kapiteel was ongeveer twee meter twintig hoog. Er zat vlechtwerk omheen en er waren granaatappels op aangebracht, alles van brons. De andere zuil was er net zo een, ook met granaatappels. 23. Aan de zijkanten hingen zesennegentig granaatappels. In totaal waren het er honderd, rondom op het vlechtwerk. 24. De bevelhebber van de lijfwacht nam ook Seraja mee, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie deurwachters. 25. Uit de stad nam hij een hoveling mee die het bevel had over de soldaten. Ook nam hij zeven mannen mee uit de naaste kring van de koning, die in de stad werden aangetroffen. Verder nam hij de schrijver van de legeraanvoerder mee, die het volk van het land voor de oorlog inschreef. En hij nam zestig mannen mee die in de stad gevonden werden. 26. Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel in Ribla. 27. De koning van Babel liet hen slaan en doden in Ribla, in het land Hamath. Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd. 28. Dit is het volk dat Nebukadrezar wegvoerde: in het zevende jaar drieduizend drieëntwintig Judeeërs; 29. in het achttiende jaar van Nebukadrezar voerde hij achthonderdtweeëndertig mensen uit Jeruzalem weg; 30. in het drieëntwintigste jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, zevenhonderdvijfenveertig Judeeërs weg. In totaal waren het vierduizend zeshonderd mensen. 31. Daarna, in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda, gebeurde het volgende. In de twaalfde maand, op de vijfentwintigste dag van de maand, verhief Evilmerodach, de koning van Babel, het hoofd van Jojachin. Dat was in het eerste jaar van zijn koningschap, en hij haalde Jojachin uit de gevangenis. 32. Hij sprak vriendelijk met hem en gaf hem een ereplaats boven de andere koningen die bij hem in Babel waren. 33. Jojachin mocht zijn gevangenenkleren afleggen. Hij at voortaan altijd aan de tafel van de koning, zijn hele leven lang. 34. Voor zijn onderhoud kreeg hij van de koning van Babel een vast deel. Elke dag kreeg hij wat hij die dag nodig had, tot de dag van zijn dood, zijn hele leven lang. ## Klaagliederen 1 — Hoe eenzaam zit de stad 1. Hoe eenzaam zit de stad die zo vol mensen was! Zij is als een weduwe geworden. Zij was groot onder de volken en een vorstin onder de gewesten. Nu moet zij belasting betalen. 2. Zij huilt de hele nacht en de tranen lopen over haar wangen. Van al haar geliefden is er niemand die haar troost. Al haar vrienden werden ontrouw; zij zijn haar vijanden geworden. 3. Juda is in ballingschap gegaan door ellende en zware slavernij. Het woont tussen de volken en vindt geen rust. Al zijn achtervolgers hebben het ingehaald in het nauw. 4. De wegen naar Sion treuren, want niemand komt nog naar het feest. Al haar poorten liggen verlaten en haar priesters zuchten. Haar jonge vrouwen zijn bedroefd en zij is bitter van verdriet. 5. Haar tegenstanders hebben de macht gekregen en haar vijanden leven rustig. Want de HEERE heeft haar verdriet gedaan om haar vele overtredingen. Haar kinderen zijn als gevangenen weggevoerd, voor de ogen van de vijand. 6. Alle pracht is weg bij de dochter van Sion. Haar vorsten zijn als herten die geen weide vinden. Krachteloos vluchten zij voor wie hen achtervolgt. 7. In de dagen van haar ellende en haar zwerven denkt Jeruzalem terug aan alles wat zij vroeger had. Haar volk viel in de hand van de vijand en niemand hielp haar. De vijanden keken naar haar en lachten om haar ondergang. 8. Jeruzalem heeft zwaar gezondigd. Daarom is zij onrein geworden. Allen die haar eerden, kijken op haar neer, want zij hebben haar naaktheid gezien. Zij zucht zelf ook en draait zich beschaamd om. 9. Haar onreinheid kleeft aan haar rokken. Zij dacht niet aan haar einde. Daarom is zij diep gevallen en niemand troost haar. HEERE, kijk naar mijn ellende, want de vijand maakt zich groot. 10. De vijand heeft zijn hand uitgestrekt naar alles wat zij liefhad. Zij moest toezien hoe vreemde volken haar heiligdom binnengingen. En U had juist verboden dat zij in Uw vergadering zouden komen. 11. Heel haar volk zucht en zoekt brood. Zij gaven hun kostbaarheden voor eten, om in leven te blijven. Kijk, HEERE, en zie hoe waardeloos ik geworden ben. 12. Raakt het jullie niet, jullie allemaal die voorbijkomen? Kijk toch en zie of er pijn is zoals mijn pijn, die mij is aangedaan. De HEERE deed mij verdriet op de dag van Zijn brandende toorn. 13. Uit de hoogte stuurde Hij een vuur in mijn botten en Hij liet het heersen. Hij spande een net voor mijn voeten en dreef mij terug. Hij maakte mij eenzaam en ziek, de hele dag. 14. Het juk van mijn overtredingen is door Zijn hand vastgebonden. Zij zijn samengevlochten en drukken op mijn nek. Hij heeft mijn kracht gebroken. De HEERE gaf mij in handen waaruit ik niet kan opstaan. 15. De HEERE verwierp alle sterke mannen in mijn midden. Hij riep een menigte tegen mij op om mijn jonge mannen te breken. De HEERE trad de wijnpers voor de jonge dochter van Juda. 16. Daarom huil ik. Mijn ogen, mijn ogen stromen van tranen. Want de trooster die mij op zou beuren, is ver van mij. Mijn kinderen zijn verloren, want de vijand heeft gewonnen. 17. Sion strekt haar handen uit, maar niemand troost haar. De HEERE heeft over Jakob bevolen dat zijn buren zijn vijanden zouden zijn. Jeruzalem is onder hen onrein geworden. 18. De HEERE is rechtvaardig, want ik was ongehoorzaam aan Zijn mond. Hoor toch, alle volken, en zie mijn pijn. Mijn jonge vrouwen en mijn jonge mannen zijn in ballingschap gegaan. 19. Ik riep naar mijn geliefden, maar zij bedrogen mij. Mijn priesters en mijn oudsten stierven in de stad. Zij zochten eten om in leven te blijven. 20. Kijk toch, HEERE, want ik ben benauwd. Alles in mij is in beroering en mijn hart keert zich om, want ik ben heel opstandig geweest. Buiten beroofde het zwaard mij van mijn kinderen; binnen heerst de dood. 21. Zij horen dat ik zucht, maar niemand troost mij. Al mijn vijanden horen van mijn onheil en zijn blij dat U het gedaan hebt. Laat de dag komen die U hebt aangekondigd; dan zullen zij zijn zoals ik. 22. Laat al hun kwaad voor U komen. Doe met hen zoals U met mij gedaan hebt om al mijn overtredingen. Want ik zucht veel en mijn hart is moe. ## Klaagliederen 2 — De HEERE was als een vijand 1. Hoe heeft de HEERE de dochter van Sion in Zijn toorn met een wolk bedekt! Hij wierp de pracht van Israël van de hemel op de aarde. Op de dag van Zijn toorn dacht Hij niet aan de voetbank van Zijn voeten. 2. De HEERE verslond alle woningen van Jakob en spaarde ze niet. In Zijn woede brak Hij de vestingen van de dochter van Juda af. Hij haalde ze tegen de grond. Hij onteerde het koninkrijk en zijn vorsten. 3. In brandende toorn hakte Hij de hele hoorn van Israël af. Hij trok Zijn rechterhand terug toen de vijand kwam. Hij laaide tegen Jakob op als een vlammend vuur dat alles verteert. 4. Hij spande Zijn boog als een vijand. Hij stelde zich met Zijn rechterhand op als tegenstander. Alles wat het oog liefhad, doodde Hij. In de tent van de dochter van Sion goot Hij Zijn woede uit als vuur. 5. De HEERE werd als een vijand. Hij verslond Israël en verslond al haar paleizen. Hij vernielde haar vestingen. Bij de dochter van Juda liet Hij het klagen en kermen aanzwellen. 6. Hij rukte Zijn hut weg alsof het een tuinhuis was. Hij vernielde de plaats waar Hij Zijn volk ontmoette. De HEERE liet in Sion het feest en de sabbat vergeten. In Zijn brandende toorn verwierp Hij koning en priester. 7. De HEERE verstootte Zijn altaar en verwierp Zijn heiligdom. Hij gaf de muren van haar paleizen in de hand van de vijand. Zij schreeuwden in het huis van de HEERE als op een feestdag. 8. De HEERE besloot de muur van de dochter van Sion te vernielen. Hij spande er het meetlint over en trok Zijn hand niet terug voordat Hij haar verslond. Muur en voormuur liet Hij treuren; samen zijn zij verzwakt. 9. Haar poorten zijn in de grond gezakt. Hij vernielde en brak haar grendels. Haar koning en haar vorsten zijn onder de volken. Er is geen wet meer en haar profeten krijgen geen visioen van de HEERE. 10. De oudsten van de dochter van Sion zitten zwijgend op de grond. Zij gooien stof op hun hoofd en dragen rouwkleren. De jonge vrouwen van Jeruzalem laten hun hoofd hangen. 11. Mijn ogen zijn op van tranen en alles in mij is in beroering. Mijn hart is uitgestort op de grond om de ondergang van mijn volk. Want kinderen en zuigelingen vallen flauw op de pleinen van de stad. 12. Zij zeggen tegen hun moeders: waar is brood en wijn? Zij vallen flauw op de pleinen van de stad, als gewonden. Zij blazen hun laatste adem uit in de armen van hun moeders. 13. Wat zal ik van je zeggen? Waarmee zal ik je vergelijken, dochter van Jeruzalem? Waarmee zal ik je vergelijken om je te troosten, jonge dochter van Sion? Je ondergang is zo groot als de zee. Wie kan je genezen? 14. Je profeten zagen voor jou dwaze en waardeloze dingen. Zij lieten jouw schuld niet zien om je ballingschap af te wenden. Zij zagen voor jou alleen loze woorden en misleiding. 15. Iedereen die voorbijkomt, klapt in de handen om jou. Zij sissen en schudden hun hoofd om de dochter van Jeruzalem. Zij zeggen: is dit de stad waarvan men zei dat zij volmaakt mooi was, een vreugde voor de hele aarde? 16. Al je vijanden sperren hun mond tegen je open. Zij sissen en knarsen met hun tanden. Zij zeggen: wij hebben haar verslonden. Dit is de dag waarop wij gewacht hebben; wij hebben hem meegemaakt en gezien. 17. De HEERE heeft gedaan wat Hij van plan was. Hij heeft Zijn woord vervuld dat Hij lang geleden gaf. Hij brak af en spaarde niet. Hij gaf de vijand vreugde over jou en verhoogde de hoorn van je tegenstanders. 18. Hun hart schreeuwde naar de HEERE. Muur van de dochter van Sion, laat je tranen dag en nacht stromen als een beek. Gun jezelf geen rust; laat je ogen niet ophouden. 19. Sta op en roep in de nacht, bij het begin van elke nachtwake. Stort je hart uit als water voor het gezicht van de HEERE. Hef je handen naar Hem op voor het leven van je kinderen, die van honger flauwvallen op elke straathoek. 20. Kijk toch, HEERE, en zie wie U dit hebt aangedaan. Moeten vrouwen dan hun eigen kinderen eten, de kleintjes die zij dragen? Moeten profeet en priester dan gedood worden in het heiligdom van de HEERE? 21. Jong en oud liggen op straat op de grond. Mijn jonge vrouwen en mijn jonge mannen zijn door het zwaard gevallen. U hebt hen gedood op de dag van Uw toorn. U hebt hen geslacht en niet gespaard. 22. U riep de verschrikkingen van alle kanten op, als voor een feestdag. Op de dag van de toorn van de HEERE is niemand ontkomen of overgebleven. Wie ik gedragen en grootgebracht heb, heeft mijn vijand omgebracht. ## Klaagliederen 3 — Elke morgen nieuw 1. Ik ben de man die ellende gezien heeft door de stok van Zijn woede. 2. Hij heeft mij geleid en gebracht in het donker, niet in het licht. 3. Ja, tegen mij keerde Hij zich; de hele dag hief Hij Zijn hand tegen mij op. 4. Hij liet mijn vlees en mijn huid verouderen. Hij brak mijn botten. 5. Hij bouwde een wal tegen mij op. Hij omringde mij met bitterheid en moeite. 6. Hij liet mij wonen in het donker, als mensen die al lang dood zijn. 7. Hij muurde mij in, zodat ik er niet uit kan. Hij maakte mijn boeien zwaar. 8. Ook als ik roep en schreeuw, sluit Hij Zijn oren voor mijn gebed. 9. Hij muurde mijn wegen dicht met gehouwen stenen. Hij maakte mijn paden krom. 10. Hij is voor mij een beer die op de loer ligt, een leeuw in een schuilplaats. 11. Hij dreef mij van mijn weg af en verscheurde mij. Hij maakte mij eenzaam. 12. Hij spande Zijn boog en zette mij neer als doelwit voor de pijl. 13. Hij schoot Zijn pijlen diep in mijn binnenste. 14. Ik ben voor heel mijn volk een mikpunt van spot geworden, hun spotlied de hele dag. 15. Hij vulde mij met bitterheid en maakte mij dronken van alsem. 16. Hij brak mijn tanden op steengruis. Hij drukte mij neer in de as. 17. U hebt mijn leven ver van de vrede gestoten. Ik ben vergeten wat goed is. 18. Toen zei ik: mijn kracht is weg en ook mijn hoop op de HEERE. 19. Denk aan mijn ellende en mijn zwerven, aan de alsem en de bitterheid. 20. Mijn ziel denkt er steeds aan en buigt zich diep in mij neer. 21. Dit neem ik ter harte, en daarom heb ik hoop. 22. Het is de trouw van de HEERE dat wij niet vergaan zijn. Zijn barmhartigheid houdt niet op. 23. Elke morgen is zij nieuw. Uw trouw is groot. 24. De HEERE is mijn deel, zegt mijn ziel. Daarom zal ik op Hem hopen. 25. De HEERE is goed voor wie op Hem wachten, voor de mens die Hem zoekt. 26. Het is goed om in stilte te hopen op de redding van de HEERE. 27. Het is goed voor een mens om in zijn jeugd het juk te dragen. 28. Laat hij alleen zitten en zwijgen, want de HEERE heeft het hem opgelegd. 29. Laat hij zijn mond in het stof steken en zeggen: misschien is er nog hoop. 30. Laat hij zijn wang geven aan wie hem slaat en zich verzadigen met smaad. 31. Want de HEERE verstoot niet voor altijd. 32. Als Hij verdriet doet, ontfermt Hij zich weer om Zijn grote trouw. 33. Want Hij kwelt de mensen niet van harte en doet hun geen verdriet uit lust. 34. Dat men alle gevangenen van de aarde onder de voeten vertrapt, 35. dat men het recht van een mens buigt voor het gezicht van de Allerhoogste, 36. dat men iemand onrecht doet in zijn rechtszaak: zou de HEERE dat niet zien? 37. Wie zegt iets en het gebeurt, zonder dat de HEERE het beveelt? 38. Komt niet uit de mond van de Allerhoogste zowel het kwade als het goede? 39. Waarom klaagt dan een levend mens? Laat ieder klagen over zijn eigen zonden. 40. Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken en terugkeren naar de HEERE. 41. Laten wij ons hart en onze handen opheffen naar God in de hemel en zeggen: 42. Wij hebben overtreden en wij zijn opstandig geweest. Daarom hebt U niet gespaard. 43. U hebt zich met toorn bedekt en ons achtervolgd. U hebt gedood en niet gespaard. 44. U hebt zich met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam. 45. U hebt ons tot uitschot en afval gemaakt te midden van de volken. 46. Al onze vijanden sperren hun mond tegen ons open. 47. Angst en een kuil zijn over ons gekomen, verwoesting en ondergang. 48. Mijn ogen stromen als waterbeken om de ondergang van mijn volk. 49. Mijn ogen stromen en houden niet op, want er is geen rust. 50. Dat gaat door tot de HEERE uit de hemel neerkijkt en het ziet. 51. Wat mijn ogen zien, doet mij pijn om alle dochters van mijn stad. 52. Wie mij zonder reden haten, hebben op mij gejaagd als op een vogel. 53. Zij wierpen mij levend in een put en gooiden een steen op mij. 54. Het water stroomde over mijn hoofd. Ik zei: ik ben verloren. 55. HEERE, ik heb Uw naam aangeroepen uit de diepste put. 56. U hebt mijn stem gehoord. Sluit Uw oor niet voor mijn zuchten en mijn roepen. 57. U kwam dichtbij op de dag dat ik U aanriep. U zei: wees niet bang. 58. HEERE, U hebt het voor mij opgenomen. U hebt mijn leven gered. 59. HEERE, U hebt gezien welk onrecht mij is aangedaan. Spreek recht in mijn zaak. 60. U hebt al hun wraak gezien en al hun plannen tegen mij. 61. HEERE, U hebt hun spot gehoord en al hun plannen tegen mij. 62. U hoort wat mijn tegenstanders zeggen en wat zij de hele dag over mij bedenken. 63. Kijk toch: of zij zitten of staan, ik ben hun spotlied. 64. HEERE, geef hun terug wat zij verdienen, naar het werk van hun handen. 65. Maak hun hart ongevoelig. Laat Uw vloek over hen komen. 66. Achtervolg hen met toorn en vernietig hen onder de hemel van de HEERE. ## Klaagliederen 4 — Het goud is dof geworden 1. Hoe is het goud dof geworden, het mooie goud veranderd! De stenen van het heiligdom liggen verstrooid op elke straathoek. 2. De kostbare kinderen van Sion waren zoveel waard als fijn goud. Hoe worden zij nu gerekend als aarden kruiken, werk van de handen van een pottenbakker! 3. Zelfs jakhalzen geven hun jongen de borst en zogen hen. Maar de dochter van mijn volk is hard geworden, als struisvogels in de woestijn. 4. De tong van de zuigeling kleeft van dorst aan zijn gehemelte. De kinderen vragen om brood, maar niemand geeft het hun. 5. Wie lekker aten, komen om op straat. Wie in purper werden gedragen, liggen nu op de vuilnishoop. 6. De schuld van de dochter van mijn volk is groter dan de zonde van Sodom. Die stad werd in een ogenblik omgekeerd, zonder dat er een hand naar haar werd uitgestoken. 7. Haar vorsten waren zuiverder dan sneeuw en witter dan melk. Hun lichaam was roder dan koraal en hun gestalte was als saffier. 8. Maar nu is hun gezicht zwarter dan roet en men herkent hen niet op straat. Hun huid kleeft aan hun botten; die is verdord als hout. 9. Wie door het zwaard vielen, hadden het beter dan wie door de honger stierven. Die laatsten kwijnden weg als doorstoken mensen, omdat het land niets meer opbracht. 10. De handen van liefdevolle vrouwen hebben hun eigen kinderen gekookt. Zij werden hun tot voedsel bij de ondergang van de dochter van mijn volk. 11. De HEERE heeft Zijn woede helemaal uitgestort. Hij goot de gloed van Zijn toorn uit. Hij stak in Sion een vuur aan dat haar fundamenten verteerde. 12. De koningen van de aarde zouden het niet geloofd hebben, en de bewoners van de wereld ook niet. Toch gingen vijand en tegenstander de poorten van Jeruzalem binnen. 13. Het kwam door de zonden van haar profeten en de misdaden van haar priesters. Zij vergoten in haar midden het bloed van rechtvaardigen. 14. Zij zwierven als blinden door de straten, besmeurd met bloed. Niemand kon nog hun kleren aanraken. 15. Men riep naar hen: opzij, een onreine! Opzij, opzij, raak hem niet aan! Zij vluchtten weg en zwierven rond. Onder de volken zei men: hier mogen zij niet langer wonen. 16. Het gezicht van de HEERE heeft hen verstrooid. Hij kijkt niet meer naar hen om. Men had geen eerbied voor de priesters en geen genade voor de oudsten. 17. Onze ogen werden moe van het uitkijken naar hulp die niet kwam. Wij bleven uitkijken naar een volk dat ons niet kon redden. 18. Zij loerden op elke stap die wij zetten, zodat wij niet meer over onze pleinen konden lopen. Ons einde kwam dichtbij; onze dagen waren vol. Ja, ons einde was gekomen. 19. Onze achtervolgers waren sneller dan de arenden in de lucht. Zij joegen ons op in de bergen en lagen ons op te wachten in de woestijn. 20. De adem van ons leven, de gezalfde van de HEERE, werd gevangen in hun kuilen. Van hem zeiden wij: in zijn schaduw zullen wij leven tussen de volken. 21. Wees maar blij en juich, dochter van Edom, die in het land Uz woont. Ook tot jou komt de beker. Je zult dronken worden en je naaktheid tonen. 22. Je schuld is voorbij, dochter van Sion. Hij zal je niet opnieuw wegvoeren. Maar jouw schuld, dochter van Edom, zal Hij bezoeken. Hij zal je zonden blootleggen. ## Klaagliederen 5 — Breng ons terug, HEERE 1. Denk aan wat ons overkomen is, HEERE. Kijk toch en zie hoe wij vernederd worden. 2. Ons erfdeel is in handen van vreemden gekomen, onze huizen in handen van buitenlanders. 3. Wij zijn wezen geworden, zonder vader. Onze moeders zijn als weduwen. 4. Ons eigen water moeten wij met geld betalen. Voor ons hout moeten wij een prijs neerleggen. 5. Wij worden opgejaagd met het juk op onze nek. Wij zijn moe, maar krijgen geen rust. 6. Wij gaven ons over aan Egypte en aan Assur om genoeg brood te krijgen. 7. Onze vaderen hebben gezondigd en zij zijn er niet meer. Wij dragen hun schuld. 8. Slaven heersen over ons en niemand rukt ons uit hun hand. 9. Met gevaar voor ons leven halen wij ons brood, want in de woestijn dreigt het zwaard. 10. Onze huid is zwart geworden als een oven door de brandende honger. 11. Zij hebben de vrouwen in Sion onteerd en de jonge vrouwen in de steden van Juda. 12. Vorsten werden door hun hand opgehangen. Voor de oudsten had men geen eerbied. 13. Jonge mannen moesten de molen draaien. Jongens bezweken onder het hout. 14. De oudsten zitten niet meer in de poort. De jonge mannen spelen geen muziek meer. 15. De vreugde van ons hart is voorbij. Onze dans is in rouw veranderd. 16. De kroon is van ons hoofd gevallen. Wee ons, want wij hebben gezondigd. 17. Daarom is ons hart moe. Daarom zijn onze ogen dof geworden. 18. Het komt door de berg Sion, die verwoest is en waar de vossen over lopen. 19. Maar U, HEERE, troont voor altijd. Uw troon staat van geslacht op geslacht. 20. Waarom zou U ons voorgoed vergeten? Waarom zou U ons zo lang verlaten? 21. HEERE, breng ons terug naar U, dan keren wij terug. Maak onze dagen weer nieuw als vroeger. 22. Of zou U ons helemaal verwerpen? Zou U zo lang boos op ons blijven? ## Ezechiël 1 — Het visioen bij de Chebar 1. Het was in het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde dag van de maand. Ik was bij de ballingen aan de rivier de Chebar. Toen ging de hemel open en zag ik visioenen van God. 2. Het was op de vijfde dag van de maand. Dat was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin. 3. Het woord van de HEERE kwam met kracht tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester. Dat gebeurde in het land van de Chaldeeën, bij de rivier de Chebar. Daar was de hand van de HEERE op hem. 4. Ik keek, en kijk, uit het noorden kwam een stormwind. Er was een grote wolk met flitsend vuur erin en een gloed eromheen. Midden in het vuur glansde iets als glanzend metaal. 5. Midden daarin was iets dat op vier wezens leek. Zij zagen eruit als mensen. 6. Elk van hen had vier gezichten en elk van hen had vier vleugels. 7. Hun benen waren recht en hun voeten waren als de hoeven van een kalf. Zij glansden als gepolijst brons. 8. Onder hun vleugels, aan alle vier de kanten, hadden zij mensenhanden. Alle vier hadden zij hun gezichten en hun vleugels. 9. Hun vleugels raakten elkaar. Zij draaiden zich niet om als zij gingen; ieder ging recht vooruit. 10. Hun gezichten zagen er zo uit. Alle vier hadden een mensengezicht en rechts een leeuwengezicht. Links hadden alle vier een stierengezicht en ook hadden alle vier een arendsgezicht. 11. Zo waren hun gezichten. Hun vleugels waren naar boven uitgespreid. Elk had er twee die de vleugels van de ander raakten, en twee die hun lichaam bedekten. 12. Ieder ging recht vooruit. Waar de geest heen wilde gaan, gingen zij. Zij draaiden zich niet om als zij gingen. 13. De wezens zagen eruit als brandende kolen, als fakkels. Dat vuur ging heen en weer tussen de wezens. Het vuur had een gloed en eruit schoot de bliksem. 14. De wezens schoten heen en weer, snel als een bliksemflits. 15. Ik keek naar de wezens, en kijk, op de grond stond bij elk van hen een rad, bij elk van hun vier gezichten. 16. De raderen glansden als turkoois en zij zagen er alle vier hetzelfde uit. Het leek of er een rad midden in een ander rad zat. 17. Als zij gingen, konden zij naar alle vier de kanten gaan. Zij draaiden zich niet om als zij gingen. 18. Hun velgen waren hoog en ontzagwekkend. De velgen van alle vier de raderen zaten rondom vol ogen. 19. Als de wezens gingen, gingen de raderen naast hen mee. Als de wezens van de grond opstegen, stegen de raderen mee op. 20. Waar de geest heen wilde gaan, gingen zij. De raderen stegen samen met hen op, want de geest van de wezens was in de raderen. 21. Als de wezens gingen, gingen de raderen. Als zij stilstonden, stonden de raderen stil. Als zij van de grond opstegen, stegen de raderen mee op. Want de geest van de wezens was in de raderen. 22. Boven de hoofden van de wezens was iets als een gewelf. Het schitterde als ijs en was boven hun hoofden uitgespreid. 23. Onder het gewelf stonden hun vleugels recht naar elkaar uitgestrekt. Ieder had er twee die de ene kant van zijn lichaam bedekten en twee die de andere kant bedekten. 24. Als zij gingen, hoorde ik het ruisen van hun vleugels. Het klonk als geweldige watermassa's, als de stem van de Almachtige, als het rumoer van een leger. Als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels zakken. 25. Er klonk een stem van boven het gewelf dat boven hun hoofden was. Dat was als zij stilstonden en hun vleugels hadden laten zakken. 26. Boven het gewelf boven hun hoofden was iets als een troon. Die leek op saffier. Hoog daarop, op die troon, was een gestalte die eruitzag als een mens. 27. Van zijn heupen naar boven zag ik iets als glanzend metaal, met vuur eromheen. Van zijn heupen naar beneden zag ik iets als vuur, met een gloed eromheen. 28. Die gloed zag eruit als de regenboog in de wolken op een regendag. Zo zag de verschijning van de heerlijkheid van de HEERE eruit. Toen ik het zag, viel ik op mijn gezicht. En ik hoorde de stem van Iemand die sprak. ## Ezechiël 2 — Mensenkind, sta op 1. Hij zei tegen mij: Mensenkind, sta op, dan zal ik met je spreken. 2. Terwijl Hij tegen mij sprak, kwam de Geest in mij en zette mij op mijn voeten. En ik hoorde Hem die tot mij sprak. 3. Hij zei tegen mij: Mensenkind, ik stuur je naar de Israëlieten, naar een volk in opstand dat tegen mij in opstand is gekomen. Zij en hun vaderen hebben zich tot op vandaag tegen mij verzet. 4. Deze kinderen kijken hard en hun hart is koppig. Ik stuur je naar hen toe. Je moet tegen hen zeggen: dit zegt de Heere HEERE. 5. Of zij nu luisteren of niet, want zij zijn een opstandig volk, zij zullen weten dat er een profeet bij hen geweest is. 6. En jij, mensenkind, wees niet bang voor hen en niet voor hun woorden. Er staan distels en doorns om je heen en je woont tussen schorpioenen. Wees niet bang voor hun woorden en schrik niet van hun blik, want zij zijn een opstandig volk. 7. Je moet mijn woorden tegen hen zeggen, of zij nu luisteren of niet. Want zij zijn opstandig. 8. Maar jij, mensenkind, luister naar wat ik tegen je zeg. Wees niet opstandig zoals dat opstandige volk. Doe je mond open en eet wat ik je geef. 9. Toen keek ik, en kijk, er was een hand naar mij uitgestoken. En daarin was een boekrol. 10. Hij rolde die voor mij uit. De rol was aan de voorkant en aan de achterkant beschreven. Er stonden klaagliederen, gezucht en gejammer op. ## Ezechiël 3 — Een wachter voor Israël 1. Daarna zei Hij tegen mij: Mensenkind, eet wat je voor je vindt. Eet deze rol op en ga spreken tot het volk van Israël. 2. Toen deed ik mijn mond open en Hij gaf mij die rol te eten. 3. Hij zei tegen mij: Mensenkind, eet je buik vol en vul je binnenste met deze rol die ik je geef. Toen at ik hem op, en in mijn mond was hij zo zoet als honing. 4. Hij zei tegen mij: Mensenkind, ga naar het volk van Israël en spreek tot hen met mijn woorden. 5. Want je wordt niet gestuurd naar een volk met een vreemde taal en een moeilijke spraak, maar naar het volk van Israël. 6. Je gaat niet naar veel volken met een vreemde taal en een moeilijke spraak, van wie je de woorden niet verstaat. Als ik je naar hén gestuurd had, zouden zij naar je geluisterd hebben. 7. Maar het volk van Israël wil niet naar je luisteren, want zij willen niet naar mij luisteren. Heel het volk van Israël heeft een hard voorhoofd en een koppig hart. 8. Kijk, ik maak jouw gezicht net zo hard als het hunne en jouw voorhoofd net zo hard als het hunne. 9. Ik maak je voorhoofd als diamant, harder dan steen. Wees niet bang voor hen en schrik niet van hun blik, want zij zijn een opstandig volk. 10. Verder zei Hij tegen mij: Mensenkind, neem alle woorden die ik tegen je spreek in je hart op en luister er goed naar. 11. Ga dan naar de ballingen, naar de mensen van je eigen volk. Spreek tot hen en zeg: dit zegt de Heere HEERE. Zeg het, of zij nu luisteren of niet. 12. Toen tilde de Geest mij op. Achter mij hoorde ik een luid ruisend geluid: geprezen zij de heerlijkheid van de HEERE in Zijn woonplaats! 13. Ik hoorde het geluid van de vleugels van de wezens die elkaar raakten, en het geluid van de raderen ernaast, en een luid gedreun. 14. De Geest tilde mij op en nam mij mee. Ik ging bitter en opgewonden weg, en de hand van de HEERE was zwaar op mij. 15. Ik kwam bij de ballingen in Tel-Abib, die aan de rivier de Chebar woonden. Daar bleef ik waar zij woonden. Zeven dagen lang zat ik verbijsterd tussen hen in. 16. Na zeven dagen kwam het woord van de HEERE tot mij. 17. Mensenkind, ik heb je aangesteld als wachter over het volk van Israël. Je zult het woord uit mijn mond horen en hen namens mij waarschuwen. 18. Stel dat ik tegen een slecht mens zeg: je zult sterven. Jij moet hem waarschuwen en hem van zijn slechte weg afbrengen, zodat hij in leven blijft. Doe je dat niet, dan zal die slechte mens sterven om zijn schuld. Maar zijn bloed zal ik van jou eisen. 19. Maar stel dat jij die slechte mens waarschuwt en hij keert zich niet af van zijn slechte weg. Dan zal hij sterven om zijn schuld. Maar jij hebt je leven gered. 20. Stel dat een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert en onrecht doet, en dat ik hem laat struikelen. Dan zal hij sterven. Omdat jij hem niet gewaarschuwd hebt, sterft hij om zijn zonde. Het goede dat hij gedaan heeft, telt niet meer mee. Maar zijn bloed zal ik van jou eisen. 21. Maar als jij de rechtvaardige waarschuwt om niet te zondigen, en hij zondigt niet, dan zal hij zeker leven, want hij is gewaarschuwd. En jij hebt je leven gered. 22. Daar was de hand van de HEERE op mij. Hij zei tegen mij: Sta op en ga naar de vlakte, dan zal ik daar met je spreken. 23. Ik stond op en ging naar de vlakte. En kijk, daar stond de heerlijkheid van de HEERE, zoals ik die gezien had bij de rivier de Chebar. Ik viel op mijn gezicht. 24. Toen kwam de Geest in mij en zette mij op mijn voeten. Hij sprak met mij en zei: Ga naar binnen en sluit jezelf op in je huis. 25. En jij, mensenkind, kijk, zij zullen touwen om je heen leggen en je ermee binden. Daarom kun je niet naar buiten om onder hen te zijn. 26. Ik zal je tong aan je gehemelte laten kleven, zodat je stom wordt. Je zult hen niet kunnen terechtwijzen, want zij zijn een opstandig volk. 27. Maar als ik met je spreek, zal ik je mond opendoen. Dan moet je tegen hen zeggen: dit zegt de Heere HEERE. Wie wil horen, laat hij horen. Wie het niet wil, laat het. Want zij zijn een opstandig volk. ## Ezechiël 4 — De steen en het beleg 1. En jij, mensenkind, neem een tegel, leg die voor je neer en teken daarop de stad Jeruzalem. 2. Beleger haar: bouw er belegeringstorens tegenaan, werp er een wal tegenop, zet er legerkampen omheen en plaats er stormrammen tegen. 3. Neem verder een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen jou en de stad. Richt je gezicht naar haar toe. Zij komt onder beleg en jij belegert haar. Dit is een teken voor het volk van Israël. 4. Ga ook op je linkerzij liggen en leg de schuld van het volk van Israël daarop. Zoveel dagen als je daarop ligt, zul je hun schuld dragen. 5. Want ik reken je de jaren van hun schuld toe als dagen: driehonderdnegentig dagen. Zolang zul je de schuld van het volk van Israël dragen. 6. Als je die dagen voorbij bent, ga dan voor de tweede keer liggen, op je rechterzij. Dan zul je veertig dagen de schuld van het volk van Juda dragen. Ik reken je elke dag voor een jaar. 7. Richt je gezicht naar het belegerde Jeruzalem, met ontblote arm, en profeteer tegen haar. 8. En kijk, ik leg touwen om je heen. Zo kun je je niet van de ene zij op de andere draaien voordat de dagen van je beleg voorbij zijn. 9. Neem verder tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt. Doe dat in één pot en maak er brood van. Zoveel dagen als je op je zij ligt, zul je daarvan eten: driehonderdnegentig dagen. 10. Je eten dat je eet, moet je afwegen: ongeveer tweehonderd gram per dag. Je moet het op vaste tijden eten. 11. Ook je water moet je afmeten: ongeveer zes deciliter. Dat moet je op vaste tijden drinken. 12. Je moet het eten als gerstekoek. Je moet die voor hun ogen bakken op mensenpoep. 13. De HEERE zei: Zo zullen de Israëlieten hun brood onrein eten, bij de volken waarheen ik hen verdrijf. 14. Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, kijk, ik ben nooit onrein geweest. Van mijn jeugd af tot nu toe heb ik nooit een gestorven of verscheurd dier gegeten. Er is nooit onrein vlees in mijn mond gekomen. 15. Hij zei tegen mij: Kijk, ik geef je koeienmest in plaats van mensenpoep. Daarop mag je je brood klaarmaken. 16. Daarna zei Hij tegen mij: Mensenkind, kijk, ik breek de voorraad brood in Jeruzalem. Zij zullen hun brood afgewogen en met zorg eten. Zij zullen hun water afgemeten en met angst drinken. 17. Zo zullen zij gebrek hebben aan brood en water. Zij zullen elkaar verbijsterd aankijken en wegkwijnen door hun schuld. ## Ezechiël 5 — Het haar in drie delen 1. En jij, mensenkind, neem een scherp mes. Neem het scheermes van een kapper en scheer daarmee je hoofd en je baard. Neem daarna een weegschaal en verdeel het haar. 2. Een derde deel moet je midden in de stad verbranden, als de dagen van het beleg voorbij zijn. Een derde deel moet je pakken en er met een zwaard omheen slaan. Een derde deel moet je in de wind strooien. Want ik zal het zwaard achter hen aan trekken. 3. Neem daar ook een klein aantal haren van en bind die in je mantelpunt. 4. Neem daar dan nog wat van, gooi het in het vuur en verbrand het. Daaruit zal een vuur uitgaan tegen heel het volk van Israël. 5. Dit zegt de Heere HEERE: Dit is Jeruzalem. Ik heb haar midden tussen de volken gezet, met landen om haar heen. 6. Maar zij heeft mijn regels goddelozer gemaakt dan de volken en mijn wetten erger dan de landen om haar heen. Zij hebben mijn regels verworpen en niet naar mijn wetten geleefd. 7. Daarom zegt de Heere HEERE dit: jullie zijn erger geweest dan de volken om je heen. Jullie leefden niet naar mijn wetten en hielden mijn regels niet. Jullie deden zelfs niet wat de volken om je heen doen. 8. Daarom zegt de Heere HEERE dit: kijk, ik keer mij tegen jullie, ja ik zelf. Ik zal midden onder jullie recht spreken, voor de ogen van die volken. 9. Ik zal met jullie doen wat ik nooit gedaan heb en ook nooit meer doen zal, om al jullie gruwelen. 10. Daarom zullen vaders hun kinderen eten in jullie midden en kinderen hun vaders. Ik zal recht over jullie spreken en wie er overblijft naar alle windstreken verstrooien. 11. Daarom, zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: jullie hebben mijn heiligdom verontreinigd met al jullie afschuwelijke daden en gruwelen. Daarom zal ik jullie zeker wegvagen. Mijn oog zal jullie niet sparen en ik zal geen medelijden hebben. 12. Een derde van jullie zal sterven aan de pest en omkomen van honger in jullie midden. Een derde zal door het zwaard vallen om jullie heen. Een derde zal ik naar alle windstreken verstrooien, en ik zal het zwaard achter hen aan trekken. 13. Zo zal mijn toorn tot het einde toe gaan. Ik zal mijn woede op hen laten rusten en mijzelf troosten. Dan zullen zij weten dat ik, de HEERE, in mijn hartstocht gesproken heb, als ik mijn woede tegen hen volbracht heb. 14. Ik zal je tot een puinhoop en een schande maken onder de volken om je heen, voor de ogen van iedereen die voorbijkomt. 15. Je zult een schande en een spot zijn, een les en een schrikbeeld voor de volken om je heen. Dat gebeurt als ik in toorn en woede recht over je spreek en je zwaar straf. Ik, de HEERE, heb het gezegd. 16. Ik stuur de scherpe pijlen van de honger op hen af, die verderf brengen. Ik stuur ze om jullie te vernietigen. Ik zal de honger over jullie groter maken en de voorraad brood breken. 17. Ja, ik stuur honger en wilde dieren over jullie, die jullie kinderen weghalen. Er zullen pest en bloed onder jullie rondgaan en ik zal het zwaard over jullie brengen. Ik, de HEERE, heb het gezegd. ## Ezechiël 6 — Tegen de bergen van Israël 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 2. Mensenkind, kijk naar de bergen van Israël en profeteer tegen ze. 3. Zeg: bergen van Israël, hoor het woord van de Heere HEERE. Dit zegt de Heere HEERE tegen de bergen en de heuvels, tegen de beken en de dalen. Kijk, ik breng het zwaard over jullie en ik zal jullie offerhoogten vernietigen. 4. Jullie altaren worden verwoest en jullie wierookaltaren worden gebroken. Ik zal jullie gedode mensen neerleggen voor jullie afgoden. 5. Ik zal de lijken van de Israëlieten voor hun afgoden leggen. Ik zal jullie botten rondom jullie altaren strooien. 6. Overal waar jullie wonen, worden de steden verwoest en de offerhoogten verlaten. Zo worden jullie altaren woest en eenzaam, worden jullie afgoden gebroken en houden zij op. Jullie wierookaltaren worden omgehakt en jullie werk wordt uitgewist. 7. De gedode mensen zullen in jullie midden liggen. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 8. Toch zal ik een rest overlaten. Sommigen van jullie zullen aan het zwaard ontkomen onder de volken, als jullie over de landen verstrooid worden. 9. Dan zullen wie ontkomen zijn aan mij denken, bij de volken waarheen zij weggevoerd zijn. Want ik ben gebroken door hun ontrouwe hart dat van mij afweek, en door hun ogen die achter hun afgoden aan liepen. Zij zullen van zichzelf walgen om de kwade dingen die zij in al hun gruwelen gedaan hebben. 10. En zij zullen weten dat ik de HEERE ben. Ik heb niet voor niets gezegd dat ik hun dit onheil zou aandoen. 11. Dit zegt de Heere HEERE: sla in je handen, stamp met je voet en zeg: ach, om alle kwade gruwelen van het volk van Israël! Want zij zullen vallen door het zwaard, door de honger en door de pest. 12. Wie ver weg is, sterft aan de pest. Wie dichtbij is, valt door het zwaard. Wie overblijft en belegerd wordt, sterft van de honger. Zo zal ik mijn woede tegen hen volbrengen. 13. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. Hun gedode mensen liggen dan tussen hun afgoden rondom hun altaren. Zo zullen zij liggen op elke hoge heuvel, op elke bergtop, onder elke groene boom en onder elke dichte eik. Dat zijn de plaatsen waar zij hun afgoden een aangename geur brachten. 14. Daarom strek ik mijn hand tegen hen uit. Ik zal het land tot een woestenij maken, tot een wildernis vanaf de woestijn tot aan Dibla, overal waar zij wonen. Dan zullen zij merken dat ik de HEERE ben. ## Ezechiël 7 — Het einde is gekomen 1. Daarna kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. En jij, mensenkind, dit zegt de Heere HEERE over het land van Israël: Het einde is er. Het einde is gekomen over de vier hoeken van het land. 3. Nu is het einde over jou gekomen. Ik stuur mijn toorn tegen je. Ik zal je oordelen naar je wegen en al je gruwelen op je afsturen. 4. Mijn oog zal je niet sparen en ik zal geen medelijden hebben. Ik zal je je eigen wegen laten dragen en je gruwelen zullen in je midden zijn. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 5. Dit zegt de Heere HEERE: Onheil, onheil zonder weerga, kijk, het is gekomen! 6. Er is een einde gekomen. Dat einde is gekomen; het is tegen jou wakker geworden. Kijk, het is er! 7. De ochtend is over je gekomen, bewoner van het land. De tijd is gekomen, de dag van paniek is nabij. Er klinkt geen vreugdegeroep meer op de bergen. 8. Nu zal ik binnenkort mijn woede over je uitgieten en mijn toorn tegen je volbrengen. Ik zal je oordelen naar je wegen en al je gruwelen op je afsturen. 9. Mijn oog zal niet sparen en ik zal geen medelijden hebben. Ik zal je geven naar je wegen en je gruwelen zullen in je midden zijn. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben, die slaat. 10. Kijk, de dag! Kijk, de ochtend is gekomen, de ochtend is aangebroken. De stok heeft gebloeid en de hoogmoed is uitgelopen. 11. Het geweld is opgestaan als een stok van goddeloosheid. Niets van hen blijft over, niets van hun menigte en niets van hun rumoer. Er zal geen klacht om hen zijn. 12. De tijd is gekomen, de dag is nabij. Laat de koper niet blij zijn en de verkoper niet treuren. Want een brandende toorn is over heel de menigte van het land. 13. De verkoper zal niet terugkeren naar wat hij verkocht, ook al blijft hij leven. Want het visioen over heel de menigte van het land wordt niet herroepen. Niemand zal door zijn schuld zijn leven kunnen vasthouden. 14. Zij hebben op de trompet geblazen en alles klaargemaakt, maar niemand trekt ten strijde. Want mijn brandende toorn is over heel de menigte van het land. 15. Buiten is het zwaard, binnen zijn de pest en de honger. Wie op het veld is, sterft door het zwaard. Wie in de stad is, wordt door honger en pest verteerd. 16. Wie van hen ontkomt, zal ontkomen. Maar zij zullen op de bergen zijn, allemaal kreunend als duiven in de dalen, ieder om zijn eigen schuld. 17. Alle handen worden slap en alle knieën worden als water. 18. Zij zullen rouwkleren aandoen. Huiver zal hen bedekken. Op elk gezicht ligt schaamte en elk hoofd wordt kaalgeschoren. 19. Zij zullen hun zilver op straat gooien en hun goud zal onrein zijn. Hun zilver en hun goud kunnen hen niet redden op de dag van de toorn van de HEERE. Zij zullen er hun honger niet mee stillen en hun buik niet mee vullen. Want het was de oorzaak van hun schuld. 20. Hun prachtige sieraad gebruikten zij voor hoogmoed. Zij maakten er beelden van hun gruwelen en hun afschuwelijke goden van. Daarom heb ik het voor hen tot iets onreins gemaakt. 21. Ik zal het aan vreemden geven als buit en aan de goddelozen van de aarde als roof. Zij zullen het ontheiligen. 22. Ook zal ik mij van hen afwenden. Zij zullen mijn verborgen plaats ontheiligen. Want inbrekers zullen daar binnenkomen en haar ontheiligen. 23. Maak een ketting, want het land is vol bloedschuld en de stad is vol geweld. 24. Daarom laat ik de wreedste volken komen. Zij zullen hun huizen in bezit nemen. Ik zal de hoogmoed van de sterken laten ophouden. Wie zich heilig noemen, zullen ontheiligd worden. 25. De ondergang komt. Zij zullen vrede zoeken, maar die is er niet. 26. Ramp op ramp zal komen en gerucht op gerucht. Dan zullen zij een visioen van een profeet zoeken. Maar de priester heeft geen onderwijs meer en de oudsten hebben geen raad meer. 27. De koning zal rouwen en de vorsten zullen in wanhoop zijn. De handen van het volk van het land zullen beven. Ik zal met hen doen naar hun wegen en hen oordelen naar hun eigen recht. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. ## Ezechiël 8 — Wat er in de tempel gebeurt 1. Het was in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde dag van de maand. Ik zat in mijn huis en de oudsten van Juda zaten voor mij. Toen viel de hand van de Heere HEERE daar op mij. 2. Ik keek, en kijk, er was een gestalte die eruitzag als vuur. Van zijn heupen naar beneden was het vuur. Van zijn heupen naar boven was het als een gloed, als glanzend metaal. 3. Hij stak iets uit dat op een hand leek en pakte mij bij mijn haar. De Geest tilde mij op tussen aarde en hemel. In visioenen van God bracht Hij mij naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke poort van de binnenste voorhof. Daar stond het beeld dat God tot woede tergt. 4. En kijk, daar was de heerlijkheid van de God van Israël, zoals ik die in de vlakte gezien had. 5. Hij zei tegen mij: Mensenkind, kijk nu naar het noorden. Ik keek naar het noorden, en kijk, ten noorden van de altaarpoort stond dat tergende beeld, bij de ingang. 6. Hij zei tegen mij: Mensenkind, zie je wat zij doen? Zie je de grote gruwelen die het volk van Israël hier doet, zodat ik ver van mijn heiligdom wegga? Maar je zult nog grotere gruwelen zien. 7. Toen bracht Hij mij naar de ingang van de voorhof. Ik keek, en kijk, er zat een gat in de muur. 8. Hij zei tegen mij: Mensenkind, graaf nu in die muur. Ik groef in de muur, en kijk, daar was een deur. 9. Toen zei Hij tegen mij: Ga naar binnen en kijk naar de kwade gruwelen die zij hier doen. 10. Ik ging naar binnen en keek. En kijk, op de hele muur rondom waren afbeeldingen getekend van kruipende dieren en afschuwelijke beesten, en van alle afgoden van het volk van Israël. 11. Zeventig mannen uit de oudsten van het volk van Israël stonden ervoor. Jaäzanja, de zoon van Safan, stond midden tussen hen in. Ieder had zijn wierookvat in zijn hand en er steeg een dikke wolk wierook op. 12. Toen zei Hij tegen mij: Zie je het, mensenkind? Zie je wat de oudsten van het volk van Israël in het donker doen, ieder in zijn kamer vol beelden? Want zij zeggen: de HEERE ziet ons niet, de HEERE heeft het land verlaten. 13. Hij zei tegen mij: Je zult nog grotere gruwelen zien die zij doen. 14. Hij bracht mij naar de ingang van de noordelijke poort van het huis van de HEERE. En kijk, daar zaten vrouwen die om Tammuz huilden. 15. Hij zei tegen mij: Zie je dat, mensenkind? Je zult nog grotere gruwelen zien dan deze. 16. Hij bracht mij naar de binnenste voorhof van het huis van de HEERE. En kijk, bij de ingang van de tempel van de HEERE, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Zij stonden met hun rug naar de tempel van de HEERE en met hun gezicht naar het oosten. Zij bogen zich naar het oosten voor de zon. 17. Toen zei Hij tegen mij: Zie je dat, mensenkind? Vindt het volk van Juda het te min om deze gruwelen te doen die zij hier doen? Zij hebben het land met geweld gevuld en tergen mij steeds opnieuw. Kijk, zij houden de wijnrank aan hun neus. 18. Daarom zal ook ik in woede handelen. Mijn oog zal niet sparen en ik zal geen medelijden hebben. Al roepen zij nog zo hard in mijn oren, ik zal niet naar hen luisteren. ## Ezechiël 9 — Het teken op de voorhoofden 1. Daarna riep Hij hard, zodat ik het hoorde: Laat de bewakers van de stad naderbij komen, ieder met zijn wapen in de hand. 2. En kijk, zes mannen kwamen van de bovenpoort die naar het noorden ligt, ieder met zijn wapen in de hand. Tussen hen in liep een man in linnen kleren, met een schrijversset aan zijn riem. Zij kwamen binnen en gingen naast het bronzen altaar staan. 3. De heerlijkheid van de God van Israël steeg op van de cherub waarop Hij was, naar de drempel van het huis. Hij riep de man in linnen kleren, die de schrijversset aan zijn riem had. 4. De HEERE zei tegen hem: Ga door de stad heen, door Jeruzalem. Zet een teken op het voorhoofd van de mensen die zuchten en klagen om alle gruwelen die daar gebeuren. 5. Tegen de anderen zei Hij, zodat ik het hoorde: Ga achter hem aan door de stad en sla toe. Laat jullie oog niemand sparen en heb geen medelijden. 6. Dood oude mannen, jonge mannen en jonge vrouwen, kinderen en vrouwen, tot zij vernietigd zijn. Maar raak niemand aan die het teken draagt. Begin bij mijn heiligdom. En zij begonnen bij de oude mannen die voor het huis stonden. 7. Hij zei tegen hen: Maak het huis onrein en vul de voorhoven met gedode mensen. Ga naar buiten. Zij gingen naar buiten en sloegen toe in de stad. 8. Terwijl zij toesloegen, bleef ik alleen achter. Ik viel op mijn gezicht en riep: Ach, Heere HEERE, giet U Uw woede uit over Jeruzalem? Gaat U heel de rest van Israël vernietigen? 9. Toen zei Hij tegen mij: De schuld van het volk van Israël en van Juda is heel groot. Het land is vol bloed en de stad is vol onrecht. Want zij zeggen: de HEERE heeft het land verlaten en de HEERE ziet niets. 10. Daarom zal ook mijn oog niet sparen en zal ik geen medelijden hebben. Ik zal hun eigen weg op hun hoofd laten neerkomen. 11. En kijk, de man in linnen kleren, met de schrijversset aan zijn riem, kwam verslag doen. Hij zei: Ik heb gedaan wat U mij bevolen hebt. ## Ezechiël 10 — De heerlijkheid verlaat de tempel 1. Daarna keek ik, en kijk, boven het gewelf dat boven het hoofd van de cherubs was, was iets als saffier. Het leek op een troon en Hij verscheen daarop. 2. Hij zei tegen de man in linnen kleren: Ga tussen de raderen, onder de cherub. Vul je handen met vurige kolen van tussen de cherubs. Strooi die uit over de stad. En hij ging naar binnen, voor mijn ogen. 3. De cherubs stonden aan de rechterkant van het huis toen die man naar binnen ging. Een wolk vulde de binnenste voorhof. 4. Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op van de cherub naar de drempel van het huis. Het huis werd gevuld met een wolk en de voorhof was vol van de gloed van de heerlijkheid van de HEERE. 5. Het ruisen van de vleugels van de cherubs was tot in de buitenste voorhof te horen. Het klonk als de stem van de almachtige God als Hij spreekt. 6. Hij had de man in linnen kleren bevolen: neem vuur van tussen de raderen, van tussen de cherubs. Toen ging die man naar binnen en ging naast een rad staan. 7. Een cherub stak zijn hand uit naar het vuur dat tussen de cherubs was. Hij nam ervan en legde het in de handen van de man in linnen kleren. Die nam het en ging naar buiten. 8. Onder de vleugels van de cherubs was iets te zien dat op een mensenhand leek. 9. Toen keek ik, en kijk, er waren vier raderen bij de cherubs. Bij elke cherub stond een rad. De raderen glansden als turkoois. 10. Alle vier zagen zij er hetzelfde uit. Het leek of er een rad midden in een ander rad zat. 11. Als zij gingen, konden zij naar alle vier de kanten gaan. Zij draaiden zich niet om als zij gingen. Zij volgden de richting waarin het hoofd keek; zij draaiden zich niet om als zij gingen. 12. Hun hele lichaam, hun rug, hun handen en hun vleugels zaten rondom vol ogen, en de raderen ook. Alle vier hadden zij hun raderen. 13. De raderen werden, zodat ik het hoorde, elk Galgal genoemd. 14. Elk had vier gezichten. Het eerste gezicht was dat van een cherub en het tweede dat van een mens. Het derde was dat van een leeuw en het vierde dat van een arend. 15. De cherubs stegen op. Dit waren dezelfde wezens die ik bij de rivier de Chebar gezien had. 16. Als de cherubs gingen, gingen de raderen naast hen mee. Als de cherubs hun vleugels ophieven om van de grond op te stijgen, bleven die raderen ook bij hen. 17. Als zij stilstonden, stonden de raderen stil. Als zij opstegen, stegen de raderen mee op. Want de geest van de wezens was in hen. 18. Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg van de drempel van het huis en stond boven de cherubs. 19. De cherubs hieven hun vleugels op en stegen voor mijn ogen van de grond op toen zij weggingen. De raderen bleven naast hen. Zij bleven staan bij de ingang van de oostpoort van het huis van de HEERE. De heerlijkheid van de God van Israël was boven hen. 20. Dit waren de wezens die ik onder de God van Israël gezien had bij de rivier de Chebar. Ik begreep dat het cherubs waren. 21. Elk had vier gezichten en elk had vier vleugels. Onder hun vleugels was iets dat op mensenhanden leek. 22. Hun gezichten zagen eruit als de gezichten die ik bij de rivier de Chebar gezien had. Zij zagen er precies zo uit. Ieder ging recht vooruit. ## Ezechiël 11 — Een nieuw hart 1. Toen tilde de Geest mij op en bracht mij naar de oostpoort van het huis van de HEERE, die naar het oosten kijkt. En kijk, bij de ingang van de poort stonden vijfentwintig mannen. Tussen hen in zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, leiders van het volk. 2. Hij zei tegen mij: Mensenkind, dit zijn de mannen die kwaad bedenken en slechte raad geven in deze stad. 3. Zij zeggen: het duurt nog lang voordat wij huizen bouwen. Deze stad is de pot en wij zijn het vlees. 4. Profeteer daarom tegen hen. Profeteer, mensenkind. 5. Toen viel de Geest van de HEERE op mij en Hij zei tegen mij: Zeg: dit zegt de HEERE. Zo zeggen jullie, volk van Israël. Maar ik weet precies wat er in jullie geest opkomt. 6. Jullie hebben in deze stad veel mensen gedood. Jullie hebben haar straten gevuld met gedode mensen. 7. Daarom zegt de Heere HEERE dit: jullie gedode mensen die jullie daar neergelegd hebben, dat is het vlees, en deze stad is de pot. Maar jullie zal ik eruit halen. 8. Jullie waren bang voor het zwaard. En het zwaard zal ik over jullie brengen, zegt de Heere HEERE. 9. Ik zal jullie uit de stad halen en jullie in de hand van vreemden geven. Ik zal recht over jullie spreken. 10. Jullie zullen door het zwaard vallen. Aan de grens van Israël zal ik over jullie oordelen. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 11. Deze stad zal voor jullie geen pot zijn en jullie zullen daarin geen vlees zijn. Aan de grens van Israël zal ik over jullie oordelen. 12. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. Want jullie hebben niet naar mijn wetten geleefd en mijn regels niet gehouden. Jullie deden wat de volken om je heen doen. 13. Terwijl ik profeteerde, stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Toen viel ik op mijn gezicht en riep hard: Ach, Heere HEERE, maakt U helemaal een einde aan wat er van Israël over is? 14. Toen kwam het woord van de HEERE tot mij. 15. Mensenkind, het gaat om je eigen verwanten, je eigen familie, en om heel het volk van Israël. Tegen hen hebben de bewoners van Jeruzalem gezegd: blijf ver van de HEERE, want dit land is aan ons gegeven als bezit. 16. Zeg daarom: dit zegt de Heere HEERE. Ik heb hen ver weggestuurd onder de volken en over de landen verstrooid. Toch ben ik voor hen een tijdlang een heiligdom geweest in de landen waar zij kwamen. 17. Zeg daarom: dit zegt de Heere HEERE. Ja, ik zal jullie bijeenbrengen uit de volken. Ik zal jullie verzamelen uit de landen waarover jullie verstrooid zijn. En ik zal jullie het land van Israël geven. 18. Zij zullen daarheen komen en al haar afschuwelijke goden en al haar gruwelen daar weghalen. 19. Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in jullie binnenste. Ik zal het hart van steen uit hun lichaam wegnemen en hun een hart van vlees geven. 20. Zo zullen zij naar mijn wetten leven, mijn regels bewaren en die doen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 21. Maar sommigen lopen in hun hart achter hun afschuwelijke goden en hun gruwelen aan. Hun eigen weg zal ik op hun hoofd laten neerkomen, zegt de Heere HEERE. 22. Toen hieven de cherubs hun vleugels op en de raderen gingen met hen mee. De heerlijkheid van de God van Israël was boven hen. 23. De heerlijkheid van de HEERE steeg op uit het midden van de stad en bleef staan op de berg ten oosten van de stad. 24. Daarna tilde de Geest mij op en bracht mij in een visioen door de Geest van God naar Chaldea, naar de ballingen. Toen verdween het visioen dat ik gezien had. 25. En ik vertelde de ballingen alle woorden van de HEERE die Hij mij had laten zien. ## Ezechiël 12 — De bagage van een balling 1. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, je woont te midden van een opstandig volk. Zij hebben ogen om te zien en zien niet. Zij hebben oren om te horen en horen niet. Want zij zijn een opstandig volk. 3. Daarom, mensenkind, pak je bagage voor de ballingschap. Vertrek overdag, voor hun ogen. Trek voor hun ogen van je plaats naar een andere plaats. Misschien zullen zij het merken, hoewel zij een opstandig volk zijn. 4. Breng je bagage overdag naar buiten, voor hun ogen, als bagage voor de ballingschap. Ga daarna in de avond naar buiten, voor hun ogen, zoals ballingen vertrekken. 5. Graaf voor hun ogen een gat in de muur en breng je bagage daardoor naar buiten. 6. Draag het voor hun ogen op je schouders en breng het in het donker naar buiten. Bedek je gezicht, zodat je het land niet ziet. Want ik heb je tot een teken gemaakt voor het volk van Israël. 7. Ik deed wat mij bevolen was. Overdag bracht ik mijn bagage naar buiten, als bagage voor de ballingschap. Daarna groef ik in de avond met de hand een gat in de muur. Ik bracht het in het donker naar buiten en droeg het voor hun ogen op mijn schouders. 8. De volgende morgen kwam het woord van de HEERE tot mij. 9. Mensenkind, heeft het volk van Israël, dat opstandige volk, niet tegen je gezegd: wat doe je daar? 10. Zeg tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Deze last geldt de vorst in Jeruzalem en heel het volk van Israël dat daar is. 11. Zeg: ik ben een teken voor jullie. Wat ik gedaan heb, zal met hen gebeuren. Zij zullen in ballingschap gaan. 12. De vorst die bij hen is, zal zijn bagage in het donker op zijn schouders dragen en naar buiten gaan. Zij zullen door de muur graven om hem naar buiten te brengen. Hij zal zijn gezicht bedekken, zodat hij het land niet ziet. 13. Ik zal mijn net over hem uitspreiden en hij zal in mijn vangnet gevangen worden. Ik zal hem naar Babel brengen, het land van de Chaldeeën. Toch zal hij het niet zien, al zal hij daar sterven. 14. Allen om hem heen die hem helpen en al zijn troepen zal ik naar alle windstreken verstrooien. En ik zal het zwaard achter hen aan trekken. 15. Zo zullen zij weten dat ik de HEERE ben, als ik hen onder de volken verspreid en over de landen verstrooi. 16. Maar ik zal een klein aantal van hen laten overblijven, gespaard van zwaard, honger en pest. Zij zullen al hun gruwelen vertellen bij de volken waar zij komen. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. 17. Daarna kwam het woord van de HEERE tot mij. 18. Mensenkind, je moet je brood bevend eten. Je water moet je met angst en zorg drinken. 19. Zeg tegen het volk van het land: dit zegt de Heere HEERE over de bewoners van Jeruzalem in het land van Israël. Zij zullen hun brood met zorg eten en hun water met ontzetting drinken. Want hun land zal leeggeplunderd worden om het geweld van allen die er wonen. 20. De bewoonde steden worden verwoest en het land wordt een wildernis. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 21. Opnieuw kwam het woord van de HEERE tot mij. 22. Mensenkind, wat is dat voor een spreekwoord dat jullie in het land van Israël hebben? Zij zeggen: de dagen gaan voorbij en elk visioen loopt op niets uit. 23. Zeg daarom tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Ik zal aan dat spreekwoord een einde maken. Zij zullen het in Israël niet meer gebruiken. Zeg tegen hen: de dagen zijn nabij en elk visioen komt uit. 24. Want er zal geen leeg visioen en geen vleiende waarzeggerij meer zijn bij het volk van Israël. 25. Want ik ben de HEERE en ik zal spreken. Het woord dat ik spreek, zal gebeuren. Het wordt niet langer uitgesteld. In jullie dagen, opstandig volk, zal ik een woord spreken en het ook doen, zegt de Heere HEERE. 26. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 27. Mensenkind, kijk, de mensen van Israël zeggen: het visioen dat hij ziet, gaat over een verre toekomst. Hij profeteert over tijden die ver weg zijn. 28. Zeg daarom tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Geen van mijn woorden wordt nog uitgesteld. Het woord dat ik gesproken heb, zal gebeuren, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 13 — Profeten die kalk over een muur smeren 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 2. Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël die maar wat profeteren. Zeg tegen hen die uit hun eigen hart profeteren: hoor het woord van de HEERE. 3. Dit zegt de Heere HEERE: wee die dwaze profeten die hun eigen geest volgen en niets gezien hebben! 4. Israël, je profeten zijn als vossen tussen de ruïnes. 5. Jullie zijn niet in de bres gaan staan. Jullie hebben de muur rond het volk van Israël niet dichtgemaakt om stand te houden in de strijd op de dag van de HEERE. 6. Zij zien loze visioenen en voorspellen leugens. Zij zeggen: de HEERE heeft gesproken, terwijl de HEERE hen niet gestuurd heeft. En zij verwachten dat hun woord uitkomt. 7. Hebben jullie geen loos visioen gezien en geen leugen voorspeld? Jullie zeggen: de HEERE spreekt, terwijl ik niets gesproken heb. 8. Daarom zegt de Heere HEERE dit: jullie spreken loze woorden en zien leugens. Daarom, kijk, ik keer mij tegen jullie, zegt de Heere HEERE. 9. Mijn hand zal tegen de profeten zijn die loze visioenen zien en leugens voorspellen. Zij zullen niet in de kring van mijn volk zijn. Zij worden niet in het register van het volk van Israël geschreven en komen niet in het land van Israël. Dan zullen jullie weten dat ik de Heere HEERE ben. 10. Zij misleiden mijn volk door te zeggen: vrede, terwijl er geen vrede is. De een bouwt een wankele muur en kijk, de anderen smeren die met kalk dicht. 11. Zeg tegen wie met kalk smeren dat de muur zal omvallen. Er komt een stortregen. En jullie, grote hagelstenen, zullen vallen. Een zware storm zal de muur splijten. 12. Kijk, als die muur gevallen is, zal men dan niet tegen jullie zeggen: waar is de kalklaag die jullie erop gesmeerd hebben? 13. Daarom zegt de Heere HEERE dit: ik zal hem in mijn woede door een zware storm splijten. Er zal een stortregen komen in mijn toorn en grote hagelstenen in mijn woede, om hem te vernietigen. 14. Zo zal ik de muur afbreken die jullie met kalk gesmeerd hebben. Ik zal hem tegen de grond gooien, zodat zijn fundament bloot komt te liggen. Zo zal de stad vallen en jullie zullen in haar midden omkomen. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 15. Zo zal ik mijn woede uiten tegen de muur en tegen wie hem met kalk gesmeerd hebben. Ik zal tegen jullie zeggen: die muur is er niet meer en wie hem smeerden, zijn er ook niet meer. 16. Dat zijn de profeten van Israël die over Jeruzalem profeteren. Zij zien voor haar een visioen van vrede, terwijl er geen vrede is, zegt de Heere HEERE. 17. En jij, mensenkind, kijk naar de vrouwen van je volk die uit hun eigen hart profeteren. Profeteer tegen hen. 18. Zeg: dit zegt de Heere HEERE. Wee de vrouwen die banden naaien voor alle polsen en sluiers maken voor hoofden van elke maat, om mensen te vangen. Willen jullie de mensen van mijn volk vangen en jullie eigen leven redden? 19. Jullie onteren mij bij mijn volk voor een handvol gerst en een paar stukken brood. Jullie doden mensen die niet mogen sterven en houden mensen in leven die niet mogen leven. Dat doen jullie door te liegen tegen mijn volk, dat naar leugens luistert. 20. Daarom zegt de Heere HEERE dit: kijk, ik keer mij tegen jullie banden, waarmee jullie mensen vangen als vogels. Ik zal ze van jullie armen rukken. Ik zal de mensen loslaten die jullie als vogels vingen. 21. Ook zal ik jullie sluiers scheuren en mijn volk uit jullie hand redden. Zij zullen niet langer jullie prooi zijn. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 22. Jullie hebben het hart van de rechtvaardige met leugens bedroefd, terwijl ik hem geen pijn gedaan heb. En jullie hebben de handen van de goddeloze gesterkt, zodat hij zich niet van zijn slechte weg afkeerde en in leven bleef. 23. Daarom zullen jullie geen loze visioenen meer zien en niet meer waarzeggen. Ik zal mijn volk uit jullie hand redden. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. ## Ezechiël 14 — Afgoden in het hart 1. Daarna kwamen er mannen uit de oudsten van Israël bij mij en gingen voor mij zitten. 2. Toen kwam het woord van de HEERE tot mij. 3. Mensenkind, deze mannen hebben hun afgoden in hun hart gezet. Zij hebben de oorzaak van hun schuld recht voor zich neergezet. Zou ik mij dan echt door hen laten raadplegen? 4. Spreek daarom met hen en zeg: dit zegt de Heere HEERE. Stel dat iemand uit het volk van Israël zijn afgoden in zijn hart zet. Hij zet de oorzaak van zijn schuld recht voor zich neer en komt dan naar de profeet. Dan zal ik, de HEERE, hem zelf antwoord geven, passend bij al zijn afgoden. 5. Zo wil ik het volk van Israël bij het hart grijpen, want zij zijn allemaal door hun afgoden van mij vervreemd. 6. Zeg daarom tegen het volk van Israël: dit zegt de Heere HEERE. Kom terug en keer je af van je afgoden. Wend je gezicht af van al je gruwelen. 7. Want stel dat iemand uit het volk van Israël of een vreemdeling die in Israël woont, zich van mij afkeert. Hij zet zijn afgoden in zijn hart en zet de oorzaak van zijn schuld recht voor zich neer. Dan komt hij naar de profeet om mij te raadplegen. Ik, de HEERE, zal hem zelf antwoorden. 8. Ik zal mij tegen die man keren. Ik zal hem tot een teken en een spotwoord maken en hem uit mijn volk verwijderen. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 9. Als een profeet zich laat verleiden en toch iets zegt, dan heb ik, de HEERE, die profeet verleid. Ik zal mijn hand tegen hem uitstrekken en hem verdelgen uit mijn volk Israël. 10. Zij zullen hun schuld dragen. De schuld van wie vraagt, zal gelijk zijn aan de schuld van de profeet. 11. Zo zal het volk van Israël niet meer van mij afdwalen. Zij zullen zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen. Dan zullen zij mijn volk zijn en ik zal hun God zijn, zegt de Heere HEERE. 12. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 13. Mensenkind, stel dat een land tegen mij zondigt en zwaar overtreedt. Dan strek ik mijn hand ertegen uit en breek de voorraad brood. Ik stuur er honger heen en roei mens en dier uit. 14. Ook al zouden daar die drie mannen zijn, Noach, Daniël en Job, dan zouden zij alleen zichzelf redden door hun gerechtigheid, zegt de Heere HEERE. 15. Of stel dat ik wilde dieren door het land laat gaan. Die roven de kinderen weg, zodat het land verlaten wordt en niemand er nog doorheen trekt vanwege de dieren. 16. Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: al zouden die drie mannen daar zijn, zij zouden zonen noch dochters kunnen redden. Alleen zijzelf zouden gered worden, maar het land zou een woestenij worden. 17. Of stel dat ik het zwaard over dat land breng en zeg: zwaard, ga door dat land. Dan roei ik daar mens en dier uit. 18. Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: al zouden die drie mannen daar zijn, zij zouden zonen noch dochters kunnen redden. Alleen zijzelf zouden gered worden. 19. Of stel dat ik de pest naar dat land stuur en mijn woede erover uitgiet met bloed, om daar mens en dier uit te roeien. 20. Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: al zouden Noach, Daniël en Job daar zijn, zij zouden zoon noch dochter kunnen redden. Zij zouden alleen zichzelf redden door hun gerechtigheid. 21. Want dit zegt de Heere HEERE: hoeveel te meer geldt dat bij mijn vier zware straffen over Jeruzalem. Ik stuur het zwaard, de honger, de wilde dieren en de pest om daar mens en dier uit te roeien. 22. Maar kijk, er zullen mensen overblijven die eruit weggevoerd worden, zonen en dochters. Kijk, zij zullen naar jullie toe komen. Jullie zullen hun weg en hun daden zien. Dan zullen jullie getroost worden over het onheil dat ik over Jeruzalem gebracht heb, over alles wat ik over haar gebracht heb. 23. Zij zullen jullie troosten als jullie hun weg en hun daden zien. Dan zullen jullie weten dat ik niet zonder reden gedaan heb wat ik in haar gedaan heb, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 15 — Het hout van de wijnstok 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 2. Mensenkind, wat heeft het hout van de wijnstok voor op ander hout? Wat is de wijnrank meer dan het hout in het bos? 3. Neemt men er hout van om iets te maken? Maakt men er een pin van om er iets aan te hangen? 4. Kijk, het wordt aan het vuur gegeven om verteerd te worden. Het vuur verbrandt beide uiteinden en het midden wordt zwart. Zou het dan nog ergens goed voor zijn? 5. Kijk, toen het nog heel was, kon men er niets van maken. Hoeveel te minder als het vuur het verteerd heeft en het verbrand is. Kan men er dan nog iets van maken? 6. Daarom zegt de Heere HEERE dit. Het hout van de wijnstok tussen het hout van het bos geef ik aan het vuur om verteerd te worden. Zo geef ik ook de bewoners van Jeruzalem over. 7. Want ik zal mij tegen hen keren. Ontkomen zij aan het ene vuur, dan zal het andere vuur hen verteren. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben, als ik mij tegen hen gekeerd heb. 8. Ik zal het land tot een woestenij maken, omdat zij zwaar overtreden hebben, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 16 — Het vondelingenkind 1. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend. 3. Zeg: dit zegt de Heere HEERE tegen Jeruzalem. Je afkomst en je geboorte liggen in het land van de Kanaänieten. Je vader was een Amoriet en je moeder een Hethitische. 4. Op de dag dat je geboren werd, werd je navelstreng niet doorgesneden. Je werd niet met water gewassen, niet met zout ingewreven en niet in doeken gewikkeld. 5. Niemand keek met medelijden naar je om iets van dit alles voor je te doen. Je werd op het open veld gegooid, want men walgde van je op de dag dat je geboren werd. 6. Toen ik langskwam, zag ik je liggen, spartelend in je bloed. Ik zei tegen je in je bloed: leef! Ja, ik zei tegen je in je bloed: leef! 7. Ik liet je groeien als een plant op het veld. Je groeide op en werd groot. Je werd heel mooi. Je borsten werden stevig en je haar groeide. Maar je was nog naakt en bloot. 8. Toen ik weer langskwam, zag ik je. En kijk, je was oud genoeg voor de liefde. Ik spreidde mijn mantel over je uit en bedekte je naaktheid. Ik zwoer je trouw en sloot een verbond met je, zegt de Heere HEERE. Zo werd je van mij. 9. Daarna waste ik je met water. Ik spoelde het bloed van je af en zalfde je met olie. 10. Ik gaf je geborduurde kleren en schoenen van fijn leer. Ik omgordde je met fijn linnen en bedekte je met zijde. 11. Ik gaf je sieraden: armbanden om je polsen en een ketting om je hals. 12. Ik gaf je een ring in je neus, oorringen in je oren en een prachtige kroon op je hoofd. 13. Zo droeg je goud en zilver. Je kleding was van fijn linnen, zijde en borduurwerk. Je at meelbloem, honing en olie. Je werd heel mooi en je groeide uit tot een koninkrijk. 14. Je naam werd bekend onder de volken om je schoonheid. Want die was volmaakt door de pracht die ik je gegeven had, zegt de Heere HEERE. 15. Maar je vertrouwde op je schoonheid en werd ontrouw door je naam. Je gaf je aan iedereen die voorbijkwam. 16. Je nam je kleren en maakte er bonte offerhoogten van. Daar was je ontrouw. Zoiets is nooit eerder gebeurd en het zal ook niet meer gebeuren. 17. Je nam ook je prachtige sieraden van mijn goud en mijn zilver die ik je gegeven had. Je maakte er mannenbeelden van en was daarmee ontrouw. 18. Je nam je geborduurde kleren en bedekte ze daarmee. Mijn olie en mijn wierook zette je voor hen neer. 19. Mijn brood dat ik je gaf, meelbloem, olie en honing waarmee ik je voedde, zette je ook voor hen neer als een aangename geur. Zo ging het, zegt de Heere HEERE. 20. Je nam zelfs je zonen en je dochters die je mij gebaard had, en je offerde ze aan hen om verteerd te worden. Was je ontrouw dan nog niet genoeg? 21. Je slachtte mijn kinderen en gaf ze weg door ze voor hen door het vuur te laten gaan. 22. Bij al je gruwelen en al je ontrouw dacht je niet aan de dagen van je jeugd. Toen was je naakt en bloot en spartelde je in je bloed. 23. Na al je slechtheid gebeurde het volgende. Wee, wee je, zegt de Heere HEERE. 24. Je bouwde jezelf een verhoging en maakte jezelf een hoge plaats op elk plein. 25. Op elke straathoek bouwde je je hoge plaatsen. Je maakte je schoonheid tot iets afschuwelijks. Je bood jezelf aan iedereen aan die voorbijkwam en je werd steeds ontrouwer. 26. Je was ook ontrouw met de Egyptenaren, je buren met hun grote begeerte. Je werd steeds ontrouwer om mij tot woede te tergen. 27. Kijk, daarom strekte ik mijn hand tegen je uit en maakte je deel kleiner. Ik gaf je over aan de willekeur van wie je haten, de dochters van de Filistijnen, die zich schaamden over jouw schandelijke weg. 28. Verder was je ontrouw met de Assyriërs, want je was onverzadigbaar. Ook toen je met hen ontrouw was, werd je niet verzadigd. 29. Je werd steeds ontrouwer, van het land Kanaän tot in Chaldea. En ook daarvan werd je niet verzadigd. 30. Wat is je hart zwak, zegt de Heere HEERE, dat je dit alles doet, als een vrouw die haar eigen zin doorzet. 31. Je bouwde je verhoging op elke straathoek en maakte je hoge plaats op elk plein. Toch deed je het niet voor het geld, want je wees het loon af. 32. Je was een overspelige vrouw die vreemden nam in plaats van haar eigen man. 33. Aan alle ontrouwe vrouwen geeft men loon. Maar jij gaf loon aan al je minnaars. Je gaf hun geschenken, zodat zij van alle kanten naar je toe kwamen. 34. Zo ging het bij jou precies andersom dan bij andere vrouwen. Niemand liep jou achterna. Jij gaf loon en aan jou werd geen loon gegeven. Zo werd jij het tegendeel. 35. Daarom, ontrouwe stad, hoor het woord van de HEERE. 36. Dit zegt de Heere HEERE: je hebt je begeerte uitgestort en je schaamte blootgelegd bij je minnaars. Dat deed je met al je afschuwelijke afgoden en met het bloed van je kinderen, dat je aan hen gegeven hebt. 37. Daarom, kijk, ik zal al je minnaars bijeenbrengen met wie je omging, allen die je liefhad en allen die je haatte. Ik zal hen van alle kanten tegen je bijeenbrengen. Ik zal voor hen je naaktheid blootleggen, zodat zij je helemaal naakt zien. 38. Ik zal je oordelen naar het recht voor vrouwen die overspel plegen en bloed vergieten. Ik zal je overgeven aan het bloed van woede en hartstocht. 39. Ik zal je in hun hand geven. Zij zullen je verhoging afbreken en je hoge plaatsen omgooien. Zij zullen je je kleren uittrekken en je mooie sieraden afpakken. Zij zullen je naakt en bloot achterlaten. 40. Daarna zullen zij een menigte tegen je laten opkomen. Zij zullen je met stenen stenigen en met hun zwaarden doorsteken. 41. Zij zullen je huizen met vuur verbranden en het oordeel over je voltrekken voor de ogen van veel vrouwen. Ik zal een einde maken aan je ontrouw en je zult geen loon meer geven. 42. Zo zal ik mijn woede op je laten rusten en mijn hartstocht zal van je wijken. Ik zal stil zijn en niet langer boos. 43. Je dacht niet aan de dagen van je jeugd en tergde mij met dit alles. Kijk, daarom zal ook ik je eigen weg op je hoofd laten neerkomen, zegt de Heere HEERE. Dan zul je die schandelijke daad niet meer doen boven al je gruwelen. 44. Kijk, iedereen die spreekwoorden gebruikt, zal dit spreekwoord over je zeggen: zo moeder, zo dochter. 45. Je bent de dochter van je moeder, die walgde van haar man en haar kinderen. Je bent de zus van je zussen, die walgden van hun mannen en hun kinderen. Je moeder was een Hethitische en je vader een Amoriet. 46. Je oudere zus is Samaria, met haar dochters. Zij woont links van je. Je jongere zus, die rechts van je woont, is Sodom met haar dochters. 47. Je leefde niet alleen zoals zij en deed niet alleen hun gruwelen. Dat was je nog te weinig. Op al je wegen was je erger dan zij. 48. Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: Sodom, je zus, en haar dochters hebben niet gedaan wat jij en je dochters gedaan hebben. 49. Kijk, dit was de schuld van je zus Sodom: hoogmoed, overvloed aan brood en zorgeloze rust hadden zij en haar dochters. Maar zij hielpen de arme en de behoeftige niet. 50. Zij werden hoogmoedig en deden gruwelijke dingen voor mijn ogen. Daarom deed ik hen weg toen ik het gezien had. 51. Samaria heeft nog niet de helft van jouw zonden gedaan. Jij hebt meer gruwelen gedaan dan zij. Door al je gruwelen lijken je zussen rechtvaardig. 52. Draag dan ook je eigen schande, jij die je zussen veroordeeld hebt. Jouw zonden zijn gruwelijker dan de hunne; zij zijn rechtvaardiger dan jij. Wees dan beschaamd en draag je schande, omdat je je zussen rechtvaardig hebt laten lijken. 53. Ik zal hun lot keren, het lot van Sodom en haar dochters en het lot van Samaria en haar dochters. Dan zal ik ook jouw lot keren, midden tussen hen in. 54. Zo zul je je schande dragen en beschaamd staan om alles wat je gedaan hebt, terwijl je hen troost. 55. Je zussen Sodom en haar dochters zullen terugkeren naar hoe het vroeger was. Ook Samaria en haar dochters zullen terugkeren naar hoe het vroeger was. En jij en je dochters zullen terugkeren naar hoe het vroeger was. 56. In de dagen van je grote hoogmoed nam je de naam van je zus Sodom niet eens in de mond. 57. Dat was voordat je slechtheid bekend werd. Nu word je bespot door de dochters van Syrië en door iedereen om je heen. Ook de dochters van de Filistijnen verachten je van alle kanten. 58. Je draagt nu je schandelijke daden en je gruwelen, zegt de HEERE. 59. Want dit zegt de Heere HEERE: ik zal met je doen zoals jij gedaan hebt. Jij hebt de eed veracht en het verbond verbroken. 60. Toch zal ik denken aan mijn verbond met je uit de dagen van je jeugd. Ik zal een eeuwig verbond met je sluiten. 61. Dan zul je aan je wegen denken en je schamen. Dat gebeurt als je je zussen aanneemt, de oudere en de jongere. Ik zal ze je als dochters geven, maar niet op grond van jouw verbond. 62. Want ik zal mijn verbond met je oprichten. Dan zul je weten dat ik de HEERE ben. 63. Zo zul je eraan denken en je schamen. Je zult je mond niet meer opendoen vanwege je schande. Dat gebeurt als ik verzoening voor je doe over alles wat je gedaan hebt, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 17 — De twee arenden en de wijnstok 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 2. Mensenkind, geef het volk van Israël een raadsel op en vertel hun een gelijkenis. 3. Zeg: dit zegt de Heere HEERE. Er was een grote arend met grote vleugels en lange slagpennen. Hij had een dichte, bonte verenpracht. Hij kwam naar de Libanon en nam de top van een ceder. 4. Hij plukte de bovenste van de jonge takken af en bracht die naar een land van handel. Hij zette hem neer in een stad van kooplieden. 5. Hij nam ook zaad uit het land en legde dat in een vruchtbare akker. Hij zette het zorgvuldig neer bij veel water. 6. Het liep uit en werd een welige wijnstok, maar laag van stam. Zijn ranken keken naar de arend en zijn wortels bleven onder hem. Zo werd hij een wijnstok die ranken en scheuten voortbracht. 7. Er was nog een grote arend met grote vleugels en veel veren. En kijk, deze wijnstok boog zijn wortels naar hem toe en strekte zijn ranken naar hem uit. Hij wilde door hem begoten worden, weg van het bed waarin hij geplant was. 8. Hij was toch in goede grond geplant, bij veel water. Hij kon takken maken en vrucht dragen en een prachtige wijnstok worden. 9. Zeg: dit zegt de Heere HEERE. Zal hij gedijen? Zal de arend niet zijn wortels uitrukken en zijn vrucht afsnijden, zodat hij verdroogt? Al zijn jonge blaadjes zullen verdrogen. Er is geen sterke arm en geen grote menigte nodig om hem los te trekken. 10. Ja kijk, hij is geplant. Zal hij gedijen? Zal hij niet helemaal verdrogen als de oostenwind hem raakt? In het bed waar hij groeide, zal hij verdrogen. 11. Daarna kwam het woord van de HEERE tot mij. 12. Zeg nu tegen dat opstandige volk: weten jullie niet wat dit betekent? Zeg: kijk, de koning van Babel kwam naar Jeruzalem. Hij nam haar koning en haar vorsten mee naar Babel. 13. Hij nam iemand uit de koninklijke familie en sloot een verbond met hem. Hij liet hem een eed zweren. De machtigen van het land nam hij mee. 14. Zo zou het koninkrijk klein blijven en zich niet verheffen. Als het zich aan het verbond hield, zou het blijven bestaan. 15. Maar hij kwam tegen hem in opstand. Hij stuurde zijn boden naar Egypte om paarden en veel manschappen te krijgen. Zal hij gedijen? Zal iemand die zoiets doet, ontkomen? Kan hij het verbond breken en toch ontkomen? 16. Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: hij zal sterven in Babel, bij de koning die hem koning gemaakt heeft. Hij heeft diens eed veracht en diens verbond verbroken. 17. Ook Farao zal hem niet helpen in de oorlog met een groot leger en veel soldaten. Dan zal men een wal opwerpen en belegeringstorens bouwen om veel mensen te doden. 18. Want hij verachtte de eed en verbrak het verbond. Kijk, hij had er zijn hand op gegeven. Omdat hij dit alles gedaan heeft, zal hij niet ontkomen. 19. Daarom zegt de Heere HEERE dit: zo waar ik leef. Hij heeft mijn eed veracht en mijn verbond verbroken. Dat zal ik op zijn hoofd laten neerkomen. 20. Ik zal mijn net over hem uitspreiden en hij zal in mijn vangnet gegrepen worden. Ik zal hem naar Babel brengen. Daar zal ik met hem rechten over de trouwbreuk die hij tegen mij begaan heeft. 21. Al zijn vluchtelingen en al zijn troepen zullen door het zwaard vallen. Wie overblijven, worden naar alle windstreken verstrooid. Dan zullen jullie weten dat ik, de HEERE, gesproken heb. 22. Dit zegt de Heere HEERE: Ik zal zelf een tak nemen van de top van de hoge ceder en die planten. Van de bovenste jonge takjes zal ik een tere tak plukken. Die zal ik planten op een hoge en verheven berg. 23. Op de hoge berg van Israël zal ik hem planten. Hij zal takken voortbrengen en vrucht dragen. Hij zal een prachtige ceder worden. Onder hem zullen allerlei vogels wonen; in de schaduw van zijn takken zullen zij nestelen. 24. Dan zullen alle bomen van het veld weten dat ik, de HEERE, de hoge boom vernederd heb en de lage boom verhoogd. Ik heb de groene boom laten verdrogen en de dorre boom laten bloeien. Ik, de HEERE, heb het gezegd en ik zal het doen. ## Ezechiël 18 — Wie zondigt, zal sterven 1. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Waarom gebruiken jullie dit spreekwoord over het land van Israël: de vaders aten onrijpe druiven en de tanden van de kinderen werden stroef? 3. Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: jullie zullen dit spreekwoord in Israël niet meer gebruiken. 4. Kijk, alle mensen zijn van mij. De vader en de zoon zijn allebei van mij. Wie zondigt, die zal sterven. 5. Stel dat iemand rechtvaardig is en doet wat recht en goed is. 6. Hij eet niet op de bergen en kijkt niet op naar de afgoden van het volk van Israël. Hij onteert de vrouw van zijn naaste niet en komt niet bij een vrouw die ongesteld is. 7. Hij onderdrukt niemand. Hij geeft de schuldenaar zijn onderpand terug. Hij rooft niets. Hij geeft de hongerige zijn brood en bedekt de naakte met kleding. 8. Hij leent niet uit tegen rente en vraagt geen woekerwinst. Hij houdt zijn hand van onrecht af en spreekt eerlijk recht tussen twee mensen. 9. Hij leeft naar mijn wetten en houdt mijn regels trouw. Zo iemand is rechtvaardig en zal zeker leven, zegt de Heere HEERE. 10. Stel dat hij een zoon krijgt die een rover is en bloed vergiet, en die een van deze dingen doet. 11. Hij doet niets van al het goede. Hij eet wel op de bergen en onteert de vrouw van zijn naaste. 12. Hij onderdrukt de arme en de behoeftige en rooft veel. Hij geeft het onderpand niet terug. Hij kijkt op naar de afgoden en doet gruwelijke dingen. 13. Hij leent uit tegen rente en vraagt woekerwinst. Zou die dan leven? Hij zal niet leven. Al deze gruwelen heeft hij gedaan; hij zal zeker gedood worden. Zijn bloed komt op hemzelf neer. 14. Stel nu dat hij een zoon krijgt die alle zonden van zijn vader ziet. Hij ziet ze en doet zulke dingen niet. 15. Hij eet niet op de bergen en kijkt niet op naar de afgoden van het volk van Israël. Hij onteert de vrouw van zijn naaste niet. 16. Hij onderdrukt niemand. Hij houdt geen onderpand en rooft niets. Hij geeft de hongerige zijn brood en bedekt de naakte met kleding. 17. Hij houdt zijn hand af van de arme. Hij neemt geen rente en geen woekerwinst. Hij houdt mijn regels en leeft naar mijn wetten. Hij zal niet sterven om de schuld van zijn vader; hij zal zeker leven. 18. Zijn vader heeft mensen zwaar onderdrukt en zijn naaste beroofd. Hij deed wat niet goed was te midden van zijn volk. Kijk, daarom zal hij sterven om zijn eigen schuld. 19. Maar jullie zeggen: waarom draagt de zoon de schuld van de vader niet? De zoon heeft toch recht en gerechtigheid gedaan. Hij hield al mijn wetten en deed ze. Daarom zal hij zeker leven. 20. Wie zondigt, die zal sterven. De zoon draagt de schuld van de vader niet en de vader draagt de schuld van de zoon niet. De rechtvaardigheid van de rechtvaardige komt op hemzelf neer en de goddeloosheid van de goddeloze ook. 21. Maar stel dat de goddeloze zich bekeert van alle zonden die hij gedaan heeft. Hij houdt al mijn wetten en doet recht en gerechtigheid. Dan zal hij zeker leven. Hij zal niet sterven. 22. Geen van zijn overtredingen zal hem nog aangerekend worden. Door de gerechtigheid die hij gedaan heeft, zal hij leven. 23. Zou ik het fijn vinden als de goddeloze sterft, zegt de Heere HEERE? Ik wil toch juist dat hij zich van zijn wegen bekeert en leeft? 24. Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, en alle gruwelen doet die de goddeloze doet, zou die dan leven? Al zijn gerechtigheid zal hem niet meer aangerekend worden. Hij zal sterven om zijn trouwbreuk en om de zonde die hij gedaan heeft. 25. Toch zeggen jullie: de weg van de HEERE is niet eerlijk. Hoor toch, volk van Israël: is mijn weg niet eerlijk? Zijn niet juist jullie wegen oneerlijk? 26. Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet en daardoor sterft, dan sterft hij om het onrecht dat hij gedaan heeft. 27. Maar als de goddeloze zich bekeert van de goddeloosheid die hij gedaan heeft, en recht en gerechtigheid doet, dan zal hij in leven blijven. 28. Hij ziet het in en bekeert zich van alle overtredingen die hij gedaan heeft. Daarom zal hij zeker leven en niet sterven. 29. Toch zegt het volk van Israël: de weg van de HEERE is niet eerlijk. Zouden mijn wegen niet eerlijk zijn, volk van Israël? Zijn niet juist jullie wegen oneerlijk? 30. Daarom zal ik jullie oordelen, volk van Israël, ieder naar zijn eigen wegen, zegt de Heere HEERE. Kom terug en bekeer je van al je overtredingen. Dan zal je schuld je niet laten struikelen. 31. Gooi al je overtredingen van je af, waarmee je overtreden hebt. Maak jezelf een nieuw hart en een nieuwe geest. Want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël? 32. Want ik vind het niet fijn als iemand sterft, zegt de Heere HEERE. Bekeer je dus en leef. ## Ezechiël 19 — Een klaaglied over de vorsten 1. Verder, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël. 2. Zeg: wat was je moeder? Een leeuwin die tussen de leeuwen lag. Zij bracht haar welpen groot tussen de jonge leeuwen. 3. Zij liet een van haar welpen opgroeien. Hij werd een jonge leeuw die leerde roven; hij at mensen op. 4. De volken hoorden over hem. Hij werd gevangen in hun kuil. Zij brachten hem met haken naar het land Egypte. 5. Zij zag dat haar hoop vervlogen was en dat haar verwachting verloren was. Toen nam zij een andere welp en maakte die tot een jonge leeuw. 6. Hij liep rond tussen de leeuwen en werd een jonge leeuw. Hij leerde roven en at mensen op. 7. Hij brak hun burchten af en verwoestte hun steden. Het land en alles wat erin was, schrok van zijn gebrul. 8. Toen kwamen de volken uit de omliggende gebieden tegen hem op. Zij spreidden hun net over hem uit en hij werd in hun kuil gevangen. 9. Zij zetten hem met haken in een kooi en brachten hem naar de koning van Babel. Zij brachten hem in een vesting, zodat zijn stem niet meer gehoord werd op de bergen van Israël. 10. Je moeder was als een wijnstok in je wijngaard, geplant bij water. Hij was vruchtbaar en vol ranken door het vele water. 11. Hij had sterke takken, geschikt voor scepters van heersers. Zijn stam werd hoog tussen de dichte takken. Hij viel op door zijn hoogte en zijn vele takken. 12. Maar hij werd in woede uitgerukt en op de grond gegooid. De oostenwind heeft zijn vrucht laten verdrogen. Zijn sterke takken zijn afgebroken en verdroogd; het vuur heeft ze verteerd. 13. Nu is hij geplant in een woestijn, in een dor en dorstig land. 14. Uit een van zijn takken is een vuur uitgegaan dat zijn vrucht verteerd heeft. Zo is er geen sterke tak meer voor een scepter om te heersen. Dit is een klaaglied en het is een klaaglied geworden. ## Ezechiël 20 — De geschiedenis van een opstandig volk 1. Het was in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende dag van de maand. Er kwamen mannen uit de oudsten van Israël om de HEERE te raadplegen. Zij gingen voor mij zitten. 2. Toen kwam het woord van de HEERE tot mij. 3. Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël en zeg tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Komen jullie om mij te raadplegen? Zo waar ik leef, ik laat mij niet door jullie raadplegen, zegt de Heere HEERE. 4. Zou jij hen vrijspreken, mensenkind, zou jij hen vrijspreken? Maak hun de gruwelen van hun vaderen bekend. 5. Zeg tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Op de dag dat ik Israël uitkoos, stak ik mijn hand op voor de nakomelingen van Jakob. Ik maakte mijzelf aan hen bekend in Egypte. Ja, ik stak mijn hand naar hen op en zei: ik ben de HEERE, jullie God. 6. Op diezelfde dag stak ik mijn hand naar hen op om hen uit Egypte te leiden. Ik zou hen brengen naar een land dat ik voor hen uitgezocht had. Het overvloeit van melk en honing en is het mooiste van alle landen. 7. Ik zei tegen hen: laat ieder de afschuwelijke beelden wegdoen waar hij naar kijkt. Maak jezelf niet onrein met de afgoden van Egypte. Ik, de HEERE, ben jullie God. 8. Maar zij waren opstandig tegen mij en wilden niet naar mij luisteren. Niemand deed de afschuwelijke beelden weg waar hij naar keek en niemand liet de afgoden van Egypte los. Daarom zei ik dat ik mijn woede over hen zou uitgieten, midden in Egypte. 9. Maar ik deed het om mijn naam. Die mocht niet onteerd worden voor de ogen van de volken waar zij tussen woonden. Voor hun ogen had ik mij bekendgemaakt om hen uit Egypte te leiden. 10. Ik leidde hen uit Egypte en bracht hen in de woestijn. 11. Daar gaf ik hun mijn wetten en maakte hun mijn regels bekend. Wie ze doet, zal daardoor leven. 12. Ook gaf ik hun mijn sabbatten als een teken tussen mij en hen. Zo zouden zij weten dat ik de HEERE ben, die hen heilig maakt. 13. Maar het volk van Israël was opstandig tegen mij in de woestijn. Zij leefden niet naar mijn wetten en verwierpen mijn regels, terwijl wie ze doet daardoor zal leven. Zij ontheiligden mijn sabbatten zwaar. Daarom zei ik dat ik mijn woede in de woestijn over hen zou uitgieten om hen te vernietigen. 14. Maar ik deed het om mijn naam. Die mocht niet onteerd worden voor de ogen van de volken die gezien hadden hoe ik hen uitleidde. 15. Toch stak ik ook mijn hand naar hen op in de woestijn. Ik zou hen niet brengen in het land dat ik hun gegeven had, dat overvloeit van melk en honing, het mooiste van alle landen. 16. Want zij verwierpen mijn regels, leefden niet naar mijn wetten en ontheiligden mijn sabbatten. Hun hart liep achter hun afgoden aan. 17. Toch spaarde mijn oog hen, zodat ik hen niet vernietigde. Ik maakte in de woestijn geen einde aan hen. 18. Maar ik zei tegen hun kinderen in de woestijn: leef niet naar de wetten van jullie vaderen. Houd hun regels niet en maak jezelf niet onrein met hun afgoden. 19. Ik ben de HEERE, jullie God. Leef naar mijn wetten, houd mijn regels en doe ze. 20. Houd mijn sabbatten heilig. Ze zullen een teken zijn tussen mij en jullie. Zo zullen jullie weten dat ik, de HEERE, jullie God ben. 21. Maar ook die kinderen waren opstandig tegen mij. Zij leefden niet naar mijn wetten en hielden mijn regels niet, terwijl wie ze doet daardoor zal leven. Zij ontheiligden mijn sabbatten. Daarom zei ik dat ik mijn woede in de woestijn over hen zou uitgieten. 22. Toch trok ik mijn hand terug en deed het om mijn naam. Die mocht niet onteerd worden voor de ogen van de volken die gezien hadden hoe ik hen uitleidde. 23. Ik stak ook mijn hand naar hen op in de woestijn. Ik zou hen verspreiden onder de volken en verstrooien over de landen. 24. Want zij hielden mijn regels niet, verwierpen mijn wetten en ontheiligden mijn sabbatten. Hun ogen keken naar de afgoden van hun vaderen. 25. Daarom gaf ik hun ook regels die niet goed waren en wetten waardoor zij niet zouden leven. 26. Ik liet hen onrein worden door hun eigen gaven. Zij lieten immers hun eerstgeborenen door het vuur gaan. Zo bracht ik hen tot ontzetting, zodat zij zouden weten dat ik de HEERE ben. 27. Daarom, mensenkind, spreek tot het volk van Israël en zeg tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Ook hiermee hebben jullie vaderen mij gekwetst, door ontrouw tegen mij te zijn. 28. Ik had hen in het land gebracht waarvoor ik mijn hand opgestoken had om het hun te geven. Maar zij keken naar elke hoge heuvel en elke dichte boom. Daar brachten zij hun offers en hun tergende gaven. Daar brachten zij hun aangename geur en goten zij hun drankoffers uit. 29. Ik zei tegen hen: wat is dat voor een offerhoogte waar jullie heen gaan? Tot op vandaag heet die plaats offerhoogte. 30. Zeg daarom tegen het volk van Israël: dit zegt de Heere HEERE. Maken jullie jezelf onrein op de weg van jullie vaderen? Lopen jullie ontrouw achter hun afschuwelijke goden aan? 31. Ja, jullie offeren gaven en laten jullie kinderen door het vuur gaan. Tot op vandaag maken jullie jezelf onrein met al jullie afgoden. Zou ik mij dan door jullie laten raadplegen, volk van Israël? Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE, ik laat mij niet door jullie raadplegen. 32. Wat er in jullie geest opkomt, zal zeker niet gebeuren. Jullie zeggen: wij zullen zijn als de volken en de stammen van de landen, die hout en steen dienen. 33. Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: ik zal over jullie regeren met sterke hand, met opgeheven arm en met uitgestorte woede. 34. Want ik zal jullie uit de volken halen en jullie verzamelen uit de landen waarover jullie verstrooid zijn. Dat doe ik met sterke hand, met opgeheven arm en met uitgestorte woede. 35. Ik zal jullie brengen in de woestijn van de volken. Daar zal ik met jullie rechten, van aangezicht tot aangezicht. 36. Zoals ik met jullie vaderen gerecht heb in de woestijn van Egypte, zo zal ik ook met jullie rechten, zegt de Heere HEERE. 37. Ik zal jullie onder de staf laten doorgaan en jullie brengen in de band van het verbond. 38. Ik zal de opstandigen die tegen mij overtreden uit jullie midden wegzuiveren. Ik zal hen wegvoeren uit het land waar zij als vreemdelingen wonen, maar zij zullen niet in het land van Israël terugkomen. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 39. En jullie, volk van Israël, zo zegt de Heere HEERE: ga maar, laat ieder zijn afgoden dienen, ook hierna, omdat jullie niet naar mij luisteren. Maar onteer mijn heilige naam niet langer met jullie gaven en jullie afgoden. 40. Want op mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, zegt de Heere HEERE. Daar zal heel het volk van Israël mij dienen in het land. Daar zal ik hen aannemen. Daar zal ik jullie offergaven vragen, met de eerste opbrengst en met al jullie heilige gaven. 41. Ik zal jullie aannemen als een aangename geur, als ik jullie uit de volken haal en jullie verzamel uit de landen waarover jullie verstrooid zijn. Dan zal ik door jullie geheiligd worden voor de ogen van de volken. 42. Jullie zullen weten dat ik de HEERE ben, als ik jullie in het land van Israël gebracht heb. Dat is het land waarvoor ik mijn hand opgestoken had om het aan jullie vaderen te geven. 43. Daar zullen jullie terugdenken aan je wegen en aan alles waarmee je jezelf onrein gemaakt hebt. Dan zullen jullie van jezelf walgen om alle kwade dingen die jullie gedaan hebben. 44. Zo zullen jullie weten dat ik de HEERE ben, als ik met jullie gehandeld heb om mijn naam. Ik behandel jullie niet naar je slechte wegen en je verdorven daden, volk van Israël, zegt de Heere HEERE. 45. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 46. Mensenkind, kijk naar het zuiden. Spreek tegen het zuiden en profeteer tegen het bos in het zuiden. 47. Zeg tegen het bos in het zuiden: hoor het woord van de HEERE. Dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik steek een vuur in je aan. Dat zal elke groene boom en elke dorre boom in je verteren. De laaiende vlam zal niet gedoofd worden. Elk gezicht zal erdoor verbranden, van het zuiden tot het noorden. 48. Alle mensen zullen zien dat ik, de HEERE, dat aangestoken heb. Het zal niet gedoofd worden. 49. Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, zij zeggen over mij: hij vertelt toch alleen maar gelijkenissen? ## Ezechiël 21 — Het zwaard van de HEERE 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 2. Mensenkind, kijk naar Jeruzalem. Spreek tegen de heiligdommen en profeteer tegen het land van Israël. 3. Zeg tegen het land van Israël: dit zegt de HEERE. Kijk, ik keer mij tegen je. Ik trek mijn zwaard uit de schede en zal bij jou de rechtvaardige en de goddeloze uitroeien. 4. Ik zal bij jou de rechtvaardige en de goddeloze uitroeien. Daarom gaat mijn zwaard uit de schede tegen alle mensen, van het zuiden tot het noorden. 5. Alle mensen zullen weten dat ik, de HEERE, mijn zwaard uit de schede getrokken heb. Het zal niet meer terugkeren. 6. Maar jij, mensenkind, zucht. Zucht voor hun ogen, gebroken en bitter. 7. Als zij dan tegen je zeggen: waarom zucht je?, dan moet je antwoorden: om het bericht dat komt. Elk hart zal smelten, alle handen zullen slap worden, elke geest zal krimpen en alle knieën worden als water. Kijk, het komt en het zal gebeuren, zegt de Heere HEERE. 8. Opnieuw kwam het woord van de HEERE tot mij. 9. Mensenkind, profeteer en zeg: dit zegt de HEERE. Zeg: het zwaard, het zwaard is geslepen en gepolijst. 10. Het is geslepen om te slachten en gepolijst om te glanzen. Zouden wij dan blij zijn? De stok van mijn zoon veracht al het hout. 11. Hij heeft het laten polijsten om het met de hand te kunnen hanteren. Dat zwaard is geslepen en gepolijst om in de hand van de doder gelegd te worden. 12. Schreeuw en huil, mensenkind, want het is gericht tegen mijn volk en tegen alle vorsten van Israël. Zij zijn met mijn volk aan het zwaard overgeleverd. Sla daarom op je heup. 13. Er was toch een toets? Wat gebeurde er toen? Zou er dan ook geen stok van verachting zijn, zegt de Heere HEERE. 14. Jij dan, mensenkind, profeteer en sla in je handen. Het zwaard zal dubbel en driedubbel toeslaan. Het is het zwaard voor wie gedood worden, het zwaard voor de groten die gedood worden, dat tot in hun binnenkamers doordringt. 15. Ik heb de punt van het zwaard tegen al hun poorten gezet, zodat elk hart smelt en velen struikelen. Ach, het is gemaakt om te glanzen en gewet om te slachten. 16. Sla toe, zwaard! Keer je naar rechts, richt je, keer je naar links, waarheen je punt ook wijst. 17. Ook ik zal in mijn handen slaan en mijn woede laten rusten. Ik, de HEERE, heb het gesproken. 18. Opnieuw kwam het woord van de HEERE tot mij. 19. En jij, mensenkind, teken twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babel kan komen. Beide beginnen in hetzelfde land. Zet een wegwijzer neer, aan het begin van de weg naar de stad. 20. Teken een weg waarlangs het zwaard kan komen tegen Rabba van de Ammonieten, en een tegen Juda, naar het versterkte Jeruzalem. 21. Want de koning van Babel zal bij de splitsing staan, aan het begin van de twee wegen, om te waarzeggen. Hij zal zijn pijlen schudden, zijn huisgoden raadplegen en de lever bekijken. 22. De waarzegging zal in zijn rechterhand Jeruzalem aanwijzen. Dan moet hij aanvoerders aanstellen, het bevel tot de aanval geven, de strijdkreet aanheffen, stormrammen tegen de poorten plaatsen, een wal opwerpen en belegeringstorens bouwen. 23. In hun ogen lijkt dit een loze waarzegging, want zij hebben eden gezworen. Maar hij zal hun schuld in herinnering brengen, zodat zij gegrepen worden. 24. Daarom zegt de Heere HEERE dit: jullie brengen zelf jullie schuld in herinnering. Jullie overtredingen komen aan het licht en jullie zonden zijn zichtbaar in alles wat jullie doen. Omdat men aan jullie denkt, zullen jullie met de hand gegrepen worden. 25. En jij, onheilige en goddeloze vorst van Israël, jouw dag komt, in de tijd dat de schuld ten einde loopt. 26. Dit zegt de Heere HEERE: doe die tulband af en zet die kroon af. Niets blijft zoals het was. Ik zal de lage verhogen en de hoge vernederen. 27. Ik zal die kroon tot een puinhoop maken, een puinhoop, een puinhoop. Zij zal er niet meer zijn totdat hij komt die er recht op heeft. Aan hem zal ik haar geven. 28. En jij, mensenkind, profeteer en zeg: dit zegt de Heere HEERE over de Ammonieten en hun spot. Zeg: het zwaard, het zwaard is getrokken. Het is gepolijst om te slachten, om te vernietigen en om te glanzen. 29. Men ziet voor jou loze visioenen en voorspelt je leugens. Zo word je gelegd op de nek van de goddelozen die gedood zijn. Hun dag is gekomen, in de tijd dat de schuld ten einde loopt. 30. Steek je zwaard terug in de schede. Op de plaats waar je gemaakt bent, in het land van je afkomst, zal ik over je oordelen. 31. Ik zal mijn woede over je uitgieten. Ik zal het vuur van mijn toorn tegen je aanblazen. Ik zal je overgeven in de hand van wrede mannen, meesters in vernietiging. 32. Je zult voer zijn voor het vuur. Je bloed zal midden in het land liggen. Niemand zal nog aan je denken. Want ik, de HEERE, heb het gesproken. ## Ezechiël 22 — De stad vol bloed 1. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. En jij, mensenkind, zou jij de stad vol bloed vrijspreken? Zou jij haar vrijspreken? Maak haar dan al haar gruwelen bekend. 3. Zeg: dit zegt de Heere HEERE. Stad die in haar midden bloed vergiet, zodat haar tijd komt. Stad die afgoden maakt om zichzelf onrein te maken. 4. Door het bloed dat je vergoten hebt, ben je schuldig geworden. Met de afgoden die je gemaakt hebt, heb je jezelf onrein gemaakt. Je hebt je dagen dichterbij gebracht en je jaren zijn gekomen. Daarom heb ik je overgegeven als schande voor de volken en als spot voor alle landen. 5. Wie dichtbij en ver weg zijn, zullen je bespotten. Je naam is onrein en je bent vol onrust. 6. Kijk, de vorsten van Israël in jouw midden gebruikten allemaal hun macht om bloed te vergieten. 7. Vader en moeder hebben zij bij jou geminacht. De vreemdeling hebben zij in jouw midden onderdrukt. De wees en de weduwe hebben zij bij jou verdrukt. 8. Mijn heilige dingen heb je veracht en mijn sabbatten heb je ontheiligd. 9. Er waren roddelaars bij jou die bloed vergoten. Zij aten bij jou op de bergen en deden schandelijke dingen in jouw midden. 10. Men schond in jouw midden het bed van zijn vader. Men verkrachtte in jouw midden vrouwen in hun onreine dagen. 11. De een deed iets gruwelijks met de vrouw van zijn naaste. De ander onteerde zijn schoondochter op een schandelijke manier. Weer een ander verkrachtte in jouw midden zijn eigen zus, de dochter van zijn vader. 12. Zij namen bij jou geschenken aan om bloed te vergieten. Je nam rente en woekerwinst. Je perste je naaste uit met geweld. En mij ben je vergeten, zegt de Heere HEERE. 13. Kijk, ik sla in mijn handen om de winst die je gemaakt hebt en om het bloed dat in jouw midden vergoten is. 14. Zal je hart standhouden? Zullen je handen sterk zijn in de dagen dat ik met je afreken? Ik, de HEERE, heb het gesproken en ik zal het doen. 15. Ik zal je verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen. Ik zal je onreinheid uit je wegbranden. 16. Dan zul je door je eigen schuld onteerd zijn voor de ogen van de volken. En je zult weten dat ik de HEERE ben. 17. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 18. Mensenkind, de mensen van Israël zijn voor mij schuim geworden. Zij zijn allemaal koper, tin, ijzer of lood in de oven. Zij zijn zilverschuim geworden. 19. Daarom zegt de Heere HEERE dit: jullie zijn allemaal schuim geworden. Daarom, kijk, ik zal jullie bijeenbrengen in Jeruzalem. 20. Men brengt zilver, koper, ijzer, lood en tin bijeen in een oven en blaast het vuur op om het te smelten. Zo zal ik jullie in mijn toorn bijeenbrengen. Ik zal jullie daar in mijn woede laten en smelten. 21. Ja, ik zal jullie bijeenbrengen en het vuur van mijn woede over jullie aanblazen. Zo zullen jullie daarin gesmolten worden. 22. Zoals zilver in de oven gesmolten wordt, zo zullen jullie daarin gesmolten worden. Dan zullen jullie weten dat ik, de HEERE, mijn woede over jullie uitgegoten heb. 23. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 24. Mensenkind, zeg tegen haar: jij bent een land dat niet gereinigd is, dat geen regen gekregen heeft op de dag van de toorn. 25. Haar profeten hebben samengespannen. In haar midden zijn zij als een brullende leeuw die prooi verscheurt. Zij verslinden mensen, nemen schatten en kostbaarheden weg en maken veel weduwen in haar midden. 26. Haar priesters doen mijn wet geweld aan en ontheiligen mijn heilige dingen. Zij maken geen onderscheid tussen heilig en gewoon. Zij leren het verschil tussen rein en onrein niet. Zij sluiten hun ogen voor mijn sabbatten. Zo word ik in hun midden onteerd. 27. Haar vorsten zijn in haar midden als wolven die prooi verscheuren. Zij vergieten bloed en vernietigen mensen om winst te maken. 28. Haar profeten smeren er kalk overheen. Zij zien loze visioenen en voorspellen leugens. Zij zeggen: dit zegt de Heere HEERE, terwijl de HEERE niet gesproken heeft. 29. Het volk van het land onderdrukt en berooft. Zij verdrukken de arme en de behoeftige en behandelen de vreemdeling zonder recht. 30. Ik zocht onder hen iemand die de muur kon dichtmaken. Hij zou voor mij in de bres gaan staan voor het land, zodat ik het niet zou vernietigen. Maar ik vond niemand. 31. Daarom heb ik mijn woede over hen uitgegoten. Met het vuur van mijn toorn heb ik hen verteerd. Hun eigen weg heb ik op hun hoofd laten neerkomen, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 23 — De twee ontrouwe zussen 1. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, er waren eens twee vrouwen, dochters van dezelfde moeder. 3. Zij waren ontrouw in Egypte. Al in hun jeugd waren zij ontrouw. Daar werden zij als jong meisje onteerd. 4. Hun namen waren Ohola, de oudste, en Oholiba, haar zus. Zij werden van mij en kregen zonen en dochters. Dit zijn hun namen: Samaria is Ohola en Jeruzalem is Oholiba. 5. Ohola werd ontrouw terwijl zij van mij was. Zij werd verliefd op haar minnaars, de Assyriërs, die dichtbij waren. 6. Zij waren gekleed in blauwpurper, vorsten en bestuurders, allemaal aantrekkelijke jonge mannen, ruiters op paarden. 7. Zo gaf zij zich aan hen, aan de besten van Assur. Met iedereen op wie zij verliefd werd en met al hun afgoden maakte zij zichzelf onrein. 8. Zij liet ook de ontrouw uit Egypte niet los. Want zij hadden in haar jeugd bij haar gelegen en haar onteerd. 9. Daarom gaf ik haar over in de hand van haar minnaars, in de hand van de Assyriërs op wie zij verliefd was. 10. Zij legden haar schande bloot. Haar zonen en dochters namen zij weg en haarzelf doodden zij met het zwaard. Zij werd een waarschuwend voorbeeld voor de vrouwen, nadat het vonnis over haar voltrokken was. 11. Haar zus Oholiba zag dit. Toch werd zij nog erger in haar verlangen en nog ontrouwer dan haar zus. 12. Zij werd verliefd op de Assyriërs, de vorsten en bestuurders die dichtbij waren. Zij waren prachtig gekleed, ruiters op paarden, allemaal aantrekkelijke jonge mannen. 13. Toen zag ik dat zij onrein geworden was. Zij gingen allebei dezelfde weg. 14. Ja, zij ging nog verder in haar ontrouw. Want zij zag mannen op de muur geschilderd, beelden van Chaldeeën, in helderrood geschilderd. 15. Zij hadden een gordel om hun heupen en een wapperende tulband op hun hoofd. Zij zagen er allemaal uit als officieren, als mannen van Babel, uit Chaldea, hun geboorteland. 16. Zodra zij hen zag, werd zij verliefd op hen. Zij stuurde boden naar hen toe, naar Chaldea. 17. De mannen van Babel kwamen bij haar en maakten haar onrein met hun ontrouw. Ook maakte zij zichzelf met hen onrein. Daarna keerde zij zich van hen af. 18. Zo bracht zij haar ontrouw en haar schande aan het licht. Toen keerde ik mij van haar af, zoals ik mij van haar zus afgekeerd had. 19. Toch werd zij steeds ontrouwer. Zij dacht terug aan de dagen van haar jeugd, toen zij ontrouw was in het land Egypte. 20. Zij verlangde naar haar minnaars daar, die zo bruut en onbeheerst waren. 21. Zo haalde je de schandelijke daad van je jeugd weer op, toen je in Egypte als jong meisje onteerd werd. 22. Daarom, Oholiba, zegt de Heere HEERE dit: kijk, ik zal je minnaars tegen je opzetten, van wie je je afgekeerd hebt. Ik zal hen van alle kanten tegen je laten komen. 23. Het zijn de mannen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, Soa en Koa, en alle Assyriërs met hen. Het zijn aantrekkelijke jonge mannen, allemaal vorsten en bestuurders, officieren en bekende mannen, allemaal te paard. 24. Zij zullen tegen je optrekken met wagens en karren en een menigte van volken. Zij komen met grote en kleine schilden en met helmen. Zij zullen zich van alle kanten tegen je opstellen. Ik zal het oordeel aan hen overlaten en zij zullen je oordelen naar hun eigen recht. 25. Ik zal mijn hartstocht tegen je richten en zij zullen in woede met je afrekenen. Zij zullen je neus en je oren afsnijden. Wie van je overblijft, valt door het zwaard. Zij zullen je zonen en dochters wegnemen en de rest zal door het vuur verteerd worden. 26. Zij zullen je je kleren uittrekken en je sieraden afpakken. 27. Zo zal ik een einde maken aan je schandelijke daden en aan je ontrouw die je uit Egypte meebracht. Je zult je ogen niet meer naar hen opslaan en niet meer aan Egypte denken. 28. Want dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik geef je over in de hand van wie je haat, in de hand van wie je je afgekeerd hebt. 29. Zij zullen je met haat behandelen en alles wat je verdiend hebt wegnemen. Zij zullen je naakt en bloot achterlaten. Zo komt je schande aan het licht, met je schandelijke daden en je ontrouw. 30. Dit wordt je aangedaan omdat je ontrouw achter de volken aan liep en jezelf met hun afgoden onrein maakte. 31. Je bent de weg van je zus gegaan. Daarom geef ik haar beker in jouw hand. 32. Dit zegt de Heere HEERE: je zult de beker van je zus drinken, die diep en wijd is. Je zult een mikpunt van hoon en spot worden. De beker gaat er veel in. 33. Je zult vol worden van dronkenschap en verdriet. De beker van je zus Samaria is een beker van verwoesting en eenzaamheid. 34. Je zult hem leegdrinken en uitzuigen. Je zult zijn scherven stukbijten en jezelf verwonden. Want ik heb het gesproken, zegt de Heere HEERE. 35. Daarom zegt de Heere HEERE dit: je bent mij vergeten en hebt mij achter je rug gegooid. Draag dan ook je schandelijke daden en je ontrouw. 36. De HEERE zei tegen mij: Mensenkind, zou jij Ohola en Oholiba vrijspreken? Houd hun dan hun gruwelen voor. 37. Want zij hebben overspel gepleegd en er kleeft bloed aan hun handen. Met hun afgoden hebben zij overspel gepleegd. Zelfs hun kinderen die zij mij gebaard hadden, lieten zij voor hen door het vuur gaan als voedsel. 38. Ook dit hebben zij mij aangedaan: op diezelfde dag maakten zij mijn heiligdom onrein en ontheiligden zij mijn sabbatten. 39. Want als zij hun kinderen voor hun afgoden geslacht hadden, kwamen zij diezelfde dag in mijn heiligdom om dat te ontheiligen. En kijk, dat deden zij midden in mijn huis. 40. Er is nog meer. Zij lieten mannen halen die van ver moesten komen. Toen er een bode naar hen gestuurd was, kijk, toen kwamen zij. Voor hen waste je je, deed je je ogen op en tooide je jezelf met sieraden. 41. Je zat op een prachtig bed met een gedekte tafel ervoor. Daarop had je mijn wierook en mijn olie gezet. 42. Er klonk het geluid van een zorgeloze menigte. Bij die menigte werden mannen gehaald, drinkebroers uit de woestijn. Die deden armbanden om hun polsen en zetten een prachtige kroon op hun hoofd. 43. Toen zei ik over haar, die versleten was van het overspel: nu blijven zij haar gebruiken en zij zichzelf ook. 44. Men ging bij haar naar binnen zoals men bij een ontrouwe vrouw naar binnen gaat. Zo ging men naar Ohola en Oholiba, die schandelijke vrouwen. 45. Rechtvaardige mannen zullen hen oordelen naar het recht voor vrouwen die overspel plegen en bloed vergieten. Want zij plegen overspel en er kleeft bloed aan hun handen. 46. Want dit zegt de Heere HEERE: ik zal een menigte tegen hen laten opkomen en hen overgeven aan schrik en plundering. 47. De menigte zal hen met stenen stenigen en met hun zwaarden neerhouwen. Zij zullen hun zonen en dochters doden en hun huizen met vuur verbranden. 48. Zo zal ik een einde maken aan de schandelijkheid in het land. Zo worden alle vrouwen gewaarschuwd om niet te doen wat jullie deden. 49. Zij zullen jullie schandelijke daden op jullie leggen en jullie zullen de zonden van jullie afgoden dragen. Dan zullen jullie weten dat ik de Heere HEERE ben. ## Ezechiël 24 — De pot op het vuur 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende dag van de maand. 2. Mensenkind, schrijf de naam van deze dag op, precies deze dag. Precies op deze dag begint de koning van Babel het beleg van Jeruzalem. 3. Vertel dat opstandige volk een gelijkenis en zeg tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Zet een pot op, zet hem op en giet er water in. 4. Doe er de stukken vlees in, alle goede stukken, de bout en de schouder. Vul hem met de beste botten. 5. Neem het beste van de kudde. Stapel ook hout onder de pot. Laat hem flink koken, zodat ook de botten erin gaar worden. 6. Daarom zegt de Heere HEERE dit: wee de stad vol bloed, de pot vol aanslag die er niet uit gaat. Haal er stuk voor stuk uit, zonder te loten. 7. Want haar bloed is midden in haar. Zij legde het op de kale rots. Zij goot het niet op de grond om het met aarde te bedekken. 8. Om mijn woede te laten opkomen en wraak te nemen, heb ik haar bloed ook op de kale rots gelegd, zodat het niet bedekt wordt. 9. Daarom zegt de Heere HEERE dit: wee de stad vol bloed. Ook ik zal de brandstapel groot maken. 10. Stapel veel hout op en steek het vuur aan. Kook het vlees gaar en giet de saus eruit. Laat de botten verbranden. 11. Zet de pot daarna leeg op de kolen, zodat hij heet wordt en zijn koper gloeit. Dan smelt zijn onreinheid erin weg en wordt zijn aanslag verteerd. 12. Met alle moeite heeft zij mij vermoeid. Toch is haar dikke aanslag er niet uit gegaan. Haar aanslag moet in het vuur. 13. In je onreinheid zit schandelijkheid. Ik wilde je reinigen, maar je werd niet rein. Je zult van je onreinheid niet meer rein worden, totdat ik mijn woede op je heb laten rusten. 14. Ik, de HEERE, heb het gesproken. Het zal komen en ik zal het doen. Ik wijk er niet van af. Ik zal niet sparen en er geen spijt van hebben. Naar je wegen en je daden zullen zij je oordelen, zegt de Heere HEERE. 15. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 16. Mensenkind, kijk, ik neem de vreugde van je ogen plotseling van je weg. Toch mag je niet rouwen en niet huilen. Je tranen mogen niet komen. 17. Kreun in stilte en houd geen dodenrouw. Bind je tulband om en doe je schoenen aan. Bedek je snor niet en eet niet het brood van de rouw. 18. Ik sprak dit 's morgens tot het volk. Mijn vrouw stierf in de avond. De volgende morgen deed ik wat mij bevolen was. 19. Het volk zei tegen mij: Wil je ons niet vertellen wat dit voor ons betekent, dat je dit doet? 20. Ik zei tegen hen: Het woord van de HEERE kwam tot mij. 21. Zeg tegen het volk van Israël: dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik zal mijn heiligdom ontheiligen, jullie trotse sterkte, de vreugde van jullie ogen en het verlangen van jullie hart. Jullie zonen en dochters die jullie achtergelaten hebben, zullen door het zwaard vallen. 22. Dan zullen jullie doen wat ik gedaan heb. Jullie zullen je snor niet bedekken en niet het brood van de rouw eten. 23. Jullie tulbanden zullen op jullie hoofd blijven en jullie schoenen aan jullie voeten. Jullie zullen niet rouwen en niet huilen, maar wegkwijnen in jullie schuld. Jullie zullen tegen elkaar zuchten. 24. Zo zal Ezechiël voor jullie een teken zijn. Alles wat hij gedaan heeft, zullen jullie doen. Als dit komt, zullen jullie weten dat ik de Heere HEERE ben. 25. En jij, mensenkind, kijk naar de dag waarop ik hun sterkte van hen wegneem. Dan neem ik hun stralende vreugde weg, de lust van hun ogen, het verlangen van hun hart en ook hun zonen en dochters. 26. Op diezelfde dag zal iemand die ontkomen is naar je toe komen om je het te laten horen. 27. Op die dag zal je mond opengaan bij wie ontkomen is. Je zult spreken en niet langer stom zijn. Zo zul je voor hen een teken zijn. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. ## Ezechiël 25 — Het woord over vier buurvolken 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 2. Mensenkind, kijk naar de Ammonieten en profeteer tegen hen. 3. Zeg tegen de Ammonieten: hoor het woord van de Heere HEERE. Dit zegt de Heere HEERE. Jullie riepen: ha! toen mijn heiligdom ontheiligd werd, toen het land van Israël verwoest werd en toen het volk van Juda in ballingschap ging. 4. Daarom, kijk, ik geef jullie in bezit aan de volken uit het oosten. Zij zullen hun kampen bij jullie opslaan en hun tenten bij jullie neerzetten. Zij zullen jullie vruchten eten en jullie melk drinken. 5. Ik zal Rabba tot een weide voor kamelen maken en het land van de Ammonieten tot een schaapskooi. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 6. Want dit zegt de Heere HEERE: jullie klapten in je handen en stampten met je voeten. Van harte waren jullie blij toen het land van Israël geplunderd werd. 7. Daarom, kijk, ik strek mijn hand tegen jullie uit. Ik geef jullie als buit aan de volken. Ik zal jullie uit de volken uitroeien en uit de landen laten verdwijnen. Ik zal jullie vernietigen. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 8. Dit zegt de Heere HEERE: Moab en Seïr zeggen: kijk, het volk van Juda is net als alle andere volken. 9. Daarom, kijk, ik zal de flank van Moab openleggen, te beginnen bij zijn grenssteden, de trots van het land: Beth-Jesimoth, Baäl-Meon en Kirjathaim. 10. Ik geef het samen met het land van de Ammonieten in bezit aan de volken uit het oosten. Zo zullen de Ammonieten niet meer onder de volken genoemd worden. 11. Ook in Moab zal ik recht spreken. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. 12. Dit zegt de Heere HEERE: Edom heeft uit pure wraakzucht gehandeld tegen het volk van Juda. Zij hebben zware schuld op zich geladen door zich op hen te wreken. 13. Daarom zegt de Heere HEERE dit: ook tegen Edom zal ik mijn hand uitstrekken. Ik zal er mens en dier uitroeien. Ik zal het tot een woestenij maken, van Theman af. Tot aan Dedan zullen zij door het zwaard vallen. 14. Ik zal mij op Edom wreken door de hand van mijn volk Israël. Zij zullen met Edom afrekenen naar mijn toorn en mijn woede. Zo zullen zij mijn wraak leren kennen, zegt de Heere HEERE. 15. Dit zegt de Heere HEERE: de Filistijnen hebben uit wraak gehandeld. Van harte namen zij wraak door te plunderen. Zij wilden vernietigen uit eeuwige vijandschap. 16. Daarom zegt de Heere HEERE dit: kijk, ik strek mijn hand uit tegen de Filistijnen. Ik zal de Kretenzers uitroeien en de rest aan de kust vernietigen. 17. Ik zal zware wraak over hen brengen met harde straffen. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben, als ik mij op hen gewroken heb. ## Ezechiël 26 — Het woord over Tyrus 1. Het was in het elfde jaar, op de eerste dag van de maand. Toen kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, Tyrus heeft over Jeruzalem gezegd: ha! De poort van de volken is gebroken. Alles komt nu naar mij toe. Ik zal vol worden, want zij is verwoest. 3. Daarom zegt de Heere HEERE dit: kijk, ik keer mij tegen je, Tyrus. Ik laat veel volken tegen je opkomen, zoals de zee haar golven laat opkomen. 4. Zij zullen de muren van Tyrus vernielen en haar torens afbreken. Ik zal het puin van haar wegvegen en haar tot een kale rots maken. 5. Zij zal midden in de zee een plek zijn om netten te drogen. Want ik heb het gesproken, zegt de Heere HEERE. Zij zal buit worden voor de volken. 6. Haar dorpen op het vasteland zullen met het zwaard gedood worden. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. 7. Want dit zegt de Heere HEERE: kijk, ik breng Nebukadrezar, de koning van Babel, de koning der koningen, uit het noorden tegen Tyrus. Hij komt met paarden en wagens, met ruiters, met troepen en met veel volk. 8. Hij zal je dorpen op het vasteland met het zwaard doden. Hij zal belegeringstorens tegen je bouwen, een wal tegen je opwerpen en zijn schilden tegen je opheffen. 9. Hij zal stormrammen tegen je muren zetten en je torens met zijn houwelen afbreken. 10. Door de massa van zijn paarden zul je onder het stof zitten. Je muren zullen beven van het gedreun van ruiters, wielen en wagens. Hij trekt door je poorten binnen als door de bres van een veroverde stad. 11. Met de hoeven van zijn paarden zal hij al je straten vertrappen. Je volk zal hij met het zwaard doden. Je machtige zuilen zullen tegen de grond storten. 12. Zij zullen je bezit roven en je handelswaar plunderen. Zij zullen je muren afbreken en je mooie huizen omgooien. Je stenen, je hout en je puin zullen zij in het water gooien. 13. Zo maak ik een einde aan het geluid van je liederen. De klank van je harpen zal niet meer gehoord worden. 14. Ja, ik zal je tot een kale rots maken. Je zult een plek zijn om netten te drogen. Je zult niet meer herbouwd worden. Want ik, de HEERE, heb het gesproken, zegt de Heere HEERE. 15. Dit zegt de Heere HEERE tegen Tyrus: zullen de eilanden niet beven van het geluid van je val? De gewonden zullen kreunen als er midden in je verschrikkelijk gemoord wordt. 16. Alle vorsten van de zee zullen van hun tronen komen. Zij zullen hun mantels afleggen en hun geborduurde kleren uittrekken. Zij zullen zich hullen in schrik. Zij zullen op de grond zitten, elk ogenblik beven en ontzet over je zijn. 17. Zij zullen een klaaglied over je aanheffen en tegen je zeggen: hoe ben je uit de zee verdwenen, dichtbevolkte en beroemde stad! Zij was sterk ter zee, zij en haar bewoners. Zij joegen iedereen om hen heen schrik aan. 18. Nu beven de eilanden op de dag van je val. Ja, de eilanden in de zee zijn ontsteld door je einde. 19. Want dit zegt de Heere HEERE: ik zal je een verwoeste stad maken, als steden die niet bewoond worden. Ik zal de diepte over je laten opkomen en het grote water zal je bedekken. 20. Dan zal ik je laten afdalen naar wie in de kuil afdalen, naar het volk van vroeger. Ik zal je laten liggen in de diepste delen van de aarde, tussen de eeuwenoude ruïnes, bij wie in de kuil afdalen. Zo zul je niet meer bewoond worden. En ik zal de pracht herstellen in het land van de levenden. 21. Maar jou zal ik tot een grote schrik maken en je zult er niet meer zijn. Men zal je zoeken, maar je zult nooit meer gevonden worden, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 27 — Het klaaglied over het schip Tyrus 1. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. En jij, mensenkind, hef een klaaglied aan over Tyrus. 3. Zeg tegen Tyrus, die aan de toegang tot de zee woont en handeldrijft met de volken op veel eilanden: dit zegt de Heere HEERE. Tyrus, jij zegt: ik ben volmaakt mooi. 4. Je gebied ligt midden in de zee. Je bouwers hebben je schoonheid volmaakt gemaakt. 5. Al je planken maakten zij van cipressen uit Senir. Zij haalden ceders uit de Libanon om een mast voor je te maken. 6. Je riemen maakten zij van eiken uit Basan. Je dek maakten zij van ivoor uit de eilanden van de Chittieten. 7. Je zeil was van fijn geborduurd linnen uit Egypte. Je zonnedek was van blauwpurper en rood purper uit de eilanden van Elisa. 8. De bewoners van Sidon en Arvad waren je roeiers. Je eigen wijze mannen, Tyrus, waren je stuurlui. 9. De oudsten van Gebal en hun vaklui waren bij je om je lekken te dichten. Alle schepen van de zee en hun zeelui kwamen bij je om handel te drijven. 10. Perzen, Lydiërs en mannen uit Put dienden in je leger als soldaten. Zij hingen schild en helm bij je op; zij gaven je aanzien. 11. De mannen van Arvad en je eigen leger stonden rondom op je muren. Op je torens stonden de Gammadieten. Zij hingen hun schilden rondom aan je muren en maakten je schoonheid volmaakt. 12. Tarsis dreef handel met je vanwege je grote rijkdom. Zij ruilden zilver, ijzer, tin en lood op je markten. 13. Javan, Tubal en Mesech waren je handelspartners. Zij ruilden slaven en bronzen voorwerpen met je. 14. Uit Beth-Togarma leverden zij paarden, rijpaarden en muildieren op je markten. 15. De mannen van Dedan waren je handelspartners. Veel eilanden dreven handel met je. Zij betaalden je met ivoren slagtanden en ebbenhout. 16. Syrië dreef handel met je vanwege je vele producten. Zij ruilden turkoois, purper, borduurwerk, fijn linnen, koraal en robijnen op je markten. 17. Juda en het land van Israël waren je handelspartners. Zij ruilden tarwe uit Minnit, gebak, honing, olie en balsem met je. 18. Damaskus dreef handel met je vanwege je vele producten en je grote rijkdom. Zij brachten wijn uit Chelbon en witte wol. 19. Ook Dan en Javan leverden op je markten. Bewerkt ijzer, kaneel en kalmoes hoorden bij je handelswaar. 20. Dedan handelde met je in zadeldekken om op te rijden. 21. Arabië en alle vorsten van Kedar dreven handel met je. Zij handelden met je in lammeren, rammen en bokken. 22. De handelaars van Scheba en Raema waren je handelspartners. Zij ruilden de beste specerijen, allerlei edelstenen en goud op je markten. 23. Haran, Kanne en Eden, de handelaars van Scheba, Assur en Kilmad, handelden met je. 24. Zij handelden met je in prachtige kleren, in mantels van blauwpurper en borduurwerk, en in kisten met kleurige kleding. Die waren met touwen gebonden en van cederhout gemaakt; dat hoorde bij je handel. 25. De schepen van Tarsis voeren voor je rond met je handelswaar. Zo werd je vol en zwaar beladen, midden in de zee. 26. Je roeiers brachten je op het wijde water. Maar de oostenwind brak je, midden op zee. 27. Op de dag van je val gaat alles midden in zee ten onder. Je bezit en je handelswaar, je zeelui en je stuurlui gaan mee. Ook je scheepstimmerlui, je handelspartners en al je soldaten aan boord gaan mee, met heel je bemanning. 28. Van het geschreeuw van je stuurlui zullen de kustplaatsen beven. 29. Allen die de riemen hanteren, de zeelui en alle stuurlui van de zee, zullen van hun schepen komen. Zij zullen op het land blijven staan. 30. Zij zullen hun stem over je laten horen en bitter schreeuwen. Zij zullen stof op hun hoofd gooien en zich in de as wentelen. 31. Zij zullen zich om jou kaal scheren en rouwkleren aandoen. Zij zullen om je huilen met verdriet in hun hart en met bittere klachten. 32. In hun gekerm zullen zij een klaaglied over je aanheffen en om je weeklagen. Zij zullen zeggen: wie was er als Tyrus, nu stil geworden midden in de zee? 33. Toen je handelswaar over de zee kwam, gaf je veel volken genoeg. Met je grote rijkdom en je handel maakte je de koningen van de aarde rijk. 34. Nu ben je gebroken door de zee, in het diepe water. Je handel en heel je bemanning zijn met je ten onder gegaan. 35. Alle bewoners van de eilanden zijn ontzet over je. Hun koningen huiveren en hun gezicht staat verslagen. 36. De handelaars onder de volken sissen om je. Je bent een grote schrik geworden en je zult er nooit meer zijn. ## Ezechiël 28 — De vorst van Tyrus en het woord over Sidon 1. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: dit zegt de Heere HEERE. Je hart werd trots en je zei: ik ben een god, ik zit op de troon van een god, midden in de zee. Maar je bent een mens en geen god, ook al denk je dat je hart als het hart van een god is. 3. Kijk, je bent wijzer dan Daniël. Geen geheim is voor je verborgen. 4. Door je wijsheid en je inzicht heb je rijkdom vergaard. Je hebt goud en zilver in je schatkamers verzameld. 5. Door je grote wijsheid in de handel heb je je rijkdom vergroot. En door die rijkdom werd je hart trots. 6. Daarom zegt de Heere HEERE dit: je hebt je hart als het hart van een god gemaakt. 7. Daarom, kijk, ik breng vreemden over je, de wreedste van de volken. Zij zullen hun zwaarden trekken tegen de schoonheid van je wijsheid en je glans onteren. 8. Zij zullen je in de kuil laten afdalen. Je zult sterven als iemand die midden in de zee gedood wordt. 9. Zou je dan nog tegen je moordenaar zeggen: ik ben een god? Je bent een mens en geen god, in de hand van wie je doodt. 10. Je zult sterven als een onbesnedene, door de hand van vreemden. Want ik heb het gesproken, zegt de Heere HEERE. 11. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 12. Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus en zeg tegen hem: dit zegt de Heere HEERE. Jij was het toppunt van volmaaktheid, vol wijsheid en volmaakt mooi. 13. Je was in Eden, de tuin van God. Allerlei edelstenen bedekten je: robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx en jaspis, saffier, granaat en smaragd, en goud. Je tamboerijnen en fluiten waren bij je. Op de dag dat je geschapen werd, waren ze klaar. 14. Je was een gezalfde cherub die beschermde; zo had ik je aangesteld. Je was op de heilige berg van God. Je liep tussen de vurige stenen. 15. Je was volmaakt op je wegen vanaf de dag dat je geschapen werd, tot er onrecht bij je gevonden werd. 16. Door je vele handel raakte je van binnen vol geweld en je zondigde. Daarom verbande ik je van de berg van God. Ik verdreef je, beschermende cherub, uit het midden van de vurige stenen. 17. Je hart werd trots op je schoonheid. Je bedierf je wijsheid vanwege je glans. Ik gooide je op de aarde en zette je voor het oog van koningen, zodat zij naar je konden kijken. 18. Door je vele misdaden en je oneerlijke handel heb je je heiligdommen onteerd. Daarom liet ik een vuur uit je midden komen dat je verteerd heeft. Ik maakte je tot as op de aarde, voor de ogen van allen die je zagen. 19. Allen die je kenden onder de volken zijn ontzet over je. Je bent een grote schrik geworden en je zult er nooit meer zijn. 20. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 21. Mensenkind, kijk naar Sidon en profeteer tegen haar. 22. Zeg: dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik keer mij tegen je, Sidon. Ik zal in je midden mijn eer tonen. Zij zullen weten dat ik de HEERE ben, als ik in haar recht gesproken heb en in haar geheiligd ben. 23. Want ik zal de pest naar haar sturen en bloed op haar straten. De gedode mensen zullen midden in haar vallen door het zwaard dat van alle kanten op haar afkomt. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. 24. Dan zal het volk van Israël geen pijnlijke doorn en geen stekende distel meer hebben van al die buren die hen beroofden. Dan zullen zij weten dat ik de Heere HEERE ben. 25. Dit zegt de Heere HEERE: ik zal het volk van Israël bijeenbrengen uit de volken waarover zij verstrooid zijn. Ik zal onder hen geheiligd worden voor de ogen van de volken. Dan zullen zij in hun eigen land wonen, dat ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb. 26. Zij zullen daar veilig wonen, huizen bouwen en wijngaarden planten. Ja, zij zullen veilig wonen, als ik recht gesproken heb over alle buren die hen beroofden. Dan zullen zij weten dat ik, de HEERE, hun God ben. ## Ezechiël 29 — De grote krokodil in de Nijl 1. In het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde dag van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, kijk naar Farao, de koning van Egypte. Profeteer tegen hem en tegen heel Egypte. 3. Spreek en zeg: dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik keer mij tegen je, Farao, koning van Egypte, grote krokodil die tussen zijn rivieren ligt. Jij zegt: mijn rivier is van mij; ik heb hem zelf gemaakt. 4. Maar ik zal haken in je kaken slaan. Ik zal de vissen van je rivieren aan je schubben laten kleven. Ik zal je uit je rivieren omhoogtrekken, met alle vissen die aan je schubben kleven. 5. Ik zal je achterlaten in de woestijn, jou en alle vissen van je rivieren. Je zult op het open veld vallen. Je wordt niet opgeraapt en niet begraven. Ik geef je als voedsel aan de dieren van de aarde en de vogels van de hemel. 6. Dan zullen alle bewoners van Egypte weten dat ik de HEERE ben. Want zij waren voor het volk van Israël een rietstok. 7. Als zij je met de hand vastpakten, brak je en scheurde je hun schouder open. Als zij op je leunden, brak je en liet je hun heupen wankelen. 8. Daarom zegt de Heere HEERE dit: kijk, ik breng het zwaard over je. Ik zal mens en dier bij je uitroeien. 9. Het land Egypte zal een wildernis en een woestenij worden. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. Want hij zei: de rivier is van mij; ik heb hem gemaakt. 10. Daarom, kijk, ik keer mij tegen jou en tegen je rivier. Ik zal het land Egypte tot een woeste eenzaamheid maken, van Migdol tot Syene, tot aan de grens met Ethiopië. 11. Geen mensenvoet zal er doorheen gaan en geen dierenpoot zal er doorheen gaan. Veertig jaar zal het onbewoond zijn. 12. Want ik zal het land Egypte tot een woestenij maken tussen verwoeste landen. Haar steden zullen veertig jaar een woestenij zijn tussen verwoeste steden. Ik zal de Egyptenaren verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen. 13. Maar dit zegt de Heere HEERE: na veertig jaar zal ik de Egyptenaren bijeenbrengen uit de volken waarover zij verstrooid zijn. 14. Ik zal het lot van de Egyptenaren keren en hen terugbrengen naar het land Pathros, hun geboorteland. Daar zullen zij een onbeduidend koninkrijk zijn. 15. Het zal kleiner zijn dan de andere koninkrijken en zich niet meer boven de volken verheffen. Want ik zal hen klein maken, zodat zij niet over de volken heersen. 16. Het zal voor het volk van Israël geen houvast meer zijn dat hun schuld in herinnering brengt als zij ernaar omkijken. Dan zullen zij weten dat ik de Heere HEERE ben. 17. In het zevenentwintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij. 18. Mensenkind, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn leger hard laten werken tegen Tyrus. Elk hoofd werd kaal en elke schouder geschaafd. Toch kregen hij en zijn leger geen loon uit Tyrus voor het werk dat hij ertegen gedaan heeft. 19. Daarom zegt de Heere HEERE dit: kijk, ik geef het land Egypte aan Nebukadrezar, de koning van Babel. Hij zal haar rijkdom wegdragen, haar buit meenemen en haar plunderen. Dat zal het loon voor zijn leger zijn. 20. Als beloning voor het werk dat hij tegen Tyrus gedaan heeft, heb ik hem het land Egypte gegeven. Want zij hebben voor mij gewerkt, zegt de Heere HEERE. 21. Op die dag zal ik de hoorn van het volk van Israël laten uitspruiten. En jou zal ik te midden van hen weer laten spreken. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. ## Ezechiël 30 — De dag van de HEERE over Egypte 1. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, profeteer en zeg: dit zegt de Heere HEERE. Huil: ach, die dag! 3. Want de dag is nabij. Ja, de dag van de HEERE is nabij, een dag van wolken. Het wordt de tijd van de volken. 4. Het zwaard zal in Egypte komen en er zal grote pijn zijn in Ethiopië, als de gedode mensen in Egypte vallen. Zij zullen haar rijkdom wegnemen en haar fundamenten worden afgebroken. 5. Ethiopië, Put, Lud en heel het gemengde volk, Cub en de mensen van het bondgenootschap zullen met hen door het zwaard vallen. 6. Dit zegt de HEERE: ja, wie Egypte steunen, zullen vallen. De trots van haar kracht zal neerdalen. Van Migdol tot Syene zullen zij daarin door het zwaard vallen, zegt de Heere HEERE. 7. Zij zullen verwoest zijn tussen verwoeste landen. Haar steden zullen liggen tussen verwoeste steden. 8. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben, als ik een vuur in Egypte aangestoken heb en al haar helpers gebroken zijn. 9. Op die dag zullen er boden van mij uitvaren in schepen om het zorgeloze Ethiopië op te schrikken. Er zal grote pijn bij hen zijn, als op de dag van Egypte. Want kijk, het komt eraan. 10. Dit zegt de Heere HEERE: ja, ik zal een einde maken aan de rijkdom van Egypte, door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel. 11. Hij en zijn volk met hem, de wreedste van de volken, worden aangevoerd om het land te vernietigen. Zij zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken en het land vullen met gedode mensen. 12. Ik zal de rivieren droogleggen en het land verkopen aan slechte mensen. Ik zal het land en alles erin verwoesten door de hand van vreemden. Ik, de HEERE, heb het gesproken. 13. Dit zegt de Heere HEERE: ik zal de afgoden vernietigen en de nietige beelden uit Nof laten verdwijnen. Er zal geen vorst meer zijn uit het land Egypte. Ik zal angst in het land Egypte brengen. 14. Ik zal Pathros verwoesten en een vuur in Zoan aansteken. Ik zal recht spreken over No. 15. Ik zal mijn woede uitgieten over Sin, het bolwerk van Egypte. Ik zal de rijkdom van No uitroeien. 16. Ik zal een vuur in Egypte aansteken. Sin zal hevige pijn lijden, No zal opengebroken worden en Nof zal elke dag in angst zitten. 17. De jonge mannen van Aven en Pibeseth zullen door het zwaard vallen. De vrouwen zullen in ballingschap gaan. 18. In Tachpanhes zal de dag donker worden, als ik daar het juk van Egypte breek. De trots van haar kracht zal in haar ophouden. Een wolk zal haar bedekken en haar dorpen zullen in ballingschap gaan. 19. Zo zal ik recht spreken in Egypte. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. 20. In het elfde jaar, in de eerste maand, op de zevende dag van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij. 21. Mensenkind, ik heb de arm van Farao, de koning van Egypte, gebroken. En kijk, die is niet verbonden met pleisters of zwachtels om hem te genezen en sterk te maken, zodat hij het zwaard kan vasthouden. 22. Daarom zegt de Heere HEERE dit: kijk, ik keer mij tegen Farao, de koning van Egypte. Ik zal zijn armen breken, de gezonde en de gebroken arm. Ik zal het zwaard uit zijn hand laten vallen. 23. Ik zal de Egyptenaren verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen. 24. Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken en mijn zwaard in zijn hand geven. Maar de armen van Farao zal ik breken. Hij zal voor hem kreunen zoals een dodelijk gewonde kreunt. 25. Ja, ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken, maar de armen van Farao zullen slap neervallen. Ik zal mijn zwaard in de hand van de koning van Babel geven en hij zal het over het land Egypte uitstrekken. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. 26. Ik zal de Egyptenaren verstrooien onder de volken en verspreiden over de landen. Zo zullen zij weten dat ik de HEERE ben. ## Ezechiël 31 — De ceder die werd omgehakt 1. In het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, zeg tegen Farao, de koning van Egypte, en tegen zijn menigte: met wie ben jij te vergelijken in je grootheid? 3. Kijk, Assur was een ceder op de Libanon, met mooie takken en een schaduwrijke kroon. Hij was hoog van stam en zijn top stak uit boven de dichte takken. 4. Het water maakte hem groot en de diepte maakte hem hoog. Die liet haar stromen rondom de plek van zijn wortels gaan en stuurde haar waterlopen naar alle bomen van het veld. 5. Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen van het veld. Zijn takken werden talrijk en zijn twijgen lang, door het vele water toen hij uitliep. 6. Alle vogels van de hemel nestelden in zijn takken. Alle dieren van het veld kregen jongen onder zijn twijgen. Alle grote volken zaten in zijn schaduw. 7. Zo was hij mooi in zijn grootheid en in de lengte van zijn takken. Want zijn wortels stonden bij veel water. 8. De ceders in de tuin van God overtroffen hem niet. De cipressen waren niet als zijn takken en de platanen niet als zijn twijgen. Geen boom in de tuin van God was zo mooi als hij. 9. Ik had hem zo mooi gemaakt met zijn vele takken, dat alle bomen van Eden in de tuin van God jaloers op hem waren. 10. Daarom zegt de Heere HEERE dit: hij werd trots op zijn hoogte. Hij stak zijn top uit boven de dichte takken en zijn hart werd hoogmoedig door zijn hoogte. 11. Daarom gaf ik hem in de hand van de machtigste van de volken, om met hem af te rekenen. Ik verdreef hem om zijn goddeloosheid. 12. Vreemden, de wreedste van de volken, hakten hem om en lieten hem liggen. Zijn takken vielen op de bergen en in alle dalen. Zijn twijgen braken bij alle stromen van het land. Alle volken van de aarde gingen weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen. 13. Alle vogels van de hemel gingen op zijn omgevallen stam zitten. Alle dieren van het veld lagen tussen zijn twijgen. 14. Zo mag geen boom bij het water nog trots worden op zijn hoogte. Zo mag geen boom zijn top nog uitsteken boven de dichte takken. Geen boom die water drinkt, mag nog op zichzelf staan door zijn hoogte. Want zij zijn allemaal aan de dood overgegeven, naar de diepte van de aarde, bij de mensen die in de kuil afdalen. 15. Dit zegt de Heere HEERE: op de dag dat hij afdaalde naar het dodenrijk, liet ik een rouw beginnen. Om hem bedekte ik de diepte en hield ik haar stromen tegen; het grote water werd gestuit. Om hem maakte ik de Libanon donker en alle bomen van het veld kwijnden weg. 16. Van het geluid van zijn val liet ik de volken beven, toen ik hem naar het dodenrijk liet afdalen, bij wie in de kuil afdalen. Alle bomen van Eden, de mooiste en beste van de Libanon, alle bomen die water drinken, werden getroost in de diepte van de aarde. 17. Ook zij daalden met hem af naar het dodenrijk, naar wie door het zwaard gedood zijn. Zij waren zijn arm geweest en hadden in zijn schaduw gezeten tussen de volken. 18. Met wie ben jij dan te vergelijken in eer en grootheid, tussen de bomen van Eden? Toch zul je met de bomen van Eden neergehaald worden, naar de diepte van de aarde. Tussen de onbesnedenen zul je liggen, bij wie door het zwaard gedood zijn. Dat is Farao met heel zijn menigte, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 32 — Het klaaglied over Farao 1. In het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, hef een klaaglied aan over Farao, de koning van Egypte, en zeg tegen hem: je leek op een jonge leeuw onder de volken. Maar je was als een krokodil in de zee. Je spoot in je rivieren, woelde het water met je poten om en maakte hun rivieren troebel. 3. Dit zegt de Heere HEERE: daarom zal ik mijn net over je uitspreiden met een menigte van veel volken. Zij zullen je in mijn net omhoogtrekken. 4. Dan zal ik je op het land achterlaten en je op het open veld gooien. Ik zal alle vogels van de hemel op je laten neerstrijken. De dieren van heel de aarde zullen zich aan je verzadigen. 5. Ik zal je vlees op de bergen achterlaten en de dalen vullen met je resten. 6. Ik zal het land waarin je zwemt drenken met je bloed, tot aan de bergen. De beddingen zullen vol van je zijn. 7. Als ik je uitdoof, zal ik de hemel bedekken en zijn sterren verduisteren. Ik zal de zon met wolken bedekken en de maan zal haar licht niet geven. 8. Alle lichten aan de hemel zal ik om jou verduisteren. Ik zal duisternis over je land brengen, zegt de Heere HEERE. 9. Ik zal het hart van veel volken bedroefd maken, als ik je ondergang bekendmaak onder de volken, in landen die je niet kende. 10. Ik zal veel volken over je laten schrikken. Hun koningen zullen huiveren om jou, als ik mijn zwaard voor hun ogen zwaai. Op de dag van je val zullen zij elk ogenblik beven, ieder voor zijn eigen leven. 11. Want dit zegt de Heere HEERE: het zwaard van de koning van Babel zal over je komen. 12. Ik zal je menigte laten vallen door de zwaarden van helden, allemaal de wreedste van de volken. Zij zullen de trots van Egypte breken en heel haar menigte zal vernietigd worden. 13. Ik zal haar vee wegnemen bij het vele water. Geen mensenvoet zal het meer omwoelen en geen dierenhoef zal het troebel maken. 14. Dan zal ik hun water laten bezinken en hun rivieren als olie laten stromen, zegt de Heere HEERE. 15. Ik zal het land Egypte tot een woestenij maken. Het land zal leeg zijn van alles wat het vulde, als ik allen sla die erin wonen. Zo zullen zij weten dat ik de HEERE ben. 16. Dit is het klaaglied en zo zullen zij het zingen. De vrouwen van de volken zullen het zingen. Zij zullen het zingen over Egypte en over heel haar menigte, zegt de Heere HEERE. 17. In het twaalfde jaar, op de vijftiende dag van de maand, kwam het woord van de HEERE tot mij. 18. Mensenkind, klaag over de menigte van Egypte. Laat haar afdalen, haar en de dochters van machtige volken, naar de diepte van de aarde, bij wie in de kuil zijn afgedaald. 19. Ben je soms mooier dan anderen? Daal af en ga liggen bij de onbesnedenen. 20. Zij zullen vallen tussen wie door het zwaard gedood zijn. Het zwaard is klaar. Sleep haar weg met heel haar menigte. 21. De machtigste helden zullen vanuit het dodenrijk over hem en zijn helpers spreken. Zij zijn afgedaald en liggen daar, de onbesnedenen, gedood door het zwaard. 22. Daar ligt Assur met heel zijn leger; zijn graven liggen om hem heen. Zij zijn allemaal gedood, gevallen door het zwaard. 23. Hun graven liggen diep in de kuil en zijn leger ligt rondom zijn graf. Zij zijn allemaal gedood, gevallen door het zwaard, terwijl zij schrik aanjoegen in het land van de levenden. 24. Daar ligt Elam met heel haar menigte rondom haar graf. Zij zijn allemaal gedood, gevallen door het zwaard. Onbesneden daalden zij af naar de diepte van de aarde. Zij joegen schrik aan in het land van de levenden. Nu dragen zij hun schande met wie in de kuil zijn afgedaald. 25. Tussen de gedode mensen is voor haar een bed gemaakt, met heel haar menigte. Haar graven liggen om hem heen. Zij zijn allemaal onbesneden, gedood door het zwaard, want zij joegen schrik aan in het land van de levenden. Nu dragen zij hun schande met wie in de kuil zijn afgedaald. Hij is neergelegd tussen de gedode mensen. 26. Daar liggen Mesech en Tubal met heel hun menigte. Hun graven liggen om hem heen. Zij zijn allemaal onbesneden, gedood door het zwaard, want zij joegen schrik aan in het land van de levenden. 27. Zij liggen niet bij de helden die in vroeger tijden gevallen zijn. Die daalden af naar het dodenrijk met hun wapens, en men legde hun zwaarden onder hun hoofd. Hun schuld ligt op hun botten, want zij joegen de helden schrik aan in het land van de levenden. 28. Ook jij zult gebroken worden tussen de onbesnedenen en liggen bij wie door het zwaard gedood zijn. 29. Daar ligt Edom, met haar koningen en al haar vorsten. Ondanks hun macht zijn zij gelegd bij wie door het zwaard gedood zijn. Zij liggen bij de onbesnedenen en bij wie in de kuil zijn afgedaald. 30. Daar liggen de machtigen van het noorden, allemaal, en alle Sidoniërs. Zij daalden af met de gedode mensen, beschaamd om de schrik die zij met hun macht aanjoegen. Zij liggen onbesneden bij wie door het zwaard gedood zijn en dragen hun schande met wie in de kuil zijn afgedaald. 31. Farao zal hen zien en zich troosten over heel zijn menigte. Farao en heel zijn leger zijn door het zwaard gedood, zegt de Heere HEERE. 32. Want ik heb ook schrik aangejaagd in het land van de levenden. Daarom wordt hij neergelegd tussen de onbesnedenen, bij wie door het zwaard gedood zijn: Farao met heel zijn menigte, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 33 — De wachter en het bericht uit Jeruzalem 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 2. Mensenkind, spreek tot de mensen van je volk en zeg tegen hen: stel dat ik het zwaard over een land breng. Dan kiest het volk van dat land één man uit hun midden en stelt hem aan als wachter. 3. Hij ziet het zwaard over het land komen. Hij blaast op de ramshoorn en waarschuwt het volk. 4. Iemand hoort het geluid van de hoorn, maar laat zich niet waarschuwen. Dan komt het zwaard en neemt hem weg. Zijn bloed komt op zijn eigen hoofd neer. 5. Hij hoorde het geluid van de hoorn, maar liet zich niet waarschuwen. Zijn bloed komt op hemzelf neer. Maar wie zich wel laat waarschuwen, redt zijn leven. 6. Stel dat de wachter het zwaard ziet komen, maar niet op de hoorn blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt. Dan komt het zwaard en neemt iemand van hen weg. Die is weggenomen om zijn eigen schuld, maar zijn bloed zal ik van de wachter eisen. 7. En jij, mensenkind, ik heb je aangesteld als wachter over het volk van Israël. Je zult het woord uit mijn mond horen en hen namens mij waarschuwen. 8. Ik zeg tegen de goddeloze: goddeloze, je zult sterven! Als jij dan niet spreekt om hem van zijn weg af te brengen, dan zal die goddeloze sterven om zijn schuld. Maar zijn bloed zal ik van jou eisen. 9. Maar als jij de goddeloze waarschuwt om zich van zijn weg te bekeren, en hij bekeert zich niet, dan zal hij sterven om zijn schuld. Maar jij hebt je leven gered. 10. Daarom, mensenkind, zeg tegen het volk van Israël. Jullie zeggen: onze overtredingen en onze zonden drukken op ons. Wij kwijnen erin weg. Hoe zouden wij dan kunnen leven? 11. Zeg tegen hen: zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE, ik vind het niet fijn als de goddeloze sterft. Ik wil juist dat hij zich van zijn weg bekeert en leeft. Bekeer je, bekeer je van jullie slechte wegen. Want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël? 12. En jij, mensenkind, zeg tegen de mensen van je volk. De gerechtigheid van de rechtvaardige redt hem niet op de dag dat hij overtreedt. En de goddeloze zal niet vallen om zijn goddeloosheid op de dag dat hij zich ervan bekeert. De rechtvaardige kan niet leven van zijn gerechtigheid op de dag dat hij zondigt. 13. Ik zeg tegen de rechtvaardige dat hij zeker zal leven. Maar als hij op zijn gerechtigheid vertrouwt en onrecht doet, telt al zijn gerechtigheid niet meer mee. Hij zal sterven om het onrecht dat hij doet. 14. Als ik tegen de goddeloze zeg: je zult sterven!, en hij bekeert zich van zijn zonde en doet recht en gerechtigheid, 15. als hij het onderpand teruggeeft en het geroofde vergoedt, en leeft naar de regels die leven geven, dan zal hij zeker leven. Hij doet geen onrecht meer en zal niet sterven. 16. Geen van de zonden die hij gedaan heeft, zal hem nog aangerekend worden. Hij heeft recht en gerechtigheid gedaan; hij zal zeker leven. 17. Toch zeggen de mensen van je volk: de weg van de HEERE is niet eerlijk. Terwijl juist hun eigen weg niet eerlijk is. 18. Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, dan zal hij daardoor sterven. 19. En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid en recht en gerechtigheid doet, dan zal hij daardoor leven. 20. Toch zeggen jullie: de weg van de HEERE is niet eerlijk. Ik zal jullie oordelen, ieder naar zijn eigen wegen, volk van Israël. 21. Het was het twaalfde jaar van onze ballingschap, de tiende maand, de vijfde dag. Toen kwam er iemand bij mij die uit Jeruzalem ontkomen was. Hij zei: De stad is gevallen. 22. De avond voor die vluchteling kwam, was de hand van de HEERE op mij geweest. Hij had mijn mond geopend, voordat de man de volgende morgen bij mij kwam. Zo ging mijn mond open en was ik niet langer stom. 23. Toen kwam het woord van de HEERE tot mij. 24. Mensenkind, de bewoners van de puinhopen in het land van Israël zeggen: Abraham was maar één man en hij kreeg dit land in bezit. Wij zijn met velen; het land is ons gegeven als bezit. 25. Zeg daarom tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Jullie eten vlees met het bloed erin, kijken op naar jullie afgoden en vergieten bloed. Zouden jullie dan het land in bezit krijgen? 26. Jullie vertrouwen op je zwaard. Jullie doen gruwelijke dingen en onteren allemaal de vrouw van je naaste. Zouden jullie dan het land in bezit krijgen? 27. Zeg dit tegen hen: de Heere HEERE zegt dit. Zo waar ik leef, wie in de puinhopen zitten, zullen door het zwaard vallen. Wie op het open veld is, geef ik aan de wilde dieren om op te eten. Wie in de vestingen en de grotten zitten, zullen aan de pest sterven. 28. Want ik zal het land tot een woestenij en een schrikbeeld maken. De trots van zijn kracht zal ophouden. De bergen van Israël zullen zo verlaten zijn dat niemand er nog doorheen trekt. 29. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben, als ik het land tot een woestenij en een schrikbeeld gemaakt heb om al hun gruwelen. 30. En jij, mensenkind, de mensen van je volk praten steeds over je bij de muren en in de deuren van de huizen. De een zegt tegen de ander: kom toch en luister naar het woord dat van de HEERE komt. 31. Zij komen naar je toe zoals een volk samenkomt. Zij gaan voor je zitten als mijn volk en horen je woorden, maar zij doen ze niet. Want hun mond is vol vleierij, terwijl hun hart achter hun winst aan loopt. 32. En kijk, je bent voor hen als een liefdeslied, als iemand met een mooie stem die goed speelt. Zij horen je woorden, maar zij doen ze niet. 33. Maar als het komt, en kijk, het zal komen, dan zullen zij weten dat er een profeet bij hen geweest is. ## Ezechiël 34 — De herders en de ware Herder 1. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 2. Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël. Profeteer en zeg tegen hen, tegen de herders: dit zegt de Heere HEERE. Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten herders niet de schapen weiden? 3. Jullie eten het vet en kleden je met de wol. Jullie slachten het gemeste vee, maar de schapen weiden jullie niet. 4. De zwakke maken jullie niet sterk. Het zieke dier genezen jullie niet. Het gewonde dier verbinden jullie niet. Het verdwaalde dier brengen jullie niet terug. Het verlorene zoeken jullie niet. Maar jullie heersen over hen met hardheid en geweld. 5. Zo raakten zij verstrooid, omdat er geen herder was. Zij werden voedsel voor alle wilde dieren van het veld, doordat zij verstrooid waren. 6. Mijn schapen dolen over alle bergen en op elke hoge heuvel. Ja, mijn schapen zijn over heel de aarde verstrooid. Niemand vraagt naar hen en niemand zoekt ze. 7. Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE. 8. Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE. Mijn schapen werden een prooi. Mijn schapen werden voedsel voor alle wilde dieren van het veld, omdat er geen herder was. Mijn herders vroegen niet naar mijn schapen. Zij weidden zichzelf, maar mijn schapen weidden zij niet. 9. Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE. 10. Dit zegt de Heere HEERE: kijk, ik keer mij tegen de herders. Ik zal mijn schapen van hen opeisen en een einde maken aan hun weiden. De herders zullen zichzelf niet meer weiden. Ik zal mijn schapen uit hun mond rukken; die zullen niet langer hun voedsel zijn. 11. Want dit zegt de Heere HEERE: kijk, ik zal zelf naar mijn schapen vragen en ze opzoeken. 12. Zoals een herder zijn kudde opzoekt op de dag dat hij bij zijn verspreide schapen is, zo zal ik mijn schapen opzoeken. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen zij verstrooid zijn op een dag van wolken en donkerheid. 13. Ik zal ze weghalen bij de volken en verzamelen uit de landen. Ik zal ze naar hun eigen land brengen. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de beken en op alle bewoonde plekken van het land. 14. Op een goede weide zal ik ze weiden. Op de hoge bergen van Israël zal hun stal zijn. Daar zullen zij liggen in een goede stal en grazen op een vette weide, op de bergen van Israël. 15. Ik zal mijn schapen zelf weiden en ik zal ze laten rusten, zegt de Heere HEERE. 16. Het verlorene zal ik zoeken en het verdwaalde zal ik terugbrengen. Het gewonde zal ik verbinden en het zieke zal ik sterk maken. Maar het vette en het sterke zal ik vernietigen. Ik zal ze weiden met recht. 17. En jullie, mijn schapen, de Heere HEERE zegt dit: kijk, ik zal rechtspreken tussen schaap en schaap, tussen de rammen en de bokken. 18. Is het jullie niet genoeg dat jullie de goede weide afgrazen? Moeten jullie de rest van de weide ook nog vertrappen? Moeten jullie het heldere water drinken en de rest met je poten troebel maken? 19. Moeten mijn schapen dan grazen wat jullie vertrapt hebben en drinken wat jullie troebel gemaakt hebben? 20. Daarom zegt de Heere HEERE dit tegen hen: kijk, ik zal zelf rechtspreken tussen het vette vee en het magere vee. 21. Jullie duwen alle zwakken opzij met flank en schouder en stoten ze met je hoorns, tot jullie ze naar buiten verdreven hebben. 22. Daarom zal ik mijn schapen redden; zij zullen geen prooi meer zijn. Ik zal rechtspreken tussen schaap en schaap. 23. Ik zal één Herder over hen aanstellen die hen zal weiden: mijn knecht David. Hij zal ze weiden en Hij zal hun Herder zijn. 24. En ik, de HEERE, zal hun God zijn. Mijn knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ik, de HEERE, heb het gesproken. 25. Ik zal een verbond van vrede met hen sluiten. Ik zal de wilde dieren uit het land laten verdwijnen. Zij zullen veilig wonen in de woestijn en slapen in de bossen. 26. Want ik zal hen en de plaatsen rondom mijn heuvel tot een zegen maken. Ik zal de regen op tijd laten vallen; er zullen regens van zegen zijn. 27. De bomen van het veld zullen hun vrucht geven en het land zal zijn opbrengst geven. Zij zullen veilig zijn in hun land. Ik zal de balken van hun juk breken en hen redden uit de hand van wie hen lieten dienen. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. 28. Zij zullen geen prooi meer zijn voor de volken en de wilde dieren van de aarde zullen hen niet opeten. Zij zullen veilig wonen en niemand zal hen opschrikken. 29. Ik zal voor hen een beroemde aanplant laten opkomen. Zij zullen niet meer weggerukt worden door honger in het land en de spot van de volken niet meer dragen. 30. Zij zullen weten dat ik, de HEERE, hun God, met hen ben. Zij zullen weten dat zij mijn volk zijn, het volk van Israël, zegt de Heere HEERE. 31. En jullie, mijn schapen, schapen van mijn weide, jullie zijn mensen. Maar ik ben jullie God, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 35 — Het woord over het bergland Seïr 1. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, kijk naar het bergland Seïr en profeteer daartegen. 3. Zeg ertegen: dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik keer mij tegen je, bergland Seïr. Ik zal mijn hand tegen je uitstrekken en je tot een woestenij maken. 4. Ik zal je steden tot een verlaten plek maken en je zult een woestenij worden. Dan zul je weten dat ik de HEERE ben. 5. Je koesterde een eeuwige vijandschap. Je leverde de Israëlieten over aan het zwaard, in de tijd van hun ondergang, toen hun schuld ten einde liep. 6. Daarom, zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: ik maak je klaar voor bloed en bloed zal je achtervolgen. Je hebt bloed niet gehaat; daarom zal bloed je achtervolgen. 7. Ik zal het bergland Seïr tot een volkomen woestenij maken. Ik zal daar iedereen uitroeien die er doorheen trekt of terugkomt. 8. Ik zal zijn bergen vullen met zijn gedode mensen. Op je heuvels, in je dalen en bij al je beken zullen mensen liggen die door het zwaard gedood zijn. 9. Ik zal je voor altijd tot een woestenij maken. Je steden zullen niet meer bewoond worden. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 10. Je zei: die twee volken en die twee landen worden van mij; wij zullen ze in bezit nemen. En dat terwijl de HEERE daar was. 11. Daarom, zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: ik zal met je afrekenen. Uit haat toonde je toorn en jaloezie tegen hen. Ik zal mij bij hen bekendmaken als ik je geoordeeld heb. 12. Dan zul je weten dat ik, de HEERE, al je beledigingen gehoord heb die je tegen de bergen van Israël gesproken hebt. Je zei: zij zijn verwoest, zij zijn ons gegeven om op te eten. 13. Zo maakte je jezelf met je mond groot tegen mij en stapelde je woorden tegen mij op. Ik heb het gehoord. 14. Dit zegt de Heere HEERE: terwijl heel de aarde blij is, zal ik jou tot een woestenij maken. 15. Jij was blij over het erfdeel van het volk van Israël, omdat het verwoest was. Zo zal ik het jou aandoen. Het bergland Seïr en heel Edom zullen helemaal een woestenij worden. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. ## Ezechiël 36 — Een nieuw hart en een nieuwe geest 1. En jij, mensenkind, profeteer tot de bergen van Israël en zeg: bergen van Israël, hoor het woord van de HEERE. 2. Dit zegt de Heere HEERE: de vijand zegt over jullie: ha! Zelfs de eeuwige hoogten zijn nu van ons. 3. Profeteer daarom en zeg: dit zegt de Heere HEERE. Men heeft jullie van alle kanten verwoest en verslonden. Zo werden jullie het bezit van de overige volken. Jullie kwamen op de tong van roddelaars en in opspraak bij het volk. 4. Daarom, bergen van Israël, hoor het woord van de Heere HEERE. Dit zegt de Heere HEERE tegen de bergen en de heuvels en tegen de beken en de dalen. Het geldt ook de verwoeste eenzame plekken en de verlaten steden. Die werden buit en spot voor de overige volken om hen heen. 5. Daarom zegt de Heere HEERE dit: in het vuur van mijn hartstocht heb ik gesproken tegen de overige volken en tegen heel Edom. Zij namen mijn land met hart en ziel in bezit, met blijdschap en met plunderzucht, om het weidegebied te roven. 6. Profeteer daarom over het land van Israël. Zeg tegen de bergen en de heuvels, tegen de beken en de dalen: dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik heb in mijn hartstocht en mijn woede gesproken, omdat jullie de spot van de volken gedragen hebben. 7. Daarom zegt de Heere HEERE dit: ik heb mijn hand opgestoken. De volken om jullie heen zullen zelf hun schande dragen. 8. Maar jullie, bergen van Israël, jullie zullen weer takken krijgen en vrucht dragen voor mijn volk Israël. Want zij komen bijna terug. 9. Want kijk, ik ben bij jullie. Ik zal naar jullie omzien en jullie zullen bebouwd en bezaaid worden. 10. Ik zal veel mensen op jullie laten wonen, heel het volk van Israël, het hele volk. De steden zullen bewoond worden en de ruïnes worden herbouwd. 11. Ja, ik zal mensen en dieren op jullie vermeerderen. Zij zullen talrijk en vruchtbaar worden. Ik zal jullie weer bewoond maken als in vroeger tijden. Ja, ik zal het beter maken dan in het begin. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 12. Ik zal mensen over jullie laten lopen, namelijk mijn volk Israël. Zij zullen jullie in bezit nemen en jullie zullen hun erfdeel zijn. Jullie zullen hen niet meer van hun kinderen beroven. 13. Dit zegt de Heere HEERE: men zegt over jullie: jij bent een land dat mensen opeet en dat je eigen volk van kinderen berooft. 14. Daarom zullen jullie geen mensen meer opeten en je volk niet meer laten struikelen, zegt de Heere HEERE. 15. Ik zal ervoor zorgen dat de hoon van de volken niet meer over jullie gehoord wordt. Jullie zullen de spot van de naties niet meer dragen en je volk niet meer laten struikelen, zegt de Heere HEERE. 16. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 17. Mensenkind, toen het volk van Israël in hun land woonde, maakten zij het onrein met hun wegen en hun daden. Hun weg was voor mij als de onreinheid van een vrouw die ongesteld is. 18. Daarom goot ik mijn woede over hen uit. Zij hadden bloed vergoten in het land en het onrein gemaakt met hun afgoden. 19. Ik verstrooide hen onder de volken en zij werden verspreid over de landen. Ik oordeelde hen naar hun weg en hun daden. 20. Toen zij bij de volken kwamen waarheen zij gingen, onteerden zij mijn heilige naam. Want men zei over hen: dit is het volk van de HEERE en toch zijn zij uit Zijn land weggegaan. 21. Maar ik spaarde hen om mijn heilige naam, die het volk van Israël onteerd had bij de volken waar zij gekomen waren. 22. Zeg daarom tegen het volk van Israël: dit zegt de Heere HEERE. Ik doe het niet om jullie, volk van Israël, maar om mijn heilige naam, die jullie onteerd hebben bij de volken waar jullie gekomen zijn. 23. Want ik zal mijn grote naam heiligen, die bij de volken onteerd is, die jullie in hun midden onteerd hebben. Dan zullen de volken weten dat ik de HEERE ben, zegt de Heere HEERE, als ik door jullie voor hun ogen geheiligd ben. 24. Want ik zal jullie weghalen bij de volken en jullie verzamelen uit alle landen. Ik zal jullie naar je eigen land brengen. 25. Dan zal ik rein water over jullie sprenkelen en jullie zullen rein worden. Van al jullie onreinheid en van al jullie afgoden zal ik jullie reinigen. 26. Ik zal jullie een nieuw hart geven en een nieuwe geest in jullie binnenste. Ik zal het hart van steen uit jullie lichaam wegnemen en jullie een hart van vlees geven. 27. Ik zal mijn Geest in jullie binnenste geven. Ik zal ervoor zorgen dat jullie naar mijn wetten leven en mijn regels bewaren en doen. 28. Jullie zullen wonen in het land dat ik aan jullie vaderen gegeven heb. Jullie zullen mijn volk zijn en ik zal jullie God zijn. 29. Ik zal jullie redden van al jullie onreinheid. Ik zal het koren roepen en het overvloedig maken. Ik zal geen honger over jullie brengen. 30. Ik zal de vrucht van de bomen en de opbrengst van het veld overvloedig maken. Zo zullen jullie bij de volken niet meer bespot worden om honger. 31. Dan zullen jullie terugdenken aan jullie slechte wegen en aan jullie daden die niet goed waren. Jullie zullen van jezelf walgen om jullie schuld en om jullie gruwelen. 32. Ik doe het niet om jullie, zegt de Heere HEERE; dat moeten jullie weten. Schaam je en word rood van schaamte om jullie wegen, volk van Israël. 33. Dit zegt de Heere HEERE: op de dag dat ik jullie reinig van al jullie schuld, maak ik de steden weer bewoond. Dan laat ik de ruïnes herbouwen. 34. Het verwoeste land zal bebouwd worden, terwijl het eerst een woestenij was voor de ogen van iedereen die er doorheen trok. 35. Men zal zeggen: dit land dat verwoest was, is als de tuin van Eden geworden. De eenzame, verwoeste en afgebroken steden zijn versterkt en bewoond. 36. Dan zullen de volken die om jullie heen zijn overgebleven, weten dat ik, de HEERE, de afgebroken plaatsen herbouw en het verwoeste beplant. Ik, de HEERE, heb het gesproken en ik zal het doen. 37. Dit zegt de Heere HEERE: ook hierom zal het volk van Israël mij vragen het voor hen te doen. Ik zal hen vermeerderen met mensen als met schapen. 38. Zoals de heilige schapen, zoals de schapen van Jeruzalem op haar feesten, zo zullen de eenzame steden vol zijn met kudden mensen. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. ## Ezechiël 37 — Het dal vol dorre botten 1. De hand van de HEERE was op mij. De HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer midden in een dal. Dat lag vol botten. 2. Hij liet mij er rondom langslopen. En kijk, er lagen er heel veel op de bodem van het dal. En kijk, zij waren helemaal uitgedroogd. 3. Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze botten weer levend worden? Ik zei: Heere HEERE, U weet het. 4. Toen zei Hij tegen mij: Profeteer over deze botten en zeg tegen ze: dorre botten, hoor het woord van de HEERE. 5. Dit zegt de Heere HEERE tegen deze botten: kijk, ik breng adem in jullie en jullie zullen levend worden. 6. Ik zal pezen op jullie leggen en vlees op jullie laten groeien. Ik zal een huid over jullie trekken en adem in jullie geven, en jullie zullen levend worden. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben. 7. Toen profeteerde ik zoals mij bevolen was. Terwijl ik profeteerde, klonk er een geluid, en kijk, een gerommel! De botten kwamen bij elkaar, bot bij bot. 8. Ik keek, en kijk, er kwamen pezen op en er groeide vlees. Hij trok er een huid overheen. Maar er was geen adem in hen. 9. Hij zei tegen mij: Profeteer tot de adem. Profeteer, mensenkind, en zeg tegen de adem: dit zegt de Heere HEERE. Adem, kom uit de vier windstreken en blaas in deze doden, zodat zij levend worden. 10. Ik profeteerde zoals Hij mij bevolen had. Toen kwam de adem in hen. Zij werden levend en gingen op hun voeten staan, een heel groot leger. 11. Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze botten zijn heel het volk van Israël. Kijk, zij zeggen: onze botten zijn verdord, onze hoop is verloren, wij zijn afgesneden. 12. Profeteer daarom en zeg tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik zal jullie graven openen en jullie uit jullie graven omhoog laten komen, mijn volk. Ik zal jullie naar het land van Israël brengen. 13. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE ben, als ik jullie graven geopend heb en jullie uit jullie graven omhoog laat komen, mijn volk. 14. Ik zal mijn Geest in jullie geven en jullie zullen leven. Ik zal jullie in je eigen land zetten. Dan zullen jullie weten dat ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, zegt de HEERE. 15. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 16. En jij, mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de Israëlieten die bij hem horen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef, het hout van Efraïm, en heel het volk van Israël dat bij hem hoort. 17. Voeg ze dan bij elkaar tot één stuk hout. Zij zullen één worden in je hand. 18. Als de mensen van je volk tegen je zeggen: wil je ons niet vertellen wat dit voor jou betekent?, 19. zeg dan tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik neem het hout van Jozef, dat in de hand van Efraïm was, met de stammen van Israël die bij hem horen. Ik zal het bij het hout van Juda voegen en er één stuk hout van maken. Zij zullen één worden in mijn hand. 20. De stukken hout waarop je geschreven hebt, moeten voor hun ogen in je hand zijn. 21. Zeg dan tegen hen: dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik zal de Israëlieten weghalen bij de volken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van alle kanten verzamelen en hen naar hun eigen land brengen. 22. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allemaal samen één Koning hebben. Zij zullen geen twee volken meer zijn en niet meer verdeeld zijn in twee koninkrijken. 23. Zij zullen zich niet meer onrein maken met hun afgoden, hun afschuwelijke beelden en al hun overtredingen. Ik zal hen redden uit alle woonplaatsen waar zij gezondigd hebben en hen reinigen. Zo zullen zij mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 24. Mijn knecht David zal Koning over hen zijn. Zij zullen allemaal samen één Herder hebben. Zij zullen naar mijn regels leven en mijn wetten bewaren en doen. 25. Zij zullen wonen in het land dat ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb, waar jullie vaderen gewoond hebben. Ja, daar zullen zij wonen, zij en hun kinderen en hun kleinkinderen, voor altijd. Mijn knecht David zal voor altijd hun Vorst zijn. 26. Ik zal een verbond van vrede met hen sluiten; het zal een eeuwig verbond met hen zijn. Ik zal hen vestigen en talrijk maken. Ik zal mijn heiligdom voor altijd in hun midden zetten. 27. Mijn woning zal bij hen zijn. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 28. Dan zullen de volken weten dat ik de HEERE ben, die Israël heilig maakt, als mijn heiligdom voor altijd in hun midden is. ## Ezechiël 38 — Gog uit het land Magog 1. Verder kwam het woord van de HEERE tot mij. 2. Mensenkind, kijk naar Gog in het land Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal. Profeteer tegen hem. 3. Zeg: dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik keer mij tegen je, Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal. 4. Ik zal je omkeren en haken in je kaken slaan. Ik zal je uit laten trekken met heel je leger, met paarden en ruiters. Zij zijn allemaal volledig uitgerust, een grote menigte met grote en kleine schilden, allemaal met het zwaard in de hand. 5. Perzen, Ethiopiërs en mannen uit Put zijn bij hen, allemaal met schild en helm. 6. Ook Gomer met al zijn troepen en Beth-Togarma uit het verre noorden met al zijn troepen. Veel volken zijn met je mee. 7. Wees klaar en maak je gereed, jij en heel je menigte die zich bij je verzameld heeft. Wees hun aanvoerder. 8. Na veel dagen zul je opgeroepen worden. Aan het einde van de jaren zul je komen in een land dat van het zwaard hersteld is. Het volk is uit veel volken verzameld op de bergen van Israël, die lange tijd verwoest lagen. Zij zijn uit de volken weggehaald en wonen allemaal veilig. 9. Dan zul je optrekken en aankomen als een verwoestende storm. Je zult zijn als een wolk die het land bedekt, jij en al je troepen en veel volken met je. 10. Dit zegt de Heere HEERE: op die dag zullen er plannen in je hart opkomen en zul je iets slechts bedenken. 11. Je zult zeggen: ik zal optrekken naar een land van open dorpen. Ik zal komen bij mensen die rustig en veilig wonen. Zij wonen allemaal zonder muur en hebben geen grendels en deuren. 12. Ik ga buit maken en roven. Ik keer mij tegen de ruïnes die nu weer bewoond zijn, en tegen een volk dat uit de volken verzameld is. Zij hebben vee en bezit verworven en wonen in het midden van het land. 13. Scheba, Dedan en de handelaars van Tarsis met al hun jonge leeuwen zullen tegen je zeggen: kom je buit maken? Heb je je menigte verzameld om te roven? Wil je zilver en goud wegvoeren, vee en bezit meenemen en een grote buit maken? 14. Profeteer daarom, mensenkind, en zeg tegen Gog: dit zegt de Heere HEERE. Zul je het op die dag niet merken, als mijn volk Israël veilig woont? 15. Dan zul je komen uit je plaats, uit het verre noorden, jij en veel volken met je. Zij rijden allemaal op paarden, een grote menigte, een machtig leger. 16. Je zult optrekken tegen mijn volk Israël als een wolk die het land bedekt. Aan het einde van de dagen zal dat gebeuren. Dan zal ik je tegen mijn land laten komen. Zo zullen de volken mij kennen, als ik mij door jou voor hun ogen heilig toon, Gog. 17. Dit zegt de Heere HEERE: ben jij degene over wie ik in vroeger dagen sprak door mijn knechten, de profeten van Israël? Zij profeteerden in die dagen, jarenlang, dat ik je tegen hen zou laten komen. 18. Maar op die dag, als Gog naar het land van Israël komt, zegt de Heere HEERE, zal mijn woede in mij opkomen. 19. Want ik heb gesproken in mijn hartstocht en in het vuur van mijn toorn. Op die dag zal er een grote aardbeving zijn in het land van Israël. 20. Voor mij zullen de vissen van de zee beven en de vogels van de hemel. Ook de dieren van het veld en alles wat over de aarde kruipt zullen beven. Ook alle mensen op de aardbodem zullen beven. De bergen zullen instorten, de steile hellingen zullen vallen en alle muren zullen tegen de grond gaan. 21. Want ik zal het zwaard tegen hem oproepen op al mijn bergen, zegt de Heere HEERE. Ieders zwaard zal tegen zijn naaste zijn. 22. Ik zal met hem rechten door pest en bloed. Ik zal een stortregen laten vallen met grote hagelstenen, vuur en zwavel. Dat komt op hem, op zijn troepen en op de vele volken die bij hem zijn. 23. Zo zal ik mij groot maken en mij heilig tonen. Ik zal mij bekendmaken voor de ogen van veel volken. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. ## Ezechiël 39 — Het einde van Gog 1. En jij, mensenkind, profeteer tegen Gog en zeg: dit zegt de Heere HEERE. Kijk, ik keer mij tegen je, Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal. 2. Ik zal je omkeren en je meesleuren. Ik zal je optrekken uit het verre noorden en je naar de bergen van Israël brengen. 3. Maar ik zal je boog uit je linkerhand slaan en je pijlen uit je rechterhand laten vallen. 4. Op de bergen van Israël zul je vallen, jij en al je troepen en de volken die bij je zijn. Ik geef je als voedsel aan de roofvogels, aan alles wat vleugels heeft, en aan de dieren van het veld. 5. Op het open veld zul je vallen. Want ik heb het gesproken, zegt de Heere HEERE. 6. Ik zal een vuur sturen naar Magog en naar wie veilig op de eilanden wonen. Dan zullen zij weten dat ik de HEERE ben. 7. Ik zal mijn heilige naam bekendmaken onder mijn volk Israël. Ik zal mijn heilige naam niet meer laten onteren. Dan zullen de volken weten dat ik de HEERE ben, de Heilige in Israël. 8. Kijk, het komt en het zal gebeuren, zegt de Heere HEERE. Dit is de dag waarover ik gesproken heb. 9. De bewoners van de steden van Israël zullen naar buiten gaan. Zij zullen vuur stoken met de wapens: grote en kleine schilden, bogen en pijlen, knotsen en speren. Zeven jaar lang zullen zij daarmee vuur stoken. 10. Zij zullen geen hout meer uit het veld hoeven halen en niets in de bossen hoeven hakken. Zij zullen vuur stoken met de wapens. Zij zullen beroven wie hen beroofd hadden en plunderen wie hen geplunderd hadden, zegt de Heere HEERE. 11. Op die dag zal ik Gog daar een graf geven in Israël: het dal van de reizigers, ten oosten van de zee. Het zal de reizigers de weg versperren. Daar zullen zij Gog en heel zijn menigte begraven. Zij zullen het noemen: het dal van de menigte van Gog. 12. Het volk van Israël zal hen zeven maanden lang begraven om het land te reinigen. 13. Ja, heel het volk van het land zal begraven. Het zal hun tot eer zijn op de dag dat ik verheerlijkt word, zegt de Heere HEERE. 14. Zij zullen ook mannen aanwijzen die voortdurend door het land trekken. Zij zullen met de reizigers de doden begraven die nog op de grond liggen, om het land te reinigen. Na zeven maanden zullen zij onderzoek doen. 15. Die mannen zullen door het land trekken. Als iemand een mensenbot ziet, zet hij er een merkteken bij. Dat blijft staan tot de begravers het in het dal van de menigte van Gog begraven hebben. 16. Ook zal er een stad zijn die Hamona heet. Zo zullen zij het land reinigen. 17. En jij, mensenkind, dit zegt de Heere HEERE. Zeg tegen alles wat vleugels heeft en tegen alle dieren van het veld: verzamel je en kom. Kom van alle kanten bij mijn offer dat ik voor jullie geslacht heb, een groot offer op de bergen van Israël. Eet vlees en drink bloed. 18. Jullie zullen het vlees van helden eten en het bloed van de vorsten van de aarde drinken. Zij zijn als rammen, lammeren, bokken en stieren, allemaal gemest in Basan. 19. Jullie zullen vet eten tot jullie verzadigd zijn en bloed drinken tot jullie dronken zijn, van mijn offer dat ik voor jullie geslacht heb. 20. Jullie zullen aan mijn tafel verzadigd worden van rijpaarden en wagenpaarden, van helden en alle soldaten, zegt de Heere HEERE. 21. Ik zal mijn eer tonen onder de volken. Alle volken zullen mijn oordeel zien dat ik voltrokken heb, en mijn hand die ik op hen gelegd heb. 22. Van die dag af zal het volk van Israël weten dat ik, de HEERE, hun God ben. 23. De volken zullen weten dat het volk van Israël om hun schuld in ballingschap ging. Zij waren ontrouw aan mij. Daarom verborg ik mijn gezicht voor hen en gaf ik hen over in de hand van hun vijanden, zodat zij allemaal door het zwaard vielen. 24. Naar hun onreinheid en hun overtredingen heb ik met hen gehandeld. Ik verborg mijn gezicht voor hen. 25. Daarom zegt de Heere HEERE dit: nu zal ik het lot van Jakob keren. Ik zal mij ontfermen over heel het volk van Israël. Ik zal opkomen voor mijn heilige naam. 26. Zij zullen hun schande gedragen hebben en al hun ontrouw tegen mij. Dat deden zij toen zij veilig in hun land woonden en niemand hen opschrikte. 27. Ik zal hen terugbrengen uit de volken en hen verzamelen uit de landen van hun vijanden. Zo zal ik mij door hen heilig tonen voor de ogen van veel volken. 28. Dan zullen zij weten dat ik, de HEERE, hun God ben. Ik liet hen in ballingschap gaan onder de volken, maar ik heb hen weer verzameld in hun eigen land. Ik heb daar niemand van hen achtergelaten. 29. Ik zal mijn gezicht niet meer voor hen verbergen, als ik mijn Geest over het volk van Israël uitgegoten heb, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 40 — De man met de meetlat 1. Het was in het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende dag van de maand. Het was het veertiende jaar nadat de stad gevallen was. Precies op die dag was de hand van de HEERE op mij en Hij bracht mij daarheen. 2. In visioenen van God bracht Hij mij naar het land van Israël. Hij zette mij neer op een heel hoge berg. Daarop stond iets dat op een stad leek, aan de zuidkant. 3. Hij bracht mij erheen. En kijk, daar stond een man die eruitzag als brons. In zijn hand had hij een linnen meetlint en een meetlat. Hij stond in de poort. 4. Die man zei tegen mij: Mensenkind, kijk met je ogen en luister met je oren. Let goed op alles wat ik je laat zien. Want daarvoor ben je hierheen gebracht. Vertel daarna aan het volk van Israël alles wat je ziet. 5. En kijk, er liep buiten om het huis heen een muur. In de hand van de man was een meetlat van ongeveer drie meter. Hij mat de dikte van de muur: één meetlat. En de hoogte: één meetlat. 6. Toen kwam hij bij de poort die naar het oosten kijkt. Hij ging de trappen op en mat de drempel van de poort: één meetlat diep. Ook de tweede drempel was één meetlat diep. 7. Elke wachtkamer was één meetlat lang en één meetlat breed. Tussen de wachtkamers was twee en een halve meter. De drempel van de poort bij de voorhal aan de binnenkant was één meetlat. 8. Ook mat hij de voorhal van de poort aan de binnenkant: één meetlat. 9. Toen mat hij de andere voorhal van de poort: vier meter. Haar deurposten waren één meter. De voorhal van de poort lag aan de binnenkant. 10. De wachtkamers van de oostpoort waren er drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. Die drie hadden dezelfde maat. Ook de deurposten aan beide kanten hadden dezelfde maat. 11. Verder mat hij de opening van de poort: vijf meter breed. De lengte van de poort was zes en een halve meter. 12. Voor de wachtkamers was aan beide kanten een afscheiding van een halve meter. Elke wachtkamer was aan beide kanten drie meter. 13. Toen mat hij de poort van het dak van de ene wachtkamer tot het dak van de andere: twaalf en een halve meter breed. Deur lag tegenover deur. 14. Ook mat hij de deurposten: dertig meter, tot aan de deurpost van de voorhof rondom de poort. 15. Van de voorkant van de ingangspoort tot aan de voorkant van de voorhal van de binnenpoort was vijfentwintig meter. 16. In de wachtkamers en in hun deurposten zaten smalle vensters, rondom in de poort naar binnen toe. Zo was het ook in de voorhallen. De vensters zaten rondom naar binnen toe. Op de deurposten waren palmbomen afgebeeld. 17. Daarna bracht hij mij naar de buitenste voorhof. En kijk, daar waren kamers en een plaveisel dat rondom in de voorhof gelegd was. Op het plaveisel lagen dertig kamers. 18. Het plaveisel lag naast de poorten, even lang als de poorten. Dit was het lagere plaveisel. 19. Hij mat van de voorkant van de benedenste poort tot de buitenkant van de binnenste voorhof: vijftig meter. Dat gold aan de oostkant en aan de noordkant. 20. Van de poort in de buitenste voorhof die naar het noorden kijkt, mat hij de lengte en de breedte. 21. Haar wachtkamers waren er drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. Haar deurposten en haar voorhallen hadden dezelfde maat als de eerste poort: vijfentwintig meter lang en twaalf en een halve meter breed. 22. Haar vensters, haar voorhallen en haar palmbomen hadden dezelfde maat als de poort die naar het oosten kijkt. Men ging naar boven via zeven treden en de voorhallen lagen aan de binnenkant. 23. De poort van de binnenste voorhof lag tegenover de noordpoort en de oostpoort. Hij mat van poort tot poort: vijftig meter. 24. Daarna bracht hij mij naar het zuiden. En kijk, daar was een poort aan de zuidkant. Hij mat haar deurposten en haar voorhallen; die hadden dezelfde maten. 25. Zij had rondom vensters, ook in haar voorhallen, net als die andere vensters. De lengte was vijfentwintig meter en de breedte twaalf en een halve meter. 26. Haar trap had zeven treden en haar voorhallen lagen aan de binnenkant. Op haar deurposten waren aan beide kanten palmbomen afgebeeld. 27. Ook was er een poort in de binnenste voorhof aan de zuidkant. Hij mat van poort tot poort naar het zuiden: vijftig meter. 28. Daarna bracht hij mij door de zuidpoort naar de binnenste voorhof. Hij mat de zuidpoort; die had dezelfde maten. 29. Haar wachtkamers, haar deurposten en haar voorhallen hadden dezelfde maten. Zij had rondom vensters, ook in haar voorhallen. De lengte was vijfentwintig meter en de breedte twaalf en een halve meter. 30. Er waren rondom voorhallen. De lengte was twaalf en een halve meter en de breedte twee en een halve meter. 31. Haar voorhallen lagen aan de buitenste voorhof. Er waren ook palmbomen op haar deurposten. Haar trap had acht treden. 32. Daarna bracht hij mij naar de binnenste voorhof aan de oostkant. Hij mat de poort; die had dezelfde maten. 33. Ook haar wachtkamers, haar deurposten en haar voorhallen hadden dezelfde maten. Zij had rondom vensters, ook in haar voorhallen. De lengte was vijfentwintig meter en de breedte twaalf en een halve meter. 34. Haar voorhallen lagen aan de buitenste voorhof. Er waren ook palmbomen op haar deurposten, aan beide kanten. Haar trap had acht treden. 35. Daarna bracht hij mij naar de noordpoort. Hij mat die; zij had dezelfde maten. 36. Ook haar wachtkamers, haar deurposten en haar voorhallen. Zij had rondom vensters. De lengte was vijfentwintig meter en de breedte twaalf en een halve meter. 37. Haar deurposten lagen aan de buitenste voorhof. Er waren ook palmbomen op haar deurposten, aan beide kanten. Haar trap had acht treden. 38. Er was een kamer met een deur bij de deurposten van de poorten. Daar spoelde men het brandoffer af. 39. In de voorhal van de poort stonden twee tafels aan de ene kant en twee tafels aan de andere kant. Daarop slachtte men het brandoffer, het zondoffer en het schuldoffer. 40. Buiten de trap, bij de ingang van de noordpoort, stonden twee tafels. Aan de andere kant, bij de voorhal van de poort, stonden ook twee tafels. 41. Vier tafels aan de ene kant en vier tafels aan de andere kant, bij de zijde van de poort: acht tafels waarop men slachtte. 42. De vier tafels voor het brandoffer waren van gehouwen steen. Zij waren vijfenzeventig centimeter lang, vijfenzeventig centimeter breed en een halve meter hoog. Daarop legde men het gereedschap waarmee men het brandoffer en het slachtoffer slachtte. 43. Aan de binnenkant waren rondom haken van een handbreed bevestigd. Op de tafels lag het offervlees. 44. Buiten de binnenste poort waren de kamers van de zangers, in de binnenste voorhof naast de noordpoort. Hun voorkant keek naar het zuiden. Eén kamer stond naast de oostpoort en keek naar het noorden. 45. Hij zei tegen mij: Deze kamer, die naar het zuiden kijkt, is voor de priesters die de dienst in het huis doen. 46. De kamer die naar het noorden kijkt, is voor de priesters die de dienst bij het altaar doen. Dat zijn de nakomelingen van Zadok, die uit de Levieten tot de HEERE naderen om Hem te dienen. 47. Hij mat de voorhof: vijftig meter lang en vijftig meter breed, vierkant. Het altaar stond voor het huis. 48. Toen bracht hij mij naar de voorhal van het huis. Hij mat elke deurpost van de voorhal: twee en een halve meter aan beide kanten. De breedte van de poort was anderhalve meter aan beide kanten. 49. De voorhal was tien meter lang en vijfenhalve meter breed. Men ging er via trappen naar binnen. Bij de deurposten stonden zuilen, aan beide kanten één. ## Ezechiël 41 — De tempel van binnen 1. Daarna bracht hij mij naar de tempel. Hij mat de deurposten: drie meter breed aan de ene kant en drie meter aan de andere kant, zo breed als de tent. 2. De breedte van de ingang was vijf meter en de zijkanten van de ingang waren aan beide kanten twee en een halve meter. Hij mat ook de lengte: twintig meter, en de breedte: tien meter. 3. Daarna ging hij naar binnen en mat de deurpost van de ingang: één meter. De ingang was drie meter en de breedte van de ingang was drieënhalve meter. 4. Ook mat hij de lengte: tien meter, en de breedte: tien meter, vóór de tempel. Hij zei tegen mij: Dit is het allerheiligste. 5. Hij mat de muur van het huis: drie meter. De breedte van elke zijkamer was twee meter, rondom het huis heen. 6. De zijkamers lagen in drie lagen boven elkaar, dertig per laag. Zij rustten op uitsparingen in de muur rondom het huis, zodat zij vast kwamen te zitten. Zij zaten niet vast in de muur van het huis zelf. 7. De zijkamers werden naar boven toe steeds breder, rondom. Want het huis was rondom omgeven door verbredingen naar boven toe. Zo ging het van de onderste laag via de middelste naar de bovenste. 8. Ik zag dat het huis rondom op een verhoging stond. De fundamenten van de zijkamers waren een volle meetlat hoog, ongeveer drie meter. 9. De dikte van de buitenmuur van de zijkamers was twee en een halve meter. De open ruimte ernaast hoorde bij de zijkamers van het huis. 10. Tussen de kamers was een open ruimte van tien meter, rondom het huis heen. 11. De deuren van de zijkamers kwamen uit op die open ruimte, de ene deur naar het noorden en de andere naar het zuiden. De open ruimte was rondom twee en een halve meter breed. 12. Het gebouw aan de westkant, tegenover de afgezonderde plaats, was vijfendertig meter breed. De muur van het gebouw was rondom twee en een halve meter dik en het gebouw was vijfenveertig meter lang. 13. Verder mat hij het huis: vijftig meter lang. Ook de afgezonderde plaats met het gebouw en zijn muren: vijftig meter lang. 14. De breedte van de voorkant van het huis met de afgezonderde plaats aan de oostkant was vijftig meter. 15. Ook mat hij de lengte van het gebouw dat achter de afgezonderde plaats stond, met zijn galerijen aan beide kanten: vijftig meter. Dat gold ook voor de binnenste tempel en de voorhallen van de voorhof. 16. De drempels, de smalle vensters en de galerijen rondom die drie ruimten waren met hout bekleed, rondom, van de grond tot aan de vensters. De vensters waren afgedekt. 17. Dat gold tot boven de ingang en tot aan de binnenste en buitenste ruimte. Het gold ook op de hele muur rondom, van binnen en van buiten, alles op maat. 18. Er waren cherubs en palmbomen op aangebracht. Tussen elke twee cherubs stond een palmboom en elke cherub had twee gezichten. 19. Aan de ene kant van de palmboom een mensengezicht en aan de andere kant een leeuwengezicht. Zo was het in heel het huis rondom gemaakt. 20. Van de grond tot boven de ingang waren de cherubs en de palmbomen aangebracht, ook op de muur van de tempel. 21. De deurposten van de tempel waren vierkant. De voorkant van het heiligdom zag er net zo uit. 22. Het houten altaar was anderhalve meter hoog en één meter lang. Het had hoeken; zijn voetstuk en zijn wanden waren van hout. Hij zei tegen mij: Dit is de tafel die voor het gezicht van de HEERE staat. 23. De tempel en het heiligdom hadden allebei twee deuren. 24. Elke deur had twee draaibare bladen: twee aan de ene deur en twee aan de andere. 25. Op de deuren van de tempel waren cherubs en palmbomen aangebracht, net als op de muren. Buiten voor de voorhal was een dikke houten luifel. 26. Bij de smalle vensters waren aan beide kanten ook palmbomen, aan de zijkanten van de voorhal. Zo was het ook bij de zijkamers van het huis en bij de dikke planken. ## Ezechiël 42 — De kamers van de priesters 1. Daarna bracht hij mij naar buiten, naar de buitenste voorhof, in noordelijke richting. Hij bracht mij bij de kamers die tegenover de afgezonderde plaats en tegenover het gebouw aan de noordkant lagen. 2. Aan de voorkant was de lengte vijftig meter, bij de noordelijke ingang. De breedte was vijfentwintig meter. 3. Tegenover de tien meter van de binnenste voorhof en tegenover het plaveisel van de buitenste voorhof lag galerij tegenover galerij, in drie lagen. 4. Voor de kamers liep een gang van vijf meter breed naar binnen toe, met een pad van een halve meter. Hun deuren keken naar het noorden. 5. De bovenste kamers waren smaller, omdat de galerijen daar meer ruimte innamen dan bij de onderste en de middelste van het gebouw. 6. Want zij lagen in drie lagen, maar hadden geen zuilen zoals de voorhoven. Daarom waren zij vanaf de grond smaller dan de onderste en de middelste. 7. De muur die aan de buitenkant langs de kamers liep, naar de buitenste voorhof toe, was vijfentwintig meter lang. 8. Want de lengte van de kamers aan de buitenste voorhof was vijfentwintig meter. En kijk, aan de kant van de tempel was het vijftig meter. 9. Onder deze kamers lag de ingang aan de oostkant, voor wie er vanuit de buitenste voorhof naar binnen gaat. 10. Langs de breedte van de muur van de voorhof aan de oostkant, tegenover de afgezonderde plaats en tegenover het gebouw, lagen ook kamers. 11. De gang ervoor zag eruit als bij de kamers aan de noordkant. Zij hadden dezelfde lengte en breedte. Ook hun uitgangen en hun deuren waren hetzelfde. 12. Zo waren ook de deuren van de kamers aan de zuidkant. Er was een deur aan het begin van de gang, langs de muur naar het oosten, waar men naar binnen gaat. 13. Toen zei hij tegen mij: De kamers aan de noordkant en de kamers aan de zuidkant, tegenover de afgezonderde plaats, zijn heilige kamers. Daar zullen de priesters die tot de HEERE naderen, de allerheiligste gaven eten. Daar zullen zij de allerheiligste gaven neerleggen, met het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer. Want die plaats is heilig. 14. Als de priesters naar binnen gegaan zijn, mogen zij niet vanuit het heiligdom naar de buitenste voorhof gaan. Zij moeten daar eerst de kleren afleggen waarin zij gediend hebben, want die zijn heilig. Zij moeten andere kleren aantrekken voordat zij bij het volk komen. 15. Toen hij klaar was met het opmeten van het binnenste huis, bracht hij mij naar buiten door de poort die naar het oosten kijkt. Hij mat het hele terrein rondom. 16. Hij mat de oostkant met de meetlat: vijfhonderd meetlatten rondom. 17. Hij mat de noordkant: vijfhonderd meetlatten met de meetlat. 18. De zuidkant mat hij: vijfhonderd meetlatten met de meetlat. 19. Hij ging naar de westkant en mat: vijfhonderd meetlatten met de meetlat. 20. Hij mat het aan alle vier de kanten. Er liep een muur rondom, vijfhonderd meetlatten lang en vijfhonderd breed. Die maakte onderscheid tussen het heilige en het gewone. ## Ezechiël 43 — De heerlijkheid komt terug 1. Toen bracht hij mij naar de poort, de poort die naar het oosten kijkt. 2. En kijk, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit het oosten. Zijn stem klonk als geweldige watermassa's en de aarde werd verlicht door Zijn heerlijkheid. 3. Het visioen dat ik zag, leek op het visioen dat ik gezien had toen Hij kwam om de stad te vernietigen. Het waren visioenen als die ik gezien had bij de rivier de Chebar. Ik viel op mijn gezicht. 4. De heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen door de poort die naar het oosten kijkt. 5. De Geest tilde mij op en bracht mij naar de binnenste voorhof. En kijk, de heerlijkheid van de HEERE vulde het huis. 6. Ik hoorde Iemand vanuit het huis tot mij spreken. De man stond naast mij. 7. Hij zei tegen mij: Mensenkind, dit is de plaats van mijn troon en de plaats waar mijn voeten staan. Hier zal ik voor altijd wonen te midden van de Israëlieten. Het volk van Israël zal mijn heilige naam niet meer onteren, zij niet en hun koningen niet. Dat deden zij met hun ontrouw en met de lijken van hun koningen op hun offerhoogten. 8. Zij zetten hun drempel naast mijn drempel en hun deurpost naast mijn deurpost. Er stond maar één muur tussen mij en hen. Zo onteerden zij mijn heilige naam met de gruwelen die zij deden. Daarom heb ik hen in mijn toorn vernietigd. 9. Nu zullen zij hun ontrouw en de lijken van hun koningen ver van mij weghalen. Dan zal ik voor altijd in hun midden wonen. 10. Mensenkind, beschrijf dit huis aan het volk van Israël. Dan zullen zij zich schamen om hun schuld. Laat hen het ontwerp opmeten. 11. Als zij zich schamen om alles wat zij gedaan hebben, maak hun dan de vorm van het huis bekend. Vertel over de indeling, de uitgangen en de ingangen, over alle vormen en alle regels, ja over alle vormen en alle wetten. Schrijf het voor hun ogen op, zodat zij heel de vorm en alle regels bewaren en doen. 12. Dit is de wet van het huis: op de top van de berg zal heel het gebied eromheen allerheiligst zijn. Kijk, dit is de wet van het huis. 13. Dit zijn de maten van het altaar. De goot eromheen was een halve meter diep en een halve meter breed. De rand aan de buitenkant was ongeveer twintig centimeter. Dit was de sokkel van het altaar. 14. Van de goot op de grond tot aan de onderste rand was het één meter, met een breedte van een halve meter. Van de kleine rand tot de grote rand was het twee meter, met een breedte van een halve meter. 15. De haard was twee meter hoog. Vanaf de haard staken vier hoorns omhoog. 16. De haard was zes meter lang en zes meter breed, vierkant aan alle vier de kanten. 17. De omlijsting was zeven meter lang en zeven meter breed, aan alle vier de kanten. De rand eromheen was vijfentwintig centimeter en de goot eromheen een halve meter. De treden lagen aan de oostkant. 18. Hij zei tegen mij: Mensenkind, dit zegt de Heere HEERE. Dit zijn de regels voor het altaar op de dag dat het gemaakt wordt. Dan brengt men er brandoffers op en sprenkelt men er bloed op. 19. De Levitische priesters, de nakomelingen van Zadok, naderen tot mij om mij te dienen, zegt de Heere HEERE. Je zult hun een jonge stier geven als zondoffer. 20. Je zult wat van zijn bloed nemen. Strijk het op de vier hoorns, op de vier hoeken van de omlijsting en op de rand eromheen. Zo zul je het altaar van zonde reinigen en verzoening ervoor doen. 21. Daarna zul je de stier van het zondoffer nemen. Men zal hem verbranden op de aangewezen plaats van het huis, buiten het heiligdom. 22. Op de tweede dag zul je een gave geitenbok offeren als zondoffer. Men zal het altaar reinigen zoals men het met de stier gereinigd heeft. 23. Als je klaar bent met reinigen, zul je een gave jonge stier en een gave ram uit de kudde offeren. 24. Je zult ze voor de HEERE brengen. De priesters zullen er zout op strooien en ze als brandoffer aan de HEERE offeren. 25. Zeven dagen lang zul je elke dag een bok als zondoffer klaarmaken. Ook zullen zij een gave jonge stier en een gave ram uit de kudde klaarmaken. 26. Zeven dagen lang zullen zij verzoening doen voor het altaar. Zij zullen het reinigen en in gebruik nemen. 27. Als die dagen voorbij zijn, zal het vanaf de achtste dag zo gaan: de priesters zullen jullie brandoffers en jullie dankoffers op het altaar klaarmaken. Dan zal ik jullie graag aannemen, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 44 — De gesloten poort en de priesters 1. Toen bracht hij mij terug naar de buitenste poort van het heiligdom, die naar het oosten kijkt. Die was gesloten. 2. De HEERE zei tegen mij: Deze poort blijft gesloten. Zij zal niet geopend worden en niemand mag erdoor naar binnen gaan. Want de HEERE, de God van Israël, is erdoor naar binnen gegaan. Daarom blijft zij gesloten. 3. Alleen de vorst mag daar zitten om brood te eten voor het gezicht van de HEERE. Hij zal via de voorhal van de poort naar binnen gaan en langs dezelfde weg weer naar buiten. 4. Daarna bracht hij mij via de noordpoort naar de voorkant van het huis. Ik keek, en kijk, de heerlijkheid van de HEERE vulde het huis van de HEERE. Toen viel ik op mijn gezicht. 5. De HEERE zei tegen mij: Mensenkind, let goed op. Kijk met je ogen en luister met je oren naar alles wat ik tegen je zeg. Het gaat over alle wetten en regels van het huis van de HEERE. Let goed op de ingang van het huis en op alle uitgangen van het heiligdom. 6. Zeg tegen die opstandelingen, tegen het volk van Israël: dit zegt de Heere HEERE. Het is genoeg geweest met al jullie gruwelen, volk van Israël. 7. Jullie hebben vreemden binnengebracht met een onbesneden hart en een onbesneden lichaam, om in mijn heiligdom te zijn en mijn huis te ontheiligen. Dat deden jullie terwijl jullie mijn brood, het vet en het bloed offerden. Zij verbraken mijn verbond, boven al jullie gruwelen. 8. Jullie hebben de zorg voor mijn heilige dingen niet op je genomen. In plaats daarvan hebben jullie anderen aangesteld om die zorg in mijn heiligdom te doen. 9. Dit zegt de Heere HEERE: geen vreemdeling met een onbesneden hart en een onbesneden lichaam mag mijn heiligdom binnengaan. Dat geldt ook als hij tussen de Israëlieten woont. 10. Maar de Levieten die ver van mij weggingen toen Israël afdwaalde, die van mij wegliepen achter hun afgoden aan, zullen hun schuld dragen. 11. Toch zullen zij dienaars zijn in mijn heiligdom. Zij zullen de wacht houden bij de poorten van het huis en het huis bedienen. Zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten. Zij zullen voor het volk staan om hen te dienen. 12. Want zij dienden het volk voor hun afgoden en brachten het volk van Israël tot schuld. Daarom heb ik mijn hand tegen hen opgeheven, zegt de Heere HEERE. Zij zullen hun schuld dragen. 13. Zij zullen niet tot mij naderen om mij als priester te dienen. Zij komen niet bij mijn heilige dingen, bij de allerheiligste gaven. Zij zullen hun schande dragen en de gruwelen die zij gedaan hebben. 14. Ik zal hen aanstellen om de zorg voor het huis te doen, voor alle dienst en voor alles wat daarin gebeurt. 15. Maar de Levitische priesters, de nakomelingen van Zadok, hielden de zorg voor mijn heiligdom toen de Israëlieten van mij afdwaalden. Zij zullen tot mij naderen om mij te dienen. Zij zullen voor mij staan om mij het vet en het bloed te offeren, zegt de Heere HEERE. 16. Zij zullen mijn heiligdom binnengaan en tot mijn tafel naderen om mij te dienen. Zij zullen mijn dienst waarnemen. 17. Als zij door de poorten van de binnenste voorhof naar binnen gaan, moeten zij linnen kleren dragen. Er mag geen wol op hen komen als zij dienen in de poorten van de binnenste voorhof en daarbinnen. 18. Zij moeten linnen tulbanden op hun hoofd dragen en linnen broeken om hun heupen. Zij mogen zich niet omgorden met iets waarin zij gaan zweten. 19. Als zij naar de buitenste voorhof gaan, naar het volk, moeten zij de kleren uittrekken waarin zij gediend hebben. Zij moeten die in de heilige kamers leggen en andere kleren aantrekken. Zo zullen zij het volk niet heilig maken met hun kleren. 20. Zij mogen hun hoofd niet kaalscheren en hun haar niet lang laten groeien. Zij moeten hun haar netjes bijknippen. 21. Geen priester mag wijn drinken als hij de binnenste voorhof binnengaat. 22. Zij mogen geen weduwe of verstoten vrouw trouwen. Zij moeten trouwen met jonge vrouwen uit het volk van Israël, of met de weduwe van een priester. 23. Zij zullen mijn volk het verschil leren tussen heilig en gewoon. Zij zullen hun het verschil tussen onrein en rein bekendmaken. 24. Bij een rechtszaak zullen zij rechtspreken. Zij zullen oordelen naar mijn regels. Zij zullen mijn wetten en mijn voorschriften houden bij al mijn feesten en mijn sabbatten heilig houden. 25. Geen van hen mag bij een dode komen en zich zo onrein maken. Alleen om een vader, een moeder, een zoon, een dochter, een broer of een ongetrouwde zus mogen zij zich onrein maken. 26. Na zijn reiniging moeten zij voor hem zeven dagen tellen. 27. Op de dag dat hij het heilige binnengaat, de binnenste voorhof, om daar te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, zegt de Heere HEERE. 28. Dit zal hun erfdeel zijn: ik ben hun erfdeel. Daarom moeten jullie hun geen grondbezit in Israël geven. Ik ben hun bezit. 29. Zij zullen het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer eten. Ook alles wat in Israël aan de HEERE gewijd is, zal van hen zijn. 30. De eerste opbrengst van alles en elke offergave van jullie gaven zullen voor de priesters zijn. Ook het eerste van jullie deeg moeten jullie aan de priester geven, zodat er zegen op je huis rust. 31. De priesters mogen geen gestorven of verscheurd dier eten, niet van vogels en niet van vee. ## Ezechiël 45 — Het heilige deel van het land 1. Als jullie het land als erfdeel verdelen, moeten jullie een deel van het land aan de HEERE geven als heilige plaats. Het moet ongeveer dertien kilometer lang en vijf kilometer breed zijn. Heel dat gebied zal heilig zijn. 2. Daarvan is voor het heiligdom een vierkant van tweehonderdvijftig meter bij tweehonderdvijftig meter. Daaromheen komt een open ruimte van vijfentwintig meter. 3. Van dat gebied moeten jullie een strook afmeten van ongeveer dertien kilometer lang en vijf kilometer breed. Daarin zal het heiligdom staan met het allerheiligste. 4. Dat zal het heilige deel van het land zijn. Het is voor de priesters die in het heiligdom dienen en tot de HEERE naderen. Daar zullen hun huizen staan en daar is de heilige plaats voor het heiligdom. 5. Ook de Levieten, de dienaars van het huis, krijgen een strook van ongeveer dertien kilometer lang en vijf kilometer breed. Dat is hun bezit, met twintig kamers. 6. Als bezit van de stad moeten jullie een strook geven van ruim twee kilometer breed en ongeveer dertien kilometer lang, naast het heilige deel. Dat zal voor heel het volk van Israël zijn. 7. De vorst krijgt zijn deel aan beide kanten van het heilige deel en van het bezit van de stad. Het ligt langs het heilige deel en langs het bezit van de stad. Het loopt van de westkant naar het westen en van de oostkant naar het oosten. De lengte is gelijk aan die van de andere delen, van de westgrens tot de oostgrens. 8. Dit land zal zijn bezit zijn in Israël. Mijn vorsten zullen mijn volk niet meer onderdrukken, maar het land aan het volk van Israël laten, verdeeld over hun stammen. 9. Dit zegt de Heere HEERE: het is genoeg geweest, vorsten van Israël. Doe geweld en onderdrukking weg en doe recht en gerechtigheid. Houd op met het verdrijven van mijn volk, zegt de Heere HEERE. 10. Jullie moeten een eerlijke weegschaal hebben en eerlijke maten voor droge en voor natte waren. 11. De maat voor droge waren en de maat voor natte waren moeten gelijk zijn. Beide moeten een tiende deel zijn van de grote maat van ongeveer tweehonderdtwintig liter. 12. Het zilverstuk weegt ongeveer twaalf gram. Zestig zilverstukken vormen samen een pond. 13. Dit is de gave die jullie moeten brengen. Van tweehonderdtwintig liter tarwe geven jullie ongeveer vier liter. Van tweehonderdtwintig liter gerst geven jullie ook ongeveer vier liter. 14. Voor de olie geldt dit: van elke tweehonderdtwintig liter geven jullie ongeveer twee liter. 15. Verder geven jullie één lam uit elke tweehonderd dieren van de kudde, uit het waterrijke land van Israël. Dat is voor het graanoffer, het brandoffer en de dankoffers, om verzoening voor hen te doen, zegt de Heere HEERE. 16. Heel het volk van het land moet deze gave brengen aan de vorst in Israël. 17. De vorst zal de brandoffers, het graanoffer en het drankoffer brengen. Dat doet hij op de feesten, op de nieuwe maanden en op de sabbatten van het volk van Israël. Hij zal het zondoffer, het graanoffer, het brandoffer en de dankoffers brengen om verzoening te doen voor het volk van Israël. 18. Dit zegt de Heere HEERE: in de eerste maand, op de eerste dag van de maand, moeten jullie een gave jonge stier nemen. Daarmee moeten jullie het heiligdom van zonde reinigen. 19. De priester zal wat bloed van het zondoffer nemen. Hij zal dat strijken op de deurposten van het huis en op de vier hoeken van de omlijsting van het altaar. Ook strijkt hij het op de deurposten van de binnenste poort. 20. Hetzelfde moeten jullie doen op de zevende dag van die maand, voor wie per ongeluk of uit onwetendheid gezondigd heeft. Zo moeten jullie verzoening doen voor het huis. 21. In de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, vieren jullie het paasfeest. Het is een feest van zeven dagen; men eet dan ongezuurde broden. 22. Op die dag zal de vorst voor zichzelf en voor heel het volk van het land een stier klaarmaken als zondoffer. 23. De zeven dagen van het feest zal hij elke dag een brandoffer aan de HEERE brengen. Dat zijn zeven gave stieren en zeven gave rammen per dag. Ook brengt hij elke dag een geitenbok als zondoffer. 24. Ook zal hij een graanoffer klaarmaken: ongeveer twintig liter meel bij elke stier en twintig liter bij elke ram. Daarbij komt ongeveer vier liter olie per twintig liter meel. 25. In de zevende maand, op de vijftiende dag van de maand, zal hij op het feest hetzelfde doen, zeven dagen lang. Dat geldt voor het zondoffer, het brandoffer, het graanoffer en de olie. ## Ezechiël 46 — De offers van de vorst 1. Dit zegt de Heere HEERE: de poort van de binnenste voorhof die naar het oosten kijkt, blijft de zes werkdagen gesloten. Maar op de sabbat wordt zij geopend. Ook op de dag van de nieuwe maan wordt zij geopend. 2. De vorst zal van buiten door de voorhal van die poort naar binnen gaan. Hij zal bij de deurpost van de poort gaan staan. De priesters zullen zijn brandoffers en zijn dankoffers klaarmaken. Hij zal aanbidden op de drempel van de poort en daarna weggaan. Maar de poort blijft open tot de avond. 3. Ook het volk van het land zal bij de ingang van die poort aanbidden voor het gezicht van de HEERE. Dat doen zij op de sabbatten en op de nieuwe manen. 4. Het brandoffer dat de vorst op de sabbat aan de HEERE brengt, bestaat uit zes gave lammeren en een gave ram. 5. Het graanoffer is ongeveer twintig liter meel bij de ram. Bij de lammeren mag hij geven wat hij kan missen. Daarbij komt ongeveer vier liter olie per twintig liter meel. 6. Op de dag van de nieuwe maan brengt hij een gave jonge stier, zes lammeren en een ram. Zij moeten allemaal gaaf zijn. 7. Als graanoffer maakt hij ongeveer twintig liter meel klaar bij de stier en twintig liter bij de ram. Bij de lammeren geeft hij wat hij kan missen. Daarbij komt ongeveer vier liter olie per twintig liter meel. 8. Als de vorst naar binnen gaat, gaat hij door de voorhal van de poort naar binnen. Langs dezelfde weg gaat hij weer naar buiten. 9. Maar als het volk van het land op de feesten voor de HEERE komt, gaat het anders. Wie door de noordpoort naar binnen gaat om te aanbidden, gaat door de zuidpoort weer naar buiten. Wie door de zuidpoort naar binnen gaat, gaat door de noordpoort weer naar buiten. Niemand keert terug door de poort waardoor hij binnenkwam; ieder loopt recht vooruit naar buiten. 10. De vorst gaat in hun midden naar binnen als zij naar binnen gaan. Als zij weggaan, gaan zij samen weg. 11. Op de feesten en op de vastgestelde dagen is het graanoffer ongeveer twintig liter meel bij een stier en twintig liter bij een ram. Bij de lammeren geeft hij wat hij kan missen. Daarbij komt ongeveer vier liter olie per twintig liter meel. 12. Soms brengt de vorst een vrijwillig offer aan de HEERE, een brandoffer of dankoffers. Dan opent men voor hem de poort die naar het oosten kijkt. Hij zal zijn brandoffer en zijn dankoffers brengen zoals hij dat op de sabbat doet. Als hij weer naar buiten gaat, sluit men de poort achter hem. 13. Verder moeten jullie elke dag een gaaf eenjarig lam klaarmaken als brandoffer voor de HEERE. Elke morgen moeten jullie dat doen. 14. Daarbij moeten jullie elke morgen een graanoffer brengen van ongeveer vier liter meel, met ongeveer anderhalve liter olie om het meel te bevochtigen. Dat is een graanoffer voor de HEERE, een blijvende regel voor altijd. 15. Zo zullen zij elke morgen het lam, het graanoffer en de olie klaarmaken als een dagelijks brandoffer. 16. Dit zegt de Heere HEERE: als de vorst aan een van zijn zonen iets van zijn erfdeel geeft, dan zal dat van zijn zonen zijn. Het wordt hun bezit als erfdeel. 17. Maar als hij iets van zijn erfdeel aan een van zijn dienaren geeft, dan blijft dat van hem tot het jaar van vrijlating. Daarna gaat het terug naar de vorst. Het is immers zijn erfdeel; alleen zijn zonen mogen het houden. 18. De vorst zal niets van het erfdeel van het volk afnemen om hen van hun bezit te beroven. Uit zijn eigen bezit zal hij zijn zonen een erfdeel nalaten. Zo raakt niemand van mijn volk zijn erfdeel kwijt. 19. Daarna bracht hij mij door de ingang naast de poort naar de heilige kamers van de priesters, die naar het noorden kijken. En kijk, daar was aan de westkant aan beide zijden een plek. 20. Hij zei tegen mij: Dit is de plek waar de priesters het schuldoffer en het zondoffer koken en waar zij het graanoffer bakken. Zo hoeven zij het niet naar de buitenste voorhof te brengen en het volk heilig te maken. 21. Toen bracht hij mij naar de buitenste voorhof en leidde mij langs de vier hoeken van de voorhof. En kijk, in elke hoek van de voorhof lag een klein binnenplaatsje. 22. In de vier hoeken van de voorhof lagen ommuurde plaatsjes van twintig meter lang en vijftien meter breed. Alle vier de hoekplaatsjes hadden dezelfde maat. 23. Rondom liep in alle vier een lage muur. Onderaan die muren waren rondom kookplaatsen gemaakt. 24. Hij zei tegen mij: Dit zijn de keukens waar de dienaars van het huis het slachtoffer van het volk zullen koken. ## Ezechiël 47 — Het water uit de tempel 1. Daarna bracht hij mij terug naar de ingang van het huis. En kijk, er stroomde water naar buiten, onder de drempel van het huis vandaan, naar het oosten. Want de voorkant van het huis lag op het oosten. Het water liep omlaag aan de rechterkant van het huis, ten zuiden van het altaar. 2. Hij bracht mij naar buiten via de noordpoort en leidde mij aan de buitenkant om naar de buitenpoort die naar het oosten kijkt. En kijk, het water borrelde op aan de rechterkant. 3. De man ging naar het oosten met een meetlint in zijn hand. Hij mat vijfhonderd meter en liet mij door het water lopen. Het water kwam tot aan mijn enkels. 4. Toen mat hij nog eens vijfhonderd meter en liet mij door het water lopen. Het water kwam tot aan mijn knieën. Hij mat nog eens vijfhonderd meter en liet mij erdoor lopen. Het water kwam tot aan mijn middel. 5. Verder mat hij nog eens vijfhonderd meter. Toen was het een rivier waar ik niet doorheen kon. Het water was zo hoog dat je moest zwemmen; het was een rivier waar je niet doorheen kon waden. 6. Hij zei tegen mij: Heb je het gezien, mensenkind? Toen bracht hij mij terug naar de oever van de rivier. 7. Toen ik terugkwam, kijk, stonden er heel veel bomen aan de oever van de rivier, aan beide kanten. 8. Hij zei tegen mij: Dit water stroomt naar het oosten en daalt af naar de Jordaanvlakte. Daarna komt het in de zee. Als het in de zee uitstroomt, wordt het water daar gezond. 9. Ja, overal waar deze rivier komt, zal alles wat leeft en wemelt in leven blijven. Er zal heel veel vis zijn, want dit water komt daar en maakt alles gezond. Alles waar de rivier komt, zal leven. 10. Ook zullen er vissers langs de oever staan, van En-Gedi tot En-Eglaïm. Daar zullen plekken zijn om netten te drogen. Er zullen allerlei soorten vis zijn, net als in de grote zee, heel veel. 11. Maar de moerassen en de poelen zullen niet gezond worden. Die blijven bestemd voor zout. 12. Aan de oever van de rivier zullen aan beide kanten allerlei vruchtbomen groeien. Hun blad zal niet verwelken en hun vrucht zal niet opraken. Elke maand zullen zij nieuwe vruchten geven, want hun water komt uit het heiligdom. Hun vrucht zal dienen als voedsel en hun blad als medicijn. 13. Dit zegt de Heere HEERE: dit is de grens waarbinnen jullie het land als erfdeel zullen verdelen onder de twaalf stammen van Israël. Jozef krijgt twee delen. 14. Jullie zullen het erven, ieder een gelijk deel. Ik heb mijn hand opgestoken om het aan jullie vaderen te geven. Dit land zal jullie erfdeel zijn. 15. Dit is de grens van het land. Aan de noordkant loopt zij vanaf de grote zee via Hethlon tot waar men bij Zedad komt. 16. Dan naar Hamath, Berotha en Sibraïm, dat tussen het gebied van Damaskus en het gebied van Hamath ligt. Dan naar Hazar-Hattichon, dat aan het gebied van Havran ligt. 17. Zo zal de grens lopen van de zee tot Hazar-Enon, langs het gebied van Damaskus en verder noordwaarts langs het gebied van Hamath. Dat is de noordgrens. 18. De oostgrens zullen jullie meten tussen Havran en Damaskus en tussen Gilead en het land van Israël. Zij loopt langs de Jordaan, van de noordgrens tot aan de oostelijke zee. Dat is de oostgrens. 19. De zuidgrens loopt vanaf Thamar tot aan het water van Meriba bij Kades, dan langs de beek tot aan de grote zee. Dat is de zuidgrens. 20. De westgrens is de grote zee, van de zuidgrens tot recht tegenover de weg naar Hamath. Dat is de westgrens. 21. Dit land zullen jullie onder elkaar verdelen, naar de stammen van Israël. 22. Jullie zullen het als erfdeel verdelen onder jezelf en onder de vreemdelingen die bij jullie wonen en bij jullie kinderen gekregen hebben. Zij zullen voor jullie zijn als geboren Israëlieten. Met jullie samen zullen zij een erfdeel krijgen te midden van de stammen van Israël. 23. In de stam waar de vreemdeling woont, moeten jullie hem zijn erfdeel geven, zegt de Heere HEERE. ## Ezechiël 48 — Het land verdeeld en de naam van de stad 1. Dit zijn de namen van de stammen. In het uiterste noorden loopt de grens langs de weg van Hethlon tot waar men bij Hamath komt. Zij gaat verder naar Hazar-Enan aan het gebied van Damaskus, noordwaarts langs Hamath. Daar krijgt Dan één deel, van de oostkant tot de westkant. 2. Naast het gebied van Dan, van de oostkant tot de westkant: Aser één deel. 3. Naast het gebied van Aser, van de oostkant tot de westkant: Naftali één deel. 4. Naast het gebied van Naftali, van de oostkant tot de westkant: Manasse één deel. 5. Naast het gebied van Manasse, van de oostkant tot de westkant: Efraïm één deel. 6. Naast het gebied van Efraïm, van de oostkant tot de westkant: Ruben één deel. 7. Naast het gebied van Ruben, van de oostkant tot de westkant: Juda één deel. 8. Naast het gebied van Juda, van de oostkant tot de westkant, ligt het deel dat jullie moeten afzonderen. Het is ongeveer dertien kilometer breed en even lang als een van de andere delen. Het heiligdom komt in het midden ervan te staan. 9. Het deel dat jullie aan de HEERE afzonderen, is ongeveer dertien kilometer lang en vijf kilometer breed. 10. Daarin ligt het heilige deel voor de priesters. Het is aan de noordkant ongeveer dertien kilometer lang en aan de zuidkant ook. Aan de westkant is het vijf kilometer breed en aan de oostkant ook. Het heiligdom van de HEERE staat in het midden. 11. Het is voor de priesters uit de nakomelingen van Zadok, die geheiligd zijn. Zij hielden de zorg voor mijn dienst. Zij dwaalden niet af toen de Israëlieten afdwaalden, zoals de andere Levieten wel deden. 12. Dit afgezonderde deel van het land zal voor hen allerheiligst zijn, naast het gebied van de Levieten. 13. Tegenover het gebied van de priesters krijgen de Levieten een strook van ongeveer dertien kilometer lang en vijf kilometer breed. De hele lengte is dertien kilometer en de breedte vijf kilometer. 14. Zij mogen daar niets van verkopen, niet ruilen en niet overdragen. Het beste deel van het land mag niet in andere handen komen, want het is heilig voor de HEERE. 15. De strook die overblijft, ruim twee kilometer breed en dertien kilometer lang, is gewoon gebied. Die is voor de stad, om er te wonen en voor weidegrond. De stad komt in het midden daarvan te liggen. 16. Dit zullen haar maten zijn. De noordkant en de zuidkant zijn ruim twee kilometer. De oostkant en de westkant zijn ook ruim twee kilometer. 17. De weidegrond van de stad zal aan alle vier de kanten honderdvijfentwintig meter breed zijn. 18. Wat er in de lengte overblijft langs het heilige deel, is vijf kilometer naar het oosten en vijf kilometer naar het westen. Het ligt langs het heilige deel. De opbrengst daarvan is voor het levensonderhoud van wie in de stad werken. 19. Wie in de stad werken, komen uit alle stammen van Israël. 20. Het hele afgezonderde deel is ongeveer dertien kilometer bij dertien kilometer. Vierkant moeten jullie dit heilige deel afzonderen, samen met het bezit van de stad. 21. Wat overblijft, is voor de vorst, aan beide kanten van het heilige deel en van het bezit van de stad. Het loopt langs de dertien kilometer van het afgezonderde deel tot aan de oostgrens. Aan de andere kant loopt het tot aan de westgrens, naast de andere delen. Dat zal voor de vorst zijn. Het heilige deel met het heiligdom van het huis ligt in het midden daarvan. 22. Zo ligt het bezit van de Levieten en het bezit van de stad midden in het gebied van de vorst. Alles tussen het gebied van Juda en het gebied van Benjamin zal van de vorst zijn. 23. Dit zijn de overige stammen. Van de oostkant tot de westkant: Benjamin één deel. 24. Naast het gebied van Benjamin, van de oostkant tot de westkant: Simeon één deel. 25. Naast het gebied van Simeon, van de oostkant tot de westkant: Issaschar één deel. 26. Naast het gebied van Issaschar, van de oostkant tot de westkant: Zebulon één deel. 27. Naast het gebied van Zebulon, van de oostkant tot de westkant: Gad één deel. 28. Naast het gebied van Gad loopt aan de zuidkant de grens vanaf Thamar naar het water van Meriba bij Kades. Daarna gaat zij langs de beek tot aan de grote zee. 29. Dit is het land dat jullie als erfdeel moeten verdelen onder de stammen van Israël. Dit zijn hun delen, zegt de Heere HEERE. 30. Dit zijn de uitgangen van de stad. Aan de noordkant is zij ruim twee kilometer lang. 31. De poorten van de stad dragen de namen van de stammen van Israël. Aan de noordkant zijn drie poorten: een poort van Ruben, een poort van Juda en een poort van Levi. 32. Aan de oostkant is zij ruim twee kilometer lang, met drie poorten: een poort van Jozef, een poort van Benjamin en een poort van Dan. 33. De zuidkant is ook ruim twee kilometer lang, met drie poorten: een poort van Simeon, een poort van Issaschar en een poort van Zebulon. 34. De westkant is ruim twee kilometer lang, met drie poorten: een poort van Gad, een poort van Aser en een poort van Naftali. 35. De omtrek is ongeveer negen kilometer. En vanaf die dag zal de naam van de stad zijn: DE HEERE IS DAAR. ## Daniël 1 — Vier jonge mannen aan het hof 1. In het derde jaar van de regering van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem. Hij belegerde de stad. 2. De HEERE gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en ook een deel van de voorwerpen uit het huis van God. Hij bracht ze naar het land Sinear, naar het huis van zijn god. De voorwerpen bracht hij in de schatkamer van zijn god. 3. De koning zei tegen Aspenaz, het hoofd van zijn hofdienaren, dat hij een aantal Israëlieten moest uitkiezen. Zij moesten uit de koninklijke familie en uit de adel komen. 4. Het moesten jonge mannen zijn zonder enig gebrek, knap om te zien, wijs en verstandig, met kennis en inzicht. Zij moesten geschikt zijn om aan het hof van de koning te dienen. Men moest hun de boeken en de taal van de Chaldeeën leren. 5. De koning bepaalde wat zij elke dag zouden krijgen van het eten van de koning en van de wijn die hij dronk. Drie jaar lang moesten zij zo opgeleid worden. Daarna zouden zij bij de koning in dienst komen. 6. Onder hen waren uit de stam Juda: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. 7. Het hoofd van de hofdienaren gaf hun andere namen. Daniël noemde hij Beltsazar, Hananja noemde hij Sadrach, Misaël noemde hij Mesach en Azarja noemde hij Abed-Nego. 8. Daniël nam zich in zijn hart voor dat hij zich niet onrein zou maken. Hij wilde niet eten van het eten van de koning en niet drinken van zijn wijn. Daarom vroeg hij het hoofd van de hofdienaren of hij zich niet onrein hoefde te maken. 9. God zorgde ervoor dat het hoofd van de hofdienaren Daniël goedgezind was. 10. Maar het hoofd van de hofdienaren zei tegen Daniël: Ik ben bang voor mijn heer, de koning. Hij heeft bepaald wat jullie moeten eten en drinken. Waarom zou hij zien dat jullie er slechter uitzien dan de andere jonge mannen van jullie leeftijd? Dan breng je mijn hoofd in gevaar bij de koning. 11. Toen zei Daniël tegen de opzichter die het hoofd van de hofdienaren over Daniël, Hananja, Misaël en Azarja had aangesteld: 12. Doe met uw dienaren tien dagen lang een proef. Geef ons groente te eten en water te drinken. 13. Kijk daarna hoe wij eruitzien en hoe de jonge mannen eruitzien die het eten van de koning eten. Doe dan met uw dienaren wat u goeddunkt. 14. Hij luisterde naar hen in deze zaak en deed tien dagen lang de proef. 15. Na die tien dagen zag men dat zij er beter uitzagen. Zij waren gezonder dan alle jonge mannen die het eten van de koning aten. 16. Zo nam de opzichter hun eten en hun wijn weg en gaf hun groente. 17. Aan deze vier jonge mannen gaf God kennis en inzicht in alle boeken, en wijsheid. En Daniël gaf Hij inzicht in allerlei visioenen en dromen. 18. Toen de tijd voorbij was die de koning had genoemd om hen voor te stellen, bracht het hoofd van de hofdienaren hen bij Nebukadnezar. 19. De koning sprak met hen. Onder hen allen was er niemand als Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. Zo kwamen zij bij de koning in dienst. 20. De koning stelde hun allerlei vragen van wijsheid en inzicht. Hij vond hen tien keer beter dan alle magiërs en sterrenwichelaars in zijn koninkrijk. 21. Daniël bleef daar tot het eerste jaar van koning Kores. ## Daniël 2 — De droom van het grote beeld 1. In het tweede jaar van de regering van Nebukadnezar had Nebukadnezar dromen. Zijn geest raakte daarvan in de war en hij kon niet meer slapen. 2. De koning liet de magiërs, de sterrenwichelaars, de bezweerders en de Chaldeeën roepen om hem zijn dromen uit te leggen. Zij kwamen en gingen voor de koning staan. 3. De koning zei tegen hen: Ik heb een droom gehad. Mijn geest is onrustig, want ik wil weten wat die droom betekent. 4. Toen spraken de Chaldeeën tot de koning in het Aramees: Koning, leef voor altijd! Vertel uw dienaren de droom, dan zullen wij de uitleg geven. 5. De koning antwoordde de Chaldeeën: Mijn besluit staat vast. Als jullie mij de droom en de uitleg niet bekendmaken, worden jullie in stukken gehakt en worden jullie huizen tot een puinhoop gemaakt. 6. Maar als jullie de droom en de uitleg wel bekendmaken, dan krijgen jullie van mij geschenken, gaven en grote eer. Vertel mij dus de droom en de uitleg. 7. Zij antwoordden voor de tweede keer: Laat de koning zijn dienaren de droom vertellen, dan zullen wij de uitleg geven. 8. De koning antwoordde: Ik weet zeker dat jullie tijd proberen te rekken, omdat jullie zien dat mijn besluit vaststaat. 9. Als jullie mij die droom niet bekendmaken, geldt er voor jullie één vonnis. Jullie hebben afgesproken leugens en verzinsels tegen mij te zeggen tot de tijd verandert. Vertel mij dus de droom. Dan weet ik dat jullie mij ook de uitleg kunnen geven. 10. De Chaldeeën antwoordden de koning: Er is geen mens op aarde die kan doen wat de koning vraagt. Geen enkele koning, hoe groot of machtig ook, heeft ooit zoiets gevraagd aan een magiër, een sterrenwichelaar of een Chaldeeër. 11. Wat de koning vraagt, is te moeilijk. Er is niemand die het de koning kan vertellen, behalve de goden, en die wonen niet bij de mensen. 12. Daarom werd de koning woedend en razend. Hij beval dat men alle wijzen in Babel moest doden. 13. Het bevel ging uit en de wijzen werden gedood. Ook Daniël en zijn vrienden werden gezocht om gedood te worden. 14. Toen sprak Daniël verstandig en voorzichtig met Arioch, het hoofd van de lijfwacht van de koning. Die was op weg om de wijzen van Babel te doden. 15. Hij vroeg Arioch, de bevelhebber van de koning: Waarom is dit bevel van de koning zo streng? Toen legde Arioch de zaak aan Daniël uit. 16. Daniël ging naar binnen en vroeg de koning om hem tijd te geven, zodat hij de koning de uitleg kon geven. 17. Toen ging Daniël naar zijn huis en vertelde de zaak aan zijn vrienden Hananja, Misaël en Azarja. 18. Zij moesten de God van de hemel om ontferming vragen over dit geheim. Zo zouden Daniël en zijn vrienden niet met de andere wijzen van Babel omkomen. 19. Toen werd het geheim aan Daniël geopenbaard in een nachtvisioen. Daniël prees de God van de hemel. 20. Daniël zei: Geprezen zij de naam van God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Want van Hem is de wijsheid en de kracht. 21. Want Hij verandert de tijden en de seizoenen. Hij zet koningen af en Hij stelt koningen aan. Hij geeft de wijzen wijsheid en kennis aan wie inzicht hebben. 22. Hij onthult diepe en verborgen dingen. Hij weet wat in het donker is, want het licht woont bij Hem. 23. Ik dank en prijs U, God van mijn vaderen. Want U hebt mij wijsheid en kracht gegeven. U hebt mij nu bekendgemaakt wat wij U gevraagd hebben. U hebt ons de zaak van de koning bekendgemaakt. 24. Daarom ging Daniël naar Arioch, die de koning aangesteld had om de wijzen van Babel te doden. Hij zei tegen hem: Dood de wijzen van Babel niet. Breng mij bij de koning, dan zal ik de koning de uitleg geven. 25. Toen bracht Arioch Daniël haastig bij de koning. Hij zei tegen hem: Ik heb tussen de ballingen uit Juda een man gevonden die de koning de uitleg kan geven. 26. De koning zei tegen Daniël, die Beltsazar heette: Kun jij mij de droom bekendmaken die ik gezien heb, en de uitleg ervan? 27. Daniël antwoordde de koning: Het geheim dat de koning vraagt, kunnen de wijzen, de sterrenwichelaars, de magiërs en de waarzeggers de koning niet vertellen. 28. Maar er is een God in de hemel die geheimen onthult. Hij heeft koning Nebukadnezar bekendgemaakt wat er aan het einde van de dagen zal gebeuren. Uw droom en de beelden die u op uw bed zag, waren deze. 29. Koning, toen u op uw bed lag, kwamen er gedachten bij u op over wat hierna zou gebeuren. En Hij die geheimen onthult, heeft u laten weten wat er zal gebeuren. 30. Aan mij is dit geheim onthuld, niet omdat ik wijzer ben dan alle levenden. Het gebeurde zodat de koning de uitleg zou horen en zodat u zou begrijpen wat er in uw hart omging. 31. Koning, u keek en kijk, daar stond een groot beeld. Dat beeld was enorm en het glansde bijzonder. Het stond tegenover u en het zag er angstaanjagend uit. 32. Het hoofd van dit beeld was van zuiver goud, zijn borst en zijn armen van zilver, zijn buik en zijn heupen van brons. 33. Zijn benen waren van ijzer en zijn voeten deels van ijzer en deels van klei. 34. Dit zag u, totdat er een steen werd losgemaakt zonder dat een mensenhand eraan te pas kwam. Die steen sloeg het beeld op zijn voeten van ijzer en klei en verbrijzelde ze. 35. Toen werden het ijzer, de klei, het brons, het zilver en het goud samen verbrijzeld. Zij werden als kaf op de dorsvloer in de zomer; de wind nam ze mee en er bleef niets van over. Maar de steen die het beeld geslagen had, werd een grote berg die de hele aarde vulde. 36. Dit is de droom. Nu zullen wij de koning de uitleg geven. 37. Koning, u bent de koning der koningen. Want de God van de hemel heeft u een koninkrijk, macht, kracht en eer gegeven. 38. Overal waar mensen wonen, heeft Hij de dieren van het veld en de vogels van de hemel in uw hand gegeven. Hij heeft u over alles aangesteld als heerser. U bent dat gouden hoofd. 39. Na u zal een ander koninkrijk opstaan, minder dan het uwe. Daarna komt een derde koninkrijk van brons, dat over heel de aarde zal heersen. 40. Het vierde koninkrijk zal hard zijn als ijzer. Want ijzer verbrijzelt en verplettert alles. Zoals ijzer alles stukslaat, zo zal dat koninkrijk verbrijzelen en stukslaan. 41. U zag de voeten en de tenen, deels van pottenbakkersklei en deels van ijzer. Dat zal een verdeeld koninkrijk zijn. Toch zal er iets van de hardheid van ijzer in zitten; daarom zag u ijzer vermengd met natte klei. 42. De tenen van de voeten waren deels van ijzer en deels van klei. Dat koninkrijk zal deels sterk zijn en deels breekbaar. 43. U zag ijzer vermengd met natte klei. Zij zullen zich wel door huwelijken vermengen, maar zij zullen niet aan elkaar hechten, net zoals ijzer zich niet met klei vermengt. 44. In de dagen van die koningen zal de God van de hemel een Koninkrijk laten opkomen dat nooit vernietigd zal worden. Dat Koninkrijk zal niet aan een ander volk overgelaten worden. Het zal al die koninkrijken verbrijzelen en er een einde aan maken, maar zelf zal het voor altijd bestaan. 45. Daarom zag u dat er uit de berg een steen werd losgemaakt zonder mensenhanden. Die verbrijzelde het ijzer, het brons, de klei, het zilver en het goud. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat hierna zal gebeuren. De droom is waar en de uitleg is betrouwbaar. 46. Toen viel koning Nebukadnezar op zijn gezicht en boog zich voor Daniël. Hij gaf bevel dat men hem een graanoffer en aangename wierook zou brengen. 47. De koning zei tegen Daniël: Het is waar: jullie God is de God van de goden en de Heer van de koningen. Hij onthult geheimen, want u kon dit geheim onthullen. 48. Toen maakte de koning Daniël groot. Hij gaf hem veel grote geschenken. Hij stelde hem aan als heerser over heel het gewest Babel en als hoofd over alle wijzen van Babel. 49. Daniël vroeg de koning iets, en die stelde Sadrach, Mesach en Abed-Nego aan over het bestuur van het gewest Babel. Maar Daniël zelf bleef aan het hof van de koning. ## Daniël 3 — De oven van vuur 1. Koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud. Het was dertig meter hoog en drie meter breed. Hij zette het neer in het dal Dura, in het gewest Babel. 2. Koning Nebukadnezar stuurde boden om iedereen bijeen te roepen. Het waren de stadhouders, de bestuurders, de landvoogden en de raadsheren. Ook de schatmeesters, de rechters, de ambtenaren en alle heersers van de gewesten moesten komen. Zij moesten komen voor de inwijding van het beeld dat koning Nebukadnezar had neergezet. 3. Toen kwamen de stadhouders, de bestuurders, de landvoogden en de raadsheren bijeen voor de inwijding. Ook de schatmeesters, de rechters, de ambtenaren en alle heersers van de gewesten kwamen. Zij gingen staan voor het beeld dat Nebukadnezar had neergezet. 4. Een heraut riep luid: Aan jullie wordt bevolen, volken en naties en talen! 5. Straks horen jullie het geluid van hoorn, fluit, citer, luit, harp, doedelzak en allerlei andere muziek. Dan moeten jullie neervallen en het gouden beeld aanbidden dat koning Nebukadnezar heeft neergezet. 6. Wie niet neervalt en aanbidt, wordt op datzelfde moment in de brandende oven gegooid. 7. Daarom vielen alle volken, naties en talen op dat moment neer. Zij hoorden het geluid van hoorn, fluit, citer, luit, harp en allerlei andere muziek. Zij aanbaden het gouden beeld dat koning Nebukadnezar had neergezet. 8. Op datzelfde moment kwamen er Chaldeeuwse mannen naar voren die de Judeeërs openlijk beschuldigden. 9. Zij zeiden tegen koning Nebukadnezar: Koning, leef voor altijd! 10. Koning, u hebt bevolen dat iedereen moet neervallen en het gouden beeld moet aanbidden. Dat moet zodra men het geluid hoort van hoorn, fluit, citer, luit, harp, doedelzak en allerlei andere muziek. 11. En wie niet neervalt en aanbidt, moet in de brandende oven gegooid worden. 12. Er zijn Judese mannen die u aangesteld hebt over het bestuur van het gewest Babel: Sadrach, Mesach en Abed-Nego. Koning, deze mannen letten niet op u. Zij dienen uw goden niet en zij aanbidden het gouden beeld niet dat u hebt neergezet. 13. Toen beval Nebukadnezar in woede en razernij dat men Sadrach, Mesach en Abed-Nego moest halen. Die mannen werden bij de koning gebracht. 14. Nebukadnezar zei tegen hen: Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-Nego? Dienen jullie mijn goden niet en aanbidden jullie het gouden beeld niet dat ik heb neergezet? 15. Welnu, straks horen jullie de muziek. Als jullie dan klaarstaan om neer te vallen en het beeld te aanbidden dat ik gemaakt heb, dan is het goed. Maar als jullie het niet aanbidden, worden jullie op datzelfde moment in de brandende oven gegooid. En welke god zou jullie uit mijn handen kunnen redden? 16. Sadrach, Mesach en Abed-Nego antwoordden koning Nebukadnezar: Wij hoeven u hierop geen antwoord te geven. 17. Als het zo moet zijn, kan onze God die wij dienen ons redden uit de brandende oven. Koning, Hij zal ons uit uw hand redden. 18. En zo niet, dan moet u weten, koning: wij zullen uw goden niet dienen. Wij zullen ook het gouden beeld niet aanbidden dat u hebt neergezet. 19. Toen werd Nebukadnezar woedend en zijn gezicht veranderde tegenover Sadrach, Mesach en Abed-Nego. Hij beval dat men de oven zeven keer heter zou stoken dan gewoonlijk. 20. Tegen de sterkste mannen van zijn leger zei hij dat zij Sadrach, Mesach en Abed-Nego moesten vastbinden en in de brandende oven moesten gooien. 21. Toen werden die mannen vastgebonden in hun mantels, hun broeken, hun tulbanden en hun andere kleren. Zij gooiden hen midden in de brandende oven. 22. Het bevel van de koning was dringend en de oven was heel heet. Daarom doodden de vlammen de mannen die Sadrach, Mesach en Abed-Nego optilden. 23. Maar die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abed-Nego, vielen vastgebonden midden in de brandende oven. 24. Toen schrok koning Nebukadnezar. Hij stond haastig op en zei tegen zijn raadsheren: Hebben wij geen drie mannen vastgebonden midden in het vuur gegooid? Zij antwoordden de koning: Zeker, koning. 25. Hij zei: Kijk, ik zie vier mannen los rondlopen midden in het vuur. Zij mankeren niets. En de vierde ziet eruit als een zoon van de goden. 26. Toen kwam Nebukadnezar bij de opening van de brandende oven en riep: Sadrach, Mesach en Abed-Nego, dienaren van de allerhoogste God, kom naar buiten! Toen kwamen Sadrach, Mesach en Abed-Nego uit het vuur. 27. De stadhouders, de bestuurders, de landvoogden en de raadsheren van de koning verzamelden zich om die mannen te bekijken. Het vuur had geen macht over hun lichaam gehad. Het haar op hun hoofd was niet verbrand, hun mantels waren onbeschadigd en er hing zelfs geen brandlucht om hen heen. 28. Nebukadnezar zei: Geprezen zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-Nego! Hij heeft Zijn engel gestuurd en Zijn dienaren gered die op Hem vertrouwden. Zij gingen in tegen het bevel van de koning en gaven hun lichaam over. Zij wilden geen enkele god dienen of aanbidden dan hun eigen God. 29. Daarom geef ik dit bevel. Wie kwaad spreekt over de God van Sadrach, Mesach en Abed-Nego, zal in stukken gehakt worden. Dat geldt voor elk volk en elke taal. Hun huis zal een puinhoop worden. Want er is geen andere god die zo kan redden. 30. Toen liet de koning het Sadrach, Mesach en Abed-Nego goed gaan in het gewest Babel. ## Daniël 4 — De boom die werd omgehakt 1. Koning Nebukadnezar aan alle volken, naties en talen die op heel de aarde wonen: veel vrede voor jullie! 2. Ik wil graag de tekenen en wonderen vertellen die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft. 3. Hoe groot zijn Zijn tekenen en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk en Zijn heerschappij duurt van geslacht op geslacht. 4. Ik, Nebukadnezar, leefde rustig in mijn huis en het ging mij goed in mijn paleis. 5. Toen had ik een droom die mij bang maakte. De gedachten op mijn bed en de beelden die ik zag, maakten mij onrustig. 6. Daarom gaf ik het bevel om alle wijzen van Babel bij mij te brengen. Zij moesten mij de uitleg van die droom vertellen. 7. Toen kwamen de magiërs, de sterrenwichelaars, de Chaldeeën en de waarzeggers binnen. Ik vertelde hun de droom, maar zij konden mij de uitleg niet geven. 8. Ten slotte kwam Daniël bij mij binnen. Hij heet Beltsazar, naar de naam van mijn god, en in hem is de geest van de heilige goden. Ik vertelde hem de droom. 9. Beltsazar, hoofd van de magiërs, ik weet dat de geest van de heilige goden in je is. Geen geheim is te moeilijk voor je. Vertel mij daarom wat ik in mijn droom gezien heb en wat het betekent. 10. Dit zijn de beelden die ik op mijn bed zag. Ik keek, en kijk, er stond een boom midden op de aarde. Hij was heel hoog. 11. De boom werd groot en sterk. Zijn top reikte tot aan de hemel en hij was te zien tot aan het einde van de aarde. 12. Zijn blad was mooi en zijn vruchten waren talrijk. Er was voedsel aan voor iedereen. De dieren van het veld vonden schaduw onder hem en de vogels van de hemel woonden in zijn takken. Alles wat leeft, werd erdoor gevoed. 13. Verder zag ik op mijn bed in de beelden van mijn droom: kijk, een wachter, een heilige, daalde neer uit de hemel. 14. Hij riep met kracht: Hak die boom om en kap zijn takken af. Stroop zijn blad eraf en verstrooi zijn vruchten. Laat de dieren onder hem wegvluchten en de vogels uit zijn takken. 15. Maar laat de stronk met zijn wortels in de aarde staan, met een band van ijzer en brons, in het gras van het veld. Laat hem nat worden van de dauw van de hemel. Zijn deel zal bij de dieren zijn, in het gras van de aarde. 16. Laat zijn hart veranderen, zodat het geen mensenhart meer is. Laat hem een dierenhart krijgen en laat er zeven tijden over hem heen gaan. 17. Dit is het besluit van de wachters en dit is het woord van de heiligen. Zo zullen de levenden erkennen dat de Allerhoogste macht heeft over de koninkrijken van de mensen. Hij geeft ze aan wie Hij wil en stelt daarover zelfs de geringste mens aan. 18. Deze droom heb ik, koning Nebukadnezar, gezien. Beltsazar, vertel jij mij de uitleg. Alle wijzen van mijn koninkrijk konden mij de uitleg niet geven. Maar jij kunt het wel, want de geest van de heilige goden is in je. 19. Toen schrok Daniël, die Beltsazar heet, en een tijdlang was hij ontsteld. Zijn gedachten maakten hem onrustig. De koning zei: Beltsazar, laat de droom en de uitleg je niet verontrusten. Beltsazar antwoordde: Mijn heer, laat de droom voor uw vijanden zijn en de uitleg voor uw tegenstanders. 20. U zag een boom die groot en sterk geworden was. Zijn top reikte tot aan de hemel en hij was op heel de aarde te zien. 21. Zijn blad was mooi en zijn vruchten waren talrijk; er was voedsel aan voor iedereen. De dieren van het veld woonden onder hem en de vogels van de hemel nestelden in zijn takken. 22. die boom bent u, koning. U bent groot en sterk geworden. Uw grootheid is zo gegroeid dat zij tot aan de hemel reikt en uw macht tot het einde van de aarde. 23. De koning zag een wachter, een heilige, uit de hemel neerdalen. Die zei: hak deze boom om en vernietig hem. Maar laat de stronk met zijn wortels in de aarde staan, met een band van ijzer en brons, in het gras van het veld. Laat hem nat worden van de dauw van de hemel. Laat zijn deel bij de dieren van het veld zijn, tot er zeven tijden over hem heen gaan. 24. Dit is de uitleg, koning. Dit is een besluit van de Allerhoogste dat over mijn heer de koning zal komen. 25. Men zal u wegjagen bij de mensen vandaan. U zult bij de dieren van het veld wonen. Men zal u gras te eten geven zoals aan de runderen. U zult nat worden van de dauw van de hemel. Er zullen zeven tijden over u heen gaan. Dan zult u erkennen dat de Allerhoogste macht heeft over de koninkrijken van de mensen en ze geeft aan wie Hij wil. 26. Men zei ook dat de stronk met de wortels van die boom moest blijven staan. Dat betekent dat uw koninkrijk aan u blijft, zodra u erkent dat de Hemel regeert. 27. Daarom, koning, laat mijn raad u bevallen. Maak een einde aan uw zonden door te doen wat goed is. Maak een einde aan uw schuld door goed te zijn voor arme mensen. Misschien mag uw vrede dan langer duren. 28. Dit alles overkwam koning Nebukadnezar. 29. Na twaalf maanden wandelde hij op het dak van het koninklijk paleis in Babel. 30. De koning zei: Is dit niet het grote Babel? Ik heb het gebouwd als koninklijke stad, door mijn grote macht en tot eer van mijn majesteit. 31. Die woorden waren nog in de mond van de koning. Toen klonk er een stem uit de hemel: U, koning Nebukadnezar, wordt gezegd: het koninkrijk is van u weggenomen. 32. Men zal u wegjagen bij de mensen vandaan en u zult bij de dieren van het veld wonen. Men zal u gras te eten geven zoals aan de runderen. Er zullen zeven tijden over u heen gaan. Dan zult u erkennen dat de Allerhoogste macht heeft over de koninkrijken van de mensen en ze geeft aan wie Hij wil. 33. Op datzelfde moment ging dat woord over Nebukadnezar in vervulling. Hij werd weggejaagd bij de mensen vandaan en at gras zoals de runderen. Zijn lichaam werd nat van de dauw van de hemel. Zijn haar groeide als de veren van een arend en zijn nagels werden als vogelklauwen. 34. Toen die tijd voorbij was, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op naar de hemel, want mijn verstand kwam terug. Ik prees de Allerhoogste. Ik loofde en eerde Hem die eeuwig leeft. Want Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij en Zijn Koninkrijk duurt van geslacht op geslacht. 35. Alle bewoners van de aarde tellen voor Hem als niets. Hij doet wat Hij wil met het leger van de hemel en met de bewoners van de aarde. Niemand kan Zijn hand tegenhouden of tegen Hem zeggen: wat doet U? 36. Op datzelfde moment kwam mijn verstand terug. Ook de pracht van mijn koninkrijk, mijn majesteit en mijn glans kwamen terug. Mijn raadsheren en mijn hovelingen zochten mij op. Ik werd in mijn koninkrijk hersteld en kreeg nog meer aanzien. 37. Nu prijs en verhoog en eer ik, Nebukadnezar, de Koning van de hemel. Want al Zijn werken zijn waar en Zijn wegen zijn rechtvaardig. Hij kan wie hoogmoedig leven vernederen. ## Daniël 5 — Het schrift op de muur 1. Koning Belsazar gaf een groot feest voor zijn duizend hovelingen. Hij dronk wijn voor de ogen van die duizend. 2. Onder invloed van de wijn beval Belsazar dat men de gouden en zilveren voorwerpen moest halen. Zijn vader Nebukadnezar had die uit de tempel in Jeruzalem weggehaald. De koning en zijn hovelingen, zijn vrouwen en zijn bijvrouwen zouden eruit drinken. 3. Toen bracht men de gouden voorwerpen die uit de tempel, het huis van God in Jeruzalem, weggehaald waren. De koning en zijn hovelingen, zijn vrouwen en zijn bijvrouwen dronken eruit. 4. Zij dronken de wijn en prezen de goden van goud en zilver, van brons, ijzer, hout en steen. 5. Op datzelfde moment verschenen er vingers van een mensenhand. Zij schreven tegenover de kandelaar op de gepleisterde muur van het koninklijk paleis. De koning zag de hand die daar schreef. 6. Toen verbleekte het gezicht van de koning en zijn gedachten maakten hem bang. Zijn knieën knikten en hij kon niet meer op zijn benen staan. 7. De koning riep luid dat men de sterrenwichelaars, de Chaldeeën en de waarzeggers moest halen. Hij zei tegen de wijzen van Babel: Wie dit schrift kan lezen en mij de uitleg kan geven, zal met purper gekleed worden. Hij krijgt een gouden ketting om zijn hals en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. 8. Toen kwamen alle wijzen van de koning binnen. Maar zij konden dit schrift niet lezen en de koning de uitleg niet geven. 9. Toen schrok koning Belsazar hevig en zijn gezicht verbleekte. Zijn hovelingen waren verbijsterd. 10. Door de woorden van de koning en zijn hovelingen kwam de koningin de feestzaal binnen. Zij zei: Koning, leef voor altijd! Laat uw gedachten u niet bang maken en laat uw gezicht niet verbleken. 11. Er is een man in uw koninkrijk in wie de geest van de heilige goden is. In de dagen van uw vader bleek dat hij licht, inzicht en wijsheid had, zoals de wijsheid van de goden. Daarom stelde koning Nebukadnezar, uw vader, hem aan als hoofd van de magiërs, de sterrenwichelaars, de Chaldeeën en de waarzeggers. 12. In hem werd een bijzondere geest gevonden, met kennis en inzicht. Hij kon dromen uitleggen, raadsels verklaren en knopen ontwarren. Het gaat om Daniël, die de koning de naam Beltsazar gaf. Laat Daniël nu roepen; hij zal de uitleg geven. 13. Toen werd Daniël bij de koning gebracht. De koning zei tegen Daniël: Ben jij die Daniël, een van de ballingen uit Juda die de koning, mijn vader, uit Juda heeft meegebracht? 14. Ik heb van je gehoord dat de geest van de goden in je is. Men zegt dat er licht, inzicht en bijzondere wijsheid in je gevonden wordt. 15. Zojuist zijn de wijzen en de sterrenwichelaars bij mij gebracht om dit schrift te lezen en mij de uitleg te geven. Maar zij kunnen de betekenis van deze woorden niet vertellen. 16. Van jou heb ik gehoord dat je uitleg kunt geven en knopen kunt ontwarren. Als jij dit schrift kunt lezen en mij de uitleg kunt geven, dan word je met purper gekleed. Je krijgt een gouden ketting om je hals en je zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn. 17. Toen antwoordde Daniël de koning: Houd uw geschenken zelf en geef uw gaven aan een ander. Toch zal ik het schrift voor de koning lezen en hem de uitleg geven. 18. Koning, de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koninkrijk gegeven, met grootheid, eer en majesteit. 19. Door de grootheid die Hij hem gegeven had, beefden alle volken, naties en talen voor hem. Wie hij wilde, doodde hij, en wie hij wilde, liet hij leven. Wie hij wilde, verhoogde hij, en wie hij wilde, vernederde hij. 20. Maar toen zijn hart hoogmoedig werd en zijn geest verhard raakte, werd hij van zijn koningstroon gestoten. Zijn eer werd hem afgenomen. 21. Hij werd weggejaagd bij de mensen vandaan. Zijn hart werd als dat van een dier en hij woonde bij de wilde ezels. Men gaf hem gras te eten zoals aan de runderen en zijn lichaam werd nat van de dauw van de hemel. Zo ging het tot hij erkende dat God, de Allerhoogste, heerser is over de koninkrijken van de mensen en daarover aanstelt wie Hij wil. 22. En u, Belsazar, zijn zoon, hebt uw hart niet vernederd, terwijl u dit alles wel wist. 23. U hebt zich juist verheven tegen de Heer van de hemel. Men heeft de voorwerpen uit Zijn huis bij u gebracht. U en uw hovelingen, uw vrouwen en uw bijvrouwen hebben er wijn uit gedronken. U prees de goden van zilver en goud, van brons, ijzer, hout en steen, die niet zien, niet horen en niets weten. Maar de God in wiens hand uw adem is en die al uw wegen kent, hebt u niet geëerd. 24. Daarom heeft Hij die hand gestuurd en dit schrift laten schrijven. 25. Dit is het schrift dat daar staat: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN. 26. Dit is de uitleg van deze woorden. MENE: God heeft de dagen van uw koninkrijk geteld en er een einde aan gemaakt. 27. TEKEL: u bent op de weegschaal gewogen en te licht bevonden. 28. PERES: uw koninkrijk is verdeeld en aan de Meden en de Perzen gegeven. 29. Toen gaf Belsazar bevel en men kleedde Daniël met purper. Hij kreeg een gouden ketting om zijn hals. Men riep luid over hem uit dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was. 30. Diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood. ## Daniël 6 — Daniël in de leeuwenkuil 1. Darius de Meder kreeg het koninkrijk. Hij was toen ongeveer tweeënzestig jaar oud. 2. Darius vond het goed om over het koninkrijk honderdtwintig stadhouders aan te stellen, verdeeld over heel het koninkrijk. 3. Boven hen stelde hij drie rijksbestuurders aan. Daniël was de eerste van hen. De stadhouders moesten aan hen verantwoording afleggen, zodat de koning geen schade zou lijden. 4. Daniël overtrof die bestuurders en stadhouders, want er was een bijzondere geest in hem. De koning wilde hem over heel het koninkrijk aanstellen. 5. Toen zochten de bestuurders en de stadhouders een aanleiding tegen Daniël in het bestuur. Maar zij konden geen aanleiding en geen fout vinden, want hij was betrouwbaar. Er werd geen nalatigheid of fout in hem gevonden. 6. Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen deze Daniël geen aanleiding vinden, behalve in de wet van zijn God. 7. Zo kwamen deze bestuurders en stadhouders in groten getale bij de koning. Zij zeiden tegen hem: Koning Darius, leef voor altijd! 8. Alle bestuurders van het rijk, de gouverneurs en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben samen overlegd. Er moet een koninklijk besluit komen met een streng verbod. Wie in dertig dagen iets vraagt aan een god of mens, behalve aan u, koning, moet in de leeuwenkuil gegooid worden. 9. Koning, bekrachtig dat verbod en onderteken het document. Dan kan het niet veranderd worden, volgens de wet van de Meden en de Perzen, die niet ingetrokken mag worden. 10. Daarom ondertekende koning Darius dat document met het verbod. 11. Toen Daniël hoorde dat het document ondertekend was, ging hij naar zijn huis. In zijn bovenkamer stonden de vensters open in de richting van Jeruzalem. Drie keer per dag knielde hij neer, bad hij en dankte hij zijn God, precies zoals hij daarvoor ook gedaan had. 12. Toen kwamen die mannen in groten getale. Zij vonden Daniël biddend en smekend bij zijn God. 13. Zij gingen naar de koning en spraken hem aan over het koninklijke verbod. Hebt u geen verbod ondertekend, koning? Wie in dertig dagen iets vraagt aan een god of mens, behalve aan u, wordt in de leeuwenkuil gegooid. De koning antwoordde: Dat staat vast, volgens de wet van de Meden en de Perzen, die niet ingetrokken mag worden. 14. Toen zeiden zij tegen de koning: Daniël is een van de ballingen uit Juda. Hij let niet op u, koning, en niet op het verbod dat u ondertekend hebt. Drie keer per dag zegt hij zijn gebed. 15. Toen de koning dit hoorde, werd hij heel verdrietig. Hij zette zijn hart erop om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij zijn best om hem te redden. 16. Toen kwamen die mannen in groten getale bij de koning. Zij zeiden tegen hem: Weet, koning, dat het bij de Meden en de Perzen wet is. Geen verbod en geen besluit van de koning mag veranderd worden. 17. Toen gaf de koning bevel. Men haalde Daniël en gooide hem in de leeuwenkuil. De koning zei tegen Daniël: Moge uw God, die u steeds dient, u redden. 18. Er werd een steen gehaald en op de opening van de kuil gelegd. De koning verzegelde die met zijn ring en met de ring van zijn hovelingen. Zo kon er aan het lot van Daniël niets veranderd worden. 19. Toen ging de koning naar zijn paleis. Hij bracht de nacht door zonder te eten en liet geen muziek voor zich spelen. De slaap bleef ver van hem. 20. In de vroege morgen stond de koning op bij het eerste licht. Hij ging haastig naar de leeuwenkuil. 21. Toen hij bij de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem. De koning zei tegen Daniël: Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u steeds dient, u van de leeuwen kunnen redden? 22. Toen zei Daniël tegen de koning: Koning, leef voor altijd! 23. Mijn God heeft Zijn engel gestuurd en de muil van de leeuwen dichtgehouden. Zij hebben mij geen kwaad gedaan, want voor Hem ben ik onschuldig. Ook tegen u, koning, heb ik niets misdaan. 24. Toen werd de koning heel blij. Hij beval dat men Daniël uit de kuil moest halen. Toen Daniël uit de kuil getrokken was, bleek er geen enkele wond aan hem te zijn, want hij had op zijn God vertrouwd. 25. Toen gaf de koning bevel. Men haalde de mannen die Daniël beschuldigd hadden, en men gooide hen in de leeuwenkuil, met hun kinderen en hun vrouwen. Zij raakten de bodem van de kuil nog niet of de leeuwen overweldigden hen en verbrijzelden al hun botten. 26. Toen schreef koning Darius aan alle volken, naties en talen die op heel de aarde woonden: veel vrede voor jullie! 27. Ik geef het bevel dat men in heel mijn rijk moet beven en sidderen voor de God van Daniël. Want Hij is de levende God en Hij blijft in eeuwigheid. Zijn koninkrijk gaat nooit ten onder en Zijn heerschappij duurt tot het einde. 28. Hij redt en Hij bevrijdt. Hij doet tekenen en wonderen in de hemel en op de aarde. Hij heeft Daniël gered uit de macht van de leeuwen. 29. Het ging deze Daniël goed in het koninkrijk van Darius en in het koninkrijk van Kores de Pers. ## Daniël 7 — De vier dieren uit de zee 1. In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, had Daniël een droom. Hij zag beelden op zijn bed. Toen schreef hij die droom op en vertelde de hoofdzaak. 2. Daniël zei: Ik zag in mijn visioen in de nacht, en kijk, de vier winden van de hemel woelden de grote zee om. 3. Uit de zee kwamen vier grote dieren op, allemaal verschillend van elkaar. 4. Het eerste leek op een leeuw en het had arendsvleugels. Ik keek toe tot zijn vleugels uitgerukt werden. Het werd van de grond opgetild en op twee voeten gezet als een mens. Het kreeg een mensenhart. 5. Daarna, kijk, kwam het tweede dier. Het leek op een beer. Het stond half overeind en had drie ribben tussen zijn tanden in zijn muil. Men zei tegen hem: sta op, eet veel vlees! 6. Daarna keek ik, en kijk, er was nog een dier, als een luipaard. Het had vier vogelvleugels op zijn rug. Dat dier had ook vier koppen en het kreeg macht. 7. Daarna zag ik in de nachtvisioenen, en kijk, het vierde dier was angstaanjagend en gruwelijk en heel sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde en vertrapte de rest met zijn poten. Het was anders dan alle dieren voor hem en het had tien hoorns. 8. Ik lette op de hoorns, en kijk, er kwam een andere kleine hoorn tussen op. Drie van de vorige hoorns werden ervoor uitgerukt. En kijk, in die hoorn zaten ogen als mensenogen en er was een mond die grote woorden sprak. 9. Ik keek toe tot er tronen werden neergezet en de Oude van dagen ging zitten. Zijn kleed was wit als sneeuw en het haar van Zijn hoofd was als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vlammen van vuur en de wielen ervan waren brandend vuur. 10. Een rivier van vuur stroomde voor Hem vandaan. Duizend maal duizenden dienden Hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor Hem. Het gerecht ging zitten en de boeken werden geopend. 11. Toen keek ik vanwege de grote woorden die die hoorn sprak. Ik keek toe tot het dier gedood werd en zijn lichaam vernietigd was en aan het vuur werd overgegeven. 12. Ook de andere dieren werd hun macht afgenomen. Maar hun leven werd verlengd tot een vastgestelde tijd. 13. Verder zag ik in de nachtvisioenen, en kijk, er kwam iemand met de wolken van de hemel, als een mensenzoon. Hij kwam bij de Oude van dagen en zij brachten Hem bij Hem. 14. Hem werd macht gegeven en eer en het Koninkrijk. Alle volken, naties en talen zouden Hem eren. Zijn macht is een eeuwige macht die niet zal vergaan. Zijn Koninkrijk zal nooit vernietigd worden. 15. Ik, Daniël, voelde mij diep verontrust en de beelden die ik zag, maakten mij bang. 16. Ik ging naar een van hen die daar stonden en vroeg hem de waarheid over dit alles. Hij vertelde het mij en gaf mij de uitleg van deze zaken. 17. Deze vier grote dieren zijn vier koningen die uit de aarde zullen opstaan. 18. Maar de heiligen van de Allerhoogste zullen dat Koninkrijk ontvangen. Zij zullen het Rijk bezitten tot in eeuwigheid, ja tot in alle eeuwigheid. 19. Toen wilde ik de waarheid weten over het vierde dier, dat anders was dan alle andere. Het was heel gruwelijk. Zijn tanden waren van ijzer en zijn klauwen van brons. Het at en verbrijzelde en vertrapte de rest met zijn poten. 20. Ook wilde ik weten over de tien hoorns op zijn kop en over die andere hoorn die opkwam, waarvoor er drie afvielen. Die hoorn had ogen en een mond die grote woorden sprak, en hij zag er groter uit dan de andere. 21. Ik had gezien dat die hoorn oorlog voerde tegen de heiligen en dat hij hen overwon. 22. Dat duurde tot de Oude van dagen kwam en het recht aan de heiligen van de Allerhoogste gegeven werd. Toen kwam de vastgestelde tijd dat de heiligen het Rijk bezaten. 23. Hij zei: Het vierde dier is het vierde rijk op aarde. Dat zal anders zijn dan alle andere rijken. Het zal heel de aarde opeten, vertrappen en verbrijzelen. 24. De tien hoorns betekenen dit: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan. Na hen zal er nog een opstaan. Die zal anders zijn dan de vorigen en hij zal drie koningen vernederen. 25. Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste. Hij zal de heiligen van de Allerhoogste onderdrukken. Hij zal proberen de tijden en de wet te veranderen. Zij zullen in zijn hand gegeven worden voor een tijd, twee tijden en een halve tijd. 26. Daarna zal het gerecht zitting houden. Men zal hem zijn macht afnemen en hem vernietigen, tot het einde toe. 27. Maar het rijk, de macht en de grootheid van alle koninkrijken onder de hemel worden gegeven aan het volk van de Allerhoogste, aan Zijn heiligen. Hun Rijk zal een eeuwig Rijk zijn en alle machten zullen Hem eren en gehoorzamen. 28. Tot zover het einde van dit bericht. Ik, Daniël, werd door mijn gedachten zeer verontrust en mijn gezicht verbleekte. Maar ik bewaarde dat woord in mijn hart. ## Daniël 8 — De ram en de bok 1. In het derde jaar van de regering van koning Belsazar zag ik, Daniël, een visioen. Het kwam na het visioen dat ik eerder gezien had. 2. Ik zag in dat visioen dat ik in de burcht Susan was, in het gewest Elam. In het visioen stond ik bij het kanaal de Ulai. 3. Ik keek op en zag, en kijk, er stond een ram bij het kanaal. Hij had twee hoorns. Die twee hoorns waren hoog, maar de een was hoger dan de ander. De hoogste kwam als laatste op. 4. Ik zag de ram met zijn hoorns stoten naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden. Geen enkel dier kon tegen hem standhouden en niemand kon iets uit zijn macht redden. Hij deed wat hij wilde en maakte zich groot. 5. Terwijl ik daarover nadacht, kijk, kwam er een geitenbok uit het westen. Hij ging over heel de aarde zonder de grond te raken. Die bok had een opvallende hoorn tussen zijn ogen. 6. Hij kwam bij de ram met de twee hoorns die ik bij het kanaal had zien staan. Hij rende woedend en met volle kracht op hem af. 7. Ik zag hem bij de ram komen. Hij werd razend op hem en stootte de ram. Hij brak zijn beide hoorns. De ram had geen kracht om tegen hem stand te houden. Hij gooide hem op de grond en vertrapte hem. Niemand kon de ram uit zijn macht redden. 8. De geitenbok maakte zich heel groot. Maar toen hij op zijn sterkst was, brak die grote hoorn. Op zijn plaats kwamen vier opvallende hoorns op, naar de vier windstreken van de hemel. 9. Uit een daarvan kwam een kleine hoorn voort, die heel groot werd naar het zuiden, naar het oosten en naar het prachtige land. 10. Hij werd groot tot aan het leger van de hemel. Hij gooide een deel van dat leger, namelijk van de sterren, op de grond en vertrapte ze. 11. Ja, hij maakte zich groot tot aan de Vorst van dat leger. Van Hem werd het dagelijkse offer weggenomen en de plaats van Zijn heiligdom werd neergehaald. 12. Het leger werd samen met het dagelijkse offer aan hem overgeleverd door de ontrouw. Hij wierp de waarheid op de grond. Hij deed wat hij wilde en het lukte hem. 13. Daarna hoorde ik een heilige spreken. Een andere heilige zei tegen degene die sprak: Hoelang duurt dit visioen over het dagelijkse offer en over de ontrouw die verwoesting brengt? Hoelang worden het heiligdom en het leger vertrapt? 14. Hij zei tegen mij: Tot tweeduizend driehonderd avonden en morgens. Dan zal het heiligdom weer in ere hersteld worden. 15. Toen ik, Daniël, dat visioen gezien had, zocht ik naar de betekenis. En kijk, daar stond iemand voor mij die eruitzag als een man. 16. Ik hoorde over het kanaal de Ulai een mensenstem die riep: Gabriël, laat deze man het visioen begrijpen. 17. Hij kwam naast mij staan. Toen hij kwam, schrok ik en viel op mijn gezicht. Hij zei tegen mij: Begrijp het goed, mensenkind. Dit visioen gaat over de tijd van het einde. 18. Terwijl hij met mij sprak, viel ik in een diepe slaap met mijn gezicht op de grond. Toen raakte hij mij aan en zette mij weer op mijn plaats. 19. Hij zei: Kijk, ik zal je vertellen wat er zal gebeuren aan het einde van deze toorn. Want op de vastgestelde tijd komt het einde. 20. De ram met de twee hoorns die je zag, is de koningen van de Meden en de Perzen. 21. De harige bok is de koning van Griekenland. De grote hoorn tussen zijn ogen is de eerste koning. 22. Die hoorn brak en er kwamen vier hoorns voor in de plaats. Dat betekent dat er vier koninkrijken uit dat volk zullen ontstaan, maar niet met zijn kracht. 23. Aan het einde van hun heerschappij, als de afvalligen de maat vol gemaakt hebben, zal er een koning opstaan. Hij zal brutaal zijn en bedreven in listen. 24. Zijn macht zal groot worden, maar niet door eigen kracht. Hij zal ongelooflijke verwoesting aanrichten. Het zal hem lukken en hij zal doen wat hij wil. Hij zal de machtigen vernietigen en ook het heilige volk. 25. Door zijn sluwheid zal het bedrog in zijn hand gedijen. Hij zal zich in zijn hart verheffen. In een tijd van rust zal hij velen vernietigen. Hij zal opstaan tegen de Vorst van de vorsten, maar hij zal gebroken worden zonder dat een mensenhand eraan te pas komt. 26. Het visioen over de avonden en de morgens dat verteld is, is waar. Maar houd dit visioen geheim, want het duurt nog veel dagen. 27. Toen werd ik, Daniël, zwak en ik was een paar dagen ziek. Daarna stond ik op en deed het werk van de koning. Ik was ontsteld over dit visioen, maar niemand merkte het. ## Daniël 9 — Het gebed van Daniël en de zeventig weken 1. Het was in het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit de Meden. Hij was koning gemaakt over het koninkrijk van de Chaldeeën. 2. In het eerste jaar van zijn regering merkte ik, Daniël, in de boeken iets op. Het woord van de HEERE was tot de profeet Jeremia gekomen over het aantal jaren van de verwoesting van Jeruzalem. Dat waren zeventig jaar. 3. Toen richtte ik mij tot God, de Heere. Ik zocht Hem met gebed en smeekbeden, met vasten, met een rouwkleed en met as. 4. Ik bad tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis. Ik zei: Ach Heere, U bent de grote en ontzagwekkende God. U houdt zich aan het verbond en bent trouw aan wie U liefhebben en Uw geboden houden. 5. Wij hebben gezondigd en onrecht gedaan. Wij hebben goddeloos gehandeld en zijn in opstand gekomen. Wij zijn afgeweken van Uw geboden en Uw regels. 6. Wij hebben niet geluisterd naar Uw dienaren, de profeten. Zij spraken in Uw naam tot onze koningen, onze vorsten en onze vaderen, en tot heel het volk van het land. 7. Bij U, Heere, is de gerechtigheid. Bij ons is de schaamte, zoals het vandaag is. Zo is het bij de mannen van Juda, bij de bewoners van Jeruzalem en bij heel Israël, dichtbij en ver weg. Zij wonen in alle landen waarheen U hen verdreven hebt om hun ontrouw aan U. 8. Heere, bij ons is de schaamte, bij onze koningen, bij onze vorsten en bij onze vaderen, omdat wij tegen U gezondigd hebben. 9. Bij de Heere, onze God, is barmhartigheid en vergeving, hoewel wij tegen Hem in opstand zijn gekomen. 10. Wij hebben niet geluisterd naar de stem van de HEERE, onze God. Wij leefden niet naar Zijn wetten, die Hij ons gegeven heeft door Zijn knechten, de profeten. 11. Heel Israël heeft Uw wet overtreden en is afgeweken. Zij luisterden niet naar Uw stem. Daarom is over ons de vloek uitgestort die opgeschreven staat in de wet van Mozes, de knecht van God. Want wij hebben tegen Hem gezondigd. 12. Hij heeft Zijn woorden waargemaakt die Hij tegen ons en tegen onze rechters gesproken had. Hij bracht een groot onheil over ons. Nergens onder de hemel is zoiets gebeurd als in Jeruzalem. 13. Zoals in de wet van Mozes geschreven staat, is al dat onheil over ons gekomen. Toch hebben wij de HEERE, onze God, niet om genade gesmeekt. Wij keerden ons niet af van onze zonden en letten niet op Uw waarheid. 14. Daarom heeft de HEERE over dat onheil gewaakt en het over ons gebracht. Want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in alles wat Hij doet. Wij hebben niet naar Zijn stem geluisterd. 15. En nu, Heere, onze God, U hebt Uw volk met sterke hand uit Egypte geleid. Zo hebt U zich een naam gemaakt, zoals die vandaag nog is. Wij hebben gezondigd; wij waren goddeloos. 16. Heere, doe zoals U altijd doet in Uw gerechtigheid. Laat Uw toorn en Uw woede toch afgewend worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg. Want door onze zonden en de schuld van onze vaderen zijn Jeruzalem en Uw volk een spot voor iedereen om ons heen. 17. En nu, onze God, luister naar het gebed van Uw knecht en naar zijn smeekbeden. Laat Uw gezicht weer stralen over Uw verwoeste heiligdom, om Uzelf. 18. Neig Uw oor, mijn God, en luister. Open Uw ogen en zie onze puinhopen en de stad waarover Uw naam is uitgeroepen. Wij leggen onze smeekbeden niet voor U neer op grond van onze gerechtigheid, maar op grond van Uw grote barmhartigheid. 19. Heere, luister! Heere, vergeef! Heere, let op en doe het! Wacht niet langer, om Uzelf, mijn God. Want over Uw stad en Uw volk is Uw naam uitgeroepen. 20. Ik sprak nog en bad. Ik beleed mijn zonde en de zonde van mijn volk Israël. Ik legde mijn smeekbede neer voor de HEERE, mijn God, om de heilige berg van mijn God. 21. Terwijl ik nog in gebed was, kwam de man Gabriël snel aangevlogen. Ik had hem eerder in een visioen gezien. Hij raakte mij aan, omstreeks de tijd van het avondoffer. 22. Hij gaf mij onderwijs en sprak met mij. Hij zei: Daniël, ik ben gekomen om je inzicht te geven. 23. Toen je begon te smeken, ging er een woord uit. Ik ben gekomen om het je te vertellen, want je bent geliefd. Begrijp dit woord en let op het visioen. 24. Zeventig weken zijn vastgesteld over je volk en over je heilige stad. Dan zal de ontrouw beëindigd worden en zullen de zonden verzegeld worden. De schuld zal verzoend worden en er zal een eeuwige gerechtigheid komen. Het visioen en de profeet zullen bezegeld worden en het allerheiligste zal gezalfd worden. 25. Weet dan en begrijp het goed. Vanaf het woord om Jeruzalem te herbouwen tot op de Messias, de Vorst, zijn er zeven weken en tweeënzestig weken. De straten en de grachten zullen weer opgebouwd worden, maar in een tijd van benauwdheid. 26. Na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar niet voor zichzelf. Het volk van een vorst die komt, zal de stad en het heiligdom verwoesten. Zijn einde komt als een overstroming. Tot het einde toe zal er oorlog zijn en de verwoestingen staan vast. 27. Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. In de helft van die week zal hij het slachtoffer en het graanoffer laten ophouden. Op de vleugel van het heiligdom zal een gruwel staan die verwoesting brengt. Zo zal het gaan tot het vastgestelde einde over de verwoester wordt uitgestort. ## Daniël 10 — De man in linnen kleren 1. In het derde jaar van Kores, de koning van Perzië, werd aan Daniël iets geopenbaard. Daniël heette ook Beltsazar. Die boodschap is waar en gaat over een lange, zware tijd. Hij begreep de boodschap en had inzicht in het visioen. 2. In die dagen was ik, Daniël, drie weken lang in de rouw. 3. Ik at geen lekker eten. Vlees en wijn kwamen niet in mijn mond. Ik wreef mij ook niet in met olie, tot die drie weken voorbij waren. 4. Op de vierentwintigste dag van de eerste maand stond ik aan de oever van de grote rivier, de Tigris. 5. Ik keek op en zag, en kijk, daar stond een Man in linnen kleren. Zijn middel was omgord met goud uit Ufaz. 6. Zijn lichaam was als turkoois en Zijn gezicht was als een bliksemflits. Zijn ogen waren als brandende fakkels en Zijn armen en voeten glansden als gepolijst brons. Zijn stem klonk als het rumoer van een menigte. 7. Ik, Daniël, zag dat visioen als enige. De mannen bij mij zagen het niet. Toch overviel hun een grote schrik en zij vluchtten weg om zich te verbergen. 8. Ik bleef alleen achter en zag dit grote visioen. Er bleef geen kracht in mij over. Mijn gezicht werd lijkbleek en ik hield geen kracht meer. 9. Ik hoorde het geluid van Zijn woorden. Toen ik dat hoorde, viel ik in een diepe slaap met mijn gezicht op de grond. 10. En kijk, een hand raakte mij aan. Die liet mij bewegen op mijn knieën en mijn handpalmen. 11. Hij zei tegen mij: Daniël, geliefde man, let op de woorden die ik tot je zal spreken. Ga op je plaats staan, want ik ben nu naar je toe gestuurd. Terwijl Hij dat tegen mij zei, stond ik bevend op. 12. Toen zei Hij tegen mij: Wees niet bang, Daniël. Vanaf de eerste dag dat je je hart erop zette om inzicht te krijgen en je te verootmoedigen voor je God, zijn je woorden gehoord. Om je woorden ben ik gekomen. 13. Maar de vorst van het koninkrijk Perzië stond eenentwintig dagen tegenover mij. En kijk, Michaël, een van de eerste vorsten, kwam mij helpen. Ik bleef daar achter bij de koningen van Perzië. 14. Nu ben ik gekomen om je te laten begrijpen wat je volk in de toekomst zal overkomen. Want het visioen gaat over dagen die nog ver weg zijn. 15. Terwijl Hij deze woorden tegen mij sprak, boog ik mijn gezicht naar de grond en ik kon niets zeggen. 16. En kijk, iemand die op een mens leek, raakte mijn lippen aan. Toen deed ik mijn mond open en sprak. Ik zei tegen Hem die tegenover mij stond: Mijn Heer, door dit visioen slaan de weeën mij om het hart. Ik houd geen kracht over. 17. Hoe kan ik, de dienaar van mijn Heer, met mijn Heer spreken? Vanaf nu is er geen kracht meer in mij en er is geen adem in mij over. 18. Toen raakte Iemand die eruitzag als een mens mij opnieuw aan en Hij maakte mij sterk. 19. Hij zei: Wees niet bang, geliefde man. Vrede voor je. Wees sterk, ja, wees sterk! Terwijl Hij met mij sprak, werd ik sterk. Ik zei: Laat mijn Heer spreken, want U hebt mij sterk gemaakt. 20. Toen zei Hij: Weet je waarom ik naar je toe gekomen ben? Nu ga ik terug om te strijden tegen de vorst van Perzië. Als ik wegga, kijk, dan komt de vorst van Griekenland. 21. Maar ik zal je vertellen wat opgeschreven staat in het boek van de waarheid. Er is niemand die mij daarbij helpt, behalve Michaël, jullie vorst. ## Daniël 11 — De koning van het Zuiden en de koning van het Noorden 1. In het eerste jaar van Darius de Meder stond ik naast hem om hem te steunen en sterk te maken. 2. Nu zal ik je de waarheid vertellen. Kijk, er zullen nog drie koningen in Perzië opstaan. De vierde zal veel rijker worden dan alle anderen. Als hij sterk is door zijn rijkdom, zal hij iedereen opzetten tegen het koninkrijk Griekenland. 3. Daarna zal er een machtige koning opstaan. Hij zal met grote macht heersen en doen wat hij wil. 4. Maar zodra hij staat, zal zijn rijk breken en verdeeld worden naar de vier windstreken van de hemel. Het gaat niet naar zijn nakomelingen en het krijgt niet de macht die hij had. Want zijn rijk zal uitgerukt worden en aan anderen gegeven. 5. De koning van het Zuiden zal sterk worden. Maar een van zijn vorsten zal sterker worden dan hij en gaan heersen. Zijn macht zal een grote macht zijn. 6. Na een aantal jaren zullen zij een bondgenootschap sluiten. De dochter van de koning van het Zuiden zal naar de koning van het Noorden komen om een verdrag te sluiten. Maar zij zal haar kracht niet kunnen behouden. Hij en zijn macht zullen niet standhouden. Zij zal overgeleverd worden, met wie haar gebracht hebben, met haar vader en met wie haar in die tijd steunden. 7. Maar uit haar familie zal iemand opstaan in zijn plaats. Hij zal met een leger komen tegen de vestingen van de koning van het Noorden. Hij zal tegen ze optreden en ze veroveren. 8. Hij zal ook hun goden meenemen naar Egypte, met hun beelden en hun kostbare voorwerpen van zilver en goud. Een aantal jaren zal hij de koning van het Noorden met rust laten. 9. De koning van het Noorden zal het koninkrijk van het Zuiden binnenvallen, maar hij zal naar zijn eigen land terugkeren. 10. Zijn zonen zullen zich in de strijd storten. Zij zullen een grote menigte legers verzamelen. Een van hen zal snel komen, alles overstromen als een vloed en doortrekken. Daarna komt hij terug en voert hij de strijd tot aan zijn vesting. 11. De koning van het Zuiden zal woedend worden. Hij zal uittrekken en tegen hem strijden, tegen de koning van het Noorden. Die brengt ook een grote menigte op de been, maar die menigte zal in zijn hand gegeven worden. 12. Als die menigte weggevaagd is, zal zijn hart hoogmoedig worden. Hij zal tienduizenden neerslaan, maar sterk zal hij niet blijven. 13. Want de koning van het Noorden zal terugkomen. Hij zal een grotere menigte op de been brengen dan de eerste keer. Na een aantal jaren zal hij snel komen met een groot leger en veel uitrusting. 14. In die tijd zullen velen opstaan tegen de koning van het Zuiden. Ook gewelddadige mensen uit je eigen volk zullen zich verheffen om het visioen waar te maken, maar zij zullen vallen. 15. De koning van het Noorden zal komen, een wal opwerpen en versterkte steden innemen. De legers van het Zuiden zullen niet standhouden, ook zijn beste troepen niet. Er zal geen kracht zijn om stand te houden. 16. Wie tegen hem komt, zal doen wat hij wil en niemand zal tegen hem standhouden. Hij zal ook staan in het prachtige land en hij zal de macht hebben om te vernietigen. 17. Hij zal zich voornemen om te komen met de macht van heel zijn rijk. Hij zal een verdrag meebrengen en dat uitvoeren. Hij zal hem een dochter geven om het rijk te gronde te richten. Maar dat zal niet standhouden en het zal hem niet lukken. 18. Daarna zal hij zich naar de kustlanden keren en er veel innemen. Maar een aanvoerder zal een einde maken aan zijn hoon. Hij zal die hoon zelfs op hem laten terugkomen. 19. Dan zal hij zich keren naar de vestingen van zijn eigen land. Maar hij zal struikelen en vallen en niet meer gevonden worden. 20. In zijn plaats zal iemand opstaan die een belastingambtenaar rondstuurt door het pronkstuk van zijn rijk. Maar binnen een paar dagen zal hij gebroken worden, niet door woede en niet door oorlog. 21. Daarna zal er een verachte man in zijn plaats opstaan. Hem wordt de koninklijke waardigheid niet gegeven. Maar hij zal ongemerkt komen en het koninkrijk met vleierij in handen krijgen. 22. Legers die alles overstromen, worden voor hem weggespoeld en gebroken. Ook de vorst van het verbond wordt gebroken. 23. Na een verbond met hem zal hij bedrog plegen. Hij zal optrekken en sterk worden met weinig mensen. 24. Ongemerkt zal hij de rijkste delen van het gewest binnenkomen. Hij zal doen wat zijn vaderen en hun vaderen nooit deden. Roof, buit en bezit zal hij onder hen uitdelen. Hij zal plannen bedenken tegen de vestingen, maar slechts voor een tijd. 25. Hij zal zijn kracht en zijn moed richten tegen de koning van het Zuiden, met een groot leger. De koning van het Zuiden zal zich in de strijd storten met een groot en heel machtig leger. Maar hij zal niet standhouden, want men zal plannen tegen hem smeden. 26. Wie aan zijn tafel eten, zullen hem breken. Zijn leger zal weggespoeld worden en er zullen veel doden vallen. 27. Het hart van deze twee koningen zal op kwaad uit zijn. Aan één tafel zullen zij leugens spreken. Maar het zal niet lukken, want het einde komt pas op de vastgestelde tijd. 28. Hij zal met veel bezit naar zijn land terugkeren. Zijn hart zal zich keren tegen het heilige verbond. Hij zal doen wat hij wil en naar zijn land terugkeren. 29. Op de vastgestelde tijd zal hij terugkomen en naar het Zuiden gaan. Maar het zal niet gaan als de eerste en de laatste keer. 30. Want er zullen schepen uit Chittim tegen hem komen. Daarom zal hij de moed verliezen. Hij zal terugkeren en woedend worden op het heilige verbond. Hij zal doen wat hij wil. Als hij terugkeert, zal hij letten op wie het heilige verbond verlaten hebben. 31. Legers van hem zullen het heiligdom en de vesting ontheiligen. Zij zullen het dagelijkse offer wegnemen en een gruwel neerzetten die verwoesting brengt. 32. Wie goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij met vleierij tot huichelen brengen. Maar het volk dat hun God kent, zal standhouden en handelen. 33. De leraars van het volk zullen velen onderwijzen. Zij zullen vallen door het zwaard en door het vuur, door gevangenschap en door plundering, veel dagen lang. 34. Als zij vallen, krijgen zij een beetje hulp. Maar velen zullen zich met vleierij bij hen aansluiten. 35. Van de leraars zullen sommigen vallen. Zo worden zij gelouterd, gereinigd en wit gemaakt, tot de tijd van het einde. Want die komt pas op de vastgestelde tijd. 36. Die koning zal doen wat hij wil. Hij zal zichzelf verheffen en groot maken boven elke god. Tegen de God van de goden zal hij ongehoorde dingen zeggen. Het zal hem lukken, tot de toorn ten einde is. Want wat vaststaat, zal gebeuren. 37. Hij zal niet letten op de goden van zijn vaderen en niet op de begeerte van vrouwen. Op geen enkele god zal hij letten, want hij zal zichzelf boven alles groot maken. 38. In plaats daarvan zal hij de god van de vestingen eren. Die god kenden zijn vaderen niet. Hij zal hem eren met goud en zilver, met edelstenen en kostbaarheden. 39. Met hulp van die vreemde god zal hij sterke vestingen aanpakken. Wie hem erkennen, zal hij grote eer geven. Hij zal hen over velen laten heersen en het land als beloning verdelen. 40. In de tijd van het einde zal de koning van het Zuiden hem aanvallen. De koning van het Noorden zal op hem afstormen met wagens, ruiters en veel schepen. Hij zal de landen binnenvallen, ze overstromen en doortrekken. 41. Hij zal ook in het prachtige land komen en veel landen zullen vallen. Maar deze zullen aan zijn hand ontkomen: Edom, Moab en het beste deel van de Ammonieten. 42. Hij zal zijn hand uitstrekken naar de landen. Ook het land Egypte zal niet ontkomen. 43. Hij zal macht krijgen over de verborgen schatten van goud en zilver en over alle kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Ethiopiërs zullen in zijn gevolg meelopen. 44. Maar berichten uit het oosten en uit het noorden zullen hem bang maken. Daarom zal hij in grote woede uittrekken om velen te vernietigen. 45. Hij zal zijn koninklijke tenten opslaan tussen de zee en de heilige, prachtige berg. Dan zal zijn einde komen en niemand zal hem helpen. ## Daniël 12 — Het einde van de dagen 1. In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst die de zonen van je volk beschermt. Het zal een tijd van benauwdheid zijn zoals er nooit geweest is, sinds er volken bestaan. Maar in die tijd zal je volk gered worden, iedereen van wie de naam in het boek geschreven staat. 2. Velen van hen die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken. Sommigen tot eeuwig leven, anderen tot schande en eeuwige afschuw. 3. De leraars zullen stralen als de glans van het hemelgewelf. Wie velen tot gerechtigheid brengen, zullen stralen als de sterren, voor eeuwig en altijd. 4. En jij, Daniël, houd deze woorden geheim en verzegel dit boek tot de tijd van het einde. Velen zullen het onderzoeken en de kennis zal toenemen. 5. Toen zag ik, Daniël, en kijk, er stonden twee anderen. De een stond aan deze kant van de oever en de ander aan de overkant. 6. De Man in linnen kleren stond boven het water van de rivier. Een van hen zei tegen Hem: Hoelang duurt het tot deze wonderen ten einde zijn? 7. Ik hoorde de Man in linnen kleren, die boven het water van de rivier was. Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar de hemel. Hij zwoer bij Hem die eeuwig leeft: Het duurt een tijd, twee tijden en een halve tijd. Als de macht van het heilige volk gebroken is, zal dit alles voltooid zijn. 8. Ik hoorde het, maar ik begreep het niet. Ik zei: Mijn Heer, wat zal het einde van deze dingen zijn? 9. Hij zei: Ga heen, Daniël. Want deze woorden blijven geheim en verzegeld tot de tijd van het einde. 10. Velen zullen gereinigd, wit gemaakt en gelouterd worden. Maar de goddelozen zullen goddeloos blijven handelen. Geen van hen zal het begrijpen, maar de verstandigen zullen het wel begrijpen. 11. Vanaf de tijd dat het dagelijkse offer weggenomen wordt en de gruwel die verwoesting brengt neergezet wordt, zijn er duizend tweehonderdnegentig dagen. 12. Gelukkig is wie blijft wachten en duizend driehonderdvijfendertig dagen bereikt. 13. Maar jij, ga heen tot het einde. Je zult rusten en opstaan om je deel te ontvangen, aan het einde van de dagen. ## Hosea 1 — De kinderen met de vreemde namen 1. Het woord van de HEERE dat kwam tot Hosea, de zoon van Beëri. Dat was in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, koningen van Juda. Het was ook in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël. 2. Het begin van het woord van de HEERE door Hosea. De HEERE zei tegen Hosea: Ga en neem een ontrouwe vrouw en krijg kinderen van ontrouw. Want het land is de HEERE helemaal ontrouw geworden. 3. Zo ging hij en nam Gomer, de dochter van Diblaïm. Zij werd zwanger en kreeg een zoon. 4. De HEERE zei tegen hem: Noem hem Jizreël. Want binnenkort zal ik het bloedbad van Jizreël wreken op het huis van Jehu. Ik zal een einde maken aan het koninkrijk van het volk van Israël. 5. Op die dag zal ik de boog van Israël breken, in het dal van Jizreël. 6. Zij werd opnieuw zwanger en kreeg een dochter. Hij zei tegen hem: Noem haar Lo-Ruchama. Want ik zal mij niet meer ontfermen over het volk van Israël. Ik zal hen zeker wegvoeren. 7. Maar over het volk van Juda zal ik mij wel ontfermen. Ik zal hen redden door de HEERE, hun God. Ik zal hen niet redden door boog, zwaard of oorlog, en niet door paarden of ruiters. 8. Toen zij Lo-Ruchama niet meer de borst gaf, werd zij zwanger en kreeg een zoon. 9. Hij zei: Noem hem Lo-Ammi. Want jullie zijn mijn volk niet en ik zal er niet voor jullie zijn. 10. Toch zal het aantal Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet te meten en niet te tellen is. Op de plaats waar tegen hen gezegd is: jullie zijn mijn volk niet, zal tegen hen gezegd worden: jullie zijn kinderen van de levende God. 11. De Judeeërs en de Israëlieten zullen samen bijeenkomen. Zij zullen één hoofd over zich aanstellen en uit het land optrekken. Want de dag van Jizreël zal groot zijn. 12. Zeg tegen je broers: Ammi. En zeg tegen je zussen: Ruchama. ## Hosea 2 — Ik zal naar haar hart spreken 1. Klaag je moeder aan, klaag haar aan. Want zij is mijn vrouw niet en ik ben haar man niet. Laat zij haar ontrouw uit haar gezicht wegdoen en haar overspel van tussen haar borsten. 2. Anders zal ik haar naakt uitkleden en haar neerzetten zoals op de dag dat zij geboren werd. Ik zal haar maken als een woestijn en als een dor land, en haar laten sterven van dorst. 3. Over haar kinderen zal ik mij niet ontfermen, want het zijn kinderen van ontrouw. 4. Want hun moeder is ontrouw geweest. Zij die hen droeg, deed schandelijke dingen. Zij zei: ik ga achter mijn minnaars aan. Zij geven mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank. 5. Daarom, kijk, ik zal je weg met doornen afzetten. Ik zal een muur om haar heen bouwen, zodat zij haar paden niet meer vindt. 6. Zij zal haar minnaars achternalopen, maar hen niet inhalen. Zij zal hen zoeken, maar niet vinden. Dan zal zij zeggen: ik ga terug naar mijn eerste man, want toen had ik het beter dan nu. 7. Zij erkent niet dat ik het was die haar het koren, de wijn en de olie gaf. Ik gaf haar veel zilver en goud, maar dat gebruikten zij voor Baäl. 8. Daarom zal ik terugkomen en mijn koren weghalen op zijn tijd, en mijn wijn op de vastgestelde tijd. Ik zal mijn wol en mijn vlas wegnemen, die haar naaktheid bedekten. 9. Nu zal ik haar schande blootleggen voor de ogen van haar minnaars. Niemand zal haar uit mijn hand redden. 10. Ik zal een einde maken aan al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe manen en haar sabbatten, ja aan al haar feestdagen. 11. Ik zal haar wijnstok en haar vijgenboom verwoesten, waarvan zij zegt: dit is het loon dat mijn minnaars mij gegeven hebben. Ik zal ze tot een wildernis maken en de dieren van het veld zullen ze opeten. 12. Ik zal bij haar de dagen van de Baäls bezoeken. Toen brandde zij wierook voor hen en tooide zij zich met haar ringen en haar halssieraad. Zij liep achter haar minnaars aan, maar mij vergat zij, zegt de HEERE. 13. Daarom, kijk, ik zal haar meelokken. Ik zal haar naar de woestijn brengen en naar haar hart spreken. 14. Ik zal haar vandaar haar wijngaarden teruggeven, en het dal Achor als een deur van hoop. Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd, als op de dag dat zij uit Egypte optrok. 15. Op die dag, zegt de HEERE, zul je mij noemen: mijn man. Je zult mij niet meer noemen: mijn Baäl. 16. Ik zal de namen van de Baäls uit haar mond weghalen. Zij zullen niet meer bij hun namen genoemd worden. 17. Op die dag sluit ik voor hen een verbond met de dieren van het veld. Ook met de vogels van de hemel en met alles wat over de grond kruipt. Ik zal boog, zwaard en oorlog uit het land breken. Ik zal hen veilig laten wonen. 18. Ik zal je voor altijd tot mijn vrouw maken. Ja, ik zal je tot mijn vrouw maken in gerechtigheid en recht, in trouw en barmhartigheid. 19. Ik zal je tot mijn vrouw maken in vertrouwen. En je zult de HEERE kennen. 20. Op die dag zal ik antwoorden, zegt de HEERE. Ik zal de hemel antwoorden en die zal de aarde antwoorden. 21. De aarde zal het koren antwoorden, met de wijn en de olie. En die zullen Jizreël antwoorden. 22. Ik zal haar voor mijzelf in het land zaaien. Ik zal mij ontfermen over Lo-Ruchama. Ik zal tegen Lo-Ammi zeggen: jij bent mijn volk. En hij zal zeggen: mijn God! ## Hosea 3 — Opnieuw liefhebben 1. De HEERE zei tegen mij: Ga opnieuw en heb een vrouw lief die door haar man bemind wordt en toch overspel pleegt. Zo heeft de HEERE de Israëlieten lief, terwijl zij naar andere goden kijken en houden van rozijnenkoeken. 2. Ik kocht haar voor vijftien zilverstukken en voor ongeveer driehonderd liter gerst. 3. Ik zei tegen haar: Je moet lange tijd bij mij blijven. Je mag niet ontrouw zijn en niet bij een andere man horen. En ik zal ook bij jou blijven. 4. Want de Israëlieten zullen lange tijd blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gedenksteen, zonder priesterkleed en zonder huisgoden. 5. Daarna zullen de Israëlieten terugkeren. Zij zullen de HEERE, hun God, zoeken, en David, hun koning. Met ontzag zullen zij komen tot de HEERE en tot Zijn goedheid, aan het einde van de dagen. ## Hosea 4 — De HEERE heeft een rechtszaak 1. Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten. Want de HEERE heeft een rechtszaak met de bewoners van het land. Er is geen trouw, geen liefde en geen kennis van God in het land. 2. In plaats daarvan wordt er gevloekt en gelogen, gemoord, gestolen en overspel gepleegd. Zij breken door alle grenzen heen en het ene bloedbad volgt op het andere. 3. Daarom zal het land treuren en zal iedereen die erin woont wegkwijnen, met de dieren van het veld en de vogels van de hemel. Zelfs de vissen van de zee zullen verdwijnen. 4. Toch moet niemand een ander aanklagen of terechtwijzen. Want jouw volk lijkt op mensen die met de priester ruzie maken. 5. Daarom zul je overdag struikelen. Ook de profeet zal met je struikelen in de nacht. En ik zal je moeder uitroeien. 6. Mijn volk gaat te gronde door gebrek aan kennis. Jij hebt de kennis verworpen; daarom verwerp ik jou als priester voor mij. Jij bent de wet van je God vergeten; daarom zal ik ook jouw kinderen vergeten. 7. Hoe talrijker zij werden, hoe meer zij tegen mij zondigden. Ik zal hun eer in schande veranderen. 8. Zij eten van het zondoffer van mijn volk. Zij verlangen met heel hun ziel naar hun schuld. 9. Daarom zal het de priester vergaan als het volk. Ik zal hem straffen voor zijn wegen en hem zijn daden vergelden. 10. Zij zullen eten, maar niet verzadigd worden. Zij zullen ontrouw zijn, maar niet in aantal groeien. Want zij hebben de HEERE losgelaten. 11. Ontrouw, wijn en most nemen het verstand weg. 12. Mijn volk ondervraagt een stuk hout en zijn stok moet hem antwoord geven. Want een geest van ontrouw brengt hen op een dwaalspoor. Zij zijn ontrouw en lopen weg bij hun God. 13. Op de toppen van de bergen offeren zij en op de heuvels branden zij wierook. Dat doen zij onder eik, populier en terebint, want hun schaduw is goed. Daarom zijn jullie dochters ontrouw en plegen jullie bruiden overspel. 14. Toch zal ik jullie dochters niet straffen omdat zij ontrouw zijn, en jullie bruiden niet omdat zij overspel plegen. Want de mannen zelf gaan met ontuchtige vrouwen mee en offeren met tempelmeisjes. Zo gaat een volk zonder verstand te gronde. 15. Israël, als jij ontrouw wilt zijn, laat Juda dan niet schuldig worden. Kom niet naar Gilgal en ga niet op naar Beth-Aven. Zweer niet: zo waar de HEERE leeft. 16. Want Israël is koppig als een koppige koe. Zou de HEERE hen dan weiden als een lam in de wei? 17. Efraïm hangt aan zijn afgoden. Laat hem maar begaan. 18. Als hun drinkgelag voorbij is, blijven zij ontrouw. Hun leiders houden van schande. 19. De wind zal hen meenemen op zijn vleugels. Zij zullen beschaamd staan om hun offers. ## Hosea 5 — Een strik op Mizpa 1. Hoor dit, priesters! Let op, volk van Israël! Luister, koninklijk huis! Want dit oordeel geldt jullie. Jullie zijn een strik geworden in Mizpa en een uitgespannen net op de Tabor. 2. De afvalligen zijn diep gezonken in het moorden. Maar ik zal hen allemaal tuchtigen. 3. Ik ken Efraïm en Israël is voor mij niet verborgen. Efraïm, nu ben je ontrouw en Israël is onrein geworden. 4. Hun daden laten niet toe dat zij terugkeren naar hun God. Want in hun midden heerst een geest van ontrouw. De HEERE kennen zij niet. 5. De hoogmoed van Israël getuigt tegen hem. Israël en Efraïm zullen struikelen door hun schuld. Ook Juda zal met hen struikelen. 6. Met hun schapen en hun runderen zullen zij de HEERE gaan zoeken, maar zij zullen Hem niet vinden. Hij heeft zich van hen teruggetrokken. 7. Zij zijn ontrouw geweest aan de HEERE, want zij kregen kinderen van vreemden. Nu zal de nieuwe maan hen verteren met hun akkers. 8. Blaas de ramshoorn in Gibea en de trompet in Rama. Sla alarm in Beth-Aven. Kijk uit, Benjamin! 9. Efraïm zal een woestenij worden op de dag van de straf. Onder de stammen van Israël maak ik bekend wat zeker is. 10. De vorsten van Juda zijn als mensen die grensstenen verplaatsen. Ik zal mijn woede als water over hen uitgieten. 11. Efraïm is onderdrukt en verpletterd door het recht. Want hij wilde het zo; hij liep achter leegheid aan. 12. Daarom zal ik voor Efraïm als een mot zijn en voor het volk van Juda als verrotting. 13. Efraïm zag zijn ziekte en Juda zijn wond. Toen ging Efraïm naar Assur en stuurde hij een bode naar koning Jareb. Maar die kan jullie niet genezen en jullie wond niet helen. 14. Want ik zal voor Efraïm als een leeuw zijn en voor het volk van Juda als een jonge leeuw. Ik, ik zal verscheuren en weggaan. Ik zal wegdragen en niemand zal redden. 15. Ik zal weggaan en terugkeren naar mijn plaats. Dat duurt tot zij hun schuld erkennen en mijn gezicht zoeken. Als zij het benauwd hebben, zullen zij mij vroeg zoeken. ## Hosea 6 — Liefde wil ik, geen offer 1. Kom, laten wij terugkeren naar de HEERE. Want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen. Hij heeft geslagen en Hij zal ons verbinden. 2. Na twee dagen zal Hij ons weer levend maken. Op de derde dag zal Hij ons laten opstaan en zullen wij voor Hem leven. 3. Laten wij de HEERE leren kennen; laten wij Hem najagen. Zijn verschijnen staat zo vast als de dageraad. Hij zal naar ons komen als de regen, als de late en de vroege regen op het land. 4. Wat moet ik met je doen, Efraïm? Wat moet ik met je doen, Juda? Jullie liefde is als een morgenwolk en als dauw die vroeg verdwijnt. 5. Daarom heb ik hen gehouwen door de profeten. Ik heb hen gedood door de woorden van mijn mond. Mijn oordeel over jou breekt door als het licht. 6. Want liefde wil ik en geen offer. Ik wil dat jullie God kennen, meer dan brandoffers. 7. Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam. Daar zijn zij mij ontrouw geworden. 8. Gilead is een stad van mensen die kwaad doen. Zij is vol bloedsporen. 9. Zoals rovers iemand opwachten, zo is de bende priesters. Zij moorden op de weg naar Sichem. Ja, zij doen schandelijke dingen. 10. In het volk van Israël zie ik iets afschuwelijks. Daar is Efraïm ontrouw en Israël is onrein. 11. Ook voor jou, Juda, is er een oogst bepaald, wanneer ik het lot van mijn volk keer. ## Hosea 7 — Een koek die niet is omgedraaid 1. Terwijl ik Israël genees, komt de schuld van Efraïm aan het licht, met het kwaad van Samaria. Want zij bedriegen. De dief breekt binnen en buiten plundert een bende rovers. 2. Zij bedenken niet in hun hart dat ik al hun kwaad onthoud. Nu omsingelen hun daden hen; ik zie ze voor mij. 3. Zij maken de koning blij met hun kwaad en de vorsten met hun leugens. 4. Zij plegen allemaal overspel. Zij zijn als een oven die door de bakker heet gestookt is. Hij houdt op met stoken vanaf het kneden van het deeg tot het gerezen is. 5. Op de feestdag van onze koning maken de vorsten zich ziek van de wijn. Hij reikt de spotters de hand. 6. Want hun hart brandt als een oven vol samenzwering. Hun woede smeult heel de nacht; in de morgen laait zij op als een vlammend vuur. 7. Zij zijn allemaal heet als een oven. Zij verteren hun rechters. Al hun koningen vallen. Niemand van hen roept tot mij. 8. Efraïm vermengt zich met de volken. Efraïm is een koek die niet is omgedraaid. 9. Vreemden verteren zijn kracht en hij merkt het niet. Ook zijn haar wordt grijs en hij merkt het niet. 10. De hoogmoed van Israël getuigt tegen hem. Toch keren zij niet terug naar de HEERE, hun God, en zoeken zij Hem niet ondanks dit alles. 11. Want Efraïm is als een domme duif zonder verstand. Zij roepen Egypte aan en zij gaan naar Assur. 12. Als zij gaan, zal ik mijn net over hen uitspreiden. Ik zal hen omlaaghalen als vogels van de hemel. Ik zal hen straffen, zoals aan hun vergadering is aangekondigd. 13. Wee hun, want zij zijn van mij weggevlogen. Verwoesting over hen, want zij zijn mij ontrouw geweest. Ik zou hen graag redden, maar zij spreken leugens tegen mij. 14. Zij roepen niet met hun hart tot mij, ook al huilen zij op hun bed. Om koren en wijn kerven zij zich, maar tegen mij blijven zij in verzet. 15. Ik heb hen gevormd en hun armen sterk gemaakt. Toch bedenken zij kwaad tegen mij. 16. Zij keren terug, maar niet naar de Allerhoogste. Zij zijn als een kromme boog. Hun vorsten vallen door het zwaard om hun brutale taal. Daarom worden zij bespot in Egypte. ## Hosea 8 — Wind zaaien en storm oogsten 1. Zet de ramshoorn aan je mond! Hij komt als een arend op het huis van de HEERE af. Want zij hebben mijn verbond overtreden en zijn afvallig geworden van mijn wet. 2. Dan zullen zij tot mij roepen: mijn God, wij, Israël, kennen U! 3. Israël heeft het goede verstoten. De vijand zal hem achtervolgen. 4. Zij hebben koningen aangesteld, maar niet door mij. Zij hebben vorsten aangewezen die ik niet kende. Van hun zilver en goud maakten zij afgoden voor zichzelf, zodat zij uitgeroeid worden. 5. Samaria, je kalf is verstoten. Mijn toorn brandt tegen hen. Hoelang duurt het nog voordat zij rein kunnen zijn? 6. Want dat ding komt uit Israël. Een vakman heeft het gemaakt en het is geen God. Het kalf van Samaria zal aan stukken gaan. 7. Want zij hebben wind gezaaid en zullen storm oogsten. Er zal geen staand koren zijn en de halm geeft geen meel. Als hij toch iets zou geven, zullen vreemden het opeten. 8. Israël is verslonden. Nu ligt het tussen de volken als een pot waar niemand iets aan heeft. 9. Want zij zijn naar Assur getrokken, als een wilde ezel die alleen op zichzelf let. Efraïm huurde minnaars. 10. Zij huurden minnaars onder de volken. Daarom zal ik hen nu bijeenbrengen. Zij beginnen al weg te kwijnen onder de druk van de koning van de vorsten. 11. Efraïm heeft veel altaren gebouwd om te zondigen. Zo werden die altaren voor hem juist een plek om te zondigen. 12. Ik schrijf voor hem de vele regels van mijn wet op, maar hij beschouwt ze als iets vreemds. 13. Bij mijn offergaven offeren zij vlees en eten dat zelf op. Maar de HEERE neemt hen niet aan. Nu zal Hij aan hun schuld denken en hun zonden straffen. Zij zullen naar Egypte terugkeren. 14. Want Israël heeft zijn Maker vergeten en tempels gebouwd. Juda heeft veel versterkte steden gebouwd. Maar ik zal een vuur naar zijn steden sturen, dat hun paleizen zal verteren. ## Hosea 9 — De dagen van de vergelding 1. Israël, wees niet blij en juich niet zoals de volken. Want je bent ontrouw geworden aan je God. Je houdt van het loon van ontrouw, op elke dorsvloer van het koren. 2. De dorsvloer en de wijnpers zullen hen niet voeden. De wijn zal hen teleurstellen. 3. Zij zullen niet in het land van de HEERE blijven. Efraïm zal terugkeren naar Egypte en in Assur onrein voedsel eten. 4. Zij zullen de HEERE geen wijn als drankoffer brengen. Hun offers zullen Hem niet bevallen. Hun offers zullen voor hen zijn als rouwbrood; wie ervan eet, wordt onrein. Hun brood is alleen voor henzelf; het komt niet in het huis van de HEERE. 5. Wat zullen jullie dan doen op een feestdag, op een feest van de HEERE? 6. Want kijk, zij gaan weg vanwege de verwoesting. Egypte zal hen verzamelen en Mof zal hen begraven. Hun kostbare zilver zal overwoekerd raken; netels zullen hun huizen in bezit nemen en doorns zullen in hun tenten staan. 7. De dagen van de bezoeking zijn gekomen. De dagen van de vergelding zijn er. Israël zal het merken. De profeet is een dwaas, de man van de geest is waanzinnig. Dat komt door je grote schuld en door de grote vijandschap. 8. De wachter van Efraïm hoort bij mijn God. Toch is de profeet op al zijn wegen een vogelvangersval; er is vijandschap in het huis van zijn God. 9. Zij zijn diep verdorven, als in de dagen van Gibea. Hij zal aan hun schuld denken en hun zonden straffen. 10. Ik vond Israël als druiven in de woestijn. Ik zag jullie vaderen als de eerste vijgen aan een jonge vijgenboom. Maar zij gingen naar Baäl-Peor en wijdden zich aan die schande. Zij werden even afschuwelijk als de goden waar zij van hielden. 11. De heerlijkheid van Efraïm zal wegvliegen als een vogel: geen geboorte, geen zwangerschap en geen ontvangenis meer. 12. Ook al brengen zij hun kinderen groot, ik zal hen daarvan beroven, zodat er geen mens overblijft. Ja, wee hun als ik van hen wegga. 13. Efraïm leek mij een boom die op een mooie plek geplant is, zoals Tyrus. Maar Efraïm zal zijn kinderen naar de moordenaar moeten brengen. 14. Geef hun, HEERE, wat U hun geven zult. Geef hun een schoot die geen kind draagt en borsten die opdrogen. 15. Al hun kwaad is in Gilgal. Daar ben ik hen gaan haten om het kwaad van hun daden. Ik zal hen uit mijn huis wegjagen. Ik zal hen niet meer liefhebben. Al hun vorsten zijn opstandig. 16. Efraïm is geslagen; zijn wortel is verdord. Zij zullen geen vrucht meer voortbrengen. En al krijgen zij kinderen, ik zal hun geliefde kinderen doden. 17. Mijn God zal hen verwerpen, omdat zij niet naar Hem luisteren. Zij zullen zwerven onder de volken. ## Hosea 10 — Zaai gerechtigheid 1. Israël is een welige wijnstok die volop vrucht draagt. Maar hoe meer vrucht hij droeg, hoe meer altaren hij bouwde. Hoe rijker zijn land werd, hoe mooier hij de gedenkstenen maakte. 2. Hun hart is verdeeld; nu zullen zij boeten. Hij zal hun altaren stukslaan en hun gedenkstenen vernielen. 3. Want nu zullen zij zeggen: wij hebben geen koning, want wij hadden geen ontzag voor de HEERE. Maar wat zou een koning ook voor ons kunnen doen? 4. Zij spreken loze woorden en zweren valse eden bij het sluiten van verbonden. Daarom schiet het onrecht op als gifplanten in de voren van het veld. 5. De bewoners van Samaria zullen bang zijn om het kalf van Beth-Aven. Zijn volk zal erom treuren en zijn afgodspriesters ook. Zij juichten om zijn pracht, maar die is nu verdwenen. 6. Ja, het zal naar Assur gebracht worden als geschenk voor koning Jareb. Efraïm zal schande oogsten en Israël zal beschaamd staan om zijn eigen plan. 7. De koning van Samaria wordt weggevaagd, als een twijgje op het water. 8. De offerhoogten van Aven, de zonde van Israël, zullen vernietigd worden. Doorns en distels zullen op hun altaren opkomen. Dan zullen zij tegen de bergen zeggen: bedek ons! en tegen de heuvels: val op ons! 9. Sinds de dagen van Gibea heb je gezondigd, Israël. Daar zijn zij blijven staan. Zou de strijd in Gibea die boosaardige mensen niet inhalen? 10. Ik wil hen straffen. Volken zullen tegen hen verzameld worden, als ik hen straf voor hun dubbele schuld. 11. Efraïm was een getemde jonge koe die graag dorste. Maar ik leg een juk op haar mooie nek. Ik zal Efraïm inspannen. Juda zal ploegen en Jakob zal eggen. 12. Zaai voor jezelf gerechtigheid en oogst liefde. Ploeg een nieuw akkerland. Het is tijd om de HEERE te zoeken, tot Hij komt en gerechtigheid over jullie laat regenen. 13. Maar jullie hebben goddeloosheid geploegd en onrecht geoogst. Jullie hebben de vrucht van de leugen gegeten. Want jullie vertrouwden op je eigen weg en op je vele helden. 14. Daarom zal er groot rumoer opsteken onder je volken. Al je vestingen zullen verwoest worden, zoals Salman Beth-Arbel verwoestte op de dag van de strijd. De moeder werd met de kinderen verpletterd. 15. Zo zal het Beth-El vergaan om jullie grote kwaad. In de vroege morgen wordt de koning van Israël voorgoed uitgeroeid. ## Hosea 11 — Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen 1. Toen Israël nog een kind was, had ik hem lief. Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen. 2. Maar hoe meer men hen riep, hoe verder zij weggingen. Zij offerden aan de Baäls en brandden wierook voor gesneden beelden. 3. Toch was ik het die Efraïm leerde lopen. Ik nam hen op mijn armen. Maar zij beseften niet dat ik hen genas. 4. Ik trok hen met menselijke banden, met touwen van liefde. Ik was voor hen als iemand die het juk van hun kaken optilt. Ik boog mij naar hem toe en gaf hem te eten. 5. Hij zal niet terugkeren naar Egypte, maar Assur zal zijn koning zijn. Want zij weigerden terug te keren. 6. Het zwaard zal in zijn steden woeden. Het zal zijn grendels verteren en opeten, om hun eigen plannen. 7. Want mijn volk blijft vastzitten in afkeer van mij. Zij roepen wel tot de Allerhoogste, maar niemand verheft Hem. 8. Hoe zou ik je kunnen prijsgeven, Efraïm? Hoe zou ik je kunnen overleveren, Israël? Hoe zou ik je kunnen maken als Adama en je behandelen als Zeboïm? Mijn hart keert zich in mij om; heel mijn medelijden laait op. 9. Ik zal de gloed van mijn toorn niet uitvoeren. Ik zal Efraïm niet opnieuw vernietigen. Want ik ben God en geen mens, de Heilige in jullie midden. Ik zal niet in woede komen. 10. Zij zullen de HEERE achternagaan. Hij zal brullen als een leeuw. Als Hij brult, zullen zijn kinderen bevend aankomen vanaf de zee. 11. Zij zullen bevend aankomen als een vogel uit Egypte en als een duif uit het land Assur. Ik zal hen weer in hun huizen laten wonen, zegt de HEERE. ## Hosea 12 — Keer terug naar je God 1. Efraïm heeft mij omringd met leugen en het volk van Israël met bedrog. Juda dwaalt nog steeds af van God, van de Heilige, die trouw is. 2. Efraïm voedt zich met wind en jaagt de oostenwind na. De hele dag stapelt hij leugen op geweld. Zij sluiten een verbond met Assur en brengen olie naar Egypte. 3. Ook heeft de HEERE een rechtszaak met Juda. Hij zal Jakob straffen naar zijn wegen en hem vergelden naar zijn daden. 4. In de buik van zijn moeder pakte hij zijn broer bij de hiel. Met zijn kracht streed hij met God. 5. Ja, hij streed met de Engel en overwon. Hij huilde en smeekte Hem. In Beth-El vond hij Hem en daar sprak Hij met ons. 6. Dat is de HEERE, de God van de legermachten. HEERE is de naam waarmee Hij wordt aangeroepen. 7. Keer jij dan terug naar je God. Houd vast aan liefde en recht en blijf altijd hopen op je God. 8. Kanaän heeft een bedrieglijke weegschaal in zijn hand; hij bedriegt graag. 9. Toch zegt Efraïm: ik ben rijk geworden en ik heb veel bezit verworven. In al mijn werk zal men bij mij geen onrecht vinden waarvoor ik zou moeten boeten. 10. Maar ik ben de HEERE, jullie God, vanaf het land Egypte. Ik zal jullie opnieuw in tenten laten wonen, als in de dagen van de feestelijke ontmoeting. 11. Ik heb tot de profeten gesproken en veel visioenen gegeven. Door de profeten heb ik in beelden gesproken. 12. In Gilead gebeurt onrecht; zij zijn niets waard. In Gilgal offeren zij stieren. Ja, hun altaren zijn als steenhopen in de voren van het veld. 13. Jakob vluchtte naar het gebied van Syrië. Israël diende om een vrouw en hoedde de kudde om een vrouw. 14. Maar de HEERE bracht Israël uit Egypte door een profeet. Door een profeet werd hij gehoed. 15. Efraïm heeft Hem bitter getergd. Daarom zal zijn bloedschuld op hem blijven. Zijn Heer zal hem zijn smaad vergelden. ## Hosea 13 — Er is geen redder dan ik 1. Als Efraïm sprak, beefde men. Hij was verheven in Israël. Maar hij werd schuldig door Baäl en stierf. 2. Nu gaan zij door met zondigen. Van hun zilver maakten zij een gegoten beeld, afgoden naar hun eigen inzicht, allemaal smidswerk. Toch zeggen zij: mensen die offeren, moeten de kalveren kussen. 3. Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, als dauw die vroeg verdwijnt, als kaf dat van de dorsvloer wegwaait en als rook uit een raam. 4. Maar ik ben de HEERE, jullie God, vanaf het land Egypte. Je zou geen andere God mogen kennen dan mij, want er is geen redder dan ik. 5. Ik heb je gekend in de woestijn, in een land van grote droogte. 6. Daarna kregen zij een goede weide en werden zij verzadigd. Toen zij verzadigd waren, werd hun hart hoogmoedig. Daarom vergaten zij mij. 7. Daarom werd ik voor hen als een leeuw. Als een luipaard loerde ik langs de weg. 8. Ik kwam op hen af als een berin die haar jongen kwijt is. Ik scheurde hun borst open. Ik verslond hen daar als een leeuwin; de wilde dieren van het veld verscheurden hen. 9. Israël, je bent te gronde gericht, want je verzette je tegen mij, je hulp. 10. Waar is je koning nu? Laat hij je redden in al je steden! Waar zijn je rechters, over wie je zei: geef mij een koning en vorsten? 11. Ik gaf je een koning in mijn toorn en nam hem weg in mijn woede. 12. De schuld van Efraïm is opgeborgen; zijn zonde ligt opgeslagen. 13. De pijn van een barende vrouw zal hem overvallen. Hij is een onverstandig kind. Want anders zou hij niet blijven steken in de geboorte. 14. Toch zal ik hen vrijkopen uit de macht van het dodenrijk. Ik zal hen loskopen van de dood. Dood, waar zijn je plagen? Dodenrijk, waar is je verderf? Medelijden is voor mijn ogen verborgen. 15. Want hij zal vrucht dragen tussen zijn verwanten. Maar er komt een oostenwind, een wind van de HEERE, die opkomt uit de woestijn. Zijn bron zal opdrogen en zijn put zal verdrogen. Die wind zal de schat van alle kostbare voorwerpen roven. ## Hosea 14 — Ik zal hen genezen 1. Samaria zal een woestenij worden, want zij is opstandig geweest tegen haar God. Zij zullen door het zwaard vallen. Hun kleine kinderen zullen verpletterd worden en hun zwangere vrouwen opengereten. 2. Keer terug, Israël, naar de HEERE, je God. Want je bent gevallen door je eigen schuld. 3. Neem deze woorden mee en keer terug naar de HEERE. Zeg tegen Hem: Neem alle schuld weg en aanvaard het goede. Dan zullen wij U danken met de woorden van onze lippen. 4. Assur zal ons niet redden. Wij zullen niet op paarden rijden. Wij zullen niet meer zeggen tegen het werk van onze handen: u bent onze God. Want bij U vindt de wees ontferming. 5. Ik zal hun afkeer genezen. Ik zal hen van harte liefhebben, want mijn toorn heeft zich van hem afgekeerd. 6. Ik zal voor Israël als de dauw zijn. Hij zal bloeien als een lelie en wortel schieten als de Libanon. 7. Zijn loten zullen zich uitspreiden. Zijn pracht zal zijn als die van een olijfboom en zijn geur als die van de Libanon. 8. Zij zullen terugkeren en in zijn schaduw zitten. Zij zullen opbloeien als het koren en bloeien als de wijnstok. Zijn roem zal zijn als de wijn van de Libanon. 9. Efraïm, wat heb ik nog met afgoden te maken? Ik antwoord hem en ik zie naar hem om. Ik ben voor hem als een groene cipres. Van mij komt jouw vrucht. 10. Wie is wijs? Laat die dit begrijpen. Wie is verstandig? Laat die dit erkennen. Want de wegen van de HEERE zijn recht. De rechtvaardigen zullen daarop lopen, maar de overtreders zullen erop struikelen. ## Joël 1 — De sprinkhanen vreten het land kaal 1. Het woord van de HEERE dat kwam tot Joël, de zoon van Pethuël. 2. Hoor dit, oudsten, en luister, alle bewoners van het land. Is zoiets gebeurd in jullie dagen of in de dagen van jullie vaderen? 3. Vertel het aan jullie kinderen. Laat jullie kinderen het aan hun kinderen vertellen en die kinderen aan het volgende geslacht. 4. Wat de knaagsprinkhaan overliet, heeft de gewone sprinkhaan opgegeten. Wat die overliet, heeft de jonge sprinkhaan opgegeten. En wat die overliet, heeft de kaalvreter opgegeten. 5. Word wakker, dronkaards, en huil. Jammer, jullie allemaal die wijn drinken. Want de nieuwe wijn is jullie ontnomen. 6. Want een volk is opgetrokken tegen mijn land, machtig en niet te tellen. Zijn tanden zijn leeuwentanden en zijn kiezen die van een leeuwin. 7. Het heeft mijn wijnstok verwoest en mijn vijgenboom kaalgevreten. Het heeft hem helemaal geschild en omvergegooid; zijn takken zijn wit geworden. 8. Klaag als een jonge vrouw in rouwkleren om de man van haar jeugd. 9. Het graanoffer en het drankoffer zijn weg uit het huis van de HEERE. De priesters, de dienaars van de HEERE, treuren. 10. Het veld is verwoest en het land treurt. Want het koren is vernield, de wijn is opgedroogd en de olie is op. 11. De boeren staan beschaamd en de wijnbouwers jammeren om de tarwe en de gerst. Want de oogst van het veld is verloren. 12. De wijnstok is verdord en de vijgenboom is verwelkt. Ook de granaatappelboom, de palm en de appelboom, alle bomen van het veld zijn verdord. Ja, de vreugde is verdwenen uit de mensen. 13. Doe rouwkleren aan en klaag, priesters. Jammer, dienaars van het altaar. Kom, breng de nacht door in rouwkleren, dienaars van mijn God. Want het graanoffer en het drankoffer zijn weg uit het huis van jullie God. 14. Kondig een heilige vastentijd af en roep een plechtige samenkomst uit. Breng de oudsten en alle bewoners van het land samen in het huis van de HEERE, jullie God. Roep dan tot de HEERE. 15. Ach, die dag! Want de dag van de HEERE is nabij. Hij komt als een verwoesting van de Almachtige. 16. Is het voedsel niet voor onze ogen weggenomen? Is de blijdschap en de vreugde niet weg uit het huis van onze God? 17. De zaden liggen verschrompeld onder de kluiten. De voorraadschuren staan leeg en de graanschuren zijn afgebroken, want het koren is verdord. 18. Hoe kreunt het vee! De kudden runderen dolen rond, want zij hebben geen weide. Ook de kudden schapen lijden. 19. Tot U, HEERE, roep ik. Want vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd en een vlam heeft alle bomen van het veld verbrand. 20. Ook de dieren van het veld schreeuwen tot U. Want de waterstromen zijn opgedroogd en vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd. ## Joël 2 — De dag van de HEERE 1. Blaas de ramshoorn in Sion en sla alarm op mijn heilige berg. Laat alle bewoners van het land beven. Want de dag van de HEERE komt; hij is nabij. 2. Het is een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en diepe schaduw. Als de dageraad ligt een volk over de bergen uitgespreid, groot en machtig. Zo een is er nooit geweest en zal er nooit meer zijn, tot in verre geslachten. 3. Voor hen uit verteert een vuur en achter hen brandt een vlam. Voor hen ligt het land als de tuin van Eden, achter hen is het een verlaten wildernis. Niets ontkomt eraan. 4. Zij zien eruit als paarden en zij rennen als ruiters. 5. Zij springen over de bergtoppen met het geluid van wagens, als het knetteren van een vuurvlam die stoppels verteert. Zij zijn als een machtig volk in slagorde. 6. Bij hun aanblik krimpen de volken ineen. Alle gezichten verbleken. 7. Zij rennen als helden en beklimmen de muren als soldaten. Ieder gaat rechtdoor en niemand wijkt van zijn pad. 8. Zij verdringen elkaar niet. Ieder gaat zijn eigen baan. Ook al vallen zij op de wapens, zij raken niet gewond. 9. Zij razen door de stad en rennen over de muren. Zij klimmen in de huizen en komen door de vensters binnen als een dief. 10. Voor hen beeft de aarde en trilt de hemel. De zon en de maan worden zwart en de sterren verliezen hun glans. 11. De HEERE laat Zijn stem klinken voor Zijn leger uit. Zijn kamp is heel groot en machtig is wie Zijn woord uitvoert. Want de dag van de HEERE is groot en heel ontzagwekkend. Wie kan hem doorstaan? 12. Maar zelfs nu nog, zegt de HEERE, keer met heel je hart naar mij terug. Doe dat met vasten, met huilen en met rouwklacht. 13. Scheur je hart en niet je kleren. Keer terug naar de HEERE, jullie God. Want Hij is genadig en barmhartig, geduldig en vol trouw, en Hij heeft spijt over het onheil. 14. Wie weet keert Hij zich om en krijgt Hij spijt. Misschien laat Hij een zegen achter: een graanoffer en een drankoffer voor de HEERE, jullie God. 15. Blaas de ramshoorn in Sion. Kondig een heilige vastentijd af en roep een plechtige samenkomst uit. 16. Breng het volk bijeen en heilig de bijeenkomst. Roep de oudsten samen, breng de kinderen bijeen en de baby's aan de borst. Laat de bruidegom uit zijn kamer komen en de bruid uit haar slaapkamer. 17. Laat de priesters, de dienaars van de HEERE, huilen tussen de voorhal en het altaar. Laat hen zeggen: Spaar Uw volk, HEERE. Geef Uw erfdeel niet over aan spot, zodat volken over hen heersen. Waarom zouden zij onder de volken zeggen: waar is hun God? 18. Toen kwam de HEERE op voor Zijn land en had Hij medelijden met Zijn volk. 19. De HEERE antwoordde en zei tegen Zijn volk: Kijk, ik stuur jullie het koren, de wijn en de olie, zodat jullie verzadigd worden. Ik zal jullie niet meer overgeven aan de spot van de volken. 20. Ik zal de vijand uit het noorden ver van jullie wegjagen. Ik zal hem verdrijven naar een dor en verlaten land, met zijn voorhoede naar de oostelijke zee en zijn achterhoede naar de westelijke zee. Zijn stank zal opstijgen, want hij heeft grote dingen gedaan. 21. Wees niet bang, land. Juich en wees blij, want de HEERE heeft grote dingen gedaan. 22. Wees niet bang, dieren van het veld. Want de weiden van de woestijn worden weer groen. De bomen dragen hun vrucht en de wijnstok en de vijgenboom geven hun rijkdom. 23. Kinderen van Sion, juich en wees blij in de HEERE, jullie God. Want Hij geeft jullie de vroege regen in de juiste maat. Hij laat de regen voor jullie neerdalen, de vroege en de late regen, als vroeger. 24. De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen zullen overlopen van wijn en olie. 25. Ik zal jullie de jaren vergoeden die de sprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de kaalvreter en de knaagsprinkhaan hebben opgegeten. Dat was mijn grote leger dat ik op jullie afstuurde. 26. Jullie zullen volop eten tot je verzadigd bent. Jullie zullen de naam prijzen van de HEERE, jullie God, die wonderen bij jullie gedaan heeft. Mijn volk zal nooit meer beschaamd staan. 27. Jullie zullen weten dat ik in het midden van Israël ben. Ik ben de HEERE, jullie God, en niemand anders. Mijn volk zal nooit meer beschaamd staan. 28. Daarna zal ik mijn Geest uitgieten over alle mensen. Jullie zonen en dochters zullen profeteren. Jullie oude mensen zullen dromen dromen en jullie jonge mannen zullen visioenen zien. 29. Ja, ook over de dienaren en de dienaressen zal ik in die dagen mijn Geest uitgieten. 30. Ik zal tekenen geven in de hemel en op de aarde: bloed, vuur en zuilen van rook. 31. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de HEERE komt. 32. En dan zal iedereen die de naam van de HEERE aanroept, gered worden. Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal redding zijn, zoals de HEERE gezegd heeft. Dat geldt voor wie overblijven, voor wie de HEERE roept. ## Joël 3 — Het dal van de beslissing 1. Want kijk, in die dagen en in die tijd zal ik het lot van Juda en Jeruzalem keren. 2. Dan zal ik alle volken bijeenbrengen en hen naar het dal van Josafat brengen. Daar zal ik met hen rechten om mijn volk en mijn erfdeel Israël. Want zij hebben hen onder de volken verstrooid en mijn land verdeeld. 3. Zij hebben het lot geworpen over mijn volk. Zij gaven een jongen weg voor een ontuchtige vrouw en verkochten een meisje voor wijn, om te drinken. 4. En jullie, Tyrus en Sidon en alle gebieden van de Filistijnen, wat willen jullie van mij? Willen jullie mij iets betaald zetten? Als jullie mij iets betaald willen zetten, laat ik het snel en onmiddellijk op jullie eigen hoofd neerkomen. 5. Want jullie hebben mijn zilver en mijn goud weggenomen. Mijn kostbaarste schatten brachten jullie naar jullie tempels. 6. Jullie hebben de mensen van Juda en Jeruzalem verkocht aan de Grieken, om hen ver van hun gebied weg te brengen. 7. Kijk, ik zal hen doen opstaan uit de plaats waarheen jullie hen verkocht hebben. Ik zal jullie daad op jullie eigen hoofd laten neerkomen. 8. Ik zal jullie zonen en dochters verkopen aan de mensen van Juda. Zij zullen hen verkopen aan de mensen van Scheba, aan een volk ver weg. Want de HEERE heeft het gesproken. 9. Roep dit uit onder de volken: maak je klaar voor de strijd! Roep de helden op. Laat alle soldaten naderbij komen en optrekken. 10. Smeed jullie ploegen om tot zwaarden en jullie snoeimessen tot speren. Laat de zwakke zeggen: ik ben een held. 11. Haast je en kom, alle volken van rondom, en verzamel je. HEERE, laat Uw helden daarheen afdalen! 12. Laat de volken opstaan en optrekken naar het dal van Josafat. Want daar zal ik zitten om alle volken van rondom te oordelen. 13. Zet het mes in de oogst, want die is rijp. Kom en treed de druiven, want de perskuip is vol en de bakken lopen over. Want hun kwaad is groot. 14. Menigten, menigten in het dal van de beslissing! Want de dag van de HEERE is nabij in het dal van de beslissing. 15. De zon en de maan zijn zwart geworden en de sterren hebben hun glans verloren. 16. De HEERE zal brullen vanuit Sion en Zijn stem laten klinken vanuit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven. Maar de HEERE zal een toevlucht zijn voor Zijn volk en een vesting voor de Israëlieten. 17. Dan zullen jullie weten dat ik de HEERE, jullie God, ben. Ik woon op Sion, mijn heilige berg. Jeruzalem zal heilig zijn en vreemden zullen er niet meer doorheen trekken. 18. Op die dag zullen de bergen druipen van zoete wijn en de heuvels van melk. Alle beken van Juda zullen vol water stromen. Een bron zal uit het huis van de HEERE opkomen en het dal van Sittim bevloeien. 19. Egypte zal een woestenij worden en Edom een verlaten wildernis, om het geweld tegen de mensen van Juda. In hun land vergoten zij onschuldig bloed. 20. Maar Juda zal voor altijd blijven bestaan en Jeruzalem van geslacht op geslacht. 21. Ik zal hun bloedschuld wreken die ik nog niet gewroken had. En de HEERE zal wonen op Sion. ## Amos 1 — Om drie overtredingen en om vier 1. De woorden van Amos, een van de schaapherders uit Thekoa. Dit heeft hij gezien over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda. Het was ook in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël. Het was twee jaar voor de aardbeving. 2. Hij zei: De HEERE zal brullen vanuit Sion en Zijn stem laten klinken vanuit Jeruzalem. De weiden van de herders zullen treuren en de top van de Karmel zal verdorren. 3. Dit zegt de HEERE: om drie overtredingen van Damaskus en om vier zal ik het niet afwenden. Want zij hebben Gilead met ijzeren dorssleden gedorst. 4. Daarom zal ik een vuur sturen naar het huis van Hazaël. Dat zal de paleizen van Benhadad verteren. 5. Ik zal de grendel van Damaskus breken. Ik zal de bewoners van Bikeat-Aven uitroeien en wie de scepter draagt in Beth-Eden. Het volk van Syrië zal in ballingschap gaan naar Kir, zegt de HEERE. 6. Dit zegt de HEERE: om drie overtredingen van Gaza en om vier zal ik het niet afwenden. Want zij hebben mijn volk volledig weggevoerd om het aan Edom over te leveren. 7. Daarom zal ik een vuur sturen naar de muur van Gaza. Dat zal haar paleizen verteren. 8. Ik zal de bewoners uitroeien uit Asdod en wie de scepter draagt uit Askelon. Ik zal mijn hand keren tegen Ekron en de rest van de Filistijnen zal omkomen, zegt de Heere HEERE. 9. Dit zegt de HEERE: om drie overtredingen van Tyrus en om vier zal ik het niet afwenden. Want zij leverden mijn volk volledig over aan Edom en dachten niet aan het verbond tussen broedervolken. 10. Daarom zal ik een vuur sturen naar de muur van Tyrus. Dat zal haar paleizen verteren. 11. Dit zegt de HEERE: om drie overtredingen van Edom en om vier zal ik het niet afwenden. Want hij achtervolgde zijn broedervolk met het zwaard en verstikte alle medelijden. Zijn woede bleef voor altijd verscheuren en hij hield zijn razernij altijd vast. 12. Daarom zal ik een vuur sturen naar Theman. Dat zal de paleizen van Bozra verteren. 13. Dit zegt de HEERE: om drie overtredingen van de Ammonieten en om vier zal ik het niet afwenden. Want zij hebben de zwangere vrouwen van Gilead opengereten om hun gebied uit te breiden. 14. Daarom zal ik een vuur aansteken in de muur van Rabba. Dat zal haar paleizen verteren, met strijdgeschreeuw op de dag van de strijd en met storm op de dag van de wervelwind. 15. Hun koning zal in ballingschap gaan, hij en zijn vorsten samen, zegt de HEERE. ## Amos 2 — Ook Juda en Israël 1. Dit zegt de HEERE: om drie overtredingen van Moab en om vier zal ik het niet afwenden. Want hij heeft de botten van de koning van Edom tot kalk verbrand. 2. Daarom zal ik een vuur naar Moab sturen. Dat zal de paleizen van Kerioth verteren. Moab zal sterven in rumoer, met strijdgeschreeuw en het geluid van de ramshoorn. 3. Ik zal de rechter uit haar midden uitroeien. Al haar vorsten zal ik met hem doden, zegt de HEERE. 4. Dit zegt de HEERE: om drie overtredingen van Juda en om vier zal ik het niet afwenden. Want zij hebben de wet van de HEERE verworpen en Zijn regels niet gehouden. Hun leugens hebben hen misleid, dezelfde leugens die hun vaderen volgden. 5. Daarom zal ik een vuur naar Juda sturen. Dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren. 6. Dit zegt de HEERE: om drie overtredingen van Israël en om vier zal ik het niet afwenden. Want zij verkopen de rechtvaardige voor geld en de arme voor een paar sandalen. 7. Zij vertrappen de armen in het stof van de aarde en duwen de zachtmoedigen van de weg. Een man en zijn vader gaan naar hetzelfde meisje en ontheiligen zo mijn heilige naam. 8. Bij elk altaar gaan zij liggen op kleren die zij in onderpand namen. In het huis van hun goden drinken zij wijn die zij als boete opeisten. 9. Ik was het die de Amorieten voor hen uitroeide. Zij waren zo hoog als ceders en zo sterk als eiken. Toch vernietigde ik hun vrucht van boven en hun wortels van onderen. 10. Ik heb jullie ook uit Egypte geleid. Veertig jaar lang leidde ik jullie door de woestijn, zodat jullie het land van de Amorieten in bezit konden nemen. 11. Uit jullie zonen heb ik profeten laten opstaan en uit jullie jonge mannen nazireeërs. Is dat niet zo, Israëlieten, zegt de HEERE. 12. Maar jullie hebben de nazireeërs wijn te drinken gegeven. En jullie hebben de profeten bevolen: jullie mogen niet profeteren. 13. Kijk, ik zal jullie laten kraken zoals een wagen kraakt die vol schoven zit. 14. De snelle zal niet kunnen wegkomen. De sterke zal zijn kracht niet kunnen gebruiken. Een held zal zijn leven niet kunnen redden. 15. De boogschutter zal niet standhouden. Wie snel ter been is, zal zich niet redden. Ook wie te paard rijdt, zal zijn leven niet redden. 16. De dapperste van de helden zal op die dag naakt wegvluchten, zegt de HEERE. ## Amos 3 — Zou een leeuw brullen zonder prooi? 1. Hoor dit woord dat de HEERE tegen jullie spreekt, Israëlieten. Het geldt heel het volk dat ik uit Egypte geleid heb. 2. Uit alle volken op aarde heb ik alleen jullie gekend. Daarom zal ik al jullie schuld bij jullie bezoeken. 3. Lopen twee mensen samen op, zonder dat zij het afgesproken hebben? 4. Brult een leeuw in het bos zonder prooi? Laat een jonge leeuw zijn stem klinken uit zijn hol als hij niets gevangen heeft? 5. Valt een vogel in een val op de grond als er geen strik voor hem gezet is? Klapt een val dicht als er niets in gelopen is? 6. Wordt de ramshoorn in de stad geblazen zonder dat het volk beeft? Gebeurt er onheil in een stad zonder dat de HEERE het doet? 7. Zeker, de Heere HEERE doet niets zonder Zijn plan te onthullen aan Zijn knechten, de profeten. 8. De leeuw heeft gebruld, wie zou niet bang zijn? De Heere HEERE heeft gesproken, wie zou dan niet profeteren? 9. Laat het horen in de paleizen van Asdod en in de paleizen in Egypte. Zeg: verzamel je op de bergen rond Samaria. Kijk naar de grote onrust in haar midden en naar de onderdrukking daarbinnen. 10. Want zij weten niet meer hoe zij eerlijk moeten handelen, zegt de HEERE. Zij stapelen geweld en verwoesting op in hun paleizen. 11. Daarom zegt de Heere HEERE dit: een vijand zal het land omsingelen. Hij zal je vesting neerhalen en je paleizen zullen geplunderd worden. 12. Dit zegt de HEERE: een herder redt uit de muil van een leeuw soms twee pootjes of een stukje oor. Zo zullen de Israëlieten gered worden die in Samaria zitten, op de hoek van een bed en op een damasten kussen. 13. Hoor en waarschuw het huis van Jakob, zegt de Heere HEERE, de God van de legermachten. 14. Op de dag dat ik de overtredingen van Israël bij hem bezoek, zal ik ook de altaren van Beth-El bezoeken. De hoorns van het altaar zullen afgehakt worden en op de grond vallen. 15. Ik zal het winterhuis met het zomerhuis neerslaan. De huizen met ivoor zullen vergaan en de grote huizen zullen verdwijnen, zegt de HEERE. ## Amos 4 — Maak je klaar om je God te ontmoeten 1. Hoor dit woord, koeien van Basan op de berg van Samaria. Jullie onderdrukken de armen en verpletteren de behoeftigen. Jullie zeggen tegen jullie mannen: breng iets te drinken! 2. De Heere HEERE heeft gezworen bij Zijn heiligheid: kijk, er komen dagen dat men jullie zal wegvoeren met haken, en jullie nakomelingen met vishaken. 3. Jullie zullen door de bressen naar buiten gaan, ieder recht vooruit. Jullie zullen naar de Harmon verdreven worden, zegt de HEERE. 4. Kom naar Beth-El en zondig! Ga naar Gilgal en zondig nog meer! Breng elke morgen je offers en om de drie dagen je tienden. 5. Brand een lofoffer van gezuurd brood en roep vrijwillige offers uit; laat het maar horen. Want zo doen jullie het graag, Israëlieten, zegt de Heere HEERE. 6. Daarom gaf ik jullie schone tanden in al jullie steden en gebrek aan brood op al jullie plaatsen. Toch zijn jullie niet naar mij teruggekeerd, zegt de HEERE. 7. Ik hield ook de regen bij jullie weg, toen er nog drie maanden tot de oogst waren. Ik liet het regenen op de ene stad, maar niet op de andere. Het ene stuk land kreeg regen, maar het andere stuk verdorde. 8. Twee of drie steden liepen naar één stad om water te drinken, maar zij kregen niet genoeg. Toch zijn jullie niet naar mij teruggekeerd, zegt de HEERE. 9. Ik heb jullie geslagen met graanbrand en meeldauw. Jullie vele tuinen, wijngaarden, vijgenbomen en olijfbomen werden door de sprinkhaan opgegeten. Toch zijn jullie niet naar mij teruggekeerd, zegt de HEERE. 10. Ik stuurde de pest naar jullie, zoals in Egypte. Ik doodde jullie jonge mannen met het zwaard en liet jullie paarden wegvoeren. Ik liet de stank van jullie legerkamp in jullie neus opstijgen. Toch zijn jullie niet naar mij teruggekeerd, zegt de HEERE. 11. Ik keerde sommigen van jullie om, zoals God Sodom en Gomorra omkeerde. Jullie waren als een stuk brandhout dat uit het vuur gerukt is. Toch zijn jullie niet naar mij teruggekeerd, zegt de HEERE. 12. Daarom zal ik dit met je doen, Israël. En omdat ik dit met je ga doen, maak je klaar om je God te ontmoeten, Israël. 13. Want kijk, Hij vormt de bergen en schept de wind. Hij maakt de mens bekend wat zijn gedachte is. Hij maakt de dageraad tot duisternis en loopt over de hoogten van de aarde. HEERE, God van de legermachten, is Zijn naam. ## Amos 5 — Zoek mij en leef 1. Hoor dit woord dat ik over jullie aanhef, een klaaglied, volk van Israël. 2. De jonge vrouw Israël is gevallen; zij zal niet meer opstaan. Zij ligt verlaten op haar eigen grond en niemand helpt haar overeind. 3. Want dit zegt de Heere HEERE: de stad die met duizend man uittrekt, houdt er honderd over. De stad die met honderd uittrekt, houdt er tien over, in het volk van Israël. 4. Want dit zegt de HEERE tegen het volk van Israël: Zoek mij en leef. 5. Maar zoek Beth-El niet. Kom niet naar Gilgal en trek niet naar Berseba. Want Gilgal zal zeker in ballingschap gaan en Beth-El wordt tot niets. 6. Zoek de HEERE en leef. Anders breekt Hij los in het huis van Jozef als een vuur dat verteert, en niemand in Beth-El zal het blussen. 7. Jullie veranderen het recht in bitterheid en gooien de gerechtigheid op de grond. 8. Hij maakt het Zevengesternte en de Orion. Hij verandert de diepe duisternis in morgen en verduistert de dag tot nacht. Hij roept het water van de zee en giet het uit over de aarde. HEERE is Zijn naam. 9. Hij laat verwoesting losbreken over de sterke, zodat de verwoesting over de vesting komt. 10. Zij haten wie in de poort terechtwijst en zij verafschuwen wie eerlijk spreekt. 11. Jullie vertrappen de arme en nemen graan van hem af. Daarom hebben jullie wel huizen van gehouwen steen gebouwd, maar jullie zullen er niet in wonen. Jullie hebben mooie wijngaarden geplant, maar jullie zullen de wijn ervan niet drinken. 12. Want ik weet hoe talrijk jullie overtredingen zijn en hoe zwaar jullie zonden. Jullie benauwen de rechtvaardige, nemen steekpenningen aan en duwen de armen weg in de poort. 13. Daarom zal de verstandige in die tijd zwijgen, want het is een slechte tijd. 14. Zoek het goede en niet het kwade, zodat jullie leven. Dan zal de HEERE, de God van de legermachten, bij jullie zijn, zoals jullie zeggen. 15. Haat het kwade en heb het goede lief. Zorg voor het recht in de poort. Misschien zal de HEERE, de God van de legermachten, genadig zijn voor wat er van Jozef over is. 16. Daarom zegt de HEERE, de God van de legermachten, de Heere, dit: op alle pleinen zal rouw zijn. In alle straten zullen zij zeggen: ach, ach! Zij zullen de boer oproepen om te treuren en de klaagvrouwen om te jammeren. 17. Ja, in alle wijngaarden zal rouw zijn. Want ik zal door jullie midden gaan, zegt de HEERE. 18. Wee wie verlangen naar de dag van de HEERE! Wat moeten jullie met de dag van de HEERE? Hij zal duisternis zijn en geen licht. 19. Het is alsof iemand vlucht voor een leeuw en dan een beer tegenkomt. Of alsof hij thuiskomt, met zijn hand tegen de muur leunt en door een slang gebeten wordt. 20. Zal de dag van de HEERE niet duisternis zijn en geen licht? Donker zonder enige glans? 21. Ik haat jullie feesten en ik veracht ze. Ik ruik jullie samenkomsten niet graag. 22. Ook al brengen jullie mij brandoffers en graanoffers, ik neem ze niet aan. Naar het dankoffer van jullie gemeste dieren kijk ik niet om. 23. Haal het lawaai van jullie liederen bij mij weg. Het spel van jullie harpen wil ik niet horen. 24. Maar laat het recht stromen als water en de gerechtigheid als een altijd stromende beek. 25. Hebben jullie mij veertig jaar in de woestijn slachtoffers en graanoffers gebracht, volk van Israël? 26. Ja, jullie droegen de tent van jullie koning en het voetstuk van jullie beelden, de ster van jullie god, die jullie zelf gemaakt hadden. 27. Daarom zal ik jullie in ballingschap voeren, tot voorbij Damaskus, zegt de HEERE, wiens naam is God van de legermachten. ## Amos 6 — Wee de zorgelozen 1. Wee de zorgelozen in Sion en wie zich veilig voelen op de berg van Samaria. Zij zijn de eersten van het eerste volk, en het volk van Israël komt naar hen toe. 2. Ga naar Kalne en kijk. Ga vandaar naar Hamath, de grote stad, en daal af naar Gath van de Filistijnen. Zijn zij beter dan deze koninkrijken? Is hun gebied groter dan het jullie? 3. Jullie schuiven de dag van het onheil ver weg, maar jullie brengen de zetel van het geweld dichtbij. 4. Jullie liggen op bedden van ivoor en hangen luierend op jullie divans. Jullie eten lammeren uit de kudde en kalveren uit de stal. 5. Jullie zingen erop los bij het geluid van de harp. Jullie bedenken voor jezelf muziekinstrumenten, net als David. 6. Jullie drinken wijn uit schalen en zalven je met de beste olie. Maar om de ondergang van Jozef bekommeren jullie je niet. 7. Daarom zullen zij als eersten in ballingschap gaan. Dan is het feest van de luierende mensen voorbij. 8. De Heere HEERE heeft bij zichzelf gezworen, zegt de God van de legermachten. Ik heb een afkeer van de trots van Jakob en ik haat zijn paleizen. Daarom zal ik de stad en alles wat erin is overgeven. 9. Als er dan nog tien mannen in één huis overblijven, zullen ook zij sterven. 10. Een familielid komt om het lichaam op te halen en te verbranden. Hij haalt de botten uit het huis. Hij zal vragen aan wie achter in het huis is: is er nog iemand bij je? Die zal zeggen: niemand. Dan zegt hij: stil! Want men mag de naam van de HEERE niet noemen. 11. Want kijk, de HEERE geeft bevel. Hij zal het grote huis in puin slaan en het kleine huis in stukken. 12. Rennen paarden over een rots? Ploegt men die met runderen om? Maar jullie hebben het recht in gif veranderd en de vrucht van gerechtigheid in bitterheid. 13. Jullie zijn blij met iets waardeloos. Jullie zeggen: hebben wij niet door onze eigen kracht macht gekregen? 14. Want kijk, volk van Israël, ik laat een volk tegen jullie opstaan, zegt de HEERE, de God van de legermachten. Zij zullen jullie verdrukken, vanaf de weg naar Hamath tot aan de beek van de Jordaanvlakte. ## Amos 7 — Het paslood 1. De Heere HEERE liet mij dit zien. En kijk, Hij vormde sprinkhanen toen het nagras begon op te komen. Het was het nagras, na de maaiing voor de koning. 2. Toen zij het gras van het land helemaal wilden opeten, zei ik: Heere HEERE, vergeef toch! Hoe kan Jakob overeind blijven? Hij is zo klein. 3. Toen kreeg de HEERE daar spijt van. Het zal niet gebeuren, zei de HEERE. 4. De Heere HEERE liet mij dit zien. En kijk, de Heere HEERE riep het vuur op om te straffen. Het verteerde de grote diepte en het verteerde ook het akkerland. 5. Toen zei ik: Heere HEERE, houd toch op! Hoe kan Jakob overeind blijven? Hij is zo klein. 6. Toen kreeg de HEERE daar spijt van. Ook dit zal niet gebeuren, zei de Heere HEERE. 7. Hij liet mij nog iets zien. En kijk, de Heere stond op een muur die met een paslood gebouwd was. Hij had een paslood in Zijn hand. 8. De HEERE zei tegen mij: Wat zie je, Amos? Ik zei: Een paslood. Toen zei de HEERE: Kijk, ik zal een paslood zetten midden in mijn volk Israël. Ik zal het niet meer voorbijgaan. 9. De offerhoogten van Izak zullen verwoest worden en de heiligdommen van Israël zullen vernield worden. Ik zal met het zwaard opstaan tegen het huis van Jerobeam. 10. Toen stuurde Amazia, de priester van Beth-El, een bericht naar Jerobeam, de koning van Israël. Hij zei: Amos smeedt een samenzwering tegen u, midden in het volk van Israël. Het land kan al zijn woorden niet verdragen. 11. Want dit zegt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven en Israël zal zeker uit zijn land in ballingschap gaan. 12. Daarna zei Amazia tegen Amos: Ziener, ga weg! Vlucht naar het land van Juda. Eet daar je brood en profeteer daar. 13. Maar in Beth-El mag je niet meer profeteren. Want dat is het heiligdom van de koning en het huis van het koninkrijk. 14. Toen antwoordde Amos aan Amazia: Ik was geen profeet en geen profetenleerling. Ik was veehoeder en ik verzorgde vijgenbomen. 15. Maar de HEERE haalde mij weg achter de kudde vandaan. De HEERE zei tegen mij: Ga heen en profeteer tot mijn volk Israël. 16. Luister nu naar het woord van de HEERE. Jij zegt: je mag niet profeteren tegen Israël en niet prediken tegen het huis van Izak. 17. Daarom zegt de HEERE dit: jouw vrouw zal in de stad ontrouw worden. Jouw zonen en dochters zullen door het zwaard vallen. Jouw land zal met het meetlint verdeeld worden. Jijzelf zult sterven in een onrein land. En Israël zal zeker uit zijn land in ballingschap gaan. ## Amos 8 — De mand met zomervruchten 1. De Heere HEERE liet mij dit zien. En kijk, daar stond een mand met rijpe zomervruchten. 2. Hij zei: Wat zie je, Amos? Ik zei: Een mand met rijpe zomervruchten. Toen zei de HEERE tegen mij: Het einde is gekomen voor mijn volk Israël. Ik zal het niet meer voorbijgaan. 3. De liederen in de tempel zullen op die dag klaagliederen worden, zegt de Heere HEERE. Er zullen veel lijken zijn; overal gooit men ze zwijgend weg. 4. Hoor dit, jullie die de arme vertrappen en de zwakken van het land willen vernietigen. 5. Jullie zeggen: wanneer is de nieuwe maan voorbij, zodat wij graan kunnen verkopen? Wanneer is de sabbat voorbij, zodat wij ons koren kunnen aanbieden? Jullie maken de korenmaat kleiner en het gewicht zwaarder. Jullie bedriegen met valse weegschalen. 6. Zo kopen jullie de armen voor geld en de behoeftigen voor een paar sandalen. En het kaf van het koren verkopen jullie erbij. 7. De HEERE heeft gezworen bij de trots van Jakob: Nooit zal ik hun daden vergeten. 8. Zou het land daarom niet beven en zou niet iedereen die er woont treuren? Ja, het zal helemaal opkomen als de Nijl. Het zal opgestuwd worden en weer wegzakken, als de rivier van Egypte. 9. Op die dag, zegt de Heere HEERE, zal ik de zon op de middag laten ondergaan. Ik zal het land verduisteren op klaarlichte dag. 10. Ik zal jullie feesten in rouw veranderen en al jullie liederen in klaagliederen. Ik zal rouwkleren om alle heupen leggen en elk hoofd kaal maken. Ik zal het land in rouw brengen als om een enige zoon, en het einde ervan wordt een bittere dag. 11. Kijk, er komen dagen, zegt de Heere HEERE, dat ik honger in het land stuur. Geen honger naar brood en geen dorst naar water, maar honger om de woorden van de HEERE te horen. 12. Zij zullen zwerven van zee tot zee en van het noorden tot het oosten. Zij zullen rondlopen om het woord van de HEERE te zoeken, maar zij zullen het niet vinden. 13. Op die dag zullen de mooie jonge vrouwen en de jonge mannen bezwijken van dorst. 14. Zij zweren bij de schuld van Samaria en zeggen: zo waar je god van Dan leeft! en: zo waar de weg naar Berseba leeft! Zij zullen vallen en nooit meer opstaan. ## Amos 9 — De vervallen hut van David 1. Ik zag de Heere bij het altaar staan. Hij zei: Sla tegen de kapitelen, zodat de drempels beven. Sla ze allemaal op het hoofd. Wie overblijft, dood ik met het zwaard. Niemand van hen zal wegkomen en niemand zal ontsnappen. 2. Al zouden zij tot in het dodenrijk graven, mijn hand zou hen daar weghalen. Al zouden zij naar de hemel klimmen, ik zou hen vandaar naar beneden halen. 3. Al zouden zij zich verbergen op de top van de Karmel, ik zou hen opsporen en weghalen. Al zouden zij zich voor mijn ogen op de bodem van de zee verstoppen, dan zou ik daar een slang bevelen om hen te bijten. 4. Al zouden zij voor hun vijanden uit in ballingschap gaan, dan zou ik daar het zwaard bevelen om hen te doden. Ik zal mijn oog op hen richten ten kwade en niet ten goede. 5. Want de Heere HEERE van de legermachten raakt het land aan en het smelt. Iedereen die er woont, treurt. Het komt helemaal op als de Nijl en zakt weer weg, als de rivier van Egypte. 6. Hij bouwt Zijn opperzalen in de hemel en grondvest Zijn gewelf op de aarde. Hij roept het water van de zee en giet het uit over de aarde. HEERE is Zijn naam. 7. Zijn jullie voor mij niet als de Ethiopiërs, Israëlieten, zegt de HEERE? Heb ik Israël niet uit Egypte geleid, de Filistijnen uit Kafthor en de Syriërs uit Kir? 8. Kijk, de ogen van de Heere HEERE zijn gericht tegen dit zondige koninkrijk. Ik zal het van de aardbodem verdelgen. Toch zal ik het huis van Jakob niet helemaal verdelgen, zegt de HEERE. 9. Want kijk, ik geef bevel. Ik zal het volk van Israël onder alle volken schudden zoals men graan in een zeef schudt. Maar geen steentje zal op de grond vallen. 10. Alle zondaars van mijn volk zullen door het zwaard sterven. Zij zeggen: het kwaad zal ons niet raken en ons niet overkomen. 11. Op die dag zal ik de vervallen hut van David weer oprichten. Ik zal haar scheuren dichten en herstellen wat afgebroken is. Ik zal haar opbouwen zoals in vroeger dagen. 12. Dan zullen zij in bezit nemen wat er van Edom over is. Ook alle volken over wie mijn naam is uitgeroepen, zegt de HEERE, die dit doet. 13. Kijk, er komen dagen, zegt de HEERE, dat de ploeger de maaier inhaalt en de druiventreder de zaaier. De bergen zullen druipen van zoete wijn en alle heuvels zullen ervan overvloeien. 14. Ik zal het lot van mijn volk Israël keren. Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en erin wonen. Zij zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken. Zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten. 15. Ik zal hen planten in hun eigen land. Zij zullen nooit meer uitgerukt worden uit het land dat ik hun gegeven heb, zegt de HEERE, jullie God. ## Obadja 1 — Het visioen van Obadja 1. Het visioen van Obadja. Dit zegt de Heere HEERE over Edom: Wij hebben een bericht van de HEERE gehoord. Er is een gezant naar de volken gestuurd: sta op, laten wij tegen hen ten strijde trekken. 2. Kijk, ik heb je klein gemaakt onder de volken. Je wordt diep veracht. 3. De trots van je hart heeft je bedrogen. Jij woont in de kloven van de rotsen, hoog in je woning. Je zegt in je hart: wie zou mij op de grond kunnen gooien? 4. Al vloog je zo hoog als een arend en bouwde je je nest tussen de sterren: toch haal ik je daar naar beneden. Zo zegt de HEERE. 5. Als er dieven bij je gekomen waren, of rovers in de nacht, zouden zij dan niet gestolen hebben tot zij genoeg hadden? Hoe erg ben jij verwoest! Als er druivenplukkers bij je gekomen waren, zouden zij dan geen nalezing hebben overgelaten? 6. Hoe grondig is Ezau doorzocht en zijn verborgen schatten opgespoord! 7. Al je bondgenoten hebben je tot aan de grens gebracht. Je vrienden hebben je bedrogen en overweldigd. Wie jouw brood aten, zetten een val voor je. Hij heeft er niets van gemerkt. 8. Zal ik op die dag niet de wijzen uit Edom laten verdwijnen, zegt de HEERE, en het inzicht uit het bergland van Ezau? 9. Je helden zullen bang zijn, Theman. Zo wordt iedereen uit het bergland van Ezau door moord uitgeroeid. 10. Om het geweld tegen je broer Jakob zul je met schaamte bedekt worden. Je zult voor altijd uitgeroeid worden. 11. Je stond erbij op de dag dat vreemden zijn leger wegvoerden. Buitenlanders kwamen zijn poorten binnen en wierpen het lot over Jeruzalem. Toen was jij net als een van hen. 12. Je had niet moeten toekijken op de dag van je broer, de dag van zijn ongeluk. Je had niet blij moeten zijn over de mensen van Juda op de dag van hun ondergang. Je had niet zo hoog moeten opgeven op de dag van hun nood. 13. Je had de poort van mijn volk niet moeten binnengaan op de dag van hun onheil. Jij had niet naar zijn ellende moeten kijken op die dag. Je had je handen niet moeten uitstrekken naar zijn bezit op de dag van zijn onheil. 14. Je had niet op de kruising moeten staan om zijn vluchtelingen af te snijden. Je had wie van hem overbleef niet moeten uitleveren op de dag van de nood. 15. Want de dag van de HEERE is nabij voor alle volken. Zoals jij gedaan hebt, zal met jou gedaan worden. Je daad zal op je eigen hoofd terugkomen. 16. Want zoals jullie gedronken hebben op mijn heilige berg, zo zullen alle volken steeds drinken. Ja, zij zullen drinken en slikken en het zal zijn alsof zij nooit bestaan hebben. 17. Maar op de berg Sion zal redding zijn en die berg zal heilig zijn. Het huis van Jakob zal zijn bezit weer in bezit nemen. 18. Het huis van Jakob zal een vuur zijn en het huis van Jozef een vlam. Het huis van Ezau zal stoppels zijn. Zij zullen tegen hen ontbranden en hen verteren. Van het huis van Ezau zal niemand overblijven, want de HEERE heeft het gesproken. 19. De mensen uit het zuiden zullen het bergland van Ezau in bezit nemen en de mensen uit de laagte het land van de Filistijnen. Ja, zij zullen het gebied van Efraïm en het gebied van Samaria in bezit nemen, en Benjamin zal Gilead krijgen. 20. De ballingen uit dit leger van de Israëlieten zullen het land van de Kanaänieten tot aan Zarfath in bezit nemen. De ballingen uit Jeruzalem die in Sefarad zijn, zullen de steden van het zuiden in bezit nemen. 21. Redders zullen de berg Sion opgaan om het bergland van Ezau te oordelen. En het koninkrijk zal van de HEERE zijn. ## Jona 1 — Jona vlucht naar Tarsis 1. Het woord van de HEERE kwam tot Jona, de zoon van Amitthai. 2. Sta op en ga naar de grote stad Ninevé. Waarschuw haar, want hun kwaad is tot mij opgestegen. 3. Maar Jona stond op om naar Tarsis te vluchten, weg van de HEERE. Hij ging naar Jafo en vond daar een schip dat naar Tarsis ging. Hij betaalde de overtocht en ging aan boord om met hen mee te varen naar Tarsis, weg van de HEERE. 4. Maar de HEERE wierp een sterke wind op de zee. Er kwam een zware storm op zee en het schip dreigde te breken. 5. Toen werden de zeelui bang. Ieder riep tot zijn eigen god. Zij gooiden de lading in zee om het schip lichter te maken. Maar Jona was in het ruim gegaan. Hij lag daar en sliep diep. 6. De kapitein kwam bij hem en zei tegen hem: Wat doe jij, slaapkop? Sta op en roep tot je God. Misschien denkt die God aan ons, zodat wij niet vergaan. 7. Toen zeiden zij tegen elkaar: Kom, laten wij loten werpen, zodat wij weten door wiens schuld dit onheil ons overkomt. Zij wierpen het lot en het lot viel op Jona. 8. Toen zeiden zij tegen hem: Vertel ons door wiens schuld dit onheil ons overkomt. Wat is je werk en waar kom je vandaan? Wat is je land en uit welk volk kom je? 9. Hij zei tegen hen: Ik ben een Hebreeër. Ik heb ontzag voor de HEERE, de God van de hemel, die de zee en het land gemaakt heeft. 10. Toen werden die mannen heel bang. Zij zeiden tegen hem: Waarom heb je dit gedaan? Want de mannen wisten dat hij op de vlucht was voor de HEERE; hij had het hun verteld. 11. Zij zeiden tegen hem: Wat moeten wij met je doen, zodat de zee ons met rust laat? Want de zee werd steeds wilder. 12. Hij zei tegen hen: Pak mij op en gooi mij in zee, dan zal de zee jullie met rust laten. Want ik weet dat deze zware storm door mij over jullie komt. 13. Maar de mannen roeiden om het schip terug naar het land te brengen. Het lukte hun niet, want de zee werd steeds wilder tegen hen. 14. Toen riepen zij tot de HEERE: Ach HEERE, laat ons toch niet vergaan om het leven van deze man. Leg geen onschuldig bloed op ons. Want U, HEERE, hebt gedaan wat U wilde. 15. Zij pakten Jona op en gooiden hem in zee. Toen bedaarde de woede van de zee. 16. De mannen kregen groot ontzag voor de HEERE. Zij brachten de HEERE een offer en deden beloften. 17. De HEERE liet een grote vis komen om Jona op te slokken. Jona zat drie dagen en drie nachten in de buik van de vis. ## Jona 2 — Het gebed uit de vis 1. Jona bad tot de HEERE, zijn God, uit de buik van de vis. 2. Hij zei: In mijn nood riep ik tot de HEERE en Hij antwoordde mij. Uit de buik van het dodenrijk schreeuwde ik en U hoorde mijn stem. 3. Want U had mij in de diepte gegooid, in het hart van de zee. De stroom omringde mij. Al Uw golven en baren sloegen over mij heen. 4. Ik zei: ik ben weggestoten van voor Uw ogen. Toch zal ik Uw heilige tempel weer zien. 5. Het water kwam mij tot aan de keel. De diepte omringde mij. Het zeewier zat om mijn hoofd gewikkeld. 6. Ik zonk tot de voet van de bergen. De grendels van de aarde sloten zich voor altijd achter mij. Maar U hebt mijn leven uit de put omhooggehaald, HEERE, mijn God. 7. Toen mijn leven in mij wegvloeide, dacht ik aan de HEERE. Mijn gebed kwam bij U, in Uw heilige tempel. 8. Wie zich vastklampen aan nietige afgoden, laten hun trouw los. 9. Maar ik zal U offeren met een lied van dank. Wat ik beloofd heb, zal ik nakomen. De redding komt van de HEERE. 10. Toen sprak de HEERE tot de vis en die spuwde Jona uit op het land. ## Jona 3 — Ninevé keert terug 1. Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Jona. 2. Sta op en ga naar de grote stad Ninevé. Verkondig daar de boodschap die ik je zeg. 3. Toen stond Jona op en ging naar Ninevé, zoals de HEERE gezegd had. Ninevé was een geweldig grote stad, drie dagreizen groot. 4. Jona begon de stad in te gaan, één dagreis ver. Hij riep: Nog veertig dagen en Ninevé wordt omgekeerd. 5. De mensen van Ninevé geloofden in God. Zij riepen een vastentijd uit en trokken rouwkleren aan, van groot tot klein. 6. Het bericht bereikte de koning van Ninevé. Hij stond op van zijn troon en deed zijn mantel uit. Hij hulde zich in een rouwkleed en ging in de as zitten. 7. Hij liet in Ninevé afkondigen op bevel van de koning en zijn machthebbers: Mensen en dieren, runderen en schapen mogen niets eten. Zij mogen niet grazen en geen water drinken. 8. Mensen en dieren moeten rouwkleren dragen en luid tot God roepen. Iedereen moet zich bekeren van zijn slechte weg en van het geweld in zijn handen. 9. Wie weet keert God zich om en krijgt Hij spijt. Misschien laat Hij Zijn brandende toorn varen, zodat wij niet vergaan. 10. God zag wat zij deden: zij bekeerden zich van hun slechte weg. Toen kreeg God spijt over het onheil dat Hij gezegd had hun te zullen doen. Hij deed het niet. ## Jona 4 — Jona is boos 1. Dit deed Jona veel verdriet en hij werd woedend. 2. Hij bad tot de HEERE en zei: Ach HEERE, is dit niet wat ik zei toen ik nog in mijn eigen land was? Daarom wilde ik naar Tarsis vluchten. Want ik wist dat U een genadige en barmhartige God bent, geduldig en vol trouw, en dat U spijt krijgt over het onheil. 3. Neem nu toch mijn leven van mij weg, HEERE. Want het is beter voor mij om te sterven dan te leven. 4. De HEERE zei: Is het terecht dat je boos bent? 5. Jona ging de stad uit en ging ten oosten van de stad zitten. Daar maakte hij een afdakje en zat eronder in de schaduw. Zo wilde hij zien wat er met de stad zou gebeuren. 6. God, de HEERE, liet een plant opkomen boven Jona, om schaduw over zijn hoofd te geven en hem van zijn ergernis te bevrijden. Jona was heel blij met die plant. 7. Maar de volgende dag, bij het aanbreken van de dageraad, liet God een worm komen. Die stak de plant, zodat hij verdorde. 8. Toen de zon opkwam, liet God een verzengende oostenwind komen. De zon stak op het hoofd van Jona, zodat hij flauwviel. Hij wilde graag sterven en zei: Het is beter voor mij om te sterven dan te leven. 9. Toen zei God tegen Jona: Is het terecht dat je boos bent om die plant? Hij zei: Terecht ben ik boos, tot de dood toe. 10. De HEERE zei: Jij hebt medelijden met die plant, waarvoor je niet gewerkt hebt en die je niet hebt laten groeien. Hij kwam op in één nacht en verging in één nacht. 11. Zou ik dan geen medelijden hebben met die grote stad Ninevé? Daar wonen meer dan honderdtwintigduizend mensen die het verschil niet weten tussen hun rechterhand en hun linkerhand, en er is ook veel vee. ## Micha 1 — De HEERE komt uit Zijn plaats 1. Het woord van de HEERE dat kwam tot Micha uit Moreset. Dat was in de dagen van Jotham, Achaz en Hizkia, koningen van Juda. Dit heeft hij gezien over Samaria en Jeruzalem. 2. Hoor, alle volken! Let op, aarde en alles wat daarop is. De Heere HEERE zal getuige tegen jullie zijn, de Heere vanuit Zijn heilige tempel. 3. Want kijk, de HEERE gaat uit Zijn plaats. Hij daalt af en loopt over de hoogten van de aarde. 4. De bergen smelten onder Hem en de dalen scheuren open, als was voor het vuur, als water dat een helling af stort. 5. Dit alles gebeurt om de overtreding van Jakob en om de zonden van het volk van Israël. Wat is het begin van de overtreding van Jakob? Is dat niet Samaria? En wat zijn de offerhoogten van Juda? Is dat niet Jeruzalem? 6. Daarom zal ik Samaria tot een puinhoop in het veld maken, tot een plek om wijnstokken te planten. Ik zal haar stenen het dal in storten en haar fundamenten blootleggen. 7. Al haar gesneden beelden zullen verbrijzeld worden. Al haar geschenken zullen met vuur verbrand worden. Al haar afgoden zal ik tot een woestenij maken. Want zij verzamelde ze van ontrouw en tot ontrouw zullen zij terugkeren. 8. Daarom zal ik klagen en jammeren. Ik zal blootsvoets en naakt rondlopen. Ik zal huilen als de jakhalzen en treuren als de struisvogels. 9. Want haar wonden zijn dodelijk. Zij zijn zelfs tot Juda gekomen. De plaag heeft de poort van mijn volk bereikt, tot aan Jeruzalem. 10. Vertel het niet in Gath en huil niet zo luid. Wentel je in het stof in Beth-Afra. 11. Trek verder, bewoners van Safir, naakt en beschaamd. De bewoners van Zaänan komen niet naar buiten. In Beth-Haëzel wordt gerouwd; hij neemt zijn steun van jullie weg. 12. De bewoners van Maroth wachten angstig op iets goeds. Maar onheil daalde van de HEERE af, tot aan de poort van Jeruzalem. 13. Span de paarden voor de wagen, bewoners van Lachis. Daar begon de zonde voor de dochter van Sion. Want bij jullie zijn de overtredingen van Israël gevonden. 14. Daarom moet je afscheidsgeschenken geven aan Moreset-Gath. De huizen van Achzib zullen de koningen van Israël bedriegen. 15. Ik zal een veroveraar naar je toe brengen, bewoners van Maresa. De heerlijkheid van Israël zal komen tot aan Adullam. 16. Scheer je kaal om je geliefde kinderen. Maak je hoofd zo kaal als een gier, want zij worden van jullie weggevoerd. ## Micha 2 — Zij begeren akkers en roven ze 1. Wee wie onrecht bedenken en op hun bed kwaad beramen. In het licht van de morgen voeren zij het uit, want zij hebben de macht ervoor. 2. Zij begeren akkers en roven ze. Zij begeren huizen en nemen ze mee. Zo doen zij een man geweld aan en zijn gezin, ja iedereen en zijn erfdeel. 3. Daarom zegt de HEERE dit: kijk, ik bedenk onheil over dit geslacht. Jullie zullen je nek er niet uit kunnen trekken en niet meer rechtop lopen. Want het zal een slechte tijd zijn. 4. Op die dag zal men een spreekwoord over jullie zeggen. Men zal een bitter klaaglied aanheffen: wij zijn helemaal verwoest. Hij verdeelt het deel van mijn volk. Hoe neemt Hij het van mij weg! Hij verdeelt onze akkers aan een ander. 5. Daarom zul je niemand hebben die het meetlint uitwerpt bij het loten, in de vergadering van de HEERE. 6. Zij zeggen: jullie moeten niet profeteren. Laat zij niet zo profeteren; over deze dingen komt geen schande over ons. 7. Mag men zo spreken, huis van Jakob? Heeft de Geest van de HEERE geen geduld meer? Zijn dit Zijn daden? Doen mijn woorden geen goed bij wie eerlijk leeft? 8. Maar sinds kort staat mijn volk op als een vijand. Jullie stropen de mantel af van mensen die zorgeloos voorbijlopen, terug uit de strijd. 9. De vrouwen van mijn volk verjagen jullie uit hun mooie huizen. Hun kinderen nemen jullie mijn pracht voor altijd af. 10. Sta op en ga weg, want hier is geen rust. Dit land is onrein en het zal jullie te gronde richten, met een zware ondergang. 11. Stel dat iemand met wind rondloopt en leugens vertelt: ik zal voor je profeteren over wijn en sterke drank. Dan is dat de profeet die dit volk wil. 12. Ik zal jou zeker helemaal verzamelen, Jakob. Ik zal zeker bijeenbrengen wat er van Israël over is. Ik zal hen samenbrengen als schapen in de kooi, als een kudde in de wei. Het zal er gonzen van de mensen. 13. Wie de bres slaat, trekt voor hen uit. Zij zullen doorbreken, door de poort gaan en naar buiten trekken. Hun koning gaat voor hen uit en de HEERE loopt voorop. ## Micha 3 — Leiders die het recht verdraaien 1. Toen zei ik: Hoor toch, leiders van Jakob en bestuurders van het volk van Israël! Moeten jullie het recht niet kennen? 2. Zij haten het goede en houden van het kwade. Zij stropen de huid van mijn volk af en het vlees van hun botten. 3. Ja, zij zijn het die het vlees van mijn volk eten. Zij stropen hun huid af en breken hun botten. Zij hakken hen in stukken als vlees in een pot, als vlees midden in een ketel. 4. Dan zullen zij tot de HEERE roepen, maar Hij zal hen niet antwoorden. Hij zal Zijn gezicht op die tijd voor hen verbergen, omdat zij zulke slechte dingen gedaan hebben. 5. Dit zegt de HEERE over de profeten die mijn volk misleiden. Als zij iets te bijten krijgen, roepen zij: vrede! Maar wie hun niets in de mond geeft, tegen hem verklaren zij de oorlog. 6. Daarom wordt het nacht voor jullie, zonder visioen. Het wordt donker voor jullie, zonder waarzegging. De zon zal ondergaan over deze profeten en de dag wordt zwart boven hen. 7. De zieners zullen beschaamd staan en de waarzeggers rood van schaamte. Zij zullen allemaal hun snor bedekken, want er komt geen antwoord van God. 8. Maar ik ben vol kracht door de Geest van de HEERE, vol recht en moed. Zo kan ik Jakob zijn overtreding bekendmaken en Israël zijn zonde. 9. Hoor dit toch, leiders van het huis van Jakob en bestuurders van het volk van Israël. Jullie hebben een afkeer van het recht en verdraaien alles wat eerlijk is. 10. Jullie bouwen Sion met bloed en Jeruzalem met onrecht. 11. Haar leiders spreken recht voor geschenken. Haar priesters onderwijzen voor geld en haar profeten waarzeggen voor betaling. Toch steunen zij op de HEERE en zeggen: is de HEERE niet in ons midden? Ons zal geen onheil overkomen. 12. Daarom zal Sion om jullie als een akker geploegd worden. Jeruzalem zal een puinhoop worden en de tempelberg een beboste hoogte. ## Micha 4 — Zwaarden omgesmeed tot ploegen 1. Aan het einde van de dagen zal de berg van het huis van de HEERE vast staan op de top van de bergen. Hij zal hoger zijn dan de heuvels en de volken zullen ernaartoe stromen. 2. Veel volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE en naar het huis van de God van Jakob. Dan zal Hij ons Zijn wegen leren en zullen wij op Zijn paden gaan. Want uit Sion komt de wet en uit Jeruzalem het woord van de HEERE. 3. Hij zal rechtspreken tussen grote volken en machtige volken straffen, tot ver weg. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegen en hun speren tot snoeimessen. Het ene volk zal geen zwaard meer opheffen tegen het andere. Zij zullen de oorlog niet meer leren. 4. Ieder zal zitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, en niemand zal hen opschrikken. Want de mond van de HEERE van de legermachten heeft het gesproken. 5. Alle volken gaan hun weg in de naam van hun eigen god. Maar wij zullen onze weg gaan in de naam van de HEERE, onze God, voor eeuwig en altijd. 6. Op die dag, zegt de HEERE, zal ik bijeenbrengen wie kreupel was. Ik zal verzamelen wie verdreven was en wie ik geslagen had. 7. Ik zal wie kreupel was tot een overblijfsel maken. Wie ver weg verstoten was, maak ik tot een machtig volk. De HEERE zal Koning over hen zijn op de berg Sion, van nu af tot in eeuwigheid. 8. En jij, wachttoren van de kudde, heuvel van de dochter van Sion: naar jou zal de vroegere heerschappij terugkomen. Jij krijgt het koningschap van Jeruzalem terug. 9. Waarom schreeuw je nu zo hard? Is er geen koning bij je? Is je raadsman omgekomen, zodat pijn je overvalt als bij een barende vrouw? 10. Krimp ineen en pers, dochter van Sion, als een barende vrouw. Want nu moet je de stad uit en in het open veld wonen. Je zult tot in Babel komen. Maar daar zul je gered worden; daar zal de HEERE je verlossen uit de hand van je vijanden. 11. Nu zijn veel volken tegen je verzameld. Zij zeggen: laat haar ontheiligd worden en laten onze ogen zich verlustigen aan Sion. 12. Maar zij kennen de gedachten van de HEERE niet en begrijpen Zijn plan niet. Hij heeft hen bijeengebracht als schoven op de dorsvloer. 13. Sta op en dors, dochter van Sion. Want ik zal je hoorn van ijzer maken en je hoeven van brons. Je zult veel volken verpletteren. Ik zal hun winst aan de HEERE wijden en hun bezit aan de Heer van heel de aarde. 14. Verzamel je nu in benden, stad van benden. Hij slaat het beleg om ons heen. Met een stok slaan zij de rechter van Israël op de wang. ## Micha 5 — Uit Bethlehem Efratha 1. En jij, Bethlehem Efratha, ben je te klein om bij de duizenden van Juda te horen? Uit jou zal voor mij Iemand voortkomen die Heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprong ligt in het verre verleden, in de dagen van de eeuwigheid. 2. Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd dat zij die baren moet, gebaard heeft. Dan zullen wie van Zijn verwanten over zijn, terugkeren bij de Israëlieten. 3. Hij zal staan en weiden in de kracht van de HEERE, in de verhevenheid van de naam van de HEERE, Zijn God. Zij zullen veilig wonen, want dan zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde. 4. En Hij zal vrede zijn. Als Assur in ons land komt en onze paleizen betreedt, dan zullen wij zeven herders tegen hem opstellen en acht leiders uit de mensen. 5. Zij zullen het land van Assur met het zwaard weiden en het land van Nimrod bij zijn ingangen. Zo zal Hij ons redden van Assur, als die in ons land komt en onze grens overschrijdt. 6. Wat er van Jakob over is, zal te midden van veel volken zijn als dauw van de HEERE, als regendruppels op het gras. Die wachten niet op een mens en verwachten niets van mensenkinderen. 7. Ja, wat er van Jakob over is, zal onder de volken zijn als een leeuw tussen de dieren van het bos. Het zal zijn als een jonge leeuw tussen de schaapskudden. Als hij erdoorheen gaat, vertrapt en verscheurt hij, en niemand kan redden. 8. Jouw hand zal verheven zijn boven je tegenstanders. Al je vijanden zullen uitgeroeid worden. 9. Op die dag, zegt de HEERE, zal ik je paarden uit je midden uitroeien. Ik zal je wagens vernietigen. 10. Ik zal de steden van je land uitroeien en al je vestingen afbreken. 11. Ik zal de toverij uit je hand uitroeien. Je zult geen waarzeggers meer hebben. 12. Ik zal je gesneden beelden en je gedenkstenen uit je midden uitroeien. Dan zul je je niet meer buigen voor het werk van je handen. 13. Ik zal je gewijde palen uit je midden wegrukken en je steden vernietigen. 14. In toorn en woede zal ik wraak nemen op de volken die niet luisteren. ## Micha 6 — Wat de HEERE van je vraagt 1. Hoor nu wat de HEERE zegt. Sta op en voer je zaak voor de bergen. Laat de heuvels je stem horen. 2. Hoor, bergen, de rechtszaak van de HEERE, en ook jullie, vaste fundamenten van de aarde. Want de HEERE heeft een rechtszaak met Zijn volk. Hij gaat met Israël in gesprek. 3. Mijn volk, wat heb ik je gedaan? Waarmee heb ik je vermoeid? Getuig tegen mij! 4. Ik heb je toch uit Egypte geleid en je bevrijd uit het slavenhuis. Ik stuurde Mozes, Aäron en Mirjam voor je uit. 5. Mijn volk, denk toch aan wat Balak, de koning van Moab, van plan was en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde. Denk aan wat er gebeurde van Sittim tot Gilgal, zodat je de rechtvaardige daden van de HEERE kent. 6. Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan en mij buigen voor de hoge God? Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers, met eenjarige kalveren? 7. Zou de HEERE blij zijn met duizenden rammen, met tienduizenden stromen olie? Zal ik mijn eerstgeboren kind geven voor mijn overtreding, mijn eigen kind voor de zonde van mijn ziel? 8. Hij heeft je verteld, mens, wat goed is. En wat vraagt de HEERE van je? Alleen dit: recht doen, trouw liefhebben en nederig wandelen met je God. 9. De stem van de HEERE roept tot de stad, en het is wijsheid om Zijn naam te ontzien. Hoor de stok en wie hem besteld heeft. 10. Zijn er nog steeds oneerlijk verkregen schatten in het huis van de goddeloze? En een te kleine korenmaat, die ik verafschuw? 11. Zou ik iemand rein verklaren met een oneerlijke weegschaal en met een zak vol valse gewichten? 12. Haar rijke mensen zijn vol geweld. Haar bewoners spreken leugens en hun tong is vals in hun mond. 13. Daarom zal ook ik je ziek slaan en je verwoesten om je zonden. 14. Je zult eten, maar niet verzadigd worden. Er zal honger in je binnenste blijven. Je zult opslaan, maar niets bewaren. En wat je bewaart, geef ik over aan het zwaard. 15. Je zult zaaien, maar niet maaien. Je zult olijven persen, maar je niet met olie zalven. Je zult druiven persen, maar geen wijn drinken. 16. Want jullie houden de regels van Omri en alles wat het huis van Achab deed. Jullie volgen hun plannen. Daarom maak ik je tot een woestenij en je bewoners tot een mikpunt van spot. Zo zullen jullie de smaad van mijn volk dragen. ## Micha 7 — Wie is een God als U? 1. Ach, het gaat mij als na de zomeroogst, als na de nalezing bij de druivenpluk. Er is geen tros om te eten en ik verlang naar een vroege vijg. 2. De trouwe mens is verdwenen uit het land. Er is niemand meer eerlijk onder de mensen. Zij loeren allemaal op bloed. Ieder jaagt zijn naaste op met een net. 3. Met beide handen zijn zij goed in het kwaad. De vorst vraagt en de rechter oordeelt voor betaling. De machtige spreekt uit wat hij begeert, en samen draaien zij het krom. 4. De beste van hen is als een doorn, de eerlijkste erger dan een doornheg. De dag van je wachters komt, de dag van je bezoeking. Dan zal er verwarring zijn. 5. Vertrouw je vriend niet en reken niet op een goede kennis. Let op je woorden tegen haar die in je armen ligt. 6. Want de zoon veracht zijn vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder. Iemands vijanden zijn zijn eigen huisgenoten. 7. Maar ik zal uitkijken naar de HEERE. Ik zal wachten op de God die mij redt. Mijn God zal mij horen. 8. Wees niet blij over mij, mijn vijandin. Al ben ik gevallen, ik zal weer opstaan. Al zit ik in het donker, de HEERE zal mijn licht zijn. 9. Ik zal de toorn van de HEERE dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd. Dat duurt tot Hij het voor mij opneemt en mij recht doet. Hij zal mij naar het licht brengen en ik zal Zijn gerechtigheid zien. 10. Mijn vijandin zal het zien en schaamte zal haar bedekken. Zij zei tegen mij: waar is de HEERE, je God? Mijn ogen zullen naar haar kijken. Nu wordt zij vertrapt als modder op straat. 11. Er komt een dag dat je muren herbouwd worden. Op die dag zal de grens verder weg liggen. 12. Op die dag zullen zij naar je toe komen, van Assur en de steden van Egypte. Zij komen van Egypte tot aan de rivier, van zee tot zee en van berg tot berg. 13. Maar het land zal een woestenij worden om zijn bewoners, door de vrucht van hun daden. 14. Weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfdeel. Zij wonen afgezonderd in het bos, midden in een vruchtbaar land. Laat hen weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van vroeger. 15. Ik zal hun wonderen laten zien, als in de dagen dat jullie uit Egypte trokken. 16. De volken zullen het zien en beschaamd staan, ondanks al hun macht. Zij zullen hun hand op hun mond leggen en hun oren zullen doof worden. 17. Zij zullen stof likken als een slang, als dieren die over de grond kruipen. Bevend zullen zij uit hun schuilplaatsen komen. Met angst zullen zij naar de HEERE, onze God, komen en ontzag voor U hebben. 18. Wie is een God als U, die schuld vergeeft en voorbijgaat aan de overtreding van wie er van Zijn erfdeel over is? Hij houdt Zijn toorn niet voor altijd vast, want Hij heeft vreugde in trouw. 19. Hij zal zich weer over ons ontfermen. Hij zal onze schuld vertrappen. Ja, U zult al hun zonden in de diepte van de zee werpen. 20. U zult trouw bewijzen aan Jakob en goedheid aan Abraham, zoals U onze vaderen lang geleden gezworen hebt. ## Nahum 1 — De HEERE is goed in de dag van benauwdheid 1. De last over Ninevé. Het boek met het visioen van Nahum uit Elkos. 2. De HEERE is een hartstochtelijke God die wraak neemt. De HEERE neemt wraak en is vol woede. De HEERE neemt wraak op Zijn tegenstanders. Hij houdt Zijn toorn vast tegen Zijn vijanden. 3. De HEERE is geduldig, maar Hij is groot van kracht. Hij laat de schuldige zeker niet vrijuit gaan. De weg van de HEERE gaat door wervelwind en storm. De wolken zijn het stof van Zijn voeten. 4. Hij bestraft de zee en legt haar droog. Hij laat alle rivieren opdrogen. Basan en de Karmel verwelken en de bloesem van de Libanon verdort. 5. De bergen beven voor Hem en de heuvels smelten. De aarde rijst op voor Zijn gezicht, de wereld en iedereen die daarin woont. 6. Wie kan standhouden voor Zijn woede? Wie kan het uithouden voor de gloed van Zijn toorn? Zijn woede is uitgegoten als vuur en de rotsen worden door Hem verbrijzeld. 7. De HEERE is goed. Hij is een vesting op de dag van benauwdheid. Hij kent wie op Hem vertrouwen. 8. Met een alles meesleurende vloed zal Hij een einde maken aan haar plaats. Duisternis zal Zijn vijanden achtervolgen. 9. Wat bedenken jullie tegen de HEERE? Hij zal er zelf een einde aan maken. De nood zal geen tweede keer opkomen. 10. Zij zijn verstrengeld als doornen en dronken van de wijn. Toch worden zij helemaal verteerd als droge stoppels. 11. Uit jou is iemand gekomen die kwaad bedenkt tegen de HEERE, een raadsman van het kwaad. 12. Dit zegt de HEERE: al zijn zij sterk en talrijk, toch worden zij afgesneden en verdwijnen zij. Ik heb je vernederd, maar ik zal je niet meer vernederen. 13. Nu zal ik zijn juk van je breken en je ketenen verscheuren. 14. Maar over jou heeft de HEERE bevolen dat je naam niet meer voortgezet wordt. Uit het huis van je god zal ik de gesneden en gegoten beelden weghalen. Ik zal daar je graf maken, want je bent te licht bevonden. 15. Kijk, op de bergen komen de voeten van hem die goed nieuws brengt en vrede laat horen. Vier je feesten, Juda, en kom je beloften na. Want de man van het kwaad zal niet meer door je heen trekken; hij is helemaal uitgeroeid. ## Nahum 2 — De aanval op Ninevé 1. De verwoester trekt tegen je op. Bewaak de vesting, kijk uit over de weg, maak je heupen sterk en verzamel al je kracht. 2. Want de HEERE herstelt de trots van Jakob, net als de trots van Israël. Plunderaars hebben hen leeggeplunderd en hun wijnranken vernield. 3. De schilden van zijn helden zijn rood geverfd en de soldaten zijn in scharlaken gekleed. De wagens glanzen als vuur op de dag dat hij zich klaarmaakt. De speren worden geheven. 4. De wagens razen door de straten. Zij jagen heen en weer over de pleinen. Zij zien eruit als fakkels en schieten heen en weer als de bliksem. 5. Hij denkt aan zijn beste mannen, maar zij struikelen onderweg. Zij haasten zich naar de muur en het stormdak wordt opgesteld. 6. De sluizen van de rivieren worden geopend en het paleis smelt weg. 7. Het is besloten: zij wordt ontkleed en weggevoerd. Haar slavinnen kreunen als duiven en slaan zich op de borst. 8. Ninevé was als een vijver vol water, van oudsher. Maar nu vluchten zij weg. Blijf staan, blijf staan! roept men, maar niemand kijkt om. 9. Roof zilver, roof goud! Er komt geen einde aan de voorraad, aan de pracht van allerlei kostbaarheden. 10. Zij is leeggehaald, ja leeggeplunderd en uitgeput. Het hart smelt en de knieën knikken. Alle heupen beven van pijn en alle gezichten verbleken. 11. Waar is nu het hol van de leeuwen, de weide van de jonge leeuwen? Daar liepen de leeuw, de leeuwin en de welp, en niemand joeg hen schrik aan. 12. De leeuw roofde genoeg voor zijn welpen en wurgde voor zijn leeuwinnen. Hij vulde zijn holen met prooi en zijn legers met buit. 13. Kijk, ik keer mij tegen jou, zegt de HEERE van de legermachten. Ik zal haar wagens in rook laten opgaan. Het zwaard zal je jonge leeuwen verteren. Ik zal je buit van de aarde wegnemen. De stem van je gezanten zal niet meer gehoord worden. ## Nahum 3 — Wee de stad vol bloed 1. Wee de stad vol bloed, helemaal vol leugen en geweld. De roof houdt niet op. 2. Er klinkt gekletter van zwepen en gedreun van wielen. Paarden stampen en wagens springen op. 3. De ruiter valt aan met flitsend zwaard en blinkende speer. Er zijn veel doden en grote hopen lijken. Ja, de lichamen zijn niet te tellen; men struikelt erover. 4. Dat komt door de vele ontrouw van de verleidelijke stad, meesteres in toverij. Zij verkocht volken door haar ontrouw en stammen door haar toverij. 5. Kijk, ik keer mij tegen jou, zegt de HEERE van de legermachten. Ik zal je rokken optillen tot over je gezicht. Ik zal de volken je naaktheid laten zien en de koninkrijken je schande. 6. Ik zal vuil op je gooien en je te schande maken. Ik zal je tot een schouwspel maken. 7. Iedereen die je ziet, zal van je wegvluchten en zeggen: Ninevé is verwoest. Wie zal medelijden met haar hebben? Waar zal ik troosters voor je zoeken? 8. Ben jij beter dan No, de stad vol mensen aan de rivieren? Zij lag omringd door water; de zee was haar wal en het water haar muur. 9. Ethiopië en Egypte waren haar kracht, zonder einde. Put en Libië hielpen haar. 10. Toch ging zij in ballingschap, weggevoerd als gevangene. Haar kinderen werden op elke straathoek verpletterd. Over haar aanzienlijken wierp men het lot en al haar groten werden in boeien geslagen. 11. Ook jij zult dronken worden; je zult je verbergen. Ook jij zult een schuilplaats zoeken voor de vijand. 12. Al je vestingen zijn als vijgenbomen met de eerste vruchten. Als men eraan schudt, vallen zij in de mond van wie ze eten wil. 13. Kijk, je volk in je midden is krachteloos geworden. De poorten van je land staan wijd open voor je vijanden. Het vuur verteert je grendels. 14. Schep water in voor het beleg. Versterk je vestingen. Ga in de klei en trap het leem. Pak de steenvorm op. 15. Daar zal het vuur je verteren. Het zwaard zal je uitroeien en je opeten als jonge sprinkhanen. Vermeerder je dan als jonge sprinkhanen, vermeerder je als sprinkhanen. 16. Je hebt meer handelaars dan er sterren aan de hemel zijn. De sprinkhaan vervelt en vliegt weg. 17. Je wachters zijn als sprinkhanen en je ambtenaren als zwermen sprinkhanen. Zij strijken op koude dagen neer op de muren. Als de zon opkomt, vliegen zij weg en niemand weet waar zij gebleven zijn. 18. Je herders slapen, koning van Assur. Je machtige mannen liggen neer. Je volk is verspreid over de bergen en niemand brengt hen bijeen. 19. Er is geen genezing voor je wond; je verwonding is dodelijk. Iedereen die het bericht over je hoort, klapt in de handen. Want over wie is jouw kwaad niet steeds heen gegaan? ## Habakuk 1 — Hoelang nog, HEERE? 1. De last die de profeet Habakuk gezien heeft. 2. HEERE, hoelang roep ik al om hulp en U hoort niet? Hoelang schreeuw ik al tot U om het geweld en U redt niet? 3. Waarom laat U mij onrecht zien en kijkt U toe bij ellende? Verwoesting en geweld staan voor mij. Er is ruzie en de strijd laait op. 4. Daarom verslapt de wet en komt het recht nooit tevoorschijn. Want de goddeloze omsingelt de rechtvaardige. Zo komt het recht verdraaid naar buiten. 5. Kijk rond onder de volken en verbaas je, ja, sta versteld. Want ik doe in jullie dagen iets dat jullie niet zouden geloven als het verteld werd. 6. Want kijk, ik laat de Chaldeeën opstaan, dat bittere en snelle volk. Zij trekken over de hele breedte van de aarde om woningen in bezit te nemen die niet van hen zijn. 7. Zij zijn angstaanjagend en verschrikkelijk. Hun recht en hun macht komen uit henzelf. 8. Hun paarden zijn sneller dan luipaarden en feller dan wolven in de avond. Hun ruiters komen aangestormd en van ver. Zij vliegen als een arend die zich op zijn prooi stort. 9. Zij komen allemaal om geweld te doen. Hun gezichten zijn naar voren gericht. Zij verzamelen gevangenen als zand. 10. Zij spotten met koningen en lachen om vorsten. Zij lachen om elke vesting: zij werpen een wal op en nemen haar in. 11. Dan trekken zij verder als de wind en zij gaan voorbij. Zo maken zij zich schuldig, want zij maken hun eigen kracht tot hun god. 12. Bent U niet van oudsher de HEERE, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven. HEERE, U hebt hem aangesteld om te oordelen. Rots, U hebt hem neergezet om te straffen. 13. Uw ogen zijn te rein om het kwade aan te zien. U kunt ellende niet aanzien. Waarom kijkt U dan toe bij mensen die ontrouw handelen? Waarom zwijgt U als de goddeloze iemand verslindt die rechtvaardiger is dan hij? 14. Waarom maakt U de mensen als de vissen van de zee, als kruipende dieren die geen heerser hebben? 15. Hij haalt ze allemaal op met een haak. Hij sleept ze bijeen in zijn net en verzamelt ze in zijn sleepnet. Daarom is hij blij en juicht hij. 16. Daarom offert hij aan zijn net en brandt hij wierook voor zijn sleepnet. Want daardoor is zijn deel vet geworden en zijn voedsel overvloedig. 17. Zal hij daarom altijd zijn net blijven leegmaken? Zal hij zonder medelijden volken blijven doden? ## Habakuk 2 — De rechtvaardige zal door zijn geloof leven 1. Ik ging op mijn wachtpost staan en stelde mij op de vesting op. Ik hield de wacht om te zien wat Hij tegen mij zou zeggen en wat ik zou antwoorden op mijn klacht. 2. Toen antwoordde de HEERE mij: Schrijf het visioen op. Zet het duidelijk op tafels, zodat wie het leest, er hard mee kan weglopen. 3. Want het visioen wacht op de vastgestelde tijd. Aan het einde zal het spreken en het zal niet liegen. Als het uitblijft, wacht er dan op. Want het komt zeker; het zal niet uitblijven. 4. Kijk, wie opgeblazen is, is niet oprecht van binnen. Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. 5. De wijn is verraderlijk. De trotse man blijft niet rustig. Hij spert zijn keel open als het dodenrijk. Hij is als de dood, die nooit genoeg krijgt. Hij verzamelt alle volken bij zich en brengt alle naties bijeen. 6. Zullen zij niet allemaal een spotlied over hem aanheffen, een raadsel vol spot? Men zal zeggen: Wee wie opstapelt wat niet van hem is. Hoelang nog? Wee wie zichzelf verrijkt met onderpanden. 7. Zullen je schuldeisers niet plotseling opstaan? Zullen zij niet wakker worden en je laten beven? Dan word jij hun buit. 8. Jij hebt veel volken beroofd. Daarom zullen alle overgebleven volken jou beroven. Dat komt door het bloed van mensen en om het geweld tegen het land, de stad en al haar bewoners. 9. Wee wie oneerlijke winst maakt voor zijn huis, om zijn nest hoog te bouwen en zo te ontkomen aan het onheil. 10. Je hebt schande bedacht voor je eigen huis. Door veel volken uit te roeien heb je tegen jezelf gezondigd. 11. Want de steen roept uit de muur en de balk antwoordt hem uit het houtwerk. 12. Wee wie een stad met bloed bouwt en een stad met onrecht sticht. 13. Kijk, komt het niet van de HEERE van de legermachten dat volken zich aftobben voor het vuur? Dat naties zich voor niets vermoeien? 14. Want de aarde zal vol worden van de kennis van de heerlijkheid van de HEERE, zoals het water de bodem van de zee bedekt. 15. Wee wie zijn naaste te drinken geeft, wie zijn gif erbij schenkt en hem dronken maakt om naar zijn naaktheid te kijken. 16. Je zult verzadigd worden met schande in plaats van eer. Drink nu zelf en wankel. De beker uit de rechterhand van de HEERE komt bij jou. Schande zal je eer bedekken. 17. Want het geweld tegen de Libanon zal je bedekken. De verwoesting van de dieren zal je schrik aanjagen. Dat komt door het bloed van mensen en om het geweld tegen het land, de stad en al haar bewoners. 18. Wat heeft een gesneden beeld voor nut, als de maker het gesneden heeft? Wat een gegoten beeld, dat leugens leert? De maker vertrouwt op zijn eigen maaksel, terwijl hij stomme afgoden gemaakt heeft. 19. Wee wie tegen een stuk hout zegt: word wakker! en tegen een stomme steen: sta op! Zou dat iets kunnen leren? Kijk, het is met goud en zilver overtrokken, maar er zit helemaal geen adem in. 20. Maar de HEERE is in Zijn heilige tempel. Wees stil voor Hem, heel de aarde! ## Habakuk 3 — Het gebed van Habakuk 1. Een gebed van de profeet Habakuk, op de wijs van klaagliederen. 2. HEERE, ik heb Uw boodschap gehoord en ik ben bang geworden. HEERE, houd Uw werk in leven midden in de jaren. Maak het bekend midden in de jaren. Denk in Uw toorn aan Uw ontferming. 3. God kwam van Theman en de Heilige van de berg Paran. Sela. Zijn pracht bedekte de hemel en de aarde was vol van Zijn lof. 4. Er was een glans als van licht. Stralen kwamen uit Zijn hand, en daar was Zijn kracht verborgen. 5. Voor Hem uit ging de pest en de koorts volgde Zijn voeten. 6. Hij stond stil en deed de aarde beven. Hij keek en liet de volken opschrikken. De eeuwige bergen werden verbrijzeld en de oude heuvels bogen zich. Zijn wegen zijn eeuwig. 7. Ik zag de tenten van Kusan in nood. De tentdoeken van het land Midian trilden. 8. Was de HEERE woedend op de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren gericht? Was Uw woede tegen de zee, toen U op Uw paarden reed en op Uw wagens van redding? 9. U haalde Uw boog tevoorschijn, zoals U met eden gezworen had. Sela. U spleet de aarde open met rivieren. 10. De bergen zagen U en beefden. Een stortvloed ging voorbij. De diepte liet haar stem horen en hief haar handen omhoog. 11. De zon en de maan bleven staan in hun woning. Uw pijlen gingen weg als licht en Uw speer flitste als de bliksem. 12. In woede schreed U door het land. In toorn vertrapte U de volken. 13. U trok uit om Uw volk te redden, om Uw gezalfde te redden. U verbrijzelde de kop van het huis van de goddeloze en legde het bloot van voet tot nek. Sela. 14. U doorboorde met zijn eigen speren het hoofd van zijn krijgers. Zij stormden aan om mij te verstrooien. Zij juichten alsof zij in het verborgene de armen zouden verslinden. 15. U betrad de zee met Uw paarden, de grote watermassa's. 16. Ik hoorde het en mijn binnenste beefde. Bij dat geluid trilden mijn lippen. Mijn botten werden slap en mijn benen wankelden. Toch zal ik rustig wachten op de dag van benauwdheid, als die optrekt tegen het volk dat hem aanvalt. 17. Al zal de vijgenboom niet bloeien en al zit er geen vrucht aan de wijnstok. Al laat de olijfboom het afweten en brengen de velden geen voedsel voort. Al is er geen schaap meer in de kooi en geen rund meer in de stal. 18. Toch zal ik juichen in de HEERE. Ik zal blij zijn in de God die mij redt. 19. De Heere HEERE is mijn kracht. Hij maakt mijn voeten als die van een hinde. Hij laat mij lopen op mijn hoogten. Voor de koorleider, bij snaarspel. ## Zefanja 1 — De grote dag van de HEERE 1. Het woord van de HEERE dat kwam tot Zefanja, de zoon van Cuschi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia. Dat was in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda. 2. Ik zal alles volledig wegvagen uit dit land, zegt de HEERE. 3. Ik zal mens en dier wegvagen. Ik zal de vogels van de hemel en de vissen van de zee wegvagen, met de struikelblokken en de goddelozen. Ja, ik zal de mensen uit dit land uitroeien, zegt de HEERE. 4. Ik zal mijn hand uitstrekken tegen Juda en tegen alle bewoners van Jeruzalem. Uit deze plaats zal ik uitroeien wat er van Baäl over is, met de namen van de afgodspriesters en de priesters. 5. Ook wie zich op de daken buigen voor het leger van de hemel. Ook wie zich buigen en zweren bij de HEERE en tegelijk zweren bij Malcham. 6. Ook wie zich van de HEERE afkeren, wie de HEERE niet zoeken en niet naar Hem vragen. 7. Wees stil voor het gezicht van de Heere HEERE. Want de dag van de HEERE is nabij. De HEERE heeft een offer klaargemaakt en Zijn genodigden geheiligd. 8. Op de dag van het offer van de HEERE zal ik de vorsten bezoeken en de zonen van de koning. Ook bezoek ik iedereen die zich kleedt in vreemde kleding. 9. Op die dag zal ik ook iedereen bezoeken die over de drempel springt en die het huis van zijn heer vult met geweld en bedrog. 10. Op die dag, zegt de HEERE, zal er geschreeuw klinken bij de Vispoort, gejammer uit de Nieuwe Stad en groot gekraak van de heuvels. 11. Jammer, bewoners van de benedenstad! Want heel het koopmansvolk is weggevaagd. Alle geldwegers zijn uitgeroeid. 12. In die tijd zal ik Jeruzalem met lantaarns doorzoeken. Ik zal de mannen bezoeken die stijf geworden zijn op hun droesem. Zij zeggen in hun hart: de HEERE doet geen goed en Hij doet geen kwaad. 13. Daarom zal hun bezit geplunderd worden en hun huizen verwoest. Zij bouwen huizen, maar zij zullen er niet in wonen. Zij planten wijngaarden, maar zij zullen de wijn ervan niet drinken. 14. De grote dag van de HEERE is nabij. Hij is nabij en komt heel snel. Hoor, de dag van de HEERE! Dan zal zelfs de held bitter schreeuwen. 15. Die dag zal een dag van woede zijn, een dag van benauwdheid en angst. Het wordt een dag van verwoesting en vernietiging, een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en diepe schaduw. 16. Het wordt een dag van ramshoorn en strijdgeschreeuw tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoektorens. 17. Ik zal de mensen bang maken, zodat zij rondlopen als blinden. Want zij hebben tegen de HEERE gezondigd. Hun bloed zal uitgestort worden als stof en hun vlees als vuil. 18. Hun zilver en hun goud kunnen hen niet redden op de dag van de woede van de HEERE. Door het vuur van Zijn hartstocht zal heel het land verteerd worden. Want Hij zal een einde maken, een plotseling einde, aan alle bewoners van het land. ## Zefanja 2 — Zoek de HEERE 1. Kom bij elkaar, ja verzamel je, volk zonder schaamte. 2. Doe dat voordat het besluit uitkomt en de dag voorbijgaat als kaf. Doe dat voordat de gloed van de toorn van de HEERE over jullie komt. Doe dat voordat de dag van Zijn toorn over jullie komt. 3. Zoek de HEERE, alle zachtmoedigen van het land, die Zijn recht doen. Zoek gerechtigheid en zoek zachtmoedigheid. Misschien worden jullie verborgen op de dag van de toorn van de HEERE. 4. Want Gaza zal verlaten zijn en Askelon zal verwoest worden. Asdod zal men op klaarlichte dag verdrijven en Ekron zal ontworteld worden. 5. Wee de bewoners van het kustland, het volk van de Kretenzers! Het woord van de HEERE is tegen jullie, Kanaän, land van de Filistijnen. Ik zal je vernietigen, zodat er geen bewoner meer is. 6. Het kustland zal een weide worden, met putten voor de herders en kooien voor de kudden. 7. Het land zal zijn voor wie er van het volk van Juda over is. Daar zullen zij weiden. 's Avonds zullen zij rusten in de huizen van Askelon. Want de HEERE, hun God, zal naar hen omzien en hun lot keren. 8. Ik heb de spot van Moab gehoord en de scheldwoorden van de Ammonieten. Zij bespotten mijn volk en maakten zich groot tegen hun gebied. 9. Daarom, zo waar ik leef, zegt de God van Israël: Moab zal zeker worden als Sodom en de Ammonieten als Gomorra. Het wordt een veld vol netels, een zoutgroeve, een woestenij voor altijd. Wie er van mijn volk over zijn, zullen hen plunderen. De rest van mijn volk zal hun land in bezit nemen. 10. Dat krijgen zij voor hun hoogmoed. Want zij hebben gespot en zich groot gemaakt tegen het volk van de HEERE van de legermachten. 11. De HEERE zal ontzagwekkend voor hen zijn. Want Hij zal alle goden van de aarde laten wegkwijnen. Iedereen zal Hem aanbidden vanaf zijn eigen plaats, alle kustlanden van de volken. 12. Ook jullie, Ethiopiërs, zullen door mijn zwaard gedood worden. 13. Hij zal ook Zijn hand uitstrekken naar het noorden en Assur vernietigen. Hij zal Ninevé tot een woestenij maken, dor als de woestijn. 14. Midden in haar zullen kudden rusten, allerlei dieren. De pelikaan en de uil zullen overnachten op haar zuilen. Een stem zal zingen in het venster; puin zal op de drempel liggen. Het cederhout is weggehaald. 15. Dit is de uitgelaten stad die zich veilig waande. Zij zei in haar hart: ik ben het, en niemand anders. Hoe is zij een woestenij geworden, een leger voor de dieren! Iedereen die langsloopt, zal sissen en zijn hand schudden. ## Zefanja 3 — De HEERE zal juichen over jou 1. Wee de opstandige en onreine stad, de stad die onderdrukt. 2. Zij luistert niet naar de stem en neemt geen terechtwijzing aan. Zij vertrouwt niet op de HEERE en komt niet dicht bij haar God. 3. Haar vorsten in haar midden zijn brullende leeuwen. Haar rechters zijn wolven in de avond, die tot de morgen niets overlaten. 4. Haar profeten zijn overmoedig en volstrekt onbetrouwbaar. Haar priesters ontwijden het heilige en doen de wet geweld aan. 5. De rechtvaardige HEERE is in haar midden; Hij doet geen onrecht. Elke morgen brengt Hij Zijn recht aan het licht; het ontbreekt nooit. Maar wie onrecht doet, kent geen schaamte. 6. Ik heb volken uitgeroeid. Hun hoektorens zijn verwoest. Ik heb hun straten leeggemaakt, zodat niemand er nog doorheen gaat. Hun steden zijn vernield, zonder mens en zonder bewoner. 7. Ik zei: je zult toch ontzag voor mij hebben en terechtwijzing aannemen. Dan zou haar woning niet vernietigd worden, ondanks alles waarmee ik haar bezocht. Maar zij stonden vroeg op om alles wat zij deden te bederven. 8. Wacht daarom op mij, zegt de HEERE, op de dag dat ik opsta als getuige. Want mijn besluit is om volken te verzamelen en koninkrijken bijeen te brengen. Dan zal ik mijn woede over hen uitgieten, heel de gloed van mijn toorn. Want heel de aarde zal door het vuur van mijn hartstocht verteerd worden. 9. Dan zal ik de volken andere, reine lippen geven. Zij zullen allemaal de naam van de HEERE aanroepen en Hem schouder aan schouder dienen. 10. Van over de rivieren van Ethiopië zullen zij die mij aanbidden, mijn verstrooide volk, mijn offers brengen. 11. Op die dag hoef je je niet te schamen om alles waarmee je tegen mij overtreden hebt. Want dan haal ik uit je midden weg wie juichen over je trots. Je zult je niet meer verheffen op mijn heilige berg. 12. Maar ik zal in je midden een arm en klein volk laten overblijven. Zij zullen op de naam van de HEERE vertrouwen. 13. Wie er van Israël overblijven, zullen geen onrecht doen en geen leugen spreken. In hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden. Zij zullen weiden en rusten en niemand zal hen opschrikken. 14. Zing van vreugde, dochter van Sion. Juich, Israël. Wees blij en juich met heel je hart, dochter van Jeruzalem. 15. De HEERE heeft het oordeel over je weggenomen. Hij heeft je vijand weggevaagd. De Koning van Israël, de HEERE, is in je midden. Je zult geen kwaad meer zien. 16. Op die dag zal tegen Jeruzalem gezegd worden: Wees niet bang, Sion. Laat je handen niet slap worden. 17. De HEERE, jouw God, is in je midden, een held die redt. Hij zal blij over je zijn met vreugde. Hij zal zwijgen in Zijn liefde. Hij zal over je juichen met gejuich. 18. Wie treuren omdat zij de feesten missen, zal ik verzamelen; zij horen bij jou. De schande drukt zwaar op hen. 19. Kijk, in die tijd zal ik afrekenen met al je onderdrukkers. Ik zal wie kreupel is beschermen en wie verstoten is bijeenbrengen. Ik zal hen tot lof en tot een naam maken in elk land waar zij beschaamd zijn geweest. 20. In die tijd zal ik jullie thuisbrengen, in de tijd dat ik jullie verzamel. Ik zal jullie zeker tot een naam en tot lof maken onder alle volken van de aarde. Dat gebeurt als ik jullie lot voor jullie ogen keer, zegt de HEERE. ## Haggaï 1 — Bouw het huis van de HEERE 1. Het was in het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand. Toen kwam het woord van de HEERE door de profeet Haggai. Het kwam tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de gouverneur van Juda, en tot Josua, de hogepriester, de zoon van Jozadak. 2. Dit zegt de HEERE van de legermachten: Dit volk zegt: de tijd is nog niet gekomen om het huis van de HEERE te bouwen. 3. Toen kwam het woord van de HEERE door de profeet Haggai. 4. Is het voor jullie wel de tijd om zelf in betimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis in puin ligt? 5. Welnu, dit zegt de HEERE van de legermachten: let goed op jullie wegen. 6. Jullie zaaien veel, maar oogsten weinig. Jullie eten, maar worden niet verzadigd. Jullie drinken, maar krijgen niet genoeg. Jullie kleden je, maar het geeft geen warmte. Wie loon verdient, doet het in een buidel met gaten. 7. Dit zegt de HEERE van de legermachten: let goed op jullie wegen. 8. Ga het bergland in, haal hout en bouw dit huis. Dan zal ik er blij mee zijn en geëerd worden, zegt de HEERE. 9. Jullie verwachtten veel, maar kijk, het werd weinig. En als jullie het binnenhaalden, blies ik het weg. Waarom? zegt de HEERE van de legermachten. Omdat mijn huis in puin ligt, terwijl ieder van jullie druk is met zijn eigen huis. 10. Daarom houdt de hemel de dauw boven jullie in en houdt het land zijn opbrengst in. 11. Want ik heb droogte geroepen over het land en over de bergen. Die kwam over het koren, de wijn en de olie, over alles wat de grond voortbrengt. Ook over mensen en dieren en over al het werk van hun handen. 12. Toen luisterden Zerubbabel en Josua de hogepriester naar de stem van de HEERE, hun God. Heel de rest van het volk luisterde ook. Zij luisterden naar de woorden van de profeet Haggai, die de HEERE, hun God, gestuurd had. En het volk kreeg ontzag voor de HEERE. 13. Toen sprak Haggai, de bode van de HEERE, de boodschap van de HEERE tot het volk: Ik ben met jullie, zegt de HEERE. 14. De HEERE wekte de geest van Zerubbabel, de gouverneur van Juda, en de geest van Josua, de hogepriester. Hij wekte ook de geest van heel de rest van het volk. Zij kwamen en gingen aan het werk in het huis van de HEERE van de legermachten, hun God. ## Haggaï 2 — De heerlijkheid van dit huis 1. Het was op de vierentwintigste dag van de zesde maand, in het tweede jaar van koning Darius. 2. In de zevende maand, op de eenentwintigste dag van de maand, kwam het woord van de HEERE door de profeet Haggai. 3. Spreek nu tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de gouverneur van Juda. Spreek ook tot Josua, de hogepriester, en tot de rest van het volk. 4. Wie is er onder jullie nog over die dit huis in zijn eerste pracht gezien heeft? En hoe ziet het er nu voor jullie uit? Is het in jullie ogen niet als niets? 5. Maar wees nu sterk, Zerubbabel, zegt de HEERE. Wees sterk, Josua, zoon van Jozadak, hogepriester. Wees sterk, heel het volk van het land, zegt de HEERE. Ga aan het werk, want ik ben met jullie, zegt de HEERE van de legermachten. 6. Dat is het woord waarmee ik een verbond met jullie sloot toen jullie uit Egypte trokken. Mijn Geest blijft in jullie midden. Wees niet bang. 7. Want dit zegt de HEERE van de legermachten. Nog even, en ik zal de hemel en de aarde, de zee en het droge land laten beven. 8. Ja, ik zal alle volken laten beven. Zij zullen komen met hun kostbaarheden en ik zal dit huis met heerlijkheid vullen, zegt de HEERE van de legermachten. 9. Van mij is het zilver en van mij is het goud, zegt de HEERE van de legermachten. 10. De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter zijn dan die van het eerste, zegt de HEERE van de legermachten. Op deze plaats zal ik vrede geven, zegt de HEERE van de legermachten. 11. Op de vierentwintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEERE door de profeet Haggai. 12. Dit zegt de HEERE van de legermachten: vraag de priesters om onderwijs. 13. Stel dat iemand heilig vlees in de punt van zijn kleed draagt. Hij raakt met die punt brood, soep, wijn, olie of ander voedsel aan. Wordt dat dan heilig? De priesters antwoordden: Nee. 14. Haggai zei: Stel dat iemand die onrein is door een dood lichaam, iets van die dingen aanraakt. Wordt het dan onrein? De priesters antwoordden: Het wordt onrein. 15. Toen zei Haggai: Zo is dit volk en zo is deze natie voor mij, zegt de HEERE. En zo is al het werk van hun handen. Wat zij daar offeren, is onrein. 16. Let nu goed op, vanaf deze dag en verder. Denk terug aan de tijd voordat er steen op steen gelegd werd aan de tempel van de HEERE. 17. Voordat dit gebeurde, kwam men bij een korenhoop van twintig maten en er waren er maar tien. Men kwam bij de wijnbak om vijftig maten te scheppen en er waren er maar twintig. 18. Ik sloeg jullie met graanbrand, meeldauw en hagel, al het werk van jullie handen. Toch keerden jullie je niet naar mij, zegt de HEERE. 19. Let toch goed op, vanaf deze dag en verder. Let goed op vanaf de vierentwintigste dag van de negende maand. Dat is de dag dat het fundament van de tempel van de HEERE gelegd is. 20. Is er nog zaad in de schuur? Ook de wijnstok, de vijgenboom, de granaatappelboom en de olijfboom hebben nog niets gedragen. Vanaf deze dag zal ik zegenen. 21. Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Haggai, op de vierentwintigste dag van de maand. 22. Spreek tot Zerubbabel, de gouverneur van Juda: Ik zal de hemel en de aarde laten beven. 23. Ik zal de troon van de koninkrijken omkeren. Ik zal de kracht van de koninkrijken van de volken vernietigen. Ik zal de wagens omkeren en wie erop rijden. De paarden en hun ruiters zullen vallen, ieder door het zwaard van de ander. 24. Op die dag, zegt de HEERE van de legermachten, zal ik je nemen, Zerubbabel, zoon van Sealthiël, mijn knecht, zegt de HEERE. Ik zal je maken tot een zegelring, want ik heb je uitgekozen, zegt de HEERE van de legermachten. ## Zacharia 1 — De man tussen de mirten 1. In de achtste maand van het tweede jaar van Darius kwam het woord van de HEERE tot de profeet Zacharia. Hij was de zoon van Berechja, de zoon van Iddo. 2. De HEERE was heel boos op jullie vaderen. 3. Zeg daarom tegen hen: dit zegt de HEERE van de legermachten. Keer terug naar mij, zegt de HEERE van de legermachten, dan zal ik naar jullie terugkeren, zegt de HEERE van de legermachten. 4. Wees niet als jullie vaderen. De vroegere profeten riepen hun toe: dit zegt de HEERE van de legermachten: bekeer je toch van jullie slechte wegen en jullie slechte daden. Maar zij luisterden niet en letten niet op mij, zegt de HEERE. 5. Jullie vaderen, waar zijn zij? En de profeten, leven die eeuwig? 6. Maar mijn woorden en mijn wetten, die ik mijn knechten de profeten opgedragen had, hebben jullie vaderen toch bereikt? Toen keerden zij terug en zeiden: de HEERE van de legermachten had besloten met ons te doen naar onze wegen en onze daden. Zo heeft Hij met ons gedaan. 7. Het was de vierentwintigste dag van de elfde maand, de maand Sebat, in het tweede jaar van Darius. Toen kwam het woord van de HEERE tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo. 8. Ik zag in de nacht, en kijk, daar was een Man op een rood paard. Hij stond tussen de mirten in de diepte. Achter Hem stonden rode, bruine en witte paarden. 9. Ik zei: Mijn Heer, wat zijn deze? Toen zei de Engel die met mij sprak tegen mij: Ik zal je laten zien wat dit zijn. 10. Toen antwoordde de Man die tussen de mirten stond: Dit zijn de paarden die de HEERE uitgestuurd heeft om de aarde te doorkruisen. 11. Zij antwoordden de Engel van de HEERE, die tussen de mirten stond: Wij hebben de aarde doorkruist. En kijk, heel de aarde is rustig en stil. 12. Toen zei de Engel van de HEERE: HEERE van de legermachten, hoelang duurt het nog? Wanneer ontfermt U zich over Jeruzalem en over de steden van Juda? U bent nu al zeventig jaar boos op hen. 13. De HEERE antwoordde de Engel die met mij sprak, met goede en troostvolle woorden. 14. De Engel die met mij sprak, zei tegen mij: Roep het uit: dit zegt de HEERE van de legermachten. Ik neem het hartstochtelijk op voor Jeruzalem en voor Sion. 15. Ik ben heel erg boos op de zorgeloze volken. Want ik was een beetje boos, maar zij hebben het kwaad nog erger gemaakt. 16. Daarom zegt de HEERE dit: ik ben naar Jeruzalem teruggekeerd met ontferming. Mijn huis zal daarin gebouwd worden, zegt de HEERE van de legermachten, en het meetlint zal over Jeruzalem gespannen worden. 17. Roep nog eens: dit zegt de HEERE van de legermachten. Mijn steden zullen weer overvloeien van het goede. De HEERE zal Sion weer troosten en Jeruzalem weer uitkiezen. 18. Ik keek op en zag, en kijk, daar waren vier hoorns. 19. Ik zei tegen de Engel die met mij sprak: Wat zijn deze? Hij zei tegen mij: Dit zijn de hoorns die Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben. 20. De HEERE liet mij vier smeden zien. 21. Toen zei ik: Wat komen die doen? Hij zei: Dat zijn de hoorns die Juda zo verstrooid hebben dat niemand zijn hoofd nog ophief. Maar deze smeden zijn gekomen om hen schrik aan te jagen en de hoorns van de volken neer te werpen. Die hieven hun hoorn op tegen het land Juda om het te verstrooien. ## Zacharia 2 — Een vurige muur rondom 1. Ik keek weer op en zag, en kijk, daar was een man met een meetlint in zijn hand. 2. Ik zei: Waar ga je heen? Hij zei tegen mij: Ik ga Jeruzalem opmeten, om te zien hoe breed en hoe lang zij zal zijn. 3. En kijk, de Engel die met mij sprak, ging naar buiten. Een andere engel kwam hem tegemoet. 4. Hij zei tegen hem: Loop snel en zeg tegen die jongeman: Jeruzalem zal als een open stad bewoond worden. Want er zullen veel mensen en dieren in zijn. 5. Ik zal voor haar een vurige muur rondom zijn, zegt de HEERE. Ik zal de heerlijkheid in haar midden zijn. 6. Vooruit, vlucht toch uit het land van het noorden, zegt de HEERE. Want ik heb jullie uitgespreid naar de vier windstreken van de hemel, zegt de HEERE. 7. Vooruit, Sion, ontkom, jij die bij de dochter van Babel woont. 8. Want dit zegt de HEERE van de legermachten. Om Zijn eer heeft Hij mij gestuurd naar de volken die jullie beroofd hebben. Want wie jullie aanraakt, raakt Zijn oogappel aan. 9. Want kijk, ik zal mijn hand over hen bewegen en zij zullen buit worden voor hun eigen slaven. Dan zullen jullie weten dat de HEERE van de legermachten mij gestuurd heeft. 10. Juich en wees blij, dochter van Sion. Want kijk, ik kom en ik zal in je midden wonen, zegt de HEERE. 11. Op die dag zullen veel volken zich bij de HEERE aansluiten. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal in je midden wonen. Dan zullen jullie weten dat de HEERE van de legermachten mij naar je toe gestuurd heeft. 12. Dan zal de HEERE Juda als Zijn deel in bezit nemen in het heilige land. Hij zal Jeruzalem weer uitkiezen. 13. Wees stil voor de HEERE, alle mensen. Want Hij is opgestaan uit Zijn heilige woning. ## Zacharia 3 — Josua in schone kleren 1. Daarna liet Hij mij Josua zien, de hogepriester. Hij stond voor de Engel van de HEERE. De satan stond aan zijn rechterhand om hem aan te klagen. 2. Maar de HEERE zei tegen de satan: De HEERE bestraft je, satan! Ja, de HEERE bestraft je, Hij die Jeruzalem uitkiest. Is deze man niet een stuk brandhout dat uit het vuur gerukt is? 3. Josua droeg vuile kleren terwijl hij voor de Engel stond. 4. Toen zei Hij tegen wie voor Hem stonden: Haal die vuile kleren van hem weg. Daarna zei Hij tegen hem: Kijk, ik heb je schuld van je weggenomen en ik zal je feestkleren aandoen. 5. Toen zei ik: Laat hen een schone tulband op zijn hoofd zetten. Zij zetten de schone tulband op zijn hoofd en trokken hem kleren aan. De Engel van de HEERE stond erbij. 6. Toen verklaarde de Engel van de HEERE aan Josua: 7. Dit zegt de HEERE van de legermachten. Als je op mijn wegen gaat en mijn dienst waarneemt, dan zul jij mijn huis besturen en mijn voorhoven bewaken. Ik zal je vrije toegang geven bij hen die hier staan. 8. Luister toch, Josua, hogepriester, jij en je vrienden die voor je zitten. Zij zijn een teken. Want kijk, ik laat mijn Knecht komen, de Spruit. 9. Want kijk, de steen die ik voor Josua neergelegd heb: op die ene steen zullen zeven ogen zijn. Kijk, ik zal er zelf het opschrift in graveren, zegt de HEERE van de legermachten. Ik zal de schuld van dit land op één dag wegnemen. 10. Op die dag, zegt de HEERE van de legermachten, zullen jullie elkaar uitnodigen onder de wijnstok en onder de vijgenboom. ## Zacharia 4 — Niet door kracht, maar door mijn Geest 1. De Engel die met mij sprak, kwam terug. Hij wekte mij, zoals een man gewekt wordt uit zijn slaap. 2. Hij zei tegen mij: Wat zie je? Ik zei: Ik zie een kandelaar, helemaal van goud, met een oliehouder erbovenop en zeven lampen erop. Er zijn zeven pijpjes naar de lampen boven op de kandelaar. 3. Daarnaast staan twee olijfbomen, een rechts van de oliehouder en een links ervan. 4. Ik antwoordde de Engel die met mij sprak: Mijn Heer, wat betekenen deze dingen? 5. Toen antwoordde de Engel die met mij sprak: Weet je niet wat deze dingen betekenen? Ik zei: Nee, mijn Heer. 6. Toen antwoordde Hij mij: Dit is het woord van de HEERE tot Zerubbabel. Niet door kracht en niet door geweld, maar door mijn Geest zal het gebeuren, zegt de HEERE van de legermachten. 7. Wie ben jij, grote berg? Voor Zerubbabel zul je een vlakte worden. Hij zal de sluitsteen naar voren brengen onder het geroep: genade, genade voor hem! 8. Het woord van de HEERE kwam verder tot mij. 9. De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest en zijn handen zullen het ook afmaken. Dan zullen jullie weten dat de HEERE van de legermachten mij naar jullie gestuurd heeft. 10. Want wie veracht de dag van de kleine dingen? Die zeven zullen blij zijn als zij het schietlood in de hand van Zerubbabel zien. Dat zijn de ogen van de HEERE, die heel de aarde doorkruisen. 11. Verder vroeg ik Hem: Wat zijn die twee olijfbomen, rechts en links van de kandelaar? 12. En ik vroeg Hem nog een keer: Wat zijn die twee olijftakken naast de twee gouden pijpen die de gouden olie doorgeven? 13. Hij zei tegen mij: Weet je niet wat deze zijn? Ik zei: Nee, mijn Heer. 14. Toen zei Hij: Dit zijn de twee gezalfden die voor de Heer van heel de aarde staan. ## Zacharia 5 — De vliegende boekrol en de mand 1. Ik keek weer op en zag, en kijk, daar was een vliegende boekrol. 2. Hij zei tegen mij: Wat zie je? Ik zei: Ik zie een vliegende boekrol. Hij is ongeveer tien meter lang en vijf meter breed. 3. Toen zei Hij tegen mij: Dit is de vloek die over heel het land uitgaat. Want iedereen die steelt, wordt volgens die vloek van hier weggevaagd. Zo wordt ook iedereen die vals zweert, van hier weggevaagd. 4. Ik breng die vloek tevoorschijn, zegt de HEERE van de legermachten. Hij zal komen in het huis van de dief en in het huis van wie vals zweert bij mijn naam. Hij zal daar midden in het huis overnachten en het verteren, met het houtwerk en de stenen. 5. De Engel die met mij sprak, kwam naar buiten en zei tegen mij: Kijk toch op en zie wat daar tevoorschijn komt. 6. Ik zei: Wat is dat? Hij zei: Dat is een grote korenmand die tevoorschijn komt. Verder zei Hij: Dat is hun schuld in heel het land. 7. En kijk, er werd een deksel van lood opgetild en er zat een vrouw in de mand. 8. Hij zei: Dit is de goddeloosheid. Hij gooide haar terug in de mand en wierp het loden deksel op de opening. 9. Ik keek op en zag, en kijk, twee vrouwen kwamen tevoorschijn. De wind stond in hun vleugels; zij hadden vleugels als een ooievaar. Zij tilden de mand op tussen aarde en hemel. 10. Toen zei ik tegen de Engel die met mij sprak: Waar brengen zij die mand heen? 11. Hij zei tegen mij: Om er een huis voor te bouwen in het land Sinear. Als dat klaar is, zal zij daar op haar voetstuk gezet worden. ## Zacharia 6 — De vier wagens en de kroon 1. Ik keek weer op en zag, en kijk, er kwamen vier wagens tevoorschijn tussen twee bergen. Die bergen waren van brons. 2. Voor de eerste wagen liepen rode paarden en voor de tweede wagen zwarte paarden. 3. Voor de derde wagen liepen witte paarden en voor de vierde wagen gevlekte, sterke paarden. 4. Ik vroeg de Engel die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heer? 5. De Engel antwoordde mij: Dit zijn de vier winden van de hemel. Zij gaan uit vanaf de plaats waar zij voor de Heer van heel de aarde stonden. 6. De wagen met de zwarte paarden gaat naar het land van het noorden. De witte paarden gaan daarachteraan. De gevlekte paarden gaan naar het land van het zuiden. 7. De sterke paarden gingen uit en wilden de aarde doorkruisen. Want Hij had gezegd: Ga heen en doorkruis de aarde. En zij doorkruisten de aarde. 8. Hij riep mij en zei tegen mij: Kijk, de paarden die naar het noorden gaan, laten mijn Geest rusten in het land van het noorden. 9. Het woord van de HEERE kwam tot mij. 10. Neem gaven aan van de ballingen Cheldai, Tobia en Jedaja. Ga op die dag naar het huis van Josia, de zoon van Zefanja; zij zijn uit Babel gekomen. 11. Neem zilver en goud, maak een kroon en zet die op het hoofd van Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester. 12. Zeg tegen hem: dit zegt de HEERE van de legermachten. Kijk, er is een Man, wiens naam Spruit is. Hij zal uit Zijn plaats uitlopen en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen. 13. Ja, Hij zal de tempel van de HEERE bouwen. Hij zal met majesteit bekleed zijn en Hij zal zitten en heersen op Zijn troon. Hij zal priester zijn op Zijn troon. Tussen die twee ambten zal vrede zijn. 14. Die kroon zal in de tempel van de HEERE blijven als aandenken aan Chelem, Tobia, Jedaja en Chen, de zoon van Zefanja. 15. Mensen van ver zullen komen en meebouwen aan de tempel van de HEERE. Dan zullen jullie weten dat de HEERE van de legermachten mij naar jullie gestuurd heeft. Dit zal gebeuren als jullie goed luisteren naar de stem van de HEERE, jullie God. ## Zacharia 7 — Vasten of recht doen? 1. In het vierde jaar van koning Darius kwam het woord van de HEERE tot Zacharia. Dat was op de vierde dag van de negende maand, de maand Chisleu. 2. Men had Sarezer en Regem-Melech met hun mannen naar het huis van God gestuurd om de HEERE gunstig te stemmen. 3. Zij vroegen het aan de priesters en de profeten in het huis van de HEERE. Moet ik in de vijfde maand huilen en vasten, zoals ik al jaren doe? 4. Toen kwam het woord van de HEERE van de legermachten tot mij. 5. Zeg tegen heel het volk van het land en tegen de priesters. Jullie vastten en rouwden in de vijfde en de zevende maand, deze zeventig jaar. Hebben jullie toen echt voor mij gevast? 6. En als jullie aten en dronken, waren jullie het dan niet zelf die aten en dronken? 7. Zijn dit niet de woorden die de HEERE riep door de vroegere profeten? Toen was Jeruzalem nog bewoond en rustig, met de steden eromheen. Ook het zuiden en de laagte waren bewoond. 8. Verder kwam het woord van de HEERE tot Zacharia. 9. Dit zei de HEERE van de legermachten: spreek eerlijk recht. Toon trouw en barmhartigheid aan elkaar. 10. Onderdruk de weduwe en de wees niet, en ook de vreemdeling en de arme niet. Bedenk in je hart geen kwaad tegen elkaar. 11. Maar zij weigerden te luisteren. Zij draaiden hun rug toe en stopten hun oren dicht, zodat zij niets hoorden. 12. Zij maakten hun hart hard als diamant, zodat zij de wet niet hoorden. Zij hoorden ook de woorden niet die de HEERE door Zijn Geest stuurde, door de vroegere profeten. Daardoor kwam er een grote toorn van de HEERE van de legermachten. 13. Daarom gebeurde het zo: Hij riep en zij luisterden niet. Zo riepen zij ook, maar ik luisterde niet, zegt de HEERE van de legermachten. 14. Ik heb hen weggeblazen naar alle volken die zij niet kenden. Het land bleef achter hen verwoest, zodat niemand er nog doorheen trok. Zo maakten zij het mooie land tot een woestenij. ## Zacharia 8 — Oude mensen op de pleinen van Jeruzalem 1. Daarna kwam het woord van de HEERE van de legermachten tot mij. 2. Dit zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb het hartstochtelijk opgenomen voor Sion. Ja, met grote woede heb ik het voor haar opgenomen. 3. Dit zegt de HEERE: ik ben teruggekeerd naar Sion en ik zal midden in Jeruzalem wonen. Jeruzalem zal de stad van de waarheid genoemd worden, en de berg van de HEERE van de legermachten de heilige berg. 4. Dit zegt de HEERE van de legermachten: er zullen weer oude mannen en oude vrouwen op de pleinen van Jeruzalem zitten. Ieder zal een stok in zijn hand hebben door zijn hoge leeftijd. 5. De pleinen van de stad zullen vol zijn van jongens en meisjes die op de pleinen spelen. 6. Dit zegt de HEERE van de legermachten: dit lijkt wonderlijk in de ogen van wie er in deze dagen van dit volk over zijn. Zou het daarom ook in mijn ogen wonderlijk zijn, zegt de HEERE van de legermachten? 7. Dit zegt de HEERE van de legermachten. Kijk, ik zal mijn volk redden uit het land waar de zon opkomt en uit het land waar zij ondergaat. 8. Ik zal hen hierheen brengen en zij zullen midden in Jeruzalem wonen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn, in trouw en gerechtigheid. 9. Dit zegt de HEERE van de legermachten: laat je handen sterk zijn. Jullie horen in deze dagen deze woorden uit de mond van de profeten. Zij spraken toen het fundament van het huis van de HEERE van de legermachten gelegd werd, zodat de tempel gebouwd zou worden. 10. Want voor die dagen was er geen loon voor de mensen en geen opbrengst van het vee. Wie uitging en wie binnenkwam, had geen rust door de vijand. Want ik zette alle mensen tegen elkaar op. 11. Maar nu zal ik niet meer zo zijn tegen wie er van dit volk over zijn. Het wordt anders dan in vroeger dagen, zegt de HEERE van de legermachten. 12. Want het zaad zal goed opkomen. De wijnstok zal zijn vrucht geven, de aarde haar opbrengst en de hemel zijn dauw. Ik zal dit alles laten erven door wie er van dit volk over zijn. 13. Jullie waren een vloek onder de volken, volk van Juda en volk van Israël. Maar ik zal jullie redden en jullie zullen een zegen zijn. Wees niet bang; laat je handen sterk zijn. 14. Want dit zegt de HEERE van de legermachten. Ik was van plan jullie kwaad te doen toen jullie vaderen mij zwaar tergden. Ik kreeg er geen spijt van, zegt de HEERE van de legermachten. 15. Zo ben ik in deze dagen van plan Jeruzalem en het volk van Juda goed te doen. Wees niet bang. 16. Dit zijn de dingen die jullie moeten doen. Spreek de waarheid tegen elkaar. Spreek in jullie poorten een eerlijk oordeel dat vrede brengt. 17. Bedenk in je hart geen kwaad tegen elkaar en houd niet van een valse eed. Want dit alles haat ik, zegt de HEERE. 18. Opnieuw kwam het woord van de HEERE van de legermachten tot mij. 19. Dit zegt de HEERE van de legermachten. Het vasten van de vierde, de vijfde, de zevende en de tiende maand wordt anders. Het zal voor het volk van Juda een tijd van vreugde en blijdschap worden, met vrolijke feesten. Heb dan de waarheid en de vrede lief. 20. Dit zegt de HEERE van de legermachten: er zullen nog volken komen en bewoners van veel steden. 21. De bewoners van de ene stad zullen naar de andere gaan. Zij zullen zeggen: laten wij snel gaan om de HEERE gunstig te stemmen en Hem te zoeken. Ik ga ook. 22. Zo zullen veel volken en machtige naties komen om de HEERE van de legermachten in Jeruzalem te zoeken en om Hem gunstig te stemmen. 23. Dit zegt de HEERE van de legermachten. In die dagen zullen tien mannen uit allerlei talen van de volken de punt vastgrijpen van de mantel van een Judeeër. Zij zullen zeggen: wij gaan met jullie mee, want wij hebben gehoord dat God met jullie is. ## Zacharia 9 — Je Koning komt naar je toe 1. De last van het woord van de HEERE over het land Chadrach en over Damaskus, waar het rust. Want de HEERE heeft een oog op de mensen en op alle stammen van Israël. 2. Ook Hamath, dat eraan grenst, en Tyrus en Sidon, hoe wijs zij ook zijn. 3. Tyrus heeft een vesting voor zichzelf gebouwd. Zij heeft zilver opgestapeld als stof en fijn goud als modder op straat. 4. Kijk, de Heer zal haar bezit afnemen. Hij zal haar macht op zee verslaan en zij zal door vuur verteerd worden. 5. Askelon zal het zien en bang worden. Zo ook Gaza, dat hevige pijn zal lijden, en Ekron, want zijn hoop is beschaamd. De koning zal uit Gaza verdwijnen en Askelon zal onbewoond blijven. 6. Een bastaardvolk zal in Asdod wonen. Ik zal de trots van de Filistijnen uitroeien. 7. Ik zal het bloed uit zijn mond weghalen en zijn gruwelen tussen zijn tanden vandaan. Dan zal ook hij overblijven voor onze God. Hij zal zijn als een stamhoofd in Juda en Ekron als een Jebusiet. 8. Ik zal mij als een wacht rond mijn huis legeren tegen het leger, tegen wie voorbijtrekt en wie terugkomt. Geen onderdrukker zal meer bij hen langskomen, want nu heb ik het met eigen ogen gezien. 9. Juich luid, dochter van Sion! Juich, dochter van Jeruzalem! Kijk, je Koning komt naar je toe. Hij is rechtvaardig en Hij redt. Hij is nederig en rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin. 10. Ik zal de wagens uit Efraïm uitroeien en de paarden uit Jeruzalem. Ook de strijdboog zal uitgeroeid worden. Hij zal vrede spreken tot de volken. Zijn heerschappij zal gaan van zee tot zee en van de rivier tot de einden van de aarde. 11. En jij, Sion, door het bloed van jouw verbond heb ik je gevangenen bevrijd uit de put waar geen water in is. 12. Keer terug naar de vesting, gevangenen die hoop hebben. Ook vandaag kondig ik aan dat ik je dubbel zal teruggeven. 13. Want ik span Juda als mijn boog en leg Efraïm erop als pijl. Ik zal je zonen, Sion, opzetten tegen je zonen, Griekenland. Ik zal je maken tot het zwaard van een held. 14. De HEERE zal boven hen verschijnen. Zijn pijlen zullen uitgaan als de bliksem. De Heere HEERE zal op de ramshoorn blazen en optrekken in de stormen van het zuiden. 15. De HEERE van de legermachten zal hen beschermen. Zij zullen eten en de slingerstenen vertrappen. Zij zullen drinken en rumoerig worden als van wijn. Zij zullen vol zijn als een offerschaal, als de hoeken van het altaar. 16. De HEERE, hun God, zal hen op die dag redden, want zij zijn de kudde van Zijn volk. Als edelstenen in een kroon zullen zij fonkelen boven Zijn land. 17. Hoe groot zal Zijn goedheid zijn en hoe groot Zijn schoonheid! Het koren zal de jonge mannen doen bloeien en de nieuwe wijn de jonge vrouwen. ## Zacharia 10 — Ik zal hen sterk maken 1. Vraag de HEERE om regen in de tijd van de late regen. De HEERE maakt onweerswolken. Hij zal hun regen genoeg geven voor elk gewas op het veld. 2. Want de huisgoden spreken bedrog en de waarzeggers zien leugens. Zij vertellen loze dromen en troosten met niets. Daarom trokken zij weg als schapen en werden zij onderdrukt, want er was geen herder. 3. Tegen de herders is mijn toorn ontbrand en de bokken zal ik straffen. Maar de HEERE van de legermachten zal naar Zijn kudde omzien, het volk van Juda. Hij zal hen maken als Zijn prachtige strijdros. 4. Uit hen komt de hoeksteen, uit hen de tentpin, uit hen de strijdboog. Uit hen komt elke leider tevoorschijn. 5. Zij zullen zijn als helden die in de strijd door de modder van de straten trappen. Zij zullen strijden, want de HEERE is met hen. Zij zullen de ruiters op paarden beschamen. 6. Ik zal het volk van Juda sterk maken en het volk van Jozef redden. Ik zal hen terugbrengen, want ik heb medelijden met hen. Zij zullen zijn alsof ik hen nooit verstoten had. Want ik ben de HEERE, hun God, en ik zal hen verhoren. 7. Efraïm zal zijn als een held. Hun hart zal blij zijn als van wijn. Hun kinderen zullen het zien en blij zijn. Hun hart zal juichen in de HEERE. 8. Ik zal naar hen fluiten en hen bijeenbrengen, want ik heb hen vrijgekocht. Zij zullen weer zo talrijk worden als vroeger. 9. Ik zal hen onder de volken zaaien. In verre landen zullen zij aan mij denken. Zij zullen met hun kinderen in leven blijven en terugkeren. 10. Want ik zal hen terugbrengen uit Egypte en hen verzamelen uit Assur. Ik zal hen naar het land Gilead en de Libanon brengen, en er zal niet eens genoeg plaats voor hen zijn. 11. Hij zal door de zee van benauwdheid gaan. Hij zal de golven in de zee slaan en alle diepten van de Nijl zullen opdrogen. De trots van Assur zal neergehaald worden en de scepter van Egypte zal verdwijnen. 12. Ik zal hen sterk maken in de HEERE. In Zijn naam zullen zij hun weg gaan, zegt de HEERE. ## Zacharia 11 — De twee stokken van de herder 1. Open je deuren, Libanon, zodat het vuur je ceders verteert. 2. Jammer, cipressen, want de ceders zijn gevallen; de machtige bomen zijn verwoest. Jammer, eiken van Basan, want het dichte woud is omgehakt. 3. Hoor het gejammer van de herders, want hun weide is verwoest. Hoor het gebrul van de jonge leeuwen, want de trots van de Jordaan is verwoest. 4. Dit zegt de HEERE, mijn God: Weid de schapen die geslacht zullen worden. 5. Hun kopers doden hen en voelen zich niet schuldig. Wie ze verkopen, zeggen: geprezen zij de HEERE, ik ben rijk geworden! En hun eigen herders sparen hen niet. 6. Zeker, ik zal de bewoners van dit land niet meer sparen, zegt de HEERE. Kijk, ik zal de mensen overleveren, ieder in de hand van zijn naaste en in de hand van zijn koning. Zij zullen het land verbrijzelen en ik zal hen niet uit hun hand redden. 7. Daarom weidde ik de schapen die geslacht zouden worden, de ellendige schapen. Ik nam twee stokken. De ene noemde ik Vriendelijkheid en de andere noemde ik Verbondenheid. Zo weidde ik de schapen. 8. In één maand verwijderde ik drie herders. Ik was hen moe geworden en zij hadden een afkeer van mij. 9. Ik zei: Ik zal jullie niet meer weiden. Wat sterft, sterft. Wat verloren gaat, gaat verloren. En laten wie overblijven elkaar maar verslinden. 10. Ik nam mijn stok Vriendelijkheid en brak hem, om mijn verbond te verbreken dat ik met alle volken gesloten had. 11. Op die dag werd het verbroken. Zo wisten de ellendige schapen die op mij letten, dat dit het woord van de HEERE was. 12. Want ik had tegen hen gezegd: Als het goed is in jullie ogen, geef mij dan mijn loon. En zo niet, laat het dan. Toen wogen zij mijn loon af: dertig zilverstukken. 13. Maar de HEERE zei tegen mij: Gooi het naar de pottenbakker. Wat een prachtige prijs waarop zij mij geschat hebben! Ik nam die dertig zilverstukken en gooide ze in het huis van de HEERE, naar de pottenbakker. 14. Toen brak ik mijn tweede stok, Verbondenheid, om de verbondenheid tussen Juda en Israël te verbreken. 15. Verder zei de HEERE tegen mij: Neem nog eens de uitrusting van een dwaze herder. 16. Want kijk, ik zal een herder laten opstaan in dit land. Wat verloren dreigt te gaan, zal hij niet opzoeken. Het jonge dier zal hij niet zoeken en het gewonde zal hij niet verzorgen. Wie stilstaat, zal hij niet dragen. Maar het vlees van de vette dieren zal hij eten en hun hoeven zal hij afrukken. 17. Wee de waardeloze herder die de kudde in de steek laat. Het zwaard zal zijn arm treffen en zijn rechteroog. Zijn arm zal helemaal verdorren en zijn rechteroog zal helemaal donker worden. ## Zacharia 12 — Zij zullen kijken naar wie zij doorstoken hebben 1. De last van het woord van de HEERE over Israël. Zo spreekt de HEERE, die de hemel uitspant, de aarde grondvest en de geest van de mens in zijn binnenste vormt. 2. Kijk, ik zal Jeruzalem maken tot een beker die alle volken rondom laat wankelen. Ook Juda zal dat overkomen bij het beleg van Jeruzalem. 3. Op die dag zal ik Jeruzalem maken tot een zware steen voor alle volken. Iedereen die hem optilt, zal zich verwonden. Alle volken van de aarde zullen zich tegen haar verzamelen. 4. Op die dag, zegt de HEERE, zal ik alle paarden met paniek slaan en hun ruiters met waanzin. Maar over het volk van Juda zal ik mijn ogen openen. Alle paarden van de volken zal ik met blindheid slaan. 5. Dan zullen de leiders van Juda in hun hart zeggen: de bewoners van Jeruzalem zijn mijn kracht door de HEERE van de legermachten, hun God. 6. Op die dag zal ik de leiders van Juda maken als een vuurpan onder het hout en als een brandende fakkel tussen de schoven. Zij zullen links en rechts alle volken rondom verteren. Maar Jeruzalem zal op haar eigen plaats blijven staan. 7. De HEERE zal eerst de tenten van Juda redden. Zo zal de trots van het huis van David en van de bewoners van Jeruzalem zich niet verheffen boven Juda. 8. Op die dag zal de HEERE de bewoners van Jeruzalem beschermen. Wie onder hen struikelt, zal op die dag zijn als David. En het huis van David zal zijn als God, als de Engel van de HEERE voor hen uit. 9. Op die dag zal ik alle volken die tegen Jeruzalem optrekken, willen vernietigen. 10. Maar over het huis van David en over de bewoners van Jeruzalem zal ik de Geest van genade en van gebeden uitgieten. Zij zullen naar mij kijken, naar Hem die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouwen als over een enige zoon en bitter om Hem huilen als om een eerstgeborene. 11. Op die dag zal de rouw in Jeruzalem groot zijn, als de rouw om Hadad-Rimmon in het dal van Megiddo. 12. Het land zal rouwen, elke familie apart. De familie van het huis van David apart en hun vrouwen apart. De familie van het huis van Nathan apart en hun vrouwen apart. 13. De familie van het huis van Levi apart en hun vrouwen apart. De familie van Simeï apart en hun vrouwen apart. 14. Alle andere families, elke familie apart en hun vrouwen apart. ## Zacharia 13 — Een bron tegen de zonde 1. Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de bewoners van Jeruzalem. Die bron is tegen de zonde en de onreinheid. 2. Op die dag, zegt de HEERE van de legermachten, zal ik de namen van de afgoden uit het land uitroeien. Men zal ze niet meer noemen. Ook de profeten en de onreine geest zal ik uit het land wegdoen. 3. Als iemand dan nog profeteert, zullen zijn eigen ouders tegen hem zeggen: je mag niet blijven leven. Want je hebt leugens gesproken in de naam van de HEERE. Zijn eigen vader en moeder zullen hem doorsteken als hij profeteert. 4. Op die dag zullen de profeten zich schamen voor hun eigen visioen als zij profeteren. Zij zullen geen ruwe mantel meer aandoen om te bedriegen. 5. Maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet. Ik ben een boer, want een mens heeft mij van jongs af aan als knecht gekocht. 6. Iemand zal tegen hem zeggen: wat zijn dat voor wonden tussen je handen? Dan zal hij zeggen: die heb ik opgelopen in het huis van mijn vrienden. 7. Zwaard, word wakker tegen mijn Herder en tegen de Man die mijn metgezel is, zegt de HEERE van de legermachten. Sla de Herder en de schapen zullen verstrooid worden. Maar mijn hand zal ik naar de kleinen keren. 8. In heel het land, zegt de HEERE, zullen twee delen uitgeroeid worden en sterven. Maar het derde deel zal daarin overblijven. 9. Dat derde deel zal ik in het vuur brengen. Ik zal het louteren zoals men zilver loutert en het beproeven zoals men goud beproeft. Het zal mijn naam aanroepen en ik zal het verhoren. Ik zal zeggen: dit is mijn volk. En het zal zeggen: de HEERE is mijn God. ## Zacharia 14 — De HEERE zal Koning zijn over heel de aarde 1. Kijk, er komt een dag voor de HEERE waarop de buit uit jou midden onder jou verdeeld zal worden, Jeruzalem. 2. Want ik zal alle volken tegen Jeruzalem verzamelen voor de strijd. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd worden en de vrouwen onteerd. De helft van de stad zal in ballingschap gaan, maar de rest van het volk zal niet uit de stad uitgeroeid worden. 3. Dan zal de HEERE uittrekken en strijden tegen die volken, zoals Hij streed op de dag van de strijd. 4. Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die tegenover Jeruzalem ligt, aan de oostkant. De Olijfberg zal in tweeën splijten, naar het oosten en naar het westen, zodat er een heel groot dal ontstaat. De ene helft van de berg zal naar het noorden wijken en de andere helft naar het zuiden. 5. Dan zullen jullie vluchten door het dal tussen mijn bergen, want dat dal zal reiken tot Azal. Jullie zullen vluchten zoals jullie vluchtten voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen, met al de heiligen bij U, HEERE. 6. Op die dag zal er geen helder licht zijn, maar ook geen dikke duisternis. 7. Het zal één bijzondere dag zijn, bekend bij de HEERE. Het zal geen dag en geen nacht zijn. Maar tegen de avond zal er licht zijn. 8. Op die dag zal er levend water uit Jeruzalem stromen. De ene helft gaat naar de oostelijke zee en de andere helft naar de westelijke zee. Het zal er zomer en winter zijn. 9. De HEERE zal Koning zijn over heel de aarde. Op die dag zal de HEERE één zijn en Zijn naam één. 10. Heel het land zal een vlakte worden, van Geba tot Rimmon, ten zuiden van Jeruzalem. Maar Jeruzalem zal hoog liggen en bewoond blijven op haar eigen plaats. Zij ligt van de Benjaminpoort tot waar de eerste poort was, tot aan de Hoekpoort. Zij loopt van de toren van Hananeël tot aan de perskuipen van de koning. 11. Men zal erin wonen en er zal geen ban meer zijn. Jeruzalem zal veilig wonen. 12. Dit zal de plaag zijn waarmee de HEERE alle volken zal slaan die tegen Jeruzalem gestreden hebben. Hun vlees zal wegteren terwijl zij nog op hun voeten staan. Hun ogen zullen wegteren in hun kassen en hun tong in hun mond. 13. Op die dag zal er een grote paniek van de HEERE onder hen zijn. Ieder zal de hand van zijn naaste grijpen en zijn hand tegen de hand van zijn naaste opheffen. 14. Ook Juda zal in Jeruzalem strijden. De rijkdom van alle volken rondom zal verzameld worden: goud, zilver en kleren in grote hoeveelheden. 15. Dezelfde plaag zal ook de paarden, de muildieren, de kamelen, de ezels en alle dieren treffen die in die legerkampen zijn. 16. Wie er van alle volken die tegen Jeruzalem gekomen zijn overblijven, zullen elk jaar optrekken. Zij komen om de Koning te aanbidden, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren. 17. Een volk van de aarde trekt misschien niet op naar Jeruzalem om de Koning te aanbidden, de HEERE van de legermachten. Dan zal er geen regen voor hen zijn. 18. Als het volk van Egypte niet optrekt en niet komt, dan zal ook hen die plaag treffen. Zo slaat de HEERE de volken die niet optrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. 19. Dit zal de straf zijn voor Egypte en de straf voor alle volken die niet optrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. 20. Op die dag zal op de bellen van de paarden staan: HEILIG VOOR DE HEERE. De potten in het huis van de HEERE zullen zijn als de sprengschalen voor het altaar. 21. Ja, alle potten in Jeruzalem en in Juda zullen heilig zijn voor de HEERE van de legermachten. Iedereen die wil offeren, zal komen en er een nemen om erin te koken. Op die dag zal er geen handelaar meer zijn in het huis van de HEERE van de legermachten. ## Maleachi 1 — Ik heb jullie liefgehad 1. De last van het woord van de HEERE aan Israël, door Maleachi. 2. Ik heb jullie liefgehad, zegt de HEERE. Maar jullie zeggen: waarin hebt U ons liefgehad? Was Ezau niet de broer van Jakob, zegt de HEERE? Toch heb ik Jakob liefgehad. 3. Maar Ezau heb ik gehaat. Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel aan de jakhalzen van de woestijn gegeven. 4. Edom zegt misschien: wij zijn verarmd, maar wij zullen de puinhopen weer opbouwen. Dan zegt de HEERE van de legermachten dit: zij mogen bouwen, maar ik zal afbreken. Men zal hen noemen: gebied van goddeloosheid, het volk op wie de HEERE voor altijd boos is. 5. Jullie ogen zullen het zien en jullie zullen zeggen: de HEERE is groot, tot ver buiten het gebied van Israël. 6. Een zoon eert zijn vader en een dienaar zijn heer. Als ik dan een Vader ben, waar is dan mijn eer? En als ik een Heer ben, waar is dan het ontzag voor mij? Dat zegt de HEERE van de legermachten tegen jullie, priesters, die mijn naam verachten. Maar jullie zeggen: waarmee verachten wij Uw naam? 7. Jullie brengen onrein brood op mijn altaar en zeggen: waarmee maken wij U onrein? Daarmee dat jullie zeggen: de tafel van de HEERE is niet belangrijk. 8. Als jullie een blind dier brengen om te offeren, is dat niet erg? En als jullie een kreupel of ziek dier brengen, is dat niet erg? Bied het eens aan je gouverneur aan. Zou hij blij met je zijn? Zou hij je vriendelijk ontvangen? Dat zegt de HEERE van de legermachten. 9. Smeek nu toch bij God om genade voor ons. Dit is door jullie handen gebeurd. Zou Hij jullie dan vriendelijk ontvangen? Dat zegt de HEERE van de legermachten. 10. Was er onder jullie maar iemand die de deuren sloot, zodat jullie niet voor niets het vuur op mijn altaar aanstaken. Ik heb geen vreugde in jullie, zegt de HEERE van de legermachten. Een graanoffer uit jullie hand neem ik niet aan. 11. Want van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, zal mijn naam groot zijn onder de volken. Op elke plaats zal men mijn naam wierook brengen en een rein graanoffer. Want mijn naam zal groot zijn onder de volken, zegt de HEERE van de legermachten. 12. Maar jullie ontheiligen hem door te zeggen: de tafel van de HEERE is onrein en wat zij opbrengt, is niets waard. 13. Jullie zeggen ook: wat een last! En jullie blazen er minachtend over, zegt de HEERE van de legermachten. Jullie brengen geroofd, kreupel en ziek vee en dat brengen jullie als graanoffer. Zou ik dat aannemen uit jullie hand, zegt de HEERE? 14. Vervloekt is de bedrieger die een gaaf mannetje in zijn kudde heeft. Hij belooft het aan de Heere, maar offert iets wat gebrekkig is. Want ik ben een grote Koning, zegt de HEERE van de legermachten, en mijn naam is ontzagwekkend onder de volken. ## Maleachi 2 — Het verbond met Levi 1. En nu, priesters, dit gebod is voor jullie. 2. Luister en neem het ter harte om mijn naam eer te geven, zegt de HEERE van de legermachten. Doen jullie dat niet, dan stuur ik de vloek naar jullie. Ik zal jullie zegeningen vervloeken. Ja, ik heb ze al vervloekt, omdat jullie het niet ter harte nemen. 3. Kijk, ik zal jullie nageslacht bedreigen. Ik zal jullie mest in het gezicht strooien, de mest van jullie feesten. Men zal jullie ermee wegdragen. 4. Dan zullen jullie weten dat ik dit gebod naar jullie gestuurd heb. Zo blijft mijn verbond met Levi bestaan, zegt de HEERE van de legermachten. 5. Mijn verbond met hem was leven en vrede. Ik gaf hem die, zodat hij ontzag zou hebben. En hij had ontzag voor mij; voor mijn naam was hij vol eerbied. 6. Betrouwbaar onderwijs was in zijn mond en geen onrecht werd op zijn lippen gevonden. In vrede en oprechtheid ging hij met mij mee en velen bracht hij terug van hun schuld. 7. Want de lippen van de priester moeten kennis bewaren. Uit zijn mond zoekt men onderwijs, want hij is een bode van de HEERE van de legermachten. 8. Maar jullie zijn van de weg afgeweken. Jullie hebben velen laten struikelen door je onderwijs. Jullie hebben het verbond met Levi bedorven, zegt de HEERE van de legermachten. 9. Daarom heb ik jullie ook veracht en waardeloos gemaakt voor heel het volk. Want jullie houden mijn wegen niet en jullie kijken bij het onderwijs naar de persoon. 10. Hebben wij niet allemaal één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom zijn wij dan ontrouw aan elkaar en ontheiligen wij het verbond van onze vaderen? 11. Juda is ontrouw en er gebeurt iets afschuwelijks in Israël en in Jeruzalem. Want Juda ontheiligt het heiligdom van de HEERE, waar Hij van houdt. Hij is getrouwd met de dochter van een vreemde god. 12. De HEERE zal de man die dit doet uitroeien uit de tenten van Jakob. Dat geldt ook als hij een graanoffer aan de HEERE van de legermachten brengt. 13. En dit doen jullie ook. Jullie bedekken het altaar van de HEERE met tranen, met huilen en met gekreun. Daarom kijkt Hij niet meer naar het graanoffer en neemt Hij het niet meer met vreugde uit jullie hand aan. 14. Jullie zeggen: waarom dan? Omdat de HEERE getuige was tussen jou en de vrouw van je jeugd. Jij bent haar ontrouw geweest, terwijl zij jouw gezellin is en de vrouw van jouw verbond. 15. Heeft Hij hen niet tot één gemaakt, met geest en al? En waarom die ene? Hij zocht nageslacht van God. Let dus op jezelf en wees niet ontrouw aan de vrouw van je jeugd. 16. Want de HEERE, de God van Israël, zegt dat Hij het wegsturen haat en dat geweld iemands kleed bedekt, zegt de HEERE van de legermachten. Let dus op jezelf en wees niet ontrouw. 17. Jullie vermoeien de HEERE met jullie woorden. Toch zeggen jullie: waarmee vermoeien wij Hem? Daarmee dat jullie zeggen: iedereen die kwaad doet, is goed in de ogen van de HEERE en Hij is blij met hen. Of: waar is de God van het recht? ## Maleachi 3 — De bode die de weg bereidt 1. Kijk, ik stuur mijn bode. Hij zal de weg voor mij bereiden. Plotseling zal de Heer naar Zijn tempel komen, die jullie zoeken. Hij is de Engel van het verbond, naar wie jullie verlangen. Kijk, Hij komt, zegt de HEERE van de legermachten. 2. Maar wie kan de dag van Zijn komst verdragen? Wie kan standhouden als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een smid en als de zeep van een wolwasser. 3. Hij zal gaan zitten om te louteren en zilver te reinigen. Hij zal de Levieten reinigen en hen louteren als goud en zilver. Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid. 4. Dan zal het graanoffer van Juda en Jeruzalem de HEERE bevallen, zoals in de dagen van vroeger en zoals in vroegere jaren. 5. Ik zal naar jullie toe komen om te oordelen. Ik zal een snelle getuige zijn tegen de tovenaars en de overspeligen, tegen wie vals zweren en wie het loon van een dagloner inhouden. Ook tegen wie de weduwe, de wees en de vreemdeling hun recht ontnemen en geen ontzag voor mij hebben, zegt de HEERE van de legermachten. 6. Want ik, de HEERE, verander niet. Daarom zijn jullie, kinderen van Jakob, niet vernietigd. 7. Vanaf de dagen van jullie vaderen zijn jullie afgeweken van mijn regels en hebben jullie ze niet gehouden. Kom terug naar mij, dan zal ik naar jullie terugkomen, zegt de HEERE van de legermachten. Maar jullie zeggen: hoe moeten wij terugkomen? 8. Mag een mens God beroven? Toch beroven jullie mij. Jullie zeggen: waarmee beroven wij U? Met de tienden en de offergaven. 9. Jullie zijn met een vloek vervloekt, want jullie beroven mij, heel het volk. 10. Breng alle tienden naar het voorraadhuis, zodat er voedsel in mijn huis is. Stel mij daarin op de proef, zegt de HEERE van de legermachten. Dan zal ik de vensters van de hemel voor jullie openen en zegen uitgieten, meer dan genoeg. 11. Ik zal om jullie de vreter bestraffen, zodat hij de opbrengst van het land niet vernielt. De wijnstok op het veld zal zijn vrucht niet laten vallen, zegt de HEERE van de legermachten. 12. Alle volken zullen jullie gelukkig noemen. Want jullie zullen een land zijn waar men graag is, zegt de HEERE van de legermachten. 13. Jullie woorden tegen mij zijn hard geworden, zegt de HEERE. Toch zeggen jullie: wat hebben wij dan tegen U gezegd? 14. Jullie zeggen: het is zinloos om God te dienen. Wat levert het op dat wij Zijn dienst waarnemen en dat wij in rouwkleren lopen voor het gezicht van de HEERE van de legermachten? 15. En nu noemen wij de hoogmoedigen gelukkig. Wie goddeloos leven, worden opgebouwd. Zij stellen God op de proef en toch ontkomen zij. 16. Toen spraken zij die ontzag hebben voor de HEERE met elkaar. De HEERE lette erop en hoorde het. Er werd een gedenkboek voor Zijn gezicht geschreven voor wie ontzag hebben voor de HEERE en aan Zijn naam denken. 17. Op de dag die ik maken zal, zullen zij mijn eigendom zijn, zegt de HEERE van de legermachten. Ik zal hen sparen zoals een man zijn zoon spaart die hem dient. 18. Dan zullen jullie weer het verschil zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen wie God dient en wie Hem niet dient. ## Maleachi 4 — De Zon van de gerechtigheid 1. Want kijk, die dag komt, brandend als een oven. Alle hoogmoedigen en iedereen die goddeloos leeft, zullen stoppels zijn. De dag die komt, zal hen in vlam zetten, zegt de HEERE van de legermachten. Hij zal hun wortel noch tak overlaten. 2. Maar voor jullie die ontzag hebben voor mijn naam, zal de Zon van de gerechtigheid opgaan. Er zal genezing zijn onder Zijn vleugels. Jullie zullen naar buiten gaan en opspringen als kalveren uit de stal. 3. Jullie zullen de goddelozen vertrappen. Zij zullen as zijn onder jullie voetzolen, op de dag die ik maken zal, zegt de HEERE van de legermachten. 4. Denk aan de wet van Mozes, mijn knecht, die ik hem bij de Horeb voor heel Israël bevolen heb, met de regels en de bepalingen. 5. Kijk, ik stuur de profeet Elia naar jullie toe, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de HEERE komt. 6. Hij zal het hart van de vaderen naar de kinderen terugbrengen en het hart van de kinderen naar hun vaderen. Anders zou ik moeten komen en het land met de ban slaan. ## Mattheüs 1 — Jezus' afkomst en geboorte 1. Dit is het geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David en de zoon van Abraham. 2. Abraham was de vader van Izak. Izak was de vader van Jakob. Jakob was de vader van Juda en zijn broers. 3. Juda was bij Thamar de vader van Fares en Zara. Fares was de vader van Esrom. Esrom was de vader van Aram. 4. Aram was de vader van Aminadab. Aminadab was de vader van Nahasson. Nahasson was de vader van Salmon. 5. Salmon was bij Rachab de vader van Booz. Booz was bij Ruth de vader van Obed. Obed was de vader van Jessai. 6. Jessai was de vader van koning David. David was bij de vrouw die met Uria getrouwd was geweest de vader van Salomon. 7. Salomon was de vader van Roboam. Roboam was de vader van Abia. Abia was de vader van Asa. 8. Asa was de vader van Josafat. Josafat was de vader van Joram. Joram was de vader van Ozias. 9. Ozias was de vader van Joatham. Joatham was de vader van Achaz. Achaz was de vader van Ezekias. 10. Ezekias was de vader van Manasse. Manasse was de vader van Amon. Amon was de vader van Josias. 11. Josias was de vader van Jechonias en zijn broers, rond de tijd van de wegvoering naar Babylon. 12. Na de wegvoering naar Babylon was Jechonias de vader van Salathiël. Salathiël was de vader van Zorobabel. 13. Zorobabel was de vader van Abiud. Abiud was de vader van Eljakim. Eljakim was de vader van Azor. 14. Azor was de vader van Sadok. Sadok was de vader van Achim. Achim was de vader van Elihud. 15. Elihud was de vader van Eleazar. Eleazar was de vader van Matthan. Matthan was de vader van Jakob. 16. Jakob was de vader van Jozef, de man van Maria. Uit Maria werd Jezus geboren, die Christus wordt genoemd. 17. Er waren dus veertien generaties van Abraham tot David, veertien van David tot de wegvoering naar Babylon en veertien van toen tot Christus. 18. De geboorte van Jezus Christus verliep zo. Zijn moeder Maria was met Jozef verloofd. Voordat zij als echtpaar gingen samenleven, bleek zij zwanger te zijn door de Heilige Geest. 19. Jozef, haar man, was rechtvaardig en wilde haar niet openlijk te schande maken. Daarom besloot hij in stilte van haar te scheiden. 20. Terwijl hij hierover nadacht, verscheen de engel van de Heere in een droom aan hem. Hij zei: Jozef, zoon van David, wees niet bang om Maria als je vrouw bij je te nemen. Het kind dat zij verwacht, is ontstaan door de Heilige Geest. 21. Zij zal een zoon krijgen. Geef Hem de naam Jezus, want Hij zal Zijn volk redden van hun zonden. 22. Dit alles gebeurde, zodat vervuld werd wat de Heere door de profeet had gezegd: 23. De maagd zal zwanger worden en een zoon krijgen. Men zal Hem Immanuël noemen. Die naam betekent: God met ons. 24. Toen Jozef wakker werd, deed hij wat de engel van de Heere hem had opgedragen. Hij nam Maria bij zich als zijn vrouw. 25. Voor de geboorte van haar eerstgeboren zoon had hij geen gemeenschap met haar. Jozef gaf Hem de naam Jezus. ## Mattheüs 2 — Wijzen uit het Oosten en de vlucht naar Egypte 1. Jezus werd geboren in Bethlehem in Judea, in de tijd van koning Herodes. Daarna kwamen enkele wijzen uit het Oosten in Jeruzalem aan. 2. Ze vroegen: Waar is het kind dat als koning van de Joden geboren is? Wij hebben Zijn ster in het Oosten gezien en zijn gekomen om Hem te aanbidden. 3. Toen koning Herodes dit hoorde, raakte hij onrustig. Heel Jeruzalem werd samen met hem onrustig. 4. Hij riep alle overpriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen en vroeg: Waar zal de Christus geboren worden? 5. Zij antwoordden hem: In Bethlehem in Judea, want de profeet heeft geschreven: 6. Bethlehem in het land Juda, je bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda. Uit jou zal een leider voortkomen die mijn volk Israël als herder zal leiden. 7. Toen riep Herodes de wijzen in het geheim bij zich. Hij vroeg hun precies wanneer de ster verschenen was. 8. Daarna stuurde hij hen naar Bethlehem en zei: Ga erheen en zoek zorgvuldig naar het kind. Stuur mij bericht zodra jullie het gevonden hebben, zodat ik het ook kan gaan aanbidden. 9. Nadat ze de koning hadden aangehoord, vertrokken ze. De ster die zij in het Oosten hadden gezien, ging voor hen uit en bleef boven de plaats staan waar het kind was. 10. Toen ze de ster zagen, waren ze buitengewoon blij. 11. Ze gingen het huis binnen en zagen het kind met Zijn moeder Maria. Ze knielden neer en aanbaden Hem. Daarna openden zij hun schatten en gaven Hem geschenken: goud, wierook en mirre. 12. In een droom waarschuwde God hen om niet naar Herodes terug te gaan. Daarom reisden ze via een andere route naar hun land terug. 13. Nadat zij vertrokken waren, verscheen de engel van de Heere in een droom aan Jozef. Hij zei: Sta op, neem het kind en Zijn moeder mee en vlucht naar Egypte. Blijf daar tot ik het je zeg. Herodes zal het kind namelijk zoeken om Hem te doden. 14. Jozef stond op, nam het kind en Zijn moeder diezelfde nacht mee en vertrok naar Egypte. 15. Jozef bleef daar tot Herodes stierf. Zo werd vervuld wat de Heere door de profeet had gezegd: Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen. 16. Toen Herodes merkte dat de wijzen hem voor de gek hadden gehouden, werd hij woedend. Hij liet alle kinderen van twee jaar en jonger in Bethlehem en de omgeving doden. Hij baseerde die leeftijd op het precieze tijdstip waarop de ster volgens de wijzen was verschenen. 17. Toen werd vervuld wat de profeet Jeremia had gezegd: 18. In Rama klinkt een stem: klagen, huilen en luid jammeren. Rachel huilt om haar kinderen en wil niet getroost worden, omdat zij er niet meer zijn. 19. Na de dood van Herodes verscheen de engel van de Heere in Egypte in een droom aan Jozef. 20. De engel zei: Sta op, neem het kind en Zijn moeder mee en ga naar het land Israël. De mensen die het kind wilden doden, zijn gestorven. 21. Jozef stond op, nam het kind en Zijn moeder mee en ging naar het land Israël. 22. Maar toen hij hoorde dat Archelaüs in Judea koning was in plaats van zijn vader Herodes, durfde hij daar niet heen te gaan. God waarschuwde hem in een droom. Daarna vertrok hij naar Galilea. 23. Daar ging hij wonen in de stad Nazareth. Zo werd vervuld wat de profeten hadden gezegd: Hij zal Nazarener genoemd worden. ## Mattheüs 3 — Johannes de Doper en de doop van Jezus 1. In die tijd kwam Johannes de Doper naar de woestijn van Judea. Daar begon hij te prediken: 2. Keer terug naar God, want het koninkrijk van de hemel is dichtbij. 3. Johannes was degene over wie de profeet Jesaja had gesproken. De profeet zei: Iemand roept in de woestijn: Maak de weg voor de Heere gereed en maak Zijn paden recht. 4. Johannes droeg kleren van kameelhaar en een leren gordel om zijn middel. Hij at sprinkhanen en wilde honing. 5. Mensen kwamen naar hem toe uit Jeruzalem, heel Judea en het hele gebied rond de Jordaan. 6. Zij lieten zich door hem dopen in de Jordaan en beleden hun zonden. 7. Veel Farizeeën en Sadduceeën kwamen naar Johannes om zich te laten dopen. Toen hij hen zag, zei hij: Addergebroed! Wie heeft jullie gewaarschuwd om voor de komende toorn te vluchten? 8. Breng vruchten voort die laten zien dat jullie echt tot inkeer zijn gekomen. 9. Denk niet dat jullie kunnen zeggen: Wij hebben Abraham als vader. Ik zeg jullie dat God zelfs uit deze stenen kinderen voor Abraham kan voortbrengen. 10. De bijl ligt al klaar bij de wortel van de bomen. Elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid. 11. Ik doop jullie met water als teken van bekering. Maar Hij die na mij komt, is machtiger dan ik. Ik ben het niet eens waard om Zijn sandalen te dragen. Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en met vuur. 12. Hij heeft Zijn wan al in de hand om graan en kaf te scheiden. Hij maakt Zijn dorsvloer helemaal schoon. Zijn tarwe verzamelt Hij in de schuur. Het kaf verbrandt Hij in vuur dat nooit uitgaat. 13. Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar Johannes bij de Jordaan om zich door hem te laten dopen. 14. Maar Johannes probeerde Hem tegen te houden. Hij zei: Ik moet door U gedoopt worden, en nu komt U naar mij? 15. Jezus antwoordde: Laat het nu toe. Want zo moeten wij alles doen wat recht is. Toen stemde Johannes ermee in. 16. Toen Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen uit het water. De hemel ging voor Hem open. Hij zag Gods Geest als een duif neerdalen en op Hem komen. 17. Toen klonk er een stem uit de hemel: Dit is mijn geliefde Zoon. In Hem vind ik vreugde! ## Mattheüs 4 — Jezus wordt verzocht en begint Zijn werk 1. Toen leidde de Geest Jezus de woestijn in, om daar door de duivel op de proef te worden gesteld. 2. Jezus vastte 40 dagen en 40 nachten. Daarna kreeg Hij honger. 3. De verleider kwam naar Hem toe en zei: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden moeten worden. 4. Maar Jezus antwoordde: Er staat geschreven: Een mens leeft niet alleen van brood, maar van elk woord dat uit Gods mond komt. 5. Daarna nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en zette Hem op het hoogste punt van de tempel. 6. De duivel zei tegen Hem: Als U Gods Zoon bent, spring dan naar beneden. Er staat immers geschreven: God zal Zijn engelen bevel geven om voor U te zorgen. Zij zullen U op hun handen dragen, zodat U Uw voet nooit aan een steen stoot. 7. Jezus antwoordde hem: Er staat ook geschreven: Stel de Heere, uw God, niet op de proef. 8. Daarna nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld en hun pracht zien. 9. Hij zei tegen Hem: Ik geef U dit alles als U voor mij neerknielt en mij aanbidt. 10. Toen zei Jezus tegen hem: Ga weg, satan! Want er staat geschreven: Aanbid de Heere, uw God, en dien Hem alleen. 11. Toen liet de duivel Hem met rust. Er kwamen engelen naar Jezus toe en zij dienden Hem. 12. Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, keerde Hij terug naar Galilea. 13. Hij verliet Nazareth en ging in Kapernaüm wonen. Die stad ligt aan het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali. 14. Zo ging in vervulling wat de profeet Jesaja had gezegd: 15. Land van Zebulon en land van Naftali, aan de weg naar de zee, aan de overkant van de Jordaan: Galilea van de volken. 16. Het volk dat in duisternis leefde, heeft een groot licht gezien. Voor de mensen in het land waar de schaduw van de dood hing, is een licht opgegaan. 17. Vanaf dat moment begon Jezus te prediken: Keer terug naar God, want het koninkrijk van de hemel is dichtbij. 18. Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag Hij twee broers. Simon, die Petrus werd genoemd, en zijn broer Andreas gooiden een net in het water. Zij waren vissers. 19. Hij zei tegen hen: Volg mij. Ik zal van jullie vissers van mensen maken. 20. Meteen lieten zij hun netten achter en volgden Hem. 21. Iets verder zag Hij twee andere broers: Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze zaten met hun vader Zebedeüs in de boot en herstelden hun netten. Jezus riep hen. 22. Meteen verlieten zij de boot en hun vader en volgden Hem. 23. Jezus trok door heel Galilea. Hij gaf onderwijs in hun synagogen en verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk. Hij genas elke ziekte en elke kwaal onder het volk. 24. Het nieuws over Hem verspreidde zich door heel Syrië. Mensen brachten iedereen bij Hem die ziek was of pijn leed. Ook brachten ze mensen die door de duivel bezeten waren, epileptische aanvallen hadden of verlamd waren. Hij genas hen allemaal. 25. Grote groepen mensen volgden Hem vanuit Galilea, Dekapolis, Jeruzalem, Judea en het gebied aan de overkant van de Jordaan. ## Mattheüs 5 — De Bergrede: leven in Gods koninkrijk 1. Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op. Hij ging zitten, en Zijn leerlingen kwamen bij Hem. 2. Hij begon hen te onderwijzen: 3. Gelukkig zijn mensen die beseffen dat ze God nodig hebben, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. 4. Gelukkig zijn mensen die treuren, want zij zullen troost krijgen. 5. Gelukkig zijn zachtmoedige mensen, want zij zullen de aarde erven. 6. Gelukkig zijn mensen die intens verlangen naar wat rechtvaardig is, want hun verlangen zal vervuld worden. 7. Gelukkig zijn barmhartige mensen, want zij zullen zelf barmhartigheid ontvangen. 8. Gelukkig zijn mensen met een zuiver hart, want zij zullen God zien. 9. Gelukkig zijn vredestichters, want zij zullen Gods kinderen worden genoemd. 10. Gelukkig zijn mensen die vervolgd worden omdat ze rechtvaardig leven, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. 11. Gelukkig zijn jullie wanneer mensen jullie vanwege mij beledigen, vervolgen en leugens over jullie vertellen. 12. Wees blij en juich, want in de hemel wacht jullie een grote beloning. Zo vervolgden de mensen ook de profeten vóór jullie. 13. Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout worden? Het is nergens meer goed voor. Mensen gooien het buiten weg en vertrappen het. 14. Jullie zijn het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. 15. Niemand steekt een lamp aan om hem onder een mand te zetten. Je zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft aan iedereen in huis. 16. Laat zo jullie licht voor de mensen schijnen. Dan zien ze jullie goede daden en eren ze jullie Vader in de hemel. 17. Denk niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze te vervullen. 18. Ik verzeker jullie: zolang hemel en aarde bestaan, verdwijnt er geen enkele letter of pennestreep uit de wet. Eerst moet alles gebeuren. 19. Wie zelfs het kleinste gebod afschaft en anderen leert hetzelfde te doen, zal de kleinste heten in het koninkrijk van de hemel. Maar wie deze geboden uitvoert en onderwijst, zal daar groot heten. 20. Want ik zeg jullie: als jullie niet rechtvaardiger leven dan de schriftgeleerden en Farizeeën, komen jullie beslist niet het koninkrijk van de hemel binnen. 21. Jullie hebben gehoord wat tegen de mensen van vroeger is gezegd: Je mag niet moorden. Wie iemand doodt, moet voor de rechtbank komen. 22. Maar ik zeg jullie: iedereen die zonder reden boos is op zijn broer, moet voor de rechtbank komen. Wie zijn broer ‘nietsnut’ noemt, moet voor de hoge raad komen. Wie hem ‘dwaas’ noemt, verdient het vuur van de hel. 23. Stel dat je een offer naar het altaar brengt. Daar herinner je je dat je broer iets tegen je heeft. 24. Laat je offer dan voor het altaar liggen. Ga eerst naar je broer en verzoen je met hem. Kom daarna terug en breng je offer. 25. Leg het snel bij met je tegenstander, terwijl jullie nog samen onderweg zijn. Anders levert hij je aan de rechter over. De rechter draagt je over aan de bewaker, en je komt in de gevangenis. 26. Ik verzeker je: je komt daar pas uit als je de allerlaatste munt hebt betaald. 27. Jullie hebben gehoord wat tegen de mensen van vroeger is gezegd: Je mag geen overspel plegen. 28. Maar ik zeg jullie: wie met begeerte naar een vrouw kijkt, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd. 29. Als je rechteroog je tot zonde verleidt, ruk het dan uit en gooi het weg. Je kunt beter één lichaamsdeel verliezen dan met je hele lichaam in de hel terechtkomen. 30. Als je rechterhand je tot zonde verleidt, hak hem dan af en gooi hem weg. Je kunt beter één lichaamsdeel verliezen dan met je hele lichaam in de hel terechtkomen. 31. Er is ook gezegd: Wie van zijn vrouw scheidt, moet haar een scheidingsbrief geven. 32. Maar ik zeg jullie: wie van zijn vrouw scheidt, drijft haar tot overspel, behalve bij seksuele ontrouw. En wie met een gescheiden vrouw trouwt, pleegt overspel. 33. Jullie hebben ook gehoord wat tegen de mensen van vroeger is gezegd: Breek je eed niet. Houd wat je aan de Heere hebt beloofd. 34. Maar ik zeg jullie: zweer helemaal niet. Zweer niet bij de hemel, want die is Gods troon. 35. Zweer ook niet bij de aarde, want die is Zijn voetenbank. Zweer evenmin bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning. 36. Zweer ook niet bij je eigen hoofd, want je kunt geen enkele haar wit of zwart maken. 37. Als jullie ja zeggen, laat het dan ja zijn. Als jullie nee zeggen, laat het dan nee zijn. Alles wat daarbovenuit gaat, komt van de boze. 38. Jullie hebben gehoord dat gezegd is: Een oog voor een oog en een tand voor een tand. 39. Maar ik zeg jullie: verzet je niet tegen iemand die kwaad doet. Als iemand je op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe. 40. Als iemand je voor de rechter brengt om je onderkleed af te nemen, geef hem dan ook je bovenkleed. 41. Als iemand je dwingt ongeveer anderhalve kilometer met hem mee te gaan, ga dan drie kilometer met hem mee. 42. Geef aan wie iets van je vraagt. Keer je niet af van iemand die iets van je wil lenen. 43. Jullie hebben gehoord dat gezegd is: Heb je naaste lief en haat je vijand. 44. Maar ik zeg jullie: heb je vijanden lief. Zegen wie jullie vervloeken, doe goed aan wie jullie haten en bid voor wie jullie mishandelen en vervolgen. 45. Zo zullen jullie kinderen zijn van jullie Vader in de hemel. Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen. Hij laat het regenen over rechtvaardige en onrechtvaardige mensen. 46. Als jullie alleen liefhebben wie jullie liefhebben, wat voor beloning krijgen jullie dan? Tollenaars doen toch precies hetzelfde? 47. En als jullie alleen jullie broers groeten, wat doen jullie dan meer dan anderen? Tollenaars doen dat toch ook? 48. Wees dus volmaakt, zoals jullie Vader in de hemel volmaakt is. ## Mattheüs 6 — De Bergrede: leven voor God 1. Geef niet aan armen met het doel dat mensen jullie zien. Anders krijgen jullie geen beloning van jullie Vader in de hemel. 2. Wanneer je iets aan armen geeft, bazuin dat dan niet rond. Huichelaars doen dat in synagogen en op straat om door mensen geëerd te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun volledige beloning al gekregen. 3. Maar wanneer je iets aan armen geeft, laat je linkerhand dan niet weten wat je rechterhand doet. 4. Zo blijft je gift verborgen. Je Vader, die ziet wat in het verborgene gebeurt, zal je openlijk belonen. 5. Wanneer jullie bidden, doe dan niet zoals de huichelaars. Zij staan graag in synagogen en op straathoeken te bidden, zodat mensen hen zien. Ik verzeker jullie: zij hebben hun volledige beloning al gekregen. 6. Maar als jij bidt, ga dan je binnenkamer in en sluit de deur. Bid tot je Vader, die in het verborgene is. Je Vader, die ziet wat in het verborgene gebeurt, zal je openlijk belonen. 7. Gebruik bij het bidden geen eindeloze woordenstroom zoals de heidenen. Zij denken dat God naar hen luistert vanwege hun vele woorden. 8. Doe niet zoals zij. Jullie Vader weet wat jullie nodig hebben, nog voordat jullie Hem erom vragen. 9. Bid daarom zo: Onze Vader in de hemel, laat Uw naam geheiligd worden. 10. Laat Uw koninkrijk komen. Laat op aarde Uw wil gedaan worden, zoals in de hemel. 11. Geef ons vandaag ons dagelijks brood. 12. Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven. 13. Leid ons niet in verzoeking, maar red ons van de boze. Want aan U behoren het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid, voor altijd. Amen. 14. Want als jullie andere mensen hun misstappen vergeven, zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven. 15. Maar als jullie anderen niet vergeven, zal jullie Vader jullie misstappen ook niet vergeven. 16. Wanneer jullie vasten, kijk dan niet somber zoals de huichelaars. Zij laten hun gezicht er ellendig uitzien, zodat mensen kunnen zien dat ze vasten. Ik verzeker jullie: zij hebben hun volledige beloning al gekregen. 17. Maar als jij vast, verzorg dan je haar en was je gezicht. 18. Zo zien mensen niet dat je vast; alleen je Vader, die in het verborgene is, ziet het. Je Vader, die ziet wat in het verborgene gebeurt, zal je openlijk belonen. 19. Verzamel geen schatten op aarde. Daar vreten mot en roest ze weg, en dieven breken in om ze te stelen. 20. Verzamel liever schatten in de hemel. Daar vreten mot en roest ze niet weg, en dieven breken niet in om ze te stelen. 21. Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. 22. Het oog is de lamp van het lichaam. Als je oog helder is, zal je hele lichaam vol licht zijn. 23. Maar als je oog slecht is, zal je hele lichaam donker zijn. Als het licht in jou duisternis is, hoe diep is die duisternis dan! 24. Niemand kan twee meesters dienen. Je zult de ene haten en de andere liefhebben, of de ene trouw blijven en de andere verachten. Jullie kunnen niet tegelijk God en rijkdom dienen. 25. Daarom zeg ik jullie: maak je geen zorgen over je leven, over wat je zult eten of drinken. Maak je ook geen zorgen over kleren voor je lichaam. Het leven is toch meer dan voedsel, en het lichaam meer dan kleding? 26. Kijk naar de vogels in de lucht. Ze zaaien en maaien niet, en verzamelen niets in schuren. Toch voedt jullie hemelse Vader ze. Zijn jullie niet veel meer waard dan vogels? 27. Wie van jullie kan door zich zorgen te maken ongeveer 45 centimeter aan zijn lengte toevoegen? 28. Waarom maken jullie je zorgen over kleding? Kijk hoe de lelies in het veld groeien. Ze werken niet en spinnen geen garen. 29. Toch zeg ik jullie: zelfs Salomo was in al zijn pracht niet zo gekleed als één van deze bloemen. 30. God kleedt het gras van het veld zo mooi, hoewel het er vandaag staat en morgen in de oven wordt gegooid. Zal Hij jullie dan niet veel meer kleden, kleingelovigen? 31. Maak je daarom geen zorgen met vragen als: Wat zullen we eten? Wat zullen we drinken? Welke kleren zullen we dragen? 32. Mensen die God niet kennen, jagen al die dingen na. Jullie hemelse Vader weet dat jullie dit allemaal nodig hebben. 33. Zoek eerst Gods koninkrijk en Zijn gerechtigheid. Dan zal Hij jullie al die andere dingen ook geven. 34. Maak je dus geen zorgen over morgen, want morgen brengt zijn eigen zorgen mee. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen problemen. ## Mattheüs 7 — Jezus leert over oordeel, keuzes en gehoorzaamheid 1. Oordeel anderen niet, zodat jullie zelf ook niet worden geoordeeld. 2. Want zoals jullie over anderen oordelen, zo zullen jullie zelf geoordeeld worden. Met de maat waarmee jullie meten, zullen jullie ook worden gemeten. 3. Waarom zie je wel de splinter in het oog van je broer, maar merk je de balk in je eigen oog niet op? 4. Hoe kun je tegen je broer zeggen: Laat mij de splinter uit je oog halen, terwijl er een balk in je eigen oog zit? 5. Huichelaar! Haal eerst de balk uit je eigen oog. Dan kun je helder zien om de splinter uit het oog van je broer te halen. 6. Geef wat heilig is niet aan de honden en gooi jullie parels niet voor de zwijnen. Anders vertrappen ze die en keren ze zich tegen jullie om jullie te verscheuren. 7. Vraag, en jullie zullen ontvangen. Zoek, en jullie zullen vinden. Klop, en er zal voor jullie worden opengedaan. 8. Want iedereen die vraagt, ontvangt. Wie zoekt, vindt. En voor wie klopt, zal worden opengedaan. 9. Wie van jullie geeft zijn zoon een steen als hij om brood vraagt? 10. Of wie geeft zijn zoon een slang als hij om een vis vraagt? 11. Jullie zijn slecht en toch weten jullie je kinderen goede dingen te geven. Hoeveel meer zal jullie hemelse Vader goede dingen geven aan wie Hem erom vragen! 12. Behandel andere mensen daarom zoals jullie zelf door hen behandeld willen worden. Dit is wat de wet en de profeten leren. 13. Ga naar binnen door de nauwe poort. De poort is wijd en de weg breed die naar de ondergang leidt. Veel mensen gaan daardoor naar binnen. 14. Maar de poort is nauw en de weg smal die naar het leven leidt. Slechts weinig mensen vinden die weg. 15. Pas op voor valse profeten. Ze komen naar jullie toe in schapenvachten, maar vanbinnen zijn het roofzuchtige wolven. 16. Aan hun vruchten zullen jullie hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? 17. Zo draagt elke goede boom goede vruchten, terwijl een slechte boom slechte vruchten draagt. 18. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen en een slechte boom geen goede vruchten. 19. Elke boom die geen goede vruchten draagt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid. 20. Jullie zullen de valse profeten dus aan hun vruchten herkennen. 21. Niet iedereen die tegen mij zegt: Heere, Heere, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan. Alleen wie doet wat mijn Vader in de hemel wil, zal binnengaan. 22. Op die dag zullen velen tegen mij zeggen: Heere, Heere, wij hebben toch in Uw naam geprofeteerd? In Uw naam hebben wij demonen uitgedreven en veel wonderen gedaan! 23. Dan zal ik hun openlijk zeggen: Ik heb jullie nooit gekend. Ga weg van mij, jullie die onrecht doen! 24. Iedereen die deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, lijkt op een verstandig man die zijn huis op rotsgrond bouwde. 25. De stortregen kwam, de waterstromen stegen en de wind beukte tegen dat huis. Toch stortte het niet in, want het stond op rotsgrond. 26. Maar iedereen die deze woorden van mij hoort en er niet naar handelt, lijkt op een dwaas die zijn huis op zand bouwde. 27. De stortregen kwam, de waterstromen stegen en de wind beukte tegen dat huis. Het stortte in en de val van dat huis was verschrikkelijk. 28. Toen Jezus klaar was met deze woorden, stonden de menigten versteld van Zijn onderwijs. 29. Want Hij onderwees hen met gezag, heel anders dan de schriftgeleerden. ## Mattheüs 8 — Jezus geneest, roept en heerst over natuur en geesten 1. Toen Jezus van de berg was afgedaald, volgden grote menigten Hem. 2. Er kwam een man naar Hem toe die melaats was. Hij knielde eerbiedig voor Hem neer en zei: Heere, als U wilt, kunt U mij rein maken. 3. Jezus stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het. Word rein! Meteen was de man van zijn melaatsheid gereinigd. 4. Jezus zei tegen hem: Vertel dit aan niemand. Ga jezelf aan de priester laten zien en breng het offer dat Mozes heeft voorgeschreven. Dat zal voor hen het bewijs zijn. 5. Toen Jezus Kapernaüm binnenging, kwam een hoofdman over 100 soldaten naar Hem toe en smeekte Hem om hulp. 6. Hij zei: Heere, mijn knecht ligt thuis verlamd en lijdt hevige pijn. 7. Jezus zei tegen hem: Ik zal komen en hem genezen. 8. De hoofdman antwoordde: Heere, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt. Spreek maar één woord, dan zal mijn knecht genezen worden. 9. Ook ik sta onder het gezag van anderen en heb soldaten onder mij. Tegen de ene zeg ik: Ga, en hij gaat. Tegen een ander: Kom, en hij komt. Mijn dienaar gehoorzaamt wanneer ik zeg: Doe dit. 10. Toen Jezus dit hoorde, was Hij verbaasd. Hij zei tegen wie Hem volgden: Ik verzeker jullie: zelfs in Israël heb ik zo’n groot geloof niet gevonden. 11. Ik zeg jullie: veel mensen zullen uit het oosten en het westen komen. Zij zullen met Abraham, Izak en Jakob aan tafel zitten in het koninkrijk van de hemel. 12. Maar degenen die het koninkrijk zouden erven, zullen buiten in de duisternis worden geworpen. Daar zullen zij huilen en tandenknarsen. 13. Jezus zei tegen de hoofdman: Ga naar huis. Het zal gebeuren zoals u hebt geloofd. Op datzelfde moment werd zijn knecht gezond. 14. Toen Jezus bij Petrus thuis kwam, zag Hij dat Petrus’ schoonmoeder met koorts in bed lag. 15. Hij raakte haar hand aan en de koorts verdween. Ze stond op en zorgde voor hen. 16. Die avond brachten de mensen velen bij Hem die door demonen bezeten waren. Met een enkel woord dreef Hij de geesten uit. Ook genas Hij iedereen die ziek was. 17. Zo werd vervuld wat de profeet Jesaja had gezegd: Hij heeft onze kwalen op zich genomen en onze ziekten gedragen. 18. Toen Jezus de menigten rondom zich zag, gaf Hij opdracht naar de overkant van het meer te varen. 19. Een schriftgeleerde kwam naar Hem toe en zei: Meester, ik zal U volgen, waar U ook heen gaat. 20. Jezus antwoordde: Vossen hebben holen en vogels hebben nesten. Maar de Mensenzoon heeft geen plaats waar Hij Zijn hoofd kan neerleggen. 21. Een andere leerling zei tegen Hem: Heere, laat mij eerst mijn vader gaan begraven. 22. Maar Jezus zei tegen hem: Volg mij en laat de doden hun eigen doden begraven. 23. Jezus stapte in het schip en Zijn leerlingen volgden Hem. 24. Plotseling stak op het meer een hevige storm op. De golven sloegen over het schip heen, maar Jezus sliep. 25. De leerlingen gingen naar Hem toe, maakten Hem wakker en riepen: Heere, red ons! We vergaan! 26. Hij zei tegen hen: Waarom zijn jullie zo bang, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de wind en het meer. Het werd helemaal stil. 27. De leerlingen stonden verbaasd en zeiden: Wie is Hij toch? Zelfs de wind en het meer gehoorzamen Hem! 28. Aan de overkant kwam Jezus in het gebied van de Gergesenen. Twee mannen die door demonen bezeten waren, kwamen Hem vanuit de graven tegemoet. Ze waren zo gewelddadig dat niemand langs die weg kon gaan. 29. Ze schreeuwden: Jezus, Zoon van God, wat hebt U met ons te maken? Bent U gekomen om ons vóór het vastgestelde moment te laten lijden? 30. Een eind bij hen vandaan liep een grote kudde varkens te grazen. 31. De demonen smeekten Jezus: Als U ons uitdrijft, laat ons dan in die kudde varkens gaan. 32. Jezus zei tegen hen: Ga! De demonen verlieten de mannen en gingen in de varkens. Toen stormde de hele kudde van de steile helling het meer in. De varkens verdronken. 33. De varkenshoeders vluchtten naar de stad. Daar vertelden ze alles wat er was gebeurd, ook wat de bezeten mannen was overkomen. 34. Toen liep de hele stad uit om Jezus te ontmoeten. Zodra de inwoners Hem zagen, smeekten ze Hem hun gebied te verlaten. ## Mattheüs 9 — Jezus vergeeft, geneest en roept mensen 1. Jezus stapte in de boot, voer naar de overkant en kwam in Zijn eigen stad. Daar brachten mensen een verlamde man bij Hem, liggend op een mat. 2. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde man: Houd moed, mijn zoon! Je zonden zijn je vergeven. 3. Enkele schriftgeleerden dachten bij zichzelf: Deze man lastert God. 4. Jezus kende hun gedachten en vroeg: Waarom denken jullie zulke slechte dingen? 5. Wat is gemakkelijker: zeggen: Je zonden zijn je vergeven, of zeggen: Sta op en loop? 6. Maar ik zal jullie laten zien dat de Mensenzoon op aarde macht heeft om zonden te vergeven. Toen zei Hij tegen de verlamde man: Sta op, pak je mat op en ga naar huis. 7. De man stond op en ging naar huis. 8. Toen de menigten dit zagen, waren ze verbaasd. Ze loofden God, omdat Hij mensen zo’n macht had gegeven. 9. Toen Jezus verderging, zag Hij bij het tolhuis een man zitten die Mattheüs heette. Jezus zei tegen hem: Volg mij. Mattheüs stond op en volgde Hem. 10. Later at Jezus in het huis van Mattheüs. Veel tollenaars en zondaars kwamen erbij en aten samen met Jezus en Zijn leerlingen. 11. Toen de Farizeeën dit zagen, vroegen ze aan Zijn leerlingen: Waarom eet jullie Meester met tollenaars en zondaars? 12. Jezus hoorde het en antwoordde: Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke mensen wel. 13. Ga onderzoeken wat deze woorden betekenen: Ik wil barmhartigheid en geen offers. Want ik ben niet gekomen om rechtvaardige mensen te roepen, maar zondaars tot bekering. 14. Daarna kwamen de leerlingen van Johannes naar Jezus toe. Ze vroegen: Waarom vasten wij en de Farizeeën vaak, maar Uw leerlingen niet? 15. Jezus antwoordde: Kunnen bruiloftsgasten treuren zolang de bruidegom bij hen is? Er komt een tijd dat de bruidegom van hen wordt weggenomen. Dan zullen ze vasten. 16. Niemand naait een lap nieuwe, ongekrompen stof op een oud kledingstuk. De lap trekt eraan en maakt de scheur juist groter. 17. Ook giet niemand nieuwe wijn in oude leren zakken. Anders barsten de zakken, loopt de wijn weg en gaan de zakken verloren. Nieuwe wijn hoort in nieuwe leren zakken. Zo blijven beide behouden. 18. Terwijl Jezus nog met hen sprak, kwam er een leider naar Hem toe. Hij knielde voor Hem neer en zei: Mijn dochter is zojuist gestorven. Maar kom, leg Uw hand op haar, dan zal zij leven. 19. Jezus stond op en ging met hem mee. Zijn leerlingen volgden Hem. 20. Een vrouw die al twaalf jaar bloed verloor, kwam van achteren naar Jezus toe. Ze raakte de rand van Zijn mantel aan. 21. Ze dacht: Als ik alleen maar Zijn mantel aanraak, zal ik genezen. 22. Jezus draaide zich om, zag haar en zei: Houd moed, dochter! Je geloof heeft je genezen. Vanaf dat moment was de vrouw genezen. 23. Toen Jezus bij het huis van de leider kwam, zag Hij fluitspelers en een luidruchtige menigte. 24. Hij zei tegen hen: Ga naar buiten. Het meisje is niet dood, maar slaapt. De mensen lachten Hem uit. 25. Nadat de menigte naar buiten was gestuurd, ging Jezus naar binnen. Hij pakte het meisje bij de hand en zij stond op. 26. Het nieuws hierover verspreidde zich door dat hele gebied. 27. Toen Jezus verderging, volgden twee blinde mannen Hem. Ze riepen: Zoon van David, heb medelijden met ons! 28. Toen Jezus een huis binnenging, kwamen de blinde mannen naar Hem toe. Hij vroeg: Geloven jullie dat ik dit kan doen? Ze antwoordden: Ja, Heere! 29. Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: Laat het gebeuren zoals jullie geloven. 30. Hun ogen gingen open. Jezus waarschuwde hen nadrukkelijk: Zorg ervoor dat niemand dit te weten komt. 31. Maar zodra de mannen vertrokken waren, vertelden ze in dat hele gebied over Hem. 32. Terwijl zij weggingen, brachten mensen een man bij Jezus die niet kon spreken en door een demon bezeten was. 33. Nadat de demon was uitgedreven, kon de man spreken. De menigten waren verbaasd en zeiden: Zoiets is in Israël nog nooit gezien! 34. Maar de Farizeeën zeiden: Hij drijft demonen uit met hulp van de leider van de demonen. 35. Jezus trok langs alle steden en dorpen. Hij gaf onderwijs in hun synagogen en verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk. Hij genas elke ziekte en elke kwaal onder het volk. 36. Toen Hij de menigten zag, kreeg Hij diep medelijden met hen. Ze waren afgemat en verstrooid, als schapen zonder herder. 37. Toen zei Hij tegen Zijn leerlingen: De oogst is groot, maar er zijn maar weinig arbeiders. 38. Bid daarom tot de Heere van de oogst dat Hij arbeiders naar Zijn oogst stuurt. ## Mattheüs 10 — Jezus zendt de twaalf apostelen uit 1. Jezus riep Zijn twaalf leerlingen bij zich. Hij gaf hun macht om onreine geesten uit te drijven en elke ziekte en kwaal te genezen. 2. Dit zijn de namen van de twaalf apostelen. Eerst Simon, die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andreas. Daarna Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes; 3. Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, die ook Thaddeüs werd genoemd; 4. Simon de IJveraar en Judas Iskariot, die Hem later verraadde. 5. Jezus zond deze twaalf uit en gaf hun deze opdracht: Ga niet naar de heidenen en ga geen enkele stad van de Samaritanen binnen. 6. Ga liever naar de verloren schapen van het volk Israël. 7. Ga op weg en verkondig: Het koninkrijk van de hemel is dichtbij. 8. Genees zieken, reinig melaatsen, wek doden op en drijf demonen uit. Jullie hebben dit gratis ontvangen; geef het ook gratis. 9. Neem geen goud, zilver of kopergeld mee in jullie geldriemen. 10. Neem voor de reis geen tas, extra kleding, schoenen of staf mee. Een arbeider heeft recht op zijn eten. 11. Zoek in elke stad of elk dorp uit wie daar bereid is jullie boodschap aan te nemen. Blijf bij die persoon totdat jullie verdergaan. 12. Wanneer jullie een huis binnengaan, groet dan de bewoners. 13. Als de bewoners jullie willen ontvangen, laat jullie vrede er dan rusten. Willen zij dat niet, laat jullie vrede dan naar jullie terugkeren. 14. Als iemand jullie niet ontvangt of niet naar jullie woorden luistert, verlaat dan dat huis of die stad. Schud daarbij het stof van jullie voeten. 15. Ik verzeker jullie: op de dag van het oordeel zal het voor Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan voor die stad. 16. Let op: ik stuur jullie als schapen tussen wolven. Wees daarom verstandig als slangen en oprecht als duiven. 17. Pas op voor de mensen. Zij zullen jullie uitleveren aan rechtbanken en in hun synagogen geselen. 18. Omwille van mij zullen jullie voor bestuurders en koningen worden gebracht. Daarmee zullen jullie tegenover hen en de heidenen getuigen. 19. Wanneer ze jullie uitleveren, maak je dan geen zorgen over hoe of wat jullie moeten zeggen. Op dat moment krijgen jullie te horen wat jullie moeten zeggen. 20. Jullie spreken dan namelijk niet zelf. Het is de Geest van jullie Vader die door jullie spreekt. 21. Een broer zal zijn broer uitleveren om gedood te worden, en een vader zijn kind. Kinderen zullen tegen hun ouders opstaan en hen doden. 22. Iedereen zal jullie haten vanwege mijn naam. Maar wie tot het einde volhoudt, zal gered worden. 23. Wanneer ze jullie in de ene stad vervolgen, vlucht dan naar de volgende. Ik verzeker jullie: jullie zullen nog niet alle steden van Israël hebben bezocht wanneer de Mensenzoon komt. 24. Een leerling staat niet boven zijn leermeester en een dienaar niet boven zijn heer. 25. Voor een leerling is het genoeg dat hij wordt zoals zijn leermeester, en voor een dienaar dat hij wordt zoals zijn heer. Als mensen de heer van het huis Beëlzebul noemen, zullen ze Zijn huisgenoten zeker ook zo noemen! 26. Wees daarom niet bang voor hen. Alles wat bedekt is, zal zichtbaar worden. Alles wat verborgen is, zal bekend worden. 27. Wat ik jullie in het geheim zeg, moeten jullie openlijk vertellen. Wat jullie zacht in het oor horen, moeten jullie vanaf de daken verkondigen. 28. Wees niet bang voor mensen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden. Wees liever bang voor Hem die zowel ziel als lichaam in de hel kan vernietigen. 29. Twee musjes kosten toch maar één muntje? Toch valt niet één ervan op de grond buiten jullie Vader om. 30. Zelfs alle haren op jullie hoofd zijn geteld. 31. Wees dus niet bang. Jullie zijn veel meer waard dan veel musjes. 32. Iedereen die mij tegenover de mensen openlijk erkent, zal ik ook erkennen tegenover mijn Vader in de hemel. 33. Maar wie mij tegenover de mensen ontkent, zal ik ook ontkennen tegenover mijn Vader in de hemel. 34. Denk niet dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar een zwaard. 35. Ik ben gekomen om een man tegenover zijn vader te zetten, een dochter tegenover haar moeder en een schoondochter tegenover haar schoonmoeder. 36. Iemands eigen huisgenoten zullen zijn vijanden worden. 37. Wie zijn vader of moeder meer liefheeft dan mij, verdient het niet om bij mij te horen. Hetzelfde geldt voor wie zijn zoon of dochter meer liefheeft dan mij. 38. Wie zijn kruis niet op zich neemt en mij niet volgt, verdient het niet om bij mij te horen. 39. Wie zijn leven voor zichzelf wil behouden, zal het verliezen. Wie zijn leven omwille van mij verliest, zal het terugvinden. 40. Wie jullie ontvangt, ontvangt mij. Wie mij ontvangt, ontvangt Hem die mij heeft gestuurd. 41. Wie een profeet ontvangt omdat hij een profeet is, krijgt de beloning die bij een profeet hoort. Wie een rechtvaardige ontvangt omdat hij rechtvaardig is, krijgt de beloning die bij een rechtvaardige hoort. 42. Wie één van deze onaanzienlijke leerlingen slechts een beker koud water geeft omdat hij een leerling is, zal zijn beloning zeker niet verliezen. ## Mattheüs 11 — Johannes vraagt wie Jezus is; Jezus roept vermoeide mensen 1. Nadat Jezus Zijn twaalf leerlingen deze opdrachten had gegeven, vertrok Hij. Hij ging in hun steden onderwijzen en prediken. 2. Johannes zat gevangen. Toen hij hoorde wat Christus deed, stuurde hij twee van zijn leerlingen naar Hem. 3. Zij vroegen Jezus: Bent U degene die zou komen, of moeten wij iemand anders verwachten? 4. Jezus antwoordde hun: Ga terug en vertel Johannes wat jullie horen en zien. 5. Blinden kunnen weer zien en kreupelen lopen. Melaatsen worden gereinigd en doven kunnen horen. Doden worden opgewekt en armen horen het goede nieuws. 6. Gelukkig is wie mij niet afwijst. 7. Toen zij vertrokken, begon Jezus tegen de menigte over Johannes te spreken: Waar gingen jullie in de woestijn naar kijken? Naar een riet dat door de wind heen en weer beweegt? 8. Waar gingen jullie dan naar kijken? Naar een man in dure kleren? Mensen met zulke kleren wonen in koninklijke paleizen. 9. Maar waarvoor gingen jullie dan? Om een profeet te zien? Ja, ik zeg jullie: hij is zelfs veel meer dan een profeet. 10. Over hem staat geschreven: Kijk, ik stuur mijn boodschapper voor U uit. Hij zal vóór U de weg klaarmaken. 11. Ik verzeker jullie: van alle mensen die ooit geboren zijn, is niemand groter dan Johannes de Doper. Toch is de kleinste in het koninkrijk van de hemel groter dan hij. 12. Vanaf de tijd van Johannes de Doper tot nu wordt het koninkrijk van de hemel met geweld bestreden. Gewelddadige mensen proberen het met geweld te grijpen. 13. Want alle profeten en de wet hebben tot aan Johannes geprofeteerd. 14. Als jullie dit willen aannemen: hij is de Elia die zou komen. 15. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren. 16. Waarmee zal ik de mensen van deze generatie vergelijken? Ze lijken op kinderen die op de markt zitten en naar hun vrienden roepen: 17. Ze zeggen: Wij speelden vrolijke muziek voor jullie, maar jullie dansten niet. Wij zongen klaagliederen, maar jullie huilden niet. 18. Want Johannes kwam en at en dronk niet zoals anderen. Toen zeiden de mensen: Hij heeft een demon. 19. De Mensenzoon kwam en at en dronk wel. Toen zeiden zij: Kijk, die man is een veelvraat en een dronkaard. Hij is een vriend van tollenaars en zondaars! Maar uit wat haar kinderen doen, blijkt dat de wijsheid gelijk heeft. 20. Daarna begon Jezus de steden streng terecht te wijzen waarin Hij de meeste wonderen had gedaan. Hun inwoners hadden zich namelijk niet bekeerd. 21. Wee jullie, Chorazin en Bethsaïda! Als de wonderen die bij jullie gebeurden in Tyrus en Sidon waren gebeurd, hadden zij zich lang geleden bekeerd. Zij zouden rouwkleren hebben gedragen en in as hebben gezeten. 22. Maar ik zeg jullie: op de dag van het oordeel zal het voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan voor jullie. 23. En jij, Kapernaüm, bent tot de hemel verheven. Toch zul je tot de hel worden neergestoten. Als jouw wonderen in Sodom waren gebeurd, zou die stad tot vandaag zijn blijven bestaan. 24. Maar ik zeg je: op de dag van het oordeel zal het voor het land Sodom draaglijker zijn dan voor jou. 25. Toen zei Jezus: Vader, Heere van de hemel en de aarde, ik dank U. U hebt deze dingen verborgen voor wijze en verstandige mensen, maar aan kleine kinderen bekendgemaakt. 26. Ja, Vader, want zo wilde U het. 27. Mijn Vader heeft mij alles toevertrouwd. Alleen de Vader kent de Zoon volledig. Alleen de Zoon kent de Vader volledig, samen met iedereen aan wie de Zoon Hem wil bekendmaken. 28. Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en zware lasten dragen. Ik zal jullie rust geven. 29. Draag mijn juk en leer van mij. Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie innerlijk rust vinden. 30. Want mijn juk is zacht en mijn last is licht. ## Mattheüs 12 — Jezus is Heere over de sabbat en weerlegt Zijn tegenstanders 1. In die tijd liep Jezus op een sabbat door de graanvelden. Zijn leerlingen kregen honger en begonnen aren te plukken en op te eten. 2. Toen de Farizeeën dat zagen, zeiden zij tegen Hem: Kijk, Uw leerlingen doen iets wat op de sabbat niet is toegestaan. 3. Jezus antwoordde hun: Hebben jullie niet gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen honger hadden? 4. Hij ging Gods huis binnen en at van de toonbroden. Dat was alleen voor de priesters toegestaan, niet voor hem of zijn mannen. 5. Hebben jullie in de wet niet gelezen dat de priesters op de sabbat in de tempel de sabbatsrust doorbreken? Toch zijn zij onschuldig. 6. Ik zeg jullie: hier is iemand die groter is dan de tempel. 7. Jullie begrijpen niet wat deze woorden betekenen: Ik wil barmhartigheid en geen offer. Anders zouden jullie onschuldige mensen niet hebben veroordeeld. 8. De Mensenzoon is namelijk ook Heere over de sabbat. 9. Jezus vertrok vandaar en ging hun synagoge binnen. 10. Daar was een man met een verschrompelde hand. De Farizeeën vroegen Jezus: Mag iemand op de sabbat genezen worden? Ze wilden Hem kunnen beschuldigen. 11. Hij antwoordde hun: Stel dat een van jullie een schaap heeft dat op de sabbat in een kuil valt. Wie zou het niet vastpakken en eruit trekken? 12. Een mens is toch veel meer waard dan een schaap! Daarom is het toegestaan om op de sabbat goed te doen. 13. Toen zei Hij tegen de man: Strek uw hand uit. De man deed dat. Zijn hand werd weer even gezond als de andere. 14. De Farizeeën gingen weg en overlegden hoe ze Jezus konden doden. 15. Jezus wist dat en vertrok vandaar. Grote menigten volgden Hem, en Hij genas hen allemaal. 16. Hij verbood hun streng om Hem bekend te maken. 17. Zo werd vervuld wat de profeet Jesaja had gezegd: 18. Kijk, dit is mijn Dienaar, die ik heb uitgekozen. Hij is mijn geliefde, in wie ik vreugde vind. Ik zal mijn Geest op Hem leggen. Hij zal de volken bekendmaken wat recht is. 19. Hij zal niet ruziën of schreeuwen. Niemand zal Zijn stem op straat horen. 20. Een geknakt riet zal Hij niet breken. Een smeulende vlaspit zal Hij niet doven, totdat Hij het recht laat overwinnen. 21. De volken zullen hun hoop op Zijn naam stellen. 22. Toen brachten de mensen iemand bij Jezus die door een demon bezeten was, blind was en niet kon spreken. Jezus genas hem, zodat hij weer sprak en zag. 23. De hele menigte was buiten zichzelf van verbazing en zei: Zou Hij de Zoon van David zijn? 24. Toen de Farizeeën dat hoorden, zeiden zij: Deze man drijft de demonen alleen uit met hulp van Beëlzebul, de heerser van de demonen. 25. Jezus kende hun gedachten en zei: Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is, wordt verwoest. Geen stad of familie die onderling verdeeld is, kan blijven bestaan. 26. Als satan satan uitdrijft, strijdt hij tegen zichzelf. Hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? 27. Als ik de demonen uitdrijf met hulp van Beëlzebul, met wiens hulp doen jullie volgelingen dat dan? Zij zullen daarom jullie rechters zijn. 28. Maar als ik de demonen uitdrijf door de Geest van God, dan is Gods koninkrijk bij jullie gekomen. 29. Hoe kan iemand het huis van een sterke man binnengaan en zijn bezittingen roven? Hij moet die sterke man eerst vastbinden. Pas dan kan hij zijn huis leegroven. 30. Wie niet met mij is, is tegen mij. Wie niet samen met mij bijeenbrengt, jaagt uiteen. 31. Daarom zeg ik jullie: elke zonde en elke lastering kan mensen vergeven worden. Maar lastering tegen de Geest zal niet vergeven worden. 32. Wie iets tegen de Mensenzoon zegt, kan vergeving ontvangen. Maar wie tegen de Heilige Geest spreekt, ontvangt geen vergeving. Niet in deze tijd en ook niet in de toekomstige. 33. Een goede boom draagt goede vruchten, en een slechte boom slechte vruchten. Aan zijn vruchten herken je de boom. 34. Addergebroed! Hoe kunnen jullie iets goeds zeggen als jullie slecht zijn? De mond spreekt immers uit wat het hart vol is. 35. Een goed mens haalt goede dingen uit de goede voorraad in zijn hart. Een slecht mens haalt slechte dingen uit zijn slechte voorraad. 36. Maar ik zeg jullie: op de dag van het oordeel moeten mensen verantwoording afleggen voor elk nutteloos woord dat zij hebben gesproken. 37. Want op basis van je woorden word je vrijgesproken, en op basis van je woorden word je veroordeeld. 38. Toen zeiden enkele schriftgeleerden en Farizeeën tegen Hem: Meester, wij willen graag een teken van U zien. 39. Hij antwoordde hun: Een slechte en ontrouwe generatie vraagt om een teken. Zij krijgt geen ander teken dan het teken van de profeet Jona. 40. Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van de grote vis. Zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn. 41. Bij het oordeel zullen de mannen van Ninevé samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen. Zij bekeerden zich toen Jona predikte. En kijk, hier is iemand die meer is dan Jona! 42. Bij het oordeel zal de koningin van het zuiden samen met deze generatie opstaan en haar veroordelen. Zij kwam van heel ver om Salomo’s wijsheid te horen. En kijk, hier is iemand die meer is dan Salomo! 43. Wanneer een onreine geest een mens verlaat, zwerft hij door dorre gebieden op zoek naar rust. Maar hij vindt die niet. 44. Dan zegt hij: Ik ga terug naar het huis dat ik heb verlaten. Wanneer hij daar aankomt, vindt hij het leeg, schoongeveegd en opgeruimd. 45. Daarop haalt hij zeven andere geesten, die nog slechter zijn dan hij. Ze gaan naar binnen en wonen daar. Zo wordt de toestand van die mens erger dan eerst. Hetzelfde zal met deze slechte generatie gebeuren. 46. Terwijl Jezus nog tegen de menigte sprak, stonden Zijn moeder en broers buiten. Zij wilden met Hem spreken. 47. Iemand zei tegen Hem: Uw moeder en Uw broers staan buiten en willen met U spreken. 48. Maar Jezus antwoordde hem: Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broers? 49. Hij wees met Zijn hand naar Zijn leerlingen en zei: Kijk, zij zijn mijn moeder en mijn broers. 50. Want iedereen die de wil doet van mijn Vader in de hemel, is mijn broer, mijn zus en mijn moeder. ## Mattheüs 13 — Gelijkenissen over het koninkrijk en ongeloof in Jezus’ vaderstad 1. Diezelfde dag ging Jezus het huis uit en ging bij het meer zitten. 2. Grote menigten verzamelden zich om Hem. Daarom ging Hij in een schip zitten, terwijl de hele menigte op de oever bleef staan. 3. Hij vertelde hun veel door gelijkenissen: Een zaaier ging eropuit om te zaaien. 4. Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad langs de weg. De vogels kwamen en aten het op. 5. Een ander deel viel op rotsachtige grond met maar weinig aarde. Het kwam snel op, omdat de grond niet diep was. 6. Toen de zon opkwam, verschroeiden de jonge planten. Ze verdorden omdat ze geen wortels hadden. 7. Een ander deel viel tussen de doornen. De doornen groeiden op en verstikten de planten. 8. Weer een ander deel viel in goede aarde en leverde graan op: het ene honderdvoud, het andere zestigvoud en het andere dertigvoud. 9. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren! 10. De leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen: Waarom spreekt U in gelijkenissen tegen de mensen? 11. Hij antwoordde: Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van de hemel begrijpen, maar zij niet. 12. Want wie iets heeft, zal nog meer ontvangen en overvloed hebben. Maar wie niets heeft, raakt zelfs kwijt wat hij heeft. 13. Daarom spreek ik in gelijkenissen tegen hen. Ze kijken wel, maar zien niet. Ze horen wel, maar luisteren niet en begrijpen het niet. 14. Zo wordt bij hen de profetie van Jesaja vervuld: Jullie zullen goed luisteren, maar niets begrijpen. Jullie zullen goed kijken, maar niets zien. 15. Het hart van dit volk is ongevoelig geworden. Ze luisteren nauwelijks en hebben hun ogen gesloten. Anders zouden ze zien, horen en begrijpen. Dan zouden ze zich bekeren en zou ik hen genezen. 16. Maar gelukkig zijn jullie ogen, omdat ze zien, en jullie oren, omdat ze horen. 17. Ik verzeker jullie: veel profeten en rechtvaardige mensen verlangden te zien wat jullie zien, maar kregen het niet te zien. Ze verlangden te horen wat jullie horen, maar kregen het niet te horen. 18. Luister daarom naar de betekenis van de gelijkenis van de zaaier. 19. Iemand hoort de boodschap over het koninkrijk, maar begrijpt die niet. Dan komt de boze en rooft weg wat in zijn hart gezaaid is. Zo iemand is als het zaad langs de weg. 20. Het zaad op de rotsachtige grond is iemand die de boodschap hoort en die meteen met vreugde aanneemt. 21. Toch schiet de boodschap geen wortel in hem en houdt hij het maar kort vol. Zodra hij vanwege de boodschap verdrukt of vervolgd wordt, geeft hij het op. 22. Het zaad tussen de doornen is iemand die de boodschap hoort. Maar zorgen van deze wereld en de verleiding van rijkdom verstikken de boodschap, zodat die geen vrucht draagt. 23. Het zaad in de goede aarde is iemand die de boodschap hoort en begrijpt. Hij draagt vrucht en brengt honderd-, zestig- of dertigmaal zoveel voort. 24. Jezus vertelde hun nog een gelijkenis: Het koninkrijk van de hemel lijkt op een man die goed zaad op zijn akker zaaide. 25. Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand. Die zaaide onkruid tussen de tarwe en ging weg. 26. Toen het graan opkwam en aren vormde, werd ook het onkruid zichtbaar. 27. De knechten van de eigenaar kwamen naar hem toe en vroegen: Heer, u hebt toch goed zaad op uw akker gezaaid? Waar komt dan het onkruid vandaan? 28. Hij antwoordde: Een vijand heeft dit gedaan. De knechten vroegen: Wilt u dat wij het onkruid eruit trekken? 29. Hij antwoordde: Nee, want bij het uittrekken van het onkruid zouden jullie ook de tarwe kunnen lostrekken. 30. Laat beide tot de oogst samen opgroeien. In de oogsttijd zal ik tegen de maaiers zeggen: Verzamel eerst het onkruid en bind het in bossen om te verbranden. Breng daarna de tarwe in mijn schuur. 31. Hij vertelde hun nog een gelijkenis: Het koninkrijk van de hemel lijkt op een mosterdzaadje dat iemand op zijn akker zaaide. 32. Het is wel het kleinste van alle zaden, maar groeit uit tot het grootste gewas. Het wordt een boom waarin de vogels hun nesten maken. 33. Hij vertelde hun nog een gelijkenis: Het koninkrijk van de hemel lijkt op zuurdesem. Een vrouw mengde het door ongeveer 40 liter meel, totdat al het deeg gezuurd was. 34. Dit alles vertelde Jezus in gelijkenissen aan de menigten. Hij sprak alleen in gelijkenissen tot hen. 35. Zo werd vervuld wat de profeet had gezegd: Ik zal in gelijkenissen spreken. Ik zal dingen bekendmaken die sinds het ontstaan van de wereld verborgen waren. 36. Daarna liet Jezus de menigten gaan en ging naar huis. Zijn leerlingen kwamen bij Hem en vroegen: Leg ons de gelijkenis van het onkruid op de akker uit. 37. Hij antwoordde: Degene die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon. 38. De akker is de wereld. Het goede zaad zijn de mensen van het koninkrijk. Het onkruid zijn de mensen die bij de boze horen. 39. De vijand die het onkruid zaaide, is de duivel. De oogst is het einde van de wereld en de maaiers zijn de engelen. 40. Zoals het onkruid wordt verzameld en in het vuur verbrand, zo zal het ook gaan bij het einde van deze wereld. 41. De Mensenzoon zal Zijn engelen eropuit sturen. Zij zullen uit Zijn koninkrijk alles verwijderen wat mensen ten val brengt, samen met iedereen die onrecht doet. 42. Ze zullen hen in de brandende oven gooien. Daar zullen zij huilen en knarsetanden. 43. Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren! 44. Het koninkrijk van de hemel lijkt ook op een schat die in een akker verborgen lag. Toen iemand hem vond, verborg hij hem opnieuw. Van blijdschap verkocht hij alles wat hij bezat en kocht die akker. 45. Ook lijkt het koninkrijk van de hemel op een koopman die mooie parels zocht. 46. Toen hij één zeer kostbare parel vond, verkocht hij alles wat hij bezat en kocht die parel. 47. Ook lijkt het koninkrijk van de hemel op een net dat in het meer werd uitgezet en allerlei soorten vis bijeenbracht. 48. Toen het net vol was, trokken de vissers het op de oever. Ze gingen zitten en verzamelden de goede vissen in manden. De slechte gooiden ze weg. 49. Zo zal het gaan bij het einde van de wereld. De engelen zullen eropuit gaan en de slechte mensen van de rechtvaardigen scheiden. 50. Ze zullen hen in de brandende oven gooien. Daar zullen zij huilen en knarsetanden. 51. Jezus vroeg: Hebben jullie dit alles begrepen? Zij antwoordden: Ja, Heere! 52. Hij zei: Daarom lijkt iedere schriftgeleerde die onderwijs kreeg over het koninkrijk van de hemel op een huiseigenaar. Hij haalt nieuwe en oude dingen uit zijn voorraad. 53. Toen Jezus deze gelijkenissen beëindigd had, vertrok Hij vandaar. 54. Hij kwam in Zijn vaderstad en gaf onderwijs in hun synagoge. De mensen stonden verbaasd en zeiden: Waar heeft Hij deze wijsheid en wonderkrachten vandaan? 55. Hij is toch de zoon van de timmerman? Zijn moeder heet toch Maria? Zijn broers zijn toch Jakobus, Joses, Simon en Judas? 56. En Zijn zussen wonen toch allemaal hier? Waar heeft Hij dit alles dan vandaan? 57. Ze namen aanstoot aan Hem. Jezus zei tegen hen: Een profeet wordt overal geëerd, behalve in zijn vaderstad en in zijn eigen huis. 58. Vanwege hun ongeloof deed Hij daar niet veel wonderen. ## Mattheüs 14 — Johannes sterft en Jezus toont Zijn macht en ontferming 1. In die tijd hoorde Herodes, de heerser over een deel van het land, de berichten over Jezus. 2. Hij zei tegen zijn dienaren: Deze man is Johannes de Doper. Hij is uit de dood opgewekt. Daarom werken die wonderkrachten door hem. 3. Herodes had Johannes gevangengenomen, geboeid en in de gevangenis opgesloten. Hij deed dat vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. 4. Johannes had namelijk tegen hem gezegd: Het is u niet toegestaan haar als vrouw te hebben. 5. Herodes wilde Johannes doden, maar was bang voor het volk. De mensen beschouwden Johannes namelijk als een profeet. 6. Op Herodes’ verjaardag danste de dochter van Herodias voor de gasten. Herodes genoot daarvan. 7. Daarom beloofde hij haar onder ede alles te geven wat ze zou vragen. 8. Haar moeder had haar vooraf verteld wat ze moest vragen. Daarom zei ze: Geef mij hier op een schaal het hoofd van Johannes de Doper. 9. De koning werd bedroefd. Toch gaf hij vanwege zijn eed en de gasten aan tafel opdracht haar verzoek uit te voeren. 10. Hij liet Johannes in de gevangenis onthoofden. 11. Zijn hoofd werd op een schaal gebracht en aan het meisje gegeven. Zij bracht het naar haar moeder. 12. De leerlingen van Johannes kwamen zijn lichaam halen en begroeven het. Daarna gingen ze naar Jezus en vertelden Hem wat er was gebeurd. 13. Toen Jezus dit hoorde, vertrok Hij per schip naar een afgelegen plaats om alleen te zijn. De menigten hoorden het en volgden Hem vanuit de steden te voet. 14. Toen Jezus uit het schip stapte, zag Hij een grote menigte. Hij kreeg diep medelijden met hen en genas hun zieken. 15. Tegen de avond kwamen Zijn leerlingen naar Hem toe. Ze zeiden: Deze plek is afgelegen en het is al laat. Stuur de mensen weg, zodat ze in de dorpen eten kunnen kopen. 16. Maar Jezus antwoordde: Ze hoeven niet weg te gaan. Geef hun zelf te eten. 17. Ze zeiden tegen Hem: We hebben hier maar vijf broden en twee vissen. 18. Hij zei: Breng ze hier bij mij. 19. Hij gaf de menigten opdracht in het gras te gaan zitten. Hij nam de vijf broden en twee vissen en keek omhoog naar de hemel. Daarna sprak Hij de zegen uit en brak de broden. Hij gaf ze aan de leerlingen, die ze aan de menigten uitdeelden. 20. Iedereen at en werd verzadigd. Daarna verzamelden de leerlingen twaalf manden vol overgebleven stukken. 21. Ongeveer 5.000 mannen hadden gegeten, naast de vrouwen en kinderen. 22. Meteen stond Jezus erop dat Zijn leerlingen in het schip stapten en alvast naar de overkant voeren. Ondertussen zou Hij de menigten wegsturen. 23. Nadat Hij de menigten had weggestuurd, klom Hij alleen de berg op om te bidden. Toen het avond werd, was Hij daar alleen. 24. Het schip was inmiddels midden op het meer en werd geteisterd door de golven, omdat de wind tegenzat. 25. In het laatste deel van de nacht kwam Jezus naar hen toe, terwijl Hij over het water liep. 26. Toen de leerlingen Hem over het water zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: Het is een spook! Van angst begonnen ze te schreeuwen. 27. Meteen sprak Jezus hen aan: Houd moed! Ik ben het. Wees niet bang. 28. Petrus antwoordde: Heere, als U het bent, geef mij dan opdracht over het water naar U toe te komen. 29. Jezus zei: Kom! Petrus stapte uit het schip en liep over het water naar Jezus toe. 30. Maar toen hij de sterke wind zag, werd hij bang. Hij begon te zinken en riep: Heere, red mij! 31. Meteen stak Jezus Zijn hand uit en greep hem vast. Hij zei: Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld? 32. Toen zij in het schip klommen, ging de wind liggen. 33. De mensen in het schip kwamen naar Hem toe en aanbaden Hem. Ze zeiden: U bent werkelijk Gods Zoon! 34. Nadat ze het meer waren overgestoken, kwamen ze bij Gennesaret aan land. 35. De mannen daar herkenden Jezus. Ze stuurden boodschappers door de hele omgeving en brachten iedereen die ziek was bij Hem. 36. Ze smeekten Hem of ze alleen de zoom van Zijn kleed mochten aanraken. Iedereen die Hem aanraakte, werd genezen. ## Mattheüs 15 — Jezus leert wat werkelijk onrein maakt en helpt mensen in nood 1. Daarna kwamen enkele schriftgeleerden en Farizeeën uit Jeruzalem naar Jezus toe. 2. Ze vroegen: Waarom houden Uw leerlingen zich niet aan de overlevering van de voorouders? Voor het eten wassen zij hun handen niet. 3. Jezus antwoordde: Waarom overtreden jullie Gods gebod om je eigen overlevering te volgen? 4. God heeft immers geboden: Eer je vader en je moeder. Hij zei ook: Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet sterven. 5. Maar jullie zeggen: Iemand mag tegen zijn vader of moeder zeggen: Wat ik voor u kon doen, heb ik als gave aan God bestemd. Dan hoeft hij zijn vader of moeder niet meer te eren. 6. Zo ontkrachten jullie Gods gebod met jullie overlevering. 7. Hypocrieten! Jesaja profeteerde terecht over jullie: 8. Dit volk komt met zijn mond naar mij toe en eert mij met zijn lippen. Maar hun hart blijft ver bij mij vandaan. 9. Zij eren mij zonder betekenis. Hun onderwijs bestaat uit menselijke voorschriften. 10. Toen riep Jezus de menigte bij zich en zei: Luister en begrijp dit. 11. Wat de mond binnengaat, maakt iemand niet onrein. Wat uit de mond komt, maakt iemand onrein. 12. Daarna kwamen Zijn leerlingen naar Hem toe. Ze vroegen: Weet U dat de Farizeeën aanstoot namen aan wat U zei? 13. Jezus antwoordde: Elke plant die mijn hemelse Vader niet heeft geplant, zal worden uitgetrokken. 14. Laat hen gaan. Het zijn blinde leiders van blinden. Als een blinde een andere blinde leidt, vallen ze allebei in een kuil. 15. Petrus zei tegen Hem: Leg ons deze gelijkenis uit. 16. Jezus antwoordde: Begrijpen ook jullie het nog steeds niet? 17. Begrijpen jullie niet dat alles wat de mond binnengaat, naar de buik gaat en daarna wordt uitgescheiden? 18. Maar wat uit de mond komt, komt uit het hart. Dat maakt iemand onrein. 19. Uit het hart komen kwade gedachten, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen en laster. 20. Die dingen maken iemand onrein. Eten met ongewassen handen maakt iemand niet onrein. 21. Jezus vertrok daarvandaan naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22. Kijk, een Kanaänitische vrouw uit dat gebied kwam naar Hem toe. Ze riep: Heere, Zoon van David, heb medelijden met mij! Een demon kwelt mijn dochter verschrikkelijk. 23. Maar Hij antwoordde haar niet. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen: Stuur haar weg, want ze blijft ons achterna roepen. 24. Jezus antwoordde: Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk Israël. 25. De vrouw kwam dichterbij, knielde voor Hem neer en zei: Heere, help mij! 26. Hij antwoordde: Het is niet goed om het brood van de kinderen af te nemen en het aan de hondjes te geven. 27. Ze zei: Dat klopt, Heere. Maar de hondjes eten wel de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen. 28. Toen antwoordde Jezus: Vrouw, uw geloof is groot! Het zal gebeuren zoals u wilt. Haar dochter werd op datzelfde moment genezen. 29. Jezus vertrok daarvandaan en liep langs het Meer van Galilea. Hij klom de berg op en ging daar zitten. 30. Grote menigten kwamen naar Hem toe. Ze brachten mensen mee die kreupel, blind, verlamd of niet in staat waren te spreken. Ook brachten ze veel andere zieken. Ze legden hen aan Jezus’ voeten en Hij genas hen. 31. De menigten waren verbaasd. Ze zagen mensen spreken die dat eerst niet konden, verlamden genezen, kreupelen lopen en blinden zien. Ze eerden de God van Israël. 32. Jezus riep Zijn leerlingen bij zich en zei: Ik heb diep medelijden met deze menigte. Ze zijn al drie dagen bij mij en hebben niets te eten. Ik wil hen niet met een lege maag wegsturen. Anders bezwijken ze onderweg. 33. Zijn leerlingen vroegen Hem: Hoe komen we hier in de woestijn aan genoeg brood om zo'n grote menigte te voeden? 34. Jezus vroeg: Hoeveel broden hebben jullie? Ze antwoordden: Zeven, en een paar kleine vissen. 35. Hij gaf de menigte opdracht op de grond te gaan zitten. 36. Hij nam de zeven broden en de vissen en dankte. Daarna brak Hij ze en gaf ze aan Zijn leerlingen. De leerlingen deelden ze uit aan de menigte. 37. Iedereen at en kreeg genoeg. Daarna verzamelden de leerlingen zeven manden vol met overgebleven stukken. 38. Er hadden 4.000 mannen gegeten, naast de vrouwen en kinderen. 39. Nadat Jezus de menigte had weggestuurd, stapte Hij in het schip en ging naar het gebied van Magdala. ## Mattheüs 16 — Petrus belijdt wie Jezus is en Jezus kondigt Zijn lijden aan 1. De Farizeeën en Sadduceeën kwamen naar Jezus toe om Hem op de proef te stellen. Ze vroegen Hem een teken uit de hemel te laten zien. 2. Hij antwoordde: Als het avond is, zeggen jullie: Het wordt mooi weer, want de lucht is rood. 3. En 's morgens zeggen jullie: Vandaag komt er slecht weer, want de lucht is donkerrood. Hypocrieten! Jullie kunnen het uiterlijk van de hemel beoordelen. Waarom herkennen jullie de tekenen van deze tijd dan niet? 4. Een slechte en ontrouwe generatie vraagt om een teken. Zij krijgt alleen het teken van de profeet Jona. Daarna liet Hij hen achter en ging weg. 5. Toen Zijn leerlingen aan de overkant kwamen, merkten ze dat ze vergeten waren brood mee te nemen. 6. Jezus zei tegen hen: Let goed op en pas op voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën. 7. Ze zeiden tegen elkaar: Hij zegt dit omdat we geen brood hebben meegenomen. 8. Jezus wist wat ze bespraken en zei: Kleingelovigen, waarom praten jullie erover dat jullie geen brood hebben? 9. Begrijpen jullie het nog niet? Weten jullie niet meer wat er gebeurde met de vijf broden voor 5.000 mannen? Hoeveel manden haalden jullie toen op? 10. En wat gebeurde er met de zeven broden voor 4.000 mannen? Hoeveel manden haalden jullie toen op? 11. Hoe kunnen jullie niet begrijpen dat ik niet over brood sprak? Pas op voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën. 12. Toen begrepen ze dat Hij niet waarschuwde voor zuurdesem in brood, maar voor de leer van de Farizeeën en Sadduceeën. 13. Jezus kwam in het gebied van Caesarea Filippi. Hij vroeg Zijn leerlingen: Wie ben ik, de Mensenzoon, volgens de mensen? 14. Ze antwoordden: Volgens sommigen bent U Johannes de Doper. Anderen denken aan Elia, Jeremia of een van de andere profeten. 15. Hij vroeg hun: Maar wie zeggen jullie dat ik ben? 16. Simon Petrus antwoordde: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. 17. Jezus antwoordde hem: Gelukkig ben je, Simon, zoon van Jona! Geen mens heeft je dit bekendgemaakt. Mijn Vader in de hemel heeft het je geopenbaard. 18. En ik zeg je: jij bent Petrus. Op deze rots zal ik mijn gemeente bouwen. Zelfs de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overwinnen. 19. Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven. Alles wat je op aarde bindt, zal in de hemel gebonden zijn. Alles wat je op aarde ontbindt, zal in de hemel ontbonden zijn. 20. Toen verbood Hij Zijn leerlingen iemand te vertellen dat Hij de Christus was. 21. Vanaf toen begon Jezus Zijn leerlingen uit te leggen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan. Daar zou Hij veel lijden door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden. Hij zou worden gedood en op de derde dag uit de dood worden opgewekt. 22. Petrus nam Hem apart en begon Hem tegen te spreken. Hij zei: Heere, dat mag God niet laten gebeuren! Dit zal U beslist niet overkomen. 23. Maar Jezus draaide zich om en zei tegen Petrus: Ga weg, satan! Je staat mij in de weg. Jij denkt niet aan wat God wil, maar aan wat mensen willen. 24. Toen zei Jezus tegen Zijn leerlingen: Wie mij wil volgen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en mij volgen. 25. Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven om mij verliest, zal het vinden. 26. Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zijn leven verliest? Wat kan iemand geven om zijn leven terug te krijgen? 27. De Mensenzoon zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, samen met Zijn engelen. Dan geeft Hij iedereen wat zijn daden verdienen. 28. Ik verzeker jullie: sommigen die hier staan, zullen niet sterven voordat zij de Mensenzoon in Zijn koninkrijk hebben zien komen. ## Mattheüs 17 — Jezus toont Zijn heerlijkheid en macht 1. Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes mee. Hij bracht hen apart naar een hoge berg. 2. Daar veranderde Zijn uiterlijk voor hun ogen. Zijn gezicht straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht. 3. Toen zagen ze Mozes en Elia, die met Hem spraken. 4. Petrus zei tegen Jezus: Heere, het is goed dat wij hier zijn. Als U wilt, laten wij hier drie tenten bouwen: één voor U, één voor Mozes en één voor Elia. 5. Terwijl hij nog sprak, overschaduwde een stralende wolk hen. Uit de wolk klonk een stem: Dit is mijn geliefde Zoon, in wie ik vreugde vind. Luister naar Hem! 6. Toen de leerlingen dit hoorden, vielen ze met hun gezicht op de grond. Ze waren doodsbang. 7. Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: Sta op en wees niet bang. 8. Toen zij opkeken, zagen ze niemand meer behalve Jezus. 9. Terwijl zij de berg afdaalden, gebood Jezus hun: Vertel niemand wat jullie hebben gezien, totdat de Mensenzoon uit de dood is opgestaan. 10. De leerlingen vroegen Hem: Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen? 11. Jezus antwoordde: Elia komt inderdaad eerst en zal alles herstellen. 12. Maar ik zeg jullie: Elia is al gekomen, maar de mensen herkenden hem niet. Ze deden met hem wat ze wilden. Zo zal ook de Mensenzoon door hen lijden. 13. Toen begrepen de leerlingen dat Hij over Johannes de Doper had gesproken. 14. Toen zij bij de menigte kwamen, kwam een man naar Jezus toe. Hij knielde voor Hem neer en zei: 15. Heere, ontferm U over mijn zoon. Hij heeft hevige aanvallen en lijdt zwaar. Vaak valt hij in het vuur of in het water. 16. Ik heb hem bij Uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen. 17. Jezus antwoordde: Ongelovige en verdorven generatie! Hoelang moet ik nog bij jullie zijn? Hoelang moet ik jullie nog verdragen? Breng hem hier bij mij. 18. Jezus bestrafte de demon. Die ging uit de jongen weg, en vanaf dat moment was de jongen genezen. 19. Later kwamen de leerlingen alleen bij Jezus. Ze vroegen: Waarom konden wij de demon niet uitdrijven? 20. Jezus antwoordde: Door jullie ongeloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, kunnen jullie tegen deze berg zeggen: Ga van hier naar daar! Dan zal hij gaan. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn. 21. Dit soort demonen gaat alleen weg door bidden en vasten. 22. Terwijl zij door Galilea trokken, zei Jezus tegen hen: De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen van mensen. 23. Zij zullen Hem doden, maar op de derde dag wordt Hij opgewekt. De leerlingen werden diep bedroefd. 24. Toen zij in Kapernaüm aankwamen, kwamen de inners van de tempelbelasting naar Petrus. Zij vroegen: Betaalt jullie meester de belasting van twee drachmen niet? 25. Petrus antwoordde: Jawel. Toen hij in huis kwam, sprak Jezus hem als eerste aan: Wat denk je, Simon? Van wie innen aardse koningen tol of belasting: van hun eigen zonen of van anderen? 26. Petrus antwoordde: Van anderen. Jezus zei tegen hem: Dan zijn de zonen dus vrij. 27. Maar om hun geen aanstoot te geven, ga je naar het meer en werp je de hengel uit. Neem de eerste vis die je vangt en open zijn bek. Daar vind je een munt. Geef die aan hen voor mij en jou. ## Mattheüs 18 — Nederigheid, zorg voor elkaar en vergeving 1. Op dat moment kwamen de leerlingen naar Jezus toe. Ze vroegen: Wie is de grootste in het koninkrijk van de hemel? 2. Jezus riep een kind bij zich en zette het in hun midden. 3. Hij zei: Ik verzeker jullie: als jullie niet veranderen en worden als kinderen, zullen jullie het koninkrijk van de hemel beslist niet binnengaan. 4. Wie zich dus nederig maakt zoals dit kind, is de grootste in het koninkrijk van de hemel. 5. Wie zo'n kind in mijn naam ontvangt, ontvangt mij. 6. Maar wie één van deze kleinen die in mij geloven tot zonde verleidt, is er slecht aan toe. Voor hem zou het beter zijn als hij met een zware molensteen om zijn hals in de diepe zee verdronk. 7. Wee de wereld door alles wat mensen tot zonde verleidt! Zulke verleidingen moeten komen, maar wee de mens door wie ze komen. 8. Als je hand of voet je tot zonde verleidt, hak hem af en gooi hem weg. Je kunt beter verminkt of kreupel het leven binnengaan dan met twee handen of voeten in het eeuwige vuur worden geworpen. 9. Als je oog je tot zonde verleidt, ruk het uit en gooi het weg. Je kunt beter met één oog het leven binnengaan dan met twee ogen in het vuur van de hel worden geworpen. 10. Pas op dat jullie niet één van deze kleinen verachten. Ik zeg jullie: hun engelen in de hemel zien altijd het gezicht van mijn Vader in de hemel. 11. Want de Mensenzoon is gekomen om te redden wat verloren was. 12. Wat denken jullie? Stel dat iemand 100 schapen heeft en één ervan afdwaalt. Laat hij de 99 dan niet achter en gaat hij niet de bergen in om het verdwaalde schaap te zoeken? 13. Als hij het vindt, verzeker ik jullie dat hij blijer is met dat ene schaap dan met de 99 die niet afdwaalden. 14. Zo wil jullie Vader in de hemel niet dat één van deze kleinen verloren gaat. 15. Als je broer tegen je zondigt, ga dan naar hem toe en spreek hem onder vier ogen aan. Als hij naar je luistert, heb je je broer teruggewonnen. 16. Luistert hij niet, neem dan nog één of twee mensen mee. Zo komt elke zaak vast te staan door de verklaring van twee of drie getuigen. 17. Luistert hij ook niet naar hen, vertel het dan aan de gemeente. Luistert hij zelfs niet naar de gemeente, beschouw hem dan als een heiden en tollenaar. 18. Ik verzeker jullie: alles wat jullie op aarde binden, zal in de hemel gebonden zijn. Alles wat jullie op aarde ontbinden, zal in de hemel ontbonden zijn. 19. Ik zeg jullie ook: als twee van jullie het op aarde eens worden over iets wat zij vragen, zal mijn hemelse Vader het hun geven. 20. Want waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, ben ik in hun midden. 21. Toen kwam Petrus naar Hem toe en vroeg: Heere, hoe vaak moet ik mijn broer vergeven als hij tegen mij zondigt? Tot zeven keer toe? 22. Jezus antwoordde: Ik zeg je: niet zeven keer, maar 70 maal zeven. 23. Daarom lijkt het koninkrijk van de hemel op een koning die met zijn dienaren wilde afrekenen. 24. Toen hij daarmee begon, brachten ze een dienaar bij hem met een schuld van 10.000 talenten. Dat was een onbetaalbaar bedrag. 25. De man kon niet betalen. Daarom beval zijn heer dat hijzelf, zijn vrouw, zijn kinderen en al zijn bezittingen verkocht moesten worden. Zo kon de schuld worden betaald. 26. De dienaar knielde voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij. Ik zal u alles betalen. 27. De heer kreeg diep medelijden met zijn dienaar. Hij liet hem vrij en schold hem de schuld kwijt. 28. Toen die dienaar wegging, trof hij een mededienaar die hem 100 penningen schuldig was. Hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je mij schuldig bent! 29. De mededienaar viel voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij. Ik zal u alles betalen. 30. Maar hij weigerde. Hij liet zijn mededienaar in de gevangenis gooien, totdat die de schuld zou hebben betaald. 31. Toen de andere dienaren zagen wat er was gebeurd, werden zij diep bedroefd. Ze gingen naar hun heer en vertelden hem alles. 32. Daarop riep de heer hem bij zich en zei: Slechte dienaar! Ik heb je die hele schuld kwijtgescholden, omdat je mij erom smeekte. 33. Had jij dan geen medelijden met je mededienaar moeten hebben, zoals ik medelijden met jou had? 34. Zijn heer werd woedend en leverde hem over aan de folteraars. Hij moest daar blijven totdat hij alles had betaald. 35. Zo zal mijn hemelse Vader ook met jullie doen als ieder van jullie de overtredingen van zijn broer niet van harte vergeeft. ## Mattheüs 19 — Jezus spreekt over huwelijk, rijkdom en volgen 1. Nadat Jezus deze woorden had uitgesproken, vertrok Hij uit Galilea. Hij ging naar het gebied van Judea, aan de overkant van de Jordaan. 2. Grote menigten volgden Hem, en daar genas Hij hen. 3. Enkele Farizeeën kwamen Hem op de proef stellen. Ze vroegen: Mag een man om elke willekeurige reden van zijn vrouw scheiden? 4. Jezus antwoordde: Hebben jullie niet gelezen dat de Schepper de mensen vanaf het begin als man en vrouw maakte? 5. En Hij zei: Daarom verlaat een man zijn vader en moeder en hecht hij zich aan zijn vrouw. Die twee worden één vlees. 6. Zo zijn ze niet langer twee, maar één vlees. Wat God heeft samengevoegd, mag een mens niet scheiden. 7. De Farizeeën vroegen Hem: Waarom heeft Mozes dan opgedragen haar een scheidingsbrief te geven en van haar te scheiden? 8. Hij antwoordde: Mozes heeft jullie vanwege jullie harde hart toegestaan van jullie vrouwen te scheiden. Vanaf het begin was dat niet zo. 9. Maar ik zeg jullie: wie van zijn vrouw scheidt, behalve wegens seksuele ontrouw, en met een andere vrouw trouwt, pleegt overspel. Wie met de verlaten vrouw trouwt, pleegt ook overspel. 10. Zijn leerlingen zeiden tegen Hem: Als de verhouding tussen een man en zijn vrouw zo ligt, kun je beter niet trouwen. 11. Jezus antwoordde: Niet iedereen kan deze woorden aanvaarden, alleen de mensen aan wie dit gegeven is. 12. Sommige mannen kunnen vanaf hun geboorte niet trouwen. Anderen kunnen dat niet doordat mensen hen hebben gecastreerd. Weer anderen kiezen voor een ongehuwd leven omwille van het koninkrijk van de hemel. Wie dit kan aanvaarden, moet het aanvaarden. 13. Toen brachten mensen kinderen bij Jezus. Zij wilden dat Hij hun de handen oplegde en voor hen bad. Maar de leerlingen wezen deze mensen streng terecht. 14. Maar Jezus zei: Laat de kinderen bij mij komen en houd hen niet tegen. Want het koninkrijk van de hemel is voor mensen zoals zij. 15. Hij legde hun de handen op en vertrok daarna. 16. Er kwam een jongeman naar Jezus. Hij vroeg: Goede Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te ontvangen? 17. Jezus antwoordde: Waarom noem je mij goed? Alleen God is goed. Als je het leven wilt binnengaan, houd je dan aan de geboden. 18. Welke geboden? vroeg hij. Jezus antwoordde: Je mag niet doden, geen overspel plegen, niet stelen en geen vals getuigenis geven. 19. Eer je vader en moeder. Heb je naaste lief als jezelf. 20. De jongeman zei: Aan al deze geboden heb ik mij vanaf mijn jeugd gehouden. Wat ontbreekt mij nog? 21. Jezus antwoordde: Als je volmaakt wilt zijn, ga dan weg en verkoop alles wat je hebt. Geef de opbrengst aan de armen. Dan zul je een schat in de hemel hebben. Kom daarna en volg mij. 22. Toen de jongeman dit hoorde, ging hij verdrietig weg, want hij bezat veel. 23. Jezus zei tegen Zijn leerlingen: Ik verzeker jullie: voor een rijke is het moeilijk om het koninkrijk van de hemel binnen te gaan. 24. Ik zeg het nog eens: een kameel gaat gemakkelijker door het oog van een naald dan dat een rijke Gods koninkrijk binnengaat. 25. De leerlingen schrokken hevig. Ze vroegen: Wie kan er dan gered worden? 26. Jezus keek hen aan en antwoordde: Voor mensen is dit onmogelijk, maar voor God is alles mogelijk. 27. Toen zei Petrus tegen Hem: Kijk, wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. Wat zullen wij daarvoor ontvangen? 28. Jezus antwoordde: Ik verzeker jullie: wanneer alles vernieuwd wordt en de Mensenzoon op Zijn glorierijke troon zit, zullen jullie ook op twaalf tronen zitten. Dan zullen jullie de twaalf stammen van Israël oordelen. 29. Iedereen die om mijn naam huizen, broers, zussen, vader, moeder, vrouw, kinderen of akkers verlaat, zal 100 keer zoveel ontvangen. Die zal ook het eeuwige leven erven. 30. Maar veel mensen die nu de eersten zijn, zullen de laatsten zijn. En veel laatsten zullen de eersten zijn. ## Mattheüs 20 — Genade, dienstbaarheid en medelijden 1. Het koninkrijk van de hemel lijkt namelijk op een landeigenaar die 's morgens vroeg arbeiders voor zijn wijngaard ging huren. 2. Hij sprak met hen een dagloon van één penning af en stuurde hen naar zijn wijngaard. 3. Rond negen uur 's morgens ging hij weer naar buiten. Op de markt zag hij anderen staan die nog geen werk hadden. 4. Hij zei tegen hen: Ga ook in mijn wijngaard werken. Ik zal jullie geven wat redelijk is. Toen gingen ze aan het werk. 5. Rond het middaguur en rond drie uur deed hij hetzelfde. 6. Rond vijf uur ging hij opnieuw naar buiten. Hij zag nog anderen staan en vroeg: Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk? 7. Zij antwoordden: Omdat niemand ons heeft ingehuurd. Hij zei: Ga ook in mijn wijngaard werken. Jullie krijgen wat redelijk is. 8. Toen het avond werd, zei de eigenaar van de wijngaard tegen zijn beheerder: Roep de arbeiders en betaal hun het loon. Begin bij de laatsten en eindig bij de eersten. 9. De arbeiders die rond vijf uur waren ingehuurd, kwamen en kregen ieder één penning. 10. Toen de eerste arbeiders kwamen, dachten zij dat ze meer zouden krijgen. Maar ook zij kregen ieder één penning. 11. Nadat zij het geld hadden gekregen, mopperden ze tegen de landeigenaar. 12. Ze zeiden: De laatsten hebben maar één uur gewerkt. Toch behandelt u hen hetzelfde als ons, terwijl wij de hele dag in de hitte hebben gewerkt. 13. Maar hij antwoordde een van hen: Vriend, ik doe je geen onrecht. We hadden toch samen één penning afgesproken? 14. Neem je loon en ga. Ik wil de laatste arbeider evenveel geven als jou. 15. Mag ik met mijn eigen geld niet doen wat ik wil? Ben je jaloers omdat ik goed ben? 16. Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten. Want veel mensen zijn geroepen, maar weinig uitgekozen. 17. Onderweg naar Jeruzalem nam Jezus de twaalf leerlingen apart. Hij zei tegen hen: 18. We gaan naar Jeruzalem. Daar wordt de Mensenzoon overgeleverd aan de overpriesters en schriftgeleerden. Zij zullen Hem ter dood veroordelen. 19. Daarna leveren zij Hem over aan de heidenen. Die zullen Hem bespotten, geselen en kruisigen. Maar op de derde dag zal Hij opstaan. 20. Daarna kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar Jezus. Ze knielde voor Hem neer en wilde Hem iets vragen. 21. Jezus vroeg haar: Wat wilt u? Zij antwoordde: Laat mijn twee zonen in Uw koninkrijk naast U zitten: één rechts en één links. 22. Jezus antwoordde: Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie de beker drinken die ik zal drinken? Kunnen jullie dezelfde doop ondergaan als ik? Zij antwoordden: Dat kunnen we. 23. Hij zei: Jullie zullen inderdaad mijn beker drinken en dezelfde doop ondergaan als ik. Maar ik ben niet degene die de plaatsen rechts en links van mij uitdeelt. Ze zijn bestemd voor wie mijn Vader ze heeft bereid. 24. Toen de andere tien dit hoorden, werden zij boos op de twee broers. 25. Jezus riep hen bij zich en zei: Jullie weten dat de leiders van de volken over hun mensen heersen. Hun hooggeplaatsten oefenen macht over hen uit. 26. Zo mag het onder jullie niet zijn. Wie bij jullie belangrijk wil worden, moet jullie dienen. 27. Wie onder jullie de eerste wil zijn, moet jullie slaaf zijn. 28. Want ook de Mensenzoon kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen. Hij kwam om Zijn leven te geven als losprijs voor velen. 29. Toen zij Jericho verlieten, volgde een grote menigte Hem. 30. Langs de weg zaten twee blinde mannen. Toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, riepen ze: Heere, Zoon van David, ontferm U over ons! 31. De menigte gebood hun te zwijgen. Maar zij riepen nog harder: Heere, Zoon van David, ontferm U over ons! 32. Jezus bleef staan, riep hen en vroeg: Wat willen jullie dat ik voor jullie doe? 33. Zij antwoordden: Heere, wij willen dat onze ogen opengaan! 34. Jezus kreeg diep medelijden en raakte hun ogen aan. Meteen konden zij zien, en ze volgden Hem. ## Mattheüs 21 — De Koning komt en stelt de leiders ter verantwoording 1. Toen zij Jeruzalem naderden, kwamen ze bij Bethfagé aan de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee leerlingen vooruit. Hij zei tegen hen: 2. Ga naar het dorp tegenover jullie. Daar vinden jullie meteen een vastgebonden ezelin met haar veulen. Maak ze los en breng ze bij mij. 3. Als iemand jullie daarover aanspreekt, zeg dan: De Heere heeft ze nodig. Dan zal hij ze meteen meegeven. 4. Dit gebeurde om in vervulling te laten gaan wat de profeet had gezegd: 5. Zeg tegen dochter Sion: Kijk, uw koning komt naar u toe. Hij is zachtmoedig en rijdt op een ezel, op het veulen van een lastdier. 6. De leerlingen gingen op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen. 7. Ze brachten de ezelin en het veulen. Ze legden hun mantels op de dieren en Jezus ging erop zitten. 8. De meeste mensen spreidden hun mantels over de weg. Anderen sneden takken van de bomen en legden die op de weg. 9. De mensen voor en achter Jezus riepen: Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heere! Hosanna in de hoogste hemel! 10. Toen Jezus Jeruzalem binnenkwam, raakte de hele stad in beroering. De inwoners vroegen: Wie is deze man? 11. De menigte antwoordde: Dit is Jezus, de profeet uit Nazareth in Galilea. 12. Jezus ging Gods tempel binnen en joeg iedereen weg die daar handelde. Hij gooide de tafels van geldwisselaars en de stoelen van duivenverkopers om. 13. Hij zei tegen hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd. Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt. 14. In de tempel kwamen blinde en verlamde mensen naar Hem toe, en Hij genas hen. 15. De overpriesters en schriftgeleerden zagen Zijn wonderen. Ook hoorden ze de kinderen in de tempel roepen: Hosanna voor de Zoon van David! Daar werden zij zeer verontwaardigd over. 16. Ze vroegen Jezus: Hoort U wat deze kinderen zeggen? Jezus antwoordde: Ja. Hebben jullie nooit gelezen: Uit de mond van kinderen en baby's hebt U lof laten klinken? 17. Toen liet Hij hen achter. Hij verliet de stad en ging naar Bethanië, waar Hij overnachtte. 18. Toen Jezus de volgende ochtend naar de stad terugging, kreeg Hij honger. 19. Langs de weg zag Hij een vijgenboom. Hij ging erheen, maar vond alleen bladeren. Daarom zei Hij tegen de boom: Er zal nooit meer vrucht aan u groeien! Meteen verdorde de vijgenboom. 20. Toen de leerlingen dat zagen, waren ze verbaasd. Ze vroegen: Hoe kon de vijgenboom zo snel verdorren? 21. Jezus antwoordde: Ik verzeker jullie: als jullie geloven en niet twijfelen, kunnen jullie doen wat met deze vijgenboom gebeurde. Jullie kunnen zelfs tegen deze berg zeggen: Kom omhoog en stort je in zee! Dan zal het gebeuren. 22. Alles wat jullie gelovig in het gebed vragen, zullen jullie ontvangen. 23. Jezus ging de tempel binnen en gaf daar onderwijs. De overpriesters en volksoudsten kwamen naar Hem toe en vroegen: Met welk gezag doet U deze dingen? Wie heeft U dat gezag gegeven? 24. Jezus antwoordde: Ik stel jullie ook één vraag. Als jullie die beantwoorden, vertel ik met welk gezag ik deze dingen doe. 25. Kwam de doop van Johannes uit de hemel of van mensen? Zij overlegden met elkaar: Als we zeggen: Uit de hemel, zal Hij vragen: Waarom hebben jullie Johannes dan niet geloofd? 26. Maar als we zeggen: Van mensen, moeten we bang zijn voor de menigte. Iedereen houdt Johannes namelijk voor een profeet. 27. Daarom antwoordden zij Jezus: Wij weten het niet. Toen zei Hij: Dan vertel ik jullie ook niet met welk gezag ik deze dingen doe. 28. Wat denken jullie hiervan? Een man had twee zonen. Hij ging naar de eerste en zei: Zoon, ga vandaag in mijn wijngaard werken. 29. De zoon antwoordde: Ik wil niet. Later kreeg hij spijt en ging hij toch. 30. De vader ging naar de tweede zoon en vroeg hetzelfde. Die antwoordde: Ja, heer, ik ga. Maar hij ging niet. 31. Wie van deze twee deed wat zijn vader wilde? Zij antwoordden: De eerste. Jezus zei tegen hen: Ik verzeker jullie: tollenaars en prostituees gaan eerder dan jullie Gods koninkrijk binnen. 32. Johannes kwam namelijk bij jullie en liet zien hoe je rechtvaardig leeft. Toch geloofden jullie hem niet. De tollenaars en prostituees geloofden hem wel. Zelfs toen jullie dat zagen, kregen jullie geen berouw en geloofden jullie hem nog steeds niet. 33. Luister naar een andere gelijkenis. Een landeigenaar plantte een wijngaard en zette er een omheining omheen. Hij groef een wijnpers en bouwde een wachttoren. Daarna verhuurde hij de wijngaard aan landbouwers en reisde naar het buitenland. 34. Toen de oogsttijd naderde, stuurde hij zijn dienaren naar de landbouwers om zijn deel van de opbrengst te ontvangen. 35. Maar de landbouwers grepen zijn dienaren. Ze sloegen de één, doodden een ander en stenigden een derde. 36. Daarna stuurde hij meer dienaren dan de eerste keer. De landbouwers behandelden hen op dezelfde manier. 37. Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe. Hij dacht: Voor mijn zoon zullen ze wel respect hebben. 38. Toen de landbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: Dat is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en zijn erfenis zelf houden. 39. Ze grepen hem, gooiden hem buiten de wijngaard en doodden hem. 40. Wat zal de eigenaar met die landbouwers doen wanneer hij komt? 41. Zij antwoordden: Hij zal die slechte mannen op een vreselijke manier ombrengen. Daarna verhuurt hij de wijngaard aan andere landbouwers, die hem op tijd zijn opbrengst geven. 42. Jezus zei tegen hen: Hebben jullie nooit in de Schriften gelezen: De steen die de bouwers afkeurden, is de belangrijkste hoeksteen geworden. De Heere heeft dit gedaan, en in onze ogen is het wonderlijk? 43. Daarom zeg ik jullie: Gods koninkrijk wordt van jullie afgenomen. Het wordt gegeven aan een volk dat de bijbehorende vruchten voortbrengt. 44. Wie op deze steen valt, wordt verpletterd. Wie door de steen wordt getroffen, wordt volledig vermorzeld. 45. Toen de overpriesters en Farizeeën deze gelijkenissen hoorden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. 46. Ze wilden Hem gevangen nemen, maar waren bang voor de menigte. De mensen beschouwden Jezus namelijk als een profeet. ## Mattheüs 22 — Uitgenodigd tot het feest en beproefd met vragen 1. Jezus sprak opnieuw tot hen door middel van gelijkenissen: 2. Het koninkrijk van de hemel lijkt op een koning die voor zijn zoon een bruiloftsfeest organiseerde. 3. Hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor het feest te roepen, maar zij wilden niet komen. 4. Toen stuurde hij andere dienaren met de opdracht: Zeg tegen de genodigden: Mijn maaltijd staat klaar. Mijn ossen en vetgemeste dieren zijn geslacht, en alles is gereed. Kom naar het bruiloftsfeest! 5. De genodigden trokken zich er niets van aan. De één ging naar zijn akker en de ander naar zijn bedrijf. 6. De overigen grepen de dienaren, mishandelden hen en doodden hen. 7. Toen de koning dit hoorde, werd hij woedend. Hij stuurde zijn legers, liet de moordenaars ombrengen en stak hun stad in brand. 8. Daarna zei hij tegen zijn dienaren: Het bruiloftsfeest is klaar, maar de genodigden waren het niet waard. 9. Ga daarom de grote wegen op. Nodig iedereen uit die jullie daar vinden. 10. De dienaren gingen de wegen op en verzamelden iedereen die ze vonden, slechte én goede mensen. Zo vulde de feestzaal zich met gasten. 11. De koning kwam binnen om de gasten te bekijken. Daar zag hij iemand die geen bruiloftskleding droeg. 12. Hij vroeg hem: Vriend, hoe bent u hier zonder bruiloftskleding binnengekomen? De man wist niets te zeggen. 13. Toen zei de koning tegen zijn dienaren: Bind zijn handen en voeten. Neem hem mee en gooi hem buiten in de diepste duisternis. Daar zal hij huilen en knarsetanden. 14. Want veel mensen zijn geroepen, maar weinig zijn uitgekozen. 15. Toen vertrokken de Farizeeën. Ze overlegden hoe ze Jezus met Zijn eigen woorden in de val konden lokken. 16. Ze stuurden hun leerlingen samen met de Herodianen naar Hem toe. Die zeiden: Meester, wij weten dat U oprecht bent en de weg van God eerlijk onderwijst. U laat zich door niemand beïnvloeden en trekt niemand voor. 17. Vertel ons daarom wat U ervan vindt. Is het toegestaan belasting aan de keizer te betalen of niet? 18. Maar Jezus doorzag hun kwade bedoeling en zei: 19. Huichelaars, waarom stellen jullie mij op de proef? Laat mij de munt zien waarmee de belasting wordt betaald. Ze brachten Hem een penning. 20. Hij vroeg hun: Van wie zijn deze afbeelding en dit opschrift? 21. Zij antwoordden: Van de keizer. Toen zei Hij: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. 22. Toen zij dit hoorden, waren ze verbaasd. Ze lieten Hem achter en gingen weg. 23. Diezelfde dag kwamen Sadduceeën naar Jezus. Zij beweren dat er geen opstanding uit de dood is. Ze stelden Hem een vraag: 24. Meester, Mozes heeft gezegd: Als een getrouwde man kinderloos sterft, moet zijn broer met de weduwe trouwen. Zo moet hij voor zijn overleden broer nakomelingen verwekken. 25. Nu waren er bij ons zeven broers. De eerste trouwde en stierf kinderloos. Hij liet zijn vrouw na aan zijn broer. 26. Met de tweede en de derde gebeurde hetzelfde, tot en met de zevende. 27. Als laatste van allemaal stierf ook de vrouw. 28. Van wie van de zeven is zij dan de vrouw bij de opstanding? Ze zijn immers allemaal met haar getrouwd geweest. 29. Jezus antwoordde: Jullie hebben het mis, omdat jullie de Schriften en Gods kracht niet kennen. 30. Na de opstanding trouwen mannen en vrouwen niet. Ze zijn dan als Gods engelen in de hemel. 31. Wat de opstanding van de doden betreft: hebben jullie niet gelezen wat God tegen jullie heeft gezegd? 32. Ik ben de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. God is niet de God van doden, maar van levenden. 33. Toen de menigte dit hoorde, stond ze versteld van Zijn onderwijs. 34. De Farizeeën hoorden dat Jezus de Sadduceeën het zwijgen had opgelegd. Daarom kwamen ze bij elkaar. 35. Een van hen was een wetgeleerde. Hij stelde Jezus een vraag om Hem op de proef te stellen: 36. Meester, wat is het belangrijkste gebod in de wet? 37. Jezus antwoordde: Heb de Heere, uw God, lief met heel uw hart, heel uw ziel en heel uw verstand. 38. Dit is het eerste en belangrijkste gebod. 39. Het tweede gebod is daaraan gelijk: Heb uw naaste lief als uzelf. 40. Deze twee geboden vormen de basis van de hele wet en de profeten. 41. Toen de Farizeeën bij elkaar waren, stelde Jezus hun een vraag. 42. Hij vroeg: Wat denken jullie over de Messias? Wiens Zoon is Hij? Zij antwoordden: Davids Zoon. 43. Jezus vroeg hun: Waarom noemt David Hem dan, geleid door de Geest, zijn Heere? David zegt namelijk: 44. De Heere zei tegen mijn Heere: Ga aan mijn rechterhand zitten, totdat ik Uw vijanden als een voetbank onder Uw voeten leg. 45. Als David Hem dus zijn Heere noemt, hoe kan Hij dan tegelijk zijn Zoon zijn? 46. Niemand kon Hem daarop antwoorden. Vanaf die dag durfde niemand Hem nog iets te vragen. ## Mattheüs 23 — Jezus waarschuwt voor huichelarij en klaagt Jeruzalem aan 1. Toen sprak Jezus de menigte en Zijn leerlingen toe. 2. Hij zei: De schriftgeleerden en de Farizeeën zitten op de stoel van Mozes. 3. Houd jullie daarom aan alles wat zij jullie opdragen en doe het. Volg alleen hun voorbeeld niet, want ze zeggen het wel maar doen het niet. 4. Ze leggen mensen zware lasten op die bijna niet te dragen zijn. Zelf willen ze die lasten nog niet met één vinger aanraken. 5. Alles wat ze doen, doen ze om door mensen gezien te worden. Ze dragen extra brede gebedsriemen en extra lange kwasten aan hun kleren. 6. Ze zitten graag op de ereplaatsen bij maaltijden en op de voorste plaatsen in de synagogen. 7. Op de markten worden ze graag eerbiedig begroet. Ze willen dat de mensen tegen hen zeggen: Rabbi, Rabbi! 8. Maar laat je niet Rabbi noemen. Jullie hebben maar één meester: Christus. En jullie zijn allemaal broers. 9. Noem op aarde niemand jullie vader. Jullie hebben namelijk maar één Vader, die in de hemel is. 10. Laat je ook geen meester noemen. Jullie hebben maar één meester: Christus. 11. De belangrijkste onder jullie moet juist jullie dienaar zijn. 12. Wie zichzelf verheft, zal vernederd worden. Wie zichzelf vernedert, zal verheven worden. 13. Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Jullie sluiten het koninkrijk van de hemel voor de mensen. Zelf gaan jullie niet naar binnen en jullie houden anderen tegen. 14. Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Jullie beroven weduwen van hun huizen en bidden lang om vroom te lijken. Daarom zullen jullie des te zwaarder worden veroordeeld. 15. Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Jullie reizen zee en land af om één mens tot jullie geloof te bekeren. Daarna maken jullie hem tweemaal zo geschikt voor de hel als jullie zelf. 16. Wee jullie, blinde leiders! Jullie zeggen: Een eed bij de tempel bindt niemand. Maar wie zweert bij het goud van de tempel, moet zijn eed houden. 17. Dwaze, blinde mensen! Wat is belangrijker: het goud of de tempel die het goud heiligt? 18. Jullie zeggen ook: Een eed bij het altaar bindt niemand. Maar wie zweert bij de gave op het altaar, moet zijn eed houden. 19. Dwaze, blinde mensen! Wat is belangrijker: de gave of het altaar dat de gave heiligt? 20. Wie bij het altaar zweert, zweert dus zowel bij het altaar als bij alles wat erop ligt. 21. Wie bij de tempel zweert, zweert zowel bij de tempel als bij Hem die daarin woont. 22. Wie bij de hemel zweert, zweert bij Gods troon en bij Hem die daarop zit. 23. Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Zelfs van muntkruid, dille en komijn geven jullie een tiende. Maar jullie verwaarlozen de belangrijkste zaken van de wet: recht, barmhartigheid en trouw. Jullie moeten het ene doen zonder het andere na te laten. 24. Blinde leiders! Jullie zeven een mug uit jullie drinken, maar slikken een kameel door. 25. Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Jullie maken beker en schaal van buiten schoon. Vanbinnen zitten ze echter vol roofzucht en mateloosheid. 26. Blinde Farizeeër! Maak eerst de binnenkant van de beker en de schaal schoon. Dan wordt ook de buitenkant schoon. 27. Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Jullie lijken op witgepleisterde graven. Die zien er vanbuiten mooi uit. Vanbinnen liggen ze vol botten van dode mensen en allerlei onreinheid. 28. Zo lijken ook jullie vanbuiten rechtvaardig voor de mensen. Maar vanbinnen zijn jullie vol huichelarij en wetteloosheid. 29. Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Jullie bouwen de graven van de profeten op en versieren de graftekens van rechtvaardige mensen. 30. Jullie zeggen: Als wij in de tijd van onze voorouders hadden geleefd, zouden we niet hebben meegedaan aan het vergieten van profetenbloed. 31. Daarmee getuigen jullie tegen julliezelf dat jullie nakomelingen zijn van de mensen die de profeten hebben gedood. 32. Maak dan maar af wat jullie voorouders zijn begonnen! 33. Slangen! Addergebroed! Hoe zouden jullie aan de straf van de hel kunnen ontkomen? 34. Let op! Ik stuur profeten, wijzen en schriftgeleerden naar jullie toe. Sommigen van hen zullen jullie doden en kruisigen. Anderen zullen jullie in synagogen geselen en van stad tot stad vervolgen. 35. Daardoor zal al het rechtvaardige bloed dat op aarde is vergoten, op jullie neerkomen. Het begint bij de rechtvaardige Abel en loopt door tot Zacharia, de zoon van Barachia. Hem hebben jullie tussen de tempel en het altaar gedood. 36. Ik verzeker jullie: dit alles zal over deze generatie komen. 37. Jeruzalem, Jeruzalem! Jij doodt de profeten en stenigt de mensen die naar jou toe zijn gestuurd. Hoe vaak heb ik jouw kinderen bijeen willen brengen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt! Maar jij wilde niet. 38. Jullie huis wordt verlaten en blijft woest achter. 39. Want ik zeg jullie: vanaf nu zullen jullie mij niet meer zien. Jullie zien mij pas weer wanneer jullie zeggen: Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heere! ## Mattheüs 24 — De verwoesting, de komst van de Mensenzoon en waakzaamheid 1. Jezus verliet de tempel. Terwijl Hij wegging, kwamen Zijn leerlingen naar Hem toe om Hem op de tempelgebouwen te wijzen. 2. Jezus zei: Zien jullie dit allemaal? Ik verzeker jullie: geen enkele steen zal hier op een andere blijven liggen. Alles wordt afgebroken. 3. Later zat Hij op de Olijfberg. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe toen er verder niemand bij was. Ze vroegen: Zeg ons, wanneer gebeurt dit? Welk teken kondigt Uw komst en het einde van de wereld aan? 4. Jezus antwoordde: Pas op dat niemand jullie misleidt. 5. Veel mensen zullen in mijn naam komen. Ze zullen zeggen: Ik ben de Christus. Zo zullen ze veel mensen misleiden. 6. Jullie zullen horen over oorlogen en berichten over oorlogen. Laat je daardoor niet bang maken. Die dingen moeten gebeuren, maar dan is het einde er nog niet. 7. Het ene volk zal tegen het andere strijden en het ene koninkrijk tegen het andere. Op verschillende plaatsen komen hongersnoden, epidemieën en aardbevingen. 8. Dit alles is nog maar het begin van de weeën. 9. Dan zullen mensen jullie aan vervolging uitleveren en doden. Alle volken zullen jullie haten vanwege mijn naam. 10. Veel mensen zullen dan hun geloof opgeven. Ze zullen elkaar uitleveren en elkaar haten. 11. Er zullen veel valse profeten verschijnen die veel mensen misleiden. 12. Omdat de wetteloosheid steeds groter wordt, zal bij veel mensen de liefde verkillen. 13. Maar wie tot het einde volhoudt, zal gered worden. 14. Dit goede nieuws van het koninkrijk zal over de hele wereld worden verkondigd, als een getuigenis voor alle volken. Dan komt het einde. 15. Jullie zullen de verwoestende gruwel waarover de profeet Daniël sprak, op de heilige plaats zien staan. Laat de lezer goed begrijpen wat dit betekent. 16. Wie dan in Judea is, moet naar de bergen vluchten. 17. Wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan om iets uit huis te halen. 18. Wie op het land is, moet niet teruggaan om zijn kleren op te halen. 19. Wat zal het zwaar zijn voor zwangere vrouwen en moeders die in die dagen borstvoeding geven! 20. Bid dat jullie niet in de winter of op een sabbat hoeven te vluchten. 21. Dan komt er een grote verdrukking, zoals er vanaf het begin van de wereld tot nu toe nooit is geweest. Zo'n verdrukking komt ook nooit meer. 22. Als die dagen niet werden verkort, zou geen mens het overleven. Maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort. 23. Als iemand dan tegen jullie zegt: Kijk, hier is de Christus! Of iemand zegt: Daar is Hij! Geloof het dan niet. 24. Er zullen valse messiassen en valse profeten opstaan. Zij zullen grote tekenen en wonderen doen. Als het mogelijk was, zouden ze zelfs de uitverkorenen misleiden. 25. Let op, ik heb jullie van tevoren gewaarschuwd! 26. Als mensen zeggen: Hij is in de woestijn! Ga er dan niet heen. Als ze zeggen: Hij is in een binnenkamer! Geloof het dan niet. 27. De komst van de Mensenzoon zal zijn als de bliksem. Die flitst in het oosten en is zichtbaar tot in het westen. 28. Waar een dood lichaam ligt, daar verzamelen de arenden zich. 29. Meteen na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden. De maan geeft dan geen licht. De sterren zullen uit de hemel vallen en de hemelse krachten worden bewogen. 30. Dan verschijnt in de hemel het teken van de Mensenzoon. Alle volken op aarde zullen rouwen. Ze zullen de Mensenzoon op de wolken van de hemel zien komen, met grote kracht en heerlijkheid. 31. Hij zal Zijn engelen uitsturen met luid trompetgeschal. Zij zullen de mensen die Hij heeft uitgekozen verzamelen uit de vier windrichtingen, van het ene einde van de hemel tot het andere. 32. Leer van de vijgenboom. Zodra zijn takken zacht worden en de bladeren uitlopen, weten jullie dat de zomer dichtbij is. 33. Zo weten jullie ook, wanneer jullie al deze dingen zien, dat het dichtbij is en voor de deur staat. 34. Ik verzeker jullie: deze generatie zal niet verdwijnen voordat dit allemaal gebeurt. 35. Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen. 36. Niemand weet op welke dag en welk uur dit gebeurt. Zelfs de engelen in de hemel weten het niet. Alleen mijn Vader weet het. 37. Bij de komst van de Mensenzoon zal het zijn zoals in de dagen van Noach. 38. Voor de zondvloed aten en dronken de mensen, trouwden ze en regelden ze huwelijken. Dat ging door tot de dag waarop Noach de ark binnenging. 39. Ze hadden niets door totdat de zondvloed kwam en hen allemaal wegnam. Zo zal het ook zijn wanneer de Mensenzoon komt. 40. Dan zullen twee mannen op het land zijn. De ene wordt meegenomen en de andere achtergelaten. 41. Twee vrouwen zullen graan malen. De ene wordt meegenomen en de andere achtergelaten. 42. Blijf daarom wakker, want jullie weten niet wanneer jullie Heere komt. 43. Begrijp dit goed: als een huiseigenaar wist wanneer die nacht de dief kwam, zou hij wakker blijven. Hij zou niet laten inbreken in zijn huis. 44. Wees daarom ook voorbereid. De Mensenzoon komt namelijk op een moment waarop jullie Hem niet verwachten. 45. Wie is de trouwe en verstandige dienaar? Zijn heer heeft hem over de andere dienaren aangesteld om hun op tijd eten te geven. 46. Gelukkig is de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer terugkomt. 47. Ik verzeker jullie: zijn heer zal hem over al zijn bezittingen aanstellen. 48. Maar de slechte dienaar kan bij zichzelf denken: Mijn heer blijft nog lang weg. 49. Dan begint hij zijn mededienaren te slaan en eet en drinkt hij met dronkaards. 50. Zijn heer komt terug op een dag waarop de dienaar hem niet verwacht en op een uur dat hij niet kent. 51. De heer zal hem in tweeën hakken en hem het lot van de huichelaars geven. Daar zullen mensen huilen en knarsetanden. ## Mattheüs 25 — Waakzaamheid, trouw en het oordeel 1. Dan zal het koninkrijk van de hemel lijken op tien jonge vrouwen. Zij namen hun lampen mee en gingen de bruidegom tegemoet. 2. Vijf van hen waren verstandig en vijf onverstandig. 3. De onverstandige vrouwen namen hun lampen mee, maar geen extra olie. 4. De verstandige vrouwen namen naast hun lampen ook kruikjes met olie mee. 5. De bruidegom bleef lang weg. Daardoor werden ze allemaal slaperig en vielen in slaap. 6. Om middernacht klonk er plotseling een roep: Kijk, de bruidegom komt! Ga hem tegemoet! 7. Toen stonden alle jonge vrouwen op en maakten hun lampen gereed. 8. De onverstandige vrouwen zeiden tegen de verstandige: Geef ons wat van jullie olie, want onze lampen gaan uit. 9. Maar de verstandige vrouwen antwoordden: Nee, anders is er misschien niet genoeg voor ons én voor jullie. Ga liever naar de verkopers en koop zelf olie. 10. Terwijl zij olie gingen kopen, kwam de bruidegom. De vrouwen die klaarstonden, gingen met hem naar het bruiloftsfeest. Daarna werd de deur gesloten. 11. Later kwamen ook de andere vrouwen. Zij riepen: Heer, heer, doe voor ons open! 12. Maar hij antwoordde: Ik verzeker jullie: ik ken jullie niet. 13. Blijf dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag en op welk uur de Mensenzoon komt. 14. Het zal ook zijn als bij een man die naar het buitenland vertrok. Hij riep zijn dienaren en vertrouwde hun zijn bezit toe. 15. De ene gaf hij vijf talenten aan geld, de tweede twee en de derde één. Ieder kreeg wat bij zijn vermogen paste. Meteen daarna vertrok hij. 16. De dienaar met vijf talenten ging er meteen mee handelen en verdiende er vijf talenten bij. 17. Zo verdiende ook de dienaar met twee talenten er twee bij. 18. Maar de dienaar met één talent groef een gat in de grond en verborg daarin het geld van zijn heer. 19. Na lange tijd kwam de heer van die dienaren terug en rekende met hen af. 20. De dienaar die vijf talenten had gekregen, bracht vijf talenten extra en zei: Heer, u gaf mij vijf talenten. Kijk, ik heb er vijf bijverdiend. 21. Zijn heer zei tegen hem: Uitstekend! Je bent een goede en trouwe dienaar. Over iets kleins was je trouw, daarom zal ik je veel toevertrouwen. Kom en deel in mijn vreugde. 22. Ook de dienaar met twee talenten kwam en zei: Heer, u gaf mij twee talenten. Kijk, ik heb er twee bijverdiend. 23. Zijn heer zei tegen hem: Uitstekend! Je bent een goede en trouwe dienaar. Over iets kleins was je trouw, daarom zal ik je veel toevertrouwen. Kom en deel in mijn vreugde. 24. Daarna kwam de dienaar met één talent en zei: Heer, ik wist dat u hard bent: u oogst waar u niet zaait. Ook verzamelt u waar u niets uitstrooit. 25. Ik was bang. Daarom verborg ik uw talent in de grond. Hier hebt u terug wat van u is. 26. Zijn heer antwoordde: Slechte en luie dienaar! Je wist dus dat ik oogst waar ik niet gezaaid heb en verzamel waar ik niets uitstrooide. 27. Dan had je mijn geld bij de bank moeten brengen. Bij mijn terugkomst had ik het met rente kunnen terugkrijgen. 28. Neem daarom het talent van hem af en geef het aan de dienaar die tien talenten heeft. 29. Want wie iets heeft, krijgt er meer bij en zal overvloed hebben. Maar wie niets heeft, raakt zelfs kwijt wat hij heeft. 30. Gooi die nutteloze dienaar buiten, de duisternis in. Daar zal hij huilen en knarsetanden. 31. Wanneer de Mensenzoon in Zijn heerlijkheid komt, samen met alle heilige engelen, zal Hij op Zijn heerlijke troon plaatsnemen. 32. Alle volken zullen voor Hem worden samengebracht. Hij zal de mensen van elkaar scheiden, zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. 33. De schapen zal Hij rechts van zich zetten en de bokken links. 34. Dan zal de Koning tegen de mensen aan Zijn rechterhand zeggen: Kom, jullie die door mijn Vader gezegend zijn. Neem het koninkrijk in bezit dat vanaf de grondlegging van de wereld voor jullie bestemd is. 35. Want ik had honger en jullie gaven mij te eten. Ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was vreemdeling en jullie ontvingen mij gastvrij. 36. Ik had geen kleren en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij. Ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe. 37. Dan zullen de rechtvaardigen Hem vragen: Heere, wanneer zagen wij dat U honger had en gaven wij U te eten? Wanneer had U dorst en gaven wij U te drinken? 38. Wanneer zagen wij U als vreemdeling en ontvingen wij U gastvrij? Wanneer had U geen kleren en kleedden wij U? 39. Wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis en kwamen wij naar U toe? 40. De Koning zal hun antwoorden: Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze minste broers van mij deden, deden jullie voor mij. 41. Daarna zal Hij tegen de mensen aan Zijn linkerhand zeggen: Ga weg van mij, vervloekten! Ga naar het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is klaargemaakt. 42. Want ik had honger en jullie gaven mij niet te eten. Ik had dorst en jullie gaven mij niet te drinken. 43. Ik was vreemdeling en jullie ontvingen mij niet. Ik had geen kleren en jullie kleedden mij niet. Ik was ziek en gevangen, maar jullie bezochten mij niet. 44. Dan zullen ook zij Hem vragen: Heere, wanneer zagen wij U hongerig, dorstig, als vreemdeling, zonder kleren, ziek of gevangen? Wanneer hebben wij U niet geholpen? 45. Dan zal Hij hun antwoorden: Ik verzeker jullie: alles wat jullie niet voor een van deze minsten deden, deden jullie ook niet voor mij. 46. Zij zullen de eeuwige straf ingaan, maar de rechtvaardigen het eeuwige leven. ## Mattheüs 26 — De maaltijd, Gethsemané en het verhoor 1. Toen Jezus deze hele toespraak had beëindigd, zei Hij tegen Zijn leerlingen: 2. Jullie weten dat over twee dagen het pascha begint. Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd om gekruisigd te worden. 3. Toen kwamen de overpriesters, schriftgeleerden en volksoudsten bijeen in het paleis van de hogepriester, die Kajafas heette. 4. Zij overlegden hoe ze Jezus met een list konden grijpen en doden. 5. Maar zij zeiden: Niet tijdens het feest, anders ontstaat er oproer onder het volk. 6. Jezus was in Bethanië, in het huis van Simon, die de melaatse werd genoemd. 7. Daar kwam een vrouw naar Hem toe met een albasten fles vol zeer kostbare zalf. Terwijl Hij at, goot zij die over Zijn hoofd. 8. Toen Zijn leerlingen dit zagen, waren zij verontwaardigd. Ze zeiden: Waarom deze verspilling? 9. Deze zalf had voor veel geld verkocht kunnen worden. Dat geld had men aan de armen kunnen geven. 10. Jezus merkte het en zei tegen hen: Waarom vallen jullie deze vrouw lastig? Zij heeft iets goeds voor mij gedaan. 11. De armen zijn altijd bij jullie, maar mij hebben jullie niet altijd bij jullie. 12. Door deze zalf over mijn lichaam te gieten, heeft zij mijn begrafenis voorbereid. 13. Ik verzeker jullie: overal ter wereld waar dit evangelie wordt verkondigd, zal men ter herinnering aan haar vertellen wat zij heeft gedaan. 14. Toen ging een van de twaalf, Judas Iskariot, naar de overpriesters. 15. Hij vroeg: Wat willen jullie mij geven als ik Hem aan jullie uitlever? Zij beloofden hem 30 zilverstukken. 16. Vanaf dat moment zocht Judas een geschikte gelegenheid om Hem uit te leveren. 17. Op de eerste dag van het Feest van de Ongezuurde Broden kwamen de leerlingen naar Jezus. Zij vroegen: Waar wilt U dat we alles voorbereiden, zodat U het pascha kunt eten? 18. Hij antwoordde: Ga naar de stad, naar de man die ik bedoel. Zeg hem: De Meester zegt: Mijn tijd is dichtbij. Ik vier het pascha bij u, samen met mijn leerlingen. 19. De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en maakten het pascha klaar. 20. Toen het avond was geworden, ging Jezus met de twaalf aan tafel. 21. Tijdens de maaltijd zei Hij: Ik verzeker jullie: een van jullie zal mij verraden. 22. Zij werden diepbedroefd. Een voor een vroegen zij Hem: Ik ben het toch niet, Heere? 23. Hij antwoordde: Degene die samen met mij zijn hand in de schaal doopt, zal mij verraden. 24. De Mensenzoon gaat weg, zoals over Hem geschreven staat. Maar wee de mens die Hem verraadt! Het zou voor hem beter zijn als hij nooit geboren was. 25. Judas, die Hem zou verraden, vroeg: Ik ben het toch niet, Rabbi? Jezus antwoordde hem: Dat hebt u zelf gezegd. 26. Tijdens de maaltijd nam Jezus het brood. Hij sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan de leerlingen. Hij zei: Neem en eet. Dit is mijn lichaam. 27. Daarna nam Hij de beker. Hij dankte God, gaf de beker aan hen en zei: Drink er allemaal uit. 28. Want dit is mijn bloed van het nieuwe verbond. Het wordt voor velen vergoten, zodat hun zonden vergeven worden. 29. Ik zeg jullie: vanaf nu drink ik niet meer van wat de wijnstok voortbrengt. Pas op de dag dat ik samen met jullie nieuwe wijn drink in het koninkrijk van mijn Vader. 30. Nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen ze naar de Olijfberg. 31. Toen zei Jezus tegen hen: Deze nacht zullen jullie mij allemaal verlaten. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen worden verspreid. 32. Maar nadat ik ben opgestaan, zal ik vóór jullie uit naar Galilea gaan. 33. Petrus antwoordde Hem: Ook als alle anderen U verlaten, zal ik U nooit verlaten. 34. Jezus zei tegen hem: Ik verzeker je: vannacht zul je mij driemaal verloochenen, nog voordat de haan kraait. 35. Petrus zei tegen Hem: Zelfs als ik met U moet sterven, zal ik U beslist niet verloochenen! Alle andere leerlingen zeiden hetzelfde. 36. Daarna ging Jezus met hen naar een plaats die Gethsemané heette. Hij zei tegen de leerlingen: Blijf hier zitten terwijl ik daar verderop ga bidden. 37. Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mee. Hij begon verdrietig en zeer angstig te worden. 38. Toen zei Hij tegen hen: Mijn ziel is diepbedroefd, tot de dood toe. Blijf hier en waak met mij. 39. Hij ging iets verder, viel met Zijn gezicht op de grond en bad: Mijn Vader, laat deze beker zo mogelijk aan mij voorbijgaan. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat U wilt. 40. Daarna ging Hij terug naar de leerlingen en vond hen slapend. Hij zei tegen Petrus: Konden jullie dan niet één uur met mij waken? 41. Waak en bid, zodat jullie niet aan de verleiding toegeven. De geest wil wel, maar het vlees is zwak. 42. Hij ging opnieuw weg en bad: Mijn Vader, als deze beker alleen voorbij kan gaan wanneer ik hem drink, laat dan Uw wil gebeuren. 43. Toen Hij terugkwam, vond Hij hen opnieuw slapend. Hun ogen vielen steeds dicht. 44. Hij liet hen alleen, ging opnieuw weg en bad voor de derde keer met dezelfde woorden. 45. Daarna kwam Hij bij Zijn leerlingen en zei: Slaap nu maar verder en rust uit. Kijk, het uur is gekomen. De Mensenzoon wordt uitgeleverd in de handen van zondaars. 46. Sta op, laten we gaan. Kijk, degene die mij verraadt is dichtbij. 47. Terwijl Hij nog sprak, kwam Judas, een van de twaalf. Een grote groep met zwaarden en stokken vergezelde hem, gestuurd door de overpriesters en volksoudsten. 48. De verrader had hun een teken gegeven: Degene die ik kus, is het. Grijp Hem! 49. Judas liep meteen naar Jezus toe en zei: Gegroet, Rabbi! Toen kuste hij Hem. 50. Jezus zei tegen hem: Vriend, waarvoor ben je gekomen? Toen kwamen de mannen naar voren, grepen Jezus vast en namen Hem gevangen. 51. Een van de mannen die bij Jezus waren, trok zijn zwaard. Hij sloeg de dienaar van de hogepriester en hakte zijn oor af. 52. Toen zei Jezus tegen hem: Steek je zwaard terug op zijn plaats. Want iedereen die naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen. 53. Denk je dat ik mijn Vader nu niet om hulp kan vragen? Hij zou mij direct meer dan twaalf legioenen engelen sturen. 54. Maar hoe zouden dan de Schriften worden vervuld, die zeggen dat het zo moet gebeuren? 55. Op dat moment zei Jezus tegen de groep: Jullie zijn met zwaarden en stokken gekomen om mij te grijpen, alsof ik een misdadiger ben. Dagelijks gaf ik onderwijs in de tempel, maar toen grepen jullie mij niet. 56. Maar dit alles is gebeurd zodat de Schriften van de profeten worden vervuld. Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en vluchtten weg. 57. De mannen die Jezus gevangengenomen hadden, brachten Hem naar de hogepriester Kajafas. De schriftgeleerden en oudsten waren daar bijeengekomen. 58. Petrus volgde Hem op afstand tot aan de binnenplaats van het paleis van de hogepriester. Hij ging naar binnen en zat bij de dienaren om de afloop te zien. 59. De overpriesters, oudsten en de hele hoge raad zochten een valse getuigenverklaring tegen Jezus waarmee ze Hem ter dood konden veroordelen. Maar ze vonden niets. 60. Hoewel veel valse getuigen zich meldden, vonden zij niets bruikbaars. Uiteindelijk kwamen er twee valse getuigen. 61. Zij verklaarden: Deze man heeft gezegd: Ik kan Gods tempel afbreken en hem binnen drie dagen weer opbouwen. 62. De hogepriester stond op en vroeg Jezus: Geeft U geen antwoord? Wat getuigen deze mannen tegen U? 63. Maar Jezus zweeg. De hogepriester zei tegen Hem: Bij de levende God stel ik U onder ede: zeg ons of U de Christus bent, de Zoon van God. 64. Jezus antwoordde hem: Dat hebt u gezegd. Maar ik zeg u allen: vanaf nu zult u de Mensenzoon aan Gods rechterhand zien zitten. U zult Hem op de wolken van de hemel zien komen. 65. Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Hij heeft God gelasterd! Waarom hebben we nog getuigen nodig? Jullie hebben Zijn godslastering nu zelf gehoord. 66. Wat vinden jullie? Zij antwoordden: Hij verdient de dood. 67. Daarna spuugden ze Hem in het gezicht en sloegen Hem met hun vuisten. Anderen sloegen Hem in het gezicht. 68. Ze riepen: Profeteer voor ons, Christus! Wie heeft U geslagen? 69. Petrus zat buiten op de binnenplaats. Een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: Jij hoorde ook bij Jezus uit Galilea. 70. Maar hij ontkende het waar iedereen bij was: Ik weet niet waar je het over hebt. 71. Toen hij naar de poort liep, zag een ander dienstmeisje hem. Zij zei tegen de mensen daar: Deze man hoorde bij Jezus uit Nazareth. 72. Opnieuw ontkende Petrus het. Hij zwoer: Ik ken die man niet. 73. Even later kwamen de omstanders naar Petrus toe. Zij zeiden: Jij bent beslist ook een van hen, want je manier van spreken verraadt je. 74. Toen begon Petrus zichzelf te vervloeken en zwoer: Ik ken die man niet! Meteen kraaide de haan. 75. Petrus herinnerde zich wat Jezus tegen hem had gezegd: Voordat de haan kraait, zul je mij driemaal verloochenen. Hij ging naar buiten en huilde bitter. ## Mattheüs 27 — Jezus wordt gekruisigd, sterft en wordt begraven 1. Vroeg in de ochtend overlegden alle overpriesters en volksoudsten met elkaar. Zij besloten Jezus te laten doden. 2. Ze bonden Hem vast, brachten Hem weg en leverden Hem over aan Pontius Pilatus, de gouverneur. 3. Toen Judas zag dat Jezus veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de 30 zilverstukken terug naar de overpriesters en oudsten. 4. Hij zei: Ik heb gezondigd door onschuldig bloed te verraden. Maar zij antwoordden: Wat gaat ons dat aan? Dat is jouw verantwoordelijkheid. 5. Judas gooide de zilverstukken de tempel in en vertrok. Daarna ging hij weg en hing zichzelf op. 6. De overpriesters raapten de zilverstukken op en zeiden: We mogen dit geld niet in de offerkist leggen, want het is bloedgeld. 7. Na overleg kochten ze daarmee de akker van de pottenbakker. Die moest voortaan dienen als begraafplaats voor vreemdelingen. 8. Daarom heet die akker tot op de dag van vandaag de Bloedakker. 9. Zo werd vervuld wat de profeet Jeremia had gezegd: Ze namen de 30 zilverstukken. Dat was de prijs die de Israëlieten hadden vastgesteld voor de Man die zij op waarde schatten. 10. Met dat geld kochten ze de akker van de pottenbakker, zoals de Heere mij had opgedragen. 11. Jezus stond voor de gouverneur. Deze vroeg Hem: Bent U de Koning van de Joden? Jezus antwoordde: U zegt het. 12. De overpriesters en oudsten beschuldigden Hem, maar Hij gaf geen antwoord. 13. Toen vroeg Pilatus Hem: Hoort U niet hoeveel beschuldigingen zij tegen U inbrengen? 14. Maar Jezus antwoordde op geen enkele beschuldiging. Daarover was de gouverneur zeer verbaasd. 15. Tijdens het feest was het gebruikelijk dat de gouverneur één gevangene vrijliet. Het volk mocht kiezen wie. 16. Er zat toen een beruchte gevangene vast die Barabbas heette. 17. Toen de mensen bijeengekomen waren, vroeg Pilatus: Wie zal ik voor jullie vrijlaten: Barabbas of Jezus, die Christus wordt genoemd? 18. Hij wist namelijk dat zij Jezus uit afgunst hadden uitgeleverd. 19. Terwijl Pilatus op de rechterstoel zat, liet zijn vrouw hem een boodschap brengen: Laat die rechtvaardige Man met rust. Vandaag heeft een droom over Hem mij veel laten lijden. 20. Maar de overpriesters en oudsten haalden de menigte over om Barabbas te kiezen en Jezus te laten doden. 21. De gouverneur vroeg hun: Wie van deze twee zal ik voor jullie vrijlaten? Zij antwoordden: Barabbas. 22. Pilatus vroeg: Wat moet ik dan doen met Jezus, die Christus wordt genoemd? Allen riepen: Laat Hem kruisigen! 23. De gouverneur vroeg: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Maar zij riepen nog harder: Laat Hem kruisigen! 24. Pilatus zag dat hij niets bereikte en dat er juist oproer ontstond. Hij nam water en waste voor de menigte zijn handen. Hij zei: Ik ben niet verantwoordelijk voor het bloed van deze rechtvaardige Man. Het is jullie verantwoordelijkheid. 25. Het hele volk antwoordde: Laat Zijn bloed dan over ons en onze kinderen komen! 26. Toen liet Pilatus Barabbas voor hen vrij. Hij liet Jezus geselen en leverde Hem daarna uit om gekruisigd te worden. 27. De soldaten van de gouverneur brachten Jezus naar het gerechtsgebouw. Daar verzamelden zij de hele legerafdeling om Hem heen. 28. Ze trokken Hem Zijn kleren uit en deden Hem een purperrode mantel om. 29. Ze vlochten een doornenkroon en zetten die op Zijn hoofd. Ook gaven ze Hem een rietstok in Zijn rechterhand. Ze knielden spottend voor Hem en zeiden: Gegroet, Koning van de Joden! 30. Ze spuugden op Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem ermee op het hoofd. 31. Nadat zij Hem hadden bespot, deden ze de mantel af en trokken Hem Zijn eigen kleren weer aan. Daarna leidden ze Hem weg om Hem te kruisigen. 32. Toen ze naar buiten gingen, zagen ze Simon uit Cyrene. Ze dwongen hem het kruis van Jezus te dragen. 33. Zo kwamen zij bij de plaats Golgotha. Die naam betekent Schedelplaats. 34. Ze gaven Jezus zure wijn te drinken die met gal vermengd was. Hij proefde ervan, maar wilde die niet drinken. 35. Nadat zij Hem hadden gekruisigd, verdeelden de soldaten Zijn kleren door erom te loten. Zo werd vervuld wat de profeet had gezegd: Zij verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot over mijn kleding. 36. Daarna gingen ze zitten en bewaakten Hem. 37. Boven Zijn hoofd bevestigden ze de geschreven aanklacht: DIT IS JEZUS, DE KONING VAN DE JODEN. 38. Samen met Hem werden twee misdadigers gekruisigd, één rechts en één links van Hem. 39. Voorbijgangers beledigden Hem. Ze schudden hun hoofd en zeiden: 40. U zou de tempel afbreken en binnen drie dagen weer opbouwen! Red Uzelf als U Gods Zoon bent. Kom van het kruis af! 41. Ook de overpriesters, schriftgeleerden, oudsten en farizeeën bespotten Hem. Zij begonnen tegen elkaar over Hem te spreken. 42. Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. Als Hij de Koning van Israël is, moet Hij nu van het kruis komen. Dan zullen wij Hem geloven. 43. Hij heeft op God vertrouwd. Laat God Hem nu redden als God Hem werkelijk goedgezind is. Want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. 44. De misdadigers die met Hem gekruisigd waren, beledigden Hem op dezelfde manier. 45. Vanaf twaalf uur 's middags werd het donker in het hele land. Die duisternis duurde tot drie uur 's middags. 46. Rond drie uur riep Jezus luid: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? 47. Sommige omstanders hoorden dit en zeiden: Hij roept Elia. 48. Meteen rende één van hen weg om een spons te halen. Hij vulde die met zure wijn, stak hem op een rietstok en bood Jezus te drinken aan. 49. Maar de anderen zeiden: Wacht! Laten we zien of Elia komt om Hem te redden. 50. Jezus riep opnieuw met luide stem en blies Zijn laatste adem uit. 51. Op dat moment scheurde het voorhangsel van de tempel van boven naar beneden in tweeën. De aarde beefde en de rotsen spleten. 52. De graven gingen open en de lichamen van veel gestorven heilige mensen werden opgewekt. 53. Na Jezus' opstanding kwamen zij uit de graven. Ze gingen de heilige stad binnen en verschenen aan veel mensen. 54. De hoofdman en de mannen die Jezus bewaakten, zagen de aardbeving en alles wat er gebeurde. Ze werden doodsbang en zeiden: Deze was werkelijk Gods Zoon! 55. Veel vrouwen keken op een afstand toe. Zij waren Jezus vanuit Galilea gevolgd om voor Hem te zorgen. 56. Onder hen waren Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus en Joses. Ook de moeder van de zonen van Zebedeüs was erbij. 57. Toen het avond werd, kwam er een rijke man uit Arimathea. Hij heette Jozef en was ook een leerling van Jezus. 58. Jozef ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Pilatus gaf opdracht het lichaam aan hem te geven. 59. Jozef nam het lichaam en wikkelde het in schoon, fijn linnen. 60. Hij legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in een rots had laten uithakken. Daarna rolde hij een grote steen voor de ingang en vertrok. 61. Maria Magdalena en de andere Maria zaten tegenover het graf. 62. De volgende dag, na de voorbereidingsdag, gingen de overpriesters en farizeeën samen naar Pilatus. 63. Zij zeiden tegen hem: Heer, we herinneren ons dat deze verleider tijdens zijn leven heeft gezegd: Na drie dagen zal ik opstaan. 64. Geef daarom opdracht het graf tot de derde dag goed te bewaken. Anders komen Zijn leerlingen misschien 's nachts en stelen Hem. Dan zeggen ze tegen het volk: Hij is opgestaan uit de dood. Die laatste misleiding zou erger zijn dan de eerste. 65. Pilatus antwoordde: Jullie hebben bewakers. Ga en beveilig het graf zo goed als jullie kunnen. 66. Zij gingen naar het graf, verzegelden de steen en lieten de bewakers daar achter. ## Mattheüs 28 — De opstanding en de opdracht aan de leerlingen 1. Na de sabbat begon het op de eerste dag van de week licht te worden. Maria Magdalena en de andere Maria gingen naar het graf kijken. 2. Plotseling kwam er een zware aardbeving. Een engel van de Heere daalde uit de hemel neer. Hij rolde de steen van de ingang en ging erop zitten. 3. Zijn uiterlijk leek op een bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw. 4. De bewakers beefden van angst voor hem en werden als doden. 5. De engel zei tegen de vrouwen: Wees niet bang. Ik weet dat jullie Jezus zoeken, die gekruisigd was. 6. Hij is hier niet, want Hij is opgestaan, zoals Hij heeft gezegd. Kom kijken naar de plaats waar de Heere heeft gelegen. 7. Ga snel naar Zijn leerlingen. Vertel hun dat Hij uit de dood is opgestaan. Hij gaat vóór jullie uit naar Galilea. Daar zullen jullie Hem zien. Denk eraan: ik heb het jullie gezegd. 8. De vrouwen verlieten het graf snel, vol ontzag en grote blijdschap. Ze renden naar de leerlingen om het hun te vertellen. 9. Terwijl zij onderweg waren om het de leerlingen te vertellen, kwam Jezus hun tegemoet. Hij zei: Ik groet jullie! Ze gingen naar Hem toe, grepen Zijn voeten vast en aanbaden Hem. 10. Toen zei Jezus tegen hen: Wees niet bang. Ga mijn broers vertellen dat zij naar Galilea moeten gaan. Daar zullen zij mij zien. 11. Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele bewakers naar de stad. Ze vertelden de overpriesters alles wat er was gebeurd. 12. De overpriesters kwamen met de oudsten bijeen om te overleggen. Daarna gaven ze de soldaten veel geld. 13. Ze zeiden: Vertel iedereen: Zijn leerlingen kwamen 's nachts en stalen Hem terwijl wij sliepen. 14. Als de gouverneur dit hoort, zullen wij hem overtuigen. Wij zorgen ervoor dat jullie geen problemen krijgen. 15. De soldaten namen het geld aan en deden wat hun was opgedragen. Dit verhaal wordt tot op de dag van vandaag onder de Joden verteld. 16. De elf leerlingen gingen naar Galilea. Ze gingen naar de berg waar Jezus hen had opgedragen te komen. 17. Toen zij Hem zagen, aanbaden ze Hem. Toch twijfelden sommigen. 18. Jezus kwam naar hen toe en zei: Alle macht in de hemel en op aarde is aan mij gegeven. 19. Ga daarom op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen. Doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. 20. Leer hun alles te gehoorzamen wat ik jullie heb opgedragen. Denk eraan: ik ben elke dag bij jullie, tot het einde van de wereld. Amen. ## Markus 1 — Jezus begint Zijn werk in Galilea 1. Dit is het begin van het goede nieuws over Jezus Christus, de Zoon van God. 2. Bij de profeten staat geschreven: Let op! Ik stuur mijn boodschapper voor U uit. Hij zal Uw weg voor U voorbereiden. 3. Iemand roept in de woestijn: Maak de weg van de Heere gereed en maak Zijn paden recht. 4. Zo verscheen Johannes in de woestijn. Hij doopte mensen en riep hun op zich te bekeren, zodat hun zonden vergeven zouden worden. 5. Uit heel Judea en Jeruzalem kwamen mensen naar hem toe. Johannes doopte hen allemaal in de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. 6. Johannes droeg kleren van kamelenhaar en een leren gordel om zijn middel. Hij at sprinkhanen en wilde honing. 7. Johannes verkondigde: Na mij komt Iemand die sterker is dan ik. Ik ben het niet waard te bukken en Zijn schoenriemen los te maken. 8. Ik heb jullie met water gedoopt, maar Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest. 9. In die tijd kwam Jezus uit Nazareth in Galilea. Johannes doopte Hem in de Jordaan. 10. Meteen toen Jezus uit het water kwam, zag Hij de hemel opengaan. De Geest daalde als een duif op Hem neer. 11. Uit de hemel klonk een stem: U bent mijn geliefde Zoon. In U vind ik vreugde. 12. Meteen dreef de Geest Hem de woestijn in. 13. Daar bleef Hij 40 dagen. Satan stelde Hem op de proef. Hij leefde tussen de wilde dieren, en engelen dienden Hem. 14. Nadat Johannes gevangengenomen was, ging Jezus naar Galilea. Daar verkondigde Hij het goede nieuws over het koninkrijk van God. 15. Hij zei: De vastgestelde tijd is aangebroken en het koninkrijk van God is dichtbij. Keer terug naar God en geloof het goede nieuws. 16. Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag Hij Simon en diens broer Andreas. Zij gooiden een visnet in het water, want ze waren vissers. 17. Jezus zei tegen hen: Volg mij. Ik zal van jullie vissers van mensen maken. 18. Meteen lieten zij hun netten achter en volgden Hem. 19. Iets verderop zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en diens broer Johannes. Zij waren in hun boot de netten aan het herstellen. 20. Meteen riep Jezus hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners in de boot achter en volgden Hem. 21. Ze gingen naar Kapernaüm. Op de sabbat ging Jezus meteen naar de synagoge en gaf er onderwijs. 22. De mensen waren diep onder de indruk van Zijn onderwijs. Hij sprak namelijk met gezag, anders dan de schriftgeleerden. 23. In de synagoge was een man die door een onreine geest bezeten was. Hij schreeuwde: 24. Laat ons met rust! Wat hebt U met ons te maken, Jezus van Nazareth? Bent U gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wie U bent: de Heilige van God. 25. Jezus sprak hem streng toe: Zwijg en ga uit deze man weg! 26. De onreine geest schudde de man hevig door elkaar. Hij schreeuwde luid en ging uit hem weg. 27. Iedereen was zo verbaasd dat zij elkaar vroegen: Wat is dit? Een nieuwe leer met gezag! Hij beveelt zelfs onreine geesten, en zij gehoorzamen Hem. 28. Het nieuws over Jezus verspreidde zich meteen door de hele omgeving van Galilea. 29. Vanuit de synagoge gingen zij meteen naar het huis van Simon en Andreas. Jakobus en Johannes gingen mee. 30. De schoonmoeder van Simon lag met koorts op bed. De anderen vertelden Jezus meteen over haar. 31. Jezus ging naar haar toe, pakte haar hand en hielp haar overeind. De koorts verdween meteen, en zij verzorgde hen. 32. Toen het avond was en de zon was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken en bezetenen bij Jezus. 33. De hele stad had zich bij de deur verzameld. 34. Jezus genas veel mensen van allerlei ziekten en dreef veel demonen uit. Hij stond de demonen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden. 35. De volgende ochtend stond Jezus heel vroeg op, terwijl het nog donker was. Hij ging naar een eenzame plek en bad daar. 36. Simon en zijn metgezellen gingen Hem achterna. 37. Toen zij Hem vonden, zeiden ze: Iedereen zoekt U. 38. Jezus antwoordde: Laten we naar de nabijgelegen dorpen gaan, zodat ik ook daar kan verkondigen. Daarvoor ben ik eropuit gegaan. 39. Zo trok Hij heel Galilea door. Hij verkondigde in de synagogen en dreef demonen uit. 40. Een melaatse kwam naar Hem toe, viel voor Hem op zijn knieën en smeekte: Als U wilt, kunt U mij rein maken. 41. Jezus kreeg diep medelijden met hem. Hij stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het. Word rein! 42. Meteen verdween de melaatsheid en was de man rein. 43. Jezus waarschuwde hem streng en stuurde hem meteen weg. 44. Hij zei: Vertel dit aan niemand. Ga naar de priester en laat u aan hem zien. Breng daarna het offer dat Mozes heeft voorgeschreven. Zo zien zij dat u rein bent. 45. Maar de man ging overal rondvertellen wat er gebeurd was. Daardoor kon Jezus niet meer openlijk een stad binnengaan. Hij verbleef buiten op eenzame plaatsen. Toch kwamen mensen van alle kanten naar Hem toe. ## Markus 2 — Jezus vergeeft, roept en onderwijst 1. Enkele dagen later kwam Jezus weer in Kapernaüm. Mensen hoorden al snel dat Hij in een huis was. 2. Er kwamen zoveel mensen dat zelfs bij de deur geen plaats meer was. Jezus verkondigde hun Gods boodschap. 3. Toen kwamen vier mannen een verlamde bij Hem brengen. 4. Door de menigte konden ze niet bij Jezus komen. Daarom maakten ze boven Hem een opening in het dak. Ze lieten de slaapmat met de verlamde man zakken. 5. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde man: Zoon, uw zonden zijn u vergeven. 6. Er zaten enkele schriftgeleerden bij. Zij dachten bij zichzelf: 7. Waarom spreekt deze Man zo? Hij beledigt God! Alleen God kan zonden vergeven. 8. Jezus wist meteen in Zijn geest wat zij bij zichzelf dachten. Hij vroeg hun: Waarom denken jullie zo bij jezelf? 9. Wat is gemakkelijker: tegen deze verlamde zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of: Sta op, pak uw slaapmat en loop? 10. Maar jullie moeten weten dat de Mensenzoon op aarde macht heeft om zonden te vergeven. Toen zei Hij tegen de verlamde man: 11. Ik zeg u: sta op, pak uw slaapmat en ga naar huis. 12. De man stond meteen op, pakte zijn slaapmat en liep voor ieders ogen naar buiten. Iedereen was verbijsterd en eerde God. Ze zeiden: Zoiets hebben we nog nooit gezien! 13. Jezus ging weer naar het meer. De hele menigte kwam naar Hem toe, en Hij gaf hun onderwijs. 14. Toen Jezus verderliep, zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis zitten. Hij zei tegen hem: Volg mij. Levi stond op en volgde Hem. 15. Later zat Jezus in Levi's huis aan tafel. Veel tollenaars en zondaars aten mee met Hem en Zijn leerlingen. Velen van hen volgden Jezus. 16. De schriftgeleerden en farizeeën zagen dat Jezus met tollenaars en zondaars at. Zij vroegen Zijn leerlingen: Waarom eet en drinkt Hij met tollenaars en zondaars? 17. Jezus hoorde dit en antwoordde: Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, zieke mensen wel. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering. 18. De leerlingen van Johannes en de farizeeën vastten. Mensen kwamen naar Jezus en vroegen: Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de farizeeën wel, maar Uw leerlingen niet? 19. Jezus antwoordde hun: Kunnen bruiloftsgasten vasten zolang de bruidegom bij hen is? Zolang zij hem bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. 20. Maar er komt een tijd dat de bruidegom van hen wordt weggenomen. In die tijd zullen zij vasten. 21. Niemand naait een lap nieuwe, nog niet gekrompen stof op een oud kledingstuk. Anders trekt de nieuwe lap eraan en wordt de scheur groter. 22. Niemand doet jonge wijn in oude leren zakken. Anders laat de wijn de zakken barsten. Dan gaan zowel de wijn als de zakken verloren. Jonge wijn hoort in nieuwe zakken. 23. Op een sabbat liep Jezus door de korenvelden. Terwijl Zijn leerlingen verderliepen, begonnen zij aren te plukken. 24. De farizeeën vroegen Hem: Waarom doen zij op de sabbat iets wat niet is toegestaan? 25. Jezus antwoordde: Hebben jullie nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen honger hadden en niets te eten hadden? 26. Hij ging Gods huis binnen toen Abjathar hogepriester was. David at van de toonbroden, die alleen priesters mochten eten. Hij gaf er ook aan zijn mannen. 27. De sabbat is er voor de mens. De mens is er niet voor de sabbat. 28. Daarom is de Mensenzoon ook Heere over de sabbat. ## Markus 3 — Jezus geneest, kiest twaalf mannen en beantwoordt Zijn tegenstanders 1. Jezus ging opnieuw naar de synagoge. Daar was een man met een verschrompelde hand. 2. Sommige mensen hielden Jezus scherp in de gaten. Ze wilden zien of Hij de man op de sabbat zou genezen, zodat ze Hem konden beschuldigen. 3. Jezus zei tegen de man met de verschrompelde hand: Kom hier in het midden staan. 4. Daarna vroeg Hij de anderen: Mag men op de sabbat goeddoen of kwaad doen? Mag men een mens redden of doden? Maar zij zwegen. 5. Jezus keek boos om zich heen en was tegelijk verdrietig over hun harde hart. Hij zei tegen de man: Strek uw hand uit. De man deed het, en zijn hand werd weer gezond als de andere. 6. De farizeeën gingen weg en overlegden meteen met de aanhangers van Herodes. Samen maakten zij een plan om Jezus te doden. 7. Jezus vertrok met Zijn leerlingen naar het meer. Een grote menigte uit Galilea en Judea volgde Hem. 8. Ook uit Jeruzalem, Idumea, het gebied aan de overkant van de Jordaan en de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen. Ze hadden gehoord welke grote dingen Hij deed. 9. Jezus vroeg Zijn leerlingen een bootje voor Hem klaar te houden. Zo kon de menigte Hem niet verdrukken. 10. Hij had zoveel mensen genezen dat iedereen met een kwaal zich naar voren drong om Hem aan te raken. 11. Wanneer onreine geesten Hem zagen, vielen zij voor Hem neer en riepen: U bent de Zoon van God! 12. Maar Hij verbood hun streng bekend te maken wie Hij was. 13. Daarna ging Jezus de berg op. Hij riep de mensen bij zich die Hij zelf wilde, en zij kwamen naar Hem toe. 14. Hij stelde twaalf mannen aan. Zij moesten bij Hem blijven, en Hij zou hen eropuit sturen om te verkondigen. 15. Hij gaf hun ook macht om ziekten te genezen en demonen uit te drijven. 16. Hij gaf Simon de bijnaam Petrus. 17. Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes gaf Hij beiden de bijnaam Boanerges. Dat betekent: zonen van de donder. 18. Verder koos Hij Andreas, Filippus, Bartholomeüs, Mattheüs, Thomas, Jakobus de zoon van Alfeüs, Thaddeüs en Simon de Kananiet. 19. Ook Judas Iskariot hoorde bij de twaalf. Hij heeft Hem later verraden. 20. Daarna ging Jezus een huis binnen. Opnieuw kwam er zoveel volk bijeen dat Hij en Zijn leerlingen niet eens konden eten. 21. Toen Zijn familie dit hoorde, gingen zij eropuit om Hem tegen te houden. Zij zeiden: Hij is buiten zichzelf. 22. De schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, zeiden: Hij wordt door Beëlzebul beheerst. Met de macht van de leider van de demonen drijft Hij demonen uit. 23. Jezus riep hen bij zich en legde hun met gelijkenissen uit: Hoe kan satan satan uitdrijven? 24. Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan dat koninkrijk niet blijven bestaan. 25. Als een huis innerlijk verdeeld is, kan dat huis niet blijven bestaan. 26. Als satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, kan hij niet blijven bestaan. Dan is het met hem afgelopen. 27. Niemand kan het huis van een sterke man binnengaan en zijn spullen roven zonder hem eerst vast te binden. Daarna kan hij zijn huis leegroven. 28. Ik verzeker jullie: alle zonden en alle lasteringen van mensen kunnen worden vergeven. 29. Maar wie de Heilige Geest lastert, krijgt nooit vergeving. Zo iemand is schuldig aan een eeuwig oordeel. 30. Jezus zei dit omdat zij beweerden dat Hij een onreine geest had. 31. Toen kwamen Zijn moeder en Zijn broers. Zij bleven buiten staan en lieten Hem roepen. 32. De menigte zat om Hem heen en zei tegen Hem: Kijk, Uw moeder en Uw broers staan buiten en zoeken U. 33. Jezus antwoordde hun: Wie is mijn moeder, en wie zijn mijn broers? 34. Hij keek rond naar de mensen die om Hem heen zaten. Hij zei: Kijk, hier zijn mijn moeder en mijn broers. 35. Want wie Gods wil doet, is mijn broer, mijn zus en mijn moeder. ## Markus 4 — Jezus onderwijst met gelijkenissen en stilt de storm 1. Jezus begon opnieuw les te geven bij het meer. Er kwam zo’n grote menigte dat Hij daarom in een schip ging zitten. De mensen bleven langs de oever staan. 2. Hij onderwees hen uitgebreid met gelijkenissen. Tijdens Zijn onderwijs zei Hij: 3. Luister! Een zaaier ging eropuit om te zaaien. 4. Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad langs de weg. De vogels kwamen en aten het op. 5. Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde lag. Het kwam snel op, omdat de grond niet diep was. 6. Maar toen de zon opkwam, verschroeide het. Omdat het geen wortels had, verdorde het. 7. Een ander deel viel tussen de doornen. Die groeiden op, verstikten het zaad en maakten het onvruchtbaar. 8. Weer een ander deel viel in goede aarde. Het kwam op, groeide en bracht graan voort: 30, 60 of 100 keer zoveel. 9. Hij zei: Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren! 10. Toen Jezus alleen was, vroegen de twaalf en de anderen die bij Hem waren naar de gelijkenis. 11. Hij zei tegen hen: Jullie mogen het geheim van Gods koninkrijk begrijpen. Voor de buitenstaanders wordt alles in gelijkenissen verteld. 12. Zo kijken ze wel, maar zien ze niet. Ze horen wel, maar begrijpen niets. Anders zouden ze zich bekeren en hun zonden vergeven worden. 13. Hij zei ook: Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie dan alle andere gelijkenissen begrijpen? 14. De zaaier zaait het woord. 15. Bij de mensen langs de weg wordt het woord gezaaid. Zodra zij het horen, komt satan en neemt het gezaaide woord uit hun harten weg. 16. Bij de mensen op rotsachtige grond wordt het woord gezaaid. Zij horen het en nemen het meteen met vreugde aan. 17. Maar het schiet geen wortel in hen. Ze houden het maar kort vol. Bij verdrukking of vervolging om het woord laten ze het meteen los. 18. Bij anderen valt het zaad tussen de doornen. Zij horen het woord, 19. maar zorgen over deze wereld, bedrieglijke rijkdom en andere verlangens dringen binnen. Ze verstikken het woord, zodat het niets oplevert. 20. Bij mensen in goede aarde wordt het woord gezaaid. Zij horen het, aanvaarden het en dragen vrucht: 30, 60 of 100 keer zoveel. 21. Hij zei tegen hen: Steek je soms een lamp aan om hem onder een mand of bed te zetten? Nee, je zet hem op een standaard. 22. Want alles wat verborgen is, zal zichtbaar worden. Alles wat geheim is, zal openbaar worden. 23. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren! 24. Hij zei ook: Let goed op wat jullie horen. Met de maat waarmee jullie meten, zal voor jullie gemeten worden. Jullie zullen zelfs meer ontvangen. 25. Want wie heeft, zal meer ontvangen. Maar wie niets heeft, raakt zelfs kwijt wat hij nog heeft. 26. Ook zei Hij: Gods koninkrijk is als een man die zaad op de aarde strooit. 27. Hij slaapt en staat weer op terwijl nacht en dag elkaar afwisselen. Ondertussen ontkiemt en groeit het zaad, zonder dat hij weet hoe. 28. De aarde brengt vanzelf graan voort: eerst een groene halm, dan de aar en daarna rijpe graankorrels in de aar. 29. Zodra het graan rijp is, slaat de man de sikkel erin, want de oogsttijd is gekomen. 30. Hij zei: Waarmee zullen we Gods koninkrijk vergelijken? Met welke gelijkenis kunnen we het beschrijven? 31. Het lijkt op een mosterdzaad. Wanneer dat in de grond wordt gezaaid, is het kleiner dan alle zaden op aarde. 32. Maar na het zaaien komt het op en wordt het groter dan alle tuinplanten. Het krijgt grote takken. Vogels kunnen in zijn schaduw nestelen. 33. Met veel van zulke gelijkenissen vertelde Jezus hun de boodschap, voor zover ze die konden begrijpen. 34. Zonder gelijkenis sprak Hij niet tegen de mensen. Maar aan Zijn leerlingen legde Hij alles apart uit. 35. Die avond zei Hij tegen hen: Laten we naar de overkant varen. 36. Ze lieten de menigte achter en namen Hem mee, terwijl Hij nog in het schip zat. Andere schepen voeren mee. 37. Toen stak een hevige storm op. De golven sloegen het schip in, zodat het al volliep. 38. Jezus lag achter in het schip op een kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker en riepen: Meester, kan het U niets schelen dat we vergaan? 39. Hij werd wakker, bestrafte de wind en zei tegen het meer: Zwijg! Wees stil! De wind ging liggen en alles werd volkomen stil. 40. Hij zei tegen hen: Waarom zijn jullie zo bang? Hebben jullie dan geen geloof? 41. Ze werden diep bevreesd en zeiden tegen elkaar: Wie is Hij toch? Zelfs de wind en het meer gehoorzamen Hem! ## Markus 5 — Jezus bevrijdt een bezeten man en geneest twee vrouwen 1. Ze kwamen aan de overkant van het meer, in het gebied van de Gadarenen. 2. Zodra Jezus uit het schip stapte, kwam vanuit de graven een man met een onreine geest Hem tegemoet. 3. Deze man woonde tussen de graven. Niemand kon hem meer vastbinden, zelfs niet met kettingen. 4. Hij was vaak met voetboeien en kettingen vastgebonden. Maar hij trok de kettingen stuk en verbrijzelde de boeien. Niemand kon hem bedwingen. 5. Dag en nacht zwierf hij tussen de graven en over de bergen. Hij schreeuwde en verwondde zichzelf met stenen. 6. Toen hij Jezus in de verte zag, rende hij naar Hem toe en wierp zich voor Hem neer. 7. Hij schreeuwde luid: Jezus, Zoon van de allerhoogste God, wat hebt U met mij te maken? Ik bezweer U bij God: pijnig mij niet! 8. Want Jezus had tegen hem gezegd: Onreine geest, ga uit deze man! 9. Jezus vroeg hem: Hoe heet je? Hij antwoordde: Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen. 10. De geest smeekte Hem dringend om hen niet uit dat gebied weg te sturen. 11. Daar liep bij de berg een grote kudde varkens te grazen. 12. Alle demonen smeekten Hem: Stuur ons naar die varkens, zodat wij in hen kunnen gaan. 13. Jezus gaf hun meteen toestemming. De onreine geesten gingen uit de man en trokken in de varkens. De kudde stormde van de steile helling het meer in. Ongeveer 2.000 varkens verdronken. 14. De varkenshoeders vluchtten. Ze vertelden het nieuws in de stad en op het platteland. De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. 15. Ze kwamen bij Jezus en zagen de bezeten man zitten. Hij droeg kleren en was weer bij zijn verstand. Het was dezelfde man die door het legioen bezeten was geweest. Ze werden bang. 16. De ooggetuigen vertelden wat met de bezeten man en de varkens was gebeurd. 17. Toen smeekten de inwoners Jezus om hun gebied te verlaten. 18. Toen Hij in het schip stapte, smeekte de man die bezeten was geweest of hij bij Hem mocht blijven. 19. Jezus stond dat niet toe, maar zei: Ga naar huis, naar je familie. Vertel hun welke grote dingen de Heere voor je heeft gedaan en hoe Hij zich over je heeft ontfermd. 20. De man vertrok en vertelde in Dekapolis welke grote dingen Jezus voor hem had gedaan. Iedereen was verbaasd. 21. Jezus voer weer naar de overkant. Een grote menigte verzamelde zich om Hem terwijl Hij aan het meer stond. 22. Toen kwam Jaïrus, een leider van de synagoge. Zodra hij Jezus zag, viel hij aan Zijn voeten. 23. Hij smeekte Hem dringend: Mijn dochtertje ligt op sterven. Kom alstublieft en leg Uw handen op haar. Dan zal ze gered worden en leven. 24. Jezus ging met hem mee. Een grote menigte volgde en verdrong Hem. 25. Onder de mensen was een vrouw die al twaalf jaar bloed verloor. 26. Ze had veel geleden onder vele artsen en al haar bezit uitgegeven. Niets had geholpen; het ging juist slechter met haar. 27. Ze had over Jezus gehoord. Daarom kwam ze van achteren door de menigte en raakte Zijn bovenkleed aan. 28. Ze dacht: Als ik alleen maar Zijn kleren aanraak, zal ik genezen. 29. Meteen stopte haar bloeding. Ze voelde in haar lichaam dat ze van haar aandoening genezen was. 30. Jezus merkte meteen dat er kracht van Hem was uitgegaan. Hij draaide zich in de menigte om en vroeg: Wie heeft mijn kleren aangeraakt? 31. Zijn leerlingen zeiden: U ziet dat de menigte tegen U aandringt. Hoe kunt U dan vragen: Wie heeft mij aangeraakt? 32. Hij keek om zich heen om te zien wie het had gedaan. 33. De vrouw wist wat er met haar was gebeurd. Angstig en bevend kwam ze naar Hem toe, knielde neer en vertelde Hem de hele waarheid. 34. Hij zei tegen haar: Dochter, je geloof heeft je gered. Ga in vrede. Je bent van deze aandoening genezen. 35. Terwijl Jezus nog sprak, kwamen mensen uit het huis van de synagogeleider. Ze zeiden: Je dochter is gestorven. Waarom val je de Meester nog lastig? 36. Jezus hoorde wat ze zeiden en zei tegen de synagogeleider: Wees niet bang; blijf alleen geloven. 37. Hij liet alleen Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich meegaan. 38. Bij het huis van de synagogeleider zag Jezus veel opschudding. De mensen huilden en jammerden luid. 39. Hij ging naar binnen en zei: Waarom maken jullie zoveel lawaai en huilen jullie? Het kind is niet gestorven; ze slaapt. 40. De mensen lachten Hem uit. Hij stuurde hen allemaal naar buiten. Daarna nam Hij de vader, moeder en Zijn drie leerlingen mee naar het kind. 41. Hij pakte haar hand en zei: Talitha kumi! Dat betekent: Meisje, ik zeg je: sta op. 42. Meteen stond het twaalfjarige meisje op en liep rond. Iedereen was diep onder de indruk. 43. Jezus verbood hun dringend iemand hierover te vertellen. Ook zei Hij dat ze haar eten moesten geven. ## Markus 6 — Jezus zendt de twaalf uit, voedt duizenden en loopt over het water 1. Jezus vertrok vandaar en kwam in Zijn vaderstad. Zijn leerlingen volgden Hem. 2. Op de sabbat begon Hij onderwijs te geven in de synagoge. Veel luisteraars waren verbijsterd en vroegen: Waar haalt Hij dit vandaan? Wat voor wijsheid heeft Hij gekregen? Hoe kan Hij zulke wonderen doen? 3. Is Hij niet de timmerman, de zoon van Maria? Is Hij niet de broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon? Wonen Zijn zussen niet hier bij ons? Ze namen aanstoot aan Hem. 4. Jezus zei tegen hen: Een profeet wordt overal geëerd, behalve in zijn vaderstad, bij zijn familie en in zijn eigen huis. 5. Hij kon daar geen groot wonder doen. Alleen enkele zieken genas Hij door hun de handen op te leggen. 6. Hij was verbaasd over hun ongeloof. Daarna trok Hij rond langs de omliggende dorpen en gaf er onderwijs. 7. Hij riep de twaalf bij zich en begon hen twee aan twee uit te sturen. Hij gaf hun macht over de onreine geesten. 8. Hij beval hun voor onderweg alleen een staf mee te nemen: geen tas, geen brood en geen geld in hun gordel. 9. Ze moesten sandalen dragen en mochten geen tweede onderkleed aantrekken. 10. Hij zei tegen hen: Als jullie ergens een huis binnengaan, blijf daar dan tot jullie uit die plaats vertrekken. 11. Als men jullie ergens niet ontvangt of naar jullie luistert, vertrek daar dan. Schud het stof onder je voeten af als getuigenis tegen hen. Ik verzeker jullie: op de dag van het oordeel zal het voor Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan voor die stad. 12. De twaalf vertrokken en riepen de mensen op zich te bekeren. 13. Ze dreven veel demonen uit. Ook zalfden ze veel zieken met olie en genazen hen. 14. Koning Herodes hoorde over Jezus, want Zijn naam was overal bekend geworden. Herodes zei: Johannes de Doper is uit de dood opgewekt. Daarom werken die wonderkrachten in hem. 15. Anderen zeiden: Hij is Elia. Weer anderen zeiden: Hij is een profeet zoals een van de vroegere profeten. 16. Toen Herodes dit hoorde, zei hij: Dit is Johannes, die ik heb laten onthoofden. Die is uit de dood opgewekt. 17. Herodes had Johannes namelijk laten gevangennemen en boeien. Hij deed dat vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, met wie hij getrouwd was. 18. Johannes had tegen Herodes gezegd: Het is u niet toegestaan de vrouw van uw broer te hebben. 19. Daarom haatte Herodias Johannes en wilde ze hem doden, maar dat kon ze niet. 20. Herodes was bang voor Johannes, omdat hij wist dat Johannes rechtvaardig en heilig was. Daarom beschermde hij hem. Als hij Johannes hoorde, deed hij veel van wat Johannes zei en luisterde graag naar hem. 21. Toen kwam er een geschikte dag. Op zijn verjaardag gaf Herodes een feestmaal voor zijn bestuurders, legerofficieren en de belangrijkste mensen van Galilea. 22. De dochter van Herodias kwam binnen en danste. Herodes en zijn gasten genoten daarvan. De koning zei tegen het meisje: Vraag mij wat je wilt, en ik zal het je geven. 23. Hij zwoer haar: Wat je mij ook vraagt, ik zal het je geven, zelfs de helft van mijn koninkrijk. 24. Ze ging naar buiten en vroeg haar moeder: Wat zal ik vragen? Haar moeder antwoordde: Het hoofd van Johannes de Doper. 25. Het meisje ging meteen terug naar de koning. Ze zei: Ik wil dat u mij nu het hoofd van Johannes de Doper op een schaal geeft. 26. De koning werd heel verdrietig. Toch wilde hij haar verzoek niet afwijzen vanwege zijn eed en de gasten aan tafel. 27. Hij stuurde meteen een lijfwacht met het bevel Johannes’ hoofd te brengen. De man ging naar de gevangenis en onthoofdde Johannes. 28. Hij bracht het hoofd op een schaal en gaf het aan het meisje. Zij gaf het aan haar moeder. 29. Toen de leerlingen van Johannes dit hoorden, haalden ze zijn lichaam op en legden het in een graf. 30. De apostelen kwamen bij Jezus terug en vertelden Hem alles wat ze hadden gedaan en onderwezen. 31. Jezus zei: Kom mee naar een afgelegen plaats, zodat jullie alleen kunnen zijn en wat kunnen rusten. Er kwamen en gingen namelijk zoveel mensen dat zij niet eens tijd hadden om te eten. 32. Ze voeren met een schip naar een afgelegen plaats om alleen te zijn. 33. De mensen zagen hen wegvaren en velen herkenden Jezus. Uit alle steden renden ze te voet naar die plaats. Ze waren er eerder dan Jezus en Zijn leerlingen en kwamen bij Hem samen. 34. Toen Jezus uit het schip stapte, zag Hij een grote menigte. Hij kreeg diep medelijden met hen, want ze waren als schapen zonder herder. Daarom gaf Hij hun uitgebreid onderwijs. 35. Het werd laat. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en zeiden: Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. 36. Stuur de mensen weg. Dan kunnen ze naar de omliggende dorpen en plaatsen gaan om brood voor zichzelf te kopen, want ze hebben niets te eten. 37. Maar Hij antwoordde: Jullie moeten hun te eten geven. Ze vroegen Hem: Moeten wij voor 200 penningen brood gaan kopen en hun dat te eten geven? 38. Hij vroeg: Hoeveel broden hebben jullie? Ga het bekijken. Nadat ze het hadden nagegaan, zeiden ze: Vijf broden en twee vissen. 39. Hij droeg de leerlingen op iedereen in groepen op het groene gras te laten zitten. 40. De mensen gingen in groepen van 100 en 50 bij elkaar zitten. 41. Jezus nam de vijf broden en twee vissen. Hij keek naar de hemel, sprak de zegen uit en brak de broden. Hij gaf ze aan Zijn leerlingen om uit te delen. Ook verdeelde Hij de twee vissen onder allen. 42. Iedereen at en werd verzadigd. 43. Daarna haalden de leerlingen twaalf manden vol stukken brood en vis op. 44. Ongeveer 5.000 mannen hadden van de broden gegeten. 45. Meteen liet Jezus Zijn leerlingen in het schip stappen. Zij moesten voor Hem uit naar de overkant varen, richting Bethsaïda. Ondertussen stuurde Hij de menigte weg. 46. Nadat Hij afscheid van de mensen had genomen, ging Hij de berg op om te bidden. 47. Toen het avond was, bevond het schip zich midden op het meer. Jezus was alleen op het land. 48. Hij zag dat de leerlingen grote moeite hadden met roeien, omdat de wind tegenzat. Tegen het einde van de nacht kwam Hij over het water naar hen toe. Hij wilde hen voorbijgaan. 49. Toen zij Hem over het water zagen lopen, dachten ze dat Hij een spook was. Ze schreeuwden het uit. 50. Ze zagen Hem allemaal en raakten in paniek. Meteen sprak Hij hen aan: Houd moed, ik ben het. Wees niet bang. 51. Hij stapte bij hen in het schip en de wind ging liggen. Ze waren buitengewoon verbaasd. 52. Ze hadden het wonder met de broden niet begrepen, want hun hart was verhard. 53. Ze staken over en kwamen aan land bij Gennesaret. Daar legden ze het schip aan. 54. Zodra ze uit het schip stapten, herkenden de mensen Jezus. 55. De mensen trokken door de hele omgeving. Waar ze hoorden dat Jezus was, brachten ze de zieken op slaapmatten naar Hem toe. 56. Overal waar Hij kwam—in dorpen, steden of gehuchten—legde men de zieken op de marktpleinen. Ze smeekten Hem of de zieken alleen de zoom van Zijn kleed mochten aanraken. Iedereen die Hem aanraakte, werd gezond. ## Markus 7 — Jezus laat zien wat een mens werkelijk onrein maakt 1. De Farizeeën en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem kwamen bij Jezus bijeen. 2. Ze zagen dat sommige van Zijn leerlingen brood aten met onreine, dat wil zeggen ongewassen, handen. Daarom spraken ze hen erop aan. 3. De Farizeeën en alle Joden eten pas nadat zij hun handen grondig hebben gewassen. Zo houden zij zich aan de overlevering van hun voorouders. 4. Na de markt eten ze pas nadat zij zich gewassen hebben. Ze houden ook allerlei wassingen van bekers, kannen, koperen vaten en rustbanken. 5. Toen vroegen de Farizeeën en schriftgeleerden Hem: Waarom houden Uw leerlingen zich niet aan de overlevering van de voorouders? Waarom eten zij met ongewassen handen? 6. Jezus antwoordde: Jesaja heeft terecht over jullie huichelaars geprofeteerd. Er staat geschreven: Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij. 7. Zij eren mij tevergeefs. Wat zij onderwijzen, zijn menselijke geboden. 8. Jullie laten Gods gebod los en houden vast aan menselijke overleveringen. Daarbij horen wassingen van kannen en bekers en veel vergelijkbare gebruiken. 9. Jezus zei ook: Jullie zetten Gods gebod opzij om jullie eigen overlevering te handhaven. 10. Want Mozes heeft gezegd: Eer je vader en je moeder. Ook heeft hij gezegd: Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet sterven. 11. Maar jullie leren dat iemand tegen zijn vader of moeder mag zeggen: Wat u van mij kon krijgen, is korban. Dat betekent: een gave aan God. 12. Daarna laten jullie hem niets meer voor zijn vader of moeder doen. 13. Zo maken jullie Gods woord krachteloos door de overlevering die jullie doorgeven. En jullie doen veel meer van zulke dingen. 14. Jezus riep de hele menigte bij zich en zei: Luister allemaal naar mij en begrijp dit. 15. Niets wat van buitenaf een mens binnengaat, kan hem onrein maken. Wat uit een mens naar buiten komt, maakt hem onrein. 16. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren. 17. Toen Jezus de menigte had verlaten en een huis was binnengegaan, vroegen Zijn leerlingen Hem wat de gelijkenis betekende. 18. Hij zei: Begrijpen jullie het ook nog niet? Alles wat van buitenaf een mens binnengaat, kan hem niet onrein maken. 19. Het komt niet in zijn hart, maar in zijn maag. Daarna verlaat het zijn lichaam, waardoor al het voedsel wordt afgevoerd. 20. Hij vervolgde: Wat uit een mens naar buiten komt, maakt hem onrein. 21. Want van binnenuit, uit het hart van mensen, komen slechte gedachten. Daaruit komen overspel, seksuele losbandigheid en moord. 22. Ook diefstal, hebzucht, kwaad, bedrog, schaamteloosheid, afgunst, lastering, hoogmoed en dwaasheid komen daarvandaan. 23. Al deze slechte dingen komen van binnenuit en maken een mens onrein. 24. Jezus vertrok en ging naar het gebied rond Tyrus en Sidon. Hij ging een huis binnen en wilde onbekend blijven. Toch kon Hij niet verborgen blijven. 25. Een vrouw hoorde van Hem. Haar dochtertje had een onreine geest. Meteen kwam ze en viel aan Zijn voeten neer. 26. De vrouw was een Griekse, afkomstig uit Syro-Fenicië. Ze smeekte Hem de demon uit haar dochter te verdrijven. 27. Jezus zei tegen haar: Laat eerst de kinderen genoeg eten. Het is niet goed hun brood af te pakken en voor de hondjes te gooien. 28. Ze antwoordde: Ja, Heere. Maar ook de hondjes onder de tafel eten van de kruimels van de kinderen. 29. Jezus zei: Omdat u dit hebt gezegd, kunt u naar huis gaan. De demon heeft uw dochter verlaten. 30. Ze ging naar huis en vond haar dochter op bed. De demon was vertrokken. 31. Jezus vertrok weer uit het gebied van Tyrus en Sidon. Via het gebied van Dekapolis ging Hij naar het Meer van Galilea. 32. Daar brachten mensen een dove man bij Hem die moeilijk sprak. Ze smeekten Hem Zijn hand op de man te leggen. 33. Jezus nam hem apart van de menigte. Hij stak Zijn vingers in de oren van de man, spuugde en raakte zijn tong aan. 34. Hij keek omhoog naar de hemel, zuchtte en zei tegen hem: Effatha! Dat betekent: ga open! 35. Meteen gingen zijn oren open en kwam zijn tong los. Hij kon duidelijk spreken. 36. Jezus verbood de mensen erover te vertellen. Maar hoe nadrukkelijker Hij dat verbood, hoe meer zij het bekendmaakten. 37. Ze waren diep onder de indruk en zeiden: Alles wat Hij doet, is goed. Hij laat zelfs doven horen en mensen die niet kunnen spreken, praten. ## Markus 8 — Jezus geeft brood, opent ogen en spreekt over Zijn lijden 1. In die dagen was opnieuw een grote menigte bijeen. Ze hadden niets te eten. Jezus riep Zijn leerlingen bij zich en zei: 2. Ik heb diep medelijden met deze menigte. Ze zijn al drie dagen bij mij en hebben niets te eten. 3. Als ik hen met een lege maag naar huis stuur, bezwijken ze onderweg. Sommigen komen namelijk van ver. 4. Zijn leerlingen antwoordden: Hoe kan iemand hier in deze verlaten streek genoeg brood vinden om al deze mensen te voeden? 5. Jezus vroeg: Hoeveel broden hebben jullie? Ze antwoordden: Zeven. 6. Hij gaf de menigte opdracht op de grond te gaan zitten. Daarna dankte Hij voor de zeven broden, brak ze en gaf ze aan Zijn leerlingen. Zij deelden ze uit. 7. Ze hadden ook een paar kleine vissen. Jezus sprak de zegen uit en gaf opdracht ook die uit te delen. 8. Iedereen at en kreeg genoeg. Daarna verzamelden de leerlingen zeven manden vol overgebleven stukken. 9. Er hadden ongeveer 4.000 mensen gegeten. Daarna stuurde Jezus hen weg. 10. Meteen stapte Hij met Zijn leerlingen in het schip en ging naar het gebied van Dalmanutha. 11. De Farizeeën kwamen en begonnen met Hem te discussiëren. Om Hem te beproeven vroegen ze een teken uit de hemel. 12. Hij zuchtte diep en zei: Waarom verlangt deze generatie een teken? Ik verzeker jullie: deze generatie zal beslist geen teken krijgen. 13. Hij liet hen achter, stapte weer in het schip en voer naar de overkant. 14. De leerlingen waren vergeten brood mee te nemen. Ze hadden maar één brood bij zich in het schip. 15. Jezus waarschuwde hen: Let goed op! Pas op voor de zuurdesem van de Farizeeën en die van Herodes. 16. Ze bespraken dit met elkaar en zeiden: Hij zegt dit omdat we geen brood hebben. 17. Jezus merkte dit en zei: Waarom praten jullie over het brood dat jullie niet hebben? Begrijpen jullie het nog steeds niet? Is jullie hart nog altijd hard? 18. Jullie hebben ogen, maar zien niet. Jullie hebben oren, maar horen niet. Herinneren jullie je het dan niet? 19. Toen ik de vijf broden voor 5.000 mannen brak, hoeveel manden met stukken haalden jullie toen op? Ze antwoordden: Twaalf. 20. En toen ik de zeven broden voor 4.000 mannen brak, hoeveel manden met stukken haalden jullie toen op? Ze antwoordden: Zeven. 21. Hij zei: Begrijpen jullie het nog steeds niet? 22. Ze kwamen in Bethsaïda. Daar brachten mensen een blinde man bij Jezus en smeekten Hem de man aan te raken. 23. Jezus pakte de blinde man bij de hand en leidde hem het dorp uit. Hij spuugde in zijn ogen en legde Zijn handen op hem. Daarna vroeg Hij of hij iets zag. 24. De man keek op en zei: Ik zie mensen. Ze lijken op bomen die rondlopen. 25. Jezus legde opnieuw Zijn handen op de ogen van de man en liet hem kijken. De man was hersteld en zag alles helder. 26. Jezus stuurde hem naar huis en zei: Ga het dorp niet in en vertel het daar aan niemand. 27. Jezus en Zijn leerlingen gingen naar de dorpen rond Caesarea Filippi. Onderweg vroeg Hij hun: Wie zeggen de mensen dat ik ben? 28. Ze antwoordden: Sommige mensen zeggen dat U Johannes de Doper bent. Anderen noemen U Elia of een van de profeten. 29. Hij vroeg: En jullie, wie zeggen jullie dat ik ben? Petrus antwoordde: U bent de Christus. 30. Jezus verbood hun nadrukkelijk iemand over Hem te vertellen. 31. Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel moest lijden. De oudsten, overpriesters en schriftgeleerden zouden Hem afwijzen en doden. Na drie dagen zou Hij opstaan. 32. Hij sprak hier openlijk over. Petrus nam Hem apart en begon Hem tegen te spreken. 33. Jezus draaide zich om, keek naar Zijn leerlingen en wees Petrus streng terecht: Ga weg, satan! Jij denkt niet aan wat God wil, maar aan wat mensen willen. 34. Toen riep Hij de menigte en Zijn leerlingen bij zich en zei: Wie mij wil volgen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en mij volgen. 35. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om mij en het goede nieuws, zal het redden. 36. Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als zijn ziel verloren gaat? 37. Wat kan een mens geven in ruil voor zijn ziel? 38. Wie zich in deze zondige en ontrouwe generatie voor mij en mijn woorden schaamt, voor hem zal de Mensenzoon zich ook schamen. Dat gebeurt wanneer Hij komt in de heerlijkheid van Zijn Vader, samen met de heilige engelen. ## Markus 9 — Jezus toont Zijn heerlijkheid en leert wat werkelijk groot is 1. Hij zei tegen hen: Ik verzeker jullie: sommigen die hier staan, zullen niet sterven voordat zij Gods koninkrijk krachtig hebben zien komen. 2. Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee naar een hoge berg. Daar waren zij alleen. Voor hun ogen veranderde Zijn uiterlijk. 3. Zijn kleren werden stralend wit, witter dan iemand op aarde ze kan wassen. 4. Toen verschenen Elia en Mozes aan hen. Zij spraken met Jezus. 5. Petrus zei tegen Jezus: Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten maken: één voor U, één voor Mozes en één voor Elia. 6. Hij wist namelijk niet wat hij moest zeggen, want ze waren erg bang. 7. Toen kwam er een wolk die hen overschaduwde. Uit de wolk klonk een stem: Dit is mijn geliefde Zoon. Luister naar Hem! 8. Ze keken plotseling om zich heen en zagen niemand meer bij zich, behalve Jezus. 9. Terwijl ze de berg afdaalden, verbood Jezus hun te vertellen wat ze gezien hadden. Dat mochten ze pas doen nadat de Mensenzoon uit de dood was opgestaan. 10. Ze hielden dit voor zichzelf, maar bespraken samen wat opstaan uit de dood betekende. 11. Ze vroegen Jezus: Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen? 12. Hij antwoordde: Elia komt inderdaad eerst en herstelt alles. Over de Mensenzoon staat geschreven dat Hij veel moet lijden en veracht worden. 13. Maar ik zeg jullie: Elia is al gekomen. Ze hebben met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat. 14. Toen Jezus bij de andere leerlingen kwam, zag Hij een grote menigte om hen heen. Enkele schriftgeleerden discussieerden met hen. 15. Zodra de hele menigte Hem zag, raakte ze verbaasd. De mensen liepen naar Hem toe en begroetten Hem. 16. Jezus vroeg de schriftgeleerden: Waarover discussiëren jullie met hen? 17. Een man uit de menigte antwoordde: Meester, ik heb mijn zoon bij U gebracht. Hij heeft een geest waardoor hij niet kan spreken. 18. Waar die geest hem ook grijpt, werpt hij hem op de grond. Mijn zoon schuimbekt, knarst met zijn tanden en verstijft. Ik vroeg Uw leerlingen de geest uit te drijven, maar dat konden zij niet. 19. Jezus zei: Wat zijn jullie toch een ongelovige generatie! Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen? Breng hem bij mij. 20. Ze brachten de jongen bij Hem. Zodra de geest Jezus zag, deed hij de jongen hevig stuiptrekken. De jongen viel op de grond, rolde heen en weer en schuimbekte. 21. Jezus vroeg zijn vader: Hoelang heeft hij dit al? De vader antwoordde: Al sinds zijn jeugd. 22. De geest heeft hem vaak in vuur en water gegooid om hem te doden. Maar als U iets kunt doen, heb medelijden met ons en help ons. 23. Jezus zei: Als u kunt geloven: alles is mogelijk voor wie gelooft. 24. De vader van de jongen riep meteen huilend: Ik geloof, Heere! Help mij waar ik nog niet geloof. 25. Jezus zag dat de menigte snel toeliep. Hij bestrafte de onreine geest en beval hem: Stomme en dove geest, ik beveel je: ga uit hem en kom nooit meer terug! 26. De geest schreeuwde, liet de jongen hevig stuiptrekken en ging uit hem. De jongen leek dood. Veel mensen zeiden: Hij is gestorven. 27. Maar Jezus pakte hem bij de hand en hielp hem overeind. De jongen stond op. 28. Toen Jezus een huis was binnengegaan, vroegen Zijn leerlingen Hem apart: Waarom konden wij die geest niet uitdrijven? 29. Hij antwoordde: Dit soort kan alleen door gebed en vasten worden verdreven. 30. Ze vertrokken daarvandaan en reisden door Galilea. Jezus wilde niet dat iemand het wist. 31. Hij leerde Zijn leerlingen en zei: De Mensenzoon wordt in handen van mensen overgeleverd. Ze zullen Hem doden. Maar op de derde dag zal Hij opstaan. 32. Ze begrepen deze woorden niet en durfden Hem er niets over te vragen. 33. Ze kwamen in Kapernaüm. Toen ze in huis waren, vroeg Jezus hun: Waarover hadden jullie onderweg ruzie? 34. Ze zwegen, want onderweg hadden ze met elkaar besproken wie van hen de belangrijkste was. 35. Jezus ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei: Wie de eerste wil zijn, moet de laatste van iedereen zijn en iedereen dienen. 36. Hij nam een kind, zette het in hun midden en sloeg Zijn armen eromheen. Daarna zei Hij: 37. Wie zo’n kind in mijn naam ontvangt, ontvangt mij. En wie mij ontvangt, ontvangt niet alleen mij, maar ook Hem die mij heeft gestuurd. 38. Johannes zei tegen Hem: Meester, we zagen iemand in Uw naam demonen uitdrijven. Hij volgt ons niet en daarom hebben we het hem verboden. 39. Jezus antwoordde: Verbied het hem niet. Niemand kan in mijn naam een wonder doen en kort daarna slecht over mij spreken. 40. Wie niet tegen ons is, is voor ons. 41. Wie jullie in mijn naam een beker water geeft omdat jullie bij Christus horen, verliest zijn beloning zeker niet. 42. Wie een van deze kleinen die in mij geloven tot zonde verleidt, kan beter met een molensteen om zijn hals in zee worden geworpen. 43. Als je hand je tot zonde verleidt, hak hem af. Je kunt beter verminkt het leven binnengaan dan met twee handen naar de hel gaan, naar het vuur dat nooit uitgaat. 44. Daar sterft hun worm niet en wordt het vuur niet uitgeblust. 45. Als je voet je tot zonde verleidt, hak hem af. Je kunt beter kreupel het leven binnengaan dan met twee voeten in de hel worden geworpen, in het vuur dat nooit uitgaat. 46. Daar sterft hun worm niet en wordt het vuur niet uitgeblust. 47. Als je oog je tot zonde verleidt, ruk het uit. Je kunt beter met één oog Gods koninkrijk binnengaan dan met twee ogen in het vuur van de hel worden geworpen. 48. Daar sterft hun worm niet en wordt het vuur niet uitgeblust. 49. Iedereen zal met vuur worden gezouten. Elk offer zal met zout worden gezouten. 50. Zout is goed. Maar als het zout zijn smaak verliest, waarmee maken jullie het weer zout? Zorg dat het zout in jullie blijft en leef in vrede met elkaar. ## Markus 10 — Jezus leert over trouw, bezit en dienen 1. Jezus vertrok vandaar en ging naar het gebied van Judea, aan de overkant van de Jordaan. Opnieuw kwamen er mensen naar Hem toe. Zoals gewoonlijk leerde Hij hen. 2. Enkele farizeeën kwamen naar Hem toe en vroegen om Hem te testen: Mag een man van zijn vrouw scheiden? 3. Hij antwoordde: Wat heeft Mozes jullie opgedragen? 4. Ze antwoordden: Mozes stond toe een scheidingsbrief te schrijven en haar weg te sturen. 5. Jezus zei tegen hen: Mozes schreef dit voorschrift voor jullie omdat jullie harten zo hard zijn. 6. Maar vanaf het begin van de schepping maakte God mensen als man en vrouw. 7. Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw verbinden. 8. Die twee zullen één lichaam worden. Zo zijn zij niet langer twee, maar één. 9. Wat God heeft samengevoegd, mag een mens niet scheiden. 10. Later, in huis, vroegen Zijn leerlingen Hem opnieuw hierover. 11. Hij zei tegen hen: Wie zijn vrouw wegstuurt en met een ander trouwt, pleegt overspel tegen haar. 12. En als een vrouw haar man wegstuurt en met een ander trouwt, pleegt zij overspel. 13. De mensen brachten kinderen bij Jezus, zodat Hij hen zou aanraken. Maar de leerlingen wezen de mensen terecht. 14. Toen Jezus dit zag, was Hij verontwaardigd. Hij zei tegen Zijn leerlingen: Laat de kinderen bij mij komen. Houd ze niet tegen, want Gods koninkrijk behoort aan mensen zoals zij. 15. Ik verzeker jullie: wie Gods koninkrijk niet ontvangt zoals een kind, zal er beslist niet binnengaan. 16. Hij nam de kinderen in Zijn armen, legde Zijn handen op hen en zegende hen. 17. Toen Jezus weer op weg ging, kwam iemand aanrennen. De man knielde voor Hem en vroeg: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven als erfenis te ontvangen? 18. Jezus antwoordde: Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed behalve God alleen. 19. De geboden kent u: Pleeg geen overspel, dood niet, steel niet, leg geen vals getuigenis af en benadeel niemand. Eer uw vader en moeder. 20. De man antwoordde: Meester, sinds mijn jeugd heb ik mij aan al deze geboden gehouden. 21. Jezus keek hem aan en kreeg hem lief. Hij zei: Eén ding ontbreekt u. Ga weg, verkoop alles wat u hebt en geef de opbrengst aan de armen. Dan zult u een schat in de hemel hebben. Kom daarna, neem het kruis op en volg mij. 22. De man werd somber door deze woorden en ging verdrietig weg, want hij bezat veel. 23. Jezus keek om zich heen en zei tegen Zijn leerlingen: Wat is het moeilijk voor rijke mensen om Gods koninkrijk binnen te gaan! 24. De leerlingen schrokken van Zijn woorden. Jezus zei opnieuw: Kinderen, wat is het moeilijk voor mensen die op hun rijkdom vertrouwen om Gods koninkrijk binnen te gaan! 25. Een kameel gaat gemakkelijker door het oog van een naald dan een rijke Gods koninkrijk binnengaat. 26. De leerlingen waren nog meer verbijsterd en zeiden tegen elkaar: Wie kan dan gered worden? 27. Jezus keek hen aan en zei: Voor mensen is dit onmogelijk, maar voor God niet. Voor God is alles mogelijk. 28. Petrus begon tegen Hem te zeggen: Kijk, wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. 29. Jezus antwoordde: Ik verzeker jullie: iedereen die om mij en het goede nieuws huis, broers, zussen, vader, moeder, vrouw, kinderen of akkers heeft verlaten, 30. zal nu 100 keer zoveel ontvangen: huizen, broers, zussen, moeders, kinderen en akkers, maar ook vervolgingen. In de toekomstige wereld ontvangt hij het eeuwige leven. 31. Maar veel eersten zullen de laatsten zijn en veel laatsten de eersten. 32. Ze waren onderweg naar Jeruzalem. Jezus liep voor hen uit. De leerlingen waren verbaasd en degenen die volgden, waren bang. Jezus nam de twaalf weer apart en vertelde wat Hem zou overkomen. 33. Hij zei: Kijk, wij gaan naar Jeruzalem. De Mensenzoon zal aan de overpriesters en schriftgeleerden worden overgeleverd. Zij zullen Hem ter dood veroordelen en aan de heidenen overleveren. 34. Die zullen Hem bespotten, geselen en bespuwen. Daarna zullen ze Hem doden, maar op de derde dag zal Hij opstaan. 35. Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen naar Jezus toe. Ze zeiden: Meester, wij willen dat U voor ons doet wat wij vragen. 36. Hij vroeg hun: Wat willen jullie dat ik voor jullie doe? 37. Ze antwoordden: Geef ons in Uw heerlijkheid een plaats naast U: één van ons rechts en de ander links. 38. Jezus zei: Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik drink? Kunnen jullie de doop ondergaan die ik onderga? 39. Ze antwoordden: Dat kunnen wij. Jezus zei: De beker die ik drink, zullen jullie drinken. De doop die ik onderga, zullen jullie ondergaan. 40. Maar het is niet aan mij om te bepalen wie rechts of links van mij zit. Die plaatsen zijn voor degenen voor wie ze zijn bestemd. 41. Toen de andere tien dit hoorden, werden ze boos op Jakobus en Johannes. 42. Jezus riep hen bij zich en zei: Jullie weten dat de leiders van de volken over hun mensen heersen. Hun machthebbers oefenen gezag over hen uit. 43. Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie groot wil worden, moet jullie dienaar zijn. 44. En wie van jullie de eerste wil zijn, moet de dienaar van iedereen zijn. 45. Ook de Mensenzoon kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen. Hij kwam om Zijn leven te geven als losprijs voor velen. 46. Ze kwamen in Jericho. Toen Jezus met Zijn leerlingen en een grote menigte de stad verliet, zat een blinde bedelaar langs de weg. Het was Bartimeüs, de zoon van Timeüs. 47. Toen hij hoorde dat Jezus uit Nazareth langskwam, begon hij te roepen: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij! 48. Veel mensen zeiden streng dat hij moest zwijgen. Maar hij riep nog harder: Zoon van David, heb medelijden met mij! 49. Jezus bleef staan en zei: Roep hem. Ze riepen de blinde man en zeiden: Houd moed! Sta op, Hij roept u. 50. Hij gooide zijn mantel van zich af, stond op en ging naar Jezus toe. 51. Jezus vroeg hem: Wat wilt u dat ik voor u doe? De blinde man antwoordde: Rabboni, ik wil kunnen zien. 52. Jezus zei tegen hem: Ga maar. Door uw geloof bent u gered. Meteen kon hij zien en hij volgde Jezus op de weg. ## Markus 11 — De Koning komt naar Jeruzalem en reinigt de tempel 1. Toen ze Jeruzalem naderden, kwamen ze bij Bethfagé en Bethanië, aan de Olijfberg. Jezus stuurde twee van Zijn leerlingen vooruit. 2. Hij zei tegen hen: Ga naar het dorp tegenover jullie. Zodra jullie daar binnenkomen, vinden jullie een vastgebonden veulen waarop nog nooit iemand heeft gezeten. Maak het los en breng het hier. 3. Als iemand jullie vraagt: Waarom doen jullie dat? antwoord dan: De Heere heeft het nodig. Daarna zal hij het meteen hierheen sturen. 4. Ze gingen op weg en vonden het veulen buiten bij een deur, vastgebonden langs de weg. Ze maakten het los. 5. Enkele omstanders vroegen: Wat doen jullie daar? Waarom maken jullie het veulen los? 6. Ze antwoordden zoals Jezus had gezegd. Toen lieten de mensen hen gaan. 7. Ze brachten het veulen bij Jezus en legden hun mantels erop. Jezus ging erop zitten. 8. Veel mensen spreidden hun mantels over de weg. Anderen hakten takken van de bomen en legden die op de weg. 9. De mensen die voor Hem uitliepen en achter Hem aankwamen, riepen: Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heere! 10. Gezegend is het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in de hoogste hemel! 11. Jezus ging Jeruzalem binnen en bezocht de tempel. Nadat Hij alles had bekeken, vertrok Hij met de twaalf naar Bethanië. Het was inmiddels avond. 12. De volgende dag verlieten ze Bethanië. Jezus kreeg honger. 13. In de verte zag Hij een vijgenboom met bladeren. Hij ging kijken of er iets aan groeide. Maar Hij vond alleen bladeren, want het was niet de tijd voor vijgen. 14. Jezus zei tegen de boom: Nooit meer zal iemand vruchten van je eten! Zijn leerlingen hoorden dit. 15. Ze kwamen in Jeruzalem. Jezus ging de tempel binnen en joeg de kopers en verkopers eruit. Hij gooide de tafels van geldwisselaars en de stoelen van duivenverkopers om. 16. Hij stond niet toe dat iemand goederen door de tempel droeg. 17. Hij leerde de mensen: Er staat geschreven: Mijn huis zal voor alle volken een huis van gebed heten. Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt. 18. De schriftgeleerden en overpriesters hoorden dit en zochten een manier om Hem te doden. Ze waren bang voor Hem, want de hele menigte was diep onder de indruk van Zijn onderwijs. 19. Toen het avond werd, verliet Jezus de stad. 20. De volgende ochtend kwamen ze langs de vijgenboom. Ze zagen dat hij vanaf zijn wortels was verdord. 21. Petrus herinnerde zich wat Jezus had gezegd en zei tegen Hem: Rabbi, kijk! De vijgenboom die U hebt vervloekt, is verdord. 22. Jezus antwoordde: Vertrouw op God. 23. Ik verzeker jullie: iemand kan tegen deze berg zeggen: Kom van je plaats en stort je in zee. Als hij niet twijfelt, maar gelooft dat het gebeurt, zal het gebeuren. 24. Daarom zeg ik jullie: geloof dat jullie alles wat jullie in gebed vragen, zullen ontvangen. Dan zal het jullie gegeven worden. 25. Wanneer jullie staan te bidden, vergeef dan iemand tegen wie jullie iets hebben. Dan zal ook jullie Vader in de hemel jullie overtredingen vergeven. 26. Maar als jullie niet vergeven, zal jullie Vader in de hemel jullie overtredingen ook niet vergeven. 27. Ze kwamen weer in Jeruzalem. Terwijl Jezus door de tempel liep, kwamen de overpriesters, schriftgeleerden en oudsten naar Hem toe. 28. Ze vroegen: Met welk gezag doet U deze dingen? Wie heeft U het gezag gegeven om dit te doen? 29. Jezus antwoordde: Ik stel jullie ook één vraag. Geef mij antwoord, dan vertel ik met welk gezag ik deze dingen doe. 30. Kwam de doop van Johannes uit de hemel of van mensen? Geef mij antwoord. 31. Ze overlegden met elkaar: Als we zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij vragen: Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd? 32. Maar als we zeggen: Uit mensen... Ze waren bang voor het volk, want iedereen hield Johannes voor een echte profeet. 33. Daarom antwoordden ze Jezus: Wij weten het niet. Jezus zei tegen hen: Dan vertel ik jullie ook niet met welk gezag ik deze dingen doe. ## Markus 12 — Jezus ontmaskert de leiders en wijst de weg van God 1. Jezus begon hun gelijkenissen te vertellen: Een man legde een wijngaard aan. Hij zette er een omheining omheen, groef een wijnpersbak en bouwde een wachttoren. Daarna verpachtte hij hem aan landbouwers en reisde naar het buitenland. 2. Toen het tijd was voor de oogst, stuurde hij een dienaar naar de landbouwers. Die moest zijn deel van de opbrengst van de wijngaard ontvangen. 3. Maar ze grepen de dienaar, sloegen hem en stuurden hem met lege handen terug. 4. De eigenaar stuurde een andere dienaar. Ze stenigden hem, verwondden hem aan zijn hoofd en stuurden hem vernederd weg. 5. Hij stuurde nog een dienaar, maar die doodden ze. Daarna stuurde hij vele anderen. Sommigen sloegen ze en anderen doodden ze. 6. Ten slotte had hij alleen nog zijn geliefde zoon. Hij stuurde hem naar de landbouwers en dacht: Voor mijn zoon zullen ze toch ontzag hebben. 7. Maar de landbouwers zeiden tegen elkaar: Dit is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden! Dan wordt de erfenis van ons. 8. Ze grepen hem, doodden hem en gooiden hem buiten de wijngaard. 9. Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu doen? Hij zal komen, de landbouwers doden en de wijngaard aan anderen geven. 10. Hebben jullie dit Schriftwoord nooit gelezen? De steen die de bouwers hadden afgekeurd, is de belangrijkste hoeksteen geworden. 11. De Heere heeft dit gedaan. Het is wonderlijk in onze ogen. 12. De leiders wilden Jezus grijpen, maar waren bang voor de menigte. Ze begrepen dat Hij deze gelijkenis over hen had verteld. Daarom lieten ze Hem met rust en gingen weg. 13. Later stuurden ze enkele farizeeën en aanhangers van Herodes naar Jezus toe. Die moesten Hem met Zijn eigen woorden in de val lokken. 14. Ze zeiden: Meester, wij weten dat U betrouwbaar bent. U laat zich door niemand beïnvloeden en kijkt niet naar aanzien, maar leert eerlijk Gods weg. Mogen wij belasting aan de keizer betalen of niet? Moeten wij betalen of niet? 15. Jezus doorzag hun huichelarij en zei: Waarom stellen jullie mij op de proef? Breng mij een penning, zodat ik hem kan bekijken. 16. Ze brachten Hem er een. Jezus vroeg: Van wie zijn deze afbeelding en dit opschrift? Ze antwoordden: Van de keizer. 17. Jezus zei: Geef de keizer wat van de keizer is, en geef God wat van God is. Ze waren diep verwonderd over Hem. 18. Daarna kwamen er sadduceeën naar Jezus toe. Zij zeggen dat er geen opstanding is. Ze legden Hem deze vraag voor: 19. Meester, Mozes heeft ons geschreven: Als iemands broer sterft en een vrouw zonder kinderen achterlaat, moet zijn broer met de weduwe trouwen. Zo zorgt hij voor nakomelingen voor zijn overleden broer. 20. Er waren eens zeven broers. De eerste trouwde met een vrouw. Hij stierf zonder kinderen na te laten. 21. De tweede broer trouwde met haar, maar ook hij stierf zonder kinderen. Met de derde ging het net zo. 22. Alle zeven trouwden met haar en lieten geen kinderen na. Ten slotte stierf ook de vrouw. 23. Wanneer zij bij de opstanding zijn opgestaan, van wie is zij dan de vrouw? Alle zeven zijn immers met haar getrouwd geweest. 24. Jezus antwoordde: Jullie dwalen omdat jullie de Schriften niet kennen en Gods kracht niet begrijpen. 25. Wanneer de doden opstaan, trouwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt. Ze zijn dan als de engelen in de hemel. 26. Over de opstanding van de doden: hebben jullie in het boek van Mozes niet gelezen wat God bij de doornstruik zei? Ik ben de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. 27. Hij is geen God van doden, maar van levenden. Jullie dwalen dus ernstig. 28. Een schriftgeleerde had de discussie gehoord en merkte dat Jezus goed antwoordde. Hij vroeg Hem: Welk gebod is het belangrijkste van allemaal? 29. Jezus antwoordde: Het belangrijkste gebod is: Luister, Israël! De Heere, onze God, is de enige Heere. 30. Heb de Heere, uw God, lief met heel uw hart, heel uw ziel, heel uw verstand en al uw kracht. Dit is het belangrijkste gebod. 31. Het tweede is: Heb uw naaste lief als uzelf. Geen ander gebod is belangrijker dan deze twee. 32. De schriftgeleerde zei: Meester, dat hebt U goed en naar waarheid gezegd. Er is één God en buiten Hem bestaat geen andere. 33. Hem liefhebben met heel het hart, verstand, ziel en alle kracht, en de naaste liefhebben als jezelf, is belangrijker dan alle brandoffers en andere offers. 34. Jezus zag dat de man verstandig had geantwoord. Hij zei tegen hem: U bent niet ver van Gods koninkrijk. Daarna durfde niemand Hem nog iets te vragen. 35. Terwijl Jezus in de tempel onderwees, vroeg Hij: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Messias de Zoon van David is? 36. David zelf sprak door de Heilige Geest. Hij zei: De Heere zei tegen mijn Heere: Ga aan mijn rechterhand zitten, totdat ik Uw vijanden onder Uw voeten heb gelegd. 37. David noemt Hem zelf zijn Heere. Hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? De grote menigte luisterde graag naar Jezus. 38. Tijdens Zijn onderwijs zei Jezus: Pas op voor de schriftgeleerden. Ze lopen graag in lange gewaden en willen op de markt eerbiedig worden begroet. 39. Ze willen de belangrijkste zitplaatsen in de synagogen en de ereplaatsen tijdens feestmaaltijden. 40. Ze beroven weduwen van hun huis en bidden voor de schijn heel lang. Zij zullen een zwaarder oordeel ontvangen. 41. Jezus ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de menigte er geld in deed. Veel rijke mensen gaven grote bedragen. 42. Toen kwam er een arme weduwe. Zij deed er twee kleine muntjes in, samen evenveel waard als het kleinste Romeinse muntstuk. 43. Jezus riep Zijn leerlingen bij zich en zei: Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen. 44. Zij gaven allemaal iets van hun overvloed. Maar zij gaf vanuit haar armoede alles wat ze had, alles waarvan ze moest leven. ## Markus 13 — Jezus spreekt over verdrukking, Zijn komst en waakzaamheid 1. Toen Jezus de tempel verliet, zei een van Zijn leerlingen tegen Hem: Meester, kijk eens wat een indrukwekkende stenen en gebouwen! 2. Jezus antwoordde: Zie je deze grote gebouwen? Er zal geen steen op een andere blijven liggen. Alles zal worden afgebroken. 3. Later zat Jezus op de Olijfberg, tegenover de tempel. Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas waren alleen met Hem en stelden Hem een vraag. 4. Vertel ons wanneer dit zal gebeuren. Aan welk teken kunnen we zien dat al deze dingen voltooid worden? 5. Jezus begon hun antwoord te geven: Pas op dat niemand jullie misleidt. 6. Veel mensen zullen in mijn naam komen en zeggen: Ik ben de Christus. Zij zullen velen misleiden. 7. Wanneer jullie over oorlogen en oorlogsgeruchten horen, raak dan niet in paniek. Dit moet gebeuren, maar het einde is er dan nog niet. 8. Het ene volk zal tegen het andere opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere. Op verschillende plaatsen komen aardbevingen, hongersnoden en onrust. Dat is nog maar het begin van de weeën. 9. Let goed op julliezelf. Mensen zullen jullie uitleveren aan rechtbanken en in synagogen slaan. Om mij zullen jullie voor bestuurders en koningen staan en tegenover hen getuigen. 10. Eerst moet het goede nieuws onder alle volken bekendgemaakt worden. 11. Wanneer ze jullie meenemen om uit te leveren, bedenk dan niet vooraf wat jullie moeten zeggen en wees daar niet bezorgd over. Zeg wat jullie op dat moment wordt ingegeven. Jullie spreken namelijk niet zelf; de Heilige Geest spreekt. 12. Een broer zal zijn broer uitleveren om hem te laten doden, en een vader zijn kind. Kinderen zullen tegen hun ouders opstaan en hen laten doden. 13. Iedereen zal jullie haten vanwege mijn naam. Maar wie tot het einde volhoudt, zal gered worden. 14. Wanneer jullie de verwoestende gruwel zien staan waar hij niet hoort, waarover de profeet Daniël sprak, moeten de mensen in Judea naar de bergen vluchten. Laat de lezer goed begrijpen wat dit betekent. 15. Wie op het dak is, moet niet naar beneden of naar binnen gaan om iets uit zijn huis te halen. 16. Wie op het land is, moet niet teruggaan om zijn mantel te halen. 17. Wat verschrikkelijk voor vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind voeden! 18. Bid dat jullie niet in de winter hoeven te vluchten. 19. Die dagen brengen een verdrukking zoals er sinds het begin van Gods schepping nooit is geweest en nooit meer zal komen. 20. Als de Heere die dagen niet had ingekort, zou geen mens in leven blijven. Maar Hij heeft ze ingekort vanwege de mensen die Hij heeft uitgekozen. 21. Als iemand dan tegen jullie zegt: Kijk, hier is de Christus! Of: Kijk, Hij is daar! Geloof hem dan niet. 22. Er zullen valse christussen en valse profeten opstaan. Zij zullen tekenen en wonderen doen om, als dat mogelijk was, zelfs de uitgekozen mensen te misleiden. 23. Blijf dus goed opletten. Ik heb jullie alles vooraf verteld. 24. Maar na de verdrukking van die dagen zal de zon donker worden en zal de maan geen licht meer geven. 25. De sterren zullen uit de hemel vallen en de hemelse machten zullen aan het wankelen worden gebracht. 26. Dan zullen de mensen de Mensenzoon op de wolken zien komen, met grote kracht en majesteit. 27. Hij zal Zijn engelen eropuit sturen en Zijn uitgekozen mensen verzamelen. Zij komen uit alle windrichtingen, van het verste punt op aarde tot het verste punt aan de hemel. 28. Leer deze les van de vijgenboom. Zodra zijn takken zacht worden en bladeren krijgen, weten jullie dat de zomer dichtbij is. 29. Zo weten jullie ook, wanneer jullie deze dingen zien gebeuren, dat het dichtbij is, voor de deur. 30. Ik verzeker jullie: deze generatie zal niet voorbijgaan voordat al deze dingen gebeurd zijn. 31. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen nooit voorbijgaan. 32. Niemand kent die dag of dat uur. De engelen in de hemel weten het niet en de Zoon ook niet. Alleen de Vader weet het. 33. Let op, blijf wakker en bid. Jullie weten immers niet wanneer het moment komt. 34. Het is als een man die naar het buitenland reist. Hij laat zijn huis achter en geeft zijn dienaren gezag. Ieder krijgt een eigen taak. De deurwachter beveelt hij wakker te blijven. 35. Blijf dus wakker. Jullie weten niet wanneer de heer van het huis komt: 's avonds, midden in de nacht, bij het hanengekraai of 's morgens. 36. Anders komt hij onverwacht en treft hij jullie slapend aan. 37. Wat ik tegen jullie zeg, zeg ik tegen iedereen: blijf wakker! ## Markus 14 — Jezus wordt gezalfd, verraden, gevangengenomen en verhoord 1. Over twee dagen was het Pascha, het feest van de ongezuurde broden. De overpriesters en schriftgeleerden zochten een slimme manier om Jezus gevangen te nemen en te doden. 2. Maar niet tijdens het feest, want anders ontstaat er misschien een volksoproer. 3. Jezus was in Bethanië, in het huis van Simon de melaatse. Terwijl Hij aan tafel zat, kwam een vrouw met een albasten fles vol kostbare, zuivere nardusolie. Ze brak de fles open en goot de olie over Zijn hoofd. 4. Sommige aanwezigen werden boos en zeiden tegen elkaar: Waarom wordt deze kostbare olie zo verspild? 5. Ze zeiden: Deze olie had voor meer dan 300 penningen verkocht kunnen worden. Het geld had aan de armen gegeven kunnen worden. Ze vielen fel tegen de vrouw uit. 6. Jezus zei: Laat haar met rust. Waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. 7. De armen zullen altijd bij jullie zijn. Jullie kunnen hun helpen wanneer jullie maar willen. Maar mij hebben jullie niet altijd bij jullie. 8. Zij heeft gedaan wat zij kon. Ze heeft mijn lichaam vooraf gezalfd als voorbereiding op mijn begrafenis. 9. Ik verzeker jullie: overal ter wereld waar het goede nieuws bekendgemaakt wordt, zal ook ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan. 10. Judas Iskariot, een van de twaalf, ging naar de overpriesters om Jezus aan hen uit te leveren. 11. Toen zij dit hoorden, waren ze blij en beloofden hem geld te geven. Vanaf dat moment zocht Judas een geschikte gelegenheid om Jezus uit te leveren. 12. Op de eerste dag van het feest van de ongezuurde broden werd het paaslam geslacht. De leerlingen vroegen Jezus: Waar wilt U dat wij het Pascha voor U voorbereiden? 13. Jezus stuurde twee van Zijn leerlingen op weg en zei: Ga de stad in. Daar komt een man met een kruik water jullie tegemoet. Volg hem. 14. Waar hij binnengaat, moeten jullie tegen de eigenaar zeggen: De Meester zegt: Waar is de eetzaal waar ik met mijn leerlingen het Pascha zal eten? 15. Hij zal jullie een grote bovenzaal laten zien die helemaal ingericht en gereed is. Maak daar alles voor ons klaar. 16. De leerlingen vertrokken en gingen de stad in. Zij vonden alles zoals Jezus had gezegd en maakten het Pascha klaar. 17. Toen het avond was geworden, kwam Jezus met de twaalf. 18. Terwijl ze aan tafel zaten en aten, zei Jezus: Ik verzeker jullie: een van jullie zal mij verraden, iemand die met mij eet. 19. Ze werden verdrietig en vroegen Hem een voor een: Ik ben het toch niet? 20. Jezus antwoordde: Het is een van de twaalf, iemand die samen met mij zijn brood in de schaal doopt. 21. De Mensenzoon gaat heen zoals over Hem geschreven staat. Maar wat verschrikkelijk voor de man die Hem verraadt! Voor hem was het beter als hij nooit geboren was. 22. Terwijl ze aten, nam Jezus brood en sprak de zegen uit. Hij brak het, gaf het aan hen en zei: Neem en eet. Dit is mijn lichaam. 23. Daarna nam Hij de beker, sprak het dankgebed uit en gaf hem aan hen. Ze dronken er allemaal uit. 24. Jezus zei: Dit is mijn bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen wordt vergoten. 25. Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken. Ik drink er pas weer van wanneer ik die nieuw drink in Gods koninkrijk. 26. Nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen ze naar de Olijfberg. 27. Jezus zei tegen hen: Jullie zullen vannacht allemaal door mij ten val komen. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen uiteengedreven worden. 28. Maar nadat ik ben opgestaan, zal ik voor jullie uit naar Galilea gaan. 29. Petrus zei tegen Hem: Ook als alle anderen door U ten val komen, ik niet. 30. Jezus antwoordde: Ik verzeker je: nog deze nacht, voordat de haan twee keer kraait, zul je mij drie keer verloochenen. 31. Petrus hield nog sterker vol: Al moest ik met U sterven, ik zal U nooit verloochenen! De andere leerlingen zeiden hetzelfde. 32. Ze kwamen bij een plek die Gethsemane heette. Jezus zei tegen Zijn leerlingen: Blijf hier zitten terwijl ik ga bidden. 33. Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Jezus werd diep onrustig en angstig. 34. Hij zei tegen hen: Mijn ziel is diepbedroefd, tot de dood toe. Blijf hier en blijf wakker. 35. Hij liep een eindje verder, viel op de grond en bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem voorbij mocht gaan. 36. Hij zei: Abba, Vader, voor U is alles mogelijk. Neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat U wilt. 37. Jezus kwam terug en vond de drie slapend. Hij zei tegen Petrus: Simon, slaap je? Kon je niet één uur wakker blijven? 38. Blijf wakker en bid, zodat jullie niet in verzoeking komen. De geest wil wel, maar het lichaam is zwak. 39. Hij ging opnieuw weg en bad met dezelfde woorden. 40. Toen Hij terugkwam, vond Hij hen opnieuw slapend. Hun ogen vielen dicht en ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden. 41. Voor de derde keer kwam Hij terug en zei: Slaap nu maar verder en rust uit. Het is genoeg. Het uur is gekomen. Kijk, de Mensenzoon wordt uitgeleverd aan zondige mensen. 42. Sta op, laten we gaan. Kijk, mijn verrader is vlakbij. 43. Jezus sprak nog toen Judas eraan kwam, een van de twaalf. Bij hem was een grote groep met zwaarden en stokken. Ze waren gestuurd door de overpriesters, schriftgeleerden en oudsten. 44. De verrader had hun van tevoren een teken gegeven: Degene die ik kus, is het. Grijp Hem en breng Hem goed bewaakt weg. 45. Judas liep meteen naar Jezus toe, zei: Rabbi! en kuste Hem. 46. De mannen grepen Jezus en hielden Hem vast. 47. Een van de omstanders trok zijn zwaard. Hij sloeg de dienaar van de hogepriester en hakte zijn oor af. 48. Jezus zei tegen de mannen: Jullie zijn met zwaarden en stokken gekomen om mij te arresteren, alsof ik een misdadiger ben. 49. Elke dag was ik bij jullie in de tempel en gaf daar onderwijs. Toen hebben jullie mij niet gevangengenomen. Maar dit gebeurt zodat de Schriften vervuld worden. 50. Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en vluchtten weg. 51. Een jonge man volgde Jezus met alleen een linnen doek om zijn blote lichaam. De jonge mannen grepen hem. 52. Maar hij liet de doek achter en vluchtte naakt bij hen vandaan. 53. Ze brachten Jezus naar de hogepriester. Daar kwamen alle overpriesters, oudsten en schriftgeleerden bijeen. 54. Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van de hogepriester. Hij ging bij de dienaren zitten en warmde zich bij het vuur. 55. De overpriesters en de hele raad zochten een getuigenverklaring tegen Jezus waarmee ze Hem ter dood konden veroordelen. Maar ze vonden niets. 56. Veel mensen legden een valse verklaring tegen Hem af, maar hun verklaringen kwamen niet met elkaar overeen. 57. Toen stonden enkele mannen op en legden deze valse verklaring tegen Hem af: 58. Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze met mensenhanden gemaakte tempel afbreken. In drie dagen zal ik een andere bouwen, niet door mensenhanden gemaakt. 59. Maar ook hun verklaringen kwamen niet met elkaar overeen. 60. De hogepriester stond midden in de vergadering op en vroeg Jezus: Geeft U geen antwoord? Wat getuigen deze mensen tegen U? 61. Maar Jezus bleef zwijgen en gaf geen antwoord. De hogepriester vroeg Hem opnieuw: Bent U de Christus, de Zoon van de gezegende God? 62. Jezus antwoordde: Ik ben het. Jullie zullen de Mensenzoon aan de rechterhand van Gods macht zien zitten en Hem met de wolken van de hemel zien komen. 63. Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? 64. Jullie hebben de godslastering gehoord. Wat vinden jullie ervan? Ze veroordeelden Hem allemaal als schuldig en vonden dat Hij moest sterven. 65. Sommige mannen begonnen Hem te bespuwen. Ze bedekten Zijn gezicht, sloegen Hem met hun vuisten en zeiden: Profeteer! Ook de dienaren sloegen Hem in het gezicht. 66. Terwijl Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester naar hem toe. 67. Ze zag Petrus zich bij het vuur warmen, keek hem aan en zei: Jij hoorde ook bij Jezus uit Nazareth. 68. Petrus ontkende het en zei: Ik ken Hem niet en begrijp niet waar je het over hebt. Hij ging naar het voorportaal. Toen kraaide de haan. 69. Het dienstmeisje zag hem daar en zei opnieuw tegen de omstanders: Deze man hoort bij hen. 70. Petrus ontkende het opnieuw. Even later zeiden de omstanders weer tegen hem: Jij hoort echt bij hen, want je bent een Galileeër en je spreekt net als zij. 71. Toen begon Petrus zichzelf te vervloeken en zwoer: Ik ken die man niet over wie jullie spreken! 72. De haan kraaide voor de tweede keer. Petrus herinnerde zich wat Jezus tegen hem had gezegd: Voordat de haan twee keer kraait, zul je mij drie keer verloochenen. Hij ging naar buiten en begon te huilen. ## Markus 15 — Jezus wordt gekruisigd, sterft en wordt begraven 1. Heel vroeg in de morgen kwamen de overpriesters, oudsten, schriftgeleerden en de hele raad bijeen. Ze overlegden en namen een besluit. Daarna boeiden ze Jezus, brachten Hem weg en leverden Hem aan Pilatus uit. 2. Pilatus vroeg Hem: Bent U de Koning van de Joden? Jezus antwoordde: Dat zegt u. 3. De overpriesters beschuldigden Hem van veel dingen, maar Hij antwoordde niets. 4. Pilatus vroeg Hem opnieuw: Geeft U geen antwoord? Hoor hoeveel beschuldigingen zij tegen U inbrengen! 5. Maar Jezus gaf geen enkel antwoord meer. Daarover was Pilatus verbaasd. 6. Tijdens het feest liet Pilatus altijd één gevangene vrij. Het volk mocht kiezen wie. 7. Barabbas zat gevangen met andere opstandelingen. Zij hadden tijdens een opstand iemand gedood. 8. De menigte begon Pilatus toe te roepen dat hij weer moest doen wat hij altijd voor hen deed. 9. Pilatus antwoordde hun: Willen jullie dat ik de Koning van de Joden vrijlaat? 10. Hij wist namelijk dat de overpriesters Jezus uit afgunst hadden uitgeleverd. 11. Maar de overpriesters stookten de menigte op om Barabbas vrij te laten. 12. Pilatus vroeg hun opnieuw: Wat moet ik dan doen met Hem die jullie de Koning van de Joden noemen? 13. De menigte schreeuwde opnieuw: Kruisig Hem! 14. Pilatus vroeg: Wat heeft Hij dan verkeerd gedaan? Maar zij schreeuwden nog harder: Kruisig Hem! 15. Pilatus wilde de menigte tevredenstellen. Hij liet Barabbas vrij, liet Jezus geselen en leverde Hem uit om gekruisigd te worden. 16. De soldaten brachten Jezus het gerechtsgebouw binnen en riepen de hele legerafdeling bijeen. 17. Ze deden Hem een purperen mantel om en zetten een gevlochten doornenkroon op Zijn hoofd. 18. Daarna begonnen ze Hem spottend te groeten: Gegroet, Koning van de Joden! 19. Ze sloegen Hem met een rietstok op Zijn hoofd en spuugden op Hem. Daarna knielden ze neer en deden alsof ze Hem aanbaden. 20. Nadat zij Hem hadden bespot, trokken ze de purperen mantel uit en deden Hem Zijn eigen kleren aan. Daarna leidden ze Hem weg om Hem te kruisigen. 21. Simon uit Cyrene kwam net van het land en liep voorbij. Hij was de vader van Alexander en Rufus. De soldaten dwongen hem Jezus' kruis te dragen. 22. Ze brachten Jezus naar Golgotha. Die naam betekent Schedelplaats. 23. Daar gaven ze Hem wijn met mirre, maar Hij nam die niet aan. 24. Nadat zij Hem hadden gekruisigd, verdeelden zij Zijn kleren. Ze wierpen het lot om te bepalen wat ieder kreeg. 25. Het was ongeveer negen uur 's morgens toen zij Hem kruisigden. 26. Boven Hem stond de aanklacht geschreven: DE KONING VAN DE JODEN. 27. Samen met Hem kruisigden ze twee misdadigers, één rechts en één links van Hem. 28. Zo ging dit woord uit de Schrift in vervulling: Hij werd onder de misdadigers gerekend. 29. De voorbijgangers beledigden Hem. Ze schudden hun hoofd en zeiden: Ha! U zou de tempel afbreken en hem in drie dagen weer opbouwen. 30. Red Uzelf en kom van het kruis af! 31. Ook de overpriesters en schriftgeleerden bespotten Hem. Ze zeiden tegen elkaar: Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. 32. Laat de Christus, de Koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Dan kunnen wij het zien en geloven. Ook de twee mannen die met Hem gekruisigd waren, beledigden Hem. 33. Vanaf twaalf uur 's middags werd het donker in het hele land. Dat duurde tot drie uur 's middags. 34. Rond drie uur riep Jezus luid: Eloï, Eloï, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? 35. Sommige omstanders hoorden dit en zeiden: Hij roept Elia! 36. Iemand rende weg, vulde een spons met zure wijn en stak hem op een rietstok. Hij bood Jezus ervan te drinken aan en zei: Wacht, laten we zien of Elia komt om Hem eraf te halen. 37. Jezus gaf een luide schreeuw en blies Zijn laatste adem uit. 38. Het voorhangsel van de tempel scheurde van boven naar beneden in tweeën. 39. De hoofdman stond tegenover Jezus en zag hoe Hij stierf na die luide schreeuw. Hij zei: Deze mens was werkelijk Gods Zoon! 40. Ook enkele vrouwen keken van een afstand toe. Onder hen waren Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus de jongere en Joses, en Salome. 41. Zij hadden Jezus al in Galilea gevolgd en voor Hem gezorgd. Veel andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem waren gekomen, waren er ook. 42. Het werd avond. Het was de voorbereidingsdag, de dag voor de sabbat. 43. Jozef uit Arimathea kwam naar Pilatus. Hij was een gerespecteerd lid van de raad en verwachtte ook Gods koninkrijk. Moedig vroeg hij Pilatus om het lichaam van Jezus. 44. Pilatus was verbaasd dat Jezus al dood was. Hij liet de hoofdman roepen en vroeg of Jezus al enige tijd gestorven was. 45. Nadat de hoofdman hem had ingelicht, gaf Pilatus het lichaam aan Jozef. 46. Jozef kocht fijn linnen, nam Jezus van het kruis en wikkelde Hem erin. Hij legde Hem in een graf dat uit de rots gehouwen was. Daarna rolde hij een steen voor de ingang. 47. Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, zagen waar Jezus werd neergelegd. ## Markus 16 — Jezus staat op en stuurt Zijn leerlingen de wereld in 1. Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salome geurige kruiden. Daarmee wilden ze Jezus gaan zalven. 2. Heel vroeg op de eerste dag van de week gingen ze naar het graf. De zon kwam net op. 3. Onderweg zeiden ze tegen elkaar: Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen? 4. Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de zeer grote steen al weggerold was. 5. Ze gingen het graf binnen en zagen rechts een jonge man zitten. Hij droeg een lang wit gewaad. De vrouwen schrokken hevig. 6. De jonge man zei tegen hen: Schrik niet. Jullie zoeken Jezus uit Nazareth, die gekruisigd is. Hij is opgestaan! Hij is niet hier. Kijk, dit is de plaats waar ze Hem hebben neergelegd. 7. Ga nu naar Zijn leerlingen en Petrus. Vertel hun dat Hij vóór jullie uit naar Galilea gaat. Daar zullen jullie Hem zien, zoals Hij jullie heeft gezegd. 8. De vrouwen vluchtten snel bij het graf vandaan. Ze beefden en waren buiten zichzelf van schrik. Ze zeiden niemand iets, want ze waren bang. 9. Nadat Jezus vroeg op de eerste dag van de week was opgestaan, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena. Uit haar had Hij zeven demonen verdreven. 10. Zij ging het vertellen aan de mensen die bij Hem waren geweest. Zij rouwden en huilden. 11. Toen zij hoorden dat Hij leefde en dat Maria Hem had gezien, geloofden ze het niet. 12. Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen. Zij waren te voet onderweg naar het platteland. 13. Ook zij gingen het aan de anderen vertellen, maar de anderen geloofden hen evenmin. 14. Later verscheen Jezus aan de elf terwijl zij aan tafel zaten. Hij verweet hun dat ze ongelovig en hard van hart waren. Ze hadden de mensen die Hem na Zijn opstanding hadden gezien niet geloofd. 15. Jezus zei tegen hen: Ga de hele wereld in en verkondig het goede nieuws aan iedereen. 16. Wie gelooft en gedoopt wordt, zal gered worden. Maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. 17. De mensen die geloven, zullen herkenbaar zijn aan deze tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven en in nieuwe talen spreken. 18. Ze zullen slangen oppakken. Als ze iets dodelijks drinken, zal het hun niet schaden. Ze zullen zieken de handen opleggen en die zullen genezen. 19. Nadat de Heere met hen had gesproken, werd Hij opgenomen in de hemel. Daar ging Hij aan Gods rechterhand zitten. 20. De leerlingen gingen overal het goede nieuws verkondigen. De Heere werkte met hen mee en bevestigde hun boodschap door de tekenen die daarop volgden. Amen. ## Lukas 1 — De geboorte van Johannes en Jezus wordt aangekondigd 1. Veel mensen hebben geprobeerd een geordend verslag te schrijven over de gebeurtenissen die bij ons volledig vaststaan. 2. Zij gebruikten wat ons is overgeleverd door mensen die vanaf het begin ooggetuigen en dienaren van de boodschap waren. 3. Ook ik heb alles vanaf het begin nauwkeurig onderzocht. Daarom besloot ik het voor u in de juiste volgorde op te schrijven, hooggeachte Theofilus. 4. Zo kunt u zeker weten dat het onderwijs dat u hebt ontvangen betrouwbaar is. 5. In de tijd van koning Herodes van Judea leefde een priester die Zacharias heette. Hij hoorde bij de priestergroep van Abia. Zijn vrouw Elizabet stamde van Aäron af. 6. Zij leefden allebei rechtvaardig voor God. Ze hielden zich onberispelijk aan alle geboden en voorschriften van de Heere. 7. Ze hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was. Bovendien waren ze allebei al oud. 8. Toen de priestergroep van Zacharias aan de beurt was, diende hij als priester voor God. 9. Volgens het gebruik onder de priesters werd hij door het lot aangewezen. Hij mocht de tempel van de Heere binnengaan om wierook te branden. 10. Tijdens het wierookoffer stond de hele menigte buiten te bidden. 11. Toen verscheen er een engel van de Heere aan hem, rechts van het wierookaltaar. 12. Zacharias schrok toen hij hem zag en werd door angst overvallen. 13. Maar de engel zei tegen hem: Wees niet bang, Zacharias. Je gebed is verhoord. Je vrouw Elizabet zal een zoon krijgen. Geef hem de naam Johannes. 14. Je zult heel blij met hem zijn en veel mensen zullen zich over zijn geboorte verheugen. 15. Hij zal groot zijn voor de Heere. Hij mag geen wijn of sterke drank drinken. Al voor zijn geboorte zal hij met de Heilige Geest vervuld zijn. 16. Hij zal veel Israëlieten terugbrengen naar de Heere, hun God. 17. Hij zal voor Hem uitgaan met de geest en kracht van Elia. Hij zal vaders en kinderen met elkaar verzoenen. Ongehoorzame mensen zal hij leren leven met het inzicht van rechtvaardigen. Zo maakt hij voor de Heere een goed voorbereid volk gereed. 18. Zacharias vroeg de engel: Hoe kan ik daar zeker van zijn? Ik ben oud en mijn vrouw is ook al ver op leeftijd. 19. De engel antwoordde: Ik ben Gabriël en ik sta voor God. Hij heeft mij gestuurd om met je te spreken en je dit goede nieuws te brengen. 20. Omdat je mijn woorden niet geloofde, zul je niet kunnen spreken. Je blijft zwijgen tot alles op de vastgestelde tijd gebeurt. 21. Het volk stond ondertussen op Zacharias te wachten. De mensen vroegen zich af waarom hij zo lang in de tempel bleef. 22. Toen hij naar buiten kwam, kon hij niet met hen spreken. Ze begrepen dat hij in de tempel een visioen had gezien. Hij maakte gebaren en bleef stom. 23. Toen zijn diensttijd voorbij was, ging Zacharias naar huis. 24. Kort daarna werd zijn vrouw Elizabet zwanger. Vijf maanden lang hield ze zich verborgen. Ze zei: 25. De Heere heeft dit voor mij gedaan. Hij heeft naar mij omgezien en mijn schande onder de mensen weggenomen. 26. Toen Elizabet zes maanden zwanger was, stuurde God de engel Gabriël naar Nazareth, een stad in Galilea. 27. Hij ging naar een maagd die Maria heette. Zij was verloofd met Jozef, een man uit het huis van David. 28. De engel kwam bij haar binnen en zei: Wees gegroet, begenadigde vrouw. De Heere is met je. Je bent gezegend onder de vrouwen. 29. Toen Maria hem zag, schrok ze hevig van zijn woorden. Ze vroeg zich af wat deze begroeting betekende. 30. De engel zei tegen haar: Wees niet bang, Maria, want je hebt genade bij God gevonden. 31. Je zult zwanger worden en een zoon krijgen. Geef Hem de naam Jezus. 32. Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn voorvader David geven. 33. Hij zal voor eeuwig koning zijn over het huis van Jakob. Aan Zijn koninkrijk komt geen einde. 34. Maria vroeg de engel: Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers geen gemeenschap met een man. 35. De engel antwoordde: De Heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen. Daarom zal het heilige kind dat uit je geboren wordt, Gods Zoon genoemd worden. 36. Ook je familielid Elizabet verwacht een zoon, hoewel ze oud is. Zij die onvruchtbaar werd genoemd, is nu zes maanden zwanger. 37. Want voor God is niets onmogelijk. 38. Maria zei: Ik ben de dienares van de Heere. Laat met mij gebeuren wat u hebt gezegd. Daarna ging de engel bij haar weg. 39. Kort daarna ging Maria haastig naar het bergland, naar een stad in Juda. 40. Ze ging het huis van Zacharias binnen en begroette Elizabet. 41. Toen Elizabet Maria's begroeting hoorde, sprong het kind op in haar buik. Elizabet werd vervuld met de Heilige Geest. 42. Ze riep luid: Jij bent gezegend onder de vrouwen en het kind in je buik is gezegend. 43. Waarom valt mij de eer te beurt dat de moeder van mijn Heere bij mij komt? 44. Zodra ik je begroeting hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn buik. 45. Gelukkig ben jij, want je hebt geloofd dat de Heere Zijn woorden aan jou zal vervullen. 46. Maria zei: Mijn ziel prijst de Heere. 47. Mijn geest verheugt zich in God, mijn Redder. 48. Hij heeft omgezien naar mij, Zijn eenvoudige dienares. Vanaf nu zullen alle generaties mij gelukkig prijzen. 49. De Machtige heeft grote dingen voor mij gedaan. Zijn naam is heilig. 50. Van generatie op generatie is Hij barmhartig voor mensen die Hem vrezen. 51. Met Zijn arm heeft Hij machtige daden gedaan. Mensen met hoogmoedige gedachten heeft Hij uiteengedreven. 52. Machtige heersers heeft Hij van hun troon gestoten, maar eenvoudige mensen heeft Hij verhoogd. 53. Hongerige mensen heeft Hij met goede dingen verzadigd, maar rijke mensen heeft Hij met lege handen weggestuurd. 54. Hij heeft Zijn dienaar Israël geholpen en aan Zijn barmhartigheid gedacht. 55. Hij blijft Abraham en zijn nageslacht voor altijd barmhartig, zoals Hij onze voorouders heeft beloofd. 56. Maria bleef ongeveer drie maanden bij Elizabet. Daarna ging ze terug naar huis. 57. Toen het tijd was om te bevallen, kreeg Elizabet een zoon. 58. Haar buren en familieleden hoorden hoe groot de barmhartigheid van de Heere voor haar was. Ze deelden in haar blijdschap. 59. Op de achtste dag kwamen ze om het kind te besnijden. Ze wilden hem Zacharias noemen, naar zijn vader. 60. Maar zijn moeder zei: Nee, hij moet Johannes heten. 61. Ze antwoordden haar: Niemand in uw familie heeft die naam. 62. Met gebaren vroegen ze zijn vader hoe hij wilde dat het kind genoemd werd. 63. Zacharias vroeg om een schrijftafeltje en schreef: Zijn naam is Johannes. Iedereen was verbaasd. 64. Op hetzelfde moment kon hij zijn mond en tong weer gebruiken. Hij begon te spreken en prees God. 65. Alle omwonenden werden met ontzag vervuld. In heel het bergland van Judea spraken de mensen over deze gebeurtenissen. 66. Iedereen die ervan hoorde, bleef erover nadenken en vroeg: Wat zal er van dit kind worden? De hand van de Heere was met hem. 67. Zijn vader Zacharias werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde: 68. De Heere, de God van Israël, verdient alle lof. Hij heeft naar Zijn volk omgezien en het bevrijd. 69. In het huis van Zijn dienaar David heeft Hij voor ons een machtige Redder laten opstaan. 70. Dat heeft Hij lang geleden al beloofd door de mond van Zijn heilige profeten. 71. Hij bevrijdt ons van onze vijanden en uit de macht van iedereen die ons haat. 72. Zo toont Hij barmhartigheid aan onze voorouders en denkt Hij aan Zijn heilige verbond. 73. Hij denkt aan de eed die Hij aan onze voorvader Abraham heeft gezworen. 74. Hij beloofde ons uit de macht van onze vijanden te bevrijden, zodat wij Hem zonder angst kunnen dienen. 75. Zo kunnen wij al onze dagen heilig en rechtvaardig voor Hem leven. 76. En jij, kind, zult een profeet van de Allerhoogste genoemd worden. Je zult voor de Heere uitgaan en Zijn wegen gereedmaken. 77. Je zult Zijn volk leren dat redding mogelijk is doordat hun zonden worden vergeven. 78. Dat gebeurt door de diepe barmhartigheid van onze God. Daardoor bezoekt het opgaande licht uit de hoogte ons. 79. Dit licht zal schijnen over mensen die in duisternis en in de schaduw van de dood zitten. Het leidt onze voeten naar de weg van de vrede. 80. Het kind groeide op en werd sterk van geest. Hij woonde in de woestijn tot de dag waarop hij aan Israël verscheen. ## Lukas 2 — Jezus wordt geboren en groeit op 1. In die tijd vaardigde keizer Augustus een bevel uit om alle inwoners van de wereld te registreren. 2. Deze eerste registratie vond plaats toen Cyrenius bestuurder van Syrië was. 3. Iedereen ging naar zijn eigen stad om zich te laten registreren. 4. Ook Jozef vertrok uit Nazareth in Galilea. Hij ging naar Bethlehem in Judea, de stad van David, omdat hij uit Davids huis en familie kwam. 5. Hij ging zich registreren met Maria, zijn verloofde vrouw. Zij was zwanger. 6. Terwijl ze daar waren, kwam voor Maria de tijd om te bevallen. 7. Ze kreeg haar eerstgeboren zoon, wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een voederbak. In het gastenverblijf was voor hen geen plaats. 8. In diezelfde omgeving waren herders buiten in het veld. Ze hielden 's nachts de wacht over hun kudde. 9. Plotseling stond er een engel van de Heere bij hen. De heerlijkheid van de Heere straalde om hen heen en ze werden heel bang. 10. De engel zei tegen hen: Wees niet bang. Ik breng jullie goed nieuws dat het hele volk grote blijdschap zal geven. 11. Vandaag is in de stad van David jullie Redder geboren. Hij is Christus, de Heere. 12. Hieraan zullen jullie Hem herkennen: jullie vinden het kind in doeken gewikkeld en liggend in een voederbak. 13. Plotseling verscheen er bij de engel een groot hemels leger. Ze prezen God en zeiden: 14. Eer aan God in de hoogste hemel. Vrede op aarde en Gods welbehagen rust op de mensen. 15. Toen de engelen naar de hemel waren teruggegaan, zeiden de herders tegen elkaar: Laten we naar Bethlehem gaan. We willen zien wat daar gebeurd is en wat de Heere ons bekendmaakte. 16. Ze gingen haastig op weg. Ze vonden Maria en Jozef, met het kind dat in de voederbak lag. 17. Nadat ze Hem hadden gezien, vertelden ze overal wat hun over dit kind was gezegd. 18. Iedereen die het hoorde, verwonderde zich over wat de herders vertelden. 19. Maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. 20. De herders gingen terug. Ze eerden en prezen God om alles wat ze gehoord en gezien hadden. Het was precies zoals hun was verteld. 21. Toen het kind acht dagen oud was en besneden werd, kreeg Hij de naam Jezus. De engel had die naam genoemd voordat Hij in de moederschoot ontvangen was. 22. Toen de tijd van Maria's reiniging volgens de wet van Mozes voorbij was, brachten zij Jezus naar Jeruzalem. Daar wilden ze Hem aan de Heere opdragen. 23. In de wet van de Heere staat immers: Iedere eerstgeboren zoon moet aan de Heere gewijd worden. 24. Ook brachten zij het offer dat de wet van de Heere voorschrijft: een paar tortelduiven of twee jonge duiven. 25. In Jeruzalem woonde een man die Simeon heette. Hij was rechtvaardig en godvrezend en wachtte op de troost van Israël. De Heilige Geest was op hem. 26. De Heilige Geest had hem geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de Christus van de Heere had gezien. 27. Door de Geest geleid kwam Simeon in de tempel. De ouders brachten het kind Jezus binnen om met Hem te doen wat de wet voorschreef. 28. Simeon nam Hem in zijn armen, prees God en zei: 29. Heere, nu laat U Uw dienaar in vrede sterven, zoals U hebt beloofd. 30. Want met mijn eigen ogen heb ik Uw redding gezien. 31. U hebt die redding voor de ogen van alle volken gereedgemaakt. 32. Hij is een licht dat de andere volken verlicht en Hij brengt eer aan Uw volk Israël. 33. Jozef en Jezus' moeder verwonderden zich over wat Simeon over Hem zei. 34. Simeon zegende hen en zei tegen Maria, Zijn moeder: Dit kind is bestemd voor de val en opstanding van veel mensen in Israël. Hij zal een teken zijn dat wordt tegengesproken. 35. Ook door uw eigen ziel zal een zwaard gaan. Zo worden de gedachten uit veel harten zichtbaar. 36. Er was ook een profetes die Anna heette, een dochter van Fanuël uit de stam Aser. Zij was heel oud. Na haar huwelijk leefde zij zeven jaar met haar man. 37. Daarna was zij ongeveer 84 jaar weduwe. Ze verliet de tempel niet en diende God dag en nacht met vasten en bidden. 38. Op datzelfde moment kwam zij erbij staan. Ze dankte de Heere en sprak over Jezus met iedereen die in Jeruzalem op bevrijding wachtte. 39. Toen Jozef en Maria alles volgens de wet van de Heere hadden gedaan, keerden ze terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth. 40. Het kind groeide op en werd sterk van geest. Hij werd vervuld met wijsheid en de genade van God was op Hem. 41. Ieder jaar reisden Zijn ouders voor het Pascha naar Jeruzalem. 42. Toen Jezus twaalf jaar oud was, gingen ze volgens de gewoonte voor het feest naar Jeruzalem. 43. Na het feest gingen ze weer naar huis. Maar het kind Jezus bleef in Jeruzalem, zonder dat Jozef en Zijn moeder het wisten. 44. Ze dachten dat Hij bij het reisgezelschap was en reisden een hele dag. Daarna zochten ze Hem onder hun familieleden en bekenden. 45. Toen ze Hem niet vonden, gingen ze terug naar Jeruzalem om Hem daar te zoeken. 46. Na drie dagen vonden ze Hem in de tempel. Hij zat tussen de leraren, luisterde naar hen en stelde hun vragen. 47. Iedereen die Hem hoorde, stond versteld van Zijn inzicht en Zijn antwoorden. 48. Zijn ouders waren diep geschokt toen ze Hem zagen. Zijn moeder zei: Kind, waarom hebt U ons dit aangedaan? Uw vader en ik hebben U vol angst gezocht. 49. Jezus antwoordde: Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten jullie niet dat ik bezig moet zijn met wat van mijn Vader is? 50. Maar ze begrepen niet wat Hij daarmee bedoelde. 51. Jezus ging met hen mee naar Nazareth en was hun gehoorzaam. Zijn moeder bewaarde al deze gebeurtenissen in haar hart. 52. Jezus groeide verder op en nam toe in wijsheid. God en de mensen waardeerden Hem steeds meer. ## Lukas 3 — Johannes bereidt de weg voor Jezus 1. Het was het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius. Pontius Pilatus bestuurde Judea. Herodes heerste over Galilea, zijn broer Filippus over Iturea en Trachonitis, en Lysanias over Abilene. 2. Annas en Kajafas waren toen de hogepriesters. In die tijd sprak God in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias. 3. Johannes trok door heel de streek rond de Jordaan. Hij verkondigde dat mensen zich moesten bekeren en laten dopen om vergeving van zonden te ontvangen. 4. In het boek van de profeet Jesaja staat: Een stem roept in de woestijn: Maak de weg voor de Heere gereed. Maak Zijn paden recht. 5. Elk dal zal worden opgevuld en elke berg en heuvel afgevlakt. Kronkelende wegen worden recht en oneffen wegen worden vlak. 6. Alle mensen zullen de redding van God zien. 7. Johannes zei tegen de mensen die kwamen om zich door hem te laten dopen: Addergebroed! Wie heeft jullie gewaarschuwd om voor de komende toorn te vluchten? 8. Laat daden zien die bij bekering passen. Denk niet bij julliezelf: Wij hebben Abraham als vader. Ik zeg jullie dat God uit deze stenen kinderen voor Abraham kan verwekken. 9. De bijl ligt al klaar bij de wortel van de bomen. Elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid. 10. De mensen vroegen hem: Wat moeten wij dan doen? 11. Johannes antwoordde: Wie twee mantels heeft, moet er één geven aan iemand die niets heeft. Wie eten heeft, moet hetzelfde doen. 12. Ook tollenaars kwamen om gedoopt te worden. Ze vroegen hem: Meester, wat moeten wij doen? 13. Johannes antwoordde: Vraag niet meer geld dan het bedrag dat jullie moeten innen. 14. Ook soldaten vroegen hem: En wij, wat moeten wij doen? Johannes antwoordde: Pers niemand af en beschuldig niemand vals. Wees tevreden met jullie soldij. 15. Het volk leefde vol verwachting. Iedereen vroeg zich af of Johannes misschien de Christus was. 16. Daarom zei Johannes tegen hen allemaal: Ik doop jullie met water. Maar er komt Iemand die sterker is dan ik. Ik ben het niet waard om de riem van Zijn sandalen los te maken. Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en met vuur. 17. Hij staat klaar om Zijn dorsvloer grondig schoon te maken. De tarwe brengt Hij bijeen in Zijn schuur, maar het kaf verbrandt Hij in onuitblusbaar vuur. 18. Met nog veel andere aansporingen bracht Johannes het volk het goede nieuws. 19. Johannes wees vorst Herodes terecht vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. Ook bestrafte hij Herodes om alle andere slechte dingen die hij deed. 20. Daar voegde Herodes nog een misdaad aan toe: hij sloot Johannes op in de gevangenis. 21. Toen heel het volk gedoopt werd, werd ook Jezus gedoopt. Terwijl Hij bad, ging de hemel open. 22. De Heilige Geest daalde in een zichtbare vorm als een duif op Hem neer. Uit de hemel klonk een stem: U bent mijn geliefde Zoon. In U vind ik vreugde. 23. Jezus was ongeveer 30 jaar oud toen Hij aan Zijn werk begon. Men dacht dat Hij de zoon van Jozef was. Jozef was de zoon van Heli. 24. Heli was de zoon van Matthat. Matthat was de zoon van Levi. Levi was de zoon van Melchi. Melchi was de zoon van Janna. Janna was de zoon van Jozef. 25. Jozef was de zoon van Mattathias. Mattathias was de zoon van Amos. Amos was de zoon van Naüm. Naüm was de zoon van Esli. Esli was de zoon van Naggai. 26. Naggai was de zoon van Maäth. Maäth was de zoon van Mattathias. Mattathias was de zoon van Semeï. Semeï was de zoon van Jozef. Jozef was de zoon van Juda. 27. Juda was de zoon van Johannes. Johannes was de zoon van Rhesa. Rhesa was de zoon van Zorobabel. Zorobabel was de zoon van Salathiël. Salathiël was de zoon van Neri. 28. Neri was de zoon van Melchi. Melchi was de zoon van Addi. Addi was de zoon van Kosam. Kosam was de zoon van Elmodam. Elmodam was de zoon van Er. 29. Er was de zoon van Joses. Joses was de zoon van Eliëzer. Eliëzer was de zoon van Jorim. Jorim was de zoon van Matthat. Matthat was de zoon van Levi. 30. Levi was de zoon van Simeon. Simeon was de zoon van Juda. Juda was de zoon van Jozef. Jozef was de zoon van Jonan. Jonan was de zoon van Eljakim. 31. Eljakim was de zoon van Meleas. Meleas was de zoon van Mainan. Mainan was de zoon van Mattatha. Mattatha was de zoon van Nathan. Nathan was de zoon van David. 32. David was de zoon van Jesse. Jesse was de zoon van Obed. Obed was de zoon van Booz. Booz was de zoon van Salmon. Salmon was de zoon van Nahasson. 33. Nahasson was de zoon van Aminadab. Aminadab was de zoon van Aram. Aram was de zoon van Esrom. Esrom was de zoon van Fares. Fares was de zoon van Juda. 34. Juda was de zoon van Jakob. Jakob was de zoon van Izak. Izak was de zoon van Abraham. Abraham was de zoon van Thara. Thara was de zoon van Nachor. 35. Nachor was de zoon van Saruch. Saruch was de zoon van Ragau. Ragau was de zoon van Falek. Falek was de zoon van Heber. Heber was de zoon van Sala. 36. Sala was de zoon van Kaïnan. Kaïnan was de zoon van Arfaxad. Arfaxad was de zoon van Sem. Sem was de zoon van Noach. Noach was de zoon van Lamech. 37. Lamech was de zoon van Mathusala. Mathusala was de zoon van Enoch. Enoch was de zoon van Jared. Jared was de zoon van Malaleël. Malaleël was de zoon van Kaïnan. 38. Kaïnan was de zoon van Enos. Enos was de zoon van Seth. Seth was de zoon van Adam. Adam was de zoon van God. ## Lukas 4 — Jezus wordt beproefd en begint Zijn werk in Galilea 1. Jezus, vol van de Heilige Geest, keerde terug van de Jordaan. De Geest leidde Hem de woestijn in. 2. Daar stelde de duivel Hem 40 dagen op de proef. Jezus at al die dagen niets en kreeg daarna honger. 3. De duivel zei tegen Hem: Als U Gods Zoon bent, beveel deze steen dan om brood te worden. 4. Jezus antwoordde hem: Er staat geschreven: Een mens leeft niet alleen van brood, maar van ieder woord van God. 5. Toen bracht de duivel Hem naar een hoge berg. In één ogenblik liet hij Hem alle koninkrijken van de wereld zien. 6. De duivel zei tegen Hem: Ik geef U de macht en pracht van al deze koninkrijken. Die zijn mij overgedragen en ik geef ze aan wie ik wil. 7. Als U mij dus aanbidt, zal dit allemaal van U zijn. 8. Jezus antwoordde hem: Ga weg van mij, satan! Want er staat geschreven: Aanbid de Heere, uw God, en dien Hem alleen. 9. Daarna bracht de duivel Hem naar Jeruzalem en zette Hem op het hoogste punt van de tempel. Hij zei: Als U Gods Zoon bent, spring dan vanaf hier naar beneden. 10. Want er staat geschreven: God zal Zijn engelen bevel geven om U te beschermen. 11. Zij zullen U op hun handen dragen, zodat U Uw voet niet aan een steen stoot. 12. Jezus antwoordde hem: Er is gezegd: Stel de Heere, uw God, niet op de proef. 13. Toen de duivel elke beproeving had uitgevoerd, liet hij Jezus voor een tijd met rust. 14. Jezus keerde in de kracht van de Geest terug naar Galilea. Het nieuws over Hem verspreidde zich door de hele omgeving. 15. Hij gaf onderwijs in hun synagogen en iedereen prees Hem. 16. Zo kwam Hij ook in Nazareth, waar Hij was opgegroeid. Zoals gewoonlijk ging Hij op de sabbat naar de synagoge. Hij stond op om te lezen. 17. Men gaf Hem de boekrol van de profeet Jesaja. Hij opende de rol en vond de plaats waar het volgende staat geschreven: 18. De Geest van de Heere rust op mij, omdat Hij mij heeft gezalfd. Hij stuurde mij om arme mensen het goede nieuws te brengen. Ook stuurde Hij mij om mensen met een gebroken hart te genezen. 19. Ik moet gevangenen vrijheid bekendmaken en blinden vertellen dat zij weer zullen zien. Ik moet onderdrukte mensen bevrijden en het genadejaar van de Heere aankondigen. 20. Jezus rolde de boekrol op, gaf hem terug aan de dienaar en ging zitten. Iedereen in de synagoge keek gespannen naar Hem. 21. Toen begon Hij tegen hen te zeggen: Vandaag is dit Schriftwoord voor jullie oren in vervulling gegaan. 22. Iedereen sprak waarderend over Hem en verwonderde zich over de genadige woorden die Hij sprak. Ze vroegen: Is Hij niet de zoon van Jozef? 23. Jezus zei tegen hen: Jullie zullen vast dit spreekwoord tegen mij gebruiken: Dokter, genees Uzelf! Doe ook hier in Uw eigen stad wat wij in Kapernaüm hoorden. 24. Hij vervolgde: Ik verzeker jullie: geen enkele profeet wordt in zijn eigen woonplaats aanvaard. 25. Ik zeg jullie de waarheid: in de tijd van Elia waren er veel weduwen in Israël. De hemel bleef toen drie jaar en zes maanden gesloten. Daardoor heerste er in het hele land een zware hongersnood. 26. Toch werd Elia naar geen van hen gestuurd, maar naar een weduwe in Sarepta, bij Sidon. 27. In de tijd van de profeet Elisa waren er ook veel mensen met melaatsheid in Israël. Toch werd alleen Naäman, de Syriër, gereinigd. 28. Toen de mensen in de synagoge dit hoorden, werden ze allemaal woedend. 29. Ze sprongen op en joegen Hem de stad uit. Ze brachten Hem naar de rand van de berg waarop hun stad was gebouwd. Daar wilden ze Hem van de steile helling afwerpen. 30. Maar Hij liep midden tussen hen door en ging weg. 31. Jezus ging naar Kapernaüm, een stad in Galilea. Daar gaf Hij op de sabbat onderwijs. 32. De mensen stonden versteld van Zijn onderwijs, omdat Hij met gezag sprak. 33. In de synagoge was een man die bezeten was door een onreine geest. Hij schreeuwde luid: 34. Laat ons met rust! Wat hebben wij met U te maken, Jezus uit Nazareth? Bent U gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wie U bent: de Heilige van God. 35. Jezus bestrafte hem: Zwijg en ga uit hem weg! De demon gooide de man midden in de synagoge neer. Daarna ging hij uit hem weg zonder hem te verwonden. 36. Iedereen was verbijsterd. Ze zeiden tegen elkaar: Wat voor woorden zijn dit? Met gezag en kracht beveelt Hij de onreine geesten en ze gaan weg! 37. Het nieuws over Hem verspreidde zich door elk deel van de omgeving. 38. Jezus verliet de synagoge en ging naar het huis van Simon. Simons schoonmoeder had hoge koorts. De mensen vroegen Jezus om haar te helpen. 39. Hij ging bij haar staan en bestrafte de koorts. De koorts verdween. Zij stond onmiddellijk op en zorgde voor hen. 40. Toen de zon onderging, brachten de mensen alle zieken naar Hem toe. Jezus legde ieder van hen de handen op en genas hen. 41. Uit veel mensen gingen ook demonen weg. Ze riepen: U bent de Christus, de Zoon van God! Jezus bestrafte hen en liet hen niet spreken. Zij wisten namelijk dat Hij de Christus was. 42. Toen het dag werd, vertrok Jezus naar een afgelegen plaats. De mensen zochten Hem en kwamen naar Hem toe. Ze probeerden Hem tegen te houden, zodat Hij niet bij hen wegging. 43. Maar Hij zei tegen hen: Ik moet ook in andere steden het goede nieuws over Gods koninkrijk bekendmaken. Daarvoor ben ik uitgezonden. 44. Zo predikte Hij in de synagogen van Galilea. ## Lukas 5 — Jezus roept leerlingen en toont Zijn macht om te genezen en te vergeven 1. Op een keer drong de menigte zich om Jezus heen om Gods boodschap te horen. Hij stond toen bij het Meer van Gennesaret. 2. Hij zag twee boten aan de oever liggen. De vissers waren uitgestapt en spoelden hun netten uit. 3. Jezus stapte in een van de boten, die van Simon was. Hij vroeg hem een stukje van de oever weg te varen. Daarna ging Hij zitten en onderwees de mensen vanuit de boot. 4. Toen Hij klaar was met spreken, zei Hij tegen Simon: Vaar naar diep water en werp jullie netten uit voor een vangst. 5. Simon antwoordde Hem: Meester, we hebben de hele nacht hard gewerkt en niets gevangen. Maar omdat U het zegt, zal ik het net uitwerpen. 6. Toen ze dat deden, vingen ze zoveel vissen dat hun net begon te scheuren. 7. Ze gebaarden naar hun partners in de andere boot dat die moesten komen helpen. Samen vulden ze beide boten zo vol dat ze bijna zonken. 8. Toen Simon Petrus dat zag, viel hij voor Jezus op zijn knieën. Hij zei: Heere, ga bij mij weg, want ik ben een zondig mens. 9. Hij en iedereen bij hem waren namelijk diep onder de indruk van de grote visvangst. 10. Dat gold ook voor Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus zei tegen Simon: Wees niet bang. Vanaf nu zul je mensen vangen. 11. Ze brachten de boten aan land, lieten alles achter en volgden Hem. 12. Toen Jezus in een van de steden was, kwam er een man die volledig door melaatsheid was aangetast. Hij zag Jezus, knielde diep voor Hem en smeekte: Heere, als U wilt, kunt U mij rein maken. 13. Jezus stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het. Word rein! Meteen verdween de melaatsheid. 14. Jezus beval hem niets tegen iemand te zeggen. Hij zei: Ga naar de priester en laat u aan hem zien. Breng voor uw reiniging het offer dat Mozes heeft voorgeschreven. Zo krijgen zij het bewijs dat u genezen bent. 15. Toch verspreidde het nieuws over Hem zich steeds verder. Grote groepen mensen kwamen samen om Hem te horen en van hun ziekten genezen te worden. 16. Maar Jezus trok zich terug op afgelegen plaatsen en bad daar. 17. Op een dag gaf Jezus onderwijs. Er zaten farizeeën en wetgeleerden uit heel Galilea, Judea en Jeruzalem. De kracht van de Heere was aanwezig om mensen te genezen. 18. Enkele mannen droegen een verlamde man op een bed. Ze probeerden hem naar binnen te brengen en voor Jezus neer te leggen. 19. Door de menigte vonden ze geen doorgang. Daarom klommen ze op het dak. Ze lieten de man met zijn bed tussen de tegels door voor Jezus zakken. 20. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de man: Mens, uw zonden zijn u vergeven. 21. De schriftgeleerden en farizeeën dachten bij zichzelf: Wie is deze man die God beledigt? Alleen God kan toch zonden vergeven? 22. Jezus wist wat zij dachten en antwoordde: Waarom denken jullie zulke dingen in je hart? 23. Wat is gemakkelijker om te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of: Sta op en loop? 24. Jezus zei: Maar ik zal jullie laten zien dat de Mensenzoon op aarde macht heeft om zonden te vergeven. Toen zei Hij tegen de verlamde man: Ik zeg u: sta op, pak uw bed en ga naar huis. 25. De man stond onmiddellijk voor hun ogen op. Hij pakte het bed waarop hij had gelegen en ging naar huis terwijl hij God prees. 26. Iedereen was diep onder de indruk en prees God. Vol ontzag zeiden ze: Vandaag hebben wij ongelooflijke dingen gezien! 27. Daarna ging Jezus naar buiten. Hij zag een tollenaar die Levi heette bij het tolhuis zitten. Jezus zei tegen hem: Volg mij. 28. Levi stond op, liet alles achter en volgde Hem. 29. Daarna gaf Levi in zijn huis een groot feestmaal voor Jezus. Een grote groep tollenaars en andere mensen at met hen mee. 30. De schriftgeleerden en farizeeën klaagden bij Zijn leerlingen: Waarom eten en drinken jullie met tollenaars en zondaars? 31. Jezus antwoordde hun: Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke mensen wel. 32. Ik ben niet gekomen om rechtvaardige mensen te roepen, maar zondaars tot bekering. 33. Ze zeiden tegen Hem: De leerlingen van Johannes vasten vaak en bidden. Die van de farizeeën doen hetzelfde. Maar Uw leerlingen eten en drinken. 34. Jezus antwoordde: Kunnen jullie de bruiloftsgasten laten vasten zolang de bruidegom bij hen is? 35. Er komt een tijd dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald. Dan zullen zij vasten. 36. Jezus vertelde hun ook een gelijkenis: Niemand scheurt een stuk van een nieuw kledingstuk om een oud kledingstuk te herstellen. Anders is het nieuwe kledingstuk kapot en past de nieuwe lap niet bij het oude. 37. Niemand doet nieuwe wijn in oude leren zakken. Anders laat de nieuwe wijn de zakken barsten. Dan loopt de wijn weg en gaan de zakken verloren. 38. Nieuwe wijn moet in nieuwe leren zakken worden gedaan. Dan blijven beide bewaard. 39. Wie oude wijn heeft gedronken, wil niet meteen nieuwe. Hij zegt namelijk: De oude is beter. ## Lukas 6 — Jezus kiest twaalf apostelen en leert hoe Zijn volgelingen moeten leven 1. Op een sabbat liep Jezus door korenvelden. Zijn leerlingen plukten aren, wreven die tussen hun handen en aten de graankorrels. 2. Sommige farizeeën vroegen hun: Waarom doen jullie iets wat op de sabbat niet is toegestaan? 3. Jezus antwoordde hun: Hebben jullie nooit gelezen wat David deed toen hij en zijn mannen honger hadden? 4. Hij ging het huis van God binnen, nam de toonbroden en at ervan. Ook gaf hij ervan aan zijn mannen. Toch mochten alleen de priesters die broden eten. 5. Jezus zei verder tegen hen: De Mensenzoon is Heer, ook over de sabbat. 6. Op een andere sabbat ging Jezus de synagoge binnen en gaf daar onderwijs. Er was een man van wie de rechterhand verlamd was. 7. De schriftgeleerden en farizeeën hielden Hem scherp in de gaten. Ze wilden zien of Hij op de sabbat zou genezen, zodat ze Hem konden aanklagen. 8. Maar Jezus kende hun gedachten. Hij zei tegen de man met de verlamde hand: Sta op en kom in het midden staan. De man stond op en ging daar staan. 9. Toen zei Jezus tegen hen: Ik vraag jullie: mag je op de sabbat goeddoen of kwaad doen? Mag je iemand redden of vernietigen? 10. Hij keek hen allemaal aan en zei tegen de man: Strek uw hand uit. De man deed dat en zijn hand werd volledig hersteld. 11. Maar de schriftgeleerden en farizeeën werden woedend. Ze overlegden met elkaar wat ze met Jezus zouden doen. 12. In die tijd ging Jezus naar de berg om te bidden. Hij bracht de hele nacht door in gebed tot God. 13. Toen het dag werd, riep Hij Zijn leerlingen bij zich. Uit hen koos Hij er twaalf, die Hij ook apostelen noemde: 14. Simon, die Hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas. Verder koos Hij Jakobus, Johannes, Filippus en Bartholomeüs. 15. Ook koos Hij Mattheüs, Thomas, Jakobus de zoon van Alfeüs, en Simon die de Zeloot werd genoemd. 16. Ten slotte koos Hij Judas, de broer van Jakobus, en Judas Iskariot, die later de verrader werd. 17. Jezus daalde met hen af en bleef op een vlakke plaats staan. Daar was een grote groep leerlingen en een menigte uit heel Judea en Jeruzalem. Er waren ook mensen uit het kustgebied van Tyrus en Sidon. 18. Ze kwamen om Hem te horen en van hun ziekten genezen te worden. Ook de mensen die door onreine geesten werden gekweld, werden genezen. 19. Iedereen probeerde Hem aan te raken, want er ging kracht van Hem uit en Hij genas hen allemaal. 20. Jezus keek Zijn leerlingen aan en zei: Gelukkig zijn jullie die arm zijn, want voor jullie is het koninkrijk van God. 21. Gelukkig zijn jullie die nu honger hebben, want jullie zullen genoeg krijgen. Gelukkig zijn jullie die nu huilen, want jullie zullen lachen. 22. Gelukkig zijn jullie wanneer mensen jullie haten, buitensluiten, beledigen en je naam verwerpen alsof die slecht is, omdat jullie bij de Mensenzoon horen. 23. Wees op die dag blij en spring van vreugde. Jullie beloning in de hemel is namelijk groot. Hun voorouders behandelden de profeten op dezelfde manier. 24. Maar wee jullie, rijke mensen. Jullie hebben jullie troost al ontvangen. 25. Wee jullie die nu volop te eten hebben, want jullie zullen honger krijgen. Wee jullie die nu lachen, want jullie zullen treuren en huilen. 26. Wee jullie wanneer alle mensen goed over jullie spreken. Hun voorouders deden hetzelfde met de valse profeten. 27. Maar tegen jullie die luisteren, zeg ik: heb jullie vijanden lief en doe goed aan de mensen die jullie haten. 28. Zegen de mensen die jullie vervloeken en bid voor de mensen die jullie slecht behandelen. 29. Slaat iemand u op de ene wang, bied hem dan ook de andere aan. Neemt iemand uw mantel, houd dan ook uw onderkleed niet tegen. 30. Geef aan iedereen die iets van u vraagt. Als iemand uw bezit afneemt, eis het dan niet terug. 31. Behandel andere mensen zoals jullie zelf door hen behandeld willen worden. 32. Als jullie alleen de mensen liefhebben die jullie liefhebben, verdienen jullie geen dank. Ook zondaars hebben de mensen lief die hen liefhebben. 33. Als jullie alleen goeddoen aan mensen die goed voor jullie zijn, verdienen jullie geen dank. Ook zondaars doen dat. 34. Als jullie alleen geld lenen aan mensen van wie jullie het terug verwachten, verdienen jullie geen dank. Ook zondaars lenen aan zondaars om hetzelfde terug te krijgen. 35. Heb jullie vijanden lief, doe goed en leen zonder iets terug te verwachten. Dan zal jullie beloning groot zijn en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn. Hij is goed voor ondankbare en slechte mensen. 36. Wees daarom barmhartig, zoals ook jullie Vader barmhartig is. 37. Oordeel niet, dan zullen jullie niet geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zullen jullie niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zullen jullie vergeving ontvangen. 38. Geef, dan zal aan jullie gegeven worden. Men zal een royaal gevulde, aangestampte, geschudde en overlopende maat in jullie schoot geven. De maat waarmee jullie meten, zal ook voor jullie worden gebruikt. 39. Jezus vertelde hun een gelijkenis: Kan een blinde een andere blinde de weg wijzen? Vallen ze dan niet allebei in een kuil? 40. Een leerling staat niet boven zijn leraar. Maar wie volledig is opgeleid, zal zijn zoals zijn leraar. 41. Waarom zie je de splinter in het oog van je broer, maar merk je de balk in je eigen oog niet op? 42. Hoe kun je tegen je broer zeggen: Broer, laat mij de splinter uit je oog halen? Je ziet de balk in je eigen oog niet eens. Huichelaar! Haal eerst de balk uit je eigen oog. Dan kun je goed zien om de splinter uit het oog van je broer te halen. 43. Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort. Een slechte boom brengt ook geen goede vruchten voort. 44. Iedere boom herken je aan zijn eigen vruchten. Mensen plukken geen vijgen van doornstruiken en oogsten geen druiven van braamstruiken. 45. Een goed mens brengt goede dingen voort uit de goede voorraad in zijn hart. Een slecht mens brengt slechte dingen voort uit de slechte voorraad in zijn hart. Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. 46. Waarom noemen jullie mij: Heere, Heere! maar doen jullie niet wat ik zeg? 47. Iedereen die bij mij komt, mijn woorden hoort en ernaar handelt, lijkt op de volgende man. 48. Hij lijkt op iemand die een huis bouwde. De man groef diep en legde het fundament op de rots. Toen een overstroming kwam, sloeg het water tegen dat huis. Het kon het huis niet laten wankelen, omdat het op de rots was gebouwd. 49. Wie mijn woorden hoort maar er niet naar handelt, lijkt op iemand die een huis zonder fundament op de grond bouwde. Het water sloeg ertegen en het huis stortte meteen in. De verwoesting was enorm. ## Lukas 7 — Jezus toont Zijn macht en vergeeft een zondige vrouw 1. Nadat Jezus Zijn toespraak tot het volk had beëindigd, ging Hij naar Kapernaüm. 2. Daar woonde een Romeinse hoofdman. Een dienaar die hem dierbaar was, lag ernstig ziek op sterven. 3. De hoofdman hoorde over Jezus. Hij stuurde enkele Joodse leiders naar Hem met het verzoek zijn dienaar te komen genezen. 4. Zij kwamen bij Jezus en drongen ernstig bij Hem aan: Deze man verdient het dat U hem helpt. 5. Hij houdt van ons volk en heeft zelfs onze synagoge gebouwd. 6. Jezus ging met hen mee. Dicht bij het huis stuurde de hoofdman vrienden met deze boodschap: Heere, doe geen moeite. Ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt. 7. Daarom vond ik mijzelf ook niet waard om naar U toe te komen. Spreek slechts één woord, dan zal mijn dienaar genezen. 8. Ook ik sta onder gezag en heb soldaten onder mij. Tegen de een zeg ik: Ga, en hij gaat. Tegen een ander zeg ik: Kom, en hij komt. Mijn dienaar doet wat ik hem opdraag. 9. Toen Jezus dit hoorde, verbaasde Hij zich over hem. Hij draaide zich naar de menigte en zei: Ik verzeker jullie: zelfs in Israël heb ik zo'n groot geloof niet gevonden. 10. De boodschappers keerden terug naar het huis en troffen de zieke dienaar gezond aan. 11. De volgende dag ging Jezus naar de stad Naïn. Veel van Zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee. 12. Bij de stadspoort werd een dode naar buiten gedragen. Het was de enige zoon van een weduwe. Veel inwoners liepen met haar mee. 13. Toen de Heere haar zag, kreeg Hij diep medelijden met haar. Hij zei: Huil niet. 14. Hij liep naar de draagbaar en raakte die aan. De dragers bleven staan. Jezus zei: Jongeman, ik zeg je: sta op! 15. De dode ging overeind zitten en begon te spreken. Jezus gaf hem terug aan zijn moeder. 16. Iedereen werd door diep ontzag gegrepen. Ze eerden God en zeiden: Er is een groot profeet onder ons opgestaan. God heeft naar Zijn volk omgezien. 17. Dit bericht over Jezus verspreidde zich door heel Judea en de hele omgeving. 18. De leerlingen van Johannes vertelden hem over al deze gebeurtenissen. 19. Johannes riep twee van hen bij zich en stuurde hen met een vraag naar Jezus. Ze moesten vragen: Bent U Degene die komen zou, of moeten wij iemand anders verwachten? 20. De mannen kwamen bij Jezus en zeiden: Johannes de Doper heeft ons gestuurd. Hij wil weten: bent U Degene die komen zou, of moeten wij iemand anders verwachten? 21. Op dat moment genas Jezus veel mensen van ziekten, kwalen en kwade geesten. Ook gaf Hij veel blinde mensen hun gezichtsvermogen terug. 22. Daarom antwoordde Jezus de mannen: Ga terug en vertel Johannes wat jullie hebben gezien en gehoord. Blinden zien en verlamde mensen lopen. Melaatse mensen worden rein en dove mensen horen. Doden worden opgewekt en arme mensen horen het goede nieuws. 23. Gelukkig is iedereen die niet door mij ten val komt. 24. Toen de boodschappers van Johannes vertrokken waren, sprak Jezus tot de menigte over Johannes: Waarom gingen jullie de woestijn in? Om een riet te bekijken dat heen en weer waait? 25. Wat gingen jullie dan bekijken? Een man in zachte, mooie kleren? Mensen met prachtige kleren die in luxe leven, wonen in paleizen. 26. Maar waarvoor gingen jullie dan? Om een profeet te zien? Ja, zeg ik jullie, hij is zelfs veel meer dan een profeet. 27. Over hem staat geschreven: Kijk, ik stuur mijn boodschapper voor U uit. Hij zal Uw weg voor U voorbereiden. 28. Ik zeg jullie: niemand die uit een vrouw geboren is, is een grotere profeet dan Johannes de Doper. Toch is de kleinste in Gods koninkrijk groter dan hij. 29. Alle gewone mensen en tollenaars die dit hoorden, erkenden dat God rechtvaardig was. Zij hadden zich door Johannes laten dopen. 30. Maar de Farizeeën en wetgeleerden wezen Gods bedoeling voor hun leven af. Zij hadden zich niet door Johannes laten dopen. 31. De Heere vervolgde: bij wie zal ik de mensen van deze generatie vergelijken? Op wie lijken zij? 32. Ze lijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: Wij speelden voor jullie op de fluit, maar jullie dansten niet. Wij zongen een klaaglied, maar jullie huilden niet. 33. Johannes de Doper kwam en at geen brood en dronk geen wijn. Toch zeggen jullie: Hij heeft een demon. 34. De Mensenzoon kwam en eet en drinkt wel. Nu zeggen jullie: Kijk, Hij is een veelvraat en dronkaard, een vriend van tollenaars en zondaars. 35. Toch blijkt uit al haar kinderen dat de wijsheid gelijk heeft. 36. Een Farizeeër nodigde Jezus uit om bij hem te eten. Jezus ging zijn huis binnen en nam aan tafel plaats. 37. In die stad woonde een vrouw die bekendstond als zondares. Toen ze hoorde waar Jezus at, bracht ze een albasten fles met geurige zalf. 38. Huilend ging ze achter Hem bij Zijn voeten staan. Haar tranen maakten Zijn voeten nat. Ze droogde die met haar haar, kuste ze en smeerde er zalf op. 39. De Farizeeër die Jezus had uitgenodigd, zag dit en dacht: Als Hij echt een profeet was, zou Hij weten wat voor vrouw Hem aanraakt. Zij is immers een zondares. 40. Jezus zei tegen hem: Simon, ik wil u iets zeggen. Simon antwoordde: Meester, zegt U het. 41. Een geldschieter had twee schuldenaars. De een was hem 500 penningen schuldig en de ander 50. 42. Geen van beiden kon betalen. Daarom schold hij hun allebei de schuld kwijt. Zeg eens: wie van hen zal het meest van hem houden? 43. Simon antwoordde: Ik denk degene aan wie hij de grootste schuld heeft kwijtgescholden. Jezus zei: Dat hebt u goed beoordeeld. 44. Toen draaide Jezus zich naar de vrouw en zei tegen Simon: Ziet u deze vrouw? Ik kwam uw huis binnen, maar u gaf geen water voor mijn voeten. Zij maakte mijn voeten met tranen nat en droogde ze met haar haar. 45. U gaf mij geen begroetingskus. Maar vanaf het moment dat zij binnenkwam, hield ze niet op mijn voeten te kussen. 46. U zalfde mijn hoofd niet met olie. Maar zij heeft mijn voeten met geurige zalf ingesmeerd. 47. Daarom zeg ik u: haar vele zonden zijn vergeven. Dat blijkt uit haar grote liefde. Wie weinig vergeven wordt, heeft weinig lief. 48. Daarna zei Jezus tegen haar: Uw zonden zijn u vergeven. 49. De andere gasten dachten bij zichzelf: Wie is Hij dat Hij zelfs zonden vergeeft? 50. Maar Jezus zei tegen de vrouw: Uw geloof heeft u gered. Ga in vrede. ## Lukas 8 — Jezus onderwijst en toont Zijn macht over storm, demonen en dood 1. Daarna trok Jezus door steden en dorpen. Hij verkondigde het goede nieuws van Gods koninkrijk. De twaalf leerlingen reisden met Hem mee. 2. Ook gingen enkele vrouwen mee die van kwade geesten en ziekten waren genezen. Onder hen was Maria Magdalena, uit wie zeven demonen waren weggegaan. 3. Verder waren er Johanna, de vrouw van Herodes' beheerder Chuzas, en Susanna. Zij en veel andere vrouwen ondersteunden hen met hun bezittingen. 4. Er kwam een grote menigte bijeen. Mensen uit elke stad kwamen naar Jezus toe. Toen vertelde Hij deze gelijkenis: 5. Een zaaier ging naar zijn akker om te zaaien. Een deel van het zaad viel langs de weg. Het werd vertrapt en de vogels aten het op. 6. Een ander deel viel op rotsachtige grond. Het kwam op, maar verdorde omdat het geen vocht kreeg. 7. Weer een ander deel viel tussen de dorens. De dorens groeiden tegelijk op en verstikten de planten. 8. De rest viel in goede aarde. Het kwam op en bracht 100 keer zoveel op. Daarna riep Jezus: Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren! 9. Zijn leerlingen vroegen Hem: Wat betekent deze gelijkenis? 10. Jezus antwoordde: Jullie mogen de geheimen van Gods koninkrijk begrijpen. Aan de anderen geef ik gelijkenissen. Zo kijken zij zonder werkelijk te zien en horen zij zonder te begrijpen. 11. Dit betekent de gelijkenis: het zaad is het woord van God. 12. Het zaad langs de weg zijn de mensen die het woord horen. Daarna neemt de duivel het uit hun hart weg. Zo voorkomt hij dat zij geloven en gered worden. 13. Het zaad op de rots zijn mensen die het woord met blijdschap aannemen. Ze hebben geen wortel. Ze geloven tijdelijk, maar vallen tijdens beproeving af. 14. Het zaad tussen de dorens zijn mensen die het woord horen. De zorgen, rijkdom en genoegens van het leven verstikken hen. Hun vrucht wordt nooit rijp. 15. Het zaad in de goede aarde zijn mensen die het woord met een eerlijk en goed hart vasthouden. Door vol te houden dragen zij vrucht. 16. Niemand steekt een lamp aan om die onder een pot of bed te zetten. Je zet hem op een standaard, zodat iedereen die binnenkomt het licht ziet. 17. Alles wat verborgen is, zal zichtbaar worden. Elk geheim zal bekend worden en aan het licht komen. 18. Let daarom goed op hoe jullie luisteren. Wie heeft, zal meer ontvangen. Wie niets heeft, verliest zelfs wat hij denkt te bezitten. 19. De moeder en broers van Jezus kwamen naar Hem toe. Door de drukte konden ze Hem niet bereiken. 20. Iemand vertelde Hem: Uw moeder en Uw broers staan buiten. Ze willen U graag zien. 21. Maar Jezus antwoordde: Mijn moeder en mijn broers zijn de mensen die Gods woord horen en ernaar handelen. 22. Op een dag stapte Jezus met Zijn leerlingen in een boot. Hij zei: Laten we naar de overkant van het meer varen. Ze vertrokken. 23. Tijdens de vaart viel Jezus in slaap. Er stak een storm op en de boot liep vol water. Ze verkeerden in groot gevaar. 24. De leerlingen maakten Hem wakker en riepen: Meester, Meester, we vergaan! Jezus stond op en bestrafte de wind en de hoge golven. Die gingen liggen en het werd stil. 25. Hij vroeg: Waar is jullie geloof? Vol ontzag en verbazing zeiden zij tegen elkaar: Wie is Hij toch? Hij beveelt zelfs de wind en het water, en die gehoorzamen Hem. 26. Ze voeren verder naar het gebied van de Gadarenen, aan de overkant van het meer tegenover Galilea. 27. Toen Jezus aan land stapte, kwam een man uit de stad Hem tegemoet. Hij was al lange tijd bezeten. Hij droeg geen kleren en woonde tussen de graven. 28. Toen hij Jezus zag, schreeuwde hij en viel voor Hem neer. Met luide stem riep hij: Wat hebt U met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek U: pijnig mij niet! 29. Jezus had de onreine geest namelijk bevolen uit de man te gaan. De geest had hem vaak overweldigd. Men bond hem met kettingen en voetboeien. Maar hij brak die en werd door de demon naar verlaten plaatsen gedreven. 30. Jezus vroeg hem: Hoe heet je? Hij antwoordde: Legioen. Er waren namelijk veel demonen in hem gekomen. 31. De demonen smeekten Jezus om hun niet te bevelen naar de bodemloze diepte te gaan. 32. Op de berghelling graasde een grote kudde varkens. De demonen smeekten Hem: Laat ons in die varkens gaan. Jezus gaf hun toestemming. 33. De demonen verlieten de man en gingen de varkens in. De kudde stormde van de steile helling het meer in en verdronk. 34. De varkenshoeders zagen wat er gebeurde en vluchtten. Ze vertelden het nieuws in de stad en op het platteland. 35. De mensen gingen kijken. Bij Jezus vonden ze de bevrijde man aan Zijn voeten. Hij droeg kleren en was goed bij zijn verstand. Ze werden bang. 36. De ooggetuigen vertelden hun hoe de bezeten man was gered. 37. Toen vroeg de hele bevolking van het gebied rond de Gadarenen Jezus om weg te gaan. Ze waren door grote angst gegrepen. Jezus stapte in de boot en keerde terug. 38. De bevrijde man smeekte of hij bij Hem mocht blijven. Maar Jezus stuurde hem weg met de opdracht: 39. Ga terug naar huis en vertel welke grote dingen God voor je heeft gedaan. De man vertrok en vertelde in de hele stad wat Jezus voor hem had gedaan. 40. Toen Jezus terugkeerde, ontving de menigte Hem hartelijk. Iedereen had op Hem gewacht. 41. Er kwam een man die Jaïrus heette. Hij was leider van de synagoge. Hij viel aan Jezus' voeten en smeekte Hem mee naar huis te gaan. 42. Zijn enige dochter van ongeveer twaalf jaar lag namelijk op sterven. Terwijl Jezus onderweg was, verdrong de menigte zich om Hem heen. 43. In de menigte was een vrouw die al twaalf jaar bloed verloor. Zij had al haar geld aan artsen uitgegeven, maar niemand kon haar genezen. 44. Ze naderde Jezus van achteren en raakte de zoom van Zijn mantel aan. Meteen stopte het bloeden. 45. Jezus vroeg: Wie heeft mij aangeraakt? Iedereen ontkende het. Toen zei Petrus: Meester, de mensen staan overal om U heen en dringen tegen U aan. En dan vraagt U wie U heeft aangeraakt? 46. Maar Jezus zei: Iemand heeft mij aangeraakt. Ik voelde dat er kracht van mij uitging. 47. De vrouw besefte dat ze niet verborgen kon blijven. Bevend viel ze voor Hem neer. Voor iedereen vertelde ze waarom ze Hem had aangeraakt en onmiddellijk was genezen. 48. Jezus zei tegen haar: Houd moed, dochter. Uw geloof heeft u gered. Ga in vrede. 49. Terwijl Hij nog sprak, kwam iemand uit het huis van de synagogeleider. Hij zei: Uw dochter is gestorven. Val de Meester niet langer lastig. 50. Jezus hoorde dit en zei tegen Jaïrus: Wees niet bang. Geloof alleen, dan zal ze gered worden. 51. Bij het huis liet Jezus alleen Petrus, Jakobus, Johannes en de ouders van het kind met Hem naar binnen gaan. 52. Iedereen huilde en rouwde om haar. Maar Jezus zei: Huil niet. Ze is niet gestorven, maar slaapt. 53. De mensen lachten Hem uit, want ze wisten dat ze gestorven was. 54. Jezus stuurde iedereen naar buiten. Toen pakte Hij haar hand en riep: Kind, sta op! 55. Haar geest keerde terug en ze stond onmiddellijk op. Jezus gaf opdracht haar iets te eten te geven. 56. Haar ouders waren buiten zichzelf van verbazing. Maar Jezus verbood hun iemand te vertellen wat er gebeurd was. ## Lukas 9 — Jezus maakt duidelijk wie Hij is en wat volgen kost 1. Jezus riep de twaalf leerlingen bijeen. Hij gaf hun kracht en gezag over alle demonen en de macht om ziekten te genezen. 2. Daarna stuurde Hij hen eropuit om Gods koninkrijk te verkondigen en zieke mensen te genezen. 3. Hij zei tegen hen: Neem niets mee voor onderweg: geen wandelstok, reistas, brood of geld. Neem ook geen extra kledingstuk mee. 4. Wanneer jullie ergens een huis binnengaan, blijf daar dan tot jullie uit die plaats vertrekken. 5. Als de mensen jullie niet ontvangen, verlaat dan hun stad. Schud zelfs het stof van jullie voeten als getuigenis tegen hen. 6. De leerlingen vertrokken en trokken van dorp tot dorp. Overal verkondigden ze het goede nieuws en genazen ze zieke mensen. 7. Vorst Herodes hoorde alles wat Jezus deed. Hij raakte in verwarring, want sommige mensen zeiden dat Johannes uit de dood was opgestaan. 8. Anderen zeiden dat Elia was verschenen. Weer anderen dachten dat een profeet uit het verleden was opgestaan. 9. Herodes zei: Johannes heb ik laten onthoofden. Maar wie is deze Man over wie ik zulke dingen hoor? Daarom wilde hij Jezus graag zien. 10. De apostelen keerden terug en vertelden Jezus alles wat ze hadden gedaan. Hij nam hen mee naar een afgelegen plek bij de stad Bethsaïda. 11. De menigten merkten het en volgden Hem. Jezus ontving hen, sprak over Gods koninkrijk en genas iedereen die genezing nodig had. 12. Tegen het einde van de dag kwamen de twaalf bij Jezus. Ze zeiden: Stuur de menigte weg. Dan kunnen de mensen in de omliggende dorpen eten en onderdak zoeken. We zijn hier immers op een afgelegen plaats. 13. Jezus antwoordde: Geven jullie hun te eten. Ze zeiden: We hebben maar vijf broden en twee vissen. Moeten wij soms eten voor al deze mensen gaan kopen? 14. Er waren ongeveer 5.000 mannen. Jezus zei tegen Zijn leerlingen: Laat hen in groepen van ongeveer 50 mensen gaan zitten. 15. De leerlingen deden wat Hij zei en lieten iedereen plaatsnemen. 16. Jezus nam de vijf broden en twee vissen. Hij keek omhoog naar de hemel, sprak de zegen uit en brak het brood. Daarna gaf Hij alles aan de leerlingen om uit te delen. 17. Iedereen at en werd verzadigd. De leerlingen verzamelden wat overbleef: twaalf manden vol stukken brood. 18. Toen Jezus eens alleen aan het bidden was, waren Zijn leerlingen bij Hem. Hij vroeg hun: Wie zeggen de mensen dat ik ben? 19. Ze antwoordden: Sommigen zeggen Johannes de Doper. Anderen zeggen Elia. Weer anderen denken dat een profeet uit het verleden is opgestaan. 20. Toen vroeg Hij: En jullie, wie zeggen jullie dat ik ben? Petrus antwoordde: U bent de Christus van God. 21. Jezus verbood hun streng dit aan iemand te vertellen. 22. Hij zei: De Mensenzoon moet veel lijden. De leiders, hogepriesters en schriftgeleerden zullen Hem verwerpen. Hij zal gedood worden en op de derde dag opstaan. 23. Daarna zei Hij tegen iedereen: Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen. Hij moet elke dag zijn kruis opnemen en mij volgen. 24. Want wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven om mij verliest, zal het behouden. 25. Wat heeft iemand eraan de hele wereld te winnen als hij zichzelf verliest of zichzelf ernstige schade toebrengt? 26. Wie zich voor mij en mijn woorden schaamt, voor hem zal de Mensenzoon zich schamen. Dat gebeurt wanneer Hij komt in de heerlijkheid van zichzelf, Zijn Vader en de heilige engelen. 27. Ik verzeker jullie: sommige mensen die hier staan, zullen niet sterven voordat zij Gods koninkrijk hebben gezien. 28. Ongeveer acht dagen na deze woorden nam Jezus Petrus, Johannes en Jakobus mee. Hij klom de berg op om te bidden. 29. Terwijl Hij bad, veranderde het uiterlijk van Zijn gezicht. Zijn kleding werd stralend wit. 30. Plotseling stonden er twee mannen met Hem te praten. Het waren Mozes en Elia. 31. Zij verschenen in heerlijkheid en spraken over Jezus' vertrek uit deze wereld, dat Hij in Jeruzalem zou volbrengen. 32. Petrus en de anderen waren door slaap overmand. Toen ze klaarwakker werden, zagen ze Zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden. 33. Toen de mannen wilden vertrekken, zei Petrus tegen Jezus: Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten maken: één voor U, één voor Mozes en één voor Elia. Hij wist niet wat hij zei. 34. Terwijl Petrus nog sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde. Toen ze in de wolk kwamen, werden ze bang. 35. Uit de wolk klonk een stem: Dit is mijn geliefde Zoon. Luister naar Hem! 36. Nadat de stem had geklonken, zagen ze alleen Jezus. Ze zwegen en vertelden in die tijd niemand wat ze hadden gezien. 37. De volgende dag daalden ze de berg af. Een grote menigte kwam Jezus tegemoet. 38. Een man uit de menigte riep: Meester, ik smeek U naar mijn zoon te kijken. Hij is mijn enige kind. 39. Een geest grijpt hem plotseling, zodat hij begint te schreeuwen. De geest laat hem stuiptrekken en schuimbekken. Hij mishandelt hem en laat hem nauwelijks los. 40. Ik heb Uw leerlingen gevraagd de geest uit te drijven, maar ze konden het niet. 41. Jezus antwoordde: Wat zijn jullie toch ongelovig en verkeerd! Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven en jullie verdragen? Breng uw zoon hier. 42. Terwijl de jongen naar Jezus liep, gooide de demon hem op de grond en liet hem stuiptrekken. Jezus bestrafte de onreine geest. Hij genas het kind en gaf hem terug aan zijn vader. 43. Iedereen stond versteld van Gods grote macht. Terwijl de mensen zich nog verbaasden over alles wat Jezus deed, zei Hij tegen Zijn leerlingen: 44. Onthoud goed wat ik jullie zeg: de Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen van mensen. 45. Maar de leerlingen begrepen deze uitspraak niet. De betekenis bleef voor hen verborgen. Ze durfden Hem er niet naar te vragen. 46. De leerlingen begonnen met elkaar te discussiëren over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 47. Jezus wist wat er in hun hart omging. Daarom nam Hij een kind en zette het naast zich. 48. Hij zei tegen hen: Wie dit kind in mijn naam ontvangt, ontvangt mij. Wie mij ontvangt, ontvangt Hem die mij heeft gestuurd. Wie van jullie de minste is, die is werkelijk groot. 49. Johannes zei: Meester, we zagen iemand in Uw naam demonen uitdrijven. We hebben geprobeerd hem tegen te houden, omdat hij U niet samen met ons volgt. 50. Jezus antwoordde: Houd hem niet tegen. Wie niet tegen ons is, is voor ons. 51. De tijd naderde waarop Jezus in de hemel zou worden opgenomen. Daarom ging Hij vastberaden op weg naar Jeruzalem. 52. Hij stuurde boodschappers voor zich uit. Zij gingen naar een Samaritaans dorp om daar alles voor Hem voor te bereiden. 53. Maar de inwoners wilden Hem niet ontvangen, omdat Hij op weg was naar Jeruzalem. 54. Toen Jakobus en Johannes dit zagen, vroegen ze: Heere, wilt U dat wij vuur uit de hemel laten neerdalen? Moeten wij hen zo vernietigen, zoals Elia deed? 55. Maar Jezus draaide zich om en bestrafte hen: Jullie beseffen niet door welke geest jullie je laten leiden. 56. De Mensenzoon is niet gekomen om mensenlevens te vernietigen, maar om ze te redden. Daarna gingen ze naar een ander dorp. 57. Terwijl ze verder reisden, zei iemand tegen Jezus: Heere, ik zal U volgen waar U ook heen gaat. 58. Jezus antwoordde: Vossen hebben holen en vogels hebben nesten. Maar de Mensenzoon heeft geen plek waar Hij Zijn hoofd kan neerleggen. 59. Tegen een ander zei Hij: Volg mij. Maar die man antwoordde: Heere, sta mij toe eerst mijn vader te gaan begraven. 60. Jezus zei: Laat de doden hun eigen doden begraven. Maar u moet op weg gaan en Gods koninkrijk verkondigen. 61. Weer iemand anders zei: Heere, ik zal U volgen. Maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten. 62. Jezus antwoordde: Wie zijn hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor Gods koninkrijk. ## Lukas 10 — Jezus zendt zeventig leerlingen uit en leert wie je naaste is 1. Daarna wees de Heere nog zeventig anderen aan. Hij stuurde hen twee aan twee vooruit naar elke stad en plaats waar Hij zelf zou komen. 2. Hij zei tegen hen: De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. Vraag daarom de Heere van de oogst of Hij arbeiders naar Zijn oogst wil sturen. 3. Ga op weg. Ik stuur jullie als lammeren tussen de wolven. 4. Neem geen geldbuidel mee, geen reistas en geen extra schoenen. Blijf onderweg niet staan om iemand uitgebreid te groeten. 5. Zeg als eerste, zodra jullie een huis binnenkomen: Vrede voor dit huis. 6. Woont daar iemand die vrede zoekt, dan zal jullie vrede op hem rusten. Zo niet, dan keert die vrede naar jullie terug. 7. Blijf in dat ene huis. Eet en drink wat men jullie voorzet, want een arbeider verdient zijn loon. Trek niet van het ene huis naar het andere. 8. Komen jullie in een stad waar men jullie ontvangt, eet dan wat men jullie voorzet. 9. Genees de zieken die er wonen en zeg tegen hen: Gods koninkrijk is dicht bij jullie gekomen. 10. Maar komen jullie in een stad waar men jullie niet ontvangt, ga dan de straat op en zeg: 11. Zelfs het stof van uw stad dat aan onze voeten kleeft, vegen wij hier af. Maar weet dit: Gods koninkrijk is dichtbij gekomen. 12. Ik zeg jullie: die stad zal het op die dag zwaarder krijgen dan Sodom. 13. Wee jou, Chorazin! Wee jou, Bethsaïda! In Tyrus en Sidon waren de mensen zich allang gaan schamen over hun leven. Dat was gebeurd als daar de wonderen waren gedaan die bij jullie gebeurden. 14. Tyrus en Sidon zullen het bij het oordeel dan ook makkelijker krijgen dan jullie. 15. En jij, Kapernaüm, denk je tot de hemel verheven te worden? Je zult tot in het dodenrijk neerdalen. 16. Wie naar jullie luistert, luistert naar mij. Wie jullie afwijst, wijst mij af. En wie mij afwijst, wijst Hem af die mij gestuurd heeft. 17. De zeventig kwamen blij terug en zeiden: Heere, zelfs de demonen gehoorzamen ons zodra wij Uw naam gebruiken. 18. Hij zei tegen hen: Ik zag de satan als een bliksemflits uit de hemel vallen. 19. Kijk, ik geef jullie de macht om op slangen en schorpioenen te trappen. Jullie krijgen macht over alle kracht van de vijand. Niets zal jullie schaden. 20. Maar wees niet blij omdat de geesten jullie gehoorzamen. Wees vooral blij dat jullie namen in de hemel staan opgeschreven. 21. Op dat moment werd Jezus vervuld van vreugde door de Heilige Geest. Hij zei: Vader, Heere van hemel en aarde, ik dank U. U hebt dit verborgen voor wijze en verstandige mensen. Aan kinderen hebt U het bekendgemaakt. Ja, Vader, want zo hebt U het gewild. 22. Mijn Vader heeft mij alles toevertrouwd. Niemand weet wie de Zoon is, behalve de Vader. En niemand weet wie de Vader is, behalve de Zoon en ieder aan wie de Zoon Hem bekend wil maken. 23. Daarna draaide Hij zich om naar Zijn leerlingen en zei alleen tegen hen: Gelukkig zijn de ogen die zien wat jullie zien. 24. Want ik zeg jullie: veel profeten en koningen wilden zien wat jullie zien, maar zij zagen het niet. Zij wilden horen wat jullie horen, maar zij hoorden het niet. 25. Toen stond er een wetgeleerde op die Jezus op de proef wilde stellen. Hij vroeg: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen? 26. Jezus zei tegen hem: Wat staat er in de wet? Wat leest u daar? 27. Hij antwoordde: Heb de Heere, uw God, lief met heel uw hart, heel uw ziel, heel uw kracht en heel uw verstand. En heb uw naaste lief als uzelf. 28. Jezus zei: U hebt goed geantwoord. Doe dat, dan zult u leven. 29. Maar de man wilde zichzelf rechtvaardigen. Hij vroeg aan Jezus: En wie is dan mijn naaste? 30. Jezus antwoordde: Er ging eens iemand van Jeruzalem naar Jericho. Onderweg werd hij overvallen door rovers. Zij namen hem zijn kleren af, mishandelden hem en lieten hem halfdood liggen. 31. Toevallig kwam er een priester langs die weg. Hij zag de man liggen en liep in een boog om hem heen. 32. Even later kwam er een Leviet voorbij. Ook hij zag de man liggen en liep in een boog om hem heen. 33. Toen kwam er een Samaritaan langs die op reis was. Hij zag de man en kreeg diep medelijden met hem. 34. Hij liep naar hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze. Daarna zette hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem. 35. De volgende dag gaf hij de waard twee penningen. Hij zei: Zorg goed voor hem. Kost het meer, dan betaal ik u dat bij mijn terugkomst. 36. Wie van deze drie is volgens u de naaste geweest van de man die door rovers was overvallen? 37. De wetgeleerde zei: De man die medelijden met hem had. Toen zei Jezus tegen hem: Ga dan en doe hetzelfde. 38. Tijdens hun reis kwam Jezus in een dorp. Daar ontving een vrouw die Martha heette Hem in haar huis. 39. Zij had een zuster die Maria heette. Maria ging aan de voeten van Jezus zitten en luisterde naar Zijn woorden. 40. Martha had het razend druk met de zorg voor haar gasten. Zij kwam erbij staan en zei: Heere, laat het U koud dat mijn zuster mij alleen laat werken? Zeg toch dat zij mij helpt. 41. De Heere antwoordde haar: Martha, Martha, je maakt je bezorgd en druk over zoveel dingen. 42. Maar een ding is nodig. Maria heeft het goede deel gekozen, en dat zal haar niet worden afgenomen. ## Lukas 11 — Jezus leert bidden en ontmaskert schijnvertoon 1. Op een keer was Jezus ergens aan het bidden. Toen Hij ophield, zei een van Zijn leerlingen: Heere, leer ons bidden, zoals Johannes het zijn leerlingen ook geleerd heeft. 2. Hij zei tegen hen: Bid zo. Onze Vader in de hemel, laat Uw naam geëerd worden. Laat Uw koninkrijk komen. Laat Uw wil gebeuren op aarde, net zoals in de hemel. 3. Geef ons elke dag het brood dat wij nodig hebben. 4. Vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven ieder die ons iets schuldig is. En stel ons niet op de proef, maar red ons van het kwaad. 5. Hij zei verder: Stel dat een van jullie midden in de nacht naar een vriend gaat. Je zegt tegen hem: Vriend, leen mij drie broden. 6. Er is een vriend van mij op reis bij mij aangekomen. Ik heb niets om hem voor te zetten. 7. En stel dat de ander van binnen antwoordt: Val mij niet lastig. De deur zit al op slot en mijn kinderen liggen naast mij in bed. Ik kan niet opstaan om je iets te geven. 8. Ik zeg jullie: hij staat niet op omdat de ander zijn vriend is. Maar omdat de ander blijft aandringen, staat hij toch op en geeft hem alles wat hij nodig heeft. 9. En ik zeg jullie: vraag, en je zult krijgen. Zoek, en je zult vinden. Klop, en de deur gaat voor je open. 10. Want ieder die vraagt, krijgt. Wie zoekt, vindt. En voor wie klopt, gaat de deur open. 11. Welke vader onder jullie geeft zijn zoon een steen als die om brood vraagt? Of een slang als hij om een vis vraagt? 12. Of een schorpioen als hij om een ei vraagt? 13. Jullie zijn slecht, en toch weten jullie je kinderen goede dingen te geven. Hoeveel te meer zal de Vader in de hemel de Heilige Geest geven aan wie Hem daarom vragen? 14. Jezus dreef een demon uit die iemand stom maakte. Toen de demon weg was, kon de man weer praten. De mensen stonden versteld. 15. Maar sommigen van hen zeiden: Hij drijft de demonen uit met de hulp van Beëlzebul, de leider van de demonen. 16. Anderen wilden Hem op de proef stellen en vroegen om een teken uit de hemel. 17. Jezus wist wat zij dachten en zei: Een koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat kapot. En een gezin dat tegen zichzelf verdeeld is, valt uiteen. 18. Als de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe kan zijn rijk dan standhouden? Jullie zeggen immers dat ik de demonen uitdrijf met de hulp van Beëlzebul. 19. Als ik dat met zijn hulp zou doen, met wiens hulp doen jullie eigen mensen het dan? Zij zullen dus over jullie oordelen. 20. Maar drijf ik de demonen uit door de kracht van God, dan is Gods koninkrijk bij jullie gekomen. 21. Een sterke man met wapens bewaakt zijn eigen huis. Alles wat hij heeft, is dan veilig. 22. Maar komt er iemand die sterker is en wint die het van hem, dan neemt hij hem zijn wapens af. Op die wapens vertrouwde hij, en de buit wordt verdeeld. 23. Wie niet met mij is, is tegen mij. En wie niet met mij bijeenbrengt, drijft juist uiteen. 24. Als een onreine geest uit iemand vertrekt, zwerft hij door dorre streken op zoek naar rust. Vindt hij die niet, dan zegt hij: Ik ga terug naar het huis dat ik verliet. 25. Bij aankomst vindt hij het schoongeveegd en opgeruimd. 26. Dan haalt hij zeven geesten die nog slechter zijn dan hijzelf. Samen trekken zij erin en blijven er wonen. Met die mens gaat het daarna nog slechter dan eerst. 27. Terwijl Hij dit zei, riep een vrouw uit de menigte: Gelukkig is de vrouw die U gedragen en gevoed heeft. 28. Maar Hij zei: Nog gelukkiger zijn de mensen die Gods woord horen en zich eraan houden. 29. Er kwamen steeds meer mensen om Hem heen staan. Hij zei: Dit is een slechte generatie. Zij vraagt om een teken, maar krijgt geen ander teken dan dat van de profeet Jona. 30. Want zoals Jona een teken was voor de mensen van Nineve, zo zal de Mensenzoon dat zijn voor deze generatie. 31. De koningin van het Zuiden zal bij het oordeel opstaan en deze mensen veroordelen. Zij kwam van het einde van de aarde om naar de wijsheid van Salomo te luisteren. En hier is meer dan Salomo. 32. De mannen van Nineve zullen bij het oordeel opstaan en deze generatie veroordelen. Zij veranderden hun leven toen Jona preekte. En hier is meer dan Jona. 33. Niemand steekt een lamp aan om die weg te zetten of onder een emmer te plaatsen. Je zet hem juist op een standaard, zodat wie binnenkomt het licht ziet. 34. Je oog is de lamp van je lichaam. Is je oog zuiver, dan is je hele lichaam verlicht. Is je oog slecht, dan is je lichaam donker. 35. Let dus goed op dat het licht in jou geen duisternis is. 36. Is je hele lichaam verlicht en blijft er geen donker deel over, dan straalt het helemaal. Het is dan zo licht als wanneer een lamp je beschijnt. 37. Toen Hij uitgesproken was, nodigde een Farizeeër Hem uit om te komen eten. Jezus ging naar binnen en nam aan tafel plaats. 38. De Farizeeër zag met verbazing dat Jezus zich voor het eten niet eerst waste. 39. De Heere zei tegen hem: Jullie Farizeeën maken de buitenkant van beker en schaal schoon. Maar vanbinnen zijn jullie vol hebzucht en kwaad. 40. Dwazen. Heeft Hij die de buitenkant maakte, niet ook de binnenkant gemaakt? 41. Geef liever aan de armen wat er in de schaal zit. Dan is alles voor jullie rein. 42. Maar wee jullie, Farizeeën! Jullie geven tienden van munt, wijnruit en elk tuinkruid. Maar het recht en de liefde van God slaan jullie over. Doe dit, en laat het andere niet na. 43. Wee jullie, Farizeeën! Jullie houden van de erezetel in de synagoge en van de begroetingen op het plein. 44. Wee jullie! Jullie lijken op onzichtbare graven, waar mensen overheen lopen zonder het te weten. 45. Een van de wetgeleerden zei daarop: Meester, met deze woorden beledigt U ons ook. 46. Hij zei: Wee ook jullie, wetgeleerden! Jullie leggen mensen zware lasten op, maar raken die zelf met geen vinger aan. 47. Wee jullie! Jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten, terwijl jullie voorouders hen hebben gedood. 48. Zo laten jullie zien dat jullie het eens zijn met wat jullie voorouders deden. Zij doodden de profeten en jullie bouwen hun graven. 49. Daarom heeft Gods wijsheid gezegd: Ik zal profeten en apostelen naar hen sturen. Sommigen zullen zij doden en anderen zullen zij verjagen. 50. Zo zal deze generatie verantwoording moeten afleggen voor het bloed van alle profeten. Dat bloed is vergoten sinds het begin van de wereld. 51. Het gaat van het bloed van Abel tot het bloed van Zacharia, die omkwam tussen het altaar en het heiligdom. Ja, zeg ik jullie, deze generatie zal daarvoor moeten boeten. 52. Wee jullie, wetgeleerden! Jullie hebben de sleutel van de kennis weggenomen. Zelf gingen jullie niet naar binnen en wie dat wel wilde, hielden jullie tegen. 53. Toen Jezus daar wegging, werden de schriftgeleerden en Farizeeën vijandig. Zij bestookten Hem met allerlei vragen. 54. Zij loerden op Hem en probeerden Hem op een woord te vangen om Hem te kunnen aanklagen. ## Lukas 12 — Jezus over vrees, bezit en waakzaamheid 1. Intussen kwamen er duizenden mensen samen, zodat zij elkaar bijna vertrapten. Jezus zei eerst tegen Zijn leerlingen: Pas op voor de gist van de Farizeeën, want dat is schijnheiligheid. 2. Niets blijft bedekt wat niet onthuld zal worden. En niets blijft verborgen wat niet bekend zal worden. 3. Alles wat jullie in het donker zeggen, zal in het licht gehoord worden. Wat jullie binnenskamers fluisteren, zal van de daken geroepen worden. 4. Ik zeg jullie, mijn vrienden: wees niet bang voor wie het lichaam doden. Daarna kunnen zij niets meer doen. 5. Ik zal jullie zeggen voor wie je wel ontzag moet hebben. Heb ontzag voor Hem die na de dood de macht heeft je in de hel te werpen. Ja, zeg ik jullie, heb ontzag voor Hem. 6. Worden vijf mussen niet voor een paar centen verkocht? Toch vergeet God niet een van hen. 7. Zelfs alle haren op jullie hoofd zijn geteld. Wees dus niet bang, want jullie zijn meer waard dan veel mussen. 8. Ik zeg jullie: wie voor de mensen erkent dat hij bij mij hoort, over hem zal ook de Mensenzoon dat zeggen voor Gods engelen. 9. Maar wie mij voor de mensen verloochent, zal voor Gods engelen verloochend worden. 10. Wie iets tegen de Mensenzoon zegt, zal vergeving krijgen. Maar wie kwaadspreekt over de Heilige Geest, krijgt geen vergeving. 11. Brengen zij jullie voor de synagoge, voor overheden en machthebbers, maak je dan geen zorgen. Denk niet vooruit over je verdediging of over wat je zeggen moet. 12. Want de Heilige Geest zal jullie op dat moment leren wat jullie moeten zeggen. 13. Iemand uit de menigte zei tegen Hem: Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt. 14. Maar Hij zei tegen hem: Man, wie heeft mij aangesteld als rechter of scheidsrechter over jullie? 15. Hij zei tegen hen: Kijk uit en pas op voor hebzucht. Iemands leven hangt niet af van wat hij bezit. 16. Hij vertelde hun een gelijkenis: Het land van een rijke man had veel opgebracht. 17. Hij dacht bij zichzelf: Wat moet ik doen? Ik heb geen plaats om mijn oogst op te slaan. 18. Hij zei: Dit ga ik doen. Ik breek mijn schuren af en bouw grotere. Daarin sla ik al mijn graan en mijn goederen op. 19. En ik zal tegen mijzelf zeggen: Je hebt genoeg liggen voor vele jaren. Rust uit, eet, drink en geniet. 20. Maar God zei tegen hem: Dwaas. Vannacht wordt je leven van je opgeeist. Voor wie is dan alles wat je hebt klaargelegd? 21. Zo gaat het met iemand die schatten verzamelt voor zichzelf en niet rijk is bij God. 22. Hij zei tegen Zijn leerlingen: Daarom zeg ik jullie: maak je geen zorgen over je leven en over wat je eten zult. Maak je ook geen zorgen over je lichaam en over wat je aantrekt. 23. Het leven is meer dan het eten en het lichaam meer dan de kleren. 24. Kijk naar de raven. Zij zaaien niet en oogsten niet, en zij hebben geen voorraadkamer of schuur. Toch geeft God hun te eten. Hoeveel meer zijn jullie waard dan de vogels. 25. Wie van jullie kan door zich zorgen te maken zijn leven ook maar iets verlengen? 26. Als jullie zoiets kleins al niet kunnen, waarom maken jullie je dan zorgen over de rest? 27. Kijk naar de lelies, hoe zij groeien. Zij werken niet en spinnen geen draad. Toch zeg ik jullie: zelfs Salomo ging in al zijn pracht niet zo gekleed. 28. God kleedt het gras dat vandaag op het veld staat en morgen in de oven gaat. Hoeveel meer zal Hij jullie kleden, kleingelovigen. 29. Vraag je dus niet af wat je eten of drinken zult. Maak je daar niet druk over. 30. De volken van de wereld jagen dat allemaal na. Jullie Vader weet dat jullie het nodig hebben. 31. Zoek liever Zijn koninkrijk, dan krijgen jullie dit er allemaal bij. 32. Wees niet bang, kleine kudde. Jullie Vader heeft besloten jullie het koninkrijk te geven. 33. Verkoop wat je hebt en geef het aan de armen. Zorg voor beurzen die niet slijten, een schat in de hemel die niet opraakt. Daar komt geen dief bij en geen mot verteert hem. 34. Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. 35. Zorg dat jullie klaarstaan om te vertrekken en houd de lampen brandend. 36. Wees als mensen die op hun heer wachten tot hij thuiskomt van een bruiloft. Als hij komt en klopt, doen zij meteen open. 37. Gelukkig zijn de knechten die de heer wakker aantreft. Ik verzeker jullie: hij zal zijn kleren opschorten, hen aan tafel laten gaan en hen bedienen. 38. Komt hij midden in de nacht of tegen de ochtend en treft hij hen zo aan, dan zijn die knechten gelukkig. 39. Bedenk dit: als de heer van het huis wist wanneer de dief kwam, dan bleef hij wakker. Hij zou niet toelaten dat er in zijn huis werd ingebroken. 40. Wees ook klaar, want de Mensenzoon komt op een uur waarop jullie Hem niet verwachten. 41. Petrus zei tegen Hem: Heere, vertelt U deze gelijkenis alleen aan ons of aan iedereen? 42. De Heere zei: Wie is de betrouwbare en verstandige beheerder? Zijn heer geeft hem de leiding over het personeel om hun op tijd hun eten te geven. 43. Gelukkig is de knecht die door zijn heer bij thuiskomst zo bezig gevonden wordt. 44. Ik verzeker jullie dat de heer hem over al zijn bezit zal aanstellen. 45. Maar stel dat die knecht bij zichzelf denkt: Mijn heer blijft nog lang weg. Dan gaat hij de knechten en de dienstmeisjes slaan, en zelf eten, drinken en dronken worden. 46. Dan komt zijn heer op een dag waarop hij hem niet verwacht en op een uur dat hij niet kent. De heer zal hem streng straffen en hem het lot van de ontrouwen geven. 47. De knecht die de wil van zijn heer kende en zich niet klaarhield, krijgt veel slagen. 48. Wie die wil niet kende en toch strafbare dingen deed, krijgt weinig slagen. Van wie veel gekregen heeft, zal veel gevraagd worden. En aan wie veel is toevertrouwd, zal men des te meer vragen. 49. Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen. Hoe graag zou ik willen dat het al brandde. 50. Maar ik moet eerst een doop ondergaan. Wat word ik gekweld tot dat volbracht is. 51. Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen? Nee, zeg ik jullie, eerder verdeeldheid. 52. Van nu af aan zullen vijf mensen in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee en twee tegen drie. 53. De vader komt tegenover de zoon te staan en de zoon tegenover de vader. De moeder tegenover de dochter en de dochter tegenover de moeder. De schoonmoeder tegenover de schoondochter en de schoondochter tegenover de schoonmoeder. 54. Hij zei ook tegen de menigte: Zien jullie een wolk in het westen opkomen, dan zeggen jullie meteen: Er komt regen. En zo gebeurt het. 55. Waait de zuidenwind, dan zeggen jullie: Het wordt heet. En zo gebeurt het. 56. Schijnheilige mensen. Jullie kunnen het aanzien van aarde en hemel beoordelen. Waarom beoordelen jullie deze tijd dan niet? 57. En waarom bepalen jullie niet zelf wat juist is? 58. Ga je met je tegenpartij naar de overheid, doe dan onderweg je best om er samen uit te komen. Anders sleept hij je voor de rechter, levert de rechter je uit aan de gerechtsdienaar en zet die je gevangen. 59. Ik zeg je: je komt daar pas uit als je de laatste cent betaald hebt. ## Lukas 13 — Verander je leven, want de deur gaat open en dicht 1. Op dat moment waren er mensen bij Hem die vertelden over Galileeërs. Pilatus had hun bloed vermengd met dat van hun offers. 2. Jezus antwoordde hun: Denken jullie dat deze Galileeërs slechtere mensen waren dan alle andere Galileeërs? Was dat de reden dat zij dit moesten ondergaan? 3. Nee, zeg ik jullie. Maar als jullie je leven niet veranderen, zullen jullie allemaal net zo omkomen. 4. En die achttien mensen op wie de toren bij Siloam viel? Denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere inwoners van Jeruzalem? 5. Nee, zeg ik jullie. Maar als jullie je leven niet veranderen, zullen jullie allemaal net zo omkomen. 6. Hij vertelde deze gelijkenis: Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard staan. Hij kwam kijken of er vruchten aan zaten, maar vond er geen. 7. Hij zei tegen de wijngaardenier: Kijk, ik kom nu al drie jaar vruchten zoeken aan deze vijgenboom en ik vind ze niet. Hak hem om. Waarom zou hij de grond nog langer bezet houden? 8. De wijngaardenier antwoordde: Heer, laat hem dit jaar nog staan. Ik zal de grond eromheen omspitten en mest geven. 9. Draagt hij volgend jaar vrucht, dan is het goed. Zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken. 10. Op een sabbat gaf Hij onderwijs in een van de synagogen. 11. Daar was een vrouw die al achttien jaar door een geest ziek werd gehouden. Zij liep krom en kon zich helemaal niet oprichten. 12. Toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij zich en zei: Vrouw, u bent van uw ziekte verlost. 13. Hij legde haar de handen op. Meteen ging zij weer rechtop staan en zij eerde God. 14. De leider van de synagoge werd boos omdat Jezus op sabbat genas. Hij zei tegen de menigte: Er zijn zes dagen om te werken. Kom op die dagen om genezen te worden, en niet op de sabbat. 15. De Heere antwoordde hem: Schijnheilig volk. Maakt niet ieder van jullie op sabbat zijn os of ezel los om hem te laten drinken? 16. En deze vrouw is een dochter van Abraham. De satan hield haar achttien jaar gevangen. Mocht zij dan op sabbat niet losgemaakt worden? 17. Door deze woorden stonden Zijn tegenstanders beschaamd. De hele menigte was blij over alle prachtige dingen die Hij deed. 18. Hij zei: Waarop lijkt Gods koninkrijk? Waarmee zal ik het vergelijken? 19. Het lijkt op een mosterdzaadje dat iemand in zijn tuin zaaide. Het groeide uit tot een boom en de vogels nestelden in zijn takken. 20. Hij zei opnieuw: Waarmee zal ik Gods koninkrijk vergelijken? 21. Het lijkt op gist die een vrouw door ongeveer 40 liter meel mengde, totdat het deeg helemaal gerezen was. 22. Hij trok van stad naar stad en van dorp naar dorp en gaf onderwijs. Zo reisde Hij verder naar Jeruzalem. 23. Iemand vroeg Hem: Heere, worden er maar weinig mensen gered? Hij zei tegen hen: 24. Doe je uiterste best om door de nauwe deur binnen te komen. Want veel mensen, zeg ik jullie, zullen proberen binnen te komen en het niet kunnen. 25. Straks staat de heer van het huis op en doet de deur op slot. Dan staan jullie buiten te kloppen en te roepen: Heere, doe open. Hij zal antwoorden: Ik weet niet waar jullie vandaan komen. 26. Dan zullen jullie zeggen: Wij hebben met U gegeten en gedronken en U hebt in onze straten onderwezen. 27. Hij zal zeggen: Ik zeg jullie dat ik niet weet waar jullie vandaan komen. Ga weg van mij, jullie die onrecht doen. 28. Daar zal gehuil zijn en tandengeknars. Jullie zullen Abraham, Izak, Jakob en alle profeten in Gods koninkrijk zien, terwijl jullie zelf buiten staan. 29. Er zullen mensen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden. Zij zullen aan tafel gaan in Gods koninkrijk. 30. En let op: sommigen die nu laatste zijn, zullen eerste zijn. En sommigen die nu eerste zijn, zullen laatste zijn. 31. Op dat moment kwamen er enkele Farizeeën naar Hem toe. Zij zeiden: Ga hier weg, want Herodes wil U doden. 32. Hij zei tegen hen: Ga die vos zeggen: Ik drijf demonen uit en genees mensen, vandaag en morgen. En op de derde dag ben ik klaar. 33. Toch moet ik vandaag, morgen en de dag daarna verder reizen. Want het gebeurt niet dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt. 34. Jeruzalem, Jeruzalem, jij doodt de profeten en stenigt wie naar je gestuurd zijn. Hoe vaak heb ik je kinderen willen verzamelen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt. Maar jullie wilden niet. 35. Kijk, jullie huis blijft verlaten achter. Ik verzeker jullie: jullie zullen mij niet zien. Dat duurt tot de tijd komt dat jullie zeggen: Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heere. ## Lukas 14 — Aan tafel bij een Farizeeër: nederigheid en de prijs van het volgen 1. Op een sabbat kwam Hij eten in het huis van een leider van de Farizeeën. Iedereen hield Hem scherp in de gaten. 2. Er stond een man voor Hem die last had van vocht in zijn lichaam. 3. Jezus vroeg aan de wetgeleerden en Farizeeën: Mag je op de sabbat iemand genezen of niet? 4. Zij zwegen. Hij pakte de man vast, genas hem en liet hem gaan. 5. Toen zei Hij tegen hen: Als je ezel of je os op sabbat in een put valt, haal je hem er dan niet meteen uit? 6. Daarop wisten zij niets terug te zeggen. 7. Hij zag hoe de gasten de beste plaatsen uitzochten. Daarom vertelde Hij hun een gelijkenis: 8. Ben je uitgenodigd voor een bruiloft, ga dan niet op de ereplaats zitten. Misschien is er iemand uitgenodigd die belangrijker is dan jij. 9. Dan komt de gastheer die jullie beiden uitnodigde en zegt tegen jou: Sta je plaats aan hem af. Beschaamd moet je dan de laatste plaats innemen. 10. Ga liever op de laatste plaats zitten als je uitgenodigd bent. Dan komt de gastheer en zegt: Vriend, kom hoger zitten. Zo krijg je eer voor het oog van je tafelgenoten. 11. Want wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden. En wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. 12. Hij zei ook tegen zijn gastheer: Geef je een maaltijd, nodig dan niet je vrienden, je broers, je familie of je rijke buren uit. Zij nodigen jou terug en zo krijg je het vergoed. 13. Nodig liever arme mensen uit, verminkten, kreupelen en blinden. 14. Dan zul je gelukkig zijn, want zij kunnen je niets teruggeven. Je krijgt het vergoed bij de opstanding van de rechtvaardigen. 15. Een van de tafelgenoten hoorde dit en zei tegen Hem: Gelukkig is wie eten mag in Gods koninkrijk. 16. Hij zei tegen hem: Iemand gaf een groot feestmaal en nodigde veel gasten uit. 17. Toen het zover was, stuurde hij zijn knecht om tegen de gasten te zeggen: Kom, alles staat klaar. 18. Maar zij begonnen zich allemaal te verontschuldigen. De eerste zei: Ik heb een akker gekocht en moet gaan kijken. Neem mij niet kwalijk. 19. Een ander zei: Ik heb vijf span ossen gekocht en ga ze uitproberen. Neem mij niet kwalijk. 20. Weer een ander zei: Ik ben pas getrouwd en kan daarom niet komen. 21. De knecht kwam terug en vertelde het zijn heer. Die werd boos en zei tegen hem: Ga snel de straten en stegen van de stad in. Breng de armen, verminkten, blinden en kreupelen hierheen. 22. De knecht zei: Heer, wat u opdroeg is gebeurd, en er is nog plaats. 23. De heer zei tegen de knecht: Ga naar de wegen en de landweggetjes. Haal de mensen over om binnen te komen, want mijn huis moet vol worden. 24. Ik zeg jullie: niemand van die eerste gasten zal van mijn maaltijd proeven. 25. Grote groepen mensen trokken met Hem mee. Hij draaide zich om en zei tegen hen: 26. Wie bij mij komt en niet bereid is zijn vader en moeder los te laten, kan mijn leerling niet zijn. Dat geldt ook voor zijn vrouw, kinderen, broers en zussen, en zelfs voor zijn eigen leven. 27. En wie zijn eigen kruis niet draagt en mij niet volgt, kan mijn leerling niet zijn. 28. Wie van jullie gaat een toren bouwen zonder eerst te gaan zitten en de kosten te berekenen? Je wilt weten of je genoeg hebt om het af te maken. 29. Anders leg je het fundament en kun je het niet afbouwen. Iedereen die het ziet, zal je uitlachen. 30. Zij zullen zeggen: Deze man begon te bouwen en kon het niet afmaken. 31. Of welke koning trekt ten strijde tegen een andere koning zonder eerst te gaan zitten en te overleggen? Hij wil weten of hij met tienduizend man kan opnemen tegen iemand die met twintigduizend komt. 32. Kan hij dat niet, dan stuurt hij gezanten zolang de ander nog ver weg is en vraagt om vrede. 33. Zo kan niemand van jullie mijn leerling zijn die niet alles loslaat wat hij heeft. 34. Zout is goed. Maar als het zijn kracht verliest, waarmee maak je het dan weer zout? 35. Het is dan niet goed voor de grond en ook niet voor de mesthoop. Men gooit het weg. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren. ## Lukas 15 — Drie verhalen over wat verloren was en teruggevonden wordt 1. Alle tollenaars en zondaars kwamen naar Hem toe om naar Hem te luisteren. 2. De Farizeeën en schriftgeleerden mopperden daarover. Zij zeiden: Deze man ontvangt zondaars en eet zelfs met hen. 3. Toen vertelde Hij hun deze gelijkenis: 4. Stel dat iemand van jullie honderd schapen heeft en er een kwijtraakt. Laat hij dan niet de negenennegentig achter in de woestijn? Hij gaat op zoek naar dat ene tot hij het vindt. 5. En als hij het gevonden heeft, legt hij het blij op zijn schouders. 6. Thuisgekomen roept hij zijn vrienden en buren bij elkaar. Hij zegt tegen hen: Wees blij met mij, want ik heb mijn verloren schaap teruggevonden. 7. Ik zeg jullie: zo is er in de hemel meer blijdschap over een zondaar die zijn leven verandert. Meer dan over negenennegentig rechtvaardigen die dat niet nodig hebben. 8. Of stel dat een vrouw tien penningen heeft en er een verliest. Steekt zij dan geen lamp aan? Zij veegt het huis en zoekt zorgvuldig tot zij hem vindt. 9. En als zij hem gevonden heeft, roept zij haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar. Zij zegt: Wees blij met mij, want ik heb de penning teruggevonden die ik kwijt was. 10. Zo, zeg ik jullie, is er blijdschap bij Gods engelen over een zondaar die zijn leven verandert. 11. Hij zei: Iemand had twee zonen. 12. De jongste zei tegen zijn vader: Vader, geef mij het deel van de erfenis dat mij toekomt. En hij verdeelde zijn bezit onder hen. 13. Een paar dagen later pakte de jongste zoon alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verbraste hij zijn geld met een losbandig leven. 14. Toen alles op was, kwam er een zware hongersnood in dat land. Hij begon gebrek te lijden. 15. Hij ging werken bij een van de inwoners van dat land. Die stuurde hem het veld in om varkens te hoeden. 16. Hij had zijn buik graag gevuld met het voer van de varkens. Maar niemand gaf hem iets. 17. Toen kwam hij tot bezinning en zei: De knechten van mijn vader hebben brood in overvloed, en ik kom hier om van de honger. 18. Ik sta op en ga naar mijn vader. Ik zal tegen hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u. 19. Ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden. Neem mij aan als een van uw knechten. 20. Hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nog ver weg was, zag zijn vader hem al en kreeg diep medelijden. Hij rende naar hem toe, viel hem om de hals en kuste hem. 21. De zoon zei tegen hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u. Ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden. 22. Maar de vader zei tegen zijn knechten: Haal snel het mooiste kleed en trek het hem aan. Geef hem een ring om zijn vinger en schoenen aan zijn voeten. 23. Haal het gemeste kalf en slacht het. Laten wij eten en feestvieren. 24. Want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden. Hij was verloren en is teruggevonden. En zij begonnen feest te vieren. 25. Zijn oudste zoon was op het land. Toen hij thuiskwam en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. 26. Hij riep een van de knechten en vroeg wat er aan de hand was. 27. Die zei tegen hem: Uw broer is thuisgekomen. Uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond heeft teruggekregen. 28. Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen. Zijn vader kwam naar buiten en drong bij hem aan. 29. Hij antwoordde zijn vader: Kijk, ik werk al zoveel jaren voor u en heb nooit een opdracht van u genegeerd. Toch hebt u mij nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30. Maar nu die zoon van u thuiskomt, die uw bezit bij hoeren opmaakte, slacht u voor hem het gemeste kalf. 31. Hij zei tegen hem: Kind, jij bent altijd bij mij, en alles wat van mij is, is van jou. 32. Wij moesten wel feestvieren en blij zijn. Want deze broer van jou was dood en is weer levend geworden. Hij was verloren en is teruggevonden. ## Lukas 16 — Over geld, trouw en de kloof die niemand oversteekt 1. Hij zei ook tegen Zijn leerlingen: Er was een rijke man met een beheerder. Bij hem werd geklaagd dat de beheerder zijn bezit verkwistte. 2. Hij riep hem en zei: Wat hoor ik over u? Leg verantwoording af over uw beheer, want u kunt geen beheerder meer zijn. 3. De beheerder dacht bij zichzelf: Wat moet ik doen? Mijn heer neemt mij het beheer af. Graven kan ik niet en bedelen schaam ik mij. 4. Ik weet wat ik doe. Als ik uit mijn functie word gezet, moeten de mensen mij in hun huizen ontvangen. 5. Hij riep de schuldenaars van zijn heer een voor een bij zich. Tegen de eerste zei hij: Hoeveel bent u mijn heer schuldig? 6. Die zei: Honderd vaten olie. Hij zei tegen hem: Neem uw schuldbrief, ga zitten en schrijf snel vijftig. 7. Daarna vroeg hij aan een ander: En hoeveel bent u schuldig? Die zei: Honderd zakken tarwe. Hij zei: Neem uw schuldbrief en schrijf tachtig. 8. En de heer prees de oneerlijke beheerder om zijn slimme aanpak. Want de mensen van deze wereld gaan onderling slimmer te werk dan de mensen van het licht. 9. En ik zeg jullie: maak vrienden met het oneerlijke geld. Ontbreekt het jullie, dan ontvangen zij jullie in de eeuwige tenten. 10. Wie in het kleinste betrouwbaar is, is ook betrouwbaar in het grote. En wie in het kleinste oneerlijk is, is ook oneerlijk in het grote. 11. Als jullie met oneerlijk geld niet betrouwbaar zijn geweest, wie vertrouwt jullie dan het echte toe? 12. En als jullie met het bezit van een ander niet betrouwbaar zijn geweest, wie geeft jullie dan wat van jullie is? 13. Geen knecht kan twee heren dienen. Hij zal de een haten en de ander liefhebben, of zich aan de een hechten en de ander verachten. Jullie kunnen niet God dienen en het geld. 14. De Farizeeën, die van geld hielden, hoorden dit allemaal aan. Zij lachten Hem uit. 15. Hij zei tegen hen: Jullie doen je voor de mensen rechtvaardig voor, maar God kent jullie hart. Wat bij mensen hoog staat, is voor God weerzinwekkend. 16. De wet en de profeten reikten tot Johannes. Sindsdien wordt Gods koninkrijk verkondigd en iedereen dringt naar binnen. 17. Maar het is makkelijker dat hemel en aarde verdwijnen dan dat er van de wet een streepje wegvalt. 18. Wie zijn vrouw wegstuurt en met een ander trouwt, pleegt overspel. En wie trouwt met een weggestuurde vrouw, pleegt ook overspel. 19. Er was een rijke man die gekleed ging in purper en fijn linnen. Hij leefde elke dag in vrolijke overvloed. 20. En er lag een bedelaar bij zijn poort die Lazarus heette. Hij zat onder de zweren. 21. Hij wilde zijn honger stillen met de kruimels van de tafel van de rijke man. Zelfs de honden kwamen zijn zweren likken. 22. De bedelaar stierf en werd door de engelen naar de schoot van Abraham gedragen. 23. Ook de rijke man stierf en werd begraven. In het dodenrijk sloeg hij gekweld zijn ogen op. Ver weg zag hij Abraham, met Lazarus bij zich. 24. Hij riep: Vader Abraham, heb medelijden met mij. Stuur Lazarus om zijn vingertop in water te dopen en mijn tong te verkoelen. Ik lijd vreselijk in deze vlammen. 25. Maar Abraham zei: Kind, denk eraan dat jij in je leven het goede kreeg en Lazarus het kwade. Nu wordt hij getroost en lijd jij pijn. 26. Bovendien ligt er tussen ons en jullie een diepe kloof. Wie van hier naar jullie wil oversteken, kan het niet. En van daar naar ons komen lukt evenmin. 27. Hij zei: Dan vraag ik u, vader, om hem naar het huis van mijn vader te sturen. 28. Want ik heb vijf broers. Laat hij hen waarschuwen, zodat zij niet ook op deze plaats van pijn terechtkomen. 29. Abraham zei tegen hem: Zij hebben Mozes en de profeten. Laat hen naar die woorden luisteren. 30. Hij zei: Nee, vader Abraham. Maar als er iemand uit de doden naar hen toe gaat, zullen zij hun leven veranderen. 31. Abraham zei tegen hem: Zij luisteren niet naar Mozes en de profeten. Dan laten zij zich ook niet overtuigen als er iemand uit de doden opstaat. ## Lukas 17 — Vergeven, danken en klaarstaan voor de dag van de Mensenzoon 1. Hij zei tegen de leerlingen: Het kan niet anders of er komen dingen die mensen laten struikelen. Maar wee degene door wie dat gebeurt! 2. Het zou beter voor hem zijn met een molensteen om zijn hals in zee te worden gegooid. Beter dat dan dat hij een van deze kleinen laat struikelen. 3. Let op jezelf. Doet je broeder je onrecht, spreek hem erop aan. Heeft hij er spijt van, vergeef hem dan. 4. Doet hij je zeven keer per dag onrecht en komt hij zeven keer bij je terug met de woorden: Het spijt mij, vergeef hem dan. 5. De apostelen zeiden tegen de Heere: Geef ons meer geloof. 6. De Heere zei: Stel dat je geloof zo klein was als een mosterdzaadje. Dan zou je tegen deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld en plant je in de zee. En hij zou jullie gehoorzamen. 7. Stel dat een van jullie een knecht heeft die ploegt of de dieren hoedt. Zeg je dan meteen als hij thuiskomt: Kom snel aan tafel zitten. 8. Zeg je niet eerder: Maak mijn eten klaar. Doe je schort voor en bedien mij tot ik gegeten en gedronken heb. Daarna kun jij eten en drinken. 9. Bedankt hij die knecht omdat hij deed wat hem opgedragen was? Ik denk het niet. 10. Zo is het ook met jullie. Hebben jullie alles gedaan wat opgedragen was, zeg dan: Wij zijn gewone knechten. Wij hebben alleen gedaan wat onze plicht was. 11. Op Zijn reis naar Jeruzalem trok Hij door het gebied tussen Samaria en Galilea. 12. Toen Hij een dorp binnenkwam, kwamen tien melaatse mannen Hem tegemoet. Zij bleven op een afstand staan. 13. Zij riepen luid: Jezus, Meester, heb medelijden met ons. 14. Hij zag hen en zei: Ga naar de priesters en laat u aan hen zien. Onderweg werden zij rein. 15. Een van hen zag dat hij genezen was. Hij keerde terug en eerde God met luide stem. 16. Hij viel voor Zijn voeten neer en bedankte Hem. Deze man was een Samaritaan. 17. Jezus zei daarop: Zijn niet alle tien rein geworden? Waar zijn de negen anderen? 18. Is er niemand teruggekomen om God eer te geven, behalve deze vreemdeling? 19. Hij zei tegen hem: Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered. 20. De Farizeeën vroegen Hem wanneer Gods koninkrijk zou komen. Hij antwoordde hun: Gods koninkrijk komt niet op een manier die je kunt waarnemen. 21. Men zal niet zeggen: Kijk, hier is het of kijk, daar. Want Gods koninkrijk is midden onder jullie. 22. Hij zei tegen de leerlingen: Er komen dagen waarop jullie verlangen naar een van de dagen van de Mensenzoon. Maar jullie zullen die niet zien. 23. Men zal tegen jullie zeggen: Kijk, hier of kijk, daar is Hij. Ga er niet heen en loop niet achter hen aan. 24. Want zoals de bliksem van de ene kant van de hemel naar de andere flitst, zo zal de Mensenzoon zijn op Zijn dag. 25. Maar eerst moet Hij veel lijden en door deze generatie afgewezen worden. 26. Zoals het ging in de dagen van Noach, zo zal het ook gaan in de dagen van de Mensenzoon. 27. Zij aten, dronken en trouwden, tot de dag dat Noach de ark in ging. Toen kwam de vloed en bracht hen allen om. 28. Zo ging het ook in de dagen van Lot. Zij aten, dronken, kochten, verkochten, plantten en bouwden. 29. Maar op de dag dat Lot uit Sodom vertrok, regende het vuur en zwavel uit de hemel. Allen kwamen om. 30. Zo zal het gaan op de dag waarop de Mensenzoon zichtbaar wordt. 31. Wie op die dag op het dak is en zijn spullen in huis heeft, moet niet naar beneden gaan om ze te halen. En wie op het land is, moet niet omkijken. 32. Denk aan de vrouw van Lot. 33. Wie zijn leven probeert vast te houden, zal het verliezen. En wie het loslaat, zal het behouden. 34. Ik zeg jullie: die nacht zullen er twee in een bed liggen. De een wordt meegenomen en de ander achtergelaten. 35. Twee vrouwen zullen samen aan het malen zijn. De een wordt meegenomen en de ander achtergelaten. 36. Twee mensen zullen op het land zijn. De een wordt meegenomen en de ander achtergelaten. 37. Zij vroegen Hem: Waar, Heere? Hij zei tegen hen: Waar het lichaam ligt, verzamelen zich de gieren. ## Lukas 18 — Volhouden in gebed en binnengaan als een kind 1. Hij vertelde hun een gelijkenis om duidelijk te maken dat je altijd moet bidden en niet moet opgeven. 2. Hij zei: In een stad was een rechter die geen ontzag had voor God en zich niets van mensen aantrok. 3. In diezelfde stad woonde een weduwe. Zij kwam steeds bij hem en zei: Doe mij recht tegenover mijn tegenpartij. 4. Lange tijd wilde hij niet. Maar daarna dacht hij bij zichzelf: Ik heb geen ontzag voor God en trek mij niets van mensen aan. 5. Toch doe ik deze weduwe recht, want zij valt mij lastig. Anders blijft zij komen en put zij mij uit. 6. De Heere zei: Luister naar wat deze onrechtvaardige rechter zegt. 7. Zou God dan Zijn uitverkorenen geen recht doen, die dag en nacht tot Hem roepen? Zou Hij hen lang laten wachten? 8. Ik zeg jullie dat Hij hun snel recht zal doen. Maar zal de Mensenzoon bij Zijn komst geloof vinden op aarde? 9. Sommigen waren ervan overtuigd dat zij zelf rechtvaardig waren en keken op anderen neer. Tegen hen vertelde Hij deze gelijkenis: 10. Twee mannen gingen naar de tempel om te bidden. De een was een Farizeeër en de ander een tollenaar. 11. De Farizeeër ging staan en bad bij zichzelf: God, ik dank U dat ik niet ben zoals andere mensen. Zij zijn rovers, oneerlijk en overspelig, net als die tollenaar daar. 12. Ik vast twee keer per week en ik geef tienden van alles wat ik bezit. 13. De tollenaar bleef op een afstand staan. Hij durfde zijn ogen niet naar de hemel op te slaan, maar sloeg zich op de borst en zei: God, wees mij zondaar genadig. 14. Ik zeg jullie: deze man ging naar huis als iemand die vrijgesproken was, en de ander niet. Want wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden. En wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. 15. De mensen brachten ook hun kleine kinderen bij Hem om ze te laten aanraken. Toen de leerlingen dat zagen, spraken zij hen streng toe. 16. Maar Jezus riep de kinderen bij zich en zei: Laat de kinderen bij mij komen en houd ze niet tegen. Want voor mensen zoals zij is Gods koninkrijk. 17. Ik verzeker jullie: wie Gods koninkrijk niet ontvangt als een kind, komt er beslist niet binnen. 18. Een bestuurder vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen? 19. Jezus zei tegen hem: Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve Een: God. 20. U kent de geboden. Pleeg geen overspel, dood niet, steel niet, leg geen vals getuigenis af en heb eerbied voor uw vader en moeder. 21. Hij zei: Dat heb ik allemaal gedaan sinds ik jong was. 22. Toen Jezus dit hoorde, zei Hij tegen hem: Een ding ontbreekt u nog. Verkoop alles wat u hebt en verdeel het onder de armen. Dan hebt u een schat in de hemel. Kom daarna en volg mij. 23. Toen hij dit hoorde, werd hij diep bedroefd, want hij was heel rijk. 24. Jezus zag zijn verdriet en zei: Wat is het moeilijk voor mensen met bezit om Gods koninkrijk binnen te gaan. 25. Het is makkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat dan dat een rijke Gods koninkrijk binnengaat. 26. De mensen die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan gered worden? 27. Hij zei: Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. 28. Petrus zei: Kijk, wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd. 29. Hij zei tegen hen: Ik verzeker jullie dat niemand tevergeefs iets achterlaat voor Gods koninkrijk. Dat geldt voor huis, ouders, broers, vrouw of kinderen. 30. Hij ontvangt in deze tijd het veelvoudige terug, en in de tijd die komt het eeuwige leven. 31. Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen: Kijk, wij gaan naar Jeruzalem. Alles wat de profeten over de Mensenzoon geschreven hebben, zal in vervulling gaan. 32. Want Hij zal aan de volken worden uitgeleverd. Zij zullen Hem bespotten, vernederen en bespugen. 33. Zij zullen Hem geselen en doden. En op de derde dag zal Hij opstaan. 34. Zij begrepen hier niets van. De betekenis bleef voor hen verborgen en zij snapten niet wat er gezegd werd. 35. Toen Hij in de buurt van Jericho kwam, zat er een blinde man langs de weg te bedelen. 36. Hij hoorde de menigte voorbijgaan en vroeg wat er aan de hand was. 37. Zij vertelden hem dat Jezus uit Nazareth voorbijkwam. 38. Toen riep hij: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij. 39. De mensen vooraan spraken hem streng toe en zeiden dat hij stil moest zijn. Maar hij riep nog veel harder: Zoon van David, heb medelijden met mij. 40. Jezus bleef staan en liet de man bij zich brengen. Toen hij dichtbij was, vroeg Hij hem: 41. Wat wilt u dat ik voor u doe? Hij zei: Heere, dat ik weer kan zien. 42. Jezus zei tegen hem: U kunt weer zien. Uw geloof heeft u gered. 43. Meteen kon hij zien en hij volgde Hem, terwijl hij God eerde. Het hele volk zag het en prees God. ## Lukas 19 — Zacheüs, de ponden en de intocht in Jeruzalem 1. Jezus kwam Jericho binnen en trok door de stad. 2. Daar woonde een man die Zacheüs heette. Hij was hoofd van de tollenaars en hij was rijk. 3. Hij wilde graag zien wie Jezus was. Door de menigte lukte dat niet, want hij was klein van stuk. 4. Daarom rende hij vooruit en klom in een wilde vijgenboom om Hem te kunnen zien. Jezus zou namelijk langs die weg komen. 5. Toen Jezus daar aankwam, keek Hij omhoog en zei tegen hem: Zacheüs, kom snel naar beneden. Vandaag moet ik in uw huis blijven. 6. Hij kwam snel naar beneden en ontving Hem met blijdschap. 7. Iedereen die het zag, mopperde. Zij zeiden: Hij is bij een zondig mens naar binnen gegaan om er te logeren. 8. Zacheüs ging staan en zei tegen de Heere: Kijk, Heere, de helft van mijn bezit geef ik aan de armen. En heb ik iemand met bedrog iets afgenomen, dan geef ik het viervoudig terug. 9. Jezus zei tegen hem: Vandaag is er redding gekomen in dit huis, want ook deze man is een zoon van Abraham. 10. Want de Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was. 11. Terwijl zij dit hoorden, vertelde Hij er een gelijkenis bij. Hij was namelijk dicht bij Jeruzalem en zij dachten dat Gods koninkrijk meteen zichtbaar zou worden. 12. Hij zei: Een man van hoge afkomst reisde naar een ver land. Hij ging er een koningschap ontvangen om daarna terug te keren. 13. Hij riep tien van zijn knechten en gaf hun tien ponden. Hij zei tegen hen: Doe hier zaken mee tot ik terugkom. 14. Maar zijn landgenoten haatten hem. Zij stuurden hem een delegatie achterna met de boodschap: Wij willen niet dat deze man koning over ons wordt. 15. Toch kwam hij terug als koning. Hij liet de knechten roepen aan wie hij het geld had gegeven, om te horen wat ieder had verdiend. 16. De eerste kwam en zei: Heer, uw pond heeft er tien opgeleverd. 17. Hij zei tegen hem: Goed gedaan, goede knecht. Omdat je in het kleinste betrouwbaar bent geweest, krijg je gezag over tien steden. 18. De tweede kwam en zei: Heer, uw pond heeft er vijf opgeleverd. 19. Ook tegen hem zei hij: En jij krijgt het bestuur over vijf steden. 20. Een ander kwam en zei: Heer, hier is uw pond. Ik had het in een doek weggelegd. 21. Ik was bang voor u, want u bent een streng man. U neemt weg wat u niet hebt neergelegd en u oogst wat u niet hebt gezaaid. 22. Hij zei tegen hem: Met je eigen woorden veroordeel ik je, slechte knecht. Je wist dat ik streng ben en wegneem wat ik niet neerlegde en oogst wat ik niet zaaide. 23. Waarom heb je mijn geld dan niet naar de bank gebracht? Dan had ik het bij terugkomst met rente kunnen opvragen. 24. Hij zei tegen de omstanders: Neem hem dat pond af en geef het aan de man met de tien ponden. 25. Zij zeiden tegen hem: Heer, hij heeft er al tien. 26. Ik zeg jullie: wie heeft, zal krijgen. Maar wie niets heeft, raakt ook kwijt wat hij heeft. 27. En breng die vijanden van mij hier, die mij niet als koning wilden. Dood hen hier voor mijn ogen. 28. Na deze woorden trok Hij verder, voor hen uit, op weg naar Jeruzalem. 29. Toen Hij in de buurt van Bethfage en Bethanië kwam, bij de berg die Olijfberg heet, stuurde Hij twee leerlingen weg. 30. Hij zei: Ga naar het dorp hier tegenover. Als jullie binnenkomen, vinden jullie een vastgebonden veulen waarop nog nooit iemand heeft gezeten. Maak het los en breng het hier. 31. Vraagt iemand waarom jullie het losmaken, zeg dan: De Heere heeft het nodig. 32. De twee gingen op weg en vonden alles zoals Hij het hun gezegd had. 33. Toen zij het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars tegen hen: Waarom maken jullie dat veulen los? 34. Zij zeiden: De Heere heeft het nodig. 35. Zij brachten het bij Jezus. Zij legden hun mantels op het veulen en zetten Jezus erop. 36. Terwijl Hij verder reed, spreidden zij hun mantels op de weg uit. 37. Hij kwam bij de helling van de Olijfberg. Daar begon de hele groep leerlingen blij en luid God te prijzen om alle wonderen die zij gezien hadden. 38. Zij zeiden: Gezegend is de Koning die komt in de naam van de Heere. Vrede in de hemel en eer in de hoogste hemel. 39. Enkele Farizeeën uit de menigte zeiden tegen Hem: Meester, spreek Uw leerlingen streng toe. 40. Hij antwoordde hun: Ik zeg jullie: als zij zwijgen, gaan de stenen roepen. 41. Toen Hij dichterbij kwam en de stad zag, huilde Hij om haar. 42. Hij zei: Had jij op deze dag maar geweten wat vrede geeft. Nu is het voor je ogen verborgen. 43. Er komen dagen dat je vijanden een wal om je opwerpen. Zij zullen je omsingelen en van alle kanten insluiten. 44. Zij zullen jou en je kinderen tegen de grond werpen. Zij zullen in jou geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods bezoek niet hebt herkend. 45. Hij ging de tempel binnen en begon de verkopers eruit te jagen. 46. Hij zei tegen hen: Er staat geschreven: Mijn huis is een huis van gebed. Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt. 47. Elke dag gaf Hij onderwijs in de tempel. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk zochten een manier om Hem te doden. 48. Maar zij vonden geen gelegenheid, want het hele volk hing aan Zijn lippen. ## Lukas 20 — Met welk gezag? De vragen in de tempel 1. Op een van die dagen gaf Hij het volk onderwijs in de tempel en verkondigde het goede nieuws. Toen kwamen de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten op Hem af. 2. Zij zeiden tegen Hem: Zeg ons met welk gezag U dit doet. Wie heeft U dat gezag gegeven? 3. Hij antwoordde hun: Ik zal jullie ook iets vragen. Zeg mij: 4. Kwam de doop van Johannes uit de hemel of van mensen? 5. Zij overlegden met elkaar: Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zegt Hij: Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd? 6. En als wij zeggen: Van mensen, dan stenigt het hele volk ons. Zij zijn er namelijk van overtuigd dat Johannes een profeet was. 7. Zij antwoordden dat zij niet wisten waar die vandaan kwam. 8. Jezus zei tegen hen: Dan zeg ik jullie ook niet met welk gezag ik dit doe. 9. Hij begon het volk deze gelijkenis te vertellen: Iemand plantte een wijngaard. Hij verhuurde die aan pachters en ging voor lange tijd naar het buitenland. 10. Toen het tijd was, stuurde hij een knecht naar de pachters om zijn deel van de opbrengst te halen. Maar de pachters sloegen hem en stuurden hem met lege handen weg. 11. Hij stuurde nog een knecht. Ook die sloegen zij, zij vernederden hem en stuurden hem met lege handen weg. 12. Hij stuurde een derde. Ook die verwondden zij en gooiden hem naar buiten. 13. De eigenaar van de wijngaard zei: Wat moet ik doen? Ik stuur mijn geliefde zoon. Misschien hebben zij ontzag voor hem. 14. Maar toen de pachters hem zagen, overlegden zij met elkaar. Zij zeiden: Dit is de erfgenaam. Laten wij hem doden, dan is de erfenis voor ons. 15. Zij gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu met hen doen? 16. Hij zal komen, deze pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven. Toen zij dat hoorden, zeiden zij: Dat nooit. 17. Maar Hij keek hen aan en zei: Wat betekent dan dit woord uit de Schrift? De steen die de bouwers afkeurden, is de belangrijkste hoeksteen geworden. 18. Wie op die steen valt, wordt verbrijzeld. En op wie de steen valt, die wordt vermorzeld. 19. De hogepriesters en de schriftgeleerden wilden Hem op dat moment grijpen. Maar zij waren bang voor het volk, want zij begrepen dat deze gelijkenis over hen ging. 20. Zij hielden Hem in de gaten en stuurden spionnen op Hem af. Die deden zich rechtvaardig voor om Hem op een woord te vangen. Dan konden zij Hem uitleveren aan de stadhouder. 21. Zij vroegen Hem: Meester, wij weten dat U eerlijk spreekt en onderwijst. U kijkt niemand naar de ogen, maar leert echt de weg van God. 22. Mogen wij de keizer belasting betalen of niet? 23. Hij doorzag hun sluwheid en zei tegen hen: Waarom stellen jullie mij op de proef? 24. Laat mij een penning zien. Wiens beeld en opschrift staan erop? Zij antwoordden: Van de keizer. 25. Hij zei tegen hen: Geef dan de keizer wat van de keizer is, en God wat van God is. 26. Zij konden Hem in het bijzijn van het volk niet op een woord vangen. Verbaasd over Zijn antwoord zwegen zij. 27. Er kwamen enkele Sadduceeën naar Hem toe. Zij beweren dat er geen opstanding is. Zij vroegen Hem: 28. Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven: sterft iemands broer die getrouwd is en kinderloos blijft, dan moet zijn broer met die vrouw trouwen. Zo verwekt hij nageslacht voor zijn broer. 29. Nu waren er zeven broers. De eerste trouwde en stierf kinderloos. 30. De tweede trouwde met die vrouw en stierf ook kinderloos. 31. De derde trouwde eveneens met haar. Zo ging het met alle zeven. Zij lieten geen kinderen na en stierven. 32. Ten slotte stierf ook de vrouw. 33. Van wie is zij dan bij de opstanding de vrouw? Alle zeven zijn immers met haar getrouwd geweest. 34. Jezus antwoordde hun: De mensen van deze tijd trouwen en worden uitgehuwelijkt. 35. Maar wie waardig gekeurd worden voor die tijd en voor de opstanding uit de doden, trouwen niet en worden niet uitgehuwelijkt. 36. Zij kunnen ook niet meer sterven, want zij zijn als de engelen. Zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de opstanding zijn. 37. Dat de doden opstaan, heeft ook Mozes laten zien bij de doornstruik. Daar noemt hij de Heere de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. 38. God is geen God van doden maar van levenden, want voor Hem leven zij allemaal. 39. Enkele schriftgeleerden zeiden daarop: Meester, dat hebt U goed gezegd. 40. En zij durfden Hem niets meer te vragen. 41. Hij zei tegen hen: Hoe kan men zeggen dat de Christus de Zoon van David is? 42. David zelf zegt namelijk in het boek van de Psalmen: De Heere heeft tegen mijn Heere gezegd: Ga aan mijn rechterhand zitten. 43. Dat duurt tot ik Uw vijanden onder Uw voeten heb gelegd. 44. David noemt Hem dus zijn Heere. Hoe kan Hij dan zijn zoon zijn? 45. Terwijl het hele volk meeluisterde, zei Hij tegen Zijn leerlingen: 46. Pas op voor de schriftgeleerden. Zij lopen graag in lange gewaden rond en houden van begroetingen op het plein. Zij willen de erezetels in de synagoge en de beste plaatsen aan tafel. 47. Zij verslinden het bezit van weduwen en bidden voor de schijn lange gebeden. Zij zullen een zwaarder oordeel krijgen. ## Lukas 21 — De gift van de weduwe en wat er komen gaat 1. Hij keek op en zag hoe rijke mensen hun gaven in de offerkist wierpen. 2. Hij zag ook een arme weduwe die er twee kleine penningen in gooide. 3. Hij zei: Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer gegeven dan alle anderen. 4. Zij gaven allemaal uit hun overvloed. Maar zij gaf uit haar armoede alles wat zij had om van te leven. 5. Sommigen zeiden dat de tempel met prachtige stenen en geschenken versierd was. Hij zei daarop: 6. Er komen dagen waarop van alles wat jullie hier zien geen steen op de andere zal blijven. Alles wordt afgebroken. 7. Zij vroegen Hem: Meester, wanneer gebeurt dat? En aan welk teken herkennen wij het? 8. Hij zei: Let op dat jullie niet misleid worden. Velen zullen onder mijn naam komen en zeggen: Ik ben het en de tijd is dichtbij. Loop niet achter hen aan. 9. Horen jullie over oorlogen en onrust, schrik dan niet. Dat moet eerst gebeuren, maar het einde komt niet meteen. 10. Toen zei Hij tegen hen: Het ene volk zal tegen het andere opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere. 11. Er zullen zware aardbevingen zijn, en op verschillende plaatsen hongersnood en ziekten. Er komen ook angstaanjagende dingen en grote tekenen aan de hemel. 12. Maar voor dit alles zullen zij jullie oppakken en vervolgen. Zij leveren jullie uit aan synagogen en gevangenissen. Jullie worden voor koningen en stadhouders gebracht, vanwege mijn naam. 13. Dat zal jullie de kans geven om te getuigen. 14. Neem je dus voor niet van tevoren te bedenken hoe je je verdedigt. 15. Want ik zal jullie woorden en wijsheid geven. Geen van je tegenstanders zal daar iets tegenin kunnen brengen. 16. Zelfs ouders, broers, familie en vrienden zullen jullie uitleveren. Sommigen van jullie zullen zij doden. 17. Iedereen zal jullie haten vanwege mijn naam. 18. Maar geen haar op jullie hoofd zal verloren gaan. 19. Houd vol, en jullie zullen je leven behouden. 20. Zien jullie dat Jeruzalem door legers omsingeld wordt, weet dan dat haar verwoesting dichtbij is. 21. Wie dan in Judea is, moet naar de bergen vluchten. Wie in de stad is, moet eruit gaan. En wie op het land is, moet er niet naartoe komen. 22. Want dit zijn de dagen van de afrekening, waarop alles gebeurt wat geschreven staat. 23. Wee de vrouwen die in die dagen zwanger zijn of borstvoeding geven! Er zal grote nood zijn in het land en toorn over dit volk. 24. Zij zullen vallen door het zwaard en als gevangenen worden weggevoerd naar alle volken. Jeruzalem zal door de volken vertrapt worden tot hun tijd voorbij is. 25. Er zullen tekenen zijn aan de zon, de maan en de sterren. Op aarde zullen volken in angst zitten, radeloos door het bulderen van zee en golven. 26. Mensen zullen bezwijken van angst voor wat de wereld te wachten staat. Want de machten van de hemel zullen wankelen. 27. Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een wolk, met grote kracht en majesteit. 28. Als dit alles begint te gebeuren, kijk dan omhoog en hef je hoofd op. Jullie bevrijding is dan dichtbij. 29. Hij vertelde hun een gelijkenis: Kijk naar de vijgenboom en naar alle andere bomen. 30. Zodra zij uitlopen en jullie dat zien, weten jullie vanzelf dat de zomer dichtbij is. 31. Zo weten jullie ook, wanneer je dit ziet gebeuren, dat Gods koninkrijk dichtbij is. 32. Ik verzeker jullie: deze generatie zal beslist niet voorbijgaan voordat alles gebeurd is. 33. De hemel en de aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen beslist niet verdwijnen. 34. Let op jezelf. Laat je hart niet verzwaren door uitspattingen, dronkenschap en de zorgen van het leven. Anders overvalt die dag jullie onverwachts. 35. Want hij komt als een val over alle mensen op de hele aarde. 36. Blijf dus altijd waakzaam en bid. Vraag of jullie de kracht krijgen om dit alles te ontkomen en voor de Mensenzoon te staan. 37. Overdag gaf Hij onderwijs in de tempel. De nacht bracht Hij door op de berg die Olijfberg heet. 38. Het hele volk kwam vroeg in de morgen naar Hem toe in de tempel om Hem te horen. ## Lukas 22 — Het laatste pascha, het verraad en het verhoor 1. Het feest van de ongezuurde broden, dat pascha heet, kwam dichterbij. 2. De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten een manier om Hem te doden. Zij waren bang voor het volk. 3. De satan nam bezit van Judas, die Iskariot werd genoemd en bij de twaalf hoorde. 4. Hij ging naar de hogepriesters en de tempelofficieren en besprak hoe hij Hem kon uitleveren. 5. Zij waren blij en spraken af hem geld te geven. 6. Hij stemde toe en zocht een gelegenheid om Hem zonder oproer uit te leveren. 7. De dag van de ongezuurde broden brak aan, waarop het paaslam geslacht moest worden. 8. Hij stuurde Petrus en Johannes weg en zei: Ga het pascha voor ons klaarmaken, zodat wij het kunnen eten. 9. Zij zeiden tegen Hem: Waar wilt U dat wij het klaarmaken? 10. Hij zei tegen hen: Als jullie de stad binnenkomen, zal een man met een waterkruik jullie tegemoet komen. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat. 11. Zeg tegen de eigenaar van dat huis: De Meester vraagt u: waar is de kamer waar ik met mijn leerlingen het pascha kan eten? 12. Hij zal jullie een grote ingerichte bovenzaal wijzen. Maak het daar klaar. 13. Zij gingen op weg, vonden alles zoals Hij het gezegd had en maakten het pascha klaar. 14. Toen het tijd was, ging Hij aan tafel met de twaalf apostelen. 15. Hij zei tegen hen: Ik heb er hevig naar verlangd dit pascha met jullie te eten voordat ik ga lijden. 16. Want ik zeg jullie dat ik er niet meer van zal eten tot het vervuld is in Gods koninkrijk. 17. Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en zei: Neem deze en deel hem onder elkaar. 18. Want ik zeg jullie dat ik van nu af niet meer van de wijnstok zal drinken, tot Gods koninkrijk gekomen is. 19. Hij nam brood, sprak het dankgebed uit, brak het en gaf het hun. Hij zei: Dit is mijn lichaam, dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit om mij te gedenken. 20. Na de maaltijd deed Hij hetzelfde met de beker. Hij zei: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor jullie vergoten wordt. 21. Maar kijk, de hand van degene die mij verraadt, ligt met mij op tafel. 22. De Mensenzoon gaat wel zoals het besloten is. Maar wee de mens door wie Hij verraden wordt! 23. Zij begonnen elkaar te vragen wie van hen dat zou doen. 24. Er ontstond ook onenigheid onder hen over wie de belangrijkste was. 25. Hij zei tegen hen: De koningen van de volken heersen over hen. En wie macht heeft, laat zich weldoener noemen. 26. Bij jullie is dat niet zo. De grootste onder jullie moet als de jongste zijn, en de leider als iemand die dient. 27. Want wie is belangrijker: wie aan tafel zit of wie bedient? Toch wie aan tafel zit? Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient. 28. Jullie zijn steeds bij mij gebleven in mijn beproevingen. 29. En ik geef jullie het koningschap, zoals mijn Vader dat aan mij gegeven heeft. 30. Zo eten en drinken jullie aan mijn tafel in mijn koninkrijk. Jullie zullen op tronen zitten en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël. 31. De Heere zei: Simon, Simon, de satan heeft geëist jullie te mogen zeven als tarwe. 32. Maar ik heb voor je gebeden dat je geloof niet bezwijkt. En als jij eenmaal terug bent, maak dan je broeders sterk. 33. Hij zei tegen Hem: Heere, ik ben bereid met U de gevangenis in te gaan en te sterven. 34. Maar Hij zei: Ik zeg je, Petrus: vandaag zal de haan niet kraaien voordat jij drie keer ontkend hebt dat je mij kent. 35. Hij zei tegen hen: Toen ik jullie uitstuurde zonder beurs, tas en schoenen, kwamen jullie toen iets tekort? Zij zeiden: Niets. 36. Hij zei tegen hen: Maar nu moet wie een beurs heeft die meenemen, en ook een tas. En wie er geen heeft, moet zijn mantel verkopen en een zwaard kopen. 37. Want ik zeg jullie dat dit woord uit de Schrift aan mij vervuld moet worden: Hij is bij de misdadigers gerekend. Want wat over mij geschreven is, komt tot een einde. 38. Zij zeiden: Heere, kijk, hier zijn twee zwaarden. Hij zei tegen hen: Het is genoeg. 39. Hij ging naar buiten en vertrok, zoals gewoonlijk, naar de Olijfberg. Zijn leerlingen volgden Hem. 40. Op die plek aangekomen zei Hij tegen hen: Bid dat jullie niet in verleiding komen. 41. Hij ging een steenworp bij hen vandaan, knielde neer en bad. 42. Hij zei: Vader, als U het wilt, neem deze beker dan van mij weg. Maar laat niet mijn wil gebeuren, maar die van U. 43. Er verscheen Hem een engel uit de hemel die Hem kracht gaf. 44. In doodsangst bad Hij nog vuriger. Zijn zweet werd als grote druppels bloed die op de grond vielen. 45. Hij stond op van het gebed en kwam bij Zijn leerlingen. Hij vond hen slapend van verdriet. 46. Hij zei tegen hen: Waarom slapen jullie? Sta op en bid dat jullie niet in verleiding komen. 47. Terwijl Hij nog sprak, kwam er een menigte aan. Judas, een van de twaalf, liep voorop en kwam naar Jezus toe om Hem te kussen. 48. Jezus zei tegen hem: Judas, verraad je de Mensenzoon met een kus? 49. Zij die bij Hem waren, zagen wat er ging gebeuren. Zij zeiden: Heere, zullen wij met het zwaard toeslaan? 50. Een van hen sloeg de knecht van de hogepriester en hakte zijn rechteroor af. 51. Jezus zei daarop: Houd op, tot hier en niet verder. Hij raakte het oor aan en genas hem. 52. De hogepriesters, de tempelofficieren en de oudsten waren op Hem afgekomen. Jezus zei tegen hen: Bent u erop uitgetrokken met zwaarden en stokken, alsof ik een misdadiger ben? 53. Ik was dagelijks bij u in de tempel en u hebt mij niet aangeraakt. Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis. 54. Zij grepen Hem, voerden Hem weg en brachten Hem naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde op een afstand. 55. Midden in de binnenhof staken zij een vuur aan en gingen erbij zitten. Petrus zat tussen hen in. 56. Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten. Zij keek hem aan en zei: Deze man hoorde ook bij Hem. 57. Maar hij ontkende het en zei: Vrouw, ik ken Hem niet. 58. Even later zag iemand anders hem en zei: Jij hoort ook bij hen. Maar Petrus zei: Man, dat ben ik niet. 59. Ongeveer een uur later hield weer iemand vol: Echt waar, deze man hoorde ook bij Hem, want hij komt ook uit Galilea. 60. Maar Petrus zei: Man, ik weet niet waar je het over hebt. Op dat moment, terwijl hij nog sprak, kraaide de haan. 61. De Heere draaide zich om en keek Petrus aan. Toen dacht Petrus aan het woord van de Heere: Voordat de haan kraait, zul je mij drie keer verloochenen. 62. Petrus ging naar buiten en huilde bitter. 63. De mannen die Jezus bewaakten, dreven de spot met Hem en sloegen Hem. 64. Zij blinddoekten Hem, sloegen Hem in het gezicht en vroegen: Profeteer eens, wie heeft U geslagen? 65. Zij zeiden nog veel meer beledigende dingen tegen Hem. 66. Toen het dag werd, kwamen de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden bijeen. Zij brachten Hem voor hun raad. 67. Zij zeiden: Bent U de Christus? Zeg het ons. Hij zei tegen hen: Als ik het jullie zeg, geloven jullie het niet. 68. En als ik iets vraag, geven jullie geen antwoord en laten jullie mij niet gaan. 69. Van nu af aan zal de Mensenzoon zitten aan de rechterhand van de machtige God. 70. Zij zeiden allemaal: Bent U dan de Zoon van God? Hij zei tegen hen: U zegt zelf dat ik het ben. 71. Zij zeiden: Waarom hebben wij nog een getuigenverklaring nodig? Wij hebben het zelf uit Zijn mond gehoord. ## Lukas 23 — Het vonnis, de kruisiging en het graf 1. De hele vergadering stond op en bracht Hem naar Pilatus. 2. Zij begonnen Hem te beschuldigen. Zij zeiden: Wij hebben vastgesteld dat deze man ons volk opruit. Hij verbiedt belasting aan de keizer te betalen en zegt dat Hij zelf de Christus is, de Koning. 3. Pilatus vroeg Hem: Bent U de Koning van de Joden? Hij antwoordde hem: U zegt het. 4. Pilatus zei tegen de hogepriesters en de menigte: Ik vind geen schuld in deze man. 5. Maar zij drongen nog harder aan. Zij zeiden: Hij hitst het volk op met Zijn onderwijs door heel Judea. Hij begon in Galilea en is nu hier. 6. Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was. 7. Hij hoorde dat Jezus uit het gebied van Herodes kwam en stuurde Hem naar hem toe. Herodes was in die dagen namelijk ook in Jeruzalem. 8. Herodes was heel blij toen hij Jezus zag. Hij wilde Hem al lang ontmoeten, omdat hij veel over Hem hoorde. Hij hoopte Hem een teken te zien doen. 9. Hij stelde Hem veel vragen, maar Jezus gaf hem geen antwoord. 10. De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden erbij en beschuldigden Hem fel. 11. Herodes en zijn soldaten behandelden Hem met minachting en dreven de spot met Hem. Zij deden Hem een schitterend kleed om en stuurden Hem terug naar Pilatus. 12. Op die dag werden Pilatus en Herodes vrienden. Daarvoor waren zij vijanden van elkaar. 13. Pilatus riep de hogepriesters, de leiders en het volk bijeen. Hij zei tegen hen: 14. U hebt deze man bij mij gebracht als iemand die het volk opruit. Ik heb Hem in uw bijzijn ondervraagd en vind geen schuld in Hem op de punten waarvan u Hem beschuldigt. 15. Herodes ook niet, want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd. Er is niets gebeurd waaruit blijkt dat Hij de doodstraf verdient. 16. Ik zal Hem daarom straffen en vrijlaten. 17. Hij moest namelijk op het feest iemand vrijlaten. 18. Maar de hele menigte schreeuwde het uit: Weg met Hem. Laat Barabbas vrij. 19. Die zat in de gevangenis wegens een opstand in de stad en wegens moord. 20. Pilatus sprak hen opnieuw toe, omdat hij Jezus wilde vrijlaten. 21. Maar zij schreeuwden ertegenin: Kruisig Hem, kruisig Hem. 22. Voor de derde keer zei hij tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik heb bij Hem geen reden voor de doodstraf gevonden. Ik zal Hem straffen en vrijlaten. 23. Maar zij bleven met luid geschreeuw eisen dat Hij gekruisigd werd. Hun geschreeuw en dat van de hogepriesters werd steeds sterker. 24. Toen besliste Pilatus dat hun eis zou worden ingewilligd. 25. Hij liet de man vrij die wegens opstand en moord vastzat, zoals zij hadden gevraagd. Jezus leverde hij aan hun wil over. 26. Toen zij Hem wegleidden, grepen zij Simon van Cyrene, die van het land kwam. Zij legden hem het kruis op om het achter Jezus aan te dragen. 27. Een grote menigte volgde Hem, ook vrouwen die om Hem huilden en klaagden. 28. Jezus draaide zich naar hen om en zei: Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij. Huil om jezelf en om je kinderen. 29. Want er komen dagen waarop men zal zeggen: Gelukkig zijn de vrouwen zonder kinderen, die niet gebaard en geen borstvoeding gegeven hebben. 30. Dan zullen zij tegen de bergen gaan zeggen: Val op ons, en tegen de heuvels: Bedek ons. 31. Want als zij dit doen met het groene hout, wat gebeurt er dan met het dorre? 32. Er werden ook twee anderen weggeleid, misdadigers, om samen met Hem gedood te worden. 33. Zij kwamen bij de plaats die Schedelplaats heet. Daar kruisigden zij Hem, met de misdadigers rechts en links van Hem. 34. Jezus zei: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Zij verdeelden Zijn kleren door erom te loten. 35. Het volk stond toe te kijken. Ook de leiders dreven de spot met Hem. Zij zeiden: Anderen heeft Hij gered. Laat Hij nu zichzelf redden, als Hij de Christus is, de Uitverkorene van God. 36. Ook de soldaten kwamen naar Hem toe en dreven de spot met Hem. Zij boden Hem zure wijn aan. 37. Zij zeiden: Als U de Koning van de Joden bent, red Uzelf dan. 38. Boven Hem hing ook een opschrift: DEZE IS DE KONING VAN DE JODEN. 39. Een van de misdadigers die daar hingen, beledigde Hem. Hij zei: Bent U de Christus? Red dan Uzelf en ons. 40. Maar de ander wees hem terecht. Hij zei: Hebt u dan geen ontzag voor God? U ondergaat toch dezelfde straf. 41. Wij krijgen terecht wat onze daden verdienen. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan. 42. Hij zei tegen Jezus: Heere, denk aan mij wanneer U in Uw koninkrijk komt. 43. Jezus zei tegen hem: Ik verzeker u: vandaag zult u met mij in het paradijs zijn. 44. Het was ongeveer het zesde uur. Er kwam duisternis over het hele land tot het negende uur. 45. De zon werd verduisterd en het gordijn in de tempel scheurde middendoor. 46. Jezus riep met luide stem: Vader, in Uw handen leg ik mijn geest. Na deze woorden stierf Hij. 47. De hoofdman zag wat er gebeurde en eerde God. Hij zei: Deze man was werkelijk rechtvaardig. 48. Alle mensen die waren toegestroomd om te kijken, zagen wat er gebeurde. Zij gingen naar huis en sloegen zich op de borst. 49. Al Zijn bekenden stonden op een afstand toe te kijken. Ook de vrouwen die Hem uit Galilea gevolgd waren, stonden daar. 50. Er was een man die Jozef heette, een raadslid, een goed en rechtvaardig mens. 51. Hij had niet ingestemd met hun besluit en handelwijze. Hij kwam uit Arimathea, een Joodse stad, en verwachtte Gods koninkrijk. 52. Hij ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. 53. Hij nam het van het kruis, wikkelde het in fijn linnen en legde het in een graf dat in de rots was uitgehakt. Daarin had nog nooit iemand gelegen. 54. Het was de dag van de voorbereiding en de sabbat brak aan. 55. De vrouwen die met Hem uit Galilea gekomen waren, gingen mee. Zij zagen het graf en hoe Zijn lichaam werd neergelegd. 56. Zij gingen terug en maakten geurige kruiden en zalf klaar. Op de sabbat rustten zij, volgens het gebod. ## Lukas 24 — Hij is opgestaan: het lege graf, Emmaüs en de hemelvaart 1. Op de eerste dag van de week gingen zij heel vroeg naar het graf. Zij namen de geurige kruiden mee die zij hadden klaargemaakt. 2. Zij vonden de steen weggerold van het graf. 3. Zij gingen naar binnen, maar vonden het lichaam van de Heere Jezus niet. 4. Terwijl zij niet wisten wat zij ervan moesten denken, stonden er ineens twee mannen bij hen in stralende kleren. 5. De vrouwen werden bang en bogen hun hoofd naar de grond. De mannen zeiden tegen hen: Waarom zoeken jullie de Levende bij de doden? 6. Hij is hier niet, want Hij is opgestaan. Denk aan wat Hij tegen jullie zei toen Hij nog in Galilea was. 7. Hij zei: De Mensenzoon moet uitgeleverd worden aan zondige mensen en gekruisigd worden. En op de derde dag zal Hij opstaan. 8. Toen dachten zij aan Zijn woorden. 9. Zij keerden terug van het graf en vertelden dit alles aan de elf en aan alle anderen. 10. Het waren Maria Magdalena, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus. Ook de andere vrouwen bij hen vertelden het aan de apostelen. 11. Hun woorden leken de apostelen onzin. Zij geloofden de vrouwen niet. 12. Toch stond Petrus op en rende naar het graf. Hij bukte zich en zag alleen de linnen doeken liggen. Verwonderd over wat er gebeurd was, ging hij weg. 13. Diezelfde dag liepen twee van hen naar een dorp dat Emmaüs heette, ongeveer elf kilometer van Jeruzalem. 14. Onderweg spraken zij met elkaar over alles wat er gebeurd was. 15. Terwijl zij zo praatten en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf bij hen en liep met hen mee. 16. Maar hun ogen werden gesloten gehouden, zodat zij Hem niet herkenden. 17. Hij zei tegen hen: Waar praten jullie onderweg zo over? En waarom kijken jullie zo verdrietig? 18. De een, die Kleopas heette, antwoordde Hem: Bent U de enige vreemdeling in Jeruzalem die niet weet wat daar deze dagen gebeurd is? 19. Hij zei tegen hen: Wat dan? Zij zeiden tegen Hem: Wat er met Jezus van Nazareth gebeurd is. Hij was een profeet, machtig in daden en woorden bij God en het hele volk. 20. Onze hogepriesters en leiders hebben Hem uitgeleverd om ter dood veroordeeld te worden. Zij hebben Hem gekruisigd. 21. Wij hoopten dat Hij het was die Israël zou bevrijden. Bovendien is dit al de derde dag sinds het gebeurd is. 22. Ook hebben enkele vrouwen uit onze kring ons van streek gemaakt. Zij waren vroeg in de morgen bij het graf. 23. Zij vonden Zijn lichaam niet. Zij kwamen zeggen dat zij een verschijning van engelen hadden gezien, die zeiden dat Hij leeft. 24. Enkelen van ons gingen naar het graf en vonden het zoals de vrouwen gezegd hadden. Maar Hem zagen zij niet. 25. Hij zei tegen hen: Wat zijn jullie onverstandig en traag van hart. Jullie geloven niet alles wat de profeten gezegd hebben. 26. Moest de Christus dit alles niet lijden om zo Zijn heerlijkheid binnen te gaan? 27. Hij begon bij Mozes en alle profeten en legde hun uit wat er in alle Schriften over Hem geschreven staat. 28. Zij kwamen bij het dorp waar zij heen gingen. Hij deed alsof Hij verder wilde lopen. 29. Maar zij drongen bij Hem aan: Blijf bij ons, want het wordt avond en de dag loopt ten einde. Hij ging naar binnen om bij hen te blijven. 30. Toen Hij met hen aan tafel zat, nam Hij het brood en sprak de zegen uit. Hij brak het en gaf het hun. 31. Toen gingen hun ogen open en herkenden zij Hem. En Hij verdween uit hun zicht. 32. Zij zeiden tegen elkaar: Brandde ons hart niet toen Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons opende? 33. Zij stonden meteen op en gingen terug naar Jeruzalem. Daar vonden zij de elf en de anderen bijeen. 34. Die zeiden: De Heere is echt opgestaan en Hij is aan Simon verschenen. 35. Zij vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe zij Hem herkenden bij het breken van het brood. 36. Terwijl zij daarover spraken, stond Jezus zelf in hun midden. Hij zei tegen hen: Vrede voor jullie. 37. Zij schrokken hevig en werden bang. Zij dachten dat zij een geest zagen. 38. Hij zei tegen hen: Waarom zijn jullie zo van streek? En waarom komen er twijfels op in jullie hart? 39. Kijk naar mijn handen en mijn voeten, want ik ben het zelf. Raak mij aan en kijk. Een geest heeft geen vlees en botten, zoals jullie zien dat ik heb. 40. Terwijl Hij dit zei, liet Hij hun Zijn handen en voeten zien. 41. Van blijdschap konden zij het nog niet geloven en zij stonden verbaasd. Hij zei tegen hen: Hebben jullie hier iets te eten? 42. Zij gaven Hem een stuk gebakken vis en wat honingraat. 43. Hij nam het aan en at het voor hun ogen op. 44. Hij zei tegen hen: Dit bedoelde ik met de woorden die ik sprak toen ik nog bij jullie was. Alles moest vervuld worden wat over mij geschreven staat in de wet van Mozes, de profeten en de psalmen. 45. Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen. 46. Hij zei tegen hen: Zo staat het geschreven: de Christus moet lijden en op de derde dag uit de doden opstaan. 47. En in Zijn naam moet aan alle volken verkondigd worden dat zij hun leven veranderen en vergeving van zonden krijgen. Dat begint in Jeruzalem. 48. Jullie zijn getuigen van deze dingen. 49. En kijk, ik stuur wat mijn Vader beloofd heeft naar jullie toe. Blijf in de stad tot jullie met kracht uit de hoogte zijn bekleed. 50. Hij bracht hen naar buiten tot bij Bethanië. Hij hief Zijn handen op en zegende hen. 51. Terwijl Hij hen zegende, ging Hij van hen weg en werd Hij opgenomen in de hemel. 52. Zij aanbaden Hem en gingen met grote blijdschap terug naar Jeruzalem. 53. Zij waren voortdurend in de tempel en prezen en dankten God. Amen. ## Johannes 1 — Het Woord wordt mens 1. In het begin was het Woord er al. Het Woord was bij God en het Woord was God. 2. Het Woord was vanaf het begin bij God. 3. Alles is door Hem ontstaan. Niets wat gemaakt is, is zonder Hem ontstaan. 4. In Hem was het leven. Dat leven was het Licht voor de mensen. 5. Het Licht schijnt in het donker, maar het donker heeft het Licht niet begrepen. 6. God stuurde een man die Johannes heette. 7. Hij kwam om te getuigen van het Licht, zodat iedereen door zijn getuigenis zou geloven. 8. Johannes was zelf niet het Licht. Hij was gestuurd om van het Licht te getuigen. 9. Het Woord was het ware Licht. Het verlicht ieder mens die in de wereld komt. 10. Hij was in de wereld. De wereld was door Hem ontstaan, maar herkende Hem niet. 11. Hij kwam naar wat Hem toebehoorde, maar Zijn eigen mensen namen Hem niet aan. 12. Maar wie Hem wel aannamen, gaf Hij het recht om kinderen van God te worden. Dat zijn de mensen die in Zijn naam geloven. 13. Zij zijn uit God geboren. Dat komt niet door hun afkomst, niet door lichamelijk verlangen en niet door de wil van een man. 14. Het Woord werd mens en woonde onder ons. Wij zagen Zijn majesteit: de majesteit van de enige Zoon van de Vader. Hij was vol goedheid die niemand verdiende, en vol waarheid. 15. Johannes getuigde over Jezus en riep luid: Dit is degene over wie ik sprak. Hij komt na mij, maar staat boven mij, want Hij bestond al vóór mij. 16. Uit Zijn overvloed hebben wij allemaal volop onverdiende goedheid ontvangen. 17. Want de wet is via Mozes gegeven. Door Jezus Christus zijn onverdiende goedheid en waarheid gekomen. 18. Niemand heeft God ooit gezien. De enige Zoon, die heel dicht bij de Vader is, heeft ons laten zien wie God is. 19. Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden stuurden priesters en Levieten uit Jeruzalem om hem te vragen: Wie bent u? 20. Johannes zei openlijk en zonder iets te verbergen: Ik ben niet de Christus. 21. Ze vroegen: Wie dan? Bent u Elia? Hij zei: Dat ben ik niet. Ze vroegen verder: Bent u de profeet? Hij antwoordde: Nee. 22. Toen zeiden ze tegen hem: Wie bent u dan? We moeten antwoord geven aan de mensen die ons gestuurd hebben. Wat zegt u over uzelf? 23. Hij zei: Ik ben de stem van iemand die in de woestijn roept: Maak voor de Heere een rechte weg. Dat heeft de profeet Jesaja gezegd. 24. De gezanten hoorden bij de Farizeeën. 25. Ze vroegen hem: Waarom doopt u dan, als u niet de Christus bent, niet Elia en ook niet de profeet? 26. Johannes antwoordde: Ik doop met water. Maar midden onder jullie staat iemand die jullie niet kennen. 27. Hij komt na mij, maar staat boven mij. Ik ben het niet eens waard om de riem van Zijn sandaal los te maken. 28. Dit gebeurde in Bethabara, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte. 29. De volgende dag zag Johannes Jezus naar zich toe komen. Hij zei: Kijk, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt! 30. Hij is degene over wie ik zei: Na mij komt een man die boven mij staat, want Hij was er eerder dan ik. 31. Ik kende Hem niet. Maar ik ben met water komen dopen om Hem aan Israël bekend te maken. 32. Johannes getuigde: Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen. Hij bleef op Jezus rusten. 33. Ik kende Hem niet. Maar God had mij gestuurd om met water te dopen. Hij had tegen mij gezegd: Je zult de Geest op iemand zien neerdalen en op Hem blijven rusten. Die persoon doopt met de Heilige Geest. 34. Ik heb het gezien en heb getuigd: Hij is de Zoon van God. 35. De volgende dag stond Johannes daar weer, met twee van zijn leerlingen. 36. Hij zag Jezus voorbijlopen en zei: Kijk, het Lam van God! 37. De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen achter Jezus aan. 38. Jezus draaide zich om en zag dat ze Hem volgden. Hij vroeg hun: 39. Wat zoeken jullie? Ze zeiden tegen Hem: Rabbi, waar verblijft U? Het woord Rabbi betekent meester. 40. Hij zei tegen hen: Kom maar kijken. Ze gingen mee en zagen waar Hij verbleef. Ze bleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur volgens de oude dagtelling. 41. Een van de twee was Andreas, de broer van Simon Petrus. Hij had Johannes horen spreken en was Jezus gevolgd. 42. Andreas vond eerst zijn broer Simon en zei tegen hem: We hebben de Messias gevonden! Het woord Messias betekent Christus. 43. Hij bracht Simon naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: Jij bent Simon, de zoon van Jonas. Je zult Cefas heten. Die naam betekent Petrus. 44. De volgende dag wilde Jezus naar Galilea vertrekken. Hij vond Filippus en zei tegen hem: Volg mij. 45. Filippus kwam uit Bethsaïda, de stad waar ook Andreas en Petrus vandaan kwamen. 46. Filippus vond Nathanaël en zei tegen hem: We hebben Hem gevonden! Mozes schreef over Hem in de wet, en ook de profeten schreven over Hem. Het is Jezus uit Nazareth, de zoon van Jozef. 47. Nathanaël vroeg hem: Kan er uit Nazareth iets goeds komen? Filippus zei: Kom zelf kijken. 48. Jezus zag Nathanaël naar Hem toe komen en zei over hem: Kijk, daar komt een echte Israëliet! Er is geen bedrog in hem. 49. Nathanaël vroeg Hem: Waar kent U mij van? Jezus antwoordde: Voordat Filippus je riep, zag ik je al onder de vijgenboom. 50. Nathanaël antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël! 51. Jezus antwoordde hem: Je gelooft omdat ik je zei dat ik je onder de vijgenboom zag. Je zult nog grotere dingen zien. 52. Hij zei tegen hem: Luister goed, ik verzeker jullie: vanaf nu zullen jullie de hemel open zien. Jullie zullen Gods engelen zien opstijgen en neerdalen op de Mensenzoon. ## Johannes 2 — De bruiloft in Kana en de tempel in Jeruzalem 1. Op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galilea. De moeder van Jezus was daar. 2. Ook Jezus en Zijn leerlingen waren voor de bruiloft uitgenodigd. 3. Toen de wijn op was, zei de moeder van Jezus tegen Hem: Er is geen wijn meer. 4. Jezus zei tegen haar: Vrouw, waarom betrekt u mij hierin? Mijn tijd is nog niet gekomen. 5. Zijn moeder zei tegen de dienaren: Doe alles wat Hij jullie zegt. 6. Er stonden zes stenen watervaten voor de reiniging van de Joden. Elk vat kon ongeveer 80 tot 120 liter bevatten. 7. Jezus zei tegen hen: Vul de vaten met water. De dienaren vulden de vaten tot aan de rand. 8. Toen zei Jezus: Schep er nu wat uit en breng het naar de leider van het feest. De dienaren brachten het naar de leider. 9. De leider van het feest proefde het water dat wijn was geworden. Hij wist niet waar de wijn vandaan kwam. De dienaren die het water hadden geschept, wisten het wel. De leider riep de bruidegom. 10. De leider van het feest zei tegen de bruidegom: Iedereen schenkt eerst de goede wijn. Wanneer de gasten flink gedronken hebben, wordt de minder goede wijn geschonken. Maar jij hebt de goede wijn tot nu bewaard! 11. Dit eerste teken deed Jezus in Kana in Galilea. Daarmee liet Hij Zijn majesteit zien. Zijn leerlingen geloofden in Hem. 12. Daarna reisde Hij met Zijn moeder, Zijn broers en Zijn leerlingen naar Kapernaüm. Ze bleven er maar een paar dagen. 13. Het Joodse paasfeest naderde. Daarom ging Jezus naar Jeruzalem. 14. In de tempel trof Hij mensen aan die ossen, schapen en duiven verkochten. Er zaten ook geldwisselaars. 15. Hij maakte van touwtjes een zweep en joeg hen allemaal de tempel uit, ook de schapen en de ossen. Hij gooide het geld van de wisselaars op de grond en keerde hun tafels om. 16. Tegen de duivenverkopers zei Hij: Haal deze dieren hier weg! Maak van het huis van mijn Vader geen marktplaats. 17. Zijn leerlingen herinnerden zich deze woorden uit de Schrift: Mijn ijver voor Uw huis heeft mij verteerd. 18. De Joden vroegen Hem: Welk teken laat U ons zien om aan te tonen dat U dit mag doen? 19. Jezus antwoordde: Breek deze tempel af. In drie dagen zal ik hem weer oprichten. 20. De Joden zeiden: Er is 46 jaar aan deze tempel gebouwd. En zult U hem in drie dagen weer oprichten? 21. Maar Jezus bedoelde de tempel van Zijn lichaam. 22. Toen Hij uit de dood was opgestaan, herinnerden Zijn leerlingen zich dat Hij dit tegen hen had gezegd. Ze geloofden de Schrift en deze uitspraak van Jezus. 23. Tijdens het paasfeest was Jezus in Jeruzalem. Veel mensen geloofden in Zijn naam, omdat ze de tekenen zagen die Hij deed. 24. Maar Jezus vertrouwde zichzelf niet aan hen toe, want Hij kende hen allemaal. 25. Hij had niemand nodig om Hem iets over mensen te vertellen. Hij wist zelf wat er in een mens omging. ## Johannes 3 — Nieuw leven van God 1. Er was een Farizeeër die Nicodemus heette. Hij was een leider van de Joden. 2. Hij kwam 's nachts bij Jezus en zei: Rabbi, we weten dat U als leraar van God gekomen bent. Niemand kan de tekenen doen die U doet, als God niet met hem is. 3. Jezus antwoordde: Luister goed, ik verzeker je: zonder opnieuw geboren te worden kan niemand het koninkrijk van God zien. 4. Nicodemus vroeg Hem: Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is? Kan hij nog een keer de buik van zijn moeder ingaan en geboren worden? 5. Jezus antwoordde: Luister goed, ik verzeker je: als iemand niet uit water en Geest geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan. 6. Wat als mens geboren wordt, is menselijk. Wat uit de Geest geboren wordt, is geestelijk. 7. Wees niet verbaasd dat ik je zei: Jullie moeten opnieuw geboren worden. 8. De wind waait waarheen hij wil. Je hoort zijn geluid, maar weet niet waar hij vandaan komt of naartoe gaat. Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is. 9. Nicodemus vroeg Hem: Hoe kan dat gebeuren? 10. Jezus antwoordde: Je bent een leraar van Israël, en toch weet je dit niet? 11. Luister goed, ik verzeker je: wij spreken over wat we weten. We getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie nemen ons getuigenis niet aan. 12. Ik heb jullie over aardse dingen verteld en jullie geloven niet. Hoe zullen jullie dan geloven als ik over hemelse dingen vertel? 13. Niemand is naar de hemel opgegaan behalve degene die uit de hemel is neergedaald: de Mensenzoon, die in de hemel is. 14. Zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog hield, zo moet ook de Mensenzoon omhoog worden geheven. 15. Zo zal iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaan, maar eeuwig leven hebben. 16. Want zo liet God zien dat Hij van de wereld hield: Hij gaf Zijn enige Zoon. Hij deed dat zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. 17. God stuurde Zijn Zoon immers niet naar de wereld om die te veroordelen, maar om de wereld door Zijn Zoon te redden. 18. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van Gods enige Zoon. 19. Dit is het oordeel: het Licht kwam in de wereld, maar de mensen hielden meer van het donker dan van het Licht. Want ze deden kwaad. 20. Iedereen die kwaad doet, haat het Licht en blijft er vandaan. Zo wil hij voorkomen dat zijn daden als kwaad worden aangewezen. 21. Maar wie naar de waarheid handelt, komt naar het Licht. Dan wordt zichtbaar dat zijn daden in God zijn gedaan. 22. Daarna ging Jezus met Zijn leerlingen naar Judea. Hij bleef daar met hen en doopte. 23. Ook Johannes doopte in Enon bij Salim, omdat daar veel water was. Mensen kwamen naar hem toe en werden gedoopt. 24. Johannes was namelijk nog niet in de gevangenis gezet. 25. Enkele leerlingen van Johannes raakten toen met de Joden in discussie over de reiniging. 26. Ze gingen naar Johannes en zeiden: Rabbi, degene die bij u was aan de overkant van de Jordaan, doopt nu. U hebt over Hem getuigd. Kijk, iedereen gaat naar Hem toe. 27. Johannes antwoordde: Een mens kan alleen ontvangen wat God hem vanuit de hemel geeft. 28. Jullie kunnen zelf bevestigen wat ik gezegd heb: Ik ben niet de Christus, maar ik ben voor Hem uit gestuurd. 29. De bruid hoort bij de bruidegom. De vriend van de bruidegom staat ernaast en luistert. Wanneer hij de stem van de bruidegom hoort, is hij heel blij. Zo is mijn blijdschap nu helemaal vervuld. 30. Hij moet groter worden en ik kleiner. 31. Wie van boven komt, staat boven iedereen. Wie van de aarde komt, hoort bij de aarde en spreekt als iemand van de aarde. Wie uit de hemel komt, staat boven iedereen. 32. Hij getuigt van wat Hij heeft gezien en gehoord. Toch neemt niemand Zijn getuigenis aan. 33. Wie Zijn getuigenis wel aanneemt, bevestigt daarmee dat God betrouwbaar is. 34. Want degene die God heeft gestuurd, spreekt Gods woorden. God geeft Hem de Geest zonder beperking. 35. De Vader houdt van de Zoon en heeft Hem alles in handen gegeven. 36. Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven. Maar wie de Zoon niet gehoorzaamt, zal het leven niet zien. Gods toorn blijft op hem rusten. ## Johannes 4 — Jezus geeft levend water 1. De Heere wist dat de Farizeeën hadden gehoord dat Hij meer leerlingen maakte en doopte dan Johannes. 2. Jezus doopte overigens niet zelf; Zijn leerlingen deden dat. 3. Daarop verliet Hij Judea en ging terug naar Galilea. 4. Hij moest door Samaria reizen. 5. Zo kwam Hij in Sichar, een stad in Samaria. Die lag bij het stuk land dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. 6. Daar was de bron van Jakob. Moe van de reis ging Jezus bij de bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur volgens de oude dagtelling. 7. Een vrouw uit Samaria kwam water halen. Jezus zei tegen haar: Geef mij wat te drinken. 8. Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9. De Samaritaanse vrouw zei tegen Hem: U bent een Jood en ik ben een Samaritaanse vrouw. Hoe kunt U mij om drinken vragen? Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om. 10. Jezus antwoordde: Als je wist wat God geeft, en wist wie jou nu om drinken vraagt, zou jij mij om levend water vragen. Dan zou ik het je geven. 11. De vrouw zei: Heere, U hebt niets om water mee te scheppen, en de put is diep. Waar haalt U dat levende water dan vandaan? 12. Bent U soms groter dan onze voorvader Jakob? Hij gaf ons deze put. Hij dronk er zelf uit, net als zijn kinderen en zijn vee. 13. Jezus antwoordde haar: Wie van dit water drinkt, krijgt weer dorst. 14. Maar wie drinkt van het water dat ik hem zal geven, krijgt nooit meer dorst. Dat water wordt in hem een bron. Uit die bron welt water op tot in het eeuwige leven. 15. De vrouw zei tegen Hem: Heere, geef mij dat water! Dan krijg ik geen dorst meer en hoef ik hier geen water meer te halen. 16. Jezus zei tegen haar: Ga je man roepen en kom hier terug. 17. De vrouw antwoordde: Ik heb geen man. Jezus zei: Je hebt gelijk als je zegt: Ik heb geen man. 18. Je hebt namelijk vijf mannen gehad. De man met wie je nu samenleeft, is niet je man. Wat je zei, is waar. 19. De vrouw zei tegen Hem: Heere, ik zie dat U een profeet bent. 20. Onze voorouders hebben op deze berg aanbeden. Maar jullie zeggen dat Jeruzalem de plaats is waar we moeten aanbidden. 21. Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof mij. Er komt een tijd dat jullie de Vader niet op deze berg en ook niet in Jeruzalem zullen aanbidden. 22. Jullie aanbidden wat jullie niet kennen. Wij aanbidden wat we wel kennen, want de redding komt uit de Joden. 23. Er komt een tijd — en die is er nu al — waarin echte aanbidders de Vader in geest en waarheid aanbidden. De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden. 24. God is Geest. Wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden. 25. De vrouw zei tegen Hem: Ik weet dat de Messias komt. Wanneer Hij komt, zal Hij ons alles bekendmaken. Het woord Messias betekent ook Christus. 26. Jezus zei tegen haar: Ik ben het. Ik ben degene die met je spreekt. 27. Op dat moment kwamen Zijn leerlingen terug. Ze waren verbaasd dat Hij met een vrouw sprak. Toch vroeg niemand wat Hij van haar wilde of waarom Hij met haar sprak. 28. De vrouw liet haar waterkruik staan en ging naar de stad. Daar zei ze tegen de mensen: 29. Kom kijken! Er is een man die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb. Zou Hij niet de Christus zijn? 30. De mensen gingen de stad uit en kwamen naar Jezus toe. 31. Intussen drongen de leerlingen bij Hem aan: Rabbi, eet toch iets. 32. Maar Hij zei tegen hen: Ik heb voedsel om te eten dat jullie niet kennen. 33. De leerlingen vroegen elkaar: Heeft iemand Hem eten gebracht? 34. Jezus zei tegen hen: Mijn voedsel is doen wat God wil en Zijn werk afmaken. Hij is degene die mij gestuurd heeft. 35. Jullie zeggen toch: Nog vier maanden en dan komt de oogst. Maar ik zeg jullie: kijk op en zie de velden! Ze staan al wit, klaar voor de oogst. 36. Wie maait, krijgt loon en verzamelt de oogst voor het eeuwige leven. Zo kunnen de zaaier en de maaier samen blij zijn. 37. Hier blijkt het spreekwoord waar: De een zaait, de ander maait. 38. Ik heb jullie gestuurd om te maaien waar jullie niet voor hebben gewerkt. Anderen hebben het werk gedaan en jullie delen nu in het resultaat van hun werk. 39. Veel Samaritanen uit die stad geloofden in Hem door wat de vrouw vertelde. De vrouw getuigde: Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb. 40. Toen de Samaritanen bij Hem kwamen, vroegen ze Hem bij hen te blijven. Hij bleef er twee dagen. 41. Door Zijn eigen woorden geloofden nog veel meer mensen in Hem. 42. Ze zeiden tegen de vrouw: We geloven nu niet meer alleen vanwege jouw verhaal, want we hebben Hem zelf gehoord. We weten dat Hij werkelijk de Christus is, de Redder van de wereld. 43. Na die twee dagen vertrok Jezus en ging naar Galilea. 44. Jezus had zelf verklaard: Een profeet krijgt in zijn eigen land geen eer. 45. Toen Hij in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem. Ze hadden alles gezien wat Hij tijdens het feest in Jeruzalem had gedaan. Zij waren zelf ook naar het feest gegaan. 46. Jezus kwam weer in Kana in Galilea, waar Hij water in wijn had veranderd. Een ambtenaar van de koning had een zoon die ziek lag in Kapernaüm. 47. Toen de ambtenaar hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe. Hij vroeg Jezus met hem mee te gaan en zijn zoon te genezen, want die lag op sterven. 48. Jezus zei tegen hem: Als jullie geen tekenen en wonderen zien, zullen jullie niet geloven. 49. De ambtenaar zei tegen Hem: Heere, kom met mij mee voordat mijn kind sterft! 50. Jezus zei tegen hem: Ga maar, je zoon leeft. De man geloofde wat Jezus tegen hem zei en vertrok. 51. Terwijl hij terugreisde, kwamen zijn dienaren hem tegemoet met het bericht: Uw kind leeft! 52. Hij vroeg op welk uur zijn zoon was opgeknapt. Ze zeiden: Gisteren, op het zevende uur volgens de oude dagtelling, verdween zijn koorts. 53. De vader besefte dat Jezus precies op dat uur had gezegd: Je zoon leeft. Hij geloofde, en iedereen in zijn huis geloofde ook. 54. Dit was het tweede teken dat Jezus deed nadat Hij uit Judea naar Galilea was gekomen. ## Johannes 5 — Jezus geeft leven 1. Daarna was er een Joods feest. Jezus reisde naar Jeruzalem. 2. Bij de Schaapspoort in Jeruzalem is een bad dat in het Hebreeuws Bethesda heet. Het heeft vijf overdekte zuilengangen. 3. Daar lagen veel zieke mensen: blinden, mensen die moeilijk liepen en mensen met armen of benen die dun en krachteloos waren geworden. Ze wachtten tot het water bewoog. 4. Want op bepaalde tijden daalde een engel af in het bad en bracht het water in beweging. Wie daarna als eerste het water inging, werd gezond, welke ziekte hij ook had. 5. Er lag ook een man die al 38 jaar ziek was. 6. Jezus zag hem liggen en wist dat hij al lang ziek was. Hij vroeg hem: Wil je gezond worden? 7. De zieke antwoordde Hem: Heere, ik heb niemand om mij in het bad te helpen wanneer het water beweegt. Terwijl ik erheen ga, is iemand anders me telkens voor. 8. Jezus zei tegen hem: Sta op, pak je slaapmat op en loop. 9. De man werd meteen gezond. Hij pakte zijn slaapmat op en liep. Die dag was het sabbat. 10. De Joden zeiden tegen de genezen man: Het is sabbat. Je mag je slaapmat niet dragen. 11. Hij antwoordde: Degene die mij gezond maakte, zei tegen me: Pak je slaapmat op en loop. 12. Ze vroegen hem: Wie is de man die tegen je zei: Pak je slaapmat op en loop? 13. De genezen man wist niet wie Hij was. Jezus was namelijk in de menigte uit het zicht verdwenen. 14. Later vond Jezus hem in de tempel. Hij zei: Kijk, je bent gezond geworden. Zondig niet meer, zodat je niets ergers overkomt. 15. De man ging weg en vertelde de Joden dat Jezus hem gezond had gemaakt. 16. Daarom vervolgden de Joden Jezus en probeerden ze Hem te doden, omdat Hij zulke dingen op de sabbat deed. 17. Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt nog altijd, en ik werk ook. 18. Daarom waren de Joden er nog sterker op uit Hem te doden. Hij brak niet alleen de sabbat, maar noemde God ook Zijn eigen Vader. Daarmee maakte Hij zichzelf gelijk aan God. 19. Jezus antwoordde: Luister goed, ik verzeker jullie: de Zoon kan niets uit zichzelf doen. Hij doet alleen wat Hij de Vader ziet doen. Alles wat de Vader doet, doet de Zoon op dezelfde manier. 20. Want de Vader houdt van de Zoon en laat Hem alles zien wat de Vader doet. De Vader zal Hem nog grotere werken laten zien, zodat jullie verbaasd zullen zijn. 21. Zoals de Vader doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil. 22. De Vader oordeelt namelijk niemand. Hij heeft het hele oordeel aan de Zoon gegeven. 23. Dat heeft Hij gedaan zodat alle mensen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet die Hem gestuurd heeft. 24. Luister goed, ik verzeker jullie: wie mijn woord hoort en vertrouwt op Hem die mij gestuurd heeft, heeft eeuwig leven. Hij wordt niet veroordeeld, maar is al overgegaan van de dood naar het leven. 25. Luister goed, ik verzeker jullie: er komt een tijd, en die is er nu al. De doden zullen de stem van de Zoon van God horen. Wie die stem horen, zullen leven. 26. Zoals de Vader het leven in zichzelf heeft, zo heeft ook de Zoon het leven in zichzelf gekregen van de Vader. 27. De Vader heeft de Zoon ook gezag gegeven om te oordelen, omdat de Zoon de Mensenzoon is. 28. Wees niet verbaasd dat de Zoon dit gezag heeft. Er komt een tijd dat iedereen in de graven Zijn stem zal horen. 29. Dan komen ze eruit. Wie goed hebben gedaan, staan op om te leven. Wie kwaad hebben gedaan, staan op om veroordeeld te worden. 30. Ik kan niets uit mezelf doen. Ik oordeel naar wat ik hoor, en mijn oordeel is rechtvaardig. Want ik zoek niet mijn eigen wil, maar de wil van de Vader die mij gestuurd heeft. 31. Als ik alleen over mezelf getuig, geldt mijn getuigenis niet als betrouwbaar. 32. Er is een ander die over mij getuigt. Ik weet dat Zijn getuigenis over mij betrouwbaar is. 33. Jullie hebben mensen naar Johannes gestuurd, en hij heeft van de waarheid getuigd. 34. Ik ben niet afhankelijk van het getuigenis van een mens. Ik zeg dit zodat jullie gered worden. 35. Johannes was een brandende lamp die licht gaf. Een korte tijd wilden jullie genieten van het licht dat hij gaf. 36. Maar ik heb een belangrijker getuigenis dan dat van Johannes. De Vader gaf mij werken om te doen. De werken die ik doe, getuigen ervan dat de Vader mij gestuurd heeft. 37. Ook de Vader die mij gestuurd heeft, heeft zelf over mij getuigd. Jullie hebben Zijn stem nooit gehoord en nooit gezien hoe Hij eruitziet. 38. Zijn woord heeft geen blijvende plaats in jullie, want jullie geloven niet in degene die Hij heeft gestuurd. 39. Onderzoek de Schriften. Jullie denken immers dat jullie daarin eeuwig leven hebben. Juist die Schriften getuigen over mij. 40. Toch willen jullie niet naar mij toe komen om leven te ontvangen. 41. Ik neem geen eer van mensen aan. 42. Maar ik ken jullie: de liefde van God is niet in jullie. 43. Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader, en jullie nemen mij niet aan. Als iemand anders in zijn eigen naam komt, zullen jullie hem wel aannemen. 44. Hoe kunnen jullie geloven? Jullie nemen eer van elkaar aan, maar zoeken niet de eer die alleen van God komt. 45. Denk niet dat ik jullie bij de Vader zal aanklagen. Jullie aanklager is Mozes, op wie jullie je hoop hebben gevestigd. 46. Als jullie Mozes geloofden, zouden jullie ook mij geloven. Hij heeft namelijk over mij geschreven. 47. Maar als jullie niet geloven wat hij geschreven heeft, hoe zullen jullie dan mijn woorden geloven? ## Johannes 6 — Jezus, het brood dat leven geeft 1. Daarna vertrok Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea, dat ook het Meer van Tiberias heet. 2. Een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij bij zieken deed. 3. Jezus ging de berg op en ging daar met Zijn leerlingen zitten. 4. Het Pascha, het feest van de Joden, kwam eraan. 5. Jezus keek op en zag een grote menigte naar Hem toe komen. Hij vroeg Filippus: Waar kunnen we brood kopen, zodat al deze mensen kunnen eten? 6. Hij vroeg dit om Filippus te beproeven, want Hij wist zelf al wat Hij zou doen. 7. Filippus antwoordde Hem: Zelfs voor 200 penningen kun je niet genoeg brood kopen om iedereen een klein stukje te geven. 8. Een van Zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tegen Hem: 9. Hier is een jongen met vijf gerstebroden en twee visjes. Maar wat hebben we daaraan voor zoveel mensen? 10. Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten. Er was daar veel gras. De mannen gingen zitten; het waren er ongeveer 5.000. 11. Jezus nam de broden en dankte. Hij gaf ze aan de leerlingen, die ze aan de zittende mensen uitdeelden. Ook van de visjes kregen zij zoveel als ze wilden. 12. Toen iedereen verzadigd was, zei Hij tegen Zijn leerlingen: Verzamel de overgebleven stukken, zodat niets verloren gaat. 13. Ze verzamelden ze en vulden twaalf manden met stukken van de vijf gerstebroden die de mensen na het eten hadden overgelaten. 14. Toen de mensen het teken zagen dat Jezus had gedaan, zeiden ze: Hij is werkelijk de Profeet die in de wereld zou komen. 15. Jezus wist dat ze Hem met geweld wilden meenemen om Hem koning te maken. Daarom trok Hij zich weer alleen terug op de berg. 16. Toen het avond werd, daalden Zijn leerlingen af naar het meer. 17. Ze stapten in een schip en voeren over het meer naar Kapernaüm. Het was al donker, en Jezus was nog niet bij hen gekomen. 18. Het meer werd onstuimig, omdat er een harde wind waaide. 19. Nadat ze ongeveer vijf kilometer hadden geroeid, zagen ze Jezus over het meer lopen. Hij kwam naar het schip, en ze werden bang. 20. Maar Hij zei tegen hen: Ik ben het. Wees niet bang. 21. Ze namen Hem graag in het schip. Meteen bereikte het schip de plaats waarheen ze voeren. 22. De volgende dag stond de menigte nog aan de andere kant van het meer. Ze zagen dat daar eerder maar één schip had gelegen. Daarin waren Zijn leerlingen gestapt. Jezus was niet met hen meegegaan; Zijn leerlingen waren alleen weggevaren. 23. Intussen kwamen er vanuit Tiberias andere schepen aan, dicht bij de plaats waar ze brood hadden gegeten nadat de Heere had gedankt. 24. Toen de menigte zag dat Jezus en Zijn leerlingen daar niet waren, stapten ze in de schepen. Ze gingen naar Kapernaüm om Jezus te zoeken. 25. Toen ze Hem aan de overkant vonden, vroegen ze: Rabbi, wanneer bent U hier gekomen? 26. Jezus antwoordde: Luister goed, ik verzeker jullie: jullie zoeken mij niet omdat jullie tekenen zagen. Jullie zoeken mij omdat jullie van de broden aten en vol raakten. 27. Span je niet in voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven. De Mensenzoon zal het jullie geven. God de Vader heeft Hem namelijk met Zijn zegel bevestigd. 28. Ze vroegen Hem: Wat moeten wij doen om Gods werken te doen? 29. Jezus antwoordde: Het werk dat God van jullie vraagt, is dat jullie geloven in Hem die Hij gestuurd heeft. 30. Ze vroegen Hem: Welk teken doet U dan? Als wij het zien, zullen we U geloven. Wat gaat U doen? 31. Onze voorouders aten het manna in de woestijn. Er staat geschreven: Hij gaf hun brood uit de hemel te eten. 32. Jezus zei tegen hen: Luister goed, ik verzeker jullie: niet Mozes heeft jullie brood uit de hemel gegeven. Mijn Vader geeft jullie het ware brood uit de hemel. 33. Want het brood van God is Hij die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft. 34. Ze zeiden tegen Hem: Heere, geef ons dat brood altijd. 35. Jezus zei tegen hen: Ik ben het brood dat leven geeft. Wie naar mij toe komt, zal nooit meer honger hebben. Wie in mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben. 36. Maar ik heb jullie al gezegd: jullie hebben mij gezien en toch geloven jullie niet. 37. Iedereen die de Vader mij geeft, zal naar mij toe komen. Wie naar mij toe komt, zal ik nooit wegsturen. 38. Ik ben uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die mij gestuurd heeft. 39. Dit is de wil van de Vader, die mij gestuurd heeft: van allen die Hij mij gegeven heeft, laat ik niemand verloren gaan. Op de laatste dag zal ik hen opwekken. 40. Dit is de wil van Hem die mij gestuurd heeft: iedereen die de Zoon ziet en in Hem gelooft, heeft eeuwig leven. Op de laatste dag zal ik hem opwekken. 41. De Joden mopperden over Hem, omdat Hij had gezegd: Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald. 42. Ze zeiden: Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef? We kennen Zijn vader en moeder toch? Hoe kan Hij dan zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald? 43. Jezus antwoordde hun: Mopper niet onder elkaar. 44. Niemand kan naar mij toe komen, tenzij de Vader, die mij gestuurd heeft, hem trekt. Op de laatste dag zal ik hem opwekken. 45. In de profeten staat geschreven: Zij zullen allemaal door God onderwezen worden. Iedereen die naar de Vader heeft geluisterd en van Hem geleerd heeft, komt naar mij toe. 46. Niet dat iemand de Vader gezien heeft. Alleen Hij die van God komt, heeft de Vader gezien. 47. Luister goed, ik verzeker jullie: wie in mij gelooft, heeft eeuwig leven. 48. Ik ben het brood dat leven geeft. 49. Jullie voorouders hebben het manna in de woestijn gegeten, en toch zijn ze gestorven. 50. Maar dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt. Wie daarvan eet, zal niet sterven. 51. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Wie van dit brood eet, zal eeuwig leven. Het brood dat ik zal geven, is mijn vlees. Ik zal het geven voor het leven van de wereld. 52. De Joden kregen hierover ruzie en zeiden: Hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven? 53. Jezus zei tegen hen: Luister goed, ik verzeker jullie. Als jullie het vlees van de Mensenzoon niet eten en Zijn bloed niet drinken, heeft niemand van jullie leven in zich. 54. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven. Op de laatste dag zal ik hem opwekken. 55. Want mijn vlees is werkelijk voedsel en mijn bloed is werkelijk drank. 56. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem. 57. De levende Vader heeft mij gestuurd, en ik leef door de Vader. Zo zal ook wie mij eet, door mij leven. 58. Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is anders dan het manna dat jullie voorouders aten; zij stierven. Wie dit brood eet, zal eeuwig leven. 59. Dit zei Hij toen Hij onderwijs gaf in de synagoge van Kapernaüm. 60. Veel van Zijn leerlingen hoorden dit en zeiden: Deze boodschap is hard. Wie kan ernaar luisteren? 61. Jezus wist dat Zijn leerlingen hierover mopperden. Hij vroeg hun: Ergeren jullie je hieraan? 62. Wat dan als jullie de Mensenzoon zien opstijgen naar de plaats waar Hij vroeger was? 63. De Geest maakt levend; het vlees helpt niets. De woorden die ik tot jullie spreek, zijn geest en leven. 64. Maar sommigen van jullie geloven niet. Jezus wist namelijk vanaf het begin wie niet geloofden en wie Hem zou verraden. 65. Hij zei: Daarom heb ik jullie gezegd dat niemand naar mij toe kan komen, tenzij mijn Vader hem dat geeft. 66. Vanaf dat moment trokken veel van Zijn leerlingen zich terug en gingen niet meer met Hem mee. 67. Jezus vroeg de twaalf: Willen jullie soms ook weggaan? 68. Simon Petrus antwoordde Hem: Heere, naar wie zouden wij gaan? U hebt de woorden die eeuwig leven geven. 69. Wij geloven en weten dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God. 70. Jezus antwoordde hun: Heb ik jullie twaalf niet uitgekozen? Toch is een van jullie een duivel. 71. Daarmee bedoelde Hij Judas Iskariot, de zoon van Simon. Judas zou Hem namelijk verraden, ook al was hij een van de twaalf. ## Johannes 7 — Jezus op het Loofhuttenfeest 1. Daarna bleef Jezus in Galilea rondreizen. Hij wilde niet in Judea rondgaan, omdat de Joden Hem probeerden te doden. 2. Het Joodse Loofhuttenfeest kwam eraan. 3. Zijn broers zeiden tegen Hem: Vertrek van hier en ga naar Judea. Dan kunnen ook Uw leerlingen de werken zien die U doet. 4. Niemand doet zulke dingen in het geheim als hij bekend wil worden. Als U deze dingen doet, treed dan openlijk voor de wereld op. 5. Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem. 6. Jezus zei tegen hen: Mijn tijd is nog niet gekomen, maar voor jullie is elke tijd geschikt. 7. De wereld kan jullie niet haten, maar mij haat ze wel. Ik getuig namelijk dat haar daden slecht zijn. 8. Gaan jullie maar naar dit feest. Ik ga nog niet naar dit feest, want mijn tijd is nog niet aangebroken. 9. Nadat Hij dit tegen hen had gezegd, bleef Hij in Galilea. 10. Toen Zijn broers naar het feest waren gegaan, ging Hij zelf ook. Hij ging niet openlijk, maar heimelijk. 11. De Joden zochten Hem tijdens het feest en vroegen: Waar is Hij? 12. Onder de menigte ontstond veel discussie over Hem. Sommigen zeiden: Hij is een goed mens. Anderen zeiden: Nee, Hij misleidt de mensen. 13. Toch sprak niemand openlijk over Hem, uit angst voor de Joden. 14. Halverwege het feest ging Jezus naar de tempel en gaf er onderwijs. 15. De Joden waren verbaasd en vroegen: Hoe kent Hij de Schriften zonder onderwijs te hebben gevolgd? 16. Jezus antwoordde: Mijn leer komt niet van mijzelf, maar van Hem die mij gestuurd heeft. 17. Wie bereid is Zijn wil te doen, zal weten of deze leer van God komt of dat ik uit mezelf spreek. 18. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer. Maar wie de eer zoekt van Hem die Hem gestuurd heeft, is betrouwbaar en zonder bedrog. 19. Mozes heeft jullie toch de wet gegeven? Toch houdt niemand van jullie zich eraan. Waarom proberen jullie mij te doden? 20. De menigte antwoordde: U bent door een demon bezeten! Wie probeert U te doden? 21. Jezus antwoordde hun: Ik heb één werk gedaan, en jullie zijn daar allemaal verbaasd over. 22. Mozes heeft jullie daarom de besnijdenis gegeven, hoewel die niet van Mozes maar van de voorouders komt. Jullie besnijden een mens ook op de sabbat. 23. Een mens kan op sabbat besneden worden, zodat de wet van Mozes niet overtreden wordt. Waarom zijn jullie dan boos omdat ik op sabbat een mens helemaal gezond maakte? 24. Oordeel niet op grond van wat je aan de buitenkant ziet, maar oordeel rechtvaardig. 25. Enkele inwoners van Jeruzalem zeiden: Is dit niet de man die zij proberen te doden? 26. Kijk, Hij spreekt openlijk en ze zeggen niets tegen Hem. Zouden de leiders werkelijk weten dat Hij de Christus is? 27. Van Hem weten wij waar Hij vandaan komt. Maar wanneer de Christus komt, weet niemand waar Hij vandaan komt. 28. Jezus gaf luid onderwijs in de tempel: Jullie kennen mij en weten waar ik vandaan kom. Toch ben ik niet uit mezelf gekomen. Degene die mij gestuurd heeft, is betrouwbaar, maar jullie kennen Hem niet. 29. Ik ken Hem wel, want ik kom bij Hem vandaan en Hij heeft mij gestuurd. 30. Toen probeerden ze Hem te grijpen, maar niemand greep Hem vast. Zijn tijd was namelijk nog niet gekomen. 31. Veel mensen uit de menigte geloofden in Hem. Ze zeiden: Wanneer de Christus komt, zal Hij toch niet meer tekenen doen dan deze man heeft gedaan? 32. De Farizeeën hoorden wat de menigte over Hem zei. Toen stuurden zij samen met de overpriesters dienaren om Hem te grijpen. 33. Jezus zei tegen hen: Nog een korte tijd ben ik bij jullie. Daarna ga ik naar Hem die mij gestuurd heeft. 34. Jullie zullen mij zoeken maar niet vinden. Waar ik ben, kunnen jullie niet komen. 35. De Joden zeiden tegen elkaar: Waar wil Hij heen, zodat wij Hem niet kunnen vinden? Wil Hij naar de verstrooiden onder de Grieken gaan en de Grieken onderwijzen? 36. Wat bedoelt Hij met de uitspraak: Jullie zullen mij zoeken en niet vinden; waar ik ben, kunnen jullie niet komen? 37. Op de laatste, grote dag van het feest stond Jezus op en riep: Wie dorst heeft, moet naar mij toe komen en drinken. 38. Wie in mij gelooft, over hem zegt de Schrift: Uit zijn binnenste zullen stromen van levend water vloeien. 39. Hiermee bedoelde Hij de Geest, die de gelovigen in Hem zouden ontvangen. De Heilige Geest was namelijk nog niet gegeven, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. 40. Veel mensen uit de menigte hoorden deze woorden en zeiden: Hij is werkelijk de Profeet. 41. Anderen zeiden: Hij is de Christus. Weer anderen zeiden: De Christus komt toch niet uit Galilea? 42. Zegt de Schrift niet dat de Christus uit het nageslacht van David en uit Bethlehem komt, het dorp waar David vandaan kwam? 43. Zo ontstond er vanwege Hem verdeeldheid onder de menigte. 44. Sommigen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand greep Hem vast. 45. De dienaren gingen terug naar de overpriesters en Farizeeën. Die vroegen hun: Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht? 46. De dienaren antwoordden: Nooit heeft iemand gesproken zoals deze man. 47. De Farizeeën antwoordden hun: Zijn jullie soms ook misleid? 48. Heeft soms één van de leiders of Farizeeën in Hem geloofd? 49. Maar deze menigte kent de wet niet en is vervloekt. 50. Nicodemus was een van hen. Hij was 's nachts naar Jezus toe gegaan. Hij zei tegen hen: 51. Staat onze wet toe iemand te veroordelen voordat hij gehoord is en voordat bekend is wat hij doet? 52. Ze antwoordden hem: Komt u soms ook uit Galilea? Onderzoek het maar. U zult zien dat er uit Galilea geen profeet is opgestaan. 53. Daarna ging iedereen naar zijn eigen huis. ## Johannes 8 — Het licht maakt werkelijk vrij 1. Maar Jezus ging naar de Olijfberg. 2. Vroeg in de morgen kwam Hij weer naar de tempel. Alle mensen kwamen naar Hem toe. Hij ging zitten en gaf hun onderwijs. 3. Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën een vrouw bij Hem die op overspel was betrapt. 4. Ze zetten haar in het midden en zeiden tegen Hem: Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel pleegde. 5. In de wet heeft Mozes ons opgedragen zulke vrouwen te stenigen. Wat zegt U? 6. Ze stelden Hem deze vraag om Hem op de proef te stellen. Zo hoopten ze een reden te vinden om Hem aan te klagen. Maar Jezus bukte zich en schreef met Zijn vinger op de grond. 7. Toen ze Hem vragen bleven stellen, kwam Hij overeind en zei: Wie van jullie zonder zonde is, moet als eerste een steen naar haar gooien. 8. Daarna bukte Hij zich opnieuw en schreef verder op de grond. 9. Toen ze dit hoorden, klaagde hun geweten hen aan. Ze gingen één voor één weg, te beginnen bij de oudsten. Zo bleef Jezus achter met de vrouw, die nog in het midden stond. 10. Jezus kwam overeind. Toen Hij behalve de vrouw niemand meer zag, vroeg Hij haar: Vrouw, waar zijn uw beschuldigers? Heeft niemand u veroordeeld? 11. Ze antwoordde: Niemand, Heere. Jezus zei tegen haar: Ook ik veroordeel u niet. Ga nu weg en zondig niet meer. 12. Jezus sprak opnieuw tot de mensen: Ik ben het licht van de wereld. Wie mij volgt, zal niet in de duisternis lopen, maar het licht ontvangen dat leven geeft. 13. De Farizeeën zeiden tegen Hem: U getuigt over uzelf. Daarom is Uw getuigenis niet betrouwbaar. 14. Jezus antwoordde: Ook als ik over mezelf getuig, is mijn getuigenis betrouwbaar. Ik weet namelijk waar ik vandaan kom en waar ik heen ga. Jullie weten niet waar ik vandaan kom of waar ik heen ga. 15. Jullie oordelen op een menselijke manier. Ik oordeel niemand. 16. Maar als ik oordeel, is mijn oordeel betrouwbaar. Ik ben namelijk niet alleen: de Vader die mij gestuurd heeft, is met mij. 17. In jullie wet staat bovendien geschreven dat het getuigenis van twee mensen betrouwbaar is. 18. Ik getuig over mezelf, en de Vader die mij gestuurd heeft, getuigt over mij. 19. Ze vroegen Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: Jullie kennen mij niet en mijn Vader ook niet. Als jullie mij kenden, zouden jullie ook mijn Vader kennen. 20. Jezus sprak deze woorden bij de schatkist terwijl Hij in de tempel onderwijs gaf. Toch greep niemand Hem, want Zijn tijd was nog niet gekomen. 21. Jezus zei opnieuw tegen hen: Ik ga weg. Jullie zullen mij zoeken, maar in jullie zonden sterven. Waar ik heen ga, kunnen jullie niet komen. 22. De Joden zeiden tegen elkaar: Wil Hij soms zichzelf doden? Hij zegt immers: Waar ik heen ga, kunnen jullie niet komen. 23. Hij zei tegen hen: Jullie komen van beneden, maar ik kom van boven. Jullie horen bij deze wereld, maar ik niet. 24. Daarom zei ik dat jullie in jullie zonden zullen sterven. Want als jullie niet geloven dat ik het ben, zullen jullie in jullie zonden sterven. 25. Ze vroegen Hem: Wie bent U dan? Jezus antwoordde: Dat is precies wat ik jullie vanaf het begin vertel. 26. Ik kan veel over jullie zeggen en veel over jullie oordelen. Maar degene die mij gestuurd heeft, is betrouwbaar. Wat ik van Hem gehoord heb, vertel ik aan de wereld. 27. Ze begrepen niet dat Hij met hen over de Vader sprak. 28. Daarom zei Jezus: Wanneer jullie de Mensenzoon verhoogd hebben, zullen jullie begrijpen dat ik het ben. Ik doe niets uit mezelf, maar spreek zoals mijn Vader mij geleerd heeft. 29. Hij die mij gestuurd heeft, is met mij. De Vader heeft mij niet alleen gelaten, want ik doe altijd wat Hem behaagt. 30. Terwijl Hij dit zei, gingen veel mensen in Hem geloven. 31. Toen zei Jezus tegen de Joden die in Hem geloofden: Als jullie in mijn woord blijven, zijn jullie werkelijk mijn leerlingen. 32. Dan zullen jullie de waarheid kennen, en de waarheid zal jullie vrijmaken. 33. Ze antwoordden Hem: Wij stammen van Abraham af en zijn nooit iemands slaven geweest. Hoe kunt U dan zeggen: Jullie zullen vrij worden? 34. Jezus antwoordde: Luister goed, ik verzeker jullie: iedereen die zondigt, is een slaaf van de zonde. 35. Een slaaf blijft niet voor altijd in het huis. Een zoon blijft er wel voor altijd. 36. Als de Zoon jullie vrijmaakt, zullen jullie werkelijk vrij zijn. 37. Ik weet dat jullie van Abraham afstammen. Toch proberen jullie mij te doden, omdat mijn woord geen plaats in jullie krijgt. 38. Ik vertel wat ik bij mijn Vader gezien heb. Zo doen jullie ook wat jullie bij jullie vader gezien hebben. 39. Ze antwoordden Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei: Als jullie werkelijk Abrahams kinderen waren, zouden jullie ook doen wat Abraham deed. 40. Maar nu proberen jullie mij te doden. Toch ben ik een mens die jullie de waarheid vertelt die ik van God hoorde. Zoiets deed Abraham niet. 41. Jullie doen wat jullie eigen vader doet. Ze zeiden tegen Hem: Wij zijn niet uit ontucht geboren. Wij hebben één Vader: God. 42. Jezus zei: Als God jullie Vader was, zouden jullie mij liefhebben. Ik ben van God uitgegaan en kom bij Hem vandaan. Ik ben niet uit mezelf gekomen, maar Hij heeft mij gestuurd. 43. Waarom begrijpen jullie niet wat ik zeg? Omdat jullie mijn woord niet kunnen horen. 44. Jullie hebben de duivel als vader en willen zijn verlangens uitvoeren. Hij was vanaf het begin een moordenaar en bleef niet in de waarheid. Er is namelijk geen waarheid in hem. Wanneer hij liegt, spreekt hij vanuit zijn eigen aard. Hij is een leugenaar en de vader van de leugen. 45. Maar juist omdat ik jullie de waarheid vertel, geloven jullie mij niet. 46. Wie van jullie kan bewijzen dat ik gezondigd heb? Als ik de waarheid spreek, waarom geloven jullie mij dan niet? 47. Wie uit God is, luistert naar Gods woorden. Jullie luisteren niet, omdat jullie niet uit God zijn. 48. De Joden antwoordden Hem: We hebben toch gelijk wanneer we zeggen dat U een Samaritaan bent en door een demon bezeten bent? 49. Jezus antwoordde: Ik ben niet door een demon bezeten. Ik eer mijn Vader, maar jullie onteren mij. 50. Ik zoek niet mijn eigen eer. God zoekt mijn eer en Hij oordeelt. 51. Luister goed, ik verzeker jullie: wie mijn woord bewaart, zal de dood nooit zien. 52. De Joden zeiden tegen Hem: Nu weten we zeker dat U door een demon bezeten bent. Abraham is gestorven, en de profeten ook. Toch zegt U: Wie mijn woord bewaart, zal de dood nooit smaken. 53. Bent U soms groter dan onze vader Abraham? Hij is gestorven, en de profeten zijn ook gestorven. Wie beweert U eigenlijk te zijn? 54. Jezus antwoordde: Als ik mezelf eer, betekent die eer niets. Mijn Vader is degene die mij eert. Jullie zeggen dat Hij jullie God is. 55. Toch kennen jullie Hem niet, maar ik ken Hem wel. Als ik zei dat ik Hem niet ken, zou ik net als jullie liegen. Maar ik ken Hem en bewaar Zijn woord. 56. Abraham, jullie vader, verlangde er vol vreugde naar mijn dag te zien. Hij zag die dag en was blij. 57. De Joden zeiden tegen Hem: U bent nog geen 50 jaar oud. Hebt U Abraham dan gezien? 58. Jezus zei tegen hen: Luister goed, ik verzeker jullie: nog voordat Abraham er was, ben ik. 59. Toen pakten ze stenen om die naar Hem te gooien. Maar Jezus verborg zich en verliet de tempel. Hij liep midden tussen hen door en ging weg. ## Johannes 9 — De blindgeboren man gaat zien 1. Terwijl Jezus verderging, zag Hij een man die vanaf zijn geboorte blind was. 2. Zijn leerlingen vroegen Hem: Rabbi, heeft deze man gezondigd of zijn ouders, zodat hij blind geboren werd? 3. Jezus antwoordde: De zonde van deze man of zijn ouders heeft zijn blindheid niet veroorzaakt. Dit gebeurde zodat Gods werken in hem zichtbaar worden. 4. Zolang het dag is, moet ik de werken doen van Hem die mij gestuurd heeft. De nacht komt, en dan kan niemand werken. 5. Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht van de wereld. 6. Nadat Hij dit gezegd had, spuugde Hij op de grond. Met het speeksel maakte Hij modder, die Hij op de ogen van de blinde streek. 7. Hij zei tegen hem: Ga naar het bad van Siloam en was je daar. De naam Siloam betekent ‘uitgezonden’. De man ging erheen, waste zich en kwam terug terwijl hij kon zien. 8. Zijn buren en de mensen die hem vroeger als blinde hadden gezien, vroegen: Is dit niet de man die zat te bedelen? 9. Sommigen zeiden: Hij is het. Anderen zeiden: Hij lijkt alleen op hem. Maar de man zelf zei: Ik ben het echt. 10. Daarop vroegen ze hem: Hoe zijn je ogen dan geopend? 11. Hij antwoordde: De man die Jezus heet, maakte modder en streek die op mijn ogen. Hij zei: Ga naar het bad van Siloam en was je. Ik ging erheen, waste mij en kon zien. 12. Ze vroegen hem: Waar is Hij? De man antwoordde: Dat weet ik niet. 13. Toen brachten ze de man die blind geweest was naar de Farizeeën. 14. Het was sabbat toen Jezus de modder maakte en de ogen van de man opende. 15. Ook de Farizeeën vroegen hem hoe hij kon zien. Hij antwoordde: Hij legde modder op mijn ogen. Ik waste mij, en nu zie ik. 16. Sommige Farizeeën zeiden: Deze man komt niet van God, want Hij houdt zich niet aan de sabbat. Anderen zeiden: Hoe kan een zondaar zulke tekenen doen? Daardoor ontstond verdeeldheid onder hen. 17. Ze vroegen de man opnieuw: Wat zeg jij over Hem, nu Hij jouw ogen heeft geopend? De man antwoordde: Hij is een profeet. 18. De Joden geloofden niet dat hij blind was geweest en nu kon zien. Daarom lieten ze de ouders van de genezen man komen. 19. Ze vroegen hun: Is dit jullie zoon, van wie jullie zeggen dat hij blind geboren is? Hoe komt het dat hij nu kan zien? 20. Zijn ouders antwoordden: Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren werd. 21. Maar we weten niet hoe hij nu kan zien of wie zijn ogen geopend heeft. Hij is oud genoeg. Vraag het hem zelf; hij kan voor zichzelf spreken. 22. Zijn ouders zeiden dit omdat ze bang waren voor de Joden. Die hadden al besloten iemand uit de synagoge te zetten als hij erkende dat Jezus de Christus is. 23. Daarom zeiden zijn ouders: Hij is oud genoeg. Vraag het hem zelf. 24. Ze riepen de man die blind was geweest voor de tweede keer. Ze zeiden: Geef God de eer. Wij weten dat deze man een zondaar is. 25. Hij antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik wel: ik was blind en nu kan ik zien. 26. Ze vroegen hem opnieuw: Wat heeft Hij met je gedaan? Hoe heeft Hij je ogen geopend? 27. Hij antwoordde: Ik heb het jullie al verteld, maar jullie luisterden niet. Waarom willen jullie het nog een keer horen? Willen jullie soms ook Zijn leerlingen worden? 28. Toen scholden ze hem uit en zeiden: Jij bent Zijn leerling! Wij zijn leerlingen van Mozes. 29. Wij weten dat God tegen Mozes gesproken heeft. Maar van deze man weten we niet waar Hij vandaan komt. 30. De man antwoordde: Dat is juist zo wonderlijk! Jullie weten niet waar Hij vandaan komt, terwijl Hij toch mijn ogen geopend heeft. 31. We weten dat God niet naar zondaars luistert. Maar Hij luistert wel naar iemand die Hem eert en Zijn wil doet. 32. Zolang de wereld bestaat, is nog nooit gehoord dat iemand de ogen van een blindgeboren mens heeft geopend. 33. Als deze man niet van God kwam, zou Hij helemaal niets kunnen doen. 34. Ze antwoordden hem: Jij bent helemaal in zonde geboren, en nu wil jij ons de les lezen? Toen zetten ze hem buiten. 35. Jezus hoorde dat ze hem eruit hadden gegooid. Hij zocht hem op en vroeg: Geloof je in de Zoon van God? 36. De man antwoordde: Wie is Hij, Heere, zodat ik in Hem kan geloven? 37. Jezus zei: Je hebt Hem gezien. Hij is degene die met je spreekt. 38. De man zei: Ik geloof, Heere! Daarna aanbad hij Hem. 39. Jezus zei: Ik ben in deze wereld gekomen om te oordelen. Zo zullen mensen die niet zien, gaan zien. Mensen die zien, zullen blind worden. 40. Enkele Farizeeën die bij Hem waren, hoorden dit. Ze vroegen Hem: Wij zijn toch zeker niet óók blind? 41. Jezus zei tegen hen: Als jullie blind waren, zouden jullie geen zonde hebben. Maar nu zeggen jullie: Wij zien. Daarom blijft jullie zonde. ## Johannes 10 — Jezus, de goede herder 1. Luister goed, ik verzeker jullie: wie niet door de deur de schaapskooi binnengaat, maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief en rover. 2. Wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen. 3. De deurwachter doet voor hem open. De schapen luisteren naar zijn stem. Hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. 4. Wanneer hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, loopt hij voor ze uit. De schapen volgen hem, omdat ze zijn stem kennen. 5. Een vreemde zullen ze beslist niet volgen. Ze vluchten voor hem weg, omdat ze de stem van een vreemde niet kennen. 6. Jezus vertelde hun deze beeldspraak, maar zij begrepen niet wat Hij ermee bedoelde. 7. Daarom zei Jezus opnieuw: Luister goed, ik verzeker jullie: Ik ben de deur voor de schapen. 8. Iedereen die vóór mij gekomen is, was een dief en rover. Maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. 9. Ik ben de deur. Als iemand door mij naar binnen gaat, zal hij gered worden. Hij zal vrij in- en uitgaan en weide vinden. 10. De dief komt alleen om te stelen, te doden en te vernietigen. Ik ben gekomen zodat zij leven hebben, en wel in overvloed. 11. Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen. 12. Een huurling is geen herder, en de schapen zijn niet van hem. Als hij de wolf ziet komen, laat hij ze achter en vlucht. De wolf grijpt de schapen en jaagt ze uiteen. 13. Hij vlucht omdat hij een huurling is en niet om de schapen geeft. 14. Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij. 15. Zoals de Vader mij kent, ken ik de Vader. Ik geef mijn leven voor de schapen. 16. Ik heb nog andere schapen, die niet bij deze schaapskooi horen. Ook die moet ik bij de kudde brengen. Ze zullen naar mijn stem luisteren. Dan zal er één kudde zijn met één herder. 17. Daarom heeft de Vader mij lief: ik leg mijn leven af om het daarna weer aan te nemen. 18. Niemand neemt mijn leven van mij af; ik leg het vrijwillig af. Ik heb de macht mijn leven af te leggen en het weer aan te nemen. Dit gebod heb ik van mijn Vader ontvangen. 19. Door deze woorden ontstond er opnieuw verdeeldheid onder de Joden. 20. Veel van hen zeiden: Hij is door een demon bezeten en krankzinnig! Waarom luisteren jullie naar Hem? 21. Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van iemand die bezeten is. Kan een demon soms de ogen van blinden openen? 22. In Jeruzalem werd het feest van de vernieuwing van de tempel gevierd. Het was winter. 23. Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo. 24. De Joden omsingelden Hem en vroegen: Hoe lang laat U ons in onzekerheid? Als U de Christus bent, zeg het ons dan duidelijk. 25. Jezus antwoordde: Ik heb het jullie gezegd, maar jullie geloven niet. De werken die ik in de naam van mijn Vader doe, getuigen over mij. 26. Maar jullie geloven niet, omdat jullie niet bij mijn schapen horen, zoals ik jullie gezegd heb. 27. Mijn schapen luisteren naar mijn stem. Ik ken ze en zij volgen mij. 28. Ik geef hun eeuwig leven. Ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand rukken. 29. Mijn Vader, die hen aan mij gegeven heeft, staat boven iedereen. Niemand kan hen uit de hand van mijn Vader rukken. 30. Ik en de Vader zijn één. 31. Toen pakten de Joden opnieuw stenen om Hem te stenigen. 32. Jezus vroeg hun: Ik heb jullie veel goede werken van mijn Vader laten zien. Om welk van die werken willen jullie mij stenigen? 33. De Joden antwoordden: Wij stenigen U niet om een goed werk, maar om godslastering. U bent een mens, maar U maakt uzelf tot God. 34. Jezus antwoordde: Staat er in jullie wet niet geschreven: Ik heb gezegd: jullie zijn goden? 35. De wet noemde hen dus goden, tot wie Gods woord kwam. En de Schrift kan niet ongeldig worden gemaakt. 36. De Vader heeft mij geheiligd en naar de wereld gestuurd. Waarom zeggen jullie tegen mij: U lastert God, omdat ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? 37. Als ik de werken van mijn Vader niet doe, geloof mij dan niet. 38. Maar als ik ze wel doe, geloof dan de werken, ook als jullie mij niet geloven. Dan zullen jullie erkennen en geloven dat de Vader in mij is en ik in Hem. 39. Toen probeerden ze Hem opnieuw te grijpen, maar Hij wist aan hen te ontkomen. 40. Hij ging weer naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerst doopte. Daar bleef Hij. 41. Veel mensen kwamen naar Hem toe en zeiden: Johannes heeft geen enkel teken gedaan. Maar alles wat Johannes over deze man zei, was waar. 42. Daar kwamen veel mensen tot geloof in Hem. ## Johannes 11 — Jezus wekt Lazarus op 1. Er was een zieke man die Lazarus heette. Hij kwam uit Bethanië, het dorp waar Maria en haar zus Marta woonden. 2. Maria was de vrouw die de Heere met zalf had gezalfd en Zijn voeten met haar haren had afgedroogd. Haar broer Lazarus was ziek. 3. De zussen stuurden Jezus de boodschap: Heere, degene van wie U houdt, is ziek. 4. Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar dient tot Gods heerlijkheid. Daardoor zal de Zoon van God verheerlijkt worden. 5. Jezus hield van Marta, haar zus en Lazarus. 6. Toen Hij hoorde dat Lazarus ziek was, bleef Hij nog twee dagen waar Hij was. 7. Daarna zei Hij tegen de leerlingen: Laten we weer naar Judea gaan. 8. De leerlingen zeiden: Rabbi, kort geleden wilden de Joden U nog stenigen. Gaat U nu weer daarheen? 9. Jezus antwoordde: Heeft een dag niet twaalf uur? Wie overdag rondloopt, struikelt niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet. 10. Maar wie 's nachts rondloopt, struikelt wel, omdat het licht niet in hem is. 11. Daarna zei Hij tegen hen: Onze vriend Lazarus slaapt. Ik ga erheen om hem wakker te maken. 12. Zijn leerlingen antwoordden: Heere, als hij slaapt, zal hij wel beter worden. 13. Jezus bedoelde dat Lazarus gestorven was, maar zij dachten dat Hij over gewone slaap sprak. 14. Toen zei Jezus duidelijk tegen hen: Lazarus is gestorven. 15. Voor jullie ben ik blij dat ik daar niet was, zodat jullie zullen geloven. Maar laten we naar hem toe gaan. 16. Thomas, die ook Didymus werd genoemd, zei tegen de andere leerlingen: Laten ook wij gaan om samen met Hem te sterven. 17. Toen Jezus aankwam, bleek Lazarus al vier dagen in het graf te liggen. 18. Bethanië lag dicht bij Jeruzalem, op ongeveer drie kilometer afstand. 19. Veel Joden waren naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over hun broer. 20. Toen Marta hoorde dat Jezus eraan kwam, ging zij Hem tegemoet. Maria bleef thuis zitten. 21. Marta zei tegen Jezus: Heere, als U hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22. Maar ook nu weet ik dat God U alles zal geven wat U Hem vraagt. 23. Jezus zei tegen haar: Je broer zal weer opstaan. 24. Marta antwoordde: Ik weet dat hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag. 25. Jezus zei: Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven. 26. Iedereen die leeft en in mij gelooft, zal nooit sterven. Geloof je dat? 27. Ze antwoordde: Ja, Heere. Ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen. 28. Na deze woorden ging Marta weg. Ze riep haar zus Maria stilletjes en zei: De Meester is er en Hij roept je. 29. Zodra Maria dat hoorde, stond ze snel op en ging naar Hem toe. 30. Jezus was nog niet in het dorp gekomen. Hij was nog op de plaats waar Marta Hem tegemoet was gegaan. 31. De Joden die Maria thuis troostten, zagen haar snel opstaan en naar buiten gaan. Ze volgden haar en zeiden: Ze gaat naar het graf om daar te huilen. 32. Toen Maria Jezus zag, viel ze aan Zijn voeten en zei: Heere, als U hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. 33. Jezus zag haar huilen en ook de Joden die met haar waren meegekomen. Hij raakte diep bewogen en werd innerlijk onrustig. 34. Hij vroeg: Waar hebben jullie hem neergelegd? Ze antwoordden: Heere, kom maar kijken. 35. Jezus huilde. 36. De Joden zeiden: Kijk eens hoeveel Hij van hem hield! 37. Maar sommigen zeiden: Hij heeft de ogen van de blinde geopend. Had Hij dan niet kunnen voorkomen dat Lazarus stierf? 38. Opnieuw diep bewogen kwam Jezus bij het graf. Het was een grot met een steen ervoor. 39. Jezus zei: Haal de steen weg. Marta, de zus van de gestorvene, zei: Heere, hij ruikt al. Hij ligt hier namelijk al vier dagen. 40. Jezus zei tegen haar: Heb ik je niet gezegd dat je Gods heerlijkheid zult zien als je gelooft? 41. Ze haalden de steen weg van de plaats waar de gestorvene lag. Jezus keek omhoog en zei: Vader, ik dank U dat U mij hebt gehoord. 42. Ik wist dat U mij altijd hoort. Maar vanwege de menigte om mij heen heb ik dit gezegd, zodat zij geloven dat U mij hebt gestuurd. 43. Na deze woorden riep Hij met luide stem: Lazarus, kom naar buiten! 44. De gestorvene kwam naar buiten. Zijn handen en voeten waren met grafdoeken gebonden en zijn gezicht was met een doek omwikkeld. Jezus zei: Maak hem los en laat hem gaan. 45. Veel Joden die naar Maria waren gekomen en gezien hadden wat Jezus deed, geloofden in Hem. 46. Maar sommigen gingen naar de Farizeeën en vertelden wat Jezus had gedaan. 47. Daarop riepen de overpriesters en Farizeeën de raad bijeen. Ze zeiden: Wat moeten we doen? Deze man doet veel tekenen. 48. Als we Hem zo laten doorgaan, zal iedereen in Hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en zowel onze plaats als ons volk wegnemen. 49. Een van hen was Kajafas, die dat jaar hogepriester was. Hij zei: Jullie begrijpen er niets van. 50. Jullie beseffen niet dat het voor ons beter is dat één mens voor het volk sterft, zodat niet het hele volk verloren gaat. 51. Dit zei hij niet uit zichzelf. Omdat hij dat jaar hogepriester was, profeteerde hij dat Jezus voor het volk zou sterven. 52. En niet alleen voor dat volk: Hij zou ook de verstrooide kinderen van God bijeenbrengen en tot één maken. 53. Vanaf die dag beraadslaagden ze samen om Hem te doden. 54. Daarom ging Jezus niet meer openlijk onder de Joden rond. Hij vertrok naar het gebied bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette. Daar verbleef Hij met Zijn leerlingen. 55. Het Joodse paasfeest kwam eraan. Veel mensen uit het land gingen vóór het feest naar Jeruzalem om zich te reinigen. 56. In de tempel zochten ze Jezus. Ze vroegen elkaar: Wat denken jullie? Zou Hij niet naar het feest komen? 57. De overpriesters en Farizeeën hadden bekendgemaakt dat iedereen die wist waar Jezus was, dit moest melden. Dan konden zij Hem gevangennemen. ## Johannes 12 — Jezus gaat Zijn dood tegemoet 1. Zes dagen voor het pascha kwam Jezus naar Bethanië. Daar was Lazarus, die gestorven was maar door Hem uit de dood was opgewekt. 2. Daar maakten ze een maaltijd voor Hem klaar. Marta bediende hen, en Lazarus zat met Hem en de anderen aan tafel. 3. Maria nam ongeveer 330 gram pure, zeer kostbare narduszalf. Ze zalfde Jezus’ voeten en droogde ze met haar haar af. Het hele huis werd gevuld met de geur van de zalf. 4. Toen nam een van Zijn leerlingen het woord: Judas Iskariot, de zoon van Simon, die Hem later zou verraden: 5. Waarom is deze zalf niet voor 300 penningen verkocht? Dat geld had aan de armen gegeven kunnen worden. 6. Hij zei dit niet omdat hij om de armen gaf. Hij was een dief, beheerde de geldkist en nam geld weg dat erin werd gedaan. 7. Jezus zei: Laat haar met rust. Zij heeft dit bewaard als voorbereiding op de dag van mijn begrafenis. 8. Arme mensen zullen altijd bij jullie zijn, maar mij zullen jullie niet altijd bij jullie hebben. 9. Een grote groep Joden hoorde dat Jezus daar was. Ze kwamen niet alleen voor Hem, maar ook om Lazarus te zien. Jezus had hem immers uit de dood opgewekt. 10. De overpriesters overlegden daarom hoe ze ook Lazarus konden doden. 11. Vanwege Lazarus gingen namelijk veel Joden daarheen en geloofden zij in Jezus. 12. De volgende dag hoorde een grote menigte die voor het feest was gekomen dat Jezus onderweg was naar Jeruzalem. 13. Ze namen palmtakken en gingen Hem tegemoet. Ze riepen: Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heere! Hij is de Koning van Israël! 14. Jezus vond een jonge ezel en ging erop zitten. Zo gebeurde wat in de Schrift staat: 15. Wees niet bang, dochter van Sion. Kijk, uw Koning komt naar u toe. Hij zit op het veulen van een ezelin. 16. Zijn leerlingen begrepen dit eerst niet. Nadat Jezus verheerlijkt was, herinnerden ze zich dat dit over Hem geschreven stond en dat ze dit voor Hem hadden gedaan. 17. De menigte die bij Jezus was toen Hij Lazarus uit het graf riep en uit de dood opwekte, getuigde daarvan. 18. Daarom ging ook de menigte Hem tegemoet. Zij hadden namelijk gehoord dat Hij dit teken had gedaan. 19. De Farizeeën zeiden tegen elkaar: Zien jullie wel dat jullie niets bereiken? Kijk, de hele wereld loopt Hem achterna! 20. Onder de mensen die naar het feest waren gekomen om te aanbidden, waren enkele Grieken. 21. Zij gingen naar Filippus, die uit Bethsaïda in Galilea kwam. Ze vroegen hem: Meneer, wij willen Jezus graag zien. 22. Filippus ging naar Andreas en vertelde het hem. Daarna gingen Andreas en Filippus naar Jezus en vertelden het Hem. 23. Jezus antwoordde hun: De tijd is gekomen waarop de Mensenzoon verheerlijkt zal worden. 24. Luister goed, ik verzeker jullie: als een tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het maar één korrel. Maar als de korrel sterft, brengt hij veel vrucht voort. 25. Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen. Maar wie zijn leven in deze wereld haat, zal het bewaren voor het eeuwige leven. 26. Wie mij wil dienen, moet mij volgen. Waar ik ben, zal ook mijn dienaar zijn. Mijn Vader zal iedereen eren die mij dient. 27. Mijn ziel is nu diep onrustig. Wat moet ik zeggen? Vader, red mij uit dit moment! Maar juist met het oog op dit moment ben ik gekomen. 28. Vader, verheerlijk Uw naam! Toen klonk er een stem uit de hemel: Ik heb mijn naam verheerlijkt en zal hem opnieuw verheerlijken. 29. De menigte die daar stond, hoorde de stem. Sommigen zeiden dat het gedonderd had. Anderen zeiden: Een engel heeft tegen Hem gesproken. 30. Jezus antwoordde: Deze stem klonk niet voor mij, maar voor jullie. 31. Nu wordt deze wereld geoordeeld. Nu zal de heerser van deze wereld worden verdreven. 32. Wanneer ik van de aarde verhoogd ben, zal ik alle mensen naar mij toe trekken. 33. Met deze woorden maakte Hij duidelijk op welke manier Hij zou sterven. 34. De menigte antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord dat de Christus eeuwig blijft. Hoe kunt U dan zeggen dat de Mensenzoon verhoogd moet worden? Wie is deze Mensenzoon? 35. Jezus zei: Nog een korte tijd is het licht bij jullie. Loop in het licht zolang jullie het hebben, zodat de duisternis jullie niet overvalt. Wie in de duisternis loopt, weet niet waar hij heen gaat. 36. Geloof in het licht zolang jullie het hebben. Dan zullen jullie kinderen van het licht worden. Nadat Jezus dit had gezegd, ging Hij weg en verborg zich voor hen. 37. Hoewel Hij zoveel tekenen voor hun ogen had gedaan, geloofden ze toch niet in Hem. 38. Zo werd vervuld wat de profeet Jesaja had gezegd: Heere, wie heeft onze boodschap geloofd? Aan wie is de arm van de Heere bekendgemaakt? 39. Ze konden niet geloven, omdat Jesaja ook had gezegd: 40. Hij heeft hun ogen blind gemaakt en hun hart hard gemaakt. Daardoor zien ze niet met hun ogen en begrijpen ze niet met hun hart. Anders zouden ze zich bekeren en zou ik hen genezen. 41. Jesaja zei dit toen hij Zijn heerlijkheid zag en over Hem sprak. 42. Toch geloofden zelfs veel leiders in Hem. Door de Farizeeën durfden ze daar niet openlijk voor uit te komen, anders zouden ze uit de synagoge worden gezet. 43. Ze hielden namelijk meer van de eer van mensen dan van de eer van God. 44. Jezus riep: Wie in mij gelooft, gelooft niet alleen in mij, maar ook in Hem die mij heeft gestuurd. 45. Wie mij ziet, ziet Hem die mij heeft gestuurd. 46. Ik ben als licht naar de wereld gekomen. Daardoor hoeft niemand die in mij gelooft in de duisternis te blijven. 47. Als iemand mijn woorden hoort maar niet gelooft, oordeel ik hem niet. Ik ben namelijk niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden. 48. Wie mij afwijst en mijn woorden niet aanneemt, heeft al een rechter: het woord dat ik gesproken heb. Dat zal hem op de laatste dag oordelen. 49. Ik heb niet uit mezelf gesproken. De Vader die mij gestuurd heeft, heeft mij precies opgedragen welke woorden ik moet zeggen. 50. Ik weet dat Zijn gebod eeuwig leven is. Daarom zeg ik alles precies zoals de Vader het mij gezegd heeft. ## Johannes 13 — Jezus wast de voeten van Zijn leerlingen 1. Het was kort voor het pascha. Jezus wist dat Zijn tijd gekomen was om deze wereld te verlaten en naar de Vader te gaan. Hij had de mensen die in de wereld bij Hem hoorden lief. Hij bleef hen liefhebben tot het einde. 2. De maaltijd was afgelopen. De duivel had het plan om Jezus te verraden al in het hart van Judas Iskariot, de zoon van Simon, gelegd. 3. Jezus wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven. Hij wist ook dat Hij van God kwam en naar God terugging. 4. Jezus stond op, legde Zijn bovenkleren af, pakte een linnen doek en bond die om Zijn middel. 5. Daarna goot Hij water in een waskom. Hij begon de voeten van Zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek om Zijn middel. 6. Toen Hij bij Simon Petrus kwam, vroeg Petrus Hem: Heere, gaat U mijn voeten wassen? 7. Jezus antwoordde: Je begrijpt nu nog niet wat ik doe, maar later zul je het begrijpen. 8. Petrus zei: U zult mijn voeten nooit wassen! Jezus antwoordde: Als ik je niet was, hoor je niet bij mij. 9. Simon Petrus zei: Heere, was dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd! 10. Jezus zei: Wie al gebaad heeft, hoeft alleen zijn voeten te wassen en is verder helemaal schoon. Jullie zijn schoon, maar niet allemaal. 11. Jezus wist namelijk wie Hem zou verraden. Daarom zei Hij: Jullie zijn niet allemaal schoon. 12. Nadat Hij hun voeten gewassen en Zijn bovenkleren weer aangetrokken had, ging Hij opnieuw zitten. Hij vroeg: Begrijpen jullie wat ik voor jullie heb gedaan? 13. Jullie noemen mij Meester en Heere. Dat zeggen jullie terecht, want dat ben ik. 14. Als ik, jullie Heere en Meester, jullie voeten heb gewassen, moeten jullie ook elkaars voeten wassen. 15. Ik heb jullie een voorbeeld gegeven. Wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook voor elkaar doen. 16. Luister goed, ik verzeker jullie: een dienaar staat niet boven zijn meester. Een boodschapper staat ook niet boven degene die hem heeft gestuurd. 17. Als jullie deze dingen weten en ze ook doen, zijn jullie gelukkig. 18. Ik bedoel niet jullie allemaal. Ik weet wie ik heb uitgekozen. Maar de Schrift moet worden vervuld: Wie met mij brood eet, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven. 19. Ik vertel dit nu, voordat het gebeurt. Wanneer het gebeurt, zullen jullie geloven dat ik het ben. 20. Luister goed, ik verzeker jullie: wie iemand ontvangt die ik stuur, ontvangt mij. Wie mij ontvangt, ontvangt Hem die mij gestuurd heeft. 21. Nadat Jezus dit gezegd had, raakte Hij diep van binnen ontroerd. Hij verklaarde nadrukkelijk: Luister goed, ik verzeker jullie: een van jullie zal mij verraden. 22. De leerlingen keken elkaar aan en vroegen zich af over wie Hij sprak. 23. Een van de leerlingen lag dicht naast Jezus aan tafel. Het was de leerling van wie Jezus hield. 24. Simon Petrus wenkte hem. Hij moest aan Jezus vragen wie Hij bedoelde. 25. De leerling boog zich naar Jezus toe en vroeg: Heere, wie is het? 26. Jezus antwoordde: Het is degene aan wie ik het stuk brood geef nadat ik het heb ingedoopt. Hij doopte het brood in en gaf het aan Judas Iskariot, de zoon van Simon. 27. Nadat Judas het brood had aangenomen, kwam Satan in hem. Jezus zei tegen hem: Wat je gaat doen, moet je snel doen. 28. Niemand aan tafel begreep waarom Hij dit tegen Judas zei. 29. Judas beheerde de geldkist. Daarom dachten sommigen dat Jezus hem opdracht gaf te kopen wat ze voor het feest nodig hadden, of iets aan de armen te geven. 30. Judas nam het stuk brood aan en ging meteen naar buiten. Het was nacht. 31. Toen Judas weg was, zei Jezus: Nu is de Mensenzoon verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt. 32. Als God in Hem verheerlijkt is, zal God Hem ook in zichzelf verheerlijken. Hij zal Hem meteen verheerlijken. 33. Kinderen, ik ben nog maar korte tijd bij jullie. Jullie zullen mij zoeken. Ik zei tegen de Joden: Waar ik heen ga, kunnen jullie niet komen. Dat zeg ik nu ook tegen jullie. 34. Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. 35. Als jullie elkaar liefhebben, zal iedereen daaraan herkennen dat jullie mijn leerlingen zijn. 36. Simon Petrus vroeg Hem: Heere, waar gaat U heen? Jezus antwoordde: Waar ik heen ga, kun je mij nu niet volgen. Later zul je mij wel volgen. 37. Petrus vroeg: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U geven. 38. Jezus antwoordde: Zul je werkelijk je leven voor mij geven? Luister goed, ik verzeker je: voordat de haan kraait, zul je mij drie keer verloochenen. ## Johannes 14 — Jezus belooft de Trooster en Zijn vrede 1. Laat jullie hart niet onrustig worden. Vertrouw op God en vertrouw ook op mij. 2. In het huis van mijn Vader zijn veel verblijfplaatsen. Als dat niet zo was, zou ik het jullie hebben verteld. Ik ga daarheen om een plaats voor jullie klaar te maken. 3. Wanneer ik ben weggegaan en een plaats voor jullie heb klaargemaakt, kom ik terug. Dan neem ik jullie met mij mee, zodat jullie zijn waar ik ben. 4. Jullie weten waar ik heen ga en jullie kennen de weg. 5. Thomas zei tegen Hem: Heere, wij weten niet waar U heen gaat. Hoe kunnen we dan de weg kennen? 6. Jezus antwoordde hem: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt bij de Vader, behalve door mij. 7. Als jullie mij werkelijk hadden gekend, zouden jullie ook mijn Vader hebben gekend. Vanaf nu kennen jullie Hem en hebben jullie Hem gezien. 8. Filippus zei tegen Hem: Heere, toon ons de Vader. Dat is voor ons genoeg. 9. Jezus antwoordde hem: Filippus, ik ben al zo lang bij jullie en toch ken je mij nog niet? Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Waarom zeg je dan: Toon ons de Vader? 10. Geloof je niet dat ik in de Vader ben en de Vader in mij? De woorden die ik jullie zeg, spreek ik niet uit mezelf. De Vader, die in mij blijft, doet de werken. 11. Geloof mij: ik ben in de Vader en de Vader is in mij. Als jullie mijn woorden niet geloven, geloof mij dan vanwege de werken zelf. 12. Luister goed, ik verzeker jullie: wie in mij gelooft, zal ook de werken doen die ik doe. Hij zal zelfs grotere werken doen, want ik ga naar mijn Vader. 13. Alles wat jullie in mijn naam vragen, zal ik doen. Zo wordt de Vader in de Zoon verheerlijkt. 14. Als jullie iets in mijn naam vragen, zal ik het doen. 15. Als jullie mij liefhebben, houd je dan aan mijn geboden. 16. Ik zal de Vader vragen om jullie een andere Trooster te geven. Deze Trooster blijft voor altijd bij jullie. 17. Hij is de Geest van de waarheid. De wereld kan Hem niet ontvangen, omdat zij Hem niet ziet en niet kent. Jullie kennen Hem wel, want Hij blijft bij jullie en zal in jullie zijn. 18. Ik laat jullie niet hulpeloos als wezen achter. Ik kom naar jullie terug. 19. Nog even, dan ziet de wereld mij niet meer. Jullie zullen mij wel zien. Omdat ik leef, zullen ook jullie leven. 20. Op die dag zullen jullie begrijpen dat ik in mijn Vader ben, jullie in mij en ik in jullie. 21. Wie mijn geboden aanvaardt en zich eraan houdt, heeft mij lief. Mijn Vader zal iedereen liefhebben die mij liefheeft. Ook ik zal hem liefhebben en mij aan hem bekendmaken. 22. Toen vroeg Judas, niet Judas Iskariot: Heere, waarom zult U zich wel aan ons bekendmaken, maar niet aan de wereld? 23. Jezus antwoordde: Wie mij liefheeft, houdt zich aan mijn woord. Mijn Vader zal hem liefhebben. Wij zullen naar hem toe komen en bij hem wonen. 24. Wie mij niet liefheeft, houdt zich niet aan mijn woorden. Het woord dat jullie horen, komt niet van mij, maar van de Vader die mij heeft gestuurd. 25. Dit heb ik tegen jullie gezegd terwijl ik nog bij jullie ben. 26. Maar de Trooster is de Heilige Geest, die de Vader in mijn naam zal sturen. Hij zal jullie alles leren en herinneren aan alles wat ik heb gezegd. 27. Vrede laat ik bij jullie achter; mijn vrede geef ik jullie. De vrede die ik geef, is anders dan wat de wereld geeft. Laat jullie hart niet onrustig of bang worden. 28. Jullie hebben mij horen zeggen: Ik ga weg en kom naar jullie terug. Als jullie mij liefhadden, zouden jullie blij zijn dat ik naar de Vader ga. De Vader is namelijk groter dan ik. 29. Ik vertel dit nu, voordat het gebeurt. Wanneer het gebeurt, zullen jullie daardoor geloven. 30. Ik zal niet veel meer met jullie spreken, want de heerser van deze wereld komt. Hij heeft geen macht over mij. 31. Maar zo zal de wereld weten dat ik de Vader liefheb en precies doe wat Hij mij heeft opgedragen. Sta op, laten we hier weggaan. ## Johannes 15 — De ware wijnstok, liefde en getuigenis 1. Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. 2. Elke rank aan mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg. Elke rank die wel vrucht draagt, snoeit Hij, zodat die nog meer vrucht draagt. 3. Jullie zijn al rein door het woord dat ik tegen jullie heb gesproken. 4. Blijf in mij, dan blijf ik in jullie. Een rank kan uit zichzelf geen vrucht dragen; zij moet aan de wijnstok blijven. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in mij blijven. 5. Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Wie in mij blijft en in wie ik blijf, draagt veel vrucht. Zonder mij kunnen jullie niets doen. 6. Wie niet in mij blijft, wordt weggegooid als een rank en verdort. Zulke ranken worden verzameld, in het vuur gegooid en verbrand. 7. Als jullie in mij blijven en mijn woorden in jullie blijven, mogen jullie vragen wat jullie willen. Dan zal gebeuren wat jullie vragen. 8. Mijn Vader wordt verheerlijkt wanneer jullie veel vrucht dragen. Zo zullen jullie mijn leerlingen zijn. 9. Zoals de Vader mij heeft liefgehad, zo heb ik jullie liefgehad. Blijf in mijn liefde. 10. Als jullie mijn geboden houden, blijven jullie in mijn liefde. Zo heb ik ook de geboden van mijn Vader gehouden en blijf ik in Zijn liefde. 11. Ik heb dit tegen jullie gezegd, zodat mijn blijdschap in jullie blijft en jullie blijdschap volkomen wordt. 12. Dit is mijn gebod: heb elkaar lief zoals ik jullie heb liefgehad. 13. De grootste liefde die iemand kan tonen, is dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden. 14. Jullie zijn mijn vrienden wanneer jullie doen wat ik jullie gebied. 15. Ik noem jullie niet langer dienaren. Een dienaar weet namelijk niet wat zijn heer doet. Ik noem jullie vrienden, want ik heb alles bekendgemaakt wat ik van mijn Vader heb gehoord. 16. Jullie hebben mij niet uitgekozen; ik heb jullie uitgekozen. Ik heb jullie aangesteld om op weg te gaan en blijvende vrucht te dragen. Dan zal de Vader geven wat jullie ook in mijn naam vragen. 17. Dit gebied ik jullie: heb elkaar lief. 18. Als de wereld jullie haat, onthoud dan dat zij mij eerder dan jullie heeft gehaat. 19. Als jullie bij de wereld hoorden, zou zij jullie als haar eigen mensen liefhebben. Jullie horen niet bij de wereld, want ik heb jullie eruit uitgekozen. Daarom haat de wereld jullie. 20. Onthoud wat ik jullie heb gezegd: Een dienaar staat niet boven zijn heer. Als mensen mij hebben vervolgd, zullen zij ook jullie vervolgen. Als zij zich aan mijn woord hielden, zullen zij zich ook aan jullie woord houden. 21. Dit alles zullen zij jullie aandoen vanwege mijn naam, omdat zij Hem die mij heeft gestuurd niet kennen. 22. Als ik niet was gekomen en tot hen had gesproken, zouden zij niet schuldig zijn aan deze zonde. Nu hebben zij geen excuus meer voor hun zonde. 23. Wie mij haat, haat ook mijn Vader. 24. Als ik onder hen niet de werken had gedaan die niemand anders deed, zouden zij niet schuldig zijn aan deze zonde. Nu hebben zij die werken gezien en toch mij en mijn Vader gehaat. 25. Zo wordt vervuld wat in hun wet is geschreven: Zij hebben mij zonder reden gehaat. 26. Wanneer de Trooster komt, zal Hij over mij getuigen. Hij is de Geest van de waarheid, die van de Vader uitgaat en die ik vanuit de Vader naar jullie stuur. 27. Ook jullie zullen over mij getuigen, want jullie zijn vanaf het begin bij mij geweest. ## Johannes 16 — De Geest van de waarheid en komende vreugde 1. Ik heb jullie dit gezegd, zodat jullie geloof niet aan het wankelen raakt. 2. Ze zullen jullie uit de synagogen zetten. Er komt zelfs een tijd dat iedereen die jullie doodt, denkt daarmee God te dienen. 3. Ze zullen dit doen omdat ze de Vader en mij niet kennen. 4. Ik heb dit verteld zodat jullie, wanneer die tijd komt, onthouden dat ik het gezegd heb. In het begin vertelde ik dit niet, omdat ik bij jullie was. 5. Nu ga ik naar Hem die mij gestuurd heeft. Toch vraagt niemand van jullie mij: Waar gaat U heen? 6. Jullie hart is vol verdriet omdat ik dit tegen jullie gezegd heb. 7. Maar ik vertel jullie de waarheid: het is beter voor jullie dat ik wegga. Als ik niet wegga, komt de Trooster niet naar jullie. Maar als ik wegga, zal ik Hem naar jullie sturen. 8. Wanneer Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. 9. Van zonde, omdat ze niet in mij geloven. 10. Van gerechtigheid, omdat ik naar mijn Vader ga en jullie mij niet meer zullen zien. 11. Van oordeel, omdat de heerser van deze wereld veroordeeld is. 12. Ik heb jullie nog veel te zeggen, maar jullie kunnen dat nu niet dragen. 13. Wanneer de Geest van de waarheid komt, zal Hij jullie naar de volle waarheid leiden. Hij zal niet uit zichzelf spreken. Hij zal zeggen wat Hij hoort en jullie bekendmaken wat er gaat gebeuren. 14. Hij zal mij verheerlijken, want Hij zal nemen wat van mij is en het aan jullie bekendmaken. 15. Alles wat de Vader heeft, is van mij. Daarom heb ik gezegd: Hij zal nemen wat van mij is en het aan jullie bekendmaken. 16. Nog een korte tijd en jullie zien mij niet meer. Kort daarna zullen jullie mij weer zien, want ik ga naar de Vader. 17. Enkele leerlingen vroegen elkaar: Wat bedoelt Hij met: Nog een korte tijd en jullie zien mij niet meer, en kort daarna zien jullie mij weer? En wat bedoelt Hij met: Ik ga naar de Vader? 18. Ze vroegen: Wat bedoelt Hij met: Nog een korte tijd? We weten niet wat Hij bedoelt. 19. Jezus wist dat ze Hem iets wilden vragen. Hij zei: Praten jullie erover dat ik zei: Nog een korte tijd zien jullie mij niet, en kort daarna zien jullie mij weer? 20. Luister goed, ik verzeker jullie: jullie zullen huilen en treuren, terwijl de wereld blij is. Jullie zullen verdriet hebben, maar dat verdriet zal in vreugde veranderen. 21. Wanneer een vrouw gaat bevallen, heeft ze pijn omdat haar tijd gekomen is. Na de geboorte denkt ze niet meer aan haar pijn, uit blijdschap dat er een mens ter wereld is gekomen. 22. Zo hebben jullie nu verdriet. Maar ik zal jullie terugzien. Dan wordt jullie hart blij, en niemand neemt die blijdschap van jullie af. 23. Op die dag zullen jullie mij geen vragen meer stellen. Luister goed, ik verzeker jullie: alles wat jullie de Vader in mijn naam vragen, zal Hij jullie geven. 24. Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd. Vraag en jullie zullen ontvangen, zodat jullie blijdschap compleet wordt. 25. Ik heb dit met beeldspraak verteld. Er komt een tijd dat ik geen beeldspraak meer gebruik, maar rechtstreeks over de Vader spreek. 26. Op die dag zullen jullie in mijn naam bidden. Ik zeg niet dat ik de Vader voor jullie zal vragen. 27. De Vader heeft jullie namelijk zelf lief, omdat jullie mij liefhebben en geloven dat ik van God ben uitgegaan. 28. Ik ben van de Vader uitgegaan en naar de wereld gekomen. Nu verlaat ik de wereld weer en ga ik naar de Vader. 29. Zijn leerlingen zeiden: Kijk, nu spreekt U rechtstreeks en gebruikt U geen beeldspraak. 30. Nu weten we dat U alles weet. U hebt niet nodig dat iemand U eerst een vraag stelt. Daarom geloven we dat U van God bent uitgegaan. 31. Jezus antwoordde: Geloven jullie het nu? 32. Kijk, de tijd komt en is al gekomen dat jullie verspreid worden, ieder zijn eigen kant op. Jullie zullen mij alleen achterlaten. Toch ben ik niet alleen, want de Vader is bij mij. 33. Ik heb jullie dit gezegd zodat jullie in mij vrede hebben. In de wereld krijgen jullie te maken met verdrukking. Houd moed: ik heb de wereld overwonnen. ## Johannes 17 — Jezus bidt tot Zijn Vader 1. Nadat Jezus dit gezegd had, keek Hij omhoog naar de hemel en zei: Vader, het uur is gekomen. Verheerlijk Uw Zoon, zodat Uw Zoon U verheerlijkt. 2. U hebt Hem gezag gegeven over alle mensen, zodat Hij eeuwig leven geeft aan iedereen die U aan Hem hebt gegeven. 3. Dit is het eeuwige leven: dat zij U kennen, de enige ware God, en Jezus Christus, die U gestuurd hebt. 4. Ik heb U op aarde verheerlijkt. Ik heb het werk voltooid dat U mij te doen hebt gegeven. 5. Vader, verheerlijk mij nu bij U met de heerlijkheid die ik bij U had voordat de wereld bestond. 6. Ik heb Uw naam bekendgemaakt aan de mensen die U mij uit de wereld gegeven hebt. Ze waren van U en U hebt hen aan mij gegeven. Zij hebben Uw woord bewaard. 7. Nu weten ze dat alles wat U mij gegeven hebt, van U is. 8. De woorden die U mij gegeven hebt, heb ik aan hen doorgegeven. Zij namen ze aan en hebben werkelijk erkend dat ik van U ben uitgegaan. Zij hebben geloofd dat U mij gestuurd hebt. 9. Ik bid voor hen, niet voor de wereld, maar voor degenen die U mij gegeven hebt, want zij zijn van U. 10. Alles wat van mij is, is van U, en alles wat van U is, is van mij. In hen ben ik verheerlijkt. 11. Binnenkort ben ik niet meer in de wereld, maar zij blijven in de wereld en ik kom naar U. Heilige Vader, bewaar de mensen die U mij gegeven hebt in Uw naam, zodat zij één zijn zoals wij. 12. Toen ik bij hen in de wereld was, bewaarde ik hen in Uw naam. Ik heb degenen bewaakt die U mij gegeven hebt. Niemand van hen is verloren gegaan, behalve de zoon van het verderf. Zo werd de Schrift vervuld. 13. Nu kom ik naar U. Terwijl ik nog in de wereld ben, zeg ik dit zodat zij mijn blijdschap volledig in zich hebben. 14. Ik heb hun Uw woord gegeven. De wereld haat hen, omdat zij niet bij de wereld horen, zoals ik niet bij de wereld hoor. 15. Ik vraag U niet hen uit de wereld weg te nemen, maar hen tegen de boze te beschermen. 16. Zij horen niet bij de wereld, net zoals ik niet bij de wereld hoor. 17. Heilig hen door Uw waarheid. Uw woord is de waarheid. 18. Zoals U mij naar de wereld hebt gestuurd, zo heb ik hen ook naar de wereld gestuurd. 19. Voor hen wijd ik mijzelf aan U, zodat ook zij werkelijk geheiligd worden. 20. Ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor iedereen die door hun woord in mij zal geloven. 21. Ik bid dat zij allemaal één zijn, zoals U, Vader, in mij bent en ik in U. Laat hen ook één zijn in ons, zodat de wereld gelooft dat U mij gestuurd hebt. 22. Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die U mij hebt gegeven, zodat zij één zijn zoals wij één zijn. 23. Ik ben in hen en U bent in mij, zodat zij volmaakt één zijn. Zo zal de wereld erkennen dat U mij gestuurd hebt en hen hebt liefgehad zoals U mij hebt liefgehad. 24. Vader, ik wil dat degenen die U mij gegeven hebt, bij mij zijn waar ik ben. Zo kunnen zij mijn heerlijkheid zien, die U mij gegeven hebt. U hebt mij namelijk liefgehad voordat de wereld bestond. 25. Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend, maar ik ken U. Deze mensen weten dat U mij gestuurd hebt. 26. Ik heb hun Uw naam bekendgemaakt en zal die bekend blijven maken. Zo zal de liefde waarmee U mij liefhad in hen zijn, en zal ik in hen zijn. ## Johannes 18 — Jezus wordt gevangengenomen en verhoord 1. Nadat Jezus dit had gezegd, vertrok Hij met Zijn leerlingen. Ze staken de Kedronbeek over en gingen samen een tuin binnen. 2. Judas, die Hem verraadde, kende die plek ook. Jezus was daar namelijk vaak met Zijn leerlingen bijeengekomen. 3. Judas kwam daar met een afdeling soldaten en enkele dienaren van de overpriesters en Farizeeën. Ze hadden lantaarns, fakkels en wapens bij zich. 4. Jezus wist alles wat Hem zou overkomen. Hij liep hun tegemoet en vroeg: Wie zoeken jullie? 5. Ze antwoordden Hem: Jezus uit Nazareth. Jezus zei: Ik ben het. Judas, die Hem verraadde, stond bij hen. 6. Toen Hij tegen hen zei: Ik ben het, deinsden ze achteruit en vielen ze op de grond. 7. Jezus vroeg hun opnieuw: Wie zoeken jullie? Ze antwoordden: Jezus uit Nazareth. 8. Jezus antwoordde: Ik heb jullie gezegd dat ik het ben. Als jullie mij zoeken, laat deze mannen dan gaan. 9. Zo werd vervuld wat Hij eerder had gezegd: Van de mensen die U mij hebt gegeven, heb ik niemand verloren. 10. Simon Petrus had een zwaard bij zich. Hij trok het en sloeg daarmee de dienaar van de hogepriester. Hij hakte zijn rechteroor af. De dienaar heette Malchus. 11. Jezus zei tegen Petrus: Steek je zwaard in de schede. Zou ik de drinkbeker niet drinken die de Vader mij heeft gegeven? 12. De afdeling soldaten, hun commandant en de dienaren van de Joden namen Jezus samen gevangen en bonden Hem vast. 13. Eerst brachten ze Hem naar Annas. Hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was. 14. Kajafas was degene die de Joden had geadviseerd dat het beter was als één mens voor het volk stierf. 15. Simon Petrus volgde Jezus, samen met een andere leerling. Die leerling was bekend bij de hogepriester en ging met Jezus de binnenplaats van de hogepriester op. 16. Petrus bleef buiten bij de deur staan. De andere leerling ging weer naar buiten, sprak met de vrouw bij de deur en bracht Petrus naar binnen. 17. De dienstmeid bij de deur vroeg Petrus: Hoor jij soms ook bij de leerlingen van deze man? Hij antwoordde: Ik ben het niet. 18. De dienaren en bewakers hadden een houtskoolvuur gemaakt, omdat het koud was. Ze stonden zich erbij te warmen. Petrus stond tussen hen en warmde zich ook. 19. De hogepriester ondervroeg Jezus over Zijn leerlingen en Zijn onderwijs. 20. Jezus antwoordde: Ik heb in het openbaar gesproken. Ik gaf altijd onderwijs in de synagoge en de tempel, waar Joden uit alle plaatsen samenkwamen. In het geheim heb ik niets gezegd. 21. Waarom ondervraagt u mij? Vraag het aan de mensen die mijn woorden hebben gehoord. Zij weten wat ik gezegd heb. 22. Toen Hij dit zei, gaf een van de dienaren die erbij stond Jezus een klap. De man zei: Is dat de manier waarop U de hogepriester antwoordt? 23. Jezus antwoordde hem: Als ik iets verkeerds heb gezegd, bewijs dan wat er verkeerd was. Maar als ik goed gesproken heb, waarom sla je mij dan? 24. Annas stuurde Hem toen gebonden naar de hogepriester Kajafas. 25. Simon Petrus stond zich nog altijd te warmen. De aanwezigen vroegen hem: Hoor jij soms ook bij Zijn leerlingen? Petrus ontkende het en zei: Ik ben het niet. 26. Een dienaar van de hogepriester was familie van de man van wie Petrus het oor had afgehakt. Hij vroeg: Heb ik jou niet met Hem in de tuin gezien? 27. Petrus ontkende het opnieuw. Meteen kraaide de haan. 28. Ze brachten Jezus van Kajafas naar het gerechtsgebouw van Pilatus. Het was vroeg in de ochtend. De Joodse leiders gingen zelf niet naar binnen. Ze wilden niet onrein worden, zodat ze het pascha konden eten. 29. Pilatus kwam naar buiten en vroeg hun: Welke beschuldiging brengen jullie tegen deze man in? 30. Ze antwoordden: Als Hij geen misdadiger was, zouden we Hem niet aan u hebben overgeleverd. 31. Pilatus zei: Neem Hem zelf mee en oordeel Hem volgens jullie wet. De Joden antwoordden: Wij mogen niemand doden. 32. Zo werd vervuld wat Jezus had gezegd over de manier waarop Hij zou sterven. 33. Pilatus ging het gerechtsgebouw weer binnen, liet Jezus bij zich komen en vroeg Hem: Bent U de Koning van de Joden? 34. Jezus antwoordde: Vraagt u dit uit uzelf, of hebben anderen u dit over mij verteld? 35. Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt U gedaan? 36. Jezus antwoordde: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden mijn dienaren vechten om te voorkomen dat ik aan de Joden werd overgeleverd. Maar mijn koninkrijk komt niet van hier. 37. Pilatus vroeg Hem: Bent U dan een koning? Jezus antwoordde: U zegt dat ik Koning ben. Daarvoor ben ik geboren en naar de wereld gekomen: om van de waarheid te getuigen. Iedereen die bij de waarheid hoort, luistert naar mijn stem. 38. Pilatus vroeg Hem: Wat is waarheid? Daarna ging hij weer naar buiten en zei tegen de Joden: Ik vind niets waaraan Hij schuldig is. 39. Het is bij jullie de gewoonte dat ik tijdens het pascha iemand vrijlaat. Willen jullie dat ik de Koning van de Joden vrijlaat? 40. Toen riepen ze allemaal opnieuw: Niet Hem, maar Barabbas! Barabbas was een moordenaar. ## Johannes 19 — Jezus wordt gekruisigd en begraven 1. Toen liet Pilatus Jezus geselen. 2. De soldaten vlochten een kroon van doornen en zetten die op Zijn hoofd. Ook sloegen ze Hem een purperen mantel om. 3. Ze zeiden: Wees gegroet, Koning van de Joden! Daarna gaven ze Hem klappen. 4. Pilatus ging opnieuw naar buiten en zei: Kijk, ik breng Hem naar buiten. Dan weten jullie dat ik niets vind waaraan Hij schuldig is. 5. Jezus kwam naar buiten met de doornenkroon en de purperen mantel. Pilatus zei: Kijk, de Mens! 6. Toen de overpriesters en dienaren Hem zagen, riepen ze: Kruisig Hem! Kruisig Hem! Pilatus zei: Neem Hem zelf en kruisig Hem. Ik vind niets waaraan Hij schuldig is. 7. De Joden antwoordden: Wij hebben een wet, en volgens die wet moet Hij sterven. Hij heeft zichzelf namelijk Gods Zoon genoemd. 8. Toen Pilatus dit hoorde, werd hij nog banger. 9. Hij ging het gerechtsgebouw weer binnen en vroeg Jezus: Waar komt U vandaan? Maar Jezus gaf hem geen antwoord. 10. Pilatus zei: Wilt U niet tegen mij spreken? Weet U niet dat ik de macht heb om U te kruisigen of vrij te laten? 11. Jezus antwoordde: U zou geen enkele macht over mij hebben als die u niet van boven gegeven was. Daarom heeft degene die mij aan u overleverde een grotere zonde. 12. Vanaf dat moment probeerde Pilatus Hem vrij te laten. Maar de Joden riepen: Als u deze man vrijlaat, bent u geen vriend van de keizer. Iedereen die zichzelf koning maakt, verzet zich tegen de keizer. 13. Toen Pilatus dit hoorde, bracht hij Jezus naar buiten. Hij ging op de rechterstoel zitten op de plaats die Lithostrotos heet, in het Aramees Gabbatha. 14. Het was de voorbereidingsdag van het pascha, ongeveer het zesde uur. Pilatus zei tegen de Joden: Kijk, jullie Koning! 15. Maar ze riepen: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus vroeg: Zal ik jullie Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen andere koning dan de keizer. 16. Toen leverde Pilatus Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Ze namen Jezus mee en brachten Hem weg. 17. Jezus droeg Zijn kruis en ging naar de plaats die de Schedelplaats heet, in het Aramees Golgotha. 18. Daar kruisigden ze Hem, samen met twee anderen. Eén hing aan elke kant en Jezus hing in het midden. 19. Pilatus schreef ook een opschrift en liet het aan het kruis bevestigen. Er stond: JEZUS UIT NAZARETH, DE KONING VAN DE JODEN. 20. Veel Joden lazen dit opschrift, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd lag dicht bij de stad. Het stond in het Hebreeuws, Grieks en Latijn. 21. De overpriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: Schrijf niet: De Koning van de Joden. Schrijf in plaats daarvan: Hij heeft gezegd: Ik ben de Koning van de Joden. 22. Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven. 23. Nadat de soldaten Jezus gekruisigd hadden, verdeelden ze Zijn kleren in vier delen, één voor elke soldaat. Het onderkleed had geen naad en was van bovenaf als één geheel geweven. 24. Daarom zeiden de soldaten tegen elkaar: Laten we het niet scheuren, maar erom loten wie het krijgt. Zo werd de Schrift vervuld: Ze hebben mijn kleren onder elkaar verdeeld en om mijn kleding geloot. Dat hebben de soldaten dus gedaan. 25. Bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en de zus van Zijn moeder. Ook stonden daar Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. 26. Jezus zag Zijn moeder en de leerling van wie Hij hield naast haar staan. Hij zei tegen Zijn moeder: Vrouw, kijk, uw zoon. 27. Daarna zei Hij tegen de leerling: Kijk, uw moeder. Vanaf dat moment nam de leerling haar bij zich in huis. 28. Jezus wist dat nu alles volbracht was. Om de Schrift te vervullen, zei Hij: Ik heb dorst. 29. Daar stond een vat vol zure wijn. Ze vulden een spons ermee, staken die op een hysopstengel en brachten hem naar Zijn mond. 30. Nadat Jezus van de zure wijn had genomen, zei Hij: Het is volbracht! Toen boog Hij Zijn hoofd en gaf Hij Zijn geest over. 31. Het was de voorbereidingsdag, en de Joden wilden niet dat de lichamen tijdens de sabbat aan het kruis bleven. Die sabbat was namelijk een grote feestdag. Daarom vroegen ze Pilatus de benen te laten breken en de lichamen weg te halen. 32. De soldaten kwamen en braken de benen van de eerste gekruisigde. Daarna braken ze de benen van de andere man die met Jezus gekruisigd was. 33. Toen ze bij Jezus kwamen, zagen ze dat Hij al gestorven was. Daarom braken ze Zijn benen niet. 34. Maar één van de soldaten stak een speer in Zijn zij. Meteen kwam er bloed en water uit. 35. Wie dit gezien heeft, heeft ervan getuigd. Zijn getuigenis is betrouwbaar, en hij weet dat hij de waarheid spreekt. Hij getuigt zodat ook jullie geloven. 36. Dit gebeurde om de Schrift te vervullen: Geen been van Hem zal worden gebroken. 37. Een andere Schrifttekst zegt: Ze zullen kijken naar Hem die ze hebben doorstoken. 38. Daarna vroeg Jozef uit Arimathea aan Pilatus of hij Jezus' lichaam mocht meenemen. Jozef was in het geheim een leerling van Jezus, omdat hij bang was voor de Joden. Pilatus gaf toestemming. Toen nam Jozef het lichaam mee. 39. Ook Nicodemus kwam. Hij was eerder 's nachts naar Jezus gegaan. Hij bracht een mengsel van mirre en aloë mee dat ongeveer 33 kilo woog. 40. Ze namen Jezus' lichaam en wikkelden het met de specerijen in linnen doeken. Zo begroeven de Joden gewoonlijk hun doden. 41. Bij de plaats waar Jezus gekruisigd was, lag een tuin. In die tuin was een nieuw graf waarin nog nooit iemand was gelegd. 42. Omdat het de Joodse voorbereidingsdag was en het graf dichtbij lag, legden ze Jezus daarin. ## Johannes 20 — Jezus staat op en verschijnt aan Zijn leerlingen 1. Op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg naar het graf, terwijl het nog donker was. Ze zag dat de steen van het graf was weggenomen. 2. Ze rende naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus hield. Ze zei: Ze hebben de Heere uit het graf weggehaald. Wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd. 3. Petrus en de andere leerling vertrokken en gingen naar het graf. 4. Ze liepen samen, maar de andere leerling liep sneller dan Petrus. Hij kwam als eerste bij het graf. 5. Hij bukte zich en zag de doeken liggen, maar ging niet naar binnen. 6. Simon Petrus kwam achter hem aan en ging wel het graf binnen. Hij zag de doeken liggen. 7. De doek die om Zijn hoofd had gezeten, lag niet bij de andere doeken. Hij lag apart, opgerold op een andere plaats. 8. Toen ging ook de andere leerling naar binnen, die als eerste bij het graf was aangekomen. Hij zag het en geloofde. 9. Want zij begrepen nog niet uit de Schrift dat Hij uit de dood moest opstaan. 10. Daarna gingen de leerlingen weer naar huis. 11. Maria bleef huilend buiten bij het graf staan. Terwijl ze huilde, boog ze voorover om in het graf te kijken. 12. Daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten. Eén zat bij het hoofdeinde en één bij het voeteneinde van de plek waar Jezus’ lichaam had gelegen. 13. De engelen vroegen haar: Vrouw, waarom huil je? Ze antwoordde: Ze hebben mijn Heere weggehaald. Ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd. 14. Nadat ze dit had gezegd, draaide ze zich om. Ze zag Jezus staan, maar wist niet dat Hij het was. 15. Jezus vroeg haar: Vrouw, waarom huil je? Wie zoek je? Maria dacht dat Hij de tuinman was en zei: Meneer, als u Hem hebt weggehaald, vertel mij dan waar u Hem hebt neergelegd. Dan haal ik Hem weg. 16. Jezus zei tegen haar: Maria! Ze draaide zich om en zei tegen Hem: Rabbouni! Dat betekent: Meester. 17. Jezus zei tegen haar: Houd mij niet vast, want ik ben nog niet naar mijn Vader opgevaren. Ga naar mijn broeders en zeg tegen hen: Ik vaar op naar mijn Vader en jullie Vader, naar mijn God en jullie God. 18. Maria Magdalena ging naar de leerlingen en vertelde hun dat zij de Heere had gezien. Ook vertelde ze wat Hij tegen haar had gezegd. 19. Die avond, op de eerste dag van de week, waren de leerlingen bij elkaar. Uit angst voor de Joden hadden ze de deuren gesloten. Jezus kwam in hun midden staan en zei: Vrede voor jullie! 20. Nadat Hij dit had gezegd, liet Hij hun Zijn handen en zijde zien. De leerlingen waren blij toen ze de Heere zagen. 21. Jezus zei opnieuw: Vrede voor jullie! Zoals de Vader mij heeft gestuurd, stuur ik ook jullie. 22. Daarna blies Hij op hen en zei: Ontvang de Heilige Geest. 23. Als jullie iemands zonden vergeven, worden die vergeven. Als jullie ze niet vergeven, blijven ze onvergeven. 24. Thomas, die Didymus werd genoemd en een van de twaalf was, was er niet bij toen Jezus kwam. 25. De andere leerlingen zeiden tegen hem: Wij hebben de Heere gezien! Maar Thomas antwoordde: Ik geloof het beslist niet, tenzij ik de spijkerwonden in Zijn handen zie. Eerst wil ik mijn vinger in die wonden en mijn hand in Zijn zijde steken. 26. Acht dagen later waren Zijn leerlingen weer binnen, nu met Thomas erbij. Hoewel de deuren gesloten waren, kwam Jezus in hun midden staan en zei: Vrede voor jullie! 27. Daarna zei Hij tegen Thomas: Leg je vinger hier en kijk naar mijn handen. Breng je hand hier en steek die in mijn zijde. Wees niet ongelovig, maar gelovig. 28. Thomas antwoordde Hem: Mijn Heere en mijn God! 29. Jezus zei tegen hem: Thomas, je gelooft omdat je mij hebt gezien. Gelukkig zijn de mensen die niet gezien hebben en toch geloven. 30. Jezus deed in het bijzijn van Zijn leerlingen nog veel andere tekenen. Die zijn niet in dit boek opgeschreven. 31. Maar deze tekenen zijn opgeschreven zodat jullie geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God. Door te geloven hebben jullie leven in Zijn naam. ## Johannes 21 — Jezus verschijnt bij het Meer van Tiberias 1. Hierna liet Jezus zich opnieuw aan Zijn leerlingen zien, bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. 2. Bij elkaar waren Simon Petrus, Thomas die Didymus werd genoemd, Nathanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en twee andere leerlingen. 3. Simon Petrus zei tegen hen: Ik ga vissen. Ze antwoordden: Wij gaan met je mee. Ze vertrokken en stapten meteen in de boot, maar die nacht vingen ze niets. 4. Toen het ochtend werd, stond Jezus op de oever. De leerlingen wisten niet dat het Jezus was. 5. Jezus vroeg hun: Kinderen, hebben jullie niets te eten? Ze antwoordden Hem: Nee. 6. Hij zei: Gooi het net aan de rechterkant van de boot uit. Dan zullen jullie vis vinden. Ze gooiden het uit en konden het door de enorme hoeveelheid vissen niet meer binnenhalen. 7. De leerling van wie Jezus hield, zei tegen Petrus: Het is de Heere! Toen Simon Petrus dat hoorde, trok hij zijn bovenkleed aan. Hij droeg namelijk geen bovenkleed. Daarna sprong hij in het meer. 8. De andere leerlingen kwamen met het bootje naar de kant. Ze waren nog maar ongeveer 90 meter van de oever en sleepten het net vol vissen achter zich aan. 9. Toen ze aan land kwamen, zagen ze een kolenvuur met vis erop en brood erbij. 10. Jezus zei tegen hen: Breng wat van de vissen die jullie net gevangen hebben. 11. Simon Petrus klom in de boot en trok het net aan land. Het zat vol met 153 grote vissen. Ondanks die hoeveelheid scheurde het net niet. 12. Jezus zei: Kom hier en eet. Geen van de leerlingen durfde Hem te vragen wie Hij was. Ze wisten dat het de Heere was. 13. Jezus kwam naar hen toe, nam het brood en gaf het hun. Hetzelfde deed Hij met de vis. 14. Dit was de derde keer dat Jezus zich aan Zijn leerlingen liet zien nadat Hij uit de dood was opgewekt. 15. Na de maaltijd vroeg Jezus aan Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, houd je meer van mij dan de anderen van mij houden? Petrus antwoordde: Ja, Heere. U weet dat ik U liefheb. Jezus zei: Geef mijn lammeren te eten. 16. Voor de tweede keer vroeg Jezus: Simon, zoon van Jonas, heb je mij lief? Petrus antwoordde: Ja, Heere. U weet dat ik U liefheb. Jezus zei: Zorg voor mijn schapen. 17. Voor de derde keer vroeg Hij: Simon, zoon van Jonas, heb je mij lief? Petrus werd verdrietig omdat Hij voor de derde keer vroeg of hij Hem liefhad. Hij antwoordde: Heere, U weet alles. U weet dat ik U liefheb. Jezus zei: Geef mijn schapen te eten. 18. Luister goed, ik verzeker je: toen je jonger was, deed je zelf je gordel om en ging je waar je wilde. Maar als je oud wordt, zul je je handen uitstrekken. Iemand anders zal je gordel omdoen en je brengen waar je niet heen wilt. 19. Hiermee maakte Hij duidelijk door welke dood Petrus God zou verheerlijken. Daarna zei Hij tegen Petrus: Volg mij. 20. Petrus draaide zich om en zag de leerling volgen van wie Jezus hield. Deze leerling had tijdens de maaltijd dicht naast Jezus aan tafel gelegen. Hij had toen gevraagd: Heere, wie zal U verraden? 21. Toen Petrus hem zag, vroeg hij aan Jezus: Heere, wat zal er met hem gebeuren? 22. Jezus antwoordde: Als ik wil dat hij blijft totdat ik kom, wat gaat jou dat aan? Jij moet mij volgen. 23. Daarom verspreidde zich onder de broeders het bericht dat deze leerling niet zou sterven. Maar Jezus had niet gezegd dat hij niet zou sterven. Hij had gezegd: Als ik wil dat hij blijft totdat ik kom, wat gaat jou dat aan? 24. Dit is de leerling die over deze dingen getuigt en ze heeft opgeschreven. Wij weten dat zijn getuigenis betrouwbaar is. 25. Jezus heeft nog veel meer gedaan. Als elk daarvan afzonderlijk werd opgeschreven, zou volgens mij zelfs de wereld niet genoeg ruimte hebben voor al die boeken. Amen. ## Handelingen 1 — De belofte van de Geest en de hemelvaart 1. In mijn eerste boek heb ik geschreven over alles wat Jezus deed en leerde, beste Theofilus. 2. Ik schreef tot aan de dag dat Hij werd opgenomen. Daarvoor had Hij door de Heilige Geest opdracht gegeven aan de apostelen die Hij had uitgekozen. 3. Na Zijn lijden liet Hij hun zien dat Hij leefde. Veertig dagen lang verscheen Hij aan hen met veel duidelijke bewijzen. Hij sprak met hen over het koninkrijk van God. 4. Toen Hij met hen samen was, gaf Hij hun deze opdracht: Ga niet weg uit Jeruzalem, maar wacht op wat de Vader beloofd heeft. Daarover hebben jullie mij horen spreken. 5. Johannes doopte met water, maar over enkele dagen worden jullie gedoopt met de Heilige Geest. 6. De leerlingen die daar samen waren, vroegen Hem: Heere, gaat U in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen? 7. Hij zei tegen hen: Het is niet aan jullie om de tijden en momenten te weten die de Vader in Zijn eigen macht heeft vastgesteld. 8. Maar jullie zullen kracht ontvangen als de Heilige Geest over jullie komt. Dan zullen jullie mijn getuigen zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, en tot aan het einde van de aarde. 9. Toen Hij dit gezegd had, werd Hij voor hun ogen opgenomen. Een wolk nam Hem weg, zodat zij Hem niet meer zagen. 10. Zij bleven naar de hemel kijken terwijl Hij wegging. Ineens stonden er twee mannen bij hen in witte kleren. 11. Die zeiden: Mannen uit Galilea, waarom staan jullie naar de hemel te kijken? Deze Jezus, die van jullie is weggenomen naar de hemel, komt net zo terug als jullie Hem hebben zien weggaan. 12. Toen gingen zij terug naar Jeruzalem, van de berg die de Olijfberg heet. Die ligt vlak bij Jeruzalem, op een sabbatsreis afstand. 13. Zij kwamen in de stad en gingen naar de bovenzaal waar zij verbleven. Daar waren Petrus en Jakobus, Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs. Ook Jakobus, de zoon van Alfeüs, Simon de Zeloot en Judas, de broer van Jakobus, waren er. 14. Zij bleven allemaal eensgezind bidden en smeken. De vrouwen waren erbij, en ook Maria, de moeder van Jezus, en Zijn broers. 15. In die dagen stond Petrus op tussen de gelovigen. Er was een groep van ongeveer 120 mensen bij elkaar. Hij zei: 16. Broeders, dit schriftwoord moest in vervulling gaan. De Heilige Geest heeft het door de mond van David gesproken over Judas, die de weg wees aan de mannen die Jezus gevangennamen. 17. Judas hoorde bij ons en had zijn eigen deel in deze dienst gekregen. 18. Van het loon voor zijn onrecht heeft hij een stuk grond gekocht. Daar is hij voorover gevallen. Zijn lichaam is opengebarsten en al zijn ingewanden kwamen naar buiten. 19. Alle inwoners van Jeruzalem hebben dat gehoord. Daarom noemen zij dat stuk grond in hun eigen taal Akeldama, en dat betekent: bloedakker. 20. Want in het boek van de Psalmen staat geschreven: Laat zijn woonplaats leeg worden, en laat er niemand meer wonen. En ook: Laat een ander zijn taak overnemen. 21. Daarom moeten wij iemand aanvullen uit de mannen die al die tijd met ons zijn opgetrokken. Dat was de tijd waarin de Heere Jezus onder ons in- en uitging. 22. Die tijd begon bij de doop van Johannes en liep tot de dag dat Hij van ons werd opgenomen. Een van hen moet samen met ons getuige zijn van Zijn opstanding. 23. Zij stelden er twee voor: Jozef, die Barsabbas genoemd werd en ook Justus heette, en Matthias. 24. Zij baden: Heere, U kent het hart van alle mensen. Wijs van deze twee de man aan die U hebt uitgekozen. 25. Hij moet de plaats innemen in deze dienst als apostel. Judas heeft die plaats verlaten en is naar zijn eigen plaats gegaan. 26. Zij wierpen het lot, en het lot viel op Matthias. Zo werd hij bij de elf apostelen gerekend. ## Handelingen 2 — Pinksteren 1. Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak, waren zij allemaal eensgezind bij elkaar. 2. Plotseling kwam er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag. Het vulde het hele huis waar zij zaten. 3. Zij zagen iets als vlammen van vuur, die zich verdeelden en op ieder van hen neerkwamen. 4. Zij werden allemaal vervuld met de Heilige Geest. Zij begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. 5. In Jeruzalem woonden Joden, vrome mannen uit alle volken onder de hemel. 6. Toen dat geluid klonk, kwam de menigte samen. Zij raakten in verwarring, want iedereen hoorde hen in zijn eigen taal spreken. 7. Zij waren verbaasd en verwonderd. Zij zeiden tegen elkaar: Kijk, zijn die mensen die daar spreken niet allemaal Galileeërs? 8. Hoe kan het dan dat wij hen ieder in onze eigen moedertaal horen? 9. Wij zijn Parthen, Meden en Elamieten. Anderen wonen in Mesopotamië, Judea en Kappadocië, in Pontus en Asia. 10. Weer anderen komen uit Frygië en Pamfylië, uit Egypte en uit de streken van Libië bij Cyrene. Er zijn Romeinen op bezoek, Joden en mensen die zich bij het Jodendom hebben aangesloten. 11. Er zijn Kretenzers en Arabieren. Wij horen hen in onze eigen talen spreken over de grote daden van God. 12. Zij waren allemaal verbaasd en wisten het niet meer. Zij zeiden tegen elkaar: Wat betekent dit toch? 13. Maar anderen zeiden spottend: Zij hebben te veel zoete wijn gedronken. 14. Toen ging Petrus staan met de elf anderen. Hij verhief zijn stem en zei: Joodse mannen en alle inwoners van Jeruzalem, luister goed naar mijn woorden. 15. Deze mensen zijn niet dronken, zoals jullie denken. Het is pas het derde uur van de dag volgens de oude dagtelling. 16. Maar dit is wat de profeet Joël gezegd heeft: 17. In de laatste dagen, zegt God, zal ik mijn Geest uitstorten over alle mensen. Jullie zonen en dochters zullen profeteren. Jullie jonge mannen zullen visioenen zien en jullie oude mannen zullen dromen dromen. 18. Zelfs over mijn dienaren en dienaressen zal ik in die dagen mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. 19. Ik zal wonderen laten zien boven in de hemel en tekenen beneden op de aarde: bloed, vuur en rookwalm. 20. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en stralende dag van de Heere komt. 21. En dan zal iedereen die de Naam van de Heere aanroept, gered worden. 22. Israëlieten, luister naar deze woorden. Jezus uit Nazareth was een man die God aan jullie bekendmaakte. Dat deed Hij door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem onder jullie gedaan heeft. Dat weten jullie zelf. 23. God had dit zo besloten en van tevoren geweten. Toch hebben jullie Hem uitgeleverd, aan het kruis laten slaan door goddeloze mannen en gedood. 24. Maar God heeft Hem opgewekt. Hij maakte een einde aan de weeën van de dood, want het was niet mogelijk dat de dood Hem vasthield. 25. Want David zegt over Hem: Ik zag de Heere altijd voor mij. Hij is aan mijn rechterhand, zodat ik niet wankel. 26. Daarom is mijn hart blij en juicht mijn tong. Ook mijn lichaam zal rusten in hoop. 27. Want U zult mij niet achterlaten in het dodenrijk. U zult niet toelaten dat Uw Heilige het graf ziet. 28. U hebt mij de wegen van het leven bekendgemaakt. U zult mij vervullen met vreugde voor Uw aangezicht. 29. Broeders, ik mag vrijuit tegen jullie zeggen dat onze voorvader David gestorven en begraven is. Zijn graf is tot op vandaag bij ons. 30. Hij was een profeet en wist dat God hem met een eed beloofd had. Uit zijn nakomelingen zou God de Christus laten voortkomen en Hem op zijn troon zetten. 31. David zag dat vooruit en sprak over de opstanding van Christus. Zijn ziel is niet achtergelaten in het dodenrijk, en Zijn lichaam heeft het graf niet gezien. 32. Deze Jezus heeft God opgewekt, en daarvan zijn wij allemaal getuigen. 33. Hij is verhoogd door de rechterhand van God. Van de Vader heeft Hij de beloofde Heilige Geest ontvangen. Die heeft Hij uitgestort, en dat zien en horen jullie nu. 34. Want David is niet naar de hemel opgestegen. Toch zegt hij: De Heere heeft gesproken tot mijn Heere: Kom aan mijn rechterhand zitten, 35. totdat ik van jouw vijanden een voetenbank voor jouw voeten maak. 36. Laat heel het huis van Israël dan zeker weten: God heeft deze Jezus, die jullie gekruisigd hebben, tot Heere en Christus gemaakt. 37. Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart geraakt. Zij zeiden tegen Petrus en de andere apostelen: Broeders, wat moeten wij doen? 38. Petrus zei tegen hen: Bekeer je, en laat je allemaal dopen in de Naam van Jezus Christus, zodat je zonden vergeven worden. Dan zullen jullie de gave van de Heilige Geest ontvangen. 39. Want de belofte is voor jullie en jullie kinderen, en voor iedereen die ver weg is, zoveel als de Heere, onze God, erbij roepen zal. 40. Met nog veel meer woorden legde hij het hun voor. Hij drong bij hen aan: Laat je redden uit deze verdorven generatie! 41. Wie zijn woord aannam, liet zich dopen. Die dag kwamen er ongeveer 3.000 mensen bij. 42. Zij bleven trouw aan het onderwijs van de apostelen en aan de onderlinge gemeenschap, aan het breken van het brood en aan de gebeden. 43. Ontzag kwam over iedereen. Door de apostelen gebeurden er veel wonderen en tekenen. 44. Alle gelovigen waren bij elkaar en hadden alles samen. 45. Zij verkochten hun bezittingen en spullen. De opbrengst verdeelden zij onder iedereen die iets nodig had. 46. Elke dag waren zij eensgezind in de tempel. In de huizen braken zij het brood. Zij aten samen met vreugde en met een eenvoudig hart. 47. Zij prezen God en stonden bij het hele volk in de gunst. En de Heere voegde er dagelijks mensen aan toe die gered werden. ## Handelingen 3 — De verlamde man bij de Schone poort 1. Petrus en Johannes gingen samen naar de tempel. Het was het uur van het gebed, het negende uur volgens de oude dagtelling. 2. Daar werd een man gedragen die vanaf zijn geboorte verlamd was. Elke dag zetten zij hem bij de tempelpoort die de Schone heet. Daar vroeg hij om een gift aan de mensen die de tempel binnengingen. 3. Hij zag Petrus en Johannes toen zij de tempel binnen wilden gaan. Hij vroeg hun om een gift. 4. Petrus keek hem strak aan, samen met Johannes, en zei: Kijk ons aan. 5. De man hield zijn ogen op hen gericht, want hij verwachtte iets van hen te krijgen. 6. Maar Petrus zei: Zilver en goud heb ik niet. Wat ik wel heb, geef ik je: in de Naam van Jezus Christus uit Nazareth, sta op en loop! 7. Hij pakte hem bij zijn rechterhand en trok hem omhoog. Meteen werden zijn voeten en enkels sterk. 8. Hij sprong op, bleef staan en liep. Hij ging met hen de tempel binnen, lopend en springend, en hij prees God. 9. Het hele volk zag hem lopen en God prijzen. 10. Zij herkenden hem als de man die om een gift zat te vragen bij de Schone poort van de tempel. Zij waren vol verbazing en ontzetting over wat er met hem gebeurd was. 11. De man die genezen was, hield Petrus en Johannes vast. Het hele volk liep verbaasd naar hen toe in de zuilengang die de zuilengang van Salomo heet. 12. Toen Petrus dat zag, zei hij tegen het volk: Israëlieten, waarom verbazen jullie je hierover? Waarom kijken jullie ons zo aan, alsof wij deze man door eigen kracht of vroomheid hebben laten lopen? 13. De God van Abraham, Izak en Jakob, de God van onze voorouders, heeft Zijn dienaar Jezus verheerlijkt. Jullie hebben Hem uitgeleverd en verloochend bij Pilatus, die had besloten Hem los te laten. 14. Jullie hebben de Heilige en Rechtvaardige verloochend. In plaats daarvan vroegen jullie om een moordenaar. 15. De Vorst van het leven hebben jullie gedood, maar God heeft Hem uit de doden opgewekt. Daarvan zijn wij getuigen. 16. Door het geloof in Zijn Naam heeft die Naam deze man sterk gemaakt. Jullie zien en kennen hem. Het geloof dat door Jezus komt, heeft hem in jullie bijzijn helemaal gezond gemaakt. 17. Broeders, ik weet dat jullie het uit onwetendheid gedaan hebben, net als jullie leiders. 18. God had door de mond van al Zijn profeten van tevoren gezegd dat de Christus zou lijden. Zo heeft Hij dat in vervulling laten gaan. 19. Kom daarom tot inkeer en bekeer je, zodat jullie zonden worden uitgewist. Dan zullen er tijden van verkwikking komen van de Heere. 20. Dan zal Hij Jezus Christus sturen, die van tevoren aan jullie is aangekondigd. 21. De hemel moet Hem ontvangen tot de tijd waarin alles hersteld wordt. Daarover heeft God gesproken door de mond van al Zijn heilige profeten, van oudsher. 22. Want Mozes heeft tegen de voorouders gezegd: De Heere, jullie God, zal uit jullie volksgenoten een profeet laten opstaan, zoals mij. Naar Hem moeten jullie luisteren in alles wat Hij tegen jullie zegt. 23. En iedereen die niet naar deze profeet luistert, zal uit het volk verwijderd worden. 24. Ook alle profeten vanaf Samuël, en die na hem kwamen, hebben over deze dagen gesproken. 25. Jullie zijn kinderen van de profeten en van het verbond dat God met jullie voorouders sloot. Hij zei tegen Abraham: In jouw nageslacht zullen alle volken op aarde gezegend worden. 26. God heeft Zijn dienaar Jezus laten opstaan en Hem eerst naar jullie gestuurd. Hij zegent jullie door ieder van jullie af te brengen van zijn slechte daden. ## Handelingen 4 — Petrus en Johannes voor de Raad 1. Terwijl zij tot het volk spraken, kwamen de priesters op hen af, met de bevelhebber van de tempelwacht en de sadduceeën. 2. Zij waren erg boos, omdat de apostelen het volk onderwezen en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden. 3. Zij grepen hen en zetten hen vast tot de volgende dag, want het was al avond. 4. Maar veel mensen die het woord gehoord hadden, kwamen tot geloof. Het aantal mannen groeide tot ongeveer 5.000. 5. De volgende dag kwamen hun leiders, oudsten en schriftgeleerden in Jeruzalem bij elkaar. 6. Ook Annas, de hogepriester, was er, met Kajafas, Johannes en Alexander, en iedereen die bij de familie van de hogepriester hoorde. 7. Zij zetten Petrus en Johannes in het midden en vroegen: Door welke kracht of door welke naam hebben jullie dit gedaan? 8. Toen zei Petrus, vervuld met de Heilige Geest, tegen hen: Leiders van het volk en oudsten van Israël, 9. vandaag worden wij ondervraagd over een goede daad aan een zieke man, en over de vraag hoe hij genezen is. 10. Laat het jullie en heel het volk Israël dan bekend zijn. Door de Naam van Jezus Christus uit Nazareth staat deze man gezond voor jullie. Hem hebben jullie gekruisigd, en God heeft Hem uit de doden opgewekt. 11. Hij is de steen die door jullie, de bouwers, is afgekeurd, maar die de hoeksteen geworden is. 12. In niemand anders is redding te vinden. Er is onder de hemel geen andere naam aan mensen gegeven waardoor wij gered moeten worden. 13. Zij zagen hoe vrijmoedig Petrus en Johannes waren en merkten dat het eenvoudige, ongeleerde mensen waren. Daar verbaasden zij zich over. Zij herkenden hen als mensen die bij Jezus geweest waren. 14. Zij zagen ook de genezen man bij hen staan, en daarom konden zij er niets tegen inbrengen. 15. Zij lieten hen buiten de Raad wachten en overlegden met elkaar. 16. Zij zeiden: Wat moeten wij met deze mensen doen? Iedereen in Jeruzalem weet dat er een duidelijk teken door hen gebeurd is, en dat kunnen wij niet ontkennen. 17. Maar dit mag zich niet verder onder het volk verspreiden. Laten wij hen streng verbieden nog tegen iemand over deze Naam te spreken. 18. Zij riepen hen binnen en verboden hun helemaal te spreken of te onderwijzen in de Naam van Jezus. 19. Maar Petrus en Johannes antwoordden: Oordeel zelf of het voor God juist is om meer naar jullie te luisteren dan naar God. 20. Wij kunnen niet zwijgen over wat wij gezien en gehoord hebben. 21. Zij dreigden nog meer, maar lieten hen gaan. Zij konden geen manier vinden om hen te straffen, vanwege het volk. Iedereen prees God om wat er gebeurd was. 22. De man bij wie dit teken van genezing gebeurd was, was namelijk ouder dan 40 jaar. 23. Toen zij vrijgelaten waren, gingen zij naar de anderen. Zij vertelden alles wat de overpriesters en de oudsten tegen hen gezegd hadden. 24. Toen de anderen dat hoorden, riepen zij eensgezind tot God. Zij zeiden: Heere, U hebt de hemel, de aarde en de zee gemaakt, met alles wat daarin is. 25. Door de Heilige Geest hebt U bij monde van onze voorvader David, Uw dienaar, gezegd: Waarom razen de volken en smeden zij zinloze plannen? 26. De koningen van de aarde staan op en de leiders spannen samen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde. 27. Werkelijk, in deze stad hebben Herodes en Pontius Pilatus samengespannen tegen Uw heilige dienaar Jezus, die U gezalfd hebt. Zij deden dat samen met de volken en met Israël. 28. Zo deden zij alles wat Uw hand en Uw wil van tevoren bepaald hadden. 29. En nu, Heere, let op hun dreigementen. Geef Uw dienaren de vrijmoedigheid om Uw woord te spreken. 30. Strek Uw hand uit om te genezen. Laat tekenen en wonderen gebeuren door de Naam van Uw heilige dienaar Jezus. 31. Toen zij gebeden hadden, beefde de plaats waar zij bij elkaar waren. Zij werden allemaal vervuld met de Heilige Geest en spraken het woord van God met vrijmoedigheid. 32. De menigte van gelovigen was één van hart en ziel. Niemand zei dat zijn bezit alleen van hem was; zij hadden alles samen. 33. De apostelen getuigden met grote kracht van de opstanding van de Heere Jezus. Er rustte grote genade op hen allemaal. 34. Niemand onder hen leed gebrek. Wie land of huizen bezat, verkocht dat en bracht de opbrengst mee. 35. Zij legden het geld aan de voeten van de apostelen. Iedereen kreeg wat hij nodig had. 36. Ook Joses deed dat, een Leviet uit Cyprus. De apostelen noemden hem Barnabas, wat betekent: zoon van de troost. 37. Hij had een stuk land. Dat verkocht hij, en het geld legde hij aan de voeten van de apostelen. ## Handelingen 5 — Ananias en Saffira, en de apostelen voor de Raad 1. Een man die Ananias heette, verkocht samen met zijn vrouw Saffira een stuk grond. 2. Met medeweten van zijn vrouw hield hij een deel van de opbrengst achter. De rest bracht hij naar de apostelen en legde het aan hun voeten. 3. Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan je hart gevuld, zodat je tegen de Heilige Geest gelogen hebt? Je hebt een deel van de opbrengst van het land achtergehouden. 4. Als je het land gehouden had, was het toch van jou? En toen je het verkocht had, mocht je toch zelf over het geld beslissen? Waarom heb je dit in je hart bedacht? Je hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God. 5. Toen Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en stierf. Iedereen die het hoorde, werd door grote angst gegrepen. 6. De jonge mannen stonden op, wikkelden hem in doeken, droegen hem naar buiten en begroeven hem. 7. Ongeveer drie uur later kwam zijn vrouw binnen. Zij wist niet wat er gebeurd was. 8. Petrus vroeg haar: Zeg mij, hebben jullie het land voor dit bedrag verkocht? Zij zei: Ja, voor dat bedrag. 9. Petrus zei tegen haar: Waarom hebben jullie samen afgesproken de Geest van de Heere uit te dagen? Kijk, de mannen die je man begraven hebben, staan voor de deur. Zij zullen ook jou naar buiten dragen. 10. Meteen viel zij neer voor zijn voeten en stierf. De jonge mannen kwamen binnen, vonden haar dood en droegen haar naar buiten. Zij begroeven haar bij haar man. 11. Grote angst kwam over de hele gemeenschap van gelovigen en over iedereen die dit hoorde. 12. Door de handen van de apostelen gebeurden er veel tekenen en wonderen onder het volk. Zij waren allemaal eensgezind bij elkaar in de zuilengang van Salomo. 13. Van de anderen durfde niemand zich bij hen aan te sluiten, maar het volk had veel achting voor hen. 14. Er kwamen er steeds meer bij die in de Heere geloofden, grote groepen mannen en vrouwen. 15. Zij droegen de zieken zelfs de straat op en legden hen op bedden en matten. Zo kon de schaduw van Petrus in elk geval op een van hen vallen als hij langskwam. 16. Ook uit de steden rondom Jeruzalem kwamen de mensen samen. Zij brachten zieken mee en mensen die door onreine geesten gekweld werden, en zij werden allemaal genezen. 17. Toen kwamen de hogepriester en al zijn medestanders in actie, de partij van de sadduceeën. Zij werden vervuld met jaloezie. 18. Zij grepen de apostelen en zetten hen in de openbare gevangenis. 19. Maar 's nachts opende een engel van de Heere de deuren van de gevangenis. Hij bracht hen naar buiten en zei: 20. Ga naar de tempel, ga daar staan en vertel het volk alles over dit nieuwe leven. 21. Toen zij dat gehoord hadden, gingen zij bij het aanbreken van de dag naar de tempel en gaven onderwijs. De hogepriester en zijn medestanders riepen intussen de Raad bijeen, met alle oudsten van Israël. Zij stuurden dienaren naar de gevangenis om de apostelen te halen. 22. Maar toen de dienaren daar kwamen, vonden zij hen niet in de gevangenis. Zij gingen terug en brachten verslag uit. 23. Zij zeiden: Wij vonden de gevangenis zorgvuldig afgesloten, en de bewakers stonden voor de deuren. Maar toen wij opendeden, vonden wij niemand binnen. 24. De hogepriester, de bevelhebber van de tempelwacht en de overpriesters hoorden dit. Zij wisten niet wat zij ermee aan moesten en vroegen zich af waar dit op uit zou lopen. 25. Toen kwam er iemand die hun vertelde: Kijk, de mannen die jullie in de gevangenis gezet hebben, staan in de tempel en onderwijzen het volk. 26. De bevelhebber ging erheen met zijn dienaren en bracht hen mee, maar niet met geweld. Zij waren namelijk bang dat het volk hen zou stenigen. 27. Zij brachten de apostelen naar de Raad. De hogepriester ondervroeg hen en zei: 28. Hebben wij jullie niet streng verboden in deze Naam te onderwijzen? En kijk, jullie hebben Jeruzalem gevuld met jullie leer. Jullie willen het bloed van deze Man over ons brengen. 29. Maar Petrus en de apostelen antwoordden: Men moet God meer gehoorzamen dan mensen. 30. De God van onze voorouders heeft Jezus opgewekt. Jullie hebben Hem gedood door Hem aan een kruishout te hangen. 31. God heeft Hem door Zijn rechterhand verhoogd tot Leider en Redder. Zo kan Hij Israël bekering en vergeving van zonden geven. 32. Wij zijn getuigen van deze woorden, en ook de Heilige Geest, die God gegeven heeft aan wie Hem gehoorzamen. 33. Toen zij dit hoorden, barstten zij van woede. Zij wilden hen doden. 34. Maar een farizeeër in de Raad stond op. Hij heette Gamaliël en was een leraar van de wet, in aanzien bij het hele volk. Hij liet de apostelen even naar buiten brengen. 35. Hij zei tegen de Raad: Israëlieten, kijk goed uit wat jullie met deze mensen gaan doen. 36. Niet lang geleden stond Theudas op. Hij zei dat hij iemand was, en ongeveer 400 mannen sloten zich bij hem aan. Hij is gedood, en al zijn aanhangers zijn uiteengevallen en verdwenen. 37. Na hem stond Judas de Galileeër op, in de dagen van de volkstelling. Hij kreeg veel volk achter zich, maar ook hij is omgekomen, en al zijn aanhangers zijn verspreid. 38. Daarom zeg ik jullie nu: blijf van deze mensen af en laat hen gaan. Want als dit plan of dit werk uit mensen is, gaat het vanzelf kapot. 39. Maar als het uit God is, kunnen jullie het niet kapotmaken. Pas op dat jullie niet blijken te strijden tegen God. 40. Zij lieten zich door hem overtuigen. Zij riepen de apostelen binnen, lieten hen geselen en verboden hun te spreken in de Naam van Jezus. Daarna lieten zij hen gaan. 41. De apostelen gingen blij weg bij de Raad. Zij waren waardig gekeurd om vernedering te lijden om Zijn Naam. 42. Elke dag gingen zij door met onderwijzen in de tempel en in de huizen. Zij bleven Jezus Christus verkondigen. ## Handelingen 6 — Zeven dienaren en de aanklacht tegen Stefanus 1. In die tijd groeide het aantal leerlingen. De Griekssprekende gelovigen begonnen te mopperen op de Hebreeuwssprekende. Hun weduwen werden namelijk overgeslagen bij de dagelijkse verzorging. 2. De twaalf riepen alle leerlingen bij elkaar. Zij zeiden: Het is niet goed dat wij het woord van God laten liggen om aan tafel te dienen. 3. Kies daarom uit jullie midden zeven mannen die goed bekend staan, vol van de Heilige Geest en van wijsheid. Die stellen wij aan voor deze taak. 4. Wij zullen ons blijven wijden aan het gebed en aan de dienst van het woord. 5. Dit voorstel beviel iedereen. Zij kozen Stefanus, een man vol geloof en Heilige Geest. Verder kozen zij Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon en Parmenas. Ook Nicolaüs uit Antiochië hoorde erbij, die zich bij het Jodendom had aangesloten. 6. Zij brachten hen bij de apostelen. Die baden en legden hun de handen op. 7. Het woord van God verspreidde zich. Het aantal leerlingen in Jeruzalem groeide sterk, en ook een grote groep priesters werd gehoorzaam aan het geloof. 8. Stefanus was vol geloof en kracht. Hij deed wonderen en grote tekenen onder het volk. 9. Maar er stonden mensen op uit de synagoge van de Libertijnen, de Cyreneeërs en de Alexandrijnen, en uit Cilicië en Asia. Zij gingen met Stefanus in discussie. 10. Zij konden niet op tegen de wijsheid en de Geest waarmee hij sprak. 11. Toen huurden zij mannen in die zeiden: Wij hebben hem lasterlijke woorden horen spreken tegen Mozes en tegen God. 12. Zo hitsten zij het volk op, en ook de oudsten en de schriftgeleerden. Zij overvielen Stefanus, grepen hem en brachten hem voor de Raad. 13. Zij lieten valse getuigen optreden, die zeiden: Deze man houdt niet op met lasterlijke woorden tegen deze heilige plaats en tegen de wet. 14. Wij hebben hem horen zeggen dat Jezus uit Nazareth deze plaats zal afbreken. Hij zou ook de gebruiken veranderen die Mozes ons heeft doorgegeven. 15. Iedereen in de Raad keek naar hem. Zij zagen dat zijn gezicht was als het gezicht van een engel. ## Handelingen 7 — De toespraak van Stefanus 1. De hogepriester vroeg: Is dit allemaal waar? 2. Stefanus zei: Broeders en vaders, luister. De God van de heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham. Dat was in Mesopotamië, voordat hij in Charran woonde. 3. God zei tegen hem: Ga weg uit je land en bij je familie vandaan. Kom naar het land dat ik je zal wijzen. 4. Toen ging hij weg uit het land van de Chaldeeën en woonde in Charran. Na de dood van zijn vader bracht God hem naar dit land, waar jullie nu wonen. 5. God gaf hem hier geen eigen grond, zelfs geen voetbreed. Wel beloofde Hij het land aan hem en aan zijn nageslacht, terwijl hij nog geen kind had. 6. God zei dat zijn nageslacht vreemdeling zou zijn in een vreemd land. Zij zouden er slaaf worden en 400 jaar slecht behandeld worden. 7. God zei ook: Ik zal het volk oordelen dat hen als slaven houdt. Daarna zullen zij wegtrekken en mij op deze plaats dienen. 8. God gaf hem het verbond van de besnijdenis. Zo kreeg Abraham Izak en besneed hem op de achtste dag. Izak kreeg Jakob, en Jakob de twaalf aartsvaders. 9. De aartsvaders werden jaloers en verkochten Jozef naar Egypte. Maar God was met hem. 10. God redde hem uit al zijn moeiten. Hij gaf hem gunst en wijsheid bij Farao, de koning van Egypte. Die maakte hem tot bestuurder over Egypte en over zijn hele huis. 11. Toen kwam er hongersnood over heel Egypte en Kanaän, en grote nood. Onze voorouders vonden geen eten. 12. Jakob hoorde dat er koren in Egypte was. Daarom stuurde hij onze voorouders er een eerste keer heen. 13. De tweede keer maakte Jozef zich aan zijn broers bekend. Zo hoorde Farao over de familie van Jozef. 14. Jozef liet zijn vader Jakob halen, met zijn hele familie, 75 personen in totaal. 15. Jakob trok naar Egypte. Daar stierf hij, en ook onze voorouders. 16. Zij werden overgebracht naar Sichem en gelegd in het graf dat Abraham voor geld gekocht had van de zonen van Emmor in Sichem. 17. De tijd kwam dichterbij dat God zijn belofte aan Abraham zou vervullen. Het volk groeide en werd talrijk in Egypte. 18. Toen stond er een andere koning op, die Jozef niet gekend had. 19. Hij ging listig om met ons volk en behandelde onze voorouders slecht. Hij dwong hen hun pasgeboren kinderen weg te doen, zodat die niet in leven bleven. 20. In die tijd werd Mozes geboren. Hij was bijzonder mooi. Drie maanden werd hij opgevoed in het huis van zijn vader. 21. Toen hij weggelegd werd, nam de dochter van Farao hem mee. Zij voedde hem op als haar eigen zoon. 22. Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren. Hij was machtig in zijn woorden en daden. 23. Toen hij 40 jaar was, kwam het in zijn hart op om naar zijn volksgenoten te gaan, de Israëlieten. 24. Hij zag dat een van hen onrecht werd aangedaan. Hij verdedigde de man en wreekte hem door de Egyptenaar neer te slaan. 25. Hij dacht dat zijn volksgenoten zouden begrijpen dat God hun door zijn hand redding gaf. Maar zij begrepen het niet. 26. De volgende dag zag hij twee van hen vechten. Hij probeerde hen te verzoenen en zei: Mannen, jullie zijn volksgenoten. Waarom doen jullie elkaar onrecht aan? 27. Maar de man die zijn naaste onrecht deed, duwde hem weg. Hij zei: Wie heeft jou aangesteld als leider en rechter over ons? 28. Wil je mij soms ook doden, zoals je gisteren die Egyptenaar gedood hebt? 29. Om dat woord vluchtte Mozes. Hij werd vreemdeling in het land Midian, en daar kreeg hij twee zonen. 30. Na 40 jaar verscheen de Engel van de Heere aan hem in de woestijn bij de berg Sinaï, in een vlammend vuur uit een doornstruik. 31. Toen Mozes dat zag, verbaasde hij zich over dat gezicht. Hij liep erheen om het te bekijken. Toen klonk de stem van de Heere: 32. Ik ben de God van je voorouders, de God van Abraham, Izak en Jakob. Mozes begon te beven en durfde niet te kijken. 33. De Heere zei tegen hem: Doe je sandalen uit, want de plaats waar je staat, is heilige grond. 34. Ik heb de mishandeling van mijn volk in Egypte goed gezien. Ik heb hun zuchten gehoord en ben neergekomen om hen te bevrijden. Kom nu, ik stuur je naar Egypte. 35. Deze Mozes hadden zij verworpen met de woorden: Wie heeft jou aangesteld als leider en rechter? Juist hem stuurde God als leider en bevrijder, door de Engel die aan hem verschenen was in de doornstruik. 36. Hij heeft hen weggeleid en deed wonderen en tekenen in Egypte, bij de Rode Zee en 40 jaar in de woestijn. 37. Dit is de Mozes die tegen de Israëlieten zei: De Heere, jullie God, zal uit jullie volksgenoten een profeet laten opstaan, zoals mij. Naar Hem moeten jullie luisteren. 38. Hij was erbij toen het volk in de woestijn bij elkaar kwam. Hij was er met de Engel die op de berg Sinaï tot hem sprak, en met onze voorouders. Hij ontving levende woorden om aan ons door te geven. 39. Maar onze voorouders wilden hem niet gehoorzamen. Zij wezen hem af en verlangden in hun hart terug naar Egypte. 40. Zij zeiden tegen Aäron: Maak goden voor ons die voor ons uit gaan. Want wij weten niet wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte geleid heeft. 41. In die dagen maakten zij een kalf. Zij brachten een offer aan dat beeld en waren blij met het werk van hun eigen handen. 42. Toen keerde God zich af en liet hen de sterren van de hemel dienen. Zo staat het in het boek van de profeten: Hebben jullie mij 40 jaar in de woestijn slachtoffers en offers gebracht, huis van Israël? 43. Jullie hebben de tent van Moloch meegedragen en de ster van jullie god Remfan, de beelden die jullie gemaakt hebben om te aanbidden. Daarom zal ik jullie wegvoeren tot voorbij Babel. 44. Onze voorouders hadden in de woestijn de tent van de getuigenis. God had Mozes opgedragen die te maken naar het voorbeeld dat hij gezien had. 45. Onze voorouders namen die tent over. Met Jozua brachten zij hem in het land van de volken die God voor hen verdreef. Zo bleef het tot de dagen van David. 46. David vond gunst bij God. Hij vroeg of hij een woning mocht bouwen voor de God van Jakob. 47. Maar Salomo bouwde Hem een huis. 48. Toch woont de Allerhoogste niet in huizen die met handen gemaakt zijn. Want de profeet zegt: 49. De hemel is mijn troon en de aarde de voetenbank voor mijn voeten. Wat voor huis zouden jullie voor mij bouwen, zegt de Heere? Of waar zou mijn rustplaats zijn? 50. Heeft mijn hand dit alles niet gemaakt? 51. Jullie zijn koppig en jullie hart en oren staan niet open voor God. Jullie verzetten je altijd tegen de Heilige Geest, net als jullie voorouders. 52. Welke profeet hebben jullie voorouders niet vervolgd? Zij hebben de mensen gedood die de komst van de Rechtvaardige aankondigden. En nu hebben jullie Hem verraden en vermoord. 53. Jullie hebben de wet ontvangen, doorgegeven door engelen, maar jullie hebben hem niet gehouden! 54. Toen zij dit hoorden, barstten zij van woede en knarsten hun tanden tegen hem. 55. Maar Stefanus was vol van de Heilige Geest. Hij keek naar de hemel en zag de heerlijkheid van God, en Jezus, die aan de rechterhand van God stond. 56. Hij zei: Kijk, ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon aan de rechterhand van God staan. 57. Maar zij schreeuwden luid, stopten hun oren dicht en stormden met elkaar op hem af. 58. Zij gooiden hem de stad uit en stenigden hem. De getuigen legden hun kleren bij de voeten van een jonge man die Saulus heette. 59. Terwijl zij Stefanus stenigden, riep hij: Heere Jezus, neem mijn geest bij U op. 60. Hij viel op zijn knieën en riep luid: Heere, reken hun deze zonde niet aan! Toen hij dat gezegd had, stierf hij. ## Handelingen 8 — Filippus in Samaria en de man uit Ethiopië 1. Saulus was het eens met zijn dood. Op die dag brak er een zware vervolging uit tegen de gemeenschap van gelovigen in Jeruzalem. Iedereen werd verspreid over Judea en Samaria, behalve de apostelen. 2. Een paar vrome mannen begroeven Stefanus en hielden een grote rouwklacht over hem. 3. Saulus probeerde de gemeenschap van gelovigen te vernietigen. Hij ging de huizen binnen, sleepte mannen en vrouwen naar buiten en leverde hen uit aan de gevangenis. 4. De mensen die verspreid waren, trokken het land door en verkondigden het woord. 5. Filippus kwam in de stad Samaria en verkondigde daar Christus. 6. De menigte luisterde eensgezind naar wat Filippus zei. Zij hoorden hem en zagen de tekenen die hij deed. 7. Uit veel mensen gingen onreine geesten weg, die luid schreeuwden. Ook veel verlamden en kreupelen werden genezen. 8. Er kwam grote blijdschap in die stad. 9. In de stad was een man die Simon heette. Hij deed daar al langer aan toverij en bracht het volk van Samaria in verwarring. Hij zei over zichzelf dat hij iemand bijzonders was. 10. Iedereen hing hem aan, van klein tot groot. Zij zeiden: Deze man is de grote kracht van God. 11. Zij hingen hem aan omdat hij hen lange tijd met zijn toverij in verwarring had gebracht. 12. Maar Filippus verkondigde het evangelie van het koninkrijk van God en van de Naam van Jezus Christus. Toen zij hem geloofden, lieten zij zich dopen, mannen en vrouwen. 13. Ook Simon zelf kwam tot geloof en liet zich dopen. Hij bleef steeds bij Filippus. Hij was verbijsterd over de tekenen en grote krachten die gebeurden. 14. De apostelen in Jeruzalem hoorden dat Samaria het woord van God had aangenomen. Daarom stuurden zij Petrus en Johannes naar hen toe. 15. Die kwamen daar en baden voor hen, zodat zij de Heilige Geest zouden ontvangen. 16. De Geest was namelijk nog op niemand van hen gekomen. Zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Heere Jezus. 17. Toen legden Petrus en Johannes hun de handen op, en zij ontvingen de Heilige Geest. 18. Simon zag dat de Heilige Geest gegeven werd door de handoplegging van de apostelen. Daarom bood hij hun geld aan. 19. Hij zei: Geef mij die macht ook, zodat iedereen op wie ik mijn handen leg, de Heilige Geest ontvangt. 20. Maar Petrus zei tegen hem: Laat je geld met jou ten onder gaan! Je dacht dat je de gave van God met geld kunt kopen. 21. Jij hebt geen deel en geen erfdeel in deze zaak, want je hart is niet zuiver voor God. 22. Bekeer je van deze slechtheid en bid tot God. Misschien wordt wat je in je hart bedacht hebt, je vergeven. 23. Want ik zie dat je vol bittere gal zit en vastgebonden bent aan het onrecht. 24. Simon antwoordde: Bid voor mij tot de Heere, zodat mij niets overkomt van wat jullie gezegd hebben. 25. Zo getuigden Petrus en Johannes van het woord van de Heere en spraken zij het uit. Daarna gingen zij terug naar Jeruzalem. Onderweg verkondigden zij het evangelie in veel dorpen van de Samaritanen. 26. Een engel van de Heere zei tegen Filippus: Sta op en ga naar het zuiden, naar de weg die van Jeruzalem naar Gaza afdaalt. Die weg is verlaten. 27. Hij stond op en ging. Daar was een man uit Ethiopië, een hoveling en hoge ambtenaar van Candace, de koningin van Ethiopië. Hij beheerde haar hele schatkist en was in Jeruzalem geweest om te aanbidden. 28. Hij was op de terugweg en zat in zijn wagen. Daar las hij de profeet Jesaja. 29. De Geest zei tegen Filippus: Ga ernaartoe en blijf bij die wagen. 30. Filippus liep erheen en hoorde hem de profeet Jesaja lezen. Hij vroeg: Begrijpt u wel wat u leest? 31. Hij zei: Hoe zou ik dat kunnen, als niemand het mij uitlegt? Hij vroeg Filippus om in te stappen en bij hem te komen zitten. 32. Dit was het gedeelte uit de Schrift dat hij las: Hij is als een schaap dat naar de slacht geleid wordt. Hij is als een lam dat stil blijft bij de scheerder; zo doet Hij zijn mond niet open. 33. In Zijn vernedering is Hem het recht ontnomen. Wie zal over Zijn nageslacht vertellen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen. 34. De hoveling vroeg aan Filippus: Ik vraag u: over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over iemand anders? 35. Toen begon Filippus te spreken. Hij ging uit van dat schriftgedeelte en verkondigde hem Jezus. 36. Onderweg kwamen zij bij water. De hoveling zei: Kijk, hier is water. Wat houdt mij tegen om gedoopt te worden? 37. Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, mag het. Hij antwoordde: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is. 38. Hij liet de wagen stilhouden. Zij gingen samen het water in, Filippus en de hoveling, en hij doopte hem. 39. Toen zij uit het water kwamen, nam de Geest van de Heere Filippus weg. De hoveling zag hem niet meer, maar reisde blij verder. 40. Filippus bleek in Azote te zijn. Hij trok het land door en verkondigde het evangelie in alle steden, tot hij in Cesarea kwam. ## Handelingen 9 — Saulus bij Damaskus 1. Saulus was nog vol dreiging en moordlust tegen de leerlingen van de Heere. Hij ging naar de hogepriester. 2. Hij vroeg hem om brieven voor de synagogen in Damaskus. Als hij daar mensen van die weg vond, mannen of vrouwen, mocht hij hen geboeid naar Jeruzalem brengen. 3. Onderweg kwam hij in de buurt van Damaskus. Plotseling scheen er een licht uit de hemel om hem heen. 4. Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: Saul, Saul, waarom vervolg je mij? 5. Hij zei: Wie bent U, Heere? De Heere zei: Ik ben Jezus, die jij vervolgt. Het is hard voor je om tegen de prikkels te schoppen. 6. Bevend en verbaasd zei hij: Heere, wat wilt U dat ik doe? De Heere zei tegen hem: Sta op en ga de stad in. Daar zal je gezegd worden wat je moet doen. 7. De mannen die met hem reisden, stonden verbijsterd. Zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. 8. Saulus stond op van de grond. Toen hij zijn ogen opendeed, zag hij niets. Zij namen hem bij de hand en brachten hem naar Damaskus. 9. Drie dagen lang kon hij niet zien. Hij at niet en dronk niet. 10. In Damaskus woonde een leerling die Ananias heette. De Heere zei tegen hem in een visioen: Ananias! Hij zei: Hier ben ik, Heere. 11. De Heere zei tegen hem: Sta op en ga naar de straat die de Rechte heet. Vraag in het huis van Judas naar een man uit Tarsus die Saulus heet, want hij bidt. 12. In een visioen heeft hij een man gezien die Ananias heet. Die kwam binnen en legde hem de handen op, zodat hij weer kon zien. 13. Ananias antwoordde: Heere, ik heb van veel mensen over deze man gehoord. Hij heeft Uw heiligen in Jeruzalem veel kwaad gedaan. 14. Hier heeft hij volmacht van de overpriesters om iedereen te binden die Uw Naam aanroept. 15. Maar de Heere zei tegen hem: Ga toch. Deze man is een instrument dat ik gekozen heb om mijn Naam te dragen voor de volken, voor koningen en voor de Israëlieten. 16. Ik zal hem laten zien hoeveel hij moet lijden om mijn Naam. 17. Ananias ging op weg en kwam het huis binnen. Hij legde hem de handen op en zei: Saul, broeder, de Heere heeft mij gestuurd. Het is Jezus, die aan je verschenen is op de weg hierheen. Je zult weer zien en vervuld worden met de Heilige Geest. 18. Meteen vielen er als schellen van zijn ogen, en hij kon weer zien. Hij stond op en liet zich dopen. 19. Hij at iets en kwam weer op krachten. Saulus bleef een paar dagen bij de leerlingen in Damaskus. 20. Meteen verkondigde hij Christus in de synagogen. Hij zei dat Hij de Zoon van God is. 21. Iedereen die het hoorde, was verbijsterd. Zij zeiden: Is dit niet de man die in Jeruzalem iedereen vervolgde die deze Naam aanriep? Hij kwam hier toch om hen geboeid naar de overpriesters te brengen? 22. Maar Saulus werd steeds sterker. Hij overtuigde de Joden in Damaskus en bewees dat Jezus de Christus is. 23. Na een lange tijd overlegden de Joden samen om hem te doden. 24. Maar Saulus hoorde van hun plan. Zij bewaakten dag en nacht de poorten om hem te kunnen doden. 25. Toen namen de leerlingen hem 's nachts mee. Zij lieten hem in een mand langs de muur naar beneden zakken. 26. Saulus kwam in Jeruzalem en probeerde zich bij de leerlingen aan te sluiten. Maar zij waren allemaal bang voor hem en geloofden niet dat hij een leerling was. 27. Barnabas nam hem mee en bracht hem bij de apostelen. Hij vertelde hun hoe Saulus onderweg de Heere gezien had en dat Hij tegen hem gesproken had. Ook vertelde hij hoe Saulus in Damaskus vrijmoedig gesproken had in de Naam van Jezus. 28. Zo ging hij in Jeruzalem met hen in en uit. 29. Hij sprak vrijmoedig in de Naam van de Heere Jezus. Hij ging ook in discussie met de Griekssprekende Joden, maar die probeerden hem te doden. 30. Toen de gelovigen dat merkten, brachten zij hem naar Cesarea en stuurden hem door naar Tarsus. 31. De gemeenschappen in heel Judea, Galilea en Samaria hadden nu vrede. Zij werden opgebouwd en leefden in ontzag voor de Heere. Door de bemoediging van de Heilige Geest groeiden zij in aantal. 32. Petrus reisde overal rond. Zo kwam hij ook bij de heiligen die in Lydda woonden. 33. Daar vond hij een man die Eneas heette. Hij was verlamd en lag al acht jaar op bed. 34. Petrus zei tegen hem: Eneas, Jezus Christus maakt je gezond. Sta op en maak je bed op. Meteen stond hij op. 35. Alle inwoners van Lydda en Saron zagen hem, en zij bekeerden zich tot de Heere. 36. In Joppe woonde een leerlinge die Tabitha heette; vertaald is dat Dorkas. Zij deed veel goede dingen en gaf veel weg aan de armen. 37. In die dagen werd zij ziek en stierf. Zij wasten haar en legden haar in de bovenzaal. 38. Lydda ligt dicht bij Joppe. De leerlingen hoorden dat Petrus daar was en stuurden twee mannen naar hem toe. Zij vroegen hem om meteen naar hen toe te komen. 39. Petrus stond op en ging met hen mee. Toen hij aankwam, brachten zij hem naar de bovenzaal. Alle weduwen stonden huilend om hem heen. Zij lieten de jassen en kleren zien die Dorkas gemaakt had toen zij nog bij hen was. 40. Petrus stuurde iedereen naar buiten. Hij knielde en bad. Toen keerde hij zich naar het lichaam en zei: Tabitha, sta op! Zij deed haar ogen open, zag Petrus en ging rechtop zitten. 41. Hij gaf haar een hand en hielp haar overeind. Toen riep hij de heiligen en de weduwen en liet haar levend aan hen zien. 42. Dit werd bekend in heel Joppe, en veel mensen kwamen tot geloof in de Heere. 43. Petrus bleef een lange tijd in Joppe, bij een leerlooier die Simon heette. ## Handelingen 10 — Petrus en Cornelius 1. In Cesarea woonde een man die Cornelius heette. Hij was officier over honderd man, bij de afdeling die de Italiaanse heette. 2. Hij was vroom en had ontzag voor God, met zijn hele huis. Hij gaf veel weg aan het volk en bad steeds tot God. 3. Rond het negende uur van de dag zag hij in een visioen duidelijk een engel van God bij hem binnenkomen. Die zei tegen hem: Cornelius! 4. Hij keek hem aan en werd erg bang. Hij zei: Wat is er, Heere? De engel zei tegen hem: Je gebeden en je gaven zijn omhooggekomen en God denkt aan je. 5. Stuur nu mannen naar Joppe en laat Simon halen, die ook Petrus genoemd wordt. 6. Hij logeert bij Simon de leerlooier, die een huis aan zee heeft. Hij zal je zeggen wat je moet doen. 7. Toen de engel weg was, riep Cornelius twee van zijn huisknechten en een vrome soldaat uit zijn vaste kring. 8. Hij vertelde hun alles en stuurde hen naar Joppe. 9. De volgende dag waren zij onderweg en kwamen zij bij de stad. Rond het zesde uur ging Petrus het dak op om te bidden. 10. Hij kreeg honger en wilde eten. Terwijl zij het eten klaarmaakten, raakte hij in vervoering. 11. Hij zag de hemel open. Er kwam iets naar beneden als een groot linnen kleed, dat aan de vier hoeken naar de aarde werd neergelaten. 12. Daarin zaten alle viervoetige dieren van de aarde, de wilde dieren, de kruipende dieren en de vogels van de hemel. 13. Er kwam een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet. 14. Maar Petrus zei: Beslist niet, Heere! Ik heb nog nooit iets gegeten dat onheilig of onrein is. 15. De stem kwam voor de tweede keer tot hem: Wat God rein verklaard heeft, mag jij niet onheilig noemen. 16. Dit gebeurde drie keer. Daarna werd het kleed weer omhooggenomen in de hemel. 17. Petrus vroeg zich af wat dit visioen kon betekenen. Op dat moment stonden de mannen van Cornelius bij de poort. Zij hadden naar het huis van Simon gevraagd. 18. Zij riepen en vroegen of Simon, die ook Petrus genoemd wordt, daar logeerde. 19. Terwijl Petrus nog over het visioen nadacht, zei de Geest tegen hem: Kijk, er zijn drie mannen die je zoeken. 20. Sta op, ga naar beneden en reis met hen mee zonder te twijfelen, want ik heb hen gestuurd. 21. Petrus ging naar beneden, naar de mannen die Cornelius gestuurd had. Hij zei: Kijk, ik ben degene die jullie zoeken. Waarom zijn jullie hier? 22. Zij zeiden: Cornelius, een officier over honderd man, heeft ons gestuurd. Hij is rechtvaardig, heeft ontzag voor God en staat goed bekend bij het hele Joodse volk. Een heilige engel heeft hem opgedragen u bij hem thuis te laten komen en naar uw woorden te luisteren. 23. Petrus nodigde hen binnen en liet hen overnachten. De volgende dag ging hij met hen mee, en een paar gelovigen uit Joppe gingen ook mee. 24. De dag daarna kwamen zij in Cesarea aan. Cornelius verwachtte hen en had zijn familie en zijn beste vrienden bij elkaar geroepen. 25. Toen Petrus binnenkwam, liep Cornelius hem tegemoet. Hij viel aan zijn voeten neer en boog zich voor hem. 26. Maar Petrus trok hem overeind en zei: Sta op, ik ben ook maar een mens. 27. Al pratend ging hij naar binnen. Daar vond hij veel mensen bij elkaar. 28. Hij zei tegen hen: Jullie weten het: een Joodse man mag niet met een vreemde omgaan of bij hem binnenkomen. Maar God heeft mij laten zien dat ik geen mens onheilig of onrein mag noemen. 29. Daarom ben ik zonder tegenspraak gekomen toen jullie mij lieten halen. Nu vraag ik: waarom hebben jullie mij laten komen? 30. Cornelius zei: Vier dagen geleden was ik aan het vasten tot dit uur. Op het negende uur bad ik in mijn huis. 31. Ineens stond er een man voor mij in stralende kleren. Hij zei: Cornelius, je gebed is verhoord en God denkt aan je gaven. 32. Stuur daarom iemand naar Joppe en laat Simon halen, die ook Petrus genoemd wordt. Hij logeert in het huis van Simon de leerlooier, aan zee. Als hij komt, zal hij tot je spreken. 33. Daarom heb ik meteen iemand naar u gestuurd, en u hebt er goed aan gedaan om te komen. Nu zijn wij hier allemaal voor God, om alles te horen wat God u opgedragen heeft. 34. Toen begon Petrus te spreken. Hij zei: Ik begrijp nu echt dat God geen onderscheid maakt tussen mensen. 35. Uit elk volk is iemand die ontzag voor Hem heeft en doet wat rechtvaardig is, Hem welkom. 36. Dit is het woord dat Hij aan de Israëlieten gestuurd heeft: vrede door Jezus Christus. Hij is de Heere van allen. 37. Jullie weten wat er gebeurd is in heel Judea. Het begon in Galilea, na de doop die Johannes verkondigde. 38. Het gaat om Jezus uit Nazareth. God heeft Hem gezalfd met de Heilige Geest en met kracht. Hij trok rond, deed goed en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God was met Hem. 39. Wij zijn getuigen van alles wat Hij gedaan heeft in het Joodse land en in Jeruzalem. Zij hebben Hem gedood door Hem aan een kruishout te hangen. 40. God heeft Hem op de derde dag opgewekt en Hem laten verschijnen. 41. Niet aan het hele volk, maar aan de getuigen die God van tevoren gekozen had. Wij hebben met Hem gegeten en gedronken nadat Hij uit de doden was opgestaan. 42. Hij heeft ons opgedragen dit aan het volk te verkondigen. Wij getuigen dat God Hem aangesteld heeft als Rechter over levenden en doden. 43. Alle profeten getuigen van Hem: iedereen die in Hem gelooft, krijgt vergeving van zonden door Zijn Naam. 44. Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op iedereen die het woord hoorde. 45. De gelovigen uit de besnijdenis die met Petrus meegekomen waren, stonden versteld. De gave van de Heilige Geest werd ook over de andere volken uitgestort. 46. Zij hoorden hen namelijk in andere talen spreken en God grootmaken. Toen zei Petrus: 47. Kan iemand nog het water weigeren om deze mensen te dopen? Zij hebben de Heilige Geest ontvangen, net als wij. 48. Hij gaf opdracht hen te dopen in de Naam van de Heere. Daarna vroegen zij hem om een paar dagen te blijven. ## Handelingen 11 — Petrus legt uit, en de gemeenschap in Antiochië 1. De apostelen en de gelovigen in Judea hoorden dat ook de andere volken het woord van God hadden aangenomen. 2. Toen Petrus naar Jeruzalem ging, kregen de gelovigen uit de besnijdenis ruzie met hem. 3. Zij zeiden: Je bent bij onbesneden mannen naar binnen gegaan en je hebt met hen gegeten. 4. Toen begon Petrus het hun stap voor stap uit te leggen. Hij zei: 5. Ik was in de stad Joppe aan het bidden. In vervoering zag ik een visioen: er kwam iets naar beneden als een groot linnen kleed. Het werd aan de vier hoeken uit de hemel neergelaten en kwam bij mij. 6. Ik keek er goed naar en zag de viervoetige dieren van de aarde, de wilde dieren, de kruipende dieren en de vogels van de hemel. 7. Ik hoorde ook een stem die tegen mij zei: Sta op, Petrus, slacht en eet. 8. Maar ik zei: Beslist niet, Heere! Nog nooit is er iets onheiligs of onreins in mijn mond gekomen. 9. De stem uit de hemel antwoordde mij voor de tweede keer: Wat God rein verklaard heeft, mag jij niet onheilig noemen. 10. Dit gebeurde drie keer. Daarna werd alles weer omhooggetrokken in de hemel. 11. Op dat moment stonden er drie mannen voor het huis waar ik was. Zij waren uit Cesarea naar mij toe gestuurd. 12. De Geest zei tegen mij dat ik zonder twijfelen met hen mee moest gaan. Ook deze zes gelovigen gingen met mij mee. Zo kwamen wij in het huis van die man. 13. Hij vertelde ons dat hij een engel in zijn huis had zien staan. Die zei tegen hem: Stuur mannen naar Joppe en laat Simon halen, die ook Petrus genoemd wordt. 14. Hij zal woorden tot je spreken waardoor jij gered wordt, en je hele huis. 15. Toen ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, net als in het begin op ons. 16. Ik dacht aan het woord van de Heere. Hij zei: Johannes doopte met water, maar jullie zullen gedoopt worden met de Heilige Geest. 17. God heeft hun dezelfde gave gegeven als ons, die in de Heere Jezus Christus geloven. Wie was ik dan, dat ik God zou tegenhouden? 18. Toen zij dit hoorden, waren zij gerustgesteld. Zij prezen God en zeiden: Dus heeft God ook de andere volken de bekering tot het leven gegeven! 19. De gelovigen die verspreid waren door de vervolging rond Stefanus, trokken verder tot in Fenicië, Cyprus en Antiochië. Zij spraken het woord alleen tot de Joden. 20. Maar sommigen van hen kwamen uit Cyprus en Cyrene. Toen die in Antiochië kwamen, spraken zij ook met de Grieken en verkondigden hun de Heere Jezus. 21. De hand van de Heere was met hen. Een groot aantal kwam tot geloof en bekeerde zich tot de Heere. 22. Het bericht daarover kwam ook bij de gelovigen in Jeruzalem. Zij stuurden Barnabas naar Antiochië. 23. Toen hij daar kwam en de genade van God zag, werd hij blij. Hij bemoedigde hen allemaal om met een vast besluit bij de Heere te blijven. 24. Hij was namelijk een goed man, vol van de Heilige Geest en van geloof. Een grote groep mensen kwam bij de Heere. 25. Barnabas ging naar Tarsus om Saulus te zoeken. Toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. 26. Een heel jaar lang kwamen zij daar samen met de gelovigen en gaven zij een grote groep onderwijs. In Antiochië werden de leerlingen voor het eerst christenen genoemd. 27. In die dagen kwamen er profeten uit Jeruzalem naar Antiochië. 28. Een van hen, die Agabus heette, stond op. Door de Geest maakte hij bekend dat er een grote hongersnood zou komen over de hele wereld. Die kwam ook, onder keizer Claudius. 29. De leerlingen besloten allemaal iets te sturen om de gelovigen in Judea te helpen, ieder naar wat hij kon missen. 30. Dat deden zij ook. Zij stuurden het naar de oudsten, door de handen van Barnabas en Saulus. ## Handelingen 12 — Petrus uit de gevangenis bevrijd 1. Rond die tijd greep koning Herodes een paar mensen uit de gemeenschap van gelovigen om hen kwaad te doen. 2. Hij liet Jakobus, de broer van Johannes, met het zwaard doden. 3. Hij zag dat de Joden dat goedvonden. Daarom liet hij ook Petrus grijpen. Dat was in de dagen van de ongezuurde broden. 4. Hij zette hem gevangen en gaf hem over aan vier groepen van vier soldaten om hem te bewaken. Na het paasfeest wilde hij hem aan het volk voorleiden. 5. Zo werd Petrus in de gevangenis bewaakt. Maar de gemeenschap van gelovigen bad voortdurend voor hem tot God. 6. In de nacht voordat Herodes hem wilde voorleiden, sliep Petrus tussen twee soldaten. Hij was met twee ketenen geboeid, en voor de deur bewaakten wachters de gevangenis. 7. Ineens stond er een engel van de Heere, en er scheen licht in de cel. Hij stootte Petrus in zijn zij, maakte hem wakker en zei: Sta snel op. Toen vielen de ketenen van zijn handen. 8. De engel zei tegen hem: Doe je gordel om en bind je sandalen aan. Dat deed hij. De engel zei: Sla je mantel om en volg mij. 9. Petrus ging naar buiten en volgde hem. Hij wist niet dat het echt gebeurde wat de engel deed; hij dacht dat hij een visioen zag. 10. Zij kwamen langs de eerste en de tweede wacht en bij de ijzeren poort naar de stad. Die ging vanzelf voor hen open. Zij gingen naar buiten en liepen een straat door, en meteen ging de engel bij hem weg. 11. Toen kwam Petrus tot zichzelf. Hij zei: Nu weet ik zeker dat de Heere Zijn engel gestuurd heeft. Hij heeft mij gered uit de hand van Herodes en uit alles wat het Joodse volk verwachtte. 12. Toen hij dat begreep, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes die ook Markus heet. Daar waren veel mensen bij elkaar in gebed. 13. Petrus klopte op de deur van de poort. Een dienares die Rhode heette, kwam luisteren. 14. Zij herkende de stem van Petrus. Van blijdschap deed zij de poort niet open, maar rende naar binnen en vertelde dat Petrus voor de poort stond. 15. Zij zeiden tegen haar: Je bent gek. Maar zij hield vol dat het zo was. Toen zeiden zij: Het is zijn engel. 16. Petrus bleef intussen kloppen. Toen zij opendeden, zagen zij hem en waren verbijsterd. 17. Hij gaf hun met zijn hand een teken om stil te zijn. Hij vertelde hun hoe de Heere hem uit de gevangenis geleid had. Hij zei: Vertel dit aan Jakobus en aan de gelovigen. Daarna ging hij weg naar een andere plaats. 18. Toen het dag werd, ontstond er grote onrust onder de soldaten. Zij vroegen zich af wat er met Petrus gebeurd was. 19. Herodes liet hem zoeken, maar vond hem niet. Hij ondervroeg de wachters en gaf bevel hen weg te leiden. Daarna ging hij van Judea naar Cesarea en bleef daar. 20. Herodes was woedend op de mensen van Tyrus en Sidon. Zij kwamen eensgezind naar hem toe. Zij haalden Blastus over, de kamerheer van de koning, en vroegen om vrede. Hun land werd namelijk vanuit het gebied van de koning van voedsel voorzien. 21. Op een vastgestelde dag trok Herodes zijn koninklijke kleren aan. Hij ging op de rechterstoel zitten en hield een toespraak voor hen. 22. Het volk riep naar hem: Dit is de stem van een god en niet van een mens! 23. Meteen sloeg een engel van de Heere hem, omdat hij God de eer niet gaf. Hij werd door wormen opgegeten en stierf. 24. Maar het woord van God groeide en verspreidde zich. 25. Barnabas en Saulus kwamen terug uit Jeruzalem toen zij hun opdracht volbracht hadden. Zij namen Johannes mee, die ook Markus heet. ## Handelingen 13 — De eerste reis: Cyprus en Antiochië in Pisidië 1. In Antiochië waren bij de gelovigen profeten en leraren. Dat waren Barnabas, Simeon die Niger heette, Lucius uit Cyrene, Manahen die samen met Herodes de viervorst was opgevoed, en Saulus. 2. Terwijl zij de Heere dienden en vastten, zei de Heilige Geest: Zonder Barnabas en Saulus voor mij af. Ik heb hen geroepen voor een bepaald werk. 3. Toen vastten en baden zij. Zij legden hun de handen op en lieten hen gaan. 4. Zo werden zij uitgezonden door de Heilige Geest. Zij gingen naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus. 5. In Salamis verkondigden zij het woord van God in de synagogen van de Joden. Johannes was bij hen als helper. 6. Zij trokken het hele eiland door tot Pafos. Daar vonden zij een tovenaar, een Joodse valse profeet die Bar-Jezus heette. 7. Hij hoorde bij de stadhouder Sergius Paulus, een verstandig man. Die liet Barnabas en Saulus bij zich komen, want hij wilde het woord van God graag horen. 8. Maar Elymas de tovenaar, want zo wordt zijn naam vertaald, ging tegen hen in. Hij probeerde de stadhouder van het geloof af te houden. 9. Toen keek Saulus, die ook Paulus heet, hem strak aan. Hij was vervuld met de Heilige Geest en zei: 10. Jij bent een kind van de duivel, vol bedrog en gemeenheid, vijand van alles wat rechtvaardig is! Houd je nooit op de rechte wegen van de Heere krom te maken? 11. Kijk, nu is de hand van de Heere tegen je. Je zult blind zijn en een tijdlang de zon niet zien. Meteen viel er donkerheid en duisternis op hem. Hij liep rond en zocht mensen die hem bij de hand konden leiden. 12. Toen de stadhouder zag wat er gebeurd was, kwam hij tot geloof. Hij was diep onder de indruk van de leer van de Heere. 13. Paulus en zijn reisgenoten voeren weg uit Pafos en kwamen in Perge, een stad in Pamfylië. Daar verliet Johannes hen en ging terug naar Jeruzalem. 14. Zij reisden verder van Perge naar Antiochië in Pisidië. Op de sabbat gingen zij de synagoge binnen en gingen zitten. 15. De wet en de profeten werden gelezen. Daarna lieten de leiders van de synagoge hun vragen: Broeders, hebben jullie een bemoedigend woord voor het volk? Spreek dan. 16. Paulus stond op, gaf met zijn hand een teken en zei: Israëlieten, en jullie die ontzag voor God hebben, luister. 17. De God van dit volk Israël heeft onze voorouders uitgekozen. Hij maakte het volk groot toen zij vreemdelingen waren in Egypte, en Hij leidde hen met een sterke arm daaruit. 18. Ongeveer 40 jaar lang verdroeg Hij hen in de woestijn. 19. Hij roeide zeven volken uit in Kanaän en gaf hun dat land in bezit. 20. Dat duurde ongeveer 450 jaar. Daarna gaf Hij hun richters, tot aan de profeet Samuël. 21. Toen vroegen zij om een koning. God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, voor 40 jaar. 22. God zette hem af en gaf hun David als koning. Over hem getuigde Hij: Ik heb David gevonden, de zoon van Isaï, een man naar mijn hart, die alles zal doen wat ik wil. 23. Uit zijn nageslacht heeft God, zoals Hij beloofd had, voor Israël de Redder Jezus laten komen. 24. Vóór Zijn komst had Johannes aan heel het volk Israël de doop van de bekering verkondigd. 25. Toen Johannes zijn taak bijna volbracht had, zei hij: Wie denken jullie dat ik ben? Ik ben de Christus niet. Maar kijk, na mij komt Hij van wie ik de sandalen niet waard ben los te maken. 26. Broeders, kinderen uit het geslacht van Abraham, en jullie die ontzag voor God hebben: naar ons is het woord van deze redding gestuurd. 27. De inwoners van Jeruzalem en hun leiders hebben Hem niet erkend. Toch hebben zij met hun oordeel de woorden van de profeten vervuld, die elke sabbat worden voorgelezen. 28. Zij vonden geen reden voor de doodstraf, maar vroegen Pilatus toch om Hem te doden. 29. Toen zij alles volbracht hadden wat over Hem geschreven was, namen zij Hem van het hout af en legden Hem in het graf. 30. Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt. 31. Vele dagen lang is Hij gezien door de mensen die met Hem van Galilea naar Jeruzalem waren gegaan. Zij zijn nu Zijn getuigen bij het volk. 32. Wij verkondigen jullie de belofte die aan onze voorouders gedaan is. 33. God heeft die belofte aan ons, hun kinderen, vervuld door Jezus te laten opstaan. Zo staat het ook in de tweede psalm: U bent mijn Zoon, vandaag heb ik U verwekt. 34. God heeft Hem uit de doden opgewekt, zodat Hij niet meer tot ontbinding terugkeert. Daarover heeft Hij gezegd: Ik zal jullie de betrouwbare gunstbewijzen van David geven. 35. Daarom zegt hij ook in een andere psalm: U zult Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien. 36. David heeft in zijn eigen tijd gedaan wat God wilde. Daarna is hij gestorven, bij zijn voorouders gelegd, en hij heeft ontbinding gezien. 37. Maar Hij die God opgewekt heeft, heeft geen ontbinding gezien. 38. Broeders, weet dan dat door Hem vergeving van zonden aan jullie verkondigd wordt. 39. Door de wet van Mozes konden jullie niet rechtvaardig verklaard worden. Door Hem wordt wel iedereen die gelooft, van alles rechtvaardig verklaard. 40. Let er dan op dat jullie niet overkomt wat in de profeten gezegd is: 41. Kijk, spotters, verbaas je en verdwijn. Want ik doe in jullie dagen een werk dat jullie niet zouden geloven als iemand het vertelde. 42. Toen de Joden uit de synagoge weggingen, vroegen de andere mensen om op de volgende sabbat weer over deze dingen te spreken. 43. Na de bijeenkomst gingen veel Joden en vrome mensen die zich bij het Jodendom hadden aangesloten, met Paulus en Barnabas mee. Die spraken met hen en spoorden hen aan om bij de genade van God te blijven. 44. De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bij elkaar om het woord van God te horen. 45. Maar de Joden zagen die menigte en werden vervuld met jaloezie. Zij spraken tegen wat Paulus zei en lasterden hem. 46. Toen zeiden Paulus en Barnabas vrijmoedig: Het woord van God moest eerst aan jullie gesproken worden. Maar jullie wijzen het af en vinden jezelf het eeuwige leven niet waard. Daarom gaan wij nu naar de andere volken. 47. Want zo heeft de Heere ons opgedragen: Ik heb je gemaakt tot een licht voor de volken. Zo breng je redding tot aan het einde van de aarde. 48. Toen de mensen uit de andere volken dit hoorden, werden zij blij en prezen zij het woord van de Heere. Iedereen die bestemd was voor het eeuwige leven, kwam tot geloof. 49. Het woord van de Heere verspreidde zich door het hele gebied. 50. Maar de Joden stookten de vrome vrouwen van aanzien en de leiders van de stad op. Zij zetten een vervolging op tegen Paulus en Barnabas en verdreven hen uit hun gebied. 51. Zij schudden het stof van hun voeten af tegen hen en gingen naar Ikonium. 52. De leerlingen werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest. ## Handelingen 14 — Ikonium, Lystre en Derbe 1. In Ikonium gingen zij samen de synagoge van de Joden binnen. Zij spraken daar zo, dat een grote groep Joden en Grieken tot geloof kwam. 2. Maar de Joden die niet geloofden, hitsten de andere volken op en maakten hen vijandig tegen de gelovigen. 3. Toch bleven zij daar lange tijd en spraken vrijmoedig over de Heere. Hij bevestigde het woord van Zijn genade en liet tekenen en wonderen gebeuren door hun handen. 4. De inwoners van de stad raakten verdeeld. Sommigen kozen voor de Joden, anderen voor de apostelen. 5. Er ontstond een oploop van mensen uit de volken en van Joden, met hun leiders. Zij wilden de apostelen vernederen en stenigen. 6. Toen de apostelen dat merkten, vluchtten zij naar de steden van Lykaonië, naar Lystre en Derbe en het gebied daaromheen. 7. Daar verkondigden zij het evangelie. 8. In Lystre zat een man die geen kracht in zijn voeten had. Hij was vanaf zijn geboorte verlamd en had nooit gelopen. 9. Hij hoorde Paulus spreken. Paulus keek hem strak aan en zag dat hij geloof had om genezen te worden. 10. Hij zei met luide stem: Ga rechtop op je voeten staan! De man sprong op en liep. 11. De menigte zag wat Paulus gedaan had. Zij riepen in het Lykaonisch: De goden zijn als mensen geworden en naar ons toe gekomen. 12. Zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het woord voerde. 13. De priester van Zeus, wiens tempel voor de stad stond, bracht stieren en kransen naar de poorten. Samen met de menigte wilde hij offeren. 14. Maar de apostelen Barnabas en Paulus hoorden dat. Zij scheurden hun kleren en sprongen de menigte in. Zij riepen: 15. Mannen, waarom doen jullie dit? Wij zijn ook maar mensen, net als jullie. Wij verkondigen jullie dat je je moet bekeren van deze zinloze dingen tot de levende God. Hij heeft de hemel, de aarde en de zee gemaakt, met alles wat daarin is. 16. In vroeger tijden liet Hij alle volken hun eigen wegen gaan. 17. Toch heeft Hij zich niet onbetuigd gelaten. Hij deed goed en gaf regen uit de hemel en vruchtbare tijden. Hij vulde jullie hart met eten en vreugde. 18. Zelfs met deze woorden konden zij de menigte maar net tegenhouden om aan hen te offeren. 19. Toen kwamen er Joden uit Antiochië en Ikonium. Zij haalden de menigte over, stenigden Paulus en sleepten hem de stad uit. Zij dachten dat hij dood was. 20. Maar toen de leerlingen om hem heen gingen staan, stond hij op en ging de stad in. De volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe. 21. Zij verkondigden in die stad het evangelie en maakten veel leerlingen. Daarna gingen zij terug naar Lystre, Ikonium en Antiochië. 22. Zij sterkten de leerlingen en spoorden hen aan om in het geloof te blijven. Zij zeiden dat wij door veel verdrukking het koninkrijk van God moeten binnengaan. 23. In elke plaats kozen zij oudsten voor de gelovigen. Zij baden en vastten en vertrouwden hen toe aan de Heere, in wie zij geloofd hadden. 24. Zij reisden door Pisidië en kwamen in Pamfylië. 25. In Perge spraken zij het woord. Daarna gingen zij naar Attalië. 26. Vandaar voeren zij naar Antiochië. Daar waren zij aan de genade van God toevertrouwd voor het werk dat zij nu volbracht hadden. 27. Toen zij aankwamen, riepen zij de gelovigen bij elkaar. Zij vertelden wat God met hen gedaan had, en dat Hij voor de andere volken de deur van het geloof geopend had. 28. Zij bleven daar een lange tijd bij de leerlingen. ## Handelingen 15 — De vergadering in Jeruzalem 1. Er kwamen een paar mensen uit Judea. Zij leerden de gelovigen: Als jullie je niet laten besnijden volgens het gebruik van Mozes, kunnen jullie niet gered worden. 2. Paulus en Barnabas kregen hierover flinke discussie met hen. Daarom werd besloten dat Paulus, Barnabas en een paar anderen met deze vraag naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem zouden gaan. 3. De gelovigen deden hen uitgeleide. Zij reisden door Fenicië en Samaria en vertelden over de bekering van de andere volken. Dat maakte alle gelovigen erg blij. 4. In Jeruzalem werden zij ontvangen door de gelovigen, de apostelen en de oudsten. Zij vertelden wat God met hen gedaan had. 5. Maar een paar gelovigen uit de partij van de farizeeën stonden op. Zij zeiden dat men hen moest besnijden en hun moest opdragen de wet van Mozes te houden. 6. De apostelen en de oudsten kwamen bij elkaar om deze zaak te bekijken. 7. Er ontstond veel discussie. Toen stond Petrus op en zei tegen hen: Broeders, jullie weten dat God mij lang geleden onder jullie uitgekozen heeft. Door mijn mond zouden de andere volken het woord van het evangelie horen en geloven. 8. God kent het hart. Hij heeft van hen getuigd door hun de Heilige Geest te geven, net als aan ons. 9. Hij heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, want Hij heeft hun hart gereinigd door het geloof. 10. Waarom dagen jullie God dan uit? Jullie leggen de leerlingen een juk op de nek dat onze voorouders en wij niet konden dragen. 11. Nee, wij geloven dat wij gered worden door de genade van de Heere Jezus, op dezelfde manier als zij. 12. De hele vergadering werd stil. Zij luisterden naar Barnabas en Paulus, die vertelden welke tekenen en wonderen God door hen onder de andere volken gedaan had. 13. Toen zij zwegen, nam Jakobus het woord. Hij zei: Broeders, luister naar mij. 14. Simeon heeft verteld hoe God voor het eerst naar de andere volken omkeek. Uit hen nam Hij een volk aan voor Zijn Naam. 15. Dat klopt met de woorden van de profeten. Er staat geschreven: 16. Daarna zal ik terugkomen. Ik zal de vervallen tent van David weer opbouwen. Wat is afgebroken, zal ik herstellen en weer overeind zetten. 17. Dan zullen de overgebleven mensen de Heere zoeken, met alle volken over wie mijn Naam is uitgeroepen, zegt de Heere, die dit alles doet. 18. Bij God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. 19. Daarom vind ik dat wij het de mensen uit de andere volken die zich tot God bekeren, niet moeilijk moeten maken. 20. Wel moeten wij hun schrijven dat zij zich onthouden van wat door afgoden bevlekt is, van ontucht, van verstikt vlees en van bloed. 21. Want Mozes heeft van oudsher in elke stad mensen die hem verkondigen. Elke sabbat wordt hij in de synagogen gelezen. 22. Toen besloten de apostelen en de oudsten met alle gelovigen om mannen uit hun midden te kiezen. Die zouden met Paulus en Barnabas naar Antiochië gaan. Het waren Judas, die ook Barsabbas heet, en Silas, twee leiders onder de gelovigen. 23. Zij stuurden met hen deze brief mee: De apostelen, de oudsten en de gelovigen groeten jullie. Jullie horen bij de andere volken en wonen in Antiochië, Syrië en Cilicië. 24. Wij hebben gehoord dat sommigen van ons jullie met hun woorden in verwarring gebracht hebben. Zij maakten jullie onzeker en zeiden dat jullie je moeten laten besnijden en de wet moeten houden. Dat hebben wij hun niet opgedragen. 25. Daarom hebben wij eensgezind besloten mannen te kiezen en naar jullie te sturen, samen met onze geliefde Barnabas en Paulus. 26. Dat zijn mensen die hun leven op het spel hebben gezet voor de Naam van onze Heere Jezus Christus. 27. Wij sturen daarom Judas en Silas, en zij zullen jullie hetzelfde mondeling vertellen. 28. De Heilige Geest en wij hebben besloten jullie geen zwaardere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: 29. onthoud je van vlees dat aan afgoden geofferd is, van bloed, van verstikt vlees en van ontucht. Als jullie je daarvoor hoeden, doen jullie er goed aan. Het ga jullie goed. 30. Zij namen afscheid en gingen naar Antiochië. Daar riepen zij iedereen bij elkaar en gaven de brief af. 31. Toen zij hem gelezen hadden, waren zij blij met deze bemoediging. 32. Judas en Silas waren zelf ook profeten. Met veel woorden bemoedigden en versterkten zij de gelovigen. 33. Zij bleven daar een tijd. Daarna lieten de gelovigen hen in vrede teruggaan naar de apostelen. 34. Maar Silas vond het goed om daar te blijven. 35. Paulus en Barnabas bleven in Antiochië. Samen met veel anderen gaven zij onderwijs en verkondigden zij het woord van de Heere. 36. Na een paar dagen zei Paulus tegen Barnabas: Laten wij teruggaan naar de steden waar wij het woord van de Heere verkondigd hebben. Dan bezoeken wij de gelovigen daar. Dan zien wij hoe het met hen gaat. 37. Barnabas wilde ook Johannes meenemen, die Markus heet. 38. Maar Paulus vond dat niet goed. Johannes was hen in Pamfylië immers in de steek gelaten en niet met hen meegegaan voor het werk. 39. Daarover kregen zij ruzie, zodat zij uit elkaar gingen. Barnabas nam Markus mee en voer naar Cyprus. 40. Paulus koos Silas en vertrok, nadat de gelovigen hem aan de genade van God hadden toevertrouwd. 41. Hij reisde door Syrië en Cilicië en versterkte de gemeenschappen van gelovigen. ## Handelingen 16 — Naar Macedonië: Lydia en de gevangenbewaarder 1. Paulus kwam in Derbe en Lystre. Daar was een leerling die Timotheüs heette. Zijn moeder was een gelovige Joodse vrouw en zijn vader een Griek. 2. De gelovigen in Lystre en Ikonium spraken goed over hem. 3. Paulus wilde dat hij met hem mee zou reizen. Daarom besneed hij hem, vanwege de Joden in die streken. Iedereen wist namelijk dat zijn vader een Griek was. 4. Onderweg door de steden gaven zij de besluiten door die de apostelen en oudsten in Jeruzalem genomen hadden, zodat de gelovigen zich eraan zouden houden. 5. Zo werden de gemeenschappen sterker in het geloof, en elke dag kwamen er meer mensen bij. 6. Zij reisden door Frygië en het gebied van Galatië. De Heilige Geest verhinderde hun om het woord in Asia te spreken. 7. Bij Mysië probeerden zij naar Bithynië te gaan, maar de Geest van Jezus liet het niet toe. 8. Zij reisden langs Mysië en kwamen in Troas. 9. In de nacht zag Paulus een visioen. Er stond een Macedonische man die hem vroeg: Steek over naar Macedonië en help ons. 10. Toen hij dit visioen gezien had, wilden wij meteen naar Macedonië reizen. Wij begrepen daaruit dat de Heere ons geroepen had om daar het evangelie te verkondigen. 11. Wij voeren weg uit Troas en zetten koers naar Samothrace, en de volgende dag naar Neapolis. 12. Vandaar gingen wij naar Filippi, de belangrijkste stad van dat deel van Macedonië en een kolonie. In die stad bleven wij een paar dagen. 13. Op de sabbat gingen wij de stad uit naar de rivier, waar men gewoon was te bidden. Wij gingen zitten en spraken met de vrouwen die daar samengekomen waren. 14. Een vrouw die Lydia heette, luisterde naar ons. Zij verkocht purperstof en kwam uit Thyatira; zij diende God. De Heere opende haar hart, zodat zij aandacht gaf aan wat Paulus zei. 15. Zij werd gedoopt, en haar huis ook. Daarna vroeg zij ons: Als u vindt dat ik trouw ben aan de Heere, kom dan in mijn huis en blijf daar. Zij drong bij ons aan. 16. Toen wij een keer naar het gebed gingen, kwamen wij een slavin tegen. Zij had een waarzeggende geest en bracht haar eigenaren veel geld op met waarzeggen. 17. Zij liep achter Paulus en ons aan en riep: Deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God. Zij verkondigen jullie de weg van de redding. 18. Dat deed zij vele dagen. Paulus ergerde zich eraan. Hij draaide zich om en zei tegen de geest: Ik beveel je in de Naam van Jezus Christus: ga uit haar weg. En op dat moment ging hij uit haar weg. 19. Haar eigenaren zagen dat hun hoop op geld weg was. Zij grepen Paulus en Silas en sleepten hen naar de markt, voor de leiders. 20. Zij brachten hen bij de stadsbestuurders en zeiden: Deze mensen brengen onze stad in verwarring. Het zijn Joden. 21. Zij verkondigen gebruiken die wij niet mogen aannemen of doen, want wij zijn Romeinen. 22. De menigte keerde zich ook tegen hen. De bestuurders lieten hun de kleren van het lijf scheuren en gaven bevel hen te geselen. 23. Zij kregen veel slagen. Daarna gooiden zij hen in de gevangenis en droegen de gevangenbewaarder op hen streng te bewaken. 24. Die had dat bevel gekregen en gooide hen in de binnenste cel. Hun voeten zette hij vast in het blok. 25. Rond middernacht baden Paulus en Silas en zongen zij lofliederen voor God. De andere gevangenen luisterden naar hen. 26. Plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de fundamenten van de gevangenis schudden. Meteen gingen alle deuren open en raakten de boeien van iedereen los. 27. De gevangenbewaarder werd wakker en zag de deuren van de gevangenis openstaan. Hij trok zijn zwaard en wilde zichzelf doden, want hij dacht dat de gevangenen ontsnapt waren. 28. Maar Paulus riep met luide stem: Doe jezelf geen kwaad, want wij zijn allemaal hier! 29. Hij vroeg om licht, sprong naar binnen en viel bevend voor Paulus en Silas neer. 30. Hij bracht hen naar buiten en zei: Heren, wat moet ik doen om gered te worden? 31. Zij zeiden: Geloof in de Heere Jezus, en u zult gered worden, u en uw huis. 32. Zij spraken het woord van de Heere tot hem en tot iedereen in zijn huis. 33. Nog in dat uur van de nacht nam hij hen mee en waste hun wonden. Meteen daarna werd hij gedoopt, met al de zijnen. 34. Hij bracht hen in zijn huis en zette hun eten voor. Hij was blij dat hij met zijn hele huis tot geloof in God gekomen was. 35. Toen het dag werd, stuurden de stadsbestuurders hun dienaren met de boodschap: Laat die mensen vrij. 36. De gevangenbewaarder vertelde dit aan Paulus: De bestuurders hebben laten weten dat u vrijgelaten wordt. Ga dan nu en reis in vrede. 37. Maar Paulus zei tegen hen: Zij hebben ons in het openbaar gegeseld zonder vonnis, terwijl wij Romeinen zijn, en in de gevangenis gegooid. En nu sturen zij ons stiekem weg? Nee, laat zij zelf komen en ons naar buiten brengen. 38. De dienaren brachten deze woorden over aan de bestuurders. Die schrokken toen zij hoorden dat het Romeinen waren. 39. Zij kwamen en spraken hen vriendelijk toe. Zij brachten hen naar buiten en vroegen hun de stad te verlaten. 40. Paulus en Silas gingen uit de gevangenis naar het huis van Lydia. Zij zagen de gelovigen, bemoedigden hen en vertrokken uit de stad. ## Handelingen 17 — Thessalonica, Berea en Athene 1. Zij reisden via Amfipolis en Apollonia en kwamen in Thessalonica. Daar was een synagoge van de Joden. 2. Paulus ging naar hen toe, zoals hij gewend was. Drie sabbatten lang sprak hij met hen uit de Schriften. 3. Hij legde die uit en liet zien dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden. Hij zei: Deze Jezus, die ik jullie verkondig, is de Christus. 4. Sommigen van hen kwamen tot geloof en sloten zich aan bij Paulus en Silas. Ook een grote groep vrome Grieken en heel wat vrouwen van aanzien deden dat. 5. Maar de Joden die niet geloofden, werden jaloers. Zij haalden een paar slechte mannen van de markt erbij, brachten het volk op de been en zetten de stad in rep en roer. Zij vielen het huis van Jason aan en zochten Paulus en Silas om hen aan het volk uit te leveren. 6. Zij vonden hen niet. Daarom sleepten zij Jason en een paar gelovigen voor de stadsbestuurders. Zij riepen: Die mensen zetten de wereld op zijn kop, en nu zijn zij ook hier! 7. Jason heeft hen in huis genomen. Zij gaan allemaal in tegen de bevelen van de keizer, want zij zeggen dat er een andere koning is, ene Jezus. 8. Zo brachten zij de menigte en de stadsbestuurders in verwarring. 9. Die lieten Jason en de anderen pas gaan nadat zij een borgsom betaald hadden. 10. De gelovigen stuurden Paulus en Silas meteen 's nachts naar Berea. Toen zij daar aankwamen, gingen zij naar de synagoge van de Joden. 11. Deze mensen waren welwillender dan die in Thessalonica. Zij namen het woord met grote bereidheid aan en onderzochten elke dag de Schriften om te zien of het klopte. 12. Veel van hen kwamen tot geloof, en ook heel wat Griekse vrouwen van aanzien en mannen. 13. Maar de Joden uit Thessalonica hoorden dat Paulus ook in Berea het woord van God verkondigde. Zij kwamen ook daarheen en brachten de menigte in beweging. 14. De gelovigen stuurden Paulus meteen weg, in de richting van de zee. Silas en Timotheüs bleven daar. 15. Zijn begeleiders brachten hem tot in Athene. Zij kregen de opdracht mee dat Silas en Timotheüs zo snel mogelijk naar hem toe moesten komen. Daarna gingen zij terug. 16. Terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, werd hij diep geraakt. Hij zag dat de stad vol afgodsbeelden stond. 17. Hij sprak in de synagoge met de Joden en met de mensen die God dienden. Elke dag sprak hij ook op de markt met wie hij daar tegenkwam. 18. Een paar epicurische en stoïsche filosofen gingen met hem in discussie. Sommigen zeiden: Wat wil die praatjesmaker toch zeggen? Anderen zeiden: Hij lijkt een verkondiger van vreemde goden te zijn. Dat zeiden zij omdat hij Jezus en de opstanding verkondigde. 19. Zij namen hem mee naar de plaats die de Areopagus heet. Zij zeiden: Mogen wij weten wat die nieuwe leer is waarover u spreekt? 20. U laat ons namelijk vreemde dingen horen. Wij willen graag weten wat dit betekent. 21. De inwoners van Athene en de vreemdelingen die daar woonden, hadden voor niets anders tijd dan voor het vertellen en horen van nieuws. 22. Paulus ging midden op de Areopagus staan en zei: Mannen van Athene, ik merk dat jullie in alles heel godsdienstig zijn. 23. Ik liep door de stad en bekeek jullie heiligdommen. Toen vond ik ook een altaar met dit opschrift: aan de onbekende God. Die God die jullie dienen zonder Hem te kennen, verkondig ik jullie. 24. God heeft de wereld gemaakt en alles wat daarin is. Hij is Heere van de hemel en de aarde en woont niet in tempels die met handen gemaakt zijn. 25. Hij laat zich ook niet door mensenhanden bedienen, alsof Hij iets nodig heeft. Hij geeft zelf aan iedereen leven en adem en alles. 26. Uit één mens heeft Hij het hele menselijke geslacht gemaakt om op de aarde te wonen. Hij bepaalde de tijden en de grenzen van hun woonplaatsen. 27. Zo zouden zij God zoeken en Hem misschien tastend vinden. Toch is Hij niet ver van ieder van ons. 28. Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Ook een paar van jullie dichters hebben gezegd: Wij zijn van Zijn geslacht. 29. Wij zijn dus van Gods geslacht. Dan moeten wij niet denken dat God lijkt op goud, zilver of steen, gemaakt door mensenhanden. 30. God heeft de tijden van onwetendheid voorbij laten gaan. Nu zegt Hij tegen alle mensen overal dat zij zich moeten bekeren. 31. Want Hij heeft een dag vastgesteld waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen. Dat doet Hij door een Man die Hij daarvoor aangewezen heeft. Voor iedereen heeft Hij dat bewezen door Hem uit de doden op te wekken. 32. Toen zij over de opstanding uit de doden hoorden, spotten sommigen ermee. Anderen zeiden: Wij zullen u hierover nog eens horen. 33. Zo ging Paulus bij hen weg. 34. Toch sloten een paar mannen zich bij hem aan en kwamen tot geloof. Onder hen waren Dionysius, lid van de Areopagus, een vrouw die Damaris heette, en anderen. ## Handelingen 18 — Korinthe en Efeze 1. Daarna vertrok Paulus uit Athene en kwam in Korinthe. 2. Daar vond hij een Jood die Aquila heette en uit Pontus kwam. Hij was pas uit Italië aangekomen met zijn vrouw Priscilla, want Claudius had bevolen dat alle Joden Rome moesten verlaten. Paulus ging naar hen toe. 3. Hij had hetzelfde beroep als zij en bleef bij hen werken; zij waren tentenmakers. 4. Elke sabbat sprak hij in de synagoge en probeerde hij Joden en Grieken te overtuigen. 5. Toen Silas en Timotheüs uit Macedonië kwamen, werd Paulus door de Geest gedrongen. Hij getuigde tegenover de Joden dat Jezus de Christus is. 6. Maar zij gingen tegen hem in en lasterden. Toen schudde hij zijn kleren uit en zei tegen hen: Jullie bloed is op jullie eigen hoofd. Ik ben er vrij van. Van nu af aan ga ik naar de andere volken. 7. Hij ging daar weg en kwam in het huis van een man die Justus heette en God diende. Zijn huis stond naast de synagoge. 8. Crispus, de leider van de synagoge, kwam met zijn hele huis tot geloof in de Heere. Ook veel Korinthiërs die hem hoorden, kwamen tot geloof en lieten zich dopen. 9. De Heere zei 's nachts in een visioen tegen Paulus: Wees niet bang, maar spreek en zwijg niet. 10. Want ik ben met je. Niemand zal je aanvallen om je kwaad te doen, want ik heb veel volk in deze stad. 11. Hij bleef daar anderhalf jaar en gaf hun onderwijs uit het woord van God. 12. Toen Gallio stadhouder van Achaje was, keerden de Joden zich eensgezind tegen Paulus. Zij brachten hem voor de rechterstoel. 13. Zij zeiden: Deze man haalt de mensen over om God te dienen op een manier die tegen de wet ingaat. 14. Paulus wilde net iets zeggen. Maar Gallio zei tegen de Joden: Als het om onrecht of een misdaad ging, zou ik jullie met reden aanhoren. 15. Maar het gaat over woorden, namen en jullie eigen wet. Zoek dat zelf maar uit. Ik wil daar geen rechter over zijn. 16. Hij stuurde hen weg van de rechterstoel. 17. Toen grepen alle Grieken Sosthenes, de leider van de synagoge. Zij sloegen hem voor de rechterstoel, maar Gallio trok zich daar niets van aan. 18. Paulus bleef daar nog veel dagen. Daarna nam hij afscheid van de gelovigen en voer naar Syrië, samen met Priscilla en Aquila. In Kenchreeën had hij zijn hoofd kaal laten scheren, want hij had een gelofte gedaan. 19. Hij kwam in Efeze aan en liet hen daar achter. Zelf ging hij de synagoge binnen en sprak met de Joden. 20. Zij vroegen hem om langer te blijven, maar dat wilde hij niet. 21. Hij nam afscheid van hen en zei: Ik moet het komende feest zeker in Jeruzalem vieren. Maar als God het wil, kom ik bij jullie terug. Toen voer hij weg uit Efeze. 22. Hij kwam aan in Cesarea, ging op naar Jeruzalem en groette de gelovigen. Daarna ging hij naar Antiochië. 23. Na een tijd vertrok hij weer. Hij reisde door het gebied van Galatië en Frygië en versterkte alle leerlingen. 24. In Efeze kwam een Jood die Apollos heette. Hij was geboren in Alexandrië, kon goed spreken en kende de Schriften heel goed. 25. Hij was onderwezen in de weg van de Heere. Vol vuur sprak hij en gaf hij nauwkeurig onderwijs over Jezus, maar hij kende alleen de doop van Johannes. 26. Hij begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. Toen Aquila en Priscilla hem hoorden, namen zij hem apart en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit. 27. Hij wilde naar Achaje reizen. De gelovigen moedigden hem aan en schreven aan de leerlingen daar om hem te ontvangen. Toen hij daar kwam, was hij een grote steun voor wie door de genade tot geloof gekomen waren. 28. Want hij weerlegde de Joden krachtig in het openbaar. Uit de Schriften bewees hij dat Jezus de Christus is. ## Handelingen 19 — Paulus in Efeze 1. Terwijl Apollos in Korinthe was, reisde Paulus door het hoogland en kwam in Efeze. Daar vond hij een paar leerlingen. 2. Hij vroeg hun: Hebben jullie de Heilige Geest ontvangen toen jullie tot geloof kwamen? Zij zeiden tegen hem: Wij hebben zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest is. 3. Hij vroeg: Waarin zijn jullie dan gedoopt? Zij zeiden: In de doop van Johannes. 4. Paulus zei: Johannes doopte met de doop van de bekering. Hij zei tegen het volk dat zij moesten geloven in Hem die na hem kwam, en dat is Jezus. 5. Toen zij dat hoorden, lieten zij zich dopen in de Naam van de Heere Jezus. 6. Paulus legde hun de handen op, en de Heilige Geest kwam op hen. Zij spraken in andere talen en profeteerden. 7. Bij elkaar waren het ongeveer twaalf mannen. 8. Paulus ging de synagoge binnen en sprak drie maanden lang vrijmoedig. Hij sprak met hen en overtuigde hen over het koninkrijk van God. 9. Maar sommigen werden hard en wilden niet geloven. Zij spraken voor de menigte kwaad over de weg van de Heere. Toen ging Paulus bij hen weg en nam de leerlingen mee. Elke dag sprak hij in de school van een zekere Tyrannus. 10. Dat duurde twee jaar. Zo hoorden alle inwoners van Asia het woord van de Heere Jezus, Joden en Grieken. 11. God deed bijzondere krachten door de handen van Paulus. 12. Zelfs zweetdoeken en schorten die hij gedragen had, werden naar de zieken gebracht. De ziekten verdwenen en de boze geesten gingen uit hen weg. 13. Ook een paar rondtrekkende Joodse geestenbezweerders probeerden de Naam van de Heere Jezus te gebruiken bij mensen met boze geesten. Zij zeiden: Wij bezweren jullie bij Jezus, die Paulus verkondigt! 14. Dat deden zeven zonen van Sceva, een Joodse overpriester. 15. Maar de boze geest antwoordde: Jezus ken ik, en van Paulus weet ik. Maar wie zijn jullie? 16. De man met de boze geest sprong op hen af. Hij overmeesterde hen allemaal, zodat zij naakt en gewond uit dat huis vluchtten. 17. Dit werd bekend bij alle inwoners van Efeze, Joden en Grieken. Ontzag kwam over hen allemaal, en de Naam van de Heere Jezus werd groot gemaakt. 18. Veel mensen die tot geloof gekomen waren, kwamen hun daden belijden en vertellen. 19. Ook veel mensen die toverkunsten beoefend hadden, brachten hun boeken bij elkaar en verbrandden ze voor de ogen van iedereen. Zij rekenden de waarde uit: 50.000 zilverstukken. 20. Zo groeide het woord van de Heere met kracht en kreeg het de overhand. 21. Toen dit voorbij was, nam Paulus zich in de Geest voor om via Macedonië en Achaje naar Jeruzalem te reizen. Hij zei: Als ik daar geweest ben, moet ik ook Rome zien. 22. Hij stuurde twee van zijn helpers naar Macedonië, Timotheüs en Erastus. Zelf bleef hij nog een tijd in Asia. 23. In die tijd ontstond er grote onrust over de weg van de Heere. 24. Een zilversmid die Demetrius heette, maakte zilveren tempeltjes van Artemis. Daarmee bezorgde hij de vaklieden veel werk en winst. 25. Hij riep hen bij elkaar, met de mensen die soortgelijk werk deden. Hij zei: Mannen, jullie weten dat wij onze welvaart aan dit werk te danken hebben. 26. Jullie zien en horen ook dat die Paulus veel mensen overgehaald heeft, niet alleen in Efeze maar in bijna heel Asia. Hij zegt dat goden die met handen gemaakt zijn, geen goden zijn. 27. Zo lopen wij gevaar dat ons vak in een kwaad daglicht komt. Ook de tempel van de grote godin Artemis kan waardeloos worden, en haar majesteit kan verdwijnen, terwijl heel Asia en de hele wereld haar vereren. 28. Toen zij dit hoorden, werden zij woedend. Zij riepen: Groot is de Artemis van de Efeziërs! 29. De hele stad raakte in verwarring. Zij liepen met veel lawaai naar het theater en sleepten Gajus en Aristarchus mee, twee Macedoniërs die met Paulus meereisden. 30. Paulus wilde naar het volk toe gaan, maar de leerlingen lieten hem niet. 31. Ook een paar bestuurders van Asia die zijn vrienden waren, stuurden hem een bericht. Zij vroegen hem niet naar het theater te gaan. 32. De een riep dit, de ander dat, want de vergadering was in verwarring. De meesten wisten niet eens waarom zij bij elkaar gekomen waren. 33. De Joden duwden Alexander naar voren, en zij lieten hem uit de menigte komen. Alexander gaf met zijn hand een teken; hij wilde zich voor het volk verdedigen. 34. Maar toen zij merkten dat hij een Jood was, riepen zij allemaal met één stem, ongeveer twee uur lang: Groot is Artemis van de Efeziërs! 35. De stadssecretaris kreeg de menigte stil. Hij zei: Mannen van Efeze, iedereen weet toch dat onze stad de tempelbewaarster is van de grote Artemis? Wij bewaren ook het beeld dat uit de hemel gevallen is. 36. Dat is niet tegen te spreken. Daarom moeten jullie rustig blijven en niets onbezonnens doen. 37. Jullie hebben deze mannen hierheen gebracht, terwijl zij geen tempelrovers zijn en onze godin niet lasteren. 38. Als Demetrius en zijn vaklieden een klacht tegen iemand hebben, dan zijn er rechtszittingen en stadhouders. Laat hen elkaar daar aanklagen. 39. Willen jullie nog iets anders regelen, dan moet dat in een wettige vergadering gebeuren. 40. Wij lopen namelijk gevaar dat wij aangeklaagd worden voor oproer om wat er vandaag gebeurd is. Er is geen enkele reden die wij voor deze oploop kunnen geven. 41. Toen hij dit gezegd had, stuurde hij de vergadering weg. ## Handelingen 20 — Afscheid van de oudsten van Efeze 1. Toen de onrust voorbij was, riep Paulus de leerlingen bij zich. Hij bemoedigde hen, nam afscheid en vertrok naar Macedonië. 2. Hij reisde door dat gebied en sprak de gelovigen met veel woorden moed in. Daarna kwam hij in Griekenland. 3. Daar bleef hij drie maanden. Hij wilde naar Syrië varen, maar de Joden beraamden een aanslag op hem. Daarom besloot hij terug te gaan via Macedonië. 4. Met hem gingen mee: Sopater uit Berea, Aristarchus en Sekundus uit Thessalonica, Gajus uit Derbe, Timotheüs, en Tychikus en Trofimus uit Asia. 5. Zij gingen vooruit en wachtten op ons in Troas. 6. Na de dagen van de ongezuurde broden voeren wij weg uit Filippi. Vijf dagen later kwamen wij bij hen in Troas, en daar bleven wij zeven dagen. 7. Op de eerste dag van de week kwamen de leerlingen bij elkaar om brood te breken. Paulus sprak met hen, want hij zou de volgende dag vertrekken. Zijn toespraak duurde tot middernacht. 8. In de bovenzaal waar zij bij elkaar waren, brandden veel lampen. 9. Een jonge man die Eutychus heette, zat in het raam. Paulus sprak lang, en hij viel in een diepe slaap. Door die slaap viel hij van de derde verdieping naar beneden. Hij werd dood opgepakt. 10. Maar Paulus ging naar beneden, boog zich over hem heen en sloeg zijn armen om hem heen. Hij zei: Maak je niet druk, want zijn leven is in hem. 11. Hij ging weer naar boven, brak het brood en at. Daarna sprak hij nog lang met hen, tot de dag aanbrak. Toen vertrok hij. 12. Zij brachten de jongen levend thuis en waren enorm getroost. 13. Wij gingen vooruit naar het schip en voeren naar Assus. Daar zouden wij Paulus aan boord nemen, want dat had hij zo geregeld; zelf wilde hij lopen. 14. Toen hij zich in Assus bij ons voegde, namen wij hem aan boord en kwamen in Mitylene. 15. Vandaar voeren wij verder. De volgende dag kwamen wij tegenover Chios, de dag daarna legden wij aan bij Samos, en weer een dag later kwamen wij in Milete. 16. Paulus had namelijk besloten Efeze voorbij te varen, om geen tijd in Asia te verliezen. Hij haastte zich om, als het kon, op de Pinksterdag in Jeruzalem te zijn. 17. Vanuit Milete stuurde hij een bericht naar Efeze en liet de oudsten van de gemeenschap komen. 18. Toen zij bij hem gekomen waren, zei hij: Jullie weten hoe ik bij jullie geleefd heb, vanaf de eerste dag in Asia. 19. Ik diende de Heere in alle nederigheid en met veel tranen, ook in de beproevingen door de aanslagen van de Joden. 20. Ik heb niets achtergehouden van wat nuttig was. Ik heb het jullie verkondigd en onderwezen, in het openbaar en in de huizen. 21. Ik heb tegenover Joden en Grieken getuigd van de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus. 22. Nu reis ik, gebonden door de Geest, naar Jeruzalem. Ik weet niet wat mij daar zal overkomen. 23. Wel getuigt de Heilige Geest mij in elke stad dat mij boeien en verdrukkingen te wachten staan. 24. Maar ik hecht daar geen waarde aan. Mijn leven is mij niet kostbaar voor mijzelf. Ik wil met blijdschap mijn loop volbrengen en de dienst die ik van de Heere Jezus gekregen heb: getuigen van het evangelie van Gods genade. 25. Nu weet ik dat jullie mij niet meer zullen zien. Ik ben bij jullie allemaal geweest en verkondigde het koninkrijk van God. 26. Daarom getuig ik jullie vandaag dat ik vrij ben van het bloed van jullie allemaal. 27. Want ik heb niets achtergehouden; ik heb jullie heel de wil van God verkondigd. 28. Let goed op jezelf en op de hele kudde. De Heilige Geest heeft jullie als opzieners aangesteld om de gemeenschap van God te weiden, die Hij verworven heeft door Zijn eigen bloed. 29. Want ik weet dit: na mijn vertrek zullen er wrede wolven bij jullie binnenkomen, die de kudde niet sparen. 30. Ook uit jullie eigen midden zullen mannen opstaan die verdraaide dingen zeggen om de leerlingen achter zich aan te trekken. 31. Wees daarom waakzaam. Denk eraan dat ik drie jaar lang, dag en nacht, ieder van jullie met tranen heb gewaarschuwd. 32. En nu vertrouw ik jullie toe aan God en aan het woord van Zijn genade. Dat kan jullie opbouwen en jullie een erfdeel geven onder alle heiligen. 33. Ik heb van niemand zilver, goud of kleren verlangd. 34. Jullie weten zelf dat deze handen gewerkt hebben voor mijzelf en voor de mensen die bij mij waren. 35. In alles heb ik jullie laten zien dat je zo moet werken en de zwakken moet helpen. Denk aan de woorden van de Heere Jezus, die zei: Geven maakt gelukkiger dan ontvangen. 36. Toen hij dit gezegd had, knielde hij neer en bad met hen allemaal. 37. Iedereen huilde hevig. Zij vielen Paulus om de hals en kusten hem. 38. Het meest verdrietig waren zij om zijn woord dat zij hem niet meer zouden zien. Zij brachten hem naar het schip. ## Handelingen 21 — Naar Jeruzalem, en de opschudding in de tempel 1. Wij namen afscheid van hen en voeren weg. Wij zetten rechtstreeks koers naar Kos, de volgende dag naar Rhodus en vandaar naar Patara. 2. Daar vonden wij een schip dat naar Fenicië voer. Wij gingen aan boord en vertrokken. 3. Wij kregen Cyprus in zicht, lieten het aan bakboord liggen en voeren naar Syrië. Wij kwamen aan in Tyrus, want daar moest het schip zijn lading lossen. 4. Wij vonden daar de leerlingen en bleven zeven dagen. Door de Geest zeiden zij tegen Paulus dat hij niet naar Jeruzalem moest gaan. 5. Toen die dagen voorbij waren, gingen wij weer op reis. Zij deden ons allemaal uitgeleide, met vrouwen en kinderen, tot buiten de stad. Op het strand knielden wij neer en baden. 6. Wij namen afscheid van elkaar. Wij gingen aan boord, en zij gingen terug naar huis. 7. Wij voeren van Tyrus verder en kwamen aan in Ptolemaïs. Daar groetten wij de gelovigen en bleven een dag bij hen. 8. De volgende dag gingen Paulus en wij verder naar Cesarea. Daar kwamen wij in het huis van Filippus de evangelist, een van de zeven, en bleven bij hem. 9. Hij had vier ongetrouwde dochters die profeteerden. 10. Wij bleven daar een aantal dagen. Toen kwam er een profeet uit Judea die Agabus heette. 11. Hij kwam naar ons toe, nam de gordel van Paulus en bond daarmee zijn eigen handen en voeten vast. Hij zei: Dit zegt de Heilige Geest: Zo zullen de Joden in Jeruzalem de man binden van wie deze gordel is. Zij zullen hem uitleveren aan de andere volken. 12. Toen wij dit hoorden, vroegen wij en de mensen daar hem om niet naar Jeruzalem te gaan. 13. Maar Paulus antwoordde: Waarom huilen jullie en maken jullie mijn hart week? Ik ben bereid in Jeruzalem niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven voor de Naam van de Heere Jezus. 14. Hij liet zich niet ompraten. Toen legden wij ons erbij neer en zeiden: Laat de wil van de Heere gebeuren. 15. Na die dagen maakten wij ons klaar en gingen op naar Jeruzalem. 16. Een paar leerlingen uit Cesarea gingen met ons mee. Zij brachten ons bij Mnason uit Cyprus, een leerling van het eerste uur, bij wie wij zouden logeren. 17. Toen wij in Jeruzalem aankwamen, ontvingen de gelovigen ons blij. 18. De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus. Alle oudsten waren daar gekomen. 19. Hij groette hen en vertelde punt voor punt wat God door zijn dienst onder de andere volken gedaan had. 20. Toen zij dat hoorden, prezen zij de Heere. Zij zeiden tegen hem: Je ziet, broeder, hoeveel duizenden Joden tot geloof gekomen zijn. Zij houden zich allemaal vol ijver aan de wet. 21. Over jou hebben zij gehoord dat je alle Joden onder de andere volken leert om Mozes los te laten. Jij zou zeggen dat zij hun kinderen niet moeten besnijden en niet naar de gebruiken moeten leven. 22. Wat moeten wij nu doen? Zij zullen zeker horen dat je gekomen bent. 23. Doe daarom wat wij je zeggen. Er zijn hier vier mannen die een gelofte gedaan hebben. 24. Neem hen mee, reinig je samen met hen en betaal de kosten voor hen, zodat zij hun hoofd kunnen laten scheren. Dan weet iedereen dat er niets waar is van wat zij over jou gehoord hebben, en dat je zelf ook de wet houdt. 25. Over de gelovigen uit de andere volken hebben wij al geschreven wat wij besloten hebben. Zij hoeven zich alleen te onthouden van vlees dat aan afgoden geofferd is, van bloed, van verstikt vlees en van ontucht. 26. De volgende dag nam Paulus de mannen mee en reinigde zich samen met hen. Hij ging de tempel binnen en maakte bekend wanneer de dagen van de reiniging voorbij zouden zijn. Hij bleef daar tot voor ieder van hen het offer gebracht was. 27. De zeven dagen liepen bijna ten einde. Toen zagen de Joden uit Asia hem in de tempel. Zij brachten het hele volk in beroering en grepen hem. 28. Zij riepen: Israëlieten, kom helpen! Dit is de man die overal iedereen leert tegen ons volk, tegen de wet en tegen deze plaats. Bovendien heeft hij Grieken de tempel binnengebracht en deze heilige plaats ontheiligd. 29. Zij hadden namelijk eerder Trofimus uit Efeze met hem in de stad gezien. Zij dachten dat Paulus hem de tempel binnengebracht had. 30. De hele stad kwam in opschudding en het volk liep samen. Zij grepen Paulus en sleepten hem de tempel uit. Meteen werden de deuren gesloten. 31. Terwijl zij hem wilden doden, kwam het bericht bij de commandant van de troepen dat heel Jeruzalem in verwarring was. 32. Hij nam meteen soldaten en officieren mee en rende naar hen toe. Toen de mensen de commandant en de soldaten zagen, stopten zij met het slaan van Paulus. 33. De commandant kwam dichterbij, greep hem en gaf bevel hem met twee ketenen te boeien. Hij vroeg wie hij was en wat hij gedaan had. 34. In de menigte riep de een dit en de ander dat. Door de onrust kon hij niets met zekerheid te weten komen. Daarom gaf hij bevel hem naar de kazerne te brengen. 35. Bij de trappen moesten de soldaten hem dragen, want de menigte was zo gewelddadig. 36. De hele menigte liep achter hem aan en riep: Weg met hem! 37. Paulus zou net de kazerne binnengebracht worden. Hij zei tegen de commandant: Mag ik u iets zeggen? Die zei: Kent u Grieks? 38. Bent u dan niet die Egyptenaar die kortgeleden een opstand begon en 4.000 moordenaars meenam naar de woestijn? 39. Paulus zei: Ik ben een Joodse man uit Tarsus, burger van een bekende stad in Cilicië. Ik vraag u: laat mij tot het volk spreken. 40. De commandant gaf toestemming. Paulus ging op de trappen staan en gaf het volk een teken met zijn hand. Er kwam een grote stilte, en hij sprak hen toe in het Hebreeuws: ## Handelingen 22 — Paulus vertelt over zijn roeping 1. Broeders en vaders, luister naar wat ik nu tot mijn verdediging zeg. 2. Toen zij hoorden dat hij hen in het Hebreeuws aansprak, werden zij nog stiller. Hij zei: 3. Ik ben een Joodse man, geboren in Tarsus in Cilicië, maar opgegroeid in deze stad. Aan de voeten van Gamaliël ben ik nauwkeurig onderwezen in de wet van onze voorouders. Ik was vol ijver voor God, net als jullie vandaag. 4. Ik heb deze weg tot de dood toe vervolgd. Ik bond mannen en vrouwen en leverde hen uit aan de gevangenis. 5. De hogepriester en de hele raad van oudsten kunnen dat bevestigen. Van hen kreeg ik brieven voor de gelovigen in Damaskus. Ik reisde daarheen om ook de mensen daar geboeid naar Jeruzalem te brengen voor straf. 6. Maar onderweg gebeurde er iets. Ik kwam in de buurt van Damaskus, rond het middaguur. Plotseling scheen er een fel licht uit de hemel om mij heen. 7. Ik viel op de grond en hoorde een stem tegen mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolg je mij? 8. Ik antwoordde: Wie bent U, Heere? Hij zei tegen mij: Ik ben Jezus uit Nazareth, die jij vervolgt. 9. De mensen die bij mij waren, zagen wel het licht en werden erg bang. Maar de stem van Hem die tot mij sprak, verstonden zij niet. 10. Ik zei: Heere, wat moet ik doen? De Heere zei tegen mij: Sta op en ga naar Damaskus. Daar zal je gezegd worden wat je allemaal moet doen. 11. Door de heerlijkheid van dat licht kon ik niet zien. Daarom namen mijn reisgenoten mij bij de hand, en zo kwam ik in Damaskus. 12. Daar woonde Ananias, een vroom man die de wet hield. Alle Joden die daar woonden, spraken goed over hem. 13. Hij kwam bij mij, ging naast mij staan en zei: Saul, broeder, word weer ziende! Op dat moment kon ik hem zien. 14. Hij zei: De God van onze voorouders heeft jou uitgekozen. Je zult Zijn wil kennen, de Rechtvaardige zien en de stem uit Zijn mond horen. 15. Want jij zult voor alle mensen Zijn getuige zijn van wat je gezien en gehoord hebt. 16. Waarom wacht je dan nog? Sta op, laat je dopen en je zonden afwassen, terwijl je Zijn Naam aanroept. 17. Later kwam ik terug in Jeruzalem. Terwijl ik in de tempel bad, raakte ik in vervoering. 18. Ik zag Hem, en Hij zei tegen mij: Haast je en ga snel weg uit Jeruzalem, want zij zullen jouw getuigenis over mij niet aannemen. 19. Ik zei: Heere, zij weten toch dat ik mensen die in U geloofden, gevangenzette en in de synagogen liet geselen. 20. Toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, stond ik erbij. Ik was het eens met zijn dood en bewaakte de kleren van zijn moordenaars. 21. Maar Hij zei tegen mij: Ga, want ik stuur je ver weg, naar de andere volken. 22. Tot dit woord luisterden zij naar hem. Toen verhieven zij hun stem en riepen: Weg met zo iemand van de aarde! Hij mag niet blijven leven. 23. Zij schreeuwden, gooiden hun kleren weg en wierpen stof in de lucht. 24. Daarom gaf de commandant bevel hem naar de kazerne te brengen. Hij liet hem geselen om te weten te komen waarom zij zo over hem schreeuwden. 25. Zij spanden hem met riemen vast. Toen zei Paulus tegen de officier die erbij stond: Mag u een Romein geselen, zonder vonnis? 26. Toen de officier dat hoorde, ging hij naar de commandant. Hij zei: Kijk uit wat u doet, want deze man is een Romein. 27. De commandant kwam naar hem toe en vroeg: Zeg mij, bent u een Romein? Hij zei: Ja. 28. De commandant antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor veel geld gekocht. Paulus zei: En ik ben als burger geboren. 29. Meteen lieten de mannen die hem zouden ondervragen, hem met rust. Ook de commandant schrok toen hij besefte dat hij een Romein geboeid had. 30. De volgende dag wilde hij zeker weten waarvan de Joden hem beschuldigden. Hij maakte hem los uit zijn boeien en gaf bevel dat de overpriesters en de hele Raad bij elkaar zouden komen. Hij liet Paulus naar beneden brengen en zette hem voor hen neer. ## Handelingen 23 — Paulus voor de Raad, en de aanslag 1. Paulus keek de Raad aan en zei: Broeders, ik heb tot op vandaag met een volkomen zuiver geweten voor God geleefd. 2. Maar de hogepriester Ananias gaf de mannen die bij hem stonden, bevel hem op de mond te slaan. 3. Toen zei Paulus tegen hem: God zal u slaan, witgekalkte muur! U zit daar om mij naar de wet te oordelen. Toch geeft u tegen de wet in bevel mij te slaan. 4. De omstanders zeiden: Scheldt u de hogepriester van God uit? 5. Paulus zei: Broeders, ik wist niet dat het de hogepriester was. Er staat namelijk geschreven: Over een leider van je volk mag je geen kwaad spreken. 6. Paulus wist dat een deel sadduceeën waren en een ander deel farizeeën. Daarom riep hij in de Raad: Broeders, ik ben een farizeeër, zoon van farizeeën. Ik word geoordeeld om de hoop en de opstanding van de doden. 7. Toen hij dit gezegd had, ontstond er onenigheid tussen de farizeeën en de sadduceeën, en de vergadering raakte verdeeld. 8. De sadduceeën zeggen namelijk dat er geen opstanding is, en ook geen engel of geest. De farizeeën belijden dit allemaal wel. 9. Er ontstond luid geschreeuw. Een paar schriftgeleerden van de kant van de farizeeën stonden op en zeiden fel: Wij vinden niets verkeerds in deze man. Misschien heeft een geest of een engel tot hem gesproken; laten wij niet tegen God strijden. 10. De onenigheid werd zo groot dat de commandant bang werd dat zij Paulus zouden verscheuren. Hij gaf bevel dat de soldaten naar beneden zouden komen, hem uit hun midden zouden halen en naar de kazerne zouden brengen. 11. De volgende nacht stond de Heere bij hem. Hij zei: Houd moed, Paulus. Jij hebt in Jeruzalem van mij getuigd, en zo moet je ook in Rome getuigen. 12. Toen het dag werd, spanden een aantal Joden samen. Zij vervloekten zichzelf en zwoeren dat zij niet zouden eten of drinken tot zij Paulus gedood hadden. 13. Er waren meer dan 40 mannen die deze eed samen gezworen hadden. 14. Zij gingen naar de overpriesters en de oudsten. Zij zeiden: Wij hebben onszelf met een vloek verbonden om niets te eten tot wij Paulus gedood hebben. 15. Laat u met de Raad aan de commandant weten dat hij Paulus morgen naar u toe brengt. Doe alsof u zijn zaak nauwkeuriger wilt onderzoeken. Wij staan klaar om hem te doden voordat hij bij u is. 16. Maar de zoon van de zus van Paulus hoorde van deze aanslag. Hij ging naar de kazerne en vertelde het aan Paulus. 17. Paulus riep een van de officieren bij zich en zei: Breng deze jonge man naar de commandant, want hij moet hem iets vertellen. 18. De officier nam hem mee naar de commandant en zei: De gevangene Paulus riep mij bij zich. Hij vroeg of ik deze jonge man bij u wilde brengen; hij heeft u iets te zeggen. 19. De commandant nam hem bij de hand, ging apart staan en vroeg: Wat heb je mij te vertellen? 20. Hij zei: De Joden hebben afgesproken u te vragen om Paulus morgen naar de Raad te brengen. Zij doen alsof zij iets nauwkeuriger willen onderzoeken. 21. Maar geloof hen niet. Meer dan 40 mannen liggen op de loer. Zij hebben zichzelf met een vloek verbonden om niet te eten of te drinken tot zij hem gedood hebben. Nu staan zij klaar en wachten op uw toezegging. 22. De commandant liet de jonge man gaan. Hij gaf hem het bevel: Vertel aan niemand dat je mij dit hebt laten weten. 23. Hij riep twee officieren bij zich en zei: Maak 200 soldaten klaar om naar Cesarea te gaan. Neem ook 70 ruiters en 200 speerdragers mee, vanaf het derde uur van de nacht. 24. Zorg ook voor rijdieren, zodat Paulus daarop kan zitten. Breng hem veilig naar stadhouder Felix. 25. Hij schreef een brief met deze inhoud: 26. Claudius Lysias groet de zeer geachte stadhouder Felix. 27. Deze man was door de Joden gegrepen en zij zouden hem gedood hebben. Ik kwam erbij met de soldaten en heb hem bevrijd, want ik had gehoord dat hij een Romein is. 28. Ik wilde weten waarvan zij hem beschuldigden. Daarom bracht ik hem naar hun Raad. 29. Ik ontdekte dat hij beschuldigd werd over vragen van hun wet. Er was geen aanklacht die de dood of gevangenschap verdient. 30. Men vertelde mij dat er een aanslag op deze man beraamd zou worden. Daarom stuur ik hem meteen naar u. Ik heb zijn aanklagers opgedragen bij u te zeggen wat zij tegen hem hebben. Het ga u goed. 31. De soldaten deden wat hun bevolen was. Zij namen Paulus mee en brachten hem 's nachts naar Antipatris. 32. De volgende dag lieten zij de ruiters met hem verder trekken en gingen zelf terug naar de kazerne. 33. De ruiters kwamen in Cesarea aan, gaven de brief aan de stadhouder en brachten ook Paulus bij hem. 34. De stadhouder las de brief en vroeg uit welke provincie hij kwam. Toen hij hoorde dat hij uit Cilicië kwam, zei hij: 35. Ik zal u verhoren wanneer ook uw aanklagers gekomen zijn. Hij gaf bevel hem te bewaken in het paleis van Herodes. ## Handelingen 24 — Paulus voor Felix 1. Vijf dagen later kwam de hogepriester Ananias met een paar oudsten en een advocaat die Tertullus heette. Zij brachten hun aanklacht tegen Paulus voor de stadhouder. 2. Paulus werd geroepen. Toen begon Tertullus zijn aanklacht. Hij zei: 3. Zeer geachte Felix, dankzij u hebben wij veel vrede, en door uw beleid gaat het dit volk beter. Dat aanvaarden wij altijd en overal met grote dankbaarheid. 4. Maar ik wil u niet te lang ophouden. Ik vraag u vriendelijk om ons kort aan te horen. 5. Wij hebben gemerkt dat deze man een gevaar is. Hij zet alle Joden in de hele wereld tot opstand aan en is een leider van de partij van de Nazoreeërs. 6. Hij heeft zelfs geprobeerd de tempel te ontheiligen. Daarom hebben wij hem gegrepen en wilden wij hem naar onze wet oordelen. 7. Maar commandant Lysias kwam ertussen. Met veel geweld heeft hij hem uit onze handen weggehaald. 8. Hij gaf zijn aanklagers bevel bij u te komen. Als u hem zelf ondervraagt, kunt u alles te weten komen waarvan wij hem beschuldigen. 9. De Joden vielen hem bij en zeiden dat het zo was. 10. De stadhouder gaf Paulus een teken dat hij mocht spreken. Hij antwoordde: Ik weet dat u al vele jaren rechter over dit volk bent. Daarom verdedig ik mijzelf met goede moed. 11. U kunt te weten komen dat het niet langer dan twaalf dagen geleden is dat ik naar Jeruzalem ging om te aanbidden. 12. Zij hebben mij niet in de tempel met iemand zien discussiëren of het volk zien opruien. Ook niet in de synagogen of in de stad. 13. Zij kunnen niet bewijzen waarvan zij mij nu beschuldigen. 14. Maar dit erken ik wel: ik dien de God van onze voorouders volgens de weg die zij een partij noemen. Ik geloof alles wat in de wet en in de profeten geschreven staat. 15. Ik heb hoop op God, dezelfde hoop die zij ook hebben: dat er een opstanding komt van rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 16. Daarom oefen ik mijzelf om altijd een zuiver geweten te hebben voor God en de mensen. 17. Na vele jaren ben ik gekomen om gaven voor mijn volk te brengen en offers. 18. Daarmee was ik bezig in de tempel, nadat ik mij gereinigd had. Er was geen menigte en geen opstootje. Maar een paar Joden uit Asia zagen mij. 19. Zij hadden hier voor u moeten staan om mij aan te klagen, als zij iets tegen mij hadden. 20. Of laten deze mensen zelf zeggen welk onrecht zij in mij gevonden hebben toen ik voor de Raad stond. 21. Het gaat alleen om dat ene woord dat ik tussen hen in riep: over de opstanding van de doden word ik vandaag door jullie geoordeeld! 22. Felix wist heel goed wat die weg inhield. Hij stelde de zaak uit en zei: Als commandant Lysias komt, zal ik jullie zaak verder onderzoeken. 23. Hij gaf de officier bevel om Paulus te bewaken, maar hem enige vrijheid te geven. Zijn eigen mensen mochten hem verzorgen en bij hem komen. 24. Een paar dagen later kwam Felix met zijn vrouw Drusilla, die Joods was. Hij liet Paulus halen en hoorde hem over het geloof in Christus. 25. Paulus sprak over rechtvaardigheid, zelfbeheersing en het komende oordeel. Felix werd bang en zei: Voor nu kun je gaan. Als het mij uitkomt, laat ik je weer roepen. 26. Tegelijk hoopte hij dat Paulus hem geld zou geven om hem los te laten. Daarom liet hij hem vaak halen en sprak hij met hem. 27. Na twee jaar kreeg Felix Porcius Festus als opvolger. Felix wilde de Joden een gunst bewijzen en liet Paulus gevangen achter. ## Handelingen 25 — Paulus beroept zich op de keizer 1. Festus kwam in de provincie aan. Drie dagen later ging hij van Cesarea op naar Jeruzalem. 2. De hogepriester en de leiders van de Joden kwamen bij hem met hun aanklacht tegen Paulus. Zij vroegen hem om een gunst. 3. Zij wilden dat hij Paulus naar Jeruzalem zou laten komen. Intussen beraamden zij een aanslag om hem onderweg te doden. 4. Maar Festus antwoordde dat Paulus in Cesarea bewaakt werd en dat hij zelf spoedig zou vertrekken. 5. Hij zei: Laat de mensen onder jullie die het kunnen, met mij meegaan. Als er iets verkeerds is met deze man, kunnen zij hem aanklagen. 6. Hij bleef niet meer dan tien dagen bij hen en ging toen naar Cesarea. De volgende dag ging hij op de rechterstoel zitten en gaf bevel Paulus voor te leiden. 7. Toen hij binnenkwam, gingen de Joden uit Jeruzalem om hem heen staan. Zij brachten veel zware beschuldigingen tegen Paulus in, maar konden die niet bewijzen. 8. Paulus verdedigde zich en zei: Ik heb niets misdaan tegen de wet van de Joden, niet tegen de tempel en niet tegen de keizer. 9. Maar Festus wilde de Joden een gunst bewijzen. Hij antwoordde Paulus: Wilt u naar Jeruzalem gaan en daar voor mij over deze dingen geoordeeld worden? 10. Paulus zei: Ik sta voor de rechterstoel van de keizer, en daar moet ik geoordeeld worden. De Joden heb ik geen onrecht gedaan, zoals u zelf heel goed weet. 11. Als ik iets verkeerds gedaan heb dat de doodstraf verdient, weiger ik niet te sterven. Maar als er niets waar is van hun beschuldigingen, kan niemand mij uit gunst aan hen uitleveren. Ik beroep mij op de keizer. 12. Festus overlegde met zijn raad en antwoordde: U hebt zich op de keizer beroepen. U zult naar de keizer gaan. 13. Een paar dagen later kwamen koning Agrippa en Bernice in Cesarea om Festus te begroeten. 14. Zij bleven daar een aantal dagen. Festus legde de zaak van Paulus aan de koning voor. Hij zei: Hier zit een man die door Felix gevangen is achtergelaten. 15. Toen ik in Jeruzalem was, kwamen de overpriesters en de oudsten van de Joden met een aanklacht tegen hem. Zij vroegen om een veroordeling. 16. Ik antwoordde hun dat de Romeinen niet de gewoonte hebben iemand uit gunst ter dood over te geven. Eerst moet de beschuldigde zijn aanklagers tegenover zich hebben en zich kunnen verdedigen. 17. Zij kwamen hier samen met mij. Ik heb geen uitstel genomen, maar ging de volgende dag op de rechterstoel zitten en liet de man voorleiden. 18. De aanklagers stonden om hem heen, maar brachten geen misdaad in waarvan ik hem verdacht had. 19. Zij hadden alleen wat vragen met hem over hun eigen godsdienst. Het ging over een zekere Jezus, die gestorven is en van wie Paulus zegt dat Hij leeft. 20. Ik wist niet hoe ik dit moest onderzoeken. Daarom vroeg ik of hij naar Jeruzalem wilde gaan en daar over deze dingen geoordeeld wilde worden. 21. Maar Paulus beriep zich erop dat de keizer zijn zaak zou beoordelen. Daarom heb ik bevolen hem te bewaken tot ik hem naar de keizer stuur. 22. Agrippa zei tegen Festus: Ik zou die man zelf ook wel willen horen. Hij zei: Morgen zult u hem horen. 23. De volgende dag kwamen Agrippa en Bernice met veel pracht en praal. Zij gingen de gehoorzaal binnen, met de commandanten en de belangrijkste mannen van de stad. Op bevel van Festus werd Paulus voorgeleid. 24. Festus zei: Koning Agrippa en alle mannen die hier bij ons zijn, u ziet deze man. Over hem heeft de hele menigte van de Joden mij aangesproken, in Jeruzalem en hier. Zij riepen dat hij niet langer mag leven. 25. Maar ik heb ontdekt dat hij niets gedaan heeft dat de doodstraf verdient. Omdat hij zich op de keizer beroepen heeft, heb ik besloten hem te sturen. 26. Ik heb echter niets zekers over hem om aan mijn heer te schrijven. Daarom heb ik hem voor u gebracht, vooral voor u, koning Agrippa. Zo heb ik na dit verhoor iets om te schrijven. 27. Want het lijkt mij onredelijk om een gevangene te sturen zonder de aanklachten tegen hem te melden. ## Handelingen 26 — Paulus voor koning Agrippa 1. Agrippa zei tegen Paulus: U mag voor uzelf spreken. Toen stak Paulus zijn hand uit en verdedigde zich: 2. Koning Agrippa, ik ben blij dat ik mij vandaag voor u mag verdedigen tegen alles waarvan de Joden mij beschuldigen. 3. Dat geldt vooral omdat u alle gewoonten en vragen onder de Joden kent. Daarom vraag ik u geduldig naar mij te luisteren. 4. Alle Joden weten hoe ik vanaf mijn jeugd geleefd heb, vanaf het begin onder mijn volk en in Jeruzalem. 5. Zij kennen mij al lang en kunnen het bevestigen, als zij dat willen. Ik heb geleefd als farizeeër, naar de strengste richting van onze godsdienst. 6. Nu sta ik terecht om de hoop op de belofte die God aan onze voorouders gedaan heeft. 7. Onze twaalf stammen hopen die belofte te bereiken, terwijl zij God dag en nacht dienen. Om die hoop word ik door de Joden beschuldigd, koning. 8. Waarom vinden jullie het ongelofelijk dat God de doden opwekt? 9. Zelf dacht ik echt dat ik veel moest doen tegen de Naam van Jezus uit Nazareth. 10. Dat heb ik in Jeruzalem ook gedaan. Met volmacht van de overpriesters zette ik veel heiligen gevangen. Als zij gedood werden, stemde ik daarmee in. 11. In alle synagogen strafte ik hen vaak en dwong ik hen te lasteren. Ik was zo woedend op hen dat ik hen zelfs tot in steden buiten het land vervolgde. 12. Daarvoor reisde ik ook naar Damaskus, met volmacht en opdracht van de overpriesters. 13. Midden op de dag zag ik onderweg een licht uit de hemel, koning. Het was feller dan de zon en scheen om mij en mijn reisgenoten heen. 14. Wij vielen allemaal op de grond. Ik hoorde een stem die in het Hebreeuws tegen mij zei: Saul, Saul, waarom vervolg je mij? Het is hard voor je om tegen de prikkels te schoppen. 15. Ik zei: Wie bent U, Heere? De Heere zei: Ik ben Jezus, die jij vervolgt. 16. Maar sta op en ga op je voeten staan. Hiervoor ben ik aan je verschenen. Ik stel je aan als dienaar en getuige van wat je gezien hebt en van wat ik je nog zal laten zien. 17. Ik zal je redden uit de handen van dit volk en van de andere volken, naar wie ik je nu stuur. 18. Je moet hun ogen openen. Zij moeten zich bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God. Dan krijgen zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in mij. 19. Daarom, koning Agrippa, ben ik dat hemelse visioen niet ongehoorzaam geweest. 20. Ik heb eerst in Damaskus en in Jeruzalem gepredikt, daarna in heel Judea en aan de andere volken. Ik riep hen op zich te bekeren tot God en daden te doen die bij de bekering passen. 21. Daarom hebben de Joden mij in de tempel gegrepen en geprobeerd mij te doden. 22. Maar God heeft mij geholpen, en tot op vandaag sta ik hier. Ik getuig voor klein en groot en zeg niets anders dan wat de profeten en Mozes gezegd hebben dat er zou gebeuren. 23. Zij zeiden dat de Christus zou lijden, en dat Hij als eerste uit de doden zou opstaan. Zo zou Hij een licht verkondigen aan dit volk en aan de andere volken. 24. Terwijl hij dit tot zijn verdediging zei, riep Festus met luide stem: Je raaskalt, Paulus! Al die geleerdheid maakt je gek. 25. Maar hij zei: Ik raaskal niet, geachte Festus. Ik spreek woorden van waarheid en gezond verstand. 26. De koning weet van deze dingen, en daarom spreek ik vrijmoedig tegen hem. Ik geloof niet dat iets hiervan hem ontgaan is, want dit is niet in een hoek gebeurd. 27. Gelooft u de profeten, koning Agrippa? Ik weet dat u ze gelooft. 28. Agrippa zei tegen Paulus: U wilt mij wel erg snel tot christen maken. 29. Paulus zei: Ik zou God willen bidden dat u en iedereen die mij vandaag hoort, zou worden zoals ik, behalve dan deze boeien. 30. Toen stond de koning op, en ook de stadhouder, Bernice en de mensen die bij hen zaten. 31. Zij gingen apart staan en zeiden tegen elkaar: Deze man doet niets dat de dood of gevangenschap verdient. 32. Agrippa zei tegen Festus: Deze man had vrijgelaten kunnen worden, als hij zich niet op de keizer had beroepen. ## Handelingen 27 — De reis naar Rome en de schipbreuk 1. Er werd besloten dat wij naar Italië zouden varen. Paulus en een paar andere gevangenen werden overgedragen aan een officier die Julius heette, van de keizerlijke afdeling. 2. Wij gingen aan boord van een schip uit Adramyttium, dat de havens langs Asia zou aandoen. Zo voeren wij weg. Aristarchus, een Macedoniër uit Thessalonica, was bij ons. 3. De volgende dag kwamen wij aan in Sidon. Julius behandelde Paulus vriendelijk. Hij gaf hem toestemming om naar zijn vrienden te gaan en zich te laten verzorgen. 4. Vandaar voeren wij weg, langs de kust van Cyprus, want wij hadden tegenwind. 5. Wij staken de zee over langs Cilicië en Pamfylië en kwamen aan in Myra in Lycië. 6. Daar vond de officier een schip uit Alexandrië dat naar Italië voer. Hij liet ons daarop overstappen. 7. Vele dagen voeren wij langzaam vooruit. Met moeite kwamen wij tegenover Knidus. De wind liet ons niet verder gaan, en daarom voeren wij onder Kreta langs, bij Salmone. 8. Met moeite voeren wij daarlangs en kwamen in een plaats die Goede Havens heet, dicht bij de stad Lasea. 9. Er was veel tijd voorbijgegaan en het varen was gevaarlijk geworden, want ook de vastentijd was al voorbij. Daarom waarschuwde Paulus hen. 10. Hij zei: Mannen, ik zie dat deze reis met schade en groot verlies zal gaan. Dat geldt voor de lading en het schip, maar ook voor ons leven. 11. Maar de officier geloofde de stuurman en de eigenaar van het schip meer dan wat Paulus zei. 12. De haven was ongeschikt om te overwinteren. Daarom vonden de meesten het beter om vandaar verder te varen. Zij wilden proberen Fenix te bereiken, een haven op Kreta die naar het zuidwesten en het noordwesten ligt, en daar te overwinteren. 13. Er stond een zachte zuidenwind. Zij dachten dat hun plan zou lukken. Zij lichtten het anker en voeren dicht langs Kreta. 14. Maar niet lang daarna sloeg er een stormwind los die de noordooster heet. 15. Het schip werd meegesleurd en kon niet tegen de wind in varen. Wij gaven het op en lieten ons meedrijven. 16. Wij voeren in de luwte van een eilandje dat Klauda heet. Met moeite kregen wij de sloep aan boord. 17. Zij haalden die op en bonden het schip met touwen bij elkaar. Zij waren bang op de zandbanken van de Syrtis te lopen. Daarom streken zij het zeil en lieten zich verder drijven. 18. De storm gooide ons hevig heen en weer. De volgende dag gooiden zij lading overboord. 19. Op de derde dag gooiden wij met eigen handen de scheepsuitrusting overboord. 20. Vele dagen zagen wij zon noch sterren, en de storm bleef zwaar. Ten slotte verdween alle hoop dat wij gered zouden worden. 21. Men had lang niet gegeten. Toen ging Paulus in hun midden staan en zei: Mannen, jullie hadden naar mij moeten luisteren en niet van Kreta moeten wegvaren. Dan hadden wij deze schade en dit verlies niet gehad. 22. Maar nu roep ik jullie op moed te houden. Niemand van jullie zal zijn leven verliezen; alleen het schip gaat verloren. 23. Want vannacht stond er een engel bij mij van de God van wie ik ben en die ik dien. 24. Hij zei: Wees niet bang, Paulus. Je moet voor de keizer verschijnen. En kijk, God heeft jou iedereen gegeven die met jou vaart. 25. Houd daarom moed, mannen. Ik geloof God, dat het zo zal gaan als mij gezegd is. 26. Wel zullen wij op een eiland terechtkomen. 27. Het was de veertiende nacht dat wij op de Adriatische Zee heen en weer gedreven werden. Rond middernacht vermoedden de zeelieden dat er land in de buurt was. 28. Zij gooiden het dieplood uit en vonden ongeveer 36 meter diepte. Even verderop gooiden zij het opnieuw uit en vonden ongeveer 27 meter. 29. Zij waren bang dat wij ergens op de rotsen zouden lopen. Daarom gooiden zij vier ankers van het achterschip uit en verlangden naar de dag. 30. De zeelieden probeerden van het schip te vluchten. Zij lieten de sloep in zee zakken en deden alsof zij ankers van het voorschip wilden uitbrengen. 31. Toen zei Paulus tegen de officier en de soldaten: Als deze mannen niet aan boord blijven, kunnen jullie niet gered worden. 32. De soldaten kapten de touwen van de sloep door en lieten hem vallen. 33. Terwijl het dag begon te worden, riep Paulus iedereen op om te eten. Hij zei: Vandaag is het de veertiende dag dat jullie in spanning wachten zonder te eten; jullie hebben niets genomen. 34. Daarom vraag ik jullie om te eten, want dat helpt om in leven te blijven. Niemand van jullie zal ook maar een haar van zijn hoofd verliezen. 35. Toen hij dit gezegd had, nam hij brood. Voor de ogen van iedereen dankte hij God, brak het en begon te eten. 36. Iedereen kreeg moed en nam ook voedsel. 37. Wij waren met 276 mensen aan boord. 38. Toen zij genoeg gegeten hadden, maakten zij het schip lichter en gooiden het graan in zee. 39. Toen het dag werd, herkenden zij het land niet. Wel zagen zij een baai met een strand. Daar wilden zij, als het kon, het schip op laten lopen. 40. Zij kapten de ankers en lieten die in zee. Tegelijk maakten zij de riemen van de roeren los. Zij hesen het voorzeil in de wind en hielden aan op het strand. 41. Maar zij kwamen op een zandbank tussen twee stromen en zetten het schip daarop vast. Het voorschip zat muurvast, maar het achterschip brak door het geweld van de golven. 42. De soldaten wilden de gevangenen doden, zodat niemand zwemmend zou ontsnappen. 43. Maar de officier wilde Paulus redden en hield hen tegen. Hij gaf bevel dat wie kon zwemmen, als eerste overboord moest springen en aan land moest gaan. 44. De anderen moesten volgen op planken of op stukken van het schip. Zo kwam iedereen veilig aan land. ## Handelingen 28 — Malta en de aankomst in Rome 1. Toen wij veilig waren, hoorden wij dat het eiland Malta heette. 2. De bewoners waren buitengewoon vriendelijk voor ons. Zij maakten een groot vuur en ontvingen ons allemaal, want het regende en het was koud. 3. Paulus raapte een bos takken bij elkaar en legde die op het vuur. Door de hitte kwam er een adder uit, die zich in zijn hand vastbeet. 4. De bewoners zagen het beest aan zijn hand hangen. Zij zeiden tegen elkaar: Deze man is vast een moordenaar. Hij is aan de zee ontkomen, maar de wraak laat hem niet leven. 5. Maar hij schudde het beest af in het vuur en het deed hem geen kwaad. 6. Zij verwachtten dat hij zou opzwellen of ineens dood zou neervallen. Zij wachtten lang en zagen dat hem niets overkwam. Toen veranderden zij van mening en zeiden dat hij een god was. 7. Dicht bij die plaats lagen de landgoederen van Publius, de belangrijkste man van het eiland. Hij ontving ons en gaf ons drie dagen vriendelijk onderdak. 8. De vader van Publius lag op bed met koorts en buikloop. Paulus ging naar hem toe, bad, legde hem de handen op en maakte hem gezond. 9. Toen dat gebeurd was, kwamen ook de andere zieken op het eiland naar hem toe, en zij werden genezen. 10. Zij eerden ons met veel eer. Toen wij wegvoeren, gaven zij ons mee wat wij nodig hadden. 11. Na drie maanden voeren wij weg met een schip uit Alexandrië dat op het eiland overwinterd had. Het had de Tweelingbroeders als boegbeeld. 12. Wij kwamen aan in Syrakuse en bleven daar drie dagen. 13. Vandaar voeren wij langs de kust en kwamen in Regium. Een dag later stak de zuidenwind op, en de tweede dag kwamen wij in Puteoli. 14. Daar vonden wij gelovigen, en zij vroegen ons zeven dagen te blijven. Zo kwamen wij naar Rome. 15. De gelovigen daar hadden over ons gehoord en kwamen ons tegemoet tot Forum Appii en Tres Tabernae. Toen Paulus hen zag, dankte hij God en vatte moed. 16. Toen wij in Rome kwamen, gaf de officier de gevangenen over aan de commandant. Maar Paulus mocht apart wonen, met de soldaat die hem bewaakte. 17. Drie dagen later riep Paulus de leiders van de Joden bij elkaar. Toen zij gekomen waren, zei hij tegen hen: Broeders, ik heb niets gedaan tegen ons volk of tegen de gewoonten van onze voorouders. Toch ben ik in Jeruzalem gevangengenomen en aan de Romeinen uitgeleverd. 18. Zij hebben mij verhoord en wilden mij vrijlaten, omdat ik niets gedaan had dat de doodstraf verdient. 19. Maar de Joden spraken dat tegen. Daardoor moest ik mij wel op de keizer beroepen. Ik wil mijn volk echter niet aanklagen. 20. Daarom heb ik jullie bij mij geroepen, om jullie te zien en te spreken. Om de hoop van Israël draag ik deze keten. 21. Zij zeiden tegen hem: Wij hebben over jou geen brieven uit Judea gekregen. Ook heeft geen van de gelovigen die hier kwam, iets slechts over jou verteld. 22. Maar wij horen graag van jou wat je denkt. Van deze partij weten wij namelijk dat er overal tegen gesproken wordt. 23. Zij spraken een dag met hem af. Toen kwamen er veel mensen naar zijn woning. Van de vroege morgen tot de avond legde hij het koninkrijk van God uit. Hij getuigde en probeerde hen te overtuigen over Jezus, uit de wet van Mozes en uit de profeten. 24. Sommigen lieten zich overtuigen door wat hij zei, maar anderen geloofden het niet. 25. Zij waren het onderling oneens en gingen uit elkaar. Paulus zei toen nog dit ene woord: De Heilige Geest heeft terecht door de profeet Jesaja tot onze voorouders gesproken. 26. Hij zei: Ga naar dit volk en zeg: Jullie zullen goed horen, maar niets begrijpen. Jullie zullen goed kijken, maar niets zien. 27. Want het hart van dit volk is ongevoelig geworden. Zij hebben hun oren dichtgestopt en hun ogen gesloten. Anders zouden zij met hun ogen zien, met hun oren horen en met hun hart begrijpen. Dan zouden zij zich bekeren en zou ik hen genezen. 28. Weet dan dat de redding van God naar de andere volken gestuurd is. Zij zullen luisteren. 29. Toen hij dit gezegd had, gingen de Joden weg. Onderling hadden zij veel discussie. 30. Paulus bleef twee volle jaren in zijn eigen gehuurde woning. Hij ontving iedereen die bij hem kwam. 31. Hij verkondigde het koninkrijk van God en gaf onderwijs over de Heere Jezus Christus, met alle vrijmoedigheid en zonder dat iemand hem tegenhield. ## Romeinen 1 — Het evangelie is een kracht van God 1. Van Paulus, dienaar van Jezus Christus. Ik ben geroepen als apostel en afgezonderd voor het evangelie van God. 2. Dat evangelie had God al beloofd door Zijn profeten, in de heilige Schriften. 3. Het gaat over Zijn Zoon. Als mens komt Hij voort uit het nageslacht van David. 4. Naar de Geest van de heiliging is Hij met kracht aangewezen als de Zoon van God, door de opstanding uit de doden. Hij is Jezus Christus, onze Heere. 5. Door Hem hebben wij genade en het apostelschap ontvangen. Zo brengen wij alle volken tot de gehoorzaamheid van het geloof, voor Zijn Naam. 6. Ook jullie horen daarbij; jullie zijn geroepen door Jezus Christus. 7. Ik schrijf aan alle geliefden van God in Rome, geroepen om heilig te zijn. Genade en vrede voor jullie, van God, onze Vader, en van de Heere Jezus Christus. 8. Allereerst dank ik mijn God door Jezus Christus voor jullie allemaal. In de hele wereld wordt er namelijk over jullie geloof gesproken. 9. God is mijn getuige. Ik dien Hem met heel mijn geest in het evangelie van Zijn Zoon, en ik denk steeds aan jullie. 10. In al mijn gebeden vraag ik of het eindelijk mag lukken om naar jullie toe te komen, als God het wil. 11. Ik verlang ernaar jullie te zien. Ik wil jullie iets geven van de gaven van de Geest, zodat jullie sterker worden. 12. Ik bedoel: dat wij samen bemoedigd worden door elkaars geloof, dat van jullie en dat van mij. 13. Broeders, ik wil dat jullie dit weten: ik heb vaak van plan geweest naar jullie toe te komen. Tot nu toe werd ik verhinderd. Ik wilde ook onder jullie vrucht zien, net als onder de andere volken. 14. Ik heb een schuld te vereffenen bij Grieken en niet-Grieken, bij wijzen en eenvoudigen. 15. Daarom wil ik graag ook aan jullie in Rome het evangelie verkondigen. 16. Ik schaam mij niet voor het evangelie van Christus. Het is een kracht van God tot redding voor iedereen die gelooft, eerst voor de Jood en ook voor de Griek. 17. In het evangelie wordt de gerechtigheid van God bekendgemaakt, uit geloof tot geloof. Zo staat er geschreven: De rechtvaardige zal uit het geloof leven. 18. De toorn van God wordt vanuit de hemel bekendgemaakt over alle goddeloosheid en onrecht van mensen. Zij houden de waarheid met onrecht tegen. 19. Want wat je van God kunt weten, is hun bekend. God heeft het hun immers bekendgemaakt. 20. Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld te zien in wat Hij gemaakt heeft. Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid worden zo begrepen. Daardoor hebben zij geen excuus. 21. Zij kenden God wel, maar eerden of dankten Hem niet als God. Hun gedachten werden zinloos en hun onverstandige hart werd donker. 22. Zij noemden zichzelf wijs, maar werden dwaas. 23. Zij ruilden de heerlijkheid van de onvergankelijke God in voor beelden van vergankelijke mensen, vogels, viervoetige dieren en kruipende dieren. 24. Daarom gaf God hen over aan de verlangens van hun hart, aan onreinheid. Zo onteerden zij hun lichaam met elkaar. 25. Zij ruilden de waarheid van God in voor de leugen. Zij eerden en dienden het schepsel in plaats van de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid, amen. 26. Daarom gaf God hen over aan onterende verlangens. Hun vrouwen ruilden de natuurlijke omgang in voor omgang tegen de natuur in. 27. Ook de mannen lieten de natuurlijke omgang met de vrouw los. Zij ontbrandden in hun verlangen naar elkaar. Mannen deden schandelijke dingen met mannen en ontvingen in zichzelf het verdiende loon voor hun dwaling. 28. Zij vonden het niet de moeite waard om God te erkennen. Daarom gaf God hen over aan een verkeerde manier van denken, zodat zij dingen doen die niet horen. 29. Zij zijn vol van allerlei onrecht, ontucht, slechtheid, hebzucht en kwaad. Zij zitten vol afgunst, moord, ruzie, bedrog en kwaadaardigheid. 30. Zij roddelen en belasteren anderen. Zij haten God, zijn brutaal, hoogmoedig en opschepperig, bedenken slechte dingen en zijn ongehoorzaam aan hun ouders. 31. Zij zijn onverstandig, ontrouw aan afspraken, zonder liefde en zonder barmhartigheid. 32. Zij kennen het rechtvaardige oordeel van God: wie zulke dingen doet, verdient de dood. Toch doen zij het niet alleen zelf, maar vinden zij het ook goed als anderen het doen. ## Romeinen 2 — God oordeelt eerlijk 1. Daarom heb je geen excuus, mens, wie je ook bent die een ander oordeelt. Waarin je een ander oordeelt, veroordeel je jezelf, want jij doet dezelfde dingen. 2. Wij weten dat God rechtvaardig oordeelt over wie zulke dingen doet. 3. Denk jij, mens, dat je aan het oordeel van God ontkomt? Je oordeelt anderen, maar je doet hetzelfde. 4. Of minacht je de rijkdom van Zijn goedheid, verdraagzaamheid en geduld? Weet je niet dat de goedheid van God je tot bekering wil brengen? 5. Maar door je harde en onbekeerde hart stapel je toorn op voor jezelf. Die komt op de dag van de toorn, wanneer het rechtvaardige oordeel van God openbaar wordt. 6. God zal ieder mens vergelden naar zijn daden. 7. Wie met volharding het goede doet en zoekt naar heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid, krijgt het eeuwige leven. 8. Maar wie ruzie zoekt, de waarheid ongehoorzaam is en het onrecht gehoorzaamt, krijgt woede en toorn. 9. Er komt verdrukking en benauwdheid over ieder mens die het kwade doet, eerst over de Jood en ook over de Griek. 10. Maar er is heerlijkheid, eer en vrede voor ieder die het goede doet, eerst voor de Jood en ook voor de Griek. 11. Want God maakt geen onderscheid tussen mensen. 12. Wie zonder wet gezondigd heeft, zal ook zonder wet verloren gaan. Wie onder de wet gezondigd heeft, zal door de wet geoordeeld worden. 13. Want niet wie de wet horen, zijn rechtvaardig voor God. Wie de wet doen, zullen rechtvaardig verklaard worden. 14. De volken hebben de wet niet. Maar als zij van nature doen wat de wet vraagt, zijn zij voor zichzelf een wet, ook al hebben zij de wet niet. 15. Zij laten zien dat het werk van de wet in hun hart geschreven staat. Hun geweten getuigt mee, en hun gedachten klagen hen aan of verdedigen hen. 16. Dat blijkt op de dag dat God het verborgene van de mensen oordeelt door Jezus Christus, zoals mijn evangelie zegt. 17. Kijk, jij noemt jezelf een Jood. Je steunt op de wet en je roemt op God. 18. Je kent Zijn wil en je weet wat het beste is, want je bent onderwezen uit de wet. 19. Je vertrouwt erop dat je een gids bent voor blinden en een licht voor wie in het donker zijn. 20. Je bent een leraar van onverstandigen en een onderwijzer van onwetenden. In de wet heb je immers de vorm van de kennis en de waarheid. 21. Jij die een ander onderwijst, onderwijs je jezelf niet? Jij die verkondigt dat je niet mag stelen, steel je zelf? 22. Jij die zegt dat je geen overspel mag plegen, pleeg je zelf overspel? Jij die een afkeer hebt van afgoden, beroof je hun tempels? 23. Jij die roemt op de wet, onteer je God door de wet te overtreden? 24. Want door jullie wordt de Naam van God gelasterd onder de volken, zoals er geschreven staat. 25. De besnijdenis heeft zin als je de wet doet. Maar als je de wet overtreedt, is je besnijdenis onbesneden geworden. 26. Als een onbesneden man zich houdt aan de regels van de wet, telt zijn onbesneden zijn dan niet als besnijdenis? 27. Hij is van nature onbesneden en houdt toch de wet. Zo zal hij jou oordelen, die met de letter en de besnijdenis de wet overtreedt. 28. Want je bent geen Jood door wat aan de buitenkant te zien is, en dat is ook de besnijdenis niet, in het lichaam. 29. Je bent Jood in het verborgene, en de besnijdenis is die van het hart, door de Geest en niet door de letter. Zo iemand krijgt zijn lof niet van mensen, maar van God. ## Romeinen 3 — Niemand is rechtvaardig 1. Wat heeft de Jood dan voor op anderen? Wat is het nut van de besnijdenis? 2. Dat is veel, in alle opzichten. Allereerst zijn aan hen de woorden van God toevertrouwd. 3. Wat dan? Sommigen zijn ontrouw geweest. Maakt hun ontrouw de trouw van God dan ongedaan? 4. Absoluut niet. God is waar, en ieder mens is een leugenaar. Zo staat er geschreven: Zo blijkt U rechtvaardig in Uw woorden en overwint U wanneer U oordeelt. 5. Maar stel dat ons onrecht juist laat zien dat God rechtvaardig is. Wat zullen wij dan zeggen? Is God dan onrechtvaardig als Hij Zijn toorn laat komen? Ik spreek nu op menselijke manier. 6. Absoluut niet. Hoe zou God anders de wereld kunnen oordelen? 7. Stel dat de waarheid van God door mijn leugen des te groter wordt, tot Zijn eer. Waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld? 8. Zeggen wij dan maar: laten wij het kwade doen, zodat het goede eruit komt? Zo worden wij belasterd, en sommigen zeggen dat wij dat leren. Hun veroordeling is terecht. 9. Wat dan? Zijn wij beter? Helemaal niet. Wij hebben immers al aangetoond dat Joden en Grieken allemaal onder de zonde zijn. 10. Zo staat er geschreven: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één. 11. Er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt. 12. Allen zijn afgedwaald en samen onbruikbaar geworden. Er is niemand die goed doet, zelfs niet één. 13. Hun keel is een open graf, met hun tong bedriegen zij. Achter hun lippen zit gif van slangen. 14. Hun mond is vol vervloeking en bitterheid. 15. Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten. 16. Vernieling en ellende liggen op hun wegen. 17. De weg van de vrede kennen zij niet. 18. Er is geen ontzag voor God in hun ogen. 19. Wij weten dat alles wat de wet zegt, gezegd wordt tegen wie onder de wet leven. Zo wordt elke mond gesloten en staat de hele wereld schuldig voor God. 20. Daarom wordt niemand door de werken van de wet rechtvaardig voor Hem. Door de wet leren wij juist de zonde kennen. 21. Maar nu is de gerechtigheid van God bekendgemaakt, los van de wet. De wet en de profeten getuigen daarvan. 22. Het is de gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus, voor iedereen die gelooft. Er is namelijk geen verschil. 23. Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God. 24. Zij worden om niet rechtvaardig verklaard, uit Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. 25. God heeft Hem gegeven als verzoening, door het geloof in Zijn bloed. Zo liet Hij Zijn gerechtigheid zien, want in Zijn geduld had Hij de zonden van vroeger laten passeren. 26. Zo laat Hij Zijn gerechtigheid ook in deze tijd zien. Hij is rechtvaardig en verklaart tegelijk rechtvaardig wie uit het geloof in Jezus leeft. 27. Waar blijft dan het roemen? Dat is uitgesloten. Door welke wet? Door die van de werken? Nee, door de wet van het geloof. 28. Wij komen dus tot de slotsom dat een mens rechtvaardig wordt door het geloof, zonder de werken van de wet. 29. Is God alleen de God van de Joden? Is Hij niet ook de God van de andere volken? Ja, ook van hen. 30. Er is immers maar één God. Hij verklaart de besnedene rechtvaardig uit het geloof en de onbesnedene door het geloof. 31. Maken wij dan de wet krachteloos door het geloof? Absoluut niet; wij bevestigen juist de wet. ## Romeinen 4 — Abraham geloofde God 1. Wat zullen wij dan zeggen over Abraham, onze voorvader naar het vlees? Wat heeft hij bereikt? 2. Als Abraham rechtvaardig verklaard is uit werken, dan heeft hij iets om over te roemen, maar niet bij God. 3. Wat zegt de Schrift? Abraham geloofde God, en dat werd hem als gerechtigheid aangerekend. 4. Wie werkt, krijgt zijn loon niet uit genade, maar omdat hij er recht op heeft. 5. Maar wie niet werkt en gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardig verklaart, krijgt zijn geloof als gerechtigheid aangerekend. 6. Zo spreekt ook David de mens gelukkig aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken. 7. Hij zegt: Gelukkig zijn zij van wie het onrecht vergeven is en van wie de zonden bedekt zijn. 8. Gelukkig is de man aan wie de Heere de zonde niet toerekent. 9. Geldt dat geluk alleen voor de besnedene, of ook voor de onbesnedene? Wij zeggen immers dat Abraham zijn geloof als gerechtigheid is aangerekend. 10. Hoe is het hem dan aangerekend? Toen hij besneden was of toen hij nog onbesneden was? Niet als besnedene, maar als onbesnedene. 11. Het teken van de besnijdenis kreeg hij als zegel van de gerechtigheid door het geloof, die hij als onbesnedene al had. Zo werd hij de vader van alle onbesneden gelovigen, zodat ook hun de gerechtigheid wordt aangerekend. 12. Hij is ook de vader van de besnedenen, tenminste van wie niet alleen besneden zijn. Zij gaan namelijk ook in de voetsporen van het geloof dat onze vader Abraham had toen hij nog onbesneden was. 13. De belofte dat hij de wereld zou erven, kreeg Abraham of zijn nageslacht niet door de wet. Die kwam door de gerechtigheid van het geloof. 14. Als de mensen van de wet erfgenaam zijn, dan is het geloof zinloos en de belofte krachteloos. 15. Want de wet brengt toorn. Waar geen wet is, is ook geen overtreding. 16. Daarom is de belofte uit het geloof, zodat zij naar genade is. Zo staat zij vast voor het hele nageslacht. Dat geldt niet alleen voor wie uit de wet leeft, maar ook voor wie leeft uit het geloof van Abraham. Hij is de vader van ons allemaal. 17. Zo staat er geschreven: Ik heb je gemaakt tot vader van veel volken. Dat geldt voor God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en roept wat niet bestaat, alsof het bestond. 18. Tegen alle hoop in bleef Abraham hopen en geloven dat hij vader van veel volken zou worden. Er was immers gezegd: Zo talrijk zal je nageslacht zijn. 19. Zijn geloof werd niet zwak. Hij keek wel naar zijn eigen lichaam, dat al versleten was, want hij was ongeveer honderd jaar. Ook zag hij dat Sara geen kinderen meer kon krijgen. 20. Toch twijfelde hij niet aan de belofte van God door ongeloof. Hij werd juist sterk in het geloof en gaf God de eer. 21. Hij was er helemaal van overtuigd dat God kan doen wat Hij belooft. 22. Daarom is het hem ook als gerechtigheid aangerekend. 23. Dat het hem aangerekend is, staat niet alleen om hem geschreven. 24. Het staat er ook om ons. Ook aan ons wordt het aangerekend, als wij geloven in Hem die Jezus, onze Heere, uit de doden heeft opgewekt. 25. Hij is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardiging. ## Romeinen 5 — Vrede bij God 1. Wij zijn dus rechtvaardig verklaard door het geloof. Daarom hebben wij vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus. 2. Door Hem hebben wij ook toegang gekregen tot deze genade, waarin wij staan. En wij roemen in de hoop op de heerlijkheid van God. 3. Niet alleen dat: wij roemen ook in de moeilijkheden. Wij weten immers dat moeite volharding oplevert. 4. Volharding levert ervaring op, en ervaring levert hoop op. 5. En die hoop stelt niet teleur. De liefde van God is namelijk in ons hart uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is. 6. Toen wij nog nergens kracht voor hadden, is Christus op de juiste tijd voor goddeloze mensen gestorven. 7. Nauwelijks iemand wil sterven voor een rechtvaardig mens. Voor iemand die goed is durft misschien nog wel iemand te sterven. 8. Maar God bewijst Zijn liefde voor ons hiermee: Christus is voor ons gestorven toen wij nog zondaars waren. 9. Wij zijn nu rechtvaardig verklaard door Zijn bloed. Des te zekerder worden wij door Hem gered van de toorn. 10. Wij waren vijanden en zijn met God verzoend door de dood van Zijn Zoon. Des te zekerder worden wij nu gered door Zijn leven. 11. Niet alleen dat: wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus. Door Hem hebben wij nu de verzoening ontvangen. 12. Door één mens is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood. Zo is de dood bij alle mensen gekomen, want allen hebben gezondigd. 13. Vóór de wet was er al zonde in de wereld. Maar zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is. 14. Toch heerste de dood van Adam tot Mozes. Hij heerste ook over mensen die niet net als Adam een gebod overtraden. Adam lijkt op Hem die komen zou. 15. Toch is de genadegave anders dan de overtreding. Door de overtreding van die ene zijn velen gestorven. Des te overvloediger is de genade van God over velen gekomen, door die ene mens Jezus Christus. 16. De gave is ook anders dan wat volgde op de zonde van die ene. Het oordeel kwam na één overtreding en leidde tot veroordeling. De genadegave kwam na veel overtredingen en leidt tot vrijspraak. 17. Door de overtreding van die ene heeft de dood geheerst. Des te zekerder zullen zij die de overvloed van genade ontvangen, in het leven heersen door die Ene, Jezus Christus. 18. Door één overtreding kwam er dus veroordeling over alle mensen. Zo komt er door één daad van gerechtigheid vrijspraak en leven voor alle mensen. 19. Door de ongehoorzaamheid van die ene mens zijn velen zondaars geworden. Zo zullen door de gehoorzaamheid van die Ene velen rechtvaardig worden. 20. De wet is erbij gekomen om de overtreding groter te maken. Maar waar de zonde groter werd, daar werd de genade nog veel overvloediger. 21. De zonde heeft geheerst en bracht de dood. Zo zal de genade heersen door gerechtigheid en het eeuwige leven geven, door Jezus Christus, onze Heere. ## Romeinen 6 — Gestorven aan de zonde 1. Wat zullen wij dan zeggen? Blijven wij in de zonde, zodat de genade groter wordt? 2. Absoluut niet. Wij zijn gestorven aan de zonde. Hoe zouden wij er dan nog in leven? 3. Of weten jullie niet dat wij allemaal in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn immers gedoopt in Christus Jezus. 4. Door de doop zijn wij met Hem begraven in de dood. Christus is uit de doden opgewekt door de heerlijkheid van de Vader. Zo mogen ook wij een nieuw leven leiden. 5. Wij zijn met Hem samengegroeid in een dood zoals de Zijne. Dan zullen wij ook samengroeien in een opstanding zoals de Zijne. 6. Wij weten dit: onze oude mens is met Hem gekruisigd. Zo wordt het lichaam van de zonde uitgeschakeld en dienen wij de zonde niet meer. 7. Wie gestorven is, is namelijk vrijgesproken van de zonde. 8. Als wij met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven. 9. Wij weten dat Christus, opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem. 10. Zijn sterven was een sterven aan de zonde, eens en voorgoed. Zijn leven is een leven voor God. 11. Reken zo ook met jezelf: jullie zijn dood voor de zonde en leven voor God, in Christus Jezus, onze Heere. 12. Laat de zonde dus niet heersen in jullie sterfelijke lichaam. Gehoorzaam niet aan de verlangens ervan. 13. Stel je lichaam niet in dienst van de zonde als wapen voor het onrecht. Stel jezelf in dienst van God, als mensen die uit de dood levend zijn geworden. Laat je lichaam een wapen zijn voor de gerechtigheid. 14. De zonde zal niet over jullie heersen. Jullie leven immers niet onder de wet, maar onder de genade. 15. Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet leven maar onder de genade? Absoluut niet. 16. Weten jullie niet hoe dit werkt? Wie je gehoorzaamt, die dien je. Je dient of de zonde, en dat loopt uit op de dood, of de gehoorzaamheid, en dat loopt uit op gerechtigheid. 17. Maar God zij dank. Jullie waren dienaren van de zonde, maar zijn nu van harte gehoorzaam geworden aan het onderwijs dat jullie is doorgegeven. 18. Jullie zijn vrijgemaakt van de zonde en dienaren van de gerechtigheid geworden. 19. Ik zeg het op een menselijke manier, omdat jullie zwak zijn. Vroeger stelden jullie je lichaam in dienst van onreinheid en onrecht. Stel het nu in dienst van de gerechtigheid, zodat jullie heilig gaan leven. 20. Toen jullie dienaren van de zonde waren, waren jullie vrij van de gerechtigheid. 21. Wat leverden die dingen jullie toen op? Jullie schamen je er nu voor. Het loopt namelijk uit op de dood. 22. Maar nu zijn jullie vrijgemaakt van de zonde en dienen jullie God. Dat levert een heilig leven op, en uiteindelijk het eeuwige leven. 23. Het loon van de zonde is de dood. Maar de genadegave van God is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere. ## Romeinen 7 — De wet en de zonde 1. Broeders, weten jullie dit niet? Ik spreek tegen mensen die de wet kennen. De wet heerst over een mens zolang hij leeft. 2. Een getrouwde vrouw is door de wet gebonden aan haar man zolang hij leeft. Als haar man sterft, is zij vrij van de wet die haar aan hem bond. 3. Gaat zij bij een andere man horen terwijl haar man leeft, dan heet zij een overspelige vrouw. Maar als haar man gestorven is, is zij vrij van die wet. Dan pleegt zij geen overspel als zij bij een ander gaat horen. 4. Zo zijn ook jullie gedood voor de wet, door het lichaam van Christus. Nu horen jullie bij een Ander: bij Hem die uit de doden is opgewekt. Zo dragen wij vrucht voor God. 5. Toen wij nog leefden zoals wij van onszelf zijn, werkten de zondige verlangens in ons. De wet maakte die verlangens wakker en zij droegen vrucht voor de dood. 6. Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet. Wij zijn gestorven aan wat ons gevangen hield. Zo dienen wij God op de nieuwe manier van de Geest, niet op de oude manier van de letter. 7. Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Absoluut niet. Toch leerde ik de zonde pas kennen door de wet. Ik zou niet weten wat begeren was, als de wet niet zei: Je mag niet begeren. 8. De zonde greep haar kans door het gebod en wekte allerlei begeerte in mij op. Zonder de wet is de zonde namelijk dood. 9. Vroeger leefde ik zonder de wet. Maar toen het gebod kwam, werd de zonde levend en stierf ik. 10. Het gebod moest leven geven, maar bracht mij juist de dood. 11. De zonde greep haar kans door het gebod. Zij misleidde mij en doodde mij daarmee. 12. De wet is dus heilig, en het gebod is heilig, rechtvaardig en goed. 13. Is het goede dan mijn dood geworden? Absoluut niet. De zonde heeft dat gedaan. Zij gebruikte het goede en bracht mij de dood. Zo werd zichtbaar hoe erg de zonde is, want door het gebod werd zij nog erger. 14. Wij weten dat de wet geestelijk is. Maar ik ben een mens van vlees en bloed, verkocht aan de zonde. 15. Ik begrijp niet wat ik doe. Wat ik wil, doe ik niet; wat ik haat, doe ik juist. 16. Doe ik wat ik niet wil, dan geef ik toe dat de wet goed is. 17. Dan doe ik het zelf niet meer, maar de zonde die in mij woont. 18. Ik weet dat er in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont. Het willen zit wel in mij, maar het goede doen lukt niet. 19. Het goede dat ik wil, doe ik niet. Het kwade dat ik niet wil, doe ik wel. 20. Doe ik wat ik niet wil, dan doe ik het zelf niet meer. De zonde die in mij woont doet het. 21. Zo ontdek ik deze wet in mijzelf: als ik het goede wil doen, ligt het kwade vlakbij. 22. Diep vanbinnen vind ik vreugde in de wet van God. 23. Maar ik zie een andere wet in mij die daartegen vecht. Die maakt mij gevangene van de wet van de zonde, die in mij werkt. 24. Wat ben ik een ellendig mens. Wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood? 25. Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere. 26. Met mijn verstand dien ik dus de wet van God, maar met mijn vlees de wet van de zonde. ## Romeinen 8 — Leven door de Geest 1. Er is dus nu geen veroordeling meer voor wie in Christus Jezus zijn. Zij leven niet naar het vlees, maar naar de Geest. 2. De wet van de Geest die leven geeft in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood. 3. De wet kon dit niet, omdat zij machteloos stond tegenover het vlees. Daarom stuurde God Zijn eigen Zoon, in een gedaante zoals ons zondige vlees, om de zonde te dragen. Zo veroordeelde Hij de zonde in het vlees. 4. Zo wordt het recht van de wet vervuld in ons, die niet naar het vlees leven maar naar de Geest. 5. Wie naar het vlees leeft, denkt aan wat het vlees wil. Wie naar de Geest leeft, denkt aan wat de Geest wil. 6. Denken aan wat het vlees wil brengt de dood. Denken aan wat de Geest wil brengt leven en vrede. 7. Denken aan wat het vlees wil is namelijk vijandschap tegen God. Het onderwerpt zich niet aan de wet van God en kan dat ook niet. 8. Wie in het vlees leeft, kan God niet behagen. 9. Maar jullie leven niet in het vlees, maar in de Geest, als de Geest van God in jullie woont. Wie de Geest van Christus niet heeft, hoort niet bij Hem. 10. Als Christus in jullie is, dan is het lichaam wel dood door de zonde. Maar de geest is leven door de gerechtigheid. 11. God heeft Jezus uit de doden opgewekt. Woont Zijn Geest in jullie, dan zal Hij ook jullie sterfelijke lichaam levend maken, door Zijn Geest die in jullie woont. 12. Broeders, wij hebben dus geen schuld meer tegenover het vlees, alsof wij naar het vlees moeten leven. 13. Leven jullie naar het vlees, dan zullen jullie sterven. Doden jullie door de Geest de praktijken van het lichaam, dan zullen jullie leven. 14. Iedereen die door de Geest van God geleid wordt, is een kind van God. 15. Jullie hebben geen geest gekregen die je weer bang maakt en tot slaaf maakt. Jullie hebben de Geest gekregen die je tot kind aanneemt. Door Hem roepen wij: Abba, Vader. 16. Die Geest getuigt samen met onze geest dat wij kinderen van God zijn. 17. Zijn wij kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus. Wij lijden met Hem, zodat wij ook met Hem verheerlijkt worden. 18. Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd niets voorstelt. De heerlijkheid die aan ons bekendgemaakt zal worden, is veel groter. 19. De schepping wacht met reikhalzend verlangen tot de kinderen van God zichtbaar worden. 20. De schepping is onderworpen aan de vergankelijkheid. Zij wilde dat niet zelf, maar Hij die haar onderwierp, deed het met hoop. 21. Ook de schepping zelf zal namelijk vrij worden van de slavernij van het verval. Zij zal delen in de vrijheid en heerlijkheid van de kinderen van God. 22. Wij weten dat de hele schepping tot nu toe samen zucht en samen in barensnood is. 23. Niet alleen de schepping. Ook wij zelf zuchten vanbinnen, terwijl wij de Geest al als eerste gave hebben. Wij wachten erop dat wij als kinderen worden aangenomen en dat ons lichaam verlost wordt. 24. In die hoop zijn wij gered. Hoop die je ziet is geen hoop meer. Wie hoopt er nog op wat hij al ziet? 25. Maar als wij hopen op wat wij niet zien, dan wachten wij er met volharding op. 26. Zo helpt ook de Geest ons in onze zwakheid. Wij weten niet goed wat wij moeten bidden. De Geest Zelf bidt voor ons met zuchten die niet in woorden te vatten zijn. 27. God doorzoekt de harten en weet wat de Geest bedoelt. De Geest bidt namelijk voor de heiligen, zoals God het wil. 28. Wij weten dat alle dingen meewerken ten goede voor wie God liefhebben. Zij zijn immers geroepen volgens Zijn plan. 29. Wie Hij van tevoren kende, heeft Hij ook bestemd om te lijken op het beeld van Zijn Zoon. Zo is Zijn Zoon de eerstgeborene in een grote familie. 30. Wie Hij van tevoren bestemd heeft, heeft Hij ook geroepen. Wie Hij geroepen heeft, heeft Hij ook rechtvaardig verklaard. En wie Hij rechtvaardig verklaard heeft, heeft Hij ook verheerlijkt. 31. Wat zullen wij hier nu van zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? 32. Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allemaal overgegeven. Zou Hij ons dan met Hem niet alles schenken? 33. Wie zal de uitverkorenen van God beschuldigen? God Zelf verklaart hen rechtvaardig. 34. Wie zal hen veroordelen? Christus is gestorven, en meer nog: Hij is opgewekt. Hij zit aan de rechterhand van God en bidt voor ons. 35. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid? Vervolging, honger, armoede, gevaar of het zwaard? 36. Zo staat er geschreven: Om U worden wij de hele dag gedood. Wij worden behandeld als schapen voor de slacht. 37. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem die ons heeft liefgehad. 38. Ik weet het zeker: dood en leven, engelen en machthebbers, krachten, het heden en de toekomst, 39. hoogte en diepte, en niets anders in de schepping kan ons scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere. ## Romeinen 9 — God kiest wie Hij wil 1. Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet. Mijn geweten getuigt met mij door de Heilige Geest. 2. Ik heb groot verdriet en voortdurend pijn in mijn hart. 3. Ik zou zelf wel vervloekt en van Christus weggehaald willen worden, als dat mijn volksgenoten hielp. Zij horen naar het vlees bij mijn eigen familie. 4. Zij zijn Israëlieten. Voor hen is het kindschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst aan God en de beloften. 5. Van hen zijn de voorvaders, en uit hen komt Christus voort naar het vlees. Hij is God boven alles, te prijzen tot in eeuwigheid. Amen. 6. Het is niet zo dat het woord van God vervallen is. Niet iedereen die uit Israël komt, is namelijk echt Israël. 7. Ook zijn niet alle nakomelingen van Abraham zijn kinderen. Er is immers gezegd: Alleen het nageslacht van Izak telt als jouw nageslacht. 8. Dat betekent: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God. De kinderen van de belofte tellen als nageslacht. 9. Want dit was het woord van de belofte: Rond deze tijd kom ik terug, en dan heeft Sara een zoon. 10. En er is meer. Ook Rebekka kreeg kinderen van één man, van Izak, onze voorvader. 11. De kinderen waren nog niet geboren en hadden nog niets goeds of kwaads gedaan. Toch stond het plan van God al vast, naar Zijn verkiezing. Dat hangt niet af van werken, maar van Hem die roept. 12. Daarom werd tegen haar gezegd: De oudste zal de jongste dienen. 13. Zo staat er geschreven: Jakob heb ik liefgehad, maar Ezau heb ik gehaat. 14. Wat zullen wij dan zeggen? Is God onrechtvaardig? Absoluut niet. 15. Hij zegt namelijk tegen Mozes: Ik ontferm mij over wie ik mij ontferm, en ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn. 16. Het hangt dus niet af van wat iemand wil of van wat iemand doet, maar van God, die barmhartig is. 17. De Schrift zegt tegen de koning van Egypte: Juist hiervoor heb ik je laten opstaan. Zo laat ik in jou mijn kracht zien en wordt mijn Naam op de hele aarde bekend. 18. Hij is dus barmhartig voor wie Hij wil, en Hij maakt hard wie Hij wil. 19. Je zult dan tegen mij zeggen: waarom verwijt Hij ons dan nog iets? Wie kan Zijn wil ooit weerstaan? 20. Maar mens, wie ben jij dat je God tegenspreekt? Zegt het maaksel soms tegen de maker: Waarom heb je mij zo gemaakt? 21. Of heeft de pottenbakker geen macht over zijn klei? Uit dezelfde klomp maakt hij de ene pot voor mooi gebruik en de andere voor gewoon gebruik. 22. God wilde Zijn toorn laten zien en Zijn macht bekendmaken. Toch heeft Hij met veel geduld de potten van de toorn verdragen, die klaar waren voor de ondergang. 23. Zo wilde Hij de rijkdom van Zijn heerlijkheid bekendmaken aan de potten van de barmhartigheid, die Hij van tevoren klaargemaakt had voor die heerlijkheid. 24. Ons heeft Hij geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de andere volken. 25. Zo zegt Hij ook in het boek van Hosea: Wie mijn volk niet was, zal ik mijn volk noemen. En wie niet geliefd was, noem ik mijn geliefde. 26. En dit: Op de plaats waar tegen hen gezegd was dat zij mijn volk niet zijn, zullen zij kinderen van de levende God heten. 27. Jesaja roept het uit over Israël: Al zijn de Israëlieten zo talrijk als het zand van de zee, dan nog wordt alleen de rest gered. 28. De Heere maakt Zijn woord waar en brengt het snel tot een einde op de aarde. 29. Jesaja had het al eerder gezegd: De Heere van de hemelse legers heeft ons nageslacht overgelaten. Anders waren wij als Sodom geworden en als Gomorra. 30. Wat zullen wij dan zeggen? De andere volken zochten de gerechtigheid niet en hebben haar toch gekregen: de gerechtigheid door het geloof. 31. Israël zocht een wet die gerechtigheid geeft, maar heeft die wet niet gehaald. 32. Waarom niet? Omdat zij het niet zochten uit geloof, maar uit werken van de wet. Zij zijn gestruikeld over de steen waarover je struikelt. 33. Zo staat er geschreven: Kijk, ik leg in Sion een steen waarover je struikelt en een rots waaraan je je stoot. Wie in Hem gelooft, wordt niet beschaamd. ## Romeinen 10 — Dichtbij is het woord 1. Broeders, mijn hart verlangt ernaar en ik bid tot God dat Israël gered wordt. 2. Ik kan van hen getuigen dat zij zich met vuur inzetten voor God, maar zonder goed inzicht. 3. Zij kennen de gerechtigheid van God niet en willen hun eigen gerechtigheid opbouwen. Daarom onderwerpen zij zich niet aan de gerechtigheid van God. 4. Christus is namelijk het einde van de wet. Zo krijgt iedereen die gelooft de gerechtigheid. 5. Mozes schrijft over de gerechtigheid uit de wet: Wie deze dingen doet, zal daardoor leven. 6. Maar de gerechtigheid uit het geloof zegt dit: Zeg niet in je hart: wie zal naar de hemel opstijgen? Dat zou betekenen dat je Christus naar beneden haalt. 7. Zeg ook niet: wie zal naar de afgrond afdalen? Dat zou betekenen dat je Christus uit de doden omhoog haalt. 8. Wat zegt zij dan wel? Dichtbij je is het woord, in je mond en in je hart. Dat is het woord van het geloof dat wij verkondigen. 9. Belijd met je mond dat Jezus de Heere is en geloof in je hart dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Dan word je gered. 10. Met het hart geloof je en word je rechtvaardig. Met de mond belijd je en word je gered. 11. De Schrift zegt namelijk: Wie in Hem gelooft, wordt niet beschaamd. 12. Er is geen verschil tussen Jood en Griek. Dezelfde is Heere van allen en Hij is rijk voor iedereen die Hem aanroept. 13. Want iedereen die de Naam van de Heere aanroept, zal gered worden. 14. Maar hoe kunnen zij Hem aanroepen als zij niet in Hem geloven? Hoe kunnen zij geloven als zij niet van Hem gehoord hebben? En hoe kunnen zij horen als niemand het hun vertelt? 15. Hoe kan iemand het vertellen als hij niet gestuurd is? Zo staat er geschreven: Wat zijn de voeten mooi van wie vrede brengen en goed nieuws verkondigen. 16. Maar niet iedereen is het evangelie gehoorzaam geweest. Jesaja zegt immers: Heere, wie heeft geloofd wat wij vertelden? 17. Het geloof komt dus door het horen, en het horen door het woord van God. 18. Maar ik vraag: hebben zij het niet gehoord? Jawel: hun geluid is over de hele aarde gegaan en hun woorden tot aan de einden van de wereld. 19. Ik vraag verder: heeft Israël het niet begrepen? Mozes zegt als eerste: Ik maak jullie jaloers door wie geen volk is. Ik maak jullie boos door een volk zonder verstand. 20. En Jesaja durft te zeggen: Ik ben gevonden door wie mij niet zochten. Ik heb mij bekendgemaakt aan wie niet naar mij vroegen. 21. Maar tegen Israël zegt Hij: De hele dag heb ik mijn handen uitgestrekt naar een volk dat ongehoorzaam is en tegenspreekt. ## Romeinen 11 — God heeft Zijn volk niet verstoten 1. Ik vraag dus: heeft God Zijn volk verstoten? Absoluut niet. Ik ben zelf ook een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, uit de stam Benjamin. 2. God heeft Zijn volk niet verstoten, dat Hij van tevoren kende. Of weten jullie niet wat de Schrift zegt over Elia? Hij klaagt bij God over Israël: 3. Heere, zij hebben Uw profeten gedood en Uw altaren omvergegooid. Ik ben als enige overgebleven, en zij willen mij doden. 4. Maar wat zegt God hem als antwoord? Ik heb voor mijzelf nog zevenduizend mannen overgehouden. Zij hebben hun knie niet gebogen voor het beeld van Baäl. 5. Zo is er ook nu een rest overgebleven, gekozen uit genade. 6. Is het uit genade, dan is het niet meer uit werken. Anders zou genade geen genade meer zijn. 7. Wat dan? Israël heeft niet gekregen wat het zocht. De uitverkorenen hebben het wel gekregen, en de anderen zijn hard geworden. 8. Zo staat er geschreven: God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven, ogen die niet zien en oren die niet horen. Zo is het tot op vandaag. 9. En David zegt: Laat hun tafel een strik en een val worden, iets waarover zij struikelen en wat zij verdiend hebben. 10. Laat hun ogen donker worden, zodat zij niet zien. Laat hun rug voorgoed krom worden. 11. Ik vraag dus: zijn zij gestruikeld om te blijven liggen? Absoluut niet. Door hun val is de redding bij de andere volken gekomen, om Israël jaloers te maken. 12. Hun val betekent rijkdom voor de wereld en hun mislukking rijkdom voor de volken. Hoeveel meer zal hun volheid dan betekenen. 13. Ik spreek tegen jullie, mensen uit de volken. Ik ben apostel voor de volken en ik maak veel werk van mijn dienst. 14. Zo hoop ik mijn eigen volksgenoten jaloers te maken en sommigen van hen te redden. 15. Hun verwerping betekende verzoening voor de wereld. Wat zal hun aanneming dan betekenen? Niets minder dan leven uit de dood. 16. Is het eerste deel van het deeg heilig, dan is het hele deeg heilig. Is de wortel heilig, dan zijn de takken ook heilig. 17. Sommige takken zijn afgebroken. En jij, een wilde olijftak, bent ertussen geënt. Nu deel je mee in de sappige wortel van de olijfboom. 18. Ga dan niet opscheppen tegen die takken. Doe je dat toch, bedenk dan: jij draagt de wortel niet, de wortel draagt jou. 19. Je zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken zodat ik geënt kon worden. 20. Dat is waar. Zij zijn afgebroken door hun ongeloof, en jij staat door je geloof. Wees dus niet hoogmoedig, maar heb ontzag. 21. God heeft de eigen takken niet gespaard. Pas dus op, want Hij zal jou ook niet sparen. 22. Kijk dan naar de goedheid en de strengheid van God. Streng is Hij voor wie gevallen zijn, goed is Hij voor jou, als je in Zijn goedheid blijft. Anders word ook jij afgehakt. 23. En zij zullen geënt worden, als zij niet in hun ongeloof blijven. God is immers bij machte om hen opnieuw te enten. 24. Jij bent van een wilde olijfboom afgehakt en tegen de natuur in op een edele olijfboom geënt. Hoeveel makkelijker worden zij dan op hun eigen olijfboom geënt. 25. Broeders, ik wil dat jullie dit geheim kennen, zodat jullie niet eigenwijs worden. Israël is voor een deel hard geworden, totdat de volken in hun volheid binnengegaan zijn. 26. En zo zal heel Israël gered worden. Zo staat er geschreven: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheid van Jakob wegnemen. 27. En dit is mijn verbond met hen: ik zal hun zonden wegnemen. 28. Als het om het evangelie gaat, zijn zij vijanden, en dat is goed voor jullie. Als het om de verkiezing gaat, zijn zij geliefd, om hun voorvaders. 29. God komt namelijk nooit terug op Zijn gaven en op Zijn roeping. 30. Vroeger waren jullie ongehoorzaam aan God. Nu hebben jullie barmhartigheid gekregen door hun ongehoorzaamheid. 31. Zo zijn zij nu ongehoorzaam, zodat ook zij barmhartigheid krijgen door de barmhartigheid die jullie kregen. 32. God heeft hen allemaal opgesloten in de ongehoorzaamheid, om zich over hen allemaal te ontfermen. 33. Wat is de rijkdom van God diep, en Zijn wijsheid en kennis. Zijn oordelen zijn niet te doorgronden en Zijn wegen niet na te speuren. 34. Wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Wie is ooit Zijn raadgever geweest? 35. Wie heeft Hem eerst iets gegeven, zodat hij het terug moet krijgen? 36. Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen. ## Romeinen 12 — Een levend offer 1. Broeders, ik vraag jullie dringend, bij de barmhartigheid van God: stel je lichaam beschikbaar als een levend en heilig offer, waar God blij mee is. Dat is de dienst die bij jullie past. 2. Doe niet mee met deze wereld, maar verander door je denken te vernieuwen. Dan kun je toetsen wat God wil: wat goed is, wat Hem blij maakt en wat volmaakt is. 3. Door de genade die mij gegeven is, zeg ik tegen ieder van jullie: denk niet te hoog van jezelf. Denk verstandig over jezelf, naar de maat van het geloof die God je gegeven heeft. 4. Wij hebben in één lichaam veel lichaamsdelen, en die doen niet allemaal hetzelfde. 5. Zo zijn wij met velen één lichaam in Christus, en horen wij als lichaamsdelen bij elkaar. 6. Wij hebben verschillende gaven, naar de genade die ons gegeven is. Wie profetie heeft, moet die gebruiken naar de maat van het geloof. 7. Wie dienen mag, moet dienen. Wie onderwijzen mag, moet onderwijzen. 8. Wie bemoedigen mag, moet bemoedigen. Wie uitdeelt, moet dat eerlijk doen. Wie leiding geeft, moet dat met inzet doen. Wie barmhartig is, moet dat met blijdschap zijn. 9. Laat de liefde echt zijn. Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede. 10. Houd hartelijk van elkaar als in een familie. Laat de ander voorgaan in eer. 11. Wees niet lui, maar vurig van geest. Dien de Heere. 12. Wees blij in de hoop. Wees geduldig als het moeilijk is. Houd vol in het gebed. 13. Deel mee wat de heiligen nodig hebben. Wees gastvrij. 14. Zegen wie jullie vervolgen. Zegen hen en vervloek hen niet. 15. Wees blij met wie blij zijn en huil met wie huilen. 16. Wees eensgezind met elkaar. Streef niet naar hoge dingen, maar zoek het gewone op. Denk niet dat je wijs bent. 17. Vergeld niemand kwaad met kwaad. Doe wat goed is in de ogen van alle mensen. 18. Leef in vrede met alle mensen, voor zover dat mogelijk is en van jullie afhangt. 19. Neem geen wraak, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn van God. Er staat immers geschreven: De wraak is aan mij, ik zal het vergelden, zegt de Heere. 20. Heeft je vijand honger, geef hem te eten. Heeft hij dorst, geef hem te drinken. Zo stapel je gloeiende kolen op zijn hoofd. 21. Laat je niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede. ## Romeinen 13 — De liefde vervult de wet 1. Ieder mens moet zich houden aan het gezag boven zich. Er is namelijk geen gezag dan van God, en het gezag dat er is, is door God ingesteld. 2. Wie zich tegen dat gezag verzet, gaat dus in tegen wat God heeft ingesteld. Wie dat doet, haalt zich een oordeel op de hals. 3. Wie leiding geeft, is niet gevaarlijk voor wie goed doet, maar voor wie kwaad doet. Wil je niet bang hoeven zijn voor het gezag? Doe dan het goede, dan krijg je er lof van. 4. Het gezag staat in dienst van God, voor jouw bestwil. Doe je kwaad, wees dan wel bang. Het draagt het zwaard niet voor niets. Het staat in dienst van God en straft wie kwaad doet. 5. Daarom moet je je eraan houden, niet alleen vanwege de straf, maar ook vanwege je geweten. 6. Daarom betaal je ook belasting. Wie het gezag uitoefent is een dienaar van God en houdt zich daar voortdurend mee bezig. 7. Geef iedereen wat je hem schuldig bent. Betaal belasting aan wie belasting toekomt en tol aan wie tol toekomt. Geef ontzag aan wie ontzag toekomt en eer aan wie eer toekomt. 8. Blijf niemand iets schuldig, behalve de liefde voor elkaar. Wie de ander liefheeft, heeft namelijk de wet vervuld. 9. Deze geboden zijn er: Je mag geen overspel plegen en je mag niet doden. Je mag niet stelen, geen vals getuigenis geven en niet begeren. Elk ander gebod komt samen in dit ene woord: Heb je naaste lief als jezelf. 10. De liefde doet de naaste geen kwaad. De liefde is dus de vervulling van de wet. 11. Dit zeg ik omdat jullie de tijd kennen. Het uur is er om uit de slaap wakker te worden. De redding is nu dichterbij dan toen wij tot geloof kwamen. 12. De nacht is bijna voorbij en de dag komt eraan. Laten wij dus de werken van het donker afleggen en de wapens van het licht aandoen. 13. Laten wij netjes leven, zoals bij daglicht past. Niet met vreten en zuipen, niet met seks en losbandigheid, niet met ruzie en jaloezie. 14. Trek de Heere Jezus Christus aan en geef de begeerten van het vlees geen ruimte. ## Romeinen 14 — Oordeel elkaar niet 1. Neem wie zwak is in het geloof hartelijk op, maar ga niet met hem in discussie. 2. De een gelooft dat hij alles mag eten. Wie zwak is, eet alleen groente. 3. Wie eet, moet niet neerkijken op wie niet eet. Wie niet eet, moet geen oordeel vellen over wie eet. God heeft hem immers aangenomen. 4. Wie ben jij dat je een knecht van iemand anders veroordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. En hij zal staande blijven, want God kan hem staande houden. 5. De een vindt de ene dag belangrijker dan de andere, de ander vindt alle dagen gelijk. Laat iedereen in zijn eigen hart volledig overtuigd zijn. 6. Wie een dag viert, doet dat voor de Heere. Wie eet, doet dat voor de Heere en dankt God. Wie niet eet, laat het voor de Heere en dankt God ook. 7. Niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf. 8. Leven wij, dan leven wij voor de Heere. Sterven wij, dan sterven wij voor de Heere. Of wij nu leven of sterven, wij zijn van de Heere. 9. Daarvoor is Christus gestorven en weer levend geworden: om te heersen over doden en levenden. 10. Waarom oordeel jij dan over je broeder? Of waarom kijk jij op hem neer? Wij zullen allemaal voor de rechterstoel van Christus staan. 11. Er staat namelijk geschreven: Zo waar ik leef, zegt de Heere, voor mij zal elke knie buigen en elke tong zal God belijden. 12. Ieder van ons zal dus voor zichzelf verantwoording afleggen aan God. 13. Laten wij elkaar dan niet meer veroordelen. Neem liever dit besluit: doe niets waarover je broeder struikelt of waaraan hij zich stoot. 14. Ik weet en ben ervan overtuigd in de Heere Jezus dat niets op zichzelf onrein is. Maar wie iets onrein vindt, voor hem is het onrein. 15. Als je broeder verdriet krijgt om wat jij eet, leef je niet meer naar de liefde. Richt door je eten niemand te gronde voor wie Christus gestorven is. 16. Laat er dus geen kwaad gesproken worden over het goede dat jullie hebben. 17. Het Koninkrijk van God is namelijk geen eten en drinken. Het is gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest. 18. Wie Christus zo dient, is God welgevallig en wordt door mensen gewaardeerd. 19. Laten wij dus streven naar wat de vrede dient en naar wat elkaar opbouwt. 20. Breek het werk van God niet af om eten. Alles is wel rein, maar het is verkeerd als je eet en een ander daarover struikelt. 21. Het is goed om geen vlees te eten en geen wijn te drinken, en niets te doen waaraan je broeder zich stoot. 22. Heb jij geloof? Houd dat dan voor jezelf, voor God. Gelukkig is wie zichzelf niet veroordeelt om wat hij goedkeurt. 23. Maar wie twijfelt en toch eet, is veroordeeld, want hij eet niet uit geloof. En alles wat niet uit geloof komt, is zonde. ## Romeinen 15 — Samen God prijzen 1. Wij die sterk zijn, moeten de zwakheden dragen van wie niet sterk zijn. Wij moeten niet onszelf willen behagen. 2. Laat ieder van ons zijn naaste behagen, in wat goed is en opbouwt. 3. Ook Christus zocht niet Zijn eigen belang. Zo staat er geschreven: De beledigingen van wie U beledigen, zijn op mij terechtgekomen. 4. Alles wat vroeger geschreven is, is geschreven om ons te leren. Zo houden wij hoop, door de volharding en de troost van de Schriften. 5. Laat de God van de volharding en de troost jullie eensgezind maken met elkaar, in de geest van Christus Jezus. 6. Dan kunnen jullie eendrachtig en met één mond de God en Vader van onze Heere Jezus Christus prijzen. 7. Neem elkaar dus hartelijk aan, zoals Christus ons heeft aangenomen, tot eer van God. 8. Ik zeg dit: Christus is een dienaar geworden van de besnedenen, om de waarheid van God te laten zien. Zo maakte Hij de beloften aan de voorvaders waar. 9. En zo zouden de volken God prijzen om Zijn barmhartigheid. Zo staat er geschreven: Daarom zal ik U prijzen onder de volken en voor Uw Naam zingen. 10. En ergens anders staat: Wees blij, volken, samen met Zijn volk. 11. En ook: Loof de Heere, alle volken, prijs Hem, alle naties. 12. En Jesaja zegt: De wortel van Isaï zal er zijn. Hij staat op om over de volken te heersen, en op Hem zullen de volken hopen. 13. Laat de God van de hoop jullie vullen met blijdschap en vrede in het geloven. Dan hebben jullie hoop in overvloed, door de kracht van de Heilige Geest. 14. Broeders, ik ben er zelf van overtuigd dat jullie vol goedheid zijn. Jullie hebben alle kennis en kunnen elkaar ook terechtwijzen. 15. Toch heb ik jullie op sommige punten nogal vrijmoedig geschreven. Ik wilde jullie eraan herinneren, door de genade die God mij gegeven heeft. 16. Zo ben ik een dienaar van Jezus Christus onder de volken. Ik dien het evangelie van God, zodat de volken een aangenaam offer worden, geheiligd door de Heilige Geest. 17. In Christus Jezus kan ik dus roemen over het werk voor God. 18. Ik durf alleen te spreken over wat Christus door mij heeft gedaan. Zo bracht Hij de volken tot gehoorzaamheid, met woorden en daden. 19. Dat gebeurde door de kracht van tekenen en wonderen en door de kracht van de Geest van God. Zo heb ik het evangelie van Christus overal verkondigd, van Jeruzalem tot in Illyrië. 20. Ik wilde het evangelie graag verkondigen waar de naam van Christus nog niet genoemd was. Ik wilde niet bouwen op het fundament van een ander. 21. Zo staat er geschreven: Wie geen bericht over Hem kreeg, zal zien. Wie niets gehoord heeft, zal het begrijpen. 22. Daarom werd ik ook telkens verhinderd om naar jullie toe te komen. 23. Maar nu is mijn werk in deze streken klaar. Al jaren verlang ik ernaar naar jullie toe te komen. 24. Dus kom ik langs als ik naar Spanje reis. Ik hoop jullie op doorreis te zien en door jullie op weg geholpen te worden, als ik eerst een tijd van jullie genoten heb. 25. Maar nu reis ik naar Jeruzalem om de heiligen te dienen. 26. De gelovigen in Macedonië en Achaje hebben namelijk besloten iets te geven aan de arme heiligen in Jeruzalem. 27. Zij hebben dat graag gedaan, en zij staan ook bij hen in het krijt. De volken hebben gedeeld in hun geestelijke rijkdom. Dan horen zij hen ook met stoffelijke dingen te dienen. 28. Als ik dat afgerond heb en de opbrengst goed heb overgedragen, dan reis ik via jullie stad naar Spanje. 29. En ik weet dat ik bij jullie kom met de volle zegen van het evangelie van Christus. 30. Broeders, ik vraag jullie dringend, bij onze Heere Jezus Christus en bij de liefde van de Geest. Strijd met mij mee in het gebed tot God voor mij. 31. Bid dat ik gered word van de ongehoorzame mensen in Judea. Bid ook dat mijn dienst voor Jeruzalem goed ontvangen wordt door de heiligen. 32. Dan kan ik met blijdschap naar jullie toe komen, als God het wil, en samen met jullie op adem komen. 33. De God van de vrede zij met jullie allemaal. Amen. ## Romeinen 16 — Groeten en zegen 1. Ik beveel Febe bij jullie aan. Zij hoort bij ons en is dienares van de gemeenschap van gelovigen in Kenchreeën. 2. Ontvang haar in de Heere, zoals het heiligen past. Help haar met alles waarbij zij jullie nodig heeft. Zij heeft namelijk voor velen klaargestaan, ook voor mij. 3. Groet Prisca en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus. 4. Zij hebben hun leven voor mij gewaagd. Niet alleen ik ben hun dankbaar, maar ook alle gemeenschappen van gelovigen uit de volken. 5. Groet ook de gemeenschap van gelovigen die bij hen thuis samenkomt. Groet mijn geliefde Epenetus, de eerste in Asia die bij Christus ging horen. 6. Groet Maria, die veel voor jullie gewerkt heeft. 7. Groet Andronikus en Junias, mijn familieleden en medegevangenen. Zij hebben een goede naam bij de apostelen en hoorden eerder dan ik bij Christus. 8. Groet Ampliatus, mijn geliefde in de Heere. 9. Groet Urbanus, onze medewerker in Christus, en mijn geliefde Stachys. 10. Groet Apelles, die zijn geloof bewezen heeft. Groet de mensen uit het huis van Aristobulus. 11. Groet Herodion, mijn familielid. Groet de mensen uit het huis van Narcissus die in de Heere zijn. 12. Groet Tryfena en Tryfosa, die zich inzetten voor de Heere. Groet onze geliefde Persis, die veel gewerkt heeft voor de Heere. 13. Groet Rufus, de uitverkorene in de Heere, en zijn moeder, die ook voor mij een moeder is. 14. Groet Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas en de gelovigen die bij hen zijn. 15. Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zus, en Olympas, en alle heiligen die bij hen zijn. 16. Groet elkaar met een heilige kus. Alle gemeenschappen van Christus groeten jullie. 17. Broeders, ik vraag jullie dringend: let op wie verdeeldheid brengen en anderen laten struikelen. Zij gaan in tegen het onderwijs dat jullie gekregen hebben. Blijf bij hen weg. 18. Zulke mensen dienen onze Heere Christus niet, maar hun eigen buik. Met mooie woorden en vleierij misleiden zij argeloze harten. 19. Jullie gehoorzaamheid is overal bekend geworden. Daar ben ik blij om. Ik wil dat jullie wijs zijn in het goede en onschuldig in het kwade. 20. De God van de vrede zal de satan snel onder jullie voeten verpletteren. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met jullie. 21. Timotheüs, mijn medewerker, groet jullie. Ook Lucius, Jason en Sosipater groeten jullie, mijn familieleden. 22. Ik, Tertius, die deze brief opgeschreven heb, groet jullie in de Heere. 23. Gajus groet jullie. Hij is de gastheer van mij en van de hele gemeenschap. Erastus, de beheerder van de stad, groet jullie, en ook onze medegelovige Quartus. 24. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met jullie allemaal. Amen. 25. God kan jullie vast doen staan. Dat gebeurt door mijn evangelie en de verkondiging van Jezus Christus, naar het geheim dat eeuwenlang verzwegen is. 26. Nu is dat geheim bekendgemaakt. Door de geschriften van de profeten en op bevel van de eeuwige God is het aan alle volken bekend. Zo worden zij gebracht tot de gehoorzaamheid van het geloof. 27. Aan Hem, de enige wijze God, zij de heerlijkheid door Jezus Christus, tot in eeuwigheid. Amen. ## 1 Korintiërs 1 — Het woord van het kruis 1. Van Paulus, geroepen als apostel van Jezus Christus door de wil van God, en van Sosthenes, die bij ons hoort. 2. Aan de gemeenschap van gelovigen in Korinthe: aan wie geheiligd zijn in Christus Jezus en geroepen om heilig te zijn. Ik schrijf ook aan iedereen die overal de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroept, hun Heere en de onze. 3. Genade en vrede voor jullie, van God onze Vader en van de Heere Jezus Christus. 4. Ik dank mijn God altijd voor jullie, om de genade van God die jullie in Christus Jezus gekregen hebben. 5. In Hem zijn jullie in alles rijk geworden, in alle spreken en alle kennis. 6. Het getuigenis over Christus is bij jullie immers stevig komen vast te staan. 7. Daardoor ontbreekt het jullie aan geen enkele gave, terwijl jullie wachten op de komst van onze Heere Jezus Christus. 8. God zal jullie ook tot het einde toe vasthouden. Zo zijn jullie onberispelijk op de dag van onze Heere Jezus Christus. 9. God is trouw. Door Hem zijn jullie geroepen tot de gemeenschap met Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere. 10. Broeders, ik vraag jullie dringend, bij de Naam van onze Heere Jezus Christus: spreek allemaal hetzelfde. Laat er geen scheuringen onder jullie zijn, maar wees één van hart en gedachten. 11. Mensen uit het huis van Chloë hebben mij namelijk verteld dat er ruzies onder jullie zijn. 12. Ik bedoel dit: de een van jullie zegt: Ik ben van Paulus. De ander zegt: Ik van Apollos, of: Ik van Cefas, of: Ik van Christus. 13. Is Christus dan verdeeld? Is Paulus soms voor jullie gekruisigd? Of zijn jullie in de naam van Paulus gedoopt? 14. Ik dank God dat ik niemand van jullie gedoopt heb, behalve Krispus en Gajus. 15. Zo kan niemand zeggen dat ik in mijn eigen naam gedoopt heb. 16. Ik heb ook het huis van Stefanas gedoopt. Verder weet ik niet of ik nog iemand gedoopt heb. 17. Christus heeft mij namelijk niet gestuurd om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen. Dat doe ik niet met knappe woorden, anders zou het kruis van Christus zijn kracht verliezen. 18. Het woord van het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan. Maar voor ons die gered worden, is het een kracht van God. 19. Er staat namelijk geschreven: Ik laat de wijsheid van de wijzen verdwijnen en het verstand van de verstandigen doe ik teniet. 20. Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker van deze tijd? Heeft God de wijsheid van deze wereld niet dwaas gemaakt? 21. De wereld heeft God met haar wijsheid niet leren kennen, terwijl God juist wijs is. Daarom besloot God om mensen te redden door de dwaasheid van de verkondiging, als zij geloven. 22. De Joden vragen om een teken en de Grieken zoeken wijsheid. 23. Maar wij verkondigen Christus, de Gekruisigde. Voor de Joden is dat aanstootgevend en voor de Grieken dwaas. 24. Maar voor wie geroepen zijn, Joden en Grieken, is Christus de kracht van God en de wijsheid van God. 25. Het dwaze van God is namelijk wijzer dan de mensen, en het zwakke van God is sterker dan de mensen. 26. Broeders, kijk maar naar jullie eigen roeping. Er zijn onder jullie niet veel wijzen naar menselijke maatstaf, niet veel machtigen, niet veel mensen van aanzien. 27. God heeft juist het dwaze van de wereld uitgekozen om de wijzen te beschamen. Hij heeft het zwakke van de wereld uitgekozen om het sterke te beschamen. 28. Hij koos het onaanzienlijke en verachte van de wereld, en wat niets is, om teniet te doen wat wel iets is. 29. Zo kan geen mens zich beroemen tegenover God. 30. Door Hem zijn jullie in Christus Jezus. Hij is voor ons wijsheid van God geworden, en gerechtigheid, heiliging en verlossing. 31. Zo staat er geschreven: Wie roemt, moet roemen in de Heere. ## 1 Korintiërs 2 — De wijsheid van God 1. Broeders, toen ik bij jullie kwam, kwam ik niet met hoogstaande woorden of wijsheid. Ik kwam om het getuigenis van God bekend te maken. 2. Ik had namelijk besloten om bij jullie niets anders te weten dan Jezus Christus, en Hem als de Gekruisigde. 3. Ik was bij jullie in zwakheid, met vrees en veel beven. 4. Mijn spreken en mijn verkondiging kwamen niet met overtuigende woorden van menselijke wijsheid. Zij kwamen met bewijs van de Geest en van kracht. 5. Zo rust jullie geloof niet op wijsheid van mensen, maar op de kracht van God. 6. Toch spreken wij wijsheid onder wie volwassen zijn. Maar het is geen wijsheid van deze wereld of van de machthebbers van deze wereld, die verdwijnen. 7. Wij spreken de wijsheid van God, die verborgen was en bedekt lag. God heeft haar vóór alle tijden bestemd tot onze heerlijkheid. 8. Geen van de machthebbers van deze wereld heeft die wijsheid gekend. Anders zouden zij de Heere van de heerlijkheid niet gekruisigd hebben. 9. Maar zo staat er geschreven: Het oog heeft het niet gezien en het oor heeft het niet gehoord. In geen mensenhart is het opgekomen. Toch heeft God het klaargemaakt voor wie Hem liefhebben. 10. God heeft het ons bekendgemaakt door Zijn Geest. De Geest onderzoekt namelijk alles, ook de diepten van God. 11. Wie van de mensen weet wat er in een mens omgaat? Alleen de geest van die mens zelf. Zo weet ook niemand wat er in God omgaat, behalve de Geest van God. 12. Wij hebben niet de geest van de wereld gekregen, maar de Geest die uit God is. Zo kunnen wij weten wat God ons geschonken heeft. 13. Daarover spreken wij ook, niet met woorden die menselijke wijsheid leert. Wij spreken met woorden die de Heilige Geest leert, en leggen geestelijke dingen uit met geestelijke woorden. 14. De mens die alleen op zichzelf vertrouwt, begrijpt niet wat van de Geest van God is. Voor hem is het dwaasheid en hij kan het niet doorzien, want het wordt geestelijk beoordeeld. 15. De geestelijke mens beoordeelt alle dingen, maar hij zelf wordt door niemand beoordeeld. 16. Wie heeft de gedachten van de Heere gekend, zodat hij Hem kan onderwijzen? Maar wij hebben de gedachten van Christus. ## 1 Korintiërs 3 — Medewerkers van God 1. Broeders, ik kon tegen jullie niet spreken als tegen geestelijke mensen, maar als tegen mensen van vlees en bloed, als tegen jonge kinderen in Christus. 2. Ik heb jullie melk gegeven en geen vast voedsel. Dat konden jullie toen nog niet aan, en nu nog steeds niet. 3. Jullie zijn immers nog gewone mensen. Er is jaloezie, ruzie en verdeeldheid onder jullie. Leven jullie dan niet als gewone mensen? 4. De een zegt: Ik ben van Paulus, en de ander: Ik van Apollos. Zijn jullie dan geen gewone mensen? 5. Wie is Paulus eigenlijk, en wie is Apollos? Zij zijn dienaren door wie jullie tot geloof gekomen zijn, ieder zoals de Heere het hun gaf. 6. Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven, maar God heeft laten groeien. 7. Wie plant is dus niets, en wie water geeft ook niet. God die laat groeien, is alles. 8. Wie plant en wie water geeft, zijn één. Ieder krijgt zijn eigen loon naar zijn eigen werk. 9. Wij zijn medewerkers van God. Jullie zijn de akker van God en het gebouw van God. 10. Door de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijze bouwmeester het fundament gelegd. Een ander bouwt erop verder. Laat iedereen goed opletten hoe hij daarop bouwt. 11. Niemand kan namelijk een ander fundament leggen dan wat er ligt: Jezus Christus. 12. Bouwt iemand op dit fundament met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro, 13. dan zal het werk van ieder zichtbaar worden. De dag zal het aan het licht brengen, want die komt met vuur. Het vuur zal toetsen wat ieders werk waard is. 14. Blijft het werk staan dat iemand gebouwd heeft, dan krijgt hij loon. 15. Verbrandt zijn werk, dan lijdt hij schade. Zelf zal hij gered worden, maar als iemand die door het vuur heen gaat. 16. Weten jullie niet dat jullie de tempel van God zijn en dat de Geest van God in jullie woont? 17. Als iemand de tempel van God afbreekt, zal God hem afbreken. De tempel van God is namelijk heilig, en die tempel zijn jullie. 18. Laat niemand zichzelf bedriegen. Denkt iemand van jullie dat hij wijs is in deze wereld, dan moet hij dwaas worden om echt wijs te worden. 19. De wijsheid van deze wereld is namelijk dwaasheid bij God. Er staat immers geschreven: Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid. 20. En ergens anders staat: De Heere kent de gedachten van de wijzen en weet dat ze zinloos zijn. 21. Laat dus niemand zich beroemen op mensen. Alles is immers van jullie: 22. Paulus, Apollos en Cefas, de wereld, het leven en de dood, het heden en de toekomst. Alles is van jullie. 23. Maar jullie zijn van Christus, en Christus is van God. ## 1 Korintiërs 4 — Dienaren van Christus 1. Zo moet men ons zien: als dienaren van Christus en beheerders van de geheimen van God. 2. En van een beheerder wordt gevraagd dat hij betrouwbaar is. 3. Het maakt mij weinig uit of jullie of een menselijke rechtbank over mij oordelen. Ik oordeel ook niet over mijzelf. 4. Ik weet niets tegen mijzelf, maar daarmee ben ik nog niet vrijgesproken. De Heere is het die over mij oordeelt. 5. Oordeel dus niet vóór de tijd, totdat de Heere komt. Hij zal aan het licht brengen wat in het donker verborgen is en de plannen van de harten openbaar maken. Dan zal ieder zijn lof krijgen van God. 6. Broeders, ik heb dit op mijzelf en Apollos toegepast, en dat is voor jullie bestwil. Zo kunnen jullie van ons leren niet verder te gaan dan wat geschreven staat. Dan raakt niemand opgeblazen ten gunste van de een en tegen de ander. 7. Wie geeft jou een streepje voor? Wat heb je dat je niet gekregen hebt? En als je het gekregen hebt, waarom schep je dan op alsof je het zelf verdiend hebt? 8. Jullie zijn al verzadigd en al rijk geworden. Jullie heersen al, zonder ons. Was dat maar waar, dan konden wij met jullie meeheersen. 9. Het lijkt wel of God ons apostelen als laatsten tentoongesteld heeft, als mensen die ter dood veroordeeld zijn. Wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en voor mensen. 10. Wij zijn dwaas om Christus, maar jullie zijn wijs in Christus. Wij zijn zwak, maar jullie zijn sterk. Jullie hebben aanzien, maar wij worden veracht. 11. Tot op dit uur hebben wij honger en dorst. Wij hebben nauwelijks kleren, worden geslagen en hebben geen vast huis. 12. Wij werken hard met onze eigen handen. Worden wij uitgescholden, dan zegenen wij. Worden wij vervolgd, dan verdragen wij het. 13. Worden wij belasterd, dan spreken wij vriendelijk. Wij zijn het uitvaagsel van de wereld geworden, het afval van iedereen, tot nu toe. 14. Ik schrijf dit niet om jullie te beschamen. Ik waarschuw jullie als mijn geliefde kinderen. 15. Al hadden jullie tienduizend opvoeders in Christus, veel vaders hebben jullie niet. In Christus Jezus ben ik jullie vader geworden, door het evangelie. 16. Daarom vraag ik jullie dringend: volg mijn voorbeeld. 17. Daarom heb ik Timotheüs naar jullie gestuurd. Hij is mijn geliefde en trouwe zoon in de Heere. Hij zal jullie herinneren aan mijn wegen in Christus, zoals ik overal onderwijs geef. 18. Sommigen zijn opgeblazen geworden, alsof ik niet meer naar jullie toe zou komen. 19. Maar ik kom snel naar jullie toe, als de Heere het wil. Dan zal ik niet letten op de woorden van wie opgeblazen zijn, maar op hun kracht. 20. Het Koninkrijk van God bestaat namelijk niet uit woorden, maar uit kracht. 21. Wat willen jullie? Moet ik met de stok naar jullie toe komen, of met liefde en een zachtmoedige geest? ## 1 Korintiërs 5 — Doe het kwaad uit je midden weg 1. Overal hoort men dat er ontucht onder jullie is. Het is zelfs ontucht die bij de volken niet voorkomt: iemand leeft met de vrouw van zijn vader. 2. En dan zijn jullie nog opgeblazen ook. Jullie hadden juist moeten treuren, zodat wie dit gedaan heeft uit jullie midden weggedaan werd. 3. Met mijn lichaam ben ik niet bij jullie, maar met mijn geest wel. Ik heb al een oordeel geveld over wie dit gedaan heeft, alsof ik erbij was. 4. Dat gebeurt in de Naam van onze Heere Jezus Christus. Als jullie en mijn geest samen zijn, met de kracht van onze Heere Jezus Christus, 5. dan geven wij zo iemand over aan de satan. Zijn vlees gaat te gronde, maar zijn geest wordt gered op de dag van de Heere Jezus. 6. Jullie roem is niet goed. Weten jullie niet dat een beetje zuurdeeg het hele deeg zuur maakt? 7. Doe het oude zuurdeeg weg, zodat jullie vers deeg zijn. Jullie zijn immers ongezuurd. Ons paaslam is namelijk geslacht, en dat is Christus. 8. Laten wij dus feestvieren, niet met oud zuurdeeg en niet met het zuurdeeg van slechtheid en kwaad. Laten wij vieren met ongezuurde broden van zuiverheid en waarheid. 9. Ik heb jullie in mijn brief geschreven dat jullie niet moeten omgaan met wie ontucht plegen. 10. Ik bedoelde niet iedereen in deze wereld die ontucht pleegt, of de hebzuchtigen, rovers en afgodendienaars. Dan zouden jullie de wereld uit moeten. 11. Ik schreef dat jullie niet moeten omgaan met iemand die zich broeder noemt en toch ontucht pleegt. Hetzelfde geldt voor wie hebzuchtig is, afgoden dient, lastert, dronken is of rooft. Ga met zo iemand zelfs niet aan tafel. 12. Waarom zou ik oordelen over wie buiten staan? Oordelen jullie niet over wie binnen zijn? 13. Over wie buiten staan oordeelt God. Doe die slechte man uit jullie midden weg. ## 1 Korintiërs 6 — Jullie lichaam is een tempel 1. Durft iemand van jullie, met een zaak tegen een ander, naar de rechtbank van onrechtvaardigen te gaan in plaats van naar de heiligen? 2. Weten jullie niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen? Als jullie de wereld oordelen, zijn jullie dan te min voor de kleinste zaken? 3. Weten jullie niet dat wij over engelen zullen oordelen? Dan toch zeker over de dingen van dit leven. 4. Hebben jullie dus zaken over dit leven, zet er dan mensen over die in de gemeenschap het minst aanzien hebben. 5. Ik zeg dit om jullie te beschamen. Is er dan niemand onder jullie wijs genoeg om te beslissen tussen twee gelovigen? 6. In plaats daarvan sleept de een de ander voor de rechter, en dat nog wel bij ongelovigen. 7. Dat jullie rechtszaken tegen elkaar voeren, is al een nederlaag. Waarom laten jullie je niet liever onrecht aandoen? Waarom lijden jullie niet liever schade? 8. Maar jullie doen zelf onrecht en brengen schade toe, en dat aan je eigen medegelovigen. 9. Of weten jullie niet dat wie onrecht doen het Koninkrijk van God niet zullen erven? Vergis je niet. 10. Wie ontucht pleegt, afgoden dient, overspel pleegt, met mannen slaapt, steelt, hebzuchtig is, dronken is, lastert of rooft, zal het Koninkrijk van God niet erven. 11. Sommigen van jullie waren zo. Maar jullie zijn schoongewassen, geheiligd en rechtvaardig verklaard, in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God. 12. Alles is mij toegestaan, maar niet alles is nuttig. Alles is mij toegestaan, maar ik laat mij door niets overheersen. 13. Het eten is voor de buik en de buik voor het eten, en God zal beide teniet doen. Maar het lichaam is niet voor de ontucht. Het is voor de Heere, en de Heere voor het lichaam. 14. God heeft de Heere opgewekt en zal ook ons opwekken door Zijn kracht. 15. Weten jullie niet dat jullie lichaam bij Christus hoort? Zal ik dan wat bij Christus hoort tot bezit van een hoer maken? Absoluut niet. 16. Of weten jullie niet dat wie zich met een hoer verbindt, één lichaam met haar is? Er staat immers: Die twee zullen één zijn. 17. Maar wie zich met de Heere verbindt, is één geest met Hem. 18. Vlucht weg van de ontucht. Elke andere zonde die een mens doet, is buiten het lichaam. Maar wie ontucht pleegt, zondigt tegen zijn eigen lichaam. 19. Of weten jullie niet dat jullie lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in jullie woont en die jullie van God gekregen hebben? Jullie zijn niet van jezelf. 20. Jullie zijn duur gekocht. Eer God dus met je lichaam. ## 1 Korintiërs 7 — Getrouwd of ongetrouwd 1. Nu over de dingen waarover jullie mij geschreven hebben. Het is goed voor een mens om geen vrouw aan te raken. 2. Maar om ontucht te voorkomen moet elke man zijn eigen vrouw hebben en elke vrouw haar eigen man. 3. De man moet aan zijn vrouw geven waar zij recht op heeft, en de vrouw net zo aan haar man. 4. De vrouw heeft geen zeggenschap over haar eigen lichaam, maar de man. En zo heeft ook de man geen zeggenschap over zijn eigen lichaam, maar de vrouw. 5. Onthoud elkaar dat niet, behalve met goedvinden van allebei, voor een tijd. Dan hebben jullie rust om te vasten en te bidden. Kom daarna weer samen, anders krijgt de satan jullie te pakken omdat jullie je niet kunnen beheersen. 6. Ik zeg dit als toestemming, niet als bevel. 7. Ik zou wel willen dat alle mensen waren zoals ik. Maar ieder heeft zijn eigen gave van God, de een zus, de ander zo. 8. Tegen wie niet getrouwd is en tegen de weduwen zeg ik: het is goed voor hen om te blijven zoals ik. 9. Maar als zij zich niet kunnen beheersen, moeten zij trouwen. Het is namelijk beter te trouwen dan van verlangen te branden. 10. Wie getrouwd zijn, geef ik dit gebod, niet ik maar de Heere: de vrouw mag niet scheiden van haar man. 11. Doet zij dat toch, dan moet zij ongetrouwd blijven of zich met haar man verzoenen. En de man mag zijn vrouw niet wegsturen. 12. Tegen de anderen zeg ik, niet de Heere: stel dat een gelovige man een ongelovige vrouw heeft. Wil zij bij hem blijven, dan mag hij haar niet wegsturen. 13. En heeft een vrouw een ongelovige man, en wil hij bij haar blijven, dan mag zij hem niet wegsturen. 14. De ongelovige man is namelijk geheiligd door zijn vrouw, en de ongelovige vrouw door haar man. Anders zouden jullie kinderen onrein zijn, maar nu zijn zij heilig. 15. Wil de ongelovige toch scheiden, laat hem gaan. In zulke gevallen is de gelovige niet gebonden. God heeft ons geroepen om in vrede te leven. 16. Want wat weet jij, vrouw, of je je man zult redden? En wat weet jij, man, of je je vrouw zult redden? 17. Laat ieder leven zoals God het hem toebedeeld heeft en zoals de Heere hem geroepen heeft. Zo bepaal ik het overal. 18. Is iemand als besnedene geroepen, dan moet hij dat niet ongedaan maken. Is iemand als onbesnedene geroepen, dan moet hij zich niet laten besnijden. 19. Besneden zijn is niets en onbesneden zijn is niets. Het gaat erom dat je de geboden van God houdt. 20. Laat ieder blijven in de positie waarin hij geroepen is. 21. Ben je als slaaf geroepen, maak je daar dan niet druk over. Maar kun je vrij worden, maak daar dan liever gebruik van. 22. Wie als slaaf geroepen is in de Heere, is een vrijgelatene van de Heere. En wie als vrije geroepen is, is een slaaf van Christus. 23. Jullie zijn duur gekocht. Word dus geen slaven van mensen. 24. Broeders, laat ieder bij God blijven in de positie waarin hij geroepen is. 25. Over wie nog niet getrouwd zijn heb ik geen gebod van de Heere. Ik geef mijn mening, als iemand die van de Heere barmhartigheid gekregen heeft om betrouwbaar te zijn. 26. Met het oog op de nood die komt, denk ik dat het goed is voor een mens om te blijven zoals hij is. 27. Ben je aan een vrouw gebonden, zoek dan geen scheiding. Ben je vrij van een vrouw, zoek dan geen vrouw. 28. Maar trouw je toch, dan zondig je niet. En trouwt een jonge vrouw, dan zondigt zij niet. Zulke mensen zullen wel moeite hebben in dit leven, en dat wil ik jullie besparen. 29. Broeders, dit bedoel ik: de tijd is kort. Laat wie een vrouw heeft van nu af leven alsof hij er geen had. 30. Laat wie huilen leven alsof zij niet huilen, en wie blij zijn alsof zij niet blij zijn. Laat wie kopen leven alsof zij niets bezitten. 31. Laat wie van deze wereld gebruikmaken haar niet uitbuiten. De gedaante van deze wereld gaat namelijk voorbij. 32. Ik wil dat jullie zonder zorgen zijn. Wie niet getrouwd is, geeft om de dingen van de Heere en wil de Heere behagen. 33. Wie wel getrouwd is, geeft om de dingen van de wereld en wil zijn vrouw behagen. 34. Zo is hij verdeeld. Een ongetrouwde vrouw geeft om de dingen van de Heere en wil heilig zijn naar lichaam en geest. Een getrouwde vrouw geeft om de dingen van de wereld en wil haar man behagen. 35. Dit zeg ik voor jullie eigen bestwil. Ik wil jullie niet vastbinden, maar helpen om netjes te leven en dicht bij de Heere te blijven, zonder afleiding. 36. Vindt iemand dat hij niet goed omgaat met zijn verloofde? Wordt zij ouder, en moet het zo gebeuren, laat hem dan doen wat hij wil. Hij zondigt niet; laat hen trouwen. 37. Maar wie in zijn hart vaststaat, geen dwang voelt en zelf kan beslissen, en besloten heeft haar niet te trouwen, die doet goed. 38. Dus wie met zijn verloofde trouwt, doet goed, en wie niet trouwt, doet beter. 39. Een vrouw is gebonden zolang haar man leeft. Is haar man gestorven, dan is zij vrij om te trouwen met wie zij wil, maar alleen in de Heere. 40. Toch is zij gelukkiger als zij blijft zoals zij is, naar mijn mening. En ik denk dat ook ik de Geest van God heb. ## 1 Korintiërs 8 — Offervlees en de liefde 1. Nu over het vlees dat aan afgoden geofferd is. Wij weten dat wij allemaal kennis hebben. Kennis maakt opgeblazen, maar liefde bouwt op. 2. Denkt iemand dat hij iets weet, dan weet hij nog niets zoals het hoort. 3. Maar wie God liefheeft, die wordt door Hem gekend. 4. Over het eten van offervlees weten wij dit: een afgod stelt niets voor in de wereld, en er is geen andere God dan Eén. 5. Er zijn wel zogenaamde goden, in de hemel of op de aarde. Er zijn immers veel goden en veel heren. 6. Maar voor ons is er één God, de Vader. Uit Hem is alles en wij leven voor Hem. En er is één Heere, Jezus Christus. Door Hem is alles en wij leven door Hem. 7. Toch heeft niet iedereen die kennis. Sommigen zijn zo aan afgoden gewend dat zij het eten als offervlees. Hun geweten is zwak en wordt daardoor bevlekt. 8. Eten brengt ons niet dichter bij God. Eten wij niet, dan missen wij niets. Eten wij wel, dan hebben wij niets extra. 9. Maar pas op dat jullie vrijheid geen struikelblok wordt voor wie zwak zijn. 10. Stel dat iemand jou, met al je kennis, in een afgodstempel ziet aanliggen. Wordt zijn zwakke geweten dan niet aangemoedigd om offervlees te eten? 11. Zo gaat door jouw kennis je zwakke broeder verloren, voor wie Christus gestorven is. 12. Als jullie zo zondigen tegen je medegelovigen en hun zwakke geweten kwetsen, zondigen jullie tegen Christus. 13. Laat eten mijn broeder struikelen, dan eet ik nooit meer vlees. Dan laat ik mijn broeder niet struikelen. ## 1 Korintiërs 9 — Vrij, en toch dienaar van allen 1. Ben ik geen apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik Jezus, onze Heere, niet gezien? Zijn jullie niet mijn werk in de Heere? 2. Ben ik voor anderen geen apostel, voor jullie ben ik het zeker. Jullie zijn het zegel van mijn apostelschap in de Heere. 3. Dit is mijn verdediging tegenover wie mij ondervragen. 4. Hebben wij niet het recht om te eten en te drinken? 5. Hebben wij niet het recht om een gelovige vrouw mee te nemen op reis? De andere apostelen doen dat ook, en de broers van de Heere, en Cefas. 6. Of hebben alleen Barnabas en ik geen recht om niet te werken? 7. Wie gaat er op eigen kosten in dienst? Wie plant een wijngaard en eet niet van de vrucht? Of wie hoedt een kudde en drinkt niet van de melk? 8. Zeg ik dit alleen maar als mens? Zegt de wet niet hetzelfde? 9. In de wet van Mozes staat namelijk geschreven: Je mag een os die dorst geen muilkorf omdoen. Zorgt God soms voor de ossen? 10. Of zegt Hij dat vooral om ons? Ja, om ons is het geschreven. Wie ploegt, moet met hoop ploegen, en wie dorst, moet hopen op zijn deel. 11. Wij hebben bij jullie geestelijk zaad gezaaid. Is het dan te veel gevraagd als wij van jullie stoffelijke dingen oogsten? 12. Als anderen dat recht bij jullie hebben, hebben wij dat dan niet des te meer? Toch hebben wij van dat recht geen gebruik gemaakt. Wij verdragen alles, om het evangelie van Christus niet in de weg te staan. 13. Weten jullie niet dat wie in de tempel dienen, eten van wat in de tempel is? En dat wie bij het altaar dienen, hun deel van het altaar krijgen? 14. Zo heeft ook de Heere bepaald dat wie het evangelie verkondigen, van het evangelie leven. 15. Maar ik heb van niets daarvan gebruikgemaakt. En ik schrijf dit niet om het alsnog te krijgen. Ik zou liever sterven dan dat iemand mij deze roem afneemt. 16. Verkondig ik het evangelie, dan is dat geen roem voor mij. Het is een opdracht die mij is opgelegd. Wee mij als ik het evangelie niet verkondig. 17. Doe ik het uit vrije wil, dan heb ik loon. Doe ik het niet uit vrije wil, dan is het beheer mij toch toevertrouwd. 18. Wat is dan mijn loon? Dat ik het evangelie gratis breng en mijn recht in het evangelie niet gebruik. 19. Ik ben vrij van iedereen, en toch heb ik mij aan iedereen dienstbaar gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen. 20. Voor de Joden ben ik een Jood geworden, om Joden te winnen. Voor wie onder de wet leven, leefde ik als iemand onder de wet, om hen te winnen. 21. Voor wie zonder de wet zijn, leefde ik als iemand zonder wet, om hen te winnen. Ik sta wel onder de wet van God, want ik hoor bij Christus. 22. Voor de zwakken ben ik zwak geworden, om de zwakken te winnen. Voor iedereen ben ik alles geworden, om in elk geval enkelen te redden. 23. Dit alles doe ik om het evangelie, zodat ik er zelf ook deel aan krijg. 24. Weten jullie niet dat in een wedstrijd alle hardlopers lopen, maar dat er één de prijs krijgt? Loop zó dat jullie hem winnen. 25. Iedereen die aan een wedstrijd meedoet, beheerst zich in alles. Zij doen het voor een krans die vergaat, wij voor een krans die blijft. 26. Zo loop ik dan, niet als iemand die maar wat doet. Zo vecht ik, niet als iemand die in de lucht slaat. 27. Ik hard mijn lichaam en houd het in bedwang. Anders zou ik anderen verkondigen en zelf afgewezen worden. ## 1 Korintiërs 10 — Leer van wat er vroeger gebeurde 1. Broeders, ik wil dat jullie dit weten. Onze voorouders waren allemaal onder de wolk en zijn allemaal door de zee gegaan. 2. Zij zijn allemaal in Mozes gedoopt, in de wolk en in de zee. 3. Zij aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel. 4. Zij dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Zij dronken namelijk uit de geestelijke rots die met hen meeging, en die rots was Christus. 5. Toch had God in de meesten van hen geen vreugde. Zij kwamen om in de woestijn. 6. Dat is gebeurd als voorbeeld voor ons. Zo krijgen wij geen verlangen naar het kwade, zoals zij dat hadden. 7. Word geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen. Zo staat er geschreven: Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en stond op om te dansen. 8. Laten wij geen ontucht plegen, zoals sommigen van hen deden. Op één dag vielen er drieëntwintigduizend. 9. Laten wij Christus niet uitdagen, zoals sommigen van hen deden. Zij kwamen om door de slangen. 10. Mopper niet, zoals sommigen van hen mopperden. Zij werden gedood door de verderver. 11. Dit alles overkwam hen als voorbeeld. Het is opgeschreven als waarschuwing voor ons, die aan het einde van de tijden leven. 12. Wie denkt dat hij staat, moet dus oppassen dat hij niet valt. 13. Jullie hebben geen beproeving gehad die niet menselijk is. God is trouw. Hij zal niet toelaten dat jullie meer beproefd worden dan jullie aankunnen. Bij de beproeving geeft Hij ook de uitweg, zodat jullie het kunnen dragen. 14. Daarom, mijn geliefden, vlucht weg van de afgodendienst. 15. Ik spreek tegen jullie als tegen verstandige mensen. Beoordeel zelf wat ik zeg. 16. De beker van de dankzegging die wij zegenen: is die niet de gemeenschap met het bloed van Christus? Het brood dat wij breken: is dat niet de gemeenschap met het lichaam van Christus? 17. Het is één brood. Daarom zijn wij met velen één lichaam, want wij delen allemaal in dat ene brood. 18. Kijk naar Israël naar het vlees. Hebben zij die van de offers eten geen gemeenschap met het altaar? 19. Wat zeg ik daarmee? Dat een afgod iets is, of dat offervlees iets is? 20. Nee, ik zeg dat de volken aan boze geesten offeren en niet aan God. En ik wil niet dat jullie gemeenschap hebben met boze geesten. 21. Jullie kunnen niet de beker van de Heere drinken en ook de beker van de boze geesten. Jullie kunnen niet aan de tafel van de Heere zitten en ook aan de tafel van de boze geesten. 22. Of dagen wij de Heere uit? Zijn wij soms sterker dan Hij? 23. Alles is toegestaan, maar niet alles is nuttig. Alles is toegestaan, maar niet alles bouwt op. 24. Laat niemand zijn eigen belang zoeken, maar dat van de ander. 25. Eet alles wat op de markt verkocht wordt, zonder verder te vragen om je geweten. 26. De aarde is namelijk van de Heere, en alles wat daarop leeft. 27. Nodigt een ongelovige jullie uit en willen jullie gaan, eet dan alles wat voorgezet wordt, zonder verder te vragen om je geweten. 28. Maar zegt iemand tegen jullie: Dat is offervlees, eet het dan niet. Doe dat om hem en om het geweten. 29. Ik bedoel niet je eigen geweten, maar dat van die ander. Waarom zou mijn vrijheid beoordeeld worden door het geweten van een ander? 30. Als ik dankbaar mijn deel eet, waarom word ik dan belasterd om iets waarvoor ik dank? 31. Of jullie nu eten of drinken of iets anders doen, doe alles tot eer van God. 32. Geef niemand aanstoot: niet de Joden, niet de Grieken en niet de gemeenschap van God. 33. Zo probeer ik in alles iedereen te behagen. Ik zoek niet mijn eigen voordeel, maar dat van velen, zodat zij gered worden. ## 1 Korintiërs 11 — Samenkomen aan één tafel 1. Volg mijn voorbeeld, zoals ik dat van Christus volg. 2. Broeders, ik prijs jullie omdat jullie in alles aan mij denken. Jullie houden je aan de overleveringen zoals ik ze jullie gegeven heb. 3. Maar ik wil dat jullie dit weten. Christus is het hoofd van iedere man. De man is het hoofd van de vrouw, en God is het hoofd van Christus. 4. Een man die bidt of profeteert met iets op zijn hoofd, onteert zijn hoofd. 5. Een vrouw die bidt of profeteert met onbedekt hoofd, onteert haar hoofd. Het is namelijk hetzelfde alsof haar haar afgeschoren was. 6. Bedekt een vrouw zich niet, dan kan zij zich net zo goed laten scheren. Maar is het lelijk voor een vrouw om geschoren te zijn, dan moet zij zich bedekken. 7. Een man hoeft zijn hoofd niet te bedekken, want hij is het beeld en de eer van God. De vrouw is de eer van de man. 8. De man komt namelijk niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. 9. De man is ook niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 10. Daarom moet de vrouw een teken van gezag op haar hoofd hebben, om de engelen. 11. Toch is in de Heere de man er niet zonder de vrouw en de vrouw niet zonder de man. 12. Zoals de vrouw uit de man komt, zo komt de man door de vrouw. En alles komt uit God. 13. Beoordeel het zelf: past het dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt? 14. Leert de natuur zelf jullie niet dat lang haar een schande is voor een man? 15. En dat lang haar juist een eer is voor een vrouw? Zij heeft het lange haar immers als bedekking gekregen. 16. Wil iemand hierover toch ruzie maken: zo'n gewoonte hebben wij niet, en de gemeenschappen van God ook niet. 17. Nu ik jullie dit voorschrijf, kan ik jullie niet prijzen. Jullie komen namelijk niet ten goede samen, maar ten kwade. 18. Allereerst hoor ik dat er scheuringen onder jullie zijn als jullie samenkomen. Voor een deel geloof ik dat. 19. Er moeten wel partijen onder jullie zijn. Zo wordt zichtbaar wie van jullie betrouwbaar zijn. 20. Als jullie samenkomen, is het geen avondmaal van de Heere dat jullie eten. 21. Bij het eten neemt namelijk ieder vast zijn eigen maaltijd. De een heeft honger en de ander is dronken. 22. Hebben jullie dan geen huizen om te eten en te drinken? Of minachten jullie de gemeenschap van God en beschamen jullie wie niets hebben? Wat moet ik zeggen? Zal ik jullie prijzen? Hierin prijs ik jullie niet. 23. Ik heb van de Heere ontvangen wat ik ook aan jullie doorgegeven heb. De Heere Jezus nam in de nacht waarin Hij verraden werd het brood. 24. Hij dankte, brak het en zei: Neem en eet, dit is mijn lichaam, dat voor jullie gebroken wordt. Doe dit om mij te gedenken. 25. Zo nam Hij ook de beker, na de maaltijd, en zei: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doe dit om mij te gedenken, zo vaak als jullie eruit drinken. 26. Zo vaak als jullie dit brood eten en uit deze beker drinken, verkondigen jullie de dood van de Heere, totdat Hij komt. 27. Wie op een onwaardige manier dit brood eet of uit deze beker drinkt, is schuldig aan het lichaam en het bloed van de Heere. 28. Laat een mens dus zichzelf onderzoeken, en zo eten van het brood en drinken uit de beker. 29. Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zichzelf een oordeel, omdat hij het lichaam van de Heere niet onderscheidt. 30. Daarom zijn er onder jullie veel zwakken en zieken, en zijn er velen gestorven. 31. Als wij onszelf zouden beoordelen, zouden wij niet geoordeeld worden. 32. Worden wij geoordeeld, dan worden wij door de Heere opgevoed. Zo worden wij niet samen met de wereld veroordeeld. 33. Broeders, wacht daarom op elkaar als jullie samenkomen om te eten. 34. Heeft iemand honger, laat hem thuis eten. Anders komen jullie samen tot een oordeel. De rest zal ik regelen wanneer ik kom. ## 1 Korintiërs 12 — Veel gaven, één lichaam 1. Broeders, over de geestelijke gaven wil ik jullie niet in het ongewisse laten. 2. Jullie weten dat jullie bij de volken hoorden. Jullie werden meegetrokken naar stomme afgoden. 3. Daarom maak ik jullie dit bekend: niemand die door de Geest van God spreekt, zegt dat Jezus vervloekt is. En niemand kan zeggen dat Jezus de Heere is, behalve door de Heilige Geest. 4. Er zijn verschillende gaven, maar het is dezelfde Geest. 5. Er zijn verschillende diensten, maar het is dezelfde Heere. 6. Er zijn verschillende werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt. 7. Aan ieder wordt de Geest zichtbaar gegeven, tot nut van iedereen. 8. Aan de een geeft de Geest een woord van wijsheid, aan de ander een woord van kennis, door dezelfde Geest. 9. Aan een ander geloof, door dezelfde Geest, en aan weer een ander gaven om te genezen, door die ene Geest. 10. Aan een ander geeft Hij kracht om wonderen te doen, aan een ander profetie en aan een ander onderscheid van geesten. Weer een ander krijgt verschillende talen, en een ander de uitleg daarvan. 11. Dit alles werkt die ene en dezelfde Geest. Hij deelt aan ieder afzonderlijk uit, zoals Hij wil. 12. Het lichaam is één en heeft toch veel delen. Al die delen samen vormen één lichaam. Zo is het ook met Christus. 13. Wij zijn immers allemaal door één Geest tot één lichaam gedoopt: Joden en Grieken, slaven en vrijen. En wij zijn allemaal met één Geest gedrenkt. 14. Het lichaam bestaat ook niet uit één deel, maar uit veel delen. 15. Stel dat de voet zei: Ik ben de hand niet, dus ik hoor niet bij het lichaam. Hoort hij daarom niet bij het lichaam? 16. En stel dat het oor zei: Ik ben het oog niet, dus ik hoor niet bij het lichaam. Hoort het daarom niet bij het lichaam? 17. Als het hele lichaam oog was, waar bleef dan het gehoor? Als het hele lichaam gehoor was, waar bleef dan de reuk? 18. Maar God heeft de lichaamsdelen een plaats gegeven, ieder afzonderlijk, zoals Hij het wilde. 19. Waren zij allemaal één deel, waar bleef dan het lichaam? 20. Nu zijn er veel delen, maar is er één lichaam. 21. Het oog kan niet tegen de hand zeggen: Ik heb je niet nodig. Het hoofd kan dat ook niet zeggen tegen de voeten. 22. Integendeel: juist de delen die het zwakst lijken, zijn onmisbaar. 23. De delen die wij het minst eervol vinden, geven wij juist extra eer. Wat wij liever bedekken, behandelen wij extra netjes. 24. Wat er goed uitziet heeft dat niet nodig. God heeft het lichaam zo samengesteld dat wat tekortkomt extra eer krijgt. 25. Zo is er geen verdeeldheid in het lichaam en zorgen de delen gelijk voor elkaar. 26. Lijdt één deel, dan lijden alle delen mee. Wordt één deel geëerd, dan zijn alle delen mee blij. 27. Jullie zijn het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk een deel daarvan. 28. God heeft in de gemeenschap mensen aangesteld: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars. Verder krachten, gaven om te genezen, hulp, leiding en verschillende talen. 29. Zijn zij allemaal apostelen? Zijn zij allemaal profeten? Zijn zij allemaal leraars? Doen zij allemaal wonderen? 30. Hebben zij allemaal gaven om te genezen? Spreken zij allemaal in talen? Leggen zij allemaal uit? 31. Streef naar de beste gaven. En ik wijs jullie een weg die nog veel beter is. ## 1 Korintiërs 13 — De liefde is het grootst 1. Stel dat ik de talen van mensen en engelen sprak, maar geen liefde had. Dan was ik een dreunende gong of een schelle bel. 2. Stel dat ik de gave van profetie had, alle geheimen kende en alles wist. Stel dat ik zoveel geloof had dat ik bergen verzette, maar geen liefde had. Dan was ik niets. 3. Stel dat ik al mijn bezit uitdeelde aan de armen en mijn lichaam overgaf om verbrand te worden, maar geen liefde had. Dan had ik er niets aan. 4. De liefde is geduldig en vriendelijk. De liefde is niet jaloers, schept niet op en is niet opgeblazen. 5. Zij doet niets onbehoorlijks, zoekt niet zichzelf, wordt niet verbitterd en rekent het kwade niet aan. 6. Zij is niet blij over onrecht, maar blij met de waarheid. 7. Zij bedekt alles, gelooft alles, hoopt alles en verdraagt alles. 8. De liefde vergaat nooit. Profetieën zullen verdwijnen, talen zullen ophouden en kennis zal verdwijnen. 9. Wij kennen namelijk maar ten dele en wij profeteren ten dele. 10. Maar als het volmaakte komt, verdwijnt wat ten dele is. 11. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind. Ik dacht en redeneerde als een kind. Nu ik volwassen ben, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. 12. Nu kijken wij in een spiegel en zien wij een raadselachtig beeld. Straks zien wij van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, straks zal ik kennen zoals ik zelf gekend ben. 13. Nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie. Maar de liefde is het grootst. ## 1 Korintiërs 14 — Spreken tot opbouw 1. Jaag de liefde na en streef naar de geestelijke gaven, vooral naar de gave om te profeteren. 2. Wie in een vreemde taal spreekt, spreekt niet tot mensen maar tot God. Niemand verstaat het namelijk. Met zijn geest spreekt hij geheimen. 3. Maar wie profeteert, spreekt tot mensen woorden die opbouwen, bemoedigen en troosten. 4. Wie in een vreemde taal spreekt, bouwt zichzelf op. Wie profeteert, bouwt de gemeenschap op. 5. Ik wil graag dat jullie allemaal in talen spreken, maar liever nog dat jullie profeteren. Wie profeteert is belangrijker dan wie in talen spreekt, behalve als hij het uitlegt, zodat de gemeenschap wordt opgebouwd. 6. Broeders, stel dat ik bij jullie kwam en in vreemde talen sprak. Wat zouden jullie daaraan hebben, als ik niet ook een openbaring, kennis, profetie of onderwijs bracht? 7. Zelfs levenloze instrumenten geven geluid, zoals een fluit of een citer. Maar als de tonen niet te onderscheiden zijn, hoe weet je dan wat er gespeeld wordt? 8. En als de bazuin een onduidelijk signaal geeft, wie maakt zich dan klaar voor de strijd? 9. Zo is het ook met jullie. Spreek je geen duidelijke taal, hoe weet men dan wat je zegt? Je praat dan in de lucht. 10. Er zijn zoveel talen in de wereld, en elke taal heeft betekenis. 11. Maar als ik de betekenis van de klanken niet ken, dan ben ik een vreemdeling voor de spreker, en hij voor mij. 12. Zo is het ook met jullie. Jullie streven naar geestelijke gaven. Zoek er dan veel van die de gemeenschap opbouwen. 13. Wie in een vreemde taal spreekt, moet daarom bidden of hij het mag uitleggen. 14. Want als ik in een vreemde taal bid, bidt mijn geest wel, maar mijn verstand doet niets. 15. Wat betekent dat? Ik zal bidden met mijn geest en ook met mijn verstand. Ik zal zingen met mijn geest en ook met mijn verstand. 16. Dank je alleen met je geest, hoe kan een buitenstaander dan amen zeggen op jouw dankgebed? Hij weet immers niet wat je zegt. 17. Jouw dankgebed is wel goed, maar de ander wordt er niet door opgebouwd. 18. Ik dank mijn God dat ik meer in talen spreek dan jullie allemaal. 19. Toch spreek ik in de samenkomst liever vijf woorden met mijn verstand, om anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in een vreemde taal. 20. Broeders, word geen kinderen in je denken. Wees kinderen in het kwade, maar word volwassen in je denken. 21. In de wet staat geschreven: Ik zal tot dit volk spreken door mensen met vreemde talen en andere lippen. Toch zullen zij niet naar mij luisteren, zegt de Heere. 22. De vreemde talen zijn dus een teken, niet voor gelovigen maar voor ongelovigen. De profetie is een teken voor gelovigen, niet voor ongelovigen. 23. Stel dat de hele gemeenschap samenkomt en iedereen in talen spreekt. Komen er dan buitenstaanders of ongelovigen binnen, zullen zij dan niet zeggen dat jullie gek zijn? 24. Maar stel dat iedereen profeteert en er komt een ongelovige of buitenstaander binnen. Dan wordt hij door allen overtuigd en beoordeeld. 25. Zo komt aan het licht wat er in zijn hart verborgen is. Hij zal op zijn knieën vallen, God aanbidden en zeggen dat God echt bij jullie is. 26. Broeders, wat betekent dit? Als jullie samenkomen, heeft de een een lied, de ander onderwijs, een openbaring, een vreemde taal of een uitleg. Laat alles gebeuren tot opbouw. 27. Spreekt iemand in een vreemde taal, laat het dan met twee of hoogstens drie zijn, om de beurt. En laat één iemand het uitleggen. 28. Is er geen uitlegger, laat hem dan zwijgen in de samenkomst. Hij mag voor zichzelf spreken, tot God. 29. Laat twee of drie profeten spreken, en laat de anderen het beoordelen. 30. Krijgt iemand anders die erbij zit een openbaring, dan moet de eerste zwijgen. 31. Jullie kunnen namelijk allemaal om de beurt profeteren, zodat iedereen leert en bemoedigd wordt. 32. De geesten van de profeten zijn aan de profeten onderworpen. 33. God is namelijk geen God van wanorde, maar van vrede, zoals in alle gemeenschappen van de heiligen. 34. Laten de vrouwen in de samenkomsten zwijgen. Het is hun niet toegestaan te spreken, maar zij moeten zich onderschikken, zoals ook de wet zegt. 35. Willen zij iets leren, laat hen dan thuis hun eigen man vragen. Het staat namelijk lelijk als een vrouw in de samenkomst spreekt. 36. Is het woord van God soms bij jullie begonnen? Of is het alleen bij jullie gekomen? 37. Denkt iemand dat hij een profeet is of geestelijk, laat hij dan erkennen dat wat ik schrijf geboden van de Heere zijn. 38. Wil iemand dat niet weten, dan wordt hij zelf niet gekend. 39. Broeders, streef er dus naar om te profeteren, en houd het spreken in talen niet tegen. 40. Laat alles netjes en ordelijk gebeuren. ## 1 Korintiërs 15 — Christus is opgewekt 1. Broeders, ik maak jullie het evangelie bekend dat ik jullie verkondigd heb. Jullie hebben het aangenomen en jullie staan erin. 2. Door dat evangelie worden jullie ook gered, als jullie het vasthouden zoals ik het verkondigd heb. Anders zijn jullie voor niets gaan geloven. 3. Ik heb jullie als eerste doorgegeven wat ik zelf ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, volgens de Schriften. 4. En dat Hij begraven is en op de derde dag is opgewekt, volgens de Schriften. 5. En dat Hij gezien is door Cefas, daarna door de twaalf. 6. Daarna is Hij door meer dan vijfhonderd mensen tegelijk gezien. De meesten van hen leven nog, al zijn er ook gestorven. 7. Daarna is Hij gezien door Jakobus, daarna door alle apostelen. 8. En als laatste van allemaal is Hij ook door mij gezien, als door een misgeboorte. 9. Ik ben namelijk de minste van de apostelen. Ik ben het niet waard om apostel te heten, omdat ik de gemeenschap van God vervolgd heb. 10. Maar door de genade van God ben ik wat ik ben. En Zijn genade aan mij is niet voor niets geweest. Ik heb harder gewerkt dan zij allemaal. Toch niet ik, maar de genade van God die met mij is. 11. Of ik het nu ben of zij, zo verkondigen wij het, en zo zijn jullie gaan geloven. 12. Wij verkondigen dat Christus uit de doden is opgewekt. Hoe kunnen sommigen onder jullie dan zeggen dat er geen opstanding van de doden is? 13. Als er geen opstanding van de doden is, dan is Christus ook niet opgewekt. 14. En als Christus niet opgewekt is, dan is onze verkondiging zinloos en jullie geloof ook. 15. Dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn. Wij hebben immers over God getuigd dat Hij Christus opgewekt heeft. Dat deed Hij dan niet, als de doden niet worden opgewekt. 16. Want als de doden niet worden opgewekt, dan is Christus ook niet opgewekt. 17. En als Christus niet opgewekt is, dan is jullie geloof zinloos en zitten jullie nog in je zonden. 18. Dan zijn ook zij verloren die in Christus gestorven zijn. 19. Hopen wij alleen in dit leven op Christus, dan zijn wij de armste mensen die er zijn. 20. Maar Christus is opgewekt uit de doden. Hij is de eerste van wie gestorven zijn. 21. De dood is er door een mens, en zo is ook de opstanding van de doden er door een Mens. 22. Zoals allen sterven in Adam, zo zullen allen ook levend gemaakt worden in Christus. 23. Maar ieder op zijn eigen tijd: Christus als eerste, daarna wie van Christus zijn, bij Zijn komst. 24. Daarna komt het einde. Dan geeft Hij het Koninkrijk over aan God de Vader, en dan doet Hij alle heerschappij, macht en kracht teniet. 25. Hij moet namelijk heersen totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft. 26. De laatste vijand die teniet gedaan wordt, is de dood. 27. God heeft namelijk alles aan Zijn voeten onderworpen. Maar als er staat dat alles Hem onderworpen is, dan valt God daar natuurlijk buiten. 28. En als alles Hem onderworpen is, dan onderwerpt ook de Zoon Zelf zich aan God, die Hem alles onderworpen heeft. Dan is God alles in allen. 29. Wat doen anders de mensen die zich voor de doden laten dopen? Als de doden helemaal niet worden opgewekt, waarom laten zij zich dan voor hen dopen? 30. En waarom lopen wij elk uur gevaar? 31. Ik sterf elke dag. Dat verzeker ik jullie, zo waar ik roem op jullie in Christus Jezus, onze Heere. 32. Ik heb in Efeze op menselijke wijze tegen wilde dieren gevochten. Wat heb ik daaraan, als de doden niet worden opgewekt? Laten wij dan maar eten en drinken, want morgen sterven wij. 33. Vergis je niet. Slecht gezelschap bederft goede zeden. 34. Word nuchter zoals het hoort, en zondig niet. Sommigen kennen God namelijk niet. Ik zeg het om jullie te beschamen. 35. Maar iemand zal zeggen: Hoe worden de doden opgewekt? Met wat voor lichaam komen zij? 36. Dwaas die je bent. Wat jij zaait, komt niet tot leven als het niet eerst sterft. 37. En wat je zaait, is niet het lichaam dat het worden zal. Het is een kale korrel, van tarwe of van iets anders. 38. Maar God geeft het een lichaam zoals Hij wil, en elk zaad zijn eigen lichaam. 39. Niet alle vlees is hetzelfde. Mensen hebben ander vlees dan dieren, en vissen weer ander vlees dan vogels. 40. Er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen. De glans van de hemelse is anders dan die van de aardse. 41. De zon heeft een andere glans dan de maan, en de sterren weer een andere. De ene ster verschilt in glans van de andere. 42. Zo is het ook met de opstanding van de doden. Het lichaam wordt gezaaid in vergankelijkheid en opgewekt in onvergankelijkheid. 43. Het wordt gezaaid in oneer en opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid en opgewekt in kracht. 44. Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid en een geestelijk lichaam opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam. 45. Zo staat er ook geschreven: De eerste mens, Adam, werd een levend wezen. De laatste Adam werd een levendmakende geest. 46. Het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. 47. De eerste mens is uit de aarde en aards. De tweede Mens is de Heere uit de hemel. 48. Zoals de aardse is, zo zijn de aardse mensen. En zoals de Hemelse is, zo zijn de hemelse mensen. 49. Wij hebben het beeld van de aardse gedragen. Zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen. 50. Broeders, dit zeg ik: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk van God niet erven. Het vergankelijke erft het onvergankelijke niet. 51. Kijk, ik vertel jullie een geheim. Wij zullen niet allemaal sterven, maar wij zullen allemaal veranderd worden. 52. Dat gebeurt in een oogwenk, bij de laatste bazuin. De bazuin zal klinken, de doden worden onvergankelijk opgewekt en wij worden veranderd. 53. Dit vergankelijke lichaam moet namelijk onvergankelijkheid aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid. 54. En als dat gebeurd is, dan gaat het woord in vervulling dat geschreven staat: De dood is verslonden tot overwinning. 55. Dood, waar is je prikkel? Dodenrijk, waar is je overwinning? 56. De prikkel van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet. 57. Maar God zij dank. Hij geeft ons de overwinning door onze Heere Jezus Christus. 58. Broeders, mijn geliefden, wees dus standvastig en onwrikbaar. Doe altijd volop het werk van de Heere. Jullie weten dat jullie werk in de Heere niet zinloos is. ## 1 Korintiërs 16 — Laatste opdrachten en groeten 1. Nu over de inzameling voor de heiligen. Doe het zoals ik het aan de gemeenschappen in Galatië heb voorgeschreven. 2. Laat ieder van jullie op de eerste dag van de week iets opzijleggen en sparen, naar wat hij verdiend heeft. Dan hoeft de inzameling niet pas te beginnen als ik kom. 3. Als ik bij jullie ben, zal ik mensen sturen die jullie geschikt vinden. Met een brief van mij brengen zij jullie gave naar Jeruzalem. 4. En als het de moeite waard is dat ik zelf ook ga, dan reizen zij met mij mee. 5. Ik kom naar jullie toe als ik door Macedonië gereisd ben. Ik ga namelijk door Macedonië. 6. Misschien blijf ik een tijd bij jullie, of zelfs de hele winter. Dan kunnen jullie mij op weg helpen, waar ik ook heen reis. 7. Ik wil jullie nu niet in het voorbijgaan zien. Ik hoop een tijd bij jullie te blijven, als de Heere het toestaat. 8. Maar ik blijf in Efeze tot het Pinksterfeest. 9. Er is namelijk een grote deur voor mij opengegaan, met veel mogelijkheden, en er zijn veel tegenstanders. 10. Komt Timotheüs bij jullie, zorg dan dat hij zich bij jullie op zijn gemak voelt. Hij doet namelijk het werk van de Heere, net als ik. 11. Laat niemand op hem neerkijken. Help hem in vrede op weg, zodat hij bij mij komt. Ik verwacht hem met de andere gelovigen. 12. Wat Apollos betreft: ik heb hem dringend gevraagd met de anderen naar jullie toe te komen. Hij wilde nu echt niet. Hij komt wel als het hem uitkomt. 13. Wees waakzaam, sta vast in het geloof, wees moedig en sterk. 14. Laat alles bij jullie in liefde gebeuren. 15. Broeders, jullie kennen het huis van Stefanas. Zij waren de eersten in Achaje die gingen geloven en zij hebben zich ingezet voor de heiligen. 16. Ik vraag jullie: onderschik je aan zulke mensen en aan iedereen die met hen meewerkt en zich inspant. 17. Ik ben blij dat Stefanas, Fortunatus en Achaïkus gekomen zijn. Zij hebben goedgemaakt wat ik bij jullie miste. 18. Zij hebben mijn geest verkwikt en die van jullie ook. Waardeer zulke mensen. 19. De gemeenschappen in Asia groeten jullie. Aquila en Prisca groeten jullie hartelijk in de Heere, met de gemeenschap die bij hen thuis samenkomt. 20. Alle gelovigen hier groeten jullie. Groet elkaar met een heilige kus. 21. Deze groet schrijf ik, Paulus, met mijn eigen hand. 22. Wie de Heere Jezus Christus niet liefheeft, moet vervloekt zijn. Maranatha: onze Heere komt. 23. De genade van de Heere Jezus Christus zij met jullie. 24. Mijn liefde is met jullie allemaal in Christus Jezus. Amen. ## 2 Korintiërs 1 — De God van alle troost 1. Van Paulus, apostel van Jezus Christus door de wil van God, en van Timotheüs, die bij ons hoort. Aan de gemeenschap van God in Korinthe, met alle heiligen in heel Achaje. 2. Genade en vrede voor jullie, van God onze Vader en van de Heere Jezus Christus. 3. Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader vol barmhartigheid en de God van alle troost. 4. Hij troost ons bij alles wat wij meemaken. Zo kunnen wij anderen troosten die het moeilijk hebben, met de troost die wij zelf van God krijgen. 5. Zoals het lijden van Christus overvloedig over ons komt, zo komt door Christus ook de troost overvloedig over ons. 6. Hebben wij het moeilijk, dan is dat tot troost en redding voor jullie. Worden wij getroost, dan is dat ook tot jullie troost. Die troost werkt door als jullie hetzelfde lijden geduldig dragen. 7. Onze hoop voor jullie staat vast. Wij weten namelijk dat jullie delen in het lijden en daarom ook delen in de troost. 8. Broeders, wij willen dat jullie weten wat wij in Asia hebben meegemaakt. Wij werden zo zwaar belast dat wij het niet aankonden. Wij twijfelden zelfs of wij het zouden overleven. 9. Ja, wij hadden het gevoel dat ons doodvonnis al geveld was. Zo leerden wij niet op onszelf te vertrouwen, maar op God, die de doden opwekt. 10. Hij heeft ons uit zo'n groot doodsgevaar gered en Hij redt ons nog. Op Hem hopen wij, dat Hij ons zal blijven redden. 11. Ook jullie helpen daaraan mee met jullie gebed. Zo zullen velen God danken voor de gunst die wij door de gebeden van velen gekregen hebben. 12. Onze roem is dit: ons geweten getuigt dat wij eerlijk en zuiver voor God geleefd hebben in de wereld, en vooral bij jullie. Dat deden wij niet met menselijke wijsheid, maar door de genade van God. 13. Wij schrijven jullie niets anders dan wat jullie lezen en begrijpen. En ik hoop dat jullie het tot het einde toe zullen begrijpen. 14. Jullie hebben al voor een deel begrepen dat wij jullie roem zijn, zoals jullie de onze zijn, op de dag van onze Heere Jezus. 15. In dat vertrouwen wilde ik eerst naar jullie toe komen, zodat jullie een tweede blijk van genade zouden krijgen. 16. Ik wilde via jullie stad naar Macedonië gaan en daarna weer bij jullie langs, om door jullie op weg geholpen te worden naar Judea. 17. Was ik lichtzinnig toen ik dat van plan was? Of maak ik mijn plannen op menselijke manier, zodat ik tegelijk ja en nee zeg? 18. God is trouw: ons woord aan jullie was geen ja en nee tegelijk. 19. De Zoon van God, Jezus Christus, is bij jullie verkondigd door mij, Silvanus en Timotheüs. Hij was geen ja en nee, maar in Hem is het ja. 20. Alle beloften van God zijn namelijk in Hem ja en in Hem amen. Zo eren wij God. 21. God is het die ons samen met jullie vaststelt in Christus en die ons gezalfd heeft. 22. Hij heeft ons ook verzegeld en de Geest in ons hart gegeven als onderpand. 23. Ik roep God op als getuige van mijn ziel: ik ben nog niet naar Korinthe gekomen om jullie te sparen. 24. Wij willen niet heersen over jullie geloof. Wij werken mee aan jullie blijdschap, want jullie staan vast door het geloof. ## 2 Korintiërs 2 — Vergeving en de geur van Christus 1. Ik had bij mijzelf besloten om niet weer met verdriet naar jullie toe te komen. 2. Als ik jullie verdriet doe, wie maakt mij dan blij? Alleen degene die ik verdriet gedaan heb. 3. Daarom heb ik jullie dit geschreven. Zo hoef ik bij mijn komst geen verdriet te hebben van wie mij juist blij moeten maken. Ik vertrouw erop dat mijn blijdschap die van jullie allemaal is. 4. Ik heb jullie geschreven vanuit veel verdriet en benauwdheid, met veel tranen. Niet om jullie verdriet te doen, maar om jullie te laten zien hoeveel ik van jullie houd. 5. Heeft iemand verdriet veroorzaakt, dan deed hij dat niet bij mij, maar voor een deel bij jullie allemaal. Ik wil hem niet te zwaar belasten. 6. Voor zo iemand is de straf van de meerderheid genoeg geweest. 7. Jullie moeten hem nu juist vergeven en troosten. Anders wordt hij verzwolgen door al te groot verdriet. 8. Daarom vraag ik jullie: laat hem merken dat jullie van hem houden. 9. Ik heb namelijk geschreven om te zien of jullie de proef doorstaan en in alles gehoorzaam zijn. 10. Wie jullie iets vergeven, vergeef ik ook. Wat ik vergeven heb, heb ik vergeven om jullie, voor het aangezicht van Christus. Zo krijgt de satan geen voordeel op ons. 11. Wij kennen zijn plannen namelijk maar al te goed. 12. Toen ik in Troas kwam om het evangelie van Christus te verkondigen, ging er een deur voor mij open in de Heere. 13. Toch had ik geen rust in mijn geest, omdat ik Titus niet vond. Ik nam afscheid van hen en vertrok naar Macedonië. 14. God zij dank. Hij voert ons altijd mee in de overwinningsstoet van Christus. Door ons verspreidt Hij overal de geur van de kennis van Hem. 15. Wij zijn voor God een goede geur van Christus, zowel bij wie gered worden als bij wie verloren gaan. 16. Voor de een zijn wij een geur van dood tot dood, voor de ander een geur van leven tot leven. Wie is hiertoe in staat? 17. Wij drijven geen handel in het woord van God, zoals zovelen. Wij spreken uit zuiverheid, uit God en voor Gods aangezicht, in Christus. ## 2 Korintiërs 3 — Dienaren van een nieuw verbond 1. Beginnen wij onszelf weer aan te prijzen? Of hebben wij aanbevelingsbrieven nodig, aan jullie of van jullie, zoals sommigen? 2. Jullie zijn onze brief, geschreven in ons hart, gekend en gelezen door alle mensen. 3. Het is duidelijk dat jullie een brief van Christus zijn, door ons bezorgd. Die brief is niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God. Hij staat niet op stenen platen, maar op platen van vlees in het hart. 4. Zo'n vertrouwen hebben wij door Christus bij God. 5. Niet dat wij uit onszelf iets kunnen bedenken. Ons vermogen komt uit God. 6. Hij heeft ons geschikt gemaakt om dienaars van een nieuw verbond te zijn. Dat verbond is niet van de letter, maar van de Geest. De letter doodt, maar de Geest maakt levend. 7. De bediening van de dood stond met letters in steen gegrift. Toch kwam die met heerlijkheid, zodat de Israëlieten Mozes niet konden aankijken door de glans op zijn gezicht, die weer verdween. 8. Zal de bediening van de Geest dan niet veel heerlijker zijn? 9. Kwam de bediening van de veroordeling al met heerlijkheid, hoeveel te meer is de bediening van de gerechtigheid vol heerlijkheid. 10. Wat toen heerlijk was, stelt nu zelfs niets meer voor, vergeleken met die veel grotere heerlijkheid. 11. Kwam wat verdwijnt al met heerlijkheid, hoeveel te meer is dan wat blijft vol heerlijkheid. 12. Omdat wij zo'n hoop hebben, spreken wij met veel vrijmoedigheid. 13. Wij doen niet zoals Mozes, die een doek over zijn gezicht legde. Zo konden de Israëlieten het einde van wat verdween niet zien. 14. Maar hun denken werd hard. Tot op vandaag blijft diezelfde doek liggen als het oude verbond gelezen wordt. Alleen in Christus wordt hij weggenomen. 15. Tot op vandaag ligt er een doek op hun hart als Mozes gelezen wordt. 16. Maar zodra iemand zich tot de Heere keert, wordt de doek weggenomen. 17. De Heere is de Geest. En waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid. 18. Wij allen zien met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere, als in een spiegel. Zo worden wij veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, door de Geest van de Heere. ## 2 Korintiërs 4 — Een schat in aarden potten 1. Wij hebben deze bediening gekregen door de barmhartigheid van God. Daarom geven wij de moed niet op. 2. Wij hebben alles afgewezen wat je uit schaamte verbergt. Wij gaan niet sluw te werk en vervalsen het woord van God niet. Wij maken de waarheid bekend en zo bevelen wij onszelf aan bij ieders geweten, voor het aangezicht van God. 3. Is ons evangelie toch bedekt, dan is het bedekt voor wie verloren gaan. 4. De god van deze tijd heeft het denken van de ongelovigen verblind. Zo zien zij het licht niet van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is. 5. Wij verkondigen namelijk niet onszelf, maar Christus Jezus als de Heere. Onszelf verkondigen wij als jullie dienaren, om Jezus. 6. God heeft gezegd dat het licht uit het donker zou schijnen. Hij is het die in ons hart geschenen heeft. Zo geeft Hij het licht van de kennis van de heerlijkheid van God in het gezicht van Jezus Christus. 7. Maar wij hebben deze schat in aarden potten. Zo blijkt dat die geweldige kracht van God komt en niet uit onszelf. 8. Wij worden van alle kanten bedrukt, maar niet in het nauw gedreven. Wij weten het soms niet meer, maar wij wanhopen niet. 9. Wij worden vervolgd, maar niet in de steek gelaten. Wij worden neergeworpen, maar niet vernietigd. 10. Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in ons lichaam mee. Zo wordt ook het leven van Jezus zichtbaar in ons lichaam. 11. Wij die leven, worden namelijk altijd aan de dood overgegeven om Jezus. Zo wordt ook het leven van Jezus zichtbaar in ons sterfelijke vlees. 12. Zo werkt de dood in ons, maar het leven in jullie. 13. Wij hebben dezelfde Geest van het geloof. Er staat geschreven: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij. 14. Wij weten dat God de Heere Jezus opgewekt heeft. Hij zal ook ons met Jezus opwekken en ons samen met jullie voor Zijn troon stellen. 15. Dit alles gebeurt om jullie. Zo bereikt de genade steeds meer mensen en groeit de dankbaarheid, tot eer van God. 16. Daarom geven wij de moed niet op. Onze uiterlijke mens vergaat wel, maar onze innerlijke mens wordt dag na dag vernieuwd. 17. Onze lichte verdrukking gaat snel voorbij. Zij levert ons een eeuwig gewicht van heerlijkheid op, dat alles te boven gaat. 18. Wij letten namelijk niet op wat je ziet, maar op wat je niet ziet. Wat je ziet is tijdelijk, maar wat je niet ziet is eeuwig. ## 2 Korintiërs 5 — Het werk van de verzoening 1. Wij weten dit: als onze aardse tent wordt afgebroken, hebben wij een gebouw van God. Dat is een huis dat niet met handen gemaakt is, maar eeuwig in de hemel. 2. Daarom zuchten wij ook. Wij verlangen ernaar om onze woning uit de hemel aan te trekken. 3. Dan worden wij niet naakt bevonden, maar bekleed. 4. Wij die in deze tent leven, zuchten onder een zware last. Wij willen niet uitgekleed worden, maar overkleed. Zo wordt het sterfelijke verslonden door het leven. 5. God heeft ons hiervoor klaargemaakt. Hij heeft ons ook de Geest gegeven als onderpand. 6. Wij hebben dus altijd goede moed. Wij weten dat wij, zolang wij in dit lichaam wonen, ver van de Heere wonen. 7. Wij leven namelijk door geloof en niet door zien. 8. Wij hebben goede moed en willen liever uit dit lichaam vertrekken en bij de Heere wonen. 9. Daarom willen wij Hem graag behagen, of wij nu thuis zijn of niet. 10. Wij moeten namelijk allemaal verschijnen voor de rechterstoel van Christus. Dan krijgt ieder wat hij in zijn lichaam gedaan heeft, goed of kwaad. 11. Wij kennen het ontzag voor de Heere, en daarom overtuigen wij mensen. Voor God liggen wij open, en ik hoop dat wij ook voor jullie geweten open liggen. 12. Wij prijzen onszelf niet opnieuw bij jullie aan. Wij geven jullie reden om over ons te roemen. Zo hebben jullie iets tegenover wie roemen op het uiterlijk en niet op het hart. 13. Zijn wij buiten onszelf, dan is dat voor God. Zijn wij bij ons verstand, dan is dat voor jullie. 14. De liefde van Christus dringt ons. Wij zijn ervan overtuigd dat Eén voor allen gestorven is, en dat allen dus gestorven zijn. 15. Hij is voor allen gestorven, zodat wie leven niet meer voor zichzelf leven. Zij leven voor Hem die voor hen gestorven en opgewekt is. 16. Daarom kennen wij van nu af niemand meer naar het vlees. Hebben wij Christus naar het vlees gekend, dan kennen wij Hem nu zo niet meer. 17. Is iemand in Christus, dan is hij een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, kijk, het is allemaal nieuw geworden. 18. Dit alles komt uit God. Door Jezus Christus heeft Hij ons weer met Hemzelf verbonden en ons de dienst van de verzoening gegeven. 19. God was namelijk in Christus bezig de wereld met Hemzelf te verzoenen. Hij rekende hun de zonden niet aan en legde het woord van de verzoening in ons. 20. Wij zijn dus gezanten van Christus. God doet door ons Zijn oproep. Namens Christus vragen wij jullie dringend: laat je met God verzoenen. 21. Hij die geen zonde gekend heeft, heeft God voor ons tot zonde gemaakt. Zo zouden wij in Hem de gerechtigheid van God worden. ## 2 Korintiërs 6 — Dienaren van God 1. Als medewerkers van God vragen wij jullie ook dringend: ontvang de genade van God niet tevergeefs. 2. Hij zegt namelijk: Op de juiste tijd heb ik je gehoord en op de dag van de redding heb ik je geholpen. Kijk, nu is die juiste tijd, nu is de dag van de redding. 3. Wij geven op geen enkel punt aanstoot, zodat onze dienst niet in opspraak komt. 4. Als dienaren van God bevelen wij onszelf juist in alles aan: met veel geduld, in verdrukking, nood en benauwdheid, 5. onder slagen, in gevangenschap en bij oproer, met hard werken, waken en vasten, 6. met zuiverheid, kennis, geduld en vriendelijkheid, met de Heilige Geest en oprechte liefde, 7. met het woord van de waarheid en de kracht van God, met de wapens van de gerechtigheid links en rechts. 8. Wij gaan door eer en oneer, door slechte en goede naam. Wij worden gezien als bedriegers, en toch zijn wij waar. 9. Wij lijken onbekend en zijn toch bekend. Wij lijken te sterven, en kijk, wij leven. Wij worden gestraft, maar niet gedood. 10. Wij lijken bedroefd, maar zijn altijd blij. Wij lijken arm, maar maken velen rijk. Wij lijken niets te hebben en bezitten toch alles. 11. Korinthiërs, wij spreken open tegen jullie en ons hart staat wijd voor jullie open. 12. Bij ons is er ruimte genoeg voor jullie, maar in jullie eigen hart is die ruimte er niet. 13. Geef ons hetzelfde terug. Ik spreek tot jullie als tot mijn kinderen: maak ook jullie hart wijd. 14. Ga niet in één span met ongelovigen. Wat heeft gerechtigheid te maken met onrecht? En wat heeft licht gemeen met duisternis? 15. Wat is de overeenkomst tussen Christus en Belial? Of wat heeft een gelovige gemeen met een ongelovige? 16. Wat past er van de tempel van God bij afgoden? Wij zijn de tempel van de levende God. God heeft immers gezegd: Ik zal bij hen wonen en tussen hen leven. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 17. Daarom: Ga weg uit hun midden en zonder je af, zegt de Heere. Raak niets aan wat onrein is, dan zal ik jullie aannemen. 18. Ik zal jullie Vader zijn en jullie zullen mijn zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige. ## 2 Korintiërs 7 — Verdriet dat tot bekering leidt 1. Geliefden, wij hebben deze beloften. Laten wij onszelf dan reinigen van alles wat lichaam en geest bevuilt. Zo maken wij de heiliging af, in ontzag voor God. 2. Maak ruimte voor ons in jullie hart. Wij hebben niemand onrecht gedaan, niemand te gronde gericht en van niemand geprofiteerd. 3. Ik zeg dit niet om jullie te veroordelen. Ik heb al eerder gezegd dat jullie in ons hart zijn, om samen te sterven en samen te leven. 4. Ik spreek heel open tegen jullie en ik roem veel over jullie. Ik ben vol troost en overloop van blijdschap bij alles wat wij meemaken. 5. Ook toen wij in Macedonië kwamen, had ons lichaam geen rust. Wij werden van alle kanten bedrukt: van buiten strijd, van binnen vrees. 6. Maar God troost wie nederig zijn. Hij heeft ons getroost door de komst van Titus. 7. Niet alleen door zijn komst, maar ook door de troost die hij bij jullie gekregen had. Hij vertelde ons over jullie verlangen, jullie verdriet en jullie inzet voor mij. Daardoor werd ik nog blijer. 8. Ik heb jullie met mijn brief verdriet gedaan, en toch heb ik daar geen spijt van. Even had ik er wel spijt van, want ik zie dat die brief jullie een tijdje verdriet gedaan heeft. 9. Nu ben ik blij. Niet omdat jullie verdriet hadden, maar omdat dat verdriet jullie tot bekering bracht. Jullie hadden verdriet zoals God het wil, dus jullie hebben door ons geen schade geleden. 10. Verdriet zoals God het wil, brengt namelijk bekering en redding, en daar krijg je geen spijt van. Verdriet van de wereld brengt de dood. 11. Kijk wat dit verdriet naar Gods wil bij jullie gedaan heeft. Wat een inzet, wat een verantwoording, wat een afkeer, wat een ontzag, wat een verlangen, wat een ijver, wat een recht. In alles hebben jullie laten zien dat jullie in deze zaak zuiver zijn. 12. Ik heb jullie geschreven, maar niet om wie onrecht deed of om wie onrecht leed. Ik deed het zodat jullie eigen inzet voor ons duidelijk zou worden, voor het aangezicht van God. 13. Daarom zijn wij getroost. En nog veel blijer waren wij over de blijdschap van Titus, want zijn geest is door jullie allemaal verkwikt. 14. Ik had bij hem over jullie geroemd, en ik ben niet beschaamd geworden. Wij hebben altijd de waarheid tegen jullie gesproken, en zo bleek ook onze roem bij Titus waar te zijn. 15. Zijn hart gaat nog meer naar jullie uit. Hij denkt aan de gehoorzaamheid van jullie allemaal en aan jullie ontvangst, met vrees en beven. 16. Ik ben dus blij dat ik in alles op jullie kan vertrouwen. ## 2 Korintiërs 8 — Geven met een gulle hand 1. Broeders, wij maken jullie bekend wat de genade van God gedaan heeft in de gemeenschappen van Macedonië. 2. Zij werden zwaar beproefd door verdrukking. Toch was hun blijdschap groot en hun diepe armoede werd een rijkdom van vrijgevigheid. 3. Ik kan getuigen dat zij gaven naar vermogen, ja zelfs boven hun vermogen, en helemaal uit eigen beweging. 4. Zij smeekten ons dringend of zij mochten meedoen aan deze dienst voor de heiligen. 5. Zij deden meer dan wij gehoopt hadden. Zij gaven eerst zichzelf aan de Heere en daarna aan ons, door de wil van God. 6. Daarom hebben wij Titus gevraagd om deze inzameling bij jullie af te maken, zoals hij haar begonnen was. 7. Jullie hebben van alles in overvloed: geloof, spreken, kennis, inzet en liefde voor ons. Zorg dan dat jullie ook overvloedig zijn in deze gave. 8. Ik zeg dit niet als bevel. Met de inzet van anderen wil ik toetsen of jullie liefde echt is. 9. Jullie kennen de genade van onze Heere Jezus Christus. Hij was rijk, maar werd arm om jullie. Zo zouden jullie rijk worden door Zijn armoede. 10. Ik geef jullie hierin mijn mening, want dat is goed voor jullie. Jullie zijn een jaar geleden begonnen, niet alleen met doen maar ook met willen. 11. Maak het nu ook af. Jullie waren bereidwillig van harte, maak het nu af naar wat jullie hebben. 12. Is de bereidwilligheid er, dan telt wat iemand heeft en niet wat hij niet heeft. 13. Het is niet de bedoeling dat anderen het makkelijk krijgen en jullie het moeilijk. 14. Het gaat om gelijkheid. Jullie overvloed vult nu hun tekort aan, zodat later hun overvloed jullie tekort aanvult. Zo ontstaat er gelijkheid. 15. Zo staat er geschreven: Wie veel verzameld had, hield niets over, en wie weinig verzameld had, kwam niets tekort. 16. God zij dank. Hij heeft dezelfde inzet voor jullie in het hart van Titus gelegd. 17. Hij heeft onze oproep aangenomen. Met grote inzet is hij uit eigen beweging naar jullie toe gegaan. 18. Met hem hebben wij de broeder gestuurd die om zijn werk aan het evangelie in alle gemeenschappen geprezen wordt. 19. Hij is ook door de gemeenschappen aangewezen om met ons mee te reizen met deze gave. Die dienen wij tot eer van de Heere Zelf en om onze bereidwilligheid te tonen. 20. Zo voorkomen wij dat iemand ons iets verwijt over deze grote gave die wij beheren. 21. Wij willen namelijk doen wat goed is, niet alleen voor de Heere maar ook voor de mensen. 22. Wij hebben ook onze medegelovige met hen meegestuurd. Wij hebben hem vaak beproefd en hem ijverig bevonden, en nu is hij nog ijveriger door zijn grote vertrouwen in jullie. 23. Titus is mijn metgezel en medewerker bij jullie. De anderen zijn afgezanten van de gemeenschappen en een eer voor Christus. 24. Laat hun dus zien dat jullie liefhebben en dat onze roem over jullie terecht is, waar de gemeenschappen bij zijn. ## 2 Korintiërs 9 — God houdt van een blijmoedige gever 1. Over de dienst voor de heiligen hoef ik jullie eigenlijk niet te schrijven. 2. Ik ken jullie bereidwilligheid en roem daarover bij de Macedoniërs. Ik vertel dat Achaje al een jaar geleden klaarstond, en jullie ijver heeft velen aangestoken. 3. Toch stuur ik deze mannen, zodat onze roem over jullie op dit punt niet loos blijkt. Ik wil dat jullie klaarstaan, zoals ik gezegd heb. 4. Anders zouden wij beschaamd staan als er Macedoniërs met mij meekomen en jullie niet klaar zijn. En jullie nog meer dan wij. 5. Daarom leek het mij nodig deze mannen vooruit te sturen. Zij kunnen jullie beloofde gave alvast klaarmaken. Dan ligt die klaar als een echte gave en niet als iets waar jullie toe gedwongen zijn. 6. Dit bedoel ik: wie spaarzaam zaait, zal spaarzaam oogsten. En wie rijk zaait, zal rijk oogsten. 7. Laat ieder geven zoals hij in zijn hart besloten heeft. Niet met verdriet of uit dwang, want God houdt van een blijmoedige gever. 8. God kan jullie overvloedig genade geven. Zo hebben jullie altijd van alles genoeg en houden jullie over voor elk goed werk. 9. Zo staat er geschreven: Hij deelt uit, hij geeft aan de armen. Zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid. 10. God geeft zaad aan de zaaier en brood om te eten. Hij zal ook jullie zaaigoed vermeerderen en de vrucht van jullie gerechtigheid laten groeien. 11. Zo worden jullie in alles rijk om vrijgevig te zijn. Door ons leidt dat tot dank aan God. 12. Deze dienst vult namelijk niet alleen het tekort van de heiligen aan. Zij zorgt ook voor veel dank aan God. 13. Door deze beproefde dienst eren zij God. Jullie zijn immers gehoorzaam aan het evangelie van Christus en delen vrijgevig met hen en met iedereen. 14. Zij bidden voor jullie en verlangen naar jullie, om de geweldige genade van God over jullie. 15. God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. ## 2 Korintiërs 10 — Roemen binnen de maat 1. Ik, Paulus, vraag jullie dringend, bij de zachtmoedigheid en vriendelijkheid van Christus. Als ik bij jullie ben, lijk ik onbeduidend, maar van ver ben ik flink tegen jullie. 2. Ik hoop dat ik bij mijn komst niet flink hoef te zijn. Sommigen denken namelijk dat wij naar het vlees leven, en tegen hen durf ik wel op te treden. 3. Wij leven wel in het vlees, maar wij voeren geen strijd naar het vlees. 4. De wapens van onze strijd zijn niet van vlees en bloed. Zij zijn krachtig door God en breken bolwerken af. 5. Wij halen redeneringen neer en alles wat zich hoog opstelt tegen de kennis van God. Wij maken elke gedachte tot gevangene van de gehoorzaamheid aan Christus. 6. Wij staan klaar om elke ongehoorzaamheid te straffen, zodra jullie gehoorzaamheid volledig is. 7. Kijken jullie alleen naar het uiterlijk? Vertrouwt iemand erop dat hij van Christus is, laat hij dan ook dit bedenken: zoals hij van Christus is, zo zijn wij dat ook. 8. Al zou ik nog meer roemen op ons gezag, dan word ik niet beschaamd. De Heere heeft ons dat gezag gegeven om op te bouwen en niet om af te breken. 9. Ik wil namelijk niet de indruk wekken dat ik jullie met brieven bang wil maken. 10. Zij zeggen: Zijn brieven zijn zwaar en krachtig, maar in eigen persoon is hij zwak en zijn spreken stelt niets voor. 11. Laat zo iemand dit bedenken: zoals wij van ver zijn in onze brieven, zo zijn wij ook in daden als wij er zijn. 12. Wij durven onszelf niet te rekenen tot wie zichzelf aanprijzen, of ons met hen te vergelijken. Zij meten zich aan zichzelf en vergelijken zich met zichzelf, en dat is onverstandig. 13. Wij zullen niet roemen buiten de maat. Wij blijven binnen de maat van het gebied dat God ons toegewezen heeft, en daar horen ook jullie bij. 14. Wij gaan onze grenzen niet te buiten, alsof wij niet bij jullie hoorden. Wij zijn immers met het evangelie van Christus tot bij jullie gekomen. 15. Wij roemen niet buiten de maat op het werk van anderen. Wij hopen dat ons werkgebied bij jullie veel groter wordt als jullie geloof groeit. 16. Dan kunnen wij het evangelie verkondigen in de streken verderop. Wij willen niet roemen op wat in het gebied van een ander al klaar is. 17. Wie roemt, moet roemen in de Heere. 18. Niet wie zichzelf aanprijst, maar wie door de Heere geprezen wordt, is betrouwbaar. ## 2 Korintiërs 11 — Roemen in zwakheid 1. Ik wou dat jullie een beetje dwaasheid van mij konden verdragen. Verdraag mij maar. 2. Ik ben namelijk jaloers op jullie met een jaloezie van God. Ik heb jullie uitgehuwelijkt aan één man, om jullie als een reine bruid aan Christus voor te stellen. 3. Maar ik ben bang voor iets. De slang heeft Eva met sluwheid misleid. Zo kan ook jullie denken bedorven worden, weg van de eenvoud en zuiverheid voor Christus. 4. Komt er iemand die een andere Jezus verkondigt dan wij, dan verdragen jullie dat maar al te goed. Hetzelfde geldt voor een andere geest of een ander evangelie dan jullie ontvangen hebben. 5. Ik vind namelijk dat ik in niets minder ben dan die geweldige apostelen. 6. Misschien ben ik geen groot spreker, maar in kennis ben ik dat wel. Dat hebben wij jullie op alle manieren duidelijk gemaakt. 7. Heb ik gezondigd door mijzelf te vernederen zodat jullie verhoogd werden? Ik heb jullie immers het evangelie van God gratis verkondigd. 8. Ik heb andere gemeenschappen beroofd door van hen geld aan te nemen, om jullie te kunnen dienen. 9. Toen ik bij jullie was en tekortkwam, viel ik niemand lastig. Wat ik tekortkwam vulden de gelovigen uit Macedonië aan. Ik heb jullie in niets tot last willen zijn en dat zal ik ook niet doen. 10. Zo waar de waarheid van Christus in mij is: niemand in de streken van Achaje neemt mij deze roem af. 11. Waarom niet? Omdat ik niet van jullie houd? God weet wel beter. 12. Wat ik doe, zal ik blijven doen. Zo neem ik de kans weg van wie graag willen roemen op dezelfde voet als wij. 13. Zulke mensen zijn valse apostelen en bedrieglijke werkers. Zij doen zich voor als apostelen van Christus. 14. Dat is geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht. 15. Het is dus niet vreemd dat ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren van de gerechtigheid. Hun einde zal zijn naar hun werken. 16. Ik zeg het nog eens: laat niemand denken dat ik dwaas ben. Denkt iemand dat toch, neem mij dan maar aan als een dwaas, zodat ook ik een beetje kan roemen. 17. Wat ik nu zeg, zeg ik niet naar de Heere, maar als in dwaasheid, met deze stellige roem. 18. Velen roemen naar het vlees, dus zal ik ook roemen. 19. Jullie zijn immers wijs en verdragen graag de dwazen. 20. Jullie verdragen het als iemand jullie tot slaaf maakt, uitbuit, uitkleedt, hoogmoedig is of jullie in het gezicht slaat. 21. Tot mijn schande zeg ik: daarvoor waren wij te zwak. Maar durft iemand ergens in te roemen, dan durf ik dat ook. Ik spreek nu in dwaasheid. 22. Zijn zij Hebreeën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij nageslacht van Abraham? Ik ook. 23. Zijn zij dienaars van Christus? Ik spreek nu als een dwaas: ik nog meer. Ik werkte harder, zat vaker in de gevangenis, kreeg meer slagen en verkeerde vaak in doodsgevaar. 24. Van de Joden kreeg ik vijf keer veertig min één slagen. 25. Drie keer ben ik met stokken geslagen, één keer gestenigd en drie keer leed ik schipbreuk. Een hele nacht en dag dreef ik op zee. 26. Ik was vaak op reis, in gevaar door rivieren en rovers, in gevaar van mijn eigen volk en van andere volken. Ik liep gevaar in de stad, in de woestijn, op zee en onder valse gelovigen. 27. Ik werkte hard en zwoegde, sliep vaak niet, had honger en dorst. Ik vastte vaak en had het koud en had te weinig kleren. 28. En dan is er nog de dagelijkse druk: mijn zorg voor alle gemeenschappen. 29. Wie is er zwak zonder dat ik zwak ben? Wie struikelt zonder dat ik in brand sta? 30. Moet er geroemd worden, dan roem ik over mijn zwakheid. 31. De God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die geprezen is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. 32. De stadhouder van koning Aretas in Damascus liet de stad bewaken om mij te vangen. 33. Maar ik werd door een venster in een mand over de muur neergelaten en ontsnapte uit zijn handen. ## 2 Korintiërs 12 — Genade genoeg 1. Roemen levert niets op, maar ik zal het toch doen. Ik kom nu bij visioenen en openbaringen van de Heere. 2. Ik ken een mens in Christus die veertien jaar geleden werd weggevoerd tot in de derde hemel. Of dat in het lichaam was of buiten het lichaam, weet ik niet; God weet het. 3. En ik weet van deze mens, in het lichaam of buiten het lichaam weet ik niet, God weet het, 4. dat hij weggevoerd werd naar het paradijs. Daar hoorde hij woorden die niet te zeggen zijn en die een mens niet mag uitspreken. 5. Over zo iemand zal ik roemen, maar over mijzelf roem ik niet, behalve over mijn zwakheden. 6. Wilde ik roemen, dan zou ik niet dwaas zijn, want ik zou de waarheid zeggen. Toch doe ik het niet. Ik wil niet dat iemand meer van mij denkt dan hij ziet of van mij hoort. 7. En omdat die openbaringen zo bijzonder waren, kreeg ik een scherpe doorn in mijn vlees. Dat is een engel van de satan, die mij slaat, zodat ik niet hoogmoedig word. 8. Hierover heb ik de Heere drie keer gebeden of die van mij zou wijken. 9. Hij heeft tegen mij gezegd: Mijn genade is genoeg voor je. Mijn kracht wordt juist in zwakheid volbracht. Daarom roem ik veel liever over mijn zwakheden, zodat de kracht van Christus in mij woont. 10. Daarom ben ik blij met zwakheden, beledigingen, nood, vervolging en benauwdheid, om Christus. Want als ik zwak ben, dan ben ik sterk. 11. Met dat roemen ben ik dwaas geworden, en jullie hebben mij daartoe gedwongen. Jullie hadden mij juist moeten prijzen. Ik ben namelijk in niets minder dan die geweldige apostelen, al ben ik niets. 12. De kenmerken van een apostel zijn bij jullie zichtbaar geworden, met veel volharding, met tekenen, wonderen en krachten. 13. Waarin hebben jullie het minder gehad dan de andere gemeenschappen? Alleen hierin, dat ik jullie zelf niet tot last was. Vergeef mij dat onrecht. 14. Kijk, ik sta klaar om voor de derde keer naar jullie toe te komen, en ik zal jullie niet tot last zijn. Ik zoek niet jullie bezit, maar jullie zelf. Kinderen horen namelijk niet te sparen voor hun ouders, maar ouders voor hun kinderen. 15. Ik geef graag alles uit en word zelf ook graag opgebruikt voor jullie. Houd ik meer van jullie, word ik dan minder bemind? 16. Goed, ik ben jullie niet tot last geweest. Maar sluw als ik was, heb ik jullie met list gevangen, zeggen zij. 17. Heb ik dan van jullie geprofiteerd door iemand die ik gestuurd heb? 18. Ik heb Titus gevraagd te gaan en een medegelovige met hem meegestuurd. Heeft Titus soms van jullie geprofiteerd? Zijn wij niet in dezelfde geest opgetreden en in dezelfde voetstappen gegaan? 19. Denken jullie de hele tijd dat wij ons bij jullie verdedigen? Wij spreken voor het aangezicht van God, in Christus. En dit alles, geliefden, is om jullie op te bouwen. 20. Ik ben namelijk bang dat ik jullie bij mijn komst anders aantref dan ik wil. En dat jullie mij anders aantreffen dan jullie willen. Ik ben bang voor ruzie, jaloezie, woede, geroddel, achterklap, hoogmoed en wanorde. 21. Ik ben bang dat mijn God mij bij mijn komst opnieuw vernedert bij jullie. Dan zou ik moeten treuren over velen die vroeger gezondigd hebben en zich niet bekeerd hebben van hun onreinheid, ontucht en losbandigheid. ## 2 Korintiërs 13 — Onderzoek jezelf 1. Dit is de derde keer dat ik naar jullie toe kom. Elke zaak moet vaststaan op het woord van twee of drie getuigen. 2. Ik heb het al eerder gezegd, bij mijn tweede bezoek, en ik zeg het nu van ver. Kom ik weer, dan zal ik wie vroeger gezondigd hebben en alle anderen niet sparen. 3. Jullie zoeken immers een bewijs dat Christus in mij spreekt. Hij is niet zwak tegenover jullie, maar sterk onder jullie. 4. Hij is wel gekruisigd in zwakheid, maar Hij leeft door de kracht van God. Ook wij zijn zwak in Hem, maar wij zullen met Hem leven door de kracht van God, voor jullie. 5. Onderzoek jezelf of jullie in het geloof zijn. Toets jezelf. Weten jullie niet van jezelf dat Jezus Christus in jullie is? Anders zouden jullie afgewezen zijn. 6. Ik hoop dat jullie zullen inzien dat wij niet afgewezen zijn. 7. Wij bidden God dat jullie geen kwaad doen. Niet om zelf goedgekeurd te lijken, maar zodat jullie het goede doen, ook al lijken wij dan afgewezen. 8. Wij kunnen namelijk niets tegen de waarheid doen, alleen voor de waarheid. 9. Wij zijn blij als wij zwak zijn en jullie sterk. Wij bidden ook hierom: dat jullie volmaakt worden. 10. Daarom schrijf ik dit van ver. Zo hoef ik bij mijn komst niet streng te zijn met het gezag dat de Heere mij gegeven heeft. Dat gezag is om op te bouwen, niet om af te breken. 11. Broeders, wees verder blij. Laat je terechtbrengen, laat je bemoedigen, wees eensgezind en leef in vrede. Dan zal de God van liefde en vrede met jullie zijn. 12. Groet elkaar met een heilige kus. Alle heiligen groeten jullie. 13. De genade van de Heere Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met jullie allemaal. Amen. ## Galaten 1 — Geen ander evangelie 1. Van Paulus, apostel. Ik ben niet geroepen door mensen of via een mens, maar door Jezus Christus en God de Vader, die Hem uit de doden heeft opgewekt. 2. En van alle gelovigen die bij mij zijn. Aan de gemeenschappen in Galatië. 3. Genade en vrede voor jullie, van God de Vader en onze Heere Jezus Christus. 4. Hij gaf Zijn eigen leven voor onze zonden. Zo haalde Hij ons weg uit deze slechte wereld, naar de wil van onze God en Vader. 5. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen. 6. Ik ben verbaasd dat jullie zo snel afhaken bij Hem die jullie geroepen heeft in de genade van Christus. Jullie gaan over naar een ander evangelie. 7. Er is geen ander evangelie. Er zijn alleen mensen die jullie in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. 8. Maar zelfs als wij of een engel uit de hemel jullie iets anders verkondigt dan wij verkondigd hebben: laat die vervloekt zijn. 9. Wij hebben het al eerder gezegd, en ik zeg het nu weer. Verkondigt iemand jullie iets anders dan jullie ontvangen hebben, laat hem vervloekt zijn. 10. Probeer ik nu mensen te overtuigen, of God? Zoek ik mensen te behagen? Als ik nog mensen wilde behagen, was ik geen dienaar van Christus. 11. Broeders, ik maak jullie bekend dat het evangelie dat ik verkondig niet van mensen komt. 12. Ik heb het namelijk niet van een mens gekregen en ook niet geleerd. Jezus Christus heeft het aan mij bekendgemaakt. 13. Jullie hebben gehoord hoe ik vroeger leefde in het Jodendom. Ik vervolgde de gemeenschap van God fel en probeerde haar te vernietigen. 14. In het Jodendom kwam ik verder dan veel leeftijdgenoten in mijn volk. Ik zette mij enorm in voor de overleveringen van mijn voorouders. 15. Maar God had mij al vanaf de moederschoot afgezonderd en door Zijn genade geroepen. 16. Toen besloot Hij Zijn Zoon in mij bekend te maken, zodat ik Hem onder de volken zou verkondigen. Ik ging toen niet eerst bij mensen te rade. 17. Ik ging ook niet naar Jeruzalem, naar wie eerder apostel waren dan ik. Ik vertrok naar Arabië en keerde terug naar Damascus. 18. Pas na drie jaar ging ik naar Jeruzalem om Petrus te bezoeken. Ik bleef vijftien dagen bij hem. 19. Van de andere apostelen zag ik niemand, behalve Jakobus, de broer van de Heere. 20. Wat ik jullie schrijf, is waar. God is mijn getuige: ik lieg niet. 21. Daarna ging ik naar de streken van Syrië en Cilicië. 22. De gemeenschappen in Judea die in Christus zijn, kenden mij niet van gezicht. 23. Zij hadden alleen gehoord: Onze vroegere vervolger verkondigt nu het geloof dat hij eerst probeerde te vernietigen. 24. En zij eerden God om mij. ## Galaten 2 — Rechtvaardig door geloof 1. Veertien jaar later ging ik weer naar Jeruzalem, met Barnabas. Ik nam Titus ook mee. 2. Ik ging op grond van een openbaring. Ik legde hun het evangelie voor dat ik onder de volken verkondig, en apart aan de leiders. Zo wilde ik voorkomen dat mijn werk voor niets zou zijn. 3. Zelfs Titus, die bij mij was, werd niet gedwongen zich te laten besnijden, hoewel hij een Griek is. 4. Dat kwam door binnengeslopen valse gelovigen. Zij kwamen stiekem onze vrijheid in Christus Jezus bespieden, om ons tot slaven te maken. 5. Voor hen hebben wij geen moment gebogen. Zo bleef de waarheid van het evangelie bij jullie bewaard. 6. De leiders legden mij niets extra's op. Wat zij vroeger waren, maakt mij niet uit, want God kijkt niet naar de persoon. 7. Zij zagen juist dat mij het evangelie voor de onbesnedenen was toevertrouwd, zoals aan Petrus dat voor de besnedenen. 8. God werkte namelijk in Petrus voor het apostelschap onder de besnedenen, en Hij werkte ook in mij onder de volken. 9. Jakobus, Cefas en Johannes golden als steunpilaren. Zij erkenden de genade die mij gegeven was en gaven Barnabas en mij de rechterhand. Wij zouden naar de volken gaan en zij naar de besnedenen. 10. Zij vroegen alleen dat wij aan de armen zouden denken, en daar heb ik mij ook voor ingezet. 11. Maar toen Petrus in Antiochië kwam, sprak ik hem openlijk tegen. Hij had namelijk ongelijk. 12. Voordat er mensen van Jakobus kwamen, at hij samen met de volken. Maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af, uit angst voor de besnedenen. 13. De andere Joden deden met die schijnvertoning mee. Zelfs Barnabas liet zich meeslepen. 14. Ik zag dat zij niet recht op de waarheid van het evangelie afgingen. Daarom zei ik tegen Petrus, waar iedereen bij was: Jij bent een Jood en leeft als iemand van de volken, niet als een Jood. Waarom dwing je de volken dan om als Joden te leven? 15. Wij zijn van geboorte Joden en geen zondaars uit de volken. 16. Toch weten wij dat een mens niet rechtvaardig wordt door de werken van de wet, maar door het geloof in Jezus Christus. Daarom zijn ook wij in Christus Jezus gaan geloven. Door de werken van de wet wordt namelijk niemand rechtvaardig. 17. Wij zoeken rechtvaardiging in Christus. Blijken wij dan zelf zondaars, is Christus daarmee een dienaar van de zonde? Absoluut niet. 18. Als ik weer opbouw wat ik afgebroken heb, maak ik mijzelf tot overtreder. 19. Door de wet ben ik namelijk gestorven voor de wet, om voor God te leven. 20. Ik ben met Christus gekruisigd. Ik leef, maar niet meer ik: Christus leeft in mij. Wat ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God. Hij heeft mij liefgehad en Zijn leven voor mij gegeven. 21. Ik doe de genade van God niet teniet. Komt de gerechtigheid door de wet, dan is Christus voor niets gestorven. ## Galaten 3 — De belofte en de wet 1. Dwaze Galaten, wie heeft jullie betoverd? Jezus Christus is jullie toch duidelijk voor ogen geschilderd als de Gekruisigde. 2. Dit alleen wil ik van jullie weten: hebben jullie de Geest gekregen door de werken van de wet of door het horen van het geloof? 3. Zijn jullie zo dwaas? Jullie zijn met de Geest begonnen. Willen jullie nu eindigen met het vlees? 4. Hebben jullie zoveel voor niets meegemaakt? Als het maar niet voor niets was. 5. God geeft jullie de Geest en doet krachten onder jullie. Doet Hij dat door de werken van de wet of door het horen van het geloof? 6. Zo geloofde Abraham God, en het werd hem als gerechtigheid aangerekend. 7. Begrijp dan dat wie uit het geloof leven, kinderen van Abraham zijn. 8. De Schrift zag vooruit dat God de volken uit geloof zou rechtvaardigen. Daarom kondigde zij het evangelie al aan Abraham aan: In jou zullen alle volken gezegend worden. 9. Wie uit het geloof leven, worden dus gezegend samen met de gelovige Abraham. 10. Wie het van de werken van de wet verwachten, staan onder de vloek. Er staat namelijk geschreven: Vervloekt is ieder die zich niet houdt aan alles wat in het boek van de wet staat. 11. Het is duidelijk dat niemand door de wet rechtvaardig wordt voor God. De rechtvaardige zal immers uit het geloof leven. 12. De wet is niet uit het geloof. Er geldt: wie deze dingen doet, zal daardoor leven. 13. Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet. Hij werd voor ons een vloek, want er staat geschreven: Vervloekt is ieder die aan een paal hangt. 14. Zo zou de zegen van Abraham in Christus Jezus naar de volken komen. En zo zouden wij de beloofde Geest krijgen door het geloof. 15. Broeders, ik spreek op menselijke manier. Zelfs een testament van een mens dat rechtsgeldig is, kan niemand ongeldig maken of aanvullen. 16. De beloften zijn aan Abraham en aan zijn nageslacht gedaan. Er staat niet: en aan je nageslachten, alsof het om velen ging. Er staat: en aan je nageslacht, om één, en dat is Christus. 17. Dit bedoel ik: God heeft dat testament eerder rechtsgeldig gemaakt. De wet kwam pas vierhonderddertig jaar later en maakt de belofte dus niet ongeldig. 18. Komt de erfenis uit de wet, dan komt zij niet meer uit de belofte. Maar God heeft haar Abraham uit genade gegeven door een belofte. 19. Waar dient de wet dan voor? Zij is erbij gekomen om de overtredingen aan te wijzen, totdat het nageslacht zou komen aan wie de belofte gedaan was. Zij is door engelen gegeven, via de hand van een middelaar. 20. Een middelaar is niet van één partij, maar God is één. 21. Is de wet dan tegen de beloften van God? Absoluut niet. Was er een wet gegeven die levend kon maken, dan zou de gerechtigheid echt uit de wet komen. 22. Maar de Schrift heeft alles opgesloten onder de zonde. Zo zou de belofte uit het geloof in Jezus Christus aan de gelovigen gegeven worden. 23. Voordat het geloof kwam, werden wij onder de wet bewaakt. Wij waren opgesloten tot het geloof bekend zou worden. 24. De wet was dus onze opvoeder tot Christus, zodat wij uit het geloof rechtvaardig zouden worden. 25. Nu het geloof gekomen is, staan wij niet meer onder die opvoeder. 26. Jullie zijn namelijk allemaal kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. 27. Jullie zijn allemaal in Christus gedoopt en hebben je met Christus bekleed. 28. Daarin is geen Jood of Griek, geen slaaf of vrije, geen man of vrouw. Jullie zijn allemaal één in Christus Jezus. 29. En horen jullie bij Christus, dan zijn jullie nageslacht van Abraham en erfgenamen volgens de belofte. ## Galaten 4 — Geen slaven meer, maar kinderen 1. Ik bedoel dit: zolang de erfgenaam een kind is, verschilt hij niet van een slaaf, ook al is hij heer van alles. 2. Hij staat onder voogden en beheerders, tot de tijd die zijn vader bepaald heeft. 3. Zo waren ook wij, toen wij kinderen waren, slaven van de grondregels van de wereld. 4. Maar toen de tijd helemaal vol was, stuurde God Zijn Zoon. Hij werd geboren uit een vrouw en kwam onder de wet. 5. Zo kon Hij vrijkopen wie onder de wet stonden, zodat wij als kinderen aangenomen zouden worden. 6. En omdat jullie kinderen zijn, heeft God de Geest van Zijn Zoon in ons hart gestuurd. Die roept: Abba, Vader. 7. Je bent dus geen slaaf meer, maar een zoon. En ben je een zoon, dan ben je ook erfgenaam van God, door Christus. 8. Vroeger kenden jullie God niet. Toen dienden jullie wezens die van nature geen goden zijn. 9. Maar nu kennen jullie God, of beter: nu zijn jullie door God gekend. Hoe kunnen jullie dan weer terug naar die zwakke en armzalige grondregels? Willen jullie die opnieuw dienen? 10. Jullie houden bepaalde dagen, maanden, seizoenen en jaren. 11. Ik ben bang dat ik mij voor niets voor jullie heb ingespannen. 12. Broeders, ik vraag jullie dringend: word zoals ik, want ik ben ook geworden zoals jullie. Jullie hebben mij geen onrecht gedaan. 13. Jullie weten dat ik jullie de eerste keer het evangelie verkondigde omdat mijn lichaam ziek was. 14. Mijn ziekte was een beproeving voor jullie. Toch hebben jullie mij niet veracht of afgewezen. Jullie namen mij aan als een engel van God, ja, als Christus Jezus. 15. Waar is jullie blijdschap van toen gebleven? Ik kan van jullie getuigen dat jullie je ogen hadden uitgerukt om ze mij te geven. 16. Ben ik nu jullie vijand geworden omdat ik jullie de waarheid zeg? 17. Zij zetten zich voor jullie in, maar niet met de goede bedoeling. Zij willen jullie van ons losmaken, zodat jullie je voor hen inzetten. 18. Het is goed als iemand zich altijd inzet voor het goede, en niet alleen als ik bij jullie ben. 19. Mijn kinderen, ik lig opnieuw in barensnood om jullie, totdat Christus gestalte in jullie krijgt. 20. Ik wou dat ik nu bij jullie was en anders kon spreken, want ik weet mij geen raad met jullie. 21. Vertel mij eens, jullie die onder de wet willen staan: luisteren jullie niet naar de wet? 22. Er staat geschreven dat Abraham twee zonen had, een van de slavin en een van de vrije vrouw. 23. De zoon van de slavin werd op gewone menselijke manier geboren. De zoon van de vrije vrouw werd geboren door de belofte. 24. Dit heeft een diepere betekenis. Deze vrouwen zijn twee verbonden. Het ene komt van de berg Sinaï en brengt kinderen voort die slaaf zijn. Dat is Hagar. 25. Hagar staat voor de Sinaï, een berg in Arabië. Zij komt overeen met het Jeruzalem van nu, dat met haar kinderen in slavernij leeft. 26. Maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is onze moeder. 27. Er staat namelijk geschreven: Wees blij, onvruchtbare vrouw die niet baart. Juich en roep het uit, jij die geen weeën kent. De eenzame vrouw krijgt namelijk meer kinderen dan zij die een man heeft. 28. Broeders, wij zijn kinderen van de belofte, net als Izak. 29. Toen vervolgde de zoon die op gewone manier geboren was de zoon die naar de Geest geboren was. Zo gaat het nu ook. 30. Maar wat zegt de Schrift? Stuur de slavin en haar zoon weg. De zoon van de slavin zal namelijk niet erven samen met de zoon van de vrije vrouw. 31. Broeders, wij zijn dus geen kinderen van de slavin, maar van de vrije vrouw. ## Galaten 5 — Vrijheid en de vrucht van de Geest 1. Blijf dan staan in de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt. Laat je niet weer een slavenjuk opleggen. 2. Kijk, ik, Paulus, zeg jullie: laten jullie je besnijden, dan heeft Christus geen nut voor jullie. 3. Ik zeg het nog eens tegen iedereen die zich laat besnijden: hij is verplicht de hele wet te houden. 4. Jullie die door de wet rechtvaardig willen worden, zijn los van Christus geraakt. Jullie zijn uit de genade gevallen. 5. Wij verwachten namelijk door de Geest, uit het geloof, de gerechtigheid waarop wij hopen. 6. In Christus Jezus heeft besneden zijn of onbesneden zijn geen kracht. Het gaat om geloof dat werkt door de liefde. 7. Jullie liepen goed. Wie heeft jullie tegengehouden om de waarheid te gehoorzamen? 8. Die overreding komt niet van Hem die jullie roept. 9. Een beetje zuurdeeg maakt het hele deeg zuur. 10. Ik vertrouw erop in de Heere dat jullie niet anders zullen denken. Maar wie jullie in verwarring brengt, zal zijn oordeel dragen, wie hij ook is. 11. Broeders, als ik nog de besnijdenis verkondigde, waarom word ik dan nog vervolgd? Dan zou de aanstoot van het kruis weg zijn. 12. Lieten die onruststokers zich maar helemaal snijden. 13. Broeders, jullie zijn tot vrijheid geroepen. Gebruik die vrijheid alleen niet als aanleiding voor het vlees, maar dien elkaar door de liefde. 14. De hele wet wordt namelijk vervuld in dit ene woord: Heb je naaste lief als jezelf. 15. Maar als jullie elkaar bijten en verslinden, pas dan op dat jullie niet door elkaar verteerd worden. 16. Ik zeg dit: leef door de Geest, dan zullen jullie de verlangens van het vlees niet uitvoeren. 17. Het vlees begeert namelijk tegen de Geest in, en de Geest tegen het vlees. Die twee staan tegenover elkaar, zodat jullie niet doen wat jullie willen. 18. Maar als jullie door de Geest geleid worden, staan jullie niet onder de wet. 19. De werken van het vlees zijn bekend: overspel, ontucht, onreinheid en losbandigheid, 20. afgoderij en toverij, vijandschap, ruzie, jaloezie, woede, gekonkel, verdeeldheid en partijzucht, 21. afgunst, moord, dronkenschap, zwelgpartijen en zo meer. Ik waarschuw jullie, zoals ik eerder gedaan heb: wie zulke dingen doen, zullen het Koninkrijk van God niet erven. 22. Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. 23. Tegen zulke dingen is de wet niet. 24. Wie van Christus zijn, hebben het vlees gekruisigd met zijn hartstochten en verlangens. 25. Leven wij door de Geest, laten wij dan ook door de Geest onze weg gaan. 26. Laten wij niet uit zijn op lege eer, elkaar niet uitdagen en niet jaloers zijn op elkaar. ## Galaten 6 — Draag elkaars lasten 1. Broeders, komt iemand tot een misstap, help hem dan weer op de been. Jullie die geestelijk zijn, doe dat met een zachtmoedige geest. Let ook op jezelf, zodat je niet zelf in verleiding komt. 2. Draag elkaars lasten. Zo vervullen jullie de wet van Christus. 3. Denkt iemand dat hij iets is, terwijl hij niets is, dan bedriegt hij zichzelf. 4. Laat ieder zijn eigen werk toetsen. Dan heeft hij roem voor zichzelf en niet in vergelijking met een ander. 5. Ieder zal namelijk zijn eigen pak dragen. 6. Wie onderwijs krijgt in het woord, moet delen van al het goede met wie hem onderwijst. 7. Vergis je niet: God laat niet met Hem spotten. Wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. 8. Wie in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten. Wie in de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten. 9. Laten wij niet moe worden om goed te doen. Op de juiste tijd zullen wij oogsten, als wij niet opgeven. 10. Laten wij dus goed doen aan iedereen, zolang wij de tijd hebben, en vooral aan de huisgenoten van het geloof. 11. Kijk eens met wat voor grote letters ik jullie schrijf, met mijn eigen hand. 12. Wie een goede indruk willen maken naar het vlees, dwingen jullie om je te laten besnijden. Zij doen dat alleen om niet vervolgd te worden om het kruis van Christus. 13. Zelfs wie besneden zijn, houden de wet niet. Toch willen zij dat jullie besneden worden, zodat zij kunnen roemen op jullie lichaam. 14. Maar ik wil nergens anders in roemen dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus. Door Hem is de wereld voor mij gekruisigd en ik voor de wereld. 15. In Christus Jezus heeft besneden zijn of onbesneden zijn geen kracht. Het gaat om een nieuwe schepping. 16. Vrede en barmhartigheid voor allen die zich aan deze regel houden, en voor het Israël van God. 17. Laat verder niemand mij lastigvallen. Ik draag namelijk de littekens van de Heere Jezus in mijn lichaam. 18. Broeders, de genade van onze Heere Jezus Christus zij met jullie geest. Amen. ## Efeziers 1 — Gezegend met alle geestelijke zegen 1. Van Paulus, apostel van Jezus Christus door de wil van God. Aan de heiligen in Efeze en aan de gelovigen in Christus Jezus. 2. Genade en vrede voor jullie, van God onze Vader en van de Heere Jezus Christus. 3. Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Hij heeft ons in Christus gezegend met alle geestelijke zegen in de hemel. 4. In Hem heeft God ons uitgekozen, vóór de grondlegging van de wereld. Zo zouden wij heilig en onberispelijk voor Hem zijn in de liefde. 5. Hij heeft ons van tevoren bestemd om Zijn kinderen te worden, door Jezus Christus. Dat was Zijn eigen wil en vreugde. 6. Zo wordt de heerlijkheid van Zijn genade geprezen, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. 7. In Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed: de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade. 8. Die genade heeft Hij overvloedig over ons uitgestort, met alle wijsheid en inzicht. 9. Hij heeft ons het geheim van Zijn wil bekendgemaakt, naar het plan dat Hij van tevoren had opgevat. 10. Als de tijd helemaal vol is, brengt Hij alles weer samen onder één Hoofd in Christus. Dat geldt voor wat in de hemel is en wat op de aarde is. 11. In Hem zijn wij ook erfgenaam geworden. Wij waren van tevoren bestemd naar het plan van Hem die alles doet naar de raad van Zijn wil. 12. Zo zouden wij, die als eersten op Christus hoopten, Zijn heerlijkheid prijzen. 13. In Hem zijn ook jullie, sinds jullie het woord van de waarheid gehoord hebben, het evangelie van jullie redding. En toen jullie geloofden, werden jullie verzegeld met de beloofde Heilige Geest. 14. Die Geest is het onderpand van onze erfenis, tot de verlossing die ons wacht, tot lof van Zijn heerlijkheid. 15. Ik heb gehoord van jullie geloof in de Heere Jezus en van jullie liefde voor alle heiligen. 16. Daarom houd ik niet op God voor jullie te danken en aan jullie te denken in mijn gebeden. 17. Ik bid tot de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid. Moge Hij jullie de Geest van wijsheid en openbaring geven, zodat jullie Hem kennen. 18. Ik bid dat de ogen van jullie hart verlicht worden. Dan weten jullie wat de hoop is van Zijn roeping, en hoe rijk en heerlijk Zijn erfenis onder de heiligen is. 19. En hoe geweldig groot Zijn kracht is voor ons die geloven, naar de werking van Zijn sterke macht. 20. Die kracht heeft Hij gebruikt in Christus, toen Hij Hem uit de doden opwekte en aan Zijn rechterhand zette in de hemel. 21. Daar is Hij ver boven alle overheid, macht, kracht en heerschappij, en boven elke naam die genoemd wordt, nu en in de toekomst. 22. God heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd boven alles gegeven aan de gemeenschap van gelovigen. 23. Die gemeenschap is Zijn lichaam, de volheid van Hem die alles in allen vervult. ## Efeziers 2 — Uit genade gered 1. Ook jullie heeft Hij levend gemaakt. Jullie waren dood door jullie overtredingen en zonden. 2. Daarin leefden jullie vroeger, naar de gewoonte van deze wereld. Jullie volgden de heerser over de macht van de lucht, de geest die nu werkt in de ongehoorzame mensen. 3. Daartussen leefden wij allemaal vroeger. Wij volgden de verlangens van ons vlees en deden wat het vlees en het denken wilden. Van nature waren wij kinderen van de toorn, net als de anderen. 4. Maar God is rijk in barmhartigheid. Door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad, 5. heeft Hij ons levend gemaakt met Christus, ook toen wij dood waren door onze overtredingen. Uit genade zijn jullie gered. 6. Hij heeft ons met Christus opgewekt en ons met Hem een plaats gegeven in de hemel, in Christus Jezus. 7. Zo laat Hij in de eeuwen die komen de geweldige rijkdom van Zijn genade zien, in Zijn goedheid voor ons in Christus Jezus. 8. Uit genade zijn jullie gered, door het geloof. Dat komt niet uit jezelf, het is een gave van God. 9. Het komt niet uit werken, zodat niemand kan opscheppen. 10. Wij zijn namelijk Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen. God heeft die van tevoren klaargelegd, zodat wij daarin zouden leven. 11. Denk er dus aan dat jullie vroeger bij de volken hoorden, naar het vlees. Jullie werden onbesnedenen genoemd door wie met de hand besneden zijn. 12. In die tijd waren jullie zonder Christus, buitengesloten van het burgerschap van Israël en vreemd aan de verbonden van de belofte. Jullie hadden geen hoop en leefden zonder God in de wereld. 13. Maar nu zijn jullie in Christus Jezus dichtbij gekomen door het bloed van Christus, terwijl jullie eerst ver weg waren. 14. Hij is namelijk onze vrede. Hij heeft die twee tot één gemaakt en de scheidsmuur afgebroken. 15. In Zijn vlees heeft Hij de vijandschap teniet gedaan, namelijk de wet met haar geboden en regels. Zo schiep Hij die twee in Hemzelf tot één nieuwe mens en maakte Hij vrede. 16. Zo verzoende Hij die twee in één lichaam met God, door het kruis. Daaraan heeft Hij de vijandschap gedood. 17. Hij is gekomen en heeft vrede verkondigd aan jullie die ver weg waren en aan wie dichtbij waren. 18. Door Hem hebben wij allebei toegang tot de Vader, in één Geest. 19. Jullie zijn dus geen vreemdelingen en bijwoners meer. Jullie zijn medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God. 20. Jullie zijn gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Jezus Christus Zelf als hoeksteen. 21. In Hem groeit het hele gebouw, goed samengevoegd, uit tot een heilige tempel in de Heere. 22. In Hem worden ook jullie mee opgebouwd tot een woning van God in de Geest. ## Efeziers 3 — Het geheim bekendgemaakt 1. Daarom ben ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus, voor jullie die uit de volken komen. 2. Jullie hebben immers gehoord van de opdracht die God mij in Zijn genade voor jullie gegeven heeft. 3. Hij heeft mij dit geheim door een openbaring bekendgemaakt. Ik heb daar al kort over geschreven. 4. Als jullie dat lezen, kunnen jullie zien hoeveel inzicht ik in het geheim van Christus heb. 5. In andere tijden is dat geheim niet aan de mensen bekendgemaakt. Nu is het door de Geest geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten. 6. Het geheim is dit: de volken zijn mede-erfgenamen, horen bij hetzelfde lichaam en delen in Zijn belofte in Christus, door het evangelie. 7. Daarvan ben ik dienaar geworden, door de gave van de genade van God. Die genade is mij gegeven naar de werking van Zijn kracht. 8. Ik ben de allerminste van alle heiligen. Toch is mij deze genade gegeven om onder de volken de onmetelijke rijkdom van Christus te verkondigen. 9. En om iedereen te laten zien hoe dat geheim uitwerkt. Het lag eeuwenlang verborgen bij God, die alles geschapen heeft. 10. Zo wordt nu door de gemeenschap van gelovigen de veelzijdige wijsheid van God bekend aan de overheden en machten in de hemel. 11. Dat is naar het eeuwige plan dat Hij uitgevoerd heeft in Christus Jezus, onze Heere. 12. In Hem hebben wij vrijmoedigheid en toegang met vertrouwen, door het geloof in Hem. 13. Daarom vraag ik jullie: verlies de moed niet door wat ik voor jullie meemaak. Dat is juist jullie eer. 14. Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heere Jezus Christus. 15. Naar Hem is elk geslacht in de hemel en op de aarde genoemd. 16. Ik bid dat Hij jullie geeft, naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid, om met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de innerlijke mens. 17. Ik bid dat Christus door het geloof in jullie hart woont, en dat jullie geworteld en gegrond zijn in de liefde. 18. Dan kunnen jullie met alle heiligen helemaal begrijpen wat de breedte, lengte, diepte en hoogte is. 19. En dan kennen jullie de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat. Zo worden jullie vervuld tot alle volheid van God. 20. God kan oneindig veel meer doen dan wij bidden of bedenken, naar de kracht die in ons werkt. 21. Hem zij de heerlijkheid in de gemeenschap van gelovigen, door Christus Jezus, in alle generaties, tot in alle eeuwigheid. Amen. ## Efeziers 4 — Eén lichaam, één Geest 1. Ik, de gevangene in de Heere, vraag jullie dringend: leef zoals past bij de roeping die jullie gekregen hebben. 2. Wees nederig en zachtmoedig en heb geduld. Verdraag elkaar in liefde. 3. Doe je best om de eenheid van de Geest te bewaren door de band van de vrede. 4. Er is één lichaam en één Geest, zoals jullie ook geroepen zijn tot één hoop. 5. Er is één Heere, één geloof, één doop. 6. Er is één God en Vader van allen, boven allen, door allen en in allen. 7. Aan ieder van ons is genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus. 8. Daarom staat er: Toen Hij opsteeg naar de hoogte, nam Hij gevangenen mee en gaf Hij gaven aan de mensen. 9. Hij is opgestegen, maar wat betekent dat anders dan dat Hij ook eerst is afgedaald naar de lagere delen van de aarde? 10. Hij die afdaalde, is dezelfde die opsteeg, ver boven alle hemelen, om alles te vervullen. 11. Hij is het ook die sommigen gaf als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten en anderen als herders en leraars. 12. Zo worden de heiligen toegerust voor het werk van de dienst en voor de opbouw van het lichaam van Christus. 13. Dat gaat door tot wij allemaal komen tot de eenheid van het geloof en de kennis van de Zoon van God. Dan zijn wij volwassen en bereiken wij de volle maat van Christus. 14. Dan zijn wij geen kinderen meer, die heen en weer geslingerd worden door elke wind van leer. Wij laten ons dan niet meer misleiden door sluwe mensen die ons willen doen dwalen. 15. Nee, wij spreken de waarheid in liefde en groeien in alles naar Hem toe, die het Hoofd is: Christus. 16. Vanuit Hem wordt het hele lichaam samengevoegd en bijeengehouden. Elk deel doet zijn eigen werk naar zijn maat. Zo groeit het lichaam en bouwt het zichzelf op in liefde. 17. Daarom zeg ik dit en getuig ik het in de Heere: leef niet meer zoals de andere volken, in de leegheid van hun denken. 18. Hun verstand is verduisterd en zij staan buiten het leven van God. Dat komt door hun onwetendheid en door de hardheid van hun hart. 19. Zij zijn afgestompt en hebben zich overgegeven aan losbandigheid. Zij bedrijven gretig allerlei onreinheid. 20. Maar zo hebben jullie Christus niet leren kennen. 21. Jullie hebben toch van Hem gehoord en zijn in Hem onderwezen, zoals de waarheid in Jezus is. 22. Jullie hebben geleerd de oude mens af te leggen, die bij je vroegere leven hoort. Die gaat te gronde door bedrieglijke verlangens. 23. En dat jullie vernieuwd worden in de geest van jullie denken. 24. Trek de nieuwe mens aan, die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid. 25. Leg daarom de leugen af en spreek de waarheid tegen je naaste. Wij horen immers als lichaamsdelen bij elkaar. 26. Word je boos, zondig dan niet. Laat de zon niet ondergaan over je boosheid. 27. Geef de duivel geen kans. 28. Wie gestolen heeft, moet niet meer stelen. Laat hij liever hard werken en met zijn handen het goede doen. Dan kan hij delen met wie tekortkomt. 29. Laat geen vuil woord uit je mond komen, maar alleen een goed woord dat opbouwt waar dat nodig is. Zo doet het de hoorders goed. 30. Maak de Heilige Geest van God niet bedroefd. Door Hem zijn jullie verzegeld tot de dag van de verlossing. 31. Doe alle bitterheid, woede, drift, geschreeuw en laster weg, met alle kwaad. 32. Wees goed en barmhartig voor elkaar en vergeef elkaar, zoals God jullie in Christus vergeven heeft. ## Efeziers 5 — Leef als kinderen van het licht 1. Volg God dus na, als geliefde kinderen. 2. Leef in de liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad. Hij gaf Zijn leven voor ons als offer, een geur die God blij maakt. 3. Laat ontucht en alle onreinheid of hebzucht bij jullie zelfs niet genoemd worden. Zo hoort het bij heiligen. 4. Onfatsoenlijke taal, dwaas gepraat en grove grappen passen niet. Zeg liever dank. 5. Weet dit goed: wie ontucht pleegt, onrein is of hebzuchtig, is een afgodendienaar. Hij heeft geen erfenis in het Koninkrijk van Christus en van God. 6. Laat niemand jullie misleiden met lege woorden. Om zulke dingen komt de toorn van God over de ongehoorzame mensen. 7. Doe dus niet met hen mee. 8. Vroeger waren jullie duisternis, maar nu zijn jullie licht in de Heere. Leef als kinderen van het licht. 9. De vrucht van het licht bestaat namelijk in alle goedheid, gerechtigheid en waarheid. 10. Toets wat de Heere blij maakt. 11. Doe niet mee met de vruchteloze werken van de duisternis, maar breng ze juist aan het licht. 12. Wat zij in het geheim doen, is zelfs te schandelijk om te noemen. 13. Maar alles wordt zichtbaar als het licht erop valt. En alles wat zichtbaar maakt, is licht. 14. Daarom staat er: Word wakker, jij die slaapt, en sta op uit de doden. Dan zal Christus over je lichten. 15. Let dus goed op hoe je leeft: niet als onverstandige mensen, maar als wijze. 16. Maak goed gebruik van de tijd, want de dagen zijn slecht. 17. Wees daarom niet onverstandig, maar begrijp wat de wil van de Heere is. 18. Word niet dronken van wijn, want dat leidt tot losbandigheid. Word vervuld met de Geest. 19. Spreek met elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Zing en maak muziek voor de Heere in je hart. 20. Dank God de Vader altijd voor alles, in de Naam van onze Heere Jezus Christus. 21. Onderschik je aan elkaar, in ontzag voor God. 22. Vrouwen, onderschik je aan je eigen man, zoals aan de Heere. 23. De man is namelijk het hoofd van de vrouw, zoals Christus het Hoofd is van de gemeenschap van gelovigen. Hij is de redder van dat lichaam. 24. Zoals die gemeenschap zich onderschikt aan Christus, zo doen de vrouwen dat in alles aan hun eigen man. 25. Mannen, heb je eigen vrouw lief, zoals ook Christus de gemeenschap van gelovigen heeft liefgehad en Zijn leven voor haar heeft gegeven. 26. Zo wilde Hij haar heiligen. Hij heeft haar gereinigd met het bad van het water, door het woord. 27. Zo wilde Hij haar stralend voor Zijn ogen plaatsen, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar heilig en onberispelijk. 28. Zo horen ook mannen hun eigen vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief. 29. Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat. Hij voedt en verzorgt het, zoals ook Christus de gemeenschap van gelovigen. 30. Wij horen namelijk bij Zijn lichaam. 31. Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw. En die twee zullen één zijn. 32. Dit geheim is groot. Ik zeg dit met het oog op Christus en de gemeenschap van gelovigen. 33. Laat dus ieder van jullie zijn eigen vrouw liefhebben als zichzelf. En laat de vrouw ontzag hebben voor haar man. ## Efeziers 6 — De wapenrusting van God 1. Kinderen, wees je ouders gehoorzaam in de Heere, want dat is juist. 2. Eer je vader en je moeder. Dat is het eerste gebod met een belofte: 3. zodat het je goed gaat en je lang leeft op de aarde. 4. Vaders, maak je kinderen niet boos. Voed hen op met onderwijs en vermaning van de Heere. 5. Slaven, wees gehoorzaam aan je aardse heren, met ontzag en beven, met een eerlijk hart, zoals aan Christus. 6. Doe dat niet alleen als zij kijken, om mensen te behagen. Doe het als slaven van Christus, die van harte de wil van God doen. 7. Dien met goede wil, alsof je de Heere dient en niet mensen. 8. Jullie weten dat ieder van de Heere terugkrijgt wat hij aan goeds gedaan heeft, of hij nu slaaf is of vrij. 9. Heren, doe hetzelfde bij hen en dreig niet. Jullie weten dat hun Heere en die van jullie in de hemel is, en dat Hij niet naar de persoon kijkt. 10. Broeders, word verder sterk in de Heere en in de kracht van Zijn macht. 11. Trek de hele wapenrusting van God aan. Zo kunnen jullie standhouden tegen de listen van de duivel. 12. Wij vechten namelijk niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden en machten. Wij vechten tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. 13. Neem daarom de hele wapenrusting van God op. Dan kunnen jullie weerstand bieden op de dag van het kwaad en staande blijven als jullie alles gedaan hebben. 14. Blijf dus staan. Bind de waarheid als een gordel om je middel en trek de gerechtigheid aan als een borstplaat. 15. Schoei je voeten met de bereidheid van het evangelie van de vrede. 16. Neem vooral het schild van het geloof op. Daarmee kunnen jullie alle brandende pijlen van de boze doven. 17. Zet de helm van de redding op en pak het zwaard van de Geest, dat is het woord van God. 18. Bid altijd in de Geest, met alle gebed en smeking. Blijf daarin waken en bid volhardend voor alle heiligen. 19. Bid ook voor mij, dat ik de juiste woorden krijg als ik mijn mond opendoe. Zo kan ik vrijmoedig het geheim van het evangelie bekendmaken. 20. Daarvoor ben ik een gezant in ketenen. Bid dat ik daarover vrijmoedig spreek, zoals het hoort. 21. Tychikus zal jullie alles vertellen over mij en over wat ik doe. Hij is een geliefde broeder en een trouwe dienaar in de Heere. 22. Ik stuur hem juist daarvoor naar jullie toe: om jullie te laten weten hoe het met ons gaat en om jullie hart te bemoedigen. 23. Vrede voor alle gelovigen, en liefde met geloof, van God de Vader en van de Heere Jezus Christus. 24. De genade zij met allen die onze Heere Jezus Christus onvergankelijk liefhebben. Amen. ## Filippenzen 1 — Leven is Christus 1. Van Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus. Aan alle heiligen in Christus Jezus in Filippi, met de opzieners en de dienaren. 2. Genade en vrede voor jullie, van God onze Vader en van de Heere Jezus Christus. 3. Ik dank mijn God telkens als ik aan jullie denk. 4. In al mijn gebeden bid ik altijd met blijdschap voor jullie allemaal. 5. Ik dank God voor jullie deelname aan het evangelie, vanaf de eerste dag tot nu toe. 6. Ik ben ervan overtuigd dat God een goed werk in jullie begonnen is. Hij zal het afmaken tot op de dag van Jezus Christus. 7. Het is ook terecht dat ik zo over jullie denk. Ik draag jullie in mijn hart. Jullie delen allemaal in de genade die ik kreeg, zowel in mijn gevangenschap als bij mijn verdediging van het evangelie. 8. God is mijn getuige hoezeer ik naar jullie allemaal verlang, met de warmte van Jezus Christus. 9. En dit bid ik: dat jullie liefde steeds meer overvloeit in kennis en fijn aanvoelen. 10. Dan kunnen jullie toetsen waar het op aankomt. Zo zijn jullie zuiver en zonder aanstoot op de dag van Christus. 11. En dan zijn jullie vol van de vrucht van gerechtigheid, die door Jezus Christus komt, tot eer en lof van God. 12. Broeders, ik wil dat jullie weten dat wat mij overkomen is, juist geholpen heeft om het evangelie verder te brengen. 13. Zo is in heel het hoofdkwartier en bij alle anderen bekend geworden dat ik gevangen zit om Christus. 14. En de meeste gelovigen hebben door mijn gevangenschap vertrouwen gekregen in de Heere. Zij durven het woord nu nog vrijmoediger te spreken. 15. Sommigen verkondigen Christus wel uit afgunst en ruzie, maar anderen doen het met goede wil. 16. De laatsten doen het uit liefde. Zij weten dat ik hier lig om het evangelie te verdedigen. 17. De eersten verkondigen Christus uit eigenbelang, niet zuiver. Zij denken mijn gevangenschap zwaarder te maken. 18. Wat dan nog? Christus wordt hoe dan ook verkondigd, met bijbedoelingen of in waarheid. Daarover ben ik blij, en ik zal blij blijven. 19. Ik weet namelijk dat dit uitloopt op mijn redding, door jullie gebed en door de hulp van de Geest van Jezus Christus. 20. Ik verwacht en hoop vurig dat ik nergens beschaamd word. Ik hoop dat Christus met alle vrijmoedigheid groot gemaakt wordt in mijn lichaam, nu net als altijd, door leven of door sterven. 21. Voor mij is leven Christus en sterven winst. 22. Maar als ik in het vlees blijf leven, levert mijn werk vrucht op. Wat ik kiezen moet, weet ik niet. 23. Ik word van twee kanten gedrongen. Ik verlang ernaar heen te gaan en bij Christus te zijn, want dat is verreweg het beste. 24. Maar in het vlees blijven is nodiger voor jullie. 25. Daarvan ben ik overtuigd: ik zal blijven en bij jullie allemaal blijven, om jullie geloof vooruit te helpen en blij te maken. 26. Zo zal jullie roem in Christus Jezus overvloeien om mij, als ik weer bij jullie ben. 27. Leef alleen zoals het past bij het evangelie van Christus. Dan hoor ik van jullie, of ik nu kom of afwezig ben, dat jullie vast staan in één geest. En dat jullie eensgezind samen strijden voor het geloof van het evangelie. 28. Laat je door de tegenstanders nergens bang maken. Dat is voor hen een teken van ondergang en voor jullie van redding, en dat komt van God. 29. Jullie hebben namelijk als gunst gekregen om voor Christus niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden. 30. Jullie voeren dezelfde strijd die jullie bij mij gezien hebben en nu over mij horen. ## Filippenzen 2 — Denk zoals Christus 1. Is er dan bemoediging in Christus, troost van de liefde, gemeenschap van de Geest, warmte en barmhartigheid? 2. Maak mijn blijdschap dan compleet. Wees eensgezind, heb dezelfde liefde, wees één van ziel en van gedachten. 3. Doe niets uit eigenbelang of om lege eer. Wees nederig en beschouw de ander als belangrijker dan jezelf. 4. Laat ieder niet alleen op zijn eigen belang letten, maar ook op dat van de ander. 5. Laat onder jullie de gezindheid heersen die ook in Christus Jezus was. 6. Hij was in de gestalte van God, maar Hij vond het gelijk zijn aan God geen roof. 7. Hij legde Zijn heerlijkheid af en nam de gestalte van een dienaar aan. Hij werd aan mensen gelijk. 8. Hij is als mens verschenen en werd klein. Hij werd gehoorzaam tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis. 9. Daarom heeft God Hem ook enorm verhoogd en Hem een Naam gegeven boven alle namen. 10. Zo zal in de Naam van Jezus elke knie zich buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde. 11. En elke tong zal belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot eer van God de Vader. 12. Mijn geliefden, jullie zijn altijd gehoorzaam geweest. Werk daarom nu aan je eigen redding, met vrees en beven. Doe dat niet alleen als ik erbij ben, maar juist nu ik weg ben. 13. God is het namelijk die in jullie werkt, zowel het willen als het doen, naar Zijn welbehagen. 14. Doe alles zonder mopperen en tegenspreken. 15. Dan zijn jullie onberispelijk en zuiver, kinderen van God zonder smet, te midden van een verdraaid en ontspoord geslacht. Daartussen schijnen jullie als lichten in de wereld. 16. Houd het woord van het leven vast. Dan kan ik op de dag van Christus roemen dat ik niet voor niets gelopen en gewerkt heb. 17. Word ik als drankoffer uitgegoten over het offer en de dienst van jullie geloof? Dan ben ik blij en deel ik die blijdschap met jullie allemaal. 18. Wees daarom ook zelf blij en deel die blijdschap met mij. 19. Ik hoop in de Heere Jezus dat ik Timotheüs snel naar jullie kan sturen. Dan word ik ook bemoedigd als ik hoor hoe het met jullie gaat. 20. Ik heb niemand anders die zo met jullie meeleeft en die zich echt om jullie bekommert. 21. Zij zoeken allemaal hun eigen belang, niet dat van Jezus Christus. 22. Jullie weten hoe hij zich bewezen heeft. Hij heeft met mij het evangelie gediend als een kind met zijn vader. 23. Ik hoop hem meteen te sturen, zodra ik weet hoe het met mij afloopt. 24. Ik vertrouw erop in de Heere dat ik ook zelf snel bij jullie kom. 25. Toch vond ik het nodig Epafroditus naar jullie toe te sturen. Hij is mijn broeder, medewerker en medestrijder, en jullie gezant die mij hielp in mijn nood. 26. Hij verlangde namelijk naar jullie allemaal en zat er erg mee dat jullie gehoord hadden dat hij ziek was. 27. Hij is ook ziek geweest, bijna tot de dood. Maar God is barmhartig voor hem geweest, en niet alleen over hem maar ook over mij, zodat ik geen verdriet op verdriet zou krijgen. 28. Daarom stuur ik hem des te sneller. Dan kunnen jullie hem weer zien en blij zijn, en ben ik minder bedroefd. 29. Ontvang hem dus in de Heere, met alle blijdschap, en houd zulke mensen in ere. 30. Om het werk van Christus is hij bijna gestorven. Hij waagde zijn leven om aan te vullen wat jullie mij niet konden geven. ## Filippenzen 3 — Jagen naar de prijs 1. Broeders, wees verder blij in de Heere. Ik vind het niet vervelend om jullie hetzelfde te schrijven, en voor jullie is het veilig. 2. Pas op voor de honden, pas op voor de slechte werkers, pas op voor de versnijdenis. 3. Wij zijn namelijk de besnijdenis: wij dienen God in de Geest, roemen in Christus Jezus en vertrouwen niet op het vlees. 4. Toch zou ik ook op het vlees kunnen vertrouwen. Denkt iemand anders dat hij dat kan, ik nog meer. 5. Ik ben besneden op de achtste dag, uit het volk Israël, uit de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën. Naar de wet was ik een farizeeër. 6. In mijn ijver vervolgde ik de gemeenschap van gelovigen. Naar de gerechtigheid van de wet was ik onberispelijk. 7. Maar wat winst voor mij was, ben ik om Christus als verlies gaan zien. 8. Sterker nog, ik beschouw alles als verlies, omdat het kennen van Christus Jezus, mijn Heere, alles overtreft. Om Hem heb ik alles prijsgegeven en zie ik het als vuilnis, om Christus te winnen. 9. Zo wil ik in Hem gevonden worden. Niet met mijn eigen gerechtigheid uit de wet, maar met de gerechtigheid door het geloof in Christus, die uit God is door het geloof. 10. Ik wil Hem kennen en de kracht van Zijn opstanding, en delen in Zijn lijden, en zo aan Zijn dood gelijk worden. 11. Zo hoop ik te komen tot de opstanding uit de doden. 12. Ik heb het nog niet bereikt en ben nog niet volmaakt. Maar ik jaag ernaar, om het te grijpen, want daartoe heeft Christus Jezus mij gegrepen. 13. Broeders, ik denk niet dat ik het zelf al gegrepen heb. 14. Eén ding doe ik: ik vergeet wat achter mij ligt en strek mij uit naar wat voor mij ligt. Ik jaag naar het doel, naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus. 15. Laten wij die volwassen zijn zo denken. Denken jullie ergens anders over, dan zal God jullie ook dat duidelijk maken. 16. Maar laten wij ons wel houden aan wat wij al bereikt hebben en hetzelfde spoor volgen. 17. Broeders, volg samen mijn voorbeeld. Let op wie zo leven als jullie het bij ons gezien hebben. 18. Velen leven namelijk anders. Ik heb jullie vaak over hen gesproken en zeg het nu huilend: zij zijn vijanden van het kruis van Christus. 19. Hun einde is de ondergang, hun god is hun buik en hun eer ligt in hun schande. Zij denken alleen aan aardse dingen. 20. Maar wij horen thuis in de hemel. Daaruit verwachten wij ook de Redder, de Heere Jezus Christus. 21. Hij zal ons vernederde lichaam veranderen en gelijk maken aan Zijn verheerlijkte lichaam. Dat doet Hij met de kracht waarmee Hij alles aan Hem kan onderwerpen. ## Filippenzen 4 — Blijdschap en vrede 1. Mijn geliefden, naar wie ik zo verlang, jullie zijn mijn blijdschap en mijn kroon. Sta dus vast in de Heere. 2. Ik vraag Euodia en ik vraag Syntyche dringend om eensgezind te zijn in de Heere. 3. En ik vraag ook jou, trouwe metgezel: help deze vrouwen. Zij hebben samen met mij gestreden voor het evangelie, net als Clemens en mijn andere medewerkers. Hun namen staan in het boek van het leven. 4. Wees altijd blij in de Heere. Ik zeg het nog eens: wees blij. 5. Laat alle mensen jullie mildheid kennen. De Heere is nabij. 6. Maak je nergens zorgen over. Laat in alles je verlangens bij God bekend worden, door bidden en smeken, met dank. 7. En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal jullie hart en gedachten bewaren in Christus Jezus. 8. Broeders, denk verder aan alles wat waar is, wat eerbaar is, wat rechtvaardig is en wat rein is. Denk aan alles wat lieflijk is en goed klinkt, aan wat deugd is en lof verdient. 9. Doe wat jullie geleerd, ontvangen en gehoord hebben, en wat jullie bij mij gezien hebben. Dan zal de God van de vrede met jullie zijn. 10. Ik was erg blij in de Heere dat jullie zorg voor mij weer opgebloeid is. Jullie dachten wel aan mij, maar hadden de gelegenheid niet. 11. Ik zeg dit niet omdat ik gebrek heb. Ik heb namelijk geleerd tevreden te zijn met wat ik heb. 12. Ik weet wat weinig hebben is en ik weet wat overvloed is. Overal en in alles heb ik geleerd om verzadigd te zijn en honger te lijden, om overvloed te hebben en tekort te komen. 13. Ik kan alles aan door Christus, die mij kracht geeft. 14. Toch hebben jullie er goed aan gedaan om te delen in mijn moeite. 15. Filippenzen, jullie weten het nog van het begin van het evangelie. Toen ik uit Macedonië vertrok, rekende geen enkele gemeenschap met mij af, alleen jullie. 16. Zelfs in Tessalonica hebben jullie mij een paar keer gestuurd wat ik nodig had. 17. Ik zoek niet de gave zelf. Ik zoek de vrucht die op jullie rekening rijkelijk toeneemt. 18. Ik heb alles ontvangen en heb overvloed. Ik heb genoeg sinds ik van Epafroditus kreeg wat jullie stuurden: een aangename geur, een offer waar God blij mee is. 19. Mijn God zal alles geven wat jullie nodig hebben, naar Zijn rijkdom in heerlijkheid, door Christus Jezus. 20. Onze God en Vader zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen. 21. Groet alle heiligen in Christus Jezus. De gelovigen die bij mij zijn, groeten jullie. 22. Alle heiligen groeten jullie, vooral die uit het huis van de keizer. 23. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met jullie allemaal. Amen. ## Kolossenzen 1 — Christus is het beeld van God 1. Van Paulus, apostel van Jezus Christus door de wil van God, en van Timotheüs, die bij ons hoort. 2. Aan de heiligen en gelovigen in Christus in Kolosse. Genade en vrede voor jullie, van God onze Vader en van de Heere Jezus Christus. 3. Wij danken de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, en bidden altijd voor jullie. 4. Wij hebben namelijk gehoord van jullie geloof in Christus Jezus en van jullie liefde voor alle heiligen. 5. Dat komt door de hoop die voor jullie klaarligt in de hemel. Daarover hebben jullie eerder gehoord in het woord van de waarheid, het evangelie. 6. Dat evangelie is bij jullie gekomen, zoals in de hele wereld. Het draagt vrucht en groeit, ook bij jullie, vanaf de dag dat jullie het hoorden en de genade van God echt leerden kennen. 7. Zo hebben jullie het geleerd van Epafras, onze geliefde mededienaar. Hij is een trouwe dienaar van Christus voor jullie. 8. Hij heeft ons ook verteld van jullie liefde in de Geest. 9. Daarom bidden wij vanaf die dag steeds voor jullie. Wij vragen dat jullie vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht. 10. Zo kunnen jullie leven zoals het de Heere past en Hem in alles behagen. Dan dragen jullie vrucht in elk goed werk en groeien jullie in de kennis van God. 11. Dan worden jullie met alle kracht gesterkt, naar de sterkte van Zijn heerlijkheid, tot alle volharding en geduld, met blijdschap. 12. Dank de Vader, die jullie geschikt gemaakt heeft om te delen in de erfenis van de heiligen in het licht. 13. Hij heeft ons weggehaald uit de macht van de duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde. 14. In Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed: de vergeving van de zonden. 15. Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping. 16. In Hem is namelijk alles geschapen, in de hemel en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare. Tronen, heerschappijen, overheden en machten: alles is door Hem en voor Hem geschapen. 17. Hij is er vóór alles, en alles bestaat samen in Hem. 18. Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeenschap van gelovigen. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij in alles de eerste is. 19. Het was namelijk het welbehagen van de Vader dat heel de volheid in Hem zou wonen. 20. Door Hem wilde God alles met Hemzelf verzoenen en vrede maken door het bloed van Zijn kruis. Dat geldt voor wat op de aarde is en wat in de hemel is. 21. Ook jullie waren vroeger vreemd en vijandig in jullie denken en in jullie slechte daden. Maar nu heeft Hij jullie verzoend. 22. Dat deed Hij in Zijn lichaam van vlees, door de dood. Zo wilde Hij jullie heilig, onberispelijk en onbeschuldigd voor Zijn ogen stellen. 23. Dan moeten jullie wel in het geloof blijven, gegrond en vast. Laat je niet wegdrijven van de hoop van het evangelie dat jullie gehoord hebben. Dat is onder heel de schepping onder de hemel verkondigd, en ik, Paulus, ben er dienaar van geworden. 24. Nu ben ik blij in mijn lijden voor jullie. In mijn lichaam vul ik aan wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam: de gemeenschap van gelovigen. 25. Daarvan ben ik dienaar geworden, door de opdracht die God mij voor jullie gegeven heeft: het woord van God helemaal bekendmaken. 26. Dat is het geheim dat eeuwen en generaties lang verborgen was, maar nu bekendgemaakt is aan Zijn heiligen. 27. God wilde hun laten weten hoe rijk en heerlijk dit geheim onder de volken is. Dat geheim is Christus onder jullie, de hoop op de heerlijkheid. 28. Hem verkondigen wij. Wij waarschuwen ieder mens en onderwijzen ieder mens met alle wijsheid, om ieder mens volwassen te maken in Christus Jezus. 29. Daarvoor zwoeg ik ook en strijd ik, naar Zijn werking die met kracht in mij werkt. ## Kolossenzen 2 — Geworteld in Christus 1. Ik wil dat jullie weten hoe zwaar ik strijd voor jullie en voor de mensen in Laodicea. Ik strijd ook voor allen die mij nooit persoonlijk gezien hebben. 2. Ik wil dat hun hart bemoedigd wordt en dat zij samengevoegd worden in de liefde. Dan krijgen zij de rijkdom van volle zekerheid en inzicht, en kennen zij het geheim van God: Christus. 3. In Hem liggen alle schatten van wijsheid en kennis verborgen. 4. Ik zeg dit zodat niemand jullie misleidt met mooie praatjes. 5. Ik ben wel met mijn lichaam ver weg, maar met mijn geest bij jullie. Ik ben blij als ik zie hoe ordelijk jullie leven en hoe vast jullie geloof in Christus is. 6. Jullie hebben Christus Jezus als Heere aangenomen. Leef dan ook in Hem. 7. Wees geworteld en opgebouwd in Hem en vast in het geloof, zoals jullie geleerd hebben. Doe dat met overvloedige dankbaarheid. 8. Pas op dat niemand jullie meesleept met filosofie en lege verleiding. Dat komt uit de overlevering van mensen en de grondregels van de wereld, niet uit Christus. 9. In Hem woont namelijk heel de volheid van de Godheid lichamelijk. 10. En jullie zijn vol gemaakt in Hem. Hij is het Hoofd van alle overheid en macht. 11. In Hem zijn jullie ook besneden, maar niet met een besnijdenis door mensenhanden. Het lichaam van het vlees is uitgetrokken, in de besnijdenis van Christus. 12. Jullie zijn met Hem begraven in de doop. Daarin zijn jullie ook met Hem opgewekt, door het geloof in de werking van God, die Hem uit de doden opgewekt heeft. 13. Jullie waren dood door jullie overtredingen en door jullie onbesneden vlees. Toch heeft Hij jullie samen met Christus levend gemaakt en al jullie overtredingen vergeven. 14. Hij heeft de schuldbrief uitgewist die met zijn regels tegen ons was. Hij heeft die weggenomen en aan het kruis genageld. 15. Hij heeft de overheden en machten ontwapend. Hij heeft ze openlijk tentoongesteld en in Christus over hen getriomfeerd. 16. Laat dus niemand over jullie oordelen om eten of drinken, of om een feestdag, een nieuwe maan of een sabbat. 17. Dat alles is een schaduw van wat komen zou, maar het lichaam is van Christus. 18. Laat niemand jullie de prijs ontnemen met gespeelde nederigheid en verering van engelen. Zo iemand gaat op in wat hij gezien heeft en is zonder reden opgeblazen door zijn eigen denken. 19. Hij houdt zich niet vast aan het Hoofd. Uit dat Hoofd wordt het hele lichaam gevoed en samengevoegd door gewrichten en banden, en groeit het met de groei van God. 20. Jullie zijn met Christus gestorven aan de grondregels van de wereld. Waarom laten jullie je dan regels opleggen, alsof jullie nog in de wereld leven? 21. Die regels zeggen: Pak niet aan, proef niet, raak niet aan. 22. Dat gaat allemaal over dingen die door gebruik vergaan. Het zijn geboden en leringen van mensen. 23. Zulke regels lijken wijs, met eigenwillige vroomheid, nederigheid en hard zijn voor het lichaam. Maar zij hebben geen enkele waarde en dienen alleen het vlees. ## Kolossenzen 3 — Zoek de dingen die boven zijn 1. Jullie zijn met Christus opgewekt. Zoek dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, aan de rechterhand van God. 2. Denk aan de dingen die boven zijn, niet aan die op de aarde. 3. Jullie zijn namelijk gestorven, en jullie leven is met Christus verborgen in God. 4. Als Christus verschijnt, die ons leven is, dan zullen ook jullie met Hem verschijnen in heerlijkheid. 5. Dood dus wat aards in jullie is: ontucht, onreinheid, schaamteloze hartstocht, slechte begeerte en hebzucht, want dat is afgodendienst. 6. Daarom komt de toorn van God over de ongehoorzame mensen. 7. Vroeger leefden jullie daar ook in, toen jullie daarin thuis waren. 8. Maar leg dit nu allemaal af: drift, woede, kwaadaardigheid, laster en vuile taal uit je mond. 9. Lieg niet tegen elkaar. Jullie hebben immers de oude mens met zijn daden uitgetrokken. 10. En jullie hebben de nieuwe mens aangetrokken, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het beeld van zijn Schepper. 11. Daarin is geen Griek of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar, Scyth, slaaf of vrije. Christus is alles en in allen. 12. Trek dus aan, als uitverkorenen van God, heilig en geliefd: innige barmhartigheid, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. 13. Verdraag elkaar en vergeef elkaar, als iemand iets tegen een ander heeft. Zoals Christus jullie vergeven heeft, zo moeten jullie ook doen. 14. En trek boven dit alles de liefde aan, die de band van de volmaaktheid is. 15. Laat de vrede van Christus heersen in jullie hart. Daartoe zijn jullie ook geroepen, in één lichaam. En wees dankbaar. 16. Laat het woord van Christus rijk in jullie wonen. Onderwijs en vermaan elkaar met alle wijsheid, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Zing in jullie hart voor de Heere, met dankbaarheid. 17. Wat jullie ook doen in woorden of daden, doe het allemaal in de Naam van de Heere Jezus. Dank daarbij God de Vader door Hem. 18. Vrouwen, onderschik je aan je eigen man, zoals het past in de Heere. 19. Mannen, heb je vrouw lief en wees niet hard tegen haar. 20. Kinderen, wees je ouders in alles gehoorzaam, want dat is goed in de ogen van de Heere. 21. Vaders, treiter je kinderen niet, zodat zij niet moedeloos worden. 22. Slaven, wees in alles gehoorzaam aan je aardse heren. Doe dat niet alleen als zij kijken, om mensen te behagen, maar met een eerlijk hart, in ontzag voor God. 23. Wat jullie ook doen, doe het van harte, alsof jullie het voor de Heere doen en niet voor mensen. 24. Jullie weten dat jullie van de Heere de erfenis als beloning krijgen. Jullie dienen namelijk Christus als Heere. 25. Wie onrecht doet, zal dat onrecht terugkrijgen. God kijkt namelijk niet naar de persoon. ## Kolossenzen 4 — Bid en groet 1. Heren, geef je slaven wat rechtvaardig en eerlijk is. Jullie weten dat ook jullie een Heere hebben in de hemel. 2. Houd vol in het gebed en blijf daarin waken, met dank. 3. Bid ook voor ons, dat God een deur opent voor het woord. Dan kunnen wij het geheim van Christus verkondigen, waarvoor ik gevangen zit. 4. Bid dat ik het bekend kan maken zoals ik het moet zeggen. 5. Leef met wijsheid tegenover wie buiten staan en maak goed gebruik van de tijd. 6. Laat jullie woorden altijd vriendelijk zijn, met zout gekruid. Dan weten jullie hoe je ieder moet antwoorden. 7. Tychikus zal jullie alles over mij vertellen. Hij is een geliefde broeder, een trouwe dienaar en mededienaar in de Heere. 8. Ik stuur hem juist daarvoor naar jullie toe: om te weten hoe het met jullie gaat en om jullie hart te bemoedigen. 9. Hij komt met Onesimus, de trouwe en geliefde broeder, die een van jullie is. Zij zullen jullie alles vertellen wat hier gebeurt. 10. Aristarchus, mijn medegevangene, groet jullie. Ook Markus, de neef van Barnabas, over wie jullie instructies gekregen hebben. Ontvang hem als hij bij jullie komt. 11. Ook Jezus, die Justus heet, groet jullie. Zij komen uit de besnijdenis. Alleen zij zijn mijn medewerkers voor het Koninkrijk van God geweest, en zij waren een troost voor mij. 12. Epafras groet jullie, die een van jullie is, een dienaar van Christus. Hij strijdt altijd voor jullie in zijn gebeden, zodat jullie volwassen en vol overtuiging staan in alles wat God wil. 13. Ik kan van hem getuigen dat hij zich enorm inzet voor jullie en voor de mensen in Laodicea en Hiërapolis. 14. Lukas, de geliefde arts, groet jullie, en ook Demas. 15. Groet de gelovigen in Laodicea, en Nymfas en de gemeenschap die bij hem thuis samenkomt. 16. Laat deze brief, als hij bij jullie voorgelezen is, ook voorlezen in de gemeenschap van Laodicea. En lees zelf ook de brief die uit Laodicea komt. 17. Zeg tegen Archippus: Let op de dienst die je in de Heere gekregen hebt, en maak die af. 18. Deze groet schrijf ik, Paulus, met mijn eigen hand. Denk aan mijn boeien. De genade zij met jullie. Amen. ## 1 Thessalonicenzen 1 — Een voorbeeld voor alle gelovigen 1. Van Paulus, Silvanus en Timotheüs. Aan de gemeenschap van Tessalonicensen, die in God de Vader en de Heere Jezus Christus is. Genade en vrede voor jullie, van God onze Vader en van de Heere Jezus Christus. 2. Wij danken God altijd voor jullie allemaal en denken aan jullie in onze gebeden. 3. Steeds denken wij voor onze God en Vader aan jullie. Wij denken aan het werk van jullie geloof, de inzet van jullie liefde en jullie volharding in de hoop op onze Heere Jezus Christus. 4. Broeders, jullie zijn geliefd en wij weten dat God jullie uitgekozen heeft. 5. Ons evangelie kwam namelijk niet alleen met woorden bij jullie, maar ook met kracht, met de Heilige Geest en met volle zekerheid. Jullie weten hoe wij onder jullie geleefd hebben, om jullie te helpen. 6. En jullie zijn ons en de Heere gaan volgen. Jullie hebben het woord aangenomen in veel verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest. 7. Zo zijn jullie een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje. 8. Van jullie uit heeft het woord van de Heere geklonken, niet alleen in Macedonië en Achaje. Overal is jullie geloof in God bekend geworden, zodat wij daar niets over hoeven te zeggen. 9. De mensen vertellen zelf hoe wij bij jullie ontvangen zijn. Zij vertellen hoe jullie je van de afgoden tot God bekeerd hebben, om de levende en echte God te dienen. 10. En om Zijn Zoon uit de hemel te verwachten, die God uit de doden heeft opgewekt: Jezus, die ons redt van de toorn die komt. ## 1 Thessalonicenzen 2 — Hoe wij bij jullie waren 1. Broeders, jullie weten zelf dat ons bezoek bij jullie niet voor niets is geweest. 2. Wij hadden eerst geleden en waren mishandeld in Filippi, zoals jullie weten. Toch kregen wij vrijmoedigheid in onze God om het evangelie van God aan jullie te brengen, onder veel tegenstand. 3. Onze oproep kwam niet uit dwaling, niet uit onreinheid en niet met bedrog. 4. God heeft ons beproefd en ons het evangelie toevertrouwd. Zo spreken wij, niet om mensen te behagen maar God, die ons hart toetst. 5. Wij hebben nooit gevleid, zoals jullie weten, en nooit iets verborgen uit hebzucht. God is getuige. 6. Wij zochten geen eer bij mensen, niet bij jullie en niet bij anderen. Als apostelen van Christus hadden wij jullie tot last kunnen zijn. 7. Maar wij waren vriendelijk onder jullie, zoals een moeder haar kinderen koestert. 8. Wij waren zo op jullie gesteld dat wij jullie graag niet alleen het evangelie van God gaven, maar ook onszelf. Jullie waren ons namelijk lief geworden. 9. Broeders, jullie herinneren je ons harde werken. Wij werkten dag en nacht om niemand van jullie tot last te zijn, terwijl wij het evangelie van God verkondigden. 10. Jullie zijn getuigen, en God ook, hoe heilig, rechtvaardig en onberispelijk wij waren bij jullie die geloven. 11. Jullie weten hoe wij ieder van jullie bemoedigden en troostten, zoals een vader zijn kinderen doet. 12. Wij drongen erop aan dat jullie zouden leven zoals het God past, die jullie roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid. 13. Daarom danken wij God ook steeds. Jullie hebben het woord van God dat jullie van ons hoorden, niet aangenomen als woord van mensen. Jullie namen het aan als wat het echt is: het woord van God, dat ook werkt in jullie die geloven. 14. Broeders, jullie zijn gaan lijken op de gemeenschappen van God in Judea, die in Christus Jezus zijn. Jullie hebben namelijk hetzelfde geleden van je eigen volksgenoten als zij van de Joden. 15. Die hebben de Heere Jezus gedood en hun eigen profeten, en ons vervolgd. Zij behagen God niet en staan tegenover alle mensen. 16. Zij houden ons tegen om tot de volken te spreken over hun redding. Zo maken zij de maat van hun zonden vol. Maar de toorn is over hen gekomen, tot het einde toe. 17. Broeders, wij zijn korte tijd van jullie gescheiden geweest, uit het oog maar niet uit het hart. Daardoor hebben wij des te meer ons best gedaan om jullie te zien, met groot verlangen. 18. Daarom wilden wij naar jullie toe komen, ik, Paulus, zelfs meer dan eens. Maar de satan heeft ons tegengehouden. 19. Wat is namelijk onze hoop, onze blijdschap, onze erekroon? Zijn jullie dat niet, voor onze Heere Jezus Christus bij Zijn komst? 20. Jullie zijn onze eer en blijdschap. ## 1 Thessalonicenzen 3 — Het bericht van Timotheüs 1. Wij konden het niet langer uithouden. Daarom besloten wij om alleen in Athene achter te blijven. 2. Wij stuurden Timotheüs, onze broeder en dienaar van God en onze medewerker in het evangelie van Christus. Hij moest jullie versterken en bemoedigen in jullie geloof. 3. Zo zou niemand wankelen door deze verdrukkingen. Jullie weten zelf dat wij daarvoor bestemd zijn. 4. Toen wij bij jullie waren, zeiden wij al dat wij verdrukt zouden worden. En zo is het ook gebeurd, zoals jullie weten. 5. Daarom kon ik het ook niet langer uithouden en stuurde ik hem, om te horen hoe jullie geloof erbij stond. Ik was bang dat de verleider jullie verleid had en dat ons werk voor niets was. 6. Maar nu is Timotheüs bij ons teruggekomen. Hij bracht goed nieuws over jullie geloof en liefde. Jullie denken altijd goed over ons en verlangen ernaar ons te zien, zoals wij naar jullie. 7. Broeders, daardoor zijn wij in al onze verdrukking en nood bemoedigd door jullie geloof. 8. Nu leven wij weer op, als jullie vast staan in de Heere. 9. Hoe kunnen wij God genoeg danken voor jullie, om alle blijdschap die wij om jullie hebben voor onze God? 10. Dag en nacht bidden wij vurig of wij jullie mogen zien en mogen aanvullen wat aan jullie geloof ontbreekt. 11. Laat onze God en Vader Zelf en onze Heere Jezus onze weg naar jullie banen. 12. En laat de Heere jullie laten groeien en overvloeien in liefde voor elkaar en voor iedereen, zoals wij dat zijn voor jullie. 13. Zo zal Hij jullie hart versterken. Dan zijn jullie onberispelijk en heilig voor onze God en Vader, bij de komst van onze Heere Jezus met al Zijn heiligen. ## 1 Thessalonicenzen 4 — Als Christus terugkomt 1. Broeders, verder vragen wij jullie dringend in de Heere Jezus: jullie hebben van ons geleerd hoe jullie moeten leven en God behagen. Doe dat dan ook steeds meer. 2. Jullie weten welke opdrachten wij jullie gegeven hebben, namens de Heere Jezus. 3. Dit is namelijk de wil van God: jullie heiliging. Blijf weg van de ontucht. 4. Laat ieder van jullie zijn eigen lichaam bezitten in heiliging en eer. 5. Niet met begeerte en hartstocht, zoals de volken die God niet kennen. 6. Laat niemand zijn broeder te na komen of hem in zaken bedriegen. De Heere straft dat allemaal, zoals wij jullie eerder gezegd en verzekerd hebben. 7. God heeft ons namelijk niet geroepen tot onreinheid, maar tot heiliging. 8. Wie dit verwerpt, verwerpt dus geen mens maar God, die ook Zijn Heilige Geest in ons gegeven heeft. 9. Over de onderlinge liefde hoef ik jullie niet te schrijven. Jullie zijn zelf door God geleerd om elkaar lief te hebben. 10. Jullie doen dat ook voor alle gelovigen in heel Macedonië. Broeders, wij vragen jullie dringend om daarin nog meer te groeien. 11. Doe je best om rustig te leven, je eigen zaken te doen en met je eigen handen te werken, zoals wij jullie opgedragen hebben. 12. Dan leven jullie netjes tegenover wie buiten staan en komen jullie niets tekort. 13. Broeders, wij willen dat jullie weten hoe het zit met wie gestorven zijn. Dan hoeven jullie geen verdriet te hebben zoals de anderen, die geen hoop hebben. 14. Wij geloven immers dat Jezus gestorven en opgestaan is. Zo zal God ook wie in Jezus gestorven zijn met Hem meebrengen. 15. Dit zeggen wij jullie met een woord van de Heere. Wij die in leven blijven tot Zijn komst, gaan hun die gestorven zijn niet voor. 16. De Heere Zelf zal namelijk neerdalen uit de hemel, met een bevel, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God. En wie in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan. 17. Daarna zullen wij die in leven zijn samen met hen worden weggevoerd in de wolken, de Heere tegemoet in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn. 18. Bemoedig elkaar dus met deze woorden. ## 1 Thessalonicenzen 5 — Kinderen van het licht 1. Broeders, over tijden en gelegenheden hoeft men jullie niet te schrijven. 2. Jullie weten zelf heel goed dat de dag van de Heere komt als een dief in de nacht. 3. Als zij zeggen: Er is vrede en veiligheid, dan overvalt hen plotseling de ondergang, zoals weeën een zwangere vrouw. En zij zullen niet ontkomen. 4. Broeders, jullie leven niet in het donker, zodat die dag jullie als een dief zou overvallen. 5. Jullie zijn allemaal kinderen van het licht en kinderen van de dag. Wij horen niet bij de nacht of bij de duisternis. 6. Laten wij dus niet slapen zoals de anderen, maar waken en nuchter zijn. 7. Wie slapen, slapen namelijk 's nachts, en wie dronken zijn, zijn 's nachts dronken. 8. Maar wij horen bij de dag. Laten wij dan nuchter zijn, met het geloof en de liefde als borstplaat en de hoop op redding als helm. 9. God heeft ons namelijk niet bestemd tot toorn, maar om redding te krijgen door onze Heere Jezus Christus. 10. Hij is voor ons gestorven, zodat wij samen met Hem leven, of wij nu waken of slapen. 11. Bemoedig elkaar dus en bouw elkaar op, zoals jullie ook doen. 12. Broeders, wij vragen jullie: erken wie onder jullie hard werken, jullie leiden in de Heere en jullie terechtwijzen. 13. Waardeer hen heel hoog in liefde om hun werk. Leef in vrede met elkaar. 14. Broeders, wij vragen jullie: wijs de ongeregelden terecht, bemoedig de moedelozen, steun de zwakken en heb geduld met iedereen. 15. Zorg dat niemand kwaad met kwaad vergeldt. Jaag altijd het goede na, voor elkaar en voor iedereen. 16. Wees altijd blij. 17. Bid zonder ophouden. 18. Dank God in alles. Dat is namelijk de wil van God in Christus Jezus voor jullie. 19. Blus de Geest niet uit. 20. Minacht de profetieën niet. 21. Toets alles en houd vast aan het goede. 22. Blijf weg van elke vorm van kwaad. 23. Laat de God van de vrede Zelf jullie helemaal heiligen. En laat jullie geest, ziel en lichaam volledig onberispelijk bewaard worden bij de komst van onze Heere Jezus Christus. 24. Hij die jullie roept, is trouw. Hij zal het ook doen. 25. Broeders, bid voor ons. 26. Groet alle gelovigen met een heilige kus. 27. Ik bezweer jullie bij de Heere dat deze brief aan alle heiligen wordt voorgelezen. 28. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met jullie. Amen. ## 2 Thessalonicenzen 1 — Als Jezus verschijnt 1. Van Paulus, Silvanus en Timotheüs. Aan de gemeenschap van Tessalonicensen, die in God onze Vader en de Heere Jezus Christus is. 2. Genade en vrede voor jullie, van God onze Vader en van de Heere Jezus Christus. 3. Broeders, wij moeten God altijd voor jullie danken, en dat is ook terecht. Jullie geloof groeit sterk en de liefde van ieder van jullie voor elkaar wordt steeds groter. 4. Daarom roemen wij zelf over jullie in de gemeenschappen van God. Wij roemen over jullie volharding en geloof in alle vervolging en verdrukking die jullie verdragen. 5. Dat is een bewijs van het rechtvaardige oordeel van God. Zo worden jullie het Koninkrijk van God waard geacht, waarvoor jullie ook lijden. 6. Het is namelijk rechtvaardig dat God verdrukking vergeldt aan wie jullie verdrukken. 7. En dat Hij jullie die verdrukt worden, rust geeft samen met ons. Dat gebeurt als de Heere Jezus vanuit de hemel verschijnt met de engelen van Zijn kracht. 8. Dan komt Hij met vlammend vuur en straft Hij wie God niet kennen en wie het evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzamen. 9. Zij zullen als straf eeuwig verderf lijden, ver van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht. 10. Dat gebeurt op die dag, als Hij komt om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden door allen die geloven. Ook jullie horen daarbij, want jullie hebben ons getuigenis geloofd. 11. Daarom bidden wij ook altijd voor jullie. Wij bidden dat onze God jullie de roeping waard acht. Laat Hij met kracht alles vervullen wat Hij in goedheid wil, en het werk van het geloof. 12. Zo wordt de Naam van onze Heere Jezus Christus in jullie verheerlijkt, en jullie in Hem. Dat gebeurt naar de genade van onze God en de Heere Jezus Christus. ## 2 Thessalonicenzen 2 — De mens van de wetteloosheid 1. Broeders, wij vragen jullie iets over de komst van onze Heere Jezus Christus en onze samenkomst bij Hem. 2. Laat je niet snel van je stuk brengen of schrik aanjagen. Dat kan gebeuren door een geest, een woord of een brief die van ons zou komen, alsof de dag van Christus al aangebroken is. 3. Laat niemand je op welke manier dan ook misleiden. Die dag komt pas als eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid verschenen is, de zoon van het verderf. 4. Hij verzet zich en verheft zich boven alles wat God heet of als God vereerd wordt. Hij gaat zelfs in de tempel van God zitten en laat zien dat hij God is. 5. Weten jullie niet meer dat ik dit gezegd heb toen ik nog bij jullie was? 6. Jullie weten wat hem nu tegenhoudt, zodat hij pas op zijn eigen tijd verschijnt. 7. Het geheim van de wetteloosheid is namelijk al aan het werk. Alleen: Hij die hem nu tegenhoudt, zal dat blijven doen totdat Hij wordt weggenomen. 8. Dan zal de wetteloze verschijnen. De Heere zal hem doden met de adem van Zijn mond en hem vernietigen door de verschijning van Zijn komst. 9. Die wetteloze komt door de werking van de satan, met alle kracht, met tekenen en met leugenwonderen. 10. Hij komt met elke verleiding van het onrecht bij wie verloren gaan. Zij hebben namelijk de liefde voor de waarheid niet aangenomen om gered te worden. 11. Daarom stuurt God hun een kracht van dwaling, zodat zij de leugen geloven. 12. Zo worden zij allemaal veroordeeld die de waarheid niet geloofd hebben, maar vreugde hadden in het onrecht. 13. Broeders, wij moeten God altijd voor jullie danken. Jullie zijn geliefd door de Heere. God heeft jullie van het begin af uitgekozen tot redding, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid. 14. Daartoe heeft Hij jullie geroepen door ons evangelie, om de heerlijkheid van onze Heere Jezus Christus te krijgen. 15. Broeders, sta dus vast en houd vast aan de overleveringen die jullie geleerd hebben, door ons woord of door onze brief. 16. Onze Heere Jezus Christus Zelf en onze God en Vader hebben ons liefgehad. In genade gaven zij ons eeuwige troost en goede hoop. 17. Laat Hij jullie hart bemoedigen en jullie versterken in elk goed woord en werk. ## 2 Thessalonicenzen 3 — Werk rustig door 1. Broeders, bid verder voor ons, dat het woord van de Heere snel verder gaat en geëerd wordt, net als bij jullie. 2. Bid ook dat wij gered worden van verkeerde en slechte mensen. Niet iedereen heeft namelijk het geloof. 3. Maar de Heere is trouw. Hij zal jullie versterken en bewaren voor de boze. 4. Wij vertrouwen in de Heere op jullie, dat jullie doen wat wij opdragen en dat ook zullen blijven doen. 5. Laat de Heere jullie hart richten op de liefde van God en op de volharding van Christus. 6. Broeders, wij dragen jullie dit op in de Naam van onze Heere Jezus Christus. Blijf weg bij iedere gelovige die ongeregeld leeft en zich niet houdt aan wat hij van ons geleerd heeft. 7. Jullie weten zelf hoe je ons moet navolgen. Wij hebben ons namelijk niet ongeregeld gedragen bij jullie. 8. Wij hebben bij niemand gratis brood gegeten. Met inspanning en moeite werkten wij dag en nacht, om niemand van jullie tot last te zijn. 9. Niet dat wij daar geen recht op hadden. Wij wilden onszelf als voorbeeld geven, zodat jullie ons zouden navolgen. 10. Toen wij bij jullie waren, hebben wij dit al opgedragen: wie niet wil werken, zal ook niet eten. 11. Wij horen namelijk dat sommigen onder jullie ongeregeld leven. Zij werken niet, maar bemoeien zich met van alles. 12. Zulke mensen dragen wij op en vragen wij dringend, in onze Heere Jezus Christus: werk rustig door en eet je eigen brood. 13. Broeders, word niet moe om goed te doen. 14. Gehoorzaamt iemand ons woord in deze brief niet, wijs hem dan aan. Ga niet met hem om, zodat hij beschaamd wordt. 15. Maar behandel hem niet als een vijand. Wijs hem terecht als een broeder. 16. Laat de Heere van de vrede Zelf jullie altijd vrede geven, op elke manier. De Heere zij met jullie allemaal. 17. Deze groet schrijf ik, Paulus, met mijn eigen hand. Dat is het teken in elke brief; zo schrijf ik. 18. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met jullie allemaal. Amen. ## 1 Timotheüs 1 — Houd vast aan de gezonde leer 1. Van Paulus, apostel van Jezus Christus in opdracht van God, onze Redder, en van de Heere Jezus Christus, die onze hoop is. 2. Aan Timotheüs, mijn echte zoon in het geloof. Genade, barmhartigheid en vrede voor jou, van God onze Vader en van Christus Jezus, onze Heere. 3. Ik heb je gevraagd in Efeze te blijven toen ik naar Macedonië reisde. Dat vraag ik nog steeds. Draag sommigen op geen andere leer te brengen. 4. Zij moeten zich ook niet bezighouden met verzinsels en eindeloze geslachtslijsten. Die leveren alleen maar vragen en ruzie op en niet het werk van God, dat door geloof komt. 5. Het doel van dit gebod is liefde, uit een zuiver hart, een goed geweten en een oprecht geloof. 6. Sommigen zijn daarvan afgeweken en verdwaald in leeg gepraat. 7. Zij willen leraars van de wet zijn, maar begrijpen niet wat zij zeggen of met stelligheid beweren. 8. Wij weten dat de wet goed is, als iemand haar gebruikt zoals het hoort. 9. Hij moet weten dat de wet er niet is voor rechtvaardige mensen. Zij is er voor wie onrechtvaardig en opstandig zijn, voor goddelozen en zondaars. Zij is er ook voor wie onheilig zijn, voor wie hun vader of moeder doden en voor moordenaars. 10. Ook voor wie ontucht plegen, met mannen slapen, mensen roven, liegen of meineed plegen, en voor al het andere dat ingaat tegen de gezonde leer. 11. Die leer past bij het heerlijke evangelie van de gelukkige God, dat aan mij is toevertrouwd. 12. Ik dank Christus Jezus, onze Heere, die mij kracht gegeven heeft. Hij vond mij betrouwbaar en gaf mij deze dienst. 13. Vroeger was ik een godslasteraar, een vervolger en een geweldenaar. Toch kreeg ik barmhartigheid, want ik deed het uit onwetendheid, in ongeloof. 14. De genade van onze Heere is overvloedig geweest, met geloof en liefde in Christus Jezus. 15. Dit woord is betrouwbaar en verdient het om helemaal aangenomen te worden. Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden, en ik ben de eerste van hen. 16. Juist daarom kreeg ik barmhartigheid. Zo kon Jezus Christus aan mij, de eerste, al Zijn geduld laten zien, als voorbeeld voor wie in Hem gaan geloven tot eeuwig leven. 17. De Koning van de eeuwen, de onvergankelijke, de onzichtbare, de enige God, zij eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen. 18. Dit gebod geef ik jou, mijn zoon Timotheüs. Strijd de goede strijd, zoals de profetieën over jou dat aangeven. 19. Houd vast aan het geloof en aan een goed geweten. Sommigen hebben dat weggeduwd en zijn in hun geloof schipbreuk geleden. 20. Onder hen zijn Hymeneüs en Alexander. Ik heb hen aan de satan overgegeven, zodat zij leren niet meer te lasteren. ## 1 Timotheüs 2 — Bid voor alle mensen 1. Allereerst vraag ik dat er gesmeekt, gebeden en gedankt wordt voor alle mensen, en dat er voor hen gepleit wordt. 2. Bid voor koningen en voor iedereen met gezag. Dan kunnen wij een rustig en stil leven leiden, in alle vroomheid en eerbaarheid. 3. Dat is goed en aangenaam voor God, onze Redder. 4. Hij wil dat alle mensen gered worden en tot kennis van de waarheid komen. 5. Er is namelijk één God, en één Middelaar tussen God en mensen: de Mens Christus Jezus. 6. Hij heeft Zijn leven gegeven als losprijs voor allen. Dat werd op de juiste tijd bekend. 7. Daarvoor ben ik aangesteld als verkondiger en apostel. Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet. Ik ben een leraar van de volken, in geloof en waarheid. 8. Ik wil dus dat de mannen overal bidden. Laat hen heilige handen opheffen, zonder woede en ruzie. 9. Ik wil ook dat de vrouwen zich net kleden, met bescheidenheid en beheersing. Niet met opgemaakte vlechten, goud, parels of dure kleren. 10. Laat hen zich sieren met goede werken. Dat past bij vrouwen die zeggen dat zij God dienen. 11. Laat een vrouw in stilte leren, in alle onderschikking. 12. Ik sta niet toe dat een vrouw onderwijst of over de man heerst. Ik wil dat zij stil is. 13. Adam is namelijk eerst gemaakt en daarna Eva. 14. En Adam is niet misleid, maar de vrouw werd misleid en overtrad het gebod. 15. Toch zal zij gered worden door kinderen te krijgen, als zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met beheersing. ## 1 Timotheüs 3 — Opzieners en dienaren 1. Dit woord is betrouwbaar: wie graag opziener wil zijn, verlangt naar een mooie taak. 2. Een opziener moet onberispelijk zijn, man van één vrouw, waakzaam, beheerst, eerbaar, gastvrij en in staat om te onderwijzen. 3. Hij mag niet aan de wijn verslaafd zijn, geen ruziemaker, niet uit op oneerlijke winst. Hij moet mild zijn, vreedzaam en niet geldzuchtig. 4. Hij moet zijn eigen huis goed leiden en zijn kinderen met alle waardigheid in gehoorzaamheid houden. 5. Wie zijn eigen huis niet weet te leiden, hoe kan die dan zorgen voor de gemeenschap van God? 6. Hij mag geen pasbekeerde zijn, anders raakt hij opgeblazen en valt hij onder het oordeel van de duivel. 7. Hij moet ook een goede naam hebben bij wie buiten staan. Anders komt hij in opspraak en valt hij in de strik van de duivel. 8. De dienaren moeten net zo eerbaar zijn, niet met twee tongen spreken, niet aan de wijn verslaafd en niet uit op oneerlijke winst. 9. Zij moeten het geheim van het geloof vasthouden in een zuiver geweten. 10. Laat hen eerst beproefd worden. Zijn zij onberispelijk, dan mogen zij daarna dienen. 11. De vrouwen moeten net zo eerbaar zijn, geen kwaadspreeksters, maar waakzaam en in alles betrouwbaar. 12. Laat de dienaren man van één vrouw zijn en hun kinderen en hun eigen huis goed leiden. 13. Wie goed gediend hebben, krijgen een goede positie en veel vrijmoedigheid in het geloof in Christus Jezus. 14. Ik schrijf je dit, al hoop ik snel bij je te komen. 15. Blijf ik toch langer weg, dan weet je hoe men zich moet gedragen in het huis van God. Dat is de gemeenschap van de levende God, een pilaar en fundament van de waarheid. 16. En het geheim van de vroomheid is zonder twijfel groot. God is geopenbaard in het vlees, gerechtvaardigd in de Geest en gezien door de engelen. Hij is verkondigd onder de volken, geloofd in de wereld en opgenomen in heerlijkheid. ## 1 Timotheüs 4 — Een goed dienaar van Christus 1. De Geest zegt duidelijk dat in de laatste tijd sommigen van het geloof zullen afvallen. Zij zullen zich richten op misleidende geesten en op leringen van boze geesten. 2. Dat komt door huichelaars die liegen en die hun eigen geweten hebben dichtgeschroeid. 3. Zij verbieden te trouwen en dragen op om bepaald voedsel te laten staan. God heeft dat juist geschapen om met dank te gebruiken door wie geloven en de waarheid kennen. 4. Alles wat God geschapen heeft is namelijk goed. Niets hoeft afgewezen te worden als het met dank aangenomen wordt. 5. Het wordt namelijk geheiligd door het woord van God en door het gebed. 6. Als je dit aan de gelovigen voorhoudt, ben je een goed dienaar van Jezus Christus. Dan word je gevoed door de woorden van het geloof en door de goede leer die je gevolgd hebt. 7. Wijs de goddeloze verzinsels van oude vrouwen af. Oefen jezelf juist in de vroomheid. 8. Lichamelijke oefening heeft weinig nut, maar vroomheid heeft nut voor alles. Zij heeft de belofte van dit leven en van het leven dat komt. 9. Dit woord is betrouwbaar en verdient het om helemaal aangenomen te worden. 10. Daarvoor zwoegen wij namelijk en worden wij beschimpt. Wij hebben immers gehoopt op de levende God, de Redder van alle mensen, vooral van de gelovigen. 11. Draag dit op en onderwijs het. 12. Laat niemand op je neerkijken omdat je jong bent. Wees juist een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in leven, in liefde, in geest, in geloof en in zuiverheid. 13. Houd vol in het voorlezen, het bemoedigen en het onderwijzen, totdat ik kom. 14. Verwaarloos de gave niet die in je is. Die heb je gekregen door profetie, toen de oudsten je de handen oplegden. 15. Denk hierover na en ga hier helemaal in op. Dan is je groei voor iedereen zichtbaar. 16. Let op jezelf en op de leer. Houd daarin vol. Als je dat doet, red je jezelf en wie naar je luisteren. ## 1 Timotheüs 5 — Zorg voor de weduwen 1. Wijs een oude man niet hard terecht, maar spreek hem aan als een vader. Spreek jonge mannen aan als je eigen broer. 2. Spreek oude vrouwen aan als moeders en jonge vrouwen als je eigen zus, in alle zuiverheid. 3. Eer de weduwen die echt weduwe zijn. 4. Heeft een weduwe kinderen of kleinkinderen? Laten die dan eerst thuis leren hun eigen familie te eren en hun ouders terug te geven wat zij kregen. Dat is goed en aangenaam voor God. 5. Wie echt weduwe is en alleen achterblijft, hoopt op God. Zij blijft dag en nacht smeken en bidden. 6. Maar wie leeft voor haar genot, is levend dood. 7. Draag dit op, zodat zij onberispelijk zijn. 8. Zorgt iemand niet voor zijn eigen mensen, en vooral niet voor zijn huisgenoten, dan heeft hij het geloof verloochend. Hij is erger dan een ongelovige. 9. Laat een weduwe pas op de lijst komen als zij minstens zestig jaar is en de vrouw van één man is geweest. 10. Zij moet bekendstaan om haar goede werken. Zij heeft kinderen opgevoed, was gastvrij en waste de voeten van de heiligen. Zij heeft mensen in nood geholpen en elk goed werk nagejaagd. 11. Neem jonge weduwen niet op. Als hun verlangens sterker worden dan hun band met Christus, willen zij trouwen. 12. Dan krijgen zij een oordeel, omdat zij hun eerste belofte hebben gebroken. 13. Bovendien leren zij van huis tot huis te gaan zonder iets te doen. Zij zijn niet alleen lui, maar ook roddelaars. Zij bemoeien zich met alles en zeggen dingen die niet horen. 14. Ik wil daarom dat jonge weduwen trouwen, kinderen krijgen en hun huis leiden. Dan geven zij de tegenstander geen aanleiding om kwaad te spreken. 15. Sommigen zijn namelijk al afgedwaald, achter de satan aan. 16. Heeft een gelovige man of vrouw weduwen in de familie, laat die hen dan helpen. Dan wordt de gemeenschap niet belast en kan zij helpen wie echt weduwe zijn. 17. Laat de oudsten die goed leiding geven dubbele eer krijgen, vooral wie zich inzetten voor het woord en het onderwijs. 18. De Schrift zegt namelijk: Je mag een os die dorst geen muilkorf omdoen, en: De arbeider is zijn loon waard. 19. Neem geen beschuldiging tegen een oudste aan, behalve op het woord van twee of drie getuigen. 20. Wijs wie zondigen terecht waar iedereen bij is, zodat ook de anderen ontzag krijgen. 21. Ik roep God, de Heere Jezus Christus en de uitverkoren engelen op als getuigen. Houd je hieraan zonder vooroordeel en doe niets uit voorkeur. 22. Leg niemand te snel de handen op en deel niet in de zonden van anderen. Houd jezelf zuiver. 23. Drink niet langer alleen water. Neem ook wat wijn, om je maag en je vele zwakheden. 24. Bij sommige mensen zijn de zonden al zichtbaar en gaan zij voor hen uit naar het oordeel. Bij anderen komen zij pas later aan het licht. 25. Zo zijn ook de goede werken al zichtbaar. En wat nog niet zichtbaar is, kan niet verborgen blijven. ## 1 Timotheüs 6 — Vroomheid met tevredenheid 1. Slaven die onder een juk leven, moeten hun heren alle eer waard vinden. Anders wordt de Naam van God en de leer gelasterd. 2. Wie gelovige heren hebben, moeten niet op hen neerkijken omdat zij bij dezelfde familie horen. Zij moeten juist beter dienen, want hun heren zijn gelovig en geliefd en delen in dezelfde weldaad. Onderwijs dit en houd het voor. 3. Brengt iemand een andere leer? Houdt hij zich niet aan de gezonde woorden van onze Heere Jezus Christus en aan de leer die bij de vroomheid past? 4. Dan is hij opgeblazen en weet hij niets. Hij is ziek van vragen en woordenstrijd, en daaruit komen afgunst, ruzie, laster en kwade verdenkingen. 5. Zulke mensen hebben een bedorven verstand en missen de waarheid. Zij denken dat vroomheid een verdienmodel is. Blijf bij hen weg. 6. Vroomheid met tevredenheid is juist een grote winst. 7. Wij hebben niets in de wereld meegebracht en het is duidelijk dat wij er ook niets uit kunnen meenemen. 8. Als wij voedsel en kleding hebben, zijn wij daarmee tevreden. 9. Wie rijk willen worden, komen in verleiding en in een strik. Zij vallen in veel dwaze en schadelijke verlangens, die mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. 10. De liefde voor geld is namelijk een wortel van alle kwaad. Sommigen zijn daarnaar gaan verlangen en zijn van het geloof afgedwaald. Zij hebben zichzelf veel pijn bezorgd. 11. Maar jij, mens van God, blijf daar weg. Jaag naar gerechtigheid, vroomheid, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid. 12. Strijd de goede strijd van het geloof. Grijp het eeuwige leven, waartoe je geroepen bent en waarvan je de goede belijdenis afgelegd hebt voor veel getuigen. 13. Ik draag je dit op voor God, die alles levend maakt, en voor Christus Jezus, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis heeft afgelegd. 14. Houd dit gebod zuiver en onberispelijk, tot de verschijning van onze Heere Jezus Christus. 15. God zal die verschijning op Zijn tijd laten zien. Hij is de gelukkige en enige Heerser, de Koning van de koningen en de Heer van de heren. 16. Alleen Hij heeft onsterfelijkheid en woont in een ontoegankelijk licht. Geen mens heeft Hem gezien of kan Hem zien. Hem zij eer en eeuwige kracht. Amen. 17. Draag de rijken in deze wereld op niet hoogmoedig te zijn. Laat hen niet hopen op onzekere rijkdom, maar op God, die ons alles rijkelijk geeft om ervan te genieten. 18. Laat hen goed doen, rijk worden in goede werken, vrijgevig zijn en graag delen. 19. Zo leggen zij voor zichzelf een schat weg als goed fundament voor de toekomst, om het echte leven te grijpen. 20. Timotheüs, bewaar wat jou is toevertrouwd. Blijf weg van goddeloos leeg gepraat en van tegenwerpingen uit wat ten onrechte kennis heet. 21. Sommigen hebben dat aangeprezen en zijn van het geloof afgedwaald. De genade zij met jou. Amen. ## 2 Timotheüs 1 — Schaam je niet voor het evangelie 1. Van Paulus, apostel van Jezus Christus door de wil van God, naar de belofte van het leven dat in Christus Jezus is. 2. Aan Timotheüs, mijn geliefde zoon. Genade, barmhartigheid en vrede voor jou, van God de Vader en van Christus Jezus, onze Heere. 3. Ik dank God, die ik dien met een zuiver geweten, zoals mijn voorouders deden. Dag en nacht denk ik in mijn gebeden steeds aan jou. 4. Ik verlang ernaar je te zien, want ik denk aan je tranen. Dan zal ik vol blijdschap zijn. 5. Ik denk aan je oprechte geloof. Dat woonde eerst in je grootmoeder Loïs en in je moeder Eunice, en ik weet zeker dat het ook in jou woont. 6. Daarom herinner ik je eraan dat je de gave van God moet aanwakkeren die in je is door de oplegging van mijn handen. 7. God heeft ons namelijk geen geest van angst gegeven, maar van kracht, liefde en bezonnenheid. 8. Schaam je dan niet voor het getuigenis van onze Heere, en ook niet voor mij, Zijn gevangene. Lijd juist mee voor het evangelie, door de kracht van God. 9. Hij heeft ons gered en geroepen met een heilige roeping. Dat deed Hij niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen plan en genade, die ons in Christus Jezus gegeven is vóór alle tijden. 10. Nu is die genade bekend geworden door de verschijning van onze Redder Jezus Christus. Hij heeft de dood tenietgedaan en leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht door het evangelie. 11. Daarvoor ben ik aangesteld als verkondiger, apostel en leraar van de volken. 12. Daarom lijd ik dit ook, en toch schaam ik mij niet. Ik weet in wie ik geloofd heb. En ik weet zeker dat Hij bij machte is te bewaren wat ik Hem toevertrouwd heb, tot die dag. 13. Houd je aan het voorbeeld van de gezonde woorden die je van mij gehoord hebt, in geloof en liefde in Christus Jezus. 14. Bewaar het goede dat jou is toevertrouwd, door de Heilige Geest die in ons woont. 15. Je weet dat iedereen in Asia zich van mij heeft afgekeerd, ook Fygelus en Hermogenes. 16. Laat de Heere barmhartig zijn voor het huis van Onesiforus. Hij heeft mij vaak bemoedigd en schaamde zich niet voor mijn ketenen. 17. Toen hij in Rome kwam, heeft hij mij zelfs ijverig gezocht en gevonden. 18. Laat de Heere geven dat hij barmhartigheid vindt bij de Heere op die dag. En jij weet heel goed hoeveel hij mij in Efeze gediend heeft. ## 2 Timotheüs 2 — Een goede soldaat van Christus 1. Mijn zoon, word dan sterk in de genade die in Christus Jezus is. 2. Wat je van mij gehoord hebt bij veel getuigen, moet je toevertrouwen aan betrouwbare mensen. Zij zullen in staat zijn om ook anderen te onderwijzen. 3. Lijd mee als een goede soldaat van Jezus Christus. 4. Wie in dienst is, laat zich niet in met zaken van het gewone leven. Hij wil zijn bevelhebber behagen. 5. En wie aan een wedstrijd meedoet, krijgt de krans niet als hij zich niet aan de regels houdt. 6. De boer die hard werkt, moet als eerste van de vruchten krijgen. 7. Denk na over wat ik zeg. De Heere zal je in alles inzicht geven. 8. Denk eraan dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt en dat Hij uit het nageslacht van David komt. Zo luidt mijn evangelie. 9. Daarvoor lijd ik verdrukking, zelfs tot in de ketenen, als een misdadiger. Maar het woord van God is niet geketend. 10. Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen. Zo krijgen ook zij de redding die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid. 11. Dit woord is betrouwbaar. Als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven. 12. Als wij volhouden, zullen wij ook met Hem heersen. Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen. 13. Als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw. Hij kan Zijn eigen woord niet verloochenen. 14. Herinner de mensen hieraan en roep God op als getuige. Zij moeten geen woordenstrijd voeren. Dat helpt niemand en richt de hoorders alleen maar te gronde. 15. Doe je best om jezelf beproefd aan God te laten zien. Wees een werker die zich niet hoeft te schamen en die het woord van de waarheid recht uitlegt. 16. Blijf weg van goddeloos leeg gepraat. Dat leidt alleen maar tot meer goddeloosheid. 17. Zulke praat vreet om zich heen als een gezwel. Hymeneüs en Filetus horen daarbij. 18. Zij zijn van de waarheid afgeweken en zeggen dat de opstanding al geweest is. Zo maken zij het geloof van sommigen kapot. 19. Toch staat het vaste fundament van God. Het draagt dit zegel: De Heere kent wie van Hem zijn, en: Wie de Naam van Christus noemt, moet weggaan bij het onrecht. 20. In een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren voorwerpen. Er zijn ook houten en aarden voorwerpen: sommige voor mooi gebruik en andere voor gewoon gebruik. 21. Houdt iemand zich daarvan vrij, dan is hij een voorwerp voor mooi gebruik. Hij is geheiligd en bruikbaar voor de Heere, klaar voor elk goed werk. 22. Vlucht weg van de verlangens van de jeugd. Jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede, samen met wie de Heere aanroepen uit een zuiver hart. 23. Wijs dwaze vragen af die niets opleveren. Je weet dat die alleen maar ruzie geven. 24. Een dienaar van de Heere moet geen ruzie maken. Hij moet vriendelijk zijn voor iedereen, in staat om te onderwijzen en geduldig als het moeilijk wordt. 25. Hij moet met zachtmoedigheid onderwijzen wie tegenspreken. Misschien geeft God hun ooit bekering, zodat zij de waarheid leren kennen. 26. Dan worden zij weer wakker uit de strik van de duivel, die hen gevangen hield voor zijn wil. ## 2 Timotheüs 3 — Zware tijden komen 1. Weet dit: in de laatste dagen zullen er zware tijden komen. 2. De mensen zullen namelijk van zichzelf houden en van geld. Zij zullen opscheppen, hoogmoedig zijn, lasteren, hun ouders ongehoorzaam zijn, ondankbaar en onheilig. 3. Zij zullen zonder liefde zijn, onverzoenlijk, kwaadsprekend, onbeheerst, wreed en zonder liefde voor het goede. 4. Zij zullen verraden, roekeloos en opgeblazen zijn. Zij houden meer van genot dan van God. 5. Zij hebben de schijn van vroomheid, maar verloochenen de kracht ervan. Blijf ook bij die mensen weg. 6. Zulke mensen sluipen namelijk huizen binnen en krijgen vrouwen in hun greep die geladen zijn met zonden en gedreven worden door allerlei verlangens. 7. Die vrouwen leren altijd, maar kunnen nooit tot kennis van de waarheid komen. 8. Jannes en Jambres verzetten zich tegen Mozes. Zo verzetten deze mensen zich tegen de waarheid. Hun verstand is bedorven en hun geloof is waardeloos. 9. Maar zij komen niet verder. Hun dwaasheid zal voor iedereen duidelijk worden, net als bij die twee. 10. Maar jij bent mij gevolgd in mijn leer, mijn manier van leven, mijn plan, mijn geloof, mijn geduld, mijn liefde en mijn volharding. 11. Je kent mijn vervolgingen en mijn lijden in Antiochië, Ikonium en Lystre. Wat een vervolgingen heb ik verdragen, en de Heere heeft mij uit alles gered. 12. Iedereen die vroom wil leven in Christus Jezus, zal vervolgd worden. 13. Slechte mensen en bedriegers gaan van kwaad tot erger. Zij misleiden anderen en worden zelf misleid. 14. Maar blijf jij bij wat je geleerd hebt en waarvan je overtuigd bent. Je weet immers van wie je het geleerd hebt. 15. Van kinds af aan ken je de heilige Schriften. Die kunnen je wijs maken tot redding, door het geloof in Christus Jezus. 16. Heel de Schrift is door God ingegeven. Zij is nuttig om te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid. 17. Zo is de mens van God helemaal toegerust en klaar voor elk goed werk. ## 2 Timotheüs 4 — Ik heb de goede strijd gestreden 1. Ik roep God en de Heere Jezus Christus op als getuigen. Hij zal levenden en doden oordelen bij Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk. 2. Verkondig het woord. Houd vol, gelegen of ongelegen. Weerleg, wijs terecht en bemoedig, met alle geduld en onderwijs. 3. Er komt namelijk een tijd dat men de gezonde leer niet meer verdraagt. Dan zoeken de mensen leraars naar hun eigen verlangens, omdat hun oren gestreeld willen worden. 4. Zij zullen hun oren afkeren van de waarheid en zich richten op verzinsels. 5. Maar jij, wees nuchter in alles, lijd verdrukking, doe het werk van een evangelist en maak je dienst helemaal af. 6. Ik word namelijk al als drankoffer uitgegoten. De tijd van mijn vertrek is gekomen. 7. Ik heb de goede strijd gestreden, de loop volbracht en het geloof bewaard. 8. Nu ligt de krans van de gerechtigheid voor mij klaar. De Heere, de rechtvaardige Rechter, zal hem mij op die dag geven. En niet alleen aan mij, maar aan allen die Zijn verschijning hebben liefgehad. 9. Doe je best om snel bij mij te komen. 10. Demas heeft mij namelijk verlaten. Hij kreeg deze wereld lief en reisde naar Tessalonica. Krescens ging naar Galatië en Titus naar Dalmatië. 11. Alleen Lukas is bij mij. Haal Markus op en breng hem mee, want hij is nuttig voor mij in de dienst. 12. Tychikus heb ik naar Efeze gestuurd. 13. Breng de reismantel mee die ik in Troas bij Karpus heb laten liggen, en de boeken, vooral de perkamenten. 14. Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaad gedaan. De Heere zal hem vergelden naar zijn werken. 15. Pas ook zelf voor hem op, want hij heeft onze woorden fel tegengesproken. 16. Bij mijn eerste verdediging stond niemand mij bij. Iedereen liet mij in de steek. Laat het hun niet aangerekend worden. 17. Maar de Heere heeft mij bijgestaan en kracht gegeven. Zo kon de verkondiging door mij helemaal doorklinken en konden alle volken die horen. En ik ben gered uit de muil van de leeuw. 18. De Heere zal mij redden van elk slecht werk en mij bewaren voor Zijn hemelse Koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen. 19. Groet Prisca en Aquila en het huis van Onesiforus. 20. Erastus is in Korinthe gebleven. Trofimus heb ik ziek achtergelaten in Milete. 21. Doe je best om vóór de winter te komen. Eubulus, Pudens, Linus, Klaudia en alle gelovigen groeten je. 22. De Heere Jezus Christus zij met je geest. De genade zij met jullie. Amen. ## Titus 1 — Oudsten aanstellen op Kreta 1. Van Paulus, dienaar van God en apostel van Jezus Christus. Ik dien het geloof van de uitverkorenen van God en de kennis van de waarheid die bij de vroomheid past. 2. Wij leven in de hoop op het eeuwige leven. God, die niet liegen kan, heeft dat vóór alle tijden beloofd. 3. Op Zijn eigen tijd heeft Hij Zijn woord bekendgemaakt in de verkondiging die mij is toevertrouwd, in opdracht van God, onze Redder. Aan Titus, mijn echte zoon in het gemeenschappelijke geloof. 4. Genade, barmhartigheid en vrede voor jou, van God de Vader en van de Heere Jezus Christus, onze Redder. 5. Ik heb je op Kreta achtergelaten om af te maken wat nog ontbrak. Stel in elke stad oudsten aan, zoals ik je opgedragen heb. 6. Iemand komt daarvoor in aanmerking als hij onberispelijk is, man van één vrouw, en gelovige kinderen heeft die niet losbandig of ongehoorzaam zijn. 7. Een opziener moet namelijk onberispelijk zijn, als een beheerder van het huis van God. Hij mag niet eigenzinnig zijn, niet snel boos, niet aan de wijn verslaafd, geen ruziemaker en niet uit op oneerlijke winst. 8. Hij moet gastvrij zijn, het goede liefhebben, beheerst, rechtvaardig, heilig en zuiver. 9. Hij moet vasthouden aan het betrouwbare woord van de leer. Zo kan hij anderen bemoedigen met de gezonde leer en de tegensprekers weerleggen. 10. Er zijn namelijk veel opstandige mensen, die leeg praten en anderen misleiden, vooral onder de besnedenen. 11. Zij moeten de mond gesnoerd worden. Zij zetten hele huizen op hun kop en onderwijzen wat niet hoort, uit oneerlijke winstbejag. 12. Een van hen, hun eigen profeet, heeft gezegd: De Kretenzers zijn altijd leugenaars, gemene beesten en luie vreters. 13. Dat getuigenis is waar. Wijs hen daarom scherp terecht, zodat zij gezond worden in het geloof. 14. Laat hen zich niet bezighouden met Joodse verzinsels en met geboden van mensen die zich van de waarheid afkeren. 15. Voor wie zuiver zijn is alles zuiver. Maar voor wie bevlekt en ongelovig zijn, is niets zuiver. Hun verstand en hun geweten zijn allebei bevlekt. 16. Zij belijden dat zij God kennen, maar met hun daden verloochenen zij Hem. Zij zijn weerzinwekkend en ongehoorzaam en deugen voor geen enkel goed werk. ## Titus 2 — De genade voedt ons op 1. Maar jij moet spreken wat bij de gezonde leer past. 2. Zeg dat oude mannen nuchter moeten zijn, waardig en bezonnen, gezond in geloof, liefde en volharding. 3. Zeg dat oude vrouwen zich net zo moeten gedragen als het heiligen past. Zij mogen geen kwaadspreeksters zijn en niet aan de wijn verslaafd. Zij moeten het goede leren. 4. Dan kunnen zij de jonge vrouwen leren om bezonnen te zijn en hun man en hun kinderen lief te hebben. 5. Zij moeten beheerst en zuiver zijn, hun huis goed verzorgen, goed zijn en zich onderschikken aan hun eigen man. Zo wordt het woord van God niet gelasterd. 6. Roep ook de jonge mannen op om bezonnen te zijn. 7. Wees zelf in alles een voorbeeld van goede werken. Geef zuiver onderwijs, met waardigheid en oprechtheid. 8. Laat je woord gezond zijn, zodat niemand het kan afwijzen. Dan staat de tegenstander beschaamd en heeft hij niets slechts over ons te zeggen. 9. Roep de slaven op om zich te onderschikken aan hun eigen heren en hen in alles te behagen, zonder tegen te spreken. 10. Zij mogen niets achterhouden, maar moeten in alles betrouwbaar zijn. Zo maken zij de leer van God, onze Redder, in alles mooi. 11. De genade van God is namelijk verschenen, die redding brengt voor alle mensen. 12. Die genade voedt ons op, zodat wij de goddeloosheid en de wereldse verlangens afwijzen. Wij gaan bezonnen, rechtvaardig en vroom leven in deze wereld. 13. Zo verwachten wij de gelukkige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Redder Jezus Christus. 14. Hij heeft Zijn leven voor ons gegeven om ons vrij te kopen van alle onrecht. Zo reinigde Hij een eigen volk, vol ijver voor goede werken. 15. Spreek hierover, bemoedig en wijs terecht, met alle ernst. Laat niemand op je neerkijken. ## Titus 3 — Gered door Zijn barmhartigheid 1. Herinner hen eraan dat zij zich moeten onderschikken aan overheden en machten. Zij moeten gehoorzaam zijn en klaarstaan voor elk goed werk. 2. Zij mogen niemand belasteren en geen ruziemakers zijn. Zij moeten mild zijn en zachtmoedig voor alle mensen. 3. Ook wij waren vroeger onverstandig, ongehoorzaam en op een dwaalweg. Wij dienden allerlei verlangens en genot, leefden in slechtheid en afgunst, waren hatelijk en haatten elkaar. 4. Maar toen verscheen de goedheid van God, onze Redder, en Zijn liefde voor de mensen. 5. Hij heeft ons gered, niet door de rechtvaardige werken die wij hadden gedaan, maar naar Zijn barmhartigheid. Dat deed Hij door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest. 6. Die Geest heeft Hij rijkelijk over ons uitgegoten door Jezus Christus, onze Redder. 7. Zo zijn wij rechtvaardig verklaard door Zijn genade en erfgenamen geworden, naar de hoop op het eeuwige leven. 8. Dit woord is betrouwbaar. Ik wil dat je dit met kracht bevestigt. Dan zullen wie in God geloven, hun best doen om goede werken te doen. Dat is goed en nuttig voor de mensen. 9. Blijf weg bij dwaze vragen, geslachtslijsten, ruzies en gevechten over de wet. Die zijn nutteloos en leeg. 10. Wijs iemand die verdeeldheid brengt af, na hem één of twee keer gewaarschuwd te hebben. 11. Je weet dat zo iemand op een dwaalweg zit en zondigt. Hij veroordeelt zichzelf. 12. Als ik Artemas of Tychikus naar je toe stuur, doe dan je best om naar mij toe te komen in Nikopolis. Ik ben namelijk van plan daar te overwinteren. 13. Help Zenas, de rechtsgeleerde, en Apollos goed op weg, zodat zij niets tekortkomen. 14. Laten ook onze mensen leren om goede werken te doen waar dat nodig is. Dan blijven zij niet zonder vrucht. 15. Iedereen die bij mij is, groet je. Groet wie ons liefhebben in het geloof. De genade zij met jullie allemaal. Amen. ## Filemon 1 — Neem hem aan als mijzelf 1. Van Paulus, gevangene van Christus Jezus, en van Timotheüs, die bij ons hoort. Aan Filemon, onze geliefde medewerker. 2. Ook aan Appia, onze geliefde, en aan Archippus, onze medestrijder, en aan de gemeenschap die bij jou thuis samenkomt. 3. Genade en vrede voor jullie, van God onze Vader en van de Heere Jezus Christus. 4. Ik dank mijn God en denk in mijn gebeden altijd aan jou. 5. Ik hoor namelijk van je liefde en van je geloof in de Heere Jezus en voor alle heiligen. 6. Ik bid dat het delen van je geloof krachtig wordt, doordat je al het goede leert kennen dat in ons is door Christus Jezus. 7. Je liefde heeft ons veel vreugde en troost gegeven, broeder. Door jou zijn de harten van de heiligen opgefrist. 8. Daarom, al kan ik je in Christus met veel vrijmoedigheid opdragen wat hoort, 9. vraag ik het liever met een beroep op de liefde. Ik ben Paulus, een oud man en nu ook een gevangene van Jezus Christus. 10. Ik vraag je iets voor mijn zoon Onesimus. Ik ben zijn vader geworden tijdens mijn gevangenschap. 11. Vroeger had je niets aan hem, maar nu is hij zowel voor jou als voor mij heel nuttig. Ik stuur hem naar je terug. 12. Neem hem weer aan. Hij is mijn eigen hart. 13. Ik had hem graag bij mij gehouden, zodat hij mij namens jou kon dienen tijdens mijn gevangenschap voor het evangelie. 14. Maar ik wilde niets doen zonder jouw goedkeuring. Zo is je goede daad niet gedwongen, maar uit vrije wil. 15. Misschien is hij juist daarom een korte tijd van je gescheiden geweest: zodat je hem voorgoed terug zou krijgen. 16. Nu niet meer als slaaf, maar als meer dan een slaaf: als een geliefde broeder. Dat is hij voor mij, en hoeveel te meer voor jou, zowel als mens als in de Heere. 17. Als je mij dus als een metgezel ziet, neem hem dan aan alsof hij mijzelf is. 18. En heeft hij je onrecht gedaan of is hij je iets schuldig, reken dat mij dan aan. 19. Ik, Paulus, schrijf dit met mijn eigen hand: ik zal het betalen. Ik zal niet zeggen dat je jezelf aan mij schuldig bent. 20. Ja, broeder, laat mij dit plezier van je hebben in de Heere. Fris mijn hart op in Christus. 21. Ik schrijf je omdat ik op je gehoorzaamheid vertrouw. Ik weet dat je zelfs meer zult doen dan ik zeg. 22. Maak tegelijk ook een logeerplek voor mij klaar. Ik hoop namelijk dat ik door jullie gebeden aan jullie teruggegeven word. 23. Epafras groet je, mijn medegevangene in Christus Jezus. 24. Markus, Aristarchus, Demas en Lukas groeten je ook, mijn medewerkers. 25. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met jullie geest. Amen. ## Hebreeën 1 — God heeft gesproken door de Zoon 1. God heeft vroeger vaak en op veel manieren tot de voorouders gesproken door de profeten. 2. In deze laatste dagen heeft Hij tot ons gesproken door de Zoon. Hem heeft Hij aangesteld als erfgenaam van alles, en door Hem heeft Hij ook de wereld gemaakt. 3. De Zoon is de afstraling van Zijn heerlijkheid en het beeld van Zijn wezen. Hij draagt alles door het woord van Zijn kracht. Hij heeft de reiniging van onze zonden tot stand gebracht en is gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemel. 4. Zo is Hij zoveel hoger geworden dan de engelen, want Hij heeft een uitnemender Naam geërfd dan zij. 5. Tegen welke engel heeft God ooit gezegd: U bent mijn Zoon, vandaag heb ik U verwekt? Of: Ik zal voor Hem een Vader zijn en Hij zal voor mij een Zoon zijn? 6. En als Hij de eerstgeborene opnieuw in de wereld brengt, zegt Hij: Alle engelen van God moeten Hem aanbidden. 7. Over de engelen zegt Hij: Hij maakt Zijn engelen tot winden en Zijn dienaren tot een vlam van vuur. 8. Maar tegen de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, staat tot in eeuwigheid. De scepter van Uw koninkrijk is een rechte scepter. 9. U hebt gerechtigheid liefgehad en onrecht gehaat. Daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie, meer dan Uw metgezellen. 10. En ook: Heere, U hebt in het begin de aarde gegrondvest, en de hemel is het werk van Uw handen. 11. Die zullen vergaan, maar U blijft. Zij zullen allemaal verslijten als een kleed. 12. Als een mantel zult U ze oprollen, en zij zullen veranderd worden. Maar U blijft dezelfde en aan Uw jaren komt geen einde. 13. Tegen welke engel heeft Hij ooit gezegd: Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat ik van Uw vijanden een voetenbank voor Uw voeten maak? 14. Zijn de engelen niet allemaal dienende geesten? Zij worden uitgestuurd om te dienen voor wie de redding zullen erven. ## Hebreeën 2 — Jezus is onze broeder geworden 1. Daarom moeten wij ons des te meer houden aan wat wij gehoord hebben. Anders drijven wij weg. 2. Het woord dat door engelen gesproken werd, stond namelijk vast. Elke overtreding en ongehoorzaamheid kreeg een rechtvaardige vergelding. 3. Hoe zullen wij dan ontkomen als wij zo'n grote redding verwaarlozen? De Heere is die redding gaan verkondigen, en wie Hem hoorden, hebben haar bij ons bevestigd. 4. God getuigde daarbij mee met tekenen, wonderen en allerlei krachten, en met gaven van de Heilige Geest, naar Zijn wil. 5. God heeft de wereld die komt namelijk niet aan engelen onderworpen. Daarover spreken wij. 6. Iemand heeft ergens getuigd: Wat is de mens, dat U aan hem denkt? Wat is de mensenzoon, dat U naar hem omziet? 7. U hebt hem even minder gemaakt dan de engelen. Met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond en Hem aangesteld over het werk van Uw handen. 8. Alles hebt U onder zijn voeten gelegd. Door alles aan hem te onderwerpen, heeft God niets uitgezonderd. Toch zien wij nu nog niet dat hem alles onderworpen is. 9. Maar wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond. Hij was even minder gemaakt dan de engelen, omdat Hij de dood moest lijden. Zo zou Hij door de genade van God voor iedereen de dood proeven. 10. Het paste bij God, om wie en door wie alles bestaat, dat Hij veel kinderen tot heerlijkheid zou brengen. Hij maakte de Leidsman van hun redding volmaakt door lijden. 11. Hij die heiligt en zij die geheiligd worden, zijn namelijk allemaal uit Eén. Daarom noemt Hij hen zonder schaamte Zijn broers. 12. Hij zegt: Ik zal Uw Naam bekendmaken aan wie bij mij horen. Midden in de gemeenschap zal ik voor U zingen. 13. En ook: Ik zal op Hem vertrouwen. En: Kijk, hier ben ik met de kinderen die God mij gegeven heeft. 14. De kinderen hebben deel aan vlees en bloed. Daarom heeft Hij daar ook deel aan gekregen. Zo kon Hij door Zijn dood de macht ontnemen aan wie de macht over de dood had: de duivel. 15. Zo zou Hij allen bevrijden die hun hele leven slaaf waren door hun angst voor de dood. 16. Hij neemt namelijk niet de engelen aan, maar het nageslacht van Abraham. 17. Daarom moest Hij in alles aan Zijn broers gelijk worden. Zo kon Hij een barmhartige en trouwe Hogepriester zijn in de dienst aan God, om de zonden van het volk te verzoenen. 18. Hij heeft namelijk Zelf geleden toen Hij beproefd werd. Daarom kan Hij helpen wie beproefd worden. ## Hebreeën 3 — Christus is groter dan Mozes 1. Broeders, jullie zijn heilig en delen in de hemelse roeping. Kijk daarom naar de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis: Christus Jezus. 2. Hij is trouw aan Hem die Hem aangesteld heeft, zoals Mozes trouw was in heel Zijn huis. 3. Christus is namelijk zoveel meer heerlijkheid waard dan Mozes, zoals de bouwer meer eer heeft dan het huis. 4. Elk huis wordt namelijk door iemand gebouwd, maar wie dit alles gebouwd heeft, is God. 5. Mozes was trouw in heel Zijn huis als dienaar. Zo getuigde hij van wat later gezegd zou worden. 6. Maar Christus is trouw als Zoon over Zijn eigen huis. Wij zijn dat huis, als wij de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde vasthouden. 7. Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Vandaag, als jullie Zijn stem horen, 8. maak je hart dan niet hard, zoals bij de opstand, op de dag van de beproeving in de woestijn. 9. Daar hebben jullie voorouders mij uitgedaagd en beproefd, en zij zagen mijn werken, veertig jaar lang. 10. Daarom werd ik boos op dat geslacht en zei ik: altijd dwalen zij met hun hart en mijn wegen kennen zij niet. 11. Daarom heb ik in mijn toorn gezworen: zij zullen mijn rust niet binnengaan. 12. Broeders, let op dat niemand van jullie een slecht en ongelovig hart krijgt en zo afwijkt van de levende God. 13. Bemoedig elkaar juist elke dag, zolang het vandaag heet. Dan raakt niemand van jullie verhard door de verleiding van de zonde. 14. Wij hebben namelijk deel gekregen aan Christus, als wij dit begin van vertrouwen tot het einde vasthouden. 15. Er wordt immers gezegd: Vandaag, als jullie Zijn stem horen, maak je hart dan niet hard, zoals bij de opstand. 16. Wie hoorden het en kwamen toch in opstand? Waren dat niet allen die onder Mozes uit Egypte waren gegaan? 17. Op wie was Hij veertig jaar lang boos? Toch op wie gezondigd hadden en van wie de lichamen in de woestijn vielen? 18. Aan wie heeft Hij gezworen dat zij Zijn rust niet zouden binnengaan? Toch aan wie ongehoorzaam waren? 19. En wij zien dat zij niet konden binnengaan door hun ongeloof. ## Hebreeën 4 — Er blijft een rust over 1. Laten wij dus oppassen. De belofte om Zijn rust binnen te gaan geldt nog. Laat niemand van jullie achterblijven. 2. Ook aan ons is het evangelie verkondigd, net als aan hen. Maar het woord dat zij hoorden hielp hun niet, omdat het bij hen niet met geloof verbonden was. 3. Wij die geloofd hebben, gaan die rust binnen. Hij heeft immers gezegd: Daarom heb ik in mijn toorn gezworen: zij zullen mijn rust niet binnengaan. Toch waren Zijn werken al klaar vanaf de grondlegging van de wereld. 4. Ergens heeft Hij namelijk over de zevende dag gezegd: En God rustte op de zevende dag van al Zijn werken. 5. En op deze plaats staat weer: Zij zullen mijn rust niet binnengaan. 6. Het blijft dus zo dat sommigen die rust binnengaan. Wie het evangelie eerst verkondigd was, zijn niet binnengegaan door hun ongehoorzaamheid. 7. Daarom bepaalt Hij opnieuw een dag: vandaag. Zo lang daarna zegt Hij door David: Vandaag, als jullie Zijn stem horen, maak je hart dan niet hard. 8. Als Jozua hen namelijk in de rust gebracht had, zou God daarna niet over een andere dag gesproken hebben. 9. Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God. 10. Wie Zijn rust is binnengegaan, heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne. 11. Laten wij dus ons best doen om die rust binnen te gaan. Dan valt niemand door hetzelfde voorbeeld van ongeloof. 12. Het woord van God is namelijk levend en krachtig. Het is scherper dan elk tweesnijdend zwaard. Het dringt door tot de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg, en oordeelt de gedachten en bedoelingen van het hart. 13. Geen schepsel is voor Hem onzichtbaar. Alles ligt naakt en open voor de ogen van Hem aan wie wij verantwoording afleggen. 14. Wij hebben dus een grote Hogepriester, die door de hemelen is gegaan: Jezus, de Zoon van God. Laten wij daarom vasthouden aan onze belijdenis. 15. Wij hebben namelijk geen hogepriester die niet met onze zwakheden kan meevoelen. Hij is in alles op dezelfde manier beproefd als wij, maar zonder zonde. 16. Laten wij dus met vrijmoedigheid naar de troon van de genade gaan. Dan krijgen wij barmhartigheid en vinden wij genade om op tijd geholpen te worden. ## Hebreeën 5 — Hogepriester naar de orde van Melchizedek 1. Elke hogepriester wordt uit de mensen genomen en voor de mensen aangesteld in de dienst aan God. Hij brengt gaven en offers voor de zonden. 2. Hij kan mild zijn voor wie onwetend zijn en dwalen, want hij is zelf ook omgeven door zwakheid. 3. Daarom moet hij niet alleen voor het volk offeren, maar ook voor zijn eigen zonden. 4. Niemand neemt die eer zelf. Je wordt door God geroepen, zoals Aäron. 5. Zo heeft Christus Zijn eigen eer niet gezocht om Hogepriester te worden. God heeft tegen Hem gezegd: U bent mijn Zoon, vandaag heb ik U verwekt. 6. Ergens anders zegt Hij ook: U bent Priester tot in eeuwigheid, naar de orde van Melchizedek. 7. In de dagen van Zijn leven op aarde heeft Hij gebeden en smekingen gebracht, met luid roepen en tranen. Hij bad tot Hem die Hem uit de dood kon redden, en Hij werd verhoord om Zijn ontzag. 8. Hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij leed. 9. En toen Hij volmaakt was, werd Hij de oorzaak van eeuwige redding voor allen die Hem gehoorzamen. 10. God heeft Hem Hogepriester genoemd, naar de orde van Melchizedek. 11. Daarover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat jullie traag zijn gaan horen. 12. Na zoveel tijd zouden jullie leraars moeten zijn. Toch moet iemand jullie opnieuw de eerste beginselen van de woorden van God leren. Jullie hebben melk nodig en geen vast voedsel. 13. Wie melk krijgt, heeft nog geen ervaring met het woord van de gerechtigheid. Hij is namelijk nog een kind. 14. Vast voedsel is voor volwassenen. Zij hebben hun zintuigen geoefend om goed en kwaad te onderscheiden. ## Hebreeën 6 — Houd vast aan de hoop 1. Laten wij het eerste onderwijs over Christus dus achter ons laten en doorgaan naar de volwassenheid. Wij hoeven niet opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God. 2. Ook niet van onderwijs over dopen, handoplegging, opstanding van de doden en eeuwig oordeel. 3. En dat zullen wij ook doen, als God het toestaat. 4. Sommigen zijn ooit verlicht geweest. Zij hebben de hemelse gave geproefd en deel gekregen aan de Heilige Geest. 5. Zij hebben het goede woord van God geproefd en de krachten van de tijd die komt. 6. Vallen zij dan toch af, dan is het onmogelijk hen opnieuw tot bekering te brengen. Zij kruisigen namelijk de Zoon van God opnieuw voor zichzelf en maken Hem openlijk te schande. 7. De aarde drinkt de regen op die er vaak op valt. Brengt zij dan een goede oogst voort voor wie haar bewerken, dan krijgt zij zegen van God. 8. Maar brengt zij dorens en distels voort, dan deugt zij niet en is zij dicht bij de vervloeking. Haar einde is de verbranding. 9. Geliefden, wij zijn over jullie van betere dingen overtuigd, dingen die bij de redding horen, al spreken wij zo. 10. God is namelijk niet onrechtvaardig. Hij vergeet jullie werk niet en ook niet jullie liefde voor Zijn Naam. Die hebben jullie getoond door de heiligen te dienen, zoals jullie nog steeds doen. 11. Wij verlangen ernaar dat ieder van jullie dezelfde inzet toont, tot de volle zekerheid van de hoop, tot het einde toe. 12. Word dus niet traag, maar volg wie door geloof en geduld de beloften erven. 13. Toen God Abraham de belofte deed, was er niemand hoger om bij te zweren. Daarom zwoer Hij bij Zijn eigen Naam. 14. Hij zei: Ik zal je zeker zegenen en je zeker talrijk maken. 15. En zo kreeg Abraham de belofte, nadat hij geduldig gewacht had. 16. Mensen zweren namelijk bij iemand die hoger is. De eed bevestigt hun woord en maakt een einde aan alle tegenspraak. 17. God wilde de erfgenamen van de belofte des te duidelijker laten zien dat Zijn plan onveranderlijk is. Daarom kwam Hij ertussen met een eed. 18. Zo hebben wij, die onze toevlucht gezocht hebben, een sterke troost om de hoop vast te houden die ons voorgehouden is. Die troost rust op twee onveranderlijke dingen waarbij God onmogelijk kan liegen. 19. Die hoop is voor ons als een anker van de ziel, zeker en vast. Zij reikt tot binnen het voorhangsel. 20. Daar is Jezus als voorloper voor ons binnengegaan. Hij is Hogepriester geworden tot in eeuwigheid, naar de orde van Melchizedek. ## Hebreeën 7 — Melchizedek en het nieuwe priesterschap 1. Deze Melchizedek was koning van Salem en priester van God, de Allerhoogste. Hij ging Abraham tegemoet toen die terugkwam van de overwinning op de koningen, en hij zegende hem. 2. Abraham gaf hem het tiende deel van alles. Zijn naam betekent eerst koning van de gerechtigheid, en verder was hij koning van Salem, dat is koning van de vrede. 3. Hij heeft geen vader, geen moeder en geen geslachtslijst. Hij heeft geen begin van dagen en geen einde van leven. Zo lijkt hij op de Zoon van God en blijft hij priester voor altijd. 4. Kijk eens hoe groot hij was. Zelfs Abraham, de aartsvader, gaf hem een tiende van de buit. 5. De nakomelingen van Levi die het priesterschap krijgen, hebben een opdracht. Zij moeten volgens de wet een tiende nemen van het volk, dus van hun eigen volksgenoten. En die komen toch ook uit Abraham voort. 6. Maar Melchizedek hoorde niet bij hun geslacht en nam toch een tiende van Abraham. En hij zegende de man die de beloften had. 7. Niemand spreekt tegen dat de mindere gezegend wordt door de meerdere. 8. Hier nemen sterfelijke mensen de tienden, maar daar iemand van wie getuigd wordt dat hij leeft. 9. Je kunt zelfs zeggen dat ook Levi, die tienden neemt, door Abraham een tiende gegeven heeft. 10. Hij was namelijk nog in het lichaam van zijn voorvader toen Melchizedek hem tegemoet ging. 11. Was de volmaaktheid er door het priesterschap van Levi, dan was er geen andere priester nodig geweest. Het volk kreeg onder dat priesterschap immers de wet. Toch stond er een priester op naar de orde van Melchizedek en niet naar de orde van Aäron. 12. Verandert het priesterschap, dan moet ook de wet wel veranderen. 13. Hij over wie dit gezegd wordt, hoort namelijk bij een andere stam. Uit die stam heeft niemand ooit bij het altaar gediend. 14. Het is duidelijk dat onze Heere uit Juda is voortgekomen. Over die stam heeft Mozes niets gezegd over priesters. 15. Het wordt nog duidelijker als er een andere priester opstaat die op Melchizedek lijkt. 16. Hij is dat niet geworden door een wet met een gebod over afkomst, maar door de kracht van een onvergankelijk leven. 17. Er wordt namelijk van Hem getuigd: U bent Priester tot in eeuwigheid, naar de orde van Melchizedek. 18. Het vorige gebod wordt afgeschaft omdat het zwak en nutteloos was. 19. De wet heeft namelijk niets tot volmaaktheid gebracht. Er kwam een betere hoop, en daardoor naderen wij tot God. 20. Dat is niet zonder eed gebeurd. De anderen werden priester zonder eed, 21. maar Hij werd priester met een eed. God heeft namelijk tegen Hem gezegd: De Heere heeft gezworen en zal er geen spijt van krijgen: U bent Priester tot in eeuwigheid. 22. Zo is Jezus borg geworden van een veel beter verbond. 23. De anderen zijn met velen priester geworden, want de dood hield hen tegen om te blijven. 24. Maar Hij blijft tot in eeuwigheid en heeft daarom een onvergankelijk priesterschap. 25. Daarom kan Hij ook helemaal redden wie door Hem tot God gaan. Hij leeft namelijk altijd om voor hen te bidden. 26. Zo'n Hogepriester hadden wij nodig: heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en hoger geworden dan de hemel. 27. Hij hoeft niet elke dag offers te brengen, zoals de hogepriesters, eerst voor eigen zonden en daarna voor die van het volk. Hij heeft dat eens en voorgoed gedaan door Zijn eigen leven te offeren. 28. De wet stelt namelijk mensen met zwakheid aan als hogepriester. Maar het woord van de eed, dat na de wet kwam, stelt de Zoon aan, die voor eeuwig volmaakt is. ## Hebreeën 8 — Een beter verbond 1. De kern van wat wij zeggen is dit: wij hebben zo'n Hogepriester. Hij is gaan zitten aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemel. 2. Hij dient in het heiligdom en in de echte tent, die de Heere heeft opgericht en geen mens. 3. Elke hogepriester wordt aangesteld om gaven en offers te brengen. Daarom moest ook Hij iets hebben om te offeren. 4. Was Hij op aarde, dan zou Hij zelfs geen priester zijn. Er zijn namelijk al priesters die volgens de wet de gaven offeren. 5. Zij dienen een afbeelding en schaduw van de hemelse dingen. Toen Mozes de tent zou maken, kreeg hij van God een aanwijzing: Kijk goed, maak alles naar het voorbeeld dat je op de berg zag. 6. Maar nu heeft Christus een veel betere dienst gekregen. Hij is ook Middelaar van een beter verbond, dat op betere beloften rust. 7. Was dat eerste verbond namelijk zonder gebrek, dan was er geen plaats gezocht voor een tweede. 8. God verwijt hun iets en zegt: Kijk, de dagen komen, zegt de Heere. Dan sluit ik een nieuw verbond met het huis van Israël en met het huis van Juda. 9. Het zal niet zijn zoals het verbond met hun voorouders, toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte te leiden. Zij zijn niet in mijn verbond gebleven, en ik heb niet meer naar hen omgezien, zegt de Heere. 10. Dit is het verbond dat ik na die dagen met het huis van Israël sluit, zegt de Heere. Ik zal mijn wetten in hun verstand geven en in hun hart schrijven. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 11. Dan zal niemand meer zijn naaste of zijn broeder onderwijzen en zeggen: ken de Heere. Zij zullen mij namelijk allemaal kennen, van klein tot groot. 12. Ik zal genadig zijn voor hun onrecht, en aan hun zonden en overtredingen zal ik niet meer denken. 13. Als Hij spreekt van een nieuw verbond, maakt Hij het eerste oud. En wat oud en versleten is, staat op het punt te verdwijnen. ## Hebreeën 9 — Het bloed van Christus 1. Ook het eerste verbond had regels voor de dienst aan God en een aards heiligdom. 2. Er was namelijk een tent ingericht. In het voorste deel stonden de kandelaar, de tafel en de toonbroden. Dat deel heet het heilige. 3. Achter het tweede voorhangsel was het deel dat het heilige der heiligen heet. 4. Daar stonden het gouden wierookaltaar en de ark van het verbond, helemaal met goud overtrokken. In de ark lagen de gouden kruik met het manna, de staf van Aäron die gebloeid had, en de platen van het verbond. 5. Boven op de ark stonden de cherubs van de heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden. Daarover kunnen wij nu niet in detail spreken. 6. Zo was alles ingericht. De priesters gingen steeds het voorste deel van de tent binnen om de dienst te doen. 7. Maar het tweede deel ging alleen de hogepriester binnen, één keer per jaar. Hij nam altijd bloed mee, dat hij offerde voor zichzelf en voor de fouten van het volk. 8. Daarmee maakte de Heilige Geest duidelijk dat de weg naar het heiligdom nog niet open was, zolang de eerste tent er stond. 9. Die tent is een beeld voor deze tijd. Er worden gaven en offers gebracht, maar die kunnen het geweten van de dienaar niet volmaakt maken. 10. Het gaat alleen om eten en drinken en allerlei wassingen, regels voor het lichaam, opgelegd tot de tijd van de verbetering. 11. Maar Christus is gekomen als Hogepriester van het goede dat komt. Hij ging door de grotere en volmaakte tent, die niet met handen gemaakt is en niet bij deze schepping hoort. 12. Hij ging niet binnen met bloed van bokken en kalveren, maar met Zijn eigen bloed. Eens en voorgoed ging Hij het heiligdom binnen en bracht Hij een eeuwige verlossing tot stand. 13. Het bloed van stieren en bokken en de as van een jonge koe worden op onreine mensen gesprenkeld en heiligen hen voor het lichaam. 14. Hoeveel te meer zal dan het bloed van Christus ons geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen. Hij heeft Zijn eigen leven door de eeuwige Geest smetteloos aan God geofferd. 15. Daarom is Hij de Middelaar van een nieuw verbond. Zijn dood kwam ertussen om de overtredingen onder het eerste verbond te verzoenen. Zo krijgen wie geroepen zijn de beloofde eeuwige erfenis. 16. Waar een testament is, moet namelijk de dood van de maker vaststaan. 17. Een testament wordt pas geldig door de dood. Het heeft geen kracht zolang de maker leeft. 18. Daarom is ook het eerste verbond niet zonder bloed ingewijd. 19. Mozes had alle geboden van de wet aan het hele volk voorgelezen. Toen nam hij het bloed van kalveren en bokken, met water, rode wol en hysop. Daarmee besprenkelde hij het boek zelf en het hele volk. 20. Hij zei: Dit is het bloed van het verbond dat God jullie opgelegd heeft. 21. Zo besprenkelde hij ook de tent en alle voorwerpen van de dienst met het bloed. 22. Volgens de wet wordt bijna alles met bloed gereinigd. En zonder bloedvergieten is er geen vergeving. 23. De afbeeldingen van de hemelse dingen moesten dus hiermee gereinigd worden. Maar de hemelse dingen zelf vragen betere offers dan deze. 24. Christus is namelijk niet binnengegaan in een heiligdom dat met handen gemaakt is, een afbeelding van het echte. Hij ging de hemel zelf binnen, om nu voor ons te verschijnen voor het aangezicht van God. 25. Hij hoefde Zijn eigen leven ook niet telkens weer te offeren, zoals de hogepriester elk jaar het heiligdom binnengaat met bloed van een ander. 26. Anders had Hij vaak moeten lijden vanaf de grondlegging van de wereld. Maar nu is Hij één keer verschenen, aan het einde van de tijden, om de zonde teniet te doen door Zijn eigen offer. 27. De mensen moeten één keer sterven en daarna komt het oordeel. 28. Zo is ook Christus één keer geofferd om de zonden van velen weg te nemen. Hij zal een tweede keer verschijnen, zonder zonde, voor wie Hem verwachten tot redding. ## Hebreeën 10 — Eén offer voor de zonden 1. De wet is maar een schaduw van het goede dat komt en niet het beeld van de zaken zelf. Daarom kan zij met dezelfde offers, die elk jaar opnieuw gebracht worden, nooit volmaakt maken wie daarmee naderen. 2. Anders zou men gestopt zijn met offeren. Wie de dienst deden, zouden dan immers geen besef van zonden meer hebben, omdat zij eens en voorgoed gereinigd waren. 3. Maar bij die offers wordt elk jaar juist weer aan de zonden herinnerd. 4. Het is namelijk onmogelijk dat bloed van stieren en bokken zonden wegneemt. 5. Daarom zegt Hij bij Zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave wilde U niet, maar U hebt voor mij een lichaam klaargemaakt. 6. Brandoffers en offers voor de zonde hebben U geen vreugde gegeven. 7. Toen zei ik: kijk, ik kom om Uw wil te doen, o God. In de boekrol staat over mij geschreven. 8. Eerst zegt Hij: Slachtoffers, offergaven, brandoffers en offers voor de zonde wilde U niet en gaven U geen vreugde. Die worden toch volgens de wet gebracht. 9. Daarna zegt Hij: Kijk, ik kom om Uw wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg om het tweede te laten staan. 10. In die wil zijn wij geheiligd, door het offer van het lichaam van Jezus Christus, eens en voorgoed gebracht. 11. Elke priester staat dagelijks te dienen en brengt telkens dezelfde offers. Die kunnen de zonden nooit wegnemen. 12. Maar Hij heeft één offer voor de zonden gebracht en is voor altijd gaan zitten aan de rechterhand van God. 13. Verder wacht Hij totdat Zijn vijanden een voetenbank voor Zijn voeten worden. 14. Met één offer heeft Hij namelijk voor altijd volmaakt gemaakt wie geheiligd worden. 15. Ook de Heilige Geest getuigt dat voor ons. 16. Eerst zegt Hij: Dit is het verbond dat ik na die dagen met hen sluit, zegt de Heere. Ik zal mijn wetten in hun hart geven en in hun verstand schrijven. 17. En daarna: Aan hun zonden en hun onrecht zal ik niet meer denken. 18. Waar die vergeven zijn, is geen offer voor de zonde meer nodig. 19. Broeders, wij hebben dus vrijmoedigheid om het heiligdom binnen te gaan, door het bloed van Jezus. 20. Hij heeft voor ons een nieuwe en levende weg geopend door het voorhangsel heen, dat is door Zijn vlees. 21. En wij hebben een grote Priester over het huis van God. 22. Laten wij daarom naderen met een oprecht hart, in volle zekerheid van het geloof. Ons hart is gereinigd van een slecht geweten en ons lichaam gewassen met zuiver water. 23. Laten wij onwrikbaar vasthouden aan de belijdenis van de hoop. Hij die het beloofd heeft, is namelijk trouw. 24. Laten wij op elkaar letten en elkaar aansporen tot liefde en goede werken. 25. Laten wij onze samenkomsten niet verzuimen, zoals sommigen gewend zijn. Bemoedig elkaar juist, en dat des te meer nu jullie zien dat de dag dichtbij komt. 26. Zondigen wij met opzet nadat wij de kennis van de waarheid gekregen hebben, dan blijft er geen offer voor de zonden meer over. 27. Dan blijft er alleen een angstig wachten op het oordeel en op het vuur dat de tegenstanders zal verteren. 28. Wie de wet van Mozes verwierp, stierf zonder barmhartigheid op het woord van twee of drie getuigen. 29. Hoeveel zwaarder straf verdient dan iemand die de Zoon van God vertrapt heeft? Hij heeft het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd was, onrein genoemd en de Geest van de genade beledigd. 30. Wij kennen Hem die gezegd heeft: De wraak is aan mij, ik zal het vergelden, zegt de Heere. En ook: De Heere zal Zijn volk oordelen. 31. Het is vreselijk om te vallen in de handen van de levende God. 32. Denk aan de vorige dagen. Nadat jullie verlicht waren, hebben jullie een zware strijd van lijden verdragen. 33. Soms werden jullie zelf een schouwspel door beledigingen en verdrukking. Soms deelden jullie het lot van wie zo behandeld werden. 34. Jullie hebben met de gevangenen meegeleefd en de roof van jullie bezit met blijdschap aanvaard. Jullie wisten dat jullie zelf een beter en blijvend bezit hebben in de hemel. 35. Gooi die vrijmoedigheid dus niet weg. Zij levert een grote beloning op. 36. Jullie hebben volharding nodig. Dan krijgen jullie wat beloofd is, nadat jullie de wil van God gedaan hebben. 37. Er staat namelijk: Nog een heel korte tijd, en Hij die komt zal komen en niet uitblijven. 38. Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. En trekt iemand zich terug, dan heeft mijn ziel geen vreugde in hem. 39. Maar wij horen niet bij wie zich terugtrekken tot verderf. Wij horen bij wie geloven, tot behoud van de ziel. ## Hebreeën 11 — Door het geloof 1. Geloof is de vaste grond van wat je hoopt en het bewijs van wat je niet ziet. 2. Daardoor hebben de mensen van vroeger een goed getuigenis gekregen. 3. Door het geloof begrijpen wij dat de wereld door het woord van God gemaakt is. Wat wij zien, is dus niet ontstaan uit zichtbare dingen. 4. Door het geloof bracht Abel een beter offer aan God dan Kaïn. Zo kreeg hij het getuigenis dat hij rechtvaardig was, want God getuigde over zijn gave. En door dat geloof spreekt hij nog, al is hij gestorven. 5. Door het geloof is Henoch weggenomen, zodat hij de dood niet zag. Hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Vóór die tijd had hij het getuigenis gekregen dat hij God behaagde. 6. Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. Wie tot God komt, moet namelijk geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont wie Hem zoeken. 7. Door het geloof heeft Noach de ark gebouwd om zijn gezin te redden. God had hem gewaarschuwd voor wat nog niet te zien was, en hij nam dat ernstig. Zo veroordeelde hij de wereld en werd hij erfgenaam van de gerechtigheid door het geloof. 8. Door het geloof is Abraham gehoorzaam geweest toen hij geroepen werd. Hij ging weg naar de plaats die hij als erfenis zou krijgen, en hij wist niet waar hij zou komen. 9. Door het geloof is hij gaan wonen in het beloofde land als in een vreemd land. Hij woonde in tenten met Izak en Jakob, die samen met hem erfgenaam waren van dezelfde belofte. 10. Hij verwachtte namelijk de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwer is. 11. Door het geloof heeft ook Sara kracht gekregen om zwanger te worden. Zij baarde ver boven haar leeftijd, want zij vond Hem betrouwbaar die het beloofd had. 12. Daarom zijn uit één man, en nog wel iemand die zo goed als dood was, zoveel nakomelingen geboren. Zij zijn als de sterren aan de hemel en als het zand aan de zee, niet te tellen. 13. Zij zijn allemaal in geloof gestorven zonder de beloften te krijgen. Zij hebben die van ver gezien en begroet, en zij hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op aarde waren. 14. Wie zoiets zegt, laat duidelijk zien dat hij een vaderland zoekt. 15. Hadden zij gedacht aan het land waaruit zij weggegaan waren, dan hadden zij tijd genoeg gehad om terug te keren. 16. Maar zij verlangden naar een beter land, het hemelse. Daarom wil God zonder schaamte hun God heten, want Hij had een stad voor hen klaargemaakt. 17. Door het geloof heeft Abraham Izak geofferd toen hij op de proef gesteld werd. Hij had de beloften gekregen en toch offerde hij zijn enige zoon. 18. Tegen hem was gezegd: Alleen het nageslacht van Izak telt als jouw nageslacht. 19. Hij dacht namelijk dat God zelfs uit de doden kon opwekken. En zo kreeg hij hem ook terug, bij wijze van spreken. 20. Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend, met het oog op de toekomst. 21. Door het geloof heeft Jakob bij zijn sterven de zonen van Jozef gezegend. Hij aanbad, geleund op de knop van zijn staf. 22. Door het geloof heeft Jozef bij zijn sterven gesproken over de uittocht van de Israëlieten. Hij gaf ook opdracht over zijn beenderen. 23. Door het geloof hebben de ouders van Mozes hem na zijn geboorte drie maanden verborgen. Zij zagen dat het een mooi kind was en waren niet bang voor het bevel van de koning. 24. Door het geloof heeft Mozes, toen hij groot geworden was, geweigerd om zoon van de dochter van de koning te heten. 25. Hij koos er liever voor om met het volk van God slecht behandeld te worden dan om even van de zonde te genieten. 26. Hij vond de smaad van Christus meer waard dan de schatten van Egypte. Hij keek namelijk uit naar de beloning. 27. Door het geloof heeft hij Egypte verlaten zonder bang te zijn voor de woede van de koning. Hij hield vol alsof hij de Onzichtbare zag. 28. Door het geloof heeft hij het paasfeest gehouden en het bloed aangebracht. Zo zou de verderver hun eerstgeborenen niet aanraken. 29. Door het geloof zijn zij door de zee gegaan als over droog land. De Egyptenaren probeerden het ook en verdronken. 30. Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, nadat zij er zeven dagen omheen waren gegaan. 31. Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen. Zij had de verkenners namelijk vriendelijk ontvangen. 32. Wat zal ik nog meer zeggen? De tijd ontbreekt mij om te vertellen over Gideon, Barak, Simson en Jefta, over David, Samuël en de profeten. 33. Zij hebben door het geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid gedaan en beloften gekregen. Zij hebben de muilen van leeuwen gesloten, 34. de kracht van vuur gedoofd en zijn ontkomen aan het scherp van het zwaard. Zij werden sterk uit zwakheid, machtig in de strijd en joegen legers van vreemden op de vlucht. 35. Vrouwen kregen hun doden terug door de opstanding. Anderen werden gemarteld en wilden geen vrijlating, om een betere opstanding te krijgen. 36. Weer anderen hebben spot en zweepslagen doorstaan, en ook boeien en gevangenis. 37. Zij zijn gestenigd, in stukken gezaagd, beproefd en met het zwaard gedood. Zij trokken rond in schapenvachten en geitenvellen, verlaten, verdrukt en mishandeld. 38. De wereld was hen niet waard. Zij dwaalden door woestijnen en over bergen, en woonden in grotten en holen in de aarde. 39. Zij hebben allemaal door het geloof een goed getuigenis gekregen, maar zij kregen niet wat beloofd was. 40. God had namelijk iets beters met ons voor. Zonder ons zouden zij niet volmaakt worden. ## Hebreeën 12 — Kijk naar Jezus 1. Wij hebben zo'n grote wolk van getuigen om ons heen. Laten wij daarom elke last afleggen en de zonde die ons zo gemakkelijk verstrikt. Laten wij met volharding de wedstrijd lopen die voor ons ligt. 2. Laten wij kijken naar Jezus, de Leidsman en Voltooier van het geloof. Om de vreugde die voor Hem lag, heeft Hij het kruis verdragen en de schande veracht. Nu zit Hij aan de rechterhand van de troon van God. 3. Denk aan Hem, die zoveel tegenspraak van zondaars verdragen heeft. Dan worden jullie niet moe en raken jullie niet uitgeput in je ziel. 4. In jullie strijd tegen de zonde hebben jullie nog geen weerstand geboden tot bloedens toe. 5. En jullie zijn de bemoediging vergeten die tot jullie spreekt als tot kinderen: Mijn zoon, neem de opvoeding door de Heere serieus. Geef de moed niet op als Hij je terechtwijst. 6. De Heere voedt namelijk op wie Hij liefheeft. Hij straft iedere zoon die Hij aanneemt. 7. Verdraag die opvoeding. God behandelt jullie namelijk als kinderen. Welke zoon wordt niet door zijn vader opgevoed? 8. Krijgen jullie geen opvoeding, terwijl iedereen die krijgt, dan zijn jullie geen echte kinderen. 9. Onze aardse vaders voedden ons op en wij hadden ontzag voor hen. Zullen wij ons dan niet veel meer onderschikken aan de Vader van de geesten, en leven? 10. Zij voedden ons een korte tijd op zoals zij het goed vonden. Maar Hij doet het tot ons nut, zodat wij delen in Zijn heiligheid. 11. Opvoeding lijkt op het moment zelf geen vreugde maar verdriet. Later geeft zij een vreedzame vrucht van gerechtigheid aan wie erdoor geoefend zijn. 12. Richt daarom de slappe handen en de zwakke knieën weer op. 13. Maak rechte paden voor je voeten. Dan raakt wat kreupel is niet ontwricht, maar wordt het juist genezen. 14. Jaag de vrede na met iedereen, en de heiliging. Zonder heiliging zal niemand de Heere zien. 15. Let erop dat niemand achterblijft bij de genade van God. Laat geen wortel van bitterheid opschieten, die onrust brengt en velen besmet. 16. Laat niemand ontucht plegen of onheilig zijn, zoals Ezau, die zijn eerstgeboorterecht weggaf voor één maaltijd. 17. Jullie weten dat hij daarna de zegen wilde erven en toch werd afgewezen. Hij vond geen kans om het terug te draaien, al zocht hij die met tranen. 18. Jullie zijn niet gekomen bij een tastbare berg, bij brandend vuur, bij donkerheid, duisternis en storm. 19. Jullie zijn ook niet gekomen bij bazuingeschal en bij een stem die woorden sprak. Wie die hoorden, smeekten dat er geen woord meer tot hen gesproken zou worden. 20. Zij konden namelijk het bevel niet verdragen: Zelfs als een dier de berg aanraakt, moet het gestenigd worden. 21. Het gezicht was zo vreselijk dat Mozes zei: Ik ben doodsbang en ik beef. 22. Maar jullie zijn gekomen bij de berg Sion en bij de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en bij tienduizenden engelen. 23. Jullie zijn gekomen bij de feestelijke vergadering van de eerstgeborenen, die in de hemel opgeschreven zijn. Jullie zijn gekomen bij God, de Rechter over allen, en bij de geesten van de rechtvaardigen die volmaakt zijn. 24. En jullie zijn gekomen bij Jezus, de Middelaar van het nieuwe verbond, en bij het bloed van de besprenkeling, dat beter spreekt dan Abel. 25. Pas op dat jullie Hem die spreekt niet afwijzen. Wie Hem afwezen die op aarde sprak, ontkwamen niet. Hoeveel te minder ontkomen wij als wij ons afkeren van Hem die uit de hemel spreekt. 26. Zijn stem deed toen de aarde beven. Maar nu heeft Hij aangekondigd: Nog één keer zal ik niet alleen de aarde laten beven, maar ook de hemel. 27. Dat woord nog één keer wijst op de verandering van wat kan wankelen, omdat het gemaakt is. Zo blijft wat niet kan wankelen. 28. Wij krijgen dus een onwankelbaar Koninkrijk. Laten wij daarom de genade vasthouden en God dienen zoals Hij het wil, met eerbied en ontzag. 29. Onze God is namelijk een verterend vuur. ## Hebreeën 13 — Doe goed en deel 1. Laat de onderlinge liefde blijven. 2. Vergeet de gastvrijheid niet. Sommigen hebben daardoor zonder het te weten engelen ontvangen. 3. Denk aan de gevangenen, alsof jullie zelf gevangen zaten. Denk aan wie mishandeld worden, want jullie hebben ook een lichaam. 4. Laat iedereen het huwelijk in ere houden en het bed onbevlekt. Wie ontucht en overspel plegen, zal God oordelen. 5. Wees niet geldzuchtig en tevreden met wat je hebt. Hij heeft namelijk gezegd: Ik zal je niet begeven en ik zal je niet verlaten. 6. Daarom durven wij met vrijmoedigheid te zeggen: De Heere is mijn Helper, ik zal niet bang zijn. Wat zou een mens mij doen? 7. Denk aan jullie voorgangers, die het woord van God tot jullie gesproken hebben. Kijk naar de uitkomst van hun leven en volg hun geloof na. 8. Jezus Christus is gisteren en vandaag dezelfde, en tot in eeuwigheid. 9. Laat je niet meeslepen door allerlei vreemde leringen. Het is goed dat het hart gesterkt wordt door genade en niet door voedselregels. Wie daarop vertrouwden, hadden er niets aan. 10. Wij hebben een altaar waarvan zij die in de tent dienen niet mogen eten. 11. Het bloed van de dieren voor de zonde wordt door de hogepriester het heiligdom binnengebracht. Maar hun lichamen worden buiten het kamp verbrand. 12. Daarom heeft ook Jezus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door Zijn eigen bloed. 13. Laten wij dus naar Hem toe gaan, buiten het kamp, en Zijn smaad dragen. 14. Wij hebben hier namelijk geen blijvende stad. Wij zoeken de stad die komt. 15. Laten wij dan door Hem altijd een lofoffer aan God brengen: de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden. 16. Vergeet het goed doen en het delen niet. Zulke offers behagen God namelijk. 17. Wees jullie voorgangers gehoorzaam en onderschik je aan hen. Zij waken over jullie zielen en zullen daarover verantwoording afleggen. Laat hen dat met vreugde doen en niet zuchtend, want dat is niet goed voor jullie. 18. Bid voor ons. Wij vertrouwen namelijk dat wij een goed geweten hebben en in alles eerlijk willen leven. 19. Ik vraag jullie dringend om dat te doen, zodat ik des te sneller bij jullie terug mag komen. 20. De God van de vrede heeft de grote Herder van de schapen uit de doden teruggebracht. Dat deed Hij door het bloed van het eeuwige verbond. 21. Laat Hij jullie volmaakt maken in elk goed werk, zodat jullie Zijn wil doen. Laat Hij in ons werken wat Hem behaagt, door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen. 22. Broeders, ik vraag jullie dringend: verdraag dit woord van bemoediging, want ik heb jullie maar kort geschreven. 23. Weet dat onze broeder Timotheüs vrijgelaten is. Komt hij snel, dan zal ik jullie samen met hem zien. 24. Groet al jullie voorgangers en alle heiligen. De gelovigen uit Italië groeten jullie. 25. De genade zij met jullie allemaal. Amen. ## Jakobus 1 — Volharding en wijsheid 1. Van Jakobus, dienaar van God en van de Heere Jezus Christus. Aan de twaalf stammen in de verstrooiing: gegroet. 2. Broeders, zie het als grote vreugde wanneer je in allerlei beproevingen terechtkomt. 3. Jullie weten immers dat de beproeving van jullie geloof volharding oplevert. 4. Laat die volharding haar werk afmaken. Dan zijn jullie volmaakt en heel, en komen jullie in niets tekort. 5. Komt iemand van jullie wijsheid tekort, laat hij die dan aan God vragen. Hij geeft aan iedereen royaal en zonder verwijt, en zij zal hem gegeven worden. 6. Maar laat hij erom vragen in geloof, zonder te twijfelen. Wie twijfelt, lijkt op een golf van de zee, die door de wind heen en weer gedreven wordt. 7. Laat zo iemand niet denken dat hij iets van de Heere zal krijgen. 8. Een verdeeld mens is onvast in al zijn wegen. 9. Laat een gelovige in eenvoudige omstandigheden roemen in zijn hoge plaats. 10. En laat de rijke roemen in zijn nederige plaats, want hij zal verdwijnen als een bloem in het gras. 11. De zon komt op met haar hitte en maakt het gras dor. De bloem valt af en haar mooie aanblik verdwijnt. Zo zal ook de rijke verwelken bij alles wat hij onderneemt. 12. Gelukkig is de man die beproeving verdraagt. Als hij de proef doorstaan heeft, krijgt hij de krans van het leven, die de Heere beloofd heeft aan wie Hem liefhebben. 13. Laat niemand die verleid wordt zeggen: Ik word door God verleid. God kan namelijk niet door het kwade verleid worden, en Hij verleidt Zelf niemand. 14. Ieder wordt verleid doordat zijn eigen begeerte hem meetrekt en lokt. 15. Als die begeerte zwanger wordt, baart zij zonde. En als de zonde volgroeid is, baart zij de dood. 16. Vergis je niet, mijn geliefden. 17. Elke goede gave en elk volmaakt geschenk komt van boven, van de Vader van de lichten. Bij Hem is geen verandering of schaduw van omkeer. 18. Hij heeft ons naar Zijn wil voortgebracht door het woord van de waarheid. Zo zijn wij een soort eerstelingen van Zijn schepselen. 19. Broeders, jullie zijn geliefd. Weet dit: laat ieder mens snel zijn om te horen, langzaam om te spreken en langzaam tot woede. 20. De woede van een mens brengt namelijk de gerechtigheid van God niet voort. 21. Leg dus alle vuilheid en overvloed van slechtheid af. Ontvang met zachtmoedigheid het woord dat in jullie geplant is en dat jullie ziel kan redden. 22. Wees daders van het woord en niet alleen hoorders. Anders bedriegen jullie jezelf. 23. Wie het woord hoort en niet doet, lijkt op een man die in de spiegel naar zijn eigen gezicht kijkt. 24. Hij ziet zichzelf, loopt weg en vergeet meteen hoe hij eruitzag. 25. Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet van de vrijheid en daarbij blijft, vergeet niet wat hij hoorde. Hij doet het werk en zal gelukkig zijn in wat hij doet. 26. Denkt iemand van jullie dat hij God dient, maar houdt hij zijn tong niet in toom? Dan bedriegt hij zijn eigen hart en is zijn dienst waardeloos. 27. Zuivere en onbevlekte dienst voor God de Vader is dit: omzien naar wezen en weduwen in hun nood, en jezelf onbesmet bewaren van de wereld. ## Jakobus 2 — Geloof en werken 1. Broeders, verbind het geloof in onze Heere Jezus Christus, de Heere van de heerlijkheid, niet met het aanzien van personen. 2. Stel dat er in jullie samenkomst een man binnenkomt met een gouden ring en mooie kleren, en ook een arme man met vuile kleren. 3. En jullie kijken op naar de man met de mooie kleren en zeggen: Gaat u hier maar zitten, op een goede plaats. En tegen de arme zeggen jullie: Ga jij daar maar staan, of: Zit hier bij mijn voetenbank. 4. Maken jullie dan geen onderscheid onder elkaar? Zijn jullie dan geen rechters met kwade overwegingen geworden? 5. Luister, mijn geliefden. Heeft God niet de armen in de wereld uitgekozen om rijk te zijn in het geloof en erfgenaam van het Koninkrijk? Dat heeft Hij beloofd aan wie Hem liefhebben. 6. Maar jullie hebben de arme onteerd. Zijn het niet de rijken die jullie onderdrukken en voor de rechtbank slepen? 7. Lasteren zij niet de goede Naam die over jullie is uitgeroepen? 8. Houden jullie je aan de koninklijke wet volgens de Schrift: Heb je naaste lief als jezelf, dan doen jullie goed. 9. Maar kijken jullie naar de persoon, dan doen jullie zonde. De wet klaagt jullie dan aan als overtreders. 10. Wie namelijk de hele wet houdt maar op één punt struikelt, is schuldig aan alles. 11. Hij die gezegd heeft: Je mag geen overspel plegen, heeft ook gezegd: Je mag niet doden. Pleeg je geen overspel maar dood je wel, dan ben je een overtreder van de wet geworden. 12. Spreek en doe dus als mensen die geoordeeld zullen worden door de wet van de vrijheid. 13. Het oordeel is namelijk onbarmhartig voor wie geen barmhartigheid bewezen heeft. De barmhartigheid triomfeert over het oordeel. 14. Broeders, wat heb je eraan als iemand zegt dat hij geloof heeft, maar geen werken? Kan dat geloof hem redden? 15. Stel dat een broeder of een medegelovige geen kleren heeft en dagelijks voedsel tekortkomt. 16. En iemand van jullie zegt tegen hen: Ga in vrede, kleed je warm en eet genoeg, maar geeft hun niet wat hun lichaam nodig heeft. Wat heb je daaraan? 17. Zo is ook het geloof op zichzelf dood als het geen werken heeft. 18. Maar iemand zal zeggen: Jij hebt geloof en ik heb werken. Laat mij je geloof maar eens zien zonder werken, dan laat ik jou uit mijn werken mijn geloof zien. 19. Jij gelooft dat God één is. Dat doe je goed. De boze geesten geloven dat ook, en zij beven. 20. Wil je weten, dwaze mens, dat geloof zonder werken nutteloos is? 21. Is Abraham, onze voorvader, niet uit werken rechtvaardig verklaard, toen hij zijn zoon Izak op het altaar offerde? 22. Je ziet dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken en dat het geloof door de werken volmaakt werd. 23. Zo ging de Schrift in vervulling die zegt: Abraham geloofde God, en het werd hem als gerechtigheid aangerekend. Hij werd zelfs een vriend van God genoemd. 24. Jullie zien dus dat een mens uit werken rechtvaardig verklaard wordt en niet alleen uit geloof. 25. Zo is ook Rachab, de hoer, uit werken rechtvaardig verklaard. Zij ontving de boodschappers en liet hen langs een andere weg vertrekken. 26. Zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood. ## Jakobus 3 — De tong en de wijsheid 1. Broeders, laat niet velen van jullie leraar worden. Jullie weten dat wij een strenger oordeel zullen krijgen. 2. Wij struikelen namelijk allemaal in veel dingen. Wie niet struikelt in zijn woorden, is een volmaakt man en kan ook zijn hele lichaam in toom houden. 3. Wij leggen paarden een bit in de mond om hen te laten gehoorzamen. Zo sturen wij hun hele lichaam. 4. Kijk ook naar de schepen. Ze zijn zo groot en worden door harde wind gedreven, en toch stuurt een heel klein roer ze, waarheen de stuurman maar wil. 5. Zo is ook de tong een klein lid, en toch schept zij hoog op. Kijk, een klein vuurtje steekt een grote hoop hout aan. 6. Ook de tong is een vuur, een wereld van onrecht. Zij staat tussen onze lichaamsdelen en besmet het hele lichaam. Zij zet ons hele bestaan in vlam en wordt zelf aangestoken door de hel. 7. Elke soort wilde dieren, vogels, kruipende dieren en zeedieren wordt getemd en is getemd door de mens. 8. Maar de tong kan geen mens temmen. Zij is een onbedwingbaar kwaad, vol dodelijk gif. 9. Met de tong loven wij God de Vader, en met de tong vervloeken wij de mensen, die naar het beeld van God gemaakt zijn. 10. Uit dezelfde mond komen zegen en vloek. Broeders, zo hoort het niet te gaan. 11. Geeft een bron soms uit dezelfde opening zoet en bitter water? 12. Broeders, kan een vijgenboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Zo kan een zoute bron ook geen zoet water geven. 13. Wie is wijs en verstandig onder jullie? Laat hij het uit zijn goede leven laten zien, met werken in zachtmoedige wijsheid. 14. Maar hebben jullie bittere afgunst en eigenbelang in je hart, schep dan niet op en lieg niet tegen de waarheid. 15. Dat is namelijk niet de wijsheid die van boven komt. Die is aards, ongeestelijk en duivels. 16. Waar afgunst en eigenbelang zijn, is wanorde en allerlei kwaad. 17. Maar de wijsheid van boven is allereerst zuiver, en verder vreedzaam, mild en meegaand. Zij is vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en oprecht. 18. En de vrucht van de gerechtigheid wordt in vrede gezaaid door wie vrede maken. ## Jakobus 4 — Onderschik je aan God 1. Waar komen de ruzies en gevechten onder jullie vandaan? Komen zij niet uit jullie verlangens, die strijd voeren in je lichaam? 2. Jullie begeren en krijgen niets. Jullie zijn jaloers en willen iets hebben, maar krijgen het niet. Jullie vechten en voeren strijd, en toch hebben jullie niets, omdat jullie niet bidden. 3. Jullie bidden wel en krijgen niets, omdat jullie verkeerd bidden. Jullie willen het opmaken aan je eigen genot. 4. Overspelige mensen, weten jullie niet dat vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie een vriend van de wereld wil zijn, wordt een vijand van God. 5. Of denken jullie dat de Schrift voor niets zegt dat de Geest die in ons woont, met jaloezie naar ons verlangt? 6. Maar Hij geeft des te meer genade. Daarom zegt de Schrift: God staat tegenover de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade. 7. Onderschik je dus aan God. Bied weerstand aan de duivel, en hij zal van jullie wegvluchten. 8. Nader tot God, dan zal Hij tot jullie naderen. Was je handen, zondaars, en zuiver je hart, jullie die verdeeld zijn. 9. Besef je ellende, treur en huil. Laat jullie lachen veranderen in treuren en jullie blijdschap in somberheid. 10. Verneder je voor de Heere, dan zal Hij jullie verhogen. 11. Broeders, spreek geen kwaad van elkaar. Wie kwaad spreekt van zijn broeder en hem oordeelt, spreekt kwaad van de wet en oordeelt de wet. En als je de wet oordeelt, ben je geen dader van de wet maar een rechter. 12. Er is één Wetgever, die kan redden en verderven. Maar wie ben jij, dat je een ander oordeelt? 13. En nu jullie, die zeggen: Vandaag of morgen gaan wij naar die stad. Daar blijven wij een jaar, doen zaken en maken winst. 14. Jullie weten niet eens wat er morgen gebeurt. Wat is jullie leven? Het is een damp die even te zien is en daarna verdwijnt. 15. Zeg liever: Als de Heere het wil en wij leven, dan zullen wij dit of dat doen. 16. Maar nu scheppen jullie op in je hoogmoed. Al zulke opschepperij is kwaad. 17. Wie dus weet goed te doen en het niet doet, die zondigt. ## Jakobus 5 — Geduld en gebed 1. En nu jullie, rijken: huil en jammer over de ellende die over jullie komt. 2. Jullie rijkdom is verrot en jullie kleren zijn door motten aangevreten. 3. Jullie goud en zilver is verroest. Die roest zal tegen jullie getuigen en jullie vlees verteren als vuur. Jullie hebben schatten verzameld in de laatste dagen. 4. Kijk, het loon van de arbeiders die jullie akkers gemaaid hebben, roept. Jullie hebben het achtergehouden. Het geschreeuw van de maaiers is gekomen tot de oren van de Heere van de hemelse legers. 5. Jullie hebben op aarde in weelde geleefd en jezelf genot gegund. Jullie hebben je hart vetgemest, en dat op de dag van de slacht. 6. Jullie hebben de rechtvaardige veroordeeld en gedood, en hij biedt geen weerstand. 7. Broeders, wees dus geduldig tot de komst van de Heere. Kijk, de boer wacht op de kostbare vrucht van het land. Hij wacht geduldig totdat de vroege en de late regen gevallen zijn. 8. Wees ook zo geduldig en maak je hart sterk, want de komst van de Heere is dichtbij. 9. Broeders, mopper niet op elkaar, anders worden jullie geoordeeld. Kijk, de Rechter staat voor de deur. 10. Broeders, neem een voorbeeld aan de profeten die in de Naam van de Heere gesproken hebben. Zij leden en hielden vol. 11. Wij noemen hen gelukkig die volhouden. Jullie hebben gehoord van de volharding van Job en gezien wat de Heere uiteindelijk deed. De Heere is namelijk vol medelijden en barmhartig. 12. Broeders, zweer vooral niet, niet bij de hemel en niet bij de aarde, en ook geen andere eed. Laat jullie ja ja zijn en jullie nee nee. Dan vallen jullie niet onder het oordeel. 13. Heeft iemand van jullie het moeilijk? Laat hij bidden. Is iemand goedgemutst? Laat hij een psalm zingen. 14. Is iemand van jullie ziek? Laat hij de oudsten van de gemeenschap roepen. Zij moeten over hem bidden en hem zalven met olie in de Naam van de Heere. 15. Het gelovige gebed zal de zieke redden en de Heere zal hem oprichten. En heeft hij zonden gedaan, dan worden die hem vergeven. 16. Belijd elkaar je overtredingen en bid voor elkaar, zodat jullie genezen. Het krachtige gebed van een rechtvaardige doet veel. 17. Elia was een mens zoals wij. Hij bad vurig dat het niet zou regenen, en het regende drie jaar en zes maanden niet op de aarde. 18. Hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort. 19. Broeders, als iemand van jullie van de waarheid afdwaalt en een ander brengt hem terug, 20. laat hij dan weten: wie een zondaar terugbrengt van zijn dwaalweg, redt zijn ziel van de dood en bedekt een menigte zonden. ## 1 Petrus 1 — Een levende hoop 1. Van Petrus, apostel van Jezus Christus. Aan de vreemdelingen in de verstrooiing, in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bithynië. 2. Jullie zijn uitgekozen naar wat God de Vader van tevoren wist. De Geest heeft jullie geheiligd om gehoorzaam te zijn en besprenkeld te worden met het bloed van Jezus Christus. Genade en vrede voor jullie in overvloed. 3. Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Naar Zijn grote barmhartigheid heeft Hij ons opnieuw geboren laten worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. 4. Zo krijgen wij een erfenis die onvergankelijk, onbevlekt en onverwelkelijk is. Die wordt in de hemel voor jullie bewaard. 5. Jullie worden door de kracht van God bewaard door het geloof, tot de redding die klaarligt om in de laatste tijd bekend te worden. 6. Daarover zijn jullie blij, ook al hebben jullie nu even verdriet door allerlei beproevingen, als dat nodig is. 7. Zo wordt de echtheid van jullie geloof bewezen. Dat is veel kostbaarder dan goud, dat vergaat en toch door vuur beproefd wordt. Het loopt uit op lof, eer en heerlijkheid bij de verschijning van Jezus Christus. 8. Jullie hebben Hem niet gezien en toch hebben jullie Hem lief. Jullie zien Hem nu niet, maar geloven in Hem en zijn blij met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. 9. Zo krijgen jullie het doel van jullie geloof: de redding van je ziel. 10. Over die redding hebben de profeten gevraagd en onderzoek gedaan. Zij profeteerden over de genade die voor jullie bestemd was. 11. Zij zochten uit op welke tijd de Geest van Christus in hen doelde. Die Geest getuigde vooraf van het lijden dat over Christus zou komen en van de heerlijkheid daarna. 12. Hun werd bekendgemaakt dat zij niet zichzelf dienden, maar ons. Dit is jullie nu verkondigd door wie het evangelie brachten in de Heilige Geest, die uit de hemel gestuurd is. Zelfs engelen verlangen ernaar hierin te kijken. 13. Maak daarom je denken klaar voor de reis en wees nuchter. Hoop helemaal op de genade die jullie krijgen bij de verschijning van Jezus Christus. 14. Wees gehoorzame kinderen. Pas je niet aan bij de verlangens van vroeger, toen jullie onwetend waren. 15. Hij die jullie geroepen heeft, is heilig. Wees daarom zelf ook heilig in heel je leven. 16. Er staat namelijk geschreven: Wees heilig, want ik ben heilig. 17. Jullie roepen Hem aan als Vader, en Hij oordeelt zonder aanzien van de persoon, naar ieders werk. Leef daarom in ontzag in de tijd dat jullie hier vreemdeling zijn. 18. Jullie weten dat je niet met vergankelijke dingen vrijgekocht bent, zoals zilver of goud. Zo zijn jullie verlost uit het zinloze leven dat jullie van je voorouders gekregen hadden. 19. Jullie zijn vrijgekocht met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en smetteloos lam. 20. Hij was al gekend vóór de grondlegging van de wereld en is in deze laatste tijden verschenen om jullie. 21. Door Hem geloven jullie in God, die Hem uit de doden opgewekt en heerlijkheid gegeven heeft. Zo rusten jullie geloof en hoop op God. 22. Jullie hebben je ziel gereinigd door gehoorzaam te zijn aan de waarheid, en zo oprecht lief te hebben. Heb elkaar dan vurig lief uit een zuiver hart. 23. Jullie zijn namelijk opnieuw geboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God. 24. Er staat namelijk: Alle vlees is als gras en alle luister van de mens is als een bloem in het gras. Het gras verdort en de bloem valt af. 25. Maar het woord van de Heere blijft tot in eeuwigheid. Dat is het woord dat aan jullie verkondigd is. ## 1 Petrus 2 — Levende stenen 1. Leg dus alle slechtheid af, en alle bedrog, schijnheiligheid, afgunst en kwaadsprekerij. 2. Verlang als pasgeboren kinderen naar de zuivere melk van het woord. Daardoor kunnen jullie groeien tot redding. 3. Jullie hebben immers geproefd dat de Heere goed is. 4. Kom naar Hem toe, de levende steen. Door de mensen is Hij afgewezen, maar bij God is Hij uitgekozen en kostbaar. 5. Laat jullie zelf ook als levende stenen gebouwd worden tot een geestelijk huis en een heilig priesterschap. Dan brengen jullie geestelijke offers, die God welgevallig zijn door Jezus Christus. 6. Daarom staat er in de Schrift: Kijk, ik leg in Sion een hoeksteen, uitgekozen en kostbaar. Wie in Hem gelooft, wordt niet beschaamd. 7. Voor jullie die geloven is Hij dus kostbaar. Maar voor de ongehoorzamen geldt: De steen die de bouwers afgekeurd hebben, is de hoeksteen geworden. 8. En ook: Een steen waarover je struikelt en een rots waaraan je je stoot. Zij stoten zich aan het woord omdat zij ongehoorzaam zijn, en daartoe waren zij ook bestemd. 9. Maar jullie zijn een uitgekozen geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zijn eigendom noemt. Zo kunnen jullie de grote daden verkondigen van Hem die jullie uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaarlijke licht. 10. Vroeger waren jullie geen volk, maar nu zijn jullie het volk van God. Vroeger kregen jullie geen ontferming, maar nu is die er wel. 11. Geliefden, ik vraag jullie dringend, als bijwoners en vreemdelingen: blijf weg bij de verlangens van het vlees, die strijd voeren tegen de ziel. 12. Leef netjes tussen de volken. Zij spreken kwaad over jullie alsof jullie misdadigers zijn. Maar als zij jullie goede werken zien, zullen zij God eren op de dag dat Hij omziet. 13. Onderschik je dus aan alle menselijke orde, om de Heere. Dat geldt voor de keizer, als de hoogste macht, 14. en voor de stadhouders, die door hem gestuurd worden om misdadigers te straffen en om te prijzen wie goed doen. 15. God wil namelijk dat jullie met goed doen de mond snoeren van dwaze mensen die niets weten. 16. Leef als vrije mensen. Gebruik je vrijheid niet als dekmantel voor het kwaad, maar leef als dienaren van God. 17. Geef ieder mens eer. Heb de gelovigen lief. Heb ontzag voor God. Eer de keizer. 18. Slaven, onderschik je met alle ontzag aan je heren, niet alleen aan de goede en milde, maar ook aan de harde. 19. Het is namelijk genade als iemand verdriet verdraagt en ten onrechte lijdt, omdat hij aan God denkt. 20. Wat is er eervol aan als jullie geslagen worden omdat jullie zondigen en dat verdragen? Maar lijden jullie omdat jullie goed doen, en verdragen jullie dat, dan is dat genade bij God. 21. Daartoe zijn jullie geroepen. Christus heeft namelijk ook voor ons geleden en ons een voorbeeld nagelaten, zodat jullie Zijn voetstappen volgen. 22. Hij heeft geen zonde gedaan en in Zijn mond is geen bedrog gevonden. 23. Toen Hij uitgescholden werd, schold Hij niet terug. Toen Hij leed, dreigde Hij niet. Hij gaf het over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. 24. Hij heeft Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout. Zo zouden wij, gestorven aan de zonden, leven voor de gerechtigheid. Door Zijn striemen zijn jullie genezen. 25. Jullie waren namelijk als dwalende schapen. Maar nu zijn jullie teruggekeerd naar de Herder en Opziener van je ziel. ## 1 Petrus 3 — Man en vrouw, en lijden om het goede 1. Vrouwen, onderschik je aan je eigen man. Dan kunnen mannen die het woord niet gehoorzamen, zonder woorden gewonnen worden door het leven van hun vrouw. 2. Zij zien dan jullie zuivere leven vol ontzag. 3. Laat jullie sieraad niet uiterlijk zijn: gevlochten haar, gouden sieraden of mooie kleren. 4. Laat het de verborgen mens van het hart zijn, met het onvergankelijke sieraad van een zachtmoedige en stille geest. Dat is kostbaar voor God. 5. Zo sierden ook vroeger de heilige vrouwen zich die op God hoopten. Zij onderschikten zich aan hun eigen man. 6. Zo gehoorzaamde Sara aan Abraham en noemde zij hem heer. Jullie zijn haar dochters geworden als jullie goed doen en je door niets bang laten maken. 7. Mannen, leef net zo met begrip samen met je vrouw. Geef haar eer als de zwakkere. Jullie zijn samen erfgenaam van de genade van het leven. Dan wordt jullie gebed niet gehinderd. 8. Wees ten slotte allemaal eensgezind, meelevend en vol liefde voor elkaar. Wees barmhartig en vriendelijk. 9. Vergeld geen kwaad met kwaad en geen schelden met schelden. Zegen juist. Jullie zijn namelijk geroepen om zegen te erven. 10. Er staat namelijk: Wie van het leven wil houden en goede dagen wil zien, moet zijn tong weghouden van het kwaad. Hij moet niets bedrieglijks zeggen. 11. Laat hij weggaan bij het kwade en het goede doen. Laat hij vrede zoeken en die najagen. 12. De ogen van de Heere zijn namelijk op de rechtvaardigen en Zijn oren op hun gebed. Maar het aangezicht van de Heere staat tegen wie kwaad doen. 13. En wie zal jullie kwaad doen als jullie het goede najagen? 14. Maar lijden jullie om de gerechtigheid, dan zijn jullie gelukkig. Wees niet bang voor hen en laat je niet in verwarring brengen. 15. Heilig Christus als Heere in jullie hart. Wees altijd klaar om verantwoording af te leggen aan iedereen die jullie vraagt naar de hoop die in jullie is. Doe dat met zachtmoedigheid en ontzag. 16. Houd een goed geweten. Dan staan de mensen die kwaad spreken over jullie goede leven in Christus, beschaamd. 17. Het is namelijk beter om te lijden omdat je goed doet, als God dat wil, dan omdat je kwaad doet. 18. Ook Christus heeft eens en voorgoed geleden voor de zonden, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen. Zo bracht Hij ons bij God. Hij is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest. 19. In die Geest is Hij ook heengegaan en heeft Hij gepredikt aan de geesten in de gevangenis. 20. Die waren vroeger ongehoorzaam, toen God geduldig wachtte in de dagen van Noach en de ark gebouwd werd. Daarin werden weinig mensen gered door het water, namelijk acht. 21. Het tegenbeeld daarvan is de doop, die ons nu redt. Die doop is geen afwassen van vuil van het lichaam, maar de vraag van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus. 22. Hij is naar de hemel gegaan en is aan de rechterhand van God. Engelen, machten en krachten zijn aan Hem onderworpen. ## 1 Petrus 4 — Lijden met Christus 1. Christus heeft dus in het vlees voor ons geleden. Wapen jullie met dezelfde gedachte: wie in het vlees geleden heeft, is opgehouden met de zonde. 2. Zo kunnen jullie de rest van je leven in het vlees niet meer leven naar menselijke verlangens, maar naar de wil van God. 3. Jullie hebben in de tijd die voorbij is genoeg gedaan wat de volken willen. Jullie leefden in losbandigheid, verlangens, dronkenschap, zwelgpartijen, drinkgelagen en verwerpelijke afgoderij. 4. Zij vinden het vreemd dat jullie niet meedoen aan diezelfde uitspattingen, en zij lasteren jullie. 5. Zij zullen verantwoording afleggen aan Hem die klaarstaat om levenden en doden te oordelen. 6. Daarom is ook aan de doden het evangelie verkondigd. Zo zouden zij naar menselijke maatstaf in het vlees geoordeeld worden, maar naar God leven in de geest. 7. Het einde van alle dingen is nabij. Wees dus nuchter en waak in de gebeden. 8. Heb vooral vurige liefde voor elkaar, want de liefde bedekt een menigte zonden. 9. Wees gastvrij voor elkaar, zonder te mopperen. 10. Laat ieder de gave die hij gekregen heeft gebruiken om de anderen te dienen. Wees goede beheerders van de veelzijdige genade van God. 11. Spreekt iemand, laat hij dan spreken als met woorden van God. Dient iemand, laat hij dat doen uit de kracht die God geeft. Zo wordt God in alles geprezen door Jezus Christus. Hem komt de heerlijkheid en de kracht toe tot in alle eeuwigheid. Amen. 12. Geliefden, wees niet verbaasd over het vuur van de verdrukking onder jullie, dat er is om jullie te beproeven. Het overkomt jullie niet als iets vreemds. 13. Wees juist blij, omdat jullie delen in het lijden van Christus. Dan kunnen jullie ook juichen van blijdschap als Zijn heerlijkheid verschijnt. 14. Worden jullie beledigd om de Naam van Christus, dan zijn jullie gelukkig. De Geest van de heerlijkheid en van God rust namelijk op jullie. 15. Laat niemand van jullie lijden als moordenaar, dief of misdadiger, of als iemand die zich met andermans zaken bemoeit. 16. Maar lijdt iemand als christen, laat hij zich dan niet schamen. Laat hij God eren met die naam. 17. Het is namelijk de tijd dat het oordeel begint bij het huis van God. En begint het bij ons, wat zal dan het einde zijn van wie het evangelie van God ongehoorzaam zijn? 18. En als de rechtvaardige nauwelijks gered wordt, waar zal de goddeloze en zondaar dan verschijnen? 19. Laten daarom wie naar de wil van God lijden, hun ziel toevertrouwen aan de trouwe Schepper, terwijl zij goed doen. ## 1 Petrus 5 — Weid de kudde van God 1. De oudsten onder jullie roep ik op. Ik ben zelf ook een oudste en getuige van het lijden van Christus, en deel in de heerlijkheid die zal verschijnen. 2. Weid de kudde van God die bij jullie is. Houd toezicht, niet gedwongen maar vrijwillig, en niet uit winstbejag maar van harte. 3. Heers niet over wie aan jullie zijn toevertrouwd, maar wees een voorbeeld voor de kudde. 4. Dan zullen jullie, als de Opperherder verschijnt, de onverwelkelijke krans van de heerlijkheid krijgen. 5. Jongeren, onderschik je net zo aan de ouderen. Wees allemaal nederig tegenover elkaar. God staat namelijk tegenover de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade. 6. Verneder je dus onder de sterke hand van God. Dan zal Hij jullie op Zijn tijd verhogen. 7. Werp al je zorgen op Hem, want Hij zorgt voor jullie. 8. Wees nuchter en waakzaam. Jullie tegenstander, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw en zoekt wie hij kan verslinden. 9. Bied hem weerstand en sta vast in het geloof. Jullie weten dat hetzelfde lijden overal in de wereld over jullie medegelovigen komt. 10. De God van alle genade heeft jullie geroepen tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus. Na een korte tijd van lijden zal Hij jullie Zelf volmaken, bevestigen, versterken en vast zetten. 11. Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid. Amen. 12. Door Silvanus, die ik een trouwe broeder vind, heb ik jullie kort geschreven. Ik wil jullie bemoedigen en verzekeren dat dit de echte genade van God is, waarin jullie staan. 13. De gemeenschap in Babylon, die met jullie uitgekozen is, groet jullie, en ook Markus, mijn zoon. 14. Groet elkaar met een kus van liefde. Vrede voor jullie allemaal die in Christus Jezus zijn. Amen. ## 2 Petrus 1 — Maak je roeping vast 1. Van Simeon Petrus, dienaar en apostel van Jezus Christus. Aan wie hetzelfde kostbare geloof gekregen hebben als wij, door de gerechtigheid van onze God en Redder, Jezus Christus. 2. Genade en vrede voor jullie in overvloed, door de kennis van God en van Jezus, onze Heere. 3. Zijn goddelijke kracht heeft ons namelijk alles gegeven wat bij leven en vroomheid hoort. Dat kwam door de kennis van Hem die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd. 4. Daardoor heeft Hij ons de grootste en kostbaarste beloften gegeven. Zo kunnen jullie deel krijgen aan de goddelijke natuur en ontkomen aan het verderf dat door begeerte in de wereld is. 5. Doe daarom juist je uiterste best. Voeg bij je geloof deugd, en bij de deugd kennis. 6. Voeg bij de kennis zelfbeheersing, bij de zelfbeheersing volharding en bij de volharding vroomheid. 7. Voeg bij de vroomheid onderlinge genegenheid, en bij die genegenheid liefde voor iedereen. 8. Zijn die dingen bij jullie en groeien zij, dan laten zij jullie niet nutteloos en zonder vrucht in de kennis van onze Heere Jezus Christus. 9. Wie ze niet heeft, is blind en kortzichtig. Hij is vergeten dat hij van zijn vroegere zonden gereinigd is. 10. Broeders, doe daarom juist je best om jullie roeping en verkiezing vast te maken. Als jullie dat doen, zullen jullie nooit struikelen. 11. Zo krijgen jullie rijkelijk toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Heere en Redder Jezus Christus. 12. Daarom zal ik jullie hier altijd aan blijven herinneren, al weten jullie het en staan jullie vast in de waarheid die er nu is. 13. Ik vind het goed om jullie wakker te houden met deze herinnering, zolang ik in deze tent van mijn lichaam ben. 14. Ik weet namelijk dat ik die tent binnenkort moet afleggen. Dat heeft onze Heere Jezus Christus mij bekendgemaakt. 15. En ik zal mijn best doen dat jullie ook na mijn heengaan deze dingen steeds kunnen blijven herinneren. 16. Wij hebben geen slim verzonnen verhalen gevolgd toen wij jullie de kracht en de komst van onze Heere Jezus Christus bekendmaakten. Wij hebben Zijn majesteit met eigen ogen gezien. 17. Hij heeft namelijk van God de Vader eer en heerlijkheid gekregen. Vanuit de verheven heerlijkheid klonk deze stem tot Hem: Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem heb ik vreugde. 18. Die stem hebben wij zelf uit de hemel gehoord, toen wij met Hem op de heilige berg waren. 19. Zo hebben wij het profetische woord, dat heel vast is. Jullie doen er goed aan daarop te letten, als op een licht in een donkere plaats. Let erop totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in jullie hart. 20. Weet dit allereerst: geen profetie van de Schrift laat een eigen uitleg toe. 21. Profetie is namelijk nooit voortgekomen uit de wil van een mens. Heilige mensen van God hebben gesproken, gedreven door de Heilige Geest. ## 2 Petrus 2 — Valse leraars 1. Er zijn ook valse profeten onder het volk geweest. Zo zullen er ook onder jullie valse leraars komen. Zij voeren stiekem verderfelijke leringen in en verloochenen zelfs de Heere die hen gekocht heeft. Zo brengen zij een snel verderf over zichzelf. 2. Velen zullen hun losbandigheid volgen. Daardoor zal de weg van de waarheid gelasterd worden. 3. Uit hebzucht zullen zij jullie met verzonnen woorden uitbuiten. Hun oordeel wacht al lang en hun verderf sluimert niet. 4. God heeft namelijk de engelen die zondigden niet gespaard. Hij wierp hen in de afgrond en gaf hen over aan ketenen van duisternis, om bewaard te worden voor het oordeel. 5. Hij heeft ook de oude wereld niet gespaard. Hij bewaarde Noach, de prediker van de gerechtigheid, en zeven anderen, toen Hij de vloed over de wereld van de goddelozen bracht. 6. Hij heeft de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand en veroordeeld tot ondergang. Zo stelde Hij ze als voorbeeld voor wie goddeloos zouden leven. 7. En Hij heeft de rechtvaardige Lot gered, die leed onder het losbandige gedrag van die gemene mensen. 8. Deze rechtvaardige man woonde tussen hen in. Dag in dag uit kwelde hij zijn rechtvaardige ziel door wat hij zag en hoorde van hun onrechtvaardige daden. 9. Zo weet de Heere de vromen uit de beproeving te redden. En Hij weet de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel, om gestraft te worden. 10. Dat geldt vooral voor wie het vlees volgen in onreine begeerte en het gezag minachten. Zij zijn brutaal en eigenzinnig en durven de hemelse machten te lasteren. 11. Zelfs engelen, die groter zijn in sterkte en kracht, brengen bij de Heere geen lasterend oordeel tegen hen in. 12. Maar deze mensen lasteren wat zij niet begrijpen. Zij lijken op redeloze dieren, die van nature geboren zijn om gevangen en gedood te worden. Zij zullen in hun eigen verderf omkomen. 13. Zo krijgen zij het loon van hun onrecht. Zij vinden het genot van de dag heerlijk. Zij zijn vlekken en smetten en zwelgen in hun bedrog als zij met jullie aan tafel zitten. 14. Hun ogen zijn vol overspel en zij stoppen nooit met zondigen. Zij verleiden onvaste zielen en hebben hun hart geoefend in hebzucht. Het zijn vervloekte kinderen. 15. Zij hebben de rechte weg verlaten en zijn verdwaald. Zij volgen de weg van Bileam, de zoon van Beor, die het loon van het onrecht liefhad. 16. Maar hij kreeg een terechtwijzing voor zijn overtreding. Een stom lastdier sprak met een mensenstem en hield de waanzin van de profeet tegen. 17. Deze mensen zijn bronnen zonder water en wolken die door een wervelwind worden voortgejaagd. Voor hen is de diepste duisternis bewaard. 18. Zij spreken hoogdravende en lege woorden. Met verlangens van het vlees en met losbandigheid verleiden zij mensen die net ontkomen waren aan wie in dwaling leven. 19. Zij beloven hun vrijheid, terwijl zij zelf slaven van het verderf zijn. Waardoor iemand overwonnen is, daarvan is hij ook slaaf geworden. 20. Zij zijn door de kennis van de Heere en Redder Jezus Christus ontkomen aan de smetten van de wereld. Raken zij daar weer in verstrikt en worden zij erdoor overwonnen, dan is het laatste erger dan het eerste. 21. Het zou beter voor hen zijn als zij de weg van de gerechtigheid nooit gekend hadden. Nu kennen zij die en keren zij zich toch af van het heilige gebod dat hun gegeven is. 22. Voor hen geldt het ware spreekwoord: De hond keert terug naar zijn eigen braaksel, en: De gewassen zeug gaat weer in de modder rollen. ## 2 Petrus 3 — Die dag komt zeker 1. Geliefden, dit is al de tweede brief die ik jullie schrijf. In allebei wil ik jullie zuivere denken wakker maken door herinnering. 2. Denk aan de woorden die de heilige profeten vroeger gesproken hebben, en aan het gebod van de Heere en Redder, doorgegeven door jullie apostelen. 3. Weet dit allereerst: in de laatste dagen zullen er spotters komen, die hun eigen verlangens volgen. 4. Zij zullen zeggen: Waar blijft de belofte van Zijn komst? Sinds de voorouders gestorven zijn, blijft alles zoals het vanaf het begin van de schepping was. 5. Zij willen niet weten dat de hemel er lang geleden al was door het woord van God. Ook de aarde ontstond zo, uit water en door water. 6. Daardoor is de wereld van toen vergaan, overspoeld door het water. 7. Maar de hemel en de aarde van nu zijn door hetzelfde woord bewaard voor het vuur. Zij worden bewaard tot de dag van het oordeel en van de ondergang van de goddeloze mensen. 8. Geliefden, vergeet dit ene ding niet: bij de Heere is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag. 9. De Heere stelt Zijn belofte niet uit, zoals sommigen dat traagheid vinden. Hij heeft geduld met ons. Hij wil niet dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. 10. Maar de dag van de Heere komt als een dief in de nacht. Dan zal de hemel met gedruis voorbijgaan en zullen de elementen verbranden en vergaan. De aarde en de werken daarop zullen verbranden. 11. Dit alles vergaat dus. Hoe heilig en vroom moeten jullie dan wel niet leven. 12. Verwacht de dag van God en verlang naar Zijn komst. Dan zal de hemel in vuur vergaan en zullen de elementen brandend wegsmelten. 13. Maar wij verwachten naar Zijn belofte een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. 14. Geliefden, jullie verwachten dit. Doe daarom je best om onbevlekt en onberispelijk voor Hem gevonden te worden, in vrede. 15. Zie het geduld van onze Heere als redding. Zo heeft ook onze geliefde broeder Paulus jullie geschreven, naar de wijsheid die hem gegeven is. 16. Dat doet hij in al zijn brieven, als hij hierover spreekt. Sommige dingen daarin zijn moeilijk te begrijpen. Onwetende en onvaste mensen verdraaien die, net als de andere Schriften, tot hun eigen verderf. 17. Geliefden, jullie weten dit van tevoren. Pas dus op dat jullie niet meegesleept worden door de dwaling van gemene mensen en je vaste grond verliezen. 18. Groei juist in de genade en de kennis van onze Heere en Redder Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, nu en tot in eeuwigheid. Amen. ## 1 Johannes 1 — God is licht 1. Wij schrijven over wat er vanaf het begin was. Wij hebben het gehoord en met onze eigen ogen gezien. Wij hebben het bekeken en met onze handen aangeraakt: het Woord van het leven. 2. Het leven is verschenen. Wij hebben het gezien en wij getuigen ervan. Wij verkondigen jullie dat eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. 3. Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij aan jullie. Dan hebben jullie ook gemeenschap met ons. En onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. 4. Wij schrijven dit, zodat onze blijdschap volkomen is. 5. Dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en aan jullie verkondigen: God is licht en in Hem is helemaal geen duisternis. 6. Zeggen wij dat wij gemeenschap met Hem hebben en leven wij toch in de duisternis, dan liegen wij en doen wij de waarheid niet. 7. Maar leven wij in het licht, zoals Hij in het licht is, dan hebben wij gemeenschap met elkaar. En het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. 8. Zeggen wij dat wij geen zonde hebben, dan misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. 9. Belijden wij onze zonden, dan is Hij trouw en rechtvaardig. Hij vergeeft ons de zonden en reinigt ons van al het onrecht. 10. Zeggen wij dat wij niet gezondigd hebben, dan maken wij Hem tot leugenaar en is Zijn woord niet in ons. ## 1 Johannes 2 — Een oud en nieuw gebod 1. Mijn kinderen, ik schrijf jullie dit zodat jullie niet zondigen. En als iemand zondigt: wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige. 2. Hij is de verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de hele wereld. 3. Hieraan weten wij dat wij Hem kennen: als wij Zijn geboden bewaren. 4. Wie zegt: Ik ken Hem, maar Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar. In hem is de waarheid niet. 5. Maar in wie Zijn woord bewaart, is de liefde van God echt volmaakt geworden. Hieraan weten wij dat wij in Hem zijn. 6. Wie zegt dat hij in Hem blijft, moet ook zelf zo leven als Hij geleefd heeft. 7. Broeders, ik schrijf jullie geen nieuw gebod, maar een oud gebod dat jullie vanaf het begin hadden. Dat oude gebod is het woord dat jullie vanaf het begin gehoord hebben. 8. En toch schrijf ik jullie een nieuw gebod. Wat waar is in Hem, is ook waar in jullie. De duisternis gaat namelijk voorbij en het echte licht schijnt al. 9. Wie zegt dat hij in het licht is en zijn broeder haat, is tot nu toe in de duisternis. 10. Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en laat niemand struikelen. 11. Maar wie zijn broeder haat, is in de duisternis. Hij leeft in de duisternis en weet niet waar hij heen gaat, want de duisternis heeft zijn ogen blind gemaakt. 12. Kinderen, ik schrijf jullie omdat jullie zonden vergeven zijn om Zijn Naam. 13. Vaders, ik schrijf jullie omdat jullie Hem kennen die er vanaf het begin is. Jonge mannen, ik schrijf jullie omdat jullie de boze overwonnen hebben. Kinderen, ik schrijf jullie omdat jullie de Vader kennen. 14. Vaders, ik heb jullie geschreven omdat jullie Hem kennen die er vanaf het begin is. Jonge mannen, ik heb jullie geschreven omdat jullie sterk zijn, het woord van God in jullie blijft en jullie de boze overwonnen hebben. 15. Heb de wereld niet lief en ook niet wat in de wereld is. Heeft iemand de wereld lief, dan is de liefde van de Vader niet in hem. 16. In de wereld zijn de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven. Dat komt niet uit de Vader, maar uit de wereld. 17. De wereld gaat voorbij met haar begeerte. Maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid. 18. Kinderen, het is het laatste uur. Jullie hebben gehoord dat de antichrist komt. Nu zijn er al veel antichristen gekomen. Daaraan weten wij dat het het laatste uur is. 19. Zij zijn uit ons midden weggegaan, maar zij hoorden niet bij ons. Hoorden zij bij ons, dan waren zij bij ons gebleven. Zo werd duidelijk dat zij niet allemaal bij ons horen. 20. Maar jullie hebben de zalving van de Heilige en jullie weten alles. 21. Ik heb jullie niet geschreven omdat jullie de waarheid niet weten, maar juist omdat jullie die weten, en omdat geen leugen uit de waarheid komt. 22. Wie is de leugenaar? Toch wie ontkent dat Jezus de Christus is. Dat is de antichrist, die de Vader en de Zoon ontkent. 23. Wie de Zoon ontkent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader. 24. Laat in jullie blijven wat jullie vanaf het begin gehoord hebben. Blijft dat in jullie, dan blijven jullie ook in de Zoon en in de Vader. 25. En dit is de belofte die Hij ons gedaan heeft: het eeuwige leven. 26. Dit heb ik jullie geschreven over wie jullie misleiden. 27. De zalving die jullie van Hem gekregen hebben, blijft in jullie. Jullie hebben niet nodig dat iemand jullie onderwijst. Zijn zalving onderwijst jullie over alles, en zij is waar en geen leugen. Blijf dus in Hem, zoals zij jullie geleerd heeft. 28. En nu, kinderen, blijf in Hem. Dan hebben wij vrijmoedigheid als Hij verschijnt en staan wij bij Zijn komst niet beschaamd. 29. Weten jullie dat Hij rechtvaardig is, dan weten jullie ook dat ieder die de gerechtigheid doet, uit Hem geboren is. ## 1 Johannes 3 — Kinderen van God 1. Kijk eens hoe groot de liefde is die de Vader ons gegeven heeft: wij mogen kinderen van God heten. Daarom kent de wereld ons niet, want zij kent Hem niet. 2. Geliefden, nu zijn wij kinderen van God. Het is nog niet zichtbaar wat wij zullen zijn. Maar wij weten dat wij op Hem zullen lijken als Hij verschijnt, want dan zullen wij Hem zien zoals Hij is. 3. En ieder die deze hoop op Hem heeft, maakt zichzelf rein, zoals Hij rein is. 4. Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid. De zonde is namelijk wetteloosheid. 5. Jullie weten dat Hij verschenen is om onze zonden weg te nemen. In Hem is geen zonde. 6. Ieder die in Hem blijft, zondigt niet. Ieder die zondigt, heeft Hem niet gezien en niet gekend. 7. Kinderen, laat niemand jullie misleiden. Wie de gerechtigheid doet, is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is. 8. Wie de zonde doet, is uit de duivel, want de duivel zondigt vanaf het begin. Daarvoor is de Zoon van God verschenen: om de werken van de duivel te verbreken. 9. Ieder die uit God geboren is, doet de zonde niet. Zijn zaad blijft namelijk in hem, en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 10. Hieraan zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel te herkennen. Wie de gerechtigheid niet doet, is niet uit God, en ook wie zijn broeder niet liefheeft. 11. Dit is namelijk de boodschap die jullie vanaf het begin gehoord hebben: dat wij elkaar moeten liefhebben. 12. Niet zoals Kaïn, die uit de boze was en zijn broer doodsloeg. Waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn eigen werken slecht waren en die van zijn broer rechtvaardig. 13. Broeders, wees niet verbaasd als de wereld jullie haat. 14. Wij weten dat wij uit de dood in het leven zijn overgegaan, omdat wij elkaar liefhebben. Wie niet liefheeft, blijft in de dood. 15. Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar. En jullie weten dat geen moordenaar het eeuwige leven blijvend in zich heeft. 16. Hieraan hebben wij de liefde leren kennen: Hij heeft Zijn leven voor ons gegeven. Zo horen ook wij ons leven te geven voor elkaar. 17. Heeft iemand genoeg van de wereld en ziet hij zijn broeder gebrek lijden, maar sluit hij zijn hart voor hem? Hoe blijft de liefde van God dan in hem? 18. Mijn kinderen, laten wij niet liefhebben met woorden of met de tong, maar met de daad en in waarheid. 19. Hieraan weten wij dat wij uit de waarheid zijn. Zo maken wij ons hart gerust voor Hem. 20. Veroordeelt ons hart ons, dan is God groter dan ons hart en Hij weet alles. 21. Geliefden, veroordeelt ons hart ons niet, dan hebben wij vrijmoedigheid bij God. 22. En wat wij ook bidden, krijgen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden bewaren en doen wat Hem behaagt. 23. Dit is Zijn gebod: dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, zoals Hij ons geboden heeft. 24. Wie Zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. Hieraan weten wij dat Hij in ons blijft: door de Geest die Hij ons gegeven heeft. ## 1 Johannes 4 — God is liefde 1. Geliefden, geloof niet elke geest. Toets de geesten of zij uit God zijn. Er zijn namelijk veel valse profeten de wereld in gegaan. 2. Hieraan herkennen jullie de Geest van God: elke geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God. 3. En elke geest die dat niet belijdt, is niet uit God. Dat is de geest van de antichrist. Jullie hebben gehoord dat die komt, en hij is nu al in de wereld. 4. Kinderen, jullie zijn uit God en jullie hebben hen overwonnen. Hij die in jullie is, is namelijk groter dan hij die in de wereld is. 5. Zij zijn uit de wereld. Daarom spreken zij uit de wereld en de wereld luistert naar hen. 6. Wij zijn uit God. Wie God kent, luistert naar ons. Wie niet uit God is, luistert niet naar ons. Hieraan herkennen wij de geest van de waarheid en de geest van de dwaling. 7. Geliefden, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde is uit God. Ieder die liefheeft, is uit God geboren en kent God. 8. Wie niet liefheeft, heeft God niet leren kennen, want God is liefde. 9. Hierin is de liefde van God aan ons zichtbaar geworden: God heeft Zijn enige Zoon in de wereld gestuurd, zodat wij door Hem zouden leven. 10. Hierin is de liefde: niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad. Hij heeft Zijn Zoon gestuurd als verzoening voor onze zonden. 11. Geliefden, als God ons zo heeft liefgehad, dan horen ook wij elkaar lief te hebben. 12. Niemand heeft ooit God gezien. Hebben wij elkaar lief, dan blijft God in ons en is Zijn liefde in ons volmaakt. 13. Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons: Hij heeft ons van Zijn Geest gegeven. 14. En wij hebben gezien en getuigen dat de Vader Zijn Zoon gestuurd heeft als Redder van de wereld. 15. Wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, in hem blijft God, en hij blijft in God. 16. Wij hebben de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en wij geloven erin. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem. 17. Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, zodat wij vrijmoedigheid hebben op de dag van het oordeel. Zoals Hij is, zijn wij namelijk ook in deze wereld. 18. In de liefde is geen angst. De volmaakte liefde drijft de angst uit. Angst heeft namelijk met straf te maken, en wie bang is, is niet volmaakt in de liefde. 19. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. 20. Zegt iemand: Ik heb God lief, en haat hij zijn broeder, dan is hij een leugenaar. Wie zijn broeder niet liefheeft die hij ziet, kan God niet liefhebben die hij niet ziet. 21. Dit gebod hebben wij van Hem: wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben. ## 1 Johannes 5 — Het geloof overwint de wereld 1. Ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren. En wie de Vader liefheeft, heeft ook lief wie uit Hem geboren is. 2. Hieraan weten wij dat wij de kinderen van God liefhebben: als wij God liefhebben en Zijn geboden doen. 3. Dit is namelijk de liefde tot God: dat wij Zijn geboden bewaren. En Zijn geboden zijn niet zwaar. 4. Alles wat uit God geboren is, overwint de wereld. En dit is de overwinning die de wereld overwint: ons geloof. 5. Wie overwint de wereld? Toch alleen wie gelooft dat Jezus de Zoon van God is. 6. Hij is het die gekomen is door water en bloed: Jezus Christus. Niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest getuigt ervan, want de Geest is de waarheid. 7. Er zijn er drie die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest. En deze drie zijn één. 8. En er zijn er drie die getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed. En die drie zijn tot één. 9. Nemen wij het getuigenis van mensen aan, dan is het getuigenis van God groter. Dit is namelijk het getuigenis van God, dat Hij over Zijn Zoon gegeven heeft. 10. Wie in de Zoon van God gelooft, heeft dit getuigenis in zichzelf. Wie God niet gelooft, heeft Hem tot leugenaar gemaakt, want hij heeft het getuigenis over Zijn Zoon niet geloofd. 11. En dit is het getuigenis: God heeft ons het eeuwige leven gegeven, en dat leven is in Zijn Zoon. 12. Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. 13. Dit heb ik geschreven aan jullie die geloven in de Naam van de Zoon van God. Dan weten jullie dat jullie het eeuwige leven hebben. 14. En dit is de vrijmoedigheid die wij bij Hem hebben: als wij iets bidden naar Zijn wil, hoort Hij ons. 15. En weten wij dat Hij ons hoort bij alles wat wij bidden, dan weten wij dat wij krijgen wat wij van Hem gevraagd hebben. 16. Ziet iemand zijn broeder zondigen met een zonde die niet tot de dood leidt, laat hij dan bidden. God zal hem leven geven, tenminste voor wie niet zondigen tot de dood. Er is een zonde die tot de dood leidt. Daarvoor zeg ik niet dat hij moet bidden. 17. Alle onrecht is zonde, en er is zonde die niet tot de dood leidt. 18. Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt. Wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze pakt hem niet. 19. Wij weten dat wij uit God zijn en dat de hele wereld in het boze ligt. 20. Wij weten ook dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft, zodat wij de Waarachtige kennen. En wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Hij is de waarachtige God en het eeuwige leven. 21. Kinderen, houd jezelf ver van de afgoden. Amen. ## 2 Johannes 1 — Blijf in de leer van Christus 1. Van de oudste. Aan de uitverkoren vrouw en aan haar kinderen, die ik echt liefheb. En niet alleen ik, maar iedereen die de waarheid kent. 2. Dat is om de waarheid die in ons blijft en tot in eeuwigheid bij ons zal zijn. 3. Genade, barmhartigheid en vrede zullen met ons zijn, in waarheid en liefde. Die komen van God de Vader en van de Heere Jezus Christus, de Zoon van de Vader. 4. Ik was heel blij dat ik onder uw kinderen mensen vond die in de waarheid leven, zoals wij van de Vader het gebod gekregen hebben. 5. En nu vraag ik u iets, uitverkoren vrouw. Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar het gebod dat wij vanaf het begin hadden: dat wij elkaar liefhebben. 6. En dit is de liefde: dat wij leven naar Zijn geboden. Dit is het gebod dat jullie vanaf het begin gehoord hebben: dat jullie daarin leven. 7. Er zijn namelijk veel misleiders de wereld in gegaan. Zij belijden niet dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Zo iemand is de misleider en de antichrist. 8. Let op jezelf, zodat wij niet kwijtraken waarvoor wij gewerkt hebben, maar een vol loon krijgen. 9. Wie verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet. Wie in de leer van Christus blijft, heeft zowel de Vader als de Zoon. 10. Komt iemand bij jullie en brengt hij deze leer niet, ontvang hem dan niet in huis en groet hem niet. 11. Wie hem groet, deelt namelijk in zijn slechte werken. 12. Ik heb jullie veel te schrijven, maar ik wilde dat niet doen met papier en inkt. Ik hoop bij jullie te komen en persoonlijk te spreken, zodat onze blijdschap volkomen is. 13. De kinderen van uw uitverkoren zus groeten u. Amen. ## 3 Johannes 1 — Volg het goede na 1. Van de oudste. Aan de geliefde Gajus, die ik echt liefheb. 2. Geliefde, ik hoop dat het je in alles goed gaat en dat je gezond bent, zoals het je ziel goed gaat. 3. Ik was heel blij toen er gelovigen kwamen die getuigden van jouw waarheid, en hoe jij in de waarheid leeft. 4. Ik ken geen grotere blijdschap dan te horen dat mijn kinderen in de waarheid leven. 5. Geliefde, je handelt trouw in alles wat je doet voor je medegelovigen, en zelfs voor vreemdelingen. 6. Zij hebben in de samenkomst getuigd van jouw liefde. Je doet er goed aan hen verder te helpen op een manier die God waard is. 7. Zij zijn namelijk voor Zijn Naam op weg gegaan en nemen niets aan van de volken. 8. Wij horen zulke mensen te ontvangen. Dan worden wij medewerkers van de waarheid. 9. Ik heb aan de gemeenschap geschreven. Maar Diotrefes, die er graag de eerste wil zijn, aanvaardt ons niet. 10. Kom ik daarom, dan zal ik zijn daden aan de orde stellen. Hij kletst met slechte woorden over ons. Daar blijft het niet bij: hij ontvangt zelf de gelovigen niet en houdt anderen die dat willen tegen. Hij gooit hen zelfs de gemeenschap uit. 11. Geliefde, volg niet het kwade na, maar het goede. Wie goed doet, is uit God. Wie kwaad doet, heeft God niet gezien. 12. Over Demetrius getuigt iedereen goed, en de waarheid zelf ook. Wij getuigen ook, en jij weet dat ons getuigenis waar is. 13. Ik had je veel te schrijven, maar ik wil je niet schrijven met inkt en pen. 14. Ik hoop je snel te zien, dan zullen wij persoonlijk spreken. 15. Vrede voor jou. De vrienden groeten je. Groet de vrienden bij naam. ## Judas 1 — Strijd voor het geloof 1. Van Judas, dienaar van Jezus Christus en broer van Jakobus. Aan de geroepenen, die door God de Vader geheiligd zijn en door Jezus Christus bewaard worden. 2. Barmhartigheid, vrede en liefde voor jullie in overvloed. 3. Geliefden, ik deed mijn uiterste best om jullie te schrijven over de redding die wij samen hebben. Toen moest ik jullie schrijven met de oproep om te strijden voor het geloof dat eens en voorgoed aan de heiligen is doorgegeven. 4. Er zijn namelijk mensen binnengeslopen. Hun oordeel staat al lang opgeschreven. Het zijn goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid en de enige Heerser en onze Heere Jezus Christus verloochenen. 5. Ik wil jullie eraan herinneren, al weten jullie het eens en voorgoed. De Heere heeft het volk uit Egypte gered, maar daarna wie niet geloofden vernietigd. 6. Er waren ook engelen die hun eigen plaats niet bewaarden en hun woning verlieten. Hen heeft Hij met eeuwige boeien in de duisternis bewaard, tot het oordeel van de grote dag. 7. Zo zijn Sodom en Gomorra en de steden eromheen een voorbeeld geworden. Zij pleegden op dezelfde manier ontucht en gingen achter ander vlees aan. Nu dragen zij de straf van het eeuwige vuur. 8. Toch doen deze mensen precies hetzelfde. Zij dromen, maken het vlees onrein, verwerpen het gezag en lasteren de hemelse machten. 9. Michaël, de aartsengel, twistte met de duivel over het lichaam van Mozes. Zelfs hij durfde geen lasterend oordeel tegen hem uit te spreken. Hij zei alleen: De Heere zal je bestraffen. 10. Maar deze mensen lasteren wat zij niet kennen. En wat zij van nature wel weten, zoals redeloze dieren, daardoor gaan zij te gronde. 11. Het loopt slecht met hen af. Zij zijn de weg van Kaïn gegaan en hebben zich voor geld in de dwaling van Bileam gestort. Door het verzet van Korach zijn zij omgekomen. 12. Zij zijn een schandvlek bij jullie liefdemaaltijden. Zij eten met jullie mee en weiden zonder schroom zichzelf. Zij zijn wolken zonder water, meegevoerd door de wind, en bomen in de herfst zonder vrucht, twee keer gestorven en ontworteld. 13. Zij zijn wilde golven van de zee, die hun eigen schande opschuimen. Zij zijn dwalende sterren, voor wie de diepste duisternis voor altijd bewaard is. 14. Ook Henoch, de zevende na Adam, heeft over hen geprofeteerd: Kijk, de Heere is gekomen met Zijn tienduizenden heiligen, 15. om over allen recht te spreken. Hij straft alle goddelozen voor hun goddeloze daden en voor alle harde woorden die zij tegen Hem gesproken hebben. 16. Deze mensen mopperen en klagen over hun lot, en zij volgen hun eigen verlangens. Hun mond spreekt hoogdravende woorden en zij vleien mensen om er zelf beter van te worden. 17. Maar geliefden, denk aan de woorden die de apostelen van onze Heere Jezus Christus vooraf gesproken hebben. 18. Zij zeiden tegen jullie: In de laatste tijd zullen er spotters komen, die hun eigen goddeloze verlangens volgen. 19. Dat zijn de mensen die verdeeldheid brengen. Zij volgen hun eigen natuur en hebben de Geest niet. 20. Maar geliefden, bouw jezelf op in jullie allerheiligst geloof en bid in de Heilige Geest. 21. Bewaar jezelf in de liefde van God, terwijl jullie de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus verwachten tot eeuwig leven. 22. Ontferm je over wie twijfelen. 23. Red anderen door hen uit het vuur te grijpen. Wees barmhartig voor weer anderen, maar met ontzag. Haat zelfs het kledingstuk dat door het vlees bevlekt is. 24. Hij kan jullie bewaren voor struikelen en jullie onberispelijk en met vreugde voor Zijn heerlijkheid stellen. 25. Aan de enige God, onze Redder, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, nu en tot in alle eeuwigheid. Amen. ## Openbaring 1 — Johannes ziet de Zoon van de mens 1. De openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft. Hij moest Zijn dienaren laten zien wat er binnenkort moet gebeuren. Hij stuurde Zijn engel en maakte het bekend aan Zijn dienaar Johannes. 2. Johannes heeft getuigd van het woord van God en van het getuigenis van Jezus Christus, en van alles wat hij gezien heeft. 3. Gelukkig is wie de woorden van deze profetie voorleest, en gelukkig zijn wie ze horen en bewaren wat erin geschreven staat. De tijd is namelijk dichtbij. 4. Van Johannes. Aan de zeven gemeenschappen in Asia. Genade en vrede voor jullie, van Hem die is, die was en die komt, en van de zeven geesten voor Zijn troon. 5. En van Jezus Christus, de trouwe Getuige, de eerstgeborene uit de doden en de heerser over de koningen van de aarde. Hij heeft ons liefgehad en ons van onze zonden gewassen in Zijn bloed. 6. Hij heeft ons gemaakt tot koningen en priesters voor God, Zijn Vader. Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid. Amen. 7. Kijk, Hij komt met de wolken. Elk oog zal Hem zien, ook wie Hem doorstoken hebben. En alle volken op aarde zullen om Hem rouwen. Ja, amen. 8. God zegt: Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde, die is en die was en die komt, de Almachtige. 9. Ik, Johannes, ben jullie broeder. Ik deel met jullie in de verdrukking, in het Koninkrijk en in de volharding van Jezus. Ik was op het eiland Patmos om het woord van God en het getuigenis van Jezus. 10. Op de dag van de Heere was ik in de geest. Toen hoorde ik achter mij een luide stem, als van een bazuin. 11. Die zei: Schrijf wat je ziet in een boek en stuur het naar de zeven gemeenschappen: naar Efeze, Smyrna, Pergamum, Thyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea. 12. Ik draaide mij om, om te zien wie er met mij sprak. En toen ik mij omgedraaid had, zag ik zeven gouden kandelaars. 13. Midden tussen de zeven kandelaars zag ik Iemand die op een mensenzoon leek. Hij droeg een lang kleed tot op de voeten en had een gouden band om Zijn borst. 14. Zijn hoofd en Zijn haar waren wit als witte wol, als sneeuw. Zijn ogen waren als een vlam van vuur. 15. Zijn voeten leken op glanzend koper, gloeiend als in een oven. Zijn stem klonk als het geluid van veel water. 16. In Zijn rechterhand had Hij zeven sterren. Uit Zijn mond kwam een scherp tweesnijdend zwaard. Zijn gezicht straalde als de zon op het heetst van de dag. 17. Toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten. Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei: Wees niet bang. Ik ben de eerste en de laatste. 18. Ik ben de levende. Ik ben dood geweest, en kijk, ik leef tot in alle eeuwigheid. Amen. En ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk. 19. Schrijf op wat je gezien hebt, wat er is en wat hierna gebeuren zal. 20. Dit is het geheim van de zeven sterren die je in mijn rechterhand zag, en van de zeven gouden kandelaars. De zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenschappen, en de zeven kandelaars zijn die zeven gemeenschappen. ## Openbaring 2 — Brieven aan vier gemeenschappen 1. Schrijf aan de engel van de gemeenschap in Efeze. Dit zegt Hij die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt en tussen de zeven gouden kandelaars loopt. 2. Ik ken je werken, je inzet en je volharding. Ik weet dat je slechte mensen niet kunt verdragen. Je hebt getoetst wie zeggen dat zij apostel zijn, terwijl zij dat niet zijn, en je hebt hen als leugenaars ontmaskerd. 3. Je hebt volgehouden en veel verdragen. Je hebt gewerkt om mijn Naam en je bent niet moe geworden. 4. Maar ik heb dit tegen je: je hebt je eerste liefde verlaten. 5. Bedenk dus van welke hoogte je gevallen bent. Bekeer je en doe weer de eerste werken. Doe je dat niet, dan kom ik snel naar je toe en haal ik je kandelaar van zijn plaats, als je je niet bekeert. 6. Maar dit heb je wel: je haat de werken van de Nikolaïeten, die ik ook haat. 7. Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenschappen zegt. Wie overwint, zal ik te eten geven van de boom van het leven, die in het paradijs van God staat. 8. Schrijf aan de engel van de gemeenschap in Smyrna: Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en weer levend geworden is. 9. Ik ken je verdrukking en je armoede, en toch ben je rijk. Ik ken de laster van wie zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. 10. Wees niet bang voor wat je zult lijden. Kijk, de duivel zal sommigen van jullie in de gevangenis gooien om jullie te beproeven. Tien dagen lang zullen jullie verdrukking hebben. Wees trouw tot de dood, dan geef ik je de krans van het leven. 11. Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenschappen zegt. Wie overwint, zal niet geraakt worden door de tweede dood. 12. Schrijf aan de engel van de gemeenschap in Pergamum: Dit zegt Hij die het scherpe tweesnijdende zwaard heeft. 13. Ik ken je werken en weet waar je woont: daar waar de troon van de satan staat. Toch houd je vast aan mijn Naam. Je hebt het geloof in mij niet verloochend. Ook niet in de dagen van Antipas, mijn trouwe getuige, die bij jullie gedood is, waar de satan woont. 14. Maar ik heb een paar dingen tegen je. Bij jou zijn mensen die vasthouden aan de leer van Bileam. Hij leerde Balak hoe hij de Israëlieten kon laten struikelen, zodat zij offervlees zouden eten en ontucht plegen. 15. Zo heb ook jij mensen die vasthouden aan de leer van de Nikolaïeten, en die haat ik. 16. Bekeer je dus. Doe je dat niet, dan kom ik snel naar je toe en zal ik tegen hen strijden met het zwaard uit mijn mond. 17. Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenschappen zegt. Wie overwint, zal ik te eten geven van het verborgen manna. Ik zal hem ook een witte steen geven, met daarop een nieuwe naam die niemand kent, behalve wie hem krijgt. 18. Schrijf aan de engel van de gemeenschap in Thyatira. Dit zegt de Zoon van God. Hij heeft ogen als een vlam van vuur en voeten als glanzend koper. 19. Ik ken je werken, je liefde, je dienst, je geloof en je volharding. En je laatste werken zijn beter dan je eerste. 20. Maar ik heb tegen je dat je de vrouw Izebel haar gang laat gaan. Zij noemt zichzelf profetes en leert mijn dienaren om ontucht te plegen en offervlees te eten. 21. Ik heb haar tijd gegeven om zich te bekeren van haar ontucht, en zij heeft zich niet bekeerd. 22. Kijk, ik werp haar op een ziekbed. En wie met haar overspel plegen, breng ik in grote verdrukking, als zij zich niet bekeren van haar werken. 23. Haar kinderen zal ik door de dood treffen. Dan zullen alle gemeenschappen weten dat ik het ben die nieren en harten onderzoekt. En ik zal ieder van jullie geven naar zijn werken. 24. Maar tegen de anderen in Thyatira zeg ik dit. Jullie hebben deze leer niet en kennen de diepten van de satan niet, zoals zij dat noemen. Ik leg jullie geen andere last op. 25. Houd alleen vast wat jullie hebben, totdat ik kom. 26. Wie overwint en mijn werken tot het einde bewaart, zal ik macht geven over de volken. 27. Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en ze verbrijzelen als potten van een pottenbakker. Zo heb ik het ook van mijn Vader gekregen. 28. En ik zal hem de morgenster geven. 29. Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenschappen zegt. ## Openbaring 3 — Brieven aan drie gemeenschappen 1. Schrijf aan de engel van de gemeenschap in Sardes: Dit zegt Hij die de zeven geesten van God heeft en de zeven sterren. Ik ken je werken. Je hebt de naam dat je leeft, en je bent dood. 2. Word wakker en versterk wat nog over is en op sterven staat. Ik heb je werken namelijk niet volmaakt bevonden voor God. 3. Denk dus terug aan wat je ontvangen en gehoord hebt. Bewaar het en bekeer je. Word je niet wakker, dan kom ik als een dief. Dan weet je niet op welk uur ik bij je kom. 4. Toch heb je in Sardes een paar mensen die hun kleren niet bevuild hebben. Zij zullen met mij meelopen in witte kleren, want zij zijn het waard. 5. Wie overwint, zal zo in witte kleren gekleed worden. Ik zal zijn naam nooit uitwissen uit het boek van het leven. Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor Zijn engelen. 6. Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenschappen zegt. 7. Schrijf aan de engel van de gemeenschap in Filadelfia: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft. Wat Hij opent, sluit niemand, en wat Hij sluit, opent niemand. 8. Ik ken je werken. Kijk, ik heb een deur voor je geopend die niemand kan sluiten. Je hebt weinig kracht en toch heb je mijn woord bewaard en mijn Naam niet verloochend. 9. Kijk, ik geef je mensen uit de synagoge van de satan, die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar liegen. Ik zal maken dat zij komen en zich voor je voeten buigen, en dan zullen zij weten dat ik van je houd. 10. Je hebt mijn woord van volharding bewaard. Daarom zal ik jou ook bewaren voor het uur van de beproeving. Dat komt over de hele wereld, om te beproeven wie op de aarde wonen. 11. Kijk, ik kom snel. Houd vast wat je hebt, zodat niemand je krans afneemt. 12. Wie overwint, zal ik maken tot een pilaar in de tempel van mijn God. Hij zal daar nooit meer uitgaan. Ik zal op hem de Naam van mijn God schrijven. Ik schrijf er ook de naam op van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel neerdaalt. En ik schrijf op hem mijn nieuwe Naam. 13. Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenschappen zegt. 14. Schrijf aan de engel van de gemeenschap in Laodicea: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het begin van de schepping van God. 15. Ik ken je werken. Je bent niet koud en niet heet. Was je maar koud of heet. 16. Maar omdat je lauw bent en niet koud en niet heet, zal ik je uit mijn mond spuwen. 17. Je zegt namelijk: Ik ben rijk, ik heb mij verrijkt en kom niets tekort. En je weet niet dat je ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt bent. 18. Ik raad je aan om van mij goud te kopen dat door vuur gelouterd is, zodat je echt rijk wordt. Koop ook witte kleren, zodat je bedekt bent en je naaktheid niet te zien is. En koop zalf voor je ogen, zodat je kunt zien. 19. Iedereen van wie ik houd, wijs ik terecht en voed ik op. Wees dus ijverig en bekeer je. 20. Kijk, ik sta aan de deur en ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opendoet, kom ik bij hem binnen. Dan zal ik met hem eten en hij met mij. 21. Wie overwint, zal ik met mij op mijn troon laten zitten, zoals ook ik overwonnen heb en met mijn Vader op Zijn troon zit. 22. Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenschappen zegt. ## Openbaring 4 — De troon in de hemel 1. Daarna zag ik een deur open staan in de hemel. De eerste stem die ik gehoord had, als van een bazuin, sprak weer met mij. Hij zei: Kom hier omhoog, dan laat ik je zien wat hierna moet gebeuren. 2. Meteen was ik in de geest. En kijk, er stond een troon in de hemel, en op die troon zat Iemand. 3. Hij die daarop zat, zag eruit als jaspis en sardius. Om de troon stond een regenboog, die eruitzag als smaragd. 4. Om de troon stonden vierentwintig tronen. Daarop zaten vierentwintig oudsten, gekleed in witte kleren, met gouden kransen op hun hoofd. 5. Uit de troon kwamen bliksemflitsen, donderslagen en stemmen. Voor de troon brandden zeven vurige lampen. Dat zijn de zeven geesten van God. 6. Voor de troon lag een glazen zee, als kristal. Midden voor de troon en eromheen waren vier levende wezens, vol ogen van voren en van achteren. 7. Het eerste wezen leek op een leeuw, het tweede op een jonge stier. Het derde had een gezicht als van een mens en het vierde leek op een vliegende arend. 8. De vier wezens hadden elk zes vleugels en waren rondom en van binnen vol ogen. Dag en nacht zeggen zij steeds weer: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, die was en die is en die komt. 9. De wezens geven heerlijkheid, eer en dank aan Hem die op de troon zit en die leeft tot in alle eeuwigheid. 10. Dan vallen de vierentwintig oudsten neer voor Hem die op de troon zit. Zij aanbidden Hem die leeft tot in alle eeuwigheid en werpen hun kransen voor de troon. Zij zeggen: 11. Heere, U bent het waard om de heerlijkheid, de eer en de kracht te krijgen. U hebt namelijk alles geschapen. Door Uw wil bestaat het en is het geschapen. ## Openbaring 5 — Het Lam opent de boekrol 1. Toen zag ik in de rechterhand van Hem die op de troon zat een boekrol. Die was vanbinnen en vanbuiten beschreven en verzegeld met zeven zegels. 2. En ik zag een sterke engel, die met luide stem riep: Wie is het waard om de boekrol te openen en de zegels te verbreken? 3. Maar niemand in de hemel, op de aarde of onder de aarde kon de boekrol openen of erin kijken. 4. Ik huilde erg, omdat er niemand waardig gevonden was om de boekrol te openen en te lezen of erin te kijken. 5. Toen zei een van de oudsten tegen mij: Huil niet. Kijk, de Leeuw uit de stam Juda, de wortel van David, heeft overwonnen. Hij kan de boekrol openen en de zeven zegels verbreken. 6. En ik zag midden voor de troon, tussen de vier wezens en de oudsten, een Lam staan. Het leek geslacht en had zeven horens en zeven ogen. Dat zijn de zeven geesten van God, uitgestuurd over de hele aarde. 7. Het Lam kwam en nam de boekrol uit de rechterhand van Hem die op de troon zat. 8. Toen het Lam de boekrol genomen had, vielen de vier wezens en de vierentwintig oudsten voor het Lam neer. Ieder had een citer en gouden schalen vol reukwerk. Dat zijn de gebeden van de heiligen. 9. En zij zongen een nieuw lied: U bent het waard om de boekrol te nemen en de zegels te openen. U bent namelijk geslacht en hebt met Uw bloed mensen voor God gekocht, uit elke stam, taal, volk en natie. 10. U hebt hen voor onze God gemaakt tot koningen en priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde. 11. Toen zag en hoorde ik de stem van veel engelen rondom de troon, de wezens en de oudsten. Hun aantal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen. 12. Zij zeiden met luide stem: Het Lam dat geslacht is, is het waard om de kracht, rijkdom, wijsheid, sterkte, eer, heerlijkheid en dank te krijgen. 13. Ik hoorde elk schepsel in de hemel en op de aarde, onder de aarde en op de zee. Zij zeiden: Aan Hem op de troon en aan het Lam zij de dank en de eer. Aan Hen zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid. 14. En de vier wezens zeiden: Amen. De vierentwintig oudsten vielen neer en aanbaden Hem die leeft tot in alle eeuwigheid. ## Openbaring 6 — De eerste zes zegels 1. Toen zag ik hoe het Lam een van de zegels opende. En ik hoorde een van de vier wezens zeggen met een stem als een donderslag: Kom. 2. Ik zag een wit paard. Wie daarop zat, had een boog. Hem werd een krans gegeven, en hij trok uit als overwinnaar om te overwinnen. 3. Toen het Lam het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede wezen zeggen: Kom. 4. Er kwam een ander paard, en dat was rood. Wie daarop zat, kreeg de macht om de vrede van de aarde weg te nemen, zodat mensen elkaar zouden doden. Hij kreeg een groot zwaard. 5. Toen het Lam het derde zegel opende, hoorde ik het derde wezen zeggen: Kom. Ik zag een zwart paard. Wie daarop zat, had een weegschaal in zijn hand. 6. En ik hoorde een stem tussen de vier wezens zeggen: Een maat tarwe voor een dagloon en drie maten gerst voor een dagloon. En breng de olie en de wijn geen schade toe. 7. Toen het Lam het vierde zegel opende, hoorde ik de stem van het vierde wezen zeggen: Kom. 8. Ik zag een vaal paard. Wie daarop zat, heette de dood, en het dodenrijk volgde hem. Zij kregen macht over een vierde deel van de aarde. Zij mochten doden met zwaard, honger en dood, en door de wilde dieren van de aarde. 9. Toen het Lam het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van de gedoden. Zij waren gedood om het woord van God en om het getuigenis dat zij hadden. 10. Zij riepen met luide stem: Hoelang nog, heilige en waarachtige Heerser? Wanneer oordeelt U en wreekt U ons bloed aan wie op de aarde wonen? 11. Ieder van hen kreeg een lang wit kleed. Er werd tegen hen gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten. Dat duurde tot ook hun mededienaren en medegelovigen gedood zouden zijn, net als zij. 12. Toen zag ik hoe het Lam het zesde zegel opende. Er kwam een grote aardbeving. De zon werd zwart als een haren zak en de maan werd als bloed. 13. De sterren van de hemel vielen op de aarde, zoals een vijgenboom zijn onrijpe vijgen laat vallen als hij door een harde wind geschud wordt. 14. De hemel week weg als een boekrol die wordt opgerold. Alle bergen en eilanden werden van hun plaats gehaald. 15. De koningen van de aarde, de groten, de rijken, de bevelhebbers en de machtigen verborgen zich. Ook alle slaven en vrijen verborgen zich in de grotten en tussen de rotsen van de bergen. 16. Zij zeiden tegen de bergen en de rotsen: Val op ons. Verberg ons voor het gezicht van Hem die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam. 17. De grote dag van Zijn toorn is namelijk gekomen. Wie kan dan standhouden? ## Openbaring 7 — De verzegelden en de grote menigte 1. Daarna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde. Zij hielden de vier winden van de aarde tegen, zodat er geen wind zou waaien over de aarde, over de zee of tegen enige boom. 2. Toen zag ik een andere engel opkomen van de kant waar de zon opgaat. Hij had het zegel van de levende God. Hij riep met luide stem tegen de vier engelen die macht gekregen hadden om de aarde en de zee schade toe te brengen. 3. Hij zei: Breng de aarde, de zee en de bomen geen schade toe. Wacht tot wij de dienaren van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben. 4. En ik hoorde het aantal van wie verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend, uit alle stammen van de Israëlieten. 5. Uit de stam Juda waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Ruben twaalfduizend en uit de stam Gad twaalfduizend. 6. Uit de stam Aser waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Naftali twaalfduizend en uit de stam Manasse twaalfduizend. 7. Uit de stam Simeon waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Levi twaalfduizend en uit de stam Issaschar twaalfduizend. 8. Uit de stam Zebulon waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Jozef twaalfduizend en uit de stam Benjamin twaalfduizend. 9. Daarna zag ik een grote menigte die niemand tellen kon, uit elke natie, stam, volk en taal. Zij stonden voor de troon en voor het Lam, gekleed in lange witte kleren, met palmtakken in hun handen. 10. Zij riepen met luide stem: De redding komt van onze God, die op de troon zit, en van het Lam. 11. Alle engelen stonden rondom de troon, rondom de oudsten en de vier wezens. Zij vielen voor de troon op hun gezicht en aanbaden God. 12. Zij zeiden: Amen. De lof, de heerlijkheid, de wijsheid, de dank, de eer, de kracht en de sterkte zijn voor onze God tot in alle eeuwigheid. Amen. 13. Toen nam een van de oudsten het woord: Wie zijn deze mensen in de lange witte kleren? Waar komen zij vandaan? 14. Ik zei tegen hem: Heere, u weet het. En hij zei tegen mij: Dit zijn de mensen die uit de grote verdrukking komen. Zij hebben hun kleren gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam. 15. Daarom staan zij voor de troon van God en dienen zij Hem dag en nacht in Zijn tempel. En Hij die op de troon zit, zal bij hen wonen. 16. Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben. De zon zal hen niet meer steken en ook geen hitte. 17. Het Lam midden voor de troon zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levend water. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen. ## Openbaring 8 — De eerste vier bazuinen 1. Toen het Lam het zevende zegel opende, werd het stil in de hemel, ongeveer een half uur lang. 2. En ik zag de zeven engelen die voor God stonden. Zij kregen zeven bazuinen. 3. Er kwam nog een engel, die bij het altaar ging staan met een gouden wierookvat. Hij kreeg veel reukwerk, om dat met de gebeden van alle heiligen op het gouden altaar voor de troon te leggen. 4. De rook van het reukwerk steeg met de gebeden van de heiligen op uit de hand van de engel, voor God. 5. Toen nam de engel het wierookvat, vulde het met vuur van het altaar en gooide het op de aarde. Er kwamen stemmen, donderslagen, bliksemflitsen en een aardbeving. 6. En de zeven engelen met de zeven bazuinen maakten zich klaar om te blazen. 7. De eerste engel blies. Er kwam hagel en vuur, gemengd met bloed, en dat werd op de aarde gegooid. Een derde deel van de bomen verbrandde en al het groene gras verbrandde. 8. De tweede engel blies. Iets als een grote berg, brandend van vuur, werd in de zee gegooid. Een derde deel van de zee werd bloed. 9. Een derde deel van de levende schepselen in de zee stierf, en een derde deel van de schepen verging. 10. De derde engel blies. Er viel een grote ster uit de hemel, brandend als een fakkel. Hij viel op een derde deel van de rivieren en op de waterbronnen. 11. De naam van die ster is Alsem. Een derde deel van het water werd alsem, en veel mensen stierven van dat water, want het was bitter geworden. 12. De vierde engel blies. Een derde deel van de zon werd getroffen, een derde deel van de maan en een derde deel van de sterren. Zo werd een derde deel daarvan donker. Een derde deel van de dag gaf geen licht, en van de nacht ook niet. 13. Ik zag en hoorde een arend hoog aan de hemel vliegen. Hij riep met luide stem: Wee, wee, wee de mensen op de aarde. Er komen nog bazuinen van de drie andere engelen. ## Openbaring 9 — De vijfde en zesde bazuin 1. De vijfde engel blies. Ik zag een ster die uit de hemel op de aarde gevallen was. Hij kreeg de sleutel van de put van de afgrond. 2. Hij opende de put van de afgrond. Er steeg rook op uit de put, als rook uit een grote oven. De zon en de lucht werden donker door de rook uit de put. 3. Uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde. Zij kregen macht, zoals schorpioenen op de aarde macht hebben. 4. Er werd tegen hen gezegd dat zij het gras van de aarde geen schade mochten doen, en ook geen groen gewas of boom. Zij mochten alleen de mensen treffen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hadden. 5. Zij kregen niet de macht om hen te doden, maar wel om hen vijf maanden te pijnigen. Die pijn was als de pijn van een schorpioen die een mens steekt. 6. In die dagen zullen de mensen de dood zoeken en niet vinden. Zij zullen willen sterven, en de dood zal voor hen vluchten. 7. De sprinkhanen leken op paarden die klaarstaan voor de oorlog. Op hun koppen leken gouden kransen te staan en hun gezichten leken op gezichten van mensen. 8. Zij hadden haar als het haar van vrouwen en hun tanden waren als leeuwentanden. 9. Zij hadden borstplaten als ijzeren borstplaten. Het geluid van hun vleugels klonk als wagens met veel paarden die naar de strijd rennen. 10. Zij hadden staarten als schorpioenen, met angels erin. Met hun staarten konden zij de mensen vijf maanden schade doen. 11. Zij hadden een koning over zich: de engel van de afgrond. In het Hebreeuws heet hij Abaddon en in het Grieks Apollyon. 12. Het eerste wee is voorbij. Kijk, er komen nog twee weeën hierna. 13. De zesde engel blies. Toen hoorde ik een stem uit de vier horens van het gouden altaar dat voor God staat. 14. Die zei tegen de zesde engel met de bazuin: Maak de vier engelen los die gebonden zijn bij de grote rivier de Eufraat. 15. De vier engelen werden losgemaakt. Zij stonden klaar voor dat uur, die dag, die maand en dat jaar, om een derde deel van de mensen te doden. 16. Het aantal ruiters in de legers was twintigduizend maal tienduizend. Ik hoorde hun aantal. 17. Zo zag ik in het visioen de paarden en hun ruiters. Zij hadden borstplaten van vuurrood, hemelsblauw en zwavelgeel. De koppen van de paarden leken op leeuwenkoppen, en uit hun mond kwam vuur, rook en zwavel. 18. Door die drie plagen werd een derde deel van de mensen gedood: door het vuur, de rook en de zwavel uit hun mond. 19. De macht van de paarden zit namelijk in hun mond en in hun staarten. Hun staarten lijken op slangen en hebben koppen, en daarmee doen zij schade. 20. De overige mensen, die niet door deze plagen gedood waren, bekeerden zich niet van het werk van hun handen. Zij bleven boze geesten aanbidden en afgoden van goud, zilver, koper, steen en hout, die niet kunnen zien, horen of lopen. 21. Zij bekeerden zich ook niet van hun moorden, hun toverij, hun ontucht en hun diefstallen. ## Openbaring 10 — De engel met het boekje 1. Toen zag ik een andere sterke engel uit de hemel neerdalen. Hij was met een wolk bekleed en boven zijn hoofd stond een regenboog. Zijn gezicht was als de zon en zijn voeten waren als zuilen van vuur. 2. In zijn hand had hij een klein boekje, dat open was. Hij zette zijn rechtervoet op de zee en zijn linkervoet op het land. 3. Hij riep met luide stem, zoals een leeuw brult. Toen hij geroepen had, lieten de zeven donderslagen hun stemmen horen. 4. Toen de zeven donderslagen gesproken hadden, wilde ik het opschrijven. Maar ik hoorde een stem uit de hemel die tegen mij zei: Verzegel wat de zeven donderslagen gesproken hebben en schrijf het niet op. 5. De engel die ik op de zee en op het land zag staan, hief zijn hand op naar de hemel. 6. Hij zwoer bij Hem die leeft tot in alle eeuwigheid. Die heeft de hemel, de aarde en de zee gemaakt, met alles wat daarin is. Hij zwoer dat er geen tijd meer zou zijn. 7. Maar in de dagen dat de zevende engel zijn bazuin laat klinken, zal het geheim van God vervuld worden. Zo heeft Hij het aan Zijn dienaren, de profeten, bekendgemaakt. 8. De stem die ik uit de hemel gehoord had, sprak weer met mij. Hij zei: Ga naar de engel die op de zee en op het land staat, en neem het open boekje uit zijn hand. 9. Ik ging naar de engel toe en zei tegen hem: Geef mij dat boekje. Hij zei tegen mij: Neem het en eet het op. Het zal je maag bitter maken, maar in je mond zal het zoet zijn als honing. 10. Ik nam het boekje uit de hand van de engel en at het op. In mijn mond was het zoet als honing, maar toen ik het opgegeten had, werd mijn maag bitter. 11. En hij zei tegen mij: Je moet opnieuw profeteren over veel volken, naties, talen en koningen. ## Openbaring 11 — De twee getuigen 1. Ik kreeg een rietstok, als een meetlat. De engel stond erbij en zei: Sta op en meet de tempel van God en het altaar, en tel wie daarin aanbidden. 2. Laat de voorhof buiten de tempel erbuiten en meet die niet, want die is aan de volken gegeven. Zij zullen de heilige stad tweeënveertig maanden vertrappen. 3. En ik zal mijn twee getuigen macht geven. Zij zullen twaalfhonderdzestig dagen profeteren, gekleed in rouwkleren. 4. Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars die voor de God van de aarde staan. 5. Wil iemand hun schade doen, dan komt er vuur uit hun mond dat hun vijanden verslindt. Wie hun schade wil doen, moet zo gedood worden. 6. Zij hebben de macht om de hemel te sluiten, zodat het niet regent in de dagen van hun profetie. Zij hebben ook macht over het water, om dat in bloed te veranderen. En zij kunnen de aarde slaan met allerlei plagen, zo vaak zij willen. 7. Als zij hun getuigenis afgemaakt hebben, zal het beest uit de afgrond tegen hen strijden. Het zal hen overwinnen en doden. 8. Hun dode lichamen zullen op de straat van de grote stad liggen. Die stad heet in geestelijke zin Sodom en Egypte, en daar is ook onze Heere gekruisigd. 9. Mensen uit de volken, stammen, talen en naties zullen hun lichamen drie en een halve dag zien liggen. Zij zullen niet toestaan dat hun lichamen in een graf gelegd worden. 10. Wie op de aarde wonen, zullen blij zijn over hen en feestvieren. Zij zullen elkaar geschenken sturen, omdat deze twee profeten hen gekweld hadden. 11. Na die drie en een halve dag kwam er een geest van leven uit God in hen. Zij gingen op hun voeten staan, en grote angst viel op wie hen zagen. 12. Zij hoorden een luide stem uit de hemel die tegen hen zei: Kom hier omhoog. En zij gingen in de wolk omhoog naar de hemel, terwijl hun vijanden toekeken. 13. Op dat uur kwam er een grote aardbeving. Een tiende deel van de stad stortte in en zevenduizend mensen werden gedood. De anderen werden erg bang en gaven de God van de hemel de eer. 14. Het tweede wee is voorbij. Kijk, het derde wee komt snel. 15. De zevende engel blies. Toen klonken er luide stemmen in de hemel: De koninkrijken van de wereld zijn van onze Heere en van Zijn Christus geworden. Hij zal heersen tot in alle eeuwigheid. 16. De vierentwintig oudsten, die voor God op hun tronen zitten, vielen op hun gezicht en aanbaden God. 17. Zij zeiden: Wij danken U, Heere God, Almachtige, die is en die was. U hebt Uw grote kracht opgenomen en bent gaan heersen. 18. De volken waren woedend, en Uw toorn is gekomen. Ook de tijd voor de doden om geoordeeld te worden. Het is tijd om loon te geven aan Uw dienaren, de profeten, aan de heiligen en aan wie ontzag hebben voor Uw Naam. En om te vernietigen wie de aarde vernietigen. 19. Toen ging de tempel van God in de hemel open en werd de ark van Zijn verbond in Zijn tempel zichtbaar. Er kwamen bliksemflitsen, stemmen, donderslagen, een aardbeving en grote hagel. ## Openbaring 12 — De vrouw en de draak 1. Er werd een groot teken gezien in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon. De maan was onder haar voeten en op haar hoofd stond een krans van twaalf sterren. 2. Zij was zwanger en schreeuwde het uit van de weeën en de pijn van het baren. 3. Er werd nog een teken gezien in de hemel. Kijk, een grote rode draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen. 4. Zijn staart sleepte een derde deel van de sterren van de hemel mee en gooide die op de aarde. De draak stond voor de vrouw die zou bevallen, om haar kind te verslinden zodra zij het gebaard had. 5. Zij baarde een zoon, een jongen, die alle volken zou hoeden met een ijzeren staf. En haar kind werd weggerukt naar God en naar Zijn troon. 6. De vrouw vluchtte naar de woestijn. Daar had zij een plaats die God voor haar klaargemaakt had, om haar twaalfhonderdzestig dagen te voeden. 7. Er kwam oorlog in de hemel. Michaël en zijn engelen streden tegen de draak, en de draak streed met zijn engelen. 8. Maar zij hielden geen stand, en hun plaats was niet meer te vinden in de hemel. 9. De grote draak werd neergeworpen: de oude slang, die duivel en satan heet en die de hele wereld misleidt. Hij werd op de aarde gegooid, en zijn engelen met hem. 10. En ik hoorde een luide stem in de hemel: Nu is de redding gekomen, en de kracht en het koninkrijk van onze God. Nu is ook de macht van Zijn Christus gekomen. De aanklager van onze medegelovigen is namelijk neergeworpen, die hen dag en nacht bij onze God aanklaagde. 11. Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis. Zij hadden hun leven niet lief, tot de dood toe. 12. Wees daarom blij, hemel, en jullie die daarin wonen. Maar wee de aarde en de zee, want de duivel is naar jullie afgedaald. Hij is woedend, want hij weet dat hij weinig tijd heeft. 13. Toen de draak zag dat hij op de aarde gegooid was, achtervolgde hij de vrouw die de jongen gebaard had. 14. Maar de vrouw kreeg de twee vleugels van de grote arend. Zo kon zij naar de woestijn vliegen, naar haar plaats. Daar wordt zij gevoed, een tijd en tijden en een halve tijd, buiten het zicht van de slang. 15. De slang spuwde uit zijn mond water als een rivier achter de vrouw aan, om haar door de rivier mee te sleuren. 16. Maar de aarde kwam de vrouw te hulp. De aarde opende haar mond en slokte de rivier op die de draak uit zijn mond gespuwd had. 17. Toen werd de draak woedend op de vrouw. Hij ging weg om oorlog te voeren tegen de rest van haar nageslacht. Dat zijn zij die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben. 18. En ik stond op het zand bij de zee. ## Openbaring 13 — De twee beesten 1. Toen zag ik een beest uit de zee opkomen. Het had zeven koppen en tien horens. Op zijn horens stonden tien kronen en op zijn koppen stond een lasterlijke naam. 2. Het beest dat ik zag, leek op een luipaard. Zijn poten leken op die van een beer en zijn muil op die van een leeuw. De draak gaf hem zijn kracht, zijn troon en grote macht. 3. Ik zag dat een van zijn koppen dodelijk gewond leek, maar die dodelijke wond genas. De hele aarde liep verwonderd achter het beest aan. 4. Zij aanbaden de draak, die het beest macht gegeven had. En zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk? Wie kan tegen hem strijden? 5. Het beest kreeg een mond om grote woorden en lasteringen te spreken. En het kreeg de macht om dat tweeënveertig maanden te doen. 6. Het opende zijn mond om God te lasteren, en om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tent, en wie in de hemel wonen. 7. Het kreeg de macht om oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen. En het kreeg macht over elke stam, taal en volk. 8. Iedereen die op de aarde woont, zal het aanbidden. Het gaat om wie hun naam niet in het boek van het leven hebben. Dat boek is van het Lam dat geslacht is, vanaf de grondlegging van de wereld. 9. Wie oren heeft, moet horen. 10. Wie gevangen weggevoerd wordt, gaat de gevangenis in. Wie met het zwaard doodt, moet zelf door het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen. 11. Toen zag ik een ander beest uit de aarde opkomen. Het had twee horens, als van een lam, en het sprak als de draak. 12. Het oefent alle macht uit van het eerste beest, in zijn aanwezigheid. Het zorgt ervoor dat de aarde en haar bewoners het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was. 13. Het doet grote tekenen. Het laat zelfs vuur uit de hemel op de aarde neerkomen, waar de mensen bij zijn. 14. Zo misleidt het wie op de aarde wonen, door de tekenen die het mag doen in het bijzijn van het beest. Het zegt tegen wie op de aarde wonen dat zij een beeld moeten maken. Dat beeld is voor het beest dat met het zwaard verwond was en weer leefde. 15. Het kreeg macht om aan het beeld van het beest adem te geven. Zo kon het beeld zelfs spreken en zorgen dat iedereen gedood werd die het beeld niet aanbad. 16. Het zorgt ervoor dat iedereen een merkteken krijgt op zijn rechterhand of op zijn voorhoofd: klein en groot, rijk en arm, vrij en slaaf. 17. Zo kan niemand kopen of verkopen dan wie dat merkteken heeft, of de naam van het beest of het getal van zijn naam. 18. Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, moet het getal van het beest berekenen. Het is namelijk het getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig. ## Openbaring 14 — Het Lam en de oogst 1. Toen zag ik het Lam op de berg Sion staan, en met Hem honderdvierenveertigduizend mensen. Zij hadden de Naam van Zijn Vader op hun voorhoofd geschreven. 2. En ik hoorde een stem uit de hemel, als het geluid van veel water en als het geluid van een zware donderslag. Ik hoorde ook citerspelers op hun citers spelen. 3. Zij zongen een nieuw lied voor de troon, voor de vier wezens en voor de oudsten. Niemand kon dat lied leren, behalve de honderdvierenveertigduizend die van de aarde gekocht waren. 4. Dit zijn de mensen die zich niet met vrouwen bevlekt hebben, want zij zijn rein. Zij volgen het Lam waar Het ook heen gaat. Zij zijn uit de mensen gekocht als eerstelingen voor God en het Lam. 5. In hun mond is geen leugen gevonden. Zij zijn onberispelijk voor de troon van God. 6. Toen zag ik een andere engel hoog aan de hemel vliegen. Hij had het eeuwige evangelie om te verkondigen aan wie op de aarde wonen, aan elke natie, stam, taal en volk. 7. Hij zei met luide stem: Heb ontzag voor God en geef Hem de eer, want het uur van Zijn oordeel is gekomen. Aanbid Hem die de hemel, de aarde, de zee en de waterbronnen gemaakt heeft. 8. Er volgde een andere engel, die zei: Gevallen, gevallen is Babylon, de grote stad. Zij heeft alle volken laten drinken van de wijn van haar ontucht. 9. En een derde engel volgde hen en zei met luide stem: Aanbidt iemand het beest en zijn beeld? Krijgt hij het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand? 10. Dan zal hij ook drinken van de wijn van de toorn van God, onverdund ingeschonken in de beker van Zijn toorn. Hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel, waar de heilige engelen en het Lam bij zijn. 11. De rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid. Dag en nacht hebben zij geen rust, wie het beest en zijn beeld aanbidden en wie het merkteken van zijn naam krijgt. 12. Hier is de volharding van de heiligen. Hier zijn zij die de geboden van God bewaren en het geloof in Jezus. 13. En ik hoorde een stem uit de hemel tegen mij: Schrijf op: gelukkig zijn de doden die in de Heere sterven. Ja, zegt de Geest, zij mogen rusten van hun werk, want hun werken gaan met hen mee. 14. Toen zag ik een witte wolk. Op die wolk zat Iemand die op een mensenzoon leek. Hij had een gouden krans op Zijn hoofd en een scherpe zeis in Zijn hand. 15. Een andere engel kwam uit de tempel en riep met luide stem tegen Hem die op de wolk zat: Sla Uw zeis erin en maai. Het uur om te maaien is gekomen, want de oogst van de aarde is rijp. 16. En Hij die op de wolk zat, sloeg Zijn zeis in de aarde, en de aarde werd gemaaid. 17. Er kwam nog een engel uit de tempel in de hemel, en ook hij had een scherpe zeis. 18. En er kwam een engel bij het altaar vandaan, die macht had over het vuur. Hij riep luid tegen de engel met de scherpe zeis: Sla je zeis erin en snijd de trossen van de wijngaard van de aarde af. De druiven zijn namelijk rijp. 19. De engel sloeg zijn zeis in de aarde en sneed de druiven van de wijngaard van de aarde af. Hij gooide ze in de grote perskuip van de toorn van God. 20. De perskuip werd buiten de stad getreden. Uit de perskuip kwam bloed, tot aan de tomen van de paarden, over een afstand van ongeveer driehonderd kilometer. ## Openbaring 15 — Het lied van Mozes en van het Lam 1. Toen zag ik een ander groot en wonderlijk teken in de hemel: zeven engelen met de zeven laatste plagen. Daarmee is de toorn van God voltooid. 2. En ik zag iets als een glazen zee, met vuur gemengd. Daar stonden de mensen die het beest overwonnen hadden, en zijn beeld en het getal van zijn naam. Zij hadden de citers van God. 3. Zij zongen het lied van Mozes, de dienaar van God, en het lied van het Lam: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, almachtige God. Rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de volken. 4. Wie zou geen ontzag voor U hebben, Heere, en Uw Naam niet eren? U alleen bent heilig. Alle volken zullen komen en zich voor U buigen, want Uw rechtvaardige daden zijn zichtbaar geworden. 5. Daarna zag ik de tempel van de tent van het getuigenis in de hemel opengaan. 6. De zeven engelen met de zeven plagen kwamen uit de tempel. Zij droegen zuiver en glanzend linnen en hadden gouden banden om hun borst. 7. Een van de vier wezens gaf de zeven engelen zeven gouden schalen, vol van de toorn van God, die leeft tot in alle eeuwigheid. 8. De tempel werd gevuld met rook uit de heerlijkheid en de kracht van God. Niemand kon de tempel binnengaan totdat de zeven plagen van de zeven engelen voorbij waren. ## Openbaring 16 — De zeven schalen van de toorn 1. Ik hoorde een luide stem uit de tempel tegen de zeven engelen: Ga. Giet de zeven schalen van de toorn van God uit op de aarde. 2. De eerste engel ging en goot zijn schaal uit op de aarde. De mensen met het merkteken van het beest, die zijn beeld aanbaden, kregen een kwaadaardige en pijnlijke zweer. 3. De tweede engel goot zijn schaal uit in de zee. Die werd bloed als van een dode, en elk levend wezen in de zee stierf. 4. De derde engel goot zijn schaal uit in de rivieren en de waterbronnen, en die werden bloed. 5. En ik hoorde de engel van het water zeggen: U bent rechtvaardig, Heere, die is en die was, de Heilige, dat U zo geoordeeld hebt. 6. Zij hebben het bloed van de heiligen en de profeten vergoten. Nu hebt U hun bloed te drinken gegeven. Zij verdienen het. 7. En ik hoorde iemand bij het altaar zeggen: Ja, Heere, almachtige God, Uw oordelen zijn waar en rechtvaardig. 8. De vierde engel goot zijn schaal uit op de zon. Die kreeg de macht om de mensen te verbranden met vuur. 9. De mensen verbrandden in de grote hitte. Zij lasterden de Naam van God, die macht heeft over deze plagen. En zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven. 10. De vijfde engel goot zijn schaal uit op de troon van het beest. Zijn rijk werd donker, en de mensen beten op hun tong van de pijn. 11. Zij lasterden de God van de hemel om hun pijn en hun zweren. En zij bekeerden zich niet van hun daden. 12. De zesde engel goot zijn schaal uit op de grote rivier de Eufraat. Het water droogde op, zodat de weg klaar lag voor de koningen uit het oosten. 13. Toen zag ik drie onreine geesten komen, als kikkers. Zij kwamen uit de muil van de draak, uit de muil van het beest en uit de mond van de valse profeet. 14. Het zijn namelijk geesten van boze machten, die tekenen doen. Zij gaan naar de koningen van de hele wereld om hen te verzamelen voor de oorlog op de grote dag van de almachtige God. 15. Kijk, ik kom als een dief. Gelukkig is wie waakt en zijn kleren aanhoudt. Dan hoeft hij niet naakt te lopen en ziet men zijn schande niet. 16. En zij verzamelden hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet. 17. De zevende engel goot zijn schaal uit in de lucht. Toen kwam er een luide stem uit de tempel, vanaf de troon, die zei: Het is gebeurd. 18. Er kwamen stemmen, donderslagen en bliksemflitsen. Er kwam een grote aardbeving, zo groot als er nooit geweest is sinds er mensen op de aarde zijn. 19. De grote stad scheurde in drie delen en de steden van de volken stortten in. God dacht aan het grote Babylon en gaf haar de beker met de wijn van Zijn brandende toorn. 20. Alle eilanden vluchtten weg en de bergen waren niet meer te vinden. 21. Uit de hemel viel grote hagel op de mensen, met stenen van wel vijftig kilo. De mensen lasterden God om de plaag van de hagel, want die plaag was heel groot. ## Openbaring 17 — De vrouw op het beest 1. Een van de zeven engelen met de zeven schalen kwam bij mij. Hij zei: Kom, dan laat ik je het oordeel zien over de grote hoer, die aan veel water zit. 2. Met haar hebben de koningen van de aarde ontucht gepleegd. En wie op de aarde wonen, zijn dronken geworden van de wijn van haar ontucht. 3. Hij bracht mij in de geest naar een woestijn. Daar zag ik een vrouw op een scharlakenrood beest zitten. Dat beest was vol lasterlijke namen en had zeven koppen en tien horens. 4. De vrouw droeg purper en scharlaken en was versierd met goud, edelstenen en parels. In haar hand had zij een gouden beker, vol gruwelen en de onreinheid van haar ontucht. 5. Op haar voorhoofd stond een naam geschreven, een geheim: het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde. 6. En ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en van de getuigen van Jezus. Toen ik haar zag, was ik hevig verbaasd. 7. De engel zei tegen mij: Waarom ben je verbaasd? Ik zal je het geheim vertellen van de vrouw en van het beest dat haar draagt, met de zeven koppen en de tien horens. 8. Het beest dat je zag, was en is niet. Het zal opkomen uit de afgrond en naar het verderf gaan. Wie op de aarde wonen, zullen verbaasd zijn als zij het beest zien. Hun naam staat niet in het boek van het leven, vanaf de grondlegging van de wereld. 9. Hier is inzicht met wijsheid nodig. De zeven koppen zijn zeven bergen waarop de vrouw zit. 10. Het zijn ook zeven koningen. Vijf zijn gevallen, één is er, en de ander is nog niet gekomen. Als hij komt, moet hij een korte tijd blijven. 11. Het beest dat was en niet is, is zelf de achtste koning. Hij komt uit de zeven en gaat naar het verderf. 12. De tien horens die je zag, zijn tien koningen. Zij hebben hun koninkrijk nog niet gekregen, maar krijgen één uur lang macht als koningen, samen met het beest. 13. Zij zijn het eens met elkaar en geven hun kracht en macht aan het beest. 14. Zij zullen strijden tegen het Lam, en het Lam zal hen overwinnen. Hij is namelijk de Heer van de heren en de Koning van de koningen. En wie bij Hem zijn, zijn geroepen, uitgekozen en trouw. 15. En hij zei tegen mij: Het water dat je zag, waar de hoer zit, zijn volken, menigten, naties en talen. 16. De tien horens die je op het beest zag, zullen de hoer haten. Zij zullen haar berooid en naakt maken, haar vlees eten en haar met vuur verbranden. 17. God heeft hun namelijk in het hart gegeven om Zijn plan uit te voeren. Zij worden het eens en geven hun koninkrijk aan het beest, totdat de woorden van God vervuld zijn. 18. En de vrouw die je zag, is de grote stad die heerst over de koningen van de aarde. ## Openbaring 18 — Babylon is gevallen 1. Daarna zag ik een andere engel uit de hemel neerdalen. Hij had grote macht, en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid. 2. Hij riep met krachtige stem: Gevallen, gevallen is het grote Babylon. Zij is een woonplaats van boze geesten geworden en een schuilplaats van alle onreine geesten en van alle onreine en verfoeilijke vogels. 3. Alle volken hebben namelijk gedronken van de wijn van haar ontucht. De koningen van de aarde hebben ontucht met haar gepleegd, en de handelaars van de aarde zijn rijk geworden van haar overdaad. 4. En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Ga weg uit haar, mijn volk. Dan deel je niet in haar zonden en krijg je niets van haar plagen. 5. Haar zonden zijn namelijk opgestapeld tot aan de hemel, en God heeft aan haar onrecht gedacht. 6. Vergeld haar zoals zij vergolden heeft en geef haar dubbel terug naar haar werken. Schenk haar dubbel in de beker waarin zij geschonken heeft. 7. Geef haar net zoveel pijn en rouw als zij zichzelf luister en weelde gegeven heeft. Zij zegt namelijk in haar hart: Ik zit als koningin, ik ben geen weduwe en ik zal geen rouw zien. 8. Daarom komen haar plagen op één dag: dood, rouw en honger. En zij zal met vuur verbrand worden, want sterk is de Heere God, die haar oordeelt. 9. De koningen van de aarde pleegden ontucht met haar en leefden in weelde. Zij zullen om haar huilen en rouwen als zij de rook van haar brand zien. 10. Zij blijven van ver staan, bang voor haar pijniging, en zeggen: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad. In één uur is je oordeel gekomen. 11. De handelaars van de aarde zullen om haar huilen en rouwen, omdat niemand hun waren nog koopt. 12. Zij verkochten goud en zilver, edelstenen en parels, fijn linnen, purper, zijde en scharlaken. Zij verkochten geurig hout, alles van ivoor, van kostbaar hout, van koper, ijzer en marmer. 13. Ook kaneel, reukwerk, mirre en wierook, wijn, olie, meel en tarwe. Ook lastdieren en schapen, paarden en wagens, en lichamen en zielen van mensen. 14. De vrucht waar je zo naar verlangde, is bij je weg. Alles wat glansde en schitterde is verdwenen, en je zult het nooit meer vinden. 15. De handelaars die daarvan rijk geworden waren, blijven van ver staan, bang voor haar pijniging. Zij huilen en rouwen. 16. Zij zeggen: Wee, wee, de grote stad, gekleed in fijn linnen, purper en scharlaken, versierd met goud, edelstenen en parels. 17. In één uur is zoveel rijkdom verwoest. Alle stuurlui, alle mensen op de schepen, de matrozen en allen die op zee werken, bleven van ver staan. 18. Zij riepen toen zij de rook van haar brand zagen: Welke stad kon met deze grote stad worden vergeleken? 19. Zij gooiden stof op hun hoofd en riepen huilend en rouwend: Wee, wee, de grote stad. Iedereen met schepen op zee werd rijk van haar rijkdom. In één uur is zij verwoest. 20. Wees blij over haar, hemel, en jullie, heiligen, apostelen en profeten. God heeft namelijk jullie zaak aan haar berecht. 21. Een sterke engel tilde een steen op als een grote molensteen en gooide die in de zee. Hij zei: Zo zal de grote stad Babylon met geweld neergeworpen worden en nooit meer gevonden worden. 22. Het geluid van citerspelers, zangers, fluitspelers en bazuinblazers zal in jou niet meer gehoord worden. Geen enkele vakman zal in jou nog gevonden worden en het geluid van de molen zal niet meer klinken. 23. Het licht van de lamp zal in jou niet meer schijnen. De stem van bruidegom en bruid zal in jou niet meer gehoord worden. Jouw handelaars waren namelijk de groten van de aarde, en door jouw toverij zijn alle volken misleid. 24. In haar is het bloed gevonden van profeten en heiligen, en van allen die op de aarde gedood zijn. ## Openbaring 19 — De bruiloft van het Lam 1. Daarna hoorde ik iets als de luide stem van een grote menigte in de hemel: Halleluja. De redding, de heerlijkheid en de kracht zijn van de Heere, onze God. 2. Zijn oordelen zijn namelijk waar en rechtvaardig. Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde te gronde richtte met haar ontucht. Hij heeft het bloed van Zijn dienaren op haar gewroken. 3. Voor de tweede keer zeiden zij: Halleluja. De rook van haar brand stijgt op tot in alle eeuwigheid. 4. De vierentwintig oudsten en de vier wezens vielen neer en aanbaden God, die op de troon zit. Zij zeiden: Amen, halleluja. 5. Uit de troon kwam een stem die zei: Loof onze God, al Zijn dienaren, en jullie die ontzag voor Hem hebben, klein en groot. 6. En ik hoorde iets als de stem van een grote menigte, als het geluid van veel water en van zware donderslagen: Halleluja. De Heere, de almachtige God, is gaan heersen als Koning. 7. Laten wij blij zijn en juichen en Hem de eer geven. De bruiloft van het Lam is namelijk gekomen, en Zijn bruid heeft zich klaargemaakt. 8. Zij mag zich kleden in zuiver en glanzend linnen. Dat fijne linnen is de rechtvaardige daden van de heiligen. 9. En hij zei tegen mij: Schrijf op: gelukkig zijn zij die geroepen zijn voor de bruiloftsmaaltijd van het Lam. Hij zei ook: Dit zijn de waarachtige woorden van God. 10. Ik viel aan zijn voeten neer om hem te aanbidden. Maar hij zei tegen mij: Doe dat niet. Ik ben een mededienaar van jou en van je medegelovigen die het getuigenis van Jezus hebben. Aanbid God. Het getuigenis van Jezus is namelijk de geest van de profetie. 11. Toen zag ik de hemel open. Er stond een wit paard. Hij die daarop zat, heet Trouw en Waarachtig. Hij oordeelt en voert rechtvaardig oorlog. 12. Zijn ogen waren als een vlam van vuur en op Zijn hoofd stonden veel kronen. Hij had een naam geschreven die niemand kent, behalve Hij Zelf. 13. Hij droeg een kleed dat in bloed gedoopt was, en Zijn Naam is: het Woord van God. 14. De legers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed in zuiver wit linnen. 15. Uit Zijn mond kwam een scherp zwaard, om daarmee de volken te slaan. Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf. Hij treedt de perskuip van de wijn van de brandende toorn van de almachtige God. 16. Op Zijn kleed en op Zijn dij staat deze Naam geschreven: Koning van de koningen en Heer van de heren. 17. Toen zag ik een engel in de zon staan. Hij riep met luide stem tegen alle vogels die hoog aan de hemel vlogen: Kom en verzamel je voor de grote maaltijd van God. 18. Dan eet je het vlees van koningen, bevelhebbers en sterke mannen. Je eet het vlees van paarden en hun ruiters, en van alle mensen, vrij en slaaf, klein en groot. 19. En ik zag het beest, de koningen van de aarde en hun legers bijeen. Zij wilden oorlog voeren tegen Hem die op het paard zat en tegen Zijn legers. 20. Het beest werd gegrepen, en met hem de valse profeet. Die had in zijn bijzijn de tekenen gedaan waarmee hij de mensen misleidde die het merkteken van het beest kregen en zijn beeld aanbaden. Die twee werden levend in de vuurpoel gegooid, die met zwavel brandt. 21. De anderen werden gedood met het zwaard uit de mond van Hem die op het paard zat. En alle vogels aten zich vol aan hun vlees. ## Openbaring 20 — Duizend jaar en het laatste oordeel 1. Toen zag ik een engel uit de hemel neerdalen. Hij had de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. 2. Hij greep de draak, de oude slang, die duivel en satan is, en bond hem duizend jaar. 3. Hij gooide hem in de afgrond, sloot die en verzegelde hem daarboven. Zo kon hij de volken niet meer misleiden, totdat de duizend jaar voorbij zouden zijn. Daarna moet hij een korte tijd losgelaten worden. 4. Toen zag ik tronen, en zij die erop zaten kregen het oordeel. Ik zag ook de zielen van wie onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God. Zij hadden het beest en zijn beeld niet aanbeden en het merkteken niet gekregen. Zij leefden en heersten met Christus, duizend jaar. 5. De andere doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaar voorbij waren. Dit is de eerste opstanding. 6. Gelukkig en heilig is wie deel heeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht. Zij zullen priesters van God en van Christus zijn en duizend jaar met Hem heersen. 7. Als de duizend jaar voorbij zijn, zal de satan uit zijn gevangenis losgelaten worden. 8. Hij zal eropuit gaan om de volken op de vier hoeken van de aarde te misleiden, Gog en Magog. Hij verzamelt hen voor de oorlog, en hun aantal is als het zand van de zee. 9. Zij trokken op over de hele breedte van de aarde en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar er kwam vuur van God uit de hemel neer, dat hen verslond. 10. De duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel gegooid, waar ook het beest en de valse profeet zijn. Zij zullen dag en nacht gepijnigd worden, tot in alle eeuwigheid. 11. Toen zag ik een grote witte troon en Hem die daarop zat. Voor Zijn gezicht vluchtten de aarde en de hemel weg, en er was geen plaats meer voor hen. 12. Ik zag de doden, klein en groot, voor God staan. De boeken werden geopend, en er werd nog een ander boek geopend: het boek van het leven. De doden werden geoordeeld naar hun werken, zoals die in de boeken stonden. 13. De zee gaf de doden terug die zij bevatte. Ook de dood en het dodenrijk gaven hun doden terug. En ieder werd geoordeeld naar zijn werken. 14. De dood en het dodenrijk werden in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood. 15. Wie niet geschreven stond in het boek van het leven, werd in de vuurpoel gegooid. ## Openbaring 21 — Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde 1. Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. De eerste hemel en de eerste aarde waren namelijk voorbijgegaan, en de zee was er niet meer. 2. En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God. Zij was klaargemaakt als een bruid die zich mooi gemaakt heeft voor haar man. 3. En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Kijk, de tent van God is bij de mensen. Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volk zijn. God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn. 4. God zal alle tranen van hun ogen afwissen. De dood zal er niet meer zijn, en ook geen rouw, geschreeuw of moeite. De eerste dingen zijn namelijk voorbij. 5. En Hij die op de troon zat, zei: Kijk, ik maak alles nieuw. En Hij zei tegen mij: Schrijf op, want deze woorden zijn waar en betrouwbaar. 6. Hij zei tegen mij: Het is gebeurd. Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft, zal ik voor niets te drinken geven uit de bron van het water van het leven. 7. Wie overwint, zal dit alles erven. Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn zoon zijn. 8. Maar er zijn ook lafaards en ongelovigen, verdorven mensen en moordenaars. Er zijn mensen die ontucht plegen, tovenaars, afgodendienaars en leugenaars. Hun deel is de poel die brandt van vuur en zwavel. Dat is de tweede dood. 9. Toen kwam een van de zeven engelen met de zeven schalen, die vol waren geweest van de zeven laatste plagen. Hij sprak met mij en zei: Kom, dan laat ik je de bruid zien, de vrouw van het Lam. 10. Hij bracht mij in de geest naar een grote en hoge berg. Daar liet hij mij de grote stad zien, het heilige Jeruzalem, dat uit de hemel neerdaalde van God. 11. De stad had de heerlijkheid van God. Haar schittering leek op de kostbaarste steen, als jaspis, helder als kristal. 12. Zij had een grote en hoge muur met twaalf poorten, en bij de poorten twaalf engelen. Op de poorten stonden namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van de Israëlieten. 13. Aan de oostkant waren drie poorten, aan de noordkant drie, aan de zuidkant drie en aan de westkant drie. 14. De muur van de stad had twaalf fundamenten, en daarop stonden de namen van de twaalf apostelen van het Lam. 15. Hij die met mij sprak, had een gouden meetstok om de stad, haar poorten en haar muur te meten. 16. De stad lag in een vierkant: haar lengte was net zo groot als haar breedte. Hij mat de stad met de meetstok op ongeveer tweeduizend vierhonderd kilometer. Lengte, breedte en hoogte waren gelijk. 17. Hij mat haar muur op honderdvierenveertig maten, naar de menselijke maat die de engel gebruikte. Dat is ongeveer vijfenzestig meter. 18. De muur was gebouwd van jaspis, en de stad was van zuiver goud, als zuiver glas. 19. De fundamenten van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon en het vierde smaragd. 20. Het vijfde was sardonyx, het zesde sardius, het zevende chrysoliet en het achtste beril. Het negende was topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint en het twaalfde amethist. 21. De twaalf poorten waren twaalf parels: elke poort was uit één parel gemaakt. De straat van de stad was van zuiver goud, als doorzichtig glas. 22. Ik zag er geen tempel. De Heere, de almachtige God, is namelijk haar tempel, en het Lam. 23. De stad heeft de zon en de maan niet nodig om erin te schijnen. De heerlijkheid van God verlicht haar, en het Lam is haar lamp. 24. De volken zullen in haar licht leven, en de koningen van de aarde brengen er hun heerlijkheid en eer heen. 25. Haar poorten zullen overdag niet gesloten worden, en nacht zal er niet zijn. 26. Zij zullen de heerlijkheid en de eer van de volken erin brengen. 27. Er komt niets in wat onrein maakt, wat gruwelijk is of wat liegt. Alleen wie geschreven staan in het boek van het leven van het Lam, komen erin. ## Openbaring 22 — De rivier van het leven 1. Hij liet mij een zuivere rivier zien van het water van het leven, helder als kristal. Die kwam uit de troon van God en van het Lam. 2. Midden op de straat van de stad, aan weerskanten van de rivier, stond de boom van het leven. Die geeft twaalf keer vrucht, elke maand opnieuw. De bladeren van de boom zijn tot genezing van de volken. 3. Er zal geen vervloeking meer zijn. De troon van God en van het Lam zal erin staan, en Zijn dienaren zullen Hem dienen. 4. Zij zullen Zijn gezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofd staan. 5. Nacht zal er niet zijn. Zij hebben geen lamp of zonlicht nodig, want de Heere God geeft hun licht. En zij zullen heersen tot in alle eeuwigheid. 6. Hij zei tegen mij: Deze woorden zijn betrouwbaar en waar. De Heere, de God van de geesten van de profeten, heeft Zijn engel gestuurd om Zijn dienaren te laten zien wat er snel moet gebeuren. 7. Kijk, ik kom snel. Gelukkig is wie de woorden van de profetie van dit boek bewaart. 8. En ik, Johannes, ben degene die dit gezien en gehoord heeft. Toen ik het gehoord en gezien had, viel ik neer om te aanbidden aan de voeten van de engel die mij dit liet zien. 9. Maar hij zei tegen mij: Doe dat niet. Ik ben een mededienaar van jou, van je medegelovigen de profeten en van wie de woorden van dit boek bewaren. Aanbid God. 10. En hij zei tegen mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is dichtbij. 11. Wie onrecht doet, laat hij nog onrecht doen. Wie vuil is, laat hij nog vuil worden. Wie rechtvaardig is, laat hij nog rechtvaardig doen. En wie heilig is, laat hij nog heiliger worden. 12. Kijk, ik kom snel. Mijn loon is bij mij, om ieder te vergelden naar zijn werk. 13. Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste. 14. Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen. Zij hebben recht op de boom van het leven en mogen door de poorten de stad binnengaan. 15. Maar buiten blijven de honden, de tovenaars, wie ontucht plegen, de moordenaars, de afgodendienaars en iedereen die de leugen liefheeft en doet. 16. Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie dit te getuigen voor de gemeenschappen. Ik ben de wortel en het nageslacht van David, de stralende morgenster. 17. De Geest en de bruid zeggen: Kom. En wie het hoort, moet zeggen: Kom. Wie dorst heeft, moet komen. En wie wil, mag het water van het leven voor niets nemen. 18. Ik verklaar aan iedereen die de woorden van dit boek hoort: voegt iemand er iets aan toe? Dan zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek staan. 19. En haalt iemand iets weg van de woorden van dit boek? Dan zal God zijn deel weghalen uit het boek van het leven en uit de heilige stad. 20. Hij die dit getuigt, zegt: Ja, ik kom snel. Amen. Ja, kom, Heere Jezus. 21. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met jullie allemaal. Amen. ## 3 Ezra 1 — Het Pascha van Josia en de val van Jeruzalem 1. Josia vierde voor zijn Heere het Pascha in Jeruzalem en slachtte het paaslam op de veertiende dag van de eerste maand. 2. Hij stelde de priesters op in hun lange kleding, volgens hun dagindeling, in de tempel van de Heere. 3. Hij zei tegen de Levieten, die in Israël de heilige dienst deden, dat zij zich voor de Heere moesten heiligen om de heilige ark van de Heere neer te zetten in het huis dat koning Salomo, de zoon van David, gebouwd had. 4. Hij zei: Jullie hoeven die niet meer op jullie schouders te dragen. En nu, dien de Heere, jullie God, en zorg voor Zijn volk Israël. Maak alles klaar naar jullie families en stammen, 5. volgens het voorschrift van David, de koning van Israël, en volgens de luisterrijke regeling van zijn zoon Salomo. Ga in het heiligdom staan naar de indeling van de familiehoofden van de Levieten, die dienstdoen voor jullie broeders, de Israëlieten. 6. Slacht het paaslam op de juiste manier, maak de offers klaar voor jullie broeders en vier het Pascha naar het bevel van de Heere, dat Hij aan Mozes gegeven heeft. 7. Josia gaf het volk dat daar aanwezig was dertigduizend lammeren en bokken en drieduizend kalveren. 8. Dit werd volgens zijn belofte uit het bezit van de koning gegeven aan het volk, aan de priesters en aan de Levieten. 9. Chelkia, Zacharia en Suëlus, de leiders van de tempel, gaven aan de priesters voor het Pascha tweeduizendzeshonderd schapen en driehonderd kalveren. En Jechonia, Semea, zijn broer Nathanaël, Hasabia, Ochiël en Joram, bevelhebber over duizend, gaven de Levieten voor het Pascha vijfduizend schapen en zevenhonderd kalveren. 10. Toen dit naar behoren gebeurd was, gingen de priesters en de Levieten met de ongezuurde broden voor het volk staan, naar hun stammen en naar de indeling van de familiehoofden, 11. om aan de Heere te offeren volgens wat in het boek van Mozes geschreven staat. Zo gebeurde het ochtendoffer. 12. Zij braadden het paaslam op het vuur zoals het hoorde, en de offers kookten zij in bronzen ketels en potten, met een goede geur. 13. Zij brachten het voor heel het volk. Daarna maakten zij het klaar voor zichzelf en voor de priesters, hun broeders, de zonen van Aäron. 14. Want de priesters offerden het vet tot de tijd voorbij was, en de Levieten maakten het klaar voor zichzelf en voor de priesters, hun broeders, de zonen van Aäron. 15. De heilige zangers, de zonen van Asaf, stonden op hun plaats volgens de regeling van David, en ook Asaf, Zacharia en Jeduthun, die door de koning was aangesteld. 16. De poortwachters stonden bij elke deur, en niemand mocht zijn post verlaten, want hun broeders, de Levieten, maakten het voor hen klaar. 17. Zo werd alles voltooid wat die dag bij het offer van de Heere hoorde, 18. om het Pascha te vieren en offers te brengen op het altaar van de Heere, naar het bevel van koning Josia. 19. De Israëlieten die op dat moment aanwezig waren, vierden het Pascha en het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen lang. 20. Zo'n Pascha is in Israël niet gevierd sinds de tijd van de profeet Samuël. 21. Geen koning van Israël heeft zo'n Pascha gevierd als Josia deed, met de priesters, de Levieten, de Joden en heel Israël dat in Jeruzalem woonde. 22. In het achttiende jaar van de regering van Josia is dit Pascha gevierd. 23. De daden van Josia werden goed bevonden voor de Heere, met een hart vol ontzag voor God. 24. Wat er verder over hem te zeggen valt, staat beschreven in eerdere tijden, over wie gezondigd hebben en goddeloos gehandeld tegen de Heere, meer dan enig volk of koninkrijk, en die Hem verdriet gedaan hebben. En de woorden van de Heere zijn opgestaan tegen Israël. 25. Na al deze daden van Josia gebeurde het dat de farao, de koning van Egypte, kwam en oorlog begon bij Karchemis aan de Eufraat, en Josia trok hem tegemoet. 26. De koning van Egypte stuurde hem een boodschap: Wat heb ik met u te maken, koning van Juda? 27. Ik ben niet door God de Heere tegen u uitgestuurd, want mijn oorlog is aan de Eufraat. En nu, de Heere is met mij en de Heere is haastig bij mij. Ga bij mij vandaan en stel u niet tegen de Heere op. 28. Maar Josia keerde zijn wagen niet van hem af. Hij ging hem toch aanvallen en lette niet op de woorden van de profeet Jeremia, die hij uit de mond van de Heere tegen hem gesproken had. 29. Hij stelde zich op om tegen hem te vechten in de vlakte van Megiddo, en de aanvoerders kwamen op koning Josia af. 30. De koning zei tegen zijn dienaren: Breng mij weg uit de strijd, want ik ben heel zwak. En zijn dienaren brachten hem meteen weg uit de slaglinie. 31. Hij klom op zijn tweede wagen, en toen hij in Jeruzalem teruggebracht was, stierf hij en werd hij begraven in het graf van zijn voorouders. 32. In heel Juda rouwden zij om Josia. De profeet Jeremia zong een klaaglied over Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklagen hem tot op vandaag. Er is een bevel uitgegaan dat dit altijd zou gebeuren in heel het volk van Israël. 33. Dit alles staat beschreven in het boek van de geschiedenissen van de koningen van Juda. Ook elk van de daden die Josia gedaan heeft, zijn eer en zijn kennis van de wet van de Heere, en wat hij eerder gedaan heeft en wat nu gebeurd is, wordt verteld in het boek van de koningen van Israël en Juda. 34. Het volk nam Joachaz, de zoon van Josia, en maakte hem koning in de plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaar oud was. 35. Hij was drie maanden koning in Israël en Jeruzalem. De koning van Egypte zette hem af, zodat hij in Jeruzalem geen koning meer was. 36. Hij legde het volk een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud. 37. De koning van Egypte maakte zijn broer Jojakim koning over Juda en Jeruzalem. 38. Hij bond Jojakim en de leiders aan zich, maar zijn broer Saracus nam hij mee terug naar Egypte. 39. Jojakim was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en hij deed wat kwaad was voor de Heere. 40. Tegen hem trok Nebukadnezar op, de koning van Babel. Hij bond hem met bronzen boeien en voerde hem weg naar Babylonië. 41. Nebukadnezar nam een deel van het heilige gerei van de Heere mee, bracht het weg en zette het in zijn tempel in Babel. 42. Het verhaal over hem, over zijn onreinheid en goddeloosheid, staat beschreven in het boek van de kronieken van de koningen. 43. Zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats. Hij was achttien jaar oud toen hij koning werd, 44. en hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem, en hij deed wat kwaad was voor de Heere. 45. Na een jaar liet Nebukadnezar hem naar Babel brengen, samen met het heilige gerei van de Heere. 46. Hij maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem. Die was eenentwintig jaar oud en regeerde elf jaar. 47. Hij deed wat kwaad was voor de Heere, en hij had geen ontzag voor de woorden die de profeet Jeremia uit de mond van de Heere gesproken had. 48. Hoewel hij bij de naam van de Heere een eed had gezworen aan koning Nebukadnezar, brak hij die eed en viel hij van hem af. Hij maakte zijn nek en zijn hart hard en overtrad de voorschriften van de Heere, de God van Israël. 49. Ook de leiders van het volk en van de priesters deden veel goddeloze dingen, en meer dan alle onreinheid van alle volken, en zij maakten de tempel van de Heere onrein, die in Jeruzalem geheiligd was. 50. De God van hun voorouders stuurde Zijn boden naar hen om hen tot inkeer te roepen, zodat Hij hen en Zijn woning zou sparen. 51. Maar zij bespotten Zijn boden, en op de dag dat de Heere tegen hen sprak, lachten zij om Zijn profeten. 52. Totdat Hij boos werd op Zijn volk om hun goddeloosheid en de koningen van de Chaldeeën tegen hen liet optrekken. 53. Die doodden hun jonge mannen met het zwaard, zelfs in de omgang van hun heilige tempel, en zij spaarden jongeman noch meisje, oud noch jong. 54. Hij gaf hen allen in hun handen, en al het heilige gerei van de Heere, groot en klein, en de ark van de Heere, en de koninklijke schatkisten namen zij mee en voerden zij weg naar Babel. 55. Zij verbrandden het huis van de Heere, braken de muren van Jeruzalem af en verbrandden haar torens met vuur, en alles wat in haar prachtig was, maakten zij tot schande. 56. En wie het zwaard overleefden, voerden zij weg naar Babylonië. 57. Zij waren slaven van hem en van zijn kinderen, totdat de Perzen regeerden, zodat het woord van de Heere in vervulling zou gaan dat Hij door de mond van Jeremia gesproken had: 58. totdat het land zijn sabbatten mocht genieten en heel de tijd van zijn verwoesting gerust had, totdat zeventig jaar voorbij waren. ## 3 Ezra 2 — Cyrus geeft bevel te bouwen 1. In het eerste jaar dat Cyrus over de Perzen regeerde, zodat het woord van de Heere vervuld zou worden dat Hij door de mond van Jeremia gesproken had, 2. wekte de Heere de geest van Cyrus, de koning van de Perzen. Die liet in heel zijn koninkrijk uitroepen, en ook op schrift, en zei: 3. Dit zegt Cyrus, de koning van de Perzen: de Heere van Israël, de allerhoogste Heere, heeft mij koning gemaakt over heel de aarde. 4. Hij heeft mij opgedragen voor Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, dat in Judea ligt. 5. Als er dan iemand van u is uit Zijn volk: de Heere zij met hem, en laat hij optrekken naar Jeruzalem in Judea en het huis bouwen van de Heere van Israël. Dat is de Heere die in Jeruzalem woont. 6. En allen die bij die plaatsen wonen en daar zijn, 7. die moeten hem helpen met goud en zilver en met gaven, met paarden en lastdieren en met andere dingen die men als gelofte brengt naar de tempel van de Heere in Jeruzalem. 8. Toen stonden de voornaamsten op uit de families van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, en allen bij wie God de geest opwekte om op te trekken en het huis van de Heere in Jeruzalem te bouwen. 9. En wie om hen heen woonden, hielpen hen met van alles: met zilver en goud, met paarden en lastdieren en met heel veel vrijwillige gaven van velen wie het op het hart gelegd was. 10. Koning Cyrus haalde het heilige gerei van de Heere tevoorschijn dat Nebukadnezar uit Jeruzalem had weggevoerd en in zijn afgodentempel had gezet. 11. Cyrus, de koning van de Perzen, haalde het tevoorschijn en gaf het aan Mithridates, zijn schatmeester. 12. En door hem werd het overgedragen aan Sesbassar, de stadhouder van Judea. 13. Het aantal was: duizend gouden schalen voor drankoffers, duizend zilveren schalen voor drankoffers, negenentwintig zilveren wierookpannen, dertig gouden bekers, tweeduizendvierhonderddertig zilveren bekers en duizend andere voorwerpen. 14. Alle voorwerpen die overgebracht werden, van goud en van zilver, waren vijfduizendvierhonderdnegenenzestig. 15. Die zijn teruggebracht door Sesbassar, met degenen die uit de ballingschap in Babylonië naar Jeruzalem kwamen. 16. Maar in de tijd van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven Belemus, Mithridates, Tabellius, Rathymus, Balthemus en de schrijver Samellius aan hem tegen de bewoners van Judea en Jeruzalem, samen met de anderen die met hen waren aangesteld en in Samaria en op andere plaatsen woonden. Dit is die brief: 17. Aan koning Artaxerxes, onze heer. Uw dienaren Rathymus, aangesteld over de lopende zaken, en de schrijver Samellius en de anderen uit hun raad en de rechters in Celo-Syrië en Fenicië. 18. Laat het onze heer de koning bekend zijn dat de Joden die van u naar ons zijn teruggekeerd en in Jeruzalem zijn aangekomen, een afvallige en slechte stad, hun straten bouwen, hun muren herstellen en de tempel weer oprichten. 19. Als deze stad wordt opgebouwd en haar muren worden voltooid, dan zullen zij niet alleen geen belasting meer willen betalen, maar zullen zij zich ook tegen de koningen verzetten. 20. Omdat men nu bezig is met wat de tempel betreft, leek het ons goed dit niet na te laten, 21. maar onze heer de koning ervan op de hoogte te stellen, zodat er, als u dat goeddunkt, onderzoek gedaan wordt in de boeken die uw voorouders hebben nagelaten. 22. U zult in de kronieken die daarover geschreven zijn vinden en begrijpen dat die stad afvallig was en koningen en steden moeilijkheden bezorgd heeft, 23. en dat de Joden daarin van oudsher altijd afvallig en opstandig zijn geweest. Daarom is die stad ook verwoest. 24. Wij laten u dus weten, heer koning, dat als deze stad opnieuw gebouwd wordt en haar muren weer opgericht worden, u geen toegang meer zult hebben tot Celo-Syrië en Fenicië. 25. Toen schreef de koning terug aan de schrijver Rathymus, die over de lopende zaken ging, en aan Balthemus en aan de schrijver Samellius en aan de anderen die met hen waren aangesteld en in Samaria, Syrië en Fenicië woonden, het volgende: 26. Ik heb de brief gelezen die u mij gestuurd hebt, en ik heb daarop bevel gegeven onderzoek te doen. Er is gebleken dat deze stad zich van oudsher tegen de koningen heeft verzet, 27. dat de mensen afvallig zijn geweest en daarin oorlogen gevoerd hebben, en dat in Jeruzalem machtige en strenge koningen geregeerd hebben, die ook belasting hebben opgelegd aan Celo-Syrië en Fenicië. 28. Nu dan, ik heb bevolen dat men deze mensen zal verhinderen hun stad te bouwen, en dat men erop let dat er verder niets aan gedaan wordt, 29. en dat de slechtheid niet verder gaat en de koningen moeilijkheden bezorgt. 30. Toen wat koning Artaxerxes geschreven had was voorgelezen, spanden Rathymus en de schrijver Samellius en wie met hen waren aangesteld samen, en zij trokken haastig naar Jeruzalem met een leger van ruiters en voetvolk. 31. Zij begonnen wie daar bouwden tegen te houden. Zo kwam de bouw van de tempel in Jeruzalem stil te liggen tot het tweede jaar van de regering van Darius, de koning van Perzië. ## 3 Ezra 3 — Wie is de sterkste? 1. Darius, die koning was, richtte een grote maaltijd aan voor allen die onder hem stonden, voor al zijn huisgenoten en voor alle groten van Medië en Perzië, 2. en voor al zijn vorsten, legeraanvoerders en landvoogden die onder hem stonden, van India tot Ethiopië, in de honderdzeventien provincies. 3. Toen zij gegeten en gedronken hadden en verzadigd waren, gingen zij terug naar huis. Maar koning Darius ging terug naar zijn slaapkamer, viel in slaap en werd weer wakker. 4. Toen zeiden de drie jonge mannen die de lijfwacht van de koning waren en hem bewaakten, tegen elkaar: 5. Laten wij ieder een uitspraak doen over wie de sterkste is. Wie van ons met het wijste woord komt, aan hem zal koning Darius grote geschenken en grote onderscheidingen geven. 6. Hij zal hem in purper laten kleden, uit gouden bekers laten drinken en op gouden rustbedden laten slapen. Hij zal hem een wagen geven die door paarden met gouden tuig wordt getrokken, een hoofddoek van fijne zijde en een ketting om zijn hals. 7. Hij zal om zijn wijsheid naast Darius de tweede man zijn, en hij zal een verwant van Darius genoemd worden. 8. Toen schreef ieder zijn eigen uitspraak op, verzegelde die en legde die onder het hoofdkussen van koning Darius. 9. Zij zeiden: Wanneer de koning opgestaan is, zullen zij hem het geschrift geven. En van wie de koning en de drie leiders van Perzië zullen oordelen dat zijn woord het wijste is, die zal de overwinning krijgen, zoals er geschreven staat. 10. De eerste schreef: De wijn is de sterkste. 11. De tweede schreef: De koning is de sterkste. 12. De derde schreef: De vrouwen zijn de sterkste, maar boven alles overwint de waarheid. 13. Toen de koning opgestaan was, namen zij het geschrift, gaven het hem, en hij las het. 14. Hij liet alle groten van Perzië en Medië roepen, en de vorsten, de legeraanvoerders, de landvoogden en de stadsbestuurders. 15. Hij ging in zijn raadszaal zitten, het geschrift werd hun voorgelezen, en hij zei: 16. Roep de jonge mannen en laat hen hun woorden zelf uitleggen. 17. En zij werden geroepen, kwamen binnen, en men zei tegen hen: Leg ons uit wat jullie opgeschreven hebben. 18. En de eerste begon, die over de kracht van de wijn gesproken had, en zei: 19. Mannen, hoe sterk is de wijn. Hij verleidt alle mensen die hem drinken. 20. Hij maakt het verstand van de koning en dat van de wees gelijk, en ook dat van de slaaf en de vrije, van de arme en de rijke. 21. Hij verandert elk verstand in vreugde en vrolijkheid, en men denkt niet meer aan verdriet en aan schuld. 22. Hij maakt alle harten rijk, men denkt niet meer aan koning of vorst, en hij maakt dat iedereen over talenten spreekt. 23. Als zij wijn gedronken hebben, denken zij er niet meer aan om vriendelijk te zijn voor hun vrienden en broeders, en kort daarna trekken zij het zwaard. 24. En als zij van de wijn opgestaan zijn, herinneren zij zich niet meer wat zij gedaan hebben. 25. Mannen, is de wijn niet de sterkste, omdat hij dwingt om dit te doen? En hij zweeg, nadat hij zo gesproken had. ## 3 Ezra 4 — Groot is de waarheid 1. Toen begon de tweede te spreken, die over de kracht van de koning gesproken had, en hij zei: 2. Mannen, zijn de mensen niet de sterksten, die het land en de zee in hun macht hebben en alles wat daarin is? 3. Maar de koning overtreft hen en heerst over hen en regeert hen, en alles wat hij hun zegt, gehoorzamen zij. 4. Als hij hun zegt dat zij elkaar oorlog moeten aandoen, doen zij het. Als hij hen tegen hun vijanden uitstuurt, gaan zij. Zij slechten de bergen, de muren en de torens. 5. Zij slaan dood en worden doodgeslagen, en het woord van de koning zullen zij niet overtreden. En als zij overwinnen, brengen zij alles bij de koning: wat zij geroofd hebben en al het andere. 6. En allen die niet ten oorlog trekken en niet vechten, maar het land bewerken: wanneer zij gezaaid en gemaaid hebben, brengen zij de koning belasting. En de een dwingt de ander om de koning belasting te brengen, terwijl hij maar één man is. 7. Zegt hij dat men moet doden, dan doden zij. Zegt hij dat men moet ophouden, dan houden zij op. 8. Zegt hij dat men moet slaan, dan slaan zij. Zegt hij dat men moet verwoesten, dan verwoesten zij. Zegt hij dat men moet bouwen, dan bouwen zij. 9. Zegt hij dat men moet afbreken, dan breken zij af. Zegt hij dat men moet planten, dan planten zij. 10. En heel zijn volk en al zijn legers gehoorzamen hem. 11. Bovendien, als hij gaat zitten, eet, drinkt en slaapt, houden zij in een kring rondom hem de wacht, en niemand durft weg te gaan of zijn eigen werk te doen, en zij zijn hem niet ongehoorzaam. 12. Mannen, hoe zou de koning dan niet de sterkste zijn, die zo gehoorzaamd wordt? En hij zweeg. 13. De derde, die over de vrouwen en over de waarheid gesproken had, namelijk Zerubabel, begon ook te spreken: 14. Mannen, niet de grote koning, niet de menigte mensen en niet de wijn is de sterkste. 15. Wie is het dan die over hen heerst of die hen regeert? Zijn dat niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en heel het volk dat de zee en de aarde regeert, is uit hen geboren. 16. Zij hebben zelfs hen opgevoed die de wijngaarden planten waar de wijn uit komt. 17. Zij maken zelf de kleding van de mensen, zij maken wat de mensen sieren, en mensen kunnen niet zonder vrouwen. 18. En al hebben zij goud en zilver en allerlei mooie dingen verzameld, als zij een vrouw zien die mooi is van gezicht en gestalte, 19. dan laten zij dat allemaal liggen, richten hun ogen op haar en staren haar met open mond aan. Zij verlangen meer naar haar dan naar het goud, het zilver en al het moois. 20. Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hij hecht zich aan zijn eigen vrouw. 21. Bij zijn vrouw laat hij zijn leven, en hij denkt niet meer aan zijn vader, zijn moeder of zijn land. 22. Ook daaraan moeten jullie weten dat de vrouwen jullie regeren. 23. Werken jullie niet en zwoegen jullie niet? En geven jullie niet alles aan de vrouw? Ja, een man neemt zijn zwaard en gaat langs de wegen liggen om te roven en te stelen, en hij vaart over zee en over de rivieren. 24. Hij ziet een leeuw en gaat het donker in, en wanneer hij gestolen, geroofd en geplunderd heeft, brengt hij het naar zijn geliefde. 25. En een man houdt meer van zijn eigen vrouw dan van zijn vader en zijn moeder. 26. Velen zijn hun verstand kwijtgeraakt om vrouwen, en zijn om hen slaven geworden. 27. En velen zijn omgekomen, gewurgd en hebben gezondigd om vrouwen. 28. En nu, geloven jullie mij niet? Is de koning niet groot in zijn macht? Zijn niet alle landen bang om hem aan te raken? 29. Toch heb ik hem en Apame gezien, de dochter van de wonderbaarlijke Bartacus, de bijvrouw van de koning, die aan de rechterhand van de koning zat. 30. Zij nam de kroon van het hoofd van de koning, zette die zelf op en sloeg de koning met haar linkerhand. 31. En bovendien keek de koning haar met open mond aan. En als zij naar hem lachte, lachte hij ook. En als zij boos op hem werd, vleide hij haar, zodat zij zich met hem zou verzoenen. 32. Mannen, hoe zouden de vrouwen dan niet sterk zijn, nu zij dat doen? 33. Toen keken de koning en de groten elkaar aan. En hij begon over de waarheid te spreken. 34. Mannen, zijn de vrouwen niet sterk? Groot is de aarde en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij draait in de cirkel van de hemel en keert op één dag terug naar haar plaats. 35. Is Hij niet groot die zulke dingen doet? Maar de waarheid is groot en sterker dan die allemaal. 36. Heel de aarde roept de waarheid aan, en de hemel prijst haar. Alle werken bewegen en beven, en bij haar is geen onrecht. 37. In de wijn zit onrecht, in de koning zit onrecht, in de vrouwen zit onrecht, in alle mensenkinderen zit onrecht, en al hun werken zijn onrecht. In hen is geen waarheid, en in hun onrecht zullen zij omkomen. 38. Maar de waarheid blijft en is sterk voor altijd. Zij leeft en heerst in alle eeuwen. 39. Bij haar is geen aanzien des persoons. Zij maakt geen onderscheid, maar zij doet wat recht is en houdt zich ver van alles wat onrecht en slecht is, en iedereen heeft vreugde in haar werken. 40. In haar oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, het koningschap, de macht en de eer van alle eeuwen. Geprezen zij de God van de waarheid! 41. En hij zweeg. Toen riep heel het volk en zei: Groot is de waarheid, en zij is sterker dan alles. 42. Toen zei de koning tegen hem: Vraag wat je wilt, ja meer dan er geschreven staat, en wij zullen het je geven, want je bent wijzer bevonden dan de anderen. Je zult naast mij zitten en mijn verwant genoemd worden. 43. Toen zei hij tegen de koning: Denk aan uw belofte, die u gedaan hebt om Jeruzalem te bouwen, op de dag dat u uw koningschap ontving, 44. en dat u al het gerei zou terugsturen dat uit Jeruzalem meegenomen is, dat Cyrus apart gezet heeft toen hij beloofde Babel te verwoesten, en dat hij beloofde het daarheen terug te sturen. 45. En u hebt beloofd de tempel te bouwen die de Edomieten verbrand hebben toen Judea door de Chaldeeën verwoest werd. 46. En nu, dit is wat ik van u vraag, heer koning, en wat ik van u verlang. Dit is de eer die ik van u vraag. Ik vraag u dus de belofte na te komen die u met eigen mond aan de Koning van de hemel beloofd hebt na te komen. 47. Toen stond koning Darius op en kuste hem. Hij schreef voor hem brieven aan alle rentmeesters, landvoogden, legeraanvoerders en vorsten, dat zij hem geleide moesten geven en allen die met hem optrokken om Jeruzalem te bouwen. 48. En aan alle landvoogden in Celo-Syrië en Fenicië en bij de Libanon schreef hij brieven, dat zij cederhout van de Libanon naar Jeruzalem moesten brengen en de stad met hem moesten bouwen. 49. En hij schreef aan alle Joden die uit zijn koninkrijk naar Judea optrokken over hun vrijheid: dat geen machthebber, landvoogd, vorst of rentmeester hun deuren zou binnengaan, 50. en dat heel het land dat zij bewoonden voor hen belastingvrij zou zijn, en dat de Edomieten de dorpen van de Joden zouden verlaten die zij ingenomen hadden, 51. en dat zij voor de bouw van de tempel jaarlijks twintig talenten zouden geven, totdat die voltooid zou zijn, 52. en dat zij om op het altaar dagelijks brandoffers te brengen, zoals hun geboden was, nog tien talenten per jaar zouden bijdragen, 53. en dat allen die uit Babylonië zouden optrekken om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, zij en hun nakomelingen, met alle priesters die mee optrokken. 54. Hij schreef ook over het onderhoud van de priesters en over de priesterkleding waarin zij dienstdoen. 55. En hij schreef dat men de Levieten onderhoud moest geven, tot de dag dat het huis van God voltooid zou zijn en Jeruzalem herbouwd. 56. En hij schreef dat men allen die de stad bewaakten hun deel en hun loon moest geven. 57. En hij stuurde al het gerei terug dat Cyrus in Babylonië apart gezet had, en alles wat Cyrus bevolen had te doen, beval hij ook te doen en naar Jeruzalem te sturen. 58. Toen de jongeman naar buiten ging, hief hij zijn gezicht op naar de hemel, in de richting van Jeruzalem, en dankte de Koning van de hemel en zei: 59. Van U is de overwinning, van U is de wijsheid, van U is de eer, en ik ben Uw dienaar. 60. Geprezen bent U, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank U, Heere van onze voorouders. 61. Hij nam de brieven, ging op weg en trok naar Babylonië, en hij vertelde dit aan al zijn broeders. 62. Zij prezen de God van hun voorouders, omdat Hij hun verkwikking en bevrijding gegeven had, 63. zodat zij konden optrekken en Jeruzalem konden bouwen en de tempel waarover Zijn naam wordt uitgeroepen. En zij vierden feest met snarenspel en vrolijkheid, zeven dagen lang. ## 3 Ezra 5 — Wie terugkwamen uit de ballingschap 1. Daarna werden de hoofden van de families uitgekozen om op te trekken, naar hun stammen, met hun vrouwen, zonen en dochters, hun slaven en slavinnen en hun vee. 2. Darius stuurde duizend ruiters met hen mee om hen veilig naar Jeruzalem te brengen, met muziek, trommels en fluiten, 3. terwijl al hun broeders speelden, en zo lieten zij hen samen met hen optrekken. 4. Dit zijn de namen van de mannen die optrokken, naar de families in hun stammen en naar de indeling van hun leiderschap. 5. De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Aäron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim. Daarna Zerubabel, de zoon van Sealthiël, uit het huis van David, uit het geslacht van Perez en uit de stam Juda. 6. Hij was het die onder Darius, de koning van de Perzen, de wijze woorden gesproken had, in het tweede jaar van zijn regering, in de maand Nisan, de eerste maand. 7. Dit zijn zij die uit Judea zijn opgetrokken uit de ballingschap waarin zij vreemdeling waren, die Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Babylonië had weggevoerd. 8. Zij keerden terug naar Jeruzalem en naar de andere delen van Judea, ieder naar zijn eigen stad. Zij kwamen met Zerubabel en Jozua, en met Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheüs, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus en Baäna, hun leiders. 9. Het aantal van het volk met hun leiders was: de zonen van Parosch tweeduizend honderdtweeënzeventig. 10. De zonen van Sarat vierhonderdtweeënzeventig. De zonen van Ares zevenhonderdzesenvijftig. 11. De zonen van Pahat-Moab, uit de zonen van Jozua en Joab, tweeduizend achthonderdtwaalf. 12. De zonen van Elam duizend tweehonderdvierenvijftig. De zonen van Zathaï negenhonderdvijfenzeventig. De zonen van Chorbe zevenhonderdvijf. De zonen van Bani zeshonderdachtenveertig. 13. De zonen van Bebai zeshonderddrieëndertig. De zonen van Argas duizend driehonderdtweeëntwintig. 14. De zonen van Adonikam zeshonderdzevenendertig. De zonen van Bagoë tweeduizend zesenzestig. De zonen van Adin vierhonderdvierenvijftig. 15. De zonen van Ater uit Hizkia tweeënnegentig. De zonen van Cilas en Azenas zevenenzestig. De zonen van Azar vierhonderdtweeëndertig. 16. De zonen van Amri honderdeen. De zonen van Arom tweeëndertig. De zonen van Base driehonderddrieëntwintig. De zonen van Arisfurith honderdtwee. 17. De zonen van Beter drieduizend vijf. 18. De mannen uit Bethlomon honderddrieëntwintig, die uit Nethofas vijfenvijftig, die uit Anatoth honderdachtenvijftig, die uit Bethasmon tweeënveertig. 19. Die uit Kirjath-Jearim vijfentwintig, die uit Cathiras en Berog zevenhonderddrieënveertig, de Gadiastieten en Ammidieten vierhonderdtweeëntwintig. 20. Die uit Kirama en Gabbes zeshonderdeenentwintig, die uit Makalon honderdtweeëntwintig, die uit Betolia vijfenvijftig. 21. De zonen van Nifis honderdzesenvijftig. De zonen van Kalamelali en Onus zevenhonderdvijfentwintig. 22. De zonen van Jericho tweehonderdvijfenveertig. 23. De zonen van Sanaäs drieduizend driehonderdeen. 24. De priesters: de zonen van Jeddu, de zoon van Jozua, met de zonen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig. De zonen van Emeruth tweehonderdtweeënvijftig. 25. De zonen van Fassur duizend vierhonderdzeven. De zonen van Charmi tweehonderdzeventien. 26. De Levieten: de zonen van Jozut, Kadoëli, Banni en Sudi, vierenzeventig. 27. De heilige zangers: de zonen van Asaf honderdachtentwintig. 28. De poortwachters: de zonen van Salum, de zonen van Atar, de zonen van Tolman, de zonen van Dahub, de zonen van Ateta, de zonen van Tobi, samen honderdnegenendertig. 29. Wie het heiligdom dienden: de zonen van Hesai, de zonen van Asifa, de zonen van Tabaoth, de zonen van Seras, de zonen van Suda, de zonen van Faleas, 30. de zonen van Labana, de zonen van Agraba, de zonen van Akud, de zonen van Uta, de zonen van Cetab, de zonen van Akaba, de zonen van Sijba, de zonen van Anan, de zonen van Cathua, 31. de zonen van Geddur, de zonen van Laïr, de zonen van Desan, de zonen van Noëba, de zonen van Chaseba, de zonen van Cazera, de zonen van Ozia, de zonen van Finoë, de zonen van Asara, 32. de zonen van Basthaï, de zonen van Assana, de zonen van Mavi, de zonen van Nafis, de zonen van Akuf, de zonen van Achiba, de zonen van Asub, de zonen van Farenaces, 33. de zonen van de dienaren van Salomo: de zonen van Asapfioth, de zonen van Farera, de zonen van Jejeli, de zonen van Lozon, de zonen van Isdaël, de zonen van Safni, 34. de zonen van Hagia, de zonen van Sachareth, de zonen van Sabia, de zonen van Saroth, de zonen van Misaje, de zonen van Gas, de zonen van Addus, de zonen van Suba, de zonen van Aferra, de zonen van Barod, de zonen van Safag, de zonen van Allom. 35. Zij allen dienden het heiligdom en waren zonen van de dienaren van Salomo: driehonderdtweeënzeventig in getal. 36. Zij waren opgetrokken uit Thermeleth en Thelersa, en hun leider was Charnathalan en Aälar. 37. Maar zij konden hun steden en families niet aantonen, of zij wel uit Israël waren: de zonen van Dalan, de zoon van Baëma, en de zonen van Nehoda, zeshonderdtweeënvijftig. 38. En uit de priesters die het priesterambt bedienden en van wie de afstamming niet gevonden werd: de zonen van Obdia, de zonen van Akbos, en de zonen van Jaddu, die Augia tot vrouw nam, een van de dochters van Barzillai, en die naar zijn naam genoemd is. 39. Toen hun geslachtsregister in de lijst gezocht werd en niet gevonden werd, zijn zij uit het priesterambt geweerd. 40. Nehemia en Attaria zeiden tegen hen dat zij geen deel zouden hebben aan de heilige dingen, totdat er een hogepriester zou opstaan die bekleed was met openbaring en waarheid. 41. Alle Israëlieten van twaalf jaar en ouder, de slaven en slavinnen niet meegerekend, waren tweeënveertigduizend driehonderdzestig. 42. Hun knechten en dienstmeisjes waren zevenduizend driehonderdzevenendertig. De zangers en zangeressen tweehonderdvijfenveertig. 43. Er waren vierhonderdvijfendertig kamelen, zevenduizend zesendertig paarden, tweehonderdvijfenveertig muildieren en vijfduizend vijfhonderdvijfentwintig ezels. 44. Toen enkele hoofden van hun families in de tempel van God in Jeruzalem kwamen, beloofden zij het huis van God op zijn plaats op te richten, naar hun vermogen, 45. en te geven voor de heilige werkkas duizend talenten goud, vijfduizend talenten zilver en honderd priesterkleden. 46. De priesters, de Levieten en wie van het volk waren, vestigden zich in Jeruzalem en in het land, en ook de heilige zangers, de poortwachters en heel Israël in hun dorpen. 47. Toen de zevende maand aanbrak en de Israëlieten ieder in hun woonplaats waren, kwamen zij eendrachtig samen op het plein van de eerste poort, die op het oosten lag. 48. Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders de priesters, met Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en zijn broeders stonden op 49. en maakten het altaar van de God van Israël klaar om daarop brandoffers te brengen, volgens wat beschreven staat in het boek van Mozes, de man van God. 50. Zij richtten het altaar op zijn plaats op, hoewel sommigen van de andere volken van het land zich tegen hen keerden, omdat zij hun vijanden waren. 51. Want alle volken op de aarde sterkten zich. En zij brachten offers op de vastgestelde tijden en brandoffers voor de Heere, het ochtendoffer en het avondoffer. 52. Zij vierden het Loofhuttenfeest zoals in de wet bevolen was, en brachten dagelijks offers zoals het hoorde, en daarna de dagelijkse offers, de offers van de sabbatten, de nieuwe maan en alle andere feestdagen, voor wie geheiligd waren. 53. En allen die God geloften gedaan hadden, begonnen vanaf de nieuwe maan van de zevende maand God offers te brengen, terwijl de tempel van de Heere nog niet gebouwd was. 54. Zij gaven geld aan de steenhouwers en timmerlieden, en eten en drinken, 55. en karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, zodat zij hun cederhout van de Libanon zouden brengen en als vlotten naar de haven van Joppe zouden varen, volgens het bevel dat Cyrus, de koning van Perzië, hun geschreven had. 56. In het tweede jaar nadat hij bij de tempel van God in Jeruzalem was gekomen, in de tweede maand, begonnen Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua, de zoon van Josedek, en hun broeders, de priesters en de Levieten, en allen die uit de ballingschap in Jeruzalem waren gekomen. 57. Zij legden het fundament van het huis van God bij de nieuwe maan van de tweede maand, nadat zij in Judea en Jeruzalem waren gekomen. 58. Zij stelden de Levieten van twintig jaar en ouder aan over de werken van de Heere. Jozua stond op met zijn zonen en broeders, en zijn broer Kadmiël, en de zonen van Emadabus en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broeders. Al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, samen met wie de werken uitvoerden aan het huis van de Heere. 59. De bouwers bouwden de tempel van de Heere, en de priesters stonden in lange kleding met snarenspel en bazuinen, en de Levieten, de zonen van Asaf, met cimbalen, 60. zingend en de Heere prijzend, volgens de regeling van David, de koning van Israël. 61. Zij verhieven hun stem met liederen en prezen de Heere, dat Zijn goedheid en Zijn heerlijkheid voor altijd over heel Israël is. 62. Heel het volk blies op bazuinen en riep met luide stem, zingend voor de Heere om het oprichten van het huis van de Heere. 63. Maar sommigen van de priesters, de Levieten en de familiehoofden die ouder waren en het vorige huis gezien hadden, 64. kwamen bij de bouw van dit huis met huilen en met luid geroep, terwijl velen met bazuinen en vreugde luid riepen, 65. zodat het volk de bazuinen niet goed hoorde vanwege het huilen van het volk. Want de menigte blies zo luid dat het van verre gehoord werd. 66. Toen de vijanden van de stammen Juda en Benjamin dat hoorden, kwamen zij om te weten wat dat geluid van bazuinen was. 67. Zij begrepen dat wie uit de ballingschap gekomen waren, de tempel bouwden voor de Heere, de God van Israël. 68. Zij kwamen bij Zerubabel en Jozua en bij de familiehoofden en zeiden tegen hen: Laat ons met u bouwen. 69. Want wij horen net als u bij uw God en brengen Hem offers, vanaf de tijd van Asbakaf, de koning van Assyrië, die ons hierheen gebracht heeft. 70. Toen zeiden Zerubabel, Jozua en de hoofden van de families van Israël tegen hen: 71. Het komt ons en u niet toe om samen het huis te bouwen voor de Heere, onze God. 72. Maar wij zullen alleen voor de Heere van Israël bouwen, volgens wat Cyrus, de koning van de Perzen, ons bevolen heeft. 73. De volken van dat land drongen op tegen de bewoners van Judea. Zij belegerden hen en verhinderden hun te bouwen. 74. Met hinderlagen, oproer en samenscholingen zorgden zij ervoor dat de bouw niet werd voltooid, heel de tijd dat koning Cyrus leefde. Zo werd de bouw twee jaar lang verhinderd, tot de regering van Darius. ## 3 Ezra 6 — De brief aan Darius over de bouw 1. In het tweede jaar van de regering van Darius profeteerden de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo, over de Joden in Judea en Jeruzalem, in de naam van de God van Israël. 2. Toen stonden Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua, de zoon van Josedek, op en begonnen zij het huis van de Heere in Jeruzalem weer te bouwen, want de profeten van de Heere waren bij hen en hielpen hen. 3. In die tijd kwamen Sisinnes, de stadhouder van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun collega's bij hen en zeiden tegen hen: 4. Wie heeft u bevolen dit huis te bouwen en dat dak en al die andere dingen af te maken? En wie zijn de bouwers die dit optrekken? 5. Nadat het onderzoek gedaan was over de ballingen, kregen de oudsten van de Joden genade van de Heere, en zij werden niet in de bouw verhinderd totdat men Darius hiervan op de hoogte zou brengen en er antwoord zou komen. 6. Dit is het afschrift van de brief die hij aan Darius geschreven en gestuurd heeft: 7. Sisinnes, de stadhouder van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun collega's, de leiders in Syrië en Fenicië, wensen koning Darius voorspoed. 8. Laat het onze heer de koning geheel bekend zijn dat wij, toen wij in het land Judea aankwamen en de stad Jeruzalem binnengingen, gevonden hebben dat de oudsten van de Joden, die in ballingschap zijn geweest, 9. in de stad Jeruzalem een nieuw en groot huis voor de Heere aan het bouwen waren, met gehouwen kostbare stenen en met houtwerk in de muren gelegd, 10. en dat dit werk met ijver gebeurt, dat het werk voorspoedig onder hun handen vordert en dat het met grote pracht en zorgvuldigheid wordt uitgevoerd. 11. Toen hebben wij die oudsten gevraagd: wie heeft u bevolen dit huis te bouwen en het fundament van deze werken te leggen? 12. Wij hebben hun dat gevraagd om het u bekend te kunnen maken en u te kunnen schrijven wie de mannen zijn die hierover zijn aangesteld. Wij hebben hun ook schriftelijk de namen van hun leiders gevraagd. 13. Maar zij hebben ons geantwoord: wij zijn kinderen van de Heere, die hemel en aarde geschapen heeft. 14. En dit huis is heel veel jaren geleden gebouwd door een grote en machtige koning van Israël, en het is voltooid. 15. En omdat onze voorouders tegen de Heere van Israël, die in de hemel is, gezondigd hadden en Hem verbitterd hadden, gaf Hij hen over in de handen van Nebukadnezar, de koning van Babel, de koning van de Chaldeeën. 16. Die hebben dit huis afgebroken en verbrand en het volk als gevangenen naar Babel weggevoerd. 17. Maar in het eerste jaar dat Cyrus over het land Babylonië regeerde, heeft koning Cyrus geschreven dat men dit huis weer moest bouwen. 18. En het heilige gouden en zilveren gerei dat Nebukadnezar uit het huis van God in Jeruzalem had weggevoerd en in zijn tempel had gezet, dat haalde koning Cyrus weer uit de tempel in Babel, en het werd overgedragen aan Zerubabel en aan Sesbassar, de stadhouder. 19. Hem werd bevolen al dat gerei mee te nemen en in de tempel in Jeruzalem te zetten, en dat de tempel van de Heere op zijn plaats gebouwd zou worden. 20. Toen Sesbassar daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis van de Heere in Jeruzalem, en vanaf die tijd tot nu toe werd het gebouwd, maar het is nog niet voltooid. 21. Nu dan, als het u goeddunkt, heer koning, laat dan onderzoek doen in de koninklijke archieven van Cyrus. 22. En als blijkt dat de bouw van het huis van de Heere in Jeruzalem met instemming van koning Cyrus gebeurd is, en het onze heer de koning goeddunkt, geef ons daar dan antwoord over. 23. Toen gaf koning Darius bevel onderzoek te doen in de archieven in Babel, en er werd in Ecbatana, de stad in het land Medië, een plek gevonden waar dit geschreven stond: 24. In het eerste jaar dat Cyrus regeerde, gaf koning Cyrus bevel dat men het huis van de Heere in Jeruzalem zou bouwen, waar men offers zou brengen op een altijd brandend vuur. 25. De hoogte zou zestig el zijn en de breedte zestig el, met drie lagen gehouwen stenen en een laag nieuw hout uit dat land, en de kosten zouden uit het huis van koning Cyrus betaald worden. 26. En het heilige gerei van het huis van de Heere, van goud en van zilver, dat Nebukadnezar uit het huis van de Heere in Jeruzalem had weggevoerd en naar Babel had gebracht, zou men terugbrengen naar het huis van de Heere in Jeruzalem, naar de plaats waar het gestaan had, zodat het daar weer neergezet kon worden. 27. Hij gaf ook bevel aan Sisinnes, de stadhouder van Syrië en Fenicië, en aan Sathrabusan en hun collega's en de andere landvoogden die in Syrië en Fenicië waren aangesteld, ervoor te zorgen dat zij zich van die plaats zouden onthouden en dat zij de dienaar van de Heere en de leider van Judea, Zerubabel, en de oudsten van de Joden dit huis van de Heere op zijn plaats zouden laten bouwen. 28. En ik heb daarbij ook bevolen, schreef hij, dat zij het helemaal zullen opbouwen, en dat men er goed op toeziet dat men de Joden die uit de ballingschap zijn, helpt, totdat het huis van de Heere voltooid is. 29. Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met zorg een bijdrage wordt gegeven aan de landvoogd Zerubabel, voor deze mensen, als offer voor de Heere, namelijk voor stieren, rammen en lammeren, 30. en ook graan, zout, wijn en olie, elk jaar zonder onderbreking, zoals de priesters in Jeruzalem zullen aangeven dat er dagelijks nodig is, en dit zonder uitstel, 31. zodat er drankoffers gebracht worden aan de allerhoogste God, voor de koning en zijn kinderen, en zodat zij bidden voor hun lange leven. 32. Verder zal men bevelen: wie iets overtreedt of tenietdoet van wat hier geschreven staat, van diens eigen huis zal men een balk nemen en hem daaraan ophangen, en zijn bezit zal aan de koning vervallen. 33. Daarom ook: de Heere, wiens naam daar wordt aangeroepen, doe elke koning en elk volk teniet dat zijn hand uitsteekt om dit huis van de Heere in Jeruzalem te verhinderen of te beschadigen. 34. Ik, koning Darius, heb besloten dat dit zorgvuldig zal worden nagekomen. ## 3 Ezra 7 — De tempel wordt ingewijd 1. Toen gehoorzaamden Sisinnes, de stadhouder van Celo-Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun collega's aan wat koning Darius bevolen had. 2. Zij hielden zich ijverig aan de heilige werken en waren de oudsten van de Joden en de opzichters van de tempel behulpzaam. 3. De heilige werken gingen voorspoedig verder, terwijl de profeten Haggai en Zacharia profeteerden. 4. Zij voltooiden die op bevel van de Heere, de God van Israël, en met instemming van Cyrus, Darius en Artaxerxes, de koningen van Perzië. 5. Zo werd het heilige huis voltooid op de drieëntwintigste dag van de maand Adar, in het zesde jaar van koning Darius. 6. De Israëlieten, de priesters en de Levieten en de anderen uit de ballingschap die zich bij hen gevoegd hadden, deden wat in het boek van Mozes geschreven staat, 7. en zij brachten voor de inwijding van de tempel van de Heere honderd stieren, tweehonderd rammen en vierhonderd lammeren, 8. en voor de zonden van heel Israël twaalf bokken, naar het aantal van de leiders van de twaalf stammen van Israël. 9. De priesters en de Levieten stonden naar hun families, gekleed in lange gewaden, over de werken van de Heere, de God van Israël, volgens het boek van Mozes, en de poortwachters stonden bij elke poort. 10. De Israëlieten uit de ballingschap vierden het Pascha op de veertiende dag van de eerste maand, nadat de priesters en de Levieten geheiligd waren. 11. Maar niet alle Israëlieten uit de ballingschap waren samen geheiligd; de Levieten waren wel samen geheiligd. 12. Zij slachtten het paaslam voor alle ballingen, voor hun broeders de priesters en voor zichzelf. 13. De Israëlieten uit de ballingschap aten het paaslam, allen die zich hadden afgescheiden van de gruwelen van de volken van het land en die de Heere zochten. 14. Zij vierden het feest van de ongezuurde broden zeven dagen lang, verheugd voor de Heere, 15. omdat Hij het plan van de koning van Assyrië naar hen toe gekeerd had, om hun handen te sterken bij de werken van de Heere, de God van Israël. ## 3 Ezra 8 — Ezra trekt op uit Babylonië 1. Daarna, toen Artaxerxes, de koning van de Perzen, regeerde, trok Ezra op, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Chelkia, de zoon van Sallem, 2. de zoon van Sadok, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Uria, de zoon van Bukki, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester. 3. Deze Ezra trok weg uit Babylonië als schriftgeleerde, met verstand van de wet van Mozes die door de God van Israël gegeven was. 4. De koning had hem eer gegeven, omdat hij genade bij hem vond in alles wat hij van hem vroeg. 5. Met hem trokken enkelen naar Jeruzalem op uit de Israëlieten, uit de priesters en Levieten, uit de heilige zangers en poortwachters en uit de dienaren van het heiligdom. 6. In het zevende jaar van de regering van Artaxerxes, in de vijfde maand, dat is het zevende jaar van de koning, gingen zij uit Babylonië weg, bij de nieuwe maan van de eerste maand, 7. en zij kwamen onder zijn leiding in Jeruzalem aan, na de voorspoedige reis die de Heere hun gegeven had. 8. Want Ezra had grote kennis gekregen, zodat hij niets naliet van wat bij de wet van de Heere hoorde en van de geboden, om heel Israël alle regels en oordelen te leren. 9. Daarbij kwam ook het schriftelijke bevel van koning Artaxerxes aan Ezra, de priester en leraar van de wet van de Heere. Dit is het afschrift: 10. Koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leraar van de wet van de Heere, voorspoed. 11. Omdat ik besloten heb goedertierenheid te tonen, heb ik bevolen dat zij die dat vrijwillig willen, uit het Joodse volk en uit de priesters en de Levieten in ons koninkrijk, met u mogen meereizen naar Jeruzalem. 12. Laat allen die dat willen, meetrekken, zoals het mij en mijn zeven vrienden, mijn raadsheren, goeddunkt, 13. zodat zij bekijken hoe het in Judea en Jeruzalem staat en doen wat in de wet van de Heere staat. 14. En laat zij aan de Heere van Israël de gaven brengen die ik en mijn vrienden voor Jeruzalem beloofd hebben, en al het goud en zilver dat in het land Babylonië gevonden kan worden, laat men dat terugbrengen naar de Heere in Jeruzalem, 15. samen met wat uw volk geeft voor de tempel van de Heere, hun God, in Jeruzalem. Laat men het goud en het zilver verzamelen voor stieren, rammen en lammeren en wat daarbij hoort, 16. zodat men de Heere offers brengt op het altaar van de Heere, hun God, in Jeruzalem. 17. En alles wat u en uw broeders met het goud en zilver willen doen, voer dat uit naar de wil van uw God. 18. En het heilige gerei van de Heere, dat u gegeven is voor het gebruik van de tempel van uw God, 19. dat zult u geven uit de schatkamer van de koning. 20. En ik, koning Artaxerxes, heb bevolen aan wie zijn aangesteld over de schatten van Syrië en Fenicië, 21. dat zij ijverig moeten geven wat Ezra, de priester en leraar van de wet van de allerhoogste God, hun schrijft, 22. tot honderd talenten zilver toe, en ook tot honderd maten graan, honderd vaten wijn en andere dingen in ruime mate. 23. Laat alles zorgvuldig worden uitgevoerd naar de wet van God, voor de allerhoogste God, zodat de toorn van God niet over het koninkrijk van de koning en zijn zonen komt. 24. En u wordt ook geboden dat geen priesters, Levieten, heilige zangers, poortwachters, tempeldienaars of schriftgeleerden enige belasting of andere lasten worden opgelegd, 25. en dat niemand het recht heeft hun iets op te leggen. 26. En u, Ezra, stel naar de wijsheid van God rechters en scheidslieden aan, zodat zij recht spreken in heel Syrië en Fenicië, allen die de wet van uw God kennen. En leer het aan wie haar niet kennen. 27. En allen die de wet van uw God en van de koning overtreden, zullen streng gestraft worden, hetzij met de dood, hetzij met andere lijfstraffen, met een boete of met verbanning. 28. En Ezra de schriftgeleerde zei: Geprezen zij alleen de Heere, de God van mijn voorouders, die dit in het hart van de koning gelegd heeft, zodat hij Zijn huis in Jeruzalem zou eren, 29. en die mij eer gegeven heeft bij de koning, zijn raadsheren, al zijn vrienden en zijn groten. 30. En ik vatte moed door de hulp van de Heere, mijn God, en ik verzamelde mannen uit Israël om met mij op te trekken. 31. Dit zijn de hoofden naar hun families en naar de indeling van hun leiderschap, die met mij optrokken uit Babylonië onder de regering van koning Artaxerxes: 32. uit de zonen van Pinehas: Gerson; uit de zonen van Ithamar: Gamaliël; uit de zonen van David: Lattus, de zoon van Sechenia; 33. uit de zonen van Parosch: Zacharia, en met hem staan honderdvijftig mannen ingeschreven; 34. uit de zonen van Pahat-Moab: Eljaonia, de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen; 35. uit de zonen van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen; 36. uit de zonen van Adin: Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen; 37. uit de zonen van Elam: Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de zonen van Sefatja: Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen; 38. uit de zonen van Joab: Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdtwaalf mannen; 39. uit de zonen van Bania: Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdzestig mannen; 40. uit de zonen van Babi: Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen; 41. uit de zonen van Astath: Johannes, de zoon van Aratan, en met hem honderdtien mannen; 42. uit de zonen van Adonikam, de laatsten, en dit zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de zonen van Bagenthi: de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen. 43. Ik verzamelde hen bij de rivier die Ahava heet, en wij sloegen daar drie dagen ons kamp op, en ik inspecteerde hen. 44. Omdat ik daar geen priesters en Levieten vond, 45. stuurde ik naar Eleazar, Iduël, Maja, Masma, Alnatha, Jamla, Joribon, Nathan, Ennathan, Zacharia en Mosollamon, de leiders en de geleerden. 46. Ik zei hun dat zij naar Loddeüs moesten gaan, de leider op de plek van de schatkamer, 47. en ik droeg hun op Loddo en zijn broeders en de schatbewaarders daar te vragen ons mensen te sturen die het priesterambt in het huis van onze God konden bedienen. 48. En zij brachten ons, door de sterke hand van onze Heere, enkele verstandige mannen uit de zonen van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Asebebia met zijn zonen en zijn broeders, achttien man, 49. en Asebia, Annu en zijn broer Hosea, uit de zonen van Chanun, met hun zonen, twintig man, 50. en van wie de tempel dienden, die David en de leiders gegeven hadden voor het werk van de Levieten, tweehonderdtwintig tempeldienaars. Hun namen zijn allemaal schriftelijk vastgelegd. 51. Daar riep ik een vasten uit voor de jonge mannen, voor de Heere, om Hem een goede reis te vragen voor ons en voor wie bij ons waren, onze kinderen en ons vee. 52. Want ik schaamde mij om de koning om voetvolk en ruiters te vragen en om begeleiding tegen onze tegenstanders. 53. Want wij hadden tegen de koning gezegd dat de kracht van onze Heere er is voor wie Hem in alle oprechtheid zoeken. 54. En wij baden de Heere om dit alles, en wij vonden Hem zeer genadig. 55. Ik zonderde twaalf mannen af uit de leiders van de priesters, en Eresebia en Lamia en met hen nog twaalf mannen uit hun broeders. 56. Ik woog voor hen het zilver, het goud en het heilige gerei van het huis van onze Heere af, dat de koning, zijn raadsheren, de groten en heel Israël gegeven hadden. 57. Toen ik het gewogen had, gaf ik hun zeshonderdvijftig talenten zilver, honderd talenten aan gouden voorwerpen en honderd talenten goud, 58. twintig gouden schalen en twaalf bronzen voorwerpen van fijn brons, glanzend als goud. 59. En ik zei tegen hen: Ook jullie zijn heilig voor de Heere, en het gerei is heilig, en het goud en het zilver zijn geloften aan de Heere, de Heere van onze voorouders. 60. Waak dus en bewaar ze, totdat jullie ze overdragen aan de leiders van de priesters en de Levieten en aan de hoofden van de families van Israël in Jeruzalem, in de vertrekken van het huis van onze God. 61. En deze priesters en Levieten, die dit zilver, goud en gerei in ontvangst genomen hadden om het in Jeruzalem af te leveren, brachten het in de tempel van de Heere. 62. Wij trokken weg van de rivier Ahava op de twaalfde dag van de eerste maand, totdat wij in Jeruzalem kwamen, door de sterke hand van onze Heere, die over ons was. 63. Hij heeft ons vanaf het begin van de reis van alle vijanden gered. En wij kwamen in Jeruzalem, en toen wij daar drie dagen geweest waren, werd op de vierde dag het gewogen zilver en goud afgeleverd in het huis van de Heere aan Marmoth, de zoon van de priester Uria. 64. Bij hem was Eleazar, de zoon van Pinehas, en bij hem waren Josabdos, de zoon van Jozua, en Moëth, de zoon van Laban. En de Levieten leverden alles af naar aantal en gewicht. 65. Het hele gewicht ervan werd op datzelfde uur opgeschreven. 66. En wie uit de ballingschap waren aangekomen, brachten als offer voor de Heere, de God van Israël, twaalf stieren voor heel Israël, 67. zesennegentig rammen, tweeënzeventig lammeren en twaalf bokken als dankoffer, alles als offer voor de Heere. 68. Zij gaven de bevelen van de koning door aan de rentmeesters van de koning en aan de landvoogden van Celo-Syrië en Fenicië, en die eerden het volk en de tempel van de Heere. 69. Toen dit gedaan was, kwamen de leiders bij mij en zeiden: Het volk van Israël, de leiders, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit land en van hun onreinheid, 70. van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Edomieten. 71. Want zij zijn huwelijken aangegaan met de dochters van die volken, zijzelf en hun zonen, en het heilige nageslacht is vermengd geraakt met de vreemde volken van het land. En de leiders en de groten hebben vanaf het begin van deze zaak aan deze zonde meegedaan. 72. Zodra ik dit hoorde, scheurde ik mijn kleren en mijn heilige gewaad. Ik trok de haren uit mijn hoofd en mijn baard, en ik zat vol gedachten en zeer bedroefd. 73. Allen die door het woord van de Heere, de God van Israël, aangegrepen werden, verzamelden zich bij mij terwijl ik treurde om deze misdaad, en ik zat bedroefd tot het avondoffer. 74. Toen stond ik op van het vasten, met mijn kleren en mijn heilige gewaad gescheurd. Ik knielde neer, strekte mijn handen uit naar de Heere en zei: 75. Heere, ik schaam mij en ik ben bang voor Uw gezicht. 76. Want onze zonden zijn boven ons hoofd uitgegroeid en onze misdaden reiken tot aan de hemel, al sinds de tijd van onze voorouders. 77. En wij zijn tot op deze dag in grote zonde. 78. Om onze zonden en om de zonden van onze voorouders zijn wij met onze broeders, onze koningen en onze priesters met schande overgegeven aan de koningen van de aarde, aan het zwaard, aan gevangenschap en aan plundering, tot op vandaag. 79. En nu is ons een beetje genade van de Heere geschonken, zodat wij een wortel en een naam overhouden op de plaats van Uw heiligdom, 80. en zodat Hij ons een licht laat zien in het huis van de Heere, onze God, en ons eten geeft in de tijd van onze slavernij. 81. Ja, toen wij slaven waren, zijn wij door de Heere, onze God, niet verlaten, maar Hij heeft ons genade gegeven bij de koningen van de Perzen, zodat zij ons eten gaven, 82. zodat wij de tempel van onze Heere konden eren, het verwoeste Sion konden oprichten en wij vaste grond konden krijgen in Judea en Jeruzalem. 83. En nu, Heere, wat zullen wij zeggen, nu wij dit hebben? Want wij hebben Uw geboden overtreden die U ons gegeven hebt door Uw dienaren, de profeten, toen U zei: 84. Het land dat jullie binnengaan om in bezit te nemen, is een land dat door de bezoedeling van de vreemde volken van het land bezoedeld is, want zij hebben het met hun onreinheid gevuld. 85. En nu zullen jullie je dochters niet aan hun zonen geven, en hun dochters zullen jullie niet voor je zonen nemen. 86. En jullie zullen nooit vrede met hen zoeken, zodat jullie sterk worden, het goede van het land eten en het voor altijd aan jullie kinderen nalaten. 87. Maar alles wat ons overkomt, gebeurt om onze slechte daden en onze grote zonden. 88. Want U, Heere, die onze zonden verlicht hebt en ons zo'n wortel in het land gegeven hebt: wij zijn weer teruggekeerd om Uw wet te overtreden, zodat wij ons vermengd hebben met de onreinheid van de volken van het land. 89. Zou U dan niet boos op ons zijn tot U ons uitgeroeid hebt, tot U ons geen wortel, geen nageslacht en geen naam hebt gelaten? 90. Heere van Israël, U bent waarachtig. Wij zijn vandaag als een wortel overgebleven. 91. Kijk, wij staan nu voor U in onze misdaden, want daarom kunnen wij niet langer voor U bestaan. 92. Terwijl Ezra bad, zijn zonden beleed en huilde, liggend voor de tempel op de grond, verzamelde zich bij hem een heel grote menigte uit Jeruzalem, mannen, vrouwen en jonge mensen, want het huilen onder de menigte was groot. 93. En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de Israëlieten, riep en zei: Ezra, wij hebben gezondigd tegen de Heere. Wij hebben vreemde vrouwen getrouwd uit de volken van het land. 94. En nu twijfelt heel Israël, maar laat er van ons een eed komen voor de Heere, dat wij al onze vrouwen die van vreemde afkomst zijn, met hun kinderen zullen wegsturen, 95. zoals u en allen die de wet van de Heere gehoorzaam zijn, goeddunkt. Sta op en doe het. 96. Want deze zaak komt u toe, en wij staan naast u om er kracht bij te zetten. 97. En Ezra stond op en liet de leiders van de priesters en de Levieten van heel Israël zweren dat zij zo zouden doen, en zij zwoeren. ## 3 Ezra 9 — De wet wordt voorgelezen 1. Ezra stond op van het tempelplein en ging naar de kamer van Joannan, de zoon van Eliasib. 2. Hij bleef daar en at geen brood en dronk geen water, bedroefd om de grote overtredingen van de menigte. 3. In heel Judea en Jeruzalem werd aan allen die uit de ballingschap waren, bekendgemaakt dat zij in Jeruzalem bijeen moesten komen, 4. en dat van wie binnen twee of drie dagen niet zouden komen, naar het oordeel van de oudste leiders hun vee verbeurd verklaard zou worden en dat zij zelf afgesneden zouden worden van de gemeenschap van de ballingen. 5. Allen die uit de stammen Juda en Benjamin waren, kwamen binnen drie dagen bijeen in Jeruzalem. Dat was de negende maand, op de twintigste dag van de maand. 6. Heel de menigte zat op het grote plein van de tempel, bevend van de kou vanwege de naderende winter. 7. Ezra stond op en zei tegen hen: Jullie hebben onrecht gedaan en vreemde vrouwen getrouwd, en zo schuld op Israël gelegd. 8. Maar erken het nu en geef eer aan de Heere, de God van onze voorouders, 9. en doe Zijn wil en scheid je af van de volken van dit land en van de vreemde vrouwen. 10. Toen riep heel de menigte en zei met luide stem: Wij zullen doen zoals u gezegd hebt. 11. Maar de menigte is groot en het is winter, en wij kunnen niet in de open lucht blijven staan. Dit is geen werk van een dag of twee, want wij hebben hierin veel gezondigd. 12. Laat daarom de voorgangers van de menigte blijven staan, en allen van onze inwoners die vreemde vrouwen hebben. 13. Laat zij hierheen komen en er de tijd voor nemen, met de oudsten en de rechters van elke plaats, totdat de toorn van de Heere om dit gebod van ons is weggenomen. 14. Toen namen Jonathan, de zoon van Azaël, en Hizkia, de zoon van Theokan, dit volgens deze afspraak op zich, en Mesullam, Levis en Sabbateüs waren hun mederechters. 15. En wie uit de ballingschap waren, volgden hen hierin na. 16. Ezra de priester koos voor zichzelf de voornaamste mannen van hun families uit, allen bij name. Bij de nieuwe maan van de tiende maand gingen zij zitten om deze zaken te onderzoeken. 17. Het werd afgerond, wat de mannen betreft die vreemde vrouwen hadden, bij de nieuwe maan van de eerste maand. 18. Onder de priesters werden er gevonden die vreemde vrouwen hadden genomen. 19. Uit de zonen van Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders: Nathelas, Eleazar, Joreb en Joadan. 20. Zij beloofden met handslag dat zij hun vrouwen zouden wegsturen en dat zij rammen zouden offeren ter verzoening van hun misdaden. 21. En uit de zonen van Immer: Ananias, Zabdeüs, Manes, Lameös, Hereël en Azarias. 22. En uit de zonen van Pashur: Elionaïs, Massias, Ismaël, Nathaneël, Okodel en Saloas. 23. En uit de Levieten: Josabad, Semeïs, Kovis, dat is Kalitas, Patheüs, Judas en Jonas. 24. Uit de heilige zangers: Eliaseb en Bacchurus. 25. Uit de poortwachters: Salum en Telbanes. 26. Uit de Israëlieten, uit de zonen van Parosch: Hiermas, Jezias, Melchias, Maël, Eleazar, Asebias en Baneas. 27. Uit de zonen van Ela: Mathanias, Zacharias, Jezriël, Joabdi, Jeromoth en Aidias. 28. En uit de zonen van Zamoth: Eliazim, Othonias, Jarimoth, Labath en Zeralias. 29. En uit de zonen van Bebai: Joannes, Ananias, Josabdus en Amathias. 30. En uit de zonen van Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, Jasaël en Hieremoth. 31. En uit de zonen van Addi: Naäth, Moosias, Lacrum, Naïd, Matthanias, Sesthel, Balim en Manassias. 32. En uit de zonen van Anan: Elionas, Asajas, Melchias, Sabbeüs en Simon Chosameüs. 33. En uit de zonen van Asom: Altaneüs, Matthatias, Sabbaneüs, Elifalat, Manasses en Semeï. 34. En uit de zonen van Baäni: Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, Pedias, Anos, Rabasion, Enasis, Mammitanem, Eliasis, Bannus, Eliali, Sameïs, Selemias en Nathanius. En uit de zonen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël, Samatus, Zamvre en Jozef. 35. En uit de zonen van Ethma: Mazitias, Zabada, Edaïs, Juhel en Baneas. 36. Zij allen hadden vreemde vrouwen getrouwd, en zij stuurden hen weg met hun kinderen. 37. De priesters, de Levieten en de anderen uit Israël vestigden zich in Jeruzalem en in het land, bij de nieuwe maan van de zevende maand, en de Israëlieten waren in hun woonplaatsen. 38. Heel de menigte kwam eendrachtig samen op het grote plein voor de heilige poort op het oosten. 39. Zij zeiden tegen Ezra, de priester en leraar van de wet, dat hij de wet van Mozes moest halen, die door de Heere, de God van Israël, gegeven was. 40. Ezra, de hogepriester, bracht de wet voor heel de menigte, van mannen en vrouwen, en voor alle priesters om de wet te horen, bij de nieuwe maan van de zevende maand. 41. Hij las die voor op het grote plein voor de heilige poort, van de ochtend tot de middag, waar mannen en vrouwen bij waren. En heel de menigte richtte haar aandacht op de wet. 42. Ezra, de priester en leraar van de wet, stond op een verhoogde houten katheder die daarvoor gemaakt was. 43. Bij hem stonden aan de rechterkant Matthatias, Sammus, Ananias, Azarias, Urias, Ezekias en Baälsamus, 44. en aan de linkerkant Chaldeüs, Misaël, Melchias, Haothasufus, Nabarias en Zacharias. 45. Ezra nam het boek op voor de menigte en zat luisterrijk voor het oog van allen. 46. Toen hij de wet uitlegde, gingen zij rechtop staan. En Ezra prees de Heere, de allerhoogste God, de God van de legermachten, de Almachtige. 47. En heel het volk antwoordde daarop: Amen! En zij hieven hun handen omhoog, vielen op de grond en aanbaden de Heere. 48. Jozua, Anniuth, Sarabias, Jadin, Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, Kalitas, Azarias, Jozabdus en Ananias, de Levieten, onderwezen de wet van de Heere. 49. En zij lazen de wet van de Heere voor aan de menigte, en verhieven hun stem bij het lezen. 50. En Attaratas zei tegen Ezra, de hogepriester en leraar, en tegen de Levieten die het volk onderwezen: 51. Deze dag is heilig voor de Heere. En zij huilden allemaal toen zij de wet hoorden. 52. Ga dan heen, eet het vette en drink het zoete, en stuur geschenken aan wie niets hebben. 53. Want deze dag is heilig voor de Heere. Wees niet bedroefd, want de Heere zal jullie eer geven. 54. En de Levieten droegen heel het volk op: Deze dag is heilig. Wees niet bedroefd. 55. En zij gingen allemaal weg om te eten en te drinken en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven aan wie niets hadden, en om uitbundig feest te vieren, 56. omdat zij onderwezen waren in het woord dat hun geleerd was en waarvoor zij bijeengekomen waren. ## 4 Ezra 1 — De aanklacht tegen het volk 1. Dit is het tweede boek van de profeet Ezra, de zoon van Baraja, de zoon van Azaria, de zoon van Chelkia, de zoon van Sadania, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitob, 2. de zoon van Amaria, de zoon van Hasaria, de zoon van Merasoth, de zoon van Sarchia, de zoon van Hazzi, de zoon van Bukki, de zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, 3. de zoon van Aäron, uit de stam Levi. Deze Ezra was gevangene in het land van de Meden, onder de regering van Artaxerxes, de koning van Perzië. 4. Het woord van de Heere kwam tot mij. Hij zei: 5. Ga en vertel mijn volk wat zij verkeerd gedaan hebben, en vertel hun kinderen waarin zij tegen mij zijn misgegaan, zodat zij het aan hun kleinkinderen doorvertellen. 6. Want de zonden van hun voorouders zijn in hen gegroeid. Zij zijn mij vergeten en hebben aan andere goden geofferd. 7. Heb ik hen niet uit Egypte geleid, uit het huis van de slavernij? Toch hebben zij mij boos gemaakt en mijn raad veracht. 8. Schud jij het haar van je hoofd af en werp al het kwaad op hen terug, want zij zijn mijn wet niet gehoorzaam geweest. Het is een volk dat zich niet laat terechtwijzen. 9. Hoe lang zal ik hen nog verdragen, terwijl ik zo veel goeds voor hen gedaan heb? 10. Om hen heb ik veel koningen uitgeroeid. Ik heb de farao verslagen, met zijn dienaren en heel zijn leger. 11. Ik heb alle volken voor hen uit weggevaagd. In het oosten heb ik de volken van twee gebieden verstrooid, van Tyrus en van Sidon, en al hun vijanden heb ik omgebracht. 12. Zeg jij dan tegen hen: dit zegt de Heere. 13. Ik heb jullie door de zee geleid en vanaf het begin veilige wegen voor jullie gemaakt. Mozes heb ik jullie als leider gegeven en Aäron als priester. 14. Ik heb jullie licht gegeven door een vuurkolom en grote wonderen onder jullie gedaan. Maar jullie zijn mij vergeten, zegt de Heere. 15. Dit zegt de almachtige Heere: de kwartel was voor jullie een teken. Ik gaf jullie een kamp als bescherming, en daar hebben jullie geklaagd. 16. Jullie hebben niet in mijn naam gejuicht toen jullie vijanden verslagen werden, maar tot op vandaag klagen jullie. 17. Waar is het goede gebleven dat ik voor jullie gedaan heb? Hebben jullie niet in de woestijn tot mij geroepen toen jullie honger hadden? Jullie zeiden: 18. Waarom hebt u ons naar deze woestijn gebracht om ons te doden? Het was beter geweest de Egyptenaren te dienen dan in deze woestijn te sterven. 19. Toen had ik medelijden met jullie klagen en gaf ik jullie manna te eten. Jullie hebben brood van engelen gegeten. 20. Heb ik niet de rots opengehakt toen jullie dorst hadden, zodat er water uit stroomde tot jullie genoeg hadden? Tegen de hitte heb ik jullie beschut met bladeren van bomen. 21. Ik heb vruchtbaar land onder jullie verdeeld. De Kanaänieten, de Ferezieten en de Filistijnen heb ik voor jullie uit verdreven. Wat zou ik nog meer kunnen doen? zegt de Heere. 22. Dit zegt de almachtige Heere: toen jullie in de woestijn waren, bij de rivier van de Amorieten, en dorst hadden en mijn naam vervloekten, 23. heb ik jullie geen vuur gestuurd om die vloek, maar ik legde hout in het water, zodat het water zoet werd. 24. Wat zal ik met je doen, Jakob? Je hebt niet willen luisteren, Juda. Ik zal mij tot andere volken keren en hun mijn naam geven, zodat zij mijn regels houden. 25. Omdat jullie mij verlaten hebben, zal ik jullie ook verlaten. Als jullie genade van mij vragen, zal ik jullie niet genadig zijn. 26. Als jullie mij aanroepen, zal ik niet luisteren, want jullie handen zitten onder het bloed en jullie voeten rennen om te moorden. 27. Jullie hebben niet mij verlaten, maar jezelf, zegt de Heere. 28. Dit zegt de almachtige Heere: heb ik jullie niet gesmeekt als een vader zijn zonen, als een moeder haar dochters en als een verzorgster haar kleine kinderen, 29. dat jullie mijn volk zouden zijn en ik jullie God, dat jullie mijn kinderen zouden zijn en ik jullie vader? 30. Ik heb jullie bijeengebracht zoals een kip haar kuikens onder haar vleugels verzamelt. En nu, wat zal ik met jullie doen? Ik zal jullie van mij wegsturen. 31. Als jullie mij offers brengen, zal ik mijn gezicht van jullie afwenden, want jullie feestdagen, nieuwe manen en besnijdenissen heb ik afgewezen. 32. Ik heb mijn dienaren de profeten naar jullie gestuurd, en jullie hebben hen gegrepen en gedood en hun lichamen verscheurd. Hun bloed zal ik van jullie opeisen, zegt de Heere. 33. Dit zegt de almachtige Heere: jullie huis is verlaten. Ik zal jullie wegblazen zoals de wind het kaf. 34. Jullie kinderen zullen geen nakomelingen krijgen, want zij hebben mijn gebod niet geteld en gedaan wat kwaad is in mijn ogen. 35. Ik zal jullie huizen geven aan een volk dat nog komen moet. Wie mij niet gehoord hebben, zullen geloven, en wie ik geen tekenen getoond heb, zullen doen wat ik bevolen heb. 36. Zij hebben geen profeten gezien, en toch zullen zij hun zonden erkennen. 37. Ik roep de genade op van het volk dat komt. Hun kleine kinderen springen van blijdschap. Zij zien mij niet met hun ogen, maar in hun geest geloven zij wat ik gezegd heb. 38. En nu, broeder, kijk naar deze heerlijkheid, en zie het volk dat uit het oosten aankomt. 39. Aan hen zal ik als leiders geven: Abraham, Izaäk en Jakob, en Hosea, Amos, Micha, Joël, Obadja en Jona, 40. en Nahum, Habakuk, Zefanja, Haggai, Zacharia en Maleachi, die ook de engel van de Heere genoemd wordt. ## 4 Ezra 2 — De moeder en haar kinderen 1. Dit zegt de Heere: ik heb dit volk uit de slavernij geleid. Ik heb hun bevelen gegeven door mijn dienaren de profeten, maar zij hebben niet willen luisteren en mijn raad tenietgedaan. 2. De moeder die hen gebaard heeft, zegt tegen hen: Ga weg, kinderen, want ik ben een weduwe en in de steek gelaten. 3. Met vreugde heb ik jullie grootgebracht, en met rouw en verdriet ben ik jullie kwijtgeraakt. Want jullie hebben gezondigd voor de Heere, jullie God, en gedaan wat kwaad is in Zijn ogen. 4. En nu, wat zal ik met jullie doen? Ik ben een weduwe en in de steek gelaten. Ga weg, kinderen, en vraag de Heere om ontferming. 5. En U, Vader, roep ik als getuige aan tegen de moeder van deze kinderen, omdat zij mijn verbond niet hebben willen houden. 6. Breng hen te schande en geef hun moeder prijs aan de rovers, zodat er geen nakomelingen meer van hen komen. 7. Laat hun namen verstrooid worden onder de volken. Laat hen van de aarde verdwijnen, want zij hebben mijn eed veracht. 8. Wee jou, Assur, die de schuldigen bij je verbergt. Slecht volk, denk aan wat ik met Sodom en Gomorra gedaan heb. 9. Hun land ligt vol pekklonten en ashopen. Zo zal ik doen met wie niet naar mij geluisterd hebben, zegt de Heere, de Almachtige. 10. Dit zegt de Heere tegen Ezra: vertel mijn volk dat ik hun het koninkrijk Jeruzalem zal geven, dat ik aan Israël zou geven. 11. En ik zal hun heerlijkheid naar mij toe nemen en hun de eeuwige tenten geven die ik voor de anderen klaargemaakt had. 12. De boom van het leven zal voor hen een geurige zalf zijn. Zij zullen niet zwoegen en niet moe worden. 13. Ga, dan zullen jullie het ontvangen. Bid dat het nog maar weinig dagen duurt. Het koninkrijk is nu voor jullie klaar. Blijf wakker. 14. Roep hemel en aarde als getuige. Want het kwade heb ik gebroken en het goede heb ik gemaakt. Zo waar ik leef, zegt de Heere. 15. Moeder, sla je armen om je kinderen heen. Voed hen op met blijdschap als een duif. Zet hun voeten vast, want ik heb je uitgekozen, zegt de Heere. 16. En ik zal de doden opwekken uit hun plaatsen en hen uit de graven tevoorschijn halen, want ik heb mijn naam bekendgemaakt in Israël. 17. Wees niet bang, moeder van deze kinderen, want ik heb je uitgekozen, zegt de Heere. 18. Ik zal mijn dienaren Jesaja en Jeremia naar je toe sturen om je te helpen. Op hun raad heb ik voor jou twaalf bomen geheiligd en klaargemaakt, geladen met allerlei vruchten, 19. en evenveel bronnen die melk en honing laten stromen, en zeven grote bergen met rozen en lelies, waarmee ik je kinderen met blijdschap zal vervullen. 20. Doe recht aan de weduwen. Geef de wezen hun recht. Geef aan wie arm zijn. Bescherm wie in de steek gelaten zijn. Kleed wie naakt zijn. 21. Genees wie gewond of ziek zijn. Lach wie kreupel is niet uit. Bescherm wie verlamd is. En laat wie blind is komen om mijn helderheid te zien. 22. Houd oud en jong veilig binnen je muren. 23. Waar je doden vindt, geef ze een teken en begraaf ze. Dan zal ik je de eerste plaats geven bij mijn opstanding. 24. Wees stil en houd op, mijn volk, want je rust komt eraan. 25. Goede verzorgster, breng je kinderen groot en maak hun voeten sterk. 26. Van de dienaren die ik je gegeven heb, zal er niet één omkomen, want ik zal hen van jou opeisen. 27. Maak je geen zorgen. Want als de dag van angst en nood komt, zullen anderen huilen en verdrietig zijn, maar jij zult blij zijn en overvloed hebben. 28. De volken zullen jaloers zijn, maar zij zullen niets tegen je kunnen beginnen, zegt de Heere. 29. Mijn handen zullen je bedekken, zodat je kinderen het dodenrijk niet zien. 30. Wees blij, moeder, met je kinderen, want ik zal je redden, zegt de Heere. 31. Denk aan je kinderen die slapen, want ik zal hen uit de diepten van de aarde tevoorschijn halen en ik zal hun ontferming bewijzen, omdat ik barmhartig ben, zegt de Heere, de Almachtige. 32. Sla je armen om je kinderen heen totdat ik kom en hun ontferming bewijs, want mijn bronnen stromen over en mijn genade zal niet ophouden. 33. Ik, Ezra, heb van de Heere op de berg Horeb bevel gekregen om naar Israël te gaan. Maar toen ik bij hen kwam, wezen zij mij af en verwierpen zij het bevel van de Heere. 34. Daarom zeg ik tegen jullie, volken, die dit horen en begrijpen: Verwacht jullie Herder. Hij zal jullie eeuwige rust geven, want Hij is dichtbij, Hij die aan het einde van de wereld zal komen. 35. Wees klaar voor de beloning van het koninkrijk, want een licht dat nooit uitgaat zal over jullie schijnen, voor altijd. 36. Vlucht weg uit de schaduw van deze wereld. Neem de vreugde van jullie heerlijkheid aan. Ik zeg dit openlijk, voor mijn Redder. 37. Neem de gave aan die jullie wordt aangeboden en wees blij. Dank Hem die jullie tot het hemelse koninkrijk geroepen heeft. 38. Sta op en kijk naar het aantal van wie getekend zijn voor de maaltijd van de Heere. 39. Wie uit de schaduw van deze wereld zijn overgegaan, hebben prachtige kleren van de Heere gekregen. 40. Sion, neem je aantal op en sluit in je muren wie in het wit gekleed zijn, die de wet van de Heere hebben volbracht. 41. Het aantal van je kinderen naar wie je verlangd hebt, is vol. Vraag de majesteit van de Heere of jouw volk geheiligd wordt, het volk dat vanaf het begin geroepen is. 42. Ik, Ezra, zag op de berg Sion een grote menigte die ik niet kon tellen, en zij prezen allemaal de Heere met liederen. 43. In hun midden stond een jongeman, groter dan zij allen. Hij zette ieder van hen een kroon op het hoofd, en hij stak steeds verder boven hen uit. Ik was daar heel verwonderd over. 44. Toen vroeg ik de engel: Wie zijn deze mensen, heer? 45. Hij antwoordde mij: Dit zijn zij die het sterfelijke kleed hebben uitgedaan en het onsterfelijke hebben aangetrokken. Zij hebben de naam van God beleden. Nu worden zij gekroond en krijgen zij palmtakken. 46. En ik zei tegen de engel: Wie is de jongeman die hun de kronen opzet en hun palmtakken in de handen geeft? 47. Hij antwoordde mij: Het is de Zoon van God, die zij in de wereld beleden hebben. Toen begon ik hen hoog te prijzen, omdat zij zo moedig voor de naam van de Heere gestaan hadden. 48. Toen zei de engel tegen mij: Ga en vertel mijn volk wat voor grote wonderen van God je gezien hebt. ## 4 Ezra 3 — Doet Babel het dan beter dan Sion? 1. In het dertigste jaar na de ondergang van de stad was ik in Babel. Ik lag op mijn bed, vol zorgen, en de gedachten kwamen in mijn hart op. 2. Want ik zag hoe Sion verwoest was en hoe rijk zij waren die in Babel woonden. 3. Mijn geest raakte hevig in beweging, en ik begon met angst tot de Allerhoogste te spreken. Ik zei: 4. Heere, U die alles regeert, U hebt vanaf het begin gesproken, toen U de aarde grondvestte, U alleen, en U hebt het volk geboden gegeven. 5. U hebt Adam een lichaam gegeven dat geen leven had. Ook dat was het werk van Uw handen. U hebt hem de adem van het leven ingeblazen, en hij werd levend voor U. 6. U hebt hem in het paradijs gezet, dat Uw rechterhand gemaakt had voordat hij uit de aarde tevoorschijn kwam. 7. U hebt hem bevolen Uw weg lief te hebben, maar hij heeft die overtreden. En U hebt de dood over hem en over zijn nakomelingen laten komen. Daaruit zijn volken voortgekomen, en stammen en families en geslachten, te veel om te tellen. 8. Ieder volk leefde naar zijn eigen zin, deed vreemde dingen voor Uw ogen en verachtte Uw geboden. 9. Daarom liet U op zijn tijd de vloed komen over wie de wereld bewoonden, en U liet hen omkomen. 10. Zoals de dood over Adam kwam, zo kwam de vloed over ieder van hen. 11. Maar één van hen liet U overblijven: Noach, met zijn gezin. Uit hem komen alle rechtvaardigen voort. 12. En toen wie op aarde woonden weer talrijk werden en veel kinderen kregen en tot veel volken en naties uitgroeiden, werden zij nog goddelozer dan de eersten. 13. En toen zij onrecht deden voor Uw ogen, koos U uit hen één man uit, Abraham. 14. Hem hebt U liefgehad, en aan hem alleen hebt U Uw wil bekendgemaakt. 15. U hebt met hem een eeuwig verbond gesloten en hem gezegd dat U zijn nakomelingen nooit zou verlaten. Aan hem hebt U Izaäk gegeven, en aan Izaäk hebt U Jakob en Ezau gegeven. 16. Jakob hebt U uitgekozen, maar Ezau hebt U van U afgezonderd. En Jakob werd een grote menigte. 17. En toen U zijn nakomelingen uit Egypte leidde, bracht U hen bij de berg Sinaï. 18. Daar boog U de hemel, schudde U de aarde, bewoog U de aardbodem, liet U de diepte beven en bracht U de wereld aan het schrikken. 19. Uw heerlijkheid ging door vier poorten: door het vuur, de aardbeving, de wind en de vorst, om aan de nakomelingen van Jakob de wet te geven en aan het geslacht van Israël ijver. 20. Maar U hebt het kwade hart niet van hen weggenomen, zodat Uw wet in hen vrucht zou dragen. 21. Want de eerste Adam had een kwaad hart. Hij overtrad het gebod en werd overwonnen, en met hem allen die uit hem geboren zijn. 22. Zo bleef de zwakte in hen, en de wet bleef in het hart van het volk samen met de boosheid van de wortel. Wat goed was ging weg, en het kwade bleef. 23. Zo gingen de tijden voorbij en liepen de jaren af. Toen liet U een dienaar opstaan, David. 24. U hebt hem gezegd dat hij voor Uw naam een stad zou bouwen, en dat men U daarin wierook en offers zou brengen. 25. Dat gebeurde vele jaren lang, maar wie in die stad woonden, zondigden tegen U. 26. Zij deden in alles hetzelfde als Adam en al zijn nakomelingen, want ook zij hadden een kwaad hart. 27. En U hebt Uw stad overgegeven in de handen van Uw vijanden. 28. Doen zij die in Babel wonen het dan beter? Moet zij daarom over Sion heersen? 29. Toen ik hier gekomen ben en de goddeloosheid gezien heb, die niet te tellen is — mijn ziel heeft in dit dertigste jaar veel overtreders gezien — toen begaf mijn hart het. 30. Want ik heb gezien hoe U hen verdraagt als zij zondigen en spaart als zij goddeloos handelen, terwijl U Uw eigen volk hebt uitgeroeid en Uw vijanden hebt gespaard. En U hebt niet uitgelegd waarom. 31. Ik kan niet begrijpen hoe dit zo kan blijven. Doet Babel het dan beter dan Sion? 32. Is er een ander volk dat U kent dan Israël? Welk geslacht heeft Uw verbonden geloofd zoals Jakob? 33. En toch blijft hun loon uit en draagt hun werk geen vrucht. Want ik ben door de volken heen en weer getrokken en ik heb gezien dat zij overvloed hebben en dat zij Uw geboden niet in gedachten houden. 34. Weeg dan nu onze schuld op een weegschaal, en daartegenover die van wie in de wereld wonen. Dan zal Uw naam nergens gevonden worden dan in Israël. 35. Of wanneer hebben zij die op aarde wonen niet tegen U gezondigd? Welk volk heeft Uw geboden zo gehouden? 36. Van deze mensen zult U er met name vinden die Uw geboden gehouden hebben, maar bij de andere volken zult U ze niet vinden. ## 4 Ezra 4 — De engel Uriël antwoordt 1. Toen antwoordde mij de engel die naar mij toe gestuurd was. Zijn naam is Uriël. 2. Hij zei tegen mij: Je hart mikt veel te hoog in deze wereld, als je denkt dat je de weg van de Allerhoogste kunt begrijpen. 3. Ik zei: Ja, mijn heer. Hij antwoordde mij: Ik ben naar je toe gestuurd om je drie wegen te wijzen en je drie vergelijkingen voor te leggen. 4. Als je er mij één van kunt uitleggen, zal ik jou ook de weg tonen die je wilt zien, en zal ik je leren waar dat kwade hart vandaan komt. 5. Toen zei ik: Zeg het mij, heer. En hij zei tegen mij: Ga, en weeg voor mij het gewicht van het vuur, of meet voor mij het blazen van de wind, of roep voor mij de dag terug die voorbij is. 6. Ik antwoordde: Wie is er geboren die kan doen wat u van mij vraagt? 7. Toen zei hij tegen mij: Stel dat ik je gevraagd had: hoeveel woningen zijn er in het hart van de zee? Of hoeveel bronnen zijn er in het begin van de afgrond? Of hoeveel wegen zijn er boven het hemelgewelf? Of waar zijn de uitgangen van het paradijs? 8. Dan zou je mij misschien zeggen: ik ben nooit in de afgrond afgedaald en tot nu toe niet in het dodenrijk, en ik ben nooit naar de hemel opgeklommen. 9. Maar nu heb ik je alleen gevraagd naar vuur, naar wind en naar de dag die je zelf hebt meegemaakt, dingen waar je niet van gescheiden kunt worden. En daarop heb je mij geen antwoord gegeven. 10. En hij zei tegen mij: Je kunt de dingen die van jezelf zijn en die met je opgegroeid zijn al niet doorgronden. 11. Hoe zou je dan de weg van de Allerhoogste kunnen bevatten? En als de wereld van buiten al bedorven is, hoe zou jij dan het bederf begrijpen dat voor mijn ogen open ligt? 12. Ik zei tegen hem: Het was beter geweest dat wij er niet waren dan dat wij nu leven in goddeloosheid en lijden zonder te begrijpen waarom. 13. Toen antwoordde hij mij: Ik kwam eens in een bos met bomen in het veld, en die maakten een plan. 14. Zij zeiden: Kom, laten wij de zee de oorlog aandoen, zodat zij voor ons wijkt en wij nog meer bossen kunnen maken. 15. Ook de golven van de zee maakten een plan en zeiden: Kom, laten wij optrekken en de bossen in het veld de oorlog aandoen, zodat wij daar ook een gebied voor onszelf kunnen maken. 16. Het plan van het bos liep op niets uit, want het vuur kwam en verteerde het. 17. En zo ook het plan van de golven van de zee, want het zand hield stand en hield hen tegen. 18. Als jij nu rechter over die twee was, wie zou je gelijk geven en wie zou je veroordelen? 19. Toen antwoordde ik: Zij hebben allebei echt een zinloos plan gemaakt, want de aarde is aan het bos gegeven en de zee heeft een plaats gekregen om haar golven te dragen. 20. Hij antwoordde mij: Je hebt goed geoordeeld. Maar waarom heb je dan niet ook over jezelf zo geoordeeld? 21. Want zoals de aarde aan het bos gegeven is en de zee aan haar golven, zo kunnen ook wie op de aarde wonen alleen begrijpen wat op de aarde is, en wie in de hemel wonen wat in de hoogte van de hemel is. 22. Toen antwoordde ik: Ik vraag u, heer, geef mij het verstand om het te begrijpen. 23. Want ik heb niet willen vragen naar uw hoge dingen, maar naar de dingen die dagelijks om ons heen gebeuren: waarom Israël aan de volken is overgegeven om bespot te worden, waarom het volk waar God van houdt is overgegeven aan goddeloze geslachten, waarom de wet van onze voorouders tenietgedaan is en de geschreven rechten nergens meer te vinden zijn, 24. en waarom wij als sprinkhanen door de wereld gegaan zijn, en waarom ons leven ontzetting en angst is, en wij het niet waard zijn ontferming te krijgen. 25. Maar wat zal Hij doen met Zijn naam, die over ons is uitgeroepen? Daarnaar heb ik gevraagd. 26. Toen antwoordde hij mij: Als je veel onderzoekt, zul je je vaak verbazen, want de tijd van deze wereld gaat heel snel voorbij. 27. En hij kan niet bevatten wat in de komende tijd aan de rechtvaardigen is toegezegd, want deze tijd zit vol onrecht en zwakheid. 28. Maar waar je mij naar vraagt, wil ik je zeggen: het kwade is gezaaid, maar de vernietiging ervan is nog niet gekomen. 29. Als wat gezaaid is niet wordt omgekeerd, en de plaats niet wijkt waar het kwade gezaaid is, dan zal het goede niet komen waar het gezaaid is. 30. Want het graan van het kwade zaad is vanaf het begin in het hart van Adam gezaaid. Hoeveel goddeloosheid heeft het tot nu toe voortgebracht, en hoeveel zal het nog voortbrengen tot de oogst komt? 31. Bedenk nu bij jezelf wat een grote vrucht van goddeloosheid het graan van dat kwade zaad heeft voortgebracht. 32. Wanneer de aren, die niet te tellen zijn, afgesneden worden, wat een oogst zal dat dan opleveren? 33. Ik antwoordde: Hoe en wanneer zal dat gebeuren? Waarom zijn onze jaren zo weinig en zo slecht? 34. Toen antwoordde hij mij: Haast je niet om boven de Allerhoogste uit te komen. Je haast je tevergeefs om boven Hem te staan, en je gaat je verre te buiten. 35. Hebben de zielen van de rechtvaardigen hier niet naar gevraagd in hun kamers? Zij zeiden: Hoe lang moet ik nog hopen? Wanneer komt de oogst van onze beloning? 36. En de aartsengel Jeremiël antwoordde hun: Wanneer het aantal van de zaden bij jullie vol is. Want Hij heeft de wereld op een weegschaal gewogen. 37. Hij heeft de tijden met een maat gemeten en de tijden met een getal geteld, en Hij beweegt of raakt het niet aan totdat de vastgestelde maat vol is. 38. Ik antwoordde: Heere, U die alles regeert, maar ook wij allen zitten vol goddeloosheid. 39. Misschien blijft de oogst van de rechtvaardigen daarom wel uit, om ons, om de zonden van wie op aarde wonen. 40. Hij antwoordde mij: Ga en vraag aan een zwangere vrouw of haar schoot het kind nog langer kan vasthouden wanneer haar negen maanden vol zijn. 41. Ik zei: Nee, dat kan zij niet, heer. En hij zei tegen mij: In het dodenrijk zijn de kamers van de zielen net zo'n schoot. 42. Want zoals iemand die bevalt haast heeft om van de weeën verlost te worden, zo heeft ook het dodenrijk haast om terug te geven wat hem toevertrouwd is. 43. Vanaf het begin wordt je dan getoond wat je graag wilt zien. 44. Ik antwoordde: Als ik genade in uw ogen gevonden heb, en als het mogelijk is en ik ertoe in staat ben, 45. laat mij dan zien of er meer moet komen dan er voorbij is, of dat er meer voorbij is dan er nog komt. 46. Wat voorbij is, dat weet ik. Maar wat komt, weet ik niet. 47. En hij zei tegen mij: Ga aan de rechterkant staan, dan zal ik het je uitleggen met een vergelijking. 48. Ik ging daar staan en keek. En zie, een gloeiende oven trok aan mij voorbij. Toen de vlam voorbij was, zag ik dat de rook overbleef. 49. Daarna trok een wolk vol water aan mij voorbij en liet met geweld veel regen vallen. Toen de stortbui voorbij was, bleven de druppels erin over. 50. En hij zei tegen mij: Bedenk bij jezelf: zoals de regen meer is dan de druppels en het vuur meer dan de rook, zo is de maat die voorbij is groter. Maar de druppels en de rook zijn nog over. 51. Ik vroeg het hem en zei: Denkt u dat ik tot die dagen zal leven? En wat zal er in die dagen gebeuren? 52. Toen antwoordde hij mij: Over de tekenen waar je naar vraagt, kan ik je voor een deel iets zeggen. Maar over je leven ben ik niet gestuurd om je iets te zeggen, want ik weet het ook zelf niet. ## 4 Ezra 5 — De tekenen en de vragen van Ezra 1. Over de tekenen dan. Er komen dagen waarop wie op aarde wonen, gegrepen zullen worden door grote rijkdom. De weg van de waarheid zal verborgen zijn en het land zal zonder trouw zijn. 2. Het onrecht zal groter worden dan wat je nu zelf ziet en dan wat je vroeger gehoord hebt. 3. En wanneer er een voet op gezet wordt, zul je het land dat je nu ziet heersen, verwoest zien liggen. 4. Als de Allerhoogste je laat leven, zul je na de derde bazuin zien dat de zon 's nachts plotseling schijnt en de maan drie keer per dag. 5. Bloed zal uit het hout druipen, de steen zal zijn stem laten horen en de volken zullen in beweging komen. 6. Er zal iemand heersen op wie de bewoners van de aarde niet rekenen, en de vogels zullen wegtrekken. 7. De zee van Sodom zal haar vissen uitwerpen en 's nachts een stem laten horen die velen niet kennen, maar allen zullen die stem horen. 8. De aarde zal op veel plaatsen openscheuren, het vuur zal telkens tevoorschijn komen, de wilde dieren zullen wegtrekken en vrouwen zullen misvormde kinderen baren. 9. In zoet water zal zout water gevonden worden, en alle vrienden zullen elkaar met oorlog overvallen. Dan zal de kennis verborgen zijn en het verstand zal zich in zijn kamers verstoppen. 10. Velen zullen het zoeken en niet vinden, en onrecht en losbandigheid zullen op aarde toenemen. 11. Het ene land zal het andere land dat ernaast ligt vragen: Is de gerechtigheid die rechtvaardig maakt bij u langsgekomen? En dat zal zeggen: Nee. 12. In die tijd zullen de mensen hopen en niets krijgen. Zij zullen zwoegen, maar hun wegen zullen nergens heen leiden. 13. Deze tekenen mag ik je zeggen. En als je opnieuw bidt en huilt zoals nu, en als je zeven dagen vast, zul je nog grotere dingen horen dan deze. 14. Toen schrok ik. Mijn lichaam beefde hevig en ik werd zo bang dat ik bezweek. 15. Maar de engel die gekomen was en met mij sprak, hield mij vast, sterkte mij en zette mij op mijn voeten. 16. In de tweede nacht gebeurde het dat Salathiël, de leider van het volk, bij mij kwam en tegen mij zei: 17. Waar bent u geweest, en waarom kijkt u zo verdrietig? Weet u niet dat Israël aan u is toevertrouwd in het land van zijn gevangenschap? 18. Sta dan op en eet wat. Laat ons niet in de steek, zoals een herder zijn schapen achterlaat in de macht van kwade wolven. 19. En ik zei tegen hem: Ga bij mij weg en kom niet dichterbij. Hij luisterde naar wat ik zei en ging bij mij weg. 20. Ik vastte zeven dagen, terwijl ik huilde en klaagde, zoals de engel Uriël mij bevolen had. 21. Na zeven dagen maakten de gedachten van mijn hart mij weer heel bezorgd. 22. Mijn ziel kreeg de geest van het verstand terug en ik begon weer te spreken voor de Allerhoogste. 23. Ik zei: Heere, U die alles regeert, uit alle bossen van de aarde en uit al hun bomen hebt U alleen de wijnstok uitgekozen. 24. Uit alle landen van de aardbodem hebt U één stuk grond uitgekozen, en uit alle bloemen van de aardbodem hebt U één lelie uitgekozen. 25. Uit alle diepten van de zee hebt U één beek gevuld, en uit alle steden die gebouwd zijn hebt U Sion geheiligd. 26. Uit alle vogels die geschapen zijn hebt U er één duif genoemd, en uit al het vee dat geschapen is hebt U één lammetje bestemd. 27. Uit alle volken die talrijk geworden zijn hebt U één volk verworven, en U hebt een wet gegeven die iedereen goed kent, aan dit volk waar U vreugde in had. 28. En nu, Heere, waarom hebt U dit ene volk aan velen overgegeven? Waarom hebt U boven die ene wortel andere gezet en het enige dat van U is onder velen verstrooid? 29. Zij die Uw beloften tegenspraken en Uw verbonden niet geloofden, hebben het vertrapt. 30. En als U dan al een hekel aan Uw volk had, dan had het door Uw eigen handen gestraft moeten worden. 31. Toen ik deze woorden gesproken had, werd de engel naar mij toe gestuurd die de vorige nacht bij mij gekomen was. 32. Hij zei tegen mij: Luister naar mij, dan zal ik je onderwijzen. Let op mij, dan zal ik je nog meer zeggen. 33. Toen zei ik: Spreek, mijn heer. En hij zei tegen mij: Je geest is veel te bezorgd over Israël. Houd je meer van dat volk dan Hij die het gemaakt heeft? 34. Ik zei tegen hem: Nee, heer. Maar ik heb zo uit verdriet gesproken, want mijn binnenste laat mij geen uur met rust. Ik probeer de weg van de Allerhoogste te begrijpen en een deel van Zijn oordeel te doorgronden. 35. Hij zei tegen mij: Dat kun je niet. Maar ik zei: Waarom, heer? Waarvoor ben ik dan geboren? Waarom is de schoot van mijn moeder niet mijn graf geworden, zodat ik het verdriet van Jakob niet zou zien en de moeite van het geslacht van Israël? 36. En hij zei tegen mij: Vertel mij wat er nog niet is. Verzamel voor mij de verstrooide druppels en maak de verdorde bloemen weer groen. 37. Open voor mij de kamers die gesloten zijn en haal de winden tevoorschijn die daarin opgesloten zitten. Laat mij zien hoe een stem eruitziet. Dan zal ik jou de moeite tonen waar je naar vraagt. 38. Ik zei: Heere, U die alles regeert, wie kan zulke dingen zien behalve Hij die niet bij de mensen woont? 39. Ik heb geen verstand. Hoe zou ik kunnen spreken over de dingen die U mij gevraagd hebt? 40. Toen zei hij tegen mij: Zoals jij geen van de dingen kunt doen die genoemd zijn, zo zul jij ook mijn oordeel niet vinden, en ook niet de liefde zelf die ik mijn volk beloofd heb. 41. Ik zei: Maar kijk, heer, u bent dicht bij hen die tegen het einde leven. Wat moeten zij dan doen die voor mij geweest zijn, of wij, of zij die na ons komen? 42. En hij zei tegen mij: Ik vergelijk mijn oordeel met een kring. Zoals de laatste niet te laat komt, zo komt de eerste niet te vroeg. 43. Ik antwoordde: Kon u er niet voor zorgen dat wie geweest zijn, wie er nu zijn en wie nog komen, allemaal tegelijk zouden bestaan, zodat u uw oordeel sneller kon laten zien? 44. Hij antwoordde: Het schepsel kan de Schepper niet voor zijn, en de wereld kan niet in één keer allen dragen die daarin geschapen zullen worden. 45. Toen zei ik: U hebt tegen uw dienaar gezegd dat u het schepsel dat geschapen is in één keer levend gemaakt hebt, en het schepsel verdroeg dat. Dan kan het nu toch ook in één keer de mensen van vandaag dragen? 46. En hij zei tegen mij: Vraag het aan de schoot van een vrouw en zeg tegen haar: als je baart, waarom doe je dat dan niet allemaal tegelijk? Vraag haar dan of zij er tien tegelijk geeft. 47. Ik zei: Dat kan zij niet. Zij moet het na elkaar doen, in de tijd. 48. Toen zei hij: Zo heb ik ook aan de schoot van de aarde gegeven dat wie daarop gezaaid zijn, na elkaar komen. 49. Want zoals een jong kind niet baart wat bij ouderen hoort, zo heb ik ook de geschapen wereld geordend. 50. Ik vroeg: Nu u de weg voor mij geopend hebt, mag ik iets voor u zeggen. Onze moeder waar u mij over verteld hebt, is zij nog jong, of komt zij nu op leeftijd? 51. Toen antwoordde hij mij: Vraag het aan een vrouw die baart, dan zal zij het je zeggen. 52. Want je zult tegen haar zeggen: waarom zijn de kinderen die jij gebaard hebt niet als de kinderen van vroeger, maar kleiner van gestalte? 53. En zij zal zelf tegen je zeggen: wie in de kracht van de jeugd geboren zijn, zijn anders dan wie geboren worden tegen de tijd van de ouderdom, als de schoot afneemt. 54. Begrijp dan ook zelf dat jullie kleiner van gestalte zijn dan wie voor jullie geweest zijn. 55. En wie na jullie komen, zullen kleiner zijn dan jullie, als schepselen van een wereld die nu oud begint te worden en waarvan de kracht van de jeugd voorbij is. 56. En ik zei: Ik vraag u, heer, als ik genade in uw ogen gevonden heb, laat uw dienaar dan zien door wie u uw schepping bezoekt. ## 4 Ezra 6 — Het begin en het einde 1. En hij zei tegen mij: Vanaf het moment dat de aarde begon, en voordat de grenzen van de wereld vaststonden, en voordat de winden samen bliezen, 2. voordat de donderslagen geluid gaven en voordat het licht van de bliksem scheen, en voordat de fundamenten van het paradijs vastlagen, 3. voordat de mooie bloemen te zien waren en voordat de bewegende krachten waren vastgezet, en voordat de ontelbare legers van engelen bijeen waren, 4. voordat de hoogte van de lucht was opgetild en voordat de maat van de hemel bekend was, en voordat de haarden in Sion heet waren, 5. voordat men de jaren van nu ging tellen en voordat de bedenksels van wie nu zondigen werden afgewezen, en voordat opgeschreven was wie het geloof als een schat verzameld hebben: 6. toen heb ik alles bedacht. Alles is door mij alleen gemaakt en door niemand anders. En het einde zal door mij komen en door niemand anders. 7. Ik antwoordde: Welke scheiding tussen de tijden komt er? Wanneer is het einde van de eerste tijd en het begin van de volgende? 8. Hij zei tegen mij: Van Abraham tot Izaäk, toen Jakob en Ezau uit hem geboren werden, hield de hand van Jakob vanaf het begin de hiel van Ezau vast. 9. Want het einde van deze wereldtijd is Ezau, en het begin van de komende is Jakob. 10. De hand van de mens zit tussen de hiel en de hand. Vraag hier verder niets over, Ezra. 11. Ik antwoordde: Heere, U die alles regeert, als ik genade in Uw ogen gevonden heb, 12. vraag ik U om Uw dienaar het einde van Uw tekenen te laten zien, waarvan U mij de vorige nacht een deel getoond hebt. 13. Hij antwoordde mij: Ga op je voeten staan en luister naar het volle geluid van de stem. 14. Er zal een beving komen, maar de plaats waar jij op staat zal niet bewegen. 15. Schrik dus niet wanneer hij spreekt, want het woord gaat over het einde, en daarmee wordt ook het fundament van de aarde bedoeld. 16. Wanneer daarover gesproken wordt, beeft zij en komt zij in beweging, want zij weet dat haar einde moet veranderen. 17. Toen ik dat gehoord had, ging ik op mijn voeten staan en luisterde. En zie, een stem sprak, en haar geluid klonk als het geluid van veel water. 18. Zij zei: Kijk, er komen dagen, en het zal gebeuren dat ik, wanneer ik begin te naderen, de bewoners van de aarde zal bezoeken, 19. en dat ik bij hen zal beginnen te onderzoeken wie met hun onrecht anderen onrechtvaardig hebben behandeld, en wanneer de vernedering van Sion vol zal zijn. 20. En wanneer de wereld die begint te vergaan verzegeld wordt, zal ik deze tekenen doen: de boeken zullen opengaan voor het gezicht van de hemel, en allen tegelijk zullen ze zien. 21. Kinderen van één jaar zullen met hun eigen stem spreken, en zwangere vrouwen zullen te vroeg kinderen baren, van drie en vier maanden, en die zullen leven en opstaan. 22. Ingezaaide velden zullen ineens onbezaaid lijken, en volle voorraadkamers zullen ineens leeg blijken. 23. De bazuin zal met een geluid slaan, en wanneer allen dat gehoord hebben, zullen zij schrikken. 24. In die tijd zal het gebeuren dat vrienden hun vrienden als vijanden bevechten. De aarde zal met hen meeschrikken, en de aderen van de bronnen zullen stilstaan en drie uur lang niet stromen. 25. En ieder die van dit alles overblijft, waarover ik je gesproken heb, die zal gered worden. Hij zal mijn redding zien en het einde van jullie wereld. 26. En de mensen die opgenomen zijn, die vanaf hun geboorte de dood niet geproefd hebben, zullen het zien. Het hart van de bewoners zal veranderen en een andere richting op gaan. 27. Want het kwaad zal uitgeroeid worden en het bedrog zal uitgedoofd worden. 28. Maar het geloof zal bloeien, het bederf zal overwonnen worden, en de waarheid zal tevoorschijn komen, die zo veel dagen zonder vrucht geweest is. 29. Terwijl hij met mij sprak, keek ik langzaam op naar hem voor wie ik stond. 30. En hij zei tegen mij: Ik ben gekomen om je de tijd van de komende nacht te laten zien. 31. Als je dan opnieuw bidt en opnieuw zeven dagen vast, zal ik je nog grotere dingen vertellen dan deze, op de dag dat ik ze gehoord heb. 32. Want je stem is verhoord door de Allerhoogste. De Sterke heeft gezien hoe je gezind bent en hoe zuiver je geleefd hebt vanaf je jeugd. 33. Daarom heeft Hij mij gestuurd om je dit alles te laten zien en om tegen je te zeggen: houd moed en wees niet bang. 34. Overhaast je niet om over de vorige tijden zinloze dingen te bedenken, en haast je niet om door de laatste tijden ingehaald te worden. 35. Daarna gebeurde het dat ik weer huilde en opnieuw zeven dagen vastte, om de drie weken vol te maken die mij gezegd waren. 36. In de achtste nacht raakte mijn hart weer in beroering, en ik begon te spreken voor de Allerhoogste. 37. Want mijn geest was hevig ontstoken en mijn ziel was benauwd. 38. En ik zei: Heere, U hebt in het begin van de schepping op de eerste dag gesproken. U zei: Laat hemel en aarde er zijn. En Uw woord was een volmaakt werk. 39. Toen was de geest er, en de duisternis zweefde er stil omheen, want het geluid van de menselijke stem was door U nog niet geschapen. 40. Toen hebt U gezegd dat uit Uw schatten het heldere licht tevoorschijn zou komen, zodat Uw werk zichtbaar zou worden. 41. Op de tweede dag hebt U de lucht van het hemelgewelf geschapen en haar bevolen onderscheid te maken tussen de wateren, zodat een deel omhoog zou trekken en een deel beneden zou blijven. 42. Op de derde dag hebt U de wateren bevolen zich te verzamelen op het zevende deel van de aarde. Zes delen hebt U droog gemaakt en bewaard, zodat er land zou zijn dat voor U dienst zou doen, wanneer het door God bezaaid en bebouwd zou zijn. 43. Want Uw woord ging uit, en het werk was er meteen. 44. Meteen kwam er een ontelbare hoeveelheid vruchten, met allerlei aantrekkelijke smaken, en bloemen in kleuren die niemand kan namaken, en geuren die niet na te maken zijn. Dat alles is op de derde dag gemaakt. 45. Op de vierde dag hebt U bevolen dat het schijnsel van de zon er zou zijn, het licht van de maan en de ordening van de sterren. 46. En U hebt hun bevolen de mens te dienen, die nog geschapen zou worden. 47. Op de vijfde dag hebt U tegen het zevende deel gezegd, waarin het water verzameld was, dat het dieren, vogels en vissen zou voortbrengen. En zo gebeurde het. 48. Want dat stomme water zonder ziel bracht dieren voort die God met één wenk bevolen had, zodat de volken daarin Uw wonderen zouden vertellen. 49. Toen hebt U twee dieren bestemd. Het ene noemde U Behemoth en het andere Leviathan. 50. En U hebt ze van elkaar gescheiden, want het zevende deel waar het water verzameld was, kon ze allebei niet bevatten. 51. Aan Behemoth hebt U het ene deel gegeven dat op de derde dag droog geworden was, zodat hij daar zou wonen, waar duizend bergen zijn. 52. Aan Leviathan hebt U het zevende deel van het water gegeven, en U hebt hem bewaard, zodat hij verslinden zal wie U wilt en wanneer U wilt. 53. Op de zesde dag hebt U de aarde bevolen dat zij voor U het grote en kleine vee zou voortbrengen en de dieren die kruipen. 54. En daarbij ook Adam, die U tot heer over al Uw schepselen gemaakt hebt. Uit hem komen wij allen voort, ook het volk dat U uitgekozen hebt. 55. Dit alles heb ik, Heere, voor U gezegd, omdat U de wereld om ons geschapen hebt. 56. Maar van de andere volken, die ook uit Adam geboren zijn, hebt U gezegd dat zij niets zijn. Zij zijn vergeleken met speeksel, en hun menigte hebt U vergeleken met de druppel die uit een emmer valt. 57. En nu, Heere, kijk: die volken, die als niets gelden, beginnen over ons te heersen en ons te verslinden. 58. Maar wij, Uw volk, dat U Uw eerstgeborene en Uw enige zoon genoemd hebt en waar U voor opkomt, zijn in hun handen gegeven. 59. Als de wereld dan om ons geschapen is, waarom bezitten wij dan niet een erfdeel met de wereld? Hoe lang zal dit nog duren? ## 4 Ezra 7 — De smalle ingang 1. Toen ik klaar was met deze woorden, werd de engel naar mij toe gestuurd die ook de eerste nachten naar mij toe gestuurd was. 2. Hij zei tegen mij: Sta op, Ezra, en luister naar de woorden die ik je kom zeggen. 3. Ik zei: Spreek, mijn heer. En hij zei tegen mij: De zee ligt op een diepe plaats, zodat zij diep en groot is. 4. Maar haar ingang ligt op een nauwe plaats, zodat zij op de rivieren lijkt. 5. Wie zou graag de zee in willen gaan om haar te zien en te beheersen? Als hij niet door het nauwe ging, hoe zou hij dan in de wijdte kunnen komen? 6. Nog een vergelijking. Een stad is gebouwd op een vlak veld en zit vol met allerlei goede dingen. 7. De ingang is nauw en ligt op een steilte, met vuur aan de rechterkant en diep water aan de linkerkant. 8. Daartussen ligt maar één smal pad, tussen het vuur en het water, zo smal dat er niet meer dan één mens tegelijk overheen kan. 9. Als die stad nu aan iemand als erfdeel gegeven werd en hij nooit door dat gevaar heen ging, hoe zou hij dan zijn erfdeel krijgen? 10. Ik zei: Zo is het, heer. En hij zei tegen mij: Zo is het ook met het deel van Israël. 11. Want om hen heb ik de wereld gemaakt. En toen Adam mijn regels overtrad, werd geoordeeld wat er gebeurd is. 12. De ingangen van deze wereld werden nauw en verdrietig en moeilijk, en ook weinig in aantal, en slecht, en vol gevaar, en zwaar van het werk. 13. Want de ingangen van de grote wereld waren breed en veilig en brachten de vrucht van de onsterfelijkheid voort. 14. Als zij die leven niet proberen binnen te gaan door wat hier nauw en leeg is, kunnen zij niet krijgen wat voor hen klaarligt. 15. Waarom maak jij je dan zorgen, terwijl je vergankelijk bent? En waarom ben je van streek, terwijl je sterfelijk bent? 16. En waarom heb je niet ter harte genomen wat komt, maar wat er nu is? 17. Ik antwoordde: Heere, U die alles regeert, kijk, U hebt in Uw wet vastgelegd dat de rechtvaardigen dit zullen erven en dat de goddelozen zullen omkomen. 18. Maar de rechtvaardigen verdragen het nauwe, terwijl zij op het wijde hopen. Want ook wie goddeloos geleefd hebben, hebben het nauwe verdragen, en zij zullen het wijde niet zien. 19. En hij zei tegen mij: Er is geen rechter boven God en geen verstandige boven de Allerhoogste. 20. Want velen gaan nu verloren, omdat zij de wet van God die hun is voorgehouden, laten liggen. 21. Want God heeft wie zouden komen, nadrukkelijk geboden wat zij moesten doen om te leven en wat zij moesten houden om niet gestraft te worden. 22. Maar zij zijn niet gehoorzaam geweest. Zij hebben Hem tegengesproken en voor zichzelf lege gedachten bedacht. 23. Zij hebben zichzelf het bedrog van de zonde voorgehouden en bovendien over de Allerhoogste gezegd dat Hij niet bestaat, en zij hebben Zijn wegen niet gekend. 24. Zij hebben Zijn wet veracht, Zijn beloften verloochend, Zijn rechten niet geloofd en Zijn werken niet volbracht. 25. Daarom, Ezra: het lege is voor wie leeg zijn, en het volle voor wie vol zijn. 26. Kijk, de tijd komt, en het zal gebeuren dat de tekenen komen die ik je voorzegd heb. De bruid zal verschijnen, en zij zal openlijk te zien zijn, zij die nu met aarde bedekt is. 27. En ieder die van de voorzegde rampen bevrijd is, zal mijn wonderen zien. 28. Want mijn Zoon Jezus zal verschijnen met wie bij Hem zijn, en wie overgebleven zijn zullen vierhonderd jaar lang blij zijn. 29. En na die jaren zal mijn Zoon Christus sterven, en alle mensen die adem hebben. 30. En de wereld zal zeven dagen lang terugkeren naar de oude stilte, zoals bij de vorige oordelen, zodat er niemand overblijft. 31. Na zeven dagen zal het gebeuren dat de wereld die nog niet wakker is, gewekt wordt, en dat wat bedorven is, sterft. 32. De aarde zal teruggeven wie in haar slapen, en het stof wie daarin in stilte wonen, en de kamers zullen de zielen teruggeven die aan hen zijn toevertrouwd. 33. En de Allerhoogste zal verschijnen op de rechterstoel. De ellende zal voorbijgaan en wie geduldig geweest zijn, zullen bijeengebracht worden. 34. Het recht zal voor allen overblijven, de waarheid zal standhouden en het geloof zal sterk worden. 35. Het werk zal hen volgen en het loon zal getoond worden. De gerechtigheid zal wakker worden en het onrecht zal niet heersen. 36. En ik zei: Abraham heeft eerst voor de mensen van Sodom gebeden, en Mozes voor de voorouders die in de woestijn gezondigd hebben. 37. En wie na hem kwamen, baden voor Israël, in de tijd van Achan en Samuël. 38. David bad bij die grote slachting, en Salomo voor wie kwamen om geheiligd te worden. 39. Elia bad voor wie de regen kregen, en voor de jongen die dood was, dat hij zou leven. 40. En Hizkia bad voor het volk in de tijd van Sanherib, en nog veel anderen baden voor velen. 41. Als nu, terwijl het bederf is toegenomen en het onrecht groter geworden is, ook de rechtvaardigen voor de goddelozen bidden, waarom zal het dan nu niet zo gaan? 42. Hij antwoordde mij: Deze wereldtijd is niet het einde. Er blijft nog veel heerlijkheid in deze tijd. Daarom hebben zij voor de zwakken gebeden. 43. Maar de dag van het oordeel zal het einde zijn van deze tijd en het begin van de tijd van de onsterfelijkheid die komt, waarin het bederf voorbij zal zijn. 44. De losbandigheid is losgemaakt en het ongeloof is afgesneden, maar de gerechtigheid is toegenomen en de waarheid is opgestaan. 45. Want dan zal niemand meer kunnen redden wie verloren is, en niemand meer neerhalen wie overwonnen heeft. 46. Toen antwoordde ik: Dit is mijn eerste en mijn laatste woord. Het was beter geweest als Adam de aarde niet gekregen had, of, als Hij hem die toch gaf, hem te beletten dat hij zondigde. 47. Want wat heeft een mens eraan om nu in verdriet te leven en, als hij dood is, de straf te verwachten? 48. Adam, wat heb je gedaan? Want toen jij zondigde, was de val niet alleen van jou, maar ook van ons, die uit jou zijn voortgekomen. 49. Want wat hebben wij eraan dat ons een onsterfelijke tijd is toegezegd, terwijl wij dodelijke dingen gedaan hebben? 50. En dat ons een eeuwige hoop is voorzegd, terwijl wij slecht en leeg geworden zijn? 51. En dat er voor ons woningen van gezondheid en veiligheid klaarliggen, terwijl wij slecht geleefd hebben? 52. En dat de eer van de Allerhoogste bewaard wordt om hen te beschermen die geduldig geleefd hebben, terwijl wij de slechtste wegen gegaan zijn? 53. En dat het paradijs getoond wordt, waarvan de vrucht niet vergaat en waarin veiligheid en genezing zijn, terwijl wij daar niet binnengaan? 54. Want wij hebben op onaangename plaatsen gelopen. 55. En dat de gezichten van wie zich beheerst hebben, feller zullen stralen dan de sterren, terwijl onze gezichten zwarter zullen zijn dan de duisternis? 56. Want toen wij leefden en onrecht deden, hebben wij er niet aan gedacht dat wij na de dood zouden gaan lijden. 57. Hij antwoordde: Dit is de opzet van de strijd die ieder mens die op aarde geboren wordt, moet strijden. 58. Als hij verliest, zal hij lijden wat jij gezegd hebt. Maar als hij wint, zal hij krijgen wat ik zeg. 59. Want dit is het leven waarover Mozes tegen het volk sprak toen hij leefde. Hij zei: Kies het leven, zodat je leeft. 60. Maar zij hebben hem niet geloofd, en ook de profeten na hem niet, en zelfs mij niet, die tegen hen gezegd heeft 61. dat het verdriet er niet zou zijn om hen te gronde te richten, zoals de blijdschap zal komen over wie zeker zijn van de redding. 62. Ik antwoordde: Ik weet, heer, dat de Allerhoogste daarom barmhartig genoemd wordt, omdat Hij zich ontfermt over wie nog niet in de wereld gekomen zijn, 63. en omdat Hij zich ontfermt over wie zich naar Zijn wet bekeren, 64. en omdat Hij geduldig is. Want Hij is geduldig met wie gezondigd hebben, omdat zij Zijn schepselen zijn. 65. En Hij is goed, want Hij wil geven wat nodig is. 66. En Hij is vol ontferming, want Hij bewijst veel ontferming aan wie er nu zijn, aan wie er geweest zijn en aan wie nog komen. 67. Want als Hij Zijn grote ontferming niet zou bewijzen, zou de wereld niet levend gemaakt worden, met wie daarin zullen erven. 68. En Hij vergeeft. Want als Hij niet naar Zijn goedheid vergaf, zodat wie onrecht gedaan hebben van hun onrecht verlicht worden, zou nog niet het tienduizendste deel van de mensen levend gemaakt worden. 69. En als de Rechter niet zou vergeven aan wie door Zijn woord genezen zijn, en de massa aanklachten niet zou uitwissen, 70. dan zouden er van een ontelbare menigte misschien maar heel weinigen overblijven. ## 4 Ezra 8 — Het gebed om ontferming 1. Hij antwoordde mij: De Allerhoogste heeft deze wereld gemaakt voor velen, maar de komende wereld voor weinigen. 2. Maar, Ezra, ik zal je een vergelijking geven. Het is alsof je het de aarde vroeg, en zij je zou zeggen dat zij heel veel aarde geeft waarvan je een aarden pot kunt maken, maar maar weinig stof waarvan goud gemaakt wordt. Zo staat het ook met de wereld van nu. 3. Er zijn er wel veel geschapen, maar weinigen worden gered. 4. Ik antwoordde: Nu dan, mijn ziel, verslind het inzicht en slik het verstand door. 5. Want je hebt toegestemd te luisteren en je wilt profeteren, en je hebt niet meer tijd gekregen dan alleen dit leven. 6. Heere, als U Uw dienaar niet toestaat dat wij voor Uw gezicht bidden, en als U ons geen zaad in het hart geeft en geen opbouw in ons denken waaruit vrucht kan komen, hoe zal dan ieder die bedorven is kunnen leven, die de plaats van een mens inneemt? 7. Want U bent alleen, en wij zijn maar een schepping van Uw handen, zoals U gezegd hebt. 8. En zoals het lichaam in de moederschoot gevormd wordt en U het zijn ledematen geeft, zo wordt Uw schepsel als in vuur en water bewaard, en het werk dat U gemaakt hebt draagt negen maanden lang Uw schepsel dat daarin gevormd is. 9. Wat bewaart en wat bewaard wordt, worden allebei samen bewaard. En wanneer de tijd er is, geeft de schoot terug wat daarin gegroeid is. 10. Want U hebt ook de ledematen zelf bevolen, de borsten, om melk te geven aan wat aan de borst ligt, 11. zodat wat geschapen is een tijd lang gevoed wordt, en U het daarna aan Uw ontferming toevertrouwt. 12. U brengt hem groot door Uw gerechtigheid, U onderwijst hem in Uw wet en U voedt hem op met Uw wijsheid. 13. U laat hem sterven als Uw schepsel en U maakt hem levend als Uw werk. 14. Als U dan wie met zo veel moeite is voortgebracht te gronde richt, dan is het met Uw bevel toch makkelijk te regelen dat bewaard blijft wat gemaakt is. 15. En nu, Heere, van alle mensen weet U het het best. Maar ik zal vooral spreken over Uw volk, waar ik verdriet om heb, 16. en over Uw erfdeel, waar ik om rouw, en over Israël, waar ik pijn om lijd, en over Jakob, waar ik bedroefd om ben. 17. Daarom zal ik voor Uw gezicht beginnen te bidden voor mijzelf en voor hen, want ik zie de overtredingen van ons die op aarde wonen. 18. Maar ik heb gehoord hoe snel de Rechter komt die op komst is. 19. Luister daarom naar mijn stem en begrijp mijn woorden, dan zal ik voor U spreken. 20. Dit is het begin van de woorden van Ezra, voordat hij werd opgenomen. En ik zei: Heere, U die de eeuwigheid bewoont, van wie de ogen hoog verheven zijn en op de lucht neerkijken, 21. van wie de troon niet te meten is en de heerlijkheid niet te begrijpen, voor wie het leger van de engelen bevend staat, 22. van wie de aandacht zich keert met wind en vuur, van wie het woord waar is en de uitspraken vast, 23. van wie het bevel sterk is en de ordening ontzagwekkend, van wie de blik de afgronden opdroogt en van wie de toorn de bergen laat verdwijnen, zoals de waarheid getuigt: 24. verhoor het gebed van Uw dienaar en luister met Uw oren naar de smeekbede van Uw maaksel. 25. Want zolang ik leef zal ik spreken, en zolang ik verstand heb zal ik antwoorden. 26. Kijk niet naar de misdaden van Uw volk, maar naar wie U in waarheid dienen. 27. Let niet op de goddeloosheid van de volken, maar op wie Uw getuigenissen met pijn en moeite houden. 28. Denk niet aan wie vals voor U geleefd hebben, maar aan wie naar Uw wil het ontzag voor U beleden hebben. 29. Richt wie als vee geleefd hebben niet te gronde, maar kijk naar wie Uw wet prachtig onderwezen hebben. 30. Word niet boos op wie erger dan dieren beoordeeld zijn, maar heb hen lief die altijd op Uw gerechtigheid en heerlijkheid vertrouwen. 31. Want wij en onze voorouders zijn ziek van zulke gebreken. Maar U wordt barmhartig genoemd om ons, die zondaars zijn. 32. Want als U ons graag wilt ontfermen, dan zult U barmhartig genoemd worden, namelijk over ons, die geen werken van gerechtigheid hebben. 33. Want de rechtvaardigen, voor wie veel werken klaarliggen, zullen uit hun werken hun loon ontvangen. 34. Maar wat is de mens, dat U boos op hem zou worden? Of het vergankelijke geslacht, dat U daar zo verbitterd over zou zijn? 35. Want werkelijk, er is niemand van wie geboren zijn die niet goddeloos gehandeld heeft, en niemand van wie U belijden die geen fout gemaakt heeft. 36. Want juist daarin zullen Uw gerechtigheid en Uw goedheid bekendgemaakt worden, Heere, wanneer U zich ontfermt over wie de kern van de goede werken niet hebben. 37. Hij antwoordde mij: Sommige dingen heb je goed gezegd, en naar jouw woorden zal het ook gebeuren. 38. Want ik zal echt niet denken aan het werk van wie gezondigd hebben, vóór de dood, vóór het oordeel en vóór de ondergang. 39. Maar ik zal blij zijn over de inspanning van de rechtvaardigen, en ik zal ook denken aan hun tijd als vreemdeling, aan hun redding en aan het loon dat zij krijgen. 40. Zoals ik gezegd heb, zo is het ook. 41. Want zoals de boer veel zaad op de aarde zaait en veel planten plant, maar niet alles wat op tijd gezaaid is behouden blijft en niet alles wat geplant is wortel schiet, zo worden ook niet allen gered die in de wereld gezaaid zijn. 42. Ik antwoordde: Als ik genade gevonden heb, laat mij dan spreken. 43. Zoals het zaad van de boer verloren gaat als het niet opkomt, of als het Uw regen niet op tijd krijgt, of als het door te veel regen bederft, 44. zo gaat ook de mens verloren, die door Uw handen geschapen is en die U een evenbeeld genoemd hebt, omdat hij op U lijkt, en om wie U alles geschapen hebt, en die U gelijk gemaakt hebt aan het zaad van de boer. 45. Word niet boos op ons, maar spaar Uw volk en ontferm U over Uw erfdeel, want U ontfermt zich over Uw schepsel. 46. Hij antwoordde mij: De dingen van nu zijn voor wie er nu zijn, maar de dingen die komen voor wie dan komen. 47. Want er ontbreekt je nog veel om mijn schepsel meer lief te hebben dan ik. Maar ik ben jou en hem vaak nabij geweest, en de onrechtvaardige nooit. 48. Maar ook daarin ben jij bijzonder voor de Allerhoogste, 49. omdat je jezelf vernederd hebt zoals het je past, en jezelf niet waardig gevonden hebt om onder de rechtvaardigen groot geëerd te worden. 50. Daarom zal veel jammerlijke ellende komen over wie in de laatste tijden de wereld zullen bewonen, omdat zij in veel hoogmoed geleefd hebben. 51. Maar jij, begrijp dit voor jezelf en onderzoek de heerlijkheid van wie op jou lijken. 52. Want voor jullie is het paradijs geopend, de boom van het leven geplant, de komende tijd klaargemaakt, de overvloed voorbereid, de stad gebouwd, de rust beproefd, de goedheid volmaakt en de wijsheid voltooid. 53. De wortel van het kwaad is ver van jullie verzegeld, de zwakte en de mot zijn voor jullie verborgen, en het bederf is naar het dodenrijk gevlucht, de vergetelheid in. 54. De pijnen zijn voorbij, en de schat van de onsterfelijkheid is aan het einde getoond. 55. Vraag daarom niet verder naar het aantal van wie verloren gaan. 56. Want zij hebben hun vrijheid genomen en de Allerhoogste veracht. Zij hebben Zijn wet geminacht en Zijn wegen verlaten. 57. Bovendien hebben zij de rechtvaardigen met voeten getreden. 58. En zij hebben in hun hart gezegd dat er geen God is, terwijl zij toch weten dat zij moeten sterven. 59. Want zoals jullie zal overkomen wat eerder gezegd is, zo zal hun de dorst en de pijn overkomen die voor hen klaarliggen. Want Hij heeft niet gewild dat de mens tenietging. 60. Maar ook zij die geschapen zijn, hebben de naam bevlekt van Hem die hen gemaakt heeft, en zij zijn ondankbaar geweest tegen Hem die hun het leven klaargemaakt had. 61. En daarom komt mijn oordeel nu dichtbij. 62. Ik laat dat niet aan allen zien, maar aan jou en aan enkele anderen die op jou lijken. En ik antwoordde: 63. Kijk, Heere, nu hebt U mij laten zien hoeveel tekenen er zijn die U in de laatste dagen zult gaan doen. Maar U hebt mij niet laten zien wanneer en op welk moment. ## 4 Ezra 9 — De vrouw op het veld Ardath 1. Toen antwoordde hij mij: Meet de tijd zorgvuldig in zichzelf af. En wanneer een deel van de tekenen die voorzegd zijn voorbij is, 2. dan zul je begrijpen dat dit de tijd is waarop de Allerhoogste de wereld zal gaan bezoeken die door Hem gemaakt is. 3. En wanneer er in de wereld aardbevingen te zien zijn en onrust onder de volken, 4. dan zul je begrijpen dat de Allerhoogste hierover gesproken heeft, vanaf de dagen die vóór jou vanaf het begin geweest zijn. 5. Want zoals alles wat in de wereld gemaakt is een begin heeft, zo heeft het ook een einde, en dat einde is zichtbaar. 6. Zo hebben ook de tijden van de Allerhoogste een zichtbaar begin in wonderen en tekenen, en hun einde in daden en in tekenen. 7. En het zal gebeuren dat ieder die gered wordt en die door zijn werken kan ontkomen, en door het geloof waarmee jij geloofd hebt, 8. dat hij, zeg ik, bevrijd zal worden van de voorzegde gevaren. Hij zal mijn redding zien in mijn land en binnen mijn grenzen, want ik heb mij die geheiligd vanaf de eeuwen. 9. Dan zal er geen ontferming zijn voor wie mijn wegen misbruikt hebben, en wie ze verworpen en veracht hebben, zullen in pijn wonen. 10. Want zij hebben mij niet gekend, terwijl zij in hun leven goede dingen kregen. 11. En zij hebben een afkeer gehad van mijn wet, terwijl zij nog vrij waren, 12. en terwijl er nog plaats voor berouw voor hen open was. Zij begrepen het niet, maar verachtten het. Zij moeten het na de dood in de pijn leren kennen. 13. Maak je dus geen zorgen meer over hoe de goddelozen gestraft zullen worden, maar onderzoek hoe de rechtvaardigen gered worden en wanneer, voor wie en om wie die wereld er zal zijn. 14. Ik antwoordde: Ik heb het eerder gezegd, ik zeg het nu, en ik zal het ook hierna zeggen: 15. er gaan er meer verloren dan er gered worden, zoals de golf groter is dan de druppel. 16. Hij antwoordde mij: 17. Zoals het veld is, zo zijn ook de zaden. Zoals de bloemen zijn, zo zijn ook de kleuren. Zoals de vakman is, zo is ook het werk. Zoals de boer is, zo is ook de landbouw. Want het was de tijd van de wereld. 18. Toen ik voor wie er nu zijn de wereld klaarmaakte die nog niet geschapen was om te bewonen, sprak niemand mij tegen. 19. Want toen was iedereen gehoorzaam. Maar nu zijn de gewoonten van wie in deze wereld geschapen zijn, nadat zij gemaakt was, bedorven geraakt door een oogst die niet ophoudt en door een wet die niet te doorgronden is. 20. Ik heb naar de wereld gekeken, en zie, er was gevaar vanwege de gedachten die daarin opgekomen waren. 21. Ik heb gekeken en hen zeer gespaard. Ik heb voor mijzelf één druif van een tak bewaard, en één stek uit veel geslachten. 22. Laat die menigte dan maar verloren gaan, die zonder reden ontstaan is, en laat mijn druif en mijn stek bewaard blijven, want ik heb ze met veel werk voltooid. 23. Maar jij, als je nog zeven dagen wacht — en je zult daarin niet vasten — 24. ga dan naar een veld met bloemen waar geen huis op gebouwd is. Eet alleen van de bloemen van het veld. Proef geen vlees en drink geen wijn, maar eet alleen de bloemen. 25. En bid onophoudelijk tot de Allerhoogste, dan zal ik komen en met je spreken. 26. Ik ging, zoals hij mij gezegd had, naar het veld dat Ardath heet. Ik zat daar tussen de bloemen, ik at van het kruid van de akker, en dat eten was genoeg voor mij. 27. Na zeven dagen gebeurde het dat ik op het gras zat en dat mijn hart weer in beroering raakte zoals eerder. 28. Mijn mond ging open en ik begon te spreken voor de Allerhoogste: 29. Heere, toen U zich aan ons liet zien, bent U aan onze voorouders verschenen in de woestijn, op een onvruchtbare plaats waar niemand komt, toen zij uit Egypte trokken. En U hebt hun nadrukkelijk gezegd: 30. Israël, luister naar mij. Nakomelingen van Jakob, let op mijn woorden. 31. Want kijk, ik zaai mijn wet in jullie, en zij zal in jullie vrucht dragen, en jullie zullen daarin voor altijd geëerd worden. 32. Maar onze voorouders, die de wet ontvingen, hebben haar niet gehouden. Zij hebben Uw rechten niet bewaard, en de vrucht van de wet is niet zichtbaar geworden. Dat kon ook niet, want de wet was van U. 33. Want wie haar ontvangen hebben, zijn verloren gegaan, omdat zij niet bewaarden wat in hen gezaaid was. 34. En kijk, het is gewoonte dat wanneer de aarde het zaad ontvangen heeft, of de zee een schip, of een vat het eten en het drinken, en dat waarin gezaaid of gedaan is breekt, 35. dat dan ook meteen breekt wat gezaaid of erin gedaan of ontvangen is, en dat wat erin ontvangen is niet meer bij ons blijft. 36. Maar bij ons is het niet zo gegaan. Want wij die de wet ontvangen hebben, vergaan wel als wij zondigen, en ook ons hart dat haar ontvangen heeft. 37. Maar de wet is niet vergaan. Zij is gebleven in haar werking. 38. Terwijl ik dit in mijn hart zei, keek ik om mij heen, en ik zag rechts een vrouw. En zie, zij rouwde en huilde met luide stem. Zij was diep bedroefd in haar geest, haar kleren waren gescheurd en er lag as op haar hoofd. 39. Toen liet ik de gedachten los waar ik in zat, keerde mij naar haar toe en zei: 40. Waarom huil je? Waarom ben je bedroefd in je geest? En zij zei tegen mij: 41. Laat mij met rust, heer, zodat ik kan huilen en verder kan gaan in mijn verdriet. Want ik ben hevig van streek en diep vernederd. 42. Ik zei tegen haar: Wat is er met je gebeurd? Zeg het mij toch. 43. Zij zei tegen mij: Ik, uw dienares, was onvruchtbaar en had geen kinderen gebaard, hoewel ik dertig jaar een man had. 44. Ik heb ieder uur, iedere dag en ieder jaar, die dertig jaar lang, dag en nacht tot de Allerhoogste gebeden. 45. En na dertig jaar gebeurde het dat God mij, uw dienares, verhoord heeft. Hij heeft mijn vernedering gezien, Hij heeft op mijn angst gelet en Hij heeft mij een zoon gegeven. Wij waren heel blij met hem, ik en mijn man en al mijn buren, en wij eerden de almachtige God zeer. 46. Ik voedde hem met veel moeite op. 47. En toen hij volwassen was en de tijd gekomen was dat hij een vrouw zou nemen, heb ik een maaltijd klaargemaakt. ## 4 Ezra 10 — De vrouw blijkt Sion te zijn 1. En toen mijn zoon zijn slaapkamer binnenging, is hij neergevallen en gestorven. 2. Wij hebben alle lichten omgekeerd, en al mijn buren stonden op om mij te troosten. Ik hield mij stil tot de volgende dag, tegen de nacht. 3. En toen zij allemaal ophielden mij te troosten, zodat ik zou rusten, ben ik 's nachts opgestaan en weggevlucht, en ik ben in dit veld gekomen, zoals u ziet. 4. Ik heb besloten niet meer in de stad te komen, maar hier te blijven, en niet te eten en niet te drinken, en onophoudelijk te rouwen en te vasten tot ik sterf. 5. Toen liet ik de woorden los waar ik mee bezig was, en ik sprak boos tegen haar. Ik zei: 6. Jij dwaze vrouw, dwazer dan alle vrouwen, zie je ons verdriet niet, en wat ons overkomt? 7. Want Sion, onze moeder, is bedroefd met allerlei verdriet, vernederd met alle vernedering, en zij treurt heel diep. 8. En nu, terwijl wij allemaal rouwen en verdrietig zijn, terwijl wij allemaal bedroefd zijn, treur jij alleen om één zoon. 9. Vraag het maar aan de aarde, dan zal zij je zeggen dat zij het is die de ondergang moet betreuren van zo velen die op haar groeien. 10. Uit haar zijn vanaf het begin alle mensen geboren, en daaruit zullen ook de anderen komen. En kijk, zij lopen bijna allemaal naar de ondergang, en hun menigte wordt uitgeroeid. 11. Wie zou dan meer moeten treuren dan zij, die zo'n grote menigte verloren heeft, terwijl jij alleen om één zo verdrietig bent? 12. Als je nu tegen mij zegt: mijn verdriet is niet als dat van de aarde, want ik heb de vrucht van mijn lichaam verloren, die ik met pijn gebaard en met verdriet grootgebracht heb, 13. dan zeg ik: de aarde doet wat de aarde doet, en de menigte van nu keert naar haar terug zoals zij uit haar gekomen is. 14. Zo zeg ik je: zoals jij met pijn gebaard hebt, zo geeft de aarde ook haar vrucht, de mens, aan Hem die haar vanaf het begin gebouwd heeft. 15. Houd dan nu je verdriet voor jezelf en draag dapper het ongeluk dat je overkomen is. 16. Want als je de besluiten van God rechtvaardig noemt en Zijn raad op tijd aanneemt, zul je ook in zulke dingen geprezen worden. 17. Ga dan terug naar de stad, naar je man. 18. En zij zei tegen mij: Dat zal ik niet doen. Ik zal niet naar de stad gaan, maar hier zal ik sterven. 19. Toen sprak ik verder met haar en zei: 20. Doe niet wat je zegt, maar volg de raad die je gegeven wordt. Want wat een rampen zijn er over Sion gekomen! Laat je dan troosten over het verdriet van Jeruzalem. 21. Want je ziet dat ons heiligdom verwoest is, ons altaar gebroken en onze tempel vernield. 22. Ons snarenspel ligt terzijde, de lofzang zwijgt, onze vreugde is weg, het licht van onze kandelaar is uitgedoofd, de ark van ons verbond is meegenomen, onze heilige plaatsen zijn bevlekt, en de naam die over ons wordt uitgeroepen is bijna ontheiligd. Onze kinderen zijn bespot, onze priesters zijn verbrand, onze Levieten zijn gevangengenomen, onze jonge vrouwen zijn verkracht, onze vrouwen hebben geweld geleden, onze rechtvaardigen zijn weggerukt, onze kleine kinderen zijn omgekomen, onze jonge mannen zijn slaaf geworden en onze sterke mannen zijn zwak geworden. 23. En het ergste van alles: het zegel van Sion is van zijn heerlijkheid losgemaakt, want zij is overgegeven in de handen van wie haar haten. 24. Doe dan je grote verdriet van je af en leg je vele pijnen af, zodat de sterke God je genadig is en de Allerhoogste je rust geeft, rust van je zwoegen. 25. Terwijl ik met haar sprak, gebeurde het dat haar gezicht en haar gestalte ineens gingen stralen en dat haar blik glinsterde, zodat ik bang voor haar werd en mij afvroeg wat dit kon zijn. 26. En zie, zij liet ineens een luide stem horen, vol verschrikking, zodat de aarde beefde van de stem van de vrouw. 27. Ik keek op, en zie, de vrouw was niet meer te zien. Maar er werd een stad gebouwd, en er werd een plaats zichtbaar met grote fundamenten. Ik schrok en riep met luide stem: 28. Waar is Uriël, de engel die vanaf het begin bij mij gekomen is? Want hij heeft ervoor gezorgd dat ik door veel gedachten in deze verwarring ben geraakt, en mijn einde is ondergang geworden en mijn gebed is spot geworden. 29. Terwijl ik dit zei, kwam hij bij mij en keek mij aan. 30. Ik lag daar als een dode en mijn verstand was weg. Hij pakte mij bij mijn rechterhand, sterkte mij, zette mij op mijn benen en zei tegen mij: 31. Wat is er met je? Waarom is je verstand in de war en het gevoel van je hart? Waarom ben je zo van streek? 32. En ik zei: Omdat u mij in de steek gelaten hebt. Ik heb gedaan wat u zei en ben het veld in gegaan. En kijk, ik heb gezien, en ik zie nog steeds, wat ik niet kan navertellen. 33. En hij zei tegen mij: Sta op als een man, dan zal ik je onderwijzen. En ik zei: 34. Spreek tegen mij, mijn heer, en laat mij niet in de steek, zodat ik niet zonder reden sterf. 35. Want ik heb gezien wat ik niet wist, en ik heb gehoord wat ik niet weet. 36. Of worden mijn zinnen bedrogen en droomt mijn ziel? 37. Nu dan, ik vraag u om uw dienaar te laten zien wat deze verwarring betekent. En hij antwoordde mij: 38. Luister naar mij, dan zal ik je onderwijzen en je vertellen waar je bang voor bent. Want de Allerhoogste heeft je veel geheimen laten zien. 39. Hij heeft gezien dat jouw weg recht is, want je was onophoudelijk van streek over je volk en je treurde diep over Sion. 40. Dit is dan de betekenis van het visioen dat je kort geleden verschenen is. 41. De vrouw die je hebt zien treuren, ben je gaan troosten. 42. En nu zie je de gestalte van de vrouw niet meer, maar het leek je dat er een stad gebouwd werd. 43. En dat zij je verteld heeft over het ongeluk met haar zoon: dit is de uitleg. 44. Deze vrouw die je gezien hebt, is Sion. En zoals zij het je gezegd heeft, zul je haar nu zien als een gebouwde stad. 45. En dat zij je gezegd heeft dat zij dertig jaar onvruchtbaar geweest is, betekent dat er dertig jaar lang nog geen offer in haar gebracht was. 46. En toen Salomo na dertig jaar de stad gebouwd had en offers bracht, toen gebeurde het dat de onvruchtbare een zoon baarde. 47. En dat zij je gezegd heeft dat zij hem met veel moeite grootgebracht heeft: dat was het wonen binnen Jeruzalem. 48. En dat zij je gezegd heeft dat haar zoon stierf toen hij zijn slaapkamer binnenkwam en neerviel: dat is de val die Jeruzalem overkomen is. 49. En kijk, je hebt haar gestalte gezien, en omdat zij om haar zoon treurde, ben jij haar gaan troosten. Van deze gebeurtenissen moest dit aan jou bekend worden. 50. En nu ziet de Allerhoogste dat je van harte bedroefd bent, en omdat je met heel je hart om haar bezorgd bent, heeft Hij je de helderheid van haar heerlijkheid laten zien en de schoonheid van haar sieraad. 51. Daarom heb ik je gezegd dat je in een veld moest blijven waar geen huis gebouwd was. 52. Want ik wist dat de Allerhoogste dit aan jou zou gaan laten zien. 53. Daarom heb ik je gezegd dat je naar een veld moest komen waar geen fundament van enig gebouw lag. 54. Want op die plaats kon geen werk van een menselijk gebouw blijven staan, waar de stad van de Allerhoogste getoond zou worden. 55. Wees dus niet bang, en laat je hart niet schrikken, maar ga en kijk naar de heerlijkheid en de grootte van het gebouw, voor zover je ogen het kunnen zien. 56. En daarna zul je horen, voor zover je oren het kunnen horen. 57. Want jij bent gelukkiger dan veel anderen, en jij bent bij de Allerhoogste geroepen, zoals er maar weinigen geroepen zijn. 58. In de nacht die morgen komt, moet je hier blijven. 59. En de Allerhoogste zal je de visioenen laten zien van de hoogste dingen, die Hij zal doen voor wie in de laatste dagen op aarde wonen. 60. En ik sliep die nacht, en de volgende, zoals hij mij gezegd had. ## 4 Ezra 11 — De arend uit de zee 1. En ik zag een droom. En zie, een arend kwam op uit de zee. Hij had twaalf gevederde vleugels en drie koppen. 2. En ik zag, en zie, hij strekte zijn vleugels uit over de hele aarde, en alle winden van de hemel bliezen erop en werden samengebracht. 3. En ik zag dat uit zijn veren andere veren opkwamen, en dat die kleine, smalle veertjes werden. 4. Want zijn koppen lagen stil, en de middelste kop was groter dan de andere koppen, en hij lag met hen stil. 5. En ik zag, en zie, de arend vloog met zijn vleugels en heerste over de aarde en over allen die daarop wonen. 6. En ik zag dat alles onder de hemel aan hem onderworpen was, en niemand sprak hem tegen, geen enkel schepsel op aarde. 7. En ik zag, en zie, de arend ging op zijn klauwen staan, sprak tegen zijn veren en zei: 8. Jullie moeten niet allemaal tegelijk waken. Laat ieder op zijn plaats slapen en op zijn tijd waken. 9. De koppen moeten voor het laatst bewaard worden. 10. En ik zag, en zie, de stem kwam niet uit zijn koppen, maar uit het midden van zijn lichaam. 11. Ik telde de veren die tegenover de andere gegroeid waren, en zie, dat waren er acht. 12. En ik zag, en zie, aan de rechterkant stond een veer op, en zij heerste over de hele aarde. 13. En terwijl zij heerste, kwam haar einde, en haar plaats was niet meer te vinden. De volgende stond op en heerste, en zij hield het lang vol. 14. En terwijl zij heerste, ging het net als met de vorige. 15. En er kwam een stem tot haar. Die zei: 16. Luister, jij die zo lang de aarde vastgehouden hebt: dit kondig ik je aan, voordat je begint te verdwijnen. 17. Niemand zal het na jou zo lang volhouden als jij, zelfs niet de helft daarvan. 18. En de derde stond op en hield de macht net als de vorige, en ook zij verdween. 19. En zo ging het met alle andere: zij voerden ieder om de beurt de macht en verdwenen weer. 20. En ik zag, en zie, na verloop van tijd werden de volgende veren aan de rechterkant opgericht om zelf de macht te krijgen. Sommige van hen kregen die, maar verdwenen toch in korte tijd. 21. Want sommige van hen richtten zich wel op, maar kregen de macht niet. 22. En daarna zag ik, en zie, de twaalf veren waren niet meer te zien, en de twee veertjes ook niet. 23. Van het lichaam van de arend waren alleen nog twee koppen over, die stil lagen, en zes veertjes. 24. En ik zag, en zie, van de zes veertjes waren er twee losgeraakt. Zij bleven onder de kop die aan de rechterkant zat, maar de vier bleven op hun plaats. 25. En ik zag, en zie, die onder de vleugels zaten, wilden zich oprichten en de macht krijgen. 26. En ik zag, en zie, de ene richtte zich op, maar zij verdween meteen. 27. En de tweede verdween nog eerder dan de eerste. 28. En ik zag, en zie, de twee die nog over waren, dachten ook bij zichzelf dat zij de macht zouden krijgen. 29. En terwijl zij daaraan dachten, zie, toen werd één van de koppen die stil lagen wakker, de middelste, want die was groter dan de twee andere. 30. En ik zag dat de twee koppen zich daarmee samenvoegden. 31. En zie, deze kop draaide zich om, met wie bij hem waren, en verslond twee veren die onder de vleugels zaten en die dachten de macht te krijgen. 32. Die kop joeg de hele aarde schrik aan en heerste erover, over allen die de aarde met veel zwoegen bewonen. Hij voerde de macht op de aardbodem over alle vleugels die er geweest waren. 33. En daarna zag ik dat de middelste kop ineens verdween, net als de vleugels. 34. Maar de twee koppen waren nog over, die op dezelfde manier over de aarde heersten en over wie daarin wonen. 35. En ik zag, en zie, de kop aan de rechterkant verslond die aan de linkerkant. 36. En ik hoorde een stem die tegen mij zei: Kijk voor je uit en let goed op wat je ziet. 37. En ik zag, en zie, een leeuw, als een brullende leeuw, kwam snel uit het bos. En ik zag dat hij met een mensenstem tegen de arend sprak. Hij zei: 38. Luister, ik zal tegen je spreken, en de Allerhoogste zal tegen je zeggen: 39. Ben jij niet het dier dat overgebleven is van de vier dieren aan wie ik de macht in mijn wereld gegeven had, zodat door hen het einde van de tijden zou komen? 40. En jij, die als vierde kwam, hebt alle dieren overwonnen die voorbij zijn. Door jouw macht heb je de wereld in grote angst gehouden, en de hele aarde met ondraaglijk zwoegen, en je hebt de aardbodem bewoond met zo veel bedrog. 41. En je hebt de aarde niet naar waarheid geregeerd. 42. Want je hebt de zachtmoedigen onderdrukt en wie in rust waren pijn gedaan. Je hebt de leugen liefgehad. Je hebt de huizen afgebroken van wie vruchten voortbrachten, en je hebt de muren neergehaald van wie jou geen kwaad deden. 43. Daarom is jouw minachting tot de Allerhoogste gekomen en jouw hoogmoed tot de Sterke. 44. En de Allerhoogste heeft de hoogmoedige tijden bekeken, en zie, zij zijn ten einde, en hun slechte daden zijn vol. 45. Daarom, arend, verschijn niet meer, en ook jouw gruwelijke vleugels niet, jouw gemene veertjes niet, jouw kwade koppen niet, jouw slechte klauwen niet en jouw hele nutteloze lichaam niet, 46. zodat de hele aarde weer op adem komt en tot zichzelf komt, bevrijd van jouw geweld, en zodat zij kan hopen op het oordeel en de ontferming van Hem die haar gemaakt heeft. ## 4 Ezra 12 — De uitleg van de arend 1. Terwijl de leeuw deze woorden tegen de arend sprak, zag ik, 2. en zie, de kop die nog over was en de vier vleugels die naar hem overgegaan waren en zich opgericht hadden om te heersen, waren niet meer te zien. Hun rijk was heel klein en vol oproer. 3. En ik zag, en zie, zij kwamen niet meer tevoorschijn, en het hele lichaam van de arend stond in brand, en de aarde schrok hevig. Ik werd wakker van het grote lawaai en de grote angst, uit de verwarring van mijn zinnen, en ik zei tegen mijn geest: 4. Kijk, jij hebt mij dit aangedaan, doordat je de wegen van de Allerhoogste onderzoekt. 5. Kijk, ik ben nog moe van binnen en ik ben heel zwak in mijn geest, en er is geen kracht meer in mij, door de grote angst waarmee ik deze nacht geschrokken ben. 6. Nu dan, ik zal de Allerhoogste bidden dat Hij mij sterkt tot het einde. 7. En ik zei: Heere, U die alles regeert, als ik genade in Uw ogen gevonden heb, en als ik bij U rechtvaardig ben bevonden boven veel anderen, en als mijn gebed werkelijk voor Uw gezicht is opgestegen, 8. sterk mij dan en laat mij, Uw dienaar, de uitleg en de betekenis van dit gruwelijke visioen zien, zodat U mijn ziel helemaal kunt troosten. 9. Want U hebt mij waardig gevonden om mij het laatste van de tijden te laten zien. 10. En hij zei tegen mij: Dit is de uitleg van dit visioen. 11. De arend die je uit de zee hebt zien opkomen, is het rijk dat je broeder Daniël in een visioen gezien heeft. 12. Maar aan hem is het niet uitgelegd. Nu leg ik het aan jou uit. 13. Kijk, er komen dagen waarop er een rijk op aarde zal opstaan, en dat zal verschrikkelijker zijn dan alle rijken die er voor geweest zijn. 14. In dat rijk zullen twaalf koningen heersen, de een na de ander. 15. Want de tweede zal gaan heersen en zal het langer volhouden dan de andere twaalf. 16. Dat is de uitleg van de twaalf vleugels die je gezien hebt. 17. En wat de stem betreft die gesproken heeft en die je gehoord hebt, die niet uit zijn koppen kwam maar uit het midden van zijn lichaam: 18. dit is de uitleg. Na de tijd van dit rijk zullen er flinke twisten ontstaan, en het zal op vallen staan. Maar het zal dan niet vallen; het zal weer in zijn oude staat teruggezet worden. 19. En dat je acht onderste vleugels gezien hebt, die aan zijn vleugels vastzaten: 20. dit is de uitleg. In dit rijk zullen acht koningen opstaan, van wie de tijd kort en de jaren snel zullen zijn, en twee van hen zullen omkomen. 21. Maar wanneer het midden van de tijd nadert, zullen de vier in die tijd bewaard blijven, wanneer het einde van het rijk begint te naderen. De twee zullen tot het einde toe bewaard blijven. 22. En dat je drie koppen gezien hebt die stil lagen: 23. dit is de uitleg. Aan het einde van dit rijk zal de Allerhoogste drie rijken laten opstaan. Hij zal daarin veel dingen terugdraaien, en zij zullen over de aarde zelf heersen 24. en over wie daarop wonen, en dat met meer moeite dan allen die voor hen geweest zijn. Daarom worden zij de koppen van de arend genoemd. 25. Want zij zijn het die zijn goddeloosheid samen zullen laten uitkomen en tot het uiterste zullen doorvoeren. 26. En dat je gezien hebt dat de grootste kop niet meer te zien was: dit is de uitleg, namelijk dat een van hen op zijn bed zal sterven, maar toch met pijn. 27. En de twee die overblijven, zal het zwaard verslinden. 28. Want het zwaard van de een zal verslinden wie bij hem is, maar ten slotte zal ook hij door het zwaard vallen. 29. En dat je twee veren gezien hebt die van onder de vleugels naar de kop aan de rechterkant gingen: 30. dit is de uitleg. Dat zijn zij die de Allerhoogste tot het einde bewaard heeft. Dat is een klein rijk, en vol oproer. 31. En de leeuw die je uit het bos hebt zien ontwaken en brullen en tegen de arend spreken en hem terechtwijzen om zijn onrecht, in alle woorden die je gehoord hebt: 32. dat is de wind die de Allerhoogste tot het einde bewaard heeft tegen hen en hun goddeloosheid. Hij zal hen terechtwijzen en hun eigen verscheuring over hen brengen. 33. Want Hij zal hen levend voor het gerecht stellen, en wanneer Hij hen overtuigd heeft, zal Hij hen straffen. 34. Want Hij zal mijn overgebleven volk uit de ellende bevrijden, namelijk wie binnen mijn grenzen ontkomen zijn. Hij zal hen blij maken tot het einde en de dag van het oordeel komen, waarover ik je in het begin gesproken heb. 35. Dit is de droom die je gezien hebt, en dit zijn de uitleggingen. 36. Jij alleen bent waardig gevonden om dit geheim van de Allerhoogste te weten. 37. Schrijf daarom alles wat je gezien hebt op in een boek, en leg dat op een verborgen plaats. 38. En je moet het leren aan de verstandigen onder je volk, van wie je weet dat hun hart deze geheimen kan bevatten en bewaren. 39. Maar wacht jij hier nog zeven dagen, zodat je te zien krijgt wat de Allerhoogste je wil laten zien. 40. En zo ging hij bij mij weg. En toen het hele volk gehoord had dat de zeven dagen voorbij waren en dat ik niet naar de stad teruggekeerd was, kwamen zij allemaal bijeen, van de kleinste tot de grootste. Zij kwamen bij mij en zeiden tegen mij: 41. Wat hebben wij u misdaan? Welk onrecht hebben wij u aangedaan, dat u ons in de steek laat en op deze plaats blijft zitten? 42. Want u bent voor ons de enige die over is uit alle volken, als een druiventak van de wijngaard, als een kaars op een donkere plaats, als een haven en als een schip dat aan de storm ontkomen is. 43. Of zijn de moeilijkheden die ons overkomen nog niet genoeg? 44. Als u ons dan in de steek laat, hoeveel beter was het dan voor ons geweest dat wij mee verbrand waren in de brand van Sion? 45. Want wij zijn niet beter dan wie daar gestorven zijn. En zij huilden met luide stem. 46. Toen antwoordde ik hun: Houd moed, Israël, en wees niet bedroefd, huis van Jakob. 47. Want de Allerhoogste denkt aan jullie, en de Almachtige is jullie niet vergeten in de beproeving. 48. En ik heb jullie niet in de steek gelaten en ben niet bij jullie weggegaan, maar ik ben naar deze plaats gekomen om te bidden om de verwoesting van Sion en om ontferming te zoeken voor de vernedering van jullie heiligdom. 49. En nu, laat ieder van jullie naar huis gaan. Ik zal na die dagen naar jullie toe komen. 50. En het volk vertrok naar de stad, zoals ik hun gezegd had. 51. Maar ik bleef nog zeven dagen in het veld zitten, zoals hij mij bevolen had. Ik at alleen van de bloemen van de akker, en uit de kruiden kreeg ik in die dagen mijn eten. ## 4 Ezra 13 — De man uit de zee 1. Na zeven dagen gebeurde het dat ik 's nachts een droom droomde. 2. En zie, er stak een wind op uit de zee, die al haar golven in beweging bracht. 3. En ik zag, en zie, een man werd sterk gemaakt met de duizenden van de hemel. En waarheen hij zijn gezicht keerde om te kijken, daar schrok alles wat onder hem te zien was. 4. En waar zijn stem uit zijn mond heen ging, daar vlogen allen die het hoorden in brand, zoals de aarde stil ligt tot zij het vuur voelt. 5. En daarna zag ik, en zie, er verzamelde zich een menigte mensen die niet te tellen was, uit de vier winden van de hemel, om die man te bevechten die uit de zee opgekomen was. 6. En ik zag, en zie, hij had voor zichzelf een grote berg uitgehouwen, en hij vloog daarop. 7. En ik probeerde te zien uit welke streek of plaats de berg uitgehouwen was, maar dat lukte mij niet. 8. En daarna zag ik, en zie, allen die zich tegen hem verzameld hadden om hem te bestrijden, waren doodsbang, en toch durfden zij te vechten. 9. En zie, zodra hij het geweld van de aankomende menigte zag, hief hij zijn hand niet op. Hij had geen zwaard en geen ander wapen. Ik zag alleen dit: 10. dat hij uit zijn mond iets als een vurige wind liet gaan, en uit zijn lippen een vlammende adem, en van zijn tong liet hij vonken en onweer uitgaan. Dat alles werd samen vermengd: de vurige wind, de vlammende adem en het grote onweer. 11. Het viel met geweld over de menigte die klaarstond om te vechten, en verbrandde hen allemaal, zodat er van de ontelbare menigte al snel niets meer te zien was dan stof en scherp ruikende rook. Ik zag het en ik schrok. 12. En daarna zag ik de man zelf van de berg afkomen en een andere menigte roepen, van vredig volk. 13. Er kwamen veel mensen naar hem toe, sommigen met een blij gezicht, sommigen verdrietig, sommigen geboeid, en sommigen brachten mensen mee die geofferd zouden worden. Ik werd ziek van grote schrik, en ik werd wakker en zei: 14. U hebt vanaf het begin aan Uw dienaar deze wonderen laten zien, en U hebt mij waardig gevonden om mijn gebed aan te nemen. 15. Laat mij dan nu ook de uitleg van deze droom zien. 16. Want als ik het goed inschat: wee wie in die dagen overgebleven zijn, en nog veel meer wee wie niet overgebleven zijn. 17. Want wie niet overgebleven zijn, die waren bedroefd. 18. Nu begrijp ik wat er voor de laatste dagen klaarligt, en wat deze mensen zal overkomen, en ook wie overgebleven zijn. 19. Want daarom zijn zij in groot gevaar en veel nood gekomen, zoals deze dromen laten zien. 20. Maar toch is het beter te dragen dat je daar met gevaar in komt en nu ziet wat er op het laatst gebeuren zal, dan dat je als een wolk door de wereld gaat. En hij antwoordde mij: 21. Ik zal je ook de uitleg van dit visioen zeggen, en ik zal je duidelijk maken waar je over gesproken hebt. 22. Wat je gezegd hebt over wie overgebleven zijn: dit is de uitleg. 23. Wie in die tijd het gevaar gedragen zal hebben, zal zichzelf hier bewaard hebben. Wie in het gevaar gevallen zijn, dat zijn zij die de werken hebben en het geloof in de Almachtige. 24. Weet dan dat wie overgebleven zijn, gelukkiger zullen zijn dan wie gestorven zijn. 25. Dit is de uitleg van dit visioen. Dat je een man hebt zien opklimmen uit het midden van de zee: 26. dat is Hij die de Allerhoogste nu vele tijden bewaart, die door Zichzelf Zijn schepping zal verlossen, en die orde zal brengen onder wie overgebleven zijn. 27. En dat je uit zijn mond iets als een wind en vuur en onweer hebt zien gaan, 28. en dat hij geen zwaard en geen ander wapen had, en dat zijn geweld toch de hele menigte te gronde richtte die gekomen was om hem te bestrijden: dit is de uitleg. 29. Kijk, er komen dagen waarop de Allerhoogste zal beginnen te verlossen wie op aarde zijn. 30. En Hij zal verbijstering brengen over wie de aarde bewonen. 31. De een zal de ander willen bestrijden, de ene stad de andere, het ene volk tegen het andere en het ene rijk tegen het andere. 32. En wanneer dat gebeurt en de tekenen komen die ik je eerder getoond heb, dan zal mijn Zoon verschijnen, die jij als een man hebt zien opkomen. 33. En wanneer alle volken Zijn stem horen, zal ieder in zijn eigen land de oorlog laten varen die hij tegen een ander voerde. 34. Een ontelbare menigte zal bijeenkomen, alsof zij Hem wilden komen bestrijden. 35. Maar Hij zal op de top van de berg Sion staan. 36. En Sion zal komen. Zij zal klaar en opgebouwd aan allen getoond worden, zoals jij gezien hebt dat de berg zonder handen werd uitgehouwen. 37. En deze Zoon van mij zal de dingen terechtwijzen die de volken bedacht hebben, hun goddeloosheden, die op het onweer lijken door hun kwade gedachten, en de pijnen waarmee zij gepijnigd zullen worden, 38. die met de vlam vergeleken worden. Hij zal hen zonder moeite te gronde richten door de wet, die met vuur vergeleken wordt. 39. En dat je gezien hebt dat Hij een andere, vredige menigte bij zich verzameld heeft: 40. dat zijn de tien stammen die in de dagen van koning Hosea uit hun land gevangen zijn weggevoerd. Salmanasser, de koning van Assyrië, heeft hen gevangen weggevoerd, hen over de rivier gebracht en naar een ander land overgebracht. 41. Maar zij besloten de menigte van de volken te verlaten en naar een verder land te vertrekken, waar nog nooit mensen gewoond hadden. 42. Daar wilden zij hun regels houden, die zij in hun eigen land niet gehouden hadden. 43. Zij zijn daar dus binnengetrokken door de nauwe doorgangen van de rivier de Eufraat. 44. Want de Allerhoogste deed toen tekenen voor hen en hield de aderen van de rivier tegen, totdat zij eroverheen gegaan waren. 45. Door dat land ging een weg van anderhalf jaar reizen. Daarom wordt dat gebied Assareth genoemd. 46. Daar hebben zij gewoond tot de laatste tijd. En wanneer zij nu weer beginnen te komen, 47. zal de Allerhoogste opnieuw de aderen van de rivier tegenhouden, zodat zij eroverheen kunnen gaan. Daarom heb je die menigte vredig gezien. 48. Maar wie van jouw volk overgebleven zijn, dat zijn zij die binnen mijn grenzen gevonden worden. 49. En het zal gebeuren dat Hij, wanneer Hij de menigte gaat vernietigen die uit de volken bijeengekomen is, het volk zal beschermen dat overgebleven is. 50. En dan zal Hij hun veel wondertekenen laten zien. 51. Toen zei ik: Heere, U die alles regeert, laat mij dit toch zien: waarom heb ik gezien dat de man uit het midden van de zee opkwam? En hij zei tegen mij: 52. Zoals jij de dingen die in de diepte van de zee zijn niet kunt doorgronden of weten, zo zal niemand op aarde mijn Zoon kunnen zien, of wie bij Hem zijn, behalve op die dag. 53. Dit is de uitleg van de droom die je gezien hebt, en daarom ben jij als enige hier verlicht. 54. Want jij hebt je eigen wet verlaten en je met mijn wet beziggehouden en die gezocht. 55. Je hebt je leven ingericht met wijsheid en je hebt het verstand je moeder genoemd. 56. Daarom heb ik je de schatten laten zien die bij de Allerhoogste zijn. En na nog drie dagen zal ik je nog andere dingen zeggen, en ik zal je zware en wonderlijke zaken uitleggen. 57. Toen ging ik het veld in, terwijl ik de Allerhoogste zeer prees en eerde om de wonderen die Hij van tijd tot tijd deed, 58. en omdat Hij de tijd regeert met wat er in de tijden gebeurt. En ik zat daar drie dagen. ## 4 Ezra 14 — De vierentwintig en de zeventig boeken 1. Op de derde dag zat ik onder een eik. 2. En zie, er kwam een stem naar mij toe uit de doornstruik. Die zei: Ezra, Ezra! En ik zei: Hier ben ik, Heere. Ik ging op mijn voeten staan, en Hij zei tegen mij: 3. In de doornstruik ben ik aan Mozes verschenen en heb ik met hem gesproken, toen mijn volk slaaf was in Egypte. 4. Ik heb hem gestuurd en mijn volk uit Egypte geleid, en ik heb hem naar de berg Sinaï gebracht. Daar hield ik hem vele dagen bij mij. 5. Ik vertelde hem veel wonderen, ik liet hem de geheimen zien en het einde van de tijden, en ik gaf hem het bevel: 6. deze woorden moet je bekendmaken, en die moet je verborgen houden. 7. En nu zeg ik tegen jou: 8. de tekenen die ik je gegeven heb, en de dromen die je gezien hebt, en de uitleg die je gehoord hebt, moet je in je hart wegleggen. 9. Want je zult weggenomen worden van tussen allen, en voortaan zul je omgaan met mijn raad en met wie op jou lijken, totdat de tijden ten einde zijn. 10. Want de wereld heeft haar jeugd verloren, en de tijden komen dichtbij dat zij oud wordt. 11. Want de wereldtijd is in twaalf delen verdeeld. Tien delen zijn voorbij, en de helft van een tiende deel. 12. Maar wat na het tiende deel en die helft komt, is er nog. 13. Nu dan, regel je huis, wijs je volk terecht, troost de vernederden onder hen, en laat alle vergankelijkheid los. 14. Doe de sterfelijke gedachten weg, werp de menselijke lasten van je af, trek de zwakke natuur uit, en zet de overwegingen die je het zwaarst vallen opzij. Haast je om uit deze tijden te verhuizen. 15. Want het kwaad dat jij hebt zien gebeuren, zullen zij nog erger maken dan dit. 16. Want hoe zwakker de wereld wordt van ouderdom, hoe meer het kwaad zal toenemen onder wie haar bewonen. 17. Want de waarheid is veel verder weggegaan en de leugen is dichterbij gekomen, en nu zal al snel komen wat je in het visioen gezien hebt. 18. En ik antwoordde: Laat het U goeddunken, Heere. 19. Want kijk, ik zal gaan zoals U mij bevolen hebt, en ik zal het volk van nu terechtwijzen. Maar wie zal hen waarschuwen die hierna geboren worden? 20. Want de wereld ligt in duisternis, en wie daarin wonen zijn zonder licht. 21. Uw wet is immers verbrand, en daarom weet niemand wat U gedaan hebt en welke werken nog zullen gebeuren. 22. Als ik dan genade bij U gevonden heb, stuur dan de Heilige Geest in mij. Dan zal ik alles opschrijven wat er vanaf het begin in de wereld gebeurd is, over de dingen die in Uw wet geschreven stonden, zodat de mensen de weg kunnen vinden en zodat wie in de laatste tijden willen leven, ook kunnen leven. 23. En Hij antwoordde mij: Ga en roep het volk bijeen, en zeg tegen hen dat zij je veertig dagen lang niet zoeken. 24. Maar jij, maak veel schrijfplankjes van palmhout klaar, en neem Sareas, Dabreas, Salemias, Echanus en Asiël met je mee, deze vijf, die klaar zijn om snel te schrijven. 25. Kom dan hier, dan zal ik in je hart een licht van verstand aansteken, dat niet uitgedoofd zal worden tot alles klaar is wat je zult gaan schrijven. 26. En wanneer dat gedaan is, moet je sommige dingen bekendmaken en sommige in het geheim aan de wijzen overhandigen. Want morgen om dit uur zul je beginnen te schrijven. 27. Toen ging ik, zoals Hij mij bevolen had, en ik riep heel het volk bijeen en zei: 28. Luister, Israël, naar deze woorden. 29. Onze voorouders waren in het begin vreemdelingen in Egypte, en zij zijn daaruit bevrijd. 30. Zij hebben de wet van het leven ontvangen, die zij niet gehouden hebben, en die ook jullie na hen overtreden hebben. 31. Het land, het land Sion, is aan jullie als erfdeel gegeven. Maar jullie voorouders en jullie zelf hebben onrecht gedaan en hebben de wegen niet gehouden die de Allerhoogste bevolen had. 32. En omdat Hij een rechtvaardige rechter is, heeft Hij op zijn tijd van jullie afgenomen wat Hij gegeven had. 33. En nu zijn jullie hier, en jullie broeders zijn onder jullie. 34. Als jullie je hart gehoorzaam maken en je verstand laten onderwijzen, zullen jullie in leven blijven, en na de dood zullen jullie ontferming krijgen. 35. Want het oordeel zal na de dood komen, wanneer wij weer levend worden. Dan zullen de namen van de rechtvaardigen bekend worden en de daden van de slechten openbaar. 36. Laat dus niemand nu naar mij toe komen, en laat niemand deze veertig dagen lang naar mij vragen. 37. En ik nam de vijf mannen mee, zoals Hij mij bevolen had. Wij gingen naar het veld en bleven daar. 38. De volgende dag gebeurde het dat een stem mij riep en zei: Ezra, doe je mond open en drink wat ik je te drinken geef. 39. Toen deed ik mijn mond open, en zie, er werd mij een volle beker aangereikt. Die was vol, als met water, maar de kleur was als vuur. 40. Ik nam hem aan en dronk hem leeg. En zodra ik gedronken had, werd mijn hart vol kennis, groeide de wijsheid in mijn borst en werd mijn geest sterker in zijn geheugen. 41. Mijn mond ging open en ging niet meer dicht. 42. De Allerhoogste gaf de vijf mannen inzicht, zodat zij opschreven wat ik in mijn vervoering zei, wat zij zelf niet kenden. 43. 's Nachts aten zij, maar overdag sprak ik, en 's nachts zweeg ik niet. 44. Zo zijn er in veertig dagen tweehonderdvier boeken geschreven. 45. En toen de veertig dagen om waren, gebeurde het dat de Allerhoogste tegen mij sprak. Hij zei: Maak de eerste dingen die je geschreven hebt openbaar, en laat waardigen en onwaardigen die lezen. 46. Maar de laatste zeventig boeken moet je bewaren, om ze aan de wijzen onder het volk te geven. 47. Want daarin zit de ader van het verstand, de bron van de wijsheid en de stroom van de kennis. En ik deed dat. ## 4 Ezra 15 — Rampen over de aarde 1. Kijk, jij zult voor de oren van mijn volk de woorden van de profetie spreken die ik in je mond zal leggen, zegt de Heere. 2. Zorg dat zij op papier worden opgeschreven, want zij zijn betrouwbaar en waar. 3. Wees niet bang voor de plannen tegen jou, en maak je geen zorgen over het ongeloof van wie je tegenspreken. 4. Want alle ongelovigen zullen in hun ongeloof sterven. 5. Kijk, zegt de Heere, ik zal rampen over de aarde sturen: het zwaard, de honger, de dood en de ondergang. 6. Want het onrecht heeft de overhand gekregen over de hele aarde, en de schadelijke daden ervan zijn vol geworden. 7. Daarom zegt de Heere: 8. ik zal niet zwijgen over hun goddeloosheid, die zij roekeloos begaan, en ik zal niet verdragen wat zij onrechtvaardig doen. Kijk, het onschuldige en rechtvaardige bloed roept tot mij, en de zielen van de rechtvaardigen roepen onophoudelijk. 9. Ik zal hen zeker wreken, zegt de Heere, en ik zal al het onschuldige bloed van hen opeisen. 10. Kijk, mijn volk wordt als een kudde schapen naar de slacht geleid. Ik zal niet langer dulden dat het in Egypte woont. 11. Maar ik zal het eruit leiden met een sterke hand en een opgeheven arm. Ik zal dat land met plagen slaan zoals vroeger, en ik zal het helemaal vernietigen. 12. Egypte zal rouwen, en zijn fundamenten zullen geslagen worden met plagen en met straffen die God erover brengen zal. 13. De boeren die het land bewerken, zullen rouwen, want hun zaad zal bederven door brand en hagel en door een verschrikkelijk sterrenbeeld. 14. Wee de wereld en wie daarin wonen. 15. Want het zwaard komt dichtbij, en hun ondergang. Het ene volk zal tegen het andere opstaan om te vechten, en het zwaard zal in hun handen zijn. 16. Want er zal onrust zijn onder de mensen. De een zal de ander overweldigen. Zij zullen niet naar hun koning vragen, en de vorsten zullen hun beleid afmeten aan hun eigen geweld. 17. Want iemand zal een stad binnen willen gaan, en dat zal niet lukken. 18. Want door hun hoogmoed zullen de steden in oproer raken, de huizen zullen vernield worden en de mensen zullen bang zijn. 19. De ene mens zal geen medelijden hebben met de andere. Zij zullen hun huizen met het zwaard vernielen en hun bezittingen roven, door de honger naar brood en de vele ellende. 20. Kijk, ik roep alle koningen van de aarde bij elkaar om ontzag voor mij te hebben, zegt de Heere, die er zijn in het westen, in het zuiden, in het oosten en bij de Libanon, om zich tegen elkaar te keren en te vergelden wat zij elkaar aangedaan hebben. 21. Zoals zij tot op vandaag met mijn uitverkorenen gedaan hebben, zo zal ik met hen doen, en ik zal het hun in de schoot vergelden. Dit zegt de Heere. 22. Mijn hand zal de zondaar niet sparen, en mijn zwaard zal niet ophouden boven wie onschuldig bloed vergieten op aarde. 23. Het vuur is uitgegaan van Zijn toorn en heeft de fundamenten van de aarde verteerd, en de zondaars als aangestoken stro. 24. Wee wie zondigen en mijn geboden niet houden, zegt de Heere. 25. Ik zal hen niet sparen. Ga weg uit hun macht, kinderen, en maak mijn heiligdom niet onrein. 26. Want de Heere kent allen die tegen Hem zondigen. Daarom heeft Hij hen overgegeven aan de dood en aan de slacht. 27. Want nu zijn de rampen over de aarde gekomen, en jullie zullen erin blijven. Want God zal jullie niet redden, omdat jullie tegen Hem zondigen. 28. Kijk, een verschrikkelijk visioen, en het komt op vanaf de plaats waar de zon opgaat. 29. Er zullen volken van draken uit Arabië komen met veel wagens, en hun menigte zal als een wind over de aarde gedreven worden, zodat allen die hen horen bang zullen zijn en zullen beven. 30. De Karmaniërs razen in hun woede. Zij zullen komen als wilde zwijnen uit het bos, zij zullen met grote kracht aankomen en tegen hen ten strijde trekken, en zij zullen een deel van het land van de Assyriërs verwoesten. 31. Daarna zullen de draken de overhand krijgen, omdat zij aan hun eigen aard denken. Zij zullen zich omkeren en samenspannen om hen met grote kracht te achtervolgen. 32. Die zullen dan van streek raken en stil blijven staan voor hun kracht, en zij zullen op de vlucht slaan. 33. En iemand die uit het land van de Assyriërs op hen afkomt, zal hen insluiten en een van hun leiders neerslaan. Er zal angst en schrik in hun leger zijn, en ruzie met hun koningen. 34. Kijk, er komen wolken uit het oosten en het noorden tot in het zuiden. Zij zien er heel gruwelijk uit, vol woede en onweer. 35. Zij zullen tegen elkaar botsen en veel sterren op de aarde werpen, ook hun eigen sterren. En het bloed dat door het zwaard vergoten wordt, zal tot aan de buik komen. 36. En de mest van de mensen zal tot aan de buikriem van de kamelen komen, en er zal grote angst en beving zijn op aarde. 37. Wie de storm zien, zullen schrikken, en beving zal hen overvallen. 38. Daarna zullen er grote stortregens komen uit het zuiden en uit het noorden, en nog een ander deel uit het westen. 39. De oostenwinden zullen de overhand krijgen en de wolk openen die de storm had opgeroepen. En het sterrenbeeld dat opkwam om de oostenwind en de westenwind schrik aan te jagen, zal schade lijden. 40. Grote, sterke wolken, vol storm, zullen zich met het sterrenbeeld verheffen om de hele aarde en wie daarop wonen schrik aan te jagen. Zij zullen over alle hoge en uitstekende plaatsen een gruwelijk sterrenbeeld uitgieten: 41. vuur en hagel en vliegende zwaarden en veel water, zodat alle velden en alle beken vol water zullen staan. 42. Zij zullen de steden neerhalen, en de muren, de bergen, de heuvels, de bomen van de bossen, het gras van de velden en hun vruchten. 43. Zij zullen vastberaden doortrekken tot aan Babel en het verwoesten. 44. Zij zullen daar samen aankomen en het omsingelen. Zij zullen dat sterrenbeeld en de hele storm over haar uitgieten, en het stof en de rook zullen tot aan de hemel opstijgen, en allen die om haar heen zijn, zullen om haar rouwen. 45. En wie in haar overblijven, zullen dienen wie hun schrik hebben aangejaagd. 46. En jij, Asia, die deelt in de hoop van Babel en die de eer bent van haar gestalte: 47. wee jou, ellendige, omdat jij jezelf aan haar gelijk gemaakt hebt en je dochters hebt opgesierd voor de ontucht, zodat zij in de smaak zouden vallen en konden pronken met hun minnaars, die altijd met jou ontucht hebben willen plegen. 48. Jij hebt die gehate stad altijd willen navolgen in al haar daden en al haar bedenksels. Daarom zegt de Heere: 49. ik zal rampen over je brengen, weduwschap, armoede, honger, zwaard en pest, zodat je huizen verwoest worden door geweld en door de dood. 50. En de glans van je kracht zal verdorren als een bloem, wanneer de hitte opkomt die over je gebracht wordt. 51. Je zult verzwakken als een arm meisje dat geslagen en gestraft is door de vrouwen, zodat de machtigen en de minnaars je niet meer kunnen opnemen. 52. Zou ik zo jaloers op je zijn? zegt de Heere. 53. Als jij mijn uitverkorenen niet steeds gedood had en je handen niet tegen hen opgeheven had om te slaan, en als jij niet gezegd had, dronken als je was van hun dood: 54. Maak de schoonheid van je gezicht nu maar mooi! 55. Het loon van je ontucht ligt in je schoot. Daarom zul je je vergelding krijgen. 56. Zoals jij met mijn uitverkorenen zult doen, zegt de Heere, zo zal de Heere met jou doen, en Hij zal je aan de ramp overgeven. 57. Je kinderen zullen van honger omkomen, jij zult door het zwaard vallen, je steden zullen vernietigd worden en al de jouwen zullen in het veld door het zwaard vallen. 58. En wie op de bergen zijn, zullen van honger sterven. Zij zullen hun eigen vlees eten en bloed drinken, van de honger naar brood en de dorst naar water. 59. Ongelukkige, je zult over de zee wegvluchten, en daar zal je opnieuw een ramp overkomen. 60. Onderweg zullen zij de verslagen stad kapotslaan. Zij zullen een deel van je land vernielen en een deel van je heerlijkheid uitroeien, en zo zullen zij naar het verwoeste Babel terugkeren. 61. En wanneer jij neergeworpen bent, zul jij voor hen het stro zijn, en zij zullen voor jou het vuur zijn. 62. Zij zullen je verteren. Zij zullen je steden, je land, je bergen en ook al je bossen en vruchtbomen met vuur verbranden. 63. Zij zullen je zonen gevangen wegvoeren, je inkomsten zullen zij roven, en de glans van je gezicht zullen zij tenietdoen. ## 4 Ezra 16 — Wie zal de rampen tegenhouden? 1. Wee jou, Babel en Asia! Wee jou, Egypte en Syrië! 2. Trek rouwkleren en ruwe kleren aan, huil om je kinderen en rouw, want jullie ondergang is dichtbij. 3. Een zwaard is over jullie gestuurd, en wie zal het tegenhouden? 4. Een vuur is over jullie aangestoken, en wie zal het blussen? 5. Veel rampen zijn over jullie gestuurd, en wie zal ze afweren? 6. Kan iemand een leeuw tegenhouden die hongerig is in het bos? Of het vuur in het stro blussen als het begint te branden? 7. Kan iemand een pijl tegenhouden die door een sterke boogschutter is afgeschoten? 8. De almachtige Heere stuurt de rampen, en wie zal ze verdrijven? 9. Het vuur is uitgegaan van Zijn toorn, en wie zal het blussen? 10. Hij zal bliksemen, en wie zal geen ontzag hebben? Hij zal donderen, en wie zal niet beven? 11. De Heere zal dreigen, en wie zal niet helemaal vermorzeld worden voor Zijn gezicht? 12. De aarde beeft tot in haar fundamenten. De zee bruist op uit de diepte, en haar golven raken in beroering met haar vissen, voor het gezicht van de Heere en voor de heerlijkheid van Zijn kracht. 13. Want Zijn rechterhand die de boog spant, is sterk. Zijn pijlen die Hij afschiet, zijn scherp. Zij zullen niet missen wanneer zij tot aan de einden van de aarde afgeschoten worden. 14. Kijk, de ramp wordt gestuurd, en zij zal niet terugkeren voordat zij op de aarde komt. 15. Het vuur wordt aangestoken, en het zal niet geblust worden voordat het de fundamenten van de aarde verteerd heeft. 16. Zoals de pijl niet terugkeert die door een sterke boogschutter is afgeschoten, zo zullen de rampen niet terugkeren die over de aarde gestuurd zijn. 17. Wee mij, wee mij! Wie zal mij in die dagen bevrijden? 18. Het begin van de pijnen, en veel gezucht. Het begin van de honger, en veel sterven. Het begin van de oorlogen, en de machtigen zullen bang worden. Het begin van de rampen, en zij zullen allemaal beven. 19. Wat moet ik hierin doen, wanneer de rampen komen? 20. Kijk, honger en plagen, verdrukking en benauwdheid zijn gestuurd als zweepslagen om te verbeteren. 21. En bij dat alles zullen zij zich niet bekeren van hun onrecht, en zij zullen niet blijven denken aan die zweepslagen. 22. Kijk, het eten zal goedkoop zijn op aarde, zodat zij zullen denken dat hun vrede klaar is. Maar dan zullen de rampen opkomen op aarde: zwaard, honger en grote verwarring. 23. Want velen die op aarde wonen, zullen omkomen door hongersnood, en het zwaard zal de anderen vernietigen die de hongersnood overleefd hebben. 24. De doden zullen als vuil weggeworpen worden, en er zal niemand zijn om hen te troosten. Want het land zal verlaten liggen en de steden zullen neergehaald worden. 25. Er zal niemand overblijven om de aarde te bewerken en te bezaaien. 26. De bomen zullen vruchten geven, en wie zal ze plukken? 27. De druif zal rijp worden, en wie zal haar persen? Want overal zal grote eenzaamheid zijn. 28. Want een mens zal ernaar verlangen een ander mens te zien of zijn stem te horen. 29. Ja, van een stad zullen er maar tien overblijven, en twee van het veld, die zich verstopt zullen hebben in de dichte bossen en in de kloven van de rotsen. 30. Zoals in een olijfgaard aan elke boom drie of vier olijven overblijven, 31. of zoals er in een wijngaard die geplukt is een paar druiven overblijven voor wie de wijngaard zorgvuldig doorzoeken, 32. zo zullen er in die dagen drie of vier overblijven voor wie hun huizen met het zwaard doorzoeken. 33. En het land zal verlaten blijven, zijn velden zullen verwilderen, en zijn wegen en al zijn paden zullen met doorns begroeid raken, omdat er geen mensen overheen gaan. 34. De meisjes zullen rouwen omdat zij geen bruidegoms hebben. De vrouwen zullen rouwen omdat zij geen mannen hebben. Hun dochters zullen rouwen omdat zij geen hulp hebben. 35. Hun bruidegoms zullen in de oorlog omkomen, en hun mannen zullen door honger verdwijnen. 36. Maar jullie, dienaren van de Heere, luister hiernaar en begrijp dit. 37. Kijk, dit is het woord van de Heere. Neem dat aan, en geloof de goden niet waarover de Heere spreekt. 38. Kijk, de rampen komen dichtbij, en zij zullen niet uitblijven. 39. Zoals een zwangere vrouw na negen maanden haar zoon baart, en zoals bij haar de weeën door haar lichaam gaan een of twee of drie uur voordat de bevalling komt, en zoals die weeën, als het kind eenmaal komt, geen ogenblik wachten, 40. zo zullen de rampen niet wachten om op de aarde te komen. De wereld zal zuchten, en de pijnen zullen haar omvatten. 41. Luister naar het woord, mijn volk. Maak je klaar voor de strijd en leef in de ramp als vreemdelingen op aarde. 42. Wie verkoopt, moet zijn als iemand die vlucht; wie koopt, als iemand die het zal verliezen. 43. Wie handeldrijft, als iemand die er geen voordeel van zal hebben; wie bouwt, als iemand die er niet in zal wonen. 44. Wie zaait, als iemand die niet zal maaien; en wie een wijngaard snoeit, als iemand die de druiven niet zal plukken. 45. Wie trouwen, als mensen die geen kinderen zullen krijgen; en wie niet trouwen, als weduwnaars. 46. Daarom werken wie zwoegen tevergeefs. 47. Want vreemden zullen hun vruchten maaien en hun bezittingen roven en hun huizen vernielen en hun kinderen gevangennemen. Want zij zullen hen naar gevangenschap en hongersnood brengen. 48. Want hoe meer zij die met roof handeldrijven hun steden, huizen, bezittingen en mensen opsieren, 49. hoe feller ik tegen hen zal optreden om hun zonden, zegt de Heere. 50. Zoals een eerlijke en deugdzame vrouw het opneemt tegen een vrouw die overspel pleegt, 51. zo zal ook de gerechtigheid het opnemen tegen het onrecht wanneer dat zich opsiert. Zij zal het openlijk beschuldigen, wanneer Hij komt die opkomt voor de mensen en die alle zonde op aarde onderzoekt. 52. Word daarom niet als zij, en ook niet als hun daden. 53. Want het duurt nog maar even, en dan zal het onrecht van de aarde weggenomen worden en zal de gerechtigheid over jullie heersen. 54. Laat de zondaar niet zeggen dat hij niet gezondigd heeft. Want vurige kolen zullen branden op het hoofd van wie zegt: ik heb niet gezondigd voor God de Heere en voor Zijn heerlijkheid. 55. Kijk, de Heere kent alle daden en plannen van de mensen, en hun gedachten en hun hart. 56. Want Hij heeft gezegd: laat de aarde er zijn. En zij was er. Laat de hemel er zijn. En hij was er. 57. Door Zijn woord zijn de sterren vastgezet, en Hij kent hun aantal. 58. Hij is het die de afgrond doorgrondt en zijn schatten, die de zee meet en haar omvang. 59. Hij heeft de zee ingesloten midden in de wateren, en Hij heeft de aarde door Zijn woord boven de wateren opgehangen. 60. Hij spant de hemel uit als een gewelf en heeft die boven de wateren vastgezet. 61. Hij heeft in de woestijn waterbronnen gemaakt, en op de toppen van de bergen watermeren, om vanaf de hoge rots rivieren te laten stromen, zodat de aarde nat wordt. 62. Hij heeft de mens gemaakt en zijn hart midden in zijn lichaam gezet, en Hij heeft hem de geest, het leven en het verstand gegeven. 63. En het is de adem van de almachtige God die alles gemaakt heeft en die alle verborgen dingen in de diepten van de aarde doorgrondt. 64. Hij kent jullie plannen en wat jullie in je hart bedenken wanneer jullie zondigen en je zonden willen bedekken. 65. Omdat God al jullie daden nauwkeurig onderzocht heeft, zal Hij jullie allemaal aan het licht brengen. 66. En jullie zullen rood van schaamte worden wanneer jullie zonden voor de mensen tevoorschijn komen en jullie eigen onrecht op die dag jullie aanklagers zal zijn. 67. Wat zullen jullie doen? Hoe zullen jullie je zonden verbergen voor God en Zijn engelen? 68. Kijk, God is de rechter. Heb ontzag voor Hem. Houd op met je zonden en houd voor altijd op met het onrecht dat je doet. Dan zal God jullie eruit leiden en van alle rampen bevrijden. 69. Want kijk, de hitte van een grote menigte wordt over jullie aangestoken. Zij zullen sommigen van jullie wegrukken en doden om als maaltijd voor de afgoden te dienen. 70. En wie het met hen eens zijn, zullen door hen bespot, veracht en vertrapt worden. 71. Want van plaats tot plaats en in de omliggende steden zal er grote opstand zijn tegen wie ontzag hebben voor God. 72. Zij zullen als razenden zijn. Zij zullen niemand sparen, maar beroven en vernielen wie nog ontzag hebben voor God. 73. Want zij zullen hen vernielen, hun bezittingen roven en hen uit hun huizen zetten. 74. Dan zal de beproeving van mijn uitverkorenen zichtbaar worden, zoals goud dat door vuur beproefd wordt. 75. Luister, mijn geliefden, zegt de Heere. Kijk, de dagen van de verdrukking zijn dichtbij, en ik zal jullie daaruit redden. 76. Wees niet bang en wees niet benauwd, want God is jullie leider. 77. En jullie die mijn geboden en bevelen houden, zegt de Heere, let erop dat jullie zonden niet de overhand krijgen en dat jullie misdaden zich niet boven jullie verheffen. 78. Wee wie door hun zonden omsloten zijn en door hun misdaden bedekt. Zij zijn als een veld dat door een bos overwoekerd wordt en waarvan de paden met doorns bedekt zijn, waar geen mens doorheen gaat, en dat afgesloten wordt en achtergelaten om door het vuur verbrand te worden. ## Tobit 1 — Ik begroef de doden in Nineve 1. Het boek van de geschiedenis van Tobit, de zoon van Tobiël, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit de familie van Azaël, uit de stam Naftali. 2. Hij werd als gevangene weggevoerd in de tijd van Enemessar, de koning van Assyrië. Hij kwam uit Thisbe, dat rechts van de stad ligt die eigenlijk Naftali heet, boven Aser, in Galilea. 3. Ik, Tobit, heb heel mijn leven de wegen van de waarheid en de gerechtigheid gegaan. Ik heb veel weggegeven aan mijn volksgenoten, aan het volk dat samen met mij naar Nineve in Assyrië was weggevoerd. 4. Toen ik nog jong was en in mijn eigen land woonde, in Israël, keerde de hele stam Naftali, de stam van mijn vader, zich af van het huis van God in Jeruzalem, dat uit alle stammen van Israël was uitgekozen. 5. Daar moesten alle stammen offeren; daar was de tempel, de woning van de Allerhoogste, geheiligd en gebouwd voor alle geslachten. Maar alle stammen die afvallig waren geworden, ook het huis van mijn vader Naftali, offerden aan het kalf van Baäl. 6. Ik reisde vaak als enige naar Jeruzalem voor de feestdagen, zoals heel Israël voor altijd is opgedragen. Ik nam de eerste opbrengst en het tiende deel van de oogst mee, en de eerste wol, en gaf dat aan de priesters, de zonen van Aäron, bij het altaar. 7. Het eerste tiende deel van alle opbrengst gaf ik aan de nakomelingen van Aäron die in Jeruzalem dienst deden. Het tweede tiende deel verkocht ik, en ik ging op reis en besteedde het elk jaar in Jeruzalem. 8. Het derde deel gaf ik aan wie er recht op hadden, zoals Debora, de moeder van mijn vader, mij had opgedragen, want mijn vader was gestorven en ik was wees. 9. Toen ik volwassen was, trouwde ik met Anna, uit onze eigen familie, en bij haar kreeg ik Tobias. 10. Toen ik als gevangene naar Nineve was weggevoerd, 11. aten al mijn volksgenoten en mijn familieleden van het eten van de volken, 12. maar ik hield mij in en at daar niet van, 13. omdat ik met heel mijn hart aan de Heere dacht. 14. De Allerhoogste gaf mij genade en aanzien bij Enemessar, en ik werd zijn inkoper. 15. Ik reisde naar Medië, 16. en ik gaf tien talenten zilver in bewaring aan Gabaël, de broer van Gabriël, in de stad Rages in Medië. 17. Toen Enemessar gestorven was, werd zijn zoon Sanherib koning in zijn plaats. 18. Zijn bewind was onrustig, en ik kon niet meer naar Medië reizen. 19. In de tijd van Enemessar had ik veel weggegeven aan mijn volksgenoten. 20. Ik gaf mijn brood aan wie honger hadden en kleren aan wie niets aanhadden. Zag ik iemand uit mijn volk die gestorven was en bij de muur van Nineve was neergegooid, dan begroef ik hem. 21. Als koning Sanherib iemand had gedood die uit Judea gevlucht was, haalde ik hem stiekem weg en begroef hem. Hij doodde er velen in zijn woede, en de lichamen werden door de koning gezocht maar niet gevonden. 22. Een van de inwoners van Nineve ging naar de koning en vertelde hem dat ik die mensen begroef. Ik verstopte mij, en toen ik begreep dat men mij zocht om te doden, ben ik uit angst gevlucht. 23. Al mijn bezit werd geplunderd. Mij bleef niets over dan Anna, mijn vrouw, en Tobias, mijn zoon. 24. Er gingen nog geen vijfenvijftig dagen voorbij of twee van zijn zonen doodden hem. Zij vluchtten naar het gebergte Ararat, en zijn zoon Assar-Haddon werd koning in zijn plaats. Die stelde Achiachar aan, de zoon van Anaël, mijn broer, over alle rekeningen en over heel het bestuur van zijn vader. 25. Achiachar deed een goed woord voor mij, en ik kwam terug in Nineve. Achiachar was schenker, zegelbewaarder, huisbestuurder en rekenmeester, en Assar-Haddon maakte hem tweede man naast zichzelf. Hij was de zoon van mijn broer. ## Tobit 2 — Ik werd blind door de mussen 1. Toen ik weer thuis was gekomen en mijn vrouw Anna en mijn zoon Tobias mij waren teruggegeven, 2. werd er op het Pinksterfeest, het heilige feest van de zeven weken, een goede maaltijd voor mij klaargemaakt. Ik ging aanliggen om te eten, zag veel eten staan en zei tegen mijn zoon: Ga naar buiten en breng iemand van onze volksgenoten mee die gebrek lijdt en aan de Heere denkt. Kijk, ik wacht op je. 3. Hij kwam terug en zei: Vader, er ligt iemand van ons volk gewurgd op de markt. 4. Ik sprong op nog voor ik iets gegeten had, droeg hem weg naar een huis en wachtte tot de zon onder zou gaan. 5. Toen ik terugkwam, waste ik mij en at mijn brood met verdriet. 6. En ik dacht aan de profetie van Amos, die gezegd had: 7. Jullie feestdagen zullen veranderen in rouw en al jullie vreugde in geween. En ik huilde. 8. Toen de zon onder was, ging ik naar buiten, maakte een graf en begroef hem. 9. De buren lachten mij uit en zeiden: Is hij nog steeds niet bang om daarom gedood te worden? Hij is al eens op de vlucht geweest, en kijk, daar begraaft hij weer een dode. 10. Diezelfde nacht kwam ik terug van het begraven. Omdat ik onrein was, sliep ik bij de muur van de binnenplaats, met mijn gezicht onbedekt. Ik wist niet dat er mussen in de muur zaten. 11. Mijn ogen stonden open, en de mussen lieten hun warme mest in mijn ogen vallen. Er kwamen witte vlekken op mijn ogen. Ik ging naar de dokters, maar zij hielpen mij niet. Achiachar onderhield mij, totdat ik naar Elymaïs vertrok. 12. Mijn vrouw Anna maakte handwerk van wol in de vrouwenvertrekken. 13. Zij stuurde het naar de eigenaars, en die gaven haar haar loon en daarbovenop nog een bokje. 14. Toen zij bij mij kwam, begon het te blaten. Ik zei tegen haar: Waar komt dat bokje vandaan? Is het niet gestolen? Geef het terug aan de rechtmatige eigenaar, want wij mogen niet eten wat gestolen is. Zij zei: Het is mij als geschenk gegeven, boven op mijn loon. Maar ik geloofde haar niet en zei dat zij het aan de eigenaars terug moest geven. 15. Ik werd heel boos op haar, maar zij antwoordde mij: Waar zijn nu je goede gaven en je gerechtigheid? Kijk, iedereen weet wat er van jou geworden is. ## Tobit 3 — Twee gebeden op dezelfde dag 1. Toen werd ik verdrietig en huilde. Ik bad met pijn in mijn hart en zei: 2. Heere, U bent rechtvaardig. Al Uw wegen zijn barmhartigheid en waarheid, en U spreekt een waar en rechtvaardig oordeel, voor altijd. 3. Denk aan mij en zie mij aan. Straf mij niet voor mijn zonden en voor wat ik zonder het te weten verkeerd deed, en ook niet voor de zonden van mijn voorouders, die tegen U gezondigd hebben. 4. Want zij waren ongehoorzaam aan Uw geboden, en U hebt ons overgegeven aan plundering, gevangenschap en dood, en gemaakt tot een spot bij alle volken waaronder wij verstrooid zijn. 5. En nu, Heere, Uw oordelen zijn talrijk en waar. Doe met mij wat nodig is om mijn zonden en die van mijn voorouders, want wij hebben Uw geboden niet gedaan en zijn niet oprecht voor U geweest. 6. En nu zeg ik: doe met mij wat U goed vindt. Geef bevel dat mijn geest van mij wordt weggenomen, zodat ik losgemaakt word en tot aarde word. Het is beter voor mij te sterven dan te leven, want ik heb valse verwijten gehoord en er is veel verdriet in mij. Geef bevel dat ik nu uit deze nood verlost word en opgenomen word op de eeuwige plaats, en keer Uw gezicht niet van mij af. 7. Op precies diezelfde dag gebeurde het dat Sara, een dochter van Raguël in Ecbatana in Medië, ook werd bespot, en wel door de dienstmeisjes van haar vader. 8. Zij was namelijk aan zeven mannen gegeven, en de boze geest Asmodeüs had die gedood voordat zij met haar samen waren geweest zoals dat bij vrouwen gaat. 9. Zij zeiden tegen haar: Word je nog steeds niet wijs, jij die je mannen wurgt? 10. Je hebt nu zeven mannen gehad, en naar geen van hen word je genoemd. 11. Waarom sla je ons om hen? Als zij dood zijn, ga dan met hen mee. Laat ons nooit een zoon of dochter van jou zien. 12. Toen zij dit hoorde, werd zij zo verdrietig dat zij zich wilde ophangen. Maar zij zei: Ik ben de enige dochter van mijn vader. Als ik dit doe, is het een schande voor hem en breng ik zijn oude dag met verdriet in het graf. 13. En zij bad bij het raam en zei: 14. Gezegend bent U, Heere, mijn God, en gezegend is Uw heerlijke naam, die heilig en kostbaar is voor altijd. Laten al Uw werken U prijzen, voor altijd. 15. En nu, Heere, ik heb mijn ogen en mijn gezicht naar U opgeheven. 16. Ik heb gevraagd of U mij van de aarde zou wegnemen, zodat ik geen spot meer hoef te horen. 17. U weet, Heere, dat ik vrij ben van elke schuld tegenover een man. 18. Ik heb mijn naam niet bevuild, en ook de naam van mijn vader niet, in het land waar wij gevangen zijn. 19. Ik ben het enige kind van mijn vader. Hij heeft geen kind dat zijn erfgenaam zal zijn, 20. en geen naaste bloedverwant of zoon voor wie ik mijzelf als vrouw zou kunnen bewaren. 21. Zeven zijn er al omgekomen. Wat heeft het leven mij dan nog te bieden? 22. En als het U niet goeddunkt mij te doden, 23. geef dan bevel dat men naar mij omziet en zich over mij ontfermt, en zorg dat ik geen spot meer hoef te horen. 24. Het gebed van deze twee werd gehoord voor de heerlijkheid van de grote God. 25. Rafaël werd gestuurd om hen beiden te genezen: om de witte vlekken van de ogen van Tobit weg te nemen, om Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias, de zoon van Tobit, tot vrouw te geven, en om de boze geest Asmodeüs te binden, omdat het Tobias toekwam haar als erfdeel te krijgen. Op datzelfde moment kwam Tobit thuis en kwam Sara, de dochter van Raguël, van haar bovenkamer naar beneden. ## Tobit 4 — Wat Tobit zijn zoon meegaf 1. Op die dag dacht Tobit aan het geld dat hij bij Gabaël in Rages in Medië in bewaring had gegeven. 2. Hij zei bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden. Waarom roep ik dan mijn zoon Tobias niet, om het hem te vertellen voordat ik sterf? En hij riep hem en zei: 3. Kind, als ik sterf, begraaf mij dan, en behandel je moeder niet met minachting. Eer haar heel je leven, doe wat haar goeddoet en bedroef haar niet. 4. Denk eraan, kind, dat zij om jou veel gevaar heeft doorstaan in haar lichaam. 5. Als zij gestorven is, begraaf haar dan naast mij, in één graf. 6. Denk, kind, je hele leven aan de Heere onze God. Wil niet zondigen en Zijn geboden niet overtreden. Doe wat rechtvaardig is, alle dagen van je leven, en ga niet de wegen van het onrecht. Want als je eerlijk handelt, zal het je goed gaan in je werk, net als iedereen die doet wat rechtvaardig is. 7. Geef weg van wat je hebt. Kijk niet gierig als je geeft, en keer je gezicht niet af van wie arm is, dan zal God Zijn gezicht ook niet van jou afkeren. 8. Geef naar wat je hebt: heb je veel, geef dan veel. 9. Heb je weinig, wees dan niet bang om ook van dat weinige te geven. 10. Want zo leg je voor jezelf een goede schat weg voor de dag van de nood. 11. Want wie geeft, wordt gered van de dood en komt niet in het donker terecht. 12. Want wat je weggeeft is een goede gave, voor iedereen die het doet, in de tegenwoordigheid van de Allerhoogste. 13. Kind, houd je ver van ontucht. Neem een vrouw uit de familie van je voorouders en neem geen vreemde vrouw die niet uit de stam van je vader komt, want wij zijn kinderen van de profeten. Noach, Abraham, Izak en Jakob zijn onze voorouders van oudsher. Denk eraan, kind, dat zij allemaal vrouwen namen uit hun eigen volk, en dat zij gezegend zijn in hun kinderen; hun nageslacht zal de aarde erven. 14. En nu, kind, houd van je volksgenoten. Voel je in je hart niet te goed voor hen, voor de zonen en dochters van je volk, zodat je uit hen een vrouw neemt. Want in hoogmoed zit verval en veel onrust, en in trots zit achteruitgang en groot gebrek; trots is de moeder van de honger. 15. Laat het loon van iemand die voor je gewerkt heeft niet bij je overnachten, maar geef het hem meteen. Als je God gediend hebt, zal het je vergoed worden. 16. Kind, let op jezelf in alles wat je doet en wees verstandig in je omgang met anderen. Doe niemand aan wat hij haat. Drink geen wijn tot je dronken bent, en laat dronkenschap niet met je meereizen op je weg. 17. Geef van je brood aan wie honger heeft en van je kleren aan wie niets aanheeft. Alles wat je over hebt, geef dat weg, en kijk niet gierig als je geeft. 18. Geef royaal brood bij het graf van de rechtvaardigen, maar geef het niet aan wie zondigen. 19. Vraag raad aan ieder die verstandig is, en veracht een goede raad nooit. 20. Prijs de Heere altijd, en vraag Hem of je wegen recht mogen zijn en of al je paden en al je plannen goed mogen aflopen. Want geen enkel volk heeft de raad in zichzelf; de Heere zelf geeft al het goede, en wie Hij wil, vernedert Hij, zoals het Hem goeddunkt. En nu, kind, denk aan wat ik je opdraag en laat het niet uit je hart verdwijnen. 21. En nu wijs ik je op de tien talenten zilver die ik bij Gabaël, de zoon van Gabrias, in Rages in Medië in bewaring heb gegeven. Wees niet bang, kind, omdat wij arm geworden zijn. Je hebt veel, als je ontzag hebt voor God, elke zonde laat staan en doet wat Hem goeddunkt. ## Tobit 5 — Een reisgenoot die een engel is 1. Tobias antwoordde: Vader, alles wat u mij opdraagt, zal ik doen. 2. Maar hoe kan ik dat geld krijgen, terwijl ik hem niet ken? 3. Toen gaf hij hem het schuldbewijs en zei tegen hem: 4. Zoek een man die met je meegaat, zolang ik nog leef, en ik zal hem loon geven. Ga op reis en haal het geld op. 5. Hij ging weg om een man te zoeken, en hij vond Rafaël. 6. Dat was een engel, maar hij wist het niet. 7. Hij zei tegen hem: Zou u met mij mee kunnen gaan naar Rages in Medië? 8. Bent u daar ook bekend? 9. De engel zei tegen hem: Ik zal met je meegaan, want ik heb bij onze broeder Gabaël gelogeerd. 10. Tobias zei tegen hem: Wacht op mij, ik ga het mijn vader zeggen. En hij zei tegen hem: Ga maar en blijf niet lang weg. 11. Hij ging naar binnen en zei tegen zijn vader: Kijk, ik heb iemand gevonden die met mij mee zal reizen. En hij zei: Roep hem bij mij, zodat ik kan horen uit welke stam hij komt en of hij te vertrouwen is om met jou mee te reizen. En hij riep hem. 12. Hij kwam binnen en zij groetten elkaar. 13. Tobit zei tegen hem: Broeder, uit welke stam en uit welke familie komt u? Vertel het mij. 14. En hij zei tegen hem: Zoekt u een stam of een familie, of iemand die voor loon met uw zoon meereist? En Tobit zei tegen hem: Broeder, ik wilde graag uw familie en uw naam weten. 15. Toen zei hij: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een van uw volksgenoten. 16. En Tobit zei: Welkom, broeder. 17. En word niet boos op mij, omdat ik naar uw stam en uw familie gevraagd heb. 18. U bent ook mijn broeder, uit een eerlijke en goede familie. Want ik ken Ananias en Jonathan wel, de zonen van de grote Semeï. 19. Wij zijn samen naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden, en brachten daar de eerstgeboren dieren en het tiende deel van de oogst. 20. En zij lieten zich niet meeslepen in de afdwaling van onze volksgenoten. 21. Broeder, u komt uit een groot geslacht. Maar zeg mij: welk loon zal ik u geven? Een drachme per dag en wat u nodig hebt, net als mijn zoon, en ik zal u boven op het loon nog iets toeleggen als jullie gezond terugkomen. 22. En zo zijn zij het eens geworden. 23. En hij zei tegen Tobias: Maak je klaar voor de reis, en het ga jullie goed. 24. Zijn zoon maakte klaar wat voor de reis nodig was, en zijn vader zei tegen hem: Ga met deze man mee. God, die in de hemel woont, zal je weg voorspoedig maken, en de engel van God ga met jullie mee. 25. Zij gingen er samen op uit, en de hond van de jongen ging met hen mee. Anna, zijn moeder, huilde en zei tegen Tobit: Waarom hebt u ons kind weggestuurd? Is hij niet de stok in onze hand, als hij voor ons uit en in gaat? 26. Was dat geld maar nooit ter sprake gekomen; had wat wij bij elkaar geschraapt hebben maar van onze zoon mogen zijn. 27. Want wat de Heere ons gegeven heeft om van te leven, is genoeg voor ons. 28. En Tobit zei tegen haar: Maak je geen zorgen, zuster. Hij zal gezond terugkomen en je ogen zullen hem zien. 29. Want een goede engel zal met hem meegaan, zijn reis zal voorspoedig zijn en hij zal gezond terugkomen. En zij hield op met huilen. ## Tobit 6 — De vis in de Tigris 1. Zij gingen op weg en kwamen tegen de avond bij de rivier de Tigris, en overnachtten daar. 2. De jongen ging naar beneden om zich te wassen, en er schoot een vis op uit de rivier. 3. Die wilde de jongen verslinden. 4. Maar de engel zei tegen hem: Grijp die vis. 5. De jongen pakte de vis en gooide hem op het land. 6. En de engel zei tegen hem: Snijd de vis open en neem het hart, de lever en de gal, en leg die apart om te bewaren. 7. De jongen deed wat de engel hem gezegd had. De vis braadden en aten zij, en zij reisden samen verder tot zij in de buurt van Ecbatana kwamen. 8. De jongen zei tegen de engel: Azarias, broeder, waar zijn het hart, de lever en de gal van deze vis voor? 9. Hij zei tegen hem: Het hart en de lever: als iemand gekweld wordt door de duivel of een boze geest, moet je die voor die man of vrouw laten roken, en hij zal niet meer gekweld worden. 10. En strijk de gal op iemand die witte vlekken op zijn ogen heeft, en hij zal genezen. 11. Toen zij bij Rages in de buurt gekomen waren, 12. zei de engel tegen de jongen: Broeder, wij zullen vandaag bij Raguël overnachten. Hij is familie van je en hij heeft één dochter, Sara. Ik zal over haar spreken, zodat zij jou tot vrouw gegeven wordt. 13. Want haar erfenis komt jou toe. Jij bent de enige die van haar geslacht over is, en zij is mooi en verstandig. 14. En nu, luister naar mij. Ik zal haar vader aanspreken, en als wij terugkomen uit Rages, zullen wij de bruiloft houden. Want ik ken Raguël goed: hij zal haar aan geen andere man geven, want dan zou hij naar de wet van Mozes de dood schuldig zijn, omdat jij meer dan enig ander de erfenis moet ontvangen. 15. Toen zei de jongen tegen de engel: Azarias, broeder, ik heb gehoord dat deze dochter aan zeven mannen gegeven is en dat zij allemaal in haar bruidskamer zijn omgekomen. 16. En nu, ik ben het enige kind van mijn vader, en ik ben bang dat ik zal sterven als ik bij haar kom, net als de vorige mannen. Want een boze geest houdt van haar, die niemand kwaad doet behalve wie bij haar komen. Ik ben bang dat ik zal sterven en dat ik het leven van mijn vader en mijn moeder met verdriet om mij in hun graf breng; zij hebben geen andere zoon die hen begraven kan. 17. En de engel zei tegen hem: Denk je niet meer aan de woorden waarmee je vader je opgedragen heeft een vrouw uit je eigen familie te nemen? 18. En nu, luister naar mij, broeder, want zij zal je vrouw worden. Maak je geen zorgen over die boze geest. 19. Want vannacht nog zal zij je tot vrouw gegeven worden, en als je de bruidskamer binnengaat, moet je as van het reukoffer nemen, daar het hart en de lever van de vis op leggen, en het laten roken. 20. De boze geest zal het ruiken en vluchten, en hij zal in eeuwigheid niet terugkomen. 21. Maar als je bij haar komt, sta dan allebei op en roep de barmhartige God aan. Hij zal jullie bewaren en Zich over jullie ontfermen. 22. Wees niet bang, want zij is van eeuwigheid voor jou bestemd. Jij zult haar redden, zij zal met je meegaan, en ik zeg je dat je kinderen bij haar zult krijgen. 23. Toen Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief en hing zijn hart aan haar. En zij kwamen in Ecbatana aan. ## Tobit 7 — In het huis van Raguël 1. Zij gingen naar het huis van Raguël. Sara kwam hen tegemoet, groette hen, en zij groetten haar terug. 2. Zij bracht hen het huis binnen, en Raguël zei tegen zijn vrouw Edna: Wat lijkt die jongen op Tobit, mijn neef. 3. En Raguël vroeg hun: Waar komen jullie vandaan, broeders? 4. Zij zeiden tegen hem: Wij komen uit de stam Naftali, van de gevangenen in Nineve. 5. Hij zei tegen hen: Kennen jullie Tobit, onze broeder? En zij zeiden: Ja, wij kennen hem goed. 6. Hij zei tegen hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog en is gezond. En Tobias zei: Het is mijn vader. 7. Raguël sprong op, kuste hem, huilde, zegende hem en zei tegen hem: Jij bent de zoon van een eerlijk en goed man. En toen hij hoorde dat Tobit zijn ogen verloren had, werd hij verdrietig en huilde. 8. Ook zijn vrouw Edna en zijn dochter Sara huilden. 9. Zij ontvingen hen vriendelijk, slachtten een ram uit de kudde en zetten hun veel eten voor. Maar Tobias zei tegen Rafaël: Broeder Azarias, spreek nu over wat u onderweg gezegd hebt, en laat de zaak in orde komen. En hij legde het aan Raguël voor. 10. En Raguël zei tegen Tobias: Eet en drink en wees vrolijk, want jou komt het toe mijn dochter te nemen. 11. Maar ik wil je de waarheid vertellen. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen gegeven, en telkens wanneer zij bij haar zouden komen, stierven zij die nacht. Maar wat er ook gebeurt, wees vrolijk. 12. En Tobias zei: Ik zal hier niets eten voordat u het mij hebt toegezegd. Raguël zei: Neem haar vanaf nu tot je, zoals het hoort, want jij bent haar bloedverwant en zij is jouw verwante. 13. En de barmhartige God geve jullie alles wat goed is. 14. Hij riep zijn dochter Sara, en zij kwam bij haar vader. 15. Hij nam haar bij de hand, gaf haar aan Tobias tot vrouw en zei: Kijk, neem haar tot je naar de wet van Mozes en breng haar naar je vader. En hij zegende haar. 16. Hij riep zijn vrouw Edna, nam een boekje, schreef een huwelijksakte en verzegelde die. 17. En zij begonnen te eten. 18. Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna en zei tegen haar: Zuster, maak de andere kamer klaar en breng hen daarheen. 19. Zij deed wat hij zei. Zij bracht hen daarheen, en zij huilde en ving ook de tranen van haar dochter op. 20. En zij zei tegen haar: Houd moed, dochter. De Heere van hemel en aarde geve je vreugde in plaats van dit verdriet. Houd moed, dochter. ## Tobit 8 — Het gebed in de bruidskamer 1. Toen zij de maaltijd beëindigd hadden, brachten zij Tobias bij haar. 2. Toen hij naar binnen ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël. Hij nam de as van het reukoffer, legde het hart en de lever van de vis erop en liet het roken. 3. Toen de boze geest die geur rook, vluchtte hij naar het uiterste van Egypte, en de engel bond hem daar. 4. Toen zij alleen waren, stond Tobias op van het bed en zei: Sta op, zuster, en laten wij bidden dat de Heere Zich over ons ontfermt. 5. En Tobias begon te bidden: Gezegend bent U, God van onze voorouders, en geprezen is Uw naam, die heilig en heerlijk is voor altijd. Laten de hemel en al Uw schepselen U prijzen. 6. U hebt Adam gemaakt, en U hebt hem Eva, zijn vrouw, gegeven als hulp en steun. Uit hen is het menselijk geslacht geboren. U hebt gezegd: het is niet goed dat de mens alleen is; laten wij een hulp voor hem maken die bij hem past. 7. En nu, Heere, ik neem deze vrouw niet uit begeerte, maar in oprechtheid. 8. Geef bevel dat men zich over mij ontfermt en dat ik samen met haar oud mag worden. En zij zei met hem: Amen. En zij sliepen die nacht allebei. 9. Raguël stond op, ging naar buiten en groef een graf. Hij zei: Zou ook deze niet gestorven zijn? 10. Raguël kwam zijn huis binnen en zei tegen zijn vrouw Edna: 11. Stuur een van de dienstmeisjes en laat haar kijken of hij leeft. Zo niet, dan kan ik hem begraven zonder dat iemand het merkt. 12. Toen het dienstmeisje de deur had opengedaan, ging zij naar binnen en vond hen allebei slapend. 13. Zij kwam weer naar buiten en vertelde hun dat hij leefde. 14. En Raguël prees God en zei: Geprezen bent U, God, met alle zuivere en heilige lof. Laten Uw heiligen U prijzen, en al Uw schepselen, en al Uw engelen, en wie U hebt uitgekozen. Laten zij U prijzen tot in eeuwigheid. Geprezen bent U, dat U mij blij hebt gemaakt en dat mij niet is overkomen wat ik dacht. U hebt met ons gedaan naar Uw grote barmhartigheid. 15. Geprezen bent U, dat U Zich over deze twee enige kinderen hebt ontfermd. Wees hun barmhartig, Heere, en laat hun leven aflopen in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid. 16. En hij gaf de knechten opdracht het graf dicht te gooien. 17. Hij maakte voor hen een bruiloft van veertien dagen klaar, en Raguël liet Tobias met een eed beloven dat hij niet zou vertrekken voordat de veertien bruiloftsdagen voorbij waren. 18. Daarna zou hij de helft van zijn bezit meenemen en gezond naar zijn vader reizen. De rest, zei hij, zul je krijgen wanneer ik en mijn vrouw gestorven zijn. ## Tobit 9 — Het geld uit Rages 1. Tobias riep Rafaël 2. en zei tegen hem: Azarias, broeder, 3. neem een knecht en twee kamelen mee en reis naar Rages in Medië, naar Gabaël. Haal het geld voor mij op en breng hem mee naar de bruiloft, want Raguël heeft gezworen dat ik hier niet weg zal gaan. 4. En mijn vader telt de dagen. 5. Als ik lang wegblijf, zal hij heel verdrietig worden. 6. Rafaël reisde weg, overnachtte bij Gabaël en gaf hem het schuldbewijs. 7. Die bracht de zakjes, nog verzegeld, bij hem en gaf ze aan hem. 8. En 's morgens vroeg gingen zij samen op weg en kwamen bij de bruiloft. En Tobias zegende zijn vrouw. ## Tobit 10 — Thuis wordt op hem gewacht 1. Zijn vader Tobit telde elke dag. Toen de reisdagen voorbij waren en zij niet kwamen, zei Tobit: Zouden zij in verlegenheid zijn gebracht? 2. Of zou Gabaël gestorven zijn, zodat niemand hem het geld geeft? 3. En hij werd heel verdrietig. Zijn vrouw zei tegen hem: Onze zoon is ergens omgekomen, want hij blijft zo lang weg. 4. En zij begon om hem te huilen. 5. Zij zei: Wat spijt het mij, mijn kind, dat ik je heb laten gaan, jij die het licht van mijn ogen was. 6. En Tobit zei tegen haar: Wees stil en maak je geen zorgen; hij is gezond. 7. Maar zij zei tegen hem: Wees jij maar stil en bedrieg mij niet; mijn kind is omgekomen. En zij ging elke dag naar buiten, naar de weg waarlangs hij vertrokken was. 8. Overdag at zij niet, en 's nachts hield zij niet op om haar zoon Tobias te bewenen, 9. totdat de veertien bruiloftsdagen voorbij waren, die Raguël hem met een eed had laten beloven daar door te brengen. 10. En Tobias zei tegen Raguël: Laat mij gaan, want mijn vader en mijn moeder hopen niet meer dat zij mij zullen zien. 11. Zijn schoonvader zei tegen hem: Blijf bij mij; ik zal iemand naar je vader sturen om hem te laten weten hoe het met je gaat. En Tobias zei: Nee, laat mij toch naar mijn vader gaan. Raguël stond op en gaf hem zijn vrouw Sara mee en de helft van zijn bezit: slaven, vee en geld. 12. Hij zegende hen en liet hen gaan, en zei: Kinderen, de God van de hemel geve jullie voorspoed, voordat ik sterf. En hij zei tegen zijn dochter: Houd de ouders van je man in ere; zij zijn nu jouw ouders. Laat mij goede berichten over je horen. En hij kuste haar. 13. En Edna zei tegen Tobias: Lieve broeder, de Heere van de hemel brenge je terug en geve mij dat ik jouw kinderen mag zien bij mijn dochter Sara, zodat ik mij mag verheugen voor de Heere. En kijk, ik geef je mijn dochter als een pand dat je toevertrouwd is; doe haar geen verdriet. Daarna vertrok Tobias en dankte God, die zijn weg voorspoedig gemaakt had. En hij zegende Raguël en zijn vrouw Edna. ## Tobit 11 — Tobit ziet weer 1. Hij reisde verder totdat zij bij Nineve kwamen. 2. En Rafaël zei tegen Tobias: Je weet, broeder, hoe je je vader hebt achtergelaten. 3. Laten wij vooruitlopen, vóór je vrouw, en het huis in orde maken. 4. En neem de gal van de vis in je hand. 5. Zij gingen op weg, en de hond liep achter hen aan. 6. Anna zat uit te kijken naar haar zoon op de weg. Zij zag hem aankomen en zei tegen zijn vader: 7. Kijk, uw zoon komt eraan, en de man die met hem meegereisd is. En Rafaël zei: Ik weet dat je vader zijn ogen zal opendoen. 8. Strijk de gal in zijn ogen. Als het prikt, zal hij ze wrijven, de witte vlekken wegwerpen, en hij zal je zien. 9. Anna liep naar hem toe, viel haar zoon om de hals en zei tegen hem: Kind, ik heb je gezien; nu wil ik wel sterven. En zij huilden allebei. 10. Tobit kwam naar de deur en stootte zich daaraan. Zijn zoon liep hem tegemoet, greep zijn vader vast en streek de gal op de ogen van zijn vader. Hij zei: Houd moed, vader. Toen het prikte, wreef hij zijn ogen, en de witte vlekken lieten los uit de hoeken van zijn ogen. 11. Toen hij zijn zoon zag, viel hij hem om de hals, huilde en zei: 12. Geprezen bent U, God. 13. En geprezen is Uw naam voor altijd. 14. En geprezen zijn al Uw heilige engelen, want U hebt mij gestraft en U hebt Zich over mij ontfermd. 15. Kijk, ik zie mijn zoon Tobias. 16. Zijn zoon ging blij naar binnen 17. en vertelde zijn vader de grote dingen die in Medië gebeurd waren. 18. Tobit ging blij naar buiten, zijn schoondochter tegemoet, en prees God, tot aan de poort van Nineve. Wie hem zag lopen, verwonderde zich dat hij kon zien. Tobit erkende voor hen openlijk dat God Zich over hem ontfermd had. Toen hij bij zijn schoondochter Sara kwam, zegende hij haar en zei: Welkom, mijn dochter. Geprezen is God, die jou bij ons gebracht heeft, en ook je vader en je moeder. En er was blijdschap onder al zijn volksgenoten in Nineve. 19. Ook Achiachar en Nasbas, de zoon van zijn broer, kwamen bij hem. 20. En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen lang met vreugde gevierd. ## Tobit 12 — Ik ben Rafaël 1. Tobit riep zijn zoon Tobias en zei tegen hem: Kijk, zoon, zorg dat je de man die met je meegegaan is zijn loon geeft, en daarbovenop moet hem nog iets toegelegd worden. 2. En Tobias zei tegen hem: Vader, ik heb er geen moeite mee hem de helft te geven van alles wat ik meegebracht heb. 3. Want hij heeft mij gezond bij u teruggebracht, mijn vrouw genezen, mijn geld opgehaald en u ook genezen. En de oude man zei: Hem zal recht gedaan worden. 4. Hij riep de engel en zei tegen hem: 5. Neem de helft van alles wat jullie meegebracht hebben, 6. en ga heen in vrede. 7. Toen riep hij hen allebei apart en zei tegen hen: Prijs God en dank Hem, geef Hem eer en dank Hem waar iedereen bij is, om wat Hij voor jullie gedaan heeft. Het is goed dat men God prijst en Zijn naam hoog houdt en met eerbied vertelt wat Hij gedaan heeft. Wacht daarom niet met Hem te danken. 8. Want het is goed dat men het geheim van een koning bedekt houdt, maar het is heerlijk om de werken van God openbaar te maken. Doe goed, en het kwaad zal jullie niet treffen. 9. Bidden met vasten, weggeven en rechtvaardig leven is een goede zaak. Weinig met gerechtigheid is beter dan veel met onrecht. Het is beter weg te geven dan goud als schat op te potten. Want wie geeft, wordt gered van de dood, en het wist elke zonde uit. Wie geven en rechtvaardig leven, zullen met leven verzadigd worden. 10. Maar wie zondigen, zijn vijanden van hun eigen leven. 11. Ik zal niets voor jullie verbergen. Ik heb al gezegd dat het goed is het geheim van een koning bedekt te houden, maar dat het heerlijk is de werken van God openbaar te maken. 12. Toen jullie baden, jij en je schoondochter Sara, bracht ik de herinnering aan jullie gebed voor het gezicht van de Heilige. 13. En toen je de doden begroef, was ik ook bij je. Toen je er niet tegenop zag om op te staan en je maaltijd te verlaten om de doden in grafdoeken te wikkelen, was jouw goeddoen mij niet onbekend, maar ik was bij je. 14. En nu heeft God mij gestuurd om jou te genezen, en je schoondochter Sara. 15. Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen die de gebeden van de heiligen bij God brengen en binnengaan voor het gezicht van de heerlijkheid van de Heilige. 16. Zij schrokken allebei en vielen op hun gezicht, want zij waren bang. 17. Maar hij zei tegen hen: Wees niet bang, want vrede zij met jullie. Prijs God. 18. Want ik ben niet gekomen door eigen goedheid, maar door de wil van onze God. Prijs Hem daarom voor altijd. 19. Al deze dagen hebben jullie mij gezien, maar ik heb niet gegeten en niet gedronken; jullie hebben een verschijning gezien. 20. En nu, dank God, want ik ga omhoog naar Hem die mij gestuurd heeft. Schrijf alles wat er gebeurd is in een boek. 21. Zij stonden op en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote en wonderlijke werken van God, en dat de engel van de Heere door hen gezien was. ## Tobit 13 — Het danklied van Tobit 1. En Tobit schreef een gebed om vreugde te geven, en zei: 2. Geprezen is God, die voor altijd leeft, en geprezen is Zijn koninkrijk. Want Hij straft en Hij ontfermt Zich. Hij laat neerdalen in het dodenrijk en brengt er weer uit, en niemand kan aan Zijn hand ontkomen. 3. Dank Hem, kinderen van Israël, waar de volken bij zijn, want Hij heeft ons onder hen verstrooid. Laat daar Zijn grote heerlijkheid zien en verhef Hem waar alles wat leeft bij is, want Hij is onze Heere en God, onze Vader voor altijd. 4. Hij zal ons straffen om ons onrecht, en Hij zal Zich weer over ons ontfermen en ons bijeenbrengen uit alle volken waaronder Hij ons verstrooid heeft. Als jullie met heel je hart en heel je ziel naar Hem terugkeren om oprecht voor Hem te leven, dan zal Hij naar jullie terugkeren en Zijn gezicht niet voor jullie verbergen, en jullie zullen zien wat Hij met jullie doen zal. 5. En jullie zullen Hem danken met heel je mond, en jullie zullen de Heere van de gerechtigheid prijzen en de Koning van de eeuwigheid hoog verheffen. 6. En ik zal Hem openlijk belijden in het land waar ik gevangen ben, en ik zal Zijn kracht en grote heerlijkheid laten zien aan een volk dat zondigt. 7. Keer terug, zondaars, en doe wat rechtvaardig is voor Zijn gezicht. Wie weet of Hij niet naar jullie omziet en jullie barmhartig is. 8. Ik zal mijn God hoog verheffen, en mijn ziel zal de Koning van de hemel prijzen en met vreugde zingen over Zijn grote heerlijkheid. 9. Laat iedereen spreken en Hem danken in gerechtigheid. 10. Jeruzalem, heilige stad, Hij zal je straffen om wat je kinderen doen, en Hij zal Zich weer ontfermen over de kinderen van de rechtvaardigen. 11. Dank de Heere, want Hij is goed, en prijs de Koning van de eeuwigheid, zodat Zijn woning in jou weer met vreugde gebouwd wordt, 12. en Hij de gevangenen in jou blij maakt en de ellendigen in jou liefheeft, in alle geslachten van de wereld. 13. Veel volken zullen van ver komen naar de naam van God, de Heere, met gaven in hun handen, gaven voor de Koning van de hemel. Alle geslachten na elkaar zullen je prijzen en je vreugde brengen. 14. Vervloekt zijn allen die je haten. Gezegend daarentegen zijn allen die van je houden, voor altijd. 15. Wees blij en verheug je om de kinderen van de rechtvaardigen, want zij zullen bijeengebracht worden en zij zullen de Heere van de rechtvaardigen prijzen. 16. Gelukkig zijn zij die van je houden; zij zullen blij zijn om jouw vrede. Gelukkig zijn zij die verdriet hebben om al jouw straffen, want zij zullen zich over jou verheugen wanneer zij al jouw heerlijkheid gezien hebben, en zij zullen zich voor altijd verblijden. 17. Laat mijn ziel God prijzen, de grote Koning. 18. Want Jeruzalem zal met saffier en smaragd en met kostbare stenen gebouwd worden, 19. en je muren, je torens en je bolwerken met zuiver goud. 20. En de straten van Jeruzalem zullen geplaveid worden met beril en karbonkel en stenen uit Ofir, en al haar wijken zullen zeggen: Halleluja. En zij zullen lofliederen zingen: 21. Geprezen is God, die ons verheven heeft, tot in alle eeuwigheid. ## Tobit 14 — De laatste woorden van Tobit 1. Tobit hield op met danken. 2. Hij was achtenvijftig jaar oud toen hij zijn gezichtsvermogen verloor. 3. Na acht jaar kon hij weer zien, 4. en hij gaf weg aan wie gebrek hadden. 5. Hij bleef ontzag hebben voor God de Heere en beleed Hem openlijk. 6. Hij werd heel oud. Hij riep zijn zoon en zijn zes kleinzoons en zei tegen hem: Kind, neem je zonen mee. Kijk, ik ben oud geworden en het einde van mijn leven is nabij. Vertrek naar Medië, mijn kind, want ik houd het voor zeker dat alles gebeuren zal wat de profeet Jona over Nineve gezegd heeft, en dat het verwoest zal worden. In Medië zal het een tijd lang rustiger zijn. Onze volksgenoten zullen over de aarde verstrooid worden, weg uit het goede land, en Jeruzalem zal verlaten zijn, en het huis van God daarin zal verbrand worden en een tijd lang verlaten zijn. 7. En God zal Zich weer over hen ontfermen en hen laten terugkeren naar het land. Zij zullen het huis bouwen, maar niet zoals het eerste was, totdat de tijden van de wereld vervuld zijn. Daarna zullen zij terugkeren uit hun gevangenschap en Jeruzalem prachtig opbouwen. Het huis van God zal daarin gebouwd worden, en het zal een heerlijk gebouw zijn voor alle geslachten van de wereld, zoals de profeten daarover gesproken hebben. 8. Alle volken zullen zich werkelijk bekeren, ontzag hebben voor God de Heere en hun afgoden begraven. Alle volken zullen de Heere prijzen, en Zijn volk zal de Heere belijden, en God zal Zijn volk verhogen. Allen die God de Heere liefhebben, zullen zich verheugen in waarheid en gerechtigheid en barmhartig zijn voor onze volksgenoten. 9. En nu, mijn zoon, vertrek uit Nineve, want die dingen zullen zeker gebeuren die de profeet Jona gesproken heeft. Maar jij, bewaar de wet en de geboden, heb barmhartigheid lief en wees rechtvaardig, zodat het je goed gaat. Begraaf mij met eer, en mijn vrouw naast mij, en blijf niet langer in Nineve. 10. Mijn zoon, kijk wat Haman gedaan heeft met Achiachar, die hem opgevoed had: hoe hij hem uit het licht in het donker gebracht heeft, en wat hij hem vergolden heeft. 11. Achiachar werd wel gered, maar Haman kreeg zijn eigen loon en daalde af in het donker. Manasse gaf weg aan de armen en werd gered uit de val van de dood die zij voor hem gezet hadden, maar Haman viel in de val en kwam om. 12. En nu, mijn kind, zie wat weggeven doet en hoe rechtvaardigheid redt. 13. Toen hij dit gezegd had, gaf hij op zijn bed de geest. Hij was honderdachtenvijftig jaar oud, en zijn zoon begroef hem met eer. 14. Toen zijn moeder Anna gestorven was, begroef hij haar bij zijn vader. En Tobias vertrok met zijn vrouw en zijn zonen naar Ecbatana, naar zijn schoonvader Raguël. 15. Hij bereikte in eer een hoge leeftijd. Hij begroef zijn schoonvader en schoonmoeder met eer en erfde hun bezit en het bezit van zijn vader Tobit. 16. Hij stierf in Ecbatana in Medië, honderdzevenentwintig jaar oud. 17. Voordat hij stierf, hoorde hij nog van de val van Nineve, dat Nebukadnezar en Ahasveros ingenomen hadden, en hij was blij om Nineve voordat hij stierf. ## Judith 1 — Nebukadnezar verslaat Arfaxad 1. In het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nebukadnezar, die regeerde in de grote stad Nineve, in de tijd van Arfaxad, die over de Meden regeerde in Ecbatana. 2. Arfaxad bouwde rondom Ecbatana muren van gehouwen steen, drie el breed en zes el lang. De muur maakte hij zeventig el hoog en vijftig el breed. 3. Op de poorten van die stad zette hij torens van honderd el hoog. 4. Het fundament van de muren maakte hij zestig el breed. 5. Haar poorten maakte hij zeventig el hoog en veertig el breed, zodat zijn machtige legers eruit konden trekken en zijn voetvolk zich kon opstellen. 6. In diezelfde tijd voerde koning Nebukadnezar oorlog tegen koning Arfaxad, in de grote vlakte bij de grens van Ragau. Bij hem sloten zich allen aan die in dat bergland woonden, en allen die woonden aan de Eufraat, de Tigris en de Hydaspes, en in de vlakte van Arioch, de koning van de Elymeeërs. Heel veel volken uit de kinderen van Cheleoud kwamen samen voor die oorlog. 7. Nebukadnezar, de koning van Assyrië, stuurde boodschappers naar allen die in Perzië woonden en naar allen in het westen, naar de bewoners van Cilicië en Damascus, van de Libanon en de Antilibanon, en naar allen die langs de vlakte aan de kust woonden, 8. en ook naar de volken van de Karmel en Gilead, naar Boven-Galilea en de grote vlakte van Esdrelon, 9. en naar allen in Samaria en de steden daar, en aan de overkant van de Jordaan tot aan Jeruzalem, Bethane, Chellus, Kades en de rivier van Egypte, Tafnes, Rameses en heel het land Gosen, 10. tot voorbij het gebergte van Tanis en Memfis, en naar allen die in Egypte woonden, tot aan de grens van Ethiopië. 11. Maar alle inwoners van dat land trokken zich niets aan van het woord van Nebukadnezar, de koning van Assyrië, en zij kwamen niet bij hem voor die oorlog. Zij waren niet bang voor hem, want voor hen was hij maar één man, en zij stuurden zijn boodschappers met schande en met lege handen terug. 12. Toen werd Nebukadnezar woedend op dat hele land. Hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk dat hij zich zeker zou wreken op heel het gebied van Cilicië, Damascus en Syrië, en dat hij met het zwaard alle inwoners zou ombrengen van Moab, de Ammonieten, heel Judea en allen in Egypte, tot aan de grens van de twee zeeën. 13. In het zeventiende jaar trok hij met zijn leger in slagorde op tegen koning Arfaxad. Hij won die oorlog en versloeg heel het leger van Arfaxad, met al zijn ruiters en wagens, en veroverde zijn steden. 14. Hij kwam tot bij Ecbatana, nam de torens in, verwoestte de straten en maakte haar pracht tot schande. 15. Hij ving Arfaxad in het gebergte van Ragau, doorschoot hem met zijn pijlen en maakte die dag een eind aan hem. 16. Hij keerde met hen terug naar Nineve, hij en heel zijn leger uit vele volken, een enorme menigte soldaten. Daar rustte hij, en hij hield honderdtwintig dagen lang feestmaaltijden met zijn leger. ## Judith 2 — Holofernes trekt uit 1. In het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag van de eerste maand, werd er in het huis van Nebukadnezar, de koning van Assyrië, gesproken over wraak op heel het land, zoals hij gezegd had. 2. Hij riep al zijn dienaren en al zijn hoge heren bijeen, legde hun zijn geheime plan voor en vertelde met eigen mond over alle kwaad van dat land. 3. Zij besloten dat men iedereen zou uitroeien die niet had gedaan wat hij gezegd had. 4. Toen hij zijn beraad beëindigd had, riep Nebukadnezar, de koning van Assyrië, Holofernes, de opperbevelhebber van zijn leger, die na hem de tweede man was, en hij zei tegen hem: 5. Dit zegt de grote koning, de heer van heel de aarde. Kijk, jij zult van mij weggaan en mannen meenemen die op hun eigen kracht vertrouwen: honderdtwintigduizend man voetvolk en twaalfduizend paarden met hun ruiters. Trek op tegen heel het land in het westen, omdat zij niet gehoorzaamd hebben aan wat ik gezegd heb. Zeg hun dat zij aarde en water voor mij klaarleggen, want ik zal in mijn woede tegen hen optrekken. Ik zal de hele aarde bedekken met de voeten van mijn leger en hen overgeven als buit. Hun gewonden zullen hun dalen en beken vullen, de rivier zal overstromen van hun doden, en ik zal hun gevangenen wegvoeren tot aan de uiterste einden van de aarde. Maar jij, trek uit en neem eerst al hun gebied in. Zij zullen zich aan je overgeven, en jij bewaart hen voor mij tot de dag van hun straf. 6. Maar wie ongehoorzaam zijn, zal je oog niet sparen: geef hen over aan de dood en aan plundering in heel je gebied. Want zo zeker als ik leef en als de macht van mijn koninkrijk: alles wat ik gezegd heb, zal ik met eigen hand doen. En jij zult geen enkel woord van je heer overtreden, maar het helemaal uitvoeren zoals ik je opgedragen heb, en je zult er niet mee wachten. 7. Holofernes ging weg bij zijn heer, riep alle machthebbers, legeraanvoerders en officieren van het Assyrische leger bijeen, en telde uitgelezen mannen voor de oorlog, zoals zijn heer hem had opgedragen: honderdtwintigduizend man en twaalfduizend boogschutters te paard. 8. Hij stelde hen op zoals een groot leger geordend wordt. Hij nam kamelen en ezels mee voor hun bagage, een enorme menigte, en schapen, runderen en geiten als voorraad, ontelbaar veel. 9. En een grote hoeveelheid graan voor iedere man. 10. Hij nam heel veel goud en zilver uit het huis van de koning mee. 11. Hij trok met heel zijn leger op weg, vóór koning Nebukadnezar uit, en bedekte het hele land in het westen met hun wagens, ruiters en keurtroepen. Veel gemengd volk sloot zich bij hen aan, als sprinkhanen en als het zand van de aarde; niemand kon hen tellen, zo talrijk waren zij. 12. Zij trokken drie dagreizen van Nineve weg, naar de vlakte van Bektileth. Vanaf Bektileth sloeg hij zijn kamp op bij de berg links van Boven-Cilicië. Hij nam heel zijn leger mee, zijn voetvolk, zijn ruiters en zijn wagens, en trok vandaar naar het bergland. 13. Hij verwoestte Put en Lud, plunderde alle kinderen van Rassis en de Ismaëlieten die aan de woestijn ten zuiden van Cheleon woonden. Hij trok over de Eufraat en door Mesopotamië, 14. en verwoestte alle hooggelegen steden aan de beek Abrona, tot aan de zee. 15. Hij nam het gebied van Cilicië in, versloeg iedereen die zich tegen hem verzette en kwam tot aan het gebied van Jafet, dat in het zuiden tegenover Arabië ligt. 16. Hij omsingelde alle Midianieten, verbrandde hun tenten en plunderde hun kudden. 17. Hij daalde af naar de vlakte van Damascus in de tijd van de tarweoogst, verbrandde al hun akkers, gaf hun kleinvee en runderen over aan de vernietiging, plunderde hun steden, maakte hun velden kaal en doodde al hun jonge mannen met het zwaard. 18. Angst en beven voor hem overviel de bewoners van de kust, in Sidon en Tyrus, in Sur en Okina, en allen die tot aan Jamnia woonden. Wie in Asdod en Askelon woonden, waren doodsbang voor hem. ## Judith 3 — De kuststeden geven zich over 1. Zij stuurden gezanten naar hem toe met woorden van vrede, en die zeiden: 2. Kijk, wij zijn dienaren van de grote koning Nebukadnezar, en wij liggen open voor u. 3. Doe met ons wat u goeddunkt. 4. Kijk, al onze boerderijen, al onze plaatsen, al onze graanvelden, al ons kleinvee en al onze runderen en alle stallen bij onze huizen liggen open voor u. Doe daarmee wat u goeddunkt. 5. Kijk, ook onze steden en hun inwoners zijn uw dienaren. Kom en doe met hen wat goed is in uw ogen. 6. Die mannen kwamen bij Holofernes en brachten deze boodschap over. 7. Hij trok met zijn leger naar de kust, 8. bezette de versterkte steden en nam daaruit uitgelezen mannen op in zijn leger. 9. Zijzelf en het land daaromheen ontvingen hem met kransen, reidansen en tamboerijnen. 10. Hij verwoestte heel hun gebied en hakte hun heilige bossen om. 11. Hij had besloten alle goden van het land te vernietigen, 12. zodat alle volken alleen hem, Nebukadnezar, zouden dienen, en alle talen en alle geslachten hem als god zouden aanroepen. 13. Hij kwam in het zicht van Esdrelon, bij Dothaïm, dat tegenover de grote engte van Judea ligt. 14. Hij sloeg zijn kamp op tussen Gaba en Scythopolis en bleef daar een hele maand stil liggen om alle bagage van zijn leger bijeen te brengen. ## Judith 4 — Israël bidt en vast 1. De Israëlieten die in Judea woonden, hoorden alles wat Holofernes, de opperbevelhebber van de koning van Assyrië, met die volken gedaan had, en hoe hij al hun tempels geplunderd en vernietigd had. 2. Zij werden vreselijk bang voor hem en waren zeer bezorgd om de stad Jeruzalem en om de tempel van de Heere, hun God. Want zij waren pas kort geleden teruggekomen uit de ballingschap, en heel het volk was nog maar net weer bijeen in Judea; de voorwerpen, het altaar en het huis van God waren pas gereinigd van de ontwijding. 3. Zij stuurden boodschappers naar heel het gebied van Samaria, naar de dorpen, naar Bethoron, Belmen, Jericho, Choba, Esora en het dal van Salem, en zij bezetten alle toppen van de hoge bergen. 4. Zij bouwden muren om de dorpen daar en legden graan aan als voorraad voor de oorlog, want hun velden waren pas gemaaid. 5. Joakim, de hogepriester die in die tijd in Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Betulia en Betomestaïm, dat tegenover Esdrelon ligt, bij de vlakte in de buurt van Dothaïm. Hij droeg hun op de bergpassen bezet te houden, 6. want daardoor liep de toegang naar Judea, en het was makkelijk om mensen tegen te houden die omhoog wilden komen, omdat de doorgang zo smal was dat er hoogstens twee mannen naast elkaar pasten. 7. De Israëlieten deden wat de hogepriester Joakim en de raad van heel Israël in Jeruzalem hun hadden opgedragen. 8. Alle mannen van Israël riepen met grote ernst tot God en vernederden zich diep, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen en hun vee. 9. Alle inwoners, ook de loonarbeiders en de slaven, deden rouwkleren om hun middel. 10. Alle mannen en vrouwen van Israël, ook de kinderen en wie in Jeruzalem woonden, wierpen zich neer voor de tempel. 11. Zij strooiden as op hun hoofd en spreidden hun rouwkleren uit voor het gezicht van de Heere. 12. Zij bekleedden het altaar met een rouwkleed. 13. Eendrachtig en met grote ernst riepen zij tot de God van Israël, dat Hij toch hun kleine kinderen niet als buit zou overgeven, hun vrouwen niet als roof, de steden van hun erfdeel niet aan verwoesting, en hun heiligdom niet aan ontwijding en spot, tot vreugde van de volken. 14. En de Heere hoorde hun stem en zag hun nood aan. 15. Het volk vastte vele dagen lang in heel Judea en in Jeruzalem, voor het heiligdom van de almachtige Heere. 16. Joakim, de hogepriester, en alle priesters die voor de Heere stonden en Hem dienden, brachten met rouwkleren om hun middel het dagelijkse brandoffer, de offers die beloofd waren en de vrijwillige gaven van het volk, en zij hadden as op hun hoofd. 17. Zij riepen uit alle macht tot de Heere dat Hij zou omzien naar heel het huis van Israël. ## Judith 5 — Achior vertelt wie Israël is 1. Aan Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, werd gemeld dat de Israëlieten zich klaarmaakten voor oorlog, dat zij de bergpassen hadden afgesloten, alle toppen van de hoge bergen versterkt en in de vlakten hindernissen aangelegd hadden. 2. Hij werd woedend en riep alle leiders van Moab, de aanvoerders van Ammon en alle vorsten van het kustland bijeen. 3. Hij zei tegen hen: Vertel mij eens, Kanaänieten, wat is dat voor volk dat zich in dit bergland ophoudt? Welke steden bewonen zij? Hoe groot is hun leger? Waarin zit hun kracht en hun sterkte? Welke koning is bij hen opgestaan die hun leger aanvoert? 4. En waarom hebben zij mij de rug toegekeerd en zijn zij mij niet tegemoet gekomen, als enigen van allen die in het westen wonen? 5. Achior, de aanvoerder van alle Ammonieten, zei tegen hem: Mijn heer, luister toch naar een woord uit de mond van uw dienaar. Ik zal u de waarheid vertellen over dit volk dat bij u in de buurt woont en dit bergland bewoont. Geen leugen zal over de lippen van uw dienaar komen. 6. Dit volk stamt af van de Chaldeeën. 7. Zij hebben eerst als vreemdelingen in Mesopotamië gewoond, want zij wilden de goden van hun voorouders in het land Chaldea niet volgen. 8. Zij verlieten de weg van hun voorouders en aanbaden de God van de hemel, de God die zij hadden leren kennen. Daarom hebben hun landgenoten hen verdreven van het gezicht van hun goden. Zij kwamen in Mesopotamië en woonden daar lange tijd als vreemdelingen. Hun God droeg hun op weg te gaan uit het land waar zij vreemdeling waren en naar het land Kanaän te reizen. Daar bleven zij wonen en zij kregen veel goud, zilver en vee. 9. Zij trokken door naar Egypte, want hongersnood had het land Kanaän bedekt, en woonden daar als vreemdelingen tot zij terugkeerden. Daar werden zij een grote menigte, en hun nageslacht was niet te tellen. 10. De koning van Egypte keerde zich tegen hen, ging listig met hen om door zwaar werk en het maken van tichelstenen, vernederde hen en maakte hen tot slaven. 11. Zij riepen tot hun God, en Hij sloeg heel Egypte met plagen die niet te genezen waren, en de Egyptenaren verdreven hen van zich. 12. En God heeft de Rode Zee voor hen drooggelegd. 13. Hij leidde hen langs de weg van de berg Sinaï en van Kades-Barnea, en zij verdreven allen die in de woestijn woonden. 14. Zij vestigden zich in het land van de Amorieten. 15. Met hun kracht roeiden zij alle inwoners van Hesbon uit. 16. Zij trokken door de Jordaan 17. en kregen heel dit bergland als erfdeel. 18. Zij verdreven voor zich uit de Kanaäniet, de Ferisiet, de Jebusiet, de Sichemiet en alle Girgasieten, en zij hebben lange tijd in het bergland gewoond. 19. Zolang zij niet zondigden tegen hun God, ging het hun goed, want bij hen is een God die onrecht haat. 20. Maar toen zij afweken van de weg die Hij hun gewezen had, zijn zij door veel oorlogen zwaar verwoest. 21. Zij zijn als gevangenen weggevoerd naar een vreemd land, de tempel van hun God is tot de grond toe afgebroken en hun steden zijn door hun vijanden ingenomen. 22. En nu zijn zij teruggekeerd naar hun God. Zij zijn teruggekomen uit de plaatsen waarheen zij verstrooid waren, hebben zich in Jeruzalem gevestigd, waar hun heiligdom is, en het bergland bewoond, want het lag verlaten. 23. En nu, heer en meester: als er schuld is bij dit volk, als zij zondigen tegen hun God en wij merken dat er zoiets bij hen speelt, dan zullen wij optrekken en hen verslaan. 24. Maar als er geen onrecht is onder hun volk, ga hen dan voorbij, mijn heer, anders zou hun Heere hen weleens kunnen beschermen en hun God vóór hen zijn, en dan worden wij een spot voor het hele land. 25. Toen Achior uitgesproken was, begon heel het volk dat om de tent stond te mopperen. 26. De machthebbers van Holofernes en de bewoners van het kustland en van Moab zeiden dat men hem in stukken moest hakken. Want, zeiden zij: Wij zijn niet bang voor de Israëlieten. Kijk, het is een volk zonder kracht en zonder macht voor een sterk leger. 27. Laten wij daarom optrekken, heer Holofernes, en zij zullen een prooi zijn voor heel uw leger. ## Judith 6 — Achior wordt aan Israël overgeleverd 1. Toen het gemopper van de mannen rondom de vergadering ophield, zei Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, tegen Achior, waar heel het vreemde volk en alle Moabieten bij waren: 2. Wie ben jij eigenlijk, Achior, jij en die huurlingen uit Efraïm, dat je vandaag bij ons zo geprofeteerd hebt en gezegd hebt dat wij het volk van Israël niet moeten aanvallen omdat hun God hen zal beschermen? Wie is God behalve Nebukadnezar? 3. Hij zal zijn macht sturen en hen van de aardbodem wegvagen, en hun God zal hen niet redden. Wij, zijn dienaren, zullen hen verslaan als één man. Zij zullen de kracht van onze paarden niet weerstaan, maar wij zullen hen ermee vertrappen. 4. Hun bergen zullen dronken worden van hun bloed, hun vlakten zullen vol liggen met hun doden, en geen voetstap van hen zal voor ons standhouden; zij zullen helemaal omkomen. Zo zegt Nebukadnezar, de heer van heel de aarde. Hij heeft het gezegd, en zijn woorden zullen niet leeg blijken. 5. En jij, Achior, huurling van de Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt op de dag van je onrecht: je zult mijn gezicht niet meer zien, vanaf vandaag, totdat ik mij gewroken heb op dat volk dat uit Egypte gekomen is. Dan zal het zwaard van mijn leger en het volk van mijn dienaren door je zij gaan, en jij zult vallen bij hun gewonden, wanneer ik bij je terugkom. 6. Mijn dienaren zullen je naar het bergland brengen en je in een van de steden bij de bergpassen zetten. Je zult niet sterven voordat je samen met hen wordt uitgeroeid. En als je in je hart gelooft dat zij niet gevangen zullen worden, laat je gezicht dan niet betrekken. Ik heb het gezegd, en geen van mijn woorden zal onvervuld blijven. 7. Holofernes gaf zijn dienaren, die bij hem in de tent stonden, opdracht Achior te grijpen, hem naar Betulia te brengen en hem uit te leveren aan de Israëlieten. 8. Zijn dienaren grepen hem, brachten hem het kamp uit, de vlakte in, en trokken vanuit het midden van de vlakte naar het bergland, tot bij de bronnen onder Betulia. Toen de mannen van de stad hen op de bergtop zagen, grepen zij hun wapens, trokken de stad uit naar de bergtop, en alle slingeraars hielden hen tegen door stenen op hen te werpen. 9. Maar zij kwamen gedekt onder aan de berg, bonden Achior vast, wierpen hem aan de voet van de berg neer en lieten hem daar liggen, en zij keerden terug naar hun heer. 10. De Israëlieten kwamen vanuit hun stad naar hem toe, maakten hem los en brachten hem Betulia binnen. 11. Zij brachten hem bij de leiders van hun stad. Dat waren in die tijd Ozias, de zoon van Micha, uit de stam Simeon, Chabris, de zoon van Gothoniël, en Charmis, de zoon van Melchiël. 12. Zij riepen alle oudsten van de stad bijeen en al hun jonge mannen, en ook de vrouwen liepen samen naar de vergadering. Zij zetten Achior midden in het volk, en Ozias vroeg hem wat hem overkomen was. 13. Hij antwoordde en vertelde hun wat er in de krijgsraad van Holofernes gezegd was, en alles wat hij zelf gezegd had bij de leiders van Assyrië, en hoe hoogmoedig Holofernes over het huis van Israël gesproken had. 14. Het volk wierp zich neer, aanbad God en riep: 15. Heere, God van de hemel, zie hun hoogmoed aan en ontferm U over de vernedering van ons volk. Kijk vandaag naar het gezicht van wie aan U geheiligd zijn. 16. Zij spraken Achior moed in en prezen hem zeer. 17. Ozias nam hem na de vergadering mee naar zijn huis en maakte een maaltijd klaar voor de oudsten. 18. En die hele nacht riepen zij de God van Israël om hulp aan. ## Judith 7 — Betulia wordt belegerd 1. De volgende dag gaf Holofernes heel zijn leger en al het volk dat hem te hulp was gekomen opdracht om op te trekken naar Betulia, eerst de bergpassen in te nemen en de oorlog tegen de Israëlieten te beginnen. 2. Alle weerbare mannen onder hen trokken die dag op. Hun strijdmacht was honderdzeventigduizend man te voet en twaalfduizend te paard, de tros niet meegerekend, en er was een heel grote menigte mannen die te voet met hen meetrok. 3. Zij sloegen hun kamp op in het dal bij Betulia, bij de bron. Zij strekten zich in de breedte uit van Dothaïm tot Belthem en in de lengte van onder Betulia tot aan Kyamon, dat tegenover Esdrelon ligt. 4. Toen de Israëlieten die menigte zagen, raakten zij diep ontsteld, en zij zeiden tegen elkaar: Zij zullen het hele land opslokken. Niet de hoge bergen, niet de dalen en niet de heuvels kunnen dit gewicht dragen. 5. Zij grepen al hun wapens, staken vuren aan op hun torens en hielden die hele nacht de wacht. 6. Op de tweede dag liet Holofernes al zijn ruiters uitrijden voor de ogen van de Israëlieten in Betulia, en hij bekeek de toegangen tot de stad. 7. Hij kwam bij de waterbron, nam die in, zette er wachtposten bij en trok zelf terug naar zijn volk. 8. Toen kwamen alle leiders van de Edomieten, alle aanvoerders van Moab en de bevelhebbers van het kustland bij hem en zeiden: Laat mijn heer toch een woord horen, zodat zijn leger geen schade lijdt. 9. Want dit volk van Israël vertrouwt niet op hun speren, maar op de hoogte van de bergen waarop zij wonen, want het is niet makkelijk om die toppen te beklimmen. 10. En nu, heer, val hen niet aan zoals bij een bestorming, dan zal er niet één man uit uw volk vallen. Blijf in uw kamp en houd alle mannen van het leger bij elkaar. Laat uw dienaren alleen de waterbron innemen die aan de voet van deze berg opkomt, want alle inwoners van Betulia halen daar hun water. Dan zal de dorst hen wegnemen en moeten zij hun stad overgeven. Wij en ons volk zullen de dichtstbijzijnde bergtoppen beklimmen, ons daar legeren en de wacht houden, zodat er niet één man de stad uit komt. Zij zullen wegsmelten van honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en nog voordat het zwaard over hen komt, zullen zij neervallen in de straten van hun stad. En u zult hen zwaar laten boeten, omdat zij tegen u in opstand zijn gekomen en u niet in vrede tegemoet zijn gegaan. 11. Die woorden bevielen Holofernes en al zijn dienaren, en zij besloten te doen wat zij gezegd hadden. 12. Het leger van de Ammonieten en vijfduizend Assyriërs met hen trokken op, sloegen hun kamp op in het dal en namen eerst de waterleidingen en de bronnen van de Israëlieten in. De Edomieten en de Ammonieten klommen omhoog en sloegen hun kamp op in het bergland tegenover Dothaïm, en zij stuurden een deel van hun mannen naar het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel bij Chus aan de beek Mochmur. Het overige Assyrische leger legerde zich in de vlakte en bedekte het hele land. Hun tenten en hun uitrusting zetten zij in grote groepen neer, en zij waren een enorme menigte. 13. De Israëlieten riepen tot de Heere, hun God, want zij verloren de moed nu al hun vijanden hen omsingeld hadden en er geen ontsnappen aan was. Heel het Assyrische leger, het voetvolk, de wagens en de ruiters, bleef vierendertig dagen lang om hen heen liggen. De watervoorraden van alle inwoners van Betulia raakten op, hun bakken werden leeg en zij hadden geen water om zich te drinken te geven, zelfs niet voor één dag; men gaf hun een afgemeten hoeveelheid. Hun kleine kinderen versmachtten, hun vrouwen en jonge mannen bezweken van dorst, en zij vielen neer in de straten van de stad en in de poortdoorgangen; er was geen kracht meer in hen. Heel het volk kwam samen bij Ozias en de leiders van de stad, jonge mannen, vrouwen en kinderen, en zij riepen luid tegen alle leiders: God zij rechter tussen ons en u, dat u ons zo groot onrecht hebt aangedaan en geen woorden van vrede tot de Assyriërs hebt gesproken. 14. Nu is er geen helper meer voor ons, maar God heeft ons in hun handen gegeven, zodat wij voor hun ogen moeten neervallen van dorst en grote ellende. 15. En nu, roep hen bij u en geef de hele stad over als buit aan het volk van Holofernes en aan heel zijn leger. 16. Want het is beter voor ons dat wij hun buit worden. Dan zullen wij hun slaven zijn en in leven blijven, en wij hoeven onze kleine kinderen niet met eigen ogen te zien sterven, en onze vrouwen en kinderen niet te zien versmachten. 17. Wij roepen tegen u de hemel en de aarde tot getuige, en onze God en Heere van onze voorouders, die ons vergeldt naar onze misdaden en naar die van onze voorouders, dat Hij vandaag niet doet naar deze woorden. 18. En er kwam een groot en eendrachtig geschreeuw op van allen midden in de vergadering, en zij riepen luid tot God de Heere. 19. Ozias zei tegen hen: Houd moed, broeders. Laten wij nog vijf dagen standhouden. Binnen die tijd zal de Heere onze God Zijn barmhartigheid naar ons keren, want Hij zal ons niet tot het einde toe verlaten. 20. Maar als die voorbijgaan en er geen hulp komt, dan zal ik doen wat jullie zeggen. Zo liet hij het volk uiteengaan, ieder naar zijn post, en zij gingen naar de muren en torens van hun stad. De vrouwen en kinderen stuurde hij naar hun huizen. En zij waren in de stad diep vernederd. ## Judith 8 — Judith spreekt de oudsten toe 1. In die dagen hoorde Judith dit, de dochter van Merari, de zoon van Ox, de zoon van Jozef, de zoon van Oziël, de zoon van Elkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gideon, de zoon van Rafaïn, de zoon van Achitob, de zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël. 2. Haar man was Manasse geweest, uit dezelfde stam en dezelfde familie. Hij was gestorven in de tijd van de gersteoogst. 3. Want hij stond bij wie de schoven bond op het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd. Hij ging op bed liggen en stierf in zijn stad Betulia, en zij begroeven hem bij zijn voorouders in het veld tussen Dothaïm en Balamon. 4. Judith was al drie jaar en vier maanden weduwe in haar huis. 5. Zij had voor zichzelf een tent gemaakt op het dak van haar huis, deed een rouwkleed om haar middel en droeg weduwekleren. 6. Zij vastte alle dagen van haar weduwschap, behalve op de dag voor de sabbat en op de sabbat, op de dag voor nieuwe maan en op nieuwe maan, en op de feestdagen en vreugdedagen van het huis van Israël. 7. Zij was mooi van gestalte en zag er heel goed uit. Haar man Manasse had haar goud en zilver nagelaten, knechten en dienstmeisjes, vee en akkers, en zij bleef daarbij. 8. Er was niemand die iets kwaads over haar te zeggen had, want zij had veel ontzag voor God. 9. Judith hoorde de kwade woorden van het volk tegen de leiders, omdat zij de moed verloren door het gebrek aan water. Zij hoorde ook alle woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad na vijf dagen aan de Assyriërs over te geven. Zij stuurde haar dienstmeisje, dat over al haar bezit ging, en liet Ozias, Chabris en Charmis, de oudsten van haar stad, bij zich roepen. 10. Zij kwamen bij haar, en zij zei tegen hen: Luister nu naar mij, leiders van de inwoners van Betulia. Wat u vandaag tegen het volk gezegd hebt, is niet juist. U hebt die eed tussen God en ons uitgesproken en beloofd dat u de stad aan onze vijanden zult overgeven als de Heere Zich binnen die dagen niet wendt om ons te helpen. 11. En nu, wie bent u dat u God vandaag op de proef hebt gesteld en uzelf in Gods plaats hebt gezet, midden onder de mensen? 12. U onderzoekt nu de Heere, de Almachtige, maar u zult in eeuwigheid niets begrijpen. 13. Want u kunt de diepte van het hart van een mens niet doorgronden en u kunt zijn gedachten niet vatten. Hoe zult u dan God, die dit alles geschapen heeft, onderzoeken, Zijn bedoeling te weten komen en Zijn gedachten begrijpen? 14. Zo niet, broeders. Maak de Heere, onze God, niet boos. Want als Hij ons binnen deze vijf dagen niet wil helpen, dan heeft Hij de macht om ons te beschermen op elke dag die Hij wil, of ook om ons voor de ogen van onze vijanden te vernietigen. 15. Zet de plannen van de Heere, onze God, niet in onderpand. Want God is niet als een mens, die je onder druk kunt zetten, en niet als een mensenkind, dat je kunt berechten. 16. Laten wij daarom op Zijn redding wachten en Hem om hulp roepen. Hij zal onze stem horen, als het Hem goeddunkt. 17. Want in onze geslachten is niemand opgestaan, en er is vandaag geen stam, geen familie, geen volk en geen stad onder ons die goden dient die met handen gemaakt zijn, 18. zoals in vroeger dagen wel gebeurd is. Daarom zijn onze voorouders overgegeven aan het zwaard en aan plundering, en zijn zij in een grote val gevallen voor onze vijanden. 19. Maar wij erkennen geen andere God dan Hem. Daarom hopen wij dat Hij ons niet zal verachten en ook niemand van ons volk. 20. Want als wij ingenomen worden, zal Judea niet meer zo heten, en onze heilige plaatsen zullen geplunderd worden, en de Heere, onze God, zal die ontwijding van onze mond eisen. Hij zal de dood van onze broeders, de ballingschap van het land en de verwoesting van ons erfdeel op ons eigen hoofd laten terugkomen onder de volken waar wij slaven zullen zijn. Wij zullen tot aanstoot en spot worden voor wie ons bezitten, want onze slavernij zal niet met genade beloond worden, maar de Heere, onze God, zal haar tot oneer maken. 21. En nu, broeders, laten wij onze broeders een voorbeeld geven, want van ons hangt hun leven af, en het heiligdom, het huis van God en het altaar rusten op ons. Bij dit alles, laten wij de Heere, onze God, danken, die ons op de proef stelt, zoals Hij ook onze voorouders op de proef gesteld heeft. 22. Denk aan alles wat Hij met Abraham gedaan heeft, 23. hoe Hij Izak op de proef gesteld heeft, en wat Jakob allemaal is overkomen in Mesopotamië in het land Syrië, toen hij de schapen hoedde van Laban, de broer van zijn moeder. 24. Want zoals Hij hen door vuur beproefd heeft om hun hart te onderzoeken, zo wreekt Hij Zich niet op ons, maar de Heere straft wie Hem naderen, als waarschuwing. 25. Ozias zei tegen haar: Alles wat u gezegd hebt, hebt u met een goed hart gezegd, en er is niemand die uw woorden kan weerspreken. Want uw wijsheid komt niet vandaag pas aan het licht: vanaf het begin van uw leven kent heel het volk uw verstand, en ook de gedachten van uw hart zijn goed. Maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen te doen wat wij hun beloofd hebben en de eed over ons te nemen, die wij niet mogen overtreden. 26. En nu, bid u voor ons, want u bent een vrouw die ontzag heeft voor God, en de Heere zal regen sturen, zodat onze waterbakken vol worden en wij geen gebrek meer lijden. 27. En Judith zei tegen hen: Luister naar mij. Ik zal iets doen dat van geslacht op geslacht doorverteld zal worden aan onze nakomelingen. 28. Gaat u vannacht bij de poort staan. Ik zal er met mijn dienstmeisje uit gaan, en binnen die dagen waarvan u gezegd hebt dat u de stad dan aan onze vijanden overgeeft, zal de Heere door mijn hand naar Israël omzien. 29. Maar u moet niet onderzoeken wat ik ga doen, want ik zal het u niet vertellen totdat het klaar is. 30. Ozias en de leiders zeiden tegen haar: Ga in vrede, en de Heere God ga voor u uit om onze vijanden te straffen. En zij gingen weg uit haar tent en keerden terug naar hun posten. ## Judith 9 — Het gebed van Judith 1. Judith wierp zich op haar gezicht, deed as op haar hoofd en maakte het rouwkleed zichtbaar dat zij aanhad. Het was juist de tijd dat in Jeruzalem in het huis van God het avondreukoffer gebracht werd. Judith riep met luide stem tot de Heere en zei: 2. Heere, God van mijn vader Simeon, U hebt hem het zwaard in de hand gegeven om wraak te nemen op vreemden die de schoot van een meisje hadden geopend tot onreinheid, haar hadden ontkleed tot schande en haar schoot hadden bevlekt. U had immers gezegd: zo zal het niet gaan. Daarom hebt U hun leiders aan de dood overgegeven en hun kamp, dat van hun bedrog wist, aan het bloed. U hebt de slaven met de machtigen geslagen en de machtigen op hun tronen. 3. U hebt hun vrouwen als buit gegeven en hun dochters in gevangenschap, en heel de buit ter verdeling aan Uw geliefde kinderen, die met Uw ijver geijverd hadden, die een afschuw hadden van de bevlekking van hun bloed en U om hulp hadden aangeroepen. God, mijn God, verhoor ook mij, die weduwe ben. 4. Want U hebt gedaan wat er vroeger was, en wat toen gebeurde, en wat daarna kwam. U kent wat er nu is en wat komen gaat, en wat U besloten hebt, staat er en zegt: kijk, hier zijn wij. 5. Want al Uw wegen liggen klaar en Uw oordeel is U vooraf bekend. 6. Want kijk, de Assyriërs zijn talrijk geworden in hun leger. Zij zijn hoogmoedig op hun paarden en ruiters en roemen op de arm van hun voetvolk. Zij hopen op hun schilden, speren, bogen en slingers, en zij weten niet dat U de Heere bent, die de oorlogen verplettert. Heere is Uw naam. 7. Breek hun geweld met Uw kracht en sla hun sterkte neer in Uw toorn. 8. Want zij zijn van plan Uw heiligdom te ontwijden, 9. de tent te bevlekken waar Uw heerlijke naam rust, en de hoorn van Uw altaar met een breekijzer om te gooien. 10. Zie hun hoogmoed aan. 11. Stuur Uw toorn over hun hoofd. 12. Geef mij, die weduwe ben, de kracht in mijn hand voor wat ik bedacht heb. 13. Sla met mijn bedrieglijke lippen de slaaf samen met de heer, en de heer samen met zijn dienaar. 14. Breek hun hoogmoed door de hand van een vrouw. 15. Want Uw kracht zit niet in de menigte en Uw macht niet in de geweldenaars, maar U bent een God van de nederigen. U bent een helper van de kleinen, een steun voor de zwakken, een beschutting voor wie het niet meer zien zitten, en een redder van wie geen hoop hebben. 16. Ja, ja, God van mijn vader, God van het erfdeel van Israël, Heere van hemel en aarde, schepper van het water, Koning van al Uw schepselen, 17. verhoor toch mijn gebed, 18. en geef dat mijn woorden en mijn misleiding een wond en een striem worden voor hen die zulke harde plannen gemaakt hebben tegen Uw verbond, tegen Uw geheiligde huis, tegen de top van de berg Sion en tegen het huis dat Uw kinderen bezitten. 19. Maak dat heel Uw volk en alle stammen weten en ervaren dat U de God bent van alle kracht en sterkte, en dat er geen andere beschermer is van het volk van Israël dan U. ## Judith 10 — Judith gaat het kamp binnen 1. Toen zij ophield met roepen tot de God van Israël en al deze woorden beëindigd had, 2. stond zij op van haar knieval, riep haar dienstmeisje en ging naar beneden in het huis, waar zij op de sabbat en op haar feestdagen verbleef. Zij legde het rouwkleed af dat zij droeg en trok haar weduwekleren uit. 3. Zij waste haar hele lichaam met water, zalfde het met kostbare zalf, vlocht haar haar, zette er een hoofdband op en trok de feestkleren aan die zij droeg toen haar man Manasse nog leefde. 4. Zij deed sandalen aan haar voeten, en armbanden, halskettingen, ringen, oorringen en al haar sieraden om. Zij maakte zich heel mooi, om de ogen te misleiden van iedere man die haar zou zien. 5. Zij gaf haar dienstmeisje een leren zak met wijn en een kruik met olie, vulde een reistas met meel, vijgen en reine broden, wikkelde al haar vaatwerk in en legde het haar op. 6. Zij gingen naar de poort van de stad Betulia en vonden daar Ozias staan met de oudsten van de stad, Chabris en Charmis. 7. Toen zij haar zagen, hoe haar gezicht veranderd was en haar kleding anders, waren zij diep onder de indruk van haar schoonheid. 8. Zij zeiden tegen haar: God, de God van onze voorouders, make u aangenaam en voere uw plannen uit, tot roem van de Israëlieten en tot verhoging van Jeruzalem. En zij aanbad God. 9. Zij zei tegen hen: Geef bevel dat de poort van de stad voor mij wordt opengedaan, dan zal ik naar buiten gaan om te doen waarover u met mij gesproken hebt. En zij droegen de jonge mannen op de poort te openen zoals zij gezegd had, en die deden dat. 10. Judith ging naar buiten met haar dienstmeisje, en de mannen van de stad keken haar na tot zij de berg af was en het dal door, en zij haar niet meer zagen. 11. Zij gingen recht door het dal, en de Assyrische voorwacht kwam haar tegemoet, greep haar en vroeg: Bij wie hoort u? Waar komt u vandaan? Waar gaat u heen? 12. Zij zei: Ik ben een Hebreeuwse vrouw en ik vlucht bij hen weg, want zij zullen aan jullie overgegeven worden om vernietigd te worden. 13. Ik kom naar Holofernes, de opperbevelhebber van jullie leger, om hem ware woorden te brengen. Ik zal hem een weg wijzen waarlangs hij kan optrekken en heel het bergland veroveren, en van zijn mannen zal niemand omkomen, geen levend wezen. 14. Toen de mannen haar woorden hoorden en naar haar gezicht keken, vonden zij haar wonderlijk mooi. 15. Zij zeiden tegen haar: U hebt uw leven gered doordat u zich gehaast hebt om naar onze heer af te dalen. Ga nu door naar zijn tent; enkelen van ons zullen u begeleiden tot zij u aan hem overdragen. 16. En als u voor hem staat, wees dan niet bang in uw hart, maar breng hem uw boodschap, en hij zal goed voor u zijn. Zij kozen honderd mannen uit, gaven die aan haar en haar dienstmeisje mee, en die brachten haar naar de tent van Holofernes. Er ontstond een oploop in heel het kamp, want haar komst werd door de tenten bekend. Zij kwamen en omringden haar terwijl zij buiten de tent van Holofernes stond, totdat zij hem over haar bericht hadden. Zij waren verbaasd over haar schoonheid en verbaasden zich om haar over de Israëlieten, en zij zeiden tegen elkaar: wie zou een volk kunnen verachten dat zulke vrouwen heeft? Daarom is het niet goed dat er ook maar één man van hen overblijft, want als zij overblijven, zouden zij het hele land met list kunnen misleiden. 17. De kamerdienaars van Holofernes en al zijn dienaren kwamen naar buiten en brachten haar de tent binnen. 18. Holofernes rustte op zijn bed onder een gordijn dat geweven was van purper, goud, smaragden en kostbare stenen. Zij vertelden hem over haar, en hij kwam naar de voortent, met zilveren lampen voor zich uit. 19. Toen Judith voor hem en voor zijn dienaren kwam, verbaasden zij zich allen over de schoonheid van haar gezicht. Zij viel op haar gezicht neer en boog voor hem, en zijn dienaren richtten haar op. ## Judith 11 — Judith spreekt Holofernes toe 1. Holofernes zei tegen haar: Houd moed, vrouw, en laat uw hart niet bang zijn. Ik heb nooit iemand kwaad gedaan die Nebukadnezar, de koning van heel de aarde, heeft willen dienen. 2. En als uw volk, dat in dit bergland woont, mij niet veracht had, zou ik mijn speer niet tegen hen opgeheven hebben. Zij hebben het zichzelf aangedaan. 3. Maar zeg mij nu waarom u bij hen bent weggevlucht en naar ons toe bent gekomen, want u komt naar uw redding. Houd moed: u zult vannacht in leven blijven en ook daarna. Er is niemand die u onrecht zal doen; iedereen zal goed voor u zijn, zoals dat gaat bij de dienaren van mijn heer, koning Nebukadnezar. 4. Judith zei tegen hem: Neem de woorden van uw dienares aan en laat uw dienares voor u spreken. Ik zal mijn heer vannacht geen leugen vertellen. En als u de woorden van uw dienares opvolgt, zal God de zaak met u helemaal tot een goed einde brengen, en mijn heer zal zijn plannen niet hoeven op te geven. 5. Want zo waar Nebukadnezar leeft, de koning van heel de aarde, en zo waar zijn macht leeft, die u uitgestuurd heeft om alle levenden in het gareel te brengen: niet alleen de mensen zullen hem door u dienen, maar ook de dieren van het veld, het vee en de vogels van de hemel zullen door uw geweld onder Nebukadnezar en heel zijn huis leven. 6. Want wij hebben gehoord van uw wijsheid en van de slimme dingen die u bedenkt. In heel de wereld wordt verteld dat u als enige sterk bent in heel het koninkrijk, machtig in kennis en bewonderenswaardig in de krijgskunst. 7. En wat betreft wat Achior in uw raad gezegd heeft: wij hebben zijn woorden gehoord, want de mannen van Betulia hebben hem opgevangen en hij heeft hun alles verteld wat hij bij u gezegd heeft. Daarom, heer en meester, verwerp zijn woorden niet, maar neem ze ter harte, want ze zijn waar. 8. Want op ons volk wordt geen wraak genomen en het zwaard krijgt het niet klein, tenzij zij tegen hun God gezondigd hebben. 9. Maar nu, opdat mijn heer niet voor niets en zonder resultaat blijft: de dood is over hun gezicht gevallen en een zonde heeft hen gegrepen waarmee zij hun God boos zullen maken zodra zij dat ongeoorloofde doen. 10. Want omdat hun het eten ontbroken heeft en al het water bijna op is, hebben zij besloten de hand te slaan aan hun lastdieren en te eten wat God in Zijn wetten verboden heeft te eten. 11. Zij zijn ook van plan de eerste opbrengst van het graan en het tiende deel van de wijn en de olie te eten, die zij bewaard en geheiligd hebben voor de priesters die in Jeruzalem voor onze God staan; niemand uit het volk mag die zelfs maar met de hand aanraken. 12. Zij hebben ook mensen naar Jeruzalem gestuurd, omdat ook de bewoners daar hetzelfde gedaan hebben, om de toestemming van de raad te halen. Zodra hun dat bericht wordt en zij het gedaan hebben, zullen zij nog diezelfde dag aan u overgegeven worden om vernietigd te worden. 13. Omdat ik, uw dienares, dit allemaal wist, ben ik bij hen weggevlucht, en God heeft mij gestuurd om samen met u dingen te doen waarover de hele wereld zich zal ontzetten, iedereen die ervan hoort. 14. Want uw dienares heeft ontzag voor God en dient de God van de hemel dag en nacht. En nu zal ik bij u blijven, mijn heer, en uw dienares zal 's nachts het dal in gaan. Ik zal God aanbidden, en Hij zal mij vertellen wanneer zij hun zonde begaan hebben. Dan kom ik het u zeggen, en u zult met heel uw macht uittrekken; niemand van hen zal u weerstaan. 15. Ik zal u door Judea heen leiden, tot u voor Jeruzalem staat. 16. Ik zal uw zetel midden onder hen zetten, en u zult hen voortdrijven als schapen zonder herder, en er zal geen hond zijn die met zijn tong tegen u blaft. 17. Want dit is mij vooraf gezegd, het is mij bekendgemaakt, en ik ben gestuurd om het aan u door te geven. 18. Haar woorden bevielen Holofernes en al zijn dienaren. Zij verbaasden zich over haar wijsheid en zeiden: 19. Er is van het ene eind van de aarde tot het andere geen vrouw als zij, zo mooi van gezicht en zo wijs van woorden. 20. En Holofernes zei tegen haar: God heeft er goed aan gedaan u vooruit te sturen voor dit volk, zodat wij kracht in onze handen hebben en wie mijn heer verachten te gronde gaan. 21. En nu, u bent mooi van gestalte en uw woorden zijn verstandig. Als u doet wat u gezegd hebt, dan zal uw God mijn God zijn, en u zult in het huis van koning Nebukadnezar wonen en beroemd zijn in heel het land. ## Judith 12 — Aan tafel bij Holofernes 1. Hij gaf opdracht haar naar de kamer te brengen waar zijn zilverwerk bewaard werd, en beval dat men haar van zijn eten zou opdienen en dat zij van zijn wijn zou drinken. 2. Maar Judith zei: Ik zal daar niet van eten, zodat er geen aanstoot uit voortkomt, maar men zal mij geven uit wat ik bij mij heb. 3. Holofernes zei tegen haar: Maar als op is wat u bij u hebt, waar zullen wij dan zulk eten vandaan halen om u te geven? Er is hier niemand van uw volk. 4. Judith zei tegen hem: Zo waar u leeft, mijn heer, uw dienares zal niet opgebruikt hebben wat ik bij mij heb, of de Heere zal door mijn hand gedaan hebben wat Hij besloten heeft. 5. De dienaren van Holofernes brachten haar naar de tent, en zij sliep tot middernacht. Tegen de morgenwake stond zij op. 6. Zij stuurde een boodschap naar Holofernes: Laat mijn heer toch bevelen dat men zijn dienares naar buiten laat gaan om te bidden. Holofernes gaf zijn lijfwacht opdracht haar niet tegen te houden. 7. Zij bleef drie dagen in het kamp. 's Nachts ging zij naar buiten, het dal van Betulia in, en zij waste zich in het kamp bij de waterbronnen. 8. En als zij weer omhoog kwam, bad zij de Heere, de God van Israël, of Hij haar weg wilde leiden, zodat de kinderen van haar volk weer overeind kwamen. 9. Zij kwam terug en bleef rein in de tent, totdat men haar tegen de avond haar eten bracht. 10. Op de vierde dag richtte Holofernes een maaltijd aan, alleen voor zijn dienaren, en hij nodigde niemand uit van wie over de gewone zaken gingen. Hij zei tegen Bagoas, de kamerdienaar die over al zijn bezit ging: Ga en haal die Hebreeuwse vrouw over die bij jou is, zodat zij bij ons komt en met ons eet en drinkt. 11. Want kijk, het is een schande voor ons als wij zo'n vrouw laten gaan zonder met haar samen geweest te zijn. Als wij haar niet naar ons toe halen, zal zij ons uitlachen. 12. Bagoas ging weg bij Holofernes, kwam bij haar en zei: Laat de mooie jonge vrouw er niet tegenop zien zelf naar mijn heer te komen, om door hem geëerd te worden, met ons vrolijk wijn te drinken en vandaag te worden als een van de dochters van Assyrië, die in het huis van Nebukadnezar staan. 13. Judith zei tegen hem: Wie ben ik, dat ik mijn heer zou tegenspreken? 14. Want alles wat hem goeddunkt, zal ik ijverig doen, en dat zal mij vreugde geven tot de dag van mijn dood. 15. Toen stond zij op, kleedde zich mooi aan met al haar sieraden. Haar dienstmeisje kwam en spreidde voor haar, recht tegenover Holofernes, de vellen op de grond die zij van Bagoas had gekregen voor dagelijks gebruik, zodat zij erop kon zitten en eten. En Judith kwam binnen en ging zitten. 16. Het hart van Holofernes raakte buiten zichzelf om haar, zijn ziel raakte in beroering en hij verlangde er hevig naar met haar samen te zijn. Vanaf de dag dat hij haar gezien had, zocht hij een goed moment om haar te verleiden. 17. Holofernes zei tegen haar: Drink toch, en wees vrolijk met ons. 18. Judith zei: Ja, heer, ik wil drinken, want mijn leven is vandaag meer verhoogd dan het geweest is sinds ik geboren ben. 19. Zij nam en at en dronk voor zijn ogen wat haar dienstmeisje had klaargemaakt. 20. Holofernes was vrolijk om haar en dronk heel veel wijn, meer dan hij ooit op één dag gedronken had sinds hij geboren was. ## Judith 13 — Judith slaat Holofernes het hoofd af 1. Toen het laat geworden was, haastten zijn dienaren zich om weg te gaan. Bagoas sloot de tent van buiten af en stuurde iedereen weg die voor zijn heer stond. 2. Zij gingen naar hun bed, want zij waren allemaal moe omdat de maaltijd zo lang geduurd had. Judith bleef alleen achter in de tent. 3. Holofernes was voorover op zijn bed gevallen, want de wijn had hem overmand. 4. Judith had haar dienstmeisje opgedragen buiten de slaapkamer te blijven staan en op haar naar buiten gaan te letten, zoals elke dag, want zij had gezegd dat zij naar buiten zou gaan om te bidden. Dat had zij ook tegen Bagoas gezegd. Zij waren allemaal bij haar weggegaan, en er werd niemand in de slaapkamer gelaten, klein of groot. 5. Judith stond bij zijn bed en zei in haar hart: 6. Heere, God van alle kracht, zie op dit uur naar het werk van mijn handen, tot verhoging van Jeruzalem. Want dit is het goede moment om Uw erfdeel te hulp te komen en mijn plan uit te voeren, tot ontzetting van de vijanden die tegen ons opgestaan zijn. 7. Zij ging naar de stijl van het bed bij het hoofd van Holofernes, nam daarvandaan zijn sabel, kwam dichtbij het bed, greep hem bij het haar van zijn hoofd en zei: 8. Maak mij sterk, God van Israël, op deze dag. 9. Zij sloeg twee keer met al haar kracht in zijn hals, hakte zijn hoofd eraf en rolde het lichaam van het bed. 10. Zij nam het gordijn van de zuilen weg. 11. Kort daarna ging zij naar buiten en gaf het hoofd van Holofernes aan haar dienstmeisje, en die stopte het in de zak met haar eten. 12. Zij gingen samen naar buiten, zoals zij gewend waren. Zij liepen door het kamp, gingen om het dal heen, klommen de berg op naar de stad Betulia en kwamen bij haar poorten. 13. Judith riep van verre naar wie de wacht hielden bij de poorten: Doe open! Doe toch de poort open. God, onze God, is met ons om nog kracht te tonen in Israël en tegen de vijanden, zoals Hij ook vandaag gedaan heeft. 14. Toen de mannen van de stad haar stem hoorden, haastten zij zich naar beneden naar de stadspoort, en zij riepen de oudsten van de stad bijeen. 15. Zij liepen allemaal samen, van de kleinste tot de grootste, want zij vonden het vreemd dat zij terugkwam. Zij deden de poort open en ontvingen haar. 16. Zij staken vuur aan om licht te hebben en gingen om haar heen staan. 17. Maar zij sprak met luide stem tegen hen: 18. Prijs God, prijs Hem. Prijs God, die Zijn barmhartigheid niet van het huis van Israël afkeert, maar Hij heeft onze vijanden vannacht verwond door mijn hand. 19. Zij haalde het hoofd van Holofernes uit de zak, liet het zien en zei tegen hen: Kijk, hier is het hoofd van Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, en kijk, hier is het gordijn waaronder hij in zijn dronkenschap lag. De Heere heeft hem geslagen door de hand van een vrouw. 20. Zo waar de Heere leeft, die mij bewaard heeft op de weg die ik gegaan ben: mijn gezicht heeft hem verleid tot zijn ondergang, en hij heeft met mij geen zonde begaan tot bevlekking en schaamte. 21. Heel het volk raakte diep ontzet. Zij bogen zich neer en aanbaden God. 22. Zij zeiden eendrachtig: Geprezen bent U, onze God, die vandaag de vijanden van Uw volk tot niets hebt gemaakt. 23. Ozias zei tegen haar: Gezegend bent u, dochter, voor de allerhoogste God, boven alle vrouwen op aarde. 24. En geprezen is de Heere God, die hemel en aarde geschapen heeft, die u geleid heeft om het hoofd van de aanvoerder van onze vijanden te verwonden. 25. Want de hoop die u gaf, zal nooit verdwijnen uit het hart van mensen die aan de kracht van God denken. En God make dit voor u tot een eeuwige verhoging en bezoeke u met alles wat goed is, omdat u uw leven niet gespaard hebt vanwege de vernedering van ons volk, maar onze ondergang bent tegengegaan, doordat u oprecht voor onze God geleefd hebt. 26. En heel het volk zei: Zo zij het, zo zij het. ## Judith 14 — De Assyriërs slaan op de vlucht 1. Judith zei tegen hen: Luister nu naar mij, broeders. Neem dit hoofd en hang het buiten aan de tinnen van onze stadsmuur. 2. En wanneer de morgen aanbreekt en de zon boven de aarde opkomt, neemt ieder van u zijn wapenrusting. Alle weerbare mannen moeten de stad uit gaan en een aanvoerder aanstellen tegen hen, alsof u de vlakte in wilde gaan tegen de voorhoede van Assyrië, maar u moet niet naar beneden gaan. 3. Zij zullen hun wapens grijpen en naar hun kamp trekken en de bevelhebbers van het Assyrische leger wakker maken. 4. Zij zullen samen naar de tent van Holofernes rennen en hem niet vinden, en er zal angst over hen komen en zij zullen voor u vluchten. 5. En u zult hen achtervolgen, samen met allen die in heel het gebied van Israël wonen, en hen neerslaan op hun vluchtwegen. 6. Maar voordat u dat doet, roep Achior de Ammoniet bij mij, zodat hij ziet en herkent wie het huis van Israël veracht heeft en wie hem naar ons gestuurd heeft als naar de dood. Zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Toen hij kwam en het hoofd van Holofernes zag in de hand van een man midden in de volksvergadering, viel hij op zijn gezicht en raakte buiten bewustzijn. Toen zij hem hadden bijgebracht, viel hij aan de voeten van Judith, boog voor haar en zei: Gezegend bent u in alle tenten van Juda en onder alle volken. Wie uw naam horen, zullen zich ontzetten. Vertel mij nu alles wat u in deze dagen gedaan hebt. En Judith vertelde hem midden onder het volk alles wat zij gedaan had, vanaf de dag dat zij was weggegaan tot het moment dat zij met hen sprak. Toen zij uitgesproken was, juichte het volk luid en liet een vreugdekreet horen in hun stad. 7. Toen Achior zag wat de God van Israël allemaal gedaan had, geloofde hij vast in God. Hij liet zich besnijden en werd tot op de dag van vandaag bij het huis van Israël gerekend. 8. Toen de morgen aanbrak, hingen zij het hoofd van Holofernes aan de muur. Alle mannen van Israël namen hun wapens en trokken in groepen uit tot aan de bergpas. Zodra de Assyriërs hen zagen, stuurden zij bericht naar hun bevelhebbers. 9. Die gingen naar hun legeraanvoerders en officieren en naar iedereen die over hen het bevel voerde. Zij kwamen bij de tent van Holofernes en zeiden tegen de man die over al zijn zaken ging: 10. Maak onze heer toch wakker, want de slaven durven naar beneden te komen om ons aan te vallen, zodat zij helemaal vernietigd worden. 11. Bagoas ging naar binnen en klopte op de voorhang van de tent, 12. want hij dacht dat hij bij Judith sliep. 13. Toen hij niemand hoorde, deed hij open en kwam de slaapkamer binnen. 14. Hij vond hem dood op de vloer liggen, met zijn hoofd eraf. Hij schreeuwde het uit, huilde, kreunde en jammerde luid, en hij scheurde zijn kleren. 15. Hij ging de tent binnen waar Judith verbleef en vond haar niet. Hij rende naar buiten naar het volk en riep: Die slaven hebben verraad gepleegd. Eén Hebreeuwse vrouw heeft schande gebracht over het huis van koning Nebukadnezar. Want kijk, Holofernes ligt op de grond en zijn hoofd is er niet meer. 16. Toen de aanvoerders van het Assyrische leger deze woorden hoorden, scheurden zij hun kleren en raakten diep in verwarring. 17. Hun geschreeuw en geroep werd groot, midden in het kamp. ## Judith 15 — De buit en de eer voor Judith 1. Toen wie in de tenten waren dit hoorden, raakten zij ontzet over wat er gebeurd was, en angst en beven kwam over hen. 2. Niemand bleef staan voor de ander, maar zij liepen weg en vluchtten allemaal over alle wegen van de vlakte en van het bergland. Ook wie zich rondom Betulia in het bergland gelegerd hadden, sloegen op de vlucht. 3. Toen vielen alle weerbare mannen van Israël op hen aan. 4. Ozias stuurde boodschappers naar Betomasthem, Bebai, Chobai en Chola en naar heel het gebied van Israël, die vertelden wat er gebeurd was, zodat zij allemaal op de vijanden zouden aanvallen om hen uit te roeien. 5. Toen de Israëlieten dat hoorden, vielen zij eendrachtig op hen aan en versloegen hen tot aan Choba. Zo deden ook de mensen uit Jeruzalem die daarheen gekomen waren, en uit heel het bergland, want men had hun verteld wat het leger van hun vijanden overkomen was. 6. De mannen van Gilead en Galilea versloegen hen met een grote slachting, tot voorbij Damascus en zijn gebied. 7. De anderen, die in Betulia woonden, vielen het Assyrische kamp binnen, plunderden het en werden er zeer rijk van. 8. De Israëlieten die van de slag terugkwamen, namen de rest in bezit. De dorpen en steden in het bergland en in de vlakte kregen veel buit, want er was een enorme hoeveelheid. 9. Joakim, de hogepriester, en de raad van de Israëlieten die in Jeruzalem woonden, kwamen om te zien wat God voor Israël gedaan had, en om Judith te zien en haar vrede te wensen. 10. Toen zij bij haar binnenkwamen, zegenden zij haar allen eendrachtig en zeiden tegen haar: 11. U bent de trots van Israël, u bent de grote eer van Israël, u bent de grote roem van ons volk. U hebt dit alles met uw hand gedaan. U hebt Israël goed gedaan, en moge God er vreugde in hebben. Wees gezegend voor de almachtige Heere, tot in eeuwigheid. En heel het volk zei: Zo zij het. 12. Heel het volk plunderde het kamp, dertig dagen lang. 13. Zij gaven aan Judith de tent van Holofernes, al het zilverwerk, de bedden, de bekkens en heel zijn huisraad. Zij nam het aan, laadde het op haar muildier, spande haar wagens in en laadde het daarop. 14. Alle vrouwen van Israël liepen samen om haar te zien. Zij zegenden haar en vormden uit hun midden een reidans. 15. Zij nam groene takken in haar handen en gaf die ook aan de vrouwen bij haar, en zij kroonden zichzelf en wie bij hen waren met olijftakken. Zij ging voor heel het volk uit in de reidans en leidde alle vrouwen, en alle mannen van Israël volgden gewapend, met kransen en met lofliederen in hun mond. ## Judith 16 — Het lied van Judith 1. Judith begon dit danklied te zingen voor heel Israël, en heel het volk zong dit loflied haar na. 2. Judith zei: Begin de lof van mijn Heere met de tamboerijn. Zing voor mijn Heere met cimbalen en dicht voor Hem kunstig een nieuwe psalm. Verhef Hem en roep Zijn naam aan. 3. Want de Heere is een God die de oorlogen verplettert. Want Hij heeft mij in Zijn kamp, midden onder het volk, gered uit de hand van wie mij achtervolgden. 4. Assyrië kwam uit de bergen van het noorden. 5. Hij kwam met vele duizenden van zijn macht; hun menigte stopte de beken en hun ruiterij bedekte de heuvels. 6. Hij zei dat hij mijn gebied zou verbranden, mijn jonge mannen met het zwaard zou ombrengen, mijn zuigelingen tegen de grond zou slaan, mijn kleine kinderen als buit zou geven en mijn meisjes zou wegroven. 7. De Heere, de Almachtige, heeft hen tot niets gemaakt, door de hand van een vrouw. 8. Want hun machtige man is niet gevallen door jonge mannen; de zonen van de Titanen hebben hem niet verslagen en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen. Maar Judith, de dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt door de schoonheid van haar gezicht. 9. Want zij trok haar weduwekleren uit, om wie in Israël benauwd waren weer op te richten. 10. Zij zalfde haar gezicht met geurige zalf, bond haar haar in een band en nam een linnen kleed om hem te misleiden. 11. Haar mooie sandalen namen zijn oog gevangen en haar schoonheid nam zijn ziel gevangen, en de sabel ging door zijn hals. 12. De Perzen beefden om haar durf en de Meden waren ontzet om haar dapperheid. 13. Toen juichten mijn nederigen en riepen mijn zwakken, en zij raakten in verwarring. De mijnen verhieven hun stem en zij sloegen op de vlucht. 14. De zonen van jonge vrouwen hebben hen doorstoken en hen verwond als kinderen van overlopers. Zij zijn omgekomen door het leger van de Heere, mijn God. 15. Ik zal voor mijn God een loflied zingen. 16. Heere, U bent groot en heerlijk, wonderlijk in kracht en onoverwinnelijk. 17. Laat heel Uw schepping U dienen, want U hebt gesproken en zij ontstonden. U hebt Uw Geest gestuurd en Hij heeft ze gebouwd, en er is niemand die Uw stem zal weerstaan. 18. Want de bergen zullen met hun water uit hun fundamenten bewegen, en de rotsen zullen voor U smelten als was. 19. Maar U bent genadig voor wie ontzag voor U hebben. Want elk welriekend offer is een kleinigheid voor U en al het vet van een brandoffer is het minste, maar wie ontzag heeft voor de Heere is altijd groot. 20. Wee de volken die tegen mijn volk opstaan. De Heere, de Almachtige, zal Zich op hen wreken op de dag van het oordeel. 21. Hij zal vuur en wormen in hun vlees geven, en zij zullen van pijn huilen tot in eeuwigheid. 22. Toen zij in Jeruzalem gekomen waren, aanbaden zij God. Toen het volk gereinigd was, brachten zij hun brandoffers, hun vrijwillige offers en hun gaven. 23. Judith hing in de tempel al het vaatwerk van Holofernes op dat het volk haar gegeven had, en het gordijn dat zij uit zijn slaapkamer had meegenomen, gaf zij als heilige gave voor de Heere. 24. Het volk was drie maanden lang vrolijk in Jeruzalem, voor het heiligdom, en Judith bleef bij hen. 25. Na die dagen ging ieder terug naar zijn erfdeel, en Judith kwam terug in Betulia en bleef bij haar bezit. 26. Zij was in haar tijd zeer geëerd in heel het land. 27. Velen wilden met haar trouwen, maar geen man kwam bij haar, heel haar leven lang, vanaf de dag dat haar man Manasse gestorven was en bij zijn volk gevoegd werd. 28. Zij werd zeer geacht en zeer groot. Zij werd oud in het huis van haar man, honderdvijf jaar. Zij gaf haar dienstmeisje de vrijheid. Zij stierf in Betulia, en zij begroeven haar in de grafspelonk van haar man Manasse, en het huis van Israël rouwde zeven dagen om haar. 29. Voordat zij stierf, verdeelde zij haar bezit onder alle naaste verwanten van haar man Manasse en onder de naaste verwanten van haar eigen familie. 30. En er was niemand meer die de Israëlieten nog angst aanjoeg, in de dagen van Judith en ook nog lange tijd nadat zij gestorven was. ## Boek der Wijsheid 1 — Heb de gerechtigheid lief 1. Heb de gerechtigheid lief, jullie die de aarde besturen. Denk goed over de Heere en zoek Hem met een eenvoudig hart. 2. Want Hij laat zich vinden door wie Hem niet op de proef stellen, en Hij verschijnt aan wie Hem niet wantrouwen. 3. Want verkeerde gedachten scheiden je van God, en wanneer zij Zijn kracht op de proef stellen, wijst die de dwazen terecht. 4. Want de wijsheid komt niet in een ziel die met kwade plannen omgaat, en zij woont niet in een lichaam dat aan de zonde verplicht is. 5. Want de Heilige Geest van het onderwijs vlucht weg van bedrog, gaat weg van de gedachten van wie geen verstand hebben, en wijst hen terecht wanneer het onrecht erbij komt. 6. Want de wijsheid is een geest die van mensen houdt, maar zij zal wie met zijn lippen lastert niet vrijspreken. Want God is getuige van zijn binnenste, Hij ziet zijn hart zoals het is en Hij hoort zijn tong. 7. Want de Geest van de Heere vult de aarde, en wat alles bij elkaar houdt, kent iedere stem. 8. Daarom zal niemand die onrecht spreekt zich voor Hem kunnen verbergen, en de straf die wraak neemt zal hem niet voorbijgaan. 9. Want de plannen van de goddelozen zullen onderzocht worden, en het geluid van zijn woorden zal bij de Heere komen om zijn misdaden te bestraffen. 10. Want Zijn oplettende oor hoort alles, en het gemopper van wie klagen is voor Hem niet verborgen. 11. Pas dus op voor nutteloos gemopper en houd je tong in van kwaadspreken. Want geen woord dat in het geheim gezegd wordt, gaat verloren, en een mond die liegt, doodt de ziel. 12. Ga de dood niet zoeken door je leven verkeerd te leven, en haal de ondergang niet over je heen door wat je met je handen doet. 13. Want God heeft de dood niet gemaakt, en Hij heeft er geen plezier in dat wie leven ten onder gaan. 14. Want Hij heeft alles geschapen om te bestaan. De oerkrachten van de wereld zijn heilzaam, er zit geen dodelijk gif in, en het dodenrijk heerst niet op aarde. 15. Gerechtigheid is onsterfelijk. 16. Maar de goddelozen hebben de dood met handen en woorden naar zich toe geroepen. Zij hielden hem voor een vriend, zij smolten naar hem toe en zij sloten een verbond met hem. Want zij verdienen het dat hij hun deel is. ## Boek der Wijsheid 2 — Wat de goddelozen tegen elkaar zeggen 1. Want zij hebben dit zo overlegd en zeggen tegen elkaar: Ons leven is kort en moeilijk. Er is geen genezing tegen de dood van een mens, en niemand is bekend die uit het dodenrijk is teruggekomen. 2. Want wij zijn bij toeval geboren, en straks zullen wij zijn alsof wij er nooit geweest waren. Want de adem in onze neus is rook, en het denken is een vonk die opkomt uit het kloppen van ons hart. 3. Wanneer die vonk gedoofd is, wordt het lichaam as en wordt onze geest verspreid als de wijde lucht. 4. Onze naam raakt na een tijd vergeten, en niemand zal aan onze daden denken. Ons leven gaat voorbij als de sporen van een wolk, en het wordt uiteengejaagd als een nevel die door de stralen van de zon wordt achternagezeten en door haar hitte wordt weggedrukt. 5. Want onze tijd is een schaduw die voorbijgaat, en er is geen terugkeer uit onze dood, want die is verzegeld en niemand komt terug. 6. Kom dan, laten wij genieten van het goede dat er nu is, en laten wij snel gebruiken wat wij hebben, zoals in onze jeugd. 7. Laten wij ons volgieten met dure wijn en zalf, en laat de bloei van de lente niet aan ons voorbijgaan. 8. Laten wij ons kronen met rozenknoppen voordat zij verwelken. 9. Niemand van ons mag buiten onze overmoed blijven. Laten wij overal sporen van onze weelde achterlaten, want dit is ons deel en dit is ons lot. 10. Laten wij de arme rechtvaardige overweldigen. Laten wij de weduwen niet sparen en de grijze haren van de oude man niet ontzien. 11. Laat onze kracht de wet van het recht zijn, want wat zwak is, blijkt nutteloos. 12. Laten wij op de rechtvaardige loeren, want hij is lastig voor ons. Hij verzet zich tegen wat wij doen, hij verwijt ons de zonden tegen de wet en hij maakt ons te schande om hoe wij leven. 13. Hij doet alsof hij God kent en hij noemt zichzelf een kind van de Heere. 14. Hij is voor ons een bewijs geworden tegen onze gedachten. 15. Hij valt ons zwaar, zelfs om naar te kijken, want zijn leven is anders dan dat van anderen, en zijn wegen zijn heel anders. 16. Hij vindt ons vals zilver. Hij houdt zich ver van onze wegen als van iets onreins. Hij prijst het einde van de rechtvaardigen gelukkig en hij schept op dat God zijn vader is. 17. Laten wij kijken of zijn woorden waar zijn, en laten wij opletten hoe het met hem afloopt. 18. Want als de rechtvaardige een zoon van God is, zal God hem te hulp komen en hem redden uit de hand van wie tegen hem zijn. 19. Laten wij hem met beledigingen en pijniging onderzoeken, zodat wij weten hoe rustig hij is en hoeveel hij kan verdragen. 20. Laten wij hem tot een schandelijke dood veroordelen, want er zal voor hem gezorgd worden, zoals hij zegt. 21. Dit hebben zij bedacht, maar zij hebben zich vergist, want hun boosheid heeft hen blind gemaakt. 22. Zij begrijpen de geheimen van God niet. Zij hopen niet op het loon van de heiligheid en zij tellen de eer van de onberispelijke zielen niet. 23. Want God heeft de mens geschapen om niet te vergaan, en Hij heeft hem gemaakt als een beeld van Zijn eigen wezen. 24. Maar door de afgunst van de duivel is de dood in de wereld gekomen, en wie bij hem horen, proeven die. ## Boek der Wijsheid 3 — De zielen van de rechtvaardigen 1. Maar de zielen van de rechtvaardigen zijn in de hand van God, en geen kwaad zal hen raken. 2. In de ogen van de dwazen lijken zij te sterven, en hun heengaan wordt als een ramp gezien. 3. Hun afscheid van ons lijkt op vernietiging, maar zij zijn in vrede. 4. Want al worden zij in de ogen van de mensen gepijnigd, toch is hun hoop vol onsterfelijkheid. 5. Zij zijn maar even gestraft, en zij zullen veel goeds krijgen, omdat God hen beproefd heeft en hen Zijn waardig heeft bevonden. 6. Hij heeft hen beproefd als goud in een smeltoven en hen aangenomen als een brandoffer. 7. Op de dag dat Hij naar hen omziet, zullen zij stralen en heen en weer schieten als vonken in het stro. 8. Zij zullen over de volken oordelen en over hen heersen, en de Heere zal voor altijd als koning over hen regeren. 9. Wie op Hem vertrouwen, zullen de waarheid begrijpen, en wie geloven, zullen in liefde bij Hem blijven. Want er is genade en ontferming voor Zijn heiligen, en Hij ziet om naar Zijn uitverkorenen. 10. Maar de goddelozen zullen gestraft worden naar wat zij gedacht hebben, zij die de rechtvaardige niet meetelden en zich van de Heere afkeerden. 11. Want wie de wijsheid en de opvoeding veracht, is er ellendig aan toe. Hun hoop is leeg, hun moeite is voor niets en hun werk is nutteloos. 12. Hun vrouwen zijn dwaas en hun kinderen zijn slecht. 13. Hun geslacht is vervloekt. Daarom is de onvruchtbare vrouw gelukkig die zuiver gebleven is en die het bed niet in overtreding gekend heeft. Zij zal haar vrucht genieten wanneer God naar de zielen omziet. 14. En gelukkig is de man die geen kinderen kan krijgen en die met zijn hand geen onrecht gedaan heeft en niets kwaads tegen de Heere gedacht heeft. Want hem zal een bijzondere genade van het geloof gegeven worden en een heel mooie plaats in de tempel van de Heere. 15. Want de vrucht van goed werk is prachtig, en de wortel van de wijsheid vergaat niet. 16. Maar de kinderen van wie overspel plegen, zullen niet tot bloei komen, en wat uit een onwettig bed komt, zal verdwijnen. 17. Want ook al zouden zij lang leven, zij zullen toch voor niets gerekend worden, en hun ouderdom zal op het laatst zonder eer zijn. 18. En als zij vroeg sterven, zullen zij geen hoop hebben en geen troost op de dag van het oordeel. 19. Want het einde van het onrechtvaardige geslacht is zwaar. ## Boek der Wijsheid 4 — Wijsheid is het echte grijze haar 1. Het is beter geen kinderen te hebben en deugd te bezitten, want de herinnering aan die deugd is onsterfelijk, omdat zij bij God en bij de mensen bekend is. 2. Wanneer zij er is, volgt men haar na, en wanneer zij weggaat, verlangt men naar haar. In de komende eeuw draagt zij een kroon en viert zij feest, nadat zij de wedstrijd om de zuivere prijzen gewonnen heeft. 3. Maar de vruchtbare menigte van de goddelozen zal geen voordeel hebben, en wat uit onechte scheuten opkomt, zal niet diep wortelen en geen vaste grond krijgen. 4. Want ook al lopen de takken een tijd lang weer uit, en al komen zij prachtig op, toch zullen zij door de wind bewogen worden en door de kracht van de winden ontworteld. 5. De takjes die nog niet af zijn, zullen rondom afbreken. Hun vrucht is nutteloos, onrijp om te eten en nergens voor geschikt. 6. Want kinderen die uit een verboden verhouding geboren zijn, zijn bij een ondervraging getuigen van het kwaad van hun ouders. 7. Maar de rechtvaardige zal rust hebben, ook al sterft hij vroeg. 8. Want ouderdom is eerbaar, niet de ouderdom van veel tijd, en niet die je aan een aantal jaren afmeet. 9. Wijsheid is voor de mensen het echte grijze haar, en een zuiver leven is de echte ouderdom. 10. Wie God behaagd heeft, wordt door Hem bemind. Hij leefde tussen de zondaars en werd weggenomen. 11. Hij werd weggerukt, zodat het kwaad zijn verstand niet zou veranderen en list zijn ziel niet zou bedriegen. 12. Want de betovering van het kwaad maakt het goede donker, en de onrust van de begeerte draait een hart om dat geen kwaad kende. 13. In korte tijd werd hij volmaakt, en zo heeft hij lange tijden vervuld. 14. Want zijn ziel was de Heere welgevallig. Daarom heeft Hij zich gehaast om hem uit het midden van het kwaad weg te nemen. 15. Maar de volken zien het en denken er niet over na. Zij nemen niet in overweging dat er genade en ontferming is voor Zijn heiligen, en dat Hij omziet naar Zijn uitverkorenen. 16. De rechtvaardige die gestorven is, veroordeelt de goddelozen die leven, en de jeugd die snel voltooid is, veroordeelt de lange ouderdom van de onrechtvaardige. 17. Want zij zullen het einde van de wijze zien en niet bedenken wat zij over hem beraamd hebben en waartoe de Heere hem veilig gesteld heeft. 18. Zij zullen het zien en er niets van vinden, maar de Heere zal hen uitlachen. 19. Daarna zullen zij een schandelijke val maken en voor altijd veracht zijn onder de doden. Want Hij zal hen sprakeloos maken, voorover laten omslaan en scheuren. Hij zal hen uit de grond schudden, en zij zullen tot op het laatst verwoest worden. Zij zullen in angst zitten en de herinnering aan hen zal verdwijnen. 20. Bang zullen zij komen om rekenschap over hun zonden af te leggen, en hun onrechtvaardige daden zullen tegenover hen staan en hen aanklagen. ## Boek der Wijsheid 5 — De spijt van de goddelozen 1. Dan zal de rechtvaardige met groot zelfvertrouwen staan tegenover wie hem onderdrukt hebben en zijn inspanningen verworpen hebben. 2. En als zij dat zien, zullen zij door zware angst van streek raken en zij zullen zich ontzetten over deze onverwachte redding. 3. Vol spijt zullen zij tegen elkaar zeggen, zuchtend van angst in hun geest: Dit was de man over wie wij vroeger lachten en die wij voor schut zetten. 4. Wij dwazen hielden zijn leven voor waanzin en zijn einde voor oneervol. 5. Hoe wordt hij nu gerekend tot de kinderen van God, en hoe is zijn lot onder de heiligen! 6. Werkelijk, wij zijn van de weg van de waarheid afgedwaald. Het licht van de gerechtigheid heeft ons niet beschenen en de zon van de gerechtigheid is voor ons niet opgegaan. 7. Wij hebben ons volgestopt op de paden van onrecht en ondergang. Wij zijn door woeste omwegen getrokken, maar de weg van de Heere hebben wij niet gekend. 8. Wat hebben wij aan onze hoogmoed gehad? Wat heeft onze rijkdom met al zijn opschepperij ons opgeleverd? 9. Dat alles is voorbijgegaan als een schaduw, en als een bericht dat langskomt, 10. als een schip dat door de golven van het water vaart: als het voorbij is, vind je er geen spoor van, en ook niet het spoor van zijn kiel door de golven. 11. Of zoals je geen spoor vindt van de vlucht van een vogel die door de lucht vliegt: als de vleugels bewegen, gaat de slag van de wieken door de lichte lucht, die door de kracht van het suizen gespleten wordt, en daarna vind je er geen teken van de doortocht in. 12. Of zoals de lucht meteen weer samenkomt wanneer een pijl naar een doel geschoten is, zodat je niet weet waar hij doorheen gegaan is. 13. Zo zijn ook wij: zodra wij geboren waren, hielden wij op. 14. Wij kunnen geen teken van deugd laten zien, maar wij zijn in ons eigen kwaad opgebrand. 15. Want de hoop van de goddeloze is als een pluisje dat door de wind wordt meegenomen, als een dunne rijp die door een wervelwind wordt weggejaagd, als rook die door de wind verwaait, of als de herinnering aan iemand die maar één dag te gast is geweest. 16. Maar de rechtvaardigen leven voor altijd. Hun loon is bij de Heere, en de Allerhoogste zorgt voor hen. 17. Daarom zullen zij een prachtig koninkrijk krijgen en een mooie kroon uit de hand van de Heere. Want met Zijn rechterhand zal Hij hen beschermen en met Zijn arm zal Hij hen beschutten. 18. Hij zal Zijn ijver als een volledige wapenrusting aantrekken en Zijn schepselen bewapenen om wraak te nemen op de vijanden. 19. Hij zal de gerechtigheid aantrekken als een borstharnas en een eerlijk oordeel opzetten als een helm. 20. Hij zal de heiligheid nemen als een onoverwinnelijk schild, 21. en Hij zal Zijn strenge toorn slijpen tot een zwaard, en de wereld zal met Hem meevechten tegen wie geen verstand hebben. 22. De goedgerichte pijlen van de bliksem zullen uitgaan en als van een strak gespannen boog uit de wolken het doel treffen. 23. Dikke hagelstenen zullen geworpen worden, als uit een slinger van woede. Het water van de zee zal tegen hen tekeergaan en de rivieren zullen samen heftig overstromen. 24. De Geest van de kracht zal hen tegenhouden en hen als een wervelwind uitwaaien. Het onrecht zal de hele aarde verwoesten en de boosaardigheid zal de tronen van de machtigen omverwerpen. ## Boek der Wijsheid 6 — Koningen, leer wijsheid 1. Luister dan, koningen, en begrijp het. Leer, rechters van de einden van de aarde. 2. Laat dit tot jullie oren doordringen, jullie die over menigten heersen en trots zijn op de massa's van de volken. 3. Want jullie macht is jullie door de Heere gegeven, en jullie gezag door de Allerhoogste. Hij zal nauwkeurig navragen wat jullie gedaan hebben en jullie plannen onderzoeken. 4. Want jullie zijn dienaren van Zijn koninkrijk, en toch hebben jullie niet rechtvaardig geoordeeld, de wet niet gehouden en niet naar de raad van God geleefd. 5. Verschrikkelijk en snel zal Hij over jullie komen, want er komt een streng oordeel over wie boven anderen zijn gesteld. 6. Want de kleinsten wordt uit ontferming vergeven, maar de machtigen zullen streng onderzocht worden. 7. Want de Heere van allen ziet niemand naar de ogen en is voor geen grootheid bang. Hij heeft klein en groot gemaakt en Hij zorgt voor allen tegelijk. 8. Maar over wie heersen komt een streng onderzoek. 9. Tot jullie dan, koningen, spreek ik, zodat jullie wijsheid leren en niet ten val komen. 10. Want wie de heilige dingen heilig bewaard hebben, zullen geheiligd worden, en wie zich dat eigen gemaakt hebben, zullen zich kunnen verantwoorden. 11. Verlang dus naar mijn woorden, zie ernaar uit, en jullie zullen onderwezen worden. 12. Schitterend is de wijsheid en zij verwelkt niet. Wie van haar houden, zien haar gemakkelijk, en wie haar zoeken, vinden haar. 13. Zij komt wie haar verlangen al tegemoet om alvast gekend te worden. 14. Wie vroeg in de ochtend naar haar toe komt, zal geen moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poort zien zitten. 15. Want aan haar denken is volmaakt verstandig, en wie om haar wakker blijft, is al snel zonder zorgen. 16. Want zij gaat rond en zoekt wie haar waardig zijn. Op de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en bij elke overweging komt zij hun tegemoet. 17. Want haar begin is het echte verlangen naar onderwijs, en de zorg om onderwezen te worden is liefde, 18. en de liefde is het houden van haar wetten, en het houden van de wetten geeft zekerheid dat je niet vergaat, 19. en niet vergaan brengt je dicht bij God. 20. Want alleen al het verlangen naar de wijsheid brengt je bij het koninkrijk. 21. Als jullie dan, koningen van de volken, plezier hebben in tronen en scepters, eer dan de wijsheid, zodat jullie voor altijd als koningen kunnen regeren. 22. Wat de wijsheid is en hoe zij ontstaan is, zal ik jullie vertellen. Ik zal de geheimen niet voor jullie verbergen, maar ik zal haar vanaf het begin van haar geboorte zorgvuldig nagaan, ik zal de kennis over haar tevoorschijn halen, en ik zal de waarheid zeker niet voorbijgaan. 23. En ik zal niet op weg gaan met de verterende afgunst, want die heeft niets met de wijsheid te maken. 24. Maar een grote groep wijzen is de redding van de wereld, en een wijze koning is het welzijn van het volk. 25. Laat je dan onderwijzen door mijn woorden, en het zal je voordeel opleveren. ## Boek der Wijsheid 7 — Ook ik ben een sterfelijk mens 1. Ook ik ben een sterfelijk mens, net als alle anderen, en ik kom uit het geslacht van de eerstgeschapen mens, die uit de aarde is ontstaan. 2. In het lichaam van mijn moeder ben ik in tien maanden tot vlees gevormd, samengevoegd in bloed uit het zaad van een man en het genot dat daarbij komt met de slaap. 3. En toen ik geboren was, heb ook ik de lucht ingeademd die wij allemaal delen, en ben ik gevallen op de aarde, die dezelfde eigenschappen heeft als wij. Huilen was mijn eerste geluid, net als bij alle anderen. 4. Ik ben in doeken en met zorg grootgebracht. 5. Want geen koning is op een andere manier geboren. 6. Alle mensen komen op dezelfde manier het leven binnen, en gaan er op dezelfde manier weer uit. 7. Daarom bad ik, en mij werd verstand gegeven. Ik riep, en de geest van de wijsheid kwam naar mij toe. 8. Ik hield meer van haar dan van scepters en tronen, en rijkdom stelt naast haar niets voor. 9. Ik vergeleek geen edelsteen met haar, want tegenover haar is al het goud maar een beetje zand, en zilver is als modder als je het naast haar legt. 10. Meer dan gezondheid en een mooi uiterlijk had ik haar lief, en ik koos haar om haar als licht te hebben, want de glans die van haar komt, gaat nooit uit. 11. En met haar kwam allerlei goeds naar mij toe, en ontelbare rijkdom door haar handen. 12. Ik was blij met alles, want de wijsheid ging erin voorop, en ik wist niet dat zij dat alles voortbracht. 13. Zonder bijbedoeling heb ik geleerd, en zonder afgunst deel ik het uit. Haar rijkdom houd ik niet verborgen. 14. Zij is voor de mensen een schat die niet opraakt. Wie haar gebruiken, krijgen vriendschap met God en zijn welkom bij Hem om de gaven die uit het onderwijs voortkomen. 15. En God heeft mij gegeven dat ik mijn gedachten kan zeggen en kan bedenken wat past bij wat mij gegeven is. Want Hij leidt op de weg van de wijsheid en Hij stuurt de wijzen goed. 16. Want in Zijn hand zijn wij en onze woorden, en ook alle vaardigheid en kennis van het vak. 17. Want Hij heeft mij echte kennis gegeven van de dingen die er zijn: hoe de wereld in elkaar zit en hoe de elementen werken, 18. het begin, het einde en het midden van de tijden, de omkeer van de zonnewendes en het wisselen van de seizoenen, 19. de loop van het jaar en de stand van de sterren, 20. de aard van de dieren en de woestheid van de wilde dieren, het geweld van de winden en de gedachten van de mensen, het vele verschil tussen planten en de krachten van de wortels. 21. Ik heb kennis van alles, van het verborgene en van het openbare, want de wijsheid, die alles kan maken, heeft het mij geleerd. 22. Want in haar zit een geest die verstandig is, heilig, enig, veelzijdig, fijn, snel, zuiver, onbesmet, helder, zacht, het goede liefhebbend, scherp, niet tegen te houden en goeddoend, 23. vriendelijk, vast, betrouwbaar, onbezorgd, alles kunnend, alles overziend, en door alle verstandige, zuivere, allerfijnste geesten heen gaand. 24. Want de wijsheid beweegt sneller dan alle beweging. Zij dringt overal doorheen en gaat door alles heen, omdat zij zuiver is. 25. Want zij is een damp van de kracht van God en een zuivere uitstroming van de heerlijkheid van de Almachtige. Daarom valt er niets vuils in haar. 26. Want zij is een weerschijn van het eeuwige licht, een vlekkeloze spiegel van de werkende kracht van God en een beeld van Zijn goedheid. 27. Zij is één, en toch kan zij alles doen. Zij blijft zichzelf en toch vernieuwt zij alles. Van geslacht op geslacht gaat zij over in heilige zielen en maakt zij vrienden van God en profeten. 28. Want God heeft niets zo lief als wie bij de wijsheid woont. 29. Want zij is mooier dan de zon en hoger dan alle sterren. Als je haar met het licht vergelijkt, blijkt zij beter. 30. Want na het licht komt de nacht, maar de boosheid zal de wijsheid niet overweldigen. ## Boek der Wijsheid 8 — Ik zocht haar als bruid 1. Zij reikt van het ene einde tot het andere einde, en zij bestuurt alles goed. 2. Ik heb haar liefgehad en vanaf mijn jeugd gezocht. Ik heb geprobeerd haar als bruid te krijgen en ik ben van haar schoonheid gaan houden. 3. Zij maakt haar voorname afkomst prachtig doordat zij met God omgaat, en de Heere van alles heeft haar lief. 4. Want zij is een leermeesteres van de kennis van God, en zij kiest uit Zijn werken. 5. En als rijkdom in het leven een heel begerenswaardig bezit is, wat is er dan rijker dan de wijsheid, die alles bewerkt? 6. En als vindingrijkheid iets tot stand brengt, wie is er dan onder alles wat bestaat een grotere kunstenaar dan zij? 7. En als iemand van gerechtigheid houdt: al haar werk is niets dan deugd. Want zij leert je nuchterheid en verstand, gerechtigheid en moed, en dat is voor een mens in het leven nuttiger dan wat ook. 8. En als iemand ervaring in veel dingen zoekt: zij kent de oude geschiedenissen en raadt wat komen gaat. Zij weet hoe woorden verdraaid worden en hoe je raadsels oplost. Zij weet tekenen en wonderen van tevoren, en de afloop van gelegenheden en tijden. 9. Daarom heb ik besloten haar bij mij te halen om met mij te leven, want ik weet dat zij mij zal raden wat goed is en dat zij mij zal bemoedigen in zorg en verdriet. 10. Door haar zal ik aanzien hebben bij het volk, en al ben ik jong, eer bij de ouderen. 11. Ik zal in de rechtszaal scherpzinnig blijken, en de machtigen zullen zich over mij verwonderen. 12. Als ik zwijg, zullen zij op mij wachten. Als ik spreek, zullen zij opletten. En als ik doorspreek, zullen zij hun hand op hun mond leggen. 13. Door haar zal ik onsterfelijkheid hebben, en ik zal een blijvende herinnering achterlaten voor wie na mij komen. 14. Ik zal volken regeren, en naties zullen mij onderworpen zijn. 15. Verschrikkelijke tirannen zullen bang zijn als zij van mij horen. Onder de menigte zal ik mij goed laten zien, en in de oorlog als een man. En als ik thuiskom, zal ik bij haar rust hebben. 16. Want met haar omgaan geeft geen verdriet en met haar leven doet geen pijn, maar het geeft vreugde en blijdschap. 17. Toen ik dit bij mijzelf overwoog en in mijn hart bedacht dat er in de verwantschap met de wijsheid onsterfelijkheid zit, 18. en in haar vriendschap goed genoegen, en in al het werk van haar handen rijkdom die niet opraakt, en dat je door met haar om te gaan verstandig wordt, en dat er in het delen van haar woorden een goede naam ligt, toen ging ik op zoek hoe ik haar bij mij kon krijgen. 19. Ik was een goedaardig kind en ik had een goede ziel gekregen. 20. Of liever: omdat ik goed was, ben ik in een zuiver lichaam gekomen. 21. En toen ik begreep dat ik haar niet zou krijgen als God haar mij niet gaf — en ook dat inzien was al verstandig, namelijk weten van wie die genade komt — ging ik naar de Heere toe, bad ik tot Hem en sprak ik uit heel mijn hart: ## Boek der Wijsheid 9 — Het gebed om wijsheid 1. God van mijn voorouders en Heere van de ontferming, U hebt alles gemaakt door Uw woord. 2. En U hebt de mens gemaakt door Uw wijsheid, zodat hij zou heersen over de schepselen die U gemaakt hebt, 3. en zodat hij de wereld zou besturen in heiligheid en gerechtigheid en zou oordelen met een oprecht hart. 4. Geef mij de wijsheid die naast Uw troon zit, en verwerp mij niet uit Uw kinderen. 5. Want ik ben Uw dienaar en de zoon van Uw dienares, een zwak mens met weinig tijd, en ik begrijp maar weinig van recht en wet. 6. Want ook al zou iemand onder de mensenkinderen volmaakt zijn, hij zal toch voor niets gerekend worden als de wijsheid die van U komt niet bij hem is. 7. U hebt mij uitgekozen tot koning over Uw volk en tot rechter over Uw zonen en dochters. 8. U hebt gezegd dat ik een tempel op Uw heilige berg zou bouwen en een altaar in de stad waar U woont, naar het voorbeeld van de heilige tent die U vanaf het begin had klaargemaakt. 9. Bij U is de wijsheid, die Uw werken kent en erbij was toen U de wereld maakte. Zij begrijpt wat aangenaam is in Uw ogen en wat recht is volgens Uw geboden. 10. Stuur haar uit Uw heilige hemel, ja, stuur haar van de troon van Uw heerlijkheid, zodat zij bij mij is en met mij meewerkt, en zodat ik begrijp wat U graag wilt. 11. Want zij weet alles en begrijpt alles. Zij zal mij verstandig leiden in wat ik doe en mij bewaren door haar heerlijkheid. 12. Dan zal mijn werk aangenaam zijn. Dan zal ik Uw volk rechtvaardig besturen en de troon van mijn vader waard zijn. 13. Want welke mens kan de raad van God kennen? Of wie kan bedenken wat God wil? 14. Want de overwegingen van sterfelijke mensen zijn bang, en onze gedachten zijn onzeker. 15. Want het vergankelijke lichaam drukt op de ziel, en de aardse tent drukt het bezorgde gemoed omlaag. 16. Wij kunnen nauwelijks nagaan wat er op aarde is, en met moeite vinden wij wat vlak voor onze handen ligt. Wie heeft dan onderzocht wat in de hemel is? 17. En wie heeft Uw raad gekend, behalve wanneer U wijsheid gegeven en Uw Heilige Geest van de hoogste plaats gestuurd hebt? 18. Zo zijn de paden recht gemaakt van wie op aarde zijn, en hebben de mensen geleerd wat U graag wilt. 19. En door de wijsheid zijn zij gered. ## Boek der Wijsheid 10 — Wat de wijsheid gedaan heeft 1. Deze wijsheid heeft de eerstgevormde vader van de wereld bewaard, die als enige geschapen was. 2. Zij heeft hem uit zijn eigen val getrokken en hem kracht gegeven om over alles te heersen. 3. Maar de onrechtvaardige, die door zijn woede van haar afviel, is verloren gegaan met zijn woedende drift die tot de moord op zijn broer leidde. 4. En toen de aarde om hem met de vloed bedekt was, heeft de wijsheid opnieuw gered: zij stuurde de rechtvaardige door een eenvoudig stuk hout. 5. En toen de volken door boze eigenzinnigheid in verwarring waren geraakt, heeft zij de rechtvaardige gekend en hem onberispelijk voor God bewaard, en zij hield hem sterk toen zijn hart hevig bewogen was over zijn zoon. 6. Toen de goddelozen omkwamen, heeft zij de rechtvaardige bevrijd, toen hij vluchtte voor het vuur dat op de vijf steden neerviel. 7. Van hun boosheid getuigt nog altijd dat rokende, verlaten land, en de bomen die vruchten dragen die nooit rijp worden, en de zoutzuil die daar staat als herinnering aan de ziel die niet geloofde. 8. Want wie de wijsheid links laten liggen, lijden niet alleen die schade dat zij het goede niet kennen, maar zij laten ook in dit leven een herinnering na aan hun eigen dwaasheid, zodat zij zich zelfs niet kunnen verstoppen in datgene waarin zij gestruikeld zijn. 9. Maar de wijsheid heeft wie haar dienen uit hun moeite gered. 10. Zij leidde de rechtvaardige langs rechte paden toen hij vluchtte voor de woede van zijn broer. Zij liet hem het koninkrijk van God zien en gaf hem kennis van heilige dingen. Zij liet zijn werk slagen en vermeerderde de opbrengst van zijn moeite. 11. Toen wie hem geweld aandeden hebzuchtig waren, stond zij naast hem en maakte zij hem rijk. 12. Zij beschermde hem tegen de vijanden en maakte hem veilig voor wie hem lagen legden. In die harde strijd gaf zij hem de overwinning, zodat hij zou weten dat het ontzag voor God sterker is dan alles. 13. Zij heeft de rechtvaardige die verkocht was niet in de steek gelaten, maar zij heeft hem van de zonde bevrijd. Zij ging met hem mee de put in. 14. En in zijn boeien heeft zij hem niet verlaten, maar zij bleef bij hem tot zij hem de scepter van het koninkrijk bracht en macht over wie hem wreed behandeld hadden. Zij liet zien dat wie hem bespot hadden leugenaars waren, en zij gaf hem blijvende eer. 15. Zij heeft dat heilige volk en dat onberispelijke nageslacht bevrijd uit het volk dat hen onderdrukte. 16. Zij is in de ziel van de dienaar van de Heere gegaan en heeft de vreselijke koningen weerstaan met wonderen en tekenen. 17. Zij heeft de heiligen het loon van de heiligheid gegeven voor hun moeite. Zij heeft hen langs een wonderlijke weg geleid en was voor hen overdag een beschutting en 's nachts een vlam van sterren. 18. Zij heeft hen door de Rode Zee laten gaan en door veel water heen gebracht. 19. Maar hun vijanden liet zij verdrinken en zij trok hen niet uit de diepte van de afgrond omhoog. 20. Daarom hebben de rechtvaardigen de goddelozen beroofd, en zij hebben, Heere, Uw heilige naam bezongen en eendrachtig Uw beschermende hand geprezen. 21. Want de wijsheid opende de mond van wie niet konden spreken, en zij maakte de tongen van sprakeloze kinderen welsprekend. ## Boek der Wijsheid 11 — Waarmee je zondigt, daarmee word je gestraft 1. Zij heeft hun werk laten slagen door de hand van de heilige profeet. 2. Zij trokken door een onbewoonde woestijn, en op onbegaanbare plaatsen sloegen zij hun tenten op. 3. Zij hielden stand tegen wie hen aanvielen, en zij namen wraak op hun vijanden. 4. Zij hadden dorst en riepen U aan, en er werd hun water gegeven uit een steile rots, genezing van de dorst uit een harde steen. 5. Want waar hun vijanden mee geplaagd waren, 6. daarmee werd hun goedgedaan toen zij gebrek hadden. 7. Zo werden de vijanden, in plaats van een bron met altijd stromend water, van streek gebracht door bloed dat op etter leek, als bewijs tegen het bevel om de kleine kinderen te doden. 8. En aan dit volk hebt U overvloedig water gegeven, meer dan zij verwachtten. 9. U liet met de dorst die zij toen leden zien hoe U hun tegenstanders geplaagd had. 10. Want toen zij op de proef gesteld werden, en uit ontferming gestraft, begrepen zij hoe de goddelozen gepijnigd worden die in toorn veroordeeld zijn. 11. Want hen hebt U als een Vader terechtgewezen en beproefd, maar de anderen hebt U streng onderzocht en als een strenge koning veroordeeld. 12. En zowel wie ver weg waren als wie erbij waren, werden even zwaar gekweld. 13. Want een dubbel verdriet greep hen aan, en een zuchten, bij de herinnering aan wat voorbij was. 14. Want toen zij hoorden dat de anderen door diezelfde plagen juist goed behandeld werden, voelden zij de Heere. 15. Want de man die zij vroeger te vondeling gelegd en weggeworpen hadden en van wie zij spottend gezegd hadden dat hij niet meer meetelde, over hem hebben zij zich aan het eind verwonderd, terwijl zij een andere dorst leden dan de rechtvaardigen. 16. En in plaats van de onverstandige overwegingen van hun onrecht, waardoor zij misleid werden en kruipende dieren zonder verstand en verachtelijke beesten vereerden, hebt U hun een massa dieren zonder verstand gestuurd om hen te straffen. 17. Zo zouden zij erkennen dat je gestraft wordt met datgene waarmee je zondigt. 18. Want het ontbrak Uw almachtige hand niet, die de wereld gemaakt heeft uit stof zonder vorm, om een massa beren of brutale leeuwen op hen af te sturen, 19. of onbekende dieren vol nieuwgeschapen woede, of dieren die een vuurblazende adem uitsnuiven, of het gesuis van rondwaaiende rook, of vreselijke vonken die uit hun ogen bliksemen. 20. De schade daarvan had hen niet alleen tegelijk kunnen vermorzelen, maar hun vreselijke aanblik alleen al had hen kunnen doden. 21. Ja, ook zonder dat alles hadden zij door één ademstoot kunnen vallen, achtervolgd door de wraak en uiteengeblazen door de adem van Uw kracht, als door een wan. Maar U hebt alles geordend naar maat, getal en gewicht. 22. Want U hebt altijd grote macht, en wie kan de kracht van Uw arm weerstaan? 23. Want de hele wereld is voor U als een stofje op de weegschaal, en als een druppel morgendauw die op de aarde valt. 24. Maar U ontfermt zich over alle mensen, omdat U alles kunt, en U ziet de zonden van de mensen door de vingers, zodat zij zich kunnen bekeren. 25. Want U houdt van alles wat er is en U hebt van niets een afkeer dat U gemaakt hebt. Want als U iets gehaat had, zou U het niet gemaakt hebben. 26. En hoe zou er iets kunnen blijven bestaan als U dat niet gewild had? Of hoe zou iets in stand blijven dat U niet geroepen hebt? 27. Maar U spaart alles, omdat het van U is, Heere, U die van de zielen houdt. ## Boek der Wijsheid 12 — God geeft tijd om terug te komen 1. Want Uw onvergankelijke Geest is in allen. 2. Daarom straft U wie afglijden langzaam. U wijst hen terecht en herinnert hen eraan waarin zij zondigen, zodat zij van het kwaad afkeren en in U geloven, Heere. 3. Want U had een hekel aan de oude bewoners van Uw heilige land, 4. omdat zij vreselijke dingen deden: toverij en onheilige offers. 5. U hebt die onbarmhartige moordenaars van hun eigen kinderen, die het binnenste van mensenvlees aten, 6. die bloeddrinkers, uit het midden van Uw heilige land willen uitroeien, en ook die ouders die met hun eigen handen hulpeloze zielen ombrachten, door de handen van onze voorouders. 7. Zo zou het land, dat voor U het kostbaarst van alle is, een passende woonplaats voor de kinderen van God worden. 8. Maar ook hen hebt U als mensen gespaard. U hebt voorlopers van Uw leger voor hen uit gestuurd, wespen, om hen langzamerhand uit te roeien. 9. U was niet te zwak om de goddelozen in een veldslag aan de rechtvaardigen te onderwerpen, of om hen met vreselijke dieren of met één streng woord tot de laatste man te vernietigen. 10. Maar U strafte langzaam en gaf hun tijd om zich te bekeren, terwijl U heel goed wist dat hun geslacht slecht was, dat hun boosheid hun aangeboren was en dat hun gedachten nooit zouden veranderen. 11. Want het was vanaf het begin een vervloekt nageslacht. En omdat U voor niemand bang was, gaf U hun rust in wat zij verkeerd deden. 12. Want wie zal zeggen: wat hebt U gedaan? Wie zal zich verzetten tegen Uw oordeel? Wie zal U beschuldigen om de volken die verloren gaan en die U zelf gemaakt hebt? Wie zal tegenover U als wreker kunnen staan voor de onrechtvaardige mensen? 13. Want er is geen God dan U, die voor alles zorgt, zodat U kunt laten zien dat U niet onrechtvaardig geoordeeld hebt. 14. Geen koning en geen tiran zal U onder ogen durven komen over wie U gestraft hebt. 15. Maar omdat U rechtvaardig bent, bestuurt U alles rechtvaardig. U vindt het in strijd met Uw macht om iemand te veroordelen die geen straf verdient. 16. Want Uw kracht is het begin van de gerechtigheid, en juist omdat U over allen heerst, spaart U hen allen. 17. Want U toont Uw kracht wanneer men niet gelooft dat Uw macht volledig is, en U weerlegt de brutaliteit van wie haar wel kennen. 18. Maar U, die over de kracht heerst, oordeelt met mildheid en bestuurt ons met veel geduld, want de macht is bij U wanneer U wilt. 19. Door zulke daden hebt U Uw volk geleerd dat de rechtvaardige vriendelijk voor mensen moet zijn. En U hebt Uw kinderen goede hoop gegeven, omdat U na de zonde ruimte geeft voor bekering. 20. Want als U de vijanden van Uw kinderen, die de dood verdienden, met zo veel zorg gestraft hebt en hun tijd en gelegenheid gaf om van het kwaad af te zien, 21. met hoeveel zorg oordeelt U dan Uw eigen kinderen, met wier voorouders U eden en verbonden van goede beloften gesloten hebt? 22. Terwijl U ons opvoedt, straft U onze vijanden tienduizend keer zo hard, zodat wij bij ons oordelen zorgvuldig op Uw goedheid letten, en zodat wij ontferming verwachten wanneer wij zelf geoordeeld worden. 23. Daar komt het ook vandaan dat U wie in de dwaasheid van hun leven onrechtvaardig geleefd hebben, gepijnigd hebt met hun eigen gruwelijkheden. 24. Want zij waren zo ver op de dwaalwegen verdwaald dat zij zelfs de dieren voor goden hielden die bij hun vijanden geen eer kregen. Zij waren bedrogen als kinderen zonder verstand. 25. Daarom hebt U het oordeel als een bespotting over hen gestuurd, alsof zij kinderen zonder verstand waren. 26. Maar wie zich door die bespottelijke straf niet hebben laten waarschuwen, zullen een oordeel van God ondervinden dat zij verdienen. 27. Want zij waren heel ontevreden toen zij daarom moesten lijden. Maar toen zij zagen dat zij gestraft werden door datgene wat zij voor goden hielden, hebben zij erkend dat Hij de ware God is, die zij eerder niet hadden willen kennen. Daarom is ook het uiterste oordeel over hen gekomen. ## Boek der Wijsheid 13 — Wie de maker niet herkent 1. Werkelijk, alle mensen bij wie geen kennis van God is, zijn van nature leeg. Uit de zichtbare goede dingen hebben zij Hem die is niet kunnen kennen, en door naar Zijn werken te kijken hebben zij de maker niet herkend. 2. Maar zij dachten dat het vuur, of de wind, of de snelle lucht, of de loop van de sterren, of het krachtige water, of de lichten aan de hemel goden waren die de wereld bestuurden. 3. Als zij die dingen dan voor goden aannamen omdat zij plezier hadden in hun schoonheid, laten zij dan erkennen hoeveel beter de Heere daarvan is. Want Hij die de schoonheid begonnen is, heeft die dingen geschapen. 4. En als zij vol verwondering waren over hun kracht en werking, laten zij daaruit dan opmaken hoeveel machtiger Hij is die ze gemaakt heeft. 5. Want uit de grootte en de schoonheid van de schepselen kun je hun maker zien, als je Hem ernaast legt. 6. En toch valt er over hen weinig te klagen, want misschien dwalen zij terwijl zij God zoeken en Hem graag willen vinden. 7. Want zij gaan met Zijn werken om, zij onderzoeken ze, en zij worden meegenomen door wat zij zien, omdat wat zij zien mooi is. 8. Maar aan de andere kant valt ook hun dit niet te vergeven. 9. Want als zij zo veel konden weten dat zij de kennis van de wereld konden bereiken, hoe hebben zij dan niet veel eerder de Heere van die dingen gevonden? 10. Maar het zijn ellendige mensen, en al hun hoop hoort bij de doden, want zij hebben het werk van mensenhanden goden genoemd: kunstig bewerkt goud en zilver, beelden van dieren, of een nutteloze steen die door een oude hand gemaakt is. 11. Neem een timmerman die een sappige boom omzaagt en vakkundig alle schors eraf haalt. Hij bewerkt hem kunstig en maakt er een mooi stuk werk van dat nuttig is in het dagelijks leven. 12. Het schaafsel van zijn werk gebruikt hij om eten te koken, en hij eet zich vol. 13. En wat er overblijft en nergens goed voor is, een krom stuk hout vol kwasten, dat pakt hij. In zijn vrije tijd snijdt hij er zorgvuldig aan en hij maakt er met zijn vakmanschap een beeld van dat op een mens lijkt. 14. Of hij maakt het gelijk aan een dier van weinig waarde. Hij bestrijkt het met rode verf en blanketsel, hij maakt de kleur roodachtig en hij verft alle vlekken weg die erin zaten. 15. En als hij er een huisje voor gemaakt heeft dat erbij past, zet hij het in de muur en maakt hij het met ijzer vast. 16. Hij zorgt er van tevoren voor dat het vooral niet valt, want hij weet dat het zichzelf niet kan helpen. Het is immers een beeld en het heeft hulp nodig. 17. En toch bidt hij voor zijn bezit, zijn huwelijk en zijn kinderen, en hij schaamt zich er niet voor iets aan te spreken dat geen ziel heeft. 18. Hij roept om gezondheid tot wat zwak is. Hij bidt om leven tot wat dood is. En wat helemaal niets kan, dat smeekt hij om hulp. 19. En om een goede reis bidt hij tot iets dat zelf geen stap kan zetten. Om winst, om werk, om alles wat je met je handen bereikt en om een goede afloop bidt hij tot iets dat met zijn handen niet kan werken. ## Boek der Wijsheid 14 — Waar de afgodendienst vandaan komt 1. Neem ook iemand die zich klaarmaakt om uit te varen en van plan is door de wilde golven te reizen: hij roept een stuk hout aan dat nog meer verrot is dan het schip dat hem draagt. 2. Want de zucht naar winst heeft dat schip bedacht, en het vakmanschap heeft het gemaakt. 3. Maar Uw zorg, Vader, bestuurt het. Want U geeft ook in de zee een weg en in de golven een veilig pad. 4. Zo laat U zien dat U uit alle gevaren kunt redden, zodat ook iemand zonder vakkennis aan boord kan gaan. 5. U wilt niet dat het werk van Uw wijsheid leeg blijft. Daarom vertrouwen mensen hun leven toe aan een heel klein stukje hout, en varen zij door de golven en worden zij door een schip gered. 6. Want ook in het begin, toen de hoogmoedige reuzen omkwamen, nam de hoop van de wereld haar toevlucht tot een schip, en zo liet zij, bestuurd door Uw hand, een nageslacht voor de wereld na. 7. Want gezegend is het hout waardoor gerechtigheid gebeurt. 8. Maar wat met handen gemaakt is, is vervloekt, en ook wie het gemaakt heeft: hij omdat hij het gemaakt heeft, en het ding omdat het vergankelijk is en toch God genoemd wordt. 9. Want bij God zijn de goddeloze en zijn goddeloosheid even verwerpelijk. 10. En daarom zal het maaksel samen met de maker gestraft worden. 11. Daarom zal er ook afgerekend worden met de afgoden van de volken, omdat zij onder de schepselen van God een gruwel geworden zijn, voor de zielen van de mensen een valstrik en voor de voeten van wie geen verstand hebben een strik. 12. Want het bedenken van afgoden is het begin van de ontucht, en het uitvinden ervan is het bederf van het leven. 13. Want zij waren er in het begin niet, en zij zullen er voor altijd niet zijn. 14. De lege eer van de mensen heeft hen in de wereld gebracht, en daarom is er ook al snel een einde voor hen bedacht. 15. Want een vader die uitgeput was van het vroege verdriet om zijn zoon, die snel van hem was weggehaald, maakte een beeld. De mens die toen dood was, eert hij nu als een god, en hij beval wie onder hem stonden erediensten en offers te houden. 16. Toen deze goddeloze gewoonte na verloop van tijd de overhand kreeg, werd zij als een wet gehouden, en de gesneden beelden werden op bevel van tirannen vereerd. 17. En omdat mensen die ver weg woonden niet aanwezig konden zijn om hen te eren, maakten zij een afbeelding van het gezicht dat ver van hen was. Zij maakten een beeld dat op de koning leek die zij vereerden, zodat zij de afwezige ijverig konden vleien alsof hij erbij was. 18. De eerzucht van de kunstenaar heeft ook wie er niets van wisten aangespoord om die beeldendienst voort te zetten. 19. Want hij wilde misschien de vorst een plezier doen en heeft zijn best gedaan om met zijn vak de gelijkenis zo mooi mogelijk te treffen. 20. En het gewone volk, aangetrokken door de mooie uitvoering, hield voor god wie kort daarvoor nog als mens vereerd werd. 21. En dit werd een valstrik voor het leven, omdat de mensen, gedreven door rampspoed of door dwingelandij, aan steen en hout de naam gaven die aan niets anders gegeven mag worden. 22. Bovendien was het niet genoeg dat zij over de kennis van God dwaalden. Zij leefden in een grote strijd van onwetendheid, en al die kwade dingen noemden zij nog vrede ook. 23. Want zij houden offers waarbij zij hun kinderen doden, of geheime erediensten, of uitzinnige drinkgelagen volgens vreemde regels. 24. Daarna houden zij hun leven en hun huwelijk niet meer zuiver. De een brengt de ander met list om, of doet hem pijn door overspel. 25. Alles loopt er door elkaar: bloed en moord, diefstal en bedrog, bederf, ontrouw, opstand, meineed en het lastigvallen van wie goed zijn, 26. het vergeten van weldaden, het bevuilen van de zielen, verwisseling van afkomst, ongeregeld huwelijk, overspel en losbandigheid. 27. Want het dienen van afgoden, dat je eigenlijk niet eens moet noemen, is het begin, de oorzaak en het einde van al het kwaad. 28. Want zij zijn uitgelaten en razen, of zij profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig, of zij zweren zomaar valse eden. 29. Want omdat zij vertrouwen op afgoden die geen leven hebben, verwachten zij niet dat een valse eed hun kwaad zal doen. 30. Maar zij zullen om die twee dingen terecht gestraft worden: dat zij verkeerd over God dachten toen zij zich aan de afgoden vastklampten, en dat zij onrechtvaardig en bedrieglijk zwoeren en de heiligheid verachtten. 31. Want het is niet de kracht van wie men bij zweert, maar de straf op wie zondigen, die altijd komt over de overtreding van de onrechtvaardigen. ## Boek der Wijsheid 15 — De pottenbakker en zijn god van klei 1. Maar U, onze God, bent goed en betrouwbaar, geduldig, en U bestuurt alles met ontferming. 2. Want ook als wij zondigen, zijn wij van U, want wij kennen Uw kracht. Maar wij zullen niet zondigen, omdat wij weten dat wij bij U gerekend worden. 3. Want U kennen is volmaakte gerechtigheid, en Uw kracht kennen is de wortel van de onsterfelijkheid. 4. Want wij zijn niet misleid door de kwade bedenksels van mensen, en ook niet door de schaduw van schilderwerk, dat vruchteloos werk is: een gestalte die met allerlei kleuren beklad is. 5. Wie daarnaar kijkt en onverstandig is, krijgt verlangen, zodat hij zin krijgt in de vorm van een dood beeld dat niet ademt. 6. Zulke mensen houden van kwade dingen en zij verdienen zulke hoop: wie ze maken, wie ze verlangen en wie ze vereren. 7. Want ook een pottenbakker die de zachte klei met moeite kneedt, maakt elk stuk voor ons dagelijks gebruik. Uit dezelfde klei maakt hij potten voor zuiver werk en net zo goed potten voor vuil werk, en de pottenbakker beslist zelf waar elk van beide voor gebruikt wordt. 8. Daarna houdt hij zich met slecht werk bezig en maakt hij uit diezelfde klei een lege god, terwijl hij zelf kort geleden uit aarde gemaakt is en korte tijd later terug zal gaan in de aarde waaruit hij genomen is, wanneer men zijn ziel van hem terugvraagt. 9. Maar hij maakt zich geen zorgen dat hij moeite zal hebben of dat zijn leven kort is. Hij is er druk mee dat hij het opneemt tegen de goudsmeden en de zilversmeden en dat hij de kopersmeden nadoet, en hij vindt het een eer om valse dingen te maken. 10. Zijn hart is as, zijn hoop is minder waard dan aarde en zijn leven is verachtelijker dan klei. 11. Want hij kent Hem niet die hem gemaakt heeft, die hem een ziel ingeblazen heeft die in hem werkt en die hem een geest ingeademd heeft die hem laat leven. 12. Zij vinden ons leven een spel en de loop van het leven een jaarmarkt waar je winst maakt. Want je moet, zeggen zij, winst zoeken waar je kunt, zelfs uit het kwade. 13. Want deze man weet beter dan wie ook dat hij zondigt, terwijl hij uit aardse grondstof potten maakt die makkelijk breken, en ook gesneden beelden. 14. Maar de vijanden van Uw volk, die het onderdrukken, zijn allemaal heel onverstandig en ellendiger dan het verstand van kleine kinderen. 15. Want zij houden alle beelden van de volken voor goden: beelden die hun ogen niet kunnen gebruiken om te zien, en hun neusgaten niet om lucht te halen, en hun oren niet om te horen, en de vingers van hun handen niet om iets aan te raken, en van wie de voeten te lui zijn om te lopen. 16. Want een mens heeft ze gemaakt, en wie zijn adem in bruikleen gekregen heeft, heeft ze klaargemaakt. Want geen mens kan een god maken die aan hem gelijk is. 17. Hij is sterfelijk en maakt met zijn onrechtvaardige handen een dood ding. Want hij is beter dan wat hij als god vereert, want hij heeft leven en die dingen hebben dat nooit gehad. 18. Zij vereren zelfs de dieren die het vijandigst zijn, want dieren zonder verstand zijn nog erger dan andere. 19. En zij zijn niet eens mooi, zodat je ze zou verlangen als je ze naast andere dieren ziet. Nee, zij zijn de lof van God en Zijn zegen ontlopen. ## Boek der Wijsheid 16 — Dezelfde schepping straft en voedt 1. Daarom zijn zij terecht met zulke dingen geplaagd en door een menigte dieren gepijnigd. 2. In plaats van zo'n plaag hebt U Uw volk goedgedaan. U hebt voor hen een bijzondere smaak klaargemaakt om te eten, kwartels, om hun verlangen te stillen. 3. Zo zouden de anderen, die trek hadden in eten, door de aanblik van wat er over hen gestuurd werd zelfs de honger kwijtraken die zij nodig hadden, terwijl dit volk, dat maar korte tijd gebrek geleden had, juist die bijzondere smaak zou krijgen. 4. Want het was passend dat wie tirannie uitoefenden een gebrek overkwam dat zij niet konden ontlopen, en dat alleen aan dit volk getoond werd hoe hun vijanden gepijnigd werden. 5. Want ook toen er een verschrikkelijke woede van dieren over hen kwam en zij werden verwoest door de beten van giftige slangen, 6. duurde Uw toorn niet tot het einde. Zij werden maar korte tijd verontrust, als waarschuwing, en zij kregen een teken van redding om hen aan het gebod van Uw wet te laten denken. 7. Want wie zich daarnaartoe keerde, werd niet gered door wat hij zag, maar door U, de redder van allen. 8. En daarmee hebt U onze vijanden ook laten begrijpen dat U het bent die uit alle kwaad redt. 9. Want zij werden gedood door de beten van sprinkhanen en vliegen, en er werd geen genezing voor hun ziel gevonden, omdat zij verdienden zo geplaagd te worden. 10. Maar Uw kinderen werden zelfs door de tanden van giftige slangen niet overwonnen, want Uw ontferming kwam hun tegemoet en genas hen. 11. Want zij werden als met prikkels gestoken om aan Uw woorden te denken, en zij werden snel weer genezen, zodat zij niet in een diepe vergetelheid zouden vervallen en niet meer bereikt zouden kunnen worden door Uw goedheid. 12. Want geen kruid en geen pleister heeft hen genezen, maar Uw woord, Heere, dat alles geneest. 13. Want U hebt macht over leven en dood. U brengt naar de poorten van het dodenrijk en U leidt er weer uit. 14. Een mens doodt met zijn boosheid wel een ander, maar de geest die uitgegaan is kan hij niet terugbrengen, en de ziel die weggenomen is kan hij niet terughalen. 15. Het is onmogelijk Uw hand te ontvluchten. 16. Want de goddelozen die U niet wilden kennen, zijn door Uw sterke arm gegeseld. Zij werden onontkoombaar achtervolgd door ongewone regen, hagel en stortbuien, en door het vuur verteerd. 17. Want, en dat is het meest verbazingwekkende, het vuur had meer kracht in het water, dat toch alles blust. Want de wereld strijdt voor de rechtvaardigen. 18. Soms hield de vlam zich in, zodat zij de dieren niet verbrandde die tegen de goddelozen gestuurd waren, en zodat zij duidelijk konden zien dat zij door het oordeel van God werden aangedreven. 19. Soms brandde de vlam midden in het water met meer dan de gewone kracht van vuur, om de gewassen van het land van de onrechtvaardige te vernietigen. 20. Daartegenover hebt U Uw volk gevoed met het eten van engelen. U hebt hun zonder enige moeite van hun kant brood uit de hemel gestuurd dat al klaar was, dat allerlei genot kon geven en elke gewenste smaak had. 21. Want deze steun van U maakte Uw zoetheid tegenover Uw kinderen zichtbaar. Zij paste zich aan aan de wens van wie ernaartoe kwam en werd wat ieder maar wilde. 22. Ook bleven sneeuw en ijs liggen onder het vuur en smolten niet, zodat zij zouden erkennen dat het vuur, dat in de hagel brandde en in de regen bliksemde, de gewassen van de vijanden vernietigd had. 23. Daartegenover vergat datzelfde vuur zijn eigen kracht, zodat de rechtvaardigen te eten kregen. 24. Want de schepping, die U dient die alles geschapen hebt, spant haar kracht in om de onrechtvaardigen te straffen en laat het goed gaan met wie op U vertrouwen. 25. Daarom veranderde die schepping toen in alles en diende zij Uw gave die iedereen voedt, naar de wens van wie tekortkwamen. 26. Zo zouden Uw kinderen, van wie U houdt, Heere, leren dat niet de oogst van de vruchten de mens voedt, maar dat Uw woord in stand houdt wie U geloven. 27. Want wat door het vuur niet vernietigd was, smolt helemaal weg toen het door een kleine zonnestraal verwarmd werd. 28. Zo zou bekend worden dat je de zon voor moet zijn om U te danken, en dat je U tegemoet moet gaan voordat het licht opgaat. 29. Want de hoop van wie ondankbaar is, zal wegsmelten als rijp die in de winter valt, en zal weglopen als nutteloos water. ## Boek der Wijsheid 17 — De nacht over Egypte 1. Want Uw oordelen zijn groot en moeilijk na te vertellen. Daarom zijn de zielen die niet onderwezen zijn, op een dwaalspoor geraakt. 2. Want toen de onrechtvaardigen probeerden het heilige volk in hun macht te houden, lagen zij zelf vastgebonden in de duisternis en geboeid door de lange nacht, opgesloten onder hun daken, alsof zij konden vluchten voor de eeuwige zorg van God. 3. Want zij dachten met hun heimelijke zonden weg te kunnen kruipen onder een donker dekkleed van vergetelheid. Maar zij raakten verstrooid, hevig ontsteld en heel erg van streek door spookbeelden. 4. Want zelfs de binnenste ruimte waarin zij waren, hield hen niet zonder angst. Er kwamen echo's over hen heen die rondom lawaai maakten, en er verschenen hun sombere spookbeelden met afschuwelijke gezichten. 5. Zelfs geen enkel vuur had kracht genoeg om hun licht te geven, en de glinsterende vlammen van de sterren konden die sombere nacht niet helder maken. 6. Alleen een vuur dat vanzelf brandde en angst aanjoeg, verscheen hun. En omdat zij bang waren voor het gezicht dat zij niet zagen, vonden zij wat zij wel zagen nog erger. 7. Ook de goocheltrucs van de toverkunst lagen erbij, en daarmee het beschamende bewijs tegen hun opschepperij over hun kunde. 8. Want wie beloofden dat zij de schrik en de onrust van een ziek mens zouden verdrijven, werden zelf ziek van een angst die belachelijk was. 9. Want ook al had niets vreselijks hen bang gemaakt, zij vergingen toch van het beven. Zij schrokken van de dieren die langskwamen en van het schuifelen van de kruipende dieren. 10. Zij wilden zelfs niet naar de lucht kijken, terwijl je daar nergens aan kunt ontsnappen. 11. Want de boosheid is iets angstigs. Zij wordt door haar eigen getuige veroordeeld, en benauwd door het geweten vermoedt zij altijd het ergste. 12. Want angst is niets anders dan het opgeven van de hulp die het verstand kan geven. 13. Hoe minder verwachting er van binnen is, hoe zwaarder het weegt dat je de oorzaak van de pijn niet kent. 14. En zij sliepen die nacht, die werkelijk niet te verdragen was en die uit de binnenste holen van het onverdraaglijke dodenrijk was opgekomen, allemaal dezelfde slaap. 15. Voor een deel werden zij opgejaagd door de wonderlijke spookbeelden, en voor een deel bezweken zij doordat hun ziel het begaf, want een plotselinge en onverwachte angst overviel hen. 16. Zo ging het dan verder: wie daar neerviel, was gevangen, opgesloten in een kerker zonder boeien. 17. Of het nu een boer was, of een herder, of iemand die zwaar werk deed in de woestijn: als hij overvallen werd, moest hij die onontkoombare nood dragen. 18. Want zij waren allemaal met één ketting van duisternis gebonden. 19. Of het nu een suizende wind was, of een mooi gezang van vogels tussen de dichte takken, of het ruisen van water dat met geweld naar beneden stroomde, of een hard gerommel van stenen die van boven naar beneden werden gegooid, of de onzichtbare loop van springende dieren, of de stem van de wreedste dieren die huilden, of de echo die uit de holen van de bergen terugkaatste: dat alles maakte hen doodsbang en krachteloos. 20. Want de hele wereld lichtte op met helder licht en was bezig met werk dat niemand tegenhield. 21. Maar over hen alleen lag een zware nacht uitgespreid, een beeld van de duisternis die zij zouden krijgen. En zij waren voor zichzelf nog zwaarder dan die duisternis. ## Boek der Wijsheid 18 — De nacht van de uittocht 1. Maar Uw heiligen hadden een heel groot licht. De Egyptenaren hoorden hun stem wel, maar zij zagen hun gestalte niet. 2. Zij vonden hen gelukkig dat zij niet ook leden, en zij bedankten hen omdat zij, hoewel zij eerder onrecht geleden hadden, hun toch geen schade deden. En zij vroegen genade voor het conflict dat zij met hen gehad hadden. 3. Daarvoor gaf U hun een vuurvlammende kolom, die hen leidde op de weg van de onbekende reis, en een zon die hen geen kwaad deed op hun prachtige tocht. 4. Want de anderen verdienden het dat zij van het licht beroofd werden en in de duisternis gevangen bleven, omdat zij Uw kinderen opgesloten hielden, door wie het onvergankelijke licht van Uw wet aan de wereld gegeven zou worden. 5. En toen zij van plan waren de kleine kinderen van de heiligen te doden, terwijl één kind te vondeling gelegd was in het water en toch gered werd, hebt U als bewijs hun eigen kinderen bij bosjes weggenomen en liet U hen samen omkomen in een geweldig water. 6. Diezelfde nacht was van tevoren aan onze voorouders bekendgemaakt, zodat zij zeker konden weten welke eden het waren die zij geloofd hadden en daar moed uit konden putten. 7. Uw volk heeft de redding van de rechtvaardigen gekregen en de ondergang van de vijanden. 8. Want zoals U de tegenstanders gestraft hebt, zo hebt U ons daarmee tot U geroepen en geëerd. 9. Want de heilige kinderen van de vromen brachten in het geheim offers en spraken eendrachtig de goddelijke wet af: dat de heiligen zowel het goede als de gevaren samen zouden delen. En zij zongen alvast de lofliederen van de voorouders. 10. Daartegenover klonk een wanklank van geschreeuw van de vijanden, en overal verspreidde zich een jammerlijk geluid om de kinderen die beweend werden. 11. De slaaf werd met dezelfde straf getroffen als de heer, en de gewone man moest hetzelfde lijden als de koning. 12. Zij hadden allemaal samen, onder één naam van de dood, ontelbaar veel doden. Want er waren zelfs niet genoeg levenden om hen te begraven, omdat hun beste geslacht in een ogenblik vernietigd werd. 13. Want zij geloofden door hun toverij niets van dit alles, maar bij de dood van de eerstgeborenen hebben zij toegegeven dat dit volk kinderen van God waren. 14. Want toen alles in rust en stilte was en de nacht in zijn snelle loop halverwege was, 15. toen daalde Uw almachtige woord uit de hemel van de koninklijke troon af, als een strenge krijgsheld midden in het land dat vernietigd zou worden. 16. Het droeg een scherp zwaard, namelijk Uw eerlijke gebod. Het bleef staan en vulde alles met doden. Het raakte de hemel en toch stond het ook op de aarde. 17. Toen werden zij meteen hevig van streek door beelden van vreselijke dromen, en een onverwachte angst overviel hen. 18. En terwijl zij hier en daar half dood neerlagen, maakten zij bekend waarom zij stierven. 19. Want de dromen die hen van streek maakten, hadden hun dat van tevoren laten weten, zodat zij niet zouden omkomen zonder te weten waarom zij zo veel kwaad leden. 20. Ook de rechtvaardigen zijn een keer door de aanval van de dood geraakt, en in de woestijn werd een deel van de menigte weggeslagen. Maar die toorn duurde niet lang. 21. Want de onberispelijke man kwam snel en streed voor hen. Hij bracht de wapens van zijn ambt mee, het gebed en de verzoening door het reukwerk. Hij stelde zich tegen de woede en maakte een eind aan de ellende, en zo liet hij zien dat hij Uw dienaar was. 22. Hij overwon de verwoester niet met lichaamskracht en niet met wapengeweld, maar met het woord bracht hij de plaag tot stilstand, door de eden en de verbonden met de voorouders in herinnering te brengen. 23. Want toen de doden al op hopen over elkaar heen lagen, ging hij ertussen staan, hakte hij de toorn af en sneed hij de weg naar de levenden af. 24. Want op zijn lange gewaad zat het hele sieraad, en de eer van de voorouders stond gegraveerd in de vier rijen stenen, en Uw grote macht stond op de hoofdband van zijn hoofd. 25. Daarvoor week de verwoester, en daar was hij bang voor. Want alleen al het proeven van de toorn was genoeg. ## Boek der Wijsheid 19 — De schepping wordt opnieuw geschapen 1. Maar de toorn overviel de goddelozen zonder ontferming tot aan het einde. 2. Want God wist van tevoren ook wat zij zouden doen: dat zij hen zouden laten vertrekken, hen met haast zouden wegsturen en er dan spijt van zouden krijgen en hen zouden achtervolgen. 3. Want terwijl zij nog in de rouw waren en bij de graven van hun doden klaagden, vatten zij een ander dwaas plan op: wie zij met smeekbeden weggestuurd hadden, achtervolgden zij nu als vluchtelingen. 4. Want de nood die zij verdienden, trok hen naar dit einde en liet hen vergeten wat hun overkomen was, zodat zij de plaag zouden aanvullen die nog aan hun straf ontbrak. 5. En zo zou Uw volk een heel wonderlijke reis maken, terwijl zij een vreemde dood zouden vinden. 6. Want de hele schepping werd in haar aard opnieuw geschapen en diende Uw bijzondere bevelen, zodat Uw kinderen ongedeerd bewaard bleven. De wolk overschaduwde het kamp. 7. Waar eerst water stond, zag men droog land opkomen: uit de Rode Zee een weg zonder hindernis, en uit een sterke stroom een veld vol gras. 8. Daar ging heel het volk overheen, dat door Uw hand beschermd werd, en zij zagen wonderlijke wonderen. 9. Want zij graasden als paarden en huppelden als lammeren, en zij prezen U, Heere, die hen gered had. 10. Want zij dachten nog aan wat er gebeurd was in het land waar zij vreemdeling waren: hoe de aarde in plaats van jonge dieren vliegen had voortgebracht, en hoe de rivier in plaats van vissen een massa kikkers had opgeborreld. 11. En ten slotte hebben zij ook een nieuwe geboorte van vogels gezien, toen zij door hun verlangen gedreven om lekker eten vroegen. 12. Want tot hun troost kwamen er kwartels op uit de zee. Maar over de zondaars kwamen de straffen, 13. en die kwamen niet zonder tekenen vooraf, met geweldige bliksems. Zij leden terecht om hun eigen boosheid, want zij hadden een zwaardere vijandschap tegen vreemdelingen aan de dag gelegd dan de mensen van Sodom. Die namen de onbekenden die kwamen niet op, maar dezen dwongen de vreemdelingen tot slavernij, die hun juist goedgedaan hadden. 14. En niet alleen dat: zij konden het ook niet verdragen dat iemand toezicht op hen hield, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen. 15. Zij plaagden met zwaar werk wie zij met een feest ontvangen hadden en die toen al dezelfde rechten deelden. 16. Maar zij werden ook met blindheid geslagen, net als die mannen voor de deur van de rechtvaardige. Want zij waren omgeven door dikke duisternis, en ieder zocht de weg naar zijn eigen deur. 17. Want de elementen veranderen soepel uit zichzelf, zoals in een snarenspel de tonen de naam van de melodie veranderen terwijl zij altijd dezelfde klank houden. Dat kun je afleiden uit een zorgvuldige blik op wat er gebeurd is. 18. Want de landdieren veranderden in waterdieren, en wie gemaakt waren om te zwemmen, gingen op de aarde. 19. Het vuur was krachtig in het water en vergat zijn eigen kracht, en het water vergat dat het blussen kan. 20. En omgekeerd verzengden de vlammen het vlees niet van de dieren die er middenin liepen en die anders zo snel bederven, en het hemelse eten, dat als ijs makkelijk smolt, smolt niet. 21. Want in alles, Heere, hebt U Uw volk groot en prachtig gemaakt, en U hebt het nooit te min gevonden om het altijd en overal bij te staan. ## Jezus Sirach 1 — Alle wijsheid komt van de Heere 1. Alle wijsheid komt van de Heere, en zij is bij Hem tot in eeuwigheid. 2. Wie kan het zand van de zee tellen, en de druppels van de regen, en de dagen van de eeuwen? 3. Wie kan de hoogte van de hemel, de breedte van de aarde, de afgrond en de wijsheid doorgronden? 4. De wijsheid is eerder geschapen dan alles, en het verstandige inzicht is er vanaf de eeuwen. 5. Het woord van God, die op de allerhoogste plaats woont, is de bron van de wijsheid, en haar wegen zijn eeuwige geboden. 6. Aan wie is de wortel van de wijsheid onthuld? En wie heeft haar knappe werken gekend? 7. Eén is er wijs, zeer ontzagwekkend, gezeten op Zijn troon. 8. De Heere zelf heeft haar geschapen. Hij heeft haar gezien en haar geteld. 9. Hij heeft haar uitgegoten over al Zijn werken. Zij is bij ieder mens naar Zijn gave, en Hij geeft haar aan wie Hem liefhebben. 10. Ontzag voor de Heere is eer en roem en vrolijkheid en een kroon van vreugde. 11. Ontzag voor de Heere verheugt het hart en geeft vrolijkheid en vreugde en een lang leven. 12. Wie ontzag heeft voor de Heere, zal het goed gaan op zijn laatste dagen, en op de dag van zijn dood zal hij gezegend worden. 13. Het begin van de wijsheid is ontzag voor de Heere, en zij is samen met de gelovigen geschapen in de moederschoot. 14. Bij de mensen heeft zij een eeuwig fundament gelegd, en bij hun nageslacht zal zij vertrouwen vinden. 15. Ontzag voor de Heere is de verzadiging van de wijsheid, en zij maakt hen dronken van haar vruchten. 16. Heel hun huis vult zij met wat zij graag hebben, en hun schuren met haar opbrengst. 17. Die twee zijn allebei gaven van God, tot vrede. 18. De kroon van de wijsheid is ontzag voor de Heere. Zij laat vrede en volkomen gezondheid opkomen, en de roem verbreidt zich voor wie Hem liefhebben. 19. De wijsheid giet kennis en verstandig inzicht uit als een stortbui, en zij verhoogt de eer van wie haar vasthouden. 20. De wortel van de wijsheid is ontzag voor de Heere, en haar takken zijn een lang leven. 21. Ontzag voor de Heere verdrijft de misdaden, en waar het blijft, keert het de toorn af. 22. Een man die snel boos wordt, kan niet in zijn recht staan, want de heftigheid van zijn woede brengt hem ten val. 23. Een geduldig man houdt het een tijd vol, en uiteindelijk wordt hij met vreugde beloond. 24. Hij houdt zijn woorden een tijd binnen, en dan vertellen de lippen van velen over zijn verstand. 25. In de schatten van de wijsheid liggen de spreuken van de kennis, maar voor de zondaar is godsdienst iets gruwelijks. 26. Als je zin hebt in wijsheid, houd dan de geboden, en de Heere zal haar je geven. 27. Want ontzag voor de Heere is wijsheid en opvoeding, en wat Hem behaagt is geloof en zachtmoedigheid. 28. Als je tekortkomt, wantrouw dan het ontzag voor de Heere niet, en ga niet met een dubbel hart naar Hem toe. 29. Wees niet schijnheilig tegenover de mond van mensen, en let op je lippen. 30. Maak jezelf niet groot, zodat je niet valt en schande over jezelf brengt. 31. Want de Heere zal al je verborgen dingen openbaar maken en Hij zal je midden in de vergadering neerwerpen, 32. omdat je niet in waarheid tot het ontzag voor de Heere gekomen bent en je hart vol bedrog is. ## Jezus Sirach 2 — Maak je klaar voor beproeving 1. Mijn kind, als je komt om de Heere te dienen, maak je ziel dan klaar voor beproeving. 2. Richt je hart en houd vol, en wees niet haastig wanneer het over je komt. 3. Houd je aan Hem vast en wijk niet van Hem af, zodat je in je laatste dagen sterker wordt. 4. Neem graag aan wat je overkomt, en wees geduldig wanneer je vernederd wordt en alles verandert. 5. Want goud wordt in het vuur beproefd, en mensen die God aangenaam zijn in de oven van de vernedering. 6. Geloof Hem, dan zal Hij je helpen. Maak je wegen recht en hoop op Hem. 7. Jullie die ontzag hebben voor de Heere, geloof Hem, en jullie loon zal jullie zeker niet ontgaan. 8. Jullie die ontzag hebben voor de Heere, hoop op het goede en op eeuwige vreugde en ontferming. 9. Jullie die ontzag hebben voor de Heere, wacht op Zijn ontferming en wijk niet af, zodat jullie niet vallen. 10. Kijk naar de geslachten van vroeger en let op. 11. Wie heeft op de Heere vertrouwd en werd beschaamd? 12. Of wie is in het ontzag voor Hem gebleven en in de steek gelaten? Of wie heeft Hem aangeroepen en werd door Hem veracht? 13. Want de Heere is vol ontferming en barmhartig, moedig en groot in ontferming. Hij vergeeft de zonden en beschermt in de tijd van verdrukking. 14. Wee de harten die bang zijn, en de slappe handen, en de zondaar die twee paden tegelijk bewandelt. 15. Wee een slap hart, want het gelooft niet, en daarom zal het niet beschermd worden. 16. Wee jullie die het geduld kwijtgeraakt zijn. 17. Wat zullen jullie doen wanneer de Heere naar jullie omziet? 18. Wie ontzag hebben voor de Heere, zullen Zijn woorden niet ongehoorzaam zijn, en wie Hem liefhebben, zullen Zijn wegen houden. 19. Wie ontzag hebben voor de Heere, zoeken Hem te behagen. 20. Wie Hem liefhebben, worden verzadigd van Zijn wet. 21. Wie ontzag hebben voor de Heere, maken hun hart klaar en vernederen hun ziel voor Hem. 22. Zij zeggen: Laten wij in de handen van God vallen en niet in de handen van mensen. 23. Want zo groot als Zijn heerlijkheid is, zo groot is ook Zijn ontferming. ## Jezus Sirach 3 — Eer je vader en je moeder 1. Mijn kinderen, luister naar mij, jullie vader, en doe wat ik zeg, zodat jullie gered worden. 2. Want de Heere heeft de vader eer gegeven boven de kinderen, en Hij bevestigt het recht van de moeder over de zonen. 3. Wie zijn vader eert, doet verzoening voor zijn zonden. 4. Wie zijn moeder eert, is als iemand die schatten verzamelt. 5. Wie zijn vader eert, zal blij zijn met zijn eigen kinderen, en op de dag dat hij bidt, zal hij verhoord worden. 6. Wie zijn vader eert, zal lang leven, en wie de Heere gehoorzaamt, geeft zijn moeder rust. 7. Wie ontzag heeft voor de Heere, zal zijn vader eren, en hij zal wie hem verwekt hebben als heren dienen. 8. Eer je vader en je moeder met daden en met woorden, 9. zodat de zegen van mensen over je komt. 10. Want de zegen van de vader ondersteunt de huizen van de kinderen, maar de vloek van de moeder ontwortelt de fundamenten. 11. Schep niet op over de schande van je vader, want de schande van je vader brengt jou geen eer. 12. Want de eer van een mens komt uit de eer van zijn vader, en een moeder die in schande leeft, is voor de kinderen een verwijt. 13. Mijn kind, zorg voor je vader als hij oud is, en doe hem geen verdriet zolang hij leeft. 14. Als zijn verstand hem in de steek laat, neem hem dat dan niet kwalijk, en pas met al je kracht op dat je hem niet onteert. 15. Want de ontferming die je je vader bewijst, zal niet vergeten worden. 16. In plaats van je zonden zul je daarmee opgebouwd worden. 17. Op de dag van de verdrukking zal er aan je gedacht worden. Zoals het ijs smelt bij mooi weer, zo zullen je zonden wegsmelten. 18. Wie zijn vader in de steek laat, is als een godslasteraar, en wie zijn broer kwaad maakt, is door de Heere vervloekt. 19. Mijn kind, doe je werk met zachtmoedigheid, dan zul je geliefd zijn bij mensen die God aangenaam zijn. 20. Hoe groter je bent, hoe meer je jezelf moet verlagen, en dan zul je genade vinden bij de Heere. 21. Velen zijn hoog en heel beroemd, maar aan wie zachtmoedig zijn, worden de geheimen onthuld. 22. Want de macht van de Heere is groot, en Hij wordt door wie nederig zijn geëerd. 23. Onderzoek dingen die je te zwaar zijn niet ondoordacht, en tast dingen die je te sterk zijn niet dwaas af. Denk zorgvuldig na over wat je opgedragen is. 24. Want je hoeft verborgen dingen niet met je ogen te zien. 25. Wees niet nutteloos bezig met een overvloed aan woorden, want er zijn je meer dingen getoond dan het verstand van mensen kan bevatten. 26. Velen zijn door hun lege vermoedens bedrogen, en kwaad wantrouwen heeft hun gemoed aan het wankelen gebracht. Als je geen oogappels hebt, zul je licht tekortkomen, en als je kennis mist, verkondig die dan niet. 27. Een hard hart zal het op het laatst slecht vergaan, en wie van gevaar houdt, zal daarin omkomen. 28. Een hard hart zal zwaar belast worden met moeite, en de zondaar zal zonde op zonde stapelen. 29. Wanneer er onheil over de hoogmoedigen komt, is er geen genezing. Zijn plannen zullen ontworteld worden, want een plant van boosheid is in hem geworteld. 30. Het hart van wie verstandig is, denkt na over spreuken, en het oor van wie luistert, is het verlangen van de wijze. 31. Water dooft een laaiend vuur, en met barmhartigheid doe je verzoening voor zonden. 32. En de Heere, die goede daden vergeldt, denkt daaraan in de toekomst, en op de dag dat hij valt, zal hij steun vinden. ## Jezus Sirach 4 — Laat de arme niet wachten 1. Mijn kind, laat de arme in zijn leven geen gebrek lijden en laat wie tekortkomt niet wachten. 2. Doe iemand die honger heeft geen verdriet en laat niemand in zijn nood wachten. 3. Maak een hart dat al van streek is niet nog meer van streek, en onthoud wie tekortkomt zijn gave niet. 4. Wijs iemand die onderdrukt wordt en je smeekt niet af, en keer je gezicht niet van de arme af. 5. Wend je ogen niet af van wie tekortkomt, en geef niemand reden je te vervloeken. 6. Want als iemand je vervloekt in de bitterheid van zijn ziel, zal zijn gebed gehoord worden door Hem die hem gemaakt heeft. 7. Maak jezelf geliefd in de gemeenschap, en buig je hoofd voor iemand met macht. 8. Neig je oor naar de arme zonder te mopperen, en antwoord hem vriendelijk en zachtmoedig. 9. Red wie onrecht lijdt uit de hand van wie onrecht doet, en wees niet kleinmoedig wanneer je oordeelt. 10. Wees voor de wezen als een vader en voor hun moeder als een man. 11. Dan zul je zijn als een zoon van de Allerhoogste, en Hij zal meer van je houden dan je moeder doet. 12. De wijsheid verhoogt haar eigen kinderen en neemt aan wie haar zoeken. 13. Wie van haar houdt, houdt van het leven, en wie 's morgens vroeg naar haar toe gaan, zullen vol vreugde zijn. 14. Wie haar vasthoudt, zal eer erven, en waar zij binnenkomt, zal de Heere zegenen. 15. Wie haar dienen, dienen de Heilige, en wie van haar houden, heeft de Heere lief. 16. Wie haar gehoorzaamt, zal over volken rechtspreken, en wie op haar let, zal veilig wonen. 17. Als hij haar vertrouwt, zal hij haar erven, en zijn nakomelingen zullen haar in bezit houden. 18. Want in het begin zal zij vreemd met hem omgaan. 19. Zij zal angst en beven over hem brengen en hem pijnigen met haar opvoeding, tot zij vertrouwen in hem heeft en hem met haar regels beproefd heeft. 20. Dan zal zij langs een rechte weg naar hem terugkeren en hem blij maken, 21. en zij zal hem haar geheimen onthullen. 22. Maar als hij afdwaalt, zal zij hem in de steek laten en hem overgeven aan wat hem overkomt. 23. Grijp de gelegenheid van het moment en pas op voor het kwaad. 24. En schaam je niet voor jezelf. 25. Want er is een schaamte die zonde met zich meebrengt, en er is een schaamte die eer en gunst geeft. 26. Ga niet naar iemands aanzien ten koste van jezelf, en schaam je niet als het slecht met je gaat. 27. Houd het woord niet tegen op het moment dat het kan redden, 28. en verberg je wijsheid niet om aardig gevonden te worden. 29. Want de wijsheid wordt bekend in het woord, en het onderwijs in wat de tong zegt. 30. Spreek de waarheid nergens tegen, en schaam je over de leugen die uit je ongeschiktheid komt. 31. Schaam je niet om je zonden toe te geven, en probeer de stroom van een rivier niet tegen te houden. 32. Onderwerp jezelf niet aan een dwaas mens, en zie niet naar het aanzien van wie macht heeft. 33. Strijd voor de waarheid tot de dood, en God de Heere zal voor je vechten. 34. Wees niet brutaal met je tong en lui en slap in je werk. 35. Wees niet als een leeuw in je huis en niet als iemand die zich van alles verbeeldt tegenover je knechten. 36. Laat je hand niet uitgestrekt zijn om te nemen en gesloten om te geven. ## Jezus Sirach 5 — Stel je bekering niet uit 1. Houd je niet vast aan je rijkdom en zeg niet: Die is genoeg voor mij om van te leven. 2. Ga niet achter je eigen verlangens en je eigen kracht aan om de wegen van je hart te gaan. 3. Zeg niet: Wie zal mij om mijn daden onder zijn macht brengen? Want de Heere zal je overmoed zeker straffen. 4. Zeg niet: Ik heb gezondigd, en wat is mij overkomen? Want de Heere is geduldig, Hij zal je niet zomaar laten gaan. 5. Wees niet zonder vrees als het om vergeving gaat, zodat je niet, terwijl je genoeg hebt, zonde op zonde stapelt. 6. En zeg niet: Zijn ontferming is groot, mijn vele zonden zullen wel vergeven worden. 7. Want ontferming en toorn zijn allebei snel bij Hem, en Zijn woede rust op de zondaars. 8. Wacht niet met je bekeren tot de Heere en stel het niet dag na dag uit. 9. Want de toorn van de Heere breekt plotseling los, en wanneer je zorgeloos bent, word je vermorzeld en ga je te gronde op de dag van de wraak. 10. Steun niet op onrechtvaardige rijkdom, want die zal je geen voordeel opleveren op de dag waarop het onheil over je komt. 11. Wan niet met elke wind mee en ga niet elk pad op. Dat doet de zondaar die met twee tongen spreekt. 12. Als je van je mening zeker bent, blijf daar dan bij, en laat je woord één zijn. 13. Wees snel om iets goeds te horen, leef oprecht en geef geduldig een goed antwoord. 14. Als je verstand hebt, geef je naaste dan antwoord, en zo niet, leg dan je hand op je mond. 15. Eer en schande liggen in het spreken, en de tong van een mens brengt hem ten val. 16. Laat je geen roddelaar noemen en leg met je tong geen valstrikken. 17. Want een dief overkomt een zware schaamte, en wie met twee tongen spreekt, een schadelijk oordeel. 18. Wees nergens onwetend in, niet in het grote en niet in het kleine. ## Jezus Sirach 6 — Een trouwe vriend is een schat 1. Word geen vijand in plaats van een vriend, want zo iemand krijgt een slechte naam, schande en verwijt. Zo haalt ook de zondaar die met twee tongen spreekt zich schande op de hals. 2. Til jezelf niet op in de raad van je eigen ziel, zodat je ziel niet als een stier alle kanten op verscheurd wordt. 3. Je zult je eigen bladeren opeten, je vruchten bederven en jezelf achterlaten als een dorre boom. 4. Een slechte ziel richt zijn eigenaar te gronde en maakt dat de vijanden blij over hem zijn. 5. Een vriendelijke keel maakt veel vrienden, en een welsprekende tong maakt veel vriendelijke woorden. 6. Zorg dat velen in vrede met je leven, maar neem er één uit duizend als raadgever. 7. Als je een vriend wilt krijgen, neem hem dan eerst op de proef en vertrouw jezelf niet te snel aan hem toe. 8. Want er is menig vriend zolang het hem uitkomt, maar hij blijft niet bij je op de dag van je nood. 9. Er is ook menig vriend die in een vijand verandert en die je openlijk met verwijten zal bestrijden. 10. Er is ook menig vriend die tafelgenoot is, maar hij blijft niet bij je op de dag van je nood. 11. Als het je goed gaat, is hij als jij, en tegenover je knechten gedraagt hij zich als de baas. 12. Als je vernederd wordt, keert hij zich tegen je en verbergt hij zich voor je gezicht. 13. Blijf weg van je vijanden, en pas op voor je vrienden. 14. Een trouwe vriend is een sterke bescherming, en wie er zo een gevonden heeft, heeft een schat gevonden. 15. Er is niets wat opweegt tegen een trouwe vriend, en zijn waarde is niet te wegen. 16. Een trouwe vriend is een medicijn voor het leven, en wie ontzag hebben voor de Heere, zullen zo iemand vinden. 17. Wie ontzag heeft voor de Heere, gedraagt zich goed in zijn vriendschappen, want zoals hij is, zo zullen ook zijn naasten zijn. 18. Mijn kind, kies vanaf je jeugd voor het onderwijs, dan zul je tot je grijze haren toe wijsheid vinden. 19. Wacht op haar goede vruchten. 20. Want bij het werken aan haar zul je wel even moe worden, maar al snel zul je van haar opbrengst eten. 21. Ach, wat is zij ruw voor wie niets geleerd hebben, en wie geen hart heeft, blijft niet bij haar. 22. Voor hem is zij als een zware proefsteen, en hij zal niet lang wachten om haar weg te gooien. 23. Want de wijsheid is zoals haar naam zegt, en zij is niet aan velen bekend. 24. Luister, mijn kind, kies mijn mening en verwerp mijn raad niet. 25. Steek je voeten in haar boeien en je nek in haar halsband. 26. Zet je schouder eronder en draag haar, en word geen vijand van haar banden. 27. Ga met heel je ziel naar haar toe en houd haar wegen met heel je kracht. 28. Spoor haar op en zoek haar, dan zal zij zich aan je bekendmaken. En als je haar in handen hebt, laat haar dan niet los. 29. Want op het laatst zul je bij haar rust vinden, en zij zal je vreugde geven. 30. Haar boeien zullen voor jou een sterke bescherming zijn en haar halsbanden een prachtige mantel. 31. Want er zit een gouden sieraad aan haar, en haar banden zijn een blauwpurperen draad. 32. Je zult haar aantrekken als een prachtige mantel en haar opzetten als een kroon van vrolijkheid. 33. Als je wilt, mijn kind, zul je onderwezen worden, en als je je ziel daaraan geeft, zul je helemaal knap worden. 34. Als je graag luistert, zul je verstand krijgen, en als je je oor neigt, zul je wijs worden. 35. Blijf onder de menigte van de ouderen, en als er iemand wijs is, sluit je bij hem aan. Luister graag naar elke uitleg over God, en laat de spreuken van het verstand niet aan je voorbijgaan. 36. Als je een verstandig man ziet, ga dan vroeg in de morgen naar hem toe, en laat je voet de drempel van zijn deur steeds weer betreden. 37. Denk grondig over de geboden van de Heere na en oefen je altijd in Zijn bevelen. Dan zal Hij je hart sterken en zal de wijsheid waar je naar verlangt je gegeven worden. ## Jezus Sirach 7 — Doe geen kwaad 1. Doe geen kwaad, dan zal je geen kwaad overkomen. 2. Blijf weg van het onrecht, dan zal de zonde van jou wegblijven. 3. Mijn zoon, zaai niet in de voren van het onrecht, dan zul je het niet zevenvoudig maaien. 4. Vraag de Heere niet om macht en de koning niet om een ereplaats. 5. Praat je eigen gelijk niet goed voor de Heere, en doe je niet wijs voor bij de koning. 6. Probeer geen rechter te worden, want misschien ben je niet sterk genoeg om het onrecht weg te nemen. Dan zou je ooit bang kunnen worden voor iemand met macht en een smet werpen op je eerlijke ambt. 7. Zondig niet tegen de gemeenschap van de stad en sluit je niet aan bij een oproerige menigte. 8. Bind dezelfde zonde niet twee keer aan, want al bij de eerste keer ben je niet onschuldig. 9. Zeg niet: Hij zal naar de hoeveelheid van mijn gaven kijken, en als ik aan God de Allerhoogste offer, zal Hij het aannemen. 10. Wees niet kleinmoedig in je gebed en verzuim het niet barmhartig te geven. 11. Lach niet om iemand die bitter is van binnen, want er is Eén die vernedert en verhoogt. 12. Bedenk geen leugen tegen je broer, en doe hetzelfde niet bij je vriend. 13. Vertel helemaal geen leugens, want het steeds weer doen loopt nergens goed op uit. 14. Praat niet veel in de kring van de ouderen en herhaal je woorden niet in je gebed. 15. Heb geen hekel aan zwaar werk en aan de landbouw, die door de Allerhoogste is ingesteld. 16. Reken jezelf niet bij de menigte van de zondaars. Denk eraan dat de toorn niet lang uitblijft. 17. Verneder jezelf diep, want de straf van de goddeloze zal vuur en worm zijn. 18. Ruil een vriend niet in voor iets onbelangrijks, wat dan ook, en een eerlijke broer niet voor goud uit Ofir. 19. Laat het je niet ontbreken aan een wijze en goede vrouw, want haar bekoorlijkheid is meer waard dan goud. 20. Doe een knecht die zijn werk trouw doet geen kwaad, en ook geen dagloner die zich aan jou geeft. 21. Houd van een verstandige knecht en onthoud hem de vrijheid niet. 22. Heb je vee, zorg er dan goed voor, en als het je van nut is, houd het dan bij je. 23. Heb je kinderen, onderwijs hen dan en buig hun nek van jongs af aan. 24. Heb je dochters, let dan op hun lichaam en kijk niet te vrolijk naar hen. 25. Geef je dochter uit, dan heb je een groot werk gedaan, en geef haar aan een verstandig man. 26. Heb je een vrouw naar je hart, stuur haar dan niet weg, en geef jezelf niet over aan een vrouw die je haat. 27. Eer je vader van harte, en vergeet de pijnen van je moeder niet. 28. Denk eraan dat je door hen ter wereld gekomen bent. Wat kun je hun teruggeven voor wat zij jou gegeven hebben? 29. Heb ontzag voor de Heere met heel je ziel en houd Zijn priesters in ere. Heb Hem die je gemaakt heeft lief met al je kracht en laat Zijn dienaren niet in de steek. 30. Heb ontzag voor de Heere en eer de priester. 31. Geef hem zijn deel, zoals je bevolen is: 32. de eerstelingen en het schuldoffer, 33. de gaven van de schouders, het heiligingsoffer en de eerstelingen van de heilige dingen. 34. En steek je hand uit naar de arme, zodat je zegen volledig wordt. 35. Gaven zijn aangenaam bij alle levenden, en onthoud ook een dode je goedheid niet. 36. Blijf niet weg bij wie huilen, en rouw mee met wie rouwen. 37. Wees niet traag om een zieke te bezoeken, want om zulke dingen zul je geliefd zijn. 38. Denk bij alles wat je doet aan je einde, en je zult nooit zondigen. ## Jezus Sirach 8 — Met wie je beter geen ruzie maakt 1. Ga geen strijd aan met een machtig mens, zodat je niet in zijn handen valt. 2. Maak geen ruzie met een rijk mens, zodat hij je niet de baas wordt. 3. Want goud heeft velen te gronde gericht en het hart van koningen omgebogen. 4. Maak geen ruzie met een prater en gooi geen hout op zijn vuur. 5. Maak geen grappen met iemand die zich niet weet te gedragen, zodat hij je voorouders niet onteert. 6. Verwijt iemand die zich van de zonde afkeert niets. Denk eraan dat wij allemaal straf verdienen. 7. Onteer niemand om zijn ouderdom, want ook onder ons zijn er die oud worden. 8. Wees niet blij om de dood van je grootste vijand. Denk eraan dat wij allemaal sterven. 9. Veracht niet wat de wijzen vertellen, en oefen jezelf in hun spreuken. 10. Want van hen zul je onderwijs leren, zodat je ook de groten met gemak kunt dienen. 11. Wijk niet af van het onderwijs van de ouderen, want ook zij hebben het van hun vaders geleerd. 12. Want van hen zul je verstand leren, en ook hoe je moet antwoorden wanneer het nodig is. 13. Wakker de kolen van een zondaar niet aan, zodat je niet verbrandt in de vlam van zijn vuur. 14. Kom niet in verzet tegen iemand die spot, zodat hij niet op je woorden gaat loeren. 15. Leen niets aan iemand die machtiger is dan jij, en als je hem iets geleend hebt, beschouw het dan als verloren. 16. Word geen borg boven je vermogen, en als je borg geworden bent, houd er dan rekening mee dat je moet betalen. 17. Ga niet in beroep tegen de rechter, want men zal hem naar zijn eigen oordeel beoordelen. 18. Ga niet met een brutale man op pad, zodat hij je niet tot last wordt, want hij doet wat hij wil en door zijn dwaasheid zou jij mee ten onder gaan. 19. Begin geen ruzie met iemand die snel kwaad wordt, en ga niet met hem de woestijn in. Bloed betekent niets in zijn ogen, en waar geen hulp is, zal hij je neerslaan. 20. Vraag geen raad aan een dwaas, want hij kan geen geheim bewaren. 21. Doe niets vertrouwelijks in het bijzijn van een vreemde, want je weet niet wat hij zal uitbroeden. 22. Vertel niet aan iedereen wat er in je hart leeft, en laat je geen valse dank bezorgen. ## Jezus Sirach 9 — Vrouwen, vrienden en machtigen 1. Wees niet jaloers op de vrouw die aan je borst ligt, en leer haar geen kwade lessen die zich tegen jezelf keren. 2. Geef jezelf niet aan een vrouw over, zodat zij de baas over je wordt. 3. Ga niet naar een vrouw die ontucht pleegt, zodat je niet ooit in haar strikken valt. 4. Ga niet om met een vrouw die snarenspel maakt, zodat je niet ooit door haar kunsten gevangen wordt. 5. Kijk niet te veel naar een jong meisje, zodat je niet in de problemen komt met de straf die daarop staat. 6. Geef jezelf niet over aan prostituees, zodat je je erfdeel niet kwijtraakt. 7. Kijk niet rond in de straten van de stad en zwerf niet door de verlaten hoeken ervan. 8. Wend je oog af van een mooie vrouw en staar niet naar de schoonheid van een ander. 9. Want door de schoonheid van een vrouw zijn velen verleid, en daaruit wordt de liefde als een vuur aangestoken. Ga niet met haar in bed liggen. 10. Ga helemaal niet bij een getrouwde vrouw zitten. 11. En houd met haar geen drinkgelag bij de wijn, zodat je hart zich niet ooit naar haar keert en je met je geest niet in het verderf valt. 12. Laat een oude vriend niet in de steek, want een nieuwe is niet zoals hij. 13. Een nieuwe vriend is als nieuwe wijn: drink hem met vreugde als hij oud geworden is. 14. Wees niet jaloers op de eer van een zondaar, want je weet niet hoe het met hem afloopt. 15. Schep er geen behagen in waar goddelozen behagen in hebben. Denk eraan dat zij tot in het dodenrijk toe niet gerechtvaardigd worden. 16. Blijf uit de buurt van een mens die de macht heeft om te doden, dan hoef je niet aan doodsangst te denken. 17. En als je toch bij hem komt, doe dan niets verkeerds, zodat hij je niet meteen het leven beneemt. 18. Weet dat je midden tussen de strikken door loopt en dat je op de tinnen van de stad wandelt. 19. Let op je naaste zo goed als je kunt, en vraag raad aan de wijzen. Praat met de verstandigen, en laat alles wat je vertelt in overeenstemming zijn met de wet van de Allerhoogste. 20. Laat rechtvaardige mannen je tafelgenoten zijn, en laat je roem liggen in het ontzag voor de Heere. 21. Een werkstuk wordt geprezen om de hand van de vakman, en een wijze leider van het volk om zijn woord. 22. Een man die te veel praat, is een schrik in zijn stad, en wie te snel spreekt, zal gehaat worden. ## Jezus Sirach 10 — Bestuur en hoogmoed 1. Een wijze rechter onderwijst zijn volk, en het bestuur van wie verstandig is, is goed geordend. 2. Zoals de rechter van het volk is, zo zijn ook zijn dienaren, en zoals de leider van de stad is, zo zijn al haar bewoners. 3. Een koning die niet onderwezen is, richt zijn volk te gronde, maar een stad zal bewoond blijven door het verstand van wie macht hebben. 4. De macht op aarde ligt in de hand van de Heere, en op zijn tijd zal Hij daarover iemand doen opstaan die nuttig is. 5. In de hand van de Heere ligt het welslagen van een mens, en op het gezicht van de schriftgeleerde legt Hij Zijn eer. 6. Word niet kwaad op je naaste om welk onrecht dan ook, en doe niets wat schande brengt. 7. Hoogmoed is verwerpelijk voor God en voor de mensen, en bij allebei is de misdaad van het onrecht verwerpelijk. 8. Een koninkrijk gaat van het ene volk naar het andere over, vanwege onrecht, overmoed en rijkdom die met bedrog verkregen is. Waarom zou stof en as zich toch verheffen? 9. Er is werkelijk niets onrechtvaardigers dan iemand die alleen aan geld denkt. 10. Want zo iemand biedt zelfs zijn eigen ziel te koop aan, want zijn binnenste gooit die weg terwijl hij nog leeft. 11. De dokter houdt een lange ziekte tegen. Vandaag is iemand koning, en morgen zal hij sterven. 12. Want wanneer een mens sterft, erft hij kruipende en wilde dieren en wormen. 13. Het begin van de hoogmoed is dat een mens van de Heere afwijkt en dat zijn hart zich afkeert van Hem die hem gemaakt heeft. 14. Want hoogmoed is het begin van de zonde, en wie daarin blijft, doet de gruwelijkste dingen. Maar op het eind zal hij omvergeworpen worden. 15. Daarom heeft de Heere ongewone straffen over hen gebracht en heeft Hij hen ten slotte omvergeworpen. 16. De Heere heeft de tronen van heersers neergedrukt en zachtmoedigen in hun plaats gezet. 17. De Heere rukt de wortels van hoogmoedige volken uit en plant nederigen in hun plaats, met eer. 18. De Heere keert de landen van de volken om en verwoest ze tot op de bodem van de aarde. 19. Hij heeft hen daaruit weggenomen en te gronde gericht. 20. En Hij heeft de herinnering aan hen van de aarde laten verdwijnen. 21. Hoogmoed is niet in de mensen geschapen, en ook de grimmige toorn niet in wie uit vrouwen geboren zijn. 22. Wie ontzag hebben voor de Heere zijn een betrouwbaar nageslacht, en wie Hem liefhebben een kostbare plant. Maar wie niet op de wet letten, zijn een schandelijk nageslacht, en wie de geboden overtreden een nageslacht dat afdwaalt. 23. Wie onder broeders hun leider is, wordt geëerd, en wie ontzag hebben voor de Heere worden geëerd in Zijn ogen. 24. Ontzag voor de Heere is een heerschappij, ook waar het lot beslist, maar hardheid en hoogmoed doen die heerschappij verdwijnen. 25. De roem van een rijke, een aanzienlijke en een arme is het ontzag voor de Heere. 26. Het is niet goed een arme te onteren die verstandig is, en het hoort niet dat men een zondaar eert. 27. De groten, de rechters en de machtigen worden geëerd, maar niemand van hen is groter dan wie ontzag heeft voor de Heere. 28. Vrije mensen zullen een verstandige knecht dienen, en een man met kennis zal niet mopperen wanneer hij terechtgewezen wordt. 29. Doe niet wijs wanneer je je werk doet, en schep niet op in de tijd van je nood. 30. Want het is beter dat iemand werkt en overvloed heeft dan dat hij opschept en geen brood heeft. 31. Mijn kind, geef je ziel eer door je zachtmoedigheid en geef haar de eer die zij verdient. 32. Wie zal iemand in zijn recht stellen die tegen zijn eigen ziel zondigt? En wie zal iemand eren die zijn eigen leven onteert? 33. Een arme wordt geëerd om zijn kennis, en een rijke wordt geëerd om zijn rijkdom. 34. Wie in armoede geëerd wordt, hoeveel te meer in rijkdom. En wie in rijkdom geen eer krijgt, hoeveel te minder in armoede. ## Jezus Sirach 11 — Beoordeel niemand op het uiterlijk 1. De wijsheid van wie nederig is, zal zijn hoofd omhoog brengen en hem tussen de groten laten zitten. 2. Prijs niemand om zijn uiterlijk en heb geen afkeer van iemand om hoe hij eruitziet. 3. De bij is klein onder de vliegende dieren, en toch is haar opbrengst het allerzoetste. 4. Pronk niet met de kleren die je aanhebt en verhef je niet op je dag van eer, want de werken van de Heere zijn wonderlijk en Zijn werken zijn voor de mensen verborgen. 5. Veel koningen hebben op de grond gezeten, en iemand van wie niemand het verwachtte, heeft de kroon gedragen. 6. Veel machtigen zijn zwaar onteerd, en veel aanzienlijken zijn in de handen van anderen gevallen. 7. Wijs niemand terecht voordat je onderzoek gedaan hebt. Kom eerst te weten hoe het zit, en wijs dan terecht. 8. Antwoord niet voordat je geluisterd hebt, en val niet midden in de woorden van een ander. 9. Maak geen ruzie over een zaak die jou niet aangaat, en ga niet meezitten in het gerecht van zondaars. 10. Mijn kind, bemoei je niet met te veel dingen, want als je veel op je neemt, blijf je niet onschuldig. Als je het najaagt, haal je het niet, en als je vlucht, ontkom je niet. 11. Er is menigeen die zich inspant, zwoegt en haast, en die juist des te meer tekortkomt. 12. En er is menigeen die traag is, die hulp nodig heeft, die kracht mist en grote armoede kent. En het oog van de Heere ziet hem ten goede aan en richt hem op uit zijn geringheid. 13. Hij tilt zijn hoofd omhoog uit het verval, en velen die dat zien, verbazen zich over hem. 14. Goede en kwade dingen, leven en dood, armoede en rijkdom komen van de Heere. 15. Wijsheid en kennis en het kennen van de wet komen van de Heere. Liefde en de wegen van goede werken komen van Hem. 16. Dwaling en duisternis zijn samen met de zondaars geschapen, en bij wie over kwaad opscheppen, wordt het kwaad oud. 17. De gave van de Heere blijft bij wie ontzag voor Hem hebben, en wat Hem behaagt, blijft voor altijd voorspoedig. 18. Er is menigeen die rijk wordt door zijn oplettendheid en zijn zuinigheid, en dat is dan zijn deel van het loon. 19. Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden, nu zal ik onophoudelijk van mijn bezit eten, dan weet hij niet welke tijd hem overkomt. Hij zal het aan anderen nalaten en sterven. 20. Blijf staan in je verbond, leef daarin en word oud terwijl je je werk doet. 21. Verbaas je niet over de werken van de zondaar, maar vertrouw op de Heere en blijf bij je werk. 22. Want het is voor de Heere gemakkelijk om een arme snel en onverwacht rijk te maken. 23. De zegen van de Heere ligt in het loon van wie ontzag voor Hem heeft, en in korte tijd laat Hij Zijn zegen opkomen. 24. Zeg niet: Wat heb ik nodig om tevreden te zijn, en voor wie zullen mijn bezittingen voortaan zijn? 25. Zeg niet: Ik heb genoeg, en wat ik heb is veel, en wat kan mij in dit leven nog voor kwaad overkomen? 26. In de goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen denkt men niet meer aan het goede. 27. Want het is voor de Heere gemakkelijk om op de dag van de dood de mens naar zijn daden te vergelden. 28. Een slecht uur doet je het genot vergeten, en aan het eind van een mensenleven komen zijn daden aan het licht. 29. Prijs niemand gelukkig voor zijn dood. Ook aan zijn kinderen ken je een man. 30. Breng niet iedereen in je huis, want een lasteraar legt veel valstrikken. 31. Zoals een gevangen patrijs in een kooi, zo is het hart van wie hoogmoedig is, en zoals iemand die op de loer ligt en erop uit is je te laten vallen. 32. Want hij loert en verandert het goede in het kwade. Ja, juist in de mooiste dingen zal hij je een smet aanwrijven. 33. Uit een kleine vonk worden veel gloeiende kolen, en een mens die zondaar is, loert op bloed. 34. Pas op voor iemand die kwaad doet, want hij smeedt kwade plannen, zodat hij je niet ooit een blijvende schandvlek bezorgt. 35. Laat je een vreemde in je huis wonen, dan zal hij je met onrust storen en zal hij je van je eigen bezit beroven. ## Jezus Sirach 12 — Aan wie je goeddoet 1. Als je goeddoet, weet dan aan wie je het doet, en je zult voor je weldaden dank krijgen. 2. Doe goed aan wie ontzag voor God heeft, dan zul je vergelding vinden, en zo niet van hem, dan toch van de Allerhoogste. 3. Wie doorgaat met het kwade, zal het niet goed gaan, en ook niet wie niets opzijlegt om barmhartig te geven. 4. Geef aan wie ontzag voor God heeft, en neem de zondaar niet aan. 5. Doe goed aan wie nederig is en geef niets aan de goddeloze. Onthoud hem je brood en geef het hem niet, zodat hij je daarmee niet de baas wordt. Want je zal dubbel kwaad overkomen voor al het goede dat je hem gedaan hebt. 6. Want ook de Allerhoogste haat de zondaars, en wie ontzag voor Hem heeft, zal Hij wreken, maar de anderen bewaart Hij voor de zware dag van de wraak. Geef aan wie vroom is, en neem de zondaar niet aan. 7. Zolang het goed gaat, wordt de vriend niet weggestuurd, en pas in tegenspoed blijft de vijand niet verborgen. 8. Als het iemand goed gaat, zijn zijn vijanden bedroefd, en als het hem slecht gaat, gaat ook de vriend bij hem weg. 9. Vertrouw je vijand nooit. 10. Want zoals koper roest, zo doet zijn boosheid dat ook. 11. En als hij vernederd wordt en gebogen loopt, houd jezelf dan in en pas voor hem op. Dan zul je voor hem zijn als iemand die een spiegel heeft schoongeveegd, en je zult merken dat hij die niet tot het einde toe kan laten roesten. 12. Zet hem niet naast je, zodat hij niet ooit, wanneer hij je omvergeworpen heeft, zichzelf op jouw plaats zet, en zet hem niet aan je rechterkant, zodat hij niet ooit jouw zitplaats probeert in te nemen. Anders merk je pas op het laatst wat mijn woorden betekenen en word je door mijn woorden doorstoken. 13. Wie zal medelijden hebben met een slangenbezweerder die door een slang gebeten is, of met iedereen die dicht bij wilde dieren komt? Zo gaat het met iemand die met een zondaar omgaat en zich in zijn zonden mengt. 14. Hij zal een uur bij je blijven zolang het goed met je gaat, maar als je afdwaalt, zal hij niet volhouden. 15. De vijand zal wel zoete woorden op zijn lippen hebben, maar in zijn hart overlegt hij hoe hij je in een kuil kan gooien. 16. Met zijn ogen zal hij huilen, en als hij de gelegenheid krijgt, zal hij niet genoeg van je bloed kunnen krijgen. 17. Als jou iets kwaads overkomt, zul je hem daar eerder vinden dan jezelf. Hij doet alsof hij wil helpen, en hij zal je hiel doorsnijden. 18. Hij zal zijn hoofd schudden, in zijn handen klappen, veel mompelen en zijn gezicht veranderen. ## Jezus Sirach 13 — De rijke en de arme 1. Wie pek aanraakt, wordt ermee besmeurd, en wie omgaat met iemand die hoogmoedig is, wordt net als hij. 2. Neem in je leven geen last op je die te zwaar voor je is, en ga niet om met iemand die sterker en rijker is dan jij. 3. Wat heeft een aarden pot met een ketel te maken? Die stoot ertegenaan, en de pot wordt verbrijzeld. 4. Een rijke doet onrecht, en men smeekt hém om genade. Een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd. 5. Als je hem van nut kunt zijn, zal hij je aan het werk zetten, maar als je achterop raakt, zal hij je onderdrukken. 6. Als je iets hebt, zal hij met je leven en zal hij je leeghalen, en zelf zal hij niet werken. 7. Heeft hij je nodig, dan zal hij je bedriegen en lokken en hoop geven. Hij zal vriendelijk met je praten en zeggen: Wat heb je nodig? 8. Hij zal je met zijn maaltijden beschamen, tot hij je twee of drie keer leeggehaald heeft. En op het laatst zal hij je bespotten. Daarna zal hij je aankijken, je in de steek laten en zijn hoofd over je schudden. 9. Pas op dat je niet door je eigen gedachten misleid wordt 10. en dat je niet vernederd wordt terwijl je hart blij is. 11. Als een machtig heer je uitnodigt, houd je dan wat op de vlakte, dan zal hij je des te vaker uitnodigen. 12. Val hem niet in de rede, zodat je niet zonder dat je weet waarom aan de kant gezet wordt, maar blijf ook niet te ver weg, zodat je niet vergeten wordt. 13. Probeer niet met hem op gelijke voet te spreken en vertrouw niet op zijn vele woorden. Want door veel te praten zal hij je uithoren, en al lachend zal hij je geheimen onderzoeken. 14. Wie zijn woorden niet houdt, is onbarmhartig, en hij zal je zeker geen plagen en boeien besparen. 15. Let op jezelf en luister goed wanneer je hem hoort, want je loopt langs de rand van je val. 16. Als je deze dingen hoort, wees dan zelfs in je slaap waakzaam. 17. Heb de Heere je leven lang lief en roep Hem aan om je redding. 18. Ieder dier houdt van zijn soortgenoot, en ieder mens houdt van zijn naaste. 19. Alles wat leeft verzamelt zich bij zijn eigen soort, en een mens sluit zich aan bij wie op hem lijkt. 20. Wat heeft een wolf met een lam te maken? Zo staat een zondaar tegenover wie ontzag heeft voor de Heere. 21. Welke vrede is er tussen een hyena en een hond? En welke vrede tussen een rijke en een arme? 22. Zoals de wilde ezels in de woestijn de prooi van de leeuwen zijn, zo zijn de armen de weide van de rijken. 23. Zoals nederigheid voor de hoogmoedige een gruwel is, zo is de arme een gruwel voor de rijke. 24. Wanneer een rijke wankelt, wordt hij door zijn vrienden overeind gehouden. Maar wanneer een arme valt, wordt hij door zijn vrienden nog verstoten ook. 25. Wanneer een rijke struikelt, zijn er velen die hem helpen. Heeft hij ongepaste dingen gezegd, dan praat men het toch goed. 26. Een nederig mens struikelt, en men scheldt hem er nog voor uit. Hij heeft iets verstandigs gezegd, en men geeft hem geen ruimte. 27. De rijke spreekt, en zij zwijgen allemaal en verheffen zijn woorden tot in de wolken. 28. De arme spreekt, en men zegt: Wie is dat? En als hij ergens tegenaan stoot, zullen zij hem helemaal omverduwen. 29. Rijkdom is goed als er geen zonde bij is, en armoede is kwaad in de mond van de goddeloze. 30. Het hart van een mens verandert zijn gezicht, ten goede of ten kwade, en een hart dat opbloeit van genoegen maakt een vrolijk gezicht. 31. Een fris gezicht is een teken van een hart dat goed staat, en het bedenken van spreuken kost moeite en overleg. ## Jezus Sirach 14 — Doe jezelf goed zolang je leeft 1. Gelukkig is de man die geen fouten maakt met zijn mond en die niet door een massa zonden geprikkeld wordt. 2. Gelukkig is hij die zijn eigen ziel niet veroordeelt en die de hoop op de Heere niet kwijtraakt. 3. Rijkdom past niet bij een gierig mens, en waar dient geld voor bij een afgunstig mens? 4. Wie verzamelt door zichzelf tekort te doen, verzamelt voor anderen, en vreemden zullen lekker leven van zijn bezit. 5. Wie voor zichzelf slecht is, voor wie zal hij goed zijn? Hij zal zelfs niet blij zijn met zijn eigen bezit. 6. Er is geen slechter mens dan wie zichzelf niets gunt, en dat is de vergelding voor zijn boosheid. 7. Als hij goeddoet, doet hij het met tegenzin, en op het laatst zal zijn boosheid uitkomen. 8. Het is een slecht mens die met zijn oog afgunstig is, die zijn gezicht afwendt en mensen veracht. 9. Het oog van de gierigaard wordt door geen enkel deel verzadigd, en het onrecht van de slechte mens laat zijn ziel uitdrogen. 10. Een slecht oog is afgunstig op brood, en aan zijn eigen tafel komt hij tekort. 11. Mijn kind, doe jezelf goed naar wat je kunt, en breng de Heere offers, zoals het hoort. 12. Denk eraan dat de dood niet lang wacht, en de afspraak met het graf is je niet getoond. 13. Doe je vriend goed voordat je sterft, en strek naar je vermogen je hand uit en geef hem. 14. Onthoud jezelf de goede dag niet, en laat je deel van wat je terecht verlangt niet voorbijgaan. 15. Zul je je werk niet aan een ander moeten nalaten, en je moeite aan het lot dat verdeelt? 16. Geef en neem, en heilig je ziel. 17. Want in het graf hoef je geen eten te zoeken. 18. Alles wat leeft veroudert als een kleed, want de afspraak is vanaf de eeuwen deze: je zult zeker sterven. 19. Zoals een groen blad aan een dichte boom: sommige laat hij vallen, en andere laat hij uitlopen. Zo gaat het met het geslacht van vlees en bloed: de een sterft en de ander wordt geboren. 20. Elk werk dat aan verrotting onderhevig is, bezwijkt, en wie het gemaakt heeft, gaat er samen mee heen. 21. Gelukkig is de man die met wijsheid nadenkt over wat eervol is en die met zijn verstand over heilige dingen spreekt. 22. Wie in zijn hart over haar wegen nadenkt, zal ook haar geheimen begrijpen. Ga achter haar aan als een spoorzoeker en let op haar wegen. 23. Wie door haar ramen kijkt en bij haar deuren luistert, 24. wie dicht bij haar huis zijn onderkomen zoekt en zijn pin in haar muren slaat, wie zijn tent naast haar opzet, 25. die zal een onderkomen hebben in een huis vol goeds. Hij zal zijn kinderen onder haar bescherming brengen en onder haar takken overnachten. 26. Zij zal hem beschermen tegen de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij wonen. ## Jezus Sirach 15 — De mens heeft zelf de keuze 1. Wie ontzag heeft voor de Heere zal dat doen, en wie de kennis van de wet gekregen heeft, zal haar vinden. 2. Als een moeder zal zij hem tegemoet komen, en als een vrouw die hij als meisje getrouwd heeft, zal zij hem ontvangen. 3. Zij zal hem voeden met het brood van het verstand en hem laten drinken van het water van de wijsheid. 4. Hij zal op haar steunen en niet wankelen, en hij zal zich aan haar vasthouden en niet beschaamd worden. 5. Zij zal hem verhogen boven zijn naaste, en zij zal midden in de vergadering zijn mond openen. 6. Hij zal vrolijkheid vinden en een kroon van vreugde, en zij zal hem een blijvende naam laten erven. 7. Mensen zonder verstand zullen haar niet begrijpen. 8. Zondaars zullen haar helemaal niet zien. Zij is ver van hoogmoed, en leugenaars denken helemaal niet aan haar. 9. Lof past niet in de mond van een zondaar, omdat die hem niet door de Heere gegeven is. 10. Want lof wordt met wijsheid uitgesproken, en de Heere zal die laten slagen. 11. Zeg niet: De Heere is de oorzaak dat ik afgevallen ben. Want wat Hij haat, moet je niet doen. 12. Zeg niet: Hij heeft mij zo gemaakt. Want Hij heeft de zondaar niet nodig. 13. De Heere haat alles wat gruwelijk is, en het is niet geliefd bij wie ontzag voor Hem hebben. 14. Hij heeft vanaf het begin de mens gemaakt en hem in de hand van zijn eigen keuze gelaten. 15. En Hij heeft gezegd: Als je wilt, zul je de geboden houden, en de trouw om te doen wat mij behaagt. 16. Hij heeft je vuur en water voorgelegd. Strek je hand uit waar je wilt. 17. Het leven en de dood liggen voor de mens, en wat hem bevalt, zal hem gegeven worden. 18. Want de wijsheid van de Heere is groot. Hij is sterk in kracht en Hij ziet alles. 19. Zijn ogen zijn op wie ontzag voor Hem hebben, en Hij zal weten wat elke mens doet. 20. Hij heeft niemand bevolen goddeloos te zijn, en Hij heeft niemand toestemming gegeven te zondigen. ## Jezus Sirach 16 — Eén rechtvaardige is beter dan duizend 1. Verlang niet naar een nutteloze menigte kinderen en wees niet blij met goddeloze zonen. Ook al worden het er veel, wees niet blij met hen als het ontzag voor de Heere niet bij hen is. 2. Vertrouw niet op hun leven en let niet op hun aantal. 3. Want één rechtvaardige is beter dan duizend van zulke kinderen. 4. En het is beter zonder kinderen te sterven dan goddeloze kinderen te hebben. 5. Want door één verstandig mens raakt een stad vol bewoners, maar het geslacht van de goddelozen wordt snel verlaten. 6. Veel van zulke dingen heeft mijn oog gezien, en mijn oor heeft nog sterkere dingen gehoord. 7. In de vergadering van de zondaars wordt een vuur aangestoken, en de toorn is ontbrand onder een ongehoorzaam volk. 8. Hij heeft zich niet laten verzoenen over de oude reuzen, die afvielen door de kracht van hun dwaasheid. 9. Hij spaarde de mensen niet bij wie Lot woonde, van wie Hij een afkeer had om hun hoogmoed. 10. Hij ontfermde zich niet over het volk dat te gronde ging, dat wegliep in de zonden die zij deden. 11. En zo heeft de Heere zeshonderdduizend man voetvolk, die samen hardnekkig geworden waren, met ontferming en tuchtiging bewaard: Hij geselde en ontfermde zich, Hij sloeg en genas. Als er dan één hardnekkige onder het volk zou zijn, zou het een wonder zijn dat die ongestraft bleef. 12. Want ontferming en toorn zijn allebei bij Hem. Hij is een machtig Heere, die snel verzoend wordt en toorn uitstort. 13. Zoals Zijn barmhartigheid groot is, zo is ook Zijn tuchtiging. Hij zal ieder oordelen naar zijn daden. 14. De zondaar zal met zijn buit niet ontkomen, en de verwachting van wie God dient, zal niet uitblijven. 15. Maak ruimte voor allerlei barmhartigheid, want ieder zal krijgen naar zijn daden. De Heere heeft de farao verhard, zodat hij Hem niet kende, om Zijn werken bekend te maken bij het geslacht onder de hemel. Zijn barmhartigheid is voor alle schepselen zichtbaar, en Hij heeft licht en duisternis onderscheiden met een diamant. 16. Zeg niet: Ik zal mij voor de Heere verbergen, en wie zal uit de hoogte aan mij denken? 17. Onder een groot volk zal men niet aan mij denken, want wat is mijn ziel tussen de onmetelijke schepselen? 18. Kijk, de hemel en de hemel van de hemel, de afgrond en de aarde en alles wat daarin is, zullen beven wanneer Hij naar hen omziet. De hele wereld die geweest is en die is, bestaat door Zijn wil. 19. De bergen en de fundamenten van de aarde worden samen door beving geschud wanneer de Heere daarop ziet. 20. En het hart denkt daar niet goed over na. 21. Wie kan Zijn wegen doorgronden? Zij zijn als een stormwind die de mens niet kan zien, en het meeste van Zijn werken is voor ons verborgen. 22. Wie zal de werken van Zijn gerechtigheid vertellen, of wie kan ze verdragen? Want het verbond is ver, en het onderzoek van alle dingen komt aan het eind. 23. Wie klein geworden is, denkt daarover na, maar een dwaas man die verdwaald is, denkt dwaze dingen. 24. Luister naar mij, mijn kind, en leer kennis, en let met je hart op mijn woorden. 25. Ik zal onderwijs met gewicht naar voren brengen en met zorg kennis daarover uitspreken. 26. Want de werken van de Heere zijn er vanaf het begin door Zijn besluit, en sinds zij gemaakt zijn, heeft Hij hun delen onderscheiden. 27. Hij heeft Zijn werken voor altijd mooi gemaakt, hun begin door Zijn hand in alle geslachten. Zij hebben geen honger gehad en zijn niet moe geworden in wat Hij hen liet doen. Zij zijn niet bezweken in hun werk, en niet één heeft zijn naaste verdrukt. 28. En tot in eeuwigheid zullen zij Zijn woord niet ongehoorzaam zijn. 29. Daarna heeft de Heere naar de aarde gekeken en haar met Zijn goede gaven gevuld. 30. Hij bedekt het leven van alle dieren, en in haar keren zij terug. ## Jezus Sirach 17 — De mens uit aarde geschapen 1. De Heere heeft de mens uit aarde geschapen, en Hij laat hem daarin terugkeren. 2. Hij heeft hun een aantal dagen gegeven en een vaste tijd, en Hij heeft hun macht gegeven over wat op de aarde is. 3. Hij heeft hen met kracht bekleed naar hun aard, en Hij heeft hen naar Zijn beeld gemaakt. 4. Hij heeft ontzag voor hen gelegd op alles wat leeft, en gegeven dat de mens naar Zijn gelijkenis zou heersen over de dieren en de vogels. 5. En als zesde heeft Hij hun het verstand geschonken, toen Hij Zijn gaven uitdeelde, en als zevende de spraak, die Zijn werken uitlegt. 6. Hij heeft hun overleg gegeven en een tong en ogen en oren en een hart om na te denken. Met kennis en verstand heeft Hij hen vervuld, en Hij heeft hun laten zien wat goed en kwaad is. 7. Hij heeft Zijn ogen op hun hart gelegd. Hij heeft hun gegeven dat zij zich voor altijd in Zijn wonderen mogen verheugen, zodat zij Zijn werken verstandig zouden navertellen. 8. En de uitverkorenen zullen Zijn heilige naam prijzen. 9. Hij heeft hun daarbij kennis gegeven en hun de wet van het leven als erfdeel gegeven, zodat zij zouden begrijpen dat zij nu sterfelijk zijn. 10. Hij heeft een eeuwig verbond met hen gesloten en hun Zijn oordelen laten zien. 11. Hun ogen hebben Zijn heerlijke majesteit gezien en hun oor heeft de heerlijkheid van Zijn stem gehoord. En Hij heeft tegen hen gezegd: 12. Pas op voor alle onrecht. En Hij heeft hun geboden gegeven, ieder over zijn naaste. 13. Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor Zijn ogen, want zij liggen altijd voor Hem. Maar ieder mens is van jongs af aan geneigd tot het kwade, en zij hebben hun hart van steen niet in een hart van vlees kunnen veranderen. 14. Want toen Hij de volken over de hele aarde verdeelde, heeft Hij over elk volk een leider aangesteld. Maar Israël nam Hij als Zijn eigen deel. Dat is Zijn eerstgeborene, dat Hij met tucht opvoedt, en Hij deelt hem het licht van de liefde mee en laat hem niet in de steek. 15. Daarom liggen al hun werken voor Hem als in het zonlicht, en Zijn ogen zien voortdurend op hun wegen. 16. Hun onrecht is voor Hem niet verborgen, en al hun zonden liggen voor de Heere. Maar de Heere is goed en kent Zijn eigen maaksel. Hij heeft hen niet losgelaten en niet verlaten, maar Hij heeft hen gespaard. 17. Want de barmhartigheid voor een mens is bij Hem als een zegel, en Hij zal de genade voor de mens bewaren als Zijn oogappel. Hij geeft Zijn zonen en dochters bekering, en daarna zal Hij opstaan en hun vergelden, en hun vergelding zal Hij op hun hoofd doen neerkomen. 18. Maar wie tot inkeer komt, heeft Hij de weg terug gegeven, en Hij heeft geroepen wie het geduld opgegeven hadden. 19. Bekeer je dan tot de Heere en laat de zonden los. Smeek voor Zijn gezicht en maak het kwaad kleiner. 20. Keer terug naar de Allerhoogste en keer je af van onrecht, want Hij zal je uit de duisternis leiden naar het licht van de gezondheid. 21. En heb een diepe afkeer van wat gruwelijk is. 22. Wie zal in het graf de Allerhoogste prijzen, in plaats van wie leven en dank uitspreken? 23. Van een dode, als iemand die er niet meer is, gaat de dankzegging verloren. 24. Maar wie leeft en gezond van hart is, zal de Heere prijzen. 25. Hoe groot is de ontferming van de Heere, onze God, en de verzoening voor wie zich oprecht tot Hem bekeren. 26. Want niet alles kan in de mensen zijn, omdat geen mensenkind onsterfelijk is. 27. Wat is helderder dan de zon? En toch gaat zij onder. Zo gaat het ook met de mens die alleen aan vlees en bloed denkt. 28. Hij kijkt naar de kracht van de hoge hemel, en alle mensen zijn maar aarde en as. ## Jezus Sirach 18 — Wat is de mens? 1. Hij die in eeuwigheid leeft, heeft alles samen geschapen. 2. Alleen de Heere is rechtvaardig, en er is geen ander dan Hij. Hij heeft de wereld gebouwd met de span van Zijn hand, en alles gehoorzaamt Zijn wil. Want Hij is door Zijn kracht de koning van alles, en Hij onderscheidt daarin wat heilig is van wat onheilig is. 3. Aan wie heeft Hij de macht gegeven om Zijn werken te verkondigen? En wie heeft Zijn grote daden uitgezocht? 4. Wie zal de kracht van Zijn majesteit berekenen? En wie zal daarbij ook nog Zijn barmhartigheden vertellen? 5. De wonderen van de Heere zijn niet minder te maken en niet meer, en zij zijn niet te doorgronden. 6. Wanneer een mens klaar denkt te zijn, begint hij pas, en wanneer hij ophoudt, komt hij nog tekort. 7. Wat is een mens? En waar dient hij voor? Wat is zijn goed en wat is zijn kwaad? 8. Honderd jaar is een groot aantal dagen voor een mens, maar wanneer ieder inslaapt, kan niemand berekenen. 9. Zoals een druppel water is tegenover het water van de zee en een korreltje zand tegenover het zand aan de zee, zo zijn duizend jaar tegenover de dagen van de eeuwigheid. 10. Daarom is de Heere geduldig met hen en giet Hij Zijn barmhartigheid over hen uit. 11. Hij heeft gezien en begrepen dat hun einde slecht is. Daarom heeft Hij Zijn verzoening vermenigvuldigd. 12. De barmhartigheid van een mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid van de Heere over alles wat leeft. 13. Hij wijst terecht, Hij onderwijst en Hij leert, en Hij brengt terug zoals een herder zijn kudde. 14. Hij ontfermt zich over wie onderwijs aannemen en die zich haasten naar Zijn oordelen. 15. Mijn kind, als het je goed gaat, geef dan geen aanleiding tot verwijten, en doe niemand verdriet met kwade woorden wanneer je iets gevraagd wordt. 16. Houdt de dauw de hitte niet tegen? Zo is een woord beter dan een gave. 17. Kijk, gaat een woord niet boven een goed geschenk? En allebei zijn zij aangenaam bij een goed mens. 18. Een dwaas verwijt zijn weldaad op een onbeschofte manier, en de gift van een afgunstig mens droogt je de ogen uit. 19. Leer voordat je spreekt, en gebruik medicijn voordat je ziek wordt. 20. Maak jezelf klaar om goed te doen voordat je geoordeeld wordt, dan zul je verzoening vinden in het uur waarop God omziet. 21. Verneder jezelf door matigheid voordat je ziek wordt, en laat in de tijd van je zonden zien dat je terugkeert. 22. Laat je er niet van weerhouden je belofte op tijd na te komen, en wacht niet tot de dood met rechtvaardig worden. 23. Maak jezelf klaar voordat je een gelofte doet, en wees niet als iemand die de Heere op de proef stelt. 24. Denk aan de woede die zal komen in de dagen van de dood en aan de tijd van de wraak, wanneer de Heere Zijn gezicht zal afwenden. 25. Denk in de tijd van overvloed aan de tijd van honger, en in de dagen van rijkdom aan armoede en gebrek. 26. Van 's morgens vroeg tot de avond verandert de tijd, en al die dingen gaan bij de Heere snel. Een wijs mens heeft altijd ontzag, en in de dagen van de zonden past hij op voor misstappen. Maar een dwaas let niet op de tijd. 27. Ieder die verstandig is, kent wijsheid en onderwijs. 28. En wie haar vindt, zal zij geven dat hij haar openlijk kan belijden. 29. Wie verstandig zijn in woorden, handelen ook wijs, en zij gieten als een regen scherpzinnige spreuken uit voor het leven. Beter is het alleen op de Heere te vertrouwen, terwijl het dode hart zich vastklampt aan wat dood is. 30. Ga niet achter je lusten aan, maar houd je in bij je verlangens. 31. Als je je ziel geeft wat zij graag wil, maak je daarmee je vijanden blij die jou benijden. 32. Verheug je niet in veel lekkernijen en wees niet gretig naar wat die je aanraden. 33. Word niet arm doordat je feesten geeft van geleend geld terwijl je niets in je beurs hebt, want dan word je een verrader van je eigen leven, waar men over zal praten. ## Jezus Sirach 19 — Houd je tong in bedwang 1. Een werkman die een dronkaard is, zal niet rijk worden, en wie het kleine veracht, raakt langzaam aan de grond. 2. Wijn en vrouwen laten verstandige mensen afvallen, en wie zich aan prostituees hangt, wordt brutaal. 3. Zij zullen maden en wormen als erfdeel krijgen, en hij zal verdrogen tot een heel schandelijk voorbeeld. 4. Wie te snel vertrouwt, is lichtzinnig van hart, en wie tegen zijn eigen ziel zondigt, doet zichzelf kwaad. 5. Wie blij is als hij kwaad doet, zal veroordeeld worden, maar wie zich tegen de genotzucht verzet, kroont zijn eigen leven. 6. Wie zijn tong in bedwang houdt, zal rustig leven, en wie een hekel heeft aan kletsen, wordt minder slecht. 7. Vertel een verhaal nooit door, dan zal het je niet schaden. 8. Vertel het leven van anderen niet, niet aan een vriend en niet aan een vijand, en als het voor jou geen zonde is, maak het dan toch niet bekend. 9. Want hij heeft je gehoord en op je gelet, en zodra het hem uitkomt, zal hij je haten. 10. Heb je iets gehoord, laat het dan bij je sterven, en wees gerust: je zult er niet van barsten. 11. Een dwaas lijdt pijn om een woord, zoals een vrouw die bevalt om haar kind. 12. Zoals een pijl die in het vlees van de heup vastzit, zo is een woord in de buik van een dwaas. 13. Wijs je vriend terecht. Misschien heeft hij het niet gedaan, en als hij het wel gedaan heeft, dan doet hij het niet nog eens. 14. Wijs je naaste terecht. Misschien heeft hij het niet gezegd, en als hij het wel gezegd heeft, dan zegt hij het geen tweede keer. 15. Wijs je vriend terecht, want er wordt vaak zomaar iets kwaads verteld. 16. Laat je hart niet elk woord geloven. Menigeen struikelt in een woord zonder dat hij het meent, en wie struikelt er nooit met zijn tong? 17. Wijs je naaste terecht voordat je dreigt, en geef de wet van de Allerhoogste de ruimte, en word niet boos. 18. Ontzag voor de Heere is het begin van de aanvaarding, en de wijsheid die van Hem komt, verwerft liefde. De geboden van de Heere kennen is onderwijs voor het leven, en wie doen wat Hem behaagt, zullen de vrucht van de boom van de onsterfelijkheid genieten. 19. Wanneer het ontzag voor de Heere komt, is dat de hele wijsheid, en in alle wijsheid zit het houden van de wet en het kennen van Zijn almacht. Een knecht die tegen zijn heer zegt: Ik zal niet doen wat u wilt, en die het daarna toch doet, maakt hem boos die hem te eten geeft. 20. De kennis van het kwaad is geen wijsheid, en waar de raad van de zondaars is, is geen verstand. 21. Er is boosheid, en die is een gruwel, en er is iemand zonder verstand die wijsheid mist. 22. Wie het aan verstand ontbreekt maar die ontzag heeft, is beter dan iemand die vol slimheid zit en de wet van de Allerhoogste overtreedt. 23. Er is een ijverige sluwheid, en die is onrechtvaardig. En menigeen verdraait de gunst om het recht te laten blijken, en menigeen oordeelt rechtvaardig, en die is wijs. 24. Menigeen doet kwaad terwijl hij gebogen in zwarte kleren loopt, en van binnen zit hij vol vurig bedrog. 25. Hij buigt zijn gezicht en doet alsof hij doof is. Als je hem niet doorhebt, zal hij je voor zijn en je kwaad doen. 26. En als hij door gebrek aan kracht niet kan zondigen, zal hij toch kwaad doen zodra hij de kans krijgt. 27. Een mens herken je aan zijn blik, en een verstandige herken je aan de uitdrukking op zijn gezicht. 28. De kleding van een man, het lachen van zijn tanden en de manier waarop hij loopt, vertellen wat voor iemand hij is. 29. Er is een terechtwijzing die niet op zijn tijd komt, en er is iemand die zwijgt, en die is wijs. ## Jezus Sirach 20 — Zwijgen en spreken op de juiste tijd 1. Hoeveel beter is het iemand terecht te wijzen dan in stilte boos te zijn. En wie zijn zonde toegeeft, zal voor schade bewaard blijven. 2. Zoals iemand die geen kinderen kan krijgen ernaar verlangt een jong meisje te onteren, zo is hij die geweld gebruikt in het gerecht. 3. Menigeen wordt wijs gevonden doordat hij zwijgt, en menigeen wordt gehaat om zijn vele gepraat. 4. Menigeen zwijgt omdat hij niets te antwoorden heeft, en menigeen zwijgt omdat hij de juiste tijd kent. 5. Een wijs mens zal zwijgen tot het de juiste tijd is, maar een opschepper en een dwaas laat de juiste tijd voorbijgaan. 6. Van wie te veel woorden heeft, heeft men een afkeer, en wie zichzelf te veel macht toe-eigent, wordt gehaat. 7. Hoe mooi is het wanneer iemand die terechtgewezen is, laat zien dat hij tot inkeer komt. Want zo zal hij de zonden vermijden die hij uit vrije wil doet. 8. De zondaar heeft plezier in kwade dingen, en menige vondst loopt op schade uit. 9. Er is menige gave die je niet vooruithelpt, en er is menige gave die dubbel vergolden wordt. 10. Menigeen wordt vernederd door zijn eigen pracht, en menigeen heft zijn hoofd op uit de vernedering. 11. Menigeen koopt veel voor weinig geld en betaalt het zevenvoudig terug. 12. De wijze maakt zichzelf met woorden geliefd, maar de vriendelijkheid van dwazen wordt weggegooid. 13. De gave van een dwaas zal jou die haar krijgt niet vooruithelpen, en zo ook niet de gave van een afgunstig mens, want hij is behoeftig en zijn ogen kijken hoe hij er veel voor terug kan krijgen. 14. Hij zal weinig geven en veel verwijten, en hij zal zijn mond opendoen als een omroeper. 15. Vandaag zal hij je iets lenen en morgen het terugeisen. Zo iemand wordt door de Heere en door de mensen gehaat. 16. Een dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend, ik krijg geen dank voor mijn weldaden, en wie mijn brood eten, spreken kwaad over mij. 17. Hoe vaak en door hoevelen zal hij bespot worden! Want hij heeft zijn bezit niet met goed inzicht ontvangen, en het missen ervan is voor hem net zo weinig waard. 18. Het is beter op de grond te vallen dan door een tong. Zo zal de val van kwade mensen plotseling komen. 19. Een onaangenaam mens is als een grap op het verkeerde moment, en die zit voortdurend in de mond van wie zich niet weten te gedragen. 20. Een spreuk uit de mond van een dwaas zal verworpen worden, want hij spreekt haar niet op de juiste tijd uit. 21. Menigeen wordt door gebrek weerhouden van zondigen, en in zijn rust wordt hij niet geprikkeld. 22. Menigeen verliest zijn leven door schaamte, en verliest het doordat hij naar het aanzien van iemand kijkt. 23. Menigeen belooft zijn vriend iets uit schaamte en krijgt hem zonder reden als vijand. 24. De leugen is een lelijke schandvlek bij een mens, en in de mond van wie zich niet weten te gedragen zit zij voortdurend. 25. Een dief verdient de voorkeur boven iemand die steeds liegt, maar zij zullen allebei het verderf erven. 26. De gewoonten van een leugenachtig mens zijn een oneer voor hem, en zijn schande is steeds bij hem. 27. Een wijze brengt zichzelf vooruit met woorden, en een voorzichtig mens bevalt de groten. 28. Wie zijn land bewerkt, verhoogt zijn oogst, en wie de groten bevalt, doet verzoening voor zijn misstap. 29. Gaven en geschenken verblinden de ogen van de wijzen en keren de terechtwijzingen af als een toom in de mond. 30. Wijsheid die verborgen is en een schat die niemand kent: welk nut hebben die allebei? 31. Een mens die zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt. Beter is een onvermijdelijk geduld bij wie de Heere zoekt dan zonder de Heere je eigen leven te besturen. ## Jezus Sirach 21 — Vlucht voor de zonde als voor een slang 1. Mijn kind, heb je gezondigd, doe er dan geen zonde meer bij, en bid om vergeving voor de vorige. 2. Vlucht voor de zonde zoals voor een slang, want als je dichtbij komt, zal zij je bijten. 3. Haar tanden zijn leeuwentanden, en zij doden de ziel van mensen. 4. Alle onrecht is als een tweesnijdend zwaard, en er is geen genezing voor die wond. 5. Geweld en beledigingen verwoesten rijkdom, en zo zal het huis van de hoogmoedigen verwoest worden. 6. Het smeken van de arme gaat uit zijn mond tot in Gods oren, en zijn recht komt snel. 7. Wie een terechtwijzing haat, loopt in de voetstappen van de zondaar, en wie ontzag heeft voor de Heere, bekeert zich van harte. 8. Wie machtig is met de tong, is van ver bekend, maar een verstandig mens merkt wanneer hij struikelt. 9. Wie zijn huis bouwt met het geld van anderen, is als iemand die stenen verzamelt voor zijn eigen grafmonument. 10. De vergadering van de goddelozen is als bijeengeraapt brandhout, en zij eindigt in een vuurvlam die alles verwoest. 11. De weg van de zondaar is met stenen geëffend, maar aan het einde ervan ligt de kuil van het dodenrijk. 12. Wie de wet van de Heere bewaart, heerst over zijn eigen gedachten. 13. En de voltooiing van het ontzag voor de Heere is dat je de wijsheid aanneemt. 14. Wie niet knap is, zal niet onderwezen worden, hoewel er ook een knapheid is die de bitterheid vergroot. 15. De kennis van een wijze zal toenemen als een vloedgolf, en zijn raad is als een zuivere bron van leven. 16. Het binnenste van een dwaas is als een gebroken vat: het zal zijn leven lang geen kennis vasthouden. 17. Als een verstandig mens een wijs woord hoort, prijst hij het en voegt hij er nog iets aan toe. 18. Hoort een dwaas het, dan bevalt het hem niet en gooit hij het achter zich. 19. Wat een dwaas vertelt, is als een last op de weg, maar op de lippen van wie verstandig is, vind je iets aangenaams. 20. Naar de mond van wie voorzichtig is, wordt in de gemeenschap gezocht, en iedereen overdenkt zijn woorden in zijn hart. 21. De vrijheid van een dwaas is als een huis dat vervallen is, en de kennis van wie geen verstand heeft is niet meer dan woorden die je niet kunt onderzoeken. 22. Voor wie niets weet, is de tucht als boeien aan zijn voeten en als handboeien aan zijn rechterhand. 23. Een dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een knap man lacht nauwelijks en zachtjes. 24. Voor een voorzichtige man is de tucht als een gouden sieraad en als een armband aan zijn rechterarm. 25. De voet van een dwaas gaat snel een huis binnen, maar een mens met veel ervaring schaamt zich daarvoor. 26. Wie dwaas is, zal over de deur het huis in kijken, maar wie goed opgevoed is, blijft buiten staan. 27. Het hoort niet bij een mens om aan de deur te luisteren, en wie voorzichtig is, voelt zich bezwaard door die oneer. 28. De lippen van wie veel praten, vertellen over dingen die hen niet aangaan, maar de woorden van wie voorzichtig zijn, zijn op de weegschaal gewogen. 29. Het hart van dwazen zit in hun mond, maar de mond van de wijzen zit in hun hart. 30. Wanneer een goddeloze de satan vervloekt, vervloekt hij zijn eigen ziel. 31. Wie roddelt, maakt zijn eigen ziel vuil, en waar hij ook gaat wonen, daar zal hij gehaat worden. ## Jezus Sirach 22 — De luiaard en de dwaas 1. Een luiaard kun je vergelijken met een steen onder de modder, en iedereen schuift hem weg om zijn schande. 2. Een luie man is als koeienmest op de mesthoop: wie hem oppakt, schudt zijn hand af. 3. Het is de schande van een vader wanneer hij een onopgevoede zoon verwekt heeft, en zo'n dochter is voor hem een verlies. 4. Een voorzichtige dochter zal het erfdeel van haar man zijn, maar een die schande maakt, brengt verdriet aan wie haar verwekt heeft. 5. Een brutale dochter maakt haar vader en haar man te schande, en door allebei zal zij niet geëerd worden. 6. Een verhaal op het verkeerde moment is als muziek bij een begrafenis, maar slagen en tucht op de goede tijd zijn een werk van wijsheid. 7. Kinderen die goed opgevoed worden, verbergen de lage afkomst van hun ouders. Kinderen die opscheppen in verachting en wangedrag, bevlekken de goede afkomst van hun geslacht. 8. Wie een dwaas onderwijst, lijmt scherven aan elkaar en wekt een slaper uit een diepe slaap. 9. Wie een dwaas iets vertelt, vertelt het aan iemand die zit te dutten, en aan het eind zal hij zeggen: Wat was het? 10. Huil om een dode, want het licht heeft hem verlaten. Huil ook om een dwaas, want het verstand heeft hem verlaten. 11. Huil zachter om een dode, want hij heeft rust. 12. Want het leven van een dwaas is erger dan de dood. 13. De rouw om een dode duurt zeven dagen, maar de rouw om een dwaas en een goddeloze duurt zijn leven lang. 14. Praat niet lang met iemand die dwaas is, en ga niet naar iemand zonder verstand, want hij voelt niets en zal alles wat je zegt voor niets rekenen. 15. Pas voor hem op, zodat je geen moeite krijgt en niet vuil wordt wanneer hij zijn vuiligheid uitschudt. 16. Blijf bij hem vandaan, dan zul je rust vinden en niet lui worden door zijn onzin. 17. Wat is er zwaarder dan lood, en welke naam zou hij anders kunnen hebben dan lood? 18. Zand en zout en een klomp ijzer zijn lichter te dragen dan een mens zonder verstand. 19. Zoals een houten balk die stevig in een gebouw is ingemetseld niet losraakt door een schok, zo raakt een hart dat op goed doordachte raad steunt, nooit door angst bevangen. 20. Een hart dat op verstandige gedachten rust, is als versierd pleisterwerk op de muur van een huis. 21. Palen die rechtop tegen de wind gezet worden, kunnen niet blijven staan. 22. Zo kan een bang hart in de gedachten van een dwaas niet tegen angst op. 23. Wie in een oog steekt, brengt er tranen uit, en wie in het hart steekt, haalt het gevoel naar boven. 24. Wie een steen tussen de vogels gooit, jaagt ze weg, en wie zijn vriend uitscheldt, maakt de vriendschap los. 25. Als je het zwaard tegen je vriend getrokken hebt, wanhoop dan niet, want er is een weg terug. 26. Als je je mond tegen je vriend geopend hebt, wees dan niet bang, want er is verzoening. Behalve bij minachting en hoogmoed, bij het verklappen van een geheim en bij een verraderlijke wond, want om die dingen loopt elke vriend weg. 27. Wees trouw aan je naaste in zijn armoede, zodat je blij kunt zijn wanneer het hem goed gaat. 28. Blijf in de tijd van verdrukking bij hem, zodat je met hem kunt delen. Want een lage positie is niet altijd te verachten, en een rijke zonder verstand is niet hoog te achten. 29. Zoals de damp van een oven en de rook aan het vuur voorafgaan, zo gaan scheldwoorden aan doodslag vooraf. 30. Ik zal mij niet schamen om een vriend te beschermen, en ik zal mij niet voor hem verbergen. En als mij om hem iets kwaads overkomt, zal iedereen die het hoort voor hem oppassen. 31. Wie zal een wacht bij mijn mond zetten en een goed zegel op mijn lippen, zodat ik niet plotseling val door mijn tong en die mij niet te gronde richt? ## Jezus Sirach 23 — Een wacht bij mijn mond 1. Heere, Vader en Heerser van heel mijn leven, laat mij niet over aan hun raad en laat mij niet onder hen vallen. 2. Wie zal geselslagen zetten over mijn gedachten en onderricht van de wijsheid in mijn hart, zodat U, Heere, mijn onwetendheid niet door de vingers ziet en de overmoed van openlijke zondaars niet voorbijgaat? 3. Zodat mijn onwetendheid niet toeneemt en mijn zonden niet aangroeien tot ik verpletterd word, en ik niet val voor wie tegen mij zijn, en mijn vijand niet blij over mij wordt. Van hem is de hoop op Uw barmhartigheid ver. 4. Heere, Vader en God van mijn leven, geef mij geen hoogmoedige ogen en houd een brutaal hart altijd van Uw dienaren weg. 5. Houd lege hoop en begeerte van mij weg, en bewaar wie U altijd wil dienen. Laat de begeerte van de buik en de seksuele lust mij niet in bezit nemen, en geef mij, Uw dienaar, niet over aan een schaamteloos hart. 6. Luister, mijn kinderen, naar het onderwijs van een waarachtige mond, en wie dat bewaart, zal door zijn eigen lippen niet gevangen worden. 7. De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid gegrepen worden, en een spotter en een hoogmoedige zullen daarop stukvallen. 8. Wen je mond niet aan zweren, en wen jezelf er niet aan de naam van de Heilige te noemen. 9. Want zoals een knecht die steeds met de gesel verhoord wordt, altijd striemen heeft, zo wordt iemand die zweert en steeds de naam van de Heilige noemt, niet van de zonde gereinigd. 10. Een man die veel zweert, zit vol onrecht, en de gesel zal niet uit zijn huis wijken. 11. Als hij iets misdoet, ligt zijn zonde op hem, en als hij het niet telt, zondigt hij dubbel. 12. En als hij zomaar gezworen heeft, zal hij niet in zijn recht staan, want zijn huis zal vol straffen komen. 13. Er is een manier van spreken die helemaal met de dood omgeven is. Laat die niet gevonden worden in het erfdeel van Jakob. 14. Want dat alles zal ver zijn van wie ontzag voor God hebben, en zij zullen niet in de zonden verstrikt raken. 15. Wen je mond niet aan overdreven eden, want daarin ligt de schuld van de zonde. 16. Denk aan je vader en je moeder, want je zult tussen de groten zitten. 17. Anders zou je ooit door hen vergeten kunnen worden en door je gewone omgang verwelken, en zou je willen dat je nooit geboren was en zou je de dag van je geboorte vervloeken. 18. Een mens die aan scheldwoorden gewend is, zal zijn leven lang niet onderwezen worden. 19. Twee soorten mensen vermeerderen de zonden, en de derde brengt de toorn mee. 20. Een hete ziel is als een brandend vuur: het gaat niet uit tot alles verteerd is. 21. Iemand die ontucht pleegt met zijn eigen lichaam, komt niet tot rust voordat hij een vuur heeft aangestoken. 22. Voor wie ontucht pleegt is elk brood zoet, en hij zal niet ophouden tot zijn einde komt. 23. Een mens die van zijn eigen bed weggaat, zegt bij zichzelf: Wie ziet mij? 24. Om mij heen is duisternis, de muren bedekken mij en niemand ziet mij. Waar zou ik bang voor zijn? De Allerhoogste zal niet aan mijn zonden denken. En alleen de ogen van mensen zijn waar hij bang voor is. 25. Hij begrijpt niet dat de ogen van de allerhoogste Heere tienduizend keer helderder zijn dan de zon. 26. Die zien op alle wegen van de mensen en letten op de verborgen plekken. 27. Voordat alles geschapen was, was Hem alles al bekend, en zo ziet Hij ook nadat alles voltooid is nog alles door. 28. Zo iemand zal op de straten van de stad gestraft worden en gegrepen worden waar hij het niet verwacht. 29. Zo gaat het ook met een vrouw die haar man verlaat en een erfgenaam van een ander krijgt. 30. Want ten eerste is zij de wet van de Allerhoogste ongehoorzaam geweest, ten tweede heeft zij tegenover haar man verkeerd gehandeld, en ten derde heeft zij in ontucht overspel gepleegd en van een andere man kinderen gekregen. 31. Zij zal uit de gemeenschap gestoten worden, en er zal onderzoek naar haar kinderen gedaan worden. 32. Haar zonen zullen geen wortel uitspreiden, en haar takken zullen geen vrucht dragen. 33. Zij zal haar herinnering als een vloek achterlaten, en haar schande zal niet uitgewist worden. 34. En wie na haar komen, zullen erkennen dat er niets beter is dan ontzag voor de Heere en niets mooier dan dat iemand let op de geboden van God. 35. Het is een grote eer God te volgen, en een lang leven dat je door Hem aangenomen wordt. ## Jezus Sirach 24 — De wijsheid prijst zichzelf 1. De wijsheid prijst zichzelf, en te midden van haar volk beroemt zij zich. 2. Zij doet haar mond open in de vergadering van de Allerhoogste en beroemt zich voor het aangezicht van Zijn kracht. Zij zegt: 3. Ik ben uit de mond van de Allerhoogste voortgekomen, en als een nevel heb ik de aarde bedekt. 4. Ik heb mijn tent opgeslagen op de hoogste plaatsen, en mijn troon staat in een wolkkolom. 5. Ik alleen ben de kring van de hemel rondgegaan en heb in de diepte van de afgronden gelopen. 6. In de golven van de zee, op de hele aarde en bij alle volken en naties heb ik bezittingen. 7. Bij hen allen heb ik rust gezocht, om ergens een thuis te vinden in iemands erfdeel. 8. Toen gaf de Schepper van alles, die mij gemaakt heeft, mij een bevel. Hij liet mijn tent rusten en zei: 9. Sla je tent op in Jakob, en in Jeruzalem zul je erfdeel krijgen. 10. Voor de wereld er was, vanaf het begin, heeft Hij mij geschapen, en tot in eeuwigheid word ik niet minder. In een heilige tent heb ik in Zijn aanwezigheid dienst gedaan, 11. en zo ben ik in Sion vast komen te staan. In een geheiligde stad heeft Hij mij ook laten rusten, en in Jeruzalem ligt mijn macht. 12. Ik heb wortel geschoten in een geëerd volk, in het deel van de Heere, dat Zijn erfdeel is. 13. Ik ben hoog gegroeid als een ceder op de Libanon en als een cipres op de bergen van Hermon. 14. Ik ben hoog gegroeid als een dadelpalm in Engedi en als een rozenstruik in Jericho. 15. Als een mooie olijfboom op een fraai veld en als een plataan ben ik uit het water omhooggekomen. 16. Ik heb een goede geur verspreid, als kaneel en als een geurbal, en als uitgelezen mirre. 17. Als galbanum, onyx en stacte, en als de damp van het reukwerk in de tent. 18. Ik heb mijn takken uitgespreid als een terpentijnboom, en mijn takken zijn prachtig en aangenaam. 19. Als een wijnstok die uitloopt, heb ik een goede geur voortgebracht, en mijn bloemen dragen een vrucht van eer en rijkdom. 20. Ik ben een moeder van de mooie liefde, van het ontzag, van de kennis en van de heilige hoop. 21. En met al mijn kinderen deel ik deze dingen die altijd blijven, namelijk wat door Hem aan mij toegezegd is. 22. Kom hierheen naar mij, jullie die naar mij verlangen, en eet je verzadigd aan wat ik voortbreng. 23. Want de herinnering aan mij is zoeter dan honing, en mijn erfdeel zoeter dan honingraat. 24. Wie mij eten, zullen geen honger hebben, en wie mij drinken, zullen geen dorst hebben. 25. Wie naar mij luistert, zal nooit beschaamd worden, en wie voor mij werken, zullen niet zondigen. 26. Dat alles leert het boek van het verbond van God de Allerhoogste, de wet die Mozes ons opgedragen heeft als erfdeel in de vergaderingen van Jakob. Hij zei: Bezwijk niet, maar wees sterk in de Heere, zodat Hij je kracht geeft. Houd je aan Hem vast. De almachtige Heere is alleen God, en er is geen Redder naast Hem. 27. Hij vult alles met Zijn wijsheid, zoals de Pison en zoals de Tigris in de dagen van de eerste vruchten. 28. Hij vult het verstand zoals de Eufraat en zoals de Jordaan in de dagen van de oogst. 29. Hij laat het onderwijs van de kennis stralen als een licht, en als de Gichon in de tijd van de druivenoogst. 30. De eerste heeft haar niet volledig gekend, en zo heeft ook de laatste haar niet doorgrond. 31. Want haar gedachten zijn talrijker dan de zee, en haar raad is dieper dan een grote afgrond. 32. Ik, de Wijsheid, ben als een gegraven kanaal van een rivier, 33. en als een waterloop ben ik het paradijs in gegaan. 34. Ik heb gezegd: ik zal mijn beste tuin bewateren en mijn eigen tuinbed begieten. 35. En zie, dat gegraven kanaal is voor mij een rivier geworden, en mijn rivier is een zee geworden. 36. Want ik laat het onderwijs oplichten als de dageraad en ik laat het schijnen tot in verre landen. 37. Want ik giet onderricht uit als een profetie en ik laat het achter voor alle komende geslachten. 38. Zie dan dat ik niet alleen voor mijzelf gewerkt heb, maar voor iedereen die haar zoekt. ## Jezus Sirach 25 — Wat mooi is en wat zwaar valt 1. Om drie dingen word ik mooi en sta ik mooi voor de Heere, ja voor de Heere en voor de mensen. 2. Door eendracht tussen broeders, vriendschap met de naaste, en wanneer man en vrouw het samen goed kunnen vinden. 3. Drie soorten mensen haat mijn ziel, en over hun leven ben ik erg verstoord: 4. een arme die hoogmoedig is, een rijke die liegt, en een oude man die overspel pleegt en verstand verloren heeft. 5. In je jeugd heb je niets verzameld, en hoe zou je dan in je ouderdom iets vinden? 6. Wat is het mooi wanneer grijze haren rechtspreken en oude mannen kennis hebben om raad te geven. 7. Wat staat wijsheid ouderen mooi, en wat staat aan wie geëerd zijn de bedachtzaamheid en het overleg goed. 8. Grote ervaring is een kroon voor de ouderen, en hun roem is het ontzag voor de Heere. 9. Aan negen dingen heb ik gedacht en die in mijn hart gelukkig geprezen, en het tiende zal ik met mijn tong zeggen: 10. een mens die nog bij zijn leven blij wordt over zijn kinderen en die de val van zijn vijanden ziet. 11. Gelukkig is wie bij een verstandige vrouw woont, wie niet struikelt met zijn tong en wie niet iemand dient die hem niet waard is. 12. Gelukkig is wie verstand gevonden heeft en het vertelt aan wie luisteren. 13. Hoe groot is wie wijsheid vindt! Toch staat hij niet boven wie ontzag heeft voor de Heere. 14. Maar de liefde van de Heere overtreft alles en verlicht. 15. Wie haar vasthoudt, met wie zal hij te vergelijken zijn? 16. Ontzag voor de Heere is het begin van Zijn liefde, en geloof is het begin van je vasthouden aan Hem. 17. Elke plaag is te verdragen, maar niet een plaag van het hart, en elke boosheid, maar niet de boosheid van een vrouw. 18. Elke aanval, maar niet de aanval van wie je haten, en elke wraak, maar niet de wraak van vijanden. 19. Er is geen kop erger dan de kop van een slang, en er is geen woede erger dan de woede van een vijand. 20. Ik woon nog liever bij een leeuw en een draak dan bij een boze vrouw. 21. De boosheid van een vrouw verandert haar gezicht en maakt het donker, zodat zij eruitziet als een beer. 22. Haar man zal tussen zijn buren zitten en met tegenzin om haar zuchten. 23. Alle boosheid is klein vergeleken met de boosheid van een vrouw. Laat het lot van de zondaar haar treffen. 24. Zoals een helling van los zand voor de voeten van een oude man, zo is een kletsende vrouw voor een rustige man. 25. Geef jezelf niet over aan de schoonheid van een vrouw en verlang niet naar een vrouw om het genot. 26. Woede, schaamteloosheid en grote schande zijn er bij een vrouw wanneer zij haar man moet onderhouden. 27. Een boze vrouw veroorzaakt een neergebogen hart, een somber gezicht en een wond in het hart. 28. Een vrouw die haar man niet troost in zijn nood, maakt zijn handen slap en zijn knieën zwak. 29. Bij de vrouw is het begin van de zonde, en om haar sterven wij allemaal. 30. Geef het water geen doorgang, en geef een boze vrouw geen vrijheid om uit te gaan. 31. Gaat zij niet zoals jij wilt, snijd haar dan van je vlees af, geef haar een scheidingsbrief en laat haar gaan. ## Jezus Sirach 26 — Een goede vrouw 1. Gelukkig is de man die een goede vrouw heeft. Het aantal van zijn dagen wordt verdubbeld. 2. Een flinke vrouw maakt haar man blij en vult de jaren van zijn leven met vrede. 3. Een goede vrouw is een goed erfdeel, en zij wordt als deel gegeven aan wie ontzag hebben voor de Heere. 4. Het hart van zo'n man staat goed tegenover de Heere. Of hij nu rijk of arm is, zij hebben altijd een vrolijk gezicht en zij zijn blijmoedig. 5. Voor drie dingen is mijn hart bang, en voor het vierde word ik in mijn gezicht bang: 6. voor de laster van een stad, voor het samenscholen van het volk en voor een leugen die tegen iemand bedacht is. Die alle drie zijn zwaarder dan de dood. 7. Maar een vrouw die jaloers is op een andere vrouw, die met haar tong geselt en alles overal vertelt, is een zeer in het hart en een verdriet. 8. Een boze vrouw is als een juk ossen dat alle kanten op beweegt. Wie haar neemt, is als iemand die een schorpioen vastpakt. 9. Een vrouw die dronken is en overal heen loopt, veroorzaakt grote woede en kan haar schande niet verbergen. 10. De ontucht van een vrouw is te zien aan het opslaan van haar ogen en aan haar wenkbrauwen. 11. Houd een brutale dochter goed in de gaten, zodat zij haar kans niet grijpt als zij die krijgt. 12. Let op haar brutale oog en verbaas je niet als zij zich verkeerd tegen jou gedraagt. 13. Zoals een reiziger die dorst heeft zijn mond opent als hij een bron vindt en van elk water drinkt dat in de buurt is, zo zal zij zich bij elke paal neerzetten en haar pijlkoker openen voor de pijl. 14. De bekoorlijkheid van een vrouw is een genoegen voor haar man, en haar inzicht maakt hem sterk. 15. Een vrouw die weinig spreekt en een goed hart heeft, is een gave van de Heere, en er is niets waartegen je een goed opgevoede ziel kunt ruilen. 16. Een bescheiden en trouwe vrouw is genade op genade, en er is niets zo zwaar dat het haar zuivere ziel kan opwegen. 17. Zoals de zon opgaat op de hoogste plaatsen van de Heere, zo is de schoonheid van een goede vrouw het sieraad van haar huis. 18. Zoals het licht op de heilige kandelaar glanst, zo is ook de schoonheid van haar gezicht op gevorderde leeftijd. 19. Zoals gouden zuilen op zilveren voetstukken, zo zijn haar mooie voeten bij een stevige borst. 20. Mijn kind, bewaar de beste kracht van je leven in gezondheid en geef je kracht niet aan een vreemde. 21. Als je uit alle velden een vruchtbaar stuk uitgezocht hebt, zaai dan je eigen zaad in vertrouwen op je goede afkomst. 22. Dan zullen je kinderen blijven bestaan, en met het zelfvertrouwen van een goed geslacht zullen zij groot worden. 23. Een vrouw die geld aanneemt, wordt gerekend als een mestvarken, maar een getrouwde vrouw zal voor wie haar gebruiken een toren van de dood zijn. 24. Een goddeloze vrouw zal als deel aan de onrechtvaardige gegeven worden, maar een vrouw die ontzag voor God heeft, wordt gegeven aan wie ontzag heeft voor de Heere. 25. Een schandelijke vrouw brengt haar man oneer, maar een eerbare dochter zal ook haar man ontzien. 26. Een schaamteloze vrouw zal als een hond gerekend worden, maar wie schaamte kent, zal ontzag hebben voor de Heere. 27. Een vrouw die haar eigen man eert, zal door iedereen voor wijs gehouden worden, maar wie haar man onteert, zal door iedereen als goddeloos van hoogmoed herkend worden. 28. Gelukkig is de man die een goede vrouw heeft, want het aantal van zijn jaren zal dubbel zijn. 29. Een vrouw die veel lawaai maakt en haar tong flink kan roeren, zal beschouwd worden als geschikt om vijanden af te weren. En iedereen die in gedrag op haar lijkt, zal zijn leven in het rumoer van de oorlog doorbrengen. 30. Over twee dingen is mijn hart bedroefd geworden, en over het derde ben ik boos geworden: 31. wanneer een strijder op het laatst armoe gaat lijden, en wanneer verstandige mannen als vuil behandeld worden, 32. en wanneer iemand van de gerechtigheid terugkeert naar de zonde. De Heere zal hem voor het zwaard bestemmen. 33. Een koopman kan nauwelijks vrij blijven van misstappen, en een herbergier zal niet vrijgesproken worden van zonde. ## Jezus Sirach 27 — Wat een mens verraadt 1. Velen hebben gezondigd om iets van middelmatig belang, en wie zijn bezit wil vermeerderen, wendt zijn oog af. 2. Zoals een spijker vast tussen de voegen van de stenen wordt gedreven, zo wordt ook de zonde tussen verkopen en kopen gewreven. 3. Als iemand zich niet zorgvuldig aan het ontzag voor de Heere houdt, zal zijn huis snel omvallen. 4. Als je een zeef schudt, blijft het vuil erin achter. Zo blijft het vuil van een mens in wat hij zegt. 5. De oven beproeft het aardewerk van de pottenbakker, maar de mens wordt beproefd in zijn gesprek. 6. Zoals de vrucht van een boom laat zien hoe die verzorgd is, zo laat ook wat iemand zegt zien wat er in zijn hart zit. 7. Prijs niemand voordat hij gesproken heeft, want daaraan worden mensen beproefd. 8. Als je najaagt wat recht is, zul je het krijgen, en je zult het aantrekken als een prachtige lange mantel. 9. De vogels nestelen bij hun soortgenoten, en de waarheid komt terug bij wie haar in praktijk brengen. 10. Een leeuw loert op zijn prooi, en zo loert de zonde op wie kwaad doen. 11. Wat iemand die ontzag voor God heeft vertelt, is altijd wijs, maar de dwaas verandert als de maan. 12. Neem tussen mensen zonder verstand de tijd waar, maar blijf steeds onder wie bedachtzaam zijn. 13. Het verhaal van dwazen is ergerlijk, en hun lachen bestaat uit uitgelaten zonde. 14. Van de taal van wie veel zweert, gaan je haren overeind staan, en bij hun ruzie moet je je oren dichtstoppen. 15. De ruzie van hoogmoedigen leidt tot bloedvergieten, en hun schelden is moeilijk aan te horen. 16. Wie geheimen verklapt, verliest zijn geloofwaardigheid en zal geen vriend vinden naar zijn hart. 17. Heb je vriend hartelijk lief en wees hem trouw. 18. Maar als je zijn geheimen verklapt hebt, ga hem dan niet achterna. 19. Want zoals een mens zijn vijand verliest, zo heb jij je naaste verloren. 20. En zoals wanneer je een vogel uit je hand hebt laten wegvliegen, zo heb je je naaste losgelaten, en je zult hem niet meer vangen. 21. Ga hem niet achterna, want hij is ver bij je vandaan en hij is ontsnapt als een ree uit de strik. 22. Want een wond kun je verbinden en voor een scheldwoord is verzoening, maar wie geheimen verklapt, heeft zijn geloofwaardigheid verloren. 23. Wie met zijn oog knipoogt, smeedt kwade plannen, en wie hem kent, zal bij hem weggaan. 24. Waar jij bij bent, zal zijn mond zoete woorden spreken en zal hij zich over jouw woorden verbazen, maar daarna zal hij anders praten en jouw woorden een aanstoot laten worden. 25. Ik heb zo iemand diep gehaat, en ik vergelijk niemand met hem, en de Heere zal hem haten. 26. Wie een steen omhoog gooit, gooit hem op zijn eigen hoofd. Zo maakt ook een verraderlijke slag de wond wijd. 27. Wie een kuil graaft, zal er zelf in vallen, en wie voor anderen een strik legt, zal er zelf in gevangen worden. 28. Wie kwaad doet, bij hem komt dat kwaad thuis, en hij zal niet weten waar het vandaan komt. 29. De hoogmoedigen bespotten en verwijten, en de wraak loert op hen als een leeuw. 30. Wie blij zijn met de val van wie ontzag voor God hebben, zullen in een strik gevangen worden, en verdriet zal hen verteren voor hun dood. Haat en woede en zulke dingen zijn gruwelijk, en een zondaar zal daardoor bevangen worden. ## Jezus Sirach 28 — Wrok en de macht van de tong 1. Wie zichzelf wreekt, zal wraak van de Heere ondervinden, en zijn zonden worden zeker bewaard. 2. Vergeef je naaste het onrecht dat hij je aangedaan heeft, dan worden je eigen zonden vergeven wanneer je bidt. 3. De ene mens blijft boos op de andere, en ondertussen zoekt hij genezing bij de Heere. 4. Hij is niet barmhartig voor een mens die net zo is als hij, en tegelijk bidt hij om vergeving voor zijn eigen zonden. 5. Hij is zelf maar een mens en toch houdt hij zijn vijandschap vast. Wie zal dan verzoening voor zijn zonden doen? 6. Denk aan je einde en houd op met vijandschap. 7. Wees niet vijandig tegen je naaste om hem kapot te maken, maar houd je aan de geboden. 8. Denk aan de geboden en wees niet vijandig tegen je naaste. Denk aan het verbond van de Allerhoogste en zie door de vingers wat de ander niet wist. 9. Houd je afzijdig van ruzie, dan doe je minder zonden, want een boos mens steekt de ruzie aan. 10. Iemand die zondigt, brengt vrienden in verwarring, en tussen mensen die in vrede leven strooit hij laster rond. 11. Hoe meer hout je op het vuur legt, hoe harder het brandt. Hoe erger de ruzie wordt, hoe hoger het vuur oplaait. Hoe machtiger de man, hoe heftiger zijn woede, en hoe rijker hij is, hoe hoger hij zijn boosheid opvoert. 12. Een overhaaste ruzie steekt het vuur aan, en een overhaast gevecht doet bloed vloeien. 13. Als je in een vonk blaast, gaat hij branden, maar als je erop spuugt, dooft hij. En allebei komen ze uit jouw mond. 14. Vervloek de roddelaar en de mens met de dubbele tong, want zij hebben veel mensen kapot gemaakt die in vrede leefden. 15. De dubbele tong heeft veel mensen opgejaagd en hen van het ene volk naar het andere verdreven. 16. Zij heeft sterke steden verwoest en de huizen van de groten omvergegooid. 17. De dubbele tong heeft flinke vrouwen weggejaagd en hun de vrucht van hun werk afgenomen. 18. Wie naar haar luistert, zal geen rust vinden en niet rustig kunnen wonen. 19. Een slag met de zweep maakt striemen, maar een slag van de tong breekt de botten. 20. Veel mensen zijn gevallen door het scherp van het zwaard, maar niet zo veel als er gevallen zijn door de tong. 21. Gelukkig is wie tegen haar beschermd is en niet door haar woede heen heeft moeten gaan, 22. wie haar juk niet getrokken heeft en niet met haar touwen vastgebonden is geweest. 23. Want haar juk is een ijzeren juk en haar touwen zijn bronzen kettingen. 24. De dood die zij brengt is een lelijke dood, en het graf is beter dan zij. 25. Over wie ontzag voor God hebben, zal zij helemaal geen macht hebben, en in haar vlam zullen zij niet verbranden. 26. Wie de Heere verlaten, zullen in haar handen vallen. In hen zal zij ontbranden en niet meer geblust worden. 27. Zij zal op hen afgestuurd worden als een leeuw, en als een luipaard zal zij hen verscheuren. 28. Let op: zet een heg van doornen om wat je bezit en maak deuren en grendels voor je mond. 29. Bind je goud en je zilver bij elkaar, maak een weegschaal voor je woorden en een deur met een grendel voor je mond. 30. Pas op dat je daarin niet struikelt, zodat je niet valt waar iemand bij is die op je loert. ## Jezus Sirach 29 — Lenen, borg staan en gastvrijheid 1. Wie barmhartig is, leent zijn naaste iets, en wie hem met zijn hand steunt, houdt zich aan de geboden. 2. Leen je naaste iets als hij het nodig heeft, en geef zelf op tijd terug wat je van je naaste geleend hebt. 3. Houd je aan je woord en wees betrouwbaar, dan zul je op elk moment vinden wat je nodig hebt. 4. Veel mensen vinden dat geleend geld gevonden geld is, en zij bezorgen wie hen geholpen heeft last. 5. Zolang hij het krijgt, kust hij de handen van zijn naaste, en om diens geld praat hij met zachte stem. 6. Maar wanneer hij moet terugbetalen, stelt hij het uit, verzint hij een reden voor zijn nalatigheid en geeft hij de tijd de schuld. 7. En als hij wel kan betalen, brengt hij nauwelijks de helft, en hij rekent dat als gevonden geld. 8. En als hij niet kan betalen, berooft hij de ander van zijn geld en maakt hij hem zonder reden tot vijand. 9. Hij betaalt hem terug met vloeken en scheldwoorden, en in plaats van eer geeft hij hem oneer. 10. Veel mensen keren zich daarom van zo iemand af, omdat zij bang zijn dat zij hun geld kwijtraken. 11. En toch: wees geduldig wanneer je naaste in nood zit en laat hem niet wachten op je aalmoes. 12. Ontferm je over de arme, want het gebod zegt het, en keer je niet af van zijn gebrek. 13. Zet je geld op het spel voor je vriend en je broer en verstop het niet onder een steen tot het bederft. 14. Leg je schat neer volgens de geboden van de Allerhoogste, dan zal die je meer opleveren dan goud. 15. Sluit je aalmoes op in je schatkamer, en zij zal je uit alle ellende redden. 16. Zij zal voor jou tegen je vijand vechten, beter dan een sterk schild en beter dan een zware speer. 17. Een goed mens zal borg staan voor zijn naaste, maar wie geen schaamte kent, laat hem in de steek. 18. Vergeet niet wat iemand voor je gedaan heeft die borg voor je stond, want hij heeft zijn leven voor jou op het spel gezet. 19. Wie zondigt, keert een goede borgstelling om. 20. Iemand die zondigt en voor wie borg gestaan is, zal wegvluchten, en een onbetrouwbaar mens vergeet in zijn hart wie hem gered heeft. 21. Borg staan heeft veel mensen die het goed hadden geruïneerd en hen heen en weer geslingerd als een golf van de zee. 22. Machtige mannen heeft zij op de vlucht gejaagd, zodat zij bij vreemde volken gingen zwerven. 23. Iemand die zondigt en de geboden van de Heere overtreedt, komt in de borgstelling vast te zitten, en wie zware klussen najaagt, komt voor de rechter. 24. Ontferm je over je naaste zoveel als je kunt, maar let op jezelf zodat je niet valt. 25. Het belangrijkste in het leven van een mens is water, brood, kleding en een huis dat verbergt wat niet gezien hoeft te worden. 26. Het leven van een arme onder een dak van planken is beter dan een luxe maaltijd bij vreemden. 27. Wees net zo tevreden met weinig als met veel, dan hoef je geen verwijten te horen over je huis. 28. Het is een ellendig leven om van het ene huis naar het andere te trekken, want waar je te gast bent, durf je je mond niet open te doen. 29. Je zult gasten ontvangen en te drinken geven aan mensen die niet dankbaar zijn, en daar bovenop nog bittere woorden te horen krijgen. 30. Dan heet het: Inwoner, ga eens, dek de tafel, en als je iets hebt, geef mij dan te eten. 31. Of: Ga weg, inwoner, maak plaats voor een belangrijk iemand. Ik heb het huis nodig, mijn broer komt bij mij logeren. 32. Dat is zwaar voor iemand die verstand heeft: het verwijt over het huis en de standjes van wie hem geld geleend heeft. ## Jezus Sirach 30 — Kinderen opvoeden, gezond blijven, blij zijn 1. Wie van zijn zoon houdt, zal hem blijven corrigeren, zodat hij er uiteindelijk blij mee is. 2. Wie zijn zoon opvoedt, zal blij met hem zijn en kan bij bekende mensen over hem opscheppen. 3. Wie zijn zoon iets leert, maakt zijn vijand jaloers en zal blij met hem zijn waar zijn vrienden bij zijn. 4. Sterft zijn vader, dan is het alsof hij niet gestorven is, want hij heeft iemand achtergelaten die op hem lijkt. 5. Bij zijn leven zag hij hem en was hij blij met hem, en bij zijn dood had hij geen verdriet. 6. Hij heeft iemand achtergelaten die het tegen zijn vijanden zal opnemen en die zijn vrienden zal terugbetalen met dank. 7. Wie zijn zoon alles toestaat, verbindt zijn wonden, en bij elke schreeuw draait zijn maag om. 8. Een paard dat niet getemd is, wordt onhandelbaar, en een zoon die zijn gang mag gaan, wordt eigenwijs. 9. Vertroetel je kind en het zal je laten schrikken; speel alleen maar met hem en het zal je verdriet doen. 10. Lach niet overal met hem mee, zodat je geen pijn overkomt en je ten slotte niet op je tanden hoeft te bijten. 11. Geef hem in zijn jeugd niet te veel vrijheid en laat niet passeren wat hij verkeerd doet. 12. Buig zijn nek terwijl hij jong is en pak hem aan zolang hij nog een kind is, zodat hij niet koppig wordt, ongehoorzaam aan jou, en een verdriet voor je hart. 13. Voed je zoon op en maak werk van hem, zodat je je niet stoot aan zijn wangedrag. 14. Een arme die gezond en sterk is, is beter af dan een rijke die in zijn lichaam getroffen is. 15. Gezond en fit zijn is beter dan al het goud, en een goed, sterk lichaam beter dan onmetelijke rijkdom. 16. Er is geen rijkdom beter dan een gezond lichaam, en er is geen vreugde groter dan blijdschap in je hart. 17. De dood is beter dan een bitter leven of een ziekte die nooit overgaat. 18. Lekker eten voor een mond die dicht blijft is als een maaltijd die op een graf gezet wordt. 19. Wat heeft een afgod aan het offer dat voor hem verbrand wordt? Hij eet niet en hij ruikt niet. Zo gaat het wie door de Heere vervolgd wordt. 20. Hij kijkt met zijn ogen en zucht, zoals iemand die geen man meer is en toch een meisje omhelst en zucht. 21. Geef je niet over aan verdriet en kwel jezelf niet met je eigen gedachten. 22. Vreugde in je hart is het leven van een mens, en vrolijkheid maakt iemands dagen langer. 23. Houd van jezelf, troost je hart en houd verdriet ver bij je vandaan. 24. Want verdriet heeft veel mensen kapot gemaakt en gedood. 25. Jaloezie en woede maken je dagen korter, en piekeren laat je te vroeg oud worden. 26. Wie opgewekt is en een goed hart heeft, geniet zelfs van het eten dat hij op tafel zet. ## Jezus Sirach 31 — Geld, eten en wijn 1. Wakker liggen om je rijkdom laat je vermageren, en piekeren erover kost je je slaap. 2. Van dat wakker piekeren word je slaperig, en zware ziekte houdt je juist klaarwakker. 3. De rijke zwoegt om veel geld bij elkaar te krijgen, en als hij rust heeft, eet hij zich vol met lekkernijen. 4. De arme zwoegt omdat hij te weinig te eten heeft, en als hij rust heeft, zit hij nog steeds zonder. 5. Wie van goud houdt, zal niet vrijgesproken worden, en wie zijn eigen ondergang najaagt, krijgt daar zijn buik vol van. 6. Veel mensen zijn vastgelopen om goud, en hun ondergang stond voor hun ogen. 7. Het is een blok aan het been voor wie het aanbidden, en elke onverstandige raakt erdoor gevangen. 8. Gelukkig is de rijke die onberispelijk blijkt en die niet achter het goud aanloopt. 9. Wie is dat? Wij zullen hem gelukkig prijzen, want hij heeft iets bijzonders gedaan onder zijn volk. 10. Wie is daarin getest en volmaakt bevonden? Hij mag zich erop beroemen. Wie kon de fout in gaan en deed het niet, kwaad doen en liet het? 11. Daarom zal zijn bezit blijven, en de gemeente zal vertellen over wat hij weggaf. 12. Zit je aan een grote tafel, zet dan je mond niet zo wijd open. 13. En zeg niet: Er staat hier van alles! 14. Bedenk dat een jaloers oog iets lelijks is. 15. Is er iets slechters geschapen dan zo'n oog? Daarom huilt het om alles wat het ziet. 16. Steek je hand niet uit naar wat een ander in het oog heeft en duw niet met hem samen in de schaal. 17. Bedenk zelf wat je tafelgenoot prettig vindt en let overal op. 18. Eet als een beschaafd mens van wat je voorgezet wordt en schrok niet, zodat je niet gehaat wordt. 19. Houd als eerste op omdat je goede manieren hebt, en wees niet onverzadigbaar, zodat je niet iemand kwetst. 20. En als je met veel mensen aan tafel zit, steek je hand dan niet eerder uit dan zij. 21. Hoe weinig is genoeg voor iemand met goede manieren! Hij ligt niet te hijgen in zijn bed, hij slaapt gezond met een rustige maag, hij staat 's morgens vroeg weer op en hij is helder van geest. 22. Slecht slapen, buikpijn en darmkrampen horen bij een mens die nooit genoeg heeft. 23. En als je te veel gegeten hebt, sta dan op, loop even weg, geef over, en je zult je weer beter voelen. 24. Luister naar mij, mijn kind, en kijk niet op mij neer. Uiteindelijk zul je merken dat mijn woorden waar zijn. 25. Wees in alles wat je doet alert, dan zal geen ziekte je overvallen. 26. Wie royaal is met eten, wordt door alle lippen geprezen, en het getuigenis van zijn goede naam is betrouwbaar. 27. Over wie krenterig is met eten, mopperen de mensen in de stad, en het getuigenis van zijn krenterigheid is scherp. 28. Doe je niet stoer met wijn, want wijn heeft veel mensen kapot gemaakt. 29. De oven test het staal, en zo test de wijn het hart van de hoogmoedigen als zij dronken zijn. 30. Wijn is voor een mens als het leven zelf, als je hem met mate drinkt. 31. Wat voor leven heeft iemand die wijn moet missen? Want wijn is gemaakt om mensen blij te maken. 32. Wijn geeft vreugde in het hart en blijdschap in de ziel, op het juiste moment en niet meer dan genoeg is. 33. Maar veel wijn drinken maakt de ziel bitter door ruzie en ongelukken. 34. Dronkenschap maakt een onverstandig mens nog bozer, zodat hij aanstoot geeft. Het maakt hem zwakker en het bezorgt hem wonden. 35. Zeg je naaste bij de wijn niet de waarheid en kijk niet op hem neer terwijl hij plezier heeft. 36. Zeg niets verwijtends tegen hem en zet hem niet klem wanneer hij je tegenkomt. ## Jezus Sirach 32 — Aan tafel en in het leven: doe niets zonder overleg 1. Hebben ze je tot voorzitter gemaakt, doe je dan niet groter voor, maar wees onder hen als een van hen. 2. Zorg eerst voor hen en ga dan zelf zitten. 3. Doe alles wat er te doen is, en ga pas rusten als je je werk gedaan hebt. Dan kun je met hen blij zijn en krijg je een krans als eervolle versiering. 4. Spreek jij, die oud bent, want dat past bij jou, maar spreek met echte kennis, en houd dan het snarenspel even stil. 5. Waar men naar muziek luistert, stort daar je woorden niet uit, en wees niet wijs op het verkeerde moment. 6. Muzikanten die samen spelen bij de wijn zijn als een robijnen zegel in een gouden sieraad. 7. Het lied van muzikanten bij zoete wijn is als een smaragden zegel in gouden werk. 8. Spreek jij, jongere, als het nodig is, en dan nog met tegenzin: pas als je twee keer gevraagd wordt. 9. Houd het kort, zeg veel met weinig woorden. Wees als iemand die het begrijpt en toch zwijgt. 10. Doe je onder de groten niet aan hen gelijk, en waar ouderen zijn, praat niet zoveel. 11. De bliksem gaat snel voor de donder uit, en voor een beschaafd mens gaat vriendelijkheid uit. 12. Sta op tijd op en hoor niet bij de laatsten. Ga naar huis en blijf niet hangen. 13. Speel daar en doe wat je van plan was, maar zonder zonde en zonder grote woorden. 14. En dank hiervoor Hem die jou gemaakt heeft en die je vol schenkt van Zijn goede gaven. 15. Wie ontzag heeft voor de Heere, zal Zijn onderwijs aannemen, en wie Hem vroeg zoeken, zullen vinden waar zij blij mee zijn. 16. Wie de wet zoekt, zal er vol van worden, maar wie doet alsof, zal eraan aanstoot nemen. 17. Wie ontzag hebben voor de Heere, zullen vinden wat recht is, en zij zullen rechtvaardige daden laten stralen als een licht. 18. Een goddeloos mens wil niet gecorrigeerd worden, en hij vindt naar eigen inzicht altijd iets wat hem uitkomt. 19. Een man met overleg slaat goede raad niet in de wind, maar een vreemde en hoogmoedige laat zich door niets afschrikken, en als hij iets gedaan heeft, weet hij zelf geen raad meer. 20. Doe niets zonder overleg, dan hoef je er achteraf geen spijt van te hebben. 21. Ga niet over een weg waar je makkelijk valt, dan stoot je je niet aan de stenen. 22. Vertrouw ook een weg zonder obstakels niet blindelings, en pas op voor je eigen kinderen. 23. Vertrouw jezelf toe aan alles wat goed is om te doen, want ook dat is je aan de geboden houden. 24. Wie de Heere gelooft, let op het gebod, en wie op Hem vertrouwt, zal niets tekortkomen. ## Jezus Sirach 33 — De Heere maakt onderscheid 1. Wie ontzag heeft voor de Heere, zal geen kwaad overkomen. Komt hij in de verleiding, dan zal Hij hem er ook weer uit redden. 2. Een wijs man zal de wet niet haten, maar wie er huichelachtig mee omgaat, is als een schip in een storm met hoge golven. 3. Een verstandig mens vertrouwt de wet, en de wet is voor hem betrouwbaar. 4. Zorg dat je vraag helder is, maak dan je antwoord klaar, en dan zal men naar je luisteren. Zet je kennis op een rij en antwoord pas daarna. 5. Het binnenste van een dwaas is als het wiel aan een wagen, en zijn gedachten zijn als een as die rondtolt. 6. Een vriend die alles bespot, is als een hengst: hij hinnikt onder iedereen die op hem gaat zitten. 7. Waarom is de ene dag belangrijker dan de andere, terwijl toch al het licht van alle dagen van het jaar van de zon komt? 8. Zij zijn door de kennis van de Heere onderscheiden, en Hij heeft de tijden en de feesten anders gemaakt. 9. Sommige daarvan heeft Hij verhoogd en geheiligd, en andere heeft Hij bij de gewone dagen gerekend. 10. En alle mensen komen uit de aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen. 11. Toch heeft de Heere hen met Zijn grote kennis onderscheiden en hun wegen verschillend gemaakt. 12. Sommigen van hen heeft Hij gezegend en verhoogd, sommigen heeft Hij geheiligd en dicht bij Zich laten komen, en sommigen heeft Hij vervloekt en vernederd en van hun plaats gestoten. 13. Zij zijn in Zijn hand als klei bij een pottenbakker. Al Zijn wegen zijn zoals Hij het wil. 14. Zo is de mens in de hand van Hem die hem gemaakt heeft, om hem te vergelden naar Zijn oordeel. 15. Zoals het goede tegenover het kwade staat en het leven tegenover de dood, zo staat wie ontzag voor God heeft tegenover wie zondigt, en wie zondigt tegenover wie ontzag voor God heeft. En kijk zo naar alle werken van de Allerhoogste: ze komen twee aan twee, het ene tegenover het andere. 16. En ik ben als laatste wakker geworden, als iemand die achter de druivenplukkers aan de laatste trossen verzamelt. Toch ben ik door de zegen van de Heere vooruitgekomen, en ik heb de wijnpers gevuld als een echte plukker. 17. Zie dat ik niet alleen voor mijzelf gewerkt heb, maar voor iedereen die onderwijs zoekt. 18. Luister, groten, en jullie die de gemeente besturen: laat het tot je doordringen. 19. Geef je zoon, je broer of je vriend zolang je leeft geen macht over jou, en geef je bezit niet aan een ander, zodat je er geen spijt van krijgt en erom moet smeken. 20. Zolang je leeft en er adem in je is, geef jezelf aan niemand in de macht. 21. Want het is beter dat je kinderen jou iets vragen dan dat jij naar de handen van je zonen moet kijken. 22. Zorg dat je in alles wat je doet uitsteekt boven anderen, en zet geen vlek op je goede naam. 23. Verdeel je erfenis op de dag dat je leven ten einde loopt, op het moment van je sterven. 24. Bij een ezel horen voer, een stok en een last. Bij een knecht in huis horen eten, correctie en werk. 25. Laat hem werken met vaste hand, dan zoekt hij rust. Laat hem niets te doen hebben, dan zoekt hij vrijheid. 26. Het juk en het touw buigen de nek van een os, maar de strafbank en de tuchtiging zijn voor een slechte knecht. 27. Zet hem aan het werk, zodat hij niet werkeloos is, want nietsdoen leert veel kwaad. 28. Zet hem aan het werk dat bij hem past. 29. Gehoorzaamt hij niet, leg hem dan zwaardere boeien op, maar wees niet te hard tegen iemands lichaam en doe niets zonder oordeel. 30. Heb je een knecht in huis, laat hij dan zijn als je eigen leven, want je hebt hem duur gekocht. Heb je een knecht, behandel hem dan als een broer, want hij is als je eigen leven, en je zult hem nodig hebben. 31. Als je hem onrechtvaardig mishandelt en hij staat op en loopt weg, waar zul je hem dan zoeken? ## Jezus Sirach 34 — Dromen, ervaring en echte offers 1. De hoop van een onverstandig mens is leeg en bedrieglijk, en dromen geven een dwaas vleugels. 2. Wie op dromen afgaat, is als iemand die naar een schaduw grijpt en de wind achternaloopt. 3. Wat je in dromen ziet, is het ene gespiegeld in het andere, zoals een gezicht tegenover een gezicht. 4. Wat kan er schoon worden van wat vuil is? En welke waarheid komt er van een leugenaar? 5. Waarzeggerij, vogelwichelarij en dromen zijn lege dingen. Je hart gaat ervan fantaseren als het hart van een vrouw in de weeën. 6. Als de Allerhoogste ze je niet stuurt om je te bezoeken, zet er dan je hart niet op. 7. Want dromen hebben veel mensen op een dwaalspoor gebracht, en wie erop hoopten, zijn gevallen. 8. Zonder leugen wordt de wet vervuld, en wijsheid is volmaakt in een betrouwbare mond. 9. Een man die gereisd heeft, weet veel, en wie veel meegemaakt heeft, kan verstandige dingen vertellen. 10. Wie niets meegemaakt heeft, weet weinig, maar wie gereisd heeft, is schranderder geworden. 11. Ik heb onderweg veel gezien, en het is mijn verstand dat aan mijn woorden vorm geeft. 12. Ik ben vaak in levensgevaar geweest, en juist daardoor ben ik gered. 13. De geest van wie ontzag hebben voor de Heere, zal leven. 14. Want hun hoop is op Hem die hen gered heeft. 15. Wie ontzag heeft voor de Heere, zal voor niets bang zijn en niet schrikken, want Hij is zijn hoop. 16. Gelukkig is wie ontzag heeft voor de Heere. Aan wie houdt hij zich vast, en wie is zijn steun? 17. De ogen van de Heere zien wie Hem liefhebben. Hij is voor hen een sterk schild en een stevige steun, beschutting tegen de hitte en schaduw in de volle middag, een bewaring tegen struikelen en een hulp tegen de val. 18. Hij tilt de ziel op en maakt de ogen helder. Hij geeft genezing, leven en zegen. 19. Wie van oneerlijk verkregen goed offert, brengt een offer om te lachen, en gaven van goddelozen bevallen God niet. 20. De Allerhoogste heeft geen plezier in de offers van goddelozen, en Hij laat Zich niet over zonde verzoenen door een massa slachtoffers. 21. Wie een offer brengt van het geld van de armen, slacht de zoon voor de ogen van zijn vader. 22. Het brood van wie tekortkomen, is het leven van de armen. Wie hun dat afneemt, is een moordenaar. 23. Wie zijn naaste zijn levensonderhoud afneemt, doodt hem. 24. En wie het loon van een dagloner rooft, vergiet bloed. 25. Als de een bouwt en de ander breekt af, wat houden zij eraan over behalve moeite? 26. Als de een bidt en de ander vloekt, naar wiens stem zal de Heere dan luisteren? 27. Als iemand zich gewassen heeft nadat hij een dode heeft aangeraakt en hem dan opnieuw aanraakt, wat heeft hij dan aan die wassing? 28. Zo is het met iemand die vast om zijn zonden en daarna weer weggaat en hetzelfde doet. Wie zal zijn gebed verhoren? En wat is hij ermee opgeschoten dat hij zich vernederd heeft? ## Jezus Sirach 35 — Het offer dat God aanneemt 1. Wie de wet bewaart, brengt offers genoeg. Wie op de geboden let, brengt een dankoffer. 2. Wie een weldaad beantwoordt, offert daarmee meelbloem, en wie een aalmoes geeft, brengt daarmee een dankoffer. 3. De Heere heeft er plezier in als je met het kwaad breekt, en breken met onrecht is verzoening. 4. Verschijn niet met lege handen voor het aangezicht van de Heere. 5. Want dit alles moet je doen omdat het gebod het zegt. 6. Het offer van een rechtvaardig mens maakt het altaar vet, en de goede geur ervan stijgt op voor de Allerhoogste. 7. Het offer van een rechtvaardig mens is welkom, en men zal het niet vergeten. 8. Eer de Heere met een royaal oog en houd niets in van de eerste opbrengst van je handen. 9. Zet bij alles wat je geeft een vrolijk gezicht, en geef je tiende met plezier. 10. Geef de Allerhoogste terug naar wat Hij jou gegeven heeft, en geef royaal van wat je verdiend hebt. 11. Want de Heere geeft terug, en Hij zal het je zevenvoudig teruggeven. 12. Snoei niet in wat je geeft, want dan zou Hij het niet aannemen, en geef geen offer dat uit onrecht komt. 13. Want de Heere is rechter, en Hij trekt niemand voor. 14. De Heere trekt niet de partij van wie zich tegen de arme keert, maar Hij luistert naar het smeken van wie onrecht lijdt. 15. Hij zal het smeken van de wezen niet minachten, en de weduwe niet als zij haar klacht bij Hem uitstort. 16. Rollen de tranen van de weduwe niet over haar wang, en klaagt haar stem niet aan wie haar zover gebracht heeft? 17. Wie God van harte dient, wordt aangenomen, en zijn gebed zal tot aan de wolken komen. 18. Het gebed van iemand die zich klein maakt, gaat door de wolken heen. Hij is niet getroost voordat hij dichtbij gekomen is, en hij houdt niet op voordat de Allerhoogste ernaar gekeken heeft, die de rechtvaardige recht zal doen en recht zal spreken. 19. Ook zal de Heere niet talmen, en de machtige zal geen geduld met hen hebben, totdat Hij de heupen van wie geen barmhartigheid kennen gebroken zal hebben. 20. Ja, Hij zal de volken hun daden vergelden, totdat Hij de massa van wie Hem bespotten weggenomen zal hebben en de scepters van wie onrecht doen gebroken zal hebben, 21. totdat Hij de mens vergeldt naar zijn daden en de werken van de mensen naar hun gedachten, 22. totdat Hij het recht van Zijn volk heeft uitgesproken en hen blij gemaakt heeft met Zijn barmhartigheid. 23. Wat komt Zijn barmhartigheid op tijd in een tijd van verdrukking! Zij is als een regenwolk in een tijd van droogte. ## Jezus Sirach 36 — Gebed om ontferming, en het oog voor wat goed is 1. Ontferm U over ons, Heere, God van alles, en kijk naar ons om. 2. Laat ontzag voor U komen over alle volken die U niet zoeken. 3. Hef Uw hand op over de vreemde volken en laat hun zien wat U kunt. 4. Zoals U voor hun ogen heilig bent gebleken in ons, laat U zo ook voor onze ogen groot zijn in hen. 5. Laat hen U kennen zoals ook wij U kennen, want er is geen God behalve U, Heere. 6. Vernieuw Uw tekenen en doe Uw wonderen opnieuw. 7. Maak Uw hand en Uw rechterarm groot, zodat zij van Uw wonderen vertellen. 8. Laat Uw boosheid opkomen en giet Uw toorn uit. 9. Neem de tegenstander weg en verbrijzel de vijand. 10. Laat die tijd snel komen, denk aan Uw toorn, en laat men van Uw wonderen vertellen. 11. Laat wie gespaard bleef door vurige toorn verslonden worden, en laat wie Uw volk kwellen hun ondergang vinden. 12. Verbrijzel de koppen van de oversten van de volken, die zeggen: Er is niemand behalve wij. 13. Breng alle stammen van Jakob bij elkaar en geef hun hun erfdeel terug, zoals in het begin. 14. Ontferm U over Uw volk, Heere, dat naar Uw naam genoemd is, en over Israël, dat U Uw eerstgeborene genoemd hebt. 15. Wees barmhartig voor Uw heilige stad Jeruzalem, de plaats waar U rust. 16. Vul Sion, zodat Uw woorden gaan klinken, en vul Uw volk met Uw heerlijkheid. 17. Geef getuigenis aan wie vanaf het begin Uw eigendom zijn, en laat profeten opstaan in Uw naam. 18. Beloon wie op U wachten, en maak dat men Uw profeten gelooft. 19. Luister, Heere, naar het smeken van Uw dienaren, volgens de zegen van Aäron over Uw volk, en laat iedereen die op aarde woont weten dat U de Heere van alle eeuwen bent. 20. De buik eet alles, en toch is het ene eten beter dan het andere. 21. De tong proeft of het wildbraad goed is. Zo herkent een verstandig hart leugenachtige praat. 22. Een verdraaid hart bezorgt je verdriet, maar iemand die veel meegemaakt heeft, weet hem van repliek te dienen. 23. Een vrouw neemt zomaar iedere man, en toch is de ene dochter mooier dan de andere. 24. De schoonheid van een vrouw maakt een gezicht blij, en zij gaat elk verlangen van een mens te boven. 25. En heeft zij op haar tong ook nog barmhartigheid, zachtheid en genezing, dan is haar man niet zomaar een mens als alle andere. 26. Wie een goede vrouw krijgt, begint pas echt iets te bezitten, want hij heeft een hulp die bij hem past en een pilaar om op te leunen. 27. Waar geen heg is, wordt je bezit uit elkaar gerukt, en waar geen vrouw is, zal de man zuchten en ronddwalen. 28. Want wie vertrouwt een gewapende moordenaar die van de ene stad naar de andere sluipt? Zo vertrouwt men ook een mens niet die geen nest heeft en die overnacht waar de avond hem overvalt. ## Jezus Sirach 37 — Vrienden en raadgevers 1. Iedere vriend zal wel zeggen: Ik ben toch ook een vriend geweest. Maar menige vriend is alleen in naam een vriend. 2. Is het geen verdriet tot in de dood wanneer een kameraad en vriend vijanden worden? 3. Wat een lelijke gedachte! Waar kom jij vandaan gerold om de aarde met bedrog te bedekken? 4. Een kameraad geniet met zijn vriend als het goed gaat, en in de tijd van nood keert hij zich tegen hem. 5. Een kameraad zwoegt met zijn vriend om zijn buik te vullen, en neemt een schild op tegen de vijand. 6. Vergeet je vriend niet in je hart en zet hem niet uit je gedachten wanneer je geld hebt. 7. Vraag geen raad aan wie je scheef aankijkt, en houd je plannen verborgen voor wie jaloers op je zijn. 8. Iedereen die raad geeft, prijst zijn eigen raad aan, maar menigeen geeft raad die hemzelf goed uitkomt. 9. Pas op voor de raadgever, en vraag eerst wat hij zelf nodig heeft, want hij zal raad geven die hemzelf uitkomt. Anders gooit hij misschien het lot over jou 10. en zegt hij tegen je: Je bent op de goede weg, terwijl hij tegenover je gaat staan om te kijken hoe het met je afloopt. 11. Vraag geen raad aan wie je scheef aankijkt, en houd je plannen verborgen voor wie jaloers op je zijn. 12. Vraag ook geen raad aan een vrouw over haar rivale, niet aan een bange man over oorlog, niet aan een koopman over de handel, niet aan een koper over de verkoop, niet aan een jaloers mens over dankbaarheid, niet aan een onbarmhartig mens over goeddoen, niet aan een luiaard over werk, niet aan een dagloner die je voor een jaar gehuurd hebt over het afmaken van het werk, en niet aan een trage knecht over zwaar werk. 13. Let bij je overwegingen niet op hen, maar houd je steeds aan iemand die ontzag voor God heeft, van wie je weet dat hij zich aan de geboden van de Heere houdt, die net zo denkt als jij, en die verdriet heeft als jij zou struikelen. 14. Houd vast aan de raad van je eigen hart, want je hebt niemand die betrouwbaarder is dan dat. 15. Want het hart van een mens kan soms beter zien wat er gaat gebeuren dan zeven wachters boven op een hoge toren. 16. En bid bij dit alles tot de Allerhoogste, zodat de waarheid je weg recht maakt. 17. Aan het begin van je werk staat je woord, en overleg gaat aan elk handelen vooraf. 18. Aan het gezicht zie je of de vreugde omslaat. 19. Vier soorten dingen komen tevoorschijn: het goede, het kwade, het leven en de dood. En het is steeds de tong die daarover beslist. 20. Er is menig sluw man die veel mensen iets leert, en die zichzelf er niets mee helpt. 21. Er is menigeen die wijsheid voorwendt met woorden en toch gehaat is. Hem ontbreekt alle wijsheid. 22. Want de Heere heeft hem die gave niet gegeven, omdat hij van alle wijsheid beroofd is. 23. Menigeen is wijs voor zichzelf, en de vruchten van zijn verstand zijn in zijn mond te prijzen. 24. Een wijs man onderwijst zijn eigen volk, en de vruchten van zijn verstand zijn betrouwbaar. 25. Een wijs man zal vol zegen zijn, en iedereen die hem ziet, zal hem gelukkig prijzen. 26. Het leven van een mens telt een bepaald aantal dagen, maar de dagen van Israël zijn niet te tellen. 27. Een wijze zal eer erven onder zijn volk, en zijn naam zal voor altijd blijven. 28. Mijn kind, onderzoek jezelf zolang je leeft. Kijk wat slecht voor je is en geef jezelf dat niet. 29. Want niet alles is goed voor iedereen, en niet iedereen heeft plezier in hetzelfde. 30. Wees niet onverzadigbaar bij lekker eten en stort je niet op het voedsel. 31. Want van te veel eten word je ziek, en gulzigheid eindigt in buikpijn. 32. Veel mensen zijn gestorven van gulzigheid, maar wie daarop let, maakt zijn leven langer. ## Jezus Sirach 38 — De dokter, de rouw en het ambacht 1. Geef de dokter de eer die hem toekomt, want je hebt hem nodig. Ook hem heeft de Heere geschapen. 2. Want genezing komt van de Allerhoogste, en van de koning krijgt de dokter zijn eer. 3. De kennis van een dokter geeft hem aanzien, en bij de groten wordt hij bewonderd. 4. De Heere heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, en een verstandig mens kijkt er niet op neer. 5. Werd het water niet zoet door een stuk hout, zodat de mensen zouden weten wat de Heere kan? 6. Hij heeft de mensen kennis gegeven, zodat Hij geëerd wordt om Zijn wonderen. 7. Daarmee maakt Hij een mens beter en neemt Hij zijn ziekte weg. 8. De apotheker mengt de middelen, en aan zijn werk komt geen eind. Door hem komt er gezondheid op de aarde. 9. Mijn kind, doe niet alsof er niets aan de hand is wanneer je ziek bent, maar bid tot de Heere, en Hij zal je beter maken. 10. Breek met wat je fout doet, houd je handen schoon en maak je hart vrij van elke zonde. 11. Breng de Heere een geurig offer en een gedenkoffer van meel, en breng Hem een vet offer, alsof het je laatste is. Geef dan ook de dokter ruimte. 12. Want de Heere heeft hem geschapen. Laat hem niet bij je weggaan, want je hebt hem nodig. 13. Er komt een moment dat je genezing in hun handen ligt. 14. Want ook zij bidden tot de Heere, of Hij hun rust en genezing geeft, zodat de zieke kan blijven leven. 15. Wie zondigt tegen Hem die hem gemaakt heeft, zal in de handen van de dokter vallen. 16. Mijn kind, laat je tranen lopen om een dode en begin te huilen als iemand die zwaar getroffen is. Wikkel zijn lichaam zoals het hoort in en veracht zijn begrafenis niet. 17. Huil bitter en klaag met heel je hart. 18. Rouw zoals het bij hem past, een dag of twee, zodat de mensen niets te zeggen hebben, en laat je dan troosten in je verdriet. 19. Want van verdriet komt de dood, en verdriet in je hart maakt zelfs sterke mensen krom. 20. Waar het kwaad binnenkomt, blijft ook het verdriet, en het leven van een arme is een vloek voor zijn hart. 21. Geef je hart niet over aan verdriet. Zet het van je af en denk aan je eigen einde. 22. Vergeet dat niet, want van daar komt niemand terug. Je helpt de dode er niet mee, en jezelf maak je kapot. 23. De dode zegt het tegen jou: Denk aan het oordeel dat mij getroffen heeft, want jou zal hetzelfde overkomen: ik gisteren, jij vandaag. 24. Nu de dode rust, laat ook de herinnering aan hem rusten, en laat je troosten over hem nu zijn adem weg is. 25. De wijsheid van een geleerde komt van de vrije tijd die hij ervoor krijgt, en wie het druk heeft met zaken, zal niet wijs worden. 26. Hoe zou iemand wijs worden die de ploeg vasthoudt, die trots is op zijn drijfstok, die de ossen ment, die met dat werk is opgegroeid en die alleen over jonge stieren kan praten? 27. Hij zet zijn hart erop om voren te trekken, en hij blijft wakker om de koeien te voeren. 28. Zo gaat het ook met de schrijnwerker en de timmerman, die de nacht net als de dag met zijn werk doorbrengt. 29. Zo ook met wie zegels uitsnijdt en die daar steeds mee bezig is om er telkens iets anders van te maken. 30. Hij zet zijn hart erop om het beeld na te maken, en hij blijft wakker om het werk af te krijgen. 31. Zo ook met de smid, die bij het aambeeld zit en het ijzerwerk in de gaten houdt. De damp van het vuur smelt zijn huid, en hij moet vechten tegen de hitte van de oven. 32. Het geluid van de hamer op het aambeeld dreunt steeds weer in zijn oren, en zijn ogen zijn gericht op het model van wat hij maakt. 33. Hij zet zijn hart erop om zijn werk af te maken, en hij blijft wakker om het te versieren als het klaar is. 34. Zo zit ook de pottenbakker aan zijn werk en draait hij met zijn voeten het wiel rond. Hij is voortdurend bezorgd over zijn werk, en alles wat hij maakt, telt hij. 35. Met zijn arm geeft hij de klei een vorm, en met zijn voeten maakt hij het harde zacht. 36. Hij zet zijn hart erop om goed te glazuren, en hij blijft wakker om de oven schoon te maken. 37. Zij allen vertrouwen op hun handen, en ieder van hen is knap in zijn eigen vak. 38. Zonder hen wordt er geen stad gebouwd, kan men er niet wonen en niet rondlopen. Toch worden zij niet in de raad van het volk gevraagd, en in de vergadering krijgen zij geen hoge plaats. 39. Zij zitten niet op de stoel van de rechters, zij kennen het verbond van het recht niet en zij brengen geen onderwijs en recht naar voren. 40. Wijze spreuken vind je bij hen niet, maar zij houden de wereld draaiende, en hun wens is dat zij hun vak mogen uitoefenen. 41. Kortom: niemand wordt wijs behalve wie zich daaraan geeft en wie zich toelegt op de wet van de Allerhoogste. ## Jezus Sirach 39 — De schriftgeleerde en de lofzang op de werken van de Heere 1. Hij onderzoekt de wijsheid van alle ouden en houdt zich bezig met de profetieën. 2. Hij onthoudt de verhalen over beroemde mannen en gaat met hen om in scherpe spreuken. 3. Hij onderzoekt verborgen spreekwoorden en oefent zich in de raadsels van de spreuken. 4. Hij is in dienst te midden van de groten en men ziet hem onder de vorsten. 5. Hij reist door het land van vreemde volken, want hij heeft onderzocht wat goed en kwaad is onder de mensen. 6. Hij zet zijn hart op de Heere, om vroeg naar Hem toe te gaan die hem gemaakt heeft, en hij smeekt tot de Allerhoogste. 7. Hij opent zijn mond in gebed en smeekt om vergeving voor zijn zonden. 8. Als de grote Heere het wil, zal hij vervuld worden met de geest van het verstand. 9. Hij zal de woorden van zijn wijsheid uitgieten als regen, en in zijn gebed dankt hij de Heere. 10. Hij maakt zijn overleg en zijn kennis recht, en hij denkt na over de verborgen dingen. 11. Hij brengt zijn onderwijs naar buiten en hij roemt in de wet van het verbond van de Heere. 12. Velen zullen zijn verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist worden. 13. De herinnering aan hem zal niet verdwijnen, en zijn naam zal leven tot in alle generaties. 14. De volken zullen over zijn wijsheid vertellen, en de gemeente zal zijn lof verkondigen. 15. Blijft hij in leven, dan zal hij een betere naam nalaten dan duizend anderen, en gaat hij rusten, dan heeft hij die naam al. 16. Ik wil nog vertellen wat ik bedacht heb, want ik ben vol als de volle maan. 17. Luister naar mij, jullie die heilig zijn, en bloei op als een roos die aan stromend water geplant is. 18. Breng een bloem voort als een lelie, geef je geur en zing een lofzang. 19. Loof de Heere om al Zijn werken met liederen en met citers, en zeg zo in je dankzegging: 20. Alle werken van de Heere zijn heel mooi, en alles wat Hij beveelt, gebeurt op Zijn tijd. Je mag niet zeggen: Wat is dit nou? Want dit alles wordt op zijn eigen tijd begrepen. 21. Door Zijn woord stond het water als een hoop, en door het woord van Zijn mond werden de waterbekkens gevormd. 22. Alles wat Hij wil, ligt in Zijn gebod, en niemand kan minder maken wat Hij bewaren wil. 23. De daden van alle mensen liggen open voor Hem, en niets kan verborgen blijven voor Zijn ogen. 24. Van eeuw tot eeuw ziet Hij erop neer, en niets is Hem te wonderlijk. 25. Je mag niet zeggen: Wat is dit nou? Want alles is geschapen voor het doel dat het heeft. 26. Zijn zegen bedekt de aarde als een rivier, en als een watervloed die het droge land doordrenkt. 27. Zo krijgen de volken Zijn toorn te erven, zoals Hij het water in zoutvlakten verandert. 28. Zijn wegen zijn recht voor wie heilig zijn, terwijl zij voor wie goddeloos zijn een struikelblok vormen. 29. Goede dingen zijn vanaf het begin voor goede mensen geschapen, en zo ook de kwade dingen voor wie zondigen. 30. Het belangrijkste wat een mens nodig heeft om te leven, is water, vuur, ijzer, zout, tarwemeel, melk, honing, druivensap, olie en kleding. 31. Al deze dingen zijn goed voor wie ontzag heeft voor God, en zij slaan om in kwaad voor wie zondigt. 32. Er zijn geesten die geschapen zijn om te straffen, en door hun woede maakt God hun gesels sterk. Als hun tijd gekomen is, gieten zij hun kracht uit en stillen zij de toorn van Hem die hen gemaakt heeft. 33. Het vuur en de zee, de honger en de dood: dit alles is geschapen om te straffen. 34. De tanden van wilde dieren, de schorpioenen, de adders en het zwaard straffen de goddelozen tot hun ondergang. 35. In Zijn opdracht zijn zij blij, 36. en op de aarde staan zij klaar voor Zijn dienst, en wanneer hun tijd gekomen is, gaan zij niet tegen Zijn woord in. 37. Daarom heb ik hier vanaf het begin aan vastgehouden. Ik heb erover nagedacht en het opgeschreven. 38. Alle werken van de Heere zijn goed, en alles wat nodig is, geeft Hij op tijd. 39. En je mag niet zeggen: Dit is slechter dan dat. Want alles zal op zijn eigen tijd goed begrepen worden. 40. En zing nu met heel je hart en met je mond, en prijs de naam van de Heere. ## Jezus Sirach 40 — Het zware juk van de mens 1. Voor ieder mens is er grote onrust gemaakt en een zwaar juk voor de kinderen van Adam, vanaf de dag dat zij uit het lichaam van hun moeder komen tot de dag dat zij terugkeren in de moeder van ons allemaal. 2. In hun gedachten en in de angst van hun hart zit altijd de gedachte aan wat hun te wachten staat: de dag van hun dood. 3. Bij wie op een prachtige troon zit net zo goed als bij wie vernederd in stof en as zit. 4. Bij wie een purperen mantel en een kroon draagt net zo goed als bij wie in grof linnen loopt. 5. Hij krijgt te maken met woede, jaloezie, onrust en opwinding, met doodsangst, haat en ruzie. En wanneer het tijd is om in bed te rusten, keert de slaap van de nacht zijn gedachten om. 6. Hij heeft weinig rust, bijna geen, en daarna slaapt hij alsof hij op wacht staat. 7. Hij schrikt op van wat zijn hart hem laat zien, als iemand die uit de oorlog gevlucht is. En als hij wakker wordt op het moment dat hij veilig is, is hij verbaasd dat hij voor niets bang geweest is. 8. Zo gaat het met alles wat leeft, van de mens tot het vee, maar bij wie zondigen komt dit alles zevenvoudig. 9. Dood en ruzie, zwaard en bloed, honger, verwoesting en de gesel: dit alles is geschapen tegen de goddelozen, en om hen is de zondvloed gekomen. 10. Alles wat uit de aarde komt, keert terug naar de aarde, en alles wat uit het water komt, gaat terug naar de zee. 11. Elke steekpenning en elk onrecht zal uitgewist worden, maar trouw blijft voor eeuwig bestaan. 12. Het bezit van wie onrecht doen, zal opdrogen als een beek, en als een zware donderbui zal God ertegen dreunen. 13. Als Hij Zijn handen opent, wordt de rechtvaardige blij, terwijl wie overtreden tot op de bodem worden weggevaagd. 14. De nakomelingen van goddelozen zullen weinig takken krijgen, want hun onreine wortels liggen op een steile rots. 15. Hun groen aan elk water en aan elke oever van een beek zal als eerste worden uitgetrokken. 16. Goeddoen is als een tuin vol zegen, en een aalmoes blijft voor altijd. 17. Het leven van wie tevreden is met wat hij heeft en van wie werkt, is prettig, maar wie een schat vindt, gaat allebei te boven. 18. Kinderen en het bouwen van een stad houden je naam overeind. 19. Wijn en muziek maken je hart blij, maar de liefde voor wijsheid meer dan allebei. 20. De fluit en het snarenspel geven een mooie klank, maar een vriendelijke tong meer dan allebei. 21. Het oog geniet van wat mooi en prettig is, maar van het groen van het gewas meer dan van allebei. 22. Een vriend en zijn kameraad komen elkaar op het juiste moment tegemoet, maar een vrouw met haar man meer dan allebei. 23. Broers en hulp zijn goed in de tijd van nood, maar een aalmoes redt meer dan allebei. 24. Goud en zilver zetten je voet vast, maar goede raad geldt meer dan allebei. 25. Geld en kracht maken je hart moedig, maar ontzag voor de Heere meer dan allebei. 26. In het ontzag voor de Heere ontbreekt niets, en wie het heeft, hoeft geen hulp te zoeken. 27. Ontzag voor de Heere is als een gezegende tuin, en het overdekt je met meer eer dan wat ook. 28. Mijn kind, leef geen bedelaarsleven. Het is beter te sterven dan te bedelen. 29. Wie naar de tafel van een ander kijkt, heeft geen leven dat die naam verdient. Hij maakt zichzelf vuil met andermans eten. 30. Maar een verstandig mens die goed is opgevoed, houdt zich daarvan verre. 31. In de mond van wie geen schaamte kent, smaakt het bedelen zoet, maar in zijn buik zal een vuur gaan branden. ## Jezus Sirach 41 — De dood, een slechte naam en echte schaamte 1. Dood, wat is de gedachte aan jou bitter voor een mens die rustig van zijn bezit leeft, 2. voor iemand die rust heeft, die het in alles goed gaat en die nog met smaak kan eten. 3. Dood, jouw vonnis is welkom voor een mens die niets heeft en die krachten verloren heeft, 4. voor iemand die stokoud is, die zich overal druk om maakt, die zichzelf niet meer vertrouwt en die het geduld verloren heeft. 5. Wees niet bang voor het vonnis van de dood. Denk aan wie voor jou geweest zijn en aan wie na jou komen, want dit is het vonnis dat de Heere over alles wat leeft heeft uitgesproken. 6. En waarom zou je je verzetten tegen wat de Allerhoogste goeddunkt? 7. Of je nu tien, honderd of duizend jaar leeft: in het graf verwijt niemand je hoe je geleefd hebt. 8. De kinderen van wie zondigen worden akelige kinderen, die zich ophouden in de buurten van goddelozen. 9. Het erfdeel van de kinderen van wie zondigen gaat verloren, en bij hun nageslacht blijft de schande hangen. 10. Een goddeloze vader krijgt de schuld van zijn kinderen, omdat zij om hem worden nagewezen. 11. Wee jullie, goddeloze mannen, die de wet van de Allerhoogste verlaten hebben. 12. Want als jullie talrijk worden, is het tot je ondergang. Als jullie geboren worden, worden jullie tot een vloek geboren, en als jullie sterven, wordt de vloek je deel. 13. Alles wat uit de aarde komt, keert terug naar de aarde. Zo gaan de goddelozen naar hun ondergang. 14. Mensen rouwen om hun lichaam, maar een slechte naam wordt uitgewist. 15. Zorg goed voor een goede naam, want die blijft je bij, meer dan duizend grote schatten goud. 16. Een goed leven telt een bepaald aantal dagen, maar een goede naam blijft voor altijd. 17. Mijn kinderen, bewaar in vrede wat jullie geleerd is. 18. Wijsheid die verborgen blijft en een schat die niet tevoorschijn komt: wat heb je aan allebei? 19. Een mens die zijn dwaasheid verbergt, is beter af dan een mens die zijn wijsheid verbergt. 20. Neem daarom mijn woord ernstig, want het is niet goed om je overal voor te schamen, en niet iedereen weet van alles even goed wat juist is. 21. Schaam je voor je vader en moeder om hoererij, en voor een vorst en een machtig man om een leugen. 22. Schaam je voor een rechter en een bestuurder om mishandeling, en voor de vergadering en het volk om overtreding van de wet. 23. Schaam je voor je kameraad en je vriend om onrecht, en voor de plaats waar je als vreemdeling woont om diefstal. 24. Schaam je erover als je Gods waarheid en Zijn verbond minacht, als je met je elleboog op het brood leunt, en als je je schandelijk misdraagt bij ontvangen en uitgeven. 25. Schaam je ervoor dat je zwijgt als iemand je groet, dat je naar een lichtzinnige vrouw staart, en dat je je gezicht afwendt van iemand van goede afkomst. 26. Schaam je ervoor iemand zijn deel af te nemen of wat aan hem gegeven is, en om naar een getrouwde vrouw te kijken. 27. Schaam je ervoor je met andermans zaken te bemoeien, en ga niet bij het bed van een dienstmeisje staan. 28. Schaam je ervoor je vriend verwijten te maken, en als je hem iets gegeven hebt, wrijf hem dat niet onder de neus. 29. Schaam je ervoor door te vertellen wat je gehoord hebt en geheimen bekend te maken. 30. Dan schaam je je op de goede manier, en je zult bij alle mensen gunst vinden. ## Jezus Sirach 42 — Waarvoor je je niet hoeft te schamen, en de werken van de Heere 1. Schaam je niet voor de dingen die nu komen, en trek niemand voor zodat je zondigt. 2. Schaam je niet voor de wet van de Allerhoogste en voor het verbond, en niet voor een vonnis waarmee je een goddeloze in het gelijk moet stellen. 3. Ook niet om af te rekenen met je kameraad en met je reisgenoten, en niet om je vrienden hun erfdeel te geven. 4. En schaam je niet dat je scherp let op de weegschaal en de gewichten, en niet dat je veel of weinig bezit. 5. Ook niet dat je aan kooplieden voor verschillende prijzen verkoopt, en niet dat je je kinderen goed opvoedt. 6. Ook niet dat je een slechte knecht in huis hard aanpakt. 7. Bij een boze vrouw is het goed om alles te verzegelen, en waar veel handen zijn, doe je alles op slot. 8. Als je iets afgeeft, doe het op stuk en op gewicht, en zet alles op papier, wat eruit gaat en wat binnenkomt. 9. En schaam je niet dat je een onverstandige en een dwaas onderwijst, en een oude man die met jonge mensen ruziemaakt. 10. Dan ben je goed onderwezen en zal iedereen die leeft je respecteren. 11. Een dochter maakt haar vader heimelijk slapeloos, en de zorg om haar houdt hem wakker. 12. Zolang zij jong is, is hij bang dat zij niet op tijd trouwt, en als zij getrouwd is, dat haar man haar niet meer wil. 13. Is zij nog ongetrouwd, dan is hij bang dat zij onteerd wordt en in het huis van haar vader zwanger raakt. Heeft zij een man, dat zij vreemdgaat, en is zij getrouwd, dat zij geen kinderen krijgt. 14. Houd streng de wacht over een eigenzinnige dochter, zodat zij je vijanden geen plezier doet, er in de stad over jou gepraat wordt, het volk je naroept en zij je te schande maakt waar veel mensen bij zijn. 15. Staar niet naar de schoonheid van welk mens dan ook, en ga niet tussen de vrouwen zitten. 16. Want uit kleren komt de mot voort, en uit de vrouw de boosheid van de vrouw. 17. De boosheid van een man is beter dan een vrouw die vriendelijk doet en je tot schande maakt. 18. Nu wil ik de werken van de Heere in herinnering brengen, en vertellen wat ik gezien heb. In de woorden van de Heere zie je Zijn werken. 19. De zon schijnt en ziet op alles neer, en haar werk is vol van de heerlijkheid van de Heere. 20. De Heere heeft Zijn heiligen niet alles laten vertellen van Zijn wonderen. 21. De Heere, de Almachtige, heeft de hele wereld vastgezet, zodat zij door Zijn heerlijkheid gedragen wordt. 22. Hij onderzoekt de afgrond en het hart, en Hij ziet de kwade plannen die daarin zitten. 23. Want de Allerhoogste kent alle kennis en Hij ziet de tekenen van de tijd. 24. Hij vertelt wat voorbij is en wat nog komen zal, en Hij legt de sporen bloot van wat verborgen is. 25. Geen gedachte ontgaat Hem, en geen woord blijft voor Hem verborgen. 26. Hij heeft Zijn prachtige werken met Zijn wijsheid versierd, Hij die er is vóór de wereld en tot in eeuwigheid. 27. Hij wordt niet meer en niet minder, en Hij heeft geen raadgever nodig. 28. Wat zijn al Zijn werken begerenswaardig, en wat is het mooi om ze te bekijken, tot op het kleinste vonkje. 29. Dit alles leeft en blijft voor eeuwig in alles waarvoor het dient, en het gehoorzaamt Hem allemaal. 30. Alles komt dubbel, het ene tegenover het andere, en Hij heeft niets gemaakt wat tekortschiet. 31. Het ene bevestigt het goede van het andere. En wie zal ooit genoeg krijgen van het zien van Gods heerlijkheid? ## Jezus Sirach 43 — De hemel vertelt het werk van de Heere 1. Het heldere hemelgewelf is de trots van de hoogte, en de aanblik van de hemel is prachtig. 2. De zon verkondigt God bij haar opgang wanneer je haar ziet. Zij is een wonderlijk instrument, een werk van de Allerhoogste. 3. Wanneer zij op het midden van de dag staat, verdroogt zij het land. En wie houdt het uit tegen haar hitte? 4. Men blaast een oven aan om hem heet te krijgen, maar de zon verhit driemaal meer. Zij zet de bergen in vuur en vlam, zij blaast hete dampen uit, en met het glinsteren van haar stralen verblindt zij je ogen. 5. Groot is de Heere die haar gemaakt heeft en die haar loop met Zijn woord heeft laten stilstaan. 6. Hij heeft ook de maan gemaakt, zodat zij op haar tijd zou opgaan om de tijden aan te wijzen en als een teken voor alle eeuwen. 7. Aan de maan zie je wanneer het feest is. Zij is een licht dat helemaal afneemt. 8. De maand is naar haar genoemd. Wanneer zij wast, is haar verandering wonderlijk om te zien. 9. Zij is een lamp die haar kamp in de hoogte heeft en die schijnt aan het gewelf van de hemel. 10. De schoonheid van de hemel is die prachtige sterrenhemel, een sieraad dat licht geeft in de hoogste plaatsen van de Heere. 11. Door de woorden van de Heilige staan zij op hun post, en zij verslappen niet in hun wacht. 12. Kijk naar de regenboog en prijs Hem die hem gemaakt heeft, want hij is prachtig in zijn glans. 13. Hij omspant de hemel met een schitterende boog, en de handen van de Allerhoogste spannen hem uit. 14. Met Zijn bevel laat Hij de sneeuw stoppen en stuurt Hij de bliksem van Zijn oordeel snel op weg. 15. Daarom gaan de voorraadkamers open en vliegen de wolken uit als vogels. 16. Door Zijn grote macht maakt Hij de wolken sterk, en de hagelstenen worden stukgeslagen. 17. Het geluid van Zijn donder laat de aarde krimpen, en als Hij kijkt, beven de bergen. 18. Op Zijn bevel blaast de zuidenwind, de stormachtige noordenwind en de wervelwind. 19. Hij strooit de sneeuw uit als vogels die neerstrijken, en zij daalt neer als sprinkhanen die zich ergens neerzetten. 20. Je oog staat verbaasd van de schoonheid van dat wit, en je hart schrikt van die regen. 21. En Hij giet de rijp uit over de aarde als zout, en als hij bevriest, wordt hij als de punten van palen. 22. Wanneer de koude noordenwind blaast en het water tot ijs bevriest, gaat hij op elk water liggen en trekt het water als een pantser aan. 23. Hij verteert de bergen en verbrandt de woestijn, en hij dooft het groene gras uit als vuur. 24. Maar de snelle genezing van dit alles is de nevel, en de dauw die na de hitte komt, maakt alles weer blij. 25. Door het besluit van de Heere staat de afgrond stil, en Hij heeft daarin eilanden geplant. 26. Wie de zee bevaren, vertellen over het gevaar ervan, en wij staan versteld wanneer wij het horen. 27. Want daar zijn ongelooflijke en wonderlijke werken: allerlei soorten dieren en de reuzen van de zee. 28. Door Hem komt Zijn bode goed aan, en door Zijn woord bestaat dit alles. 29. Wij zouden er nog veel over kunnen zeggen, maar wij zouden er niet uitkomen. Om mijn woorden af te maken: Hij is het Al. 30. Als wij Hem willen eren, waar halen wij de kracht vandaan? Want Hij is groter dan al Zijn werken. 31. Ontzagwekkend is de Heere, en heel groot, en Zijn macht is wonderlijk. 32. Eer de Heere en verhef Hem zoveel als je kunt, en Hij zal het nog te boven gaan. 33. Verhef Hem en zeg hoe sterk Hij is, maar maak je niet moe, want je zult het niet bereiken. 34. Wie heeft Hem gezien en kan het navertellen? En wie zal Hem groot maken zoals Hij is? 35. Er zijn nog veel meer verborgen dingen dan deze. Wij hebben maar weinig van Zijn werken gezien. 36. Want de Heere heeft alles gemaakt, en Hij heeft wijsheid gegeven aan wie ontzag voor Hem hebben. ## Jezus Sirach 44 — De lof van de vaderen 1. Laten wij nu beroemde mannen prijzen en onze voorouders, generatie na generatie. 2. De Heere heeft door hen van oudsher veel eer voor Zijn majesteit tot stand gebracht. 3. Zij hebben geregeerd in hun koninkrijken en zij waren beroemde mannen met macht. 4. Zij gaven raad met verstand en zij verkondigden profetieën. 5. Zij waren leiders van het volk in het bestuur en zij begrepen de wetten die voor het volk opgeschreven zijn. 6. Zij onderwezen met wijze woorden, zij zochten mooie liederen uit bij de muziek en zij droegen opgeschreven gedichten voor. 7. Het waren rijke mannen, met kracht toegerust, die vredig in hun huizen woonden. 8. Zij allen werden in hun generatie geëerd en waren in hun eigen tijd beroemd. 9. Sommigen van hen hebben een naam achtergelaten, zodat men nog steeds over hun lof spreekt. 10. Maar aan sommigen bewaart niemand een herinnering. Zij zijn verdwenen alsof zij er nooit geweest waren, en het is alsof zij nooit geboren zijn. Zo ging het ook hun kinderen na hen. 11. Maar dezen hier zijn mannen van barmhartigheid, en hun rechtvaardige daden zijn niet vergeten. 12. Bij hun nageslacht blijft een goed erfdeel, en hun nakomelingen horen bij het verbond. 13. Hun nageslacht hoort bij het verbond, en hun kinderen na hen ook. 14. Tot in eeuwigheid blijft hun nageslacht bestaan, en hun eer zal niet uitgewist worden. 15. Hun lichamen zijn in vrede begraven, en hun naam leeft van generatie op generatie. 16. De volken zullen over hun wijsheid vertellen, en de gemeente zal hun lof verkondigen. 17. Henoch leefde zoals God de Heere het wilde en werd weggenomen, zodat hij voor zijn generatie een voorbeeld van bekering werd. 18. Noach bleek volmaakt en rechtvaardig. In de tijd van de toorn werd hem vergolden. 19. Daarom kwam de zondvloed, en werden er eeuwige verbonden met hem gesloten, zodat niet alles wat leeft door de zondvloed zou verdwijnen. 20. Abraham was de stamvader van een menigte volken, en niemand is in eer aan hem gelijk gevonden. Hij heeft de wet van de Allerhoogste bewaard, en hij stond met Hem in een verbond. 21. In zijn lichaam heeft de Heere het verbond opgericht, en toen hij beproefd werd, bleek hij trouw. 22. Daarom heeft Hij hem met een eed beloofd dat Hij de volken zou zegenen in zijn nageslacht, 23. dat Hij hem talrijk zou maken als het stof van de aarde, en dat zij een erfdeel zouden krijgen van de ene zee tot de andere en van de rivier tot het einde van de aarde. 24. En zo legde Hij ook in Izak, om Abraham zijn vader, de zegen voor alle mensen en het verbond, en Hij liet dat rusten op het hoofd van Jakob. 25. Hem heeft Hij erkend in Zijn zegeningen. Hij gaf hem een erfdeel en verdeelde zijn deel in stammen, twaalf in getal. 26. En uit hem bracht Hij een man van barmhartigheid voort, die bij iedereen in de gunst stond. ## Jezus Sirach 45 — Mozes, Aäron en Pinehas 1. En dat was Mozes, geliefd bij God en bij de mensen. De herinnering aan hem is een zegen. 2. De Heere maakte hem zo eervol als de heiligen en maakte hem groot doordat zijn vijanden ontzag voor hem kregen. Door zijn woorden liet Hij de plagen ophouden, en Hij gaf hem eer voor het oog van koningen. 3. Hij gaf hem opdrachten voor Zijn volk en liet hem Zijn heerlijkheid zien. 4. Om zijn geloof en zijn zachtmoedigheid heiligde Hij hem. Hij koos hem uit alle mensen uit. 5. Hij liet hem Zijn stem horen en bracht hem het donker binnen. 6. Van aangezicht tot aangezicht gaf Hij hem Zijn geboden, de wet van het leven en de kennis. Zo leerde Mozes Jakob het verbond en Israël Zijn rechten. 7. Aäron, zijn broer, uit de stam van Levi, heeft Hij verhoogd, zodat hij heilig zou zijn en aan Mozes gelijk. 8. Hij sloot met hem een eeuwig verbond en gaf hem het priesterschap onder Zijn volk, en Hij eerde hem met een prachtig sieraad. 9. Hij omgordde hem met een schitterend gewaad, trok hem volle luister aan en maakte hem sterk met uitrusting van kracht: 10. met de onderkleding, het lange gewaad en de priesterrok, 11. en Hij hing er rondom granaatappels aan en heel veel gouden belletjes, zodat het klonk wanneer hij liep, en zodat men het geluid in de tempel kon horen als een herinnering voor de kinderen van zijn volk. 12. Met een heilig gewaad van goud, blauwpurper en roodpurper, het werk van een borduurwerker, met de borstlap van het oordeel, waarin de openbare tekenen van de waarheid zaten, 13. gemaakt van getwijnd scharlaken zijde, met veel kunst bewerkt, met kostbare stenen die als een zegel in goud gevat waren, het werk van een graveerder. Daarin stond, gegraveerd als een herinnering, het getal van de kinderen van Israël. 14. Hij versierde hem met een gouden kroon boven op de tulband, een ingedrukt zegel van heiligheid, een prachtige eer, machtig werk, een lust voor het oog, een mooi sieraad. 15. Vóór hem was zoiets er nooit geweest, 16. en niemand uit een ander geslacht heeft deze kleren ooit gedragen, alleen zijn zonen en wie ooit uit hem geboren werden. 17. Hun offers werden elke dag tweemaal helemaal verbrand. 18. Mozes gaf hem zijn ambt en zalfde hem met heilige olie. 19. Dit werd voor hem een eeuwig verbond, en voor zijn nageslacht zolang de hemel dagen telt: om Zijn dienst waar te nemen, het priesterschap uit te oefenen en het volk in Zijn naam te zegenen. 20. Uit alle mensen koos Hij hem uit om de Heere offers te brengen, reukwerk en geurige rook als gedachtenis, om verzoening te doen voor het volk. 21. Hij gaf hem Zijn geboden en macht over de rechtsregels, om Jakob Zijn getuigenissen te leren en Israël door Zijn wet te verlichten. 22. Vreemden kwamen tegen hem in opstand en waren jaloers op hem in de woestijn: mannen die het met Dathan en Abiram hielden, en de groep van Korach, vol woede en drift. 23. Maar de Heere zag het en het beviel Hem niet, en zij werden vernietigd door Zijn brandende toorn. 24. Hij deed aan hen wonderen en verteerde hen met vlammend vuur. 25. Hij maakte de eer van Aäron nog groter en gaf hem een erfdeel: het eerste van de eerste opbrengst gaf Hij hem als deel. 26. Vooral bereidde Hij hem brood in overvloed, want zij eten van de offers van de Heere, die Hij aan hem en zijn nageslacht gegeven heeft. 27. Maar in het land van het volk had hij geen erfdeel en kreeg hij geen deel onder het volk, want Hij Zelf was het deel van zijn erfenis. 28. En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in eer, omdat hij zich met hart en ziel had ingezet uit ontzag voor de Heere, 29. en omdat hij stand hield toen het volk afviel, met een goede instelling van zijn hart, en verzoening deed voor Israël. 30. Daarom sloot de Heere met hem en zijn volk een verbond van vrede: dat hij zou opkomen voor de heilige dingen, en dat hij en zijn nageslacht voor altijd de grote eer van het priesterschap zouden hebben. 31. En zoals volgens het verbond met David een zoon uit de stam van Juda het koningschap erft en het van de ene zoon alleen op de andere overgaat, zo is het erfdeel van het priesterschap toegewezen aan Aäron en zijn nageslacht. 32. Moge Hij jullie wijsheid in je hart geven om Zijn volk rechtvaardig te besturen, zodat hun goede dingen niet verdwijnen, en moge Hij Zijn heerlijkheid in hun generaties leggen. ## Jezus Sirach 46 — Jozua, Kaleb, de richters en Samuël 1. Jozua, de zoon van Nun, was sterk in de oorlog, en hij kwam in de plaats van Mozes als profeet. 2. Hij werd groot, zoals zijn naam al zei, in het redden van Gods uitverkorenen, om de vijanden te straffen die tegen hen opstonden en om Israël in het bezit van zijn erfdeel te brengen. 3. Wat werd hij geëerd toen hij zijn handen ophief en het zwaard tegen de steden trok! 4. Wie heeft er ooit vóór hem zo gestaan? Want hij voerde de oorlogen van de Heere. 5. En is de zon niet door zijn hand teruggegaan? En werd één dag niet zo lang als twee? 6. Hij riep God, de Allerhoogste, aan toen hij de vijanden van alle kanten in het nauw bracht, en de grote Heere verhoorde hem en hielp met geweldige zware hagelstenen. 7. Hij viel de volken met oorlog aan, en toen hij op hen afkwam, vernietigde hij wie zich verzetten, 8. zodat de volken aan al hun wapens zouden merken dat hij zijn oorlog voor de Heere voerde, want hij volgde de Machtige. 9. En in de tijd van Mozes deed hij barmhartigheid, hij en Kaleb, de zoon van Jefunne, toen zij zich tegen de gemeente verzetten om te voorkomen dat het volk zou zondigen en om het lelijke gemopper te stoppen. 10. En deze twee zijn gespaard gebleven, van zeshonderdduizend man te voet, om hen in het erfdeel te brengen, in het land dat overvloeit van melk en honing. 11. De Heere gaf Kaleb kracht, die hem tot in zijn ouderdom bijbleef, zodat hij het bergland binnentrok, en zijn nageslacht heeft dat erfdeel behouden, 12. zodat alle kinderen van Israël zouden zien dat het goed is de Heere te volgen. 13. En de richters, ieder met zijn eigen naam, van wie niemand met zijn hart is vreemdgegaan en die zich niet van de Heere afgekeerd hebben: ook de herinnering aan hen is een zegen. 14. Laat hun gebeente opnieuw uitlopen op de plaats waar zij liggen, en laat hun naam opnieuw gaan leven in de zonen van hun beroemde ouders. 15. Samuël, geliefd bij zijn Heere, profeet van de Heere, heeft koninkrijken ingesteld en vorsten gezalfd over Zijn volk. 16. Hij bestuurde de vergadering naar de wet van de Heere, en de Heere zag om naar Jakob. 17. Door zijn geloof bleek hij ten volle een profeet, en om zijn woord werd hij bekend. 18. En hij riep de Heere, de Machtige, aan toen zijn vijanden hem van alle kanten insloten, en hij offerde een zuiglam. 19. En de Heere donderde vanuit de hemel en liet Zijn stem horen in het zware rollen van de donder, 20. en Hij vernietigde de vorsten van Tyrus en alle leiders van de Filistijnen. 21. En voordat hij inslief, legde hij voor de Heere en voor Zijn gezalfde deze verklaring af: Geld heb ik van niemand aangenomen, zelfs geen paar schoenen. En geen mens klaagde hem aan. 22. En nadat hij ingeslapen was, profeteerde hij en kondigde hij de koning zijn einde aan. Hij verhief zijn stem uit de aarde met een profetie dat het onrecht van het volk weggevaagd zou worden. ## Jezus Sirach 47 — Natan, David en Salomo 1. Na hen stond Natan de profeet op, in de dagen van David. 2. Zoals het vet van het dankoffer apart gelegd wordt, zo is David apart gezet uit de kinderen van Israël. 3. Met leeuwen ging hij om alsof het geitjes waren, en met beren alsof het lammeren waren. 4. In zijn jeugd doodde hij een reus en nam hij de schande weg bij het volk, 5. toen hij zijn hand ophief om met de steen uit zijn slinger de trots van Goliat neer te slaan. 6. Want hij riep de Heere, de Allerhoogste, aan, en Die gaf kracht aan zijn rechterhand om een man uit de weg te ruimen die machtig was in de oorlog, en om zijn volk weer kracht te geven. 7. Zo eerde het volk hem onder tienduizenden en prees het hem met zegenwensen van de Heere, toen men hem de kroon van de eer bracht. 8. Hij vernietigde de vijanden rondom en maakte een einde aan de Filistijnen die tegen hem waren. Tot op de dag van vandaag heeft hij hun macht gebroken. 9. In alles wat hij deed, gaf hij God, de Heilige en Allerhoogste, de eer met prachtige woorden. 10. Met heel zijn hart zong hij lofliederen, en hij hield van Hem die hem gemaakt had. 11. En hij stelde zangers aan voor het altaar, om met hun stem een mooie klank te maken en om God elke dag met hun liederen te prijzen. 12. Hij regelde voor de feesten wat passend was en versierde de vaste tijden helemaal, zodat men Zijn heilige naam zou prijzen en vanaf de vroege ochtend Zijn heiligdom zou laten klinken. 13. De Heere nam zijn zonden weg en maakte zijn macht groot voor altijd. Hij gaf hem het verbond van het koningschap en de troon van de eer in Israël. 14. Na hem stond zijn zoon op, een wijs man, en door hem woonde het volk ruim. 15. Salomo regeerde in een tijd van vrede en hij werd beroemd, omdat God hem rondom rust gegeven had, zodat hij voor Zijn naam een huis zou bouwen en voor altijd een heiligdom zou inrichten. 16. Wat was hij wijs in zijn jeugd! Hij stroomde vol van verstand als een rivier. 17. Jouw geest heeft de hele aarde bedekt en haar met scherpzinnige spreuken gevuld. 18. Jouw naam kwam tot ver in de eilanden, en men hield van jou om je vrede. 19. De landen stonden versteld van je liederen, je spreuken, je vergelijkingen en je verklaringen. 20. In de naam van de Heere, de God van heel de aarde, die de God van Israël genoemd wordt, bracht je goud bijeen alsof het tin was en stapelde je zilver op alsof het lood was. Maar je zette je hart op de vrouwen, 21. en je kwam met je lichaam in hun macht. 22. Zo heb je een vlek op je eer gezet, je nageslacht onteerd en toorn over je kinderen gebracht. Zij hebben geleden onder jouw dwaasheid, toen het koningschap in tweeën scheurde en uit Efraïm een opstandig koninkrijk ontstond. 23. Maar de Heere liet Zijn barmhartigheid niet los en keerde Zich helemaal niet af van wat Hij gemaakt had. 24. Hij wiste het nageslacht van Zijn uitverkorene niet uit en nam het nageslacht van wie Hem liefgehad had niet weg. 25. En Hij gaf Jakob een overblijfsel en David een wortel die uit hem opkwam. 26. En Salomo ging rusten bij de vaderen en liet uit zijn nageslacht een heel dwaas man achter onder het volk, met weinig verstand: Rehabeam, die het volk door zijn beleid deed afvallen. 27. Toen kwam Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël liet zondigen en Efraïm een weg van zonde wees, en hun zonden werden steeds talrijker, 28. zodat zij uit het land werden verdreven, totdat de toorn en de straf over hen kwamen. ## Jezus Sirach 48 — Elia, Elisa en Hizkia 1. Daarna stond Elia de profeet op als een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel. 2. Hij bracht een zware hongersnood over hen, en met zijn felle inzet maakte hij dat er weinig van hen overbleven. 3. Door het woord van de Heere hield hij de hemel dicht, en drie keer liet hij vuur uit de hemel neerkomen. Wat ben jij geëerd, Elia, om je wonderen! 4. En wie kan zich met jou meten? 5. Jij, die een dode weer levend maakte en een mens uit het graf terughaalde door het woord van de Allerhoogste. 6. Jij, die koningen ten val bracht en beroemde mannen van hun bed wegvoerde. 7. Jij, die op de Sinai de terechtwijzing van de Heere hoorde en op de Horeb de oordelen van de vergelding. 8. Jij, die koningen zalfde om die vergelding uit te voeren, en profeten die na jou zouden komen. 9. Jij, die opgenomen werd in een vurige wervelwind, in een wagen met vurige paarden. 10. Van jou staat geschreven dat je te zijner tijd zult terechtwijzen, dat je de toorn van het strenge oordeel van de Heere zult stillen, dat je het hart van de vader naar de zoon zult keren en de stammen van Jakob weer op orde zult brengen. 11. Gelukkig zijn zij die jou gezien hebben en die in liefde ingeslapen zijn. 12. Want ook wij zullen zeker leven. 13. Elia was het die door een wervelwind werd weggevoerd, en Elisa werd vervuld met de Heilige Geest. In zijn dagen liet hij zich door de machthebbers niet in beweging brengen, en niemand heeft hem met geweld eronder gekregen. 14. Niets ging hem te boven, en toen hij ingeslapen was, profeteerde zijn lichaam nog. 15. Tijdens zijn leven deed hij wonderen, en in zijn dood waren zijn werken wonderlijk. 16. Ondanks dit alles bekeerde het volk zich niet en hield het niet op met zondigen, totdat zij als buit uit hun land werden weggevoerd en over de hele aarde verspreid raakten. 17. En er bleef een klein volk over en een heerser in het huis van David. 18. Sommigen van hen deden wat God goedvond, maar anderen maakten de zonden alleen maar groter. 19. Hizkia versterkte zijn stad en leidde er water binnen. Hij hakte met ijzer door de harde rots en maakte bronnen om water te hebben. 20. In zijn dagen trok Sanherib op en stuurde de Rabsake vanuit Lachis. Hij hief zijn hand op tegen Sion en schepte hoog op in zijn hoogmoed. 21. Toen begonnen hun harten en handen te beven en kregen zij pijn als een vrouw die bevalt. 22. En zij riepen de Heere aan, die Zich ontfermt, en zij strekten hun handen naar Hem uit. 23. En de Heilige verhoorde hen vanuit de hemel en redde hen door de hand van Jesaja. 24. Hij versloeg het leger van de Assyriërs, en Zijn engel maakte hen kapot. 25. Want Hizkia deed wat de Heere goedvond en hield vast aan de wegen van zijn vader David, zoals Jesaja hem bevolen had, die grote en eerbiedwaardige profeet, in zijn visioen. 26. In zijn dagen ging de zon terug en gaf de Heere de koning langer te leven. 27. Met een grote geest zag hij de laatste dingen, en hij troostte wie in Sion treurden. 28. Hij wees aan wat komen zou tot in eeuwigheid, en de verborgen dingen voordat ze gebeurden. ## Jezus Sirach 49 — Josia en de mannen van vroeger 1. De herinnering aan Josia is als een mengsel van reukwerk, bereid door de kunst van de apotheker. 2. Zij is zoet als honing in ieders mond en als muziek bij een feestmaal. 3. Hij pakte het goed aan toen het volk zich bekeerde, en hij ruimde de gruwelen van het onrecht op. 4. Hij richtte zijn hart op de Heere. In de dagen van wie onrecht deden, maakte hij het ontzag voor God sterk. 5. Behalve David, Hizkia en Josia hebben zij allemaal misdaden begaan. 6. Want zij hebben de wet van de Allerhoogste verlaten. De koningen van Juda zijn bezweken. 7. Daarom gaf Hij hun troon aan anderen en hun eer aan een vreemd volk. 8. Die hebben de uitverkoren heilige stad verbrand en haar straten verwoest, zoals Jeremia gezegd had. 9. Want zij hebben hem slecht behandeld, terwijl hij al in de buik van zijn moeder tot profeet geheiligd was: om uit te rukken, af te breken en te verwoesten, en evengoed om te bouwen en te planten. 10. Ezechiël is het die een prachtig visioen zag, dat de Heere hem liet zien op de wagen van de cherubs. 11. Want Hij dacht ook aan de vijanden in de stortregen, en Hij hielp wie hun wegen recht maakten. 12. Laat ook de herinnering aan de twaalf profeten een zegen zijn. 13. Hoe kunnen wij Zerubbabel genoeg prijzen! Want hij was als een zegelring aan de rechterhand. 14. En zo ook Jesua, de zoon van Josadak, die in hun dagen het huis weer opbouwden en de heilige tempel oprichtten, die voor de Heere klaargemaakt werd tot een eeuwige eer. 15. Bij de uitverkorenen hoorde ook Nehemia, over wie men vaak vertelt, die onze vervallen muren opbouwde, de poorten met hun grendels plaatste en de vloeren van onze huizen herstelde. 16. Zo iemand als Henoch is er op aarde niet geschapen, want hij werd van de aarde weggenomen. 17. En er is geen man geweest als Jozef, een leider van zijn broers, 18. een steun voor het volk. En de Heere heeft naar zijn gebeente omgezien. 19. Sem en Set kregen eer onder de mensen, en Adam boven alles in de schepping. ## Jezus Sirach 50 — De hogepriester Simon 1. Simon, de zoon van Onias, de hogepriester, heeft tijdens zijn leven het huis van de Heere hersteld, en hij heeft in zijn dagen ook het volk sterk gemaakt. 2. Onder hem werd de fundering gelegd van de dubbele hoge muur, de hoge omgang van de tempel. 3. In zijn dagen waren de waterbakken te klein, en werd er een bronzen bak gemaakt als een zee, die drie keer zoveel hield. 4. Hij zorgde ervoor dat zijn volk niet ten onder ging. 5. Je hebt de stad sterk gemaakt en veranderd. Je kreeg eer door je omgang met het volk en wanneer je naar buiten kwam uit het huis waar het voorhangsel hangt. 6. Je was als de morgenster tussen de wolken, als de maan wanneer zij vol is op haar tijd, en als de regenboog die prachtige wolken laat oplichten. 7. Als de zon die op de tempel van de Allerhoogste schijnt, als de bloem van de rozen in de tijd dat alles bloeit, als lelies aan een waterbron, als een jonge scheut van de Libanon in de zomer, 8. als vuur en wierook op een vuurpan, 9. als een gouden vaas, dichtgeslagen met de hamer en versierd met allerlei kostbare stenen, 10. als een prachtige olijfboom die vruchten draagt en als een cipres die tot aan de wolken reikt: zo was je wanneer je het schitterende gewaad aantrok en je in volle luister kleedde. 11. Wanneer hij naar het heilige altaar opging, gaf hij de heilige kleding eer. 12. En wanneer hij de delen van de offers uit de handen van de priesters aannam, stond hij zelf bij de haard van het altaar. 13. Om hem heen stond een kring van zijn broers, als jonge ceders op de Libanon. Zij omringden hem als palmtakken: alle zonen van Aäron in hun luister, met het offer van de Heere in hun handen, voor de ogen van heel de gemeente van Israël. 14. En wanneer hij de diensten bij het altaar afmaakte om het offer voor de Allerhoogste en Almachtige zo mooi mogelijk te brengen, 15. strekte hij zijn handen uit naar de offerbeker en goot hij van het druivensap, 16. en hij goot het uit aan de voet van het altaar, een geurig offer voor de Allerhoogste, die koning is over alles. 17. Dan riepen de zonen van Aäron en lieten hun dungesmede trompetten klinken. Zij lieten een groot geschal horen als herinnering voor de Allerhoogste. 18. Dan haastte heel het volk zich en viel het met het gezicht op de grond om hun Heere te aanbidden, de almachtige en allerhoogste God. 19. En de zangers prezen God met hun stemmen, en in dat volle geluid klonk een prachtig lied. 20. En het volk van de Heere, de Allerhoogste, smeekte in zijn gebed voor het aangezicht van Hem die Zich ontfermt, totdat de dienst voor de Heere helemaal af was en zij klaar waren. 21. Dan kwam Simon, de hogepriester, naar beneden en hief hij zijn handen op over heel de gemeente van de kinderen van Israël, om hun met zijn lippen de zegen van de Heere te geven en zich op Zijn naam te beroemen. 22. En zij bogen zich voor de tweede keer neer om de zegen van de Allerhoogste te ontvangen. 23. En dank nu de God van alles, die overal als enige grote dingen doet, die onze dagen laat groeien vanaf de moederschoot en die met ons omgaat naar Zijn barmhartigheid. 24. En bid dat het vrede wordt in onze dagen in Israël, zoals het in de dagen van vroeger geweest is, dat Hij ons trouw Zijn barmhartigheid laat zien en ons in onze dagen redt. 25. Om twee volken is mijn ziel van streek, en het derde is niet eens een volk: 26. wie hun woonplaats hebben op het gebergte van Samaria, wie in het land van de Filistijnen wonen, en het dwaze volk dat in Sichem woont. 27. Jezus, de zoon van Sirach, uit Jeruzalem, heeft in dit boek onderwijs opgeschreven in verstand en kennis. Uit zijn hart liet hij wijsheid stromen als een stortbui. 28. Gelukkig is wie zich hierin oefent, en wie het ter harte neemt, zal wijs worden. 29. Want als hij het doet, zal hij overal tegen opgewassen zijn, omdat het licht van de Heere zijn voetspoor is. En Hij geeft wijsheid aan wie ontzag voor Hem hebben. 30. Geprezen zij de Heere tot in eeuwigheid. Laat het zo gebeuren, laat het zo gebeuren! ## Jezus Sirach 51 — Een gebed en een uitnodiging 1. Een gebed van Jezus, de zoon van Sirach. Ik zal U prijzen, Heere, mijn Koning, en ik zal U loven, God, mijn Redder. 2. Ik prijs Uw naam, want U bent mijn beschermer en helper geweest en U hebt mijn lichaam van de ondergang gered, 3. van de strik van een lasterende tong en van de lippen van wie leugens vertellen. Tegen wie zich tegen mij keerden, bent U mijn helper geweest. 4. U hebt mij gered, zo groot is de barmhartigheid van Uw naam, uit de tanden die klaarstonden om mij te verslinden, 5. uit de hand van wie mij naar het leven stonden, uit de vele keren dat ik in het nauw zat, 6. uit het vuur dat mij van alle kanten dreigde te verstikken, en midden uit het vuur, zodat ik niet verbrand ben, 7. uit de diepte van de onderwereld, van een vuile tong en een leugenachtig woord, van de laster bij de koning en van een onrechtvaardige tong. 8. Mijn ziel was dicht bij de dood gekomen, en mijn leven was dicht bij het diepste graf. 9. Zij hadden mij van alle kanten ingesloten en er was niemand die hielp. Ik keek uit naar hulp van mensen, en er was niemand. 10. Toen dacht ik aan Uw barmhartigheid, Heere, en aan Uw werken van alle tijden, 11. dat U wie geduldig wachten uitredt en hen bevrijdt uit de hand van hun vijanden. 12. En ik hief mijn nederige gebed op van de aarde en smeekte om redding van de dood. 13. Ik riep de Heere aan, de Vader van mijn Heere, of Hij mij niet wilde verlaten op de dag dat ik in het nauw zat, in de tijd dat ik geen hulp had tegen de hoogmoedigen. 14. Ik zal Uw naam zonder ophouden prijzen en U met dank bezingen. En mijn smeken is verhoord. 15. Want U hebt ons gered van de ondergang en mij uit de slechte tijd getrokken. 16. Daarom zal ik U prijzen, Heere, en U loven en Uw naam danken. 17. Toen ik nog jong was, voordat ik ging dwalen, heb ik openlijk in mijn gebed om de wijsheid gevraagd. 18. Voor de tempel heb ik om haar gebeden, en tot het laatst toe zal ik haar blijven zoeken. 19. Mijn hart is blij om haar geweest, zoals je blij bent om een druif die na de bloei rijp wordt. 20. Mijn voet is rechtstreeks op haar afgegaan. Van jongs af heb ik haar spoor gevolgd. 21. Ik heb mijn oor maar even naar haar toe gebogen en ik heb haar aangenomen, 22. en ik heb voor mijzelf veel onderwijs gevonden. Door haar ben ik vooruitgekomen. 23. Wie mij wijsheid geeft, aan Hem zal ik de eer toeschrijven. 24. Want ik ben van plan haar in praktijk te brengen en mij voor het goede in te zetten, en ik zal beslist niet te schande worden. 25. Mijn ziel heeft om haar hard gevochten, en toen zij mij honger gaf, heb ik haar grondig doorzocht. 26. Ik heb mijn handen naar de hoogte uitgestrekt en door haar gemerkt wat ik niet wist. 27. Ik heb mijn ziel op haar gericht, en door mijzelf schoon te maken heb ik haar gevonden. 28. Van het begin af heb ik mijn hart op haar gezet. Daarom zal ik niet in de steek gelaten worden. 29. Mijn hart is in beweging gekomen om haar te zoeken. Daarom heb ik iets goeds in bezit gekregen. 30. De Heere heeft mij als loon een tong gegeven, en daarmee zal ik Hem prijzen. 31. Kom naar mij toe, jullie die nog niets geleerd hebben, en blijf overnachten in het huis van het onderwijs. 32. Waarom talmen jullie? Wat hebben jullie hierop te zeggen, terwijl jullie zoveel dorst hebben? 33. Ik heb mijn mond opengedaan en gezegd: Koop wijsheid, en het kost je geen geld. 34. Leg je nek onder het juk en laat je ziel onderwijs aannemen. Zij is dichtbij en te vinden. 35. Zie met je eigen ogen dat ik maar weinig moeite gedaan heb en dat ik voor mijzelf veel rust gevonden heb. 36. Koop het onderwijs alsof je er veel geld voor over hebt, en je zult in haar veel goud bezitten. 37. Laat je ziel blij zijn om de barmhartigheid van de Heere, en schaam je niet om Hem te prijzen. 38. Doe je werk op tijd, en Hij zal je op Zijn tijd je loon geven. ## Baruch 1 — De brief uit Babel 1. Dit zijn de woorden van het boek dat Baruch geschreven heeft in Babylonië, de zoon van Neria, de zoon van Mahaseja, de zoon van Zedekia, de zoon van Asadia, de zoon van Chelkia. 2. Het was in het vijfde jaar, op de zevende dag van de maand, in de tijd dat de Chaldeeën Jeruzalem hadden ingenomen en met vuur verbrand. 3. Baruch las de woorden van dit boek voor aan Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, 4. en aan heel het volk dat naar de voorlezing kwam, aan de machthebbers en de zonen van de koningen, aan de oudsten en aan heel het volk, van klein tot groot, aan allen die in Babylonië woonden bij de rivier de Sud. 5. Zij huilden, vastten en baden tot de Heere. 6. Zij zamelden geld in, ieder naar wat hij kon. 7. Zij stuurden het naar Jeruzalem, naar de priester Jojakim, de zoon van Chelkia, de zoon van Salom, en naar de priesters en naar heel het volk dat bij hem in Jeruzalem gevonden werd. 8. Dat was toen hij de voorwerpen van het huis van de Heere had ontvangen die uit de tempel waren weggevoerd, om ze terug te brengen naar het land Juda, op de tiende dag van de maand Sivan: de zilveren voorwerpen die Zedekia had laten maken, de zoon van Josia, de koning van Juda, 9. nadat Nebukadnezar, de koning van Babel, uit Jeruzalem had weggevoerd: Jechonia, de leiders, de gevangenen, de machthebbers en het volk van het land, en hen naar Babel had gebracht. 10. Zij zeiden: Kijk, wij sturen u geld. Koop daarvoor brandoffer, zondoffer en wierook, maak een graanoffer klaar en offer dat op het altaar van de Heere, onze God. 11. Bid voor het leven van Nebukadnezar, de koning van Babel, en voor het leven van Belsazar, zijn zoon, zodat hun dagen mogen zijn als de dagen van de hemel boven de aarde. 12. Dan zal de Heere ons kracht geven en onze ogen verlichten. Wij zullen leven in de schaduw van Nebukadnezar, de koning van Babel, en in de schaduw van Belsazar, zijn zoon, en wij zullen hen vele dagen dienen en genade bij hen vinden. 13. Bid ook voor ons tot de Heere, onze God, want wij hebben tegen de Heere, onze God, gezondigd, en de toorn en de woede van de Heere zijn tot op deze dag niet van ons weggekeerd. 14. En u zult dit boek dat wij u gestuurd hebben in het huis van de Heere openlijk voorlezen, op de feestdag en op de daarvoor bestemde dagen. 15. En zeg dan: Bij de Heere, onze God, is gerechtigheid, maar bij ons is schaamte op het gezicht, zoals het vandaag gaat met de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, 16. met onze koningen, onze leiders, onze priesters, onze profeten en onze voorouders, 17. om de zonden die wij tegenover de Heere begaan hebben. 18. Wij zijn Hem ongehoorzaam geweest en hebben niet geluisterd naar de stem van de Heere, onze God, om te leven naar de geboden van de Heere die Hij ons gegeven had. 19. Vanaf de dag dat de Heere onze voorouders uit Egypte geleid heeft tot op vandaag zijn wij ongehoorzaam geweest aan de Heere, onze God, en wij waren er snel bij om niet naar Zijn stem te luisteren. 20. Daarom kleven ons de ellende en de vloek aan die de Heere door Zijn dienaar Mozes bepaald had op de dag dat Hij onze voorouders uit Egypte leidde om ons een land te geven dat overvloeide van melk en honing, zoals het vandaag is. 21. Wij hebben niet geluisterd naar de stem van de Heere, onze God, naar alle woorden van de profeten die Hij naar ons gestuurd heeft. 22. Maar ieder van ons ging door met de gedachten van zijn slechte hart, om andere goden te offeren en kwaad te doen voor de ogen van de Heere, onze God. ## Baruch 2 — Wij hebben gezondigd 1. De Heere heeft Zijn woord waargemaakt dat Hij gesproken had over ons, over onze rechters die Israël rechtspraken, over onze koningen, over onze leiders en over de mannen van Israël en Juda: 2. dat Hij over ons grote ellende zou brengen, zoals Hij nergens onder de hemel gedaan heeft en zoals Hij met Jeruzalem gedaan heeft, volgens wat geschreven staat in de wet van Mozes, 3. zodat wij het vlees van onze eigen zoon en van onze eigen dochter zouden eten. 4. Hij heeft hen overgegeven om slaven te zijn in alle koninkrijken om ons heen, tot een schande en een verwoesting onder alle volken om ons heen, waaronder de Heere hen verstrooid heeft. 5. Zij kwamen onderaan te staan en niet bovenaan, omdat wij gezondigd hebben tegen de Heere, onze God, en niet naar Zijn stem geluisterd hebben. 6. Bij de Heere, onze God, is de gerechtigheid, maar bij ons en onze voorouders de schaamte op het gezicht, zoals deze dag zelf laat zien. 7. Alles wat de Heere over ons gesproken heeft, dat kwaad is over ons gekomen. 8. En wij hebben het gezicht van de Heere niet gezocht, zodat ieder van ons zich zou afkeren van de gedachten van zijn slechte hart. 9. De Heere was waakzaam in het straffen en heeft dat over ons gebracht, want de Heere is rechtvaardig in alles wat Hij ons geboden heeft. 10. Maar wij luisterden niet naar Zijn stem om te leven naar de geboden van de Heere die Hij ons gegeven had. 11. En nu, Heere, God van Israël, U hebt Uw volk uit Egypte geleid met sterke hand, met tekenen en wonderen, met grote kracht en met opgeheven arm, en U hebt Zich een naam gemaakt, zoals deze dag laat zien. 12. Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest, wij hebben onrecht gedaan, Heere, onze God, tegen al Uw voorschriften. 13. Laat Uw toorn zich van ons afkeren, want wij zijn met weinigen overgebleven onder de volken waarheen U ons verstrooid hebt. 14. Verhoor, Heere, ons gebed en onze smeekbede, en haal ons hieruit om Uzelf, en geef ons genade bij hen die ons weggevoerd hebben, 15. zodat heel de aarde weet dat U de Heere, onze God, bent en dat Israël en zijn nageslacht naar Uw naam genoemd worden. 16. Heere, kijk neer uit Uw heilige huis en denk aan ons. Neig, Heere, Uw oor en hoor. 17. Open Uw ogen, Heere, en zie. Want de doden in het graf, uit wie de geest is weggenomen, zullen de Heere geen eer en gerechtigheid geven, 18. maar de ziel die diep bedroefd is, de geest die gebogen en zwak voortgaat, de ogen die bezwijken en de ziel die honger heeft, die zullen U, Heere, eer en gerechtigheid geven. 19. Want wij storten ons ellendige gebed niet voor U uit op grond van de gerechtigheid van onze voorouders en onze koningen. 20. Want U hebt Uw toorn en woede over ons gebracht, zoals U gesproken hebt door Uw dienaren, de profeten, toen U zei: 21. Dit zegt de Heere: buig je schouder om de koning van Babylonië te dienen, dan zullen jullie blijven wonen in het land dat Ik jullie voorouders gegeven heb. 22. En als jullie niet naar de stem van de Heere luisteren om de koning van Babylonië te dienen, 23. dan zal Ik ervoor zorgen dat uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem de stem van vreugde en blijdschap ophoudt, de stem van bruidegom en bruid, en dat het hele land zonder bewoners komt te liggen. 24. Maar wij hebben niet naar Uw stem geluisterd om de koning van Babylonië te dienen. Daarom hebt U Uw woorden waargemaakt die U gesproken had door Uw dienaren, de profeten: dat de botten van onze koningen en de botten van onze voorouders uit hun graf gehaald zouden worden. 25. Kijk, zij liggen weggegooid in de hitte van de dag en de kou van de nacht. Zij zijn gestorven onder zware ellende, door honger, door het zwaard en door wegvoering. 26. U hebt het huis waarin Uw naam werd aangeroepen gemaakt zoals het vandaag is, om de slechtheid van het huis van Israël en het huis van Juda. 27. U hebt met ons gedaan, Heere, onze God, naar al Uw redelijkheid en al Uw grote barmhartigheid, 28. zoals U gesproken hebt door Uw dienaar Mozes, op de dag dat U hem opdroeg Uw wet op te schrijven voor de Israëlieten, toen U zei: 29. Als jullie niet naar Mijn stem luisteren, dan zal deze grote menigte werkelijk veranderen in een klein groepje onder de volken waarheen Ik hen zal verstrooien. 30. Want Ik weet dat zij niet naar Mij zullen luisteren, omdat het een koppig volk is. 31. Maar zij zullen tot inkeer komen in het land van hun ballingschap, en zij zullen erkennen dat Ik de Heere, hun God, ben. Ik zal hun een hart geven en oren die horen. 32. Zij zullen Mij prijzen in het land van hun ballingschap en aan Mijn naam denken. 33. Zij zullen zich bekeren van hun koppigheid en van hun slechte daden, want zij zullen denken aan de weg van hun voorouders, die gezondigd hebben tegenover de Heere. 34. En Ik zal hen laten terugkeren naar het land dat Ik hun voorouders Abraham, Izak en Jakob gezworen heb. Zij zullen daarover heersen, Ik zal hen talrijk maken en zij zullen niet minder worden. 35. En Ik zal met hen een eeuwig verbond bevestigen: dat Ik hun God zal zijn en zij Mijn volk zullen zijn. En Ik zal Mijn volk Israël niet meer verdrijven uit het land dat Ik hun gegeven heb. ## Baruch 3 — Waar is de wijsheid te vinden? 1. Almachtige Heere, God van Israël, een ziel in nood en een angstige geest roept tot U. 2. Luister, Heere, en wees genadig, want wij hebben tegen U gezondigd. 3. Want U troont in alle eeuwen, en wij vergaan in alle eeuwen. 4. Almachtige Heere, God van Israël, luister toch naar het gebed van de gestorvenen van Israël en van de kinderen die tegen U gezondigd hebben, die niet geluisterd hebben naar de stem van de Heere, hun God. Daarom kleeft deze ellende ons aan. 5. Denk niet aan het onrecht van onze voorouders, maar denk in deze tijd aan Uw hand en aan Uw naam. 6. Want U bent de Heere, onze God, en wij zullen U prijzen, Heere. 7. Want daarom hebt U ontzag voor U in ons hart gelegd, zodat wij Uw naam zouden aanroepen. En wij zullen U prijzen in ons ballingschapsland, en wij hebben ons al het onrecht van onze voorouders aangetrokken, die tegen U gezondigd hebben. 8. Kijk, wij zijn vandaag in ballingschap, waarheen U ons verstrooid hebt, tot spot, tot vloek en tot schuld voor al het onrecht van onze voorouders, die van de Heere, onze God, zijn afgeweken. 9. Luister, Israël, naar de geboden van het leven. Laat ze je ter ore komen, zodat je wijsheid leert kennen. 10. Hoe komt het, Israël, dat je in het land van de vijanden bent? 11. Je bent oud geworden in een vreemd land. Je bent onrein geworden onder de doden. Je wordt gerekend bij wie in het graf liggen. 12. Je hebt de bron van de wijsheid verlaten. 13. Als je de weg van God gegaan was, had je voor altijd in vrede gewoond. 14. Leer waar de wijsheid is, waar de kracht is, waar het inzicht is, zodat je meteen ook weet waar een lang en gelukkig leven is, waar het licht van de ogen is, en vrede. 15. Wie heeft haar plaats gevonden, en wie is haar schatkamers binnengegaan? 16. Waar zijn de leiders van de volken, en zij die heersen over de wilde dieren op aarde, 17. die spelen met de vogels van de hemel, die zilver oppotten als schat, en goud waarop de mensen vertrouwen, en aan hun bezit komt geen eind? 18. Want wie het zilver bewerken en zich er zorgen om maken, van wie het werk niet te doorgronden is: 19. zij zijn verdwenen en in het graf afgedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan. 20. De volgende generaties hebben het licht gezien en op de aarde gewoond, maar de weg van de kennis hebben zij niet gekend. 21. Zij hebben haar paden niet begrepen en haar niet aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven. 22. Zij is niet gehoord in Kanaän en niet gezien in Teman. 23. De nakomelingen van Hagar zoeken wel naar kennis op aarde, en de kooplieden van Merran en Teman, de dichters en andere onderzoekers van kennis, maar de weg van de wijsheid hebben zij niet gekend en aan haar paden hebben zij niet gedacht. 24. Israël, hoe groot is het huis van God, en hoe uitgestrekt de plaats waar Hij woont. 25. Zij is groot en zonder eind, hoog en niet te meten. 26. Daar waren de reuzen, beroemde mannen die er vanaf het begin geweest zijn. Zij waren groot van lichaam en ervaren in de oorlog. 27. Hen heeft de Heere niet uitgekozen en hun heeft Hij de weg van de kennis niet laten begrijpen. 28. Zij zijn omgekomen omdat zij geen kennis hadden; zij zijn omgekomen door hun onbezonnenheid. 29. Wie is naar de hemel opgestegen en heeft haar gepakt en uit de wolken naar beneden gebracht? 30. Wie is over de zee getrokken en heeft haar gevonden en zal haar brengen voor het beste goud? 31. Er is niemand die haar weg kent of haar pad bedenkt. 32. Maar Hij die alles weet, kent haar. Hij heeft haar gevonden door Zijn inzicht, Hij die de aarde voor altijd heeft klaargemaakt en haar gevuld heeft met viervoetige dieren. 33. Hij stuurt het licht en het gaat. Hij roept het, en het gehoorzaamt Hem bevend. 34. De sterren schijnen op hun wachtposten en zijn blij. 35. Hij heeft geroepen en zij hebben gezegd: Wij zijn er. Zij hebben met vreugde geschenen voor Hem die hen gemaakt heeft. 36. Dit is onze God, en geen ander is met Hem te vergelijken. 37. Hij heeft de hele weg van de kennis gevonden en Hij heeft die gegeven aan Jakob, Zijn dienaar, en aan Israël, van wie Hij hield. Daarna is zij op aarde gezien en heeft zij onder de mensen geleefd. ## Baruch 4 — Houd moed, Jeruzalem 1. Deze wijsheid is het boek van de geboden van God, de wet die voor altijd bestaat. Voor allen die zich eraan houden is zij leven, maar wie haar verlaten, zullen sterven. 2. Keer terug, Jakob, en neem haar aan. Ga in de richting van haar licht. 3. Geef je eer niet aan een ander, en wat goed voor je is niet aan een vreemd volk. 4. Gelukkig zijn wij, Israël, want wat God goeddunkt, is ons bekend. 5. Houd moed, mijn volk, jij die de herinnering van Israël draagt. 6. Jullie zijn aan de volken verkocht, maar niet tot ondergang. Omdat jullie God boos gemaakt hebben, zijn jullie aan de vijanden overgegeven. 7. Want jullie hebben Hem die jullie gemaakt heeft tot toorn gebracht, toen jullie aan demonen offerden en niet aan God. 8. Jullie zijn de eeuwige God vergeten die jullie verwekt heeft, en jullie hebben Jeruzalem verdriet gedaan, die jullie gevoed heeft. 9. Want zij heeft de toorn gezien die van God over jullie zou komen, en zij heeft gezegd: Luister, buren van Sion, want God heeft groot leed over mij gebracht. 10. Want ik heb de gevangenschap gezien van mijn zonen en dochters, die de Eeuwige over hen gebracht heeft. 11. Want ik heb hen met vreugde opgevoed, maar ik heb hen weggestuurd met tranen en rouw. 12. Laat niemand blij zijn om mij, die weduwe ben en door velen verlaten. Ik ben een woestijn geworden, om de zonden van mijn kinderen, omdat zij van de wet van God zijn afgeweken. 13. Zij hebben Zijn regels niet gekend, zij zijn de weg van de geboden van God niet gegaan en niet de paden van Zijn rechtvaardige leiding. 14. Kom, buren van Sion, en denk aan de gevangenschap van mijn zonen en dochters, die de Eeuwige over hen gebracht heeft. 15. Want Hij heeft over hen een volk van ver gebracht, een brutaal volk met een andere taal. 16. Want zij hadden geen ontzag voor de oude mens en geen medelijden met het kind, en zij hebben de eenzame vrouw van haar dochters beroofd. 17. En ik? Hoe zou ik jullie kunnen helpen? 18. Maar Hij die dit kwaad over jullie gebracht heeft, zal jullie verlossen uit de hand van jullie vijanden. 19. Ga, kinderen, ga. Ik ben verwoest achtergebleven. 20. Ik heb het kleed van de vrede uitgetrokken en het rouwkleed van mijn smeken aangetrokken. Ik zal mijn leven lang tot de Eeuwige roepen. 21. Houd moed, kinderen, roep tot God, en Hij zal jullie verlossen uit de macht en uit de hand van de vijanden. 22. Want ik heb nu van de Eeuwige jullie verlossing gehoopt, en van de Heilige is mij vreugde toegekomen, om de barmhartigheid die snel naar jullie zal komen van onze eeuwige Redder. 23. Ik heb jullie weggestuurd met rouw en tranen, maar God zal jullie aan mij teruggeven met blijdschap en vreugde, voor altijd. 24. Want zoals de buurvrouwen van Sion nu jullie gevangenschap gezien hebben, zo zullen zij spoedig jullie verlossing zien door onze God, die over jullie zal komen met grote heerlijkheid en met de glans van de Eeuwige. 25. Kinderen, verdraag geduldig de toorn die van God over jullie is gekomen. Want jullie vijand heeft jullie zwaar vervolgd, maar jullie zullen spoedig zijn ondergang zien en jullie zullen op hun nek staan. 26. Mijn tere kinderen zijn over ruwe wegen gegaan. Zij zijn weggerukt als een kudde die door vijanden geroofd is. 27. Houd moed, kinderen, en roep tot God, want Hij die dit over jullie gebracht heeft, zal aan jullie denken. 28. Want zoals jullie erop uit waren om van God af te dwalen, doe zo tienmaal meer je best om terug te keren en Hem te zoeken. 29. Want Hij die dit kwaad over jullie gebracht heeft, zal over jullie een eeuwige vreugde brengen met jullie verlossing. 30. Houd moed, Jeruzalem, want Hij die jou genoemd heeft, zal je troosten. 31. Ongelukkig zijn zij die jou kwaad gedaan hebben en die zich verheugd hebben over jouw val. 32. Ongelukkig zijn de steden waar jouw kinderen slaven waren; ongelukkig de stad die jouw kinderen ontvangen heeft. 33. Want zoals zij zich verheugd heeft over jouw val en vrolijk geweest is over jouw ongeluk, zo zal zij treuren over haar eigen verwoesting. 34. En Ik zal van haar wegnemen de menigte van het volk waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen. 35. Want er zal een vuur van de Eeuwige over haar komen, vele dagen lang, en zij zal lange tijd door demonen bewoond worden. 36. Kijk om je heen, Jeruzalem, naar het oosten, en zie de vreugde die van God naar je toe komt. 37. Kijk, je kinderen die je weggestuurd hebt, komen eraan. Zij komen bijeen van oost tot west, door het woord van de Heilige, en zij verheugen zich over de heerlijkheid van God. ## Baruch 5 — Trek het kleed van je rouw uit 1. Jeruzalem, trek het kleed van je rouw en je verdriet uit, en doe de pracht aan die God je voor altijd geeft. 2. Sla de mantel van de gerechtigheid om die God je gegeven heeft, en zet op je hoofd de tulband van de heerlijkheid van de Eeuwige. 3. Want God zal je pracht laten zien aan elk volk onder de hemel. 4. Want God zal je naam voor altijd noemen: vrede van de gerechtigheid en heerlijkheid, lof van godsvrucht. 5. Sta op, Jeruzalem, ga op de hoogte staan en kijk om je heen naar het oosten. Zie je kinderen bijeen, van west tot oost, door het woord van de Heilige, blij dat God weer aan hen gedacht heeft. 6. Want zij zijn bij je weggegaan, te voet weggeleid door de vijanden, maar God brengt hen bij je terug, gedragen in eer, als kinderen van het koninkrijk. 7. Want God heeft besloten alle hoge bergen en de eeuwige duinen aan de zee laag te maken en alle dalen te vullen tot een vlakke aarde, zodat Israël veilig kan gaan in de heerlijkheid van God. 8. En de bossen en alle geurige bomen zullen Israël schaduw geven, op bevel van God. 9. Want God zal Israël met vreugde uitleiden, door het licht van Zijn heerlijkheid, met barmhartigheid en gerechtigheid die van Hem komen. ## Baruch 6 — De brief van Jeremia over de afgoden 1. Om de zonden waarmee jullie tegen God gezondigd hebben, zullen jullie door Nebukadnezar, de koning van de Babyloniërs, als gevangenen naar Babel weggevoerd worden. 2. Als jullie in Babylonië gekomen zijn, zullen jullie daar vele jaren en lange tijd blijven, tot zeven geslachten toe, maar daarna zal Ik jullie daarvandaan weer in vrede uitleiden. 3. Maar nu zullen jullie in Babylonië op de schouders zilveren, gouden en houten goden zien dragen, die de volken angst aanjagen. 4. Pas dus goed op dat jullie niet op een of andere manier worden als die vreemden en dat er geen angst voor hen over jullie komt. 5. Als jullie zien dat een menigte voor en achter hen loopt en ze aanbidt, zeg dan in jezelf: U moet men aanbidden, Heere. 6. Want Mijn engel is bij jullie, en Hij zal jullie zielen onderzoeken. 7. Want hun tong is door de handwerksman fijn uitgesneden en zij zijn rondom versierd met goud en zilver, maar zij zijn bedrieglijk en kunnen niet spreken. 8. Alsof het om een meisje gaat dat graag mooi is, nemen zij goud en maken kronen voor de hoofden van hun goden. 9. Soms halen de priesters het goud en het zilver van hun goden af en gebruiken het voor zichzelf. 10. Zij geven er ook van aan de hoeren onder hun dak. Zij versieren de zilveren, gouden en houten goden met kleren als waren het mensen. 11. Maar die kunnen zichzelf niet beschermen tegen roest en motten. 12. Wanneer zij een purperen kleed dragen, veegt men hun gezicht af vanwege het stof van het huis, dat dik op hen ligt. 13. Hij houdt een scepter als een mens die rechter van het land is, maar hij kan niemand doden die tegen hem zondigt. 14. Hij heeft ook een zwaard in zijn rechterhand en een bijl, maar hij zal zichzelf niet redden van oorlog en rovers. Daaraan is te zien dat zij geen goden zijn. 15. Wees dus niet bang voor hen. Want zoals een gebarsten pot van een mens nergens toe dient, zo zijn ook hun goden. 16. Als zij in hun huizen zijn neergezet, zitten hun ogen vol stof van de voeten van wie er binnenkomen. 17. En zoals de zalen rondom bewaakt worden voor iemand die zich aan de koning vergrepen heeft en ter dood geleid wordt, zo beveiligen de priesters hun tempels met deuren, sloten en grendels, zodat rovers hen niet beroven. 18. Zij steken lampen voor hen aan, meer dan voor zichzelf, terwijl die goden er niets van kunnen zien. Want zij zijn als een van de balken van het huis. 19. Men zegt dat hun hart wordt aangevreten door de kruipende dieren van de aarde, en wanneer die hen en hun kleren opeten, voelen zij het niet. 20. Hun gezicht is zwart geworden van de rook die uit het huis komt. 21. Op hun lichaam en op hun hoofd vliegen nachtuilen, zwaluwen en andere vogels, en ook de katten lopen erop. 22. Daaraan kunnen jullie weten dat zij geen goden zijn. Wees dus niet bang voor hen. 23. Want als niemand de aanslag afwist van het goud dat om hen heen hangt als versiering, zullen zij niet glanzen. En zij voelden het ook niet toen zij gegoten werden. 24. Zij zijn voor veel geld gekocht, terwijl er geen adem in hen is. 25. Omdat zij geen voeten hebben, draagt men hen op de schouders, en zo laat men de mensen hun oneer zien. 26. Wie hen dienen, staan ook voor schut, want als zij toevallig op de grond vallen, staan zij niet uit zichzelf weer op. Als iemand hen overeind zet, bewegen zij niet, en als men hen neerlegt, richten zij zich niet op. Maar men zet hun gaven voor hen neer als voor doden. 27. Hun priesters verkopen hun offers en verbrassen die. Ook hun vrouwen leggen er iets van in het zout, en zij delen niets uit aan de armen en de zieken. 28. Vrouwen die ongesteld zijn en vrouwen die net bevallen zijn, raken hun offers aan. Zie daaraan dus dat zij geen goden zijn, en wees niet bang voor hen. 29. Want waarom zouden zij goden heten? Omdat vrouwen offers neerzetten voor de zilveren, gouden en houten goden, 30. en omdat de priesters in hun tempels zitten met gescheurde kleren, met kaalgeschoren hoofd en baard en met ongedekt hoofd? 31. Zij brullen en roepen voor hun goden, zoals sommigen doen bij een maaltijd voor een dode. 32. Hun priesters nemen van hun kleren en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen. 33. En of zij nu kwaad of goed van iemand ondervinden, zij kunnen het niet vergelden. Zij kunnen geen koning aanstellen of afzetten. 34. Zo kunnen zij ook geen rijkdom of geld geven. Als iemand hun iets belooft en het niet nakomt, eisen zij het niet op. 35. Zij zullen geen mens van de dood redden en geen zwakke bevrijden van een sterke. 36. Zij zullen een blinde niet weer laten zien en niemand die in nood zit eruit helpen. 37. Zij ontfermen zich niet over de weduwe en doen de wees geen goed. 38. Sommige zijn van hout, sommige verguld en sommige verzilverd, en zij zijn als de stenen die men uit de bergen hakt. Maar wie hen dienen, zullen beschaamd staan. 39. Hoe zal men hen dan voor goden houden of goden noemen? 40. Bovendien onteren de Chaldeeën zichzelf: wanneer zij iemand zien die stom is en niet kan spreken, brengen zij hem bij Bel 41. en vragen zij of hij mag spreken, alsof die god het zou kunnen begrijpen. En hoewel zij het tegendeel merken, kunnen zij het niet laten, want zij hebben geen verstand. 42. De vrouwen, omgord met biezenbanden, zitten langs de wegen om reukwerk van zemelen te offeren. 43. En wanneer een van hen door een voorbijganger wordt meegenomen en met hem slaapt, verwijt zij dat aan haar buurvrouw, dat die het niet waard geacht is zoals zij, en dat haar biezenband niet gebroken is. 44. Alles wat bij hen gebeurt, is leugen. Hoe zal men hen dan voor goden houden of goden noemen? 45. Zij zijn gemaakt door handwerkslieden en goudsmeden, en zij worden niets anders dan wat de makers willen dat zij zijn. 46. En zij die hen gemaakt hebben, leven zelf niet lang. Hoe zouden dan de dingen die zij gemaakt hebben goden zijn? 47. Want zij hebben leugens en schande nagelaten aan hun nakomelingen. 48. Want wanneer er oorlog of ander onheil over hen komt, overleggen de priesters onder elkaar hoe zij zich samen met hun goden kunnen verbergen. 49. Hoe kan men dan niet begrijpen dat het geen goden zijn, als zij zichzelf niet kunnen redden van oorlog of ander onheil? 50. Want omdat zij niet meer zijn dan houten, vergulde en verzilverde goden, zal het later aan alle volken bekend worden dat zij leugens zijn. Alle koningen zal duidelijk worden dat zij geen goden zijn, maar werk van mensenhanden, en dat er geen werk van God in hen is. 51. Waaraan zal men dan weten dat zij geen goden zijn? 52. Want zij kunnen geen koning over het land aanstellen en geen regen aan de mensen geven. 53. Zij spreken geen recht onder hen en beschermen niemand tegen onrecht, want zij zijn machteloos. Zij zijn als kraaien die tussen hemel en aarde zweven. 54. Want ook als er brand uitbreekt in het huis van deze houten, vergulde en verzilverde goden, zullen hun priesters wel kunnen vluchten en ontkomen, maar zij zullen als balken middenin verbranden. 55. Zij bieden geen weerstand aan een koning of aan vijanden. Hoe kan men dan denken of aannemen dat zij goden zijn? 56. De houten, verzilverde en vergulde goden kunnen zichzelf niet beschermen tegen dieven of rovers. 57. Want wie sterker zijn, halen het goud, het zilver en de kleding van hen af en gaan ermee weg, en zij kunnen zichzelf niet helpen. 58. Daarom is een koning die zijn eigen dapperheid toont veel beter, of een pot die in huis van nut is en die de eigenaar gebruikt, dan die versierde goden; of ook een deur in huis die bewaart wat erin is, dan die versierde goden; en een houten zuil in het koninklijk paleis is beter dan die versierde goden. 59. Want de zon, de maan en de sterren, die schijnen wanneer zij uitgestuurd worden voor hun taak, zijn gehoorzaam. 60. Zo is ook de bliksem goed te zien wanneer hij flitst, en zo waait ook de wind in alle landen. 61. En de wolken doen wat hun bevolen is, wanneer God hun opdraagt over heel de wereld te drijven. 62. En het vuur doet wat bevolen is, wanneer het van boven gestuurd wordt om de bergen en de bossen te verteren. Maar deze goden zijn daar niet mee te vergelijken, niet in vorm en niet in kracht. 63. Daarom moet men niet denken of zeggen dat zij goden zijn, want zij zijn niet bij machte mensen te straffen of goed te doen. 64. Als jullie dan weten dat zij geen goden zijn, wees dan niet bang voor hen. 65. Want zij kunnen koningen niet vervloeken en niet zegenen. 66. Zij kunnen ook geen tekenen aan de hemel laten zien onder de volken. Zij kunnen niet schijnen als de zon en niet licht geven als de maan. 67. De wilde dieren zijn beter dan zij, want die kunnen zichzelf helpen door in een hol te vluchten. 68. Op geen enkele manier blijkt ons dus dat zij goden zijn. 69. Want zoals een vogelverschrikker in een komkommerveld niets kan bewaken, zo zijn ook hun houten, vergulde en verzilverde goden. Op dezelfde manier zijn zij als de doornstruik in een tuin, waar allerlei vogels op zitten. 70. Net zo zijn hun houten, vergulde en verzilverde goden als een dode die in het donker is neergegooid. 71. Men kan ook aan het scharlaken en purper dat zij dragen zien dat zij geen goden zijn, want dat rot weg. Zij zullen zelf uiteindelijk door de wormen opgegeten worden en zij zullen een spot worden in het land. 72. Zo is dan de rechtvaardige mens beter af, die geen afgoden heeft, want hij blijft ver van de spot. ## Esther (apocrief) 10 — Mordechai legt zijn droom uit 4. Mordechai zei: Dit is van God gekomen. 5. Want ik denk aan de droom die ik hierover gezien heb, en geen onderdeel daarvan is voorbijgegaan. 6. De kleine bron is een rivier geworden, en er was licht en een zon en veel water. Die rivier is Esther, met wie de koning getrouwd is en die hij koningin gemaakt heeft. 7. De twee draken zijn ik en Haman. 8. En de volken zijn die samengekomen waren om de naam van de Joden uit te wissen. 9. Mijn volk is het volk van Israël, dat tot God riep en gered werd. De Heere heeft Zijn volk behouden en verlost uit al deze rampen, en God heeft grote tekenen en wonderen gedaan, zoals er onder de volken niet gebeurd zijn. 10. Daarom heeft Hij twee loten gemaakt: één voor het volk van God en één voor alle volken. 11. En deze twee loten zijn voor God gekomen op het uur, de tijd en de dag van het oordeel, dat over alle volken is vastgesteld. 12. God heeft aan Zijn volk gedacht en Zijn erfdeel recht gedaan. 13. Daarom zullen deze dagen voor hen feestdagen zijn, in de maand Adar, op de veertiende dag van die maand, met samenkomst, vreugde en blijdschap voor God, door elk geslacht, voor altijd, onder Zijn volk. ## Esther (apocrief) 11 — De droom van Mordechai 1. In het vierde jaar van de regering van Ptolemeüs en Cleopatra brachten Dositheüs, die zei dat hij priester en Leviet was, en zijn zoon Ptolemeüs deze brief over het Purimfeest mee. Zij zeiden dat hij echt was en dat Lysimachus, de zoon van Ptolemeüs, hem in Jeruzalem vertaald had. 2. In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de Grote, op de eerste dag van de maand Nisan, had Mordechai een droom, de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, uit de stam Benjamin. Hij was een Joodse man die in de stad Susan woonde, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning. 3. Hij was een van de ballingen die koning Nebukadnezar uit Jeruzalem naar Babel had weggevoerd, samen met Jechonia, de koning van Juda. En dit was zijn droom: 4. Kijk, er was een geluid van rumoer en donderslagen, aardbeving en onrust op de aarde. En kijk, er kwamen twee grote draken tevoorschijn, allebei klaar om te vechten, en hun gebrul werd luid. 5. Door hun gebrul maakten alle volken zich klaar voor oorlog, om te strijden tegen het volk van de rechtvaardigen. 6. En kijk, het was een dag van duisternis en donkerheid, van verdrukking en benauwdheid; er was grote jammer en onrust op de aarde. 7. Heel het rechtvaardige volk raakte in verwarring, bang voor hun ondergang, en zij maakten zich klaar om te sterven. 8. Zij riepen luid tot God, en uit hun geroep kwam, als uit een kleine bron, een grote rivier met veel water voort. 9. Het licht en de zon gingen op, de nederigen werden verhoogd en zij verslonden de aanzienlijken. 10. Mordechai, die deze droom gezien had, werd wakker en dacht na over wat God wilde doen. Hij bewaarde die droom in zijn hart en wilde hem op alle manieren begrijpen, tot die nacht toe. ## Esther (apocrief) 12 — Mordechai ontdekt een samenzwering 1. Mordechai rustte op het hof samen met Gabatha en Tharra, de twee kamerdienaars van de koning die het hof bewaakten. 2. Hij hoorde hun gesprek, lette op hun zorgen en kwam erachter dat zij van plan waren de hand te slaan aan koning Artaxerxes. Hij waarschuwde de koning voor hen. 3. De koning liet zijn twee kamerdienaars ondervragen, en toen zij bekend hadden, werden zij opgehangen. 4. De koning schreef dit op in zijn kroniek, en ook Mordechai schreef hierover. 5. De koning gaf opdracht dat Mordechai aan zijn hof zou dienen, en hij gaf hem daarvoor geschenken. 6. Haman, de zoon van Ammedatha uit Buga, stond in aanzien bij de koning, en hij zocht Mordechai en zijn volk kwaad te doen, om die twee kamerdienaars. ## Esther (apocrief) 13 — De brief van Haman en het gebed van Mordechai 1. De grote koning Artaxerxes schrijft dit van India tot aan Ethiopië aan de bestuurders van de honderdzevenentwintig provincies en aan de landvoogden die onder hen staan: 2. Hoewel ik over veel volken heers en heel de aarde onder mijn macht heb, heb ik mij niet op mijn macht willen laten voorstaan. Ik heb altijd bescheiden en vriendelijk geregeerd, mijn onderdanen een rustig leven willen geven, mijn koninkrijk vreedzaam willen houden, het reizen tot aan de uiterste grenzen veilig willen maken en zo de vrede willen herstellen waar alle mensen naar verlangen. 3. Toen ik mijn raadgevers vroeg hoe dat tot een goed einde gebracht kon worden, heeft Haman, die bij ons uitblinkt in verstand, die bewezen heeft onveranderlijk welwillend en standvastig trouw te zijn en die de tweede ereplaats in ons koninkrijk heeft gekregen, ons erop gewezen 4. dat er onder alle volken op de aarde één vijandig volk verspreid leeft, dat in zijn wetten tegen alle volken ingaat, de bevelen van de koningen voortdurend veracht, zodat ons onberispelijke bestuur niet kan worden uitgevoerd. 5. Omdat wij dan vernomen hebben hoe dit ene volk altijd overhoop ligt met alle andere mensen, zijn gewoonten verandert door een vreemde invoering van wetten, en hoe het als vijand van onze zaak heel slechte dingen doet, zodat ons koninkrijk niet tot bloei komt, 6. bevelen wij dat degenen die worden aangewezen in de brieven van Haman, die over onze zaken gaat en voor ons een tweede vader is, allemaal samen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe worden omgebracht door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en zonder uitzondering, en wel op de veertiende dag van de twaalfde maand Adar van dit jaar. 7. Zo zullen zij die vroeger vijandig gezind waren en dat nog steeds zijn, op één dag met geweld in het graf komen, en laten zij onze zaken voor de toekomst in volmaakte rust en welstand achter. 8. Maar Mordechai bad tot de Heere, terwijl hij dacht aan alle werken van de Heere, en hij zei: Heere, Heere, almachtige Koning, want alles is in Uw macht. 9. Er is niemand die U kan weerstaan, wanneer U Israël wilt verlossen. 10. U hebt de hemel en de aarde geschapen en alles wat wonderlijk is onder de hemel. 11. U bent Heere over alles, en niemand kan U, die Heere bent, weerstaan. 12. U kent alles. U weet, Heere, dat ik niet uit kwaadaardigheid, niet uit hoogmoed en niet uit eerzucht geweigerd heb de hoogmoedige Haman te aanbidden. 13. Want ik zou bereid geweest zijn zelfs zijn voetzolen te kussen, als dat Israël zou redden. 14. Maar ik heb dit gedaan om de eer van een mens niet boven de eer van God te stellen. 15. En ik zal niemand aanbidden dan U, die mijn Heere bent, en ik doe dat niet uit hoogmoed. 16. En nu, Heere God, Koning en God van Abraham, spaar Uw volk, want zij hebben het op ons gemunt om ons te vernietigen, en zij willen Uw erfdeel uitroeien, dat U vanaf het begin hebt uitgekozen. 17. Veracht Uw eigendom niet, dat U voor Uzelf uit Egypte hebt verlost. 18. Verhoor mijn gebed, wees Uw erfdeel genadig en keer ons rouwen om in vreugde, zodat wij leven en Uw naam prijzen, Heere. Sluit de mond niet van wie U loven. 19. En heel Israël riep uit alle macht, want hun dood stond hun voor ogen. ## Esther (apocrief) 14 — Het gebed van Esther 1. Ook koningin Esther nam haar toevlucht tot de Heere, want zij was in doodsangst. 2. Zij legde haar prachtige kleren af en trok kleren van nood en rouw aan. In plaats van dure, geurige zalven deed zij as en vuil op haar hoofd, en zij vernederde haar lichaam diep. Alle plekken waar zij zich vroeger mooi maakte en vrolijk was, bedekte zij met haar uitgetrokken haar. 3. En zij bad tot de Heere, de God van Israël, en zei: 4. Heere, U bent alleen onze Koning. Help mij, die nu alleen ben en geen helper heb dan U, en mijn gevaar staat voor de deur. 5. Ik heb van jongs af in mijn familie gehoord dat U Israël uit alle volken hebt uitgekozen en onze voorouders uit al hun voorgangers, als een eeuwig erfdeel, en dat U alles gehouden hebt wat U hun beloofd had. 6. Nu hebben wij tegen U gezondigd, en U hebt ons overgegeven in de handen van onze vijanden, omdat wij hun goden vereerd hadden. 7. U bent rechtvaardig, Heere. En nu zijn zij er niet tevreden mee dat zij ons in bittere slavernij houden, 8. maar zij hebben zich met een handslag verbonden aan hun afgoden, 9. om het besluit van Uw mond ongedaan te maken, Uw erfdeel uit te roeien, de mond te sluiten van wie U loven, en de eer van Uw huis en van Uw altaar uit te blussen, 10. en om de mond van de volken te openen tot lof van nietige afgoden en om een sterfelijke koning voor altijd te roemen. 11. Geef, Heere, Uw scepter niet over aan wie niets zijn, en laat hen niet lachen om onze val. Keer hun plan tegen henzelf en zet hem te kijk die dit tegen ons bedacht heeft. 12. Denk aan ons, Heere, en maak Uzelf bekend in de tijd van onze nood. Maak mij sterk, Koning van alle volken en heerser over alle vorsten. 13. Geef mij de juiste woorden in mijn mond om te spreken tegenover de leeuw, en keer zijn hart tot haat tegen hem die ons bestrijdt, zodat hij verdwijnt en wie het met hem eens zijn. 14. Verlos ons door Uw hand en help mij, die alleen ben en niemand heb dan U, Heere. 15. U weet alles en U weet dat ik de eer van goddelozen haat, dat ik een afkeer heb van het bed van onbesnedenen en van alle vreemden. 16. U weet dat ik het moet doen en dat ik een afkeer heb van het teken van mijn hoge stand dat op mijn hoofd staat op de dagen dat ik mij moet laten zien. Ik heb er een afkeer van als van een onreine doek, en ik draag het niet wanneer ik alleen ben. 17. Uw dienares heeft ook niet gegeten aan de tafel van Haman, geen eer gegeven aan het feest van de koning en niet gedronken van de offerwijn. 18. Uw dienares heeft geen vreugde gehad vanaf de dag dat ik hierheen gebracht ben tot nu toe, behalve in U, Heere, God van Abraham. 19. Verhoor de stem van wie verlaten zijn, sterke God boven allen. Verlos ons uit de hand van wie kwaad doen, en verlos mij uit mijn angst. ## Esther (apocrief) 15 — Esther voor de koning 1. Op de derde dag hield zij op met bidden. Zij legde haar rouwkleren af en trok haar prachtige kleren aan. 2. Toen zij zich heel mooi had opgemaakt, riep zij de Redder aan, die alles ziet, en zij nam haar twee dienstmeisjes mee. 3. Op de een leunde zij, alsof zij zich heel deftig hield, 4. en de ander volgde haar en droeg de sleep van haar kleed. 5. Zij bloosde in de jeugd van haar schoonheid en haar gezicht stond vrolijk en vriendelijk, maar haar hart was benauwd van angst. 6. Toen zij alle deuren door was, bleef zij staan voor de koning. Hij zat op zijn koninklijke troon, gekleed in al zijn prachtige kleding, helemaal in goud en kostbare stenen, en hij was heel ontzagwekkend. 7. Hij hief zijn gezicht op, dat schitterde van pracht, en keek haar met hevige woede aan. De koningin zakte ineen, haar kleur veranderde, zij viel flauw en zonk neer op het hoofd van het dienstmeisje dat voor haar liep. 8. En God keerde het hart van de koning om tot goedheid. Hij schrok, sprong van zijn troon, sloeg zijn armen om haar heen tot zij bijkwam, en troostte haar met woorden van vrede. Hij zei tegen haar: Wat is er, Esther? Ik ben je broer. Houd moed, je zult niet sterven, want dit gebod geldt alleen voor anderen, niet voor ons. 9. Kom hier. En hij hief zijn gouden scepter op en legde die op haar hals. 10. Hij omhelsde haar en zei: Spreek tegen mij. 11. En zij zei tegen hem: Ik zag u aan, heer, als een engel van God, en mijn hart raakte in verwarring van ontzag voor uw majesteit. 12. Want u bent wonderlijk, heer, en uw gezicht is vol genade. 13. Terwijl zij dat zei, viel zij opnieuw flauw. 14. De koning raakte in verwarring, en al zijn dienaren stelden haar gerust. ## Esther (apocrief) 16 — De tweede brief van de koning 1. De grote koning Artaxerxes groet de honderdzevenentwintig vorsten die aangesteld zijn over de provincies van India tot Ethiopië, en allen die daar onze zaken behartigen. 2. Velen die door de grote goedheid van hun weldoeners vaak geëerd zijn, zijn daardoor hoogmoedig geworden. 3. Zij proberen niet alleen onze onderdanen kwaad te doen, maar zij kunnen hun voorspoed niet dragen en leggen zelfs hun eigen weldoeners een val. 4. Zij nemen niet alleen de dankbaarheid weg bij de mensen, maar door de pracht van ongewone rijkdom verheffen zij zich en denken zij te ontkomen aan de wraak van God, die het kwaad haat en altijd alles doorziet. 5. Vaak gebeurt het ook dat velen die macht gekregen hebben en aan wie de zaken van hun vrienden zijn toevertrouwd, hen door hun raad tot medeplichtigen willen maken aan het vergieten van onschuldig bloed, en zo zichzelf in onherstelbare ellende brengen. 6. Want door hun slechte, leugenachtige aard bedriegen zij met valse praatjes de eerlijke welwillendheid van hun heren. 7. Dat is niet zozeer te zien uit de oude geschiedenissen die wij hebben verteld, maar vooral uit wat ons voor ogen staat, als u onderzoekt wat er aan onrecht gedaan is door de valse streken van mensen die hun macht misbruikt hebben. 8. Daarom moeten wij voor de toekomst zorgen dat wij ons koninkrijk voor alle mensen rustig en vreedzaam besturen, 9. door veranderingen door te voeren en de zaken die ons voorgelegd worden eerlijk en op zichzelf te beoordelen. 10. Want Haman, de zoon van Ammedatha, een Macedoniër, die werkelijk geen Perzisch bloed heeft en heel anders is dan wij in onze goedheid, werd bij ons als gast ontvangen. Hij heeft de vriendelijkheid die wij alle volken bewijzen in zo grote mate ervaren dat wij hem zelfs onze vader noemden, 11. dat hij door allen werd vereerd en dat wij hem de tweede man van ons koninkrijk lieten blijven. 12. Maar hij heeft die hoogmoed niet kunnen dragen en hij nam zich voor ons van ons rijk en ons leven te beroven. 13. Hij wilde Mordechai, die ons altijd beschermd heeft en goed gedaan, en Esther, de onberispelijke gezellin van ons koninkrijk, met heel haar volk door veel bedrieglijke listen ten val brengen. 14. Want zo dacht hij ons, als wij eenmaal ontbloot waren, aan te vallen en het rijk van de Perzen aan de Macedoniërs te geven. 15. Maar wij stellen vast dat de Joden, die deze schurk had overgegeven om uitgeroeid te worden, geen misdadigers zijn, maar dat zij geregeerd worden door heel rechtvaardige wetten, 16. en dat zij kinderen zijn van de hoogste, grootste en levende God, die dit koninkrijk voor ons en onze voorouders in zo'n prachtige staat gebracht heeft. 17. U doet er dus goed aan de brieven die door Haman, de zoon van Ammedatha, gestuurd zijn, niet uit te voeren. 18. Want hij die dit veroorzaakt heeft, is bij de poorten van Susan met heel zijn huis gekruisigd, en hij heeft heel snel het oordeel gekregen dat hij verdiende, van God, die alles regeert. 19. U zult een afschrift van deze brief op alle plaatsen ophangen, en u zult de Joden toestaan hun eigen wetten vrij te volgen. 20. U zult hen samen helpen, zodat zij zich kunnen wreken op wie hen in de tijd van de verdrukking zullen overvallen, en wel op de dertiende dag van de twaalfde maand, die Adar heet, op diezelfde dag. 21. Want hun God, die over allen heerst, heeft deze vreugde gebracht in plaats van de ondergang van het uitverkoren volk. 22. Viert u dan, naast uw andere bekende feesten, ook deze heerlijke dag met alle vrolijkheid, 23. zodat het ons nu en later goed gaat, en ook de Perzen die ons goed gezind zijn; maar voor wie ons een val leggen, zij het een teken van ondergang. 24. Maar elke stad of elk land dat zich hier niet aan houdt, zal door zwaard en vuur volledig vernietigd worden, zonder genade. Het zal niet alleen voor mensen ontoegankelijk worden gemaakt, maar ook voor wilde dieren en vogels voor altijd vijandig gebied zijn. ## Gebed van Azaria 1 — Het gebed van Azaria in de oven 24. Zij liepen midden in de vlam, zongen voor God en prezen de Heere. 25. Azaria stond op en bad. Midden in het vuur deed hij zijn mond open en zei: 26. Geprezen bent U, Heere, God van onze voorouders. Uw naam zij geprezen en verheerlijkt tot in eeuwigheid. 27. Want U bent rechtvaardig in alles wat U ons gedaan hebt. Al Uw werken zijn waar, Uw wegen zijn recht en al Uw oordelen zijn waarheid. 28. U hebt ware oordelen geveld in alles wat U over ons gebracht hebt en over Jeruzalem, de heilige stad van onze voorouders. Want U hebt dit in waarheid en in recht over ons gebracht, om onze zonden. 29. Omdat wij gezondigd hebben en goddeloos gehandeld toen wij van U afweken, en wij ons in alles vergrepen hebben. 30. Wij hebben niet naar Uw geboden geluisterd en ze niet gehouden. Wij hebben niet gedaan wat U ons opgedragen had, zodat het ons goed zou gaan. 31. En alles wat U over ons gebracht hebt en alles wat U ons gedaan hebt, dat hebt U in een waar oordeel gedaan. 32. U hebt ons overgegeven in de handen van goddeloze vijanden en van de meest vijandige afvalligen, en aan een onrechtvaardige koning, de slechtste van heel de wereld. 33. En nu durven wij onze mond niet open te doen. Wij zijn een schande en een spot geworden voor Uw dienaren en voor allen die U dienen. 34. Maar geef ons niet helemaal over, om Uw naam, en verwerp Uw verbond niet. 35. Neem Uw barmhartigheid niet van ons weg, om Abraham, van wie U houdt, en om Izak, Uw dienaar, en om Israël, Uw heilige, 36. tegen wie U gezegd hebt dat U hun nageslacht talrijk zou maken als de sterren aan de hemel en als het zand aan de oever van de zee. 37. Want, Heere, wij zijn kleiner geworden dan alle volken, en wij zijn vandaag vernederd op heel de aarde, om onze zonden. 38. En wij hebben op dit moment geen vorst, geen profeet, geen leider, geen brandoffer, geen slachtoffer, geen graanoffer en geen reukoffer, 39. en geen plaats om van onze opbrengst aan U te offeren en genade te vinden. 40. Maar neem ons aan met een gebroken hart en een verootmoedigde geest. Laat dit vandaag ons offer voor U zijn, als een brandoffer van rammen en stieren en van vele duizenden vette schapen, en laat het volmaakt zijn bij U. Want wie op U vertrouwen, zullen niet beschaamd staan. 41. En nu volgen wij U met heel ons hart, wij hebben ontzag voor U en wij zoeken Uw gezicht. 42. Laat ons daarom niet beschaamd staan, maar doe met ons naar Uw trouw en naar Uw grote barmhartigheid. 43. Verlos ons hieruit naar Uw wonderen, en geef, Heere, eer aan Uw naam. 44. Laat beschaamd worden allen die Uw dienaren kwaad doen. Laat hen te schande staan tegenover alle macht en laat hun kracht gebroken worden. 45. Laat hen merken dat U de Heere bent, de enige God, die heerlijk is op heel de aarde. 46. De dienaren van de koning die hen in de oven geworpen hadden, bleven de oven stoken met zwavel, pek, werk en rijshout. 47. De vlam sloeg negenenveertig el boven de oven uit. 48. Zij sloeg verder en verbrandde de Chaldeeën die zij rondom de oven vond. 49. En de engel van de Heere daalde neer bij Azaria en zijn vrienden in de oven. 50. Hij duwde de vlam van het vuur de oven uit en maakte het midden van de oven alsof er een windje van dauw ruiste. Het vuur raakte hen helemaal niet en deed hun geen pijn en geen last aan. ## Gezang in de vuuroven 1 — Het lied in de vuuroven 51. Toen zongen de drie als uit één mond, en zij prezen God in de oven en zeiden: 52. Geprezen bent U, Heere, God van onze voorouders, die geprezen en hoog geroemd moet worden tot in eeuwigheid. Geprezen is Uw heerlijke naam, die heilig is en hoog geprezen en geroemd moet worden tot in eeuwigheid. 53. Geprezen bent U in de tempel van Uw heilige heerlijkheid, en hoog geprezen en verheerlijkt bent U tot in eeuwigheid. 54. Geprezen bent U, die op de cherubs zit en in de diepten kijkt, en hoog geprezen en geroemd bent U tot in eeuwigheid. 55. Geprezen bent U op de troon van de heerlijkheid van Uw koninkrijk, en hoog geprezen en verheerlijkt bent U tot in eeuwigheid. 56. Geprezen bent U in het gewelf van de hemel, en hoog geprezen en verheerlijkt tot in eeuwigheid. 57. Alle werken van de Heere, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 58. Engelen van de Heere, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 59. Hemel, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 60. Al het water boven de hemel, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 61. Prijs de Heere, alle legers van de Heere, roem Hem en verhef Hem. 62. Prijs de Heere, zon en maan, roem Hem en verhef Hem. 63. Prijs de Heere, sterren aan de hemel, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 64. Alle regen en dauw, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 65. Alle winden, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 66. Vuur en hitte, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 67. Kou en warmte, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 68. Dauw en rijp, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 69. Nachten en dagen, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 70. Licht en donker, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 71. Vorst en kou, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 72. IJs en sneeuw, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 73. Bliksem en wolken, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 74. Laat de aarde de Heere prijzen, Hem roemen en verheffen tot in eeuwigheid. 75. Bergen en heuvels, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 76. Alles wat op de aarde groeit, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 77. Bronnen, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 78. Zeeën en rivieren, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 79. Zeemonsters en alles wat in het water beweegt, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 80. Alle vogels van de hemel, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 81. Alle wilde dieren en al het vee, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 82. Mensenkinderen, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 83. Israël, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 84. Priesters van de Heere, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 85. Dienaren van de Heere, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 86. Geesten en zielen van de rechtvaardigen, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 87. Wie heilig en nederig van hart zijn, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. 88. Ananias, Azaria en Misaël, prijs de Heere, roem Hem en verhef Hem tot in eeuwigheid. Want Hij heeft ons uit het dodenrijk getrokken, ons verlost uit de hand van de dood, ons behouden midden uit de brandende vlam van de oven en ons behouden midden uit het vuur. 89. Dank de Heere, want Hij is goed, want Zijn barmhartigheid duurt tot in eeuwigheid. 90. Allen die ontzag hebben voor de Heere, prijs de God van de goden, roem Hem en dank Hem, want Zijn barmhartigheid duurt tot in alle eeuwigheid. ## Susanna 1 — Susanna en de twee rechters 1. Er woonde in Babel een man die Jojakim heette. 2. Hij trouwde met een vrouw die Susanna heette, een dochter van Chelkias. Zij was heel mooi en had ontzag voor de Heere. 3. Want haar ouders waren rechtvaardig en hadden hun dochter onderwezen volgens de wet van Mozes. 4. Jojakim was heel rijk. Hij had een tuin naast zijn huis, en de Joden kwamen bij hem samen, omdat hij de aanzienlijkste van hen allen was. 5. In datzelfde jaar werden twee oudsten uit het volk als rechters aangesteld. Over hen had de Heere gezegd dat er onrecht was uitgegaan van Babel, van oudsten en rechters die het volk leken te leiden. 6. Zij waren voortdurend in het huis van Jojakim, en iedereen die een rechtszaak had, kwam bij hen. 7. Als het volk 's middags vertrokken was, ging Susanna wandelen in de tuin van haar man. 8. De twee oudsten zagen haar elke dag de tuin in gaan en wandelen, en zij ontbrandden in begeerte naar haar. 9. Zij verdraaiden hun eigen verstand en wendden hun ogen af, zodat zij niet naar de hemel keken en niet aan rechtvaardige oordelen dachten. 10. Zij waren allebei op haar ontbrand, maar zij vertelden elkaar hun pijn niet, 11. omdat zij zich schaamden om hun begeerte te vertellen en dat zij met haar wilden slapen. 12. Elke dag loerden zij op de kans om haar te zien. 13. Zij zeiden tegen elkaar: Kom, laten wij naar huis gaan, want het is etenstijd. 14. Zij gingen naar buiten en namen afscheid, maar zij keerden om en kwamen op hetzelfde moment weer samen. Toen zij elkaar naar de reden vroegen, bekenden zij elkaar hun begeerte. Toen spraken zij samen een geschikt moment af waarop zij haar alleen zouden kunnen treffen. 15. Toen zij een goede dag hadden uitgekozen, kwam Susanna zoals zij dagelijks gewend was, alleen met twee dienstmeisjes, en zij wilde zich in de tuin wassen, want het was erg warm. 16. Er was daar niemand behalve de twee oudsten, die zich verstopt hadden en op haar loerden. 17. Zij zei tegen haar dienstmeisjes: Haal zalf en zeep voor mij en sluit de deuren van de tuin, zodat ik mij kan wassen. 18. Zij deden wat zij zei. Zij sloten de deuren van de tuin en gingen door een zijdeur naar buiten om te halen wat haar opgedragen was. Zij zagen de oudsten niet, omdat die zich verstopt hadden. 19. Toen de dienstmeisjes weg waren, stonden de twee oudsten op, liepen naar haar toe en zeiden: 20. Kijk, de deuren van de tuin zijn dicht en niemand ziet ons, en wij branden van verlangen naar je. Doe daarom wat wij willen en slaap met ons. 21. Maar als je dat niet doet, zullen wij tegen je getuigen dat er een jongeman bij je was en dat je daarom je dienstmeisjes hebt weggestuurd. 22. Susanna zuchtte diep en zei: Ik zit van alle kanten klem. Want als ik dat doe, ben ik des doods; en als ik het niet doe, ontkom ik niet aan jullie handen. 23. Maar het is beter voor mij om het niet te doen en in jullie handen te vallen, dan te zondigen tegen de Heere. 24. En Susanna riep met luide stem, en de twee oudsten schreeuwden tegen haar in. 25. Een van hen rende weg en deed de deuren van de tuin open. 26. Toen de mensen van het huis het geschreeuw in de tuin hoorden, renden zij door de zijdeur naar binnen om te zien wat haar overkomen was. 27. Toen de oudsten hun verhaal deden, schaamden de knechten zich diep, want zoiets was nooit eerder over Susanna gezegd. 28. De volgende dag kwam het volk bijeen in het huis van haar man Jojakim, en ook de twee oudsten kwamen, vol kwade plannen tegen Susanna om haar te laten doden. 29. Zij zeiden tegen het volk: Laat Susanna halen, de dochter van Chelkias, de vrouw van Jojakim. En zij lieten haar halen. 30. Zij kwam met haar ouders, haar kinderen en heel haar familie. 31. Susanna was heel fijn en mooi van gezicht. 32. Daarom gaven die schurken bevel dat zij haar gezicht moest ontbloten, want zij was gesluierd, zodat zij zich aan haar schoonheid konden verzadigen. 33. Wie bij haar waren en allen die haar zagen, huilden. 34. De twee oudsten stonden op midden in het volk en legden hun handen op haar hoofd. 35. Maar zij huilde en keek omhoog naar de hemel, want haar hart vertrouwde op de Heere. 36. De oudsten zeiden: Toen wij alleen in de tuin wandelden, kwam zij binnen met twee dienstmeisjes, deed de deuren van de tuin dicht en stuurde de meisjes weg. 37. Er kwam een jongeman naar haar toe, die zich verstopt had, en hij ging bij haar liggen. 38. Maar wij waren in de hoek van de tuin, en toen wij die schande zagen, renden wij naar haar toe. 39. Wij zagen hen bij elkaar, maar wij konden die jongeman niet vastgrijpen, omdat hij sterker was dan wij. Hij deed de deuren open en sprong naar buiten. 40. Maar haar grepen wij vast en wij vroegen haar wie die jongeman was, en zij wilde het ons niet zeggen. Dit getuigen wij. 41. De vergadering geloofde hen, omdat zij oudsten en rechters van het volk waren, en zij veroordeelden haar ter dood. 42. Maar Susanna riep met luide stem: Eeuwige God, U die de verborgen dingen kent en alles weet voordat het gebeurt, 43. U weet dat zij leugens tegen mij getuigen. En kijk, ik moet sterven, terwijl ik niets gedaan heb van wat zij vals tegen mij getuigen. 44. En God hoorde haar stem. 45. Toen men haar wegvoerde om te sterven, wekte God de heilige geest op van een jongeman die Daniël heette. 46. Hij riep met luide stem: Ik ben vrij van dit bloed. 47. Heel het volk draaide zich naar hem om en zei: Wat zijn dat voor woorden die jij gesproken hebt? 48. Maar hij ging midden tussen hen staan en zei: Zijn jullie zo dwaas, Israëlieten, dat jullie een dochter van Israël veroordelen voordat jullie de zaak onderzocht hebben en de waarheid kennen? 49. Ga terug naar de rechtszitting, want zij hebben vals tegen haar getuigd. 50. Heel het volk keerde haastig terug, en de oudsten zeiden tegen hem: Kom hier en ga in ons midden zitten en leg het ons uit, want God heeft jou het rechtersambt gegeven. 51. Daniël zei tegen hen: Zet die twee ver uit elkaar, dan zal ik hen ondervragen. 52. Toen de een van de ander gescheiden was, riep hij er een bij zich en zei tegen hem: Jij bent oud geworden in slechte dagen. Nu komen je zonden over je die je vroeger gedaan hebt, 53. toen je onrechtvaardige vonnissen velde, de onschuldige veroordeelde en de schuldige liet gaan, terwijl de Heere zegt: je zult de onschuldige en de rechtvaardige niet doden. 54. Vooruit dan, als je hen gezien hebt, zeg dan onder welke boom je hen bij elkaar hebt zien zijn. En hij zei: Onder een mastiekboom. 55. Toen zei Daniël: Heel goed. Je hebt tegen je eigen hoofd gelogen, want de engel van de Heere zal nu bevel van God krijgen en je middendoor klieven. 56. Toen hij hem had laten weggaan, gaf hij bevel de ander voor te brengen, en hij zei tegen hem: Jij nakomeling van Kanaän en niet van Juda, de schoonheid heeft je bedrogen en de begeerte heeft je hart verdraaid. 57. Zo hebben jullie het met de dochters van Israël gedaan, en die gingen uit angst met jullie mee. Maar deze dochter van Juda heeft jullie slechtheid niet verdragen. 58. Zeg mij nu: onder welke boom heb je hen betrapt terwijl zij bij elkaar waren? En hij zei: Onder een eik. 59. Toen zei Daniël tegen hem: Heel goed. Ook jij hebt tegen je eigen hoofd gelogen, want de engel van God, die het zwaard heeft, staat klaar om je middendoor te houwen en jullie uit te roeien. 60. En heel de vergadering riep met luide stem en zij prezen God, die een Redder is van wie op Hem hopen. 61. Zij kwamen in opstand tegen de twee oudsten, omdat Daniël hen uit hun eigen mond van vals getuigenis had ontmaskerd. 62. Zij deden met hen naar de wet van Mozes, zoals zij hun naaste kwaad hadden willen doen, en zij doodden hen. Zo werd die dag onschuldig bloed gered. 63. Chelkias en zijn vrouw prezen God om hun dochter Susanna, samen met haar man Jojakim en heel haar familie, omdat er niets oneerlijks bij haar was gevonden. 64. En Daniël werd groot voor het volk, vanaf die dag en daarna. ## Bel en de draak 1 — Bel en de draak 1. Koning Astyages werd bij zijn voorouders gevoegd, en Cyrus uit Perzië nam zijn koninkrijk over. Daniël was altijd bij de koning en stond in hoger aanzien dan alle vrienden van de koning. 2. De Babyloniërs hadden een afgod die Bel heette. Aan hem werd elke dag besteed: twaalf schepel meel, veertig schapen en zes kruiken wijn. 3. De koning vereerde hem en ging elke dag naar hem toe om hem te aanbidden, maar Daniël aanbad God. De koning zei tegen hem: Waarom aanbid jij Bel niet? 4. Hij zei: Omdat ik geen afgoden aanbid die met handen gemaakt zijn, maar de levende God, die de hemel en de aarde geschapen heeft en die heerst over alles wat leeft. 5. De koning zei tegen hem: Vind je dan niet dat Bel een levende god is? Zie je niet hoeveel hij elke dag eet? 6. Maar Daniël lachte en zei: Laat u niet misleiden, koning. Deze Bel is vanbinnen leem en vanbuiten brons, en hij heeft nooit gegeten of gedronken. 7. De koning werd boos, liet zijn priesters roepen en zei tegen hen: Als jullie mij niet zeggen wie dit eten opeet, zullen jullie sterven. 8. Maar als jullie bewijzen dat Bel dit opeet, dan zal Daniël sterven, want hij heeft over Bel gelasterd. En Daniël zei tegen de koning: Laat het gaan zoals u zegt. 9. De priesters van Bel waren met zeventig, hun vrouwen en kinderen niet meegerekend. De koning ging met Daniël het huis van Bel binnen. 10. De priesters zeiden: Kijk, wij gaan naar buiten. Zet u zelf het eten neer, heer koning, schenk de wijn in en zet die neer, doe de deur op slot en verzegel die met uw ring. 11. Kom morgenvroeg terug. Als u niet vindt dat Bel alles opgegeten heeft, zullen wij sterven; anders sterft Daniël, die over ons gelogen heeft. 12. Zij maakten zich er niet druk om, want zij hadden onder de tafel een geheime toegang gemaakt, en daardoor gingen zij altijd naar binnen om het op te eten. 13. Toen zij naar buiten waren gegaan, zette de koning het eten voor Bel neer. Daniël droeg zijn dienaren op as te halen, en hij bestrooide de hele tempel waar de koning bij was. Zij gingen naar buiten, deden de deur op slot, verzegelden die met de ring van de koning en gingen weg. 14. Die nacht kwamen de priesters zoals altijd, met hun vrouwen en kinderen. Zij aten alles op en gingen weer weg. 15. De koning stond 's morgens heel vroeg op, en Daniël met hem. 16. De koning zei: Daniël, zijn de zegels nog heel? En hij zei: Ja, heer koning, ze zijn heel. 17. Zodra de koning de deuren had opengedaan en op de tafel keek, riep hij met luide stem: Bel, u bent groot, en bij u is geen bedrog. 18. Maar Daniël lachte en hield de koning tegen, zodat hij niet naar binnen ging, en hij zei: Kijk naar de vloer en let op van wie die voetstappen zijn. 19. De koning zei: Ik zie voetstappen van mannen, van vrouwen en van kinderen. 20. De koning werd woedend en liet de priesters grijpen met hun vrouwen en kinderen. Zij lieten hem de verborgen deurtjes zien waardoor zij naar binnen gingen en opaten wat op de tafel stond. 21. De koning liet hen doden en gaf Bel aan Daniël over. Die vernietigde hem en zijn tempel. 22. Op diezelfde plaats was een grote draak, en de Babyloniërs aanbaden hem. 23. De koning zei tegen Daniël: Zeg je ook van deze dat hij van brons is? Kijk, hij leeft, hij eet en drinkt. Je kunt niet zeggen dat dit geen levende god is. Aanbid hem daarom. 24. Daniël zei: De Heere, mijn God, zal ik aanbidden, want Hij is de levende God. 25. Maar geef mij toestemming, heer koning, dan zal ik deze draak doden zonder zwaard of stok. En de koning zei: Ja, ik geef je verlof. 26. Daniël nam pek, vet en haar, kookte dat samen, maakte er koeken van en gaf die de draak in zijn muil. De draak barstte ervan open, en hij zei: Kijk, dat zijn jullie goden. 27. Toen de Babyloniërs dat hoorden, namen zij het hem zeer kwalijk. Zij kwamen in opstand tegen de koning en zeiden: Onze koning is een Jood geworden. Hij heeft Bel vernield, de draak gedood en de priesters omgebracht. 28. Zij kwamen bij de koning en zeiden: Lever Daniël aan ons uit, anders doden wij u en uw huis. 29. De koning zag dat zij sterk op hem aandrongen, en hij werd gedwongen Daniël aan hen uit te leveren. 30. Zij wierpen hem in de leeuwenkuil, en hij was daar zes dagen. 31. Er waren zeven leeuwen in de kuil, en elke dag kregen zij twee lichamen en twee schapen. Maar nu kregen zij die niet, zodat zij Daniël zouden verslinden. 32. Habakuk, de profeet, was in Judea. Hij had pap gekookt en brood gebrokkeld in een diepe schaal, en hij ging het veld in om het naar de maaiers te brengen. 33. De engel van de Heere zei tegen Habakuk: Breng het middageten dat je hebt naar Babel, naar Daniël in de leeuwenkuil. 34. Habakuk zei: Heere, ik heb Babel nooit gezien en ik weet niet waar die kuil is. 35. Toen pakte de engel van de Heere hem bij zijn hoofd, droeg hem aan het haar van zijn hoofd en bracht hem door de kracht van zijn Geest naar Babel, boven de kuil. 36. Habakuk riep: Daniël, Daniël, neem dit middageten dat God je gestuurd heeft. 37. En Daniël zei: U denkt dus aan mij, Heere, en U verlaat niet wie van U houden. 38. Daniël stond op en at, en de engel van de Heere bracht Habakuk meteen terug naar zijn eigen plaats. 39. Op de zevende dag kwam de koning om te rouwen om Daniël. Hij kwam bij de kuil, keek erin, en kijk, Daniël zat daar. 40. De koning riep met luide stem: U bent groot, Heere, God van Daniël, en er is niemand behalve U. En hij trok hem eruit. 41. En wie zijn ondergang gezocht hadden, liet hij in de kuil werpen, en zij werden meteen voor zijn ogen verslonden. ## Gebed van Manasse 1 — Het gebed van Manasse 1. Heere, almachtige God, God van onze voorouders Abraham, Izak en Jakob en van hun nageslacht, 2. U die hemel en aarde gemaakt hebt met al hun pracht, 3. U die de zee verzegeld hebt met Uw bevelend woord en de diepte afgesloten en verzegeld hebt door Uw ontzagwekkende en heerlijke naam, 4. voor wie alles beeft en siddert voor Uw machtige gezicht. 5. Want de majesteit van Uw heerlijkheid is niet te dragen, en de dreiging van Uw toorn tegen de zonde is niet te verduren. 6. Maar de barmhartigheid van Uw beloften is niet te meten en niet te doorgronden. Want U, Heere, bent de Allerhoogste. U bent geduldig, groot in goedheid en zeer genadig, en U hebt spijt over de mensenkinderen. 7. U, Heere, hebt naar Uw grote goedheid beloofd dat U spijt zult hebben en dat U zult vergeven wie tegen U gezondigd hebben. Door Uw vele ontfermingen geeft U, naar Uw besluit, aan zondaars berouw dat leidt tot redding. 8. U, Heere, bent een God van de rechtvaardigen. U hebt geen berouw opgelegd aan de rechtvaardigen Abraham, Izak en Jakob, die niet tegen U gezondigd hebben. Maar U hebt mij berouw opgelegd, die een zondaar ben. 9. Want mijn zonden zijn meer dan het zand aan de zee. Mijn overtredingen, Heere, zijn heel veel; mijn overtredingen zijn heel veel. Ik ben het niet waard om met mijn ogen naar de hoge hemel te kijken, zo talrijk zijn mijn overtredingen. 10. Ik ben gekromd in zware ijzeren boeien. Ik kan mijn hoofd niet opheffen en ik heb geen rust, omdat ik Uw toorn heb opgewekt en kwaad voor Uw ogen heb gedaan. Ik heb Uw wil niet gedaan en Uw geboden niet gehouden, maar ik heb gruwelbeelden opgericht en veel afschuwelijks gedaan. 11. Nu buig ik de knieën van mijn hart en vraag U om genade. Ik heb gezondigd, Heere, ik heb gezondigd, en ik erken mijn misdaden. 12. Daarom bid en smeek ik U: vergeef het mij, Heere, vergeef het mij. Vernietig mij niet in mijn zonden, wees niet eeuwig boos op mij, houd het kwaad niet tegen mij vast en veroordeel mij niet tot in de diepten van de aarde. Want U bent God, een God van wie berouw hebben. 13. Bewijs mij al Uw goedheid en behoud mij, die het niet waard ben, naar Uw grote barmhartigheid. 14. En ik zal U prijzen, al de dagen van mijn leven. Want alle machten van de hemel prijzen U, en U komt de heerlijkheid toe tot in alle eeuwigheid. ## 1 Makkabeeën 1 — Antiochus verwoest Jeruzalem 1. Alexander, de zoon van Filippus, de Macedoniër, trok uit het land Kittim en versloeg Darius, de koning van de Perzen en de Meden. Hij regeerde in zijn plaats als koning, nadat hij daarvoor al over Griekenland geregeerd had. 2. Hij voerde veel oorlogen, veroverde vestingen en versloeg veel koningen van de aarde. 3. Hij trok door tot aan het uiterste einde van de aarde en nam grote buit mee van veel volken, en het land lag stil voor hem. 4. Zijn hart werd hoogmoedig en trots. 5. Hij bracht een heel sterk leger bijeen en veroverde landen, volken en rijken, en die moesten hem belasting betalen. 6. Daarna werd hij ziek en moest hij het bed houden. Omdat hij wist dat hij zou sterven, 7. riep hij zijn dienaren, de voornaamsten, die vanaf hun jeugd met hem waren opgegroeid. Hij verdeelde zijn koninkrijk onder hen terwijl hij nog leefde. 8. Alexander regeerde twaalf jaar als koning en stierf. Zijn dienaren regeerden ieder op hun eigen plaats. 9. Nadat hij gestorven was, zetten zij allemaal een koningskroon op, en hun zonen na hen, vele jaren lang. 10. En zij brachten steeds meer ellende in het land. 11. Uit hen kwam een slechte spruit voort: Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus, die in Rome gijzelaar was geweest. Hij begon te regeren in het honderdzevenendertigste jaar van het Griekse rijk. 12. In die dagen kwamen er uit Israël slechte mannen naar voren die velen overhaalden. Zij zeiden: Laten wij gaan en een verbond sluiten met de volken om ons heen. 13. Want vanaf de dag dat wij ons van hen afgescheiden hebben, hebben veel rampen ons getroffen. En dat leek hun een goed idee. 14. Sommigen van het volk waren er meteen voor en gingen naar de koning, en hij gaf hun toestemming om de gewoonten van de volken te volgen. 15. Zij bouwden in Jeruzalem een sportschool volgens de gewoonten van de volken. 16. Zij maakten bij zichzelf weer een voorhuid, vielen af van het heilige verbond, sloten zich aan bij de volken en waren verkocht om kwaad te doen. 17. Toen het koninkrijk van Antiochus stevig stond, nam hij zich voor ook over Egypte te heersen, om koning over twee koninkrijken te zijn. 18. Hij kwam met een grote troepenmacht naar Egypte, met wapens, olifanten en ruiters, en met een grote vloot. 19. Hij begon de oorlog tegen Ptolemeüs, de koning van Egypte, en Ptolemeüs werd bang voor hem en vluchtte. 20. Er vielen veel gewonden. Zij namen de sterke steden in het land Egypte in, en hij haalde de buit uit Egypte. 21. Nadat Antiochus Egypte verslagen had, keerde hij terug in het honderddrieënveertigste jaar. 22. Hij trok op naar Israël en Jeruzalem met een grote troepenmacht. 23. Hij ging vol overmoed het heiligdom binnen. Hij nam het gouden altaar, de kandelaar voor het licht en alles wat erbij hoorde, de tafel met de toonbroden, de sprengschalen, de kommen, de gouden wierookschalen, het voorhangsel, de kronen en het gouden sieraad dat aan de tempel te zien was, en hij haalde alles eraf. 24. Hij nam het zilver en het goud en de kostbare voorwerpen mee. Hij nam ook de verborgen schatten die hij vond, en met dat alles trok hij naar zijn land. 25. Hij liet veel mensen vermoorden en sprak met grote hoogmoed. 26. Er kwam grote rouw over Israël, op al hun plaatsen. 27. Want de leiders en de oudsten zuchtten. De meisjes en de jonge mannen werden zwak, en de schoonheid van de vrouwen veranderde. 28. Alle bruidegoms gingen rouwen, en wie in haar bruidskamer zat, rouwde. 29. Het land beefde om zijn bewoners, en heel het huis van Jakob trok rouwkleren aan. 30. Twee volle jaren later stuurde de koning de opzichter over de belastingen naar de steden van Juda, en die kwam in Jeruzalem met een heel grote troepenmacht. 31. Hij sprak vriendelijke woorden tegen hen, maar met bedrog, en zij geloofden hem. 32. Toen viel hij onverwacht de stad binnen. Hij bracht hun een grote nederlaag toe en doodde veel volk in Israël. 33. Hij plunderde de stad, stak haar in brand en brak haar huizen en de muren eromheen af. 34. Zij namen de vrouwen en kinderen gevangen en namen al hun vee mee. 35. Zij bouwden de Davidsstad op met een grote, sterke muur en met stevige torens, en die werd hun burcht. 36. Zij zetten daar een slecht volk in, mannen die de wet niet hielden, en die werden daar sterk. 37. Zij brachten daar wapens en voorraden binnen. Zij verzamelden de buit van Jeruzalem en sloegen die daar op, en zij werden een grote schrik. 38. Die burcht lag er om altijd het heiligdom te belagen en om Israël kwaad te doen. 39. Zij vergoten onschuldig bloed rondom het heiligdom en zij maakten het heiligdom onrein. 40. De inwoners van Jeruzalem vluchtten voor hen weg. 41. De stad werd een woonplaats van vreemdelingen en zij werd vreemd voor wie in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten haar. 42. Haar heiligdom lag verwoest als een woestijn. Haar feestdagen werden rouwdagen, haar sabbatten werden bespot en haar eer werd minachting. 43. Haar schande was zo groot als haar eer geweest was, en haar hoogheid sloeg om in rouw. 44. De koning schreef aan zijn hele koninkrijk dat zij allemaal één volk moesten zijn en dat iedereen zijn eigen wetten moest loslaten. 45. Alle volken namen dat aan, zoals de koning gezegd had. 46. Ook velen in Israël vonden zijn godsdienst mooi. Zij offerden aan de afgoden en ontheiligden de sabbat. 47. De koning stuurde brieven via zijn boden naar Jeruzalem en naar de steden van Juda, dat zij moesten leven naar de vreemde wetten van het land, 48. dat zij de brandoffers, het graanoffer en het drankoffer uit het heiligdom moesten weren, 49. dat zij de sabbatten en de feestdagen moesten ontheiligen, 50. dat zij het heiligdom en de heilige plaatsen onrein moesten maken, 51. dat zij altaren, heilige bossen en afgodstempels moesten bouwen en varkens en andere onreine dieren moesten slachten, 52. dat zij hun zonen onbesneden moesten laten en zichzelf gruwelijk moesten maken met alles wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten en alle regels zouden veranderen. 53. Wie niet zou doen wat de koning zei, moest sterven. 54. Met al deze woorden schreef hij aan zijn hele koninkrijk, en hij stelde opzichters aan over heel het volk. 55. Hij beval de steden van Juda dat zij in elke stad moesten offeren. 56. Velen van het volk voegden zich bij hen, iedereen die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het land. 57. Zij zorgden ervoor dat Israël zich verstopte in holen en in allerlei schuilplaatsen. 58. Op de vijftiende dag van de maand Kislev, in het honderdvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel van verwoesting op het reukofferaltaar, en overal in de steden van Juda bouwden zij altaren. 59. In de deuren van de huizen en op de straten offerden zij reukwerk. 60. De boeken van de wet die zij vonden, verscheurden zij en verbrandden zij. 61. Bij wie het boek van het verbond gevonden werd, en wie de wet trouw bleef, die doodden zij met geweld, op bevel van de koning. 62. Zo deden zij met Israël, met iedereen die maand na maand in de steden gevonden werd. 63. Op de vijfentwintigste dag van de maand offerden zij op het altaar dat op het reukofferaltaar stond. 64. De vrouwen die hun kinderen lieten besnijden, doodden zij op bevel van de koning. 65. Zij hingen de kleine kinderen aan de nek van hun moeders. Zij doodden hun huisgenoten en wie hen besneden hadden. 66. Maar velen in Israël werden sterk. Zij besloten vast niets onreins te eten, 67. en zij kozen liever de dood dan zich met dat eten te besmetten en het heilige verbond te ontheiligen. En zij stierven. 68. De woede van de koning was heel groot tegen Israël. ## 1 Makkabeeën 2 — Mattathias komt in verzet 1. In die dagen stond Mattathias op, de zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester uit de kinderen van Jojarib, uit Jeruzalem. Hij woonde in Modin. 2. Hij had vijf zonen: Johannes, die Jaddis genoemd werd, 3. Simon, die Thassi genoemd werd, 4. Judas, die de Makkabeeër genoemd werd, 5. Eleazar, die Auäran genoemd werd, en Jonathan, die Sapfus genoemd werd. 6. Hij zag de godslasteringen die in Juda en Jeruzalem gebeurden, 7. en hij zei: Wee mij, waarom ben ik geboren om te zien hoe mijn volk mishandeld wordt en hoe de heilige stad mishandeld wordt, en om daar te zitten terwijl zij aan de vijanden is overgegeven? 8. Het heiligdom is in de hand van vreemdelingen. De tempel is geworden als een man die geen eer meer heeft. 9. De prachtige voorwerpen zijn weggehaald en weggevoerd. Haar kleine kinderen zijn op haar straten gedood en haar jonge mannen door het zwaard van de vijand. 10. Welk volk heeft haar koninkrijk niet geërfd en niets van haar buit gekregen? 11. Al haar sieraad is weggenomen. Waar zij eerst vrij was, is zij nu een slavin geworden. 12. En kijk, onze heiligdommen en onze schoonheid en onze eer zijn verwoest, en de volken hebben ze ontheiligd. 13. Waarom zouden wij nog willen leven? 14. Mattathias en zijn zonen scheurden hun kleren, trokken rouwkleren aan en rouwden diep. 15. Toen kwamen er mannen van de koning naar de stad Modin, die de mensen dwongen af te vallen en aan de afgoden te offeren. 16. Velen uit Israël kwamen naar hen toe, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook heen gebracht. 17. De mannen van de koning die daar waren, namen het woord en zeiden tegen Mattathias: U bent een leider en een kenner van de wet, en een groot man in deze stad, en u bent sterk door uw zonen en broers. 18. Kom nu dan als eerste naar ons toe en doe wat de koning beveelt, zoals alle volken gedaan hebben, en de mannen van Juda, en wie er in Jeruzalem overgebleven zijn. Dan zult u met uw huis bij de vrienden van de koning horen, en u en uw zonen zullen geëerd worden met zilver en goud en veel geschenken. 19. Mattathias antwoordde met luide stem: Ook al zouden alle volken in het huis en het koninkrijk van de koning hem gehoorzamen, en zou ieder van hen afvallen van de godsdienst van zijn voorouders en zijn geboden aannemen, 20. ik en mijn zonen en mijn broers zullen leven naar het verbond van onze voorouders. 21. De Heere zij ons genadig, zodat wij de wet en de regels niet verlaten. 22. Naar het woord van de koning zullen wij niet luisteren. Wij zullen van onze godsdienst niet afwijken, naar rechts of naar links. 23. Toen hij ophield met spreken, kwam er een Joodse man naar voren om voor de ogen van iedereen te offeren op het altaar in Modin, zoals de koning bevolen had. 24. Mattathias zag dat, en hij was diep verontwaardigd. Zijn binnenste beefde en hij ontstak in terechte woede. Hij rende erheen en doodde de man op het altaar. 25. Ook de man van de koning, die de mensen dwong te offeren, doodde hij op datzelfde moment, en hij brak het altaar af. 26. Zo kwam hij op voor de wet, net als Pinehas vroeger tegenover Zimri, de zoon van Salu. 27. Mattathias riep in de stad met luide stem: Iedereen die opkomt voor de wet en het verbond vasthoudt, die gaat achter mij aan. 28. Hij en zijn zonen vluchtten de bergen in en lieten alles wat zij hadden in de stad achter. 29. Toen gingen velen die gerechtigheid en recht zochten, de woestijn in 30. om zich daar te vestigen, zij met hun kinderen, hun vrouwen en hun vee, omdat er steeds meer kwaad over hen kwam. 31. De mannen van de koning en de troepen die in Jeruzalem in de Davidsstad waren, kregen bericht dat er mannen die het bevel van de koning overtreden hadden, de holen in de woestijn in waren gegaan, en dat velen naar hen toe liepen. 32. Zij achtervolgden hen, sloegen hun kamp tegenover hen op en begonnen de aanval op de sabbatdag. Zij zeiden tegen hen: 33. Er is nog tijd. Kom naar buiten en doe wat de koning zegt, dan blijven jullie in leven. 34. En zij zeiden: Wij zullen niet naar buiten komen en wij zullen niet doen wat de koning zegt, want dan ontheiligen wij de sabbatdag. 35. En zij openden meteen de aanval op hen. 36. Maar zij gaven geen antwoord, gooiden geen steen naar hen en versperden de holen niet. Zij zeiden: 37. Laten wij allemaal sterven met een zuiver geweten. De hemel en de aarde zijn onze getuigen dat jullie ons ten onrechte ombrengen. 38. Zij vielen hen op de sabbat aan, en zij werden gedood, zijzelf, hun vrouwen, hun kinderen en hun vee, tot duizend mensen toe. 39. Toen Mattathias en zijn vrienden dit hoorden, rouwden zij zeer over hen. 40. En de een zei tegen de ander: Als wij allemaal doen wat onze broeders gedaan hebben en niet vechten tegen de volken voor ons leven en voor onze rechten, dan zullen zij ons snel van de aarde wegvagen. 41. Zij namen die dag een besluit en zeiden: Als er iemand op de sabbatdag tegen ons komt vechten, laten wij dan ook tegen hem vechten. Laten wij niet allemaal sterven zoals onze broeders in de holen gestorven zijn. 42. Toen voegde de groep van de Asideeën zich bij hen, die krachtige mannen waren, en uit Israël iedereen die de wet van harte hield. 43. Ook allen die voor die rampen gevlucht waren, sloten zich bij hen aan, en zij werden een versterking voor hen. 44. Zij brachten hun troepen bijeen en sloegen de zondaars neer in hun woede en de slechte mannen in hun toorn. Wie overbleven, vluchtten naar de volken om het te overleven. 45. Mattathias en zijn vrienden trokken rond en braken hun altaren af. 46. Zij besneden met kracht alle jongetjes die onbesneden waren, zo veel als zij er binnen de grenzen van Israël vonden. 47. Zij achtervolgden de kinderen van de hoogmoed, en dat werk lukte hun goed. 48. Zij bevrijdden de wet uit de hand van de volken en uit de hand van de koningen, en zij gaven de hoorn van de overwinning niet aan die zondaar. 49. Toen de dagen naderden dat Mattathias zou sterven, zei hij tegen zijn zonen: Nu heeft de hoogmoed zich gevestigd, en de tuchtiging, en nu is het de tijd van de verwoesting en van de brandende toorn. 50. Kom nu dan, mijn kinderen, op voor de wet en geef je leven voor het verbond van onze voorouders. 51. Denk aan onze voorouders en aan de daden die zij in hun tijd gedaan hebben, en jullie zullen grote eer krijgen en een blijvende naam. 52. Is Abraham in de beproeving niet trouw gebleven? En dat is hem als gerechtigheid aangerekend. 53. Jozef heeft in de tijd van zijn nood het gebod gehouden, en hij werd heer over Egypte. 54. Pinehas, onze voorvader, is met vuur opgekomen voor God en heeft het verbond van een eeuwig priesterschap gekregen. 55. Jozua heeft het woord uitgevoerd en is rechter in Israël geworden. 56. Kaleb heeft in de gemeenschap getuigenis gegeven en heeft een erfdeel in het land gekregen. 57. David is om zijn trouw de troon van een eeuwig koninkrijk gaan erven. 58. Elia is met vuur opgekomen voor de wet en is in de hemel opgenomen. 59. Hananja, Azarja en Misaël hebben geloofd en zijn uit de vlammen gered. 60. Daniël is om zijn eenvoud uit de muil van de leeuwen gerukt. 61. Denk zo na over elk geslacht, en bedenk dat niemand die op Hem hoopt, zwak zal worden. 62. Wees niet bang voor de woorden van de zondige man, want zijn eer wordt drek en wormen. 63. Vandaag wordt hij verhoogd en morgen is hij nergens te vinden, want hij keert terug tot stof en zijn plannen vergaan. 64. En jullie, mijn kinderen, wees sterk en gedraag je als mannen bij de wet, want daardoor zullen jullie geëerd worden. 65. En kijk, jullie broer Simon: ik weet dat hij een man met inzicht is. Luister al jullie dagen naar hem, hij zal voor jullie een vader zijn. 66. En Judas de Makkabeeër is vanaf zijn jeugd sterk en krachtig. Hij zal jullie legeraanvoerder zijn, en jullie zullen de oorlog tegen de volken voeren. 67. Breng iedereen bij je die de wet doet, en neem wraak voor je volk. 68. Vergeld de volken wat zij verdienen, en houd je aan de geboden van de wet. 69. En hij zegende hen en werd bij zijn voorouders gelegd. 70. Hij stierf in het honderdzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem in het graf van zijn voorouders in Modin. Heel Israël rouwde diep over hem. ## 1 Makkabeeën 3 — Judas de Makkabeeër 1. Zijn zoon Judas, die de Makkabeeër genoemd werd, stond op in zijn plaats. 2. Al zijn broers hielpen hem, en iedereen die zijn vader gevolgd had, en zij voerden de oorlog van Israël met vreugde. 3. Hij maakte de eer van zijn volk groot. Hij trok zijn pantser aan als een reus, hij gordde zijn wapens aan, hij leverde veel veldslagen en beschermde zijn leger met het zwaard. 4. In zijn daden leek hij op een leeuw, op een jonge leeuw die op jacht gaat. 5. Hij zocht de goddelozen fanatiek op en achtervolgde hen, en hij verbrandde wie het volk onrustig maakten. 6. De goddelozen trokken zich uit angst voor hem terug, en alle mensen die onrecht deden, raakten van streek. En de bevrijding lukte door zijn hand. 7. Hij maakte veel koningen bitter, en hij maakte Jakob blij met zijn daden, en de herinnering aan hem is tot in eeuwigheid een zegen. 8. Hij trok door de steden van Juda en roeide de goddelozen daaruit weg, en hij keerde de toorn van God van Israël af. 9. Zijn naam werd bekend tot aan het uiterste einde van de aarde, en hij bracht bijeen wie verloren dreigden te gaan. 10. Daarom bracht Apollonius de volken bijeen, en uit Samaria een grote troepenmacht, om oorlog te voeren tegen Israël. 11. Judas hoorde dat, trok hem tegemoet, versloeg hem en doodde hem. Er vielen veel gewonden en de rest sloeg op de vlucht. 12. Hij nam hun buit mee. Judas kreeg het zwaard van Apollonius, en hij vocht daar zijn hele leven mee. 13. Seron, de aanvoerder van de troepen van Syrië, hoorde dat Judas een groep trouwe mannen om zich heen verzameld had die met hem ten strijde trokken. Hij zei: 14. Ik zal naam maken en aanzien krijgen in het koninkrijk. Ik zal Judas bestrijden en wie bij hem zijn en wie het woord van de koning verachten. 15. Hij trok verder, en met hem trok een sterk leger van goddelozen op om hem te helpen wraak te nemen op de Israëlieten. 16. Hij kwam tot aan de pas van Bet-Choron, en Judas ging hem tegemoet met weinig mannen. 17. Toen zij het leger op zich zagen afkomen, zeiden zij tegen Judas: Hoe kunnen wij met zo weinig mensen vechten tegen zo'n sterke menigte, terwijl wij moe zijn en vandaag nog niet gegeten hebben? 18. Judas zei: Het kan makkelijk gebeuren dat velen in de handen van weinigen worden gesloten. Voor de hemel maakt het geen verschil of Hij redt door velen of door weinigen. 19. Want de overwinning in de strijd hangt niet af van de grootte van het leger, maar de kracht komt uit de hemel. 20. Zij komen op ons af om ons en onze vrouwen en onze kinderen met veel geweld en onrecht te vernietigen en ons te beroven. 21. Maar wij vechten voor ons leven en voor onze wetten. 22. En God zal hen voor onze ogen vermorzelen. Wees dus niet bang voor hen. 23. Toen hij ophield met spreken, viel hij meteen op hen aan, en Seron en zijn leger werden door hem vermorzeld. 24. Zij achtervolgden hen bij de afdaling van Bet-Choron tot in de vlakte. Van hen vielen ongeveer achthonderd man, en de rest vluchtte naar het land van de Filistijnen. 25. De angst voor Judas en zijn broers en de schrik begonnen te vallen op de volken om hen heen. 26. Zijn naam kwam tot bij de koning, en alle volken vertelden over de veldslagen van Judas. 27. Toen koning Antiochus dat hoorde, werd hij hevig kwaad. Hij liet alle troepen van zijn koninkrijk bijeenroepen, een heel sterk leger. 28. Hij opende zijn schatkamer, gaf zijn troepen een jaar soldij vooruit en droeg hun op een jaar lang voor alles klaar te staan. 29. Toen hij zag dat het geld in zijn schatkamer opraakte en dat er weinig belasting uit het land binnenkwam, door de tweedracht en de plaag die hij in het land had aangericht, waarmee hij de wetten had weggenomen die er vanaf de eerste dagen geweest waren, 30. en toen hij bang werd dat hij niet genoeg zou hebben om nog een of twee keer de kosten te dragen en de geschenken te geven die hij eerder met gulle hand gegeven had, waarmee hij de vorige koningen in mildheid overtroffen had, 31. raakte hij van binnen heel onzeker. Hij besloot naar Perzië te reizen om de belastingen van die landen te innen en veel geld bijeen te brengen. 32. Hij liet Lysias achter, een geëerd man van koninklijken bloede, over de zaken van de koning, van de rivier de Eufraat tot aan de grens van Egypte, 33. en om zijn zoon Antiochus op te voeden tot hij terug zou komen. 34. Hij gaf hem de helft van zijn troepen en de olifanten, en hij gaf hem opdracht over alles wat hij gedaan wilde hebben, ook over de inwoners van Judea en Jeruzalem: 35. dat hij troepen tegen hen moest sturen om de kracht van Israël te vermorzelen, om wat er van Jeruzalem over was uit te roeien en om de herinnering aan hen van die plaats weg te nemen, 36. en dat hij vreemde mensen in hun hele gebied moest laten wonen en hun land door het lot moest verdelen. 37. De koning nam de andere helft van de troepen mee en vertrok in het jaar honderdzevenenveertig uit Antiochië, zijn koningsstad. Hij stak de Eufraat over en trok door de hooglanden. 38. Lysias koos Ptolemeüs, de zoon van Dorymenes, en Nikanor en Gorgias uit, machtige mannen onder de vrienden van de koning. 39. Hij stuurde met hen veertigduizend man en zevenduizend ruiters mee om het land van Juda binnen te vallen en te verwoesten, zoals de koning gezegd had. 40. Zij trokken op met heel hun macht en sloegen hun kamp op bij Emmaüs, in de vlakte. 41. De handelaren uit die streek hoorden van hen. Zij namen heel veel zilver en goud en slavenketens mee en kwamen in hun kamp om Israëlieten als slaven te kopen. Ook troepen uit Syrië en uit het land van de Filistijnen voegden zich bij hen. 42. Judas en zijn broers zagen dat de ellende groter werd en dat de troepen zich in hun gebied legerden. Zij hoorden wat de koning bevolen had, namelijk het volk helemaal te vernietigen en uit te roeien. Toen zei de een tegen de ander: 43. Laten wij ons volk weer oprichten uit deze vernedering, en laten wij vechten voor ons volk en voor het heiligdom. 44. En de gemeenschap kwam bijeen om zich klaar te maken voor de strijd, om te bidden en om ontferming en genade te vragen. 45. Jeruzalem lag onbewoond als een woestijn. Niemand die daar geboren was, ging er nog in of uit. Het heiligdom werd vertrapt, de vreemdelingen zaten in de burcht en de volken hadden daar hun woonplaats. Alle vreugde was uit Jakob weggenomen, en de fluit en de citer zwegen. 46. Daarom kwamen zij bijeen in Mispa, tegenover Jeruzalem, want Mispa was vroeger voor Israël de plaats van het gebed geweest. 47. Zij vastten die dag, trokken rouwkleren aan, strooiden as op hun hoofd en scheurden hun kleren. 48. Zij rolden de boeken van de wet uit, waar de volken naarstig in zochten om er de beelden van hun afgoden in te tekenen. 49. Zij brachten daar de kleren van het priesterschap, de eerstelingen en de tienden, en zij lieten de nazireeërs komen die hun dagen vol gemaakt hadden. 50. Zij riepen met hun stem naar de hemel: Wat moeten wij met deze mensen doen, en waar moeten wij hen heen brengen? 51. Uw heiligdom is vertrapt en ontheiligd, en Uw priesters zijn in rouw en vernedering. 52. En kijk, de volken zijn tegen ons samengekomen om ons te vernietigen. U weet wat zij tegen ons van plan zijn. 53. Hoe zullen wij tegenover hen kunnen standhouden als U ons niet helpt? 54. Zij bliezen op de trompetten en riepen met luide stem. 55. Daarna stelde Judas leiders over het volk aan: leiders over duizend, over honderd, over vijftig en over tien. 56. Zij zeiden tegen wie een huis aan het bouwen waren, wie pas getrouwd waren, wie een wijngaard geplant hadden en wie bang waren, dat ieder van hen naar huis moest gaan, zoals de wet zegt. 57. Zo brak het leger op en legerde zich ten zuiden van Emmaüs. 58. Judas zei: Gord je aan en wees sterke mannen. Wees morgenvroeg klaar om te vechten tegen deze volken, die tegen ons samengekomen zijn om ons en ons heiligdom te vernietigen. 59. Want het is beter dat wij in de strijd sterven dan dat wij moeten toekijken bij de ellende van ons volk en van ons heiligdom. 60. Maar zoals de wil van God in de hemel is, zo zal Hij met ons doen. ## 1 Makkabeeën 4 — De tempel wordt opnieuw ingewijd 1. Gorgias nam vijfduizend man voetvolk en duizend uitgelezen ruiters mee, en dat leger brak 's nachts op 2. om het kamp van de Joden te overvallen en hen onverwacht te verslaan. De mannen van de burcht waren zijn gidsen. 3. Judas hoorde dat en brak op, hij en zijn sterke mannen, om het leger van de koning te verslaan dat in Emmaüs lag, 4. terwijl de troepen van Gorgias nog van het kamp weg waren. 5. Gorgias kwam 's nachts in het kamp van Judas, vond niemand en zocht hen in de bergen. Want hij zei: Zij vluchten voor ons. 6. En zodra het dag was, werd Judas in de vlakte gezien met drieduizend man. Maar zij hadden geen schilden en geen zwaarden zoals zij graag gewild hadden. 7. En toen zij het kamp van de volken zagen, dat sterk en goed bewapend was, met de ruiterij eromheen die goed getraind was in de oorlog, 8. zei Judas tegen de mannen die bij hem waren: Wees niet bang voor hun aantal en schrik niet van hun aanval. 9. Denk eraan hoe onze voorouders gered werden in de Rode Zee toen de farao hen met een grote macht achtervolgde. 10. Laten wij nu naar de hemel roepen dat God zich over ons ontfermt en aan het verbond met de voorouders denkt. Dan zal Hij vandaag dit leger voor onze ogen vermorzelen. 11. En alle volken zullen begrijpen dat er Eén is die Israël verlost en redt. 12. De vreemde volken keken op en zagen dat zij op hen afkwamen. 13. Zij trokken uit hun kamp om te vechten, en wie bij Judas waren, bliezen op de trompetten. 14. Zij raakten slaags, en de volken werden verslagen en vluchtten de vlakte over. 15. Maar de achterhoede viel door het zwaard. Zij achtervolgden hen tot aan Gezer en tot aan de vlakten van Idumea en tot aan Azotus en Jamnia, en van hen vielen wel drieduizend man. 16. Judas en zijn troepen keerden terug van de achtervolging. 17. Hij zei tegen het volk: Wees niet uit op hun buit, want onze tegenstanders staan er nog. 18. Gorgias en zijn troepen zijn op de berg vlak bij ons. Ga nu tegenover onze vijanden staan, vecht met hen, en plunder hen daarna gerust. 19. Terwijl Judas dat nog zei, kwam er een afdeling vanaf de berg tevoorschijn. 20. Zij zagen dat hun eigen mensen op de vlucht waren en dat de Joden het kamp in brand hadden gestoken, want de rook die te zien was, liet zien wat er gebeurd was. 21. Toen zij dat zagen, werden zij heel bang. En zij zagen ook dat het leger van Judas in de vlakte klaarstond om te vechten. 22. Daarom vluchtten zij allemaal naar het land van de Filistijnen. 23. Judas keerde zich naar de buit van het kamp. Zij kregen veel goud en zilver, veel kleren van blauwpurper en zeepurper en grote rijkdom. 24. Op de terugweg zongen zij een lofzang en dankten zij God in de hemel, want Hij is goed en Zijn ontferming duurt voor eeuwig. 25. Op die dag kwam er een grote redding voor Israël. 26. Wie van de vreemdelingen het overleefd hadden, gingen naar Lysias en vertelden hem alles wat er gebeurd was. 27. Toen hij dat hoorde, was hij verslagen en verloor hij de moed, omdat het met Israël niet gegaan was zoals hij graag gewild had en niet gelopen was zoals de koning hem bevolen had. 28. Het volgende jaar bracht hij zestigduizend uitgelezen mannen en vijfduizend ruiters bijeen om tegen hen te vechten. 29. Zij kwamen in Idumea en sloegen hun kamp op bij Bet-Sur, en Judas kwam hun tegemoet met tienduizend man. 30. Toen hij hun sterke leger zag, bad hij tot God. Hij zei: Gezegend bent U, redder van Israël. U hebt de aanval van de sterke gebroken door de hand van Uw dienaar David, en U hebt het leger van de vreemdelingen in de handen van Jonathan gegeven, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager. 31. Sluit dit leger in door de hand van Uw volk Israël, en laat hen beschaamd staan met hun troepen en hun paarden. 32. Maak hen moedeloos, laat de brutale kracht van hen wegsmelten en laat hen wankelen doordat zij vermorzeld worden. 33. Werp hen neer door het zwaard van wie U liefhebben, en laat allen die Uw naam kennen U prijzen met liederen. 34. Toen vielen zij elkaar aan, en van het leger van Lysias vielen daar wel vijfduizend man. 35. Lysias zag zijn slaglinies vluchten en zag hoe brutaal het leger van Judas was en hoe bereid de Joden waren om eervol te leven of te sterven. Hij trok op naar Antiochië, wierf huurtroepen aan en versterkte zijn leger, en hij besloot opnieuw, met meer kracht, naar Judea te komen. 36. Judas en zijn broers zeiden: Kijk, onze vijanden zijn vermorzeld. Laten wij optrekken om het heiligdom te reinigen en het opnieuw in te wijden. 37. Het hele leger kwam bijeen en zij trokken op naar de berg Sion. 38. Zij zagen het heiligdom verwoest, het altaar ontheiligd en de poorten verbrand. In de voorhoven waren struiken opgeschoten als in een kreupelbos of op een van de bergen, en de kamers van de priesters waren verwoest. 39. Zij scheurden hun kleren, rouwden diep en gooiden stof op hun hoofd. 40. Zij vielen met hun gezicht op de grond, bliezen alarm op de bazuinen en riepen tot God in de hemel. 41. Toen gaf Judas de mannen opdracht om te vechten tegen wie in de burcht zaten, totdat hij het heiligdom gereinigd zou hebben. 42. Hij koos onberispelijke priesters uit die de wet liefhadden. 43. Zij reinigden het heiligdom, haalden de stenen van de besmetting weg en brachten die naar een onreine plaats. 44. En zij overlegden wat zij zouden doen met het brandofferaltaar, dat ontheiligd was. 45. Zij kwamen op de goede gedachte het af te breken, zodat het hun niet tot schande zou zijn, omdat de volken het onrein gemaakt hadden. En zij haalden dat altaar weg. 46. Zij legden de stenen op de tempelberg, op een geschikte plaats, totdat er een profeet zou komen die kon zeggen wat men ermee moest doen. 47. Zij namen hele stenen, zoals de wet voorschrijft, en zij bouwden een nieuw altaar in de vorm van het eerste. 48. Zij herstelden het heiligdom en de binnenkant van het huis, en zij heiligden de voorhoven. 49. Zij maakten nieuwe heilige voorwerpen en brachten de kandelaar in de tempel, en het brandofferaltaar en het reukofferaltaar en de tafel. 50. Zij lieten het reukwerk op het altaar roken en staken de lampen op de kandelaar aan, en die gaven licht in de tempel. 51. Zij legden broden op de tafel, hingen de voorhangsels op en maakten al het werk af waaraan zij begonnen waren. 52. Zij stonden vroeg op, op de vijfentwintigste van de negende maand, de maand Kislev, in het honderdachtenveertigste jaar. 53. Zij brachten offers volgens de wet op het nieuwe brandofferaltaar dat zij gemaakt hadden. 54. Op dezelfde tijd en dezelfde dag waarop de volken het ontheiligd hadden, werd het opnieuw ingewijd, met liederen, citers, harpen en cimbalen. 55. Heel het volk viel op hun gezicht, aanbaden en dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had. 56. Zij vierden de inwijding van het altaar acht dagen lang. Zij brachten met vreugde brandoffers en slachtten dankoffers en lofoffers. 57. Zij versierden de voorkant van de tempel met gouden kronen en schilden, vernieuwden de poorten en de kamers van de priesters en zetten er deuren in. 58. Er was heel grote vreugde onder het volk, en de smaad van de volken was weggenomen. 59. Judas en zijn broers en heel de gemeenschap van Israël bepaalden dat de dagen van de inwijding van het altaar elk jaar op hun tijd acht dagen lang gevierd zouden worden, vanaf de vijfentwintigste dag van de maand Kislev, met vreugde en blijdschap. 60. In die tijd bouwden zij rondom de berg Sion hoge muren en sterke torens, zodat de volken niet ooit weer zouden komen en alles zouden vertrappen zoals zij eerder gedaan hadden. 61. Zij legden daar troepen in om de berg te bewaken. Zij versterkten ook Bet-Sur, zodat het volk een vesting zou hebben tegen Idumea. ## 1 Makkabeeën 5 — Judas haalt zijn broeders terug 1. Toen de volken daar in de omgeving hoorden dat het altaar opgebouwd was en het heiligdom opnieuw ingewijd als vroeger, werden zij heel kwaad. 2. Zij besloten het geslacht van Jakob uit te roeien, iedereen die bij hen woonde, en zij begonnen mensen van het volk te doden en uit te roeien. 3. Daarom voerde Judas oorlog tegen de nakomelingen van Ezau in Idumea, in het land Akrabattene, omdat zij Israël als het ware belegerd hadden. Hij bracht hun een grote nederlaag toe, dreef hen in het nauw en nam al hun buit mee. 4. En hij dacht aan de boosheid van de nakomelingen van Bajan, die voor het volk een valstrik en een struikelblok geweest waren doordat zij hun op de wegen lagen legden. 5. Hij sloot hen op in hun torens, sloeg zijn kamp tegenover hen op en trof hen met de ban. Hij verbrandde hun torens met vuur, met iedereen die erin was. 6. Vandaar trok hij op naar de Ammonieten, en daar vond hij een grote troepenmacht en veel volk, met Timotheüs als hun aanvoerder. 7. Hij leverde hun veel veldslagen, vermorzelde hen voor zijn ogen en versloeg hen. 8. Hij nam Jazer in met de dorpen eromheen, en hij keerde terug naar Judea. 9. De volken in Gilead kwamen samen tegen de Israëlieten die in hun gebied woonden, om hen uit te roeien. 10. Daarom vluchtten die naar de vesting Datema, en zij stuurden brieven aan Judas en zijn broers. Daarin stond: 11. De volken om ons heen zijn tegen ons samengekomen om ons te vernietigen. Zij maken zich klaar om te komen en de vesting in te nemen waarheen wij gevlucht zijn, en Timotheüs voert hun leger aan. 12. Kom dan nu en red ons uit hun hand, want er zijn al velen van ons gevallen. 13. Al onze broeders in de streek van Toubin zijn gedood. Zij hebben hun vrouwen gevangengenomen, en hun kinderen en hun huisraad, en zij hebben daar ongeveer duizend mannen omgebracht. 14. Terwijl die brieven nog gelezen werden, kwamen er andere boden uit Galilea met gescheurde kleren, die hetzelfde bericht brachten. 15. Zij zeiden dat er velen tegen hen samengekomen waren uit Ptolemaïs en Tyrus en Sidon, met heel Galilea van de vreemdelingen, om hen uit te roeien. 16. Toen Judas en het volk dat hoorden, kwam er een grote vergadering bijeen om te overleggen wat zij zouden doen voor hun broeders die in nood waren en die aangevallen werden. 17. Judas zei tegen zijn broer Simon: Kies mannen uit en trek op om je broeders te redden die daar in Galilea zijn. Ik en mijn broer Jonathan zullen naar Gilead trekken. 18. Hij liet Jozef, de zoon van Zacharia, en Azaria achter als leiders over het volk, met de rest van de troepen in Judea, om het land te bewaken. 19. En hij gaf hun bevel: Neem de leiding over dit volk, maar begin geen strijd tegen de volken voordat wij terug zijn. 20. Aan Simon werden drieduizend man toebedeeld om naar Galilea te trekken, en aan Judas achtduizend man om naar Gilead te trekken. 21. Simon trok naar Galilea. Hij leverde veel veldslagen tegen de volken, vermorzelde hen voor zijn ogen en achtervolgde hen tot aan de poorten van Ptolemaïs. 22. Er vielen wel drieduizend man van de volken, en zij namen hun buit mee. 23. Zij namen de mensen uit Galilea mee en ook die uit Arbatta, met vrouwen en kinderen en alles wat zij hadden, en zij brachten hen met grote vreugde naar Judea. 24. Judas de Makkabeeër en zijn broer Jonathan staken de Jordaan over en trokken drie dagreizen door de woestijn. 25. Zij ontmoetten de Nabateeërs, die hen vreedzaam behandelden en die hun alles vertelden wat er met hun broeders in Gilead gebeurd was. 26. Zij vertelden dat velen van hen opgesloten zaten in Bosra en Bosor in Alema, in Chasfo, in Maked en in Karnaïm, allemaal sterke en grote steden, 27. en dat er ook in alle andere steden van Gilead mensen opgesloten zaten, en dat zij bevolen hadden de volgende dag hun kamp tegenover de vestingen op te slaan, die in te nemen en hen allen op één dag te vernietigen. 28. Daarom keerde Judas snel om met zijn leger, langs de woestijnweg naar Bosra. Hij nam de stad in, doodde alle mannen met het zwaard, nam al hun buit mee en verbrandde de stad met vuur. 29. Hij vertrok daar 's nachts en trok verder alsof hij naar de vesting wilde gaan. 30. Bij het aanbreken van de morgen keken zij op, en zie, daar was veel volk, niet te tellen, met ladders en ander gereedschap om de vesting in te nemen, en zij vielen haar aan. 31. Judas zag dat de strijd begonnen was en dat het geroep uit de stad tot aan de hemel opsteeg, met trompetten en met luide stem. Hij zei tegen de mannen van zijn leger: 32. Vecht vandaag voor jullie broeders. 33. Hij trok achter hen om, met drie slaglinies, zij bliezen op de trompetten en zij riepen in gebed. 34. Het leger van Timotheüs merkte dat het de Makkabeeër was, en zij vluchtten voor hem. Hij bracht hun een grote nederlaag toe, en van hen vielen die dag wel achtduizend man. 35. Hij trok naar Mispa, viel het aan, nam het in, doodde alle mannen die erin waren, plunderde het en verbrandde het met vuur. 36. Vandaar trok hij verder en nam Chasfo, Maked, Bosor en de andere steden van Gilead in. 37. Daarna bracht Timotheüs een ander leger bijeen en sloeg zijn kamp op tegenover Rafon, aan de overkant van de beek. 38. Judas stuurde mannen om het leger te verkennen, en zij brachten hem bericht: Alle volken om ons heen zijn bij hen samengekomen, een heel grote macht. 39. Hij heeft de Arabieren ingehuurd om hen te helpen. Zij hebben hun kamp aan de overkant van de beek opgeslagen en zij staan klaar om u aan te vallen. En Judas trok hun tegemoet. 40. Timotheüs zei tegen de aanvoerders van zijn troepen, toen Judas met zijn leger de waterbeek naderde: Als hij het eerst naar ons oversteekt, zullen wij tegen hem niet kunnen standhouden, want dan zal hij veel sterker zijn dan wij. 41. Maar als hij bang is en zijn kamp aan de overkant van de rivier opslaat, dan steken wij naar hem over en zullen wij hem de baas zijn. 42. Toen Judas bij de waterbeek kwam, stelde hij de schrijvers van het volk op en gaf hun bevel: Laat niemand achterblijven, maar laat iedereen ten strijde komen. 43. Hij was de eerste die de beek overstak naar hen toe, en heel zijn volk kwam achter hem aan. Alle volken werden voor hem vermorzeld. Zij gooiden hun wapens weg en vluchtten het heilige bos in dat in Karnaïm stond. 44. Zij namen de stad in en staken dat heilige bos in brand en verbrandden het met vuur, met iedereen die erin was. Karnaïm werd omvergeworpen, en zij konden niet meer standhouden tegenover Judas. 45. Judas bracht alle Israëlieten in Gilead bijeen, van klein tot groot, met hun vrouwen, hun kinderen en hun huisraad: een heel grote stoet, om naar het land van Juda te komen. 46. Toen zij bij Efron kwamen, een grote stad aan de ingang van het land, heel sterk, waar je niet rechts of links langs kon en waar je middendoor moest trekken, 47. sloten de mensen van de stad hen buiten 48. en stopten zij de poorten dicht met stenen. 49. Judas stuurde een boodschap naar hen met vreedzame woorden: 50. Ik zal alleen door uw land trekken om in ons land te komen, en niemand zal u kwaad doen. Wij zullen er alleen te voet doorheen gaan. Maar zij wilden niet voor hem opendoen. 51. Judas gaf bevel in het leger uit te roepen dat iedereen zich moest legeren waar hij was. De strijders legerden zich en vielen de stad die hele dag en die hele nacht aan, en de stad werd in zijn handen gegeven. 52. Hij doodde alle mannen met het zwaard, verwoestte de stad helemaal, plunderde haar en trok door de stad over de gesneuvelden heen. Vandaar staken zij de Jordaan over naar de grote vlakte tegenover Bet-San. 53. Judas leidde de achterhoede en bemoedigde het volk de hele weg, totdat hij in het land Juda kwam. 54. Zij trokken op naar de berg Sion met vreugde en blijdschap, en zij brachten brandoffers, omdat er niet één van hen gevallen was totdat zij in vrede terugkwamen. 55. In die dagen, toen Judas en Jonathan in Gilead waren en zijn broer Simon in Galilea tegenover Ptolemaïs, 56. hoorden Jozef, de zoon van Zacharia, en Azaria, de aanvoerders van de troepen, van de dappere daden en de oorlogen die zij gevoerd hadden. Zij zeiden: 57. Laten wij ook naam maken. Laten wij optrekken om oorlog te voeren tegen de volken om ons heen. 58. Zij gaven bevel aan de troepen die bij hen waren, en zij trokken op tegen Jamnia. 59. Gorgias en zijn mannen kwamen de stad uit, hun tegemoet, om tegen hen te vechten. 60. Jozef en Azaria werden op de vlucht gedreven en achtervolgd tot aan de grens van Judea. Die dag vielen er van het volk Israël wel tweeduizend man, en er ontstond een grote vlucht onder het volk Israël, 61. omdat zij niet naar Judas en zijn broers geluisterd hadden en dachten dat zij ook een dappere daad zouden doen. 62. Maar zij waren niet uit het geslacht van die mannen door wie Israël redding gegeven is. 63. Judas en zijn broers kregen grote eer bij heel Israël en bij alle volken waar hun naam gehoord werd, 64. zodat men bij hen samenkwam om hun geluk te wensen. 65. Judas en zijn broers trokken uit en bestreden de nakomelingen van Ezau in het land dat naar het zuiden ligt. Hij versloeg Hebron en de dorpen eromheen. 66. Hij verwoestte haar vesting en verbrandde al haar torens rondom. Hij brak op, trok naar het land van de Filistijnen en trok door Samaria. 67. Op die dag vielen de priesters in de strijd, omdat zij een dappere daad wilden doen en zonder overleg ten strijde trokken. 68. Judas trok naar Azotus in het land van de Filistijnen. Hij brak hun altaren af, verbrandde de beelden van hun goden met vuur, plunderde de steden en keerde terug naar het land Juda. ## 1 Makkabeeën 6 — De dood van Antiochus en de olifanten 1. Koning Antiochus trok door de hooglanden en hoorde dat er in Elymaïs in Perzië een stad was die beroemd was om haar rijkdom aan zilver en goud, 2. en dat de tempel daarin heel rijk was, met gouden bedekkingen, pantsers en wapens die Alexander daar achtergelaten had, de zoon van Filippus, de koning van Macedonië, die als eerste over de Grieken geregeerd had. 3. Hij kwam erheen om de stad in te nemen en te plunderen, maar dat lukte hem niet, omdat de mensen van die stad ervan gehoord hadden. 4. Zij kwamen tegen hem in opstand om te vechten. Hij vluchtte en vertrok daar met groot verdriet, en hij keerde terug naar Babylon. 5. Toen kwam er iemand die hem in Perzië bericht bracht dat de legers die naar het land Juda getrokken waren, op de vlucht geslagen waren, 6. en dat Lysias met een sterke macht voorop getrokken was en voor hen op de vlucht was gedreven, en dat de Joden versterkt waren met wapens, troepen en veel buit die zij op de verslagen legers veroverd hadden, 7. en dat zij de gruwel afgebroken hadden die zij op het altaar in Jeruzalem gebouwd hadden, en dat zij het heiligdom, zoals het eerst was, met hoge muren omringd hadden, en ook Bet-Sur, zijn stad. 8. Toen de koning dat hoorde, was hij zo verbijsterd en van streek dat hij op bed viel en van verdriet ziek werd, omdat het hem niet gegaan was zoals hij gedacht had. 9. Hij lag daar vele dagen, omdat het grote verdriet steeds weer over hem kwam, en hij dacht dat hij zou sterven. 10. Daarom riep hij al zijn vrienden en zei tegen hen: De slaap is weg uit mijn ogen en mijn hart bezwijkt van de zorgen. 11. Ik heb bij mijzelf gezegd: in wat voor benauwdheid ben ik terechtgekomen, in wat voor grote vloed zit ik nu! Was ik maar goed en geliefd geweest in mijn regering. 12. Maar nu denk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem gedaan heb, en dat ik alle gouden en zilveren voorwerpen die er waren, heb weggenomen, en dat ik mensen gestuurd heb om de inwoners van Juda zonder reden uit te roeien. 13. Ik erken dat deze ellende mij daarom getroffen heeft. En kijk, ik ga van groot verdriet te gronde in een vreemd land. 14. Hij riep Filippus, een van zijn vrienden, en stelde hem aan over zijn hele koninkrijk. 15. Hij gaf hem zijn koningskroon, zijn koningsmantel en zijn ring, zodat hij zijn zoon Antiochus zou halen en hem zou opvoeden om koning te worden. 16. En koning Antiochus stierf daar, in het honderdnegenenveertigste jaar. 17. Toen Lysias hoorde dat de koning gestorven was, stelde hij zijn zoon Antiochus aan als koning in zijn plaats, die hij vanaf zijn jeugd had opgevoed, en hij noemde hem Eupator. 18. Wie in de burcht zaten, sloten de Israëlieten rondom het heiligdom in, zochten steeds veel kwaad te doen en waren een steun voor de volken. 19. Daarom nam Judas zich voor hen uit te roeien, en hij riep heel het volk bijeen om hen te belegeren. 20. Zij kwamen samen en belegerden hen in het honderdvijftigste jaar, en hij maakte tegen hen stormtuig en ander belegeringsgereedschap. 21. Enkelen van wie ingesloten waren, kwamen naar buiten, en enkele goddeloze mannen uit Israël sloten zich bij hen aan. Zij reisden naar de koning en zeiden: 22. Hoe lang duurt het nog voordat u recht doet en onze broeders wreekt? 23. Wij hebben ervoor gekozen uw vader te dienen, te leven naar wat hij ons beval en zijn bevelen na te komen. Daardoor zijn de mensen van ons eigen volk van ons vervreemd. 24. Sterker nog: iedereen van ons die gevonden werd, werd gedood, en onze bezittingen werden geroofd. 25. En zij hebben hun handen niet alleen tegen ons uitgestrekt, maar ook tegen heel hun eigen gebied. 26. En kijk, zij hebben vandaag hun kamp opgeslagen tegenover de burcht van Jeruzalem om die en het heiligdom in te nemen, en zij hebben Bet-Sur versterkt. 27. Als u hun niet snel voor bent, zullen zij nog meer doen dan dit, en dan zult u hen niet meer kunnen tegenhouden. 28. De koning werd kwaad toen hij dat hoorde. Hij riep al zijn vrienden bijeen, de aanvoerders van zijn troepen en de bevelhebbers van de ruiterij. 29. Ook van andere koningen en van de eilanden in de zee kwamen er veel huurtroepen naar hem toe, 30. zodat het aantal van zijn troepen honderdduizend man voetvolk was, twintigduizend ruiters en tweeëndertig olifanten die voor de oorlog getraind waren. 31. Zij kwamen door Idumea en sloegen hun kamp op bij Bet-Sur. Zij bestookten het vele dagen en maakten belegeringswerktuigen, maar wie binnen zaten, vielen uit, verbrandden die met vuur en vochten dapper. 32. Judas brak op van de burcht en legerde zich bij Bet-Zecharja, tegenover het leger van de koning. 33. De koning stond vroeg in de morgen op en zette zijn leger in beweging. Hij bracht het in grote haast naar de weg van Bet-Zecharja. Het leger stelde zich op om te vechten, en zij bliezen op de trompetten. 34. Zij lieten de olifanten het sap van wijndruiven en moerbeien zien, om hen moediger te maken voor de strijd. 35. Zij verdeelden de dieren over de slaglinies. Bij elke olifant zetten zij duizend man voetvolk, met maliënkolders van ijzer en met koperen helmen op hun hoofd, en bij elk dier werden vijfhonderd uitgelezen ruiters ingedeeld. 36. Die waren altijd daar waar het dier was, en waar het ging, gingen zij mee, en zij weken niet van zijn zijde. 37. Op die olifanten stonden sterke houten torens, die elk dier bedekten en met tuig vastgesjord waren, en op elk stonden tweeëndertig strijders en een Indiër die het dier mende. 38. De rest van de troepen stelden de aanvoerders aan weerszijden van het leger op, om de vijand in beweging te brengen en in te sluiten. 39. Toen de zon op de gouden schilden scheen, glansden de bergen ervan en straalden zij als vuurfakkels. 40. Een deel van het leger van de koning was uitgespreid over de hoge bergen en een deel in de laagten, en zij trokken zelfverzekerd en in goede orde verder. 41. Iedereen die het geluid van hun menigte en het gekletter van de wapens hoorde, raakte van streek, want het leger was heel groot en sterk. 42. Judas en zijn leger kwamen dichterbij om aan te vallen, en van het leger van de koning vielen zeshonderd man. 43. Eleazar Auäran zag een van de dieren met koninklijk pantser uitgerust, dat boven alle andere dieren uitstak, en hij dacht dat de koning erop zat. 44. Hij gaf zichzelf om zijn volk te redden en om een blijvende naam te krijgen. 45. Hij rende heel moedig op hem af, midden door de slaglinies. Hij sloeg links en rechts dood, en zij weken aan beide kanten voor hem uit. 46. Hij ging onder de olifant staan, stak hem van onderen en doodde hem. De olifant viel op de grond, boven op hem, zodat hij daar stierf. 47. Toen zij de kracht van de koning en de aanval van zijn troepen zagen, weken zij voor hen terug. 48. De troepen van de koning trokken hun tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn kamp op in Judea en op de berg Sion. 49. Hij sloot vrede met wie in Bet-Sur waren. Zij trokken de stad uit, omdat zij daar geen voorraden meer hadden om ingesloten te blijven, want het was een sabbatsjaar voor het land. 50. De koning nam Bet-Sur in en legde daar een bezetting om de stad te bewaken. 51. Hij belegerde het heiligdom vele dagen. Hij zette daar stormtuig neer en belegeringswerktuigen om vuur en stenen te werpen, en schorpioenen om pijlen te schieten en te slingeren. 52. Ook zij maakten werktuigen tegenover de werktuigen van de vijand, en zij vochten vele dagen. 53. Maar zij hadden geen eten meer in hun voorraadvaten, omdat het het zevende jaar was, en wie het overleefd hadden en uit de volken naar Judea gevlucht waren, hadden opgegeten wat er nog opgeslagen lag. 54. Er waren nog maar weinig mannen over in de heilige plaatsen, omdat de honger hen te sterk was geworden, en zij waren verstrooid, ieder naar zijn eigen plaats. 55. Maar toen Lysias hoorde dat Filippus, die koning Antiochus bij zijn leven had aangesteld om zijn zoon Antiochus op te voeden tot hij koning zou worden, 56. uit Perzië en Medië teruggekeerd was met de troepen van de koning die met hem getrokken waren, en dat hij het rijk met alles wat erbij hoorde aan zich probeerde te trekken, 57. haastten zij zich en spoorden zij elkaar aan om van de burcht af te trekken en tegen de koning en tegen de aanvoerders van de troepen en tegen de mannen te zeggen: Wij worden elke dag minder, ons voedsel is bijna op, de plaats die wij belegeren is sterk, en wij moeten voor de zaken van het koninkrijk zorgen. 58. Laten wij deze mannen de rechterhand geven en vrede met hen sluiten, en met heel hun volk. 59. Laten wij hun toestaan te leven naar hun eigen wetten, zoals vroeger. Want om hun wetten, die wij afgeschaft hebben, zijn zij kwaad geworden en hebben zij dit alles gedaan. 60. Dat voorstel beviel de koning en de aanvoerders. Hij stuurde mannen naar hen om vrede aan te bieden, en zij namen dat aan. 61. De koning en de aanvoerders zwoeren hun dat, en zij trokken uit de vesting. 62. De koning ging naar de berg Sion en bekeek de sterkte van de plaats. Hij brak de eed die hij gezworen had en gaf bevel de muur eromheen af te breken. 63. Hij vertrok snel en keerde terug naar Antiochië. Daar trof hij Filippus aan, die over de stad regeerde. Hij voerde oorlog tegen hem en nam de stad met geweld in. ## 1 Makkabeeën 7 — Nikanor en de dag van Adar 1. In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Seleucus, uit Rome. Hij trok met een paar mannen op naar een stad aan de zee en regeerde daar als koning. 2. Toen hij naar het koningshuis van zijn voorouders ging, grepen de troepen Antiochus en Lysias om hen bij hem te brengen. 3. Toen hij dat hoorde, zei hij: Laat mij hun gezicht niet zien. 4. De troepen doodden hen, en Demetrius ging op de troon van zijn koninkrijk zitten. 5. Bij hem kwamen alle mannen die de wet overtraden en alle goddeloze mannen uit Israël. Alcimus was hun leider, en hij wilde het hogepriesterschap hebben. 6. Zij beschuldigden het volk bij de koning en zeiden: Judas en zijn broers hebben al uw vrienden vernietigd en zij hebben ons uit ons land verdreven. 7. Stuur dan nu een man die u vertrouwt. Laat hem daarheen reizen en zien wat een verwoesting hij bij ons en in het land van de koning aangericht heeft, en laat hij hem straffen en iedereen die hem geholpen heeft. 8. De koning koos Bacchides, een vriend van de koning, die aan de overkant van de rivier regeerde, die groot was in het koninkrijk en die de koning trouw was. 9. Hij stuurde hem, en met hem de goddeloze Alcimus. Hij gaf hem het hogepriesterschap en droeg hem op wraak te nemen op de Israëlieten. 10. Zij trokken op en kwamen met een groot leger in het land van Juda. Hij stuurde boden naar Judas en zijn broers met vriendelijke woorden, maar met bedrog. 11. Maar zij luisterden niet naar hun woorden, want zij zagen dat zij met een groot leger gekomen waren. 12. Een groep schriftgeleerden verzamelde zich bij Alcimus en Bacchides om te vragen wat rechtvaardig was. 13. De Asideeën waren de eersten onder de Israëlieten die hun om vrede vroegen. 14. Want zij zeiden: Er is een priester uit het nageslacht van Aäron met de troepen meegekomen, en die zal ons geen onrecht aandoen. 15. Hij sprak vriendelijke woorden met hen en zwoer hun: Wij zullen u en onze vrienden geen kwaad doen. 16. Zij geloofden hem. Maar hij nam zestig mannen uit hen gevangen en doodde hen op één dag, zoals de psalmdichter geschreven heeft: 17. zij hebben het vlees van Uw heiligen en hun bloed rondom Jeruzalem vergoten, en er was niemand die hen begroef. 18. Er kwam angst en beving over heel het volk, zodat zij zeiden: Er is geen waarheid en geen recht bij hen, want zij hebben het verbond en de eed die zij gezworen hadden verbroken. 19. Bacchides brak op uit Jeruzalem en legerde zich in Bezet. Hij stuurde mannen uit en greep velen van wie naar hem waren overgelopen, en enkelen van het volk. Hij doodde hen en wierp hen in een grote put. 20. Hij stelde Alcimus aan over het land en liet troepen bij hem achter om hem te helpen. Bacchides trok terug naar de koning. 21. Alcimus vocht om het hogepriesterschap. 22. Bij hem kwamen allen samen die hun volk in beroering brachten. Zij namen de macht in het land van Juda en brachten Jeruzalem een grote nederlaag toe. 23. Judas zag al het kwaad dat Alcimus en zijn mensen onder de Israëlieten deden, meer nog dan de volken. 24. Hij trok door heel het gebied van Judea, nam wraak op alle mannen die overgelopen waren en hield hen tegen, zodat zij het land niet meer in konden. 25. Toen Alcimus zag dat Judas en zijn mensen de sterkste waren, en begreep dat hij hen niet kon weerstaan, keerde hij terug naar de koning en beschuldigde hen van slechte daden. 26. De koning stuurde Nikanor, een van zijn beroemdste aanvoerders, die Israël haatte en vijandig gezind was, en hij droeg hem op het volk uit te roeien. 27. Nikanor kwam met een groot leger in Jeruzalem en stuurde aan Judas en zijn broers een bedrieglijke boodschap met vriendelijke woorden. 28. Hij zei: Laat er geen strijd zijn tussen mij en u. Ik zal met weinig mannen komen om u in vrede te ontmoeten. 29. Hij kwam bij Judas, en zij begroetten elkaar vreedzaam. Maar de vijanden stonden klaar om Judas met geweld mee te nemen. 30. Judas merkte dat hij met bedrog naar hem toe gekomen was. Hij schrok van hem en wilde hem niet meer onder ogen komen. 31. Toen Nikanor doorhad dat zijn plan ontdekt was, trok hij hem tegemoet bij Kafarsalama. 32. Aan de kant van Nikanor vielen ongeveer vijfhonderd man, en zij vluchtten de Davidsstad in. 33. Daarna ging Nikanor op naar de berg Sion. Een paar priesters kwamen uit het heiligdom naar buiten en een paar oudsten van het volk, om hem vreedzaam te begroeten en hem het brandoffer te laten zien dat voor de koning gebracht werd. 34. Maar hij bespotte hen en lachte hen uit, maakte hen onrein en sprak hoogmoedig. 35. Hij zwoer woedend: Als Judas en zijn leger nu niet in mijn handen worden overgeleverd, dan zal ik, als ik in vrede terugkom, dit huis verbranden. En hij ging weg in grote woede. 36. De priesters gingen de tempel in, gingen voor het altaar en de tempel staan, huilden en zeiden: 37. Heere, U hebt dit huis uitgekozen, zodat Uw naam erin aangeroepen zou worden en het voor Uw volk een huis van gebed en smeking zou zijn. 38. Neem toch wraak op deze man en op zijn leger, en laat hen door het zwaard vallen. Denk aan hun godslasteringen en laat hun geen rust. 39. Nikanor trok weg uit Jeruzalem en legerde zich bij Bet-Choron, en daar kwamen de troepen uit Syrië hem tegemoet. 40. Judas legerde zich in Adasa met drieduizend man. Judas bad tot God en zei: 41. Toen de mannen die door koning Sanherib gestuurd waren godslasterlijk spraken, ging Uw engel uit en versloeg honderdvijfentachtigduizend van hen. 42. Vermorzel zo ook vandaag dit leger voor ons, zodat wie overblijven leren dat zij verkeerd gesproken hebben over Uw heiligdom, en oordeel hem naar zijn boosheid. 43. De legers raakten slaags op de dertiende dag van de maand Adar. Het leger van Nikanor werd vermorzeld, en hijzelf was de eerste die in die slag viel. 44. Toen zijn leger zag dat Nikanor dood was, gooiden zij hun wapens weg en vluchtten. 45. Zij achtervolgden hen een dagreis lang, van Adasa tot aan Gezer, en zij bliezen achter hen alarm op de trompetten. 46. Uit alle dorpen van Judea kwamen de inwoners en sloten hen in. Zij dreven hen naar elkaar toe, en zij vielen allemaal door het zwaard. Er bleef er niet één over. 47. Zij namen de buit en de roof mee, en zij hakten het hoofd van Nikanor af en zijn rechterhand, die hij hoogmoedig had uitgestoken. Zij namen die mee en hingen ze op bij Jeruzalem. 48. Het volk was heel blij en zij vierden die dag als een dag van grote vreugde. 49. Zij bepaalden dat die dag elk jaar zo gevierd zou worden, de dertiende van de maand Adar. 50. En het land van Juda had een paar dagen rust. ## 1 Makkabeeën 8 — Het verbond met Rome 1. Judas hoorde van de naam van de Romeinen: dat zij sterk en machtig waren, dat zij makkelijk toestonden wat men hun voorstelde, dat zij vriendschap sloten met iedereen die naar hen toe kwam, en dat zij groot waren in kracht. 2. Want men vertelde hem over hun oorlogen en hun dappere daden tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden en belastingplichtig gemaakt. 3. En wat zij gedaan hadden in het land Spanje, om de zilver- en goudmijnen daar in handen te krijgen, en dat zij met goed overleg en met geduld alle plaatsen in handen gekregen hadden, hoewel die heel ver van hen af lagen. 4. En over de koningen die van het uiterste einde van de aarde tegen hen opgetrokken waren, tot zij hen vermorzeld hadden en een grote nederlaag toegebracht, en dat wie overbleven hun elk jaar belasting betaalden. 5. En dat zij Filippus en Perseus, koningen van Macedonië, die tegen hen in opstand gekomen waren, vermorzeld en overwonnen hadden. 6. En onder hen ook Antiochus de Grote, de koning van Azië, die met honderdtwintig olifanten, ruiterij, wagens en heel veel troepen tegen hen was opgetrokken, en dat ook hij door hen vermorzeld was. 7. En dat zij hem levend gevangen hadden en hem en de koningen na hem hadden opgelegd hun een hoge belasting te betalen, gijzelaars te geven en een gebied af te staan, 8. namelijk het land India, Medië en Lydië en andere van zijn mooiste gebieden, en dat zij die van hem overgenomen hadden en aan koning Eumenes gegeven. 9. En dat de Grieken in hun raad besloten hadden op te trekken om hen te vernietigen, en dat de Romeinen daarachter gekomen waren, 10. en dat zij een legeraanvoerder tegen hen gestuurd hadden en hen zo bestreden hadden dat er veel gewonden van hen vielen en velen gevangengenomen werden, met hun vrouwen en kinderen. Zij plunderden hen, namen hun land in, braken hun vestingen af, plunderden hen leeg en brachten hen tot slavernij, tot op vandaag. 11. En dat zij de andere koninkrijken en eilanden die hun weerstand boden, verwoest en tot slavernij gebracht hadden. 12. Maar dat zij met hun vrienden en met wie tevreden waren met hen, vriendschap hielden, en dat zij zo alle koninkrijken dichtbij en ver weg in handen gekregen hadden, en dat iedereen die hun naam hoorde bang voor hen was. 13. En dat wie zij wilden helpen en laten regeren, ook werkelijk regeerden, en dat zij afzetten wie zij wilden, en dat zij zeer machtig waren. 14. En dat bij dat alles niemand van hen een koningskroon opzette of een purperen mantel aantrok om zich daarmee te laten gelden, 15. maar dat zij een raad voor zichzelf ingesteld hadden, en dat er dagelijks driehonderdtwintig raadsleden van het volk overlegden om het land goed te besturen, 16. en dat zij één man vertrouwden om een jaar lang over hen te regeren en over heel hun land te heersen, en dat zij allemaal die ene gehoorzaamden, en dat er onder hen geen afgunst of jaloezie was. 17. Judas koos Eupolemus uit, de zoon van Johannes, de zoon van Akkos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij stuurde hen naar Rome om vriendschap en een bondgenootschap te sluiten, 18. en om het juk van hen weg te nemen, omdat zij zagen dat het rijk van de Grieken Israël tot slavernij bracht. 19. Zij reisden naar Rome, een heel lange weg. Zij gingen de raad binnen, namen het woord en zeiden: 20. Judas de Makkabeeër en zijn broers en het volk van de Joden hebben ons naar u toe gestuurd om met u een bondgenootschap en vrede te sluiten, en om als uw medestrijders en vrienden ingeschreven te worden. 21. Dat voorstel beviel hun. 22. En dit is het afschrift van de brief die zij op koperen platen schreven en naar Jeruzalem stuurden, om daar een gedenkteken van de vrede en het bondgenootschap te zijn: 23. Moge het de Romeinen en het volk van de Joden goed gaan, op zee en op het land, voor altijd. En laten het zwaard en de vijand ver van hen blijven. 24. Maar als er eerst oorlog uitbreekt tegen Rome, of tegen een van hun bondgenoten in hun gebied, 25. dan zal het volk van de Joden de Romeinen van harte in de oorlog bijstaan, zoals de omstandigheden van die tijd het voorschrijven. 26. En zij zullen aan wie tegen hen oorlog voeren geen proviand, wapens, geld of schepen geven of leveren. Zo hebben de Romeinen het goedgevonden, en zij zullen zich aan deze afspraken houden zonder er iets voor te vragen. 27. En omgekeerd: als het volk van de Joden het eerst oorlog krijgt, dan zullen de Romeinen hen van harte in de oorlog bijstaan, zoals de tijd het hun voorschrijft. 28. En aan wie tegen hen strijden, zal niets gegeven worden: geen proviand, geen wapens, geen geld en geen schepen. Zo heeft de stad Rome het goedgevonden, en zij zullen zich aan deze afspraken houden, zonder bedrog. 29. Met deze woorden sloten de Romeinen een verbond met het volk van de Joden. 30. En als na deze woorden de een of de ander er iets aan wil toevoegen of eruit wil halen, dan mogen zij dat doen naar eigen inzicht, en alles wat zij toevoegen of weglaten, zal geldig zijn. 31. Verder: over het kwaad dat koning Demetrius hun aandoet, hebben wij hem geschreven: waarom hebt u uw juk zwaarder gemaakt voor onze vrienden en bondgenoten de Joden? 32. Als zij ons dan opnieuw om hulp tegen u vragen, zullen wij hun recht doen en oorlog tegen u voeren, op zee en op het land. ## 1 Makkabeeën 9 — De dood van Judas en de opkomst van Jonathan 1. Toen Demetrius hoorde hoe Nikanor en zijn troepen de oorlog gevoerd hadden, stuurde hij Bacchides en Alcimus voor de tweede keer naar het land Juda, met de rechtervleugel van zijn leger. 2. Zij namen de weg naar Gilgal, sloegen hun kamp op bij Mesaloth in Arbela, namen het in en doodden veel mensen. 3. In de eerste maand van het honderdtweeënvijftigste jaar sloegen zij hun kamp op bij Jeruzalem. 4. Zij braken op en trokken naar Berea met twintigduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters. 5. Judas had zijn kamp bij Elasa, met drieduizend uitgelezen mannen. 6. Zij zagen dat de troepenmacht groot was en werden erg bang. Velen liepen uit het kamp weg, zodat er nog maar achthonderd man overbleven. 7. Toen Judas zag dat zijn leger weggelopen was en dat de strijd hem dwong, werd hij benauwd in zijn hart, want hij had geen tijd om hen weer bijeen te brengen, en hij was diep verslagen. 8. Hij zei tegen wie overgebleven waren: Laten wij opstaan en optrekken tegen onze vijanden, misschien kunnen wij hen verslaan. 9. Maar zij hielden hem tegen en zeiden: Dat kunnen wij niet. Laten wij liever ons leven redden. Ga nu terug, want onze broeders zijn weggelopen. Zouden wij met zo weinig mensen tegen hen vechten? 10. Judas zei: Ik zal zoiets nooit doen, dat ik voor hen zou vluchten. Als onze tijd gekomen is, laten wij dan als mannen sterven voor onze broeders, en laten wij geen smet op onze eer achterlaten. 11. Ondertussen brak het leger van Bacchides uit hun kamp op en stelde zich tegenover hen op. De ruiterij was in twee delen verdeeld. De slingeraars en boogschutters gingen voor de troepen uit, en alle sterke mannen stonden vooraan om als eersten te vechten. 12. Bacchides was bij de rechtervleugel. De slaglinies van beide delen kwamen naderbij en zij bliezen op de trompetten. 13. Ook de mannen van Judas bliezen op de trompetten, zodat de aarde beefde van het geluid van de legers. Zij vochten tegen elkaar van 's ochtends vroeg tot de avond. 14. Judas zag dat Bacchides en het sterkste deel van het leger aan de rechterkant stonden, en alle moedige mannen voegden zich bij hem. 15. De rechtervleugel werd door hen verslagen, en hij achtervolgde hen tot aan de berg Azotus. 16. Toen wie op de linkervleugel stonden zagen dat de rechtervleugel vermorzeld was, draaiden zij om en volgden Judas en zijn mannen van achteren op de hielen. 17. De strijd werd hevig, en er vielen aan beide kanten veel gewonden. 18. Ook Judas viel, en de rest sloeg op de vlucht. 19. Jonathan en Simon namen hun broer Judas op en begroeven hem in het graf van zijn voorouders in Modin. 20. Heel Israël huilde om hem en rouwde vele dagen diep over hem. Zij zeiden: 21. Hoe is de machtige gevallen, die Israël verloste? 22. Wat er verder over Judas te zeggen valt, over zijn oorlogen en zijn dappere daden en hoe uitzonderlijk die waren, is niet opgeschreven, want het waren er heel veel. 23. Na de dood van Judas kwamen alle mannen die de wet overtraden in het gebied van Israël tevoorschijn, en iedereen die onrecht deed, stond op. 24. In die dagen kwam er een heel grote hongersnood, en het land liep met hen mee over. 25. Bacchides koos goddeloze mannen uit en stelde hen aan als heren van het land. 26. Zij zochten de vrienden van Judas op, spoorden hen op en brachten hen bij Bacchides, die hen strafte en bespotte. 27. Er kwam over Israël zo'n grote verdrukking als er niet meer geweest was sinds de dag dat er geen profeet meer onder hen gezien werd. 28. Daarom kwamen alle vrienden van Judas bijeen en zeiden zij tegen Jonathan: 29. Sinds uw broer Judas gestorven is, is er geen man als hij geweest om uit te trekken tegen de vijanden, tegen Bacchides en tegen wie vijanden van ons volk zijn. 30. Daarom hebben wij u vandaag uitgekozen om in zijn plaats onze leider en veldheer te zijn en onze oorlog te voeren. 31. Jonathan nam op dat moment het leiderschap op zich, en hij stond op in de plaats van zijn broer. 32. Toen Bacchides dat hoorde, probeerde hij hem te doden. 33. Jonathan en zijn broer Simon en allen die bij hem waren, hoorden dat. Zij vluchtten naar de woestijn van Tekoa en legerden zich bij het water van het meer Asfar. 34. Toen Bacchides dat hoorde, stak hij op de sabbatdag met al zijn troepen de Jordaan over. 35. Jonathan stuurde zijn broer, die aanvoerder van de schare was, om aan de Nabateeërs, hun vrienden, te vragen of zij hun grote hoeveelheid bagage bij hen mochten stallen. 36. Maar de zonen van Ambri deden een uitval uit Medeba, grepen Johannes en alles wat hij bij zich had, en gingen daarmee weer weg. 37. Daarna werd aan Jonathan en zijn broer Simon bericht dat de zonen van Ambri een grote bruiloft vierden en dat zij met veel vertoon de bruid begeleidden, een dochter van een van de groten van Kanaän, uit Nabadat. 38. Zij dachten aan hun broer Johannes, trokken op en verstopten zich in een grot in de berg. 39. Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij, en zie, daar kwam een luidruchtige, feestelijke stoet aan. De bruidegom en zijn vrienden en broers kwamen hun tegemoet met veel trommels, muziek en wapens. 40. Zij sprongen uit hun hinderlaag op hen af en doodden hen. Er vielen veel gewonden, en wie overbleven vluchtten naar de berg. Zij namen al hun buit mee. 41. Zo veranderde de bruiloft in rouw en het geluid van hun muziek in klaagliederen. 42. Zo namen zij wraak voor het bloed van hun broer, en zij keerden terug naar de oever van de Jordaan. 43. Toen Bacchides dat hoorde, kwam hij op de sabbatdag met veel troepen naar de oever van de Jordaan. 44. Jonathan zei tegen wie bij hem waren: Laten wij nu opstaan en vechten voor ons leven, want vandaag is het niet als gisteren en eergisteren. 45. Want kijk, de oorlog staat voor ons en achter ons. Aan de ene en aan de andere kant is het water van de Jordaan, met het moeras en het kreupelhout, en er is geen plek om uit te wijken. 46. Roep dan nu tot God in de hemel, zodat jullie uit de handen van de vijanden gered worden. 47. De strijd begon. Jonathan strekte zijn hand uit om Bacchides te slaan, maar die week achteruit voor hem. 48. Jonathan en zijn mannen sprongen in de Jordaan en zwommen naar de overkant, en de anderen staken de Jordaan niet over om hen te achtervolgen. 49. Aan de kant van Bacchides vielen die dag ongeveer duizend man, en hij keerde terug naar Jeruzalem. 50. Hij bouwde sterke steden in Judea: de vesting in Jericho, en Betel, Timnat, Faraton en Tefo, met hoge muren, poorten en grendels. 51. Hij legde daar bezettingen in om Israël vijandig te bestrijden. 52. Hij versterkte de stad Bet-Sur, en Gezer en de burcht, en hij legde daar troepen in en sloeg er voedselvoorraden op. 53. Hij nam de zonen van de leiders van het land als gijzelaars en zette hen in de burcht in Jeruzalem gevangen. 54. In het honderddrieënvijftigste jaar, in de tweede maand, gaf Alcimus bevel de muur van de binnenste voorhof van het heiligdom af te breken. Hij brak de werken van de profeten af, en hij begon met de afbraak. 55. Op datzelfde moment werd Alcimus door een beroerte getroffen. Zijn werk werd tegengehouden, zijn mond werd gesloten, hij raakte helemaal verlamd, en hij kon geen woord meer spreken en geen bevel meer geven over zijn huis. 56. Alcimus stierf in diezelfde tijd met grote pijn. 57. Toen Bacchides zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij terug naar de koning, en het land Juda had twee jaar rust. 58. Alle mannen die de wet overtraden hielden raad en zeiden: Kijk, Jonathan en zijn mensen wonen rustig en veilig. Laten wij Bacchides terughalen, dan zal hij hen allemaal in één nacht grijpen. 59. Zij reisden erheen en overlegden met hem. 60. Hij brak op en kwam met een groot leger, en hij stuurde in het geheim brieven aan al zijn medestanders in Judea dat zij Jonathan en zijn mensen moesten grijpen. Maar dat lukte niet, omdat hun plan bij hen bekend geworden was. 61. Zij grepen vijftig mannen uit het land die dit kwaad op touw gezet hadden, en zij doodden hen. 62. Jonathan en Simon en hun mensen trokken naar Bet-Basi in de woestijn. Hij bouwde op wat daar afgebroken was en versterkte de stad. 63. Toen Bacchides dat hoorde, riep hij al zijn troepen bijeen en ontbood ook wie in Judea waren. 64. Hij kwam en legerde zich tegenover Bet-Basi. Hij belegerde het vele dagen en maakte belegeringswerktuigen. 65. Jonathan liet zijn broer Simon in de stad achter, trok het land in en kwam terug met een grote troepenmacht. 66. Hij versloeg Odomera en zijn broers en de zonen van Fasiron in hun tenten. En toen hij begon toe te slaan en met zijn troepen optrok, 67. deed Simon met zijn mannen een uitval uit de stad en verbrandde hij de belegeringswerktuigen. 68. Zij vochten tegen Bacchides. Hij werd door hen verslagen en zij zetten hem zo onder druk dat zijn plan en zijn veldtocht op niets uitliepen. 69. Zij waren woedend op de goddeloze mannen die hem aangeraden hadden naar het land te komen, en zij doodden velen van hen. En hij besloot uit hun land te vertrekken. 70. Toen Jonathan dat merkte, stuurde hij gezanten naar hem toe om vrede met hem te sluiten en om de gevangenen vrij te krijgen. 71. Bacchides nam de vrede aan, deed wat hij beloofd had en zwoer hem dat hij hem zijn leven lang geen kwaad zou proberen te doen. 72. Hij gaf hem de gevangenen terug die hij eerder in het land Juda gevangen had genomen. Hij keerde terug naar zijn land en heeft nooit meer geprobeerd hun gebied binnen te komen. 73. Zo kwam het zwaard in Israël tot rust. Jonathan ging in Michmas wonen. Hij begon het volk te besturen en zorgde ervoor dat de goddelozen zich in Israël niet meer lieten zien. ## 1 Makkabeeën 10 — Twee koningen dingen naar Jonathan 1. In het honderdzestigste jaar trok Alexander op, de zoon van Antiochus die Epifanes genoemd werd. Hij nam Ptolemaïs in, zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning. 2. Toen koning Demetrius dat hoorde, bracht hij een groot leger bijeen en trok hem tegemoet om te vechten. 3. Demetrius stuurde Jonathan brieven met vriendelijke woorden om hem hoog te eren. 4. Want hij zei: Laten wij hem voor zijn en vrede met hem sluiten, voordat hij met Alexander vrede sluit tegen ons. 5. Want hij zal denken aan al het kwaad dat wij hem, zijn broers en zijn volk aangedaan hebben. 6. Hij gaf hem het recht troepen bijeen te brengen en wapens klaar te maken, en om zijn bondgenoot te zijn. En hij gaf bevel de gijzelaars die in de burcht zaten aan hem over te dragen. 7. Jonathan kwam in Jeruzalem en las die brieven voor ten aanhoren van heel het volk en van wie in de burcht waren. 8. Zij werden heel bang toen zij hoorden dat de koning hem het recht gegeven had troepen bijeen te brengen. 9. Wie in de burcht waren, gaven de gijzelaars aan Jonathan over, en hij gaf hen terug aan hun ouders. 10. Jonathan ging in Jeruzalem wonen en hij begon de stad op te bouwen en te vernieuwen. 11. Hij gaf de werklieden opdracht de muren op te bouwen en de berg Sion rondom met vierkante stenen te versterken, en zij deden dat. 12. De vreemdelingen die in de vestingen zaten die Bacchides gebouwd had, vluchtten. 13. Ieder verliet zijn plaats en trok naar zijn eigen land. 14. Alleen in Bet-Sur bleven er enkelen over van wie de wet en de geboden verlaten hadden, want dat was hun toevluchtsoord. 15. Koning Alexander hoorde van de beloften die Demetrius aan Jonathan gestuurd had, en men vertelde hem over de oorlogen en de dappere daden van hem en zijn broers, en over wat zij doorstaan hadden. 16. Toen zei hij: Zouden wij nog zo'n man vinden? Laten wij hem dan tot onze vriend en bondgenoot maken. 17. Hij schreef hem een brief en stuurde die naar hem toe. Die luidde zo: 18. Koning Alexander wenst zijn broeder Jonathan voorspoed. 19. Wij hebben van u gehoord dat u een sterk en machtig man bent en dat u geschikt bent om onze vriend te zijn. 20. En nu stellen wij u vandaag aan tot hogepriester van uw volk en tot vriend van de koning. En hij stuurde hem een purperen mantel en een gouden kroon, en hij zei daarbij: Houd het met ons en blijf met ons bevriend. 21. Jonathan trok het heilige gewaad aan in de zevende maand van het honderdzestigste jaar, op het Loofhuttenfeest. Hij bracht troepen bijeen en maakte veel wapens klaar. 22. Demetrius hoorde dat, werd bedroefd en zei: 23. Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander ons voor is geweest om vriendschap met de Joden te sluiten en zich zo te versterken? 24. Ik zal hun ook schrijven, met woorden van aanmoediging, van eerbetoon en van geschenken, zodat zij mij te hulp komen. 25. En hij schreef hun met deze woorden: Koning Demetrius wenst het volk van de Joden voorspoed. 26. Wij hebben gehoord dat u de verbonden met ons gehouden hebt, dat u in onze vriendschap gebleven bent en dat u zich niet bij onze vijanden gevoegd hebt, en wij zijn daar blij om geweest. 27. Blijf daar dan bij en houd ons trouw, en wij zullen u alle goeds vergelden voor wat u voor ons doet. 28. Wij zullen u veel lasten kwijtschelden en u geschenken geven. 29. En nu stel ik u vrij. Ik ontsla alle Joden van de tollen, van de belasting op het zout en van de kroongelden en van het derde deel van het gezaaide. 30. En van de helft van de boomvruchten die ik hoor te krijgen, ontsla ik u vanaf vandaag, zodat u die zelf ontvangt uit het land Juda en uit de streken die daarbij gevoegd zijn uit Samaria en Galilea, en dat vanaf vandaag voor altijd. 31. En laat Jeruzalem heilig en vrij zijn, met haar gebied, haar tienden en haar tollen. 32. Ik geef ook het gezag over de burcht in Jeruzalem uit handen en geef dat aan de hogepriester, zodat hij daar de mannen mag neerzetten die hij zelf kiest om de burcht te bewaken. 33. En alle Joden die uit het land Juda gevangen zijn weggevoerd naar mijn hele koninkrijk, laat ik kosteloos vrij. Iedereen wordt de belasting kwijtgescholden, ook die op hun vee. 34. En alle feestdagen en sabbatten en nieuwe manen en andere vastgestelde dagen, en drie dagen vóór het feest en drie dagen erna: al die dagen zullen voor alle Joden in mijn rijk dagen van vrijstelling en kwijtschelding zijn. 35. Niemand zal het recht hebben iets tegen hen te ondernemen of hen in welke zaak dan ook lastig te vallen. 36. En uit de Joden zullen er tot dertigduizend man in het leger van de koning ingeschreven worden. Zij zullen soldij krijgen zoals het de troepen van de koning toekomt. En uit hen zullen er in de grote vestingen van de koning gelegerd worden. 37. En uit hen zullen ook mensen aangesteld worden over de zaken van het koninkrijk waarvoor betrouwbaarheid nodig is. Hun toezichthouders en hun aanvoerders zullen uit hun eigen kring komen, en zij zullen leven naar hun eigen wetten, zoals de koning dat ook voor het land Juda bepaald heeft. 38. En de drie streken die van het land Samaria bij Judea gevoegd zijn, zullen bij Judea gevoegd blijven, zodat zij als één geheel gerekend worden en aan niemands gezag onderworpen zijn dan aan dat van de hogepriester. 39. De stad Ptolemaïs en het land dat erbij hoort, schenk ik aan het heiligdom in Jeruzalem, voor de kosten die aan het heiligdom besteed moeten worden. 40. En ik geef ook jaarlijks vijftienduizend sikkel zilver uit de koninklijke kas, uit de plaatsen die daarbij horen. 41. En alles wat er nog openstaat en wat men in de eerste jaren niet aan de behoeften afgedragen heeft, dat zullen zij vanaf nu geven voor het werk aan de tempel. 42. En daarbij worden ook de vijfduizend sikkel zilver kwijtgescholden die zij uit de inkomsten kregen, zoals in de eerste jaren uit de jaarlijkse kas van het heiligdom, omdat die de priesters toekomen die de dienst doen. 43. En iedereen die naar de tempel in Jeruzalem vlucht, of naar het hele gebied eromheen, en die belasting aan de koning of iets anders schuldig is, zal vrijgelaten worden, met alles wat hij in mijn koninkrijk bezit. 44. En voor het opbouwen en vernieuwen van het werk aan het heiligdom zullen de kosten uit de koninklijke kas betaald worden. 45. Ook voor het opbouwen van de muren van Jeruzalem en het rondom versterken zullen de kosten uit de koninklijke kas betaald worden, en ook voor het opbouwen van de muren in Judea. 46. Toen Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden zij ze niet en namen zij ze niet aan, omdat zij dachten aan het grote kwaad dat hij in Israël gedaan had en hoe zwaar hij hen onderdrukt had. 47. Maar zij vonden het goed het met Alexander te houden, omdat hij als eerste woorden van vrede gesproken had. En zij hielden het al die tijd met hem. 48. Koning Alexander bracht een groot leger bijeen en legerde zich tegenover Demetrius. 49. Die twee koningen begonnen te vechten. Het leger van Demetrius sloeg op de vlucht, Alexander achtervolgde het en kreeg de overhand. 50. En omdat hij tot zonsondergang hard bleef aandringen in de slag, viel Demetrius die dag. 51. Alexander stuurde gezanten naar Ptolemeüs, de koning van Egypte, die het volgende zeiden: 52. Nu ik teruggekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, op de troon van mijn voorouders zit, de macht in handen heb en, na Demetrius verslagen te hebben, onze gebieden heroverd heb, 53. en nu ik tegen hem gestreden heb, hij en zijn leger door ons verslagen zijn en wij op de troon van zijn koninkrijk zitten, 54. laten wij nu vriendschap met elkaar sluiten. Geef mij uw dochter ten huwelijk, dan zal ik uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken geven die u waard zijn. 55. Koning Ptolemeüs antwoordde: Gelukkig is de dag waarop u teruggekeerd bent in het land van uw voorouders en op de troon van hun koninkrijk gaan zitten bent. 56. En nu zal ik doen wat u geschreven hebt. Maar kom mij tegemoet in Ptolemaïs, zodat wij elkaar kunnen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen, zoals u gezegd hebt. 57. Ptolemeüs vertrok uit Egypte, hij en zijn dochter Cleopatra, en zij kwamen in Ptolemaïs in het honderdtweeënzestigste jaar. 58. Koning Alexander kwam hem tegemoet. Hij gaf hem zijn dochter Cleopatra en vierde de bruiloft in Ptolemaïs, zoals koningen dat doen, met grote pracht. 59. Koning Alexander schreef Jonathan dat hij hem moest komen ontmoeten. 60. Hij reisde met grote pracht naar Ptolemaïs en ontmoette de beide koningen. Hij gaf hun en hun vrienden zilver en goud en veel geschenken, en hij vond genade bij hen. 61. Daar kwamen enkele kwaadaardige mannen uit Israël tegen hem samen, mannen die de wet overtraden, om hem te beschuldigen. Maar de koning lette niet op hen. 62. De koning gaf juist bevel Jonathan zijn kleren uit te trekken en hem een purperen mantel aan te doen, en dat deden zij. De koning zette hem naast zich neer. 63. Hij zei tegen zijn aanvoerders: Ga met hem naar het midden van de stad en laat uitroepen dat niemand hem van iets mag beschuldigen en dat niemand hem in welke zaak dan ook lastig mag vallen. 64. En toen zijn aanklagers zijn eer zagen, zoals die uitgeroepen werd, en dat hij een purperen mantel aanhad, vluchtten zij allemaal weg. 65. De koning eerde hem, schreef hem in bij zijn voornaamste vrienden en stelde hem aan als aanvoerder van het leger en als medebestuurder. 66. En Jonathan keerde in vrede en met vreugde terug naar Jeruzalem. 67. In het honderdvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Kreta naar het land van zijn voorouders. 68. Toen Alexander dat hoorde, werd hij zeer bedroefd en keerde hij terug naar Antiochië. 69. Demetrius stelde Apollonius aan, die over Celo-Syrië gezet was. Die bracht een groot leger bijeen, legerde zich in Jamnia en stuurde een boodschap aan de hogepriester Jonathan: 70. Bent u de enige die zich tegen ons verheft? Ben ik om u tot een spot en een schande geworden? Waarom speelt u in de bergen de baas tegenover ons? 71. Als u dan op uw troepen vertrouwt, kom dan naar beneden, naar ons in de vlakte, en laten wij daar met elkaar vechten, want ik heb de macht van de steden achter mij. 72. Vraag maar na en leer wie ik ben en wie de anderen zijn die ons helpen. Zij zullen u zeggen dat uw voeten tegen ons geen stand kunnen houden, want uw voorouders zijn twee keer in hun eigen land op de vlucht geslagen. 73. En nu zult u niet kunnen standhouden tegen de ruiterij en tegen zo'n groot leger in deze vlakte, waar geen steen en geen rots en geen plek is om heen te vluchten. 74. Toen Jonathan die woorden van Apollonius hoorde, raakte hij in zijn gemoed geraakt. Hij koos tienduizend man uit en trok uit Jeruzalem, en zijn broer Simon kwam hem tegemoet om hem te helpen. 75. Hij legerde zich tegenover Joppe, maar zij sloten hem buiten de stad, omdat de bezetting van Apollonius in Joppe lag. Zij bestormden de stad. 76. De mensen in de stad werden bang en deden open, en Jonathan nam Joppe in. 77. Toen Apollonius dat hoorde, kwam hij met een leger van drieduizend ruiters en veel voetvolk. 78. Hij trok naar Azotus alsof hij daar alleen doorheen wilde reizen, maar meteen daarna trok hij de vlakte in, omdat hij veel ruiterij had en daarop vertrouwde. 79. Jonathan achtervolgde hem naar Azotus, en de legers raakten achter hem met elkaar slaags. 80. Apollonius had duizend ruiters in het geheim achter hen gelaten. 81. Jonathan merkte dat er achter hem een hinderlaag lag. Zij omsingelden zijn leger en schoten hun pijlen op het volk van 's ochtends vroeg tot de avond. Het volk bleef staan zoals Jonathan bevolen had, en hun paarden raakten uitgeput. 82. Toen bracht Simon zijn troepen naar voren en viel de slaglinies aan, want de ruiterij was afgemat. Zij werden door hem verslagen en sloegen op de vlucht. 83. De ruiterij raakte verstrooid over de vlakte en vluchtte naar Azotus. Zij gingen Bet-Dagon binnen, de tempel van hun afgod, om daar veilig te zijn. 84. Jonathan verbrandde Azotus en alle steden eromheen, nam al hun buit mee en verbrandde ook de tempel van Dagon met vuur, met iedereen die daarheen gevlucht was. 85. Wie door het zwaard omkwamen en wie verbrandden, waren samen achtduizend man. 86. Jonathan trok vandaar op en legerde zich tegenover Askelon, en de mensen van de stad kwamen hem met grote eer tegemoet. 87. Jonathan keerde met zijn mannen terug naar Jeruzalem, met grote buit. 88. Toen koning Alexander dat alles gehoord had, eerde hij Jonathan nog meer. 89. Hij stuurde hem een gouden gesp, zoals gewoonlijk aan bloedverwanten van koningen gegeven wordt, en hij gaf hem de stad Ekron met heel haar gebied als erfelijk bezit. ## 1 Makkabeeën 11 — Ptolemeüs en het einde van Alexander 1. De koning van Egypte bracht veel troepen bijeen, zo talrijk als het zand aan de oever van de zee, en veel schepen. Hij probeerde met bedrog het koninkrijk van Alexander in handen te krijgen en bij zijn eigen rijk te voegen. 2. Hij trok Syrië binnen met vriendelijke woorden, en de mensen van de steden openden de poorten voor hem en kwamen hem tegemoet, want koning Alexander had bevolen hem tegemoet te gaan, omdat hij zijn schoonvader was. 3. En zodra Ptolemeüs de steden binnenkwam, legde hij in elke stad troepen als bezetting. 4. Toen hij bij Azotus kwam, lieten zij hem de tempel van Dagon zien die met vuur verbrand was, en Azotus met haar voorsteden verwoest, en de dode lichamen die weggegooid waren, en de mensen die Jonathan in de oorlog verbrand had. Want zij hadden ze op hopen langs zijn weg gelegd. 5. Zij vertelden de koning wat Jonathan gedaan had, om hem in een kwaad daglicht te zetten. Maar de koning zweeg. 6. Jonathan kwam de koning met grote pracht tegemoet tot in Joppe. Zij begroetten elkaar en overnachtten daar. 7. Jonathan reisde met de koning mee tot aan de rivier die de Eleutherus heet, en hij keerde terug naar Jeruzalem. 8. Toen koning Ptolemeüs de macht gekregen had over de steden aan de kust tot aan Seleucië aan zee, beraamde hij kwade plannen tegen Alexander. 9. Hij stuurde gezanten naar koning Demetrius met de boodschap: Kom, laten wij een verbond met elkaar sluiten. Ik zal u mijn dochter geven die Alexander nu heeft, en u zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader. 10. Want ik heb er spijt van dat ik hem mijn dochter gegeven heb, want hij heeft mij proberen te doden. 11. Hij maakte hem verdacht, omdat hij zijn koninkrijk wilde hebben. 12. Hij nam zijn dochter weg en gaf haar aan Demetrius. Hij vervreemdde zich van Alexander, en hun vijandschap kwam in de openbaarheid. 13. Ptolemeüs kwam in Antiochië en zette twee koningskronen op zijn hoofd, die van Azië en die van Egypte. 14. Koning Alexander was in die tijd in Cilicië, omdat de inwoners van die streek in opstand kwamen. 15. Toen Alexander dat hoorde, kwam hij om tegen hem te vechten. Ptolemeüs trok uit, ontmoette hem met een sterke macht en sloeg hem op de vlucht. 16. Alexander vluchtte naar Arabië om daar beschermd te zijn. Maar koning Ptolemeüs werd verhoogd. 17. Zabdiël, de Arabier, sloeg Alexander het hoofd af en stuurde dat naar Ptolemeüs. 18. Koning Ptolemeüs stierf drie dagen later, en wie in zijn vestingen waren, werden door de mensen uit die vestingen omgebracht. 19. En Demetrius werd koning in het honderdzevenenzestigste jaar. 20. In die dagen bracht Jonathan de mannen uit Judea bijeen om de burcht in Jeruzalem in te nemen, en hij maakte daartegen veel belegeringswerktuigen. 21. Maar enkele mannen die hun eigen volk haatten en de wet overtraden, reisden naar de koning en meldden hem dat Jonathan de burcht belegerde. 22. Toen hij dat hoorde, werd hij kwaad. Meteen spande hij zijn wagen in en kwam hij in Ptolemaïs. Hij schreef Jonathan dat hij het beleg moest opgeven en hem zo snel mogelijk moest komen ontmoeten in Ptolemaïs om met hem te spreken. 23. Toen Jonathan dat hoorde, gaf hij bevel met de belegering door te gaan. Hij koos enkele oudsten van Israël en enkele priesters uit en begaf zichzelf in het gevaar. 24. Hij nam zilver, goud, kostbare kleren en nog veel meer geschenken mee. Hij reisde naar de koning in Ptolemaïs en vond genade bij hem. 25. Enkele goddeloze mannen uit het volk van de Joden beschuldigden hem. 26. Maar de koning behandelde hem zoals de koningen voor hem gedaan hadden, en hij verhoogde hem in het bijzijn van al zijn vrienden. 27. Hij bevestigde hem in het hogepriesterschap en in alle andere eerbewijzen die hij eerder gekregen had, en hij maakte hem tot een van zijn voornaamste vrienden. 28. Jonathan vroeg de koning of hij Judea en de drie streken en het land Samaria vrij wilde maken van belasting, en hij beloofde hem driehonderd talenten. 29. De koning vond dat goed, en hij schreef Jonathan brieven over dit alles, met deze inhoud: 30. Koning Demetrius wenst zijn broeder Jonathan en het volk van de Joden voorspoed. 31. Het afschrift van de brief die wij over u aan onze verwant Lasthenes geschreven hebben, sturen wij ook aan u, zodat u het kunt zien. 32. Wij hebben besloten het volk van de Joden, dat onze vriend is en dat zich tegenover ons aan het recht houdt, goed te doen om hun welwillendheid tegenover ons. 33. Daarom hebben wij hun het gebied van Judea toegewezen, met de drie streken Aferema, Lod en Ramataïm, die vanuit het land Samaria bij Judea gevoegd zijn, en alles wat daarbij hoort. Dat geven wij aan allen die in Jeruzalem offeren, in plaats van de koninklijke inkomsten die de koning eerder jaarlijks van hen kreeg uit de opbrengst van het land en uit de boomvruchten. 34. En alle andere inkomsten die ons toekomen, van tienden en van tollen, en de zoutpannen en de kroongelden die ons toekomen: dat alles schenken wij hun, vanaf nu. 35. En niets hiervan zal ooit nog ongedaan gemaakt worden. 36. Zorg er dan nu voor dat hiervan een afschrift gemaakt wordt en aan Jonathan gegeven wordt, en dat het op de heilige berg op een geschikte en bekende plaats wordt opgesteld. 37. Demetrius zag dat het land voor hem rustig was en dat niemand zich tegen hem verzette. Daarom stuurde hij al zijn troepen weg, ieder naar zijn plaats, behalve de huurtroepen die hij van de vreemde eilanden en volken had aangenomen. Daarom keerden alle troepen die hij van zijn voorouders geërfd had zich haatdragend tegen hem. 38. Er was een zekere Tryfon, die eerder aan de kant van Alexander gestaan had. Hij zag dat alle troepen tegen Demetrius mopperden, en hij reisde naar Simalkuë, de Arabier, die het kind Antiochus opvoedde, de zoon van Alexander. 39. Hij drong er bij hem op aan dat hij dat kind aan hem zou overgeven, zodat het in de plaats van zijn vader koning zou worden. Hij vertelde hem ook wat Demetrius gedaan had en hoe zijn troepen hem vijandig waren, en hij bleef daar vele dagen. 40. Jonathan stuurde brieven aan koning Demetrius met het verzoek wie in de burcht van Jeruzalem en in de vestingen zaten eruit te gooien, want zij streden tegen Israël. 41. Demetrius stuurde Jonathan een boodschap: Ik zal dat niet alleen voor u en uw volk doen, maar ik zal u en uw volk ook met grote eer overladen, zodra ik daar een goede gelegenheid voor krijg. 42. U zult er goed aan doen mij nu mannen te sturen die mij helpen vechten, want al mijn troepen zijn van mij afgevallen. 43. Jonathan stuurde hem drieduizend krachtige en dappere mannen naar Antiochië. Zij kwamen bij de koning, en de koning was blij dat zij kwamen. 44. De mensen van de stad verzamelden zich midden in de stad, ongeveer honderdtwintigduizend man, en zij wilden de koning doden. 45. De koning vluchtte naar het paleis, en de mensen van de stad namen de toegangswegen in en begonnen hem te bestrijden. 46. De koning riep de Joden te hulp. Zij kwamen allemaal bij hem samen en verspreidden zich door de stad. 47. Die dag doodden zij honderdduizend man in de stad. Zij staken de stad in brand, kregen die dag veel buit en redden de koning. 48. Toen de mensen van de stad zagen dat de Joden de stad in handen hadden zoals zij wilden, waren zij verslagen. Zij riepen smekend tot de koning. 49. Zij zeiden: Geef ons de rechterhand, en laat de Joden ophouden ons en de stad te bestrijden. 50. Zij gooiden hun wapens weg en sloten vrede. De Joden kregen grote eer, zowel bij de koning als bij iedereen in zijn rijk, en zij keerden terug naar Jeruzalem met grote buit. 51. Koning Demetrius ging op de troon van zijn koninkrijk zitten, en het land was rustig voor hem. 52. Maar hij hield zich niet aan wat hij beloofd had. Hij vervreemdde zich van Jonathan en vergold hem niet naar het goede dat hij hem bewezen had, maar hij onderdrukte hem zwaar. 53. Daarna kwam Tryfon terug, en met hem het jonge kind Antiochus. Dat werd koning, en hij zette hem de koningskroon op. 54. Bij hem verzamelden zich alle soldaten die Demetrius had afgedankt. Zij vochten tegen hem, hij vluchtte en werd op de vlucht gedreven. 55. Tryfon kreeg de olifanten in handen en nam de stad Antiochië in. 56. De jonge Antiochus schreef aan Jonathan: Ik bevestig u in het hogepriesterschap, ik stel u aan over de vier streken, en u zult een van de vrienden van de koning zijn. 57. Hij stuurde hem veel gouden vaatwerk voor zijn tafel, en hij gaf hem het recht uit goud te drinken, een purperen mantel te dragen en een gouden gesp te hebben. 58. Hij stelde zijn broer Simon aan als bevelhebber over de gebieden van Tyrus tot aan de grens van Egypte. 59. Jonathan trok uit en reisde over de rivier door de steden. Alle troepen van Syrië verzamelden zich bij hem om hem te helpen vechten. Hij kwam bij Askelon, en de mensen van de stad kwamen hem plechtig tegemoet. 60. Vandaar trok hij naar Gaza. De mensen van Gaza sloten hem buiten, en hij belegerde de stad rondom, verbrandde haar voorsteden met vuur en plunderde ze. 61. De mensen van Gaza smeekten Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand. Hij nam de zonen van hun leiders als gijzelaars en stuurde die naar Jeruzalem, en hij trok door dat land tot aan Damascus. 62. Jonathan hoorde dat de aanvoerders van Demetrius met veel troepen in Kades in Galilea waren en hem uit dat land wilden verdrijven. 63. Hij trok hun tegemoet en liet zijn broer Simon in het land achter. 64. Simon belegerde Bet-Sur. Hij bestormde de stad vele dagen en hield haar ingesloten. 65. Zij vroegen hem om de rechterhand, en hij gaf die. Hij verdreef hen daar, nam de stad in en legde er een bezetting in. 66. Jonathan legerde zich met zijn leger bij het meer Gennesaret, en vroeg in de morgen trokken zij naar de vlakte van Hasor. 67. En zie, het leger van de vreemdelingen kwam hem tegemoet in die vlakte. Zij hadden een hinderlaag tegen hem in de bergen gelegd, terwijl zij hem van voren tegemoet kwamen. 68. De mannen uit de hinderlaag kwamen uit hun plaatsen tevoorschijn en vielen hen aan. 69. Allen die bij Jonathan waren, sloegen op de vlucht. Er bleef er niet één bij hem, behalve Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas, de zoon van Chalfi, die aanvoerders van het leger waren. 70. Jonathan scheurde zijn kleren, legde aarde op zijn hoofd en bad tot God. 71. Hij keerde naar hen terug en vocht, en hij dreef hen op de vlucht, en zij vluchtten. 72. Toen wie van hem weggevlucht waren dat zagen, keerden zij naar hem terug en achtervolgden zij hen met hem tot aan Kades, tot aan hun kamp, en daar legerden zij zich. 73. Er vielen die dag wel drieduizend man van de vreemdelingen, en Jonathan keerde terug naar Jeruzalem. ## 1 Makkabeeën 12 — Brieven naar Rome en Sparta 1. Jonathan zag dat de tijd hem gunstig gezind was. Hij koos mannen uit en stuurde hen naar Rome om de vriendschap met hen te bevestigen en te vernieuwen. 2. Hij stuurde ook brieven met dezelfde inhoud naar de Spartanen en naar andere plaatsen. 3. Zij reisden naar Rome, kwamen in de raad en zeiden: Jonathan de hogepriester en het volk van de Joden hebben ons gestuurd om de vriendschap en het bondgenootschap met hen te vernieuwen, zoals vroeger. 4. Zij gaven hun brieven mee aan de inwoners van elke plaats, dat zij hen veilig naar het land Juda moesten begeleiden. 5. En dit is het afschrift van de brief die Jonathan aan de Spartanen geschreven heeft: 6. Jonathan de hogepriester, de raad van het volk, de priesters en de rest van het volk van de Joden wensen de Spartanen, hun broeders, voorspoed. 7. Eerder zijn er al brieven gestuurd aan de hogepriester Onias door Areüs, die toen koning bij u was, waarin stond dat u onze broeders bent, zoals het afschrift hieronder laat zien. 8. Onias heeft de man die daarmee gestuurd was met veel eer ontvangen en heeft de brieven aangenomen, waarin duidelijk sprake was van bondgenootschap en vriendschap. 9. Wij hebben dat nu eigenlijk niet nodig, omdat wij de heilige boeken in handen hebben die ons troosten. 10. Toch hebben wij het aangedurfd u te schrijven om de broederschap en de vriendschap die wij met u hebben te vernieuwen, zodat wij niet van u vervreemden. Want er is veel tijd voorbijgegaan sinds u ons geschreven hebt. 11. Wij denken bij elke gelegenheid onophoudelijk aan u, zowel op onze feestdagen als op andere passende dagen, bij de offers die wij brengen en ook in onze gebeden, zoals het hoort en zoals het past om aan broeders te denken. 12. En wij zijn ook blij over uw aanzien. 13. Wat ons betreft: veel verdrukkingen en veel oorlogen omringen ons, en alle koningen om ons heen voeren oorlog tegen ons. 14. Wij hebben u en onze andere bondgenoten en vrienden in deze oorlogen niet willen lastigvallen. 15. Want wij hebben hulp uit de hemel die ons te hulp komt, en wij zijn van onze vijanden verlost, en onze vijanden zijn vernederd. 16. Wij hebben dus Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, uitgekozen en hen naar de Romeinen gestuurd om de vroegere vriendschap en het bondgenootschap met hen te vernieuwen. 17. Wij hebben hun opgedragen ook naar u toe te reizen, u te groeten en u onze brieven over de vernieuwing van onze broederschap te overhandigen. 18. En u zult er goed aan doen ons hierop te antwoorden. 19. Dit is het afschrift van de brieven die zij aan Onias gestuurd hebben: 20. Areüs, de koning van de Spartanen, wenst de hogepriester Onias alle voorspoed. 21. In de geschriften is over de Spartanen en de Joden gevonden dat zij broeders zijn en dat zij uit het geslacht van Abraham komen. 22. Nu wij dit weten, zult u er goed aan doen ons te schrijven hoe het met u gaat. 23. En wij schrijven u terug: uw vee en alles wat u hebt, is van ons, en alles wat wij hebben, is van u. Wij hebben enkele mensen opgedragen u dit te zeggen, met deze inhoud. 24. Jonathan hoorde dat de aanvoerders van koning Demetrius terugkwamen met een leger dat groter was dan eerst, om tegen hem te vechten. 25. Hij vertrok uit Jeruzalem en ontmoette hen in het land Hamat, want hij gaf hun geen tijd om zijn land binnen te vallen. 26. Hij stuurde verkenners naar hun kamp. Toen die terugkwamen, brachten zij hem bericht dat zij het zo geregeld hadden dat zij hen 's nachts zouden overvallen. 27. Toen de zon ondergegaan was, gaf Jonathan bevel dat wie bij hem waren de hele nacht zouden waken, in de wapens zouden staan en klaar zouden zijn voor de strijd. En hij zette wachtposten rondom het kamp. 28. De vijanden hoorden dat Jonathan en zijn mannen klaarstonden voor de strijd. Zij werden bang en verslagen van hart. Zij staken vuren aan in hun kamp en vertrokken. 29. Jonathan en zijn mannen merkten het pas in de ochtend, want toen zagen zij de vuren nog branden. 30. Jonathan achtervolgde hen, maar hij haalde hen niet in, want zij waren al over de rivier de Eleutherus getrokken. 31. Jonathan keerde zich naar de Arabieren die Zabadeeërs heten, versloeg hen en nam hun buit mee. 32. Hij brak op, kwam bij Damascus en trok door het hele land. 33. Simon trok uit en doorkruiste het land tot aan Askelon en tot aan de dichtstbijzijnde vestingen. Hij ging naar Joppe en nam het in. 34. Want hij had gehoord dat zij de vesting wilden overgeven aan de aanhangers van Demetrius. Daarom legde hij daar een bezetting in om de stad te bewaken. 35. Jonathan keerde terug, riep de oudsten van het volk bijeen en overlegde met hen om vestingen in Judea te bouwen, 36. om de muren van Jeruzalem hoger op te trekken en om een hoge muur op te werpen tussen de burcht en de stad, om de burcht van de stad te scheiden, zodat die op zichzelf zou staan en men er niet kon kopen of verkopen. 37. Zij kwamen samen om de stad op te bouwen. Hij kwam bij de muur aan de beek in het oosten, en zij herstelden de plaats die Chafenata heet. 38. Simon bouwde Adida in de Sefela en versterkte het met deuren en grendels. 39. Tryfon probeerde koning over Azië te worden, de koningskroon op te zetten en de hand te slaan aan koning Antiochus. 40. Hij was bang dat Jonathan hem dat misschien niet zou toestaan en op een dag oorlog tegen hem zou voeren. Daarom zocht hij een manier om hem te grijpen en om te brengen. 41. Hij brak op en kwam bij Bet-San. Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend uitgelezen strijders en kwam ook bij Bet-San. 42. Toen Tryfon zag dat hij daar met een groot leger was, durfde hij zijn hand niet naar hem uit te strekken. 43. Maar hij ontving hem met grote eer, beval hem bij al zijn vrienden aan, gaf hem geschenken en droeg al zijn vrienden op hem te gehoorzamen als was hij hijzelf. 44. Hij sprak Jonathan zo aan: Waarom hebt u al deze mensen zo vermoeid, terwijl er tussen ons geen oorlog is? 45. Stuur hen dan nu naar huis en kies een paar mannen uit die bij u blijven. Kom met mij mee hierheen naar Ptolemaïs, dan zal ik u die stad overdragen en alle andere vestingen en de andere troepen en iedereen die over de inkomsten gaat. Daarna keer ik terug en vertrek ik, want daarvoor ben ik hier. 46. Jonathan geloofde hem en deed wat hij zei. Hij stuurde de troepen weg, en zij trokken naar het land Juda. 47. Hij hield drieduizend man bij zich. Daarvan liet hij er tweeduizend in Galilea, en duizend trokken met hem mee. 48. Maar zodra Jonathan Ptolemaïs binnen was, sloten de mensen van Ptolemaïs de poorten, grepen zij hem en doodden zij met het zwaard iedereen die met hem meegekomen was. 49. Tryfon stuurde troepen en ruiterij naar het land Galilea en naar de grote vlakte om iedereen te vernietigen die bij Jonathan geweest was. 50. Maar toen zij begrepen dat hij gegrepen was en omgekomen, met zijn mannen, spraken zij elkaar moed in en trokken zij dicht opeen verder, klaar om te vechten. 51. Toen wie hen achtervolgden zagen dat het om hun leven ging, keerden zij terug. 52. Zij kwamen allemaal in het land Juda aan en huilden om Jonathan en zijn mannen. Zij waren heel bang, en heel Israël rouwde diep. 53. Want alle volken om hen heen probeerden hen uit te roeien. 54. Want zij zeiden: Zij hebben geen leider en geen helper. Laten wij hen nu aanvallen en de herinnering aan hen bij de mensen uitwissen. ## 1 Makkabeeën 13 — Simon wordt leider 1. Simon hoorde dat Tryfon een groot leger bijeenbracht om naar het land Juda te komen en het te verdrukken. 2. Hij zag dat het volk erg bang en angstig was. Hij ging op naar Jeruzalem en riep het volk bijeen. 3. Hij bemoedigde hen en zei tegen hen: Jullie weten zelf wat ik en mijn broers en het huis van mijn vader gedaan hebben voor de wetten en voor het heiligdom, en welke oorlogen en benauwdheden wij gezien hebben. 4. Daarom zijn al mijn broers omgekomen, om Israël, en ik ben als enige overgebleven. 5. En nu: ik zal mijn leven nooit sparen in een tijd van verdrukking, want ik ben niet beter dan al mijn broers. 6. Maar ik zal wraak nemen voor mijn volk en voor het heiligdom en voor jullie vrouwen en kinderen, nu alle volken samengekomen zijn om ons uit vijandschap te vermorzelen. 7. En de geest van het volk leefde op toen zij deze woorden hoorden. 8. Zij antwoordden met luide stem: U bent onze leider, in plaats van uw broers Judas en Jonathan. 9. Voer onze oorlog, en wij zullen alles doen wat u ons zegt. 10. Hij bracht alle strijdbare mannen bijeen, haastte zich de muren van Jeruzalem op te bouwen en versterkte de stad rondom. 11. Hij stuurde Jonathan, de zoon van Absalom, met een grote troepenmacht naar Joppe. Die verdreef wie daar zaten en bleef er zelf. 12. Tryfon brak op uit Ptolemaïs om met een groot leger het land Juda binnen te vallen, en Jonathan hield hij gevangen bij zich. 13. Simon legerde zich in Adida, tegenover de vlakte. 14. Toen Tryfon begreep dat Simon in de plaats van zijn broer Jonathan opgestaan was en dat hij tegen hem zou vechten, stuurde hij gezanten naar hem toe. 15. Zij zeiden: Wij houden uw broer Jonathan gevangen om het geld dat hij aan de schatkist van de koning schuldig is uit hoofde van de zaken die hij beheerde. 16. Stuur nu honderd talenten zilver en twee van zijn zonen als gijzelaars, zodat hij niet van ons afvalt als hij vrijgelaten wordt, dan zullen wij hem loslaten. 17. Simon wist wel dat zij tegen hem logen, maar hij stuurde toch het geld en de twee jongens, om niet grote vijandschap bij het volk over zich af te roepen. 18. Die zouden zeggen: Omdat hij hem het geld en de kinderen niet gestuurd heeft, is zijn broer omgekomen. 19. Hij stuurde dus de jongens en honderd talenten. Maar hij bedroog hem met leugens en liet Jonathan niet vrij. 20. Daarna kwam Tryfon om het land binnen te vallen en te verwoesten. Hij nam een omweg naar Adora, en Simon en zijn leger trokken hem overal tegemoet waar hij ging. 21. Wie in de burcht waren, stuurden gezanten naar Tryfon om hem te laten opschieten, zodat hij via de woestijn naar hen toe zou komen en hun voedsel zou sturen. 22. Tryfon maakte al zijn ruiterij klaar om daarheen te trekken. Maar die nacht had het zwaar gesneeuwd, en hij ging vanwege de sneeuw niet. Hij brak op en trok naar Gilead. 23. Toen hij bij Baskama kwam, doodde hij Jonathan, en daar werd hij begraven. 24. Tryfon keerde terug en trok naar zijn land. 25. Simon stuurde mensen en haalde de beenderen van zijn broer Jonathan op, en zij begroeven hem in Modin, de stad van zijn voorouders. 26. Heel Israël rouwde diep over hem en huilde vele dagen om hem. 27. Simon bouwde boven het graf van zijn vader en zijn broers een monument. Hij trok het op met geslepen stenen, van achteren en van voren zeer fraai. 28. Daarop zette hij zeven piramides, de een tegenover de ander, voor zijn vader, zijn moeder en zijn vier broers. 29. Daarbij maakte hij grote zuilen die hij eromheen zette, en op die zuilen maakte hij allerlei wapens, tot een blijvende naam. En bij die wapens hakte hij schepen uit, zodat iedereen die over zee vaart ze kon zien. 30. Dat is het graf dat hij in Modin maakte, en het staat er tot op vandaag. 31. Tryfon ging bedrieglijk om met de jonge koning Antiochus en doodde hem. 32. Hij regeerde in zijn plaats als koning, zette de koningskroon van Azië op en bracht een grote plaag over het land. 33. Simon bouwde de vestingen van Judea op, ommuurde ze met hoge torens en grote muren en torens, met poorten en grendels, en hij legde voedselvoorraden in de vestingen aan. 34. Simon koos enkele mannen uit en stuurde hen naar koning Demetrius met het verzoek het land vrijstelling van belasting te geven, omdat alles wat Tryfon deed alleen maar roof geweest was. 35. Koning Demetrius antwoordde hem met deze woorden en schreef hem de volgende brief: 36. Koning Demetrius wenst de hogepriester Simon, de vriend van de koningen, en de oudsten en het hele Joodse volk voorspoed. 37. De gouden kroon en de purperen mantel die u mij gestuurd hebt, hebben wij ontvangen. Wij zijn bereid een volledige vrede met u te sluiten en aan de belastingambtenaren te schrijven dat zij u vrijstelling verlenen. 38. Alles wat wij u beloofd hebben, zal vaststaan, en de vestingen die u gebouwd hebt, zullen van u zijn. 39. Wij schelden u de vergrijpen en de misdaden tot op vandaag kwijt, en ook de kroongelden die u schuldig bent. En als er in Jeruzalem nog iets is waarover tol betaald werd, daarover zal voortaan geen tol meer betaald worden. 40. En als er onder u mannen geschikt zijn om bij ons ingeschreven te worden, laat hen dan ingeschreven worden, en laat er vrede tussen ons zijn. 41. In het honderdzeventigste jaar is het juk van de volken van Israël weggenomen. 42. Het volk van Israël begon in zijn documenten en contracten te schrijven: in het eerste jaar dat Simon de grote hogepriester was, veldheer en leider van de Joden. 43. In die dagen bracht Simon zijn leger voor Gazara. Hij belegerde de stad rondom, maakte een stormtoren, bracht die naar de stad, brak daarmee een toren af en nam die in. 44. Wie in die stormtoren zaten, sprongen de stad in, en er ontstond grote opschudding in de stad. 45. De mensen van de stad kwamen met hun vrouwen en kinderen op de muren, scheurden hun kleren en riepen met luide stem. Zij smeekten Simon hun de rechterhand te geven. 46. Zij zeiden: Doe ons niet naar onze boosheid, maar naar uw ontferming. 47. Simon liet zich vermurwen. Hij vernietigde hen niet, maar zette hen de stad uit. Hij reinigde de huizen waarin afgodsbeelden stonden, en zo trok hij de stad binnen, terwijl hij God prees en dankte. 48. Hij verwijderde alle onreinheid uit de stad en liet daar mannen wonen die de wet hielden. Hij versterkte de stad en bouwde er een woning voor zichzelf. 49. Wie in de burcht van Jeruzalem waren, konden het land niet meer in of uit en niet meer kopen of verkopen. Zij leden grote honger, en velen van hen stierven van honger. 50. Zij riepen Simon om hun de rechterhand te geven, en hij gaf die. Hij dreef hen daar weg en reinigde de burcht van de besmettingen. 51. Hij trok er binnen op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste jaar, met dankliederen en palmtakken, met citers, cimbalen en snarenspel, met lofzangen en liederen, omdat zo'n grote vijand uit Israël verdreven was. 52. Hij bepaalde dat die dag elk jaar met vreugde gevierd zou worden. 53. Hij versterkte de tempelberg bij de burcht, en hij ging daar wonen met al de zijnen. 54. Simon zag dat zijn zoon Johannes een volwassen man geworden was. Hij stelde hem aan als veldheer over alle troepen, en hij woonde in Gazara. ## 1 Makkabeeën 14 — De jaren van rust onder Simon 1. In het honderdtweeënzeventigste jaar bracht koning Demetrius zijn leger bijeen en trok hij naar Medië om hulptroepen te verzamelen voor de oorlog tegen Tryfon. 2. Toen Arsaces, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius zijn gebied binnengekomen was, stuurde hij een van zijn aanvoerders om hem levend te grijpen. 3. Die trok op, versloeg het leger van Demetrius, greep hem en bracht hem bij Arsaces, en die zette hem gevangen. 4. Het land had rust al de dagen van Simon. Hij zocht het welzijn van zijn volk, en zijn macht en zijn aanzien bevielen hun al die tijd. 5. Bij al zijn aanzien kreeg hij ook Joppe als haven, en hij maakte een toegang tot de eilanden in de zee. 6. Hij breidde het gebied van zijn volk uit en kreeg het land in handen. 7. Hij haalde veel gevangenen terug. Hij nam Gazara, Bet-Sur en de burcht in en verwijderde daaruit de onreinheden, en er was niemand die zich tegen hem verzette. 8. Iedereen bewerkte zijn land in vrede. Het land gaf zijn opbrengst en de bomen van het veld gaven hun vruchten. 9. De ouderen zaten op de pleinen en spraken met elkaar over goede dingen, en de jonge mannen trokken prachtige uitrustingen aan. 10. Hij voorzag de steden van voedsel en van allerlei gereedschap om ze te versterken, zodat zijn beroemde naam tot aan het uiterste einde van de aarde genoemd werd. 11. Hij bracht vrede in het land, en Israël was uitbundig blij. 12. Iedereen zat onder zijn wijnstok en zijn vijgenboom, en er was niemand die hen bang maakte. 13. Want wie hen bestreden, verdwenen uit het land, en de koningen werden in die dagen vermorzeld. 14. Hij sterkte iedereen van zijn volk die klein was. Hij onderzocht de wet zorgvuldig en verwijderde iedereen die de wet overtrad en iedereen die slecht was. 15. Hij maakte het heiligdom prachtig en vermeerderde het gerei van het heiligdom. 16. Toen men in Rome en tot in Sparta hoorde dat Jonathan dood was, werden zij zeer bedroefd. 17. En toen zij hoorden dat zijn broer Simon in zijn plaats hogepriester geworden was en dat hij het land en de steden daarin in handen had, 18. schreven zij hem op koperen platen om de vriendschap en het bondgenootschap met hem te vernieuwen die zij met zijn broers Judas en Jonathan gesloten hadden. 19. Die brieven werden voorgelezen voor de hele gemeenschap in Jeruzalem. En dit is het afschrift van de brief die de Spartanen stuurden: 20. De leiding en de stad van de Spartanen wensen de hogepriester Simon, de oudsten, de priesters en de rest van het volk van de Joden, hun broeders, voorspoed. 21. De gezanten die naar ons volk gestuurd zijn, hebben ons verteld over uw aanzien en uw eer, en wij waren blij dat zij kwamen. 22. En wij hebben opgeschreven wat zij in de raad van ons volk gezegd hebben, namelijk: Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, gezanten van de Joden, zijn bij ons gekomen om de vriendschap die zij met ons hadden te vernieuwen. 23. En ons volk vond het goed dat men die mannen met eer zou ontvangen en het afschrift van hun woorden zou opnemen in de boeken die ons volk daarvoor heeft, zodat het volk van de Spartanen daar de herinnering aan bewaart. En het afschrift hiervan schreven zij aan de hogepriester Simon. 24. Daarna stuurde Simon Numenius naar Rome met een groot gouden schild van duizend pond, om het bondgenootschap met hen te bevestigen. 25. Toen het volk dit hoorde, zeiden zij: Hoe zullen wij Simon en zijn zonen ooit kunnen bedanken? 26. Want hij en zijn broers en het huis van zijn vader hebben Israël sterk gemaakt. Zij hebben de vijanden van Israël onderworpen en verdreven, en zij hebben hun vrijheid veiliggesteld. En zij schreven dit op koperen platen en zetten die op zuilen op de berg Sion. 27. En dit is het afschrift van de tekst: Op de achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste jaar, het derde jaar dat Simon hogepriester was. 28. In Saramel, in de grote vergadering van de priesters, het volk, de leiders van het volk en de oudsten van het land, is ons het volgende bekend geworden, nu er in het land zo vaak oorlogen zijn geweest: 29. dat Simon, de zoon van Mattathias, uit de kinderen van Jojarib, en zijn broers zichzelf in gevaar hebben gebracht en de vijanden van hun volk weerstaan hebben, zodat hun heiligdom en de wet konden blijven bestaan, en dat zij hun volk met heel grote eer geëerd hebben. 30. Nadat Jonathan hun volk verzameld had en hun hogepriester geworden was, en hij bij zijn volk gevoegd was, 31. en toen hun vijanden hun land wilden binnenvallen om het te verwoesten en hun handen naar hun heiligdom uit te strekken, 32. toen is Simon opgestaan en heeft hij voor zijn volk gevochten. Hij maakte grote kosten uit zijn eigen geld, hij zorgde voor wapens voor de strijders van zijn volk en gaf hun soldij. 33. Hij versterkte de steden van Judea, en Bet-Sur aan de grens van Judea, waar eerder de wapens van de vijanden lagen, en hij legde daar Joodse mannen als bezetting in. 34. Hij versterkte ook Joppe aan zee, en Gazara aan de grens van Azotus, waar de vijanden eerder gewoond hadden. Hij liet daar Joden wonen en legde er alles in wat nodig was om ze weer op te bouwen. 35. Het volk zag de trouw van Simon en de eer die hij zijn volk wilde geven. Zij stelden hem aan als hun leider en als hogepriester, omdat hij dit alles gedaan had, om de gerechtigheid en de trouw die hij zijn volk bewezen had, en omdat hij op alle manieren geprobeerd had zijn volk te verhogen. 36. In zijn tijd is alles onder zijn handen voorspoedig geweest, en de volken zijn uit hun land weggedaan, ook wie in de Davidsstad in Jeruzalem waren. Zij hadden voor zichzelf een burcht gemaakt, en van daaruit deden zij uitvallen en maakten zij alles rondom het heiligdom onrein en brachten zij een grote plaag over wie geheiligd waren. 37. In die burcht liet Simon Joodse mannen wonen. Hij versterkte hem om het land en de stad veilig te stellen, en hij trok de muren van Jeruzalem hoger op. 38. Koning Demetrius bevestigde hem in alles in het hogepriesterschap, 39. maakte hem tot een van zijn vrienden en eerde hem met grote eer. 40. Want hij had gehoord dat de Romeinen de Joden hun vrienden en bondgenoten genoemd hadden en dat zij de gezanten van Simon met grote eer tegemoet gegaan waren. 41. En dat het de Joden en de priesters goed leek dat Simon voor altijd hun leider en hogepriester zou zijn, totdat er een betrouwbare profeet zou opstaan. 42. Dat hij hun veldheer zou zijn, dat hij ervoor zou zorgen dat door hem aangesteld werden wie in het heiligdom dienst zouden doen, en dat door hem aangesteld werden wie toezicht zouden houden op het land, op de wapens en op de vestingen. 43. Dat hij ook zou zorgen voor alles wat het heiligdom betreft, dat iedereen hem zou gehoorzamen, dat alle documenten in het land op zijn naam geschreven zouden worden, dat hij een purperen mantel mocht dragen en goud mocht dragen. 44. En dat het niemand van het volk en van de priesters toegestaan is hiervan iets ongedaan te maken, of tegen te spreken wat hij zegt, of zonder hem een vergadering in het land bijeen te roepen, of zich te tooien met een purperen mantel en een gouden gesp. 45. Wie iets tegen deze bepalingen doet of er iets van ongedaan maakt, zal gestraft worden. 46. Heel het volk vond het goed te bepalen dat men Simon naar al deze woorden zou behandelen. 47. Simon nam dat aan. Hij vond het goed dat hij hogepriester zou zijn, en veldheer, en leider van het volk van de Joden en van de priesters, en dat hij over allen zou gaan. 48. Zij gaven bevel deze tekst op koperen platen te zetten en die op te stellen in de zuilengang van het heiligdom, op een goed zichtbare plaats. 49. En dat een afschrift in de schatkamer gelegd zou worden, zodat Simon en zijn zonen het konden hebben. ## 1 Makkabeeën 15 — Antiochus keert zich tegen Simon 1. Antiochus, de zoon van koning Demetrius, stuurde vanaf de eilanden in de zee brieven aan Simon, de priester en leider van de Joden, en aan heel het volk. 2. Die hadden de volgende inhoud: Koning Antiochus wenst Simon, de hogepriester en leider, en het volk van de Joden voorspoed. 3. Omdat enkele slechte mannen het koninkrijk van onze vader in handen genomen hebben, heb ik mij voorgenomen het terug te krijgen en te herstellen zoals het vroeger was. Daarvoor heb ik een grote menigte huurtroepen aangenomen en veel oorlogsschepen uitgerust. 4. Ik wil het land binnengaan om hen te pakken te krijgen die ons land verwoest hebben en veel steden in het koninkrijk vernield hebben. 5. Daarom bevestig ik u nu alle vrijstellingen die de koningen vóór mij u gegeven hebben, en alle andere lasten die zij u kwijtgescholden hebben. 6. En ik sta u toe eigen munten te slaan voor uw land. 7. Jeruzalem en het heiligdom zullen vrij zijn, en alle wapens die u gemaakt hebt en de vestingen die u gebouwd hebt en die u nu hebt, zullen van u blijven. 8. En alles wat u de koning schuldig bent en alles wat de koning toe zal komen, is u kwijtgescholden, vanaf nu en voor altijd. 9. En wanneer wij ons koninkrijk gevestigd hebben, zullen wij u en uw volk en de tempel met grote eer overladen, zodat uw aanzien in alle landen bekend wordt. 10. In het honderdvierenzeventigste jaar trok Antiochus op naar het land van zijn voorouders, en alle troepen kwamen bij hem samen, zodat er nog maar weinig mannen bij Tryfon bleven. 11. Koning Antiochus achtervolgde hem, en hij vluchtte naar Dora, een stad aan zee. 12. Want hij zag dat de ellende zich boven hem samentrok en dat zijn soldaten hem verlieten. 13. Antiochus legerde zich tegenover Dora, met honderdtwintigduizend strijdbare mannen en achtduizend ruiters. 14. Hij omsingelde de stad, bracht ook schepen vanaf zee bijeen en sloot de stad in over land en over zee, en hij liet niemand naar binnen of naar buiten gaan. 15. Numenius en zijn mensen kwamen terug uit Rome met brieven aan de koningen en aan de landen, waarin dit geschreven stond: 16. Lucius, de consul van de Romeinen, wenst koning Ptolemeüs voorspoed. 17. De gezanten van de Joden, onze vrienden en bondgenoten, zijn bij ons gekomen om de oude vriendschap en het bondgenootschap te vernieuwen. Zij zijn gestuurd door de hogepriester Simon en door het volk van de Joden. 18. Zij hebben ons een schild van duizend pond gebracht. 19. Daarom hebben wij besloten aan de koningen en aan de landen te schrijven dat zij hun geen kwaad mogen doen en dat zij hen niet mogen bestrijden, noch hen, noch hun steden, noch hun land, en dat zij geen bondgenootschap mogen aangaan met wie hen aanvalt. 20. En wij hebben besloten het schild van hen aan te nemen. 21. Als er dan slechte mensen uit hun land naar u gevlucht zijn, lever hen dan uit aan de hogepriester Simon, zodat hij hen naar hun wet kan straffen. 22. Hetzelfde schreef hij ook aan koning Demetrius en aan Attalus, aan Ariarathes en aan Arsaces, 23. en naar alle landen: naar Sampsames, naar de Spartanen, naar Delos, Myndos, Sicyon, Karië, Samos, Pamfylië, Lycië, Halicarnassus, Kos, Side, Arados, Faselis, Gortyna, Knidos, Cyprus en Cyrene. 24. En een afschrift daarvan schreven zij aan de hogepriester Simon. 25. Koning Antiochus belegerde Dora voor de tweede maal. Hij zette voortdurend zijn troepen tegen de stad in en maakte belegeringswerktuigen, en hij sloot Tryfon zo in dat niemand er nog in of uit kon. 26. Simon stuurde hem tweeduizend uitgelezen mannen om hem te helpen vechten, en ook zilver, goud en veel gerei. 27. Maar hij wilde dat niet aannemen. Hij brak alles wat hij eerder met hem afgesproken had, en hij vervreemdde zich van hem. 28. Hij stuurde Athenobius naar hem toe, een van zijn vrienden, om met hem te onderhandelen, en die zei: Jullie hebben Joppe en Gazara en de burcht van Jeruzalem in handen genomen, steden van mijn koninkrijk. 29. Jullie hebben het gebied eromheen verwoest, jullie hebben een grote plaag over het land gebracht en jullie hebben veel plaatsen in mijn koninkrijk in handen genomen. 30. Geef nu dan de steden terug die jullie ingenomen hebben, en de tollen van de plaatsen die jullie in handen gekregen hebben buiten het gebied van Judea. 31. Of geef daarvoor in de plaats vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting die jullie aangericht hebben en voor de tollen van die plaatsen nog eens vijfhonderd talenten. Anders komen wij en voeren wij oorlog tegen jullie. 32. Athenobius, de vriend van de koning, kwam in Jeruzalem. Hij zag de pracht van Simon, zijn kast met bekers, met zijn goudwerk en zilverwerk en alle uitrusting, en hij was er stil van. Hij bracht hem de woorden van de koning over. 33. Simon antwoordde hem: Wij hebben het land van een ander niet ingenomen en wij hebben geen bezit van een ander in handen genomen, maar het erfdeel van onze voorouders, dat onze vijanden bij gelegenheid onrechtmatig in handen genomen hadden. 34. Wij hebben onze kans gekregen en het erfdeel van onze voorouders weer teruggehaald. 35. En wat Joppe en Gazara betreft, die u opeist: die hebben een grote plaag over het volk gebracht en ook over ons land. Toch zullen wij daarvoor honderd talenten geven. 36. Athenobius antwoordde hem geen woord. Hij keerde woedend terug naar de koning, vertelde hem deze woorden en ook over de pracht van Simon en alles wat hij gezien had. En de koning werd woedend. 37. Tryfon ging aan boord van een schip en vluchtte naar Ortosias. 38. De koning stelde Cendebeüs aan als bevelhebber over de kuststreek en gaf hem troepen te voet en te paard. 39. Hij droeg hem op zich tegenover Judea te legeren, Kedron op te bouwen, de poorten te versterken en het volk te bestrijden. En de koning achtervolgde Tryfon. 40. Cendebeüs kwam bij Jamnia en begon het volk te tergen, Judea binnen te vallen, mensen gevangen te nemen en te doden. En hij bouwde Kedron op. 41. Hij legde daar ruiters en soldaten in, zodat zij uitvallen konden doen en de wegen van Judea konden afstropen, zoals de koning hem opgedragen had. ## 1 Makkabeeën 16 — Johannes volgt Simon op 1. Johannes kwam uit Gazara en vertelde zijn vader Simon wat Cendebeüs deed. 2. Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zei tegen hen: Ik en mijn broers en het huis van mijn vader hebben vanaf onze jeugd tot op vandaag oorlog gevoerd tegen de vijanden van Israël, en het is ons gelukt Israël vaak door onze handen te bevrijden. 3. Maar nu ben ik oud geworden, en jullie zijn nu op de leeftijd om dit werk van ontferming te doen. Neem dan de plaats in van mij en van mijn broers. Trek op en vecht voor ons volk. En laat de hulp uit de hemel met jullie zijn. 4. Hij koos uit het land twintigduizend strijdbare mannen en een aantal ruiters. Zij trokken op tegen Cendebeüs en overnachtten in Modin. 5. Vroeg in de ochtend stonden zij op en trokken naar de vlakte. En zie, een grote macht te voet en te paard kwam hun tegemoet, en tussen hen in lag een beek. 6. Hij legerde zich met zijn mannen recht tegenover hen. Toen hij zag dat het volk bang was om de beek over te steken, ging hij als eerste zelf over, en toen de mannen dat zagen, gingen zij achter hem aan. 7. Hij verdeelde het volk en zette de ruiters midden tussen het voetvolk, want de ruiterij van de vijanden was heel groot. 8. Hij liet op de trompetten blazen, en Cendebeüs werd met zijn leger op de vlucht geslagen. Er vielen veel gewonden van hen, en wie overbleven vluchtten naar de vesting. 9. Toen raakte Judas, de broer van Johannes, gewond. Maar Johannes achtervolgde hen tot hij bij Kedron kwam, dat Cendebeüs gebouwd had. 10. Zij vluchtten tot in de torens in het gebied van Azotus. Hij stak de stad in brand, en van hen vielen wel tweeduizend man, en hij keerde in vrede terug naar het land Juda. 11. Ptolemeüs, de zoon van Abubus, was aangesteld als bevelhebber over de vlakte van Jericho, en hij had veel zilver en goud, 12. want hij was de schoonzoon van de hogepriester. 13. Zijn hart werd hoogmoedig. Hij wilde het land in handen krijgen en hij wilde met bedrog tegen Simon en zijn zonen optreden om hen om te brengen. 14. Simon trok door de steden van het land om te zorgen voor wat zij nodig hadden. Hij kwam in Jericho, met zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, de maand Sebat. 15. De zoon van Abubus ontving hen met bedrog in een kleine vesting die Dok heet en die hij gebouwd had. Hij maakte een grote maaltijd voor hen klaar en verborg daar mannen. 16. Toen Simon en zijn zonen flink gedronken hadden, stonden Ptolemeüs en zijn mannen op, grepen hun wapens, overvielen Simon tijdens de maaltijd en doodden hem en zijn twee zonen en een paar van zijn dienaren. 17. Zo pleegde hij groot verraad en vergold hij kwaad voor goed. 18. Ptolemeüs schreef dit op en stuurde het aan de koning, met het verzoek hem troepen te hulp te sturen, en met de belofte dat hij hem het land en de steden zou overdragen. 19. Hij stuurde anderen naar Gazara om Johannes om te brengen, en hij stuurde brieven aan de aanvoerders over duizend dat zij bij hem moesten komen, zodat hij hun zilver en goud en geschenken kon geven. 20. En hij stuurde anderen om Jeruzalem en de tempelberg in te nemen. 21. Maar iemand ging hen vooruit en meldde in Gazara aan Johannes dat zijn vader en zijn broers omgebracht waren en dat hij mannen gestuurd had om ook hem om te brengen. 22. Toen hij dat hoorde, schrok hij hevig. Hij greep de mannen die gekomen waren om hem te doden, en hij doodde hen, want hij begreep dat zij hem naar het leven stonden. 23. Wat Johannes verder gedaan heeft, zijn oorlogen en de dappere daden die hij verricht heeft, en de muren die hij opgebouwd heeft, en zijn andere daden, 24. dat alles staat geschreven in de boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap, vanaf de tijd dat hij na zijn vader hogepriester geworden is. ## 2 Makkabeeën 1 — Twee brieven naar Egypte 1. De broeders, de Joden in Jeruzalem en in het land Judea, wensen de broeders, de Joden in Egypte, voorspoed en goede vrede. 2. Moge God u goeddoen en denken aan Zijn verbond dat Hij gesloten heeft met Abraham, Izaäk en Jakob, Zijn trouwe dienaren. 3. Moge Hij u allen een hart geven om Hem te dienen en Zijn wil te doen met een goed hart en een gewillige ziel. 4. Moge Hij uw hart openen voor Zijn wet en Zijn geboden, en moge Hij u vrede geven. 5. Moge Hij uw gebeden verhoren, moge Hij met u verzoend zijn en u niet in de slechte tijd in de steek laten. 6. Ook nu bidden wij hier voor u. 7. Toen Demetrius koning was, in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en de uiterste nood die ons in die jaren overkomen is, vanaf de tijd dat Jason en zijn mensen zich van het heilige land en het koninkrijk hebben afgekeerd. 8. Zij hebben de voorpoort verbrand en onschuldig bloed vergoten. Wij baden tot de Heere en werden verhoord. Wij brachten slachtoffers en meelbloem, wij staken de lampen aan en legden de toonbroden neer. 9. Vier dan nu ook de dagen van het Loofhuttenfeest in de maand Kislev. 10. In het jaar honderdachtentachtig. Wie in Jeruzalem en Judea zijn, en de raad van de oudsten, en Judas, wensen Aristobulus, de leermeester van koning Ptolemeüs, uit het geslacht van de gezalfde priesters, en de andere Joden in Egypte voorspoed en gezondheid. 11. Nu God ons uit grote gevaren gered heeft, danken wij Hem zeer, alsof wij tegen de koning zelf gestreden hadden. 12. Want Hij heeft wie ons in de heilige stad bestreden, voor ons uit verdreven. 13. Want de aanvoerder kwam in Perzië, en zijn leger dat onoverwinnelijk leek, werd verslagen in de tempel van Nanea, door de bedrieglijke woorden van de priesters van Nanea. 14. Want Antiochus kwam met zijn vrienden op die plaats om met de godin te trouwen en het geld als bruidsschat te ontvangen. 15. De priesters van Nanea boden hem dat aan. En toen hij met een paar mannen de zuilengang van de tempel binnengekomen was, sloten zij de tempel af. 16. Antiochus ging naar binnen, en zij openden een geheime deur in het gewelf. Zij gooiden met stenen en doodden de aanvoerder en zijn mannen als door de bliksem. Zij hakten hen in stukken, sloegen hun hoofden af en gooiden die naar buiten, naar wie daar stonden. 17. In alles zij onze God geprezen, die de goddelozen aan de straf heeft overgegeven. 18. Wij gaan op de vijfentwintigste van de maand Kislev de reiniging van de tempel vieren. Wij vonden het passend u dat te laten weten, zodat u het ook viert als een Loofhuttenfeest, en als een feest van het vuur uit de tijd dat Nehemia de tempel en het altaar gebouwd had en offers bracht. 19. Want toen onze voorouders naar Perzië werden weggevoerd, namen de godvrezende priesters van toen in het geheim iets van het vuur van het altaar en verborgen dat in de holte van een put met droge bodem. Zij hebben het daar veiliggesteld, zodat niemand die plaats kende. 20. Er gingen veel jaren voorbij. Toen God het goedvond, stuurde Nehemia, die door de koning van Perzië gestuurd was, de nakomelingen van de priesters die het verborgen hadden, naar dat vuur. Zij lieten weten dat zij geen vuur gevonden hadden, maar dik water. 21. Toen gaf hij hun bevel dat op te scheppen en te brengen. Toen alles wat bij het offer hoorde geofferd was, gaf Nehemia de priesters bevel het hout en wat erop lag met dat water te besprenkelen. 22. Toen dat gebeurd was, en de tijd kwam dat de zon, die eerst achter wolken zat, weer ging schijnen, ontstak er een groot vuur, zodat zij zich allemaal verbaasden. 23. En terwijl het offer verteerd werd, baden de priesters, en heel het volk. Jonathan begon, en de anderen vielen hem eenstemmig bij, met Nehemia. 24. Het gebed ging zo: Heere, Heere God, U die alles geschapen hebt, U die ontzagwekkend bent en sterk en rechtvaardig en vol ontferming, U die als enige koning bent en goed, 25. U die als enige gul bent, als enige rechtvaardig, almachtig en eeuwig, U die Israël redt van alles wat kwaad is, U die onze voorouders tot uitverkorenen gemaakt en geheiligd hebt: 26. neem dit offer aan voor heel Uw volk Israël, bewaar Uw eigen deel en heilig hen. 27. Breng onze verstrooiden weer bijeen. Maak hen vrij die onder de volken slaaf zijn. Zie naar hen om die als niets gelden en als iets gruwelijks gezien worden, en laat de volken erkennen dat U onze God bent. 28. Straf hen die over ons heersen en die ons in hoogmoed beledigen. 29. Plant Uw volk in deze heilige plaats van U, zoals Mozes gezegd heeft. 30. De priesters zongen ondertussen lofliederen. 31. En toen het offer verteerd was, gaf Nehemia bevel het water dat nog over was op grote stenen te gieten. 32. Toen dat gebeurd was, sloeg er een vlam op, en toen het licht van het altaar ertegenaan scheen, werd het water verteerd. 33. Toen dit bekend werd en aan de koning van Perzië gemeld werd dat er op de plek waar de weggevoerde priesters het vuur verborgen hadden water tevoorschijn gekomen was, waarmee Nehemia het offer geheiligd had, 34. onderzocht de koning de zaak, en hij liet die plaats omheinen en heilig verklaren. 35. Aan wie hij goedgezind was, heeft hij daar veel en allerlei giften uit genomen en uitgedeeld. 36. Nehemia noemde het Neftar, wat vertaald reiniging betekent. Door velen wordt het nog steeds Neftar genoemd. ## 2 Makkabeeën 2 — Jeremia en de voorrede van de schrijver 1. In de geschriften staat dat de profeet Jeremia wie weggevoerd werden bevolen heeft iets van het vuur mee te nemen, zoals hier verteld is, en zoals de profeet bevolen had aan wie weggevoerd zouden worden. 2. Hij gaf hun de wet mee, dat zij de geboden van de Heere niet zouden vergeten en dat zij in hun denken niet zouden afdwalen wanneer zij de gouden en zilveren beelden en hun versiering zouden zien. 3. Hij zei nog meer van zulke dingen tegen hen en waarschuwde hen dat zij in hun hart niet van de wet zouden afwijken. 4. In datzelfde geschrift stond ook dat de profeet, op goddelijke aanwijzing, bevolen heeft dat de tent en de ark hem moesten volgen, en dat hij naar de berg ging waar Mozes op geklommen was en waar hij het erfdeel van God gezien had. 5. Toen Jeremia daar kwam, vond hij een grot om in te wonen. Hij bracht de tent, de ark en het reukofferaltaar daarin en sloot de ingang af. 6. Enkelen die hem gevolgd waren en gegaan waren om de weg te markeren, konden hem niet vinden. 7. Toen Jeremia dat merkte, wees hij hen terecht en zei hij dat die plaats onbekend zou blijven totdat God zich verzoend zou hebben. 8. Dan zou de Heere die dingen laten zien, en dan zouden de heerlijkheid van de Heere en de wolk gezien worden, zoals die ook aan Mozes verschenen zijn, en zoals Salomo gebeden heeft dat die plaats grondig geheiligd zou worden. 9. Want het is bekend hoe hij, die met wijsheid begaafd was, een offer bracht bij de inwijding en de heiliging van de tempel. 10. Ook Mozes bad tot de Heere, en het vuur viel uit de hemel en verteerde het offer. En zo bad ook Salomo, en het vuur kwam neer en verteerde de brandoffers. 11. En Mozes zei: Omdat het zondoffer niet gegeten mocht worden, daarom is het verteerd. 12. En Salomo vierde die acht dagen op dezelfde manier. 13. Deze zelfde dingen worden verteld in die geschriften en in de aantekeningen van Nehemia, en ook hoe hij een bibliotheek aanlegde en de geschriften van de koningen en de profeten en de geschriften van David bijeenbracht, en de brieven van koningen over de heilige geschenken. 14. Zo heeft ook Judas alles wat door de oorlog die ons aangedaan was verloren dreigde te gaan, bijeengebracht, en dat is bij ons. 15. Als u het nodig hebt, stuur dan mensen die het u kunnen brengen. 16. Nu wij het feest van de reiniging gaan vieren, hebben wij u dit geschreven, en u zult er goed aan doen deze dagen te vieren. 17. En God, die heel Zijn volk gered heeft en aan allen het erfdeel gegeven heeft, en het koninkrijk en het priesterschap en de heiliging, 18. zoals Hij in de wet beloofd heeft: op Hem hopen wij, dat Hij zich over ons zal ontfermen en dat Hij ons uit alle landen onder de hemel weer bijeen zal brengen op deze heilige plaats. 19. Want Hij heeft ons uit grote ellende verlost en Hij heeft deze plaats gereinigd. 20. En wat de zaken van Judas de Makkabeeër en zijn broers betreft, en de reiniging van de grote tempel en de inwijding van het altaar, 21. en de oorlogen die wij gevoerd hebben tegen Antiochus Epifanes en zijn zoon Eupator, 22. en de verschijningen uit de hemel aan hen die zich met eer als mannen ingezet hebben voor het Jodendom, zodat zij met weinigen het hele land doorkruisten en een menigte barbaren verjoegen, 23. en hoe de tempel, die in de hele bewoonde wereld beroemd is, weer door hen opgebouwd is en de stad haar vrijheid terugkreeg, en hoe de wetten die bijna verdwenen waren weer opgericht zijn, omdat de Heere hun in alle goedheid genadig geworden was: 24. dat alles heeft Jason van Cyrene in vijf boeken beschreven, en wij zullen proberen het in één boek kort samen te vatten. 25. Want wij zien hoe verwarrend de getallen zijn en hoe moeilijk het is voor wie de historische verhalen in één keer helemaal wil doorlezen, door de hoeveelheid stof. 26. Daarom hebben wij geprobeerd wie willen lezen wat plezier te geven, wie het goed willen onthouden wat hulp, en iedereen die dit boek onder ogen krijgt enig nut. 27. Voor ons, die de moeite genomen hebben om deze samenvatting te maken, was het niet makkelijk, maar een zaak vol zweten en waken. 28. Zoals het voor iemand die een grote maaltijd klaarmaakt en iedereen goed wil bedienen, niet makkelijk is om van velen dank te krijgen, zo zullen wij deze moeite toch graag nemen. 29. Wij laten de brede behandeling van elke zaak aan de schrijver over en gaan verder met deze samenvatting, in korte trekken. 30. Zoals iemand die een nieuw huis wil bouwen zich om het hele gebouw moet bekommeren, en iemand die met inbrandwerk iets wil schilderen zorgvuldig moet nagaan wat er voor de versiering nodig is, zo denk ik dat wij het ook moeten doen. 31. Maar alles uitvoerig behandelen, veel woorden gebruiken en elk onderdeel apart vertellen: dat hoort bij het werk van de geschiedschrijver. 32. En een samenvatting geven van wat er te zeggen valt en een brede uitleg van de zaken vermijden: dat moet men toestaan aan wie een samenvatting van een geschrift maakt. 33. Laten wij dan hier ons verhaal beginnen, met alleen nog deze toevoeging aan onze inleiding. Want het zou dwaas zijn als iemand die een samenvatting van een geschiedenis schrijft, meer woorden zou gebruiken dan de geschiedenis zelf. ## 2 Makkabeeën 3 — Heliodorus in de schatkamer 1. De heilige stad werd in alle vrede bewoond en de wetten werden zo goed mogelijk gehouden, door de vroomheid van de hogepriester Onias en zijn afkeer van het kwaad. 2. Daardoor gebeurde het dat zelfs de koningen die plaats eerden en de tempel met prachtige gaven vereerden. 3. Zo betaalde Seleucus, de koning van Azië, uit zijn eigen inkomsten alle kosten van de offerdienst. 4. Maar een zekere Simon, uit de stam Benjamin, die aangesteld was als opzichter van de tempel, kreeg ruzie met de hogepriester over het onrecht dat in de stad gepleegd werd. 5. En omdat hij Onias niet de baas kon worden, ging hij naar Apollonius, de zoon van Traseüs, die in die tijd bevelhebber van Celo-Syrië en Fenicië was. 6. Hij vertelde hem dat de schatkamer in Jeruzalem vol geld lag, dat de hoeveelheid kostbaarheden niet te tellen was, dat die niet bij de rekening van de offers hoorden en dat het mogelijk was ze in handen van de koning te laten komen. 7. Apollonius ging naar de koning en vertelde hem wat hij over dat geld gehoord had. De koning koos Heliodorus uit, die over zijn financiën ging, en stuurde hem met de opdracht dat geld op te halen. 8. Heliodorus ging meteen op reis, zogenaamd om de steden van Celo-Syrië en Fenicië te bezoeken, maar in werkelijkheid om het plan van de koning uit te voeren. 9. Hij kwam in Jeruzalem en werd door de hogepriester van de stad heel vriendelijk ontvangen. Hij vertelde wat men gemeld had, legde uit waarvoor hij er was en vroeg of dat echt zo was. 10. De hogepriester legde uit dat dit geld opzijgelegd was voor de weduwen en de wezen, 11. en dat een deel ervan ook toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobia, een man met een heel hoge positie, zodat het niet was zoals de goddeloze Simon lasterlijk beweerd had. Bij elkaar was het vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud. 12. En dat men onrecht zou doen aan wie vertrouwd hadden op de heiligheid van de plaats en op de eerwaardigheid en de onschendbaarheid van de tempel, die in de hele wereld geëerd wordt, en dat het daarom helemaal niet kon. 13. Maar Heliodorus zei, vanwege de bevelen die hij van de koning had, dat het geld hoe dan ook naar de schatkamer van de koning moest. 14. Hij stelde een dag vast en ging naar binnen om het geld te inspecteren en te regelen. Er heerste grote angst in de hele stad. 15. De priesters wierpen zich in hun priesterkleren voor het altaar neer en riepen naar de hemel, tot Hem die wetten gegeven heeft dat toevertrouwde goederen onbeschadigd bewaard moeten worden voor wie ze in bewaring gaven. 16. Wie naar het gezicht van de hogepriester keek, werd van binnen geschokt, want zijn gezicht en zijn veranderde kleur lieten zien hoe benauwd zijn ziel was. 17. Want angst en beving hadden hem lichamelijk bevangen, en daaraan konden wie naar hem keken duidelijk zien hoe verdrietig hij vanbinnen was. 18. Uit de huizen liepen de mensen in drommen naar het gemeenschappelijke gebed, omdat die plaats in verachting zou komen. 19. De vrouwen vulden de straten, met rouwkleren onder hun borsten gebonden. Van de meisjes die binnen gehouden werden, liepen sommigen naar de poorten, sommigen op de muren, en sommigen keken uit de vensters naar beneden. 20. En zij strekten allemaal hun handen naar de hemel uit en baden. 21. Het was zielig om te zien hoe de menigte door elkaar neerviel en in wat voor spanning de hogepriester zat in zijn benauwdheid. 22. Zij riepen tot de almachtige Heere dat Hij dit toevertrouwde geld helemaal onbeschadigd wilde bewaren voor wie het in bewaring gegeven hadden. 23. Maar Heliodorus probeerde uit te voeren wat besloten was. En terwijl hij daar met zijn lijfwacht bij de schatkamer stond, 24. deed de Vorst van de geesten en van alle macht een grote verschijning, zodat allen die het gewaagd hadden daar samen te komen, door de kracht van God verslagen werden, bezweken en van angst neervielen. 25. Want zij zagen een paard met een prachtig dek, waarop iemand zat die vreselijk was om te zien. Het paard rende hard op Heliodorus af en sloeg zijn voorbenen naar hem uit, en wie erop zat leek een gouden harnas te dragen. 26. En er verschenen voor hem nog twee jonge mannen, buitengewoon sterk, schitterend mooi en prachtig gekleed. Zij gingen ieder aan een kant van hem staan, geselden hem zonder ophouden en gaven hem veel slagen. 27. Hij viel plotseling op de grond en werd door diepe duisternis overvallen. Zij pakten hem samen op en legden hem op een draagstoel. 28. Hij was kort tevoren met veel gevolg en met heel zijn lijfwacht die schatkamer binnengegaan, en nu droegen zij hem weg in een toestand waarin wapens hem niet konden helpen, terwijl hij openlijk de heerschappij van God erkende. 29. Hij lag daar door de goddelijke kracht sprakeloos, zonder enige hoop en zonder uitzicht op redding. 30. Maar de anderen prezen de Heere, omdat Hij Zijn plaats geëerd had. En de tempel, die even daarvoor vol angst en onrust was, werd vol blijdschap en vreugde, omdat de almachtige Heere daar verschenen was. 31. Enkele vrienden van Heliodorus smeekten Onias snel de Allerhoogste aan te roepen, of Hij hem, die op zijn laatste adem lag, het leven wilde schenken. 32. De hogepriester was bang dat de koning ooit zou denken dat de Joden Heliodorus iets aangedaan hadden, en daarom bracht hij een offer voor de gezondheid van de man. 33. En terwijl de hogepriester de verzoening deed, verschenen diezelfde jonge mannen weer aan Heliodorus, in dezelfde kleding. Zij gingen bij hem staan en zeiden: Dank de hogepriester Onias hartelijk, want om hem heeft de Heere je het leven geschonken. 34. En jij, die uit de hemel gegeseld bent, vertel iedereen hoe overweldigend groot de kracht van God is. Toen zij dat gezegd hadden, verdwenen zij. 35. Heliodorus bracht God een offer en deed grote beloften aan Hem die hem het leven teruggegeven had. Hij groette Onias en trok met het leger terug naar de koning. 36. Hij getuigde voor iedereen van de daden van de grote God, die hij met eigen ogen gezien had. 37. En toen de koning Heliodorus vroeg wie geschikt zou zijn om nog eens naar Jeruzalem gestuurd te worden, zei hij: 38. Als u een vijand hebt, of iemand die uw zaken tegenwerkt, stuur die daarheen, dan krijgt u hem flink gegeseld terug, als hij er al levend vanaf komt. Want op die plaats is werkelijk een kracht van God. 39. Want Hij die in de hemel woont, houdt toezicht op die plaats en helpt haar, en Hij slaat wie daar komen om kwaad te doen en richt hen te gronde. 40. Dit is wat er gebeurd is met Heliodorus en met het bewaren van de schatkamer. ## 2 Makkabeeën 4 — Jason en Menelaüs kopen het hogepriesterschap 1. Die eerder genoemde Simon, die een verrader was geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak kwaad over Onias, alsof hij zelf Heliodorus geslagen had en de aanstichter van al dit kwaad geweest was. 2. Hij durfde over de man die de stad veel goeds gedaan had, die goed voor zijn volk zorgde en die ijverde voor de wet, te zeggen dat hij zich listig met de zaken van het rijk bemoeide. 3. De vijandschap liep zo hoog op dat er zelfs moorden gepleegd werden door een van de mannen die Simon tot zijn vertrouwelingen rekende. 4. Onias merkte hoe fel de ruzie was en hoe Apollonius tekeerging, die bevelhebber van Celo-Syrië en Fenicië was en die de boosheid van Simon nog groter maakte. Daarom ging hij naar de koning. 5. Niet om zijn stadgenoten aan te klagen, maar met het oog op wat voor heel de gemeenschap en voor ieder afzonderlijk goed zou zijn. 6. Want hij zag dat het onmogelijk was de zaken zonder de zorg van de koning tot vrede te brengen, en dat Simon niet zou ophouden met zijn razernij. 7. Toen Seleucus gestorven was en Antiochus, bijgenaamd Epifanes, het koninkrijk had overgenomen, greep Jason, de broer van Onias, op onbehoorlijke wijze naar het hogepriesterschap. 8. Om dat te krijgen beloofde hij de koning driehonderdzestig talenten zilver en nog tachtig talenten uit andere inkomsten. 9. En daarbovenop beloofde hij nog eens honderdvijftig talenten toe te zeggen, als hij toestemming kreeg om met zijn eigen gezag een school en een oefenplaats voor de jeugd op te richten en om de inwoners van Jeruzalem als burgers van Antiochië in te schrijven. 10. De koning stond hem dat toe. En zodra hij de macht had, bracht hij zijn volk meteen op de Griekse manier van leven. 11. Hij schafte de voorrechten af die de koningen de Joden goedgunstig gegeven hadden door bemiddeling van Johannes, de vader van Eupolemus, die gezant geweest was om met de Romeinen een verbond van vriendschap en bondgenootschap te sluiten. Hij brak het wettige bestuur af en voerde een nieuwe, onwettige regeringsvorm in. 12. Hij richtte zomaar een oefenschool op, vlak bij de burcht zelf. Hij wees de sterkste jonge mannen daarvoor aan en liet hen de Griekse hoed dragen. 13. Zo ontstond er onder de Joden een grote voorliefde voor de Griekse gewoonten en een sterke opmars van vreemde manieren, door de grote onreinheid van de goddeloze Jason, die geen echte hogepriester was. 14. De priesters hadden er geen zin meer in de dienst bij het altaar te doen. Zij verachtten de tempel, lieten de offers liggen en haastten zich om mee te doen aan de onwettige oefeningen op de worstelplaats, nadat men hen opgeroepen had om met de discus te werpen. 15. Zij telden de eervolle gewoonten van hun voorouders voor niets en vonden de Griekse eer het mooist. 16. Daarom is er een zware ellende over hen gekomen: zij kregen juist hen tot vijanden en straffers wier levenswijze zij nastreefden en op wie zij in alles wilden lijken. 17. Want goddeloos handelen tegen de goddelijke wetten is geen kleinigheid, en de tijd die volgt zal dat laten zien. 18. Toen de vijfjaarlijkse spelen in Tyrus gehouden werden en de koning daarbij aanwezig was, 19. stuurde die goddeloze Jason toeschouwers uit Jeruzalem, alsof zij uit Antiochië kwamen. Zij namen driehonderd drachmen zilver mee voor een offer aan de afgod Herakles. Maar wie het geld brachten, vroegen dat het daar niet voor gebruikt zou worden. 20. En om wie het brachten, besteedde hij het aan de uitrusting van de oorlogsschepen. 21. Toen Apollonius, de zoon van Menestheüs, naar Egypte gestuurd was voor de troonsbestijging van koning Filometor, hoorde Antiochus dat die zich van zijn zaken vervreemd had. Hij zorgde voor zijn eigen veiligheid, kwam naar Joppe en reisde vandaar door naar Jeruzalem. 22. Hij werd door Jason en door de hele stad met veel eer ontvangen en met fakkels en gejuich binnengehaald. Daarna trok hij met zijn troepen naar Fenicië. 23. Drie jaar later stuurde Jason Menelaüs, de broer van de eerder genoemde Simon, om de koning het geld te brengen en om hem aan een aantal dringende zaken te herinneren. 24. Maar Menelaüs werd de koning heel aangenaam. Hij prees hem persoonlijk hoog om zijn macht, en zo kreeg hij het hogepriesterschap voor zichzelf, door er driehonderd talenten zilver meer voor te bieden dan Jason. 25. Hij kreeg de bevelen van de koning mee en kwam in Jeruzalem, zonder iets mee te brengen dat een hogepriester waardig was, maar met het grimmige gemoed van een wrede tiran en de woede van een wild, barbaars beest. 26. En Jason, die zijn eigen broer met bedrog verdreven had, werd zelf door een ander met bedrog verdreven en moest vluchten naar het land van de Ammonieten. 27. Menelaüs kreeg wel het hoogste gezag, maar hij regelde niets van het geld dat hij de koning beloofd had, hoewel Sostratus, de bevelhebber van de burcht, het opeiste. 28. Want die was aangesteld om het belastinggeld te innen. Toen zij daarom allebei door de koning ontboden werden, 29. liet Menelaüs zijn broer Lysimachus achter als waarnemer van het hogepriesterschap, en Sostratus liet in zijn plaats Crates achter, de bevelhebber over de mannen uit Cyprus. 30. In die tijd gebeurde het dat de mensen van Tarsus en Mallus in opstand kwamen, omdat zij als geschenk gegeven waren aan Antiochis, de bijvrouw van de koning. 31. De koning haastte zich daarheen om de zaak tot rust te brengen, en hij liet Andronicus als waarnemer achter, een van de mannen met een hoge positie. 32. Menelaüs vond dat hij nu een goede gelegenheid had. Hij nam enkele gouden voorwerpen uit de tempel en schonk die aan Andronicus, en hij verkocht er ook een aantal in Tyrus en in de steden daar in de buurt. 33. Toen Onias daar zeker van was, wees hij hem terecht, nadat hij zich teruggetrokken had op een vrijplaats in Dafne bij Antiochië. 34. Daarom haalde Menelaüs Andronicus aan zijn kant en drong hij er bij hem op aan Onias om te brengen. Die kwam bij Onias, stelde hem met bedrog gerust en gaf hem met een eed de hand, hoewel hij bij dat handgeven kwade bedoelingen had. Zo haalde hij hem over de vrijplaats te verlaten, en hij liet hem meteen insluiten, zonder enig ontzag voor het recht. 35. Daarom namen niet alleen de Joden, maar ook veel mensen van andere volken het hoog op en konden zij het niet verdragen dat die man zo onrechtvaardig gedood was. 36. Toen de koning terugkwam uit de streken van Cilicië, spraken de Joden in de stad hem aan, en ook de Grieken, die deze misdaad ook haatten. Zij klaagden dat Onias zonder enige reden gedood was. 37. Antiochus was daar van harte bedroefd over. Hij kreeg medelijden en huilde om de ingetogenheid en de grote beschaafdheid van de gestorvene. 38. Hij ontstak in woede. Hij liet Andronicus meteen zijn purperen mantel afnemen, scheurde zijn kleren, liet hem door de hele stad voeren tot aan de plaats waar hij die goddeloze daad aan Onias begaan had, en daar liet hij de moordenaar ter dood brengen. Zo heeft de Heere hem de straf gegeven die hij verdiende. 39. Toen Lysimachus met instemming van Menelaüs veel tempelroof in de stad pleegde en het gerucht daarvan overal bekend werd, kwam de menigte tegen Lysimachus in opstand, nadat er opnieuw veel gouden voorwerpen van verschillende plaatsen weggehaald waren. 40. De menigte kwam in beweging en was woedend. Lysimachus bewapende zo'n drieduizend man en begon met geweld, onder leiding van een aanvoerder die een tiran was en oud van jaren, en die van verstand niet veel beter was. 41. Toen zij de aanval van Lysimachus zagen, grepen sommigen stenen en anderen dikke stokken, en sommigen namen ook modder die daar lag en persten die in hun handen samen. Zij gooiden dat naar de mannen van Lysimachus. 42. Zo verwondden zij velen van hen, wierpen zij anderen neer en dreven zij hen allemaal op de vlucht. En de tempelrover zelf doodden zij bij de schatkamer. 43. Over deze zaken werd een rechtszaak tegen Menelaüs aangespannen. 44. Toen de koning in Tyrus gekomen was, brachten drie mannen die door de raad gestuurd waren hun aanklacht bij hem in. 45. Menelaüs was toen verloren, en hij beloofde veel geld aan Ptolemeüs, de zoon van Dorymenes, als hij de koning zou overhalen. 46. Ptolemeüs nam het geld aan en haalde de koning over, die in een zuilengang was gegaan om af te koelen. 47. Hij sprak Menelaüs, die de oorzaak van al dit kwaad was, van alle aanklachten vrij, en hij veroordeelde die ongelukkige mannen ter dood, die zelfs bij de Skythen als onschuldigen vrijgesproken zouden zijn. 48. Zo ondergingen zij die voor de stad, het volk en de heilige voorwerpen opgekomen waren, snel een onrechtvaardige straf. 49. Daarom hebben ook de mensen van Tyrus, die deze misdaad verafschuwden, zeer eervol geregeld wat er voor hun begrafenis nodig was. 50. En Menelaüs bleef door de hebzucht van de machthebbers in het hoogste ambt. Hij werd steeds slechter en werd een groot verrader van zijn stadgenoten. ## 2 Makkabeeën 5 — Antiochus plundert de tempel 1. Rond diezelfde tijd deed Antiochus zijn tweede veldtocht naar Egypte. 2. Toen gebeurde het dat er bijna veertig dagen lang boven de hele stad in de lucht ruiters te zien waren met gouden gewaden, in troepen, gewapend met lansen en met getrokken zwaarden, 3. en groepen paarden in slagorde, en gevechten die op elkaar volgden, en aanvallen op elkaar, en het bewegen van schilden, een grote menigte speren, het schieten van pijlen, en het glanzen van gouden sieraden en allerlei borstpantsers. 4. Daarom baden zij allemaal dat dit visioen iets goeds mocht betekenen. 5. En toen er een vals gerucht ging dat Antiochus gestorven was, bracht Jason minstens duizend man bijeen en deed hij meteen een aanval op de stad. Toen zij op de muren gedreven werden en de stad ten slotte ingenomen was, vluchtte Menelaüs de burcht in. 6. Jason sloeg zijn eigen stadgenoten dood zonder iemand te sparen. Hij bedacht niet dat succes tegen je eigen verwanten de grootste ramp is. Hij dacht dat hij overwinningstekens oprichtte, niet over zijn medeburgers maar over zijn vijanden. 7. Toch kreeg hij het hoogste gezag niet. Als slot van zijn bedrog kreeg hij schande, en hij vluchtte en trok weer naar het land van de Ammonieten. 8. Uiteindelijk kreeg hij zijn verdiende loon bij Aretas, de koning van Arabië. Hij werd zo opgejaagd dat hij van de ene stad naar de andere vluchtte, door iedereen achtervolgd en gehaat als iemand die van de wet was afgevallen. Vervloekt als een beul van zijn vaderland en van zijn stadgenoten werd hij naar Egypte verdreven. 9. En hij die velen uit hun vaderland verdreven had, kwam zelf in ballingschap om. Hij was naar de Spartanen gegaan, in de hoop dat zij hem om de verwantschap zouden beschermen. 10. En hij die een menigte onbegraven had weggegooid, werd door niemand betreurd. Hij kreeg geen uitvaart en geen plaats in het graf van zijn voorouders. 11. Toen de koning hoorde dat dit gebeurd was, dacht hij dat Judea van hem wilde afvallen. Daarom trok hij woedend uit Egypte en nam hij de stad met wapengeweld in. 12. Hij gaf zijn soldaten bevel iedereen die hun tegenkwam neer te slaan zonder iemand te sparen, en iedereen te doden die het dak op klom. 13. Er kwam een grote slachting van jong en oud. Mannen, vrouwen en kinderen werden omgebracht, en de meisjes en kleine kinderen gedood. 14. In drie dagen kwamen er tachtigduizend om. Veertigduizend werden gevangengenomen, en er werden er niet minder verkocht dan er gedood waren. 15. En daar was hij nog niet tevreden mee. Hij durfde de allerheiligste tempel van de hele aarde binnen te gaan, met Menelaüs als gids, die een verrader geworden was van de wetten en van zijn vaderland. 16. Hij nam met zijn onreine handen de heilige voorwerpen, en wat andere koningen tot vermeerdering, luister en eer van die plaats geschonken hadden, roofde hij met zijn goddeloze handen weg. 17. Antiochus werd van binnen heel hoogmoedig. Hij begreep niet dat de Heere om de zonden van de inwoners van de stad een korte tijd boos was, en dat Hij daarom niet naar die plaats omzag. 18. Want als zij niet tot veel zonden gekomen waren, zou ook hij, net als Heliodorus die door koning Seleucus gestuurd was om de schatkamer te bekijken, meteen bij zijn binnenkomst gegeseld zijn en van zijn overmoed afgebracht. 19. Maar de Heere heeft het volk niet om de plaats uitgekozen, maar de plaats om het volk. 20. Daarom heeft diezelfde plaats, die deelde in de rampen die over dit volk kwamen, daarna ook gedeeld in het goede. En het volk dat door de almachtige toorn verlaten was, is door de verzoening met de grote Heere weer in alle luister opgericht. 21. Antiochus haalde duizend achthonderd talenten uit de tempel en vertrok haastig naar Antiochië. In zijn hoogmoed dacht hij dat hij het land bevaarbaar kon maken voor schepen en dat men over de zee kon lopen, zo overmoedig was zijn hart. 22. Hij liet ook een aantal bevelhebbers achter om het volk te kwellen: in Jeruzalem Filippus, die van afkomst een Frygiër was en veel barbaarser dan de man die hem aangesteld had, 23. en in Gerizim Andronicus, en naast hen Menelaüs, die zich nog erger dan de anderen boven de burgers verhief. 24. Hij haatte de Joodse burgers, en hij stuurde een gehate aanvoerder, Apollonius, met een leger van tweeëntwintigduizend man. Hij gaf hem bevel iedereen die volwassen was te doden en de vrouwen en jonge mensen te verkopen. 25. Toen die in Jeruzalem gekomen was, deed hij alsof hij vreedzaam kwam en hield hij zich rustig tot de heilige sabbatdag. Toen hij de Joden op die dag feestvierend aantrof, gaf hij zijn mannen bevel de wapens op te nemen. 26. Hij liet iedereen doorsteken die naar buiten gekomen was om te kijken, en hij liep met wapens door de stad en vermoordde een grote menigte. 27. Judas de Makkabeeër trok met negen anderen naar de bergen. Hij leefde daar met zijn mannen zoals wilde dieren. Zij aten gras en bleven daar om niet te delen in de ontreiniging. ## 2 Makkabeeën 6 — De dood van Eleazar 1. Niet lang daarna stuurde de koning een oude man uit Athene om de Joden te dwingen af te wijken van de wetten van hun voorouders en niet meer te leven naar de wetten van God. 2. En ook om de tempel in Jeruzalem te ontheiligen en die de tempel van Zeus Olympius te noemen, en de tempel in Gerizim de tempel van Zeus Xenius te noemen, zoals de bewoners van die plaats wilden. 3. Het invoeren van dit kwaad was voor het volk zwaar en moeilijk. 4. Want de tempel raakte vol van uitspattingen en drinkgelagen van de volken, die daar met prostituees lui rondhingen en die zich in de heilige zuilengangen met de vrouwen inlieten. Bovendien brachten zij daar dingen binnen die niet hoorden. 5. En ook het altaar raakte vol met dingen die de wet verboden had. 6. Men mocht geen sabbat vieren en geen feesten van de voorouders houden, en men mocht zelfs niet toegeven dat men Jood was. 7. Zij werden met bittere dwang gedwongen elke maand de verjaardag van de koning te vieren en de ingewanden van de offers te eten. En toen het feest van Dionysus kwam, werden zij gedwongen met wijnrankkransen op in de optocht van Dionysus mee te lopen. 8. In de Griekse steden in de buurt ging op aandringen van Ptolemeüs een bevel uit dat ook de Joden van de ingewanden van de dieren moesten eten die aan de afgoden geofferd waren, 9. en dat iedereen die niet op deze Griekse manier wilde gaan leven, gedood moest worden. Zo kon je zien hoe ellendig de tijd was. 10. Want er werden twee vrouwen voorgeleid die hun kinderen besneden hadden. Men hing hun kinderen aan hun borsten, voerde hen openlijk door de stad en gooide hen van de muur. 11. Anderen waren samen naar grotten in de buurt gevlucht om daar in het verborgene de zevende dag te houden. Zij werden bij Filippus aangebracht en met vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van maakten zichzelf te helpen, vanwege de eer van die eerwaardige dag. 12. Ik vraag wie dit boek leest niet van streek te raken van deze ellende, maar te bedenken dat deze straffen er niet zijn om ons volk te gronde te richten, maar om het op te voeden. 13. Want het is een teken van grote goedheid dat mensen die zondigen niet lang hun gang mogen gaan, maar snel gestraft worden. 14. Want de Heere doet met hen niet zoals met de andere volken, dat Hij geduldig wacht tot Hij hen straft wanneer hun zonden vol zijn. 15. Zo heeft Hij het ook tegenover ons goedgevonden, zodat Hij niet pas op het allerlaatst wraak over ons neemt, wanneer onze zonden aan hun einde gekomen zijn. 16. Daarom neemt Hij Zijn ontferming nooit van ons weg. Hij voedt Zijn eigen volk met tegenspoed op, maar Hij laat het niet in de steek. 17. Maar dit zij door ons gezegd als waarschuwing. Wij keren nu met een paar woorden terug naar ons verhaal. 18. Een zekere Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden, een man die al ver op leeftijd was en een mooi gezicht had, werd gedwongen zijn mond open te doen en varkensvlees te eten. 19. Maar hij wilde liever een eervolle dood dan een leven met haat, en hij ging zelf naar de folterplaats. 20. Hij spuwde het uit, zoals het hoort bij wie zich blijven verweren tegen dingen die je niet mag proeven om je leven te redden. 21. De mannen die aangesteld waren om hem dat verboden vlees te laten eten, namen hem apart, omdat zij die oude man al lang kenden. Zij drongen erop aan dat hij vlees zou laten brengen dat hij wel mocht gebruiken, door hemzelf klaargemaakt, en dat hij zou doen alsof hij at wat de koning voorgeschreven had, namelijk het vlees van de offers, 22. zodat hij daarmee aan de dood zou ontkomen en om hun oude vriendschap genade zou vinden. 23. Maar hij nam een eervol besluit, dat paste bij zijn jaren en bij de waardigheid van zijn ouderdom, bij zijn grijze haren die hij met eer verworven had, bij de goede opvoeding die hij vanaf zijn jeugd gehad had, en nog veel meer bij de heilige wetgeving die door God is ingesteld. Hij antwoordde daarna dat zij hem maar snel naar het graf moesten sturen. 24. Want hij zei: Het past niet bij onze ouderdom om te doen alsof. Anders zouden veel jonge mensen denken dat Eleazar op zijn negentigste tot het heidendom is overgegaan, 25. en zouden ook zij door mijn gedoe en door dit kleine en snel voorbijgaande stukje leven door mij op een dwaalspoor gebracht worden, en zou ik een vloek en een schandvlek over mijn ouderdom halen. 26. Want al zou ik nu aan de straf van mensen ontkomen, ik zou toch niet aan de handen van de Almachtige ontsnappen, niet levend en niet dood. 27. Daarom zal ik nu het leven moedig verwisselen voor de dood, en zo zal ik deze ouderdom waardig blijken. 28. En ik zal de jonge mensen een prachtig voorbeeld nalaten, om gewillig en dapper een eervolle dood te sterven voor de eerbiedwaardige en heilige wetten. Toen hij dat gezegd had, ging hij meteen naar de folterplaats. 29. En wie hem brachten, veranderden de goedgezindheid die zij kort tevoren voor hem gehad hadden in vijandigheid, om de woorden die hij gezegd had en die zij waanzin vonden. 30. En toen hij door de slagen zou sterven, zei hij zuchtend: De Heere, die heilige kennis heeft, weet dat ik, terwijl ik van de dood bevrijd kon worden, zware pijnen in mijn lichaam verdraag onder de gesel, en dat ik dit naar de ziel gewillig lijd, uit ontzag voor Hem. 31. En zo is hij gestorven, en met zijn dood liet hij niet alleen de jonge mensen maar ook het grootste deel van zijn volk een voorbeeld van moed na en een herinnering aan deugd. ## 2 Makkabeeën 7 — De zeven broers en hun moeder 1. Het gebeurde ook dat zeven broers met hun moeder gegrepen werden. De koning dwong hen varkensvlees te proeven, wat verboden is, en zij werden met zwepen en riemen geslagen. 2. Een van hen, die namens de anderen sprak, zei: Wat wilt u ons vragen en van ons weten? Wij zijn liever bereid te sterven dan de wetten van onze voorouders te overtreden. 3. De koning werd woedend en gaf bevel pannen en ketels heet te maken. Zodra die heet waren, 4. gaf hij bevel de man die namens de anderen gesproken had de tong af te snijden, hem het vel af te stropen en zijn handen en voeten af te hakken, terwijl de andere broers en de moeder moesten toekijken. 5. Toen al zijn ledematen onbruikbaar gemaakt waren, gaf de koning bevel hem, terwijl hij nog ademde, bij het vuur te brengen en in de pan te braden. En terwijl de damp uit de pan zich wijd verspreidde, spraken zij elkaar en hun moeder moed in om dapper te sterven. 6. Zij zeiden: God de Heere ziet het en Hij zal zich werkelijk over ons ontfermen, zoals Mozes in zijn lied verklaart, dat hij hun openlijk voorgehouden heeft: en over Zijn dienaren zal Hij zich ontfermen. 7. Toen de eerste zo gestorven was, brachten zij de tweede om hem te bespotten. Zij trokken hem het vel met het haar van zijn hoofd af en vroegen hem: Zul je nog geen varkensvlees eten voordat je lichaam lid voor lid gestraft wordt? 8. Maar hij antwoordde in de taal van zijn voorouders: Nooit. Daarom werd ook hij op dezelfde manier gepijnigd als de eerste. 9. En toen hij zijn laatste adem uitblies, zei hij: Jij misdadiger, jij neemt ons wel dit leven af, maar de Koning van de wereld zal ons, die voor Zijn wetten sterven, opwekken tot een eeuwige opstanding van het leven. 10. Daarna bespotten zij ook de derde. Toen zij zijn tong opeisten, stak hij die meteen uit, en hij strekte vrijmoedig zijn handen uit. 11. Hij zei moedig: Dit alles heb ik van God uit de hemel gekregen, en om Zijn wetten geef ik het op, en ik hoop dat ik het van Hem terug zal krijgen. 12. Zelfs de koning en zijn mensen waren stomverbaasd over de moed van deze jongeman, die deze pijnen voor niets rekende. 13. En toen ook hij gestorven was, pijnigden en sloegen zij op dezelfde manier de vierde. 14. En toen hij zou sterven, zei hij: Het is beter de hoop die van mensen komt op te geven en de hoop te verwachten die van God komt, dat Hij ons weer zal opwekken. Maar voor u zal er geen opstanding ten leven zijn. 15. Daarna brachten zij de vijfde voor en sloegen hem. Hij keek de koning aan en zei tegen hem: 16. U hebt macht onder de mensen, en hoewel u vergankelijk bent, doet u wat u wilt. Maar denk niet dat ons volk door God verlaten is. 17. Maar wacht u maar af en kijk hoe groot de kracht van God is, hoe Hij u en uw nageslacht zal pijnigen. 18. Daarna brachten zij de zesde voor, en toen hij zou sterven, zei hij: Vergis u niet, want wij lijden dit om onszelf, omdat wij tegen onze God gezondigd hebben. Daarom zijn ons dingen overkomen die verbazing wekken. 19. Maar denk niet dat u onschuldig zult zijn, nu u het gewaagd hebt tegen God te strijden. 20. Maar de moeder verdient boven alles bewondering en een goede herinnering. Zij heeft dapper verdragen dat zij haar zeven zonen op één dag zag omkomen, om de hoop die zij op de Heere hadden. 21. Zij bemoedigde ieder van hen in de taal van haar voorouders. Zij was vol moedig verstand en wekte haar vrouwelijk denken op met een mannelijk gemoed. 22. Zij zei tegen hen: Ik weet niet hoe jullie in mijn lichaam gegroeid zijn. Ik heb jullie de geest en het leven niet gegeven, en ik heb de eerste bouwstenen waaruit ieder van jullie bestaat niet samengevoegd. 23. Daarom zal de Schepper van de wereld, die de geboorte van de mens klaarmaakt en de oorsprong van alles bedenkt, jullie de geest en het leven met ontferming teruggeven, omdat jullie nu jezelf niet tellen om Zijn wetten. 24. Antiochus dacht dat hij veracht werd en vond dat deze woorden een belediging waren. Toen alleen de jongste nog over was, sprak hij hem niet alleen met woorden toe, maar hij verzekerde hem ook met een eed dat hij hem meteen rijk en gelukkig zou maken als hij de wetten van zijn voorouders zou loslaten, en dat hij hem als vriend zou beschouwen en hem ambten zou toevertrouwen. 25. Maar de jongen luisterde daar helemaal niet naar. Toen riep de koning de moeder en drong erop aan dat zij haar zoon zou aanraden zich te redden. 26. En toen hij haar met veel woorden had aangespoord, nam zij op zich haar zoon over te halen. 27. De moeder boog zich naar hem toe, bespotte de wrede tiran en zei in de taal van haar voorouders: Mijn zoon, heb medelijden met mij, die je negen maanden in mijn lichaam gedragen heb en je drie jaar de borst gegeven heb, die je opgevoed en tot deze leeftijd gebracht heb en de moeite van je opvoeding gedragen heb. 28. Ik vraag je, mijn kind, kijk naar de hemel en naar de aarde en naar alles wat daarin is, en erken dat God dat alles uit niets gemaakt heeft en dat ook het menselijk geslacht zo ontstaan is. 29. Wees niet bang voor deze beul, maar gedraag je zo dat je je broers waardig bent, en neem de dood aan, zodat ik jou met je broers weer terugkrijg als God zich ontfermt. 30. En terwijl zij nog sprak, zei de jongen: Waar wacht u nog op? Ik zal het bevel van de koning niet gehoorzamen, maar ik zal het gebod van de wet gehoorzamen, die aan onze voorouders door Mozes gegeven is. 31. En u, koning, die alle kwaad tegen de Hebreeën uitgevonden hebt, zult niet aan de handen van God ontkomen. 32. Want wij lijden om onze eigen zonden. 33. Als onze Heere, die leeft, om ons op te voeden en te straffen een korte tijd boos is, zal Hij zich toch weer met Zijn dienaren verzoenen. 34. Maar u, goddeloze en onreinste van alle mensen, wees niet zo hoogmoedig zonder reden. Word niet trots op een onzekere hoop en hef uw hand niet op tegen de kinderen van de hemel. 35. Want u bent nog niet aan het oordeel ontkomen van de almachtige God, die alles overziet. 36. Want onze broers hebben korte tijd pijn geleden en zijn gestorven onder het verbond van God van het eeuwige leven. Maar u zult door het oordeel van God de rechtvaardige straf voor deze hoogmoed dragen. 37. En net als mijn broers geef ik mijn lichaam en mijn ziel over voor de wetten van onze voorouders, terwijl ik God aanroep dat Hij ons volk snel genadig zal zijn en dat u door pijnen en zwepen zult erkennen dat Hij alleen God is. 38. En dat met mij en met mijn broers de toorn van de Almachtige zal ophouden, die terecht over heel ons volk gekomen is. 39. De koning werd woedend en nam het hem heel kwalijk dat hij zo bespot werd. Hij behandelde hem veel erger dan de anderen. 40. En zo is hij rein gestorven, terwijl hij helemaal op de Heere vertrouwde. 41. En de moeder is ten slotte na haar zonen gestorven. 42. Dit zij dan genoeg gezegd over het eten van de geofferde ingewanden en over de zeer zware pijnigingen. ## 2 Makkabeeën 8 — Judas verslaat Nikanor 1. Judas de Makkabeeër en zijn mannen kwamen in het geheim de dorpen binnen en riepen hun verwanten bij zich. Zij namen wie in de Joodse godsdienst gebleven waren met zich mee en brachten zesduizend man bijeen. 2. Zij riepen de Heere aan of Hij wilde omzien naar het volk dat van alle kanten mishandeld werd, en of Hij zich wilde ontfermen over de tempel die door goddeloze mensen ontheiligd was, 3. en of Hij medelijden wilde hebben met de stad die nu verwoest was en tot de grond toe geslecht zou worden, en of Hij al het bloed wilde horen dat tot Hem riep, 4. en of Hij wilde denken aan de onrechtvaardige moord op de onschuldige kleine kinderen, en of Hij om de godslasteringen tegen Zijn naam Zijn afkeer van het kwaad wilde laten zien. 5. Toen Judas de Makkabeeër een leger bijeengebracht had, werd hij voor de volken onhoudbaar, want de toorn van God was in ontferming veranderd. 6. Hij overviel steden en dorpen onverwachts en stak ze in brand. Hij nam goed gelegen plaatsen in en dreef heel wat vijanden op de vlucht. 7. Hij koos vooral de nachten uit voor zulke hinderlagen, en het gerucht van zijn dapperheid verspreidde zich overal. 8. Filippus zag dat deze man steeds verder kwam en dat het hem steeds beter ging. Hij schreef aan Ptolemeüs, de bevelhebber van Celo-Syrië en Fenicië, dat hij de zaak van de koning te hulp moest komen. 9. Die koos meteen Nikanor uit, de zoon van Patroclus, een van zijn voornaamste vrienden. Hij stuurde hem met minstens twintigduizend man uit allerlei volken om heel het Joodse volk uit te roeien, en hij gaf hem Gorgias mee, een aanvoerder met veel ervaring in de oorlog. 10. Nikanor had de koning beloofd de belasting die hij de Romeinen schuldig was, tweeduizend talenten, te betalen uit de opbrengst van gevangen Joden. 11. Hij stuurde meteen bericht naar de kuststeden en nodigde hen uit Joodse slaven te kopen. Hij beloofde negentig slaven voor één talent te geven. Hij verwachtte niet dat de straf van de Almachtige hem zou treffen. 12. Judas kreeg bericht dat Nikanor in aantocht was. 13. Toen hij zijn mannen verteld had dat het leger gekomen was, werden zij bang. Zij vertrouwden niet op de gerechtigheid van God, maar vluchtten alle kanten op en verlieten de plaats. 14. Anderen verkochten alles wat er nog over was en baden de Heere of Hij hen wilde redden die door de goddeloze Nikanor al verkocht waren voordat zij elkaar ontmoet hadden, 15. en als Hij het niet om hen wilde doen, dan toch om de verbonden die Hij met hun voorouders gesloten had, en omdat zij naar Zijn eerbiedwaardige en prachtige naam genoemd waren. 16. Judas de Makkabeeër bracht zijn mannen bijeen, zesduizend in getal. Hij spoorde hen aan zich niet door de vijanden te laten verslaan en niet bang te zijn voor de grote menigte van de volken die onrechtvaardig op hen afkwamen, maar moedig te vechten en voor ogen te houden welke schande zij onrechtvaardig aan de heilige plaats aangedaan hadden, 17. en de mishandeling van de stad, die door hen bespot was, en het afbreken van het bestuur dat hun voorouders gehad hadden. 18. En hij zei: Zij vertrouwen op hun wapens en hun brutaliteit, maar wij vertrouwen op de almachtige God, die met één wenk zowel hen die op ons afkomen als de hele wereld kan neerwerpen. 19. En hij vertelde hun over de hulp die hun voorouders gekregen hadden, en hoe de honderdvijfentachtigduizend man onder Sanherib omgekomen waren, 20. en over de slag in Babylonië tegen de Galaten, hoe allen die daar in gevecht kwamen maar achtduizend man waren, met vierduizend Macedoniërs, en hoe die achtduizend, toen de Macedoniërs begonnen te aarzelen, honderdtwintigduizend man verslagen hebben door de hulp die hun uit de hemel kwam, en grote winst behaalden. 21. Zo maakte hij hen moedig en bereid om voor de wetten en het vaderland te sterven. 22. Hij verdeelde zijn troepen in vier groepen en stelde zijn broers aan als leiders van elke afdeling, namelijk Simon, Jozef en Jonathan, en gaf ieder van hen vijftienhonderd man, en bovendien ook Eleazar. 23. Hij las hun uit het heilige boek voor en gaf hun als wachtwoord: door de hulp van God. Zelf voerde hij de eerste afdeling aan en raakte hij slaags met Nikanor. 24. Omdat de Almachtige met hen streed, doodden zij meer dan negenduizend vijanden. Zij verwondden en verminkten het grootste deel van de troepen van Nikanor en dwongen hen allemaal te vluchten. 25. Zij namen het geld mee van de mensen die gekomen waren om hen te kopen. Zij achtervolgden hen lang, maar keerden terug omdat de tijd hen inhaalde. 26. Want het was de dag voor de sabbat, en daarom zetten zij de achtervolging niet door. 27. Toen zij de wapens verzameld hadden en de vijanden hun buit hadden afgenomen, vierden zij de sabbat. Zij dankten en prezen de Heere zeer, die hen tot die dag toe bewaard had, en dat was het begin van de ontferming die over hen kwam. 28. Na de sabbat gaven zij van de buit aan wie ziek waren, aan de weduwen en de wezen, en de rest verdeelden zij onder elkaar en onder hun knechten. 29. Toen zij dat gedaan hadden, hielden zij een algemene biddag en baden zij de barmhartige Heere of Hij Zijn dienaren tot het einde toe genadig wilde zijn. 30. Zij brachten hun troepen bijeen en doodden meer dan twintigduizend man van de mannen van Timotheüs en Bacchides. Zij veroverden met veel succes de hooggelegen vestingen en verdeelden een grote buit, met gelijke delen voor zichzelf, voor wie ziek waren, voor de wezen, voor de weduwen en ook voor de ouderen. 31. Zij verzamelden de wapens en legden die allemaal zorgvuldig op geschikte plaatsen op. De rest van de buit brachten zij naar Jeruzalem. 32. Zij versloegen ook Filarches, die bij Timotheüs hoorde, een heel goddeloos man die de Joden veel verdriet aangedaan had. 33. En terwijl zij in hun eigen land een dankdag hielden over de overwinning, verbrandden zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand gestoken had, in een huisje waarin hij gevlucht was. Zo kreeg hij het verdiende loon voor zijn goddeloosheid. 34. En de door en door goddeloze Nikanor, die duizend kooplieden bijeengebracht had om de Joden aan hen te verkopen, 35. werd vernederd door mensen die hij het minst achtte, door de hulp van de Heere. Hij legde zijn prachtige kleding af, ging in zijn eentje verder en vluchtte over de Middellandse Zee, als een slaaf die van zijn heer wegloopt. Hij kwam in Antiochië aan en mocht van geluk spreken dat hij zijn leger kwijt was. 36. En hij die op zich genomen had de Romeinen de belasting te betalen uit de gevangenen die hij in Jeruzalem zou krijgen, vertelde nu overal dat de Joden God als voorvechter hadden en dat de Joden op die manier niet verwond kunnen worden, omdat zij de wetten volgen die Hij ingesteld heeft. ## 2 Makkabeeën 9 — Het einde van Antiochus 1. Rond die tijd gebeurde het dat Antiochus met schande terugkwam uit de streken van Perzië. 2. Want hij was de stad Persepolis binnengegaan en had geprobeerd het heiligdom te beroven en de stad te bezetten. Toen liep het volk te wapen en dreef hen op de vlucht. En zo gebeurde het dat Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven werd en op een schandelijke manier vertrok. 3. Toen hij in Ecbatana was, kreeg hij bericht over wat Nikanor en Timotheüs overkomen was. 4. Hij werd woedend en dacht dat hij het kwaad dat de mensen die hem verjaagd hadden hem aangedaan hadden, op de Joden zou verhalen. Daarom gaf hij zijn wagenmenner bevel zonder ophouden door te rijden en de reis af te maken, terwijl het oordeel uit de hemel al op hem drukte. Want hij zei in hoogmoed: Ik zal Jeruzalem tot een begraafplaats voor de Joden maken, zodra ik daar gekomen ben. 5. Maar de almachtige Heere, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onzichtbare plaag. Want zodra hij die woorden uitgesproken had, werd hij bevangen door een ongeneeslijke pijn in zijn ingewanden en door bittere inwendige pijnen. 6. Heel terecht, want hij had met veel vreemde folteringen de ingewanden van anderen gepijnigd. 7. Toch hield hij niet op met zijn grootspraak. Hij was nog vol hoogmoed en blies vuur in zijn woede tegen de Joden, en hij gaf bevel de reis te versnellen. Toen gebeurde het dat hij ook van de wagen viel, die heel hard reed, en hij kwam zo zwaar terecht dat alle leden van zijn lichaam verdraaid werden. 8. Hij, die kort tevoren de golven van de zee leek te willen bevelen met een overmoed die het menselijke te boven ging, en die dacht dat hij de hoogste bergen op een weegschaal kon wegen toen hij op aarde was, werd nu op een draagbaar gedragen, en zo liet hij aan iedereen de openlijke macht van God aan zichzelf zien. 9. Uit het lichaam van deze goddeloze kwamen zelfs levende wormen tevoorschijn, en zijn vlees viel van hem af terwijl hij nog in pijn en smart leefde. Het hele leger had last van zijn stank door de verrotting. 10. Hem, die kort tevoren de sterren van de hemel leek aan te raken, kon niemand dragen om de ondraaglijke stank. 11. Toen begon hij, zo gewond, van zijn grote hoogmoed terug te komen en door deze goddelijke geseling tot inzicht te komen, terwijl de pijnen elk ogenblik erger werden. 12. En omdat hij zijn eigen stank niet meer kon verdragen, zei hij: Het is terecht dat een mens zich aan God onderwerpt, en dat iemand die sterfelijk is, niet denkt dat hij aan God gelijk is. 13. En deze misdadiger bad tot de Heere, die hem geen ontferming meer bewees. Hij zei 14. dat hij de heilige stad, waarheen hij zich gehaast had om haar tot de grond toe te verwoesten en tot een begraafplaats te maken, vrij zou verklaren, 15. en dat hij de Joden, die hij zich had voorgenomen zelfs geen begrafenis waardig te keuren maar samen met de kleine kinderen aan de vogels en de wilde dieren voor te werpen, allemaal gelijk zou maken aan de burgers van Athene, 16. en dat hij de heilige tempel, die hij eerder beroofd had, met heel mooie geschenken zou versieren, en dat hij alle heilige voorwerpen in veelvoud terug zou geven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten de kosten van de offers zou betalen, 17. en dat hij bovendien zelf Jood zou worden en door alle bewoonde plaatsen zou trekken om de kracht van God bekend te maken. 18. Maar de pijnen hielden helemaal niet op, want het rechtvaardige oordeel van God was over hem gekomen. Hij gaf de hoop op zichzelf op en schreef aan de Joden de brief hieronder, in de vorm van een smeekbede. Die luidde zo: 19. Koning en veldheer Antiochus wenst de Joden, zijn burgers, voorspoed, gezondheid en welzijn. 20. Als het goed met u gaat en met uw kinderen, en als uw eigen zaken naar wens gaan, dan is dat ons aangenaam. 21. Ik heb mijn hoop op de hemel en ik denk met welwillendheid aan uw eer en uw goede gezindheid. 22. Op de terugreis uit de streken van Perzië ben ik in een ernstige ziekte gevallen. Daarom vond ik het nodig te zorgen voor de algemene veiligheid van allen. Ik geef mijzelf niet op, maar ik heb grote hoop dat ik aan deze ziekte zal ontkomen. 23. Maar ik bedenk dat mijn vader in de tijd dat hij ook in die hooglanden een leger aanvoerde, bekendmaakte wie hem zou opvolgen, 24. zodat de inwoners van het land, als er iets onverwachts zou gebeuren of als er moeilijkheden gemeld zouden worden, zouden weten aan wie de zaken van het rijk zijn nagelaten, en niet in onrust zouden raken. 25. Bovendien bedenk ik dat de vorsten die in de buurt liggen en buren van het rijk zijn, op het juiste moment letten en afwachten wat er gebeurt. Daarom heb ik mijn zoon Antiochus tot koning uitgeroepen. Ik heb hem, wanneer ik vaak naar de hooglanden reisde, bij de meesten van u aanbevolen en toevertrouwd, en ik heb hem geschreven wat hieronder staat. 26. Daarom spoor ik u aan en vraag ik u: denk aan het goede dat u in het algemeen en in het bijzonder is aangedaan, en laat ieder van u de goede gezindheid bewaren die u tegenover mij en mijn zoon hebt. 27. Want ik ben ervan overtuigd dat hij mijn bedoeling zal volgen en u in alles redelijk en vriendelijk zal behandelen. 28. Zo heeft deze moordenaar en godslasteraar, nadat hij het allerergste geleden had, net zoals hij anderen ook aangedaan had, in een vreemd land in de bergen door een heel ellendige dood zijn leven verloren. 29. En Filippus, die met hem opgegroeid was, nam zijn lichaam mee. Uit angst voor de zoon van Antiochus trok hij naar Egypte, naar Ptolemeüs Filometor. ## 2 Makkabeeën 10 — De tempel gereinigd en de Idumeeën verslagen 1. De Makkabeeër en zijn mannen kregen, terwijl de Heere hen leidde, de tempel en de stad terug. 2. Zij haalden de altaren weg die de vreemde volken op het plein gebouwd hadden, en ook de tempel van de afgoden. 3. Toen zij de tempel gereinigd hadden, maakten zij een nieuw altaar. Zij sloegen vuur uit stenen, namen daar het vuur uit en brachten offers, na twee jaar. Zij zorgden ook voor het reukwerk, de lampen en de toonbroden. 4. Daarna vielen zij plat op de grond en baden zij de Heere of zij niet opnieuw in zulke moeilijkheden zouden komen, maar dat Hij hen, als zij ooit weer zouden zondigen, met goedheid zou opvoeden en hen niet zou overgeven aan de godslasterlijke en barbaarse volken. 5. Het gebeurde dat de reiniging van de tempel plaatsvond op dezelfde dag waarop de tempel door de vreemde volken ontheiligd was, namelijk op de vijfentwintigste van de maand Kislev. 6. Zij vierden acht dagen met vreugde, zoals bij het Loofhuttenfeest, en zij dachten eraan hoe zij kort tevoren op het Loofhuttenfeest in de bergen en in de grotten als wilde dieren in eenzaamheid geleefd hadden. 7. Daarom droegen zij wijnranken en mooie takken en ook palmtakken, en zij brachten lofliederen aan Hem die hun voorspoed gegeven had, zodat Zijn plaats gereinigd kon worden. 8. En zij namen een besluit, met een algemeen gebod en met instemming van heel het volk van de Joden, dat deze dagen elk jaar gevierd zouden worden. 9. Zo is het einde van het leven van Antiochus, bijgenaamd Epifanes, geweest. 10. Nu zullen wij vertellen wat er gebeurd is onder Antiochus Eupator, de zoon van deze goddeloze, en de voortdurende ellende van de oorlogen kort samenvatten. 11. Toen hij het koninkrijk gekregen had, stelde hij over zijn zaken een zekere Lysias aan, die opperbevelhebber was van Celo-Syrië en Fenicië. 12. Want Ptolemeüs, bijgenaamd Macron, wilde liever het recht voor de Joden handhaven vanwege het onrecht dat hun aangedaan was, en probeerde hun zaken vreedzaam te regelen. 13. Daarom werd hij door de vrienden bij Eupator aangeklaagd. Hij moest telkens horen dat hij een verrader was, omdat hij Cyprus, dat Filometor hem toevertrouwd had, in de steek gelaten had en naar Antiochus Epifanes overgelopen was, en dat hij dat hoge ambt niet voortreffelijk bediend had. Hij vergiftigde zichzelf en maakte een einde aan zijn leven. 14. Gorgias werd bevelhebber van die streken. Hij hield huurtroepen in dienst en voerde onafgebroken oorlog tegen de Joden. 15. En tegelijk met hem deden ook de Idumeeërs de Joden last aan, want zij hadden goed gelegen vestingen in handen. Zij namen wie uit Jeruzalem verbannen waren bij zich en probeerden de oorlog gaande te houden. 16. De mannen van de Makkabeeër hielden een biddag en vroegen God of Hij hen wilde helpen vechten. Daarna vielen zij de vestingen van de Idumeeërs aan. 17. Zij vielen die met geweld aan, veroverden de plaats, verdreven iedereen die op de muren vocht en sloegen iedereen dood die hun tegenkwam. Zij doodden minstens twintigduizend man. 18. En toen minstens negenduizend man gevlucht waren in twee heel sterke torens, die goed voorzien waren van alles wat je nodig hebt om een beleg te doorstaan, 19. liet de Makkabeeër Simon en Jozef achter, en bovendien Zacheüs en veel mannen bij hem, om dat beleg te voeren, en hij trok zelf naar de plaatsen die het harder nodig hadden. 20. Maar de mannen van Simon waren hebzuchtig. Zij lieten zich door een aantal mannen in de torens omkopen. Zij kregen zevenduizend drachmen en lieten een aantal van hen ontsnappen. 21. Toen de Makkabeeër hoorde wat daar gebeurd was, riep hij de leiders van het volk bijeen en beschuldigde hij hen ervan dat zij hun broeders voor geld verkocht hadden door de vijanden tot hun eigen schade te laten gaan. 22. Hij liet hen als verraders ombrengen, en hij nam meteen die twee torens in. 23. Met de wapens in zijn hand had hij overal succes, en in die twee vestingen bracht hij meer dan twintigduizend mensen om. 24. Timotheüs, die eerder door de Joden verslagen was, bracht een heel grote troepenmacht huurlingen bijeen en verzamelde een flink aantal ruiters uit Azië. Hij rukte op alsof hij Judea met wapengeweld zou innemen. 25. Toen hij naderde, gingen de mannen van de Makkabeeër bidden tot God. Zij strooiden aarde op hun hoofd en deden rouwkleren om hun middel. 26. Zij vielen neer op de rand voor het altaar en baden of Hij hun genadig wilde zijn en of Hij vijandig wilde zijn tegen hun vijanden en wilde weerstaan wie hen weerstonden, zoals de wet zegt. 27. Toen zij van het gebed opstonden, namen zij de wapens op en trokken zij ver van de stad. Toen zij de vijanden naderden, bleven zij staan. 28. Zodra de zon opging, raakten zij met elkaar slaags. De een had als waarborg voor succes en overwinning naast zijn moed zijn toevlucht tot de Heere, de ander stelde daar zijn eigen woede tegenover als aanvoerder van de strijd. 29. Toen de strijd op zijn hevigst was, verschenen er aan de vijanden vijf voorname mannen uit de hemel, op paarden met gouden teugels, en twee van hen waren gidsen van de Joden. 30. Zij namen de Makkabeeër in hun midden, beschermden hem met hun wapens en zorgden dat hij niet gewond raakte. Op de vijanden wierpen zij pijlen en bliksems, zodat die door blindheid in verwarring raakten, verslagen werden en in paniek waren. 31. Er werden twintigduizend vijfhonderd man voetvolk en zeshonderd ruiters gedood. 32. Timotheüs zelf vluchtte in een goed bezette vesting die Gazara heet, waar Cherea de bevelhebber was. 33. De mannen van de Makkabeeër belegerden de vesting vol moed vierentwintig dagen lang. 34. Wie binnen zaten, vertrouwden op de sterkte van de plaats. Zij lasterden buitensporig en schreeuwden gruwelijke woorden. 35. Toen de vijfentwintigste dag aanbrak, werden een paar jonge mannen bij de Makkabeeër woedend om die godslasteringen. Zij vielen de muren aan en sloegen heel moedig en met vuur in hun hart iedereen dood die hun voor de voeten kwam. 36. Anderen klommen op dezelfde manier omhoog naar wie binnen waren. Zij staken de torens in brand, ontstaken vuren en verbrandden al die godslasteraars levend. 37. Weer anderen braken de poorten open. Zij lieten een afdeling binnen en namen de stad in. Zij doodden Timotheüs, die zich in een kuil verstopt had, en zijn broer Chereas en Apollofanes. 38. Toen zij dat gedaan hadden, dankten zij met lofliederen en dankgebeden de Heere, die Israël zo veel goeds bewezen had en die hun deze overwinning gegeven had. ## 2 Makkabeeën 11 — Lysias verliest en er komt vrede 1. Kort daarna was Lysias, de hofmeester en verwant van de koning, die over de zaken van de koning ging, zeer ontevreden over wat er gebeurd was. 2. Hij bracht ongeveer tachtigduizend man voetvolk bijeen met heel de ruiterij en trok op tegen de Joden. Hij was van plan de stad tot een woonplaats voor de volken te maken, 3. de tempel als geldbron te gebruiken, net als de andere tempels van de volken, en het hogepriesterschap elk jaar voor geld te verkopen. 4. Hij rekende helemaal niet met de macht van God, maar was hoogmoedig op zijn vele duizenden voetvolk, zijn duizenden ruiters en zijn tachtig olifanten. 5. Hij kwam in Judea en naderde Bet-Sur, een sterke plaats op ongeveer vijf stadiën van Jeruzalem, en hij sloot het in. 6. Toen de mannen van de Makkabeeër hoorden dat hij hun vestingen belegerde, baden zij met de menigte onder gekerm en tranen tot de Heere of Hij een goede engel wilde sturen om Israël te redden. 7. De Makkabeeër zelf nam als eerste de wapens op en spoorde de anderen aan zich met hem in gevaar te begeven om hun broeders te helpen. 8. Zij deden samen een moedige uitval. Toen zij nog bij Jeruzalem waren, verscheen hun een ruiter te paard die voor hen uit reed, in witte kleding, en die zijn gouden wapenrusting liet blinken. 9. Zij prezen allemaal eenstemmig de barmhartige God en werden van binnen zo sterk dat zij bereid waren niet alleen mensen, maar ook de wildste dieren en ijzeren muren te doorbreken. 10. Zij trokken in slagorde verder, met iemand uit de hemel die hen zou helpen vechten, want God ontfermde zich over hen. 11. Als leeuwen vielen zij hun vijanden aan. Zij sloegen er elfduizend man voetvolk neer en zestienhonderd ruiters. 12. Alle anderen dwongen zij te vluchten. Velen van hen ontkwamen gewond en zonder wapens, en ook Lysias zelf ontkwam, maar met schande. 13. Hij was niet dom. Hij dacht na over de nederlaag die hij geleden had en begreep dat de Hebreeën onoverwinnelijk waren, omdat de almachtige God met hen streed. Daarom stuurde hij een boodschap naar hen. 14. Hij verzekerde hun dat hij op alle redelijke voorwaarden met hen wilde onderhandelen en dat hij daarom ook de koning zou overhalen, ja dwingen, hun vriend te worden. 15. De Makkabeeër zorgde voor wat goed was en stemde in met alles wat Lysias vroeg. Want alles wat de Makkabeeër voor de Joden schriftelijk aan Lysias voorgelegd had, stond de koning toe. 16. De brieven die Lysias aan de Joden schreef, hadden deze inhoud: Lysias wenst het Joodse volk voorspoed. 17. Johannes en Absalom, die door u gestuurd zijn, hebben de antwoorden overhandigd die hieronder staan, en zij hebben gevraagd of wij wilden inwilligen wat daarin staat. 18. Ik heb alles wat aan de koning voorgelegd moest worden aan hem uitgelegd, en hij heeft toegestaan wat redelijk was. 19. Daarom: als u onze zaken welgezind blijft, zal ik ook voortaan proberen bij te dragen aan uw welzijn. 20. Over de bijzonderheden heb ik zowel aan deze mannen als aan mijn eigen gezanten opdracht gegeven om het u uit te leggen. 21. Het ga u goed. In het honderdachtenveertigste jaar, de vierentwintigste dag van de maand van Zeus Corinthius. 22. En de brief van de koning had deze inhoud: Koning Antiochus wenst zijn broeder Lysias voorspoed. 23. Nu onze vader tot de goden is opgenomen, willen wij dat wie in ons koninkrijk wonen zonder onrust hun eigen zaken kunnen doen. 24. Wij hebben gehoord dat de Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn vader, waarmee hij hen tot de Griekse manier van godsdienst wilde brengen, maar dat zij liever hun eigen manier volgen, en dat zij daarom vragen of zij hun eigen wetten mogen houden. 25. Daarom hebben wij besloten dat ook dit volk buiten de onrust zal blijven, en wij bevelen dat de tempel aan hen teruggegeven wordt en dat zij voortaan mogen leven naar de gewoonten van hun voorouders. 26. U zult er goed aan doen mensen naar hen toe te sturen en hun de rechterhand te geven, zodat zij, nu zij ons besluit kennen, goede moed krijgen en met vreugde hun eigen zaken kunnen doen. 27. En de brief van de koning aan het Joodse volk luidde zo: Koning Antiochus wenst de raad van de Joden en alle andere Joden voorspoed. 28. Als het goed met u gaat, dan is dat zoals wij het willen. Wij zijn in goede gezondheid. 29. Menelaüs heeft ons verteld dat u, teruggekeerd, uw eigen zaken wilt doen. 30. Wie tot de dertigste dag van de maand Xanthicus bij ons komen, krijgen de rechterhand met alle zekerheid. 31. De Joden mogen hun eigen voedsel en hun eigen wetten gebruiken, zoals vroeger, en niemand van hen zal op welke manier dan ook lastiggevallen worden om wat er onbezonnen gedaan mag zijn. 32. Ik heb ook Menelaüs naar u toe gestuurd om u gerust te stellen. 33. Het ga u goed. De vijftiende dag van de maand Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig. 34. Ook de Romeinen schreven hun een brief met deze inhoud: Quintus Memmius en Titus Manlius, gezanten van de Romeinen, wensen het Joodse volk voorspoed. 35. Wat Lysias, de verwant van de koning, u toegestaan heeft, vinden ook wij goed. 36. Maar wat hij besloten heeft aan de koning voor te leggen: stuur daar meteen iemand voor die erover kan onderhandelen, zodat wij kunnen uitleggen wat goed voor u is. Want wij trekken naar Antiochië. 37. Haast u daarom en stuur mensen, zodat ook wij weten hoe u erover denkt. 38. Het ga u goed. De vijftiende dag van de maand Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig. ## 2 Makkabeeën 12 — Judas wreekt de verdronken Joden 1. Toen deze verdragen gesloten waren, vertrok Lysias naar de koning, en de Joden gingen hun land bewerken. 2. Maar de bevelhebbers van die streken, Timotheüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, en ook Hieronymus en Demofon, en daarbij Nikanor, de bevelhebber van Cyprus, lieten hen niet met rust en lieten hun niet toe hun werk in stilte te doen. 3. En de mensen van Joppe deden de Joden dit schandelijke stuk. Zij vroegen de Joden die bij hen woonden met vrouwen en kinderen in schuiten te stappen die zij geregeld hadden, alsof er geen vijandschap tegen hen bestond. 4. Toen zij dat aannamen omdat er een openbaar besluit van de stad was, want zij wilden in vrede leven en hadden geen kwaad vermoeden, en toen zij op zee waren, hebben de mensen van Joppe hen in zee verdronken, minstens tweehonderd. 5. Toen Judas hoorde dat deze wreedheid tegen zijn landgenoten begaan was, gaf hij zijn mannen bevel de wapens op te nemen. Hij riep God aan als een rechtvaardige rechter, 6. en trok op tegen de moordenaars van zijn broeders. Hij stak 's nachts de haven in brand, verbrandde de schuiten en doorstak wie daarheen gevlucht waren. 7. Omdat de plaats afgesloten was, vertrok hij met het plan terug te komen en heel de burgerij van Joppe uit te roeien. 8. Toen hij hoorde dat ook de mensen van Jamnia hetzelfde wilden doen met de Joden die bij hen woonden, 9. overviel hij Jamnia 's nachts en verbrandde hij hun haven en vloot, zodat het licht van de vlam tot in Jeruzalem te zien was, tweehonderdveertig stadiën verder. 10. Toen zij vandaar negen stadiën gegaan waren en op weg waren naar Timotheüs, vielen de Arabieren hen aan, minstens vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters. 11. Er ontstond een hevig gevecht, en de mannen van Judas vochten met succes door de hulp die van God kwam. De nomaden van Arabië werden overwonnen en vroegen Judas of hij hun de rechterhand wilde geven. Zij beloofden hem hun vee te geven en hem in alles van dienst te zijn. 12. Judas dacht dat zij hem in veel zaken werkelijk van dienst zouden zijn, en hij stemde toe vrede met hen te sluiten. Toen zij de rechterhand gekregen hadden, gingen zij terug naar hun tenten. 13. Hij ondernam ook een aanval op een sterke stad met muren eromheen, die door allerlei door elkaar gemengde volken bewoond werd en Caspin heette. 14. Maar wie binnen zaten, vertrouwden op de sterkte van hun muren en op hun voedselvoorraad. Zij gedroegen zich onverschillig, scholden de mannen van Judas uit, lasterden hen en spraken onbehoorlijke dingen. 15. Maar de mannen van Judas riepen de grote Vorst van de wereld aan, die zonder stormrammen en andere belegeringswerktuigen in de tijd van Jozua de muren van Jericho heeft neergeworpen. Zij vielen de muren aan als wilde mannen. 16. Zij namen de stad in door de wil van God en doodden een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer daarnaast, dat twee stadiën breed was, leek te stromen van bloed en ermee gevuld leek. 17. Toen zij vandaar zevenhonderdvijftig stadiën verder getrokken waren, kwamen zij in Charax bij de Joden die Tubianen heten. 18. Zij troffen Timotheüs niet in die streken aan. Hij was daar zonder iets te bereiken vertrokken en had een bezetting achtergelaten op een zeer sterke plaats. 19. Dositheüs en Sosipater, twee aanvoerders van de mannen van de Makkabeeër, trokken uit en doodden meer dan tienduizend man van de mannen die Timotheüs in die vesting achtergelaten had. 20. Judas de Makkabeeër stelde zijn leger in afdelingen op, gaf ieder een aanvoerder en viel Timotheüs aan, die honderdtwintigduizend man voetvolk en tweeduizend vijfhonderd ruiters bij zich had. 21. Toen Timotheüs hoorde dat Judas eraan kwam, stuurde hij alle vrouwen en kinderen en alle bagage vooruit naar een plaats die Karnion heet, want die plaats was moeilijk te belegeren en moeilijk te bereiken, door de nauwe toegangen overal. 22. Zodra de eerste afdeling van Judas zich vertoonde, kwam er ontzetting over de vijanden door de verschijning van Hem die alles ziet. Zij sloegen met veel lawaai op de vlucht, de een hierheen en de ander daarheen, zodat zij vaak door hun eigen mensen verwond en door scherpe zwaarden doorstoken werden. 23. Judas achtervolgde hen fel, doorstak die misdadigers en doodde er dertigduizend. 24. Timotheüs zelf viel in handen van Dositheüs en Sosipater. Met veel bedrog smeekte hij dat men hem in leven zou laten en zou vrijlaten, omdat hij veel van hun ouders en broers in handen had en het anders slecht met hen zou aflopen. 25. Toen hij met veel woorden zijn toezegging bevestigd had, namelijk dat hij hen ongedeerd zou uitleveren, lieten zij hem los om hun broeders te redden. 26. Judas trok vandaar naar Karnion en Atargatis en doodde daar vijfentwintigduizend man. 27. Na de vlucht en de nederlaag van die mannen bracht hij zijn leger ook voor Efron, een sterke stad waarin een grote menigte van allerlei volken woonde. De dappere jonge mannen stonden voor de muren en vochten hevig, en er was een grote voorraad werktuigen en pijlen. 28. Maar zij riepen God aan, de Vorst die met kracht de macht van de vijanden breekt, en zij namen de stad in en onderwierpen haar, en zij doodden er vijfentwintigduizend van wie daarin waren. 29. Vandaar trokken zij op naar de stad Scythopolis, zeshonderd stadiën van Jeruzalem. 30. Maar de Joden die daar woonden, getuigden van de welwillendheid die de burgers van Scythopolis hun getoond hadden en hoe vriendelijk zij hen in tijden van tegenspoed behandeld hadden. 31. Daarom bedankten zij hen en spoorden zij hen aan ook voortaan hun volk goedgezind te zijn. En omdat het Wekenfeest eraan kwam, keerden zij terug naar Jeruzalem. 32. Toen het feest dat Pinksteren heet voorbij was, trokken zij op tegen Gorgias, de bevelhebber van Idumea. 33. Zij trokken uit met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters. 34. Toen zij tegen hem vochten, gebeurde het dat er maar weinig Joden vielen. 35. Een zekere Dositheüs, een ruiter uit de troep van Bakenor en een sterke man, had Gorgias te pakken. Hij greep hem bij zijn mantel en sleepte hem met kracht mee. Maar terwijl hij die man levend gevangen wilde nemen, viel een van de Thracische ruiters hem aan, hakte zijn schouder af, en Gorgias ontsnapte naar Marisa. 36. Toen de mannen van Esdrin lang gevochten hadden en moe waren, riep Judas de Heere aan of Hij als medestrijder en aanvoerder in de strijd wilde verschijnen. 37. Hij begon in de taal van zijn voorouders een strijdkreet met lofliederen, viel de soldaten van Gorgias onverwacht aan en dreef hen op de vlucht. 38. Judas bracht zijn troepen bijeen en kwam in de stad Odollam. Omdat de zevende dag aanbrak, heiligden zij zich zoals de gewoonte is en brachten zij daar de sabbat door. 39. De volgende dag gingen de mannen van Judas, zoals het op dat moment hoort, de lichamen ophalen van wie gevallen waren, om die bij hun verwanten in de graven van hun voorouders te leggen. 40. Onder de kleding van elk van de doden vonden zij voorwerpen die aan de afgoden van Jamnia gewijd waren, wat de wet de Joden verbiedt. Toen werd het iedereen duidelijk dat zij daarom gevallen waren. 41. Zij prezen allemaal de Heere, de rechtvaardige rechter, die alle verborgen dingen aan het licht brengt. 42. Zij gingen bidden en vroegen of de zonde die daar begaan was helemaal uitgewist mocht worden. En de moedige Judas spoorde de menigte aan zichzelf te bewaren en zonder zonde te blijven, nu zij met eigen ogen gezien hadden wat er gebeurd was om de zonden van wie gevallen waren. 43. Hij liet een collecte houden en stuurde tweeduizend drachmen zilver naar Jeruzalem om een zondoffer te laten brengen. Dat deed hij heel goed en edel, want hij dacht aan de opstanding. 44. Want als hij niet verwacht had dat wie gevallen waren weer zouden opstaan, zou het zinloos en dwaas geweest zijn voor de doden te bidden. 45. Daarbij bedacht hij dat voor wie in geloof gestorven zijn een heel mooie genade klaarligt. 46. Een heilige en godvruchtige gedachte! Daarom liet hij voor de gestorvenen de verzoening doen, zodat zij van hun zonden bevrijd zouden worden. ## 2 Makkabeeën 13 — Het einde van Menelaüs en de nachtaanval 1. In het honderdnegenenveertigste jaar hoorden de mannen van Judas dat Antiochus Eupator met een grote troepenmacht tegen Judea optrok, 2. en met hem Lysias, zijn hofmeester, die over zijn zaken ging. Elk van hen had een Griekse macht van honderdtienduizend man voetvolk, vijfduizend driehonderd ruiters, tweeëntwintig olifanten en driehonderd wagens met zeisen. 3. Bij hen voegde zich ook Menelaüs, die Antiochus met veel gevlei aanspoorde, niet om het welzijn van het vaderland, maar omdat hij dacht dat hij in het hoogste ambt gezet zou worden. 4. Maar de Koning van de koningen keerde het gemoed van Antiochus tegen deze misdadiger. Toen Lysias aantoonde dat hij de oorzaak van al dit kwaad was, gaf hij bevel hem naar Berea te brengen en hem daar om te brengen, zoals daar gebruikelijk was. 5. Op die plaats stond een toren van vijftig el hoog, vol as. Daarin stond een draaiend rad waarvan je aan alle kanten in de as viel. 6. Van daaraf stootten zij iedereen naar beneden die schuldig was aan tempelroof of die iets anders bijzonder slechts gedaan had, zodat hij omkwam. 7. Met zo'n dood is die goddeloze Menelaüs gestorven, en hij kreeg geen plaats in de aarde. 8. En dat was heel terecht, want hij had veel gezondigd tegen het altaar, waar het heilige vuur was en de as. Daarom vond hij zijn dood in de as. 9. De koning kreeg door deze gedachten een barbaars gemoed en kwam om de Joden veel meer kwaad te doen dan hun ooit in de tijd van zijn vader aangedaan was. 10. Maar toen Judas dat hoorde, gaf hij het volk bevel dag en nacht de Heere aan te roepen, of Hij, als Hij het ooit deed, nu te hulp wilde komen aan wie in gevaar waren hun wet, hun vaderland en de heilige tempel te verliezen, 11. en of Hij het volk, dat net weer op adem gekomen was, niet in handen wilde laten vallen van de schandelijke volken. 12. Toen zij dat allemaal samen deden en de barmhartige Heere baden met klagen en vasten, drie dagen onophoudelijk voor Hem neergevallen, riep Judas hen bij zich en gaf hij hun bevelen. 13. Alleen met de oudsten hield hij raad. Voordat de troepen van de koning Judea zouden binnenvallen en de stad in handen zouden krijgen, moesten zij hem tegemoet trekken en het erop wagen, steunend op de hulp van de Heere. 14. Hij vertrouwde de zorg toe aan de Schepper van de wereld en spoorde zijn mannen aan moedig tot de dood toe te vechten voor de wetten, de tempel, de stad, het vaderland en het bestuur. Hij sloeg zijn kamp op bij Modin. 15. Hij gaf zijn mannen als wachtwoord: van God is de overwinning. Met een aantal van de beste, uitgekozen jonge mannen viel hij 's nachts bij het koninklijke hoofdkwartier het kamp aan. Hij doodde ongeveer tweeduizend man en velde daarbij de voornaamste olifant, met de mannen die in de toren erop zaten. 16. En ten slotte, toen zij het kamp met angst en verwarring gevuld hadden, vertrokken zij met succes. 17. Dat gebeurde toen de dag aanbrak, door de bescherming van de Heere, die hem hielp. 18. De koning had nu een voorproefje gekregen van de moed van de Joden, en hij probeerde de plaatsen met list in te nemen. 19. Toen hij optrok tegen Bet-Sur, een sterke bezetting van de Joden, werd hij op de vlucht gedreven, tegengehouden en verzwakt. 20. En Judas stuurde wie daarbinnen waren wat zij nodig hadden. 21. Rodocus, een van de Joodse soldaten, verried de geheimen aan de vijanden. Daarom werd hij gezocht, gegrepen en opgesloten. 22. De koning onderhandelde voor de tweede keer met de mensen van Bet-Sur. Hij gaf en kreeg de rechterhand en vertrok. 23. Hij raakte slaags met de mannen van Judas en werd verslagen. En toen hij hoorde dat Filippus, die hij in Antiochië had achtergelaten om zijn zaken te doen, van hem afgevallen was, was hij verslagen. Hij vroeg de Joden om vrede, onderwierp zich aan hen en zwoer hun op alle redelijke voorwaarden. Toen hij zich met hen verzoend had, bracht hij offers, eerde hij de tempel en gaf hij die plaats veel eer. 24. Hij omhelsde de Makkabeeër en benoemde hem tot opperbevelhebber van Ptolemaïs tot aan het gebied van de Gerreners. 25. Toen hij in Ptolemaïs kwam, waren de mensen van Ptolemaïs erg ontevreden over de verdragen, want zij namen het heel kwalijk en wilden de verdragen verbreken. 26. Maar Lysias ging op de rechterstoel staan, verantwoordde de zaak zo goed hij kon, stelde hen tevreden, kalmeerde hen en maakte hen welwillend, zodat hij naar Antiochië kon vertrekken. En zo is het gegaan met de komst en het vertrek van de koning. ## 2 Makkabeeën 14 — Nikanor en de dood van Razis 1. Na drie jaar gebeurde het dat Demetrius, de zoon van Seleucus, met een sterke troepenmacht en vloot de haven van Tripolis binnenvoer, 2. en dat hij het land in handen kreeg, nadat hij Antiochus en zijn hofmeester Lysias had omgebracht. 3. Een zekere Alcimus, die eerder hogepriester geweest was en zichzelf vrijwillig verontreinigd had in de tijd van de vermenging, bedacht dat er voor hem geen enkele redding was en dat hij geen toegang meer zou krijgen tot het heilige altaar. 4. Hij kwam bij koning Demetrius in het honderdeenenvijftigste jaar en bracht hem een gouden kroon, een palmtak en bovendien een paar takken waarvan men dacht dat zij uit de tempel kwamen. Die dag hield hij zich stil. 5. Maar hij kreeg een goede gelegenheid om zijn dwaasheid uit te voeren toen Demetrius hem in de raad riep en hem vroeg hoe het met de Joden stond en wat zij van plan waren. 6. Toen zei hij: De Joden die de Asideeën genoemd worden, met Judas de Makkabeeër als hun leider, voeren voortdurend oorlog en veroorzaken onrust. Zij laten niet toe dat het koninkrijk tot rust komt. 7. Daarom ben ik, die beroofd ben van de eer van mijn voorouders, namelijk van het hogepriesterschap, hierheen gekomen. 8. Ten eerste omdat ik het oprecht meen met de zaken van de koning, en ten tweede om mijn eigen stadgenoten een dienst te bewijzen, want door de onredelijkheid van de mensen die ik net genoemd heb, lijdt heel ons volk grote schade. 9. Nu u dit alles weet, koning, zorg dan alstublieft voor het land en voor ons volk, dat van alle kanten ingesloten is, naar de goedheid die u bekendstaat te bewijzen aan iedereen. 10. Want zolang Judas leeft, is het onmogelijk de zaken tot vrede te brengen. 11. Toen hij dit gezegd had, stookten de andere vrienden van de koning, die Judas slecht gezind waren, Demetrius nog verder op. 12. Hij riep meteen Nikanor, die over de olifanten ging, maakte hem bevelhebber over Judea en stuurde hem daarheen. 13. Hij gaf hem brieven mee dat hij Judas moest ombrengen en zijn mannen uiteen moest jagen, en dat hij Alcimus tot hogepriester van de grootste tempel moest aanstellen. 14. De volken die uit Judea voor Judas gevlucht waren, voegden zich als kudden bij Nikanor, want zij dachten dat de tegenspoed en de ellende van de Joden hun eigen voorspoed zou zijn. 15. Toen de Joden hoorden dat Nikanor eraan kwam en dat de volken zich bij hem aansloten, strooiden zij aarde op hun hoofd en baden zij tot Hem die Zijn volk voor altijd bevestigd heeft en die altijd Zijn erfdeel met Zijn verschijning heeft aangenomen. 16. Op bevel van hun aanvoerder trok het leger meteen van daar op en raakte slaags bij het dorp Dessau. 17. Simon, de broer van Judas, raakte slaags met Nikanor en was even verbaasd dat de vijanden zo plotseling verdwenen. 18. Zo hoorde ook Nikanor hoe dapper de mannen van Judas waren en hoeveel succes zij hadden wanneer zij voor hun vaderland streden, en hij durfde het niet op een veldslag aan te laten komen. 19. Daarom stuurde hij Posidonius, Theodotus en Mattathias om de rechterhand te geven en te ontvangen. 20. Daarover werd veel overlegd. De aanvoerder legde de zaak aan de menigte voor, en toen bleek dat de stemmen eenstemmig waren, gingen zij akkoord met de verdragen. 21. Zij stelden een dag vast waarop zij elkaar apart op een plaats zouden ontmoeten. Van beide kanten werd er een zetel gebracht, en men zette de zetels bij elkaar. 22. Judas stelde een aantal gewapende mannen op geschikte plaatsen op, zodat zij klaarstonden voor het geval de vijanden onverwacht iets slechts zouden doen. En zo hadden zij een goed gesprek. 23. Nikanor verbleef in Jeruzalem en deed niets ongepasts. Hij stuurde de menigten weg die in grote getale bij hem gekomen waren. 24. Hij had Judas hoog zitten en was hem van harte toegedaan. 25. Hij spoorde hem aan te trouwen en kinderen te krijgen. En hij trouwde, leefde rustig en leidde een gewoon leven. 26. Alcimus zag de goede verstandhouding tussen die twee en de verdragen die zij gesloten hadden. Hij nam die mee, ging naar Demetrius en zei dat Nikanor plannen had die vijandig waren tegenover de zaken van de koning. Want, zei hij: Hij heeft Judas, die het koninkrijk naar het leven staat, aangewezen als zijn opvolger. 27. De koning werd woedend en werd door de laster van deze grote misdadiger opgestookt. Hij schreef aan Nikanor dat hij deze verdragen heel kwalijk nam, en hij gaf bevel de Makkabeeër meteen gevangen naar Antiochië te sturen. 28. Toen Nikanor dat hoorde, was hij ontzet en nam hij het hem heel kwalijk dat hij de verdragen moest verbreken, terwijl de man geen onrecht gedaan had. 29. Maar omdat het niet mogelijk was de koning te weerstaan, wachtte hij een goede gelegenheid af om het met een krijgslist uit te voeren. 30. Maar de Makkabeeër merkte dat Nikanor strenger met hem omging en dat hij in de gewone omgang onvriendelijker was. Hij dacht dat die strengheid niet uit de beste bron kwam, bracht een flink aantal van zijn mannen bijeen en hield zich voor Nikanor verborgen. 31. Toen die doorhad dat de man hem met een slimme list te slim af geweest was, ging hij naar de grootste en heiligste tempel, terwijl de priesters de gebruikelijke offers brachten, en gaf hij hun bevel de man aan hem uit te leveren. 32. Toen zij met een eed verklaarden dat zij niet wisten waar de gezochte man was, strekte hij zijn hand uit naar de tempel en zwoer hij dit: 33. Als u mij Judas niet gevangen uitlevert, zal ik deze tempel van God tot een vlak veld maken, ik zal het altaar ondergraven en ik zal hier een schitterende tempel voor Dionysus bouwen. 34. Toen hij dat gezegd had, ging hij weg. Maar de priesters staken hun handen naar de hemel uit en riepen Hem aan die altijd een voorvechter van ons volk geweest is. Zij zeiden: 35. U, Heere van allen, die niets nodig hebt, U hebt gewild dat de tempel waar U woont bij ons zou zijn. 36. Nu dan, heilige Heere van alle heiliging, bewaar dit huis, dat pas gereinigd is, voor altijd onbesmet. 37. Een zekere Razis, een van de oudsten in Jeruzalem, een man die van de stad en de burgers hield, die een heel goede naam had en die om zijn goedheid een vader van de Joden genoemd werd, werd bij Nikanor aangeklaagd. 38. Want in de tijd daarvoor werd hij beschouwd als een oprechte Jood, en hij had zijn lichaam en ziel met alle standvastigheid ingezet voor het Jodendom. 39. Nikanor wilde laten zien hoe vijandig hij tegenover de Joden stond, en hij stuurde meer dan vijfhonderd soldaten om hem te grijpen. 40. Want hij dacht dat hij de Joden groot leed zou doen als hij hem gevangen zou nemen. 41. Maar toen de menigte de toren wilde innemen en de deur van de voorhof forceerde, en toen het bevel kwam vuur te halen en de deuren in brand te steken, en hij helemaal ingesloten was, doorstak hij zichzelf met het zwaard. 42. Hij wilde liever moedig sterven dan in de handen van die schurken vallen en beledigingen ondergaan die zijn eervolle afkomst onwaardig waren. 43. Maar door de grote haast van het gevecht had hij de steek niet goed gezet. Terwijl de menigte door de deuren naar binnen stroomde, liep hij moedig naar de muur en wierp hij zich als een man van de steilte af op de menigte. 44. Die week meteen achteruit en maakte ruimte, en hij kwam midden in de open plek op zijn buik terecht. 45. Hij haalde nog adem en was hevig gedreven van binnen. Hij stond op, terwijl zijn bloed als een bron naar buiten kwam en hij zwaar gewond was, en hij rende door de menigte heen. 46. Hij ging op een steile rots staan. Hij was nu helemaal leeggebloed. Hij trok zijn ingewanden naar buiten, nam die met beide handen en gooide ze naar de menigte. En terwijl hij de Heere van leven en geest aanriep of Hij hem die terug wilde geven, is hij zo gestorven. ## 2 Makkabeeën 15 — De nederlaag van Nikanor 1. Toen Nikanor hoorde dat de mannen van Judas zich in de streken van Samaria ophielden, besloot hij hen op de rustdag helemaal veilig te overvallen. 2. En toen de Joden die hem noodgedwongen volgden tegen hem zeiden: Breng hen toch niet zo wreed en barbaars om, maar houd die dag in ere, die vroeger geheiligd is door Hem die alles ziet, 3. vroeg deze door en door slechte man: Is er dan een Heere in de hemel die geboden heeft dat men de sabbatdag houdt? 4. En zij antwoordden: Er is een Heere die leeft. Hij is in de hemel een machtige vorst, die geboden heeft de zevende dag te vieren. 5. En de ander zei: Ik ben ook een machtige vorst op de aarde, en ik beveel u de wapens op te nemen en de opdrachten van de koning uit te voeren. En toch kon hij zijn ellendige plan niet uitvoeren. 6. Nikanor stak vol hoogmoed zijn hals omhoog en had bedacht een openbaar overwinningsteken op te richten over de mannen van Judas. 7. Maar de Makkabeeër vertrouwde onophoudelijk en met alle hoop dat hij hulp van de Heere zou krijgen. 8. Hij spoorde zijn mannen aan niet bang te zijn voor de komst van de volken, maar te denken aan de hulp die hun zo vaak uit de hemel gekomen was, en nu van de Almachtige de overwinning te verwachten die Hij hun zou geven. 9. Hij bemoedigde hen uit de wet en de profeten, en hij herinnerde hen aan de gevaren die zij al doorstaan hadden, en zo maakte hij hen moedig. 10. Hij wekte hen van binnen op, spoorde hen aan en liet hun meteen de ontrouw van de volken zien en het schenden van hun eden. 11. Zo bewapende hij ieder van hen, niet zozeer met de zekerheid van schilden en speren als wel met de aansporing van goede woorden. En toen hij hun daarbij een geloofwaardige droom verteld had, maakte hij hen allemaal heel blij. 12. Zijn visioen was zo. Onias, die het hogepriesterschap bediend had, een eervolle en goede man, beschaafd in de omgang, zachtmoedig van manieren, die gepast sprak en die zich vanaf zijn kinderjaren geoefend had in alles wat bij de deugd hoort, stak zijn handen uit en bad voor de gemeenschap van de Joden. 13. En zo verscheen ook een man met grijze haren die prachtig straalde, en de waardigheid die om hem heen hing, was zeer te bewonderen en heel voortreffelijk. 14. En Onias antwoordde: Dit is Jeremia, de profeet van God, die van zijn broeders houdt en die veel bidt voor het volk en voor de heilige stad. 15. En Jeremia stak zijn rechterhand uit en gaf Judas een gouden zwaard, en terwijl hij het gaf, zei hij: 16. Neem dit heilige zwaard aan, een geschenk van God, waarmee u de vijanden zult verwonden. 17. Zij werden aangespoord door deze woorden van Judas, die heel goed waren en die krachtig aanzetten tot moed en het hart van de jonge mannen manmoedig maakten. Zij besloten geen kamp op te slaan, maar moedig aan te vallen, met alle dapperheid onder de vijanden te vallen en het uiterste te wagen, nu de stad, het heiligdom en de tempel in gevaar waren. 18. Want de zorg om vrouwen en kinderen en ook om broers en verwanten telde bij hen minder. De grootste en eerste vrees was voor de geheiligde tempel. 19. Ook wie in de stad achtergebleven waren, hadden grote angst, want de slag onder de blote hemel maakte hen van streek. 20. Toen zij allemaal verwachtten dat het treffen zou beginnen, en de vijanden aanvielen, hun leger in slagorde stond, de dieren op een geschikte plaats stonden en de ruiterij bij de vleugels was opgesteld, 21. zag de Makkabeeër die grote menigte, de allerlei wapenrustingen en de woestheid van de dieren. Hij hief zijn handen op naar de hemel en riep de Heere aan, die wonderlijke dingen doet, want hij wist dat de overwinning niet met wapens gewonnen wordt, maar door Hem gegeven wordt aan wie Hij dat waard vindt. 22. En terwijl hij bad, sprak hij deze woorden: U, Heere, hebt Uw engel gestuurd in de tijd van Hizkia, de koning van Juda, en die heeft in het leger van Sanherib honderdvijfentachtigduizend man gedood. 23. En nu, Vorst van de hemel, stuur Uw goede engel voor ons uit, om schrik en beving te brengen. 24. Laat door de kracht van Uw arm neergeslagen worden wie met godslastering tegen Uw heilige volk gekomen zijn. En met deze woorden hield hij op met bidden. 25. De mannen van Nikanor kwamen aan met trompetten en overwinningsliederen. 26. Maar de mannen van Judas vielen de vijanden aan met aanroeping en gebeden. 27. Zij vochten met hun handen, maar baden met hun hart tot God. Zij versloegen minstens vijfendertigduizend man en waren heel blij over deze verschijning van God. 28. Toen zij uit die nood gered waren en met vreugde aftrokken, merkten zij dat Nikanor eerder al gevallen was, in zijn wapenrusting. 29. Er ontstond groot geschreeuw en rumoer, en zij prezen de Heere in de taal van hun voorouders. 30. En hij die altijd met lichaam en ziel de eerste voorvechter van zijn medeburgers geweest was en die zijn leven lang de welwillendheid tegenover zijn eigen volk bewaard had, gaf bevel het hoofd van Nikanor en zijn hand met de schouder af te snijden en naar Jeruzalem te brengen. 31. Toen hij daar gekomen was, riep hij zijn volk en de priesters bijeen. Hij ging voor het altaar staan en stuurde een bericht naar wie in de burcht zaten. 32. Hij liet hun het hoofd zien van de misdadige Nikanor en de hand van deze godslasteraar, die hij uitgestoken had tegen het heilige huis van de Almachtige en waarmee hij zijn hals had opgestoken. 33. Hij sneed de tong van de goddeloze Nikanor af en zei dat hij die in stukken aan de vogels zou geven en dat hij die dingen als loon voor zijn dwaasheid tegenover de tempel zou ophangen. 34. En zij keken allemaal op naar de hemel en dankten de doorluchtige Heere. Zij zeiden: Gezegend is Hij die Zijn plaats onbesmet bewaard heeft. 35. Hij hing het hoofd van Nikanor aan de burcht, zodat het voor iedereen een duidelijk en openbaar teken zou zijn van de hulp van de Heere. 36. En zij besloten allemaal met een algemeen besluit dat zij deze dag zeker niet ongeëerd zouden laten, 37. maar dat zij de dertiende dag van de twaalfde maand, die in het Syrisch Adar heet, zouden vieren, de dag voor het feest van Mordechai. 38. Nu de zaak van Nikanor zo afgelopen is en de Hebreeën vanaf die tijd de stad in handen gehad hebben, zal ik hier mijn verhaal afbreken. 39. Als ik het goed heb samengesteld, zoals het in een geschiedenis hoort, dan was dat mijn bedoeling. Maar als ik het slecht en onvolledig gedaan heb, dan is dat wat ik kon doen. 40. Want zoals het ongezond is om alleen wijn te drinken, en ook om alleen water te drinken, en zoals wijn met water gemengd een aangename smaak geeft en het prettig is om wijn met water gemengd te drinken, zo is ook een goed geschreven geschiedenis aangenaam voor de oren van de lezers. En dit zij dan het einde. ## 3 Makkabeeën 1 — De koning wil de tempel binnengaan 1. Toen koning Filopator van teruggekeerde mannen hoorde dat Antiochus hem de gebieden had afgenomen die hij bezet had, riep hij heel zijn leger op, te voet en te paard. 2. Hij nam zijn zuster Arsinoë mee en haastte zich naar de streek bij Rafia, waar Antiochus en zijn soldaten hun kamp hadden. 3. Een zekere Theodotus wilde een aanslag uitvoeren. Hij nam de beste soldaten van Ptolemeüs mee die hem eerder waren toevertrouwd, en ging 's nachts naar de tent van Ptolemeüs om hem in zijn eentje te doden en zo een eind aan de oorlog te maken. 4. Maar Dositheüs, die de zoon van Drimylus genoemd werd, van geboorte een Jood maar die later de wet verlaten had en van de gewoonten van zijn voorouders was vervreemd, had hem weggebracht en een onbelangrijk man in de tent in zijn plaats gelegd. Zo kwam het dat die de straf droeg. 5. Er ontstond een bloedige slag, en de zaken stonden er beter voor aan de kant van Antiochus. Toen ging Arsinoë er ijverig op af en smeekte de soldaten met gejammer en tranen, met loshangend haar, om zichzelf, hun kinderen en hun vrouwen dapper te hulp te komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee pond goud. 6. En zo gebeurde het dat de vijanden in het gevecht van man tot man vernietigd werden en dat er ook velen gevangen werden genomen. 7. Toen Ptolemeüs die verraderlijke aanslag had overwonnen, besloot hij naar de steden in de buurt te gaan om hen moed in te spreken. Toen hij dat gedaan had en de tempels met gaven begiftigd had, gaf hij zijn onderdanen moed. 8. Toen de Joden enkelen uit de raad en uit de oudsten naar hem toe hadden gestuurd om hem te begroeten, geschenken te brengen en hem geluk te wensen met wat er gebeurd was, besloot hij des te meer om zo snel mogelijk naar hen toe te reizen. 9. Toen hij in Jeruzalem kwam, offerde hij aan de allerhoogste God, bracht dank en deed wat daar gebruikelijk was. 10. Toen hij ook bij de heilige plaats kwam, was hij onder de indruk van het vakwerk en de pracht en verbaasde hij zich over de mooie orde van de tempel. Toen nam hij zich voor om het binnenste van de tempel binnen te gaan. 11. Maar toen zij hem zeiden dat dit niet paste, omdat het niet was toegestaan, niet aan mensen van hun eigen volk en zelfs niet aan alle priesters, maar alleen aan de hogepriester, de hoogste van alle priesters, en dan nog maar eens per jaar, liet hij zich niet tegenhouden. 12. Ja, hij minachtte de wet die hem werd voorgelezen en bleef zich opdringen. Hij zei dat hij daar naar binnen moest, en al zouden zij van die eer beroofd zijn, hem hoorde dat niet te overkomen. En hij vroeg waarom niemand van de aanwezigen hem verhinderd had om de hele tempel binnen te gaan. 13. Iemand antwoordde: Het is onverstandig gedaan en het betekent iets slechts. De koning zei: Als dat gebeurd is, waarom zou ik dan niet helemaal naar binnen gaan, of zij dat nu prettig vinden of niet? 14. Maar de priesters vielen in hun volle gewaad neer en baden de allerhoogste God of Hij hen in die dreigende nood wilde helpen en het geweld wilde bedwingen van de koning die zich zo brutaal opdrong. Zij vulden de tempel met geschreeuw en tranen. Toen schrokken de mensen die hier en daar in de stad waren achtergebleven, en zij kwamen aanlopen, want zij dachten dat er iets geheims gebeurde. 15. Ook de meisjes die in hun kamers opgesloten zaten, liepen met hun moeders naar buiten. Zij strooiden stof op hun haar, lieten het los hangen en vulden de straten met klagen en zuchten. 16. En vrouwen die pas getrouwd waren, verlieten niet alleen de mannen die waren aangewezen om de koning tegemoet te gaan, maar ook hun gepaste schaamte, en zij maakten een wanordelijk geloop in de stad. 17. Bovendien lieten zowel moeders als voedsters hun pasgeboren kinderen hier en daar achter, sommige in de huizen en sommige op straat, en zij liepen zonder ophouden samen naar de hoogste plek van de tempel. 18. En er klonk allerlei gesmeek van wie daar samengekomen waren tegen het onheilige dat hij ondernam. 19. Daarbij waren er burgers die het aandurfden en het niet wilden toestaan. Toen hij bleef aandringen en zijn plan wilde doorzetten, riepen zij dat men de wapens moest grijpen en dapper moest sterven voor de wet van de voorouders. Zij brachten op die plaats grote verbittering teweeg. 20. Toen zij met moeite door de raad en de oudsten gekalmeerd waren, gingen zij weer over tot hetzelfde gebed. 21. Het gewone volk was intussen, net als eerst, in gebed, maar de oudsten die om de koning heen stonden, probeerden op alle manieren zijn hoogmoedige geest van zijn plan af te brengen. 22. Maar hij zette door, sloeg alles in de wind en trad naar voren om af te maken wat hierboven genoemd is. 23. Toen de mannen om de koning heen dit zagen, keerden zij zich om, om samen met de onzen Hem aan te roepen die alle kracht heeft, dat Hij in deze nood te hulp wilde komen en deze onwettige en hoogmoedige daad niet zou toelaten. 24. En uit het zeer luide en aanhoudende geschreeuw van het volk ontstond een geroep dat met niets te vergelijken was. 25. Want het leek of niet alleen de mensen, maar ook de muren en zelfs de hele vloer weerklonken, alsof zij allemaal liever de dood hadden dan de ontwijding van die plaats. ## 3 Makkabeeën 2 — Het gebed van de hogepriester Simon 1. De hogepriester Simon boog zijn knieën tegenover het binnenste van de tempel, strekte zijn handen uit naar de hemel en bad zo: 2. Heere, Heere, Koning van de hemel en Heerser over alle schepselen, Heilige in het heiligdom, enige Heerser, Almachtige, zie ons aan, die verdrukt worden door een onheilig en goddeloos mens, die zich in brutaliteit en kracht verheft. 3. Want U, die alles geschapen hebt en over alles macht hebt, U bent een rechtvaardig vorst, en U oordeelt wie uit boosheid en hoogmoed iets doet. 4. U hebt hen die vroeger onrecht deden, onder wie ook de reuzen waren die op hun kracht en brutaliteit vertrouwden, vernietigd door een onmetelijke watervloed over hen te brengen. 5. U hebt de mensen van Sodom, toen zij allemaal hoogmoedig deden en om hun slechtheid berucht waren, met vuur en zwavel verbrand, en hen tot voorbeeld gesteld voor de eeuwen die komen. 6. U hebt de trotse farao, die Uw heilige volk Israël tot slaaf gemaakt had, met veel verschillende straffen beproefd en zo Uw macht bekendgemaakt. 7. Na die straffen maakte U Uw grote kracht bekend. Toen hij Israël achtervolgde met wagens en een menigte volken, liet U hem zinken in de diepte van de zee. Maar wie op U vertrouwden, U die Heere bent over alle schepselen, hebt U daardoorheen veilig geleid. Zij erkenden het werk van Uw handen en prezen U, de Almachtige. 8. Koning, U die de onmetelijke aarde geschapen hebt, hebt deze stad uitgekozen en deze plaats geheiligd voor Uw naam, hoewel U niets nodig hebt. U hebt haar verheerlijkt met een prachtige verschijning en haar beroemd gemaakt ter ere van Uw grote en kostbare naam. 9. En uit liefde voor het huis van Israël hebt U beloofd dat, als wij ons van U afkeerden en er nood over ons zou komen, en wij naar deze plaats zouden komen en bidden, U ons gebed zou verhoren. 10. En werkelijk, U bent trouw en waarachtig, want vaak, als onze voorouders verdrukt werden, hebt U hen geholpen in hun vernedering en uit grote ellende verlost. 11. Maar nu, heilige Koning, kijk: wij worden om onze vele grote zonden onderdrukt, wij zijn aan onze vijanden onderworpen en U gaat ons voorbij in onze machteloosheid. 12. En in onze val probeert deze brutale en onreine koning deze heilige plaats, die op aarde aan Uw heerlijke naam is toegewijd, te beschamen. 13. Want tot Uw eigen woning, de hemel van de hemelen, kunnen mensen niet komen. Maar omdat het U goeddacht dat Uw heerlijkheid onder het volk Israël zou zijn, hebt U deze plaats geheiligd. 14. Straf ons niet door de onreinheid van deze mensen en oordeel ons niet door hun onheiligheid, zodat de onrechtvaardigen in zichzelf niet opscheppen en niet met hoogmoedige tong juichen en zeggen: Wij hebben het huis van het heiligdom vertrapt zoals men de huizen van gruwelen vertrapt. 15. Wis onze zonden uit, verstrooi onze dwalingen en toon nu Uw barmhartigheid. Laat Uw ontferming snel over ons komen en geef lof in de mond van wie neergevallen en gebroken van hart zijn, door ons vrede te geven. 16. Toen heeft God, die alles ziet en boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardige gebed verhoord. Hij heeft hem geslagen die zich met schande en trots zo verheven had, en hem naar alle kanten heen en weer geslingerd als riet in de wind, zodat hij nu machteloos op de vloer lag, verlamd in zijn ledematen en niet in staat om te spreken, want hij was door het rechtvaardige oordeel van God helemaal vastgezet. 17. Daarom werden zowel zijn vrienden als zijn lijfwachten, toen zij de snelle straf zagen die hem getroffen had, door grote angst overvallen. Omdat zij bang waren dat hij ook zou sterven, trokken zij hem meteen de tempel uit. 18. Maar toen hij even later weer bijkwam, had hij, hoewel door God gestraft, geen enkel berouw. Hij vertrok met harde dreigementen. 19. Toen hij in Egypte kwam, werd zijn slechtheid nog groter. Met hulp van zijn medestanders en metgezellen, die al genoemd zijn en die van elke gerechtigheid verwijderd waren, heeft hij zich niet alleen zelf verzadigd aan ontelbare losbandigheden, maar hij ging zo ver in zijn overmoed dat hij overal laster tegen dat volk verspreidde, en veel van zijn vrienden volgden zijn wil, met het oog op het voorstel van de koning. 20. Hij nam zich voor dat volk openlijk te schande te maken. In een toren bij het hof liet hij een zuil oprichten en daarin deze tekst uithouwen: dat niemand van hen die niet offerde hun tempels mocht binnengaan, maar dat alle Joden die in de volkslijst stonden tot slaven zouden worden weggevoerd, en dat wie tegenspraak zou bieden met geweld zou worden aangepakt en van het leven beroofd. 21. Ook dat wie werden ingeschreven, gemerkt zouden worden, en wel met vuur op hun lichaam, met een klimopblad, het teken van Bacchus, en dat men hen zou afzonderen voor de vrijheid die hun eerder was toegezegd. 22. En om niet de indruk te wekken dat hij op alle Joden boos was, liet hij eronder schrijven dat als sommigen van hen ervoor kozen om mee te doen met de priesters van Bacchus, zij hetzelfde burgerrecht zouden krijgen als de burgers van Alexandrië. 23. Sommigen in de stad die de gebruiken van de godsdienst haatten, gaven zich meteen over, alsof zij een grote eer zouden krijgen door de omgang die zij met de koning zouden hebben. 24. Maar de meesten bleven standvastig en weken niet af van hun godsdienst. Zij boden zonder aarzelen geld aan in plaats van hun leven en probeerden zich van de inschrijving te bevrijden, en zij hadden goede hoop en vertrouwen dat zij hulp zouden krijgen. 25. Wie van hen afweken, waren hun een gruwel. Zij beschouwden hen als vijanden van hun volk en ontnamen hun zowel de omgang als de voorrechten. ## 3 Makkabeeën 3 — De brief van de koning tegen de Joden 1. Toen de goddeloze tiran dit hoorde, werd hij zo woedend dat hij niet alleen kwaad was op Alexandrië, maar zich ook keerde tegen de anderen in heel het land. Hij gaf bevel dat men haast moest maken om alle Joden op één plaats bijeen te brengen en hen met de gruwelijkste dood van het leven te beroven. 2. Toen dit bevolen was, werd er een afschuwelijk gerucht over dit volk verspreid. Slechte mensen die het eens waren in kwaaddoen gaven daartoe aanleiding, alsof de Joden hen hinderden in het houden van hun wetten. 3. Maar de Joden bleven onveranderlijk welwillend en trouw tegenover de koningen. Toch hielden zij, omdat zij God dienden en naar Zijn wet leefden, zich apart en wendden zich af van omgang met anderen. Daarom werden zij door sommigen als vijanden gezien. Maar omdat zij hun leven sierden met de goede werken van de gerechtigheid, werden zij door alle mensen geprezen. 4. Deze vreemden vertelden niet over de goede levenswandel van ons volk, die alom geroemd werd, maar zij maakten overal ophef over het verschil in aanbidding en andere gebruiken. Zij zeiden dat deze mensen niet te verzoenen waren met de koning en zijn machten, dat zij afschuwelijk waren en grote vijanden van de welvaart van het koninkrijk. Zo belastten zij hen van alle kanten met een ongewone minachting. 5. Maar de Grieken in de stad, wie niets was aangedaan, konden toen zij dit onverwachte oproer tegen deze mensen zagen en die onverwachte toeloop, geen hulp bieden, want het ging om een tirannieke aanpak. 6. Maar zij spraken hen moed in, namen het hun zeer kwalijk en dachten dat het zou keren. Want zij zeiden: Die God, die alles weet, zal zo'n besluit niet toelaten. 7. Ook sommige buren en vrienden en mensen met wie zij handelden, namen er heimelijk enkelen van hen apart en beloofden dat zij hen wilden beschermen en alles zouden doen om hen te helpen. 8. De koning, hoogmoedig door zijn voorspoed, lette niet op de kracht van de grote God, maar dacht dat hij bij hetzelfde plan zou blijven, en hij schreef tegen hen deze brief: 9. Koning Ptolemeüs Filopator wenst alle stadhouders en soldaten in Egypte en in de andere gebieden geluk en voorspoed. Met mijzelf en met onze zaken gaat het goed. 10. Nadat wij onze veldtocht in Azië gedaan hadden, die u zelf ook kent en die door de onbelemmerde hulp van de goden naar onze wens tot een eind gebracht is, hebben wij gedacht om de volken in Celo-Syrië en Fenicië niet met wapengeweld maar met zachtheid en veel vriendelijkheid goedgunstig te behandelen en hun graag goed te doen. 11. Nadat wij aan de tempels in de steden veel inkomsten hadden uitgedeeld, zijn wij ook naar Jeruzalem gegaan en opgetrokken om de tempel te eren van die schurken, die nooit ophouden met hun waanzin. 12. Zij hebben onze komst wel met woorden vriendelijk ontvangen, maar in werkelijkheid met valse harten. Want toen wij van plan waren het binnenste van hun tempel binnen te gaan en die met heel passende en prachtige geschenken te eren, hebben zij ons, gedreven door hun oude opgeblazenheid, verhinderd daar binnen te gaan. 13. Terwijl zij toch onze kracht niet konden weerstaan, waardoor wij met alle mensen vriendschap onderhouden, lieten zij hun vijandige houding tegenover ons duidelijk blijken. Zij willen niet verdragen wat billijk en behoorlijk is, want zij zijn de enigen onder de volken die hun nek opsteken tegen de koningen en tegen hun eigen genadige heren. 14. Wij zijn hun waanzin echter ontweken, zijn met de overwinning teruggekomen, hebben alle volken in Egypte vriendelijk behandeld en gedaan wat ons paste. 15. Intussen maakten wij bij hun landgenoten bekend dat wij het onrecht wilden vergeten en bereid waren, zowel om het bondgenootschap als omdat hun van oudsher ontelbare zaken in goed vertrouwen waren toevertrouwd, hun positie te verbeteren. Wij wilden hen opnemen in de gemeenschap van het altijddurende priesterschap en hun het burgerrecht van de burgers van Alexandrië waardig keuren. 16. Maar zij hoopten op het tegendeel, verwierpen het goede door hun aangeboren boosaardigheid en zijn altijd tot het kwade geneigd. Zij hebben niet alleen dit onschatbare burgerrecht afgewezen, maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden als met zwijgen, van die weinigen onder hen die ons oprecht goed gezind zijn. Zij hopen steeds dat wij door dit schandelijke leven van hen onze goede wetten snel omver zullen werpen. 17. Daarom zijn wij door bepaalde tekenen ervan overtuigd dat zij ons op alle manieren kwaad gezind zijn. En omdat wij voorzien dat er later misschien enig oproer tegen ons zou kunnen ontstaan, zouden wij deze goddeloze mensen in onze rug hebben als verraders en barbaarse vijanden. 18. Daarom bevelen wij dat men, zodra deze brief ontvangen is, op datzelfde uur allen die daarin zijn aangewezen, met vrouwen en kinderen, in ijzeren boeien sluit en met schande en plagen naar ons toe stuurt, tot een onverbiddelijke en schandelijke dood, die zulke vijanden verdienen. 19. Want wanneer zij allen tegelijk gestraft zijn, denken wij dat de zaken van het rijk in de komende tijd voor ons in goede staat en beste orde zullen zijn. 20. En wie een van de Joden beschermt, van de oudste tot de jongste, zelfs tot de zuigeling toe, die zal met heel zijn gezin met de schandelijkste folteringen gepijnigd worden. 21. En wie zoiets aanbrengt, zal daarvoor het bezit krijgen van degene die deze straf ondergaat, en bovendien uit de schatkamer van de koning tweeduizend zilveren drachmen, en hij zal ook met de vrijheid gekroond worden. 22. Verder zal elke plaats waar men op enige manier ontdekt dat een Jood verborgen wordt, verwoest en verbrand worden en voor altijd onbruikbaar gemaakt worden voor heel het menselijk geslacht. Dat was de inhoud en de tekst van deze brief. ## 3 Makkabeeën 4 — De Joden worden bijeengedreven 1. Overal waar dit bevel bekend werd gemaakt, hielden de volken een gezamenlijke maaltijd met gejuich en blijdschap, omdat de vijandschap zich nu openlijk en brutaal liet zien die zij vroeger in hun hart hadden opgekropt. 2. Maar de Joden waren voortdurend in rouw. Hun geschreeuw was jammerlijk, met tranen en zuchten. Hun hart brandde aan alle kanten en zuchtte om die onverwachte ondergang die zo plotseling over hen besloten was. 3. Welk gebied of welke stad, of, om het algemeen te zeggen, welke bewoonde plaats of welke straat werd om hen niet gevuld met klagen en jammeren? 4. Want zo bitter en onbarmhartig werden zij door de stadhouders uit de steden samen weggestuurd, dat zelfs sommige vijanden, die bij het zien van die ongewone straffen aan de algemene barmhartigheid dachten en aan de onzekere wisseling van dit leven, huilden om hun ellendige wegvoering. 5. Want voorop ging een menigte oude mannen met grijze haren. Zij belastten hun benen, die van ouderdom traag en krom waren, en dreven zich met geweld voort, zonder enige schaamte, om snel op te schieten op de weg. 6. Daarna kregen de jonge vrouwen, die pas getrouwd waren, verdriet in plaats van vreugde. Hun haar, dat pas met geurige zalf gezalfd was, werd met as bestrooid, en zij werden ongesluierd weggevoerd. Samen hieven zij in plaats van bruiloftsliederen een jammerlijk geschreeuw aan, omdat zij door vreemde volken werden vernederd en gekweld. Geboeid werden zij openlijk met geweld het schip in gesleept. 7. Hun mannen waren in de bloei van hun jeugd met stroppen om de hals gebonden in plaats van met kransen. Zij brachten de resterende bruiloftsdagen door met jammerlijk geschreeuw in plaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, want zij zagen de dood al voor ogen. 8. Zij werden voortgedreven als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren boeien. Sommigen werden met hun nek aan de scheepsboorden vastgespijkerd en sommigen met zware boeien aan hun benen vastgezet. Bovendien werd er een dicht luik boven hun hoofd gelegd, zodat hun ogen helemaal verblind werden en zij de hele vaart lang onder bewaking van deze moordenaars moesten doorstaan. 9. Toen zij in dat genoemde schip gebracht waren en de overtocht voltooid was zoals de koning bevolen had, gaf hij opdracht hen te legeren op het renveld voor de stad. Dat was groot van omvang en uitstekend gelegen voor iedereen die daar langs de stad kwam en voor wie van hen naar buiten het land in reisde, om dit voorbeeld van straf te zien. Zo zouden zij geen omgang hebben met zijn soldaten en ook de stadsmuren niet waard geacht worden. 10. Toen dit gebeurd was en de koning hoorde dat de landgenoten van de Joden heimelijk en vaak de stad uit gingen om de schandelijke ellende van hun broeders te bewenen, werd hij woedend. Hij gaf bevel dat men ook dezen op dezelfde manier zorgvuldig moest behandelen als de anderen en op geen enkele manier minder moest straffen, en dat men heel het volk van de Joden met hun namen moest opschrijven. 11. Want hij wilde hen niet belasten met de slavendienst die hun kort tevoren was aangezegd, maar hen pijnigen met de gedreigde straffen en hen zo uiteindelijk op een vastgestelde dag uitroeien. 12. Zo werd hun inschrijving met grote ijver gedaan, waarbij men aanhoudend zat van zonsopgang tot zonsondergang, en in veertig dagen waren zij nog niet klaar. 13. Intussen was de koning voortdurend vol vreugde en hield maaltijden voor alle afgoden. Zijn hart was ver van de waarheid afgedwaald en met zijn onheilige mond prees hij de stomme afgoden, die niet tegen hem konden spreken en hem niet konden helpen. Maar tegen de allerhoogste God sprak hij dingen die niet passen. 14. Na de genoemde tijd meldden de schrijvers aan de koning dat zij de inschrijving van de Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, want er waren er nog veel meer hier en daar in het land. Sommigen zaten nog thuis, sommigen waren elders, zodat het ook voor alle stadhouders in Egypte onmogelijk was. 15. Toen hij hen strenger bedreigde, alsof zij met geschenken waren omgekocht om de Joden te laten ontsnappen, gaven zij hem duidelijk bericht en zeiden en bewezen zij dat zowel het papier als de schrijfpennen die zij nodig hadden, al op waren. 16. Maar dit was een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid van God, die de Joden vanuit de hemel hulp bood. ## 3 Makkabeeën 5 — De olifanten worden klaargemaakt 1. Toen riep de koning, vol grote woede en door razernij helemaal onverzettelijk, Hermon bij zich, die de zorg voor de olifanten had. Hij gaf bevel dat hij de volgende dag alle olifanten, vijfhonderd in getal, vele handen vol wierook te drinken moest geven en veel onvermengde wijn, en dat men hen, wanneer zij door die overvloedige drank razend zouden zijn, op de Joden af moest sturen om hen te doden. 2. Toen hij dat bevolen had, ging hij weer feestvieren en riep hij de voornaamste van zijn vrienden en de legeraanvoerders bijeen die vijandig tegenover de Joden stonden. Hermon, de opzichter van de olifanten, voerde vlot uit wat hem was opgedragen. 3. Bovendien gingen de dienaren tegen de avond naar buiten, bonden de handen van de ellendige Joden en bedachten verder wat er nodig was om hen te bewaken, want zij dachten dat dit volk de volgende morgen in één keer zou omkomen en uitgeroeid worden. 4. Maar de Joden, die voor de volken van alle hulp verstoken leken omdat zij overal met boeien en benauwdheid omringd waren, riepen allemaal de almachtige Heere aan, de heerser over alle macht, hun barmhartige God en Vader. Met tranen en zonder ophouden riepen zij, en zij baden dat Hij het goddeloze plan tegen hen zou afwenden en hen met een heerlijke verschijning zou verlossen van de dood die voor hun voeten klaarlag. 5. En hun aanhoudende gebed steeg op naar de hemel. Toen Hermon de woeste olifanten te drinken had gegeven, hen met veel wijn had gevuld en met wierook verzadigd had, kwam hij 's morgens vroeg naar het hof van de koning om hem verslag te doen. 6. Maar God zond de koning een slaap. Hij is de goede beschikking die vanaf het begin van de wereld nacht en dag door Hem bestuurd wordt, en Hij geeft die aan wie Hij wil. 7. Door de krachtige werking van de Heere werd hij door een heel zoete en diepe slaap bevangen. Zijn onrechtvaardige plan mislukte helemaal en in zijn onverzettelijke besluit kwam hij zeer bedrogen uit. 8. Toen de Joden dat aangekondigde uur ontkomen waren, prezen zij hun heilige God. En zij baden Hem, die zich gemakkelijk laat verzoenen, opnieuw of Hij de kracht van Zijn machtige hand aan de hoogmoedige volken wilde tonen. 9. Toen het ongeveer half tien was en de man die de gasten moest uitnodigen zag dat de genodigden in groten getale aankwamen, ging hij naar de koning, stootte hem aan en maakte hem met moeite wakker. Hij wees hem erop dat de vastgestelde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl hij daarover met hem sprak. De koning dacht over die woorden na, wendde zich tot de maaltijd en liet de gasten tegenover hem aanliggen. 10. Toen dat gebeurd was, spoorde hij hen aan zich goed te vermaken en de maaltijd heel vrolijk en in blijdschap door te brengen. 11. Toen het gesprek meer en meer op gang kwam, riep de koning Hermon bij zich en vroeg hem met een bitter dreigement waarom men de Joden die dag nog in leven had gelaten. 12. Toen hij aangaf dat hij die nacht het bevel had uitgevoerd en zijn vrienden dat ook bevestigden, zei hij, die wreder was dan Falaris, dat zij dit aan de slaap van die dag mochten toeschrijven. 13. Maar hij zei: Maak zonder uitstel op dezelfde manier de olifanten klaar voor morgen, voor de ondergang van die afschuwelijke Joden. 14. Toen de koning dit gezegd had, prezen alle aanwezigen hem tegelijk, graag en met blijdschap, en ieder ging terug naar zijn eigen huis. Zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om te slapen, maar om allerlei spot te bedenken tegen deze mensen, die zij als ellendelingen beschouwden. 15. Zodra 's morgens vroeg de haan kraaide, wapende Hermon die grote dieren en bracht ze in beweging op dat grote terrein. Het volk uit heel de stad kwam samen voor dit uiterst ellendige schouwspel en wachtte vol verlangen op de ochtend. 16. Maar de Joden waren die hele tijd bezorgd in hun hart. Met veel tranen, met gebeden en met droevige liederen strekten zij hun handen uit naar de hemel en baden zij de allerhoogste God of Hij hen opnieuw snel wilde helpen. 17. De stralen van de zon waren nog niet doorgebroken, en terwijl de koning zijn vrienden ontving, stond Hermon bij hem en riep hem op naar buiten te gaan; hij wees erop dat het plan van de koning nu klaarstond. 18. Maar toen de koning dit hoorde en verbaasd was over dit goddeloze uitgaan, vroeg hij, want God had hem in alles met onwetendheid geslagen, wat dat voor zaak was waarom hij dit met zoveel haast had uitgevoerd. Maar dit was de krachtige werking van God, die over alles heerst, die in zijn verstand vergetelheid had gelegd over wat hij eerder bedacht had. 19. Hermon en alle vrienden wezen hem erop en zeiden: Koning, de grote dieren en het leger staan klaar, naar uw dringende bevel. 20. Maar door die woorden werd hij vervuld met grote razernij, omdat al zijn gedachten hierover door de voorzienigheid van God waren verstrooid. Hij hield zijn ogen op hem gericht en sprak met veel dreiging: 21. Al zouden mijn ouders of mijn kleinkinderen bij mij komen, dan zouden zij zichzelf tot een overvloedige maaltijd voor de wilde dieren gemaakt hebben, in plaats van de onschuldige Joden, die hun standvastige trouw aan mij en aan mijn voorouders uitstekend bewezen hebben. En als ik het niet liet om onze gezamenlijke opvoeding en om uw dienst, dan zou u, Hermon, in hun plaats van het leven beroofd moeten worden. 22. Zo moest Hermon zo'n onverwachte en verschrikkelijke bedreiging verdragen. Zijn houding en gezicht sloegen om, en de een na de ander van de vrienden werd somber van gezicht en rood van schaamte, en zij lieten wie daar bijeen waren weggaan, ieder naar zijn eigen werk. 23. En de Joden, die dit over de koning hoorden, prezen de heerlijke God, de Heere en Koning van de koningen, omdat zij ook deze hulp van God gekregen hadden. 24. Toen de koning op zijn manier weer een maaltijd had aangericht, spoorde hij aan tot vrolijkheid. Hij riep Hermon bij zich en sprak dreigend: Ellendeling, hoe vaak moet men een en hetzelfde bevelen? Wapen nu eindelijk tegen morgen de olifanten voor de ondergang van de Joden. 25. Maar de bloedverwanten die mee aanlagen, verbaasden zich over zijn wispelturigheid en zeiden: Koning, hoe lang stelt u ons op de proef alsof wij geen verstand hebben? U hebt nu voor de derde keer bevolen hen uit te roeien, en zodra het zover is, herroept u weer wat u bevolen hebt. 26. Daardoor is de stad door het uitstel in oproer en vol samenscholing, zodat zij al vaak in gevaar is geweest om geplunderd te worden. 27. Toen heeft de koning, die in alles een tweede Falaris was, vol onverstand en zonder acht te slaan op de veranderingen in zijn gemoed die door God waren bewerkt om de Joden te sparen, 28. met een zeer onreine eed gezworen dat hij niet alleen dezen zonder uitstel wilde straffen met de knieën en voeten van deze wrede dieren en zo naar het graf sturen, maar ook een leger tegen Judea wilde voeren, het land snel met vuur en zwaard te gronde richten en hun heiligdom, waar zij de offers brachten die wij niet mogen binnengaan, in korte tijd met vuur verbranden en voor altijd in de as laten liggen. 29. Toen werden de vrienden en verwanten heel blij. Zij vertrokken vol vertrouwen en zetten het leger op alle geschikte plaatsen in de stad om de wacht te houden. 30. De opzichter van de olifanten bracht de dieren met heel geurige dranken en met wijn vermengd met wierook bijna in een razende toestand. Tegen de ochtend maakte hij hen angstaanjagend op en gereed. En toen de stad langs de renbanen gevuld was met ontelbare menigten mensen, ging hij naar het hof en spoorde hij de koning aan tot de voorgenomen zaak. 31. Toen is hij, met zijn goddeloze hart vol grote razernij, in allerijl met de dieren naar buiten gelopen, om zelf met een wreed gemoed en met eigen ogen de zware en jammerlijke ondergang te zien van hen over wie eerder gesproken is. 32. Toen de Joden het stof zagen van de olifanten die de poort uitkwamen en van het gewapende leger dat volgde en van het oprukkende volk, en toen zij een afschuwelijk lawaai en gedreun hoorden, dachten zij dat dit het laatste ogenblik van hun leven was en het einde van hun ellendige hoop. 33. Zij begonnen te klagen, kusten en omhelsden elkaar, en de familieleden vielen elkaar om de hals: de vaders hun zonen en de moeders hun dochters. 34. Anderen hadden hun pasgeboren kinderen aan de borst om voor het laatst te drinken. 35. Maar toen zij weer dachten aan de reddingen die hun vroeger uit de hemel waren geschonken, vielen zij eendrachtig op hun gezicht, haalden de kinderen van de borst en riepen met zeer luide stem. Zij baden de Heere van alle schepselen of Hij Zich met een heerlijke verschijning over hen wilde ontfermen, nu zij in de poorten van de dood stonden. ## 3 Makkabeeën 6 — Twee engelen bij het renperk 1. Een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, een van de priesters van het land, die inmiddels op leeftijd was en in dit leven met alle deugd gesierd was, zette de ouderen om zich heen om samen met hem de heilige God aan te roepen, en hij bad zo: 2. Machtige Koning, allerhoogste en almachtige God, die alle schepselen met ontferming regeert, zie het nageslacht van Abraham aan en kijk naar de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van Uw heilige erfdeel, dat als vreemdeling in een vreemd land onrechtvaardig vernietigd wordt, Vader. 3. U hebt de farao die veel wagens had en vroeger heer van Egypte was, toen hij zich verhief met onbarmhartige brutaliteit en een grootsprekende tong, met zijn hoogmoedige leger in de zee gestort en vernietigd, en aan het volk Israël een licht van Uw barmhartigheid laten zien. 4. U hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn ontelbare legers pochte, met de speer heel het land onder zijn macht had gebracht, zich verhief tegen Uw heilige stad en uit opgeblazenheid en brutaliteit lasterlijke woorden sprak, U, Heere, hebt hem gebroken en aan vele volken Uw macht openlijk bewezen. 5. U hebt de drie vrienden in Babylonië, die hun lichaam vrijwillig aan het vuur gaven om de nutteloze afgoden niet te dienen, verlost. U hebt de roodgloeiende oven als met dauw begoten, zodat er geen haar van hen gekrenkt werd, maar U stuurde de vlam naar al hun tegenstanders. 6. U hebt Daniël, die door jaloerse beschuldigingen in de kuil aan de leeuwen was voorgeworpen als voedsel voor de wilde dieren, ongedeerd weer in het licht gebracht. En U hebt, Vader, Jona, die in de buik van een zeemonster in de diepte bijna wegteerde, ongedeerd aan al zijn huisgenoten laten zien. 7. En nu, God, U die vijand bent van geweld, U die barmhartig bent, beschermer van alles, verschijn snel aan wie van het volk van Israël zijn, dat door deze afschuwelijke en goddeloze volken te schande wordt gemaakt. 8. En als ons leven in onze vreemdelingschap met goddeloosheid besmet is geraakt, verlos ons dan toch uit de hand van deze vijanden, en laat Uzelf, Heere, ons door de dood ondergaan zoals het U goeddunkt. 9. Laat wie alleen maar leegte bedenken, de nutteloze afgoden niet prijzen wanneer U Uw geliefden vernietigt, en laat hen niet zeggen: Ook hun God heeft hen niet verlost. 10. Maar U, eeuwige Heere, U die de macht hebt, zie ons nu aan. 11. Ontferm U over ons, die door goddelozen worden behandeld alsof wij verraders zijn. 12. Heerlijke God, laat die onoverwinnelijke macht schrikken en zich verbazen, U die de macht hebt om het volk van Jakob te behouden. 13. Heel de menigte van kleine kinderen en hun ouders smeekt U, met tranen. Laat alle volken blijken dat U met ons bent, Heere, en dat U Uw gezicht niet van ons hebt afgewend. 14. Maar zoals U gezegd hebt dat U hen, ook in het land van hun vijanden, niet zou verachten, maak dat waar, Heere. 15. Toen Eleazar zijn gebed beëindigd had, kwam de koning met de dieren en het afschuwelijke leger bij het renperk. 16. Toen de Joden dat zagen, hieven zij een groot geroep aan naar de hemel, zodat de dalen daar weerklonken en heel het leger tot onbedwingbaar huilen gebracht werd. 17. Toen heeft de zeer heerlijke, almachtige en waarachtige God Zijn heilige gezicht laten zien en de poorten van de hemel geopend. Daaruit kwamen twee heerlijke engelen naar beneden, angstaanjagend om te zien, die door iedereen gezien werden behalve door de Joden. 18. Zij boden weerstand en vulden het leger van de vijanden met verwarring en schrik en bonden hen vast met onbeweeglijke boeien. Ook het lichaam van de koning begon helemaal te beven, en hij vergat zijn woede en zijn grote overmoed. 19. De dieren keerden zich om naar de gewapende legers die achter hen kwamen, vertrapten en vernietigden hen. 20. En de woede van de koning veranderde in barmhartigheid en tranen om wat hij eerder tegen hen bedacht had. 21. Want toen hij het geschreeuw hoorde en zag dat zij allemaal voorover vielen om te sterven, huilde hij en dreigde hij zijn vrienden met woede, en zei: 22. U misbruikt de koning en u hebt de tirannen in wreedheid overtroffen. U bent van plan ook mij, uw genadige heer, mijn rijk en mijn leven te ontnemen, door heimelijk dingen te doen die het rijk niet vooruithelpen. 23. Wie heeft dezen, die de vestingen van ons land trouw bewaakten, zo onredelijk ieder uit zijn huis weggehaald en hierheen gebracht? 24. Wie heeft dezen, die vanaf het begin alle volken overtreffen in welwillendheid tegenover ons en vaak de ergste gevaren hebben doorstaan, met zulke ongeoorloofde straffen belast? 25. Maak los, maak die onrechtvaardige boeien los. Stuur hen in vrede terug naar hun plaatsen en vraag vergeving voor wat u hun eerder hebt aangedaan. Laat de kinderen los van die almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders af tot nu toe onze zaken voorspoedig en heerlijk in stand houdt. 26. Dit zei de koning. En zij werden meteen losgemaakt en prezen de heilige God, hun redder, nu zij aan de dood ontkomen waren. 27. Daarna keerde de koning terug naar de stad, riep de ontvanger van zijn inkomsten bij zich en gaf opdracht hun zeven dagen lang wijn uit te delen en alles wat verder nodig was om feest te vieren. Hij vond het goed dat zij juist op de plaats waar zij meenden ten onder te gaan, nu met alle vrolijkheid de feestdagen van hun redding zouden vieren. 28. Toen hielden zij, die eerst vernederd werden en dicht bij het graf, ja bijna erin gegaan waren, in plaats van een bittere en beklagenswaardige dood een maaltijd van hun redding. Vol blijdschap verdeelden zij de plaats die voor hun ondergang en hun graf klaargemaakt was, in verschillende gezelschappen. 29. Zij hielden op met het droevige klaaglied en hieven weer de lofliederen van hun voorouders aan, en zij prezen God, de redder en wonderdoener. Zij deden alle rouw en zuchten van zich weg en stelden vrolijke reidansen in als teken van vreedzame vreugde. 30. Ook de koning hield hierom een grote maaltijd, en hij prees God in de hemel zonder ophouden en zeer luisterrijk om die onverwachte redding die hem gegeven was. 31. En zij die hen eerder tot ondergang en tot aas voor de vogels bestemd hadden en met blijdschap hadden ingeschreven, zuchtten nu en waren vol schaamte over zichzelf, omdat hun opschepperige brutaliteit met oneer was gedoofd. 32. Maar de Joden hielden, zoals wij eerder gezegd hebben, de genoemde reidansen met vreugde en brachten de tijd door met vrolijke dankzeggingen en psalmen. 33. Zij maakten daarvan een algemene wet en besloten dat men in al hun woonplaatsen van eeuw tot eeuw die dagen met vreugde zou vieren, niet om te drinken en te brassen, maar om de verlossing die God hun gegeven had. 34. Daarna gingen zij naar de koning en vroegen verlof om naar huis te gaan. 35. De dienaren van de koning hadden hen ingeschreven van de vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif, veertig dagen lang. Zij hadden besloten hen om te brengen van de vijfde tot de zevende van de maand Epif, drie dagen lang. In die dagen heeft ook de heerser over alle schepselen Zijn barmhartigheid zeer luisterrijk bewezen en hen allen samen ongedeerd verlost. 36. Zij hielden dus de maaltijd, en alles werd hun door de koning geleverd, tot de veertiende dag toe. 37. Op die dag spraken zij ook met hem over hun vertrek. De koning prees hen en schreef grootmoedig voor hen de volgende brief aan de stadhouders in elke stad, met deze inhoud: ## 3 Makkabeeën 7 — De brief die hen vrijspreekt 1. Koning Ptolemeüs Filopator wenst de stadhouders in Egypte en allen die over de zaken van het land gaan geluk en voorspoed. Met ons en met onze kinderen gaat het ook goed. 2. Toen de grote God onze zaken voor ons zo gelukkig leidde als wij wensten, hebben sommigen van onze vrienden, gedreven door boosaardigheid, heel vaak bij ons aangedrongen en ons overgehaald om de Joden in ons koninkrijk op één hoop bijeen te brengen en hen met ongewone straffen te straffen, als waren zij afvalligen. 3. Zij beweerden dat onze zaken nooit goed zouden gaan, om de vijandschap die dezen tegen alle volken hebben, totdat dat gedaan zou zijn. 4. Zij hebben hen ook geboeid en met veel overlast hierheen gebracht als slaven, ja veel meer als verraders, en zij hebben geprobeerd hen zonder enige ondervraging of onderzoek te doden, verstrikt in een ongeremde wreedheid zoals de Scythen die plegen te gebruiken. 5. Maar wij hebben hen daarover zeer hard bedreigd. Vanwege de goedertierenheid die wij tegenover alle mensen hebben, konden wij hun nauwelijks het leven schenken. Wij erkenden dat de hemelse God de Joden zeker beschermde en altijd voor hen streed als een vader voor zijn kinderen. Ook rekenden wij de vriendschap mee waarmee zij ons en onze voorouders een vaste welwillendheid bewijzen. Daarom hebben wij hen terecht vrijgesproken, en wij spreken hen vrij van elke beschuldiging, wat die ook is. 6. En wij hebben iedereen bevolen, en bevelen, dat zij naar al het hunne mogen terugkeren, en dat niemand hun op enige plaats leed doet of hun iets verwijt over wat hun buiten recht en rede is overkomen. 7. Want u moet weten: als wij tegen hen iets kwaads zouden bedenken of hen op enige manier verdriet zouden doen, dan zullen wij niet een mens, maar de allerhoogste God, de heerser over alle macht, altijd en in alles onvermijdelijk tegenover ons hebben, om zoiets te wreken. Het ga u goed. 8. Toen de Joden deze brief ontvangen hadden, haastten zij zich niet om meteen te vertrekken, maar zij vroegen de koning of zij degenen die uit het volk van de Joden willens en wetens de heilige God en de wet van God hadden verlaten, de gepaste straf mochten geven. 9. Zij voerden aan dat wie omwille van hun buik de geboden van God hadden overtreden, ook nooit goedgezind zouden zijn tegenover de bevelen van de koning. 10. Hij begreep dat zij de waarheid spraken, prees hen ook en gaf hun macht over al zulke mensen, zodat zij wie de wet van God hadden overtreden in alle plaatsen van zijn koninkrijk vrij mochten uitroeien, zonder verdere koninklijke machtiging of onderzoek. 11. Toen hebben zij de koning gedankt zoals het hoorde, en hun priesters en heel de menigte riepen: Halleluja. En zij vertrokken met blijdschap. 12. Zo straften zij hun medeburgers die zich onrein gemaakt hadden en die hun onderweg in handen vielen, en zij sloegen hen dood nadat zij hun veel openbare schande hadden aangedaan. 13. Op die dag sloegen zij ruim driehonderd mannen dood, en zij vierden feest terwijl zij met blijdschap de onheiligen doodden. 14. Maar zij die zich tot de dood toe aan God hadden gehouden, vertrokken, nu zij hun redding volledig genoten, als het ware uit de stad, bekranst met allerlei welriekende bloemen, met blijdschap en gejuich. Zij dankten met lofliederen en mooie gezangen de God van hun voorouders, de heilige verlosser van Israël. 15. Toen zij bij de stad Ptolemaïs kwamen, die om de aard van de plaats Rhodoforos heet, waar een vloot naar hun gezamenlijk besluit zeven dagen op hen wachtte, hielden zij daar een feestmaal om hun redding. Want de koning gaf ieder welwillend alles wat voor de reis nodig was, totdat zij thuiskwamen. 16. En toen zij in vrede in Ptolemaïs waren aangekomen, met passende dankzegging, besloten zij ook daar dat zij die dagen op dezelfde manier met vreugde wilden vieren, zolang zij in vreemdelingschap leefden. 17. Zij hebben die dagen ook tot heilig gebruik gewijd met een gedenkzuil, die zij op de plaats van de maaltijd oprichtten en met gebed zegenden. Zo vertrokken zij over land, over zee en over de rivieren, ieder naar zijn huis, ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, omdat zij door het bevel van de koning behouden waren. En zij hadden meer gezag tegenover hun vijanden dan eerder, met eer en ontzag. 18. Zij werden door niemand van hun bezit beroofd, maar zij kregen allemaal het hunne terug volgens de inschrijving, zodat wie iets van hen had, het met zeer grote angst teruggaf, omdat de allerhoogste God grote daden had gedaan tot hun redding. 19. De Verlosser van Israël zij geprezen tot in eeuwigheid. Amen. ## Henoch 1 — De woorden van de zegen van Henoch 1. De woorden van de zegen van Henoch, waarmee hij de uitverkorenen en de rechtvaardigen zegende die er zullen zijn op de dag van de benauwdheid, wanneer alle slechte en goddeloze mensen weggedaan zullen worden. 2. En hij begon te spreken. Henoch, een rechtvaardig man van wie God de ogen geopend had, zag een heilig visioen dat in de hemel is, dat de engelen mij lieten zien. En ik hoorde alles van hen en ik begreep wat ik zag, maar het was niet voor dit geslacht, maar voor een geslacht dat nog komen moet, een geslacht dat ver weg is. 3. Over de uitverkorenen sprak ik, en ik hief mijn spreuk over hen aan, over de Heilige en Grote die uit Zijn woning zal komen, de God van de eeuwigheid. 4. En van daaruit zal Hij op de berg Sinaï treden, en Hij zal in Zijn legerkamp verschijnen, en Hij zal verschijnen in de kracht van Zijn macht, vanuit de hemel. 5. En allen zullen ontzag hebben, en de wachters zullen huiveren, en angst en groot beven zal hen grijpen tot aan de einden van de aarde. 6. En de hoge bergen zullen geschud worden, en de hoge heuvels zullen vlak gemaakt worden, en zij zullen wegsmelten als was voor de vlam. 7. En de aarde zal openscheuren, en alles wat op de aarde is, zal vergaan. En er zal een oordeel zijn over allen en over alle rechtvaardigen. 8. Maar voor de rechtvaardigen zal Hij vrede maken, en Hij zal de uitverkorenen bewaren, en barmhartigheid zal over hen zijn. En zij zullen allemaal van God zijn, en het zal hun goed gaan en zij zullen gezegend worden, en het licht van God zal over hen schijnen. 9. En kijk, Hij komt met de tienduizenden van Zijn heiligen, om het oordeel over hen te voltrekken, om de goddelozen te vernietigen en om het proces aan te gaan met alles wat leeft, over alles wat de zondaars en de goddelozen tegen Hem gedaan en bedreven hebben. ## Henoch 2 — Kijk naar de hemel en naar de aarde 1. Kijk naar alles wat in de hemel is, naar het werk daarvan: hoe de lichten die in de hemel staan hun banen niet veranderen, hoe zij allemaal opgaan en ondergaan, elk in zijn orde en ieder op zijn tijd, en hoe zij niet afwijken van hun inzetting. 2. Kijk naar de aarde en let op het werk dat daarop gedaan wordt, van het begin tot het einde: hoe geen van de werken van God verandert, maar alles zichtbaar blijft. 3. Kijk naar de zomer en de winter: hoe de hele aarde vol water is, en hoe wolk en dauw en regen daarop rusten. ## Henoch 3 — De bomen in de winter 1. Kijk — en ik zag hoe alle bomen verdord lijken en al hun bladeren afgevallen zijn, behalve veertien bomen die hun blad niet laten vallen, maar het oude blad houden totdat het nieuwe komt, twee tot drie jaar lang. ## Henoch 4 — De zomerhitte 1. En kijk verder naar de dagen van de zomer, hoe de zon hoog boven de aarde staat, er recht tegenover. En je zoekt schaduw en beschutting tegen de hitte van de zon, en ook de aarde brandt van de gloed van de hitte, en je kunt niet op de aarde en niet op een rots lopen vanwege die hitte. ## Henoch 5 — Voor jullie zal er geen vrede zijn 1. Kijk hoe de bomen zich met groen blad bekleden en vrucht dragen. Let daarom op alles, en erken hoe Hij die eeuwig leeft dit alles voor jullie gemaakt heeft. 2. En Zijn werken staan voor Hem klaar, elk jaar dat komt, en al Zijn werken dienen Hem en veranderen niet, maar het gaat allemaal precies zoals God het verordend heeft. 3. En kijk hoe de zeeën en de rivieren samen hun werk doen. 4. Maar jullie, jullie zijn niet standvastig geweest en jullie hebben het gebod van de Heere niet gedaan, maar jullie hebben overtreden en met grote en harde woorden gelasterd met jullie onreine mond tegen Zijn grootheid. Jullie hardvochtigen, er zal voor jullie geen vrede zijn. 5. En daarom zullen jullie je eigen dagen vervloeken, en de jaren van jullie leven zullen vergaan, en de eeuwige vervloeking zal talrijk worden, en er zal voor jullie geen barmhartigheid zijn. 6. In die dagen zullen jullie je naam tot een eeuwige vervloeking maken voor alle rechtvaardigen, en bij jullie zullen de zondaars voor altijd vervloeken, en voor jullie zal er samen met de zondaars een vloek zijn. 7. Maar voor de uitverkorenen zal er licht en vreugde en vrede zijn, en zij zullen de aarde erven. Maar voor jullie, goddelozen, zal er een vervloeking zijn. 8. En aan de uitverkorenen zal ook wijsheid gegeven worden, en zij zullen allemaal leven en niet meer zondigen, niet door goddeloosheid en niet door hoogmoed. Maar wie wijsheid hebben, zullen nederig zijn, en zij zullen de zonde niet herhalen. 9. En zij zullen al de dagen van hun leven niet veroordeeld worden, en zij zullen niet sterven door plaag en niet door toorn, maar zij zullen het aantal dagen van hun leven volmaken. En hun leven zal in vrede opgroeien, en de jaren van hun vreugde zullen talrijk worden in blijdschap en eeuwige vrede, al de dagen van hun leven. ## Henoch 6 — De engelen op de Hermon 1. En het gebeurde, toen de mensen talrijk geworden waren, dat er in die dagen mooie en aantrekkelijke dochters bij hen geboren werden. 2. En de engelen, de kinderen van de hemel, zagen hen en begeerden hen, en zij zeiden tegen elkaar: Kom, laten wij uit de kinderen van de mensen vrouwen voor onszelf uitkiezen en kinderen bij hen verwekken. 3. En Semjaza, die hun aanvoerder was, zei tegen hen: Ik ben bang dat jullie deze daad misschien niet willen doorzetten, en dat ik dan als enige moet boeten voor deze grote zonde. 4. En zij antwoordden hem allemaal en zeiden: Laten wij allemaal een eed zweren en ons met vervloekingen aan elkaar binden, dat wij niet van dit plan zullen afwijken maar het tot een daad zullen maken. 5. Toen zwoeren zij allemaal samen en bonden zij zich met vervloekingen aan elkaar. 6. En zij waren met z'n tweehonderden. En zij daalden neer op Ardis, de top van de berg Hermon. En zij noemden hem de berg Hermon, omdat zij daarop gezworen en zich met vervloekingen aan elkaar gebonden hadden. 7. En dit zijn de namen van hun aanvoerders: Semjaza, die hun aanvoerder was, Urakibarameël, Akibeël, Tamiël, Ramuël, Danël, Ezekeël, Sarakujal, Asaël, Armars, Batreal, Anani, Zakebe, Samsaweël, Sartaël, Turël, Jomjaël en Arazjal. 8. Dit waren de aanvoerders van de tweehonderd engelen, en alle anderen waren bij hen. ## Henoch 7 — De reuzen 1. En zij namen zich vrouwen, en ieder koos er een voor zichzelf uit. En zij begonnen naar hen toe te gaan en zich met hen te verenigen, en zij leerden hun toverkunsten en bezweringen en het snijden van wortels, en zij maakten hun de planten bekend. 2. En die vrouwen werden zwanger en baarden grote reuzen, die drieduizend el lang waren. 3. Die aten alles op wat de mensen voortbrachten, totdat de mensen hen niet meer konden voeden. 4. En de reuzen keerden zich tegen hen om de mensen te verslinden. 5. En zij begonnen te zondigen tegen de vogels en de dieren en de kruipende dieren en de vissen, en zij verslonden elkaars vlees en dronken daarvan het bloed. 6. Toen diende de aarde een aanklacht in tegen de goddelozen. ## Henoch 8 — Wat Azazel de mensen leerde 1. En Azazel leerde de mensen zwaarden en messen en schilden en borstharnassen maken, en hij liet hun zien wat er in de aarde verborgen ligt en hoe je dat bewerkt: armbanden en sieraden, en het gebruik van oogzwart en het opmaken van de oogleden, en allerlei kostbare en uitgelezen stenen uit elk gesteente, en alle kleurstoffen, en zo veranderde de wereld. 2. En er ontstond grote goddeloosheid en veel hoererij, en zij dwaalden af en al hun wegen raakten bedorven. Amezarak leerde alle bezweerders en wortelsnijders, Armaros het ongedaan maken van bezweringen, Barakal de sterrenwichelaars, Kokabeël de tekenen, Tumeël het waarnemen van de sterren, en Asradeël de loop van de maan. 3. En terwijl de mensen te gronde gingen, schreeuwden zij het uit, en hun stem bereikte de hemel. ## Henoch 9 — De aanklacht van de aartsengelen 1. En toen keken Michaël en Gabriël en Surjan en Urjan vanuit de hemel naar beneden, en zij zagen hoeveel bloed er op de aarde vergoten werd en al het onrecht dat op de aarde bedreven werd. 2. En zij zeiden tegen elkaar: De stem van hun geschreeuw — de aarde, leeggeroofd, schreeuwt het uit tot aan de poorten van de hemel. 3. En nu brengen de zielen van de mensen hun aanklacht bij jullie, heiligen van de hemel, en zij zeggen: Breng onze zaak voor de Allerhoogste. 4. En zij zeiden tegen hun Heere, de Koning: Want U bent de Heere van de heren en de God van de goden en de Koning van de koningen. En de troon van Uw heerlijkheid staat tot in alle generaties van de wereld, en Uw naam is heilig en geprezen tot in alle generaties van de wereld, en gezegend en geprezen bent U. 5. U hebt alles gemaakt, en de heerschappij over alles ligt bij U, en alles ligt bloot en open voor U, en U ziet alles, en er is niets dat zich voor U verbergen kan. 6. U hebt gezien wat Azazel gedaan heeft: hoe hij alle onrecht op de aarde geleerd heeft en de eeuwige geheimen bekend gemaakt heeft die in de hemel gebeuren. 7. En Semjaza heeft de bezweringen bekend gemaakt, hij aan wie U macht gegeven hebt om te heersen over wie bij hem horen. 8. En zij zijn samen naar de dochters van de mensen gegaan en hebben bij die vrouwen gelegen en zich verontreinigd, en zij hebben hun die zonden bekend gemaakt. 9. En de vrouwen hebben reuzen gebaard, en daardoor is de hele aarde vol bloed en onrecht geworden. 10. En kijk nu: de zielen van wie gestorven zijn roepen en brengen hun aanklacht tot aan de poorten van de hemel, en hun gejammer stijgt op, en zij kunnen niet ontkomen aan het onrecht dat op de aarde bedreven wordt. 11. En U weet alles voordat het gebeurt, en U weet dit en wat hen betreft, en toch zegt U ons niets. En wat moeten wij hierover met hen doen? ## Henoch 10 — De opdrachten aan de aartsengelen 1. En toen sprak de Allerhoogste, de Grote en Heilige, en Hij stuurde Arsjelaljur naar de zoon van Lamech en zei tegen hem: 2. Zeg tegen hem in mijn naam: Verberg je! En maak hem het einde bekend dat eraan komt: dat de hele aarde vernietigd zal worden, en dat er water van een vloed over de hele aarde zal komen, en dat alles wat daarop is vernietigd zal worden. 3. En leer hem nu hoe hij kan ontkomen, zodat zijn nageslacht voor de hele aarde bewaard blijft. 4. En verder zei de Heere tegen Rafaël: Bind Azazel aan zijn handen en zijn voeten en gooi hem in de duisternis. En maak een opening in de woestijn die in Dudaël ligt, en gooi hem daarin. 5. En leg ruwe en scherpe stenen op hem, en bedek hem met duisternis, en laat hem daar tot in eeuwigheid wonen, en bedek zijn gezicht zodat hij het licht niet ziet. 6. En op de grote dag van het oordeel zal hij in de gloed van het vuur gegooid worden. 7. En genees de aarde die de engelen bedorven hebben, en kondig de genezing van de aarde aan: dat ik de aarde genezen zal, en dat niet alle mensenkinderen vernietigd worden door het geheim van alles wat de wachters gedood en aan hun kinderen geleerd hebben. 8. En de hele aarde is bedorven door de leer van het werk van Azazel; schrijf hem daarom alle zonde toe. 9. En tegen Gabriël zei God: Ga op de bastaarden en de verworpenen af en op de kinderen van de hoererij, en vernietig de kinderen van de hoererij en de kinderen van de wachters uit het midden van de mensen. Breng hen naar buiten en stuur hen tegen elkaar op, zodat zij elkaar in de strijd vernietigen, want een lang leven hebben zij niet. 10. En al smeken zij jullie allemaal, het zal hun vaderen in hun voordeel niet gegeven worden, want zij hopen het eeuwige leven te leven en dat ieder van hen vijfhonderd jaar zal leven. 11. En tegen Michaël zei God: Ga het aankondigen aan Semjaza en aan de anderen die bij hem horen, die zich met de vrouwen verenigd hebben om zich met hen in al hun onreinheid te verontreinigen. 12. Wanneer al hun zonen elkaar doden en wanneer zij de ondergang van hun geliefden zien, bind hen dan zeventig generaties lang onder de heuvels van de aarde, tot de dag van hun oordeel en van hun einde, totdat het oordeel dat tot in alle eeuwigheid duurt voltrokken is. 13. En in die dagen zullen zij weggevoerd worden naar de poel van vuur, om weg te kwijnen, en in de gevangenis zullen zij opgesloten worden tot in alle eeuwigheid. 14. En iedereen die van nu af aan verbrand en verdorven wordt, zal samen met hen gebonden worden tot het einde van generatie op generatie. 15. En vernietig alle zielen van de wellustigen en de kinderen van de wachters, omdat zij de mensen onderdrukt hebben. 16. Vaag alle onderdrukking van de aarde weg en laat elk slecht werk ophouden. En laat de plant van de gerechtigheid en van de waarheid verschijnen, en het zal een werk van zegen worden. Gerechtigheid en waarheid zullen in blijdschap geplant worden tot in eeuwigheid. 17. En dan zullen alle rechtvaardigen ontkomen, en zij zullen leven totdat zij duizend kinderen verwekken, en al de dagen van hun jeugd en hun sabbatten zullen zij in vrede volmaken. 18. En in die dagen zal de hele aarde in gerechtigheid bewerkt worden, en zij zal helemaal met bomen beplant worden en vol zegen zijn. 19. En er zullen allerlei begeerlijke bomen op geplant worden, en zij zullen er wijnstokken op planten, en de wijnstok die erop geplant wordt, zal vrucht dragen tot verzadiging toe. En van al het zaad dat erop gezaaid wordt, zal één maat er tienduizend opleveren, en één maat olijven zal tien persingen olie opleveren. 20. En reinig de aarde van alle onderdrukking en van alle onrecht en van alle zonde en van alle goddeloosheid en van alle onreinheid die op de aarde bedreven wordt; vaag die dingen van de aarde weg. 21. En alle mensenkinderen zullen rechtvaardig worden, en alle volken zullen mij aanbidden en mij zegenen, en zij zullen zich allemaal voor mij neerbuigen. En de aarde zal gereinigd worden van alle bederf en van alle zonde en van alle plaag en van alle wegkwijnen, en ik zal niet opnieuw een vloed daarop sturen, van generatie op generatie en tot in eeuwigheid. ## Henoch 11 — De schatkamers van de zegen 1. En in die dagen zal ik de schatkamers van de zegen openen die in de hemel zijn, om die neer te laten dalen op de aarde, over het werk en de arbeid van de mensenkinderen. 2. Vrede en gerechtigheid zullen samen verbonden zijn, al de dagen van de wereld en in alle generaties van de wereld. ## Henoch 12 — Henoch wordt gestuurd naar de wachters 1. En vóór dit alles werd Henoch verborgen, en niemand van de mensenkinderen wist waar hij verborgen was, waar hij verbleef en wat er van hem geworden was. 2. En al zijn werk was met de heiligen en met de wachters, in zijn dagen. 3. En ik, Henoch, was bezig de grote Heere en de Koning van de eeuwen te loven, en kijk, de wachters riepen mij — mij, Henoch de schrijver — en zeiden tegen mij: 4. Henoch, jij schrijver van de gerechtigheid, ga, zeg tegen de wachters van de hemel, die de hoge hemel verlaten hebben en de heilige, eeuwige woonplaats, die zich met de vrouwen verontreinigd hebben, die gedaan hebben zoals de mensenkinderen doen, die zich vrouwen genomen hebben en die groot verderf op de aarde aangericht hebben: 5. Er zal voor hen op de aarde geen vrede zijn en geen vergeving van zonde, want zij zullen zich niet verheugen over hun kinderen. 6. Zij zullen de moord op hun geliefden zien, en over de ondergang van hun kinderen zullen zij jammeren, en zij zullen smeken tot in eeuwigheid, maar voor hen zal er geen barmhartigheid en geen vrede zijn. ## Henoch 13 — Henoch bij Azazel en bij de wachters 1. En Henoch ging naar Azazel toe en zei tegen hem: Voor jou zal er geen vrede zijn. Een zwaar oordeel is over jou uitgegaan om je te binden. 2. En er zal voor jou geen geduld zijn en geen verzoek en geen barmhartigheid, om het geweld dat jij geleerd hebt en om alle werken van godslastering en geweld en zonde die jij aan de mensenkinderen laten zien hebt. 3. Toen ging ik naar hen toe en sprak ik hen allemaal samen toe. En zij waren allemaal bang, en angst en beven greep hen. 4. En zij vroegen mij om een gedenkschrift van smeekbeden voor hen op te stellen, zodat er voor hen vergeving zou zijn, en om het gedenkschrift van hun smeken op te dragen aan God in de hemel. 5. Want zij konden van toen af niet meer spreken, en zij konden hun ogen niet opslaan naar de hemel, uit schaamte over hun overtredingen, waarvoor zij veroordeeld waren. 6. En toen schreef ik het gedenkschrift van hun smeken en hun smeekbede over hun geesten en over elk van hun daden, en over wat zij vroegen: dat er voor hen vergeving en verlenging van dagen zou zijn. 7. En ik ging weg en ging zitten bij de wateren van Dan, in Dan, dat ten zuidwesten van de Hermon ligt. En ik las het gedenkschrift van hun smeken voor, totdat ik in slaap viel. 8. En kijk, er kwam een droom naar mij toe, en visioenen daalden op mij neer, en ik zag een visioen van straf, en het droeg mij op om het aan de zonen van de hemel te vertellen en hen terecht te wijzen. 9. En toen ik wakker werd, kwam ik bij hen, en zij zaten allemaal bij elkaar en jammerden in Abelsjaïl, dat tussen de Libanon en Sénésér ligt, met bedekte gezichten. 10. En ik vertelde voor hun ogen alle visioenen die ik in mijn slaap gezien had, en ik begon de woorden van de gerechtigheid te spreken en de wachters van de hemel terecht te wijzen. ## Henoch 14 — Het huis van kristal en van vuur 1. Dit is het boek van de woorden van de gerechtigheid en van de terechtwijzing van de eeuwige wachters, naar het gebod van de Heilige en Grote, in dat visioen. 2. Ik zag in mijn slaap wat ik nu ga zeggen met een tong van vlees en met de adem van mijn mond, die de Grote aan de mensen gegeven heeft om ermee te spreken en met het hart te begrijpen. 3. Zoals Hij geschapen heeft en aan de mensen gegeven heeft om het woord van de kennis te begrijpen, zo heeft Hij ook mij geschapen en mij gegeven om de wachters, de zonen van de hemel, terecht te wijzen. 4. Ik heb jullie verzoekschrift geschreven, en in mijn visioen bleek dat jullie verzoek niet ingewilligd zal worden, al de dagen van de eeuwigheid, en dat het oordeel over jullie onherroepelijk geveld is en niet zal worden ingewilligd. 5. En van nu af zullen jullie niet meer opklimmen naar de hemel, tot in alle eeuwigheid, en op de aarde is het besluit uitgegaan om jullie te binden, al de dagen van de wereld. 6. En daarvóór zullen jullie de ondergang van jullie geliefde zonen gezien hebben, en jullie zullen geen plezier aan hen beleven, maar zij zullen voor jullie ogen door het zwaard vallen. 7. En jullie verzoek voor hen zal niet ingewilligd worden, en voor jezelf ook niet. En jullie zullen, terwijl jullie huilen en smeken, geen enkel woord kunnen uitspreken uit het boek dat ik geschreven heb. 8. En aan mij werd een visioen getoond, zo: kijk, wolken riepen mij in het visioen, en een nevel riep mij, en de loop van de sterren en de bliksemschichten dreven mij op en duwden mij voort, en de winden lieten mij vliegen in het visioen en voerden mij omhoog. 9. En zij droegen mij naar de hemel, en ik ging naar binnen totdat ik bij een muur kwam die van kristalstenen gebouwd was, en een tong van vuur omringde hem, en die begon mij schrik aan te jagen. 10. En ik ging de tong van vuur binnen en kwam bij een groot huis dat van kristalstenen gebouwd was. En de wanden van dat huis waren als een vloer van steentegels, van kristalsteen, en de bodem ervan was kristal. 11. Het gewelf ervan was als de loop van de sterren en de bliksemschichten, en daartussen waren cherubs van vuur, en hun hemel was water. 12. En een brandend vuur omringde de wanden, en de deuren ervan laaiden van vuur. 13. En ik ging dat huis binnen, en het was heet als vuur en koud als ijs. Er was geen vreugde en geen leven daarin. Angst overdekte mij en beven greep mij. 14. En terwijl ik beefde en huiverde, viel ik op mijn gezicht, en ik zag in een visioen. 15. En kijk, er was een ander huis, groter dan dat, en heel zijn deur stond voor mij open, en het was gebouwd van tongen van vuur. 16. En in alles overtrof het dat andere zo in heerlijkheid en eer en grootheid, dat ik jullie zijn heerlijkheid en zijn grootheid niet kan vertellen. 17. En zijn bodem was vuur, en daarboven waren bliksem en de loop van de sterren, en zijn gewelf was eveneens laaiend vuur. 18. En ik keek en ik zag daarin een hoge troon. En zijn aanblik was als kristal, en zijn wielen als de zon die schijnt, en het geluid van cherubs. 19. En van onder die grote troon kwamen stromen van laaiend vuur, en je kon er niet naar kijken. 20. En de Grote Heerlijkheid zat daarop, en Zijn gewaad was helderder dan de zon en witter dan alle sneeuw. 21. En geen van de engelen kon binnengaan, en niemand van vlees kon het gezicht van de Geëerde en Verheerlijkte aanzien of Hem zien. 22. Een laaiend vuur was om Hem heen, en een groot vuur stond voor Hem, en niemand van wie om Hem heen stonden kon bij Hem komen. Tienduizend maal tienduizend stonden voor Hem, maar Hij had geen raad nodig. 23. En de heiligen die bij Hem kwamen, weken niet, nacht en dag, en zij verlieten Hem niet. 24. En ik lag tot dan toe op mijn gezicht, bedekt en bevend. En de Heere riep mij met Zijn mond en zei tegen mij: Kom hier, Henoch, en luister naar mijn heilige woord. 25. En Hij richtte mij op en bracht mij tot aan de deur, maar ik hield mijn gezicht naar beneden gericht. ## Henoch 15 — Waarom er voor de wachters geen vrede is 1. En Hij antwoordde en zei tegen mij met Zijn stem: Luister, wees niet bang, Henoch, rechtvaardige man en schrijver van de gerechtigheid. Kom hier en luister naar mijn stem. 2. En ga, zeg tegen de wachters van de hemel, die jou gestuurd hebben om voor hen te bidden: Jullie horen voor de mensen te bidden, en niet de mensen voor jullie. 3. Waarom hebben jullie de hoge, heilige en eeuwige hemel verlaten en bij de vrouwen gelegen, en je verontreinigd met de dochters van de mensen, en je vrouwen genomen, en gedaan zoals de kinderen van de aarde, en reuzen als zonen verwekt? 4. En jullie waren geestelijke wezens, heilig, met het eeuwige leven, en toch hebben jullie je met de vrouwen verontreinigd en met het bloed van vlees kinderen verwekt, en naar het bloed van de mensen verlangd, en gedaan zoals zij die vlees en bloed voortbrengen, die sterven en vergaan. 5. En daarom heb ik hun vrouwen gegeven, zodat zij in hen zouden zaaien en er kinderen uit hen geboren zouden worden, zodat er zo een werk gedaan zou worden op de aarde. 6. Maar jullie waren vanaf het begin geestelijke wezens, met het eeuwige leven, dat niet sterft in alle generaties van de wereld. 7. En daarom heb ik voor jullie geen vrouwen gemaakt, want de woning van de geestelijke wezens is in de hemel. 8. En nu: de reuzen, die uit geest en vlees geboren zijn, zullen boze geesten genoemd worden op de aarde, en op de aarde zal hun woning zijn. 9. En boze geesten zijn uit hun lichamen gekomen, omdat zij van boven geschapen zijn. Bij de heilige wachters lag hun begin en hun eerste oorsprong. Zij zullen boze geesten zijn op de aarde, en boze geesten zullen zij genoemd worden. 10. En de geesten van de hemel: in de hemel zal hun woning zijn. Maar de geesten van de aarde, die op de aarde geboren zijn: op de aarde zal hun woning zijn. 11. En de geesten van de reuzen, die onderdrukken, verderven, aanvallen, vechten en op de aarde verbrijzelen en verdriet veroorzaken. En zij eten geen voedsel en zij krijgen geen dorst en zij worden niet opgemerkt. En deze geesten zullen zich niet oprichten tegen de mensenkinderen en tegen de vrouwen, omdat zij uitgegaan zijn in de dagen van moord en verderf. ## Henoch 16 — Zeg hun: jullie hebben geen vrede 1. En vanaf de dagen van de slachting en het verderf en de dood, uit wier lichamen de geesten zijn uitgegaan, zullen zij verderf aanrichten zonder dat zij geoordeeld worden. Zo zullen zij verderven tot de dag van het grote oordeel, waarop de grote wereld voltooid zal worden, over de wachters en de goddelozen — ja, zij zal helemaal voltooid worden. 2. En nu, wat betreft de wachters die jou gestuurd hebben om voor hen te pleiten, die vroeger in de hemel waren: 3. Jullie waren wel in de hemel, maar de geheimen waren jullie nog niet bekend gemaakt, en een verachtelijk geheim kenden jullie. En dat hebben jullie aan de vrouwen bekend gemaakt in de hardheid van jullie hart, en door dat geheim vermeerderen vrouwen en mannen het kwaad op de aarde. 4. Zeg hun daarom: Jullie hebben geen vrede. ## Henoch 17 — De reis naar de einden van de aarde 1. En zij namen mij mee naar een plaats waar de wezens die daar waren als brandend vuur waren, en wanneer zij wilden, verschenen zij als mensen. 2. En hij bracht mij naar een plaats van duisternis, en naar een berg waarvan de top tot in de hemel reikte. 3. En ik zag de plaatsen van de lichten en van de donder, aan de uiterste einden, waar in de diepte een boog van vuur lag, en pijlen met hun koker, en een zwaard van vuur, en alle bliksemschichten. 4. En zij namen mij mee tot aan het water van het leven dat spreekt, en tot het vuur van het westen, dat elke ondergang van de zon opvangt. 5. En ik kwam bij een rivier van vuur, waarin het vuur stroomt als water en zich uitstort in de grote zee die in het westen ligt. 6. En ik zag alle grote rivieren, en ik kwam bij de grote duisternis, en ik ging naar de plaats waar geen wezen van vlees loopt. 7. En ik zag de bergen van de donkerte van de winter en de plaats waar het water van de hele afgrond uitstroomt. 8. En ik zag de monden van alle rivieren van de aarde en de mond van de afgrond. ## Henoch 18 — De pilaren van de hemel en de zeven sterren 1. En ik zag de schatkamers van alle winden, en ik zag hoe Hij daarmee de hele schepping en de fundamenten van de aarde had toegerust. 2. En ik zag de hoeksteen van de aarde, en ik zag de vier winden die de aarde en het gewelf van de hemel dragen. 3. En ik zag hoe de winden de hoogten van de hemel uitspannen, en zij staan tussen hemel en aarde: zij zijn de pilaren van de hemel. 4. En ik zag de winden die de hemel laten wentelen, die de schijf van de zon en alle sterren laten ondergaan. 5. En ik zag de winden op de aarde die de wolken dragen, en ik zag de paden van de engelen. Aan het einde van de aarde zag ik het gewelf van de hemel daarboven. 6. En ik trok verder naar het zuiden, en daar brandt het dag en nacht, waar zeven bergen van kostbaar gesteente zijn, drie naar het oosten en drie naar het zuiden. 7. En die naar het oosten waren van gekleurd gesteente, en één van parel en één van hyacint. En die naar het zuiden waren van rood gesteente. 8. Maar de middelste reikte tot aan de hemel, als de troon van God, van albast, en de top van die troon was van saffier. 9. En ik zag een brandend vuur, en wat er in al die bergen was. 10. En ik zag daar een plaats aan de overkant van de grote aarde; daar verzamelen de wateren zich. 11. En ik zag een diepe kloof in de aarde, met pilaren van hemels vuur, en ik zag daarin de pilaren van de hemel, die van vuur waren en neerdaalden, en zij waren niet te tellen, zowel naar boven als naar beneden. 12. En boven die kloof zag ik een plaats die geen hemelgewelf boven zich had en geen fundament van de aarde onder zich. Er was geen water op en er waren geen vogels, maar het was een woeste plaats. 13. En ik zag daar iets vreselijks: zeven sterren als grote brandende bergen, en als een geest die mij ondervroeg. 14. De engel zei: Dit is de plaats waar hemel en aarde eindigen. Die is een gevangenis geworden voor de sterren van de hemel en voor het leger van de hemel. 15. En de sterren die over het vuur rollen, dat zijn zij die het gebod van God overtreden hebben vanaf het begin van hun opgang, omdat zij niet op hun vastgestelde tijd tevoorschijn kwamen. 16. En Hij werd woedend op hen en bond hen tot de tijd dat hun zonde ten einde is, in het jaar van het geheim. ## Henoch 19 — Wat Uriël mij zei 1. En Uriël zei tegen mij: Hier zullen de geesten staan van de engelen die zich met de vrouwen verbonden hebben. Zij hebben allerlei gedaanten aangenomen, zij hebben de mensen verontreinigd en de mensen laten dwalen, zodat die aan de demonen offeren alsof het goden zijn, tot op de dag van het grote oordeel, waarop zij geoordeeld zullen worden totdat zij weggedaan zijn. 2. En ook hun vrouwen, die de engelen van de hemel hebben laten dwalen, zullen als sirenen worden. 3. En ik, Henoch, was de enige die dat visioen zag, de einden van alles. En niemand van de mensen heeft gezien wat ik gezien heb. ## Henoch 20 — De namen van de heilige engelen 1. En dit zijn de namen van de heilige engelen die waken. 2. Uriël, een van de heilige engelen, want hij gaat over de donder en de aardbeving. 3. Rafaël, een van de heilige engelen, die over de geesten van de mensen gaat. 4. Raguël, een van de heilige engelen, die wraak neemt over de wereld en over de lichten. 5. Michaël, een van de heilige engelen, want hij is aangesteld over het beste deel van de mensen en gebiedt over het volk. 6. Saraqaël, een van de heilige engelen, die aangesteld is over de geesten van de mensenkinderen die met hun geest zondigen. 7. Gabriël, een van de heilige engelen, die aangesteld is over de slangen en over het paradijs en over de cherubs. ## Henoch 21 — De gevangenis van de engelen 1. En ik ging verder naar een plaats waar niets gemaakt was. 2. En ik zag daar iets verschrikkelijks: geen hoge hemel en geen gegronde aarde, maar een woeste plaats, verlaten en gruwelijk. 3. En daar zag ik zeven sterren van de hemel, samen gebonden op die plaats, als grote bergen en brandend van vuur. 4. Toen zei ik: Om welke zonde zijn zij gebonden, en waarom zijn zij hierheen gegooid? 5. En Uriël, een van de heilige engelen die bij mij was — hij was degene die mij leidde — zei tegen mij: Henoch, waarover vraag je, waarover wil je de waarheid weten, en waarnaar vraag en zoek je zo ijverig? 6. Dit zijn sterren die het gebod van El Eljon overtreden hebben, en zij zijn hier gebonden totdat de tienduizend jaren van de wereld voorbij zijn: het aantal dagen van hun zonde. 7. En van daar ging ik naar een andere plaats, nog gruwelijker dan deze, en ik zag iets verschrikkelijks: een groot vuur dat daar brandde en vlamde, en er zat een kloof in die tot aan de afgrond reikte, vol grote pilaren van vuur die neerdaalden. En ik kon de omvang en de grootte daarvan niet overzien, en ik was niet in staat om ernaar te kijken. 8. Toen zei ik: Wat is deze plaats verschrikkelijk, en wat doet het pijn om ernaar te kijken! 9. Toen antwoordde Uriël mij, een van de heilige engelen die bij mij was. Hij antwoordde mij en zei tegen mij: Henoch, waarom ben je zo bang en zo ontzet om deze verschrikkelijke plaats en om deze pijn? 10. En hij zei tegen mij: Deze plaats is de gevangenis van de engelen, en daar worden zij vastgehouden tot in eeuwigheid. ## Henoch 22 — De plaatsen waar de zielen wachten 1. En van daar ging ik naar een andere plaats, en hij liet mij in het westen een grote en hoge berg zien, en een harde rots, en vier mooie plaatsen. 2. En daarin waren er die diep en wijd en heel glad waren, glad als iets wat rolt, en diep en donker om te zien. 3. Toen antwoordde Rafaël mij, een van de heilige engelen die bij mij was, en zei tegen mij: Deze mooie plaatsen zijn gemaakt zodat de geesten, de zielen van de doden, zich daarop verzamelen. Voor hen zijn deze geschapen, zodat hier alle zielen van de mensenkinderen bij elkaar komen. 4. En deze plaatsen, waar men hen neerlegt, zijn gemaakt tot de dag van hun oordeel en tot de tijd van hun vastgestelde einde. En die tijd is lang, tot het grote oordeel over hen komt. 5. En ik zag de geesten van de mensenkinderen die gestorven waren, en hun stem reikte tot aan de hemel en klaagde aan. 6. Toen vroeg ik het aan Rafaël, de engel die bij mij was, en ik zei tegen hem: Van wie is deze geest, van wie de stem zo omhoog reikt en aanklaagt? 7. En hij antwoordde mij en zei: Dit is de geest die uit Abel is uitgegaan, die Kaïn, zijn broer, gedood heeft. En die klaagt hem aan, totdat zijn nageslacht van de aarde vernietigd is en zijn nageslacht uit het nageslacht van de mensen verdwijnt. 8. En daarom vroeg ik toen naar hem en naar het oordeel over allen, en ik zei: Waarom is de een van de ander gescheiden? 9. En hij antwoordde mij en zei: Deze drie zijn gemaakt zodat de geesten van de doden gescheiden zouden worden. En zo is de ziel van de rechtvaardigen apart gezet: dat is de waterbron waarop licht valt. 10. En zo is er ook een gemaakt voor de zondaars, wanneer zij sterven en in de aarde begraven worden en het oordeel tijdens hun leven niet aan hen voltrokken is. 11. En hier worden hun zielen apart gezet in deze grote pijn, tot aan de grote dag van het oordeel en de gesel en het wegkwijnen voor wie tot in eeuwigheid vervloeken, en de wraak over hun zielen. En daar bindt Hij hen tot in eeuwigheid. 12. En dit is al van vóór de wereld zo. En zo is er een apart gezet voor de zielen van wie aanklagen en bekend maken wat hun ondergang betreft, toen zij gedood werden in de dagen van de zondaars. 13. Zo is er er een geschapen voor de zielen van de mensen die niet rechtvaardig waren maar zondaars, die volkomen in overtreding waren. En zij zullen bij de overtreders horen, hun gelijken. Maar hun zielen zullen op de dag van het oordeel niet gedood worden, en zij zullen daar niet vandaan opstaan. 14. Toen zegende ik de Heere van de heerlijkheid en zei: Gezegend is mijn Heere, de Heere van de heerlijkheid en de gerechtigheid, die over alles heerst tot in eeuwigheid. ## Henoch 23 — Het vuur dat nooit rust 1. En van daar ging ik naar een andere plaats, naar het westen, tot aan de einden van de aarde. 2. En ik zag een brandend vuur dat liep zonder te rusten en zonder in zijn loop op te houden, dag en nacht, maar altijd op dezelfde manier. 3. En ik vroeg: Wat is dit, dat geen rust kent? 4. Toen antwoordde Raguël mij, een van de heilige engelen die bij mij was, en zei tegen mij: Wat je gezien hebt, die loop naar het westen, is het brandende vuur. Dat is het wat alle lichten van de hemel voortdrijft. ## Henoch 24 — De zeven bergen en de geurende boom 1. En van daar ging ik naar een andere plaats op de aarde, en hij liet mij een berg van vuur zien, die dag en nacht vlamde. 2. En ik ging die berg voorbij en zag zeven prachtige bergen, allemaal verschillend van elkaar, met kostbare en mooie stenen, en alles was schitterend. Hun aanblik was glanzend en hun voorkant was mooi: drie naar het oosten, stevig op elkaar gegrond, en drie naar het noorden, stevig op elkaar gegrond, en diepe en kronkelende dalen, waarvan er geen aan een ander grensde. 3. En de zevende berg lag in het midden daarvan, en in hoogte leken zij allemaal op de zitting van een troon. En geurende bomen stonden eromheen. 4. En daaronder stond een boom waarvan ik de geur nog nooit geroken had, en geen van de andere bomen en ook geen enkele andere was zoals deze. Hij rook heerlijker dan elke geur, en zijn bladeren en zijn bloesem en zijn hout verwelken niet tot in eeuwigheid. En zijn vrucht is goed: zijn vrucht is als de trossen van een dadelpalm. 5. En toen zei ik: Kijk, dit is een mooie boom, mooi om te zien, met prachtige bladeren, en zijn vrucht is heel aantrekkelijk voor het oog. 6. En toen antwoordde Michaël mij, een van de heilige en geëerde engelen die bij mij was, en hij was hun aanvoerder. ## Henoch 25 — De boom van het leven 1. En hij zei tegen mij: Henoch, waarom vraag je mij naar de geur van deze boom, en waarom wil je de waarheid weten? 2. En toen antwoordde ik, Henoch, hem en zei: Ik wil alles weten, maar vooral over deze boom. 3. En hij antwoordde mij en zei: Deze hoge berg die je gezien hebt, waarvan de top op de troon van de Heere lijkt, is Zijn troon, waarop de Heilige en Grote, de Heere van de heerlijkheid, de eeuwige Koning, zal zitten wanneer Hij zal neerdalen om de aarde met goedheid te bezoeken. 4. En over deze geurende boom: geen mens van vlees heeft de macht om hem aan te raken, tot aan het grote oordeel, wanneer Hij alles vergelden zal en het voltooid zal worden tot in eeuwigheid. Dan zal hij gegeven worden aan de rechtvaardigen en de nederigen. 5. Van zijn vrucht zal aan de uitverkorenen leven gegeven worden. Naar het noorden zal hij geplant worden, op een heilige plaats, bij het huis van de Heere, de eeuwige Koning. 6. Dan zullen zij zich verheugen met vreugde en blij zijn. Zij zullen het heiligdom binnengaan, en zijn geur zal in hun botten doordringen, en zij zullen een lang leven leven op de aarde, zoals je vaderen geleefd hebben. En in hun dagen zullen verdriet en pijn en moeite en gesel hen niet raken. 7. Toen zegende ik de Heere van de heerlijkheid, de eeuwige Koning, omdat Hij zulke dingen klaargemaakt heeft voor de rechtvaardige mensen, ze zo geschapen heeft en gezegd heeft dat men ze aan hen geven zou. ## Henoch 26 — Het midden van de aarde 1. En van daar ging ik naar het midden van de aarde, en ik zag een gezegende en goed besproeide plaats, waarin takken uitliepen en bloeiden, uit een boom die omgehakt was. 2. En daar zag ik een heilige berg, en onder de berg, aan de oostkant, was water, en de stroom daarvan liep naar het noorden. 3. En naar het oosten zag ik een andere berg, hoger dan deze, en daartussen een diep dal, dat geen breedte had. En ook daarin liep water naar de berg toe. 4. En aan de westkant daarvan lag nog een berg, lager dan deze en niet hoog, met een dal beneden daartussen. En er lagen andere diepe en droge dalen aan de uiteinden van de drie bergen. 5. En al zijn dalen waren diep en hadden geen breedte, uitgehouwen in harde rots, en er was geen boom op geplant. 6. En ik stond versteld van die rots en ik stond versteld van dat dal — ik stond er heel erg van te kijken. ## Henoch 27 — Het vervloekte dal 1. In die tijd zei ik: Waar dient dit gezegende land voor, dat helemaal vol bomen staat, en dit vervloekte dal daar middenin? 2. In die tijd antwoordde Uriël mij, een van de heilige engelen die bij mij was, en hij zei tegen mij: Dit vervloekte dal is voor wie vervloekt zijn, tot in eeuwigheid. Hier zullen allen verzameld worden die met hun mond woorden tegen God spreken die niet passen, en die harde dingen zeggen over Zijn heerlijkheid. Hier zal men hen verzamelen en hier zal hun oordeel zijn. 3. En in de laatste dagen zal het schouwspel van het rechtvaardige oordeel over hen komen, voor de ogen van de rechtvaardigen, tot in eeuwigheid. Al de dagen zullen hier de barmhartigen de Heere van de heerlijkheid loven, de eeuwige Koning. 4. En in de dagen van hun oordeel zullen zij Hem loven om de barmhartigheid die Hij hun toebedeeld heeft. 5. In die tijd loofde ook ik de Heere van de heerlijkheid, en ik sprak tot Hem en sprak over Hem zoals het bij Zijn grootheid past. ## Henoch 28 — De wildernis in het oosten 1. En van daar ging ik naar het oosten, tot in het midden van het bergland van de woestijn, en ik zag een wildernis die helemaal verlaten was. 2. Maar zij stond vol bomen uit dit zaad, en van boven welde er water op. 3. Er verscheen een waterloop, overvloedig, die naar het noordwesten stroomde, en van alle kanten liet hij water en dauw opstijgen. ## Henoch 29 — De bomen van het oordeel 1. En ik ging naar een andere plaats, weg van de woestijn, en ik kwam bij de oostkant van die berg. 2. En daar zag ik bomen van het oordeel, die in overvloed de geur van wierook en mirre uitwasemden, en die bomen leken op geen enkele andere. ## Henoch 30 — Het dal met water dat niet opdroogt 1. En daarbovenuit, boven deze, boven de berg in het oosten en niet ver weg, zag ik een andere plaats: een dal met water dat niet opdroogt. En ik zag een mooie boom, 2. en zijn geur was als die van de mastiekboom. 3. En aan de zijkanten van die dalen zag ik geurige kaneel. En daar voorbij ging ik verder naar het oosten. ## Henoch 31 — De berg met de aloëbomen 1. En ik zag een andere berg waarop bomen stonden, en daar stroomde water uit. En het vloeide eruit als nectar, die sarira en galbanum heet. 2. En op die berg zag ik nog een berg, en daarop stonden aloëbomen. En die bomen zaten vol, zoals de amandelboom, en zij waren stevig. 3. En wanneer je van die vrucht nam, gaf zij een fijnere geur dan elk reukwerk. ## Henoch 32 — De boom van de wijsheid 1. En voorbij die geuren, naar het noorden toe, zag ik over de bergen uit zeven bergen vol uitgelezen nardus en geurende bomen en kaneel en peper. 2. En van daar ging ik over de toppen van die bergen, ver naar het oosten, en ik trok over de Rode Zee heen en kwam er ver vandaan, en ik ging de engel Zutiël voorbij. 3. En ik kwam in de tuin van de gerechtigheid, en aan de overkant van die bomen zag ik veel grote bomen groeien. En hun geur was goed en sterk, en hun schoonheid was groot en schitterend. En ook de boom van de wijsheid stond er, waarvan wie ervan eten grote wijsheid leren kennen. 4. En hij leek op de johannesbroodboom, en zijn vrucht was als de trossen van de wijnstok, heel mooi. En de geur van die boom verspreidde zich en drong ver door. 5. En ik zei: Wat een mooie boom, en wat een mooie en verkwikkende aanblik! 6. En de heilige engel Rafaël, die bij mij was, antwoordde mij en zei: Dit is de boom van de wijsheid, waarvan je vader, de oude man, en je moeder, de oude vrouw, die er vóór jou waren, gegeten hebben. En zij leerden de wijsheid kennen, en hun ogen gingen open, en zij merkten dat zij naakt waren, en zij werden uit de tuin verdreven. ## Henoch 33 — De poorten waar de sterren uit komen 1. En van daar ging ik tot aan de einden van de aarde, en ik zag daar grote dieren, het ene anders dan het andere. En ook de vogels verschilden van elkaar in gedaante en schoonheid en stem. 2. En aan de oostkant van die dieren zag ik de einden van de aarde, waarop de hemel rust, en de poorten van de hemel stonden open. 3. En ik zag hoe de sterren van de hemel tevoorschijn kwamen, en ik telde de poorten waaruit zij tevoorschijn kwamen. En ik schreef al hun uitgangen op, van elke afzonderlijke ster naar hun getal, en hun namen naar hun volgorde, en hun standplaatsen en hun tijden en hun maanden, zoals de engel Uriël, die bij mij was, mij ze had laten zien. 4. En hij liet mij alles zien en schreef het op. En bovendien schreef hij voor mij hun namen op, en hun voorschriften en hun taken. ## Henoch 34 — De poorten in het noorden 1. En van daar ging ik naar het noorden, tot aan de einden van de aarde, en daar zag ik een groot en schitterend wonder aan de einden van de hele aarde. 2. En daar zag ik in de hemel drie geopende poorten van de hemel. Door elk daarvan gaan de winden naar het noorden uit. Wanneer zij waaien, is er kou en hagel en vorst en sneeuw en dauw en regen. 3. En uit één poort waait het ten goede. Maar wanneer zij door de twee andere poorten waaien, dan gaat het met geweld, en er komt verval over de aarde, en zij waaien met geweld. ## Henoch 35 — De poorten in het westen 1. En van daar ging ik naar het westen, tot aan de einden van de aarde, en ik zag daar drie geopende poorten, net als ik in het oosten gezien had: hetzelfde aantal poorten en hetzelfde aantal uitgangen. ## Henoch 36 — De poorten in het zuiden en in het oosten 1. En van daar ging ik naar het zuiden, naar de einden van de aarde, en daar zag ik drie geopende poorten van de hemel, en daaruit kwamen de zuidenwind en dauw en regen en wind. 2. En van daar ging ik naar het oosten, naar de einden van de hemel, en daar zag ik drie geopende poorten van de hemel naar het oosten, en daarboven kleine poorten. 3. Door elk van die kleine poorten trekken de sterren van de hemel, en zij gaan naar het westen over de weg die hun gewezen is. 4. En telkens wanneer ik dit zag, prees ik Hem, en altijd zal ik de Heere van de heerlijkheid prijzen, die grote en schitterende wonderen gedaan heeft, om de grootheid van Zijn werk te laten zien aan Zijn engelen en aan de zielen van de mensen, zodat zij Zijn werk zouden prijzen en heel Zijn schepping, zodat zij het werk van Zijn kracht zouden zien en het grote werk van Zijn handen zouden prijzen, en Hem zouden loven tot in eeuwigheid. ## Henoch 37 — De drie gelijkenissen 1. Het visioen dat hij zag, een tweede visioen van wijsheid, dat Henoch zag, de zoon van Jared, de zoon van Mahalaleël, de zoon van Kenan, de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam. 2. En dit is het begin van de woorden van wijsheid, die ik aanhief om te spreken en te zeggen tegen wie op de aarde wonen: Luister, jullie van vroeger, en kijk, jullie die na ons komen, naar de heilige woorden die ik spreek voor het aangezicht van de Heere van de geesten. 3. Voor wie van vroeger zijn is het beter ze te verkondigen, maar ook aan wie na ons komen zullen wij het begin van de wijsheid niet onthouden. 4. Tot op de dag van vandaag is mij van voor het aangezicht van de Heere van de geesten nooit zo'n wijsheid gegeven als ik naar mijn inzicht ontvangen heb, omdat de Heere van de geesten het zo wilde, door wie mij het deel van het eeuwige leven gegeven is. 5. En er waren drie gelijkenissen voor mij, en ik verhief mijn stem terwijl ik ze uitsprak tegen wie op de aarde wonen. ## Henoch 38 — De eerste gelijkenis 1. De eerste gelijkenis. Wanneer de gemeenschap van de rechtvaardigen zal verschijnen, en de zondaars om hun zonden geoordeeld zullen worden en van de aarde verdreven zullen worden, 2. en wanneer de Rechtvaardige zal verschijnen voor de ogen van de rechtvaardigen, van wie de uitverkoren werken afhangen van de Heere van de geesten, en het licht zal verschijnen voor de rechtvaardigen en de uitverkorenen die op de aarde wonen: waar zal dan de woning van de zondaars zijn, en waar de rustplaats van wie de Heere van de geesten verloochend hebben? Het was beter voor hen geweest als zij niet geboren waren. 3. En wanneer de verborgen dingen van de rechtvaardigen bekend gemaakt zullen worden, zullen de zondaars geoordeeld worden en zullen de goddelozen verdreven worden van het gezicht van de rechtvaardigen en de uitverkorenen. 4. En van dan af zullen wie de aarde bezitten niet meer machtig en verheven zijn, en zij zullen het gezicht van de heiligen niet kunnen aanzien, want de Heere van de geesten heeft Zijn licht laten schijnen op het gezicht van de heiligen en de rechtvaardigen en de uitverkorenen. 5. En de machtige koningen zullen in die tijd te gronde gaan en overgegeven worden in de handen van de rechtvaardigen en de heiligen. 6. En van dan af zal er niemand zijn die voor zichzelf ontferming zoekt bij de Heere van de geesten, want hun leven is ten einde. ## Henoch 39 — De woningen van de rechtvaardigen 1. En het zal in die dagen gebeuren dat uitverkoren en heilige kinderen zullen neerdalen uit de hoge hemel, en hun nageslacht zal één worden met de mensenkinderen. 2. In die dagen ontving Henoch boeken van ijver en toorn, en boeken van onrust en verdrijving. En hun zal geen ontferming bewezen worden, zegt de Heere van de geesten. 3. En in die tijd namen een wolk en een wervelwind mij weg van de aarde en zetten mij neer aan het einde van de hemel. 4. En daar zag ik een ander visioen: de woningen van de rechtvaardigen en de rustplaatsen van de heiligen. 5. Daar zagen mijn ogen hun woningen bij de engelen en hun rustplaatsen bij de heiligen. En zij baden en pleitten en smeekten voor de mensenkinderen, en de gerechtigheid stroomde voor hen als water en de ontferming als dauw op de aarde. Zo is het onder hen tot in alle eeuwigheid. 6. En in die dagen zagen mijn ogen de plaats van de uitverkorenen van gerechtigheid en van geloof. En de gerechtigheid zal er zijn in hun dagen, en de rechtvaardigen en uitverkorenen zullen niet te tellen zijn voor Zijn aangezicht, tot in alle eeuwigheid. 7. En ik zag hun woningen onder de vleugels van de Heere van de geesten, en alle rechtvaardigen en uitverkorenen zullen voor Zijn aangezicht schitteren als de glans van vuur. En hun mond zal vol zegen zijn, en hun lippen zullen de naam van de Heere van de geesten prijzen, en de gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht niet ophouden. 8. Daar wilde ik wonen, en mijn ziel verlangde naar die woning. Daar lag mijn deel al, want zo is het over mij vastgesteld voor het aangezicht van de Heere van de geesten. 9. En in die dagen prees en verhief ik de naam van de Heere van de geesten met zegeningen en lofprijzingen, want Hij heeft mij bestemd tot zegen en heerlijkheid, omdat de Heere van de geesten het zo wilde. 10. Lange tijd zagen mijn ogen die plaats, en ik zegende Hem en prees Hem en zei: Gezegend is Hij, en gezegend zij Hij van het begin af en tot in eeuwigheid. 11. En voor Zijn aangezicht is er geen ophouden. Hij weet, nog voordat de wereld geschapen werd, wat er in eeuwigheid is en wat er van generatie op generatie zal zijn. 12. U wordt gezegend door hen die niet sluimeren. Zij staan voor Uw heerlijkheid en zij zegenen en loven en verheffen U, en zij zeggen: Heilig, heilig, heilig is de Heere van de geesten. Hij vult de aarde met geesten. 13. En daar zagen mijn ogen allen die niet sluimeren. Zij staan voor Zijn aangezicht en zij zegenen en zeggen: Gezegend bent U, en gezegend is de naam van de Heere tot in alle eeuwigheid. 14. En mijn gezicht veranderde, totdat ik niets meer kon zien. ## Henoch 40 — De vier stemmen 1. En daarna zag ik duizenden van duizenden en tienduizend maal tienduizend, niet te tellen en niet te turven, die voor de heerlijkheid van de Heere van de geesten stonden. 2. Ik keek, en aan de vier zijden van de Heere van de geesten zag ik vier gezichten, anders dan wie daar stonden, en ik leerde hun namen kennen. Want de engel die met mij meeging, maakte mij hun namen bekend en liet mij alle verborgen dingen zien. 3. En ik hoorde de stemmen van die vier gezichten, terwijl zij lofliederen zongen voor het aangezicht van de Heere van de heerlijkheid. 4. De eerste stem zegent de Heere van de geesten tot in alle eeuwigheid. 5. En de tweede stem hoorde ik de Uitverkorene zegenen, en de uitverkorenen die afhangen van de Heere van de geesten. 6. En de derde stem hoorde ik bidden en pleiten voor wie op de aarde wonen, en smeken in de naam van de Heere van de geesten. 7. En de vierde stem hoorde ik de satans afweren en hun verbieden om voor de Heere van de geesten te komen en wie op de aarde wonen aan te klagen. 8. En daarna vroeg ik het aan de engel van de vrede, die met mij meeging en die mij alles liet zien wat verborgen is, en ik zei tegen hem: Wie zijn deze vier gezichten die ik gezien heb en van wie ik de stemmen gehoord en opgeschreven heb? 9. En hij zei tegen mij: De eerste is de barmhartige en geduldige, de heilige Michaël. En de tweede, die aangesteld is over alle ziekten en alle wonden van de mensenkinderen, is Rafaël. En de derde, die aangesteld is over alle machten, is de heilige Gabriël. En de vierde, die aangesteld is over de bekering tot hoop van wie het eeuwige leven erven, is Fanuël. En dit zijn de vier engelen van El Eljon, en de vier stemmen die ik in die dagen hoorde. ## Henoch 41 — De geheimen van de hemel 1. En daarna zag ik alle geheimen van de hemel, en hoe het koninkrijk verdeeld wordt, en hoe de daden van de mensen op de weegschaal gewogen worden. 2. Daar zag ik de woningen van de uitverkorenen en de woningen van de heiligen. En mijn ogen zagen daar alle zondaars die de naam van de Heere van de geesten verloochenen, terwijl zij daarvandaan verdreven en weggesleept werden. En zij konden niet standhouden vanwege de straf die van de Heere van de geesten uitgaat. 3. En daar zagen mijn ogen de geheimen van de bliksem en de donder, en de geheimen van de winden, hoe zij verdeeld worden om over de aarde te waaien, en de geheimen van de wolken en de dauw. En daar zag ik waarvandaan zij op die plaats uitgaan en hoe zij vandaar het stof van de aarde verzadigen. 4. En daar zag ik gesloten schatkamers waaruit de winden verdeeld worden, de schatkamer van de hagel en de schatkamer van de nevel, en die van de wolken, en de wolk daarvan zweeft boven de aarde sinds het begin van de wereld. 5. En ik zag de schatkamers van de zon en de maan, waaruit zij uitgaan en waarheen zij terugkeren, en hun terugkeer is schitterend. En ik zag hoe de een meer eer krijgt dan de ander, en hun baan is voornaam, en zij wijken niet van hun baan en zij voegen er niets aan toe en zij nemen er niets van af, en zij blijven elkaar trouw, naar de eed waarmee zij verbonden zijn. 6. En eerst gaat de zon uit en maakt zij haar baan, op het gebod van de Heere van de geesten, en machtig is Zijn naam tot in alle eeuwigheid. 7. En daarna zag ik de verborgen en de openbare baan van de maan, en zij volbrengt de loop van haar baan op die plaats, bij dag en bij nacht. De een kijkt naar de ander voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en zij danken en loven en rusten niet, want hun danken is hun rust. 8. Want de heldere zon draait vaak om, tot zegen en tot vervloeking. En de loop van de baan van de maan is licht voor de rechtvaardigen en duisternis voor de zondaars, in de naam van de Heere, die scheiding gemaakt heeft tussen het licht en de duisternis, en de geesten van de mensen verdeeld heeft, en de geesten van de rechtvaardigen sterk gemaakt heeft in de naam van Zijn gerechtigheid. 9. Want geen engel houdt het tegen en geen macht kan het tegenhouden, want de Heerser over hen allen kijkt toe, en Hij oordeelt hen allemaal voor Zijn aangezicht. ## Henoch 42 — De wijsheid vond geen plaats 1. De wijsheid vond geen plaats waar zij wonen kon, en haar woning was in de hemel. 2. De wijsheid ging uit om onder de mensenkinderen te wonen en vond geen woning. De wijsheid keerde terug naar haar plaats en nam plaats te midden van de engelen. 3. En het onrecht kwam uit haar schatkamers. Wie zij niet zocht, die vond zij, en het woonde onder hen als regen in een woestijn en als dauw op een dorstig land. ## Henoch 43 — De sterren bij hun namen geroepen 1. En ik zag andere bliksemschichten en de sterren van de hemel, en ik zag hoe Hij hen allemaal bij hun naam riep, en zij luisterden naar Hem. 2. En ik zag hoe zij op een rechtvaardige weegschaal gewogen worden naar hun lichtglans, naar de breedte van hun plaatsen, naar de dag van hun verschijnen en naar hun omwenteling. De bliksem brengt de bliksem voort, en hun omwenteling gebeurt naar het getal van de engelen, en zij blijven elkaar trouw. 3. En ik vroeg aan de engel die met mij meeging en die mij liet zien wat verborgen was: Wat zijn deze? 4. En hij zei tegen mij: De Heere van de geesten heeft je hun gelijkenis laten zien. Dit zijn de namen van de rechtvaardigen die op de aarde wonen en die in de naam van de Heere van de geesten geloven, tot in alle eeuwigheid. ## Henoch 44 — Sterren die bliksem worden 1. En ik zag nog iets anders over de bliksem: hoe sommige sterren opkomen en tot bliksem worden, en zich daar niet meer van kunnen losmaken. ## Henoch 45 — De tweede gelijkenis 1. En dit is de tweede gelijkenis, over wie de naam van de woning van de heiligen en van de Heere van de geesten verloochenen. 2. Naar de hemel zullen zij niet opklimmen en op de aarde zullen zij niet komen. Zo zal het lot zijn van de zondaars die de naam van de Heere van de geesten verloochenen, die zo bewaard worden voor de dag van verdriet en benauwdheid. 3. Op die dag zal mijn Uitverkorene op de troon van de heerlijkheid zitten, en Hij zal hun werken onderzoeken. En hun rustplaatsen zullen niet te tellen zijn, en hun geest zal sterk worden vanbinnen wanneer zij mijn Uitverkorene zien en hen die mijn heilige en schitterende naam aangeroepen hebben. 4. En op die dag zal ik mijn Uitverkorene onder hen laten wonen, en ik zal de hemel veranderen en er een eeuwige zegen en een eeuwig licht van maken. 5. En ik zal de aarde veranderen en er een zegen van maken, en ik zal mijn uitverkorenen daarop laten wonen. Maar wie zonde en overtreding doen, zullen haar niet betreden. 6. Want ik heb naar mijn rechtvaardigen omgezien en hen met vrede verzadigd, en ik heb hen voor mijn aangezicht gesteld. Maar voor de zondaars is het oordeel bij mij dichtbij gekomen, om hen van de aarde weg te vagen. ## Henoch 46 — Het Hoofd van de dagen en de Mensenzoon 1. En daar zag ik Iemand die een Hoofd van de dagen had, en Zijn hoofd was als witte wol. En bij Hem was een ander, wiens gezicht eruitzag als dat van een mens, en zijn gezicht was vol genade, als dat van een van de heilige engelen. 2. En ik vroeg een van de engelen die met mij meeging en die mij alle verborgen dingen liet zien, naar die Mensenzoon: wie hij was en waar hij vandaan kwam, en waarom hij met het Hoofd van de dagen meeging. En hij antwoordde mij en zei tegen mij: 3. Dit is de Mensenzoon, die de gerechtigheid heeft, bij wie de gerechtigheid woont, en die alle schatten van het verborgene bekend maakt. Want de Heere van de geesten heeft hem uitgekozen, en zijn deel gaat alles te boven voor het aangezicht van de Heere van de geesten, in oprechtheid, tot in eeuwigheid. 4. En deze Mensenzoon die je gezien hebt, zal de koningen en de machtigen van hun rustbedden laten opstaan en de sterken van hun tronen. En hij zal de teugels van de sterken losmaken en de tanden van de zondaars stukslaan. 5. En hij zal de koningen van hun tronen en uit hun koninkrijken stoten, omdat zij Hem niet verhogen en niet prijzen en niet nederig erkennen waar het koningschap hun vandaan gegeven is. 6. En hij zal het gezicht van de sterken neerslaan, en schaamte zal hen vullen. En duisternis zal hun woning zijn en wormen zullen hun bed zijn, en zij zullen geen hoop hebben om van hun bed op te staan, omdat zij de naam van de Heere van de geesten niet verhogen. 7. En dit zijn zij die de sterren van de hemel oordelen en die hun handen opheffen tegen de Allerhoogste, en die de aarde betreden en erop wonen. En al hun daden zijn onrecht, en zij laten hun daden zien als onrecht. En hun macht rust op hun rijkdom, en hun geloof is in de goden die zij met hun handen gemaakt hebben, en zij verloochenen de naam van de Heere van de geesten. 8. En zij zullen verdreven worden uit de huizen van Zijn gemeenschap en uit de kring van de gelovigen die afhangen van de naam van de Heere van de geesten. ## Henoch 47 — Het gebed van de rechtvaardigen 1. En in die dagen is het gebed van de rechtvaardigen opgeklommen, en het bloed van de rechtvaardige, van de aarde naar het aangezicht van de Heere van de geesten. 2. In die dagen zullen de heiligen die boven in de hemel wonen zich met één stem verenigen, en zij zullen smeken en bidden en prijzen en danken en de naam van de Heere van de geesten loven om het bloed van de rechtvaardigen dat vergoten is, en opdat het gebed van de rechtvaardigen niet vergeefs zou zijn voor het aangezicht van de Heere van de geesten, opdat hun recht gedaan zou worden en zij niet tot in eeuwigheid zouden hoeven volhouden. 3. En in die dagen zag ik het Hoofd van de dagen, toen Hij op de troon van Zijn heerlijkheid zat, en de boeken van de levenden werden voor Hem geopend, en heel Zijn leger dat boven in de hemel is en Zijn raadslieden stonden voor Hem. 4. En het hart van de heiligen werd vervuld met vreugde, omdat het getal van de rechtvaardigen vol was, en het gebed van de rechtvaardigen verhoord was, en het bloed van de rechtvaardige voor het aangezicht van de Heere van de geesten opgeëist was. ## Henoch 48 — De bron van gerechtigheid 1. En op die plaats zag ik de bron van gerechtigheid, en de bronnen waren niet te tellen: veel bronnen van wijsheid omringden haar. En alle dorstigen dronken daaruit en werden vervuld met wijsheid, en hun woningen waren bij de rechtvaardigen en de heiligen en de uitverkorenen. 2. En op dat uur werd die Mensenzoon genoemd bij de Heere van de geesten, en zijn naam voor het aangezicht van het Hoofd van de dagen. 3. En voordat de zon en de tekenen geschapen werden, voordat de sterren van de hemel gemaakt werden, werd zijn naam genoemd voor het aangezicht van de Heere van de geesten. 4. Hij zal een staf zijn voor de rechtvaardigen en de heiligen, zodat zij daarop kunnen steunen en niet vallen. En hij is het licht van de volken, en hij zal de hoop zijn van wie in hun hart lijden. 5. Allen die op de aarde wonen, zullen neervallen en zich voor hem neerbuigen. En zij zullen hem zegenen en prijzen en met psalmen de naam van de Heere van de geesten bezingen. 6. En daarom was hij uitgekozen en verborgen voor Zijn aangezicht, nog voordat de wereld geschapen werd, en tot in eeuwigheid voor Zijn aangezicht. 7. En de wijsheid van de Heere van de geesten heeft hem bekend gemaakt aan de heiligen en de rechtvaardigen. Want hij heeft het deel van de rechtvaardigen bewaard, omdat zij deze wereld van onrecht gehaat en veracht hebben, en al haar werken en al haar wegen gehaat hebben in de naam van de Heere van de geesten. Want in Zijn naam worden zij gered, en zoals Hij het wilde, zo is het met hun leven gegaan. 8. En in die dagen zullen de koningen van de aarde en de sterken die de aarde bezitten er verslagen uitzien om de werken van hun handen, want op de dag van hun angst en van hun nood zullen zij hun leven niet redden. 9. En ik zal hen overgeven in de handen van mijn uitverkorenen. Als stro in het vuur en als lood in het water, zo zullen zij branden voor de ogen van de rechtvaardigen en wegzinken voor de ogen van de heiligen, en er zal geen spoor van hen te vinden zijn. 10. En op de dag van hun nood zal er rust zijn op de aarde. En voor zijn aangezicht zullen zij vallen en niet meer opstaan, en er zal niemand zijn die hen met zijn handen oppakt en overeind zet, want zij hebben de Heere van de geesten en Zijn Gezalfde verloochend. Gezegend zij de naam van de Heere van de geesten. ## Henoch 49 — De wijsheid is uitgegoten als water 1. Want de wijsheid is uitgegoten als water, en de heerlijkheid houdt voor Zijn aangezicht niet op, tot in alle eeuwigheid. 2. Want Hij is machtig in alle geheimen van de gerechtigheid, en het onrecht zal voorbijgaan als een schaduw en het houdt geen stand. Want de Uitverkorene staat voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en zijn heerlijkheid duurt tot in alle eeuwigheid, en zijn macht van generatie op generatie. 3. En in hem woont de geest van de wijsheid, en de geest die inzicht geeft, en de geest van onderwijs en van kracht, en de geest van wie in gerechtigheid ontslapen zijn. 4. En hij zal de verborgen dingen oordelen, en niemand zal voor zijn aangezicht een leugenachtig woord kunnen spreken. Want hij is de Uitverkorene voor het aangezicht van de Heere van de geesten, zoals Hij het wilde. ## Henoch 50 — Een verandering voor de heiligen 1. En in die dagen zal er een verandering komen voor de heiligen en de uitverkorenen, en het licht van de dagen zal op hen blijven, en heerlijkheid en eer zullen zich naar de heiligen keren. 2. En op de dag van de benauwdheid, waarop het kwaad tegen de zondaars is opgestapeld, zullen de rechtvaardigen overwinnen in de naam van de Heere van de geesten. En Hij zal het de anderen laten zien, zodat zij zich bekeren en het werk van hun handen loslaten. 3. Zij zullen geen eer krijgen voor het aangezicht van de Heere van de geesten, maar door Zijn naam zullen zij gered worden. En de Heere van de geesten zal Zich over hen ontfermen, want Zijn barmhartigheid is groot. 4. En Hij is rechtvaardig in Zijn oordeel, en voor het aangezicht van Zijn heerlijkheid zal het onrecht geen stand houden. In Zijn oordeel zal wie zich voor Zijn aangezicht niet bekeert, verloren gaan. 5. En van nu af zal ik mij niet meer over hen ontfermen, zegt de Heere van de geesten. ## Henoch 51 — De aarde geeft terug wat haar toevertrouwd is 1. En in die dagen zal de aarde teruggeven wat haar toevertrouwd is, en het dodenrijk zal teruggeven wat het gekregen heeft, en het verderf zal teruggeven wat het schuldig is. 2. En hij zal de rechtvaardigen en de heiligen uit hun midden uitkiezen, want de dag is dichtbij gekomen dat zij gered zullen worden. 3. En de Uitverkorene zal in die dagen op zijn troon zitten, en alle geheimen van de wijsheid zullen uit de gedachten van zijn mond komen, want de Heere van de geesten heeft ze hem gegeven en hem eer gegeven. 4. En in die dagen zullen de bergen opspringen als rammen, en de heuvels zullen huppelen als lammeren die zich vol melk gedronken hebben, en zij zullen allemaal tot engelen in de hemel worden. 5. Hun gezicht zal stralen van vreugde, want in die dagen is de Uitverkorene opgestaan. En de aarde zal blij zijn, en de rechtvaardigen zullen erop wonen, en de uitverkorenen zullen erop lopen en er rondgaan. ## Henoch 52 — De zes bergen van metaal 1. En na die dagen, op die plaats waar ik alle visioenen van het verborgene gezien had — want ik was in een wervelwind weggevoerd en zij hadden mij naar het westen gedragen — 2. daar zagen mijn ogen alle verborgen dingen van de hemel die op de aarde zullen gebeuren: een berg van ijzer, een berg van koper, een berg van zilver, een berg van goud, een berg van zacht metaal en een berg van lood. 3. En ik vroeg aan de engel die met mij meeging: Wat zijn deze dingen die ik in het verborgene gezien heb? 4. En hij zei tegen mij: Al deze dingen die je gezien hebt, zullen de heerschappij van Zijn Gezalfde dienen, zodat hij zal gebieden en machtig zal zijn op de aarde. 5. En die engel van de vrede antwoordde mij en zei: Wacht even, en je zult het zien, en alles zal je bekend gemaakt worden wat de Heere van de geesten in het verborgene geplant heeft. 6. En deze bergen die je gezien hebt — de berg van ijzer, de berg van koper, de berg van zilver, de berg van goud, de berg van zacht metaal en de berg van lood — die zullen allemaal voor het aangezicht van de Uitverkorene zijn als was voor het vuur, en als water dat van bovenaf op die bergen neerdaalt, en zij zullen krachteloos worden voor zijn voeten. 7. En het zal in die dagen gebeuren dat niemand gered zal worden, niet door goud en niet door zilver, en niemand zal kunnen ontkomen of vluchten. 8. En er zal geen ijzer zijn voor de oorlog en geen stof voor een borstharnas. Het brons zal niet helpen, en het tin zal niet helpen en niet gewaardeerd worden, en het lood zal niet begeerd worden. 9. Dit alles zal verworpen en vernietigd worden van de aarde, wanneer de Uitverkorene verschijnt voor het aangezicht van de Heere van de geesten. ## Henoch 53 — Het diepe dal dat niet vol wordt 1. En daar zagen mijn ogen een diep dal, en zijn mond stond open. En allen die op de aarde en de zee en de eilanden wonen, zullen hem geschenken en gaven en hulde brengen, maar dat diepe dal zal niet vol worden. 2. En hun handen bedrijven onrecht, en alles waarvoor zij zwoegen verslinden de zondaars in onrecht. Maar de zondaars zullen vernietigd worden van voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en van Zijn aarde zullen zij verdreven worden, en zij zullen niet blijven bestaan tot in alle eeuwigheid. 3. Want ik zag alle engelen van de straf rondgaan en alle werktuigen van Satan klaarmaken. 4. En ik vroeg aan de engel van de vrede die met mij meeging: Voor wie maken zij deze werktuigen klaar? 5. En hij zei tegen mij: Zij maken die klaar voor de koningen en de machtigen van deze aarde, zodat die daardoor vernietigd zullen worden. 6. En daarna zal de Rechtvaardige en Uitverkorene het huis van zijn gemeenschap laten verschijnen. Van nu af zullen zij niet meer tegengehouden worden, in de naam van de Heere van de geesten. 7. En deze bergen zullen voor zijn aangezicht worden als vlak land, en de heuvels zullen worden als een waterbron, en de rechtvaardigen zullen rust hebben van de verdrukking door de zondaars. ## Henoch 54 — Het dal met brandend vuur 1. En ik keek en wendde mij naar een ander deel van de aarde, en ik zag daar een diep dal met brandend vuur. 2. En zij brachten de koningen en de machtigen aan en gooiden hen in dat diepe dal. 3. En daar zagen mijn ogen hun werktuigen: hoe men ijzeren ketenen voor hen maakte, zonder maat. 4. En ik vroeg aan de engel van de vrede die met mij meeging: Voor wie worden deze boeien klaargemaakt? 5. En hij zei tegen mij: Deze worden klaargemaakt voor het leger van Azazel, zodat men hen zal grijpen en hen zal gooien onder alle veroordeling. En met ruwe stenen zullen zij hun kaken bedekken, zoals de Heere van de geesten opgedragen heeft. 6. Michaël en Gabriël, Rafaël en Fanuël, zij zullen hen grijpen op die grote dag, en op die dag zullen zij hen in de brandende oven van vuur gooien, zodat de Heere van de geesten wraak op hen neemt om hun onrecht, omdat zij dienaren van de satan geworden waren en wie op de aarde wonen verleid hebben. 7. En in die dagen zal de straf van de Heere van de geesten uitgaan, en alle schatkamers van de wateren die boven de hemel zijn zullen opengaan, en de bronnen die onder de hemel en onder de aarde zijn. 8. En al de wateren zullen zich verenigen met de wateren die boven de hemel zijn. Het water dat boven de hemel is, is mannelijk, en het water dat onder de aarde is, is vrouwelijk. 9. En allen die op de aarde wonen en die onder de einden van de hemel wonen, zullen vernietigd worden. 10. En daardoor hebben zij hun onrecht erkend dat zij op de aarde bedreven hebben, en daardoor zullen zij te gronde gaan. ## Henoch 55 — Het Hoofd van de dagen zweert 1. En daarna kreeg het Hoofd van de dagen er spijt van en zei: Voor niets heb ik allen vernietigd die op de aarde wonen. 2. En Hij zwoer bij Zijn grote naam dat Hij het van nu af aan niet meer zo zou doen met allen die op de aarde wonen, en dat Hij een teken in de hemel zou zetten. En het zal tussen mij en hen een onderpand van trouw zijn tot in eeuwigheid, zolang de dagen van de hemel boven de aarde duren. 3. En hierna geldt mijn gebod: wanneer ik verlangd heb hen te grijpen door de hand van de engelen op de dag van benauwdheid en verdriet, dan zal om deze reden mijn toorn en mijn straf op hen blijven, mijn toorn en mijn straf, zegt God, de Heere van de geesten. 4. Koningen en machtigen die op de aarde wonen, jullie zullen mijn Uitverkorene zien, hoe hij op de troon van mijn heerlijkheid zit en Azazel oordeelt, en heel zijn gemeenschap en heel zijn leger, in de naam van de Heere van de geesten. ## Henoch 56 — De engelen met de gesels 1. En ik zag daar het leger van de engelen van de straf, terwijl zij verder gingen en gesels van ijzer en koper vasthielden. 2. En ik vroeg aan de engel van de vrede die met mij meeging: Naar wie gaan zij die de gesels vasthouden? 3. En hij zei tegen mij: Ieder naar hun uitverkorenen en hun geliefden, zodat die in de kloof van de diepte van het dal gegooid worden. 4. En dan zal dat dal gevuld worden met hun uitverkorenen en hun geliefden, en de dagen van hun leven zullen ten einde komen, en de dagen van hun verleiding zullen van nu af niet meer geteld worden. 5. En in die dagen zullen de engelen zich verzamelen en zich met hun hoofden naar het oosten werpen, naar het volk van de Parthen en van de Meden. Zij zullen de koningen opstoken, en een geest van onrust zal over hen komen, en zij zullen hen van hun tronen opjagen. En zij zullen uittrekken als leeuwen uit hun holen en als hongerige wolven midden in hun kudde. 6. En zij zullen optrekken en het land van Zijn uitverkorenen vertrappen, en het land van Zijn uitverkorenen zal voor hen een dorsvloer en een gebaande weg worden. 7. Maar de stad van Zijn rechtvaardigen zal een hindernis worden voor hun paarden. En zij zullen onderling strijd beginnen, en hun rechterhand zal sterk zijn tegen henzelf, en niemand zal zijn naaste en zijn broer kennen, en geen zoon zijn vader en zijn moeder, totdat het aantal lijken door hun dood en hun slachting groot wordt, en hun straf zal niet voor niets zijn. 8. En in die dagen zal het dodenrijk zijn mond opendoen, en zij zullen erin verzwolgen worden. En tot hun ondergang zal het dodenrijk de zondaars verzwelgen, weg van het gezicht van de uitverkorenen. ## Henoch 57 — De wagens uit het oosten en het westen 1. En daarna gebeurde het dat ik een ander leger van wagens zag, en mensen die daarop reden. En zij kwamen aan op de wind, uit het oosten en uit het westen, tot aan het midden van de dag. 2. En het geluid van hun wagens werd gehoord. En toen dat rumoer losbrak, merkten de heiligen het vanuit de hemel, en de pilaar van de aarde werd van zijn plaats bewogen, en het werd gehoord van de einden van de aarde tot de einden van de hemel, op één dag. 3. En zij zullen allemaal neervallen en de Heere van de geesten aanbidden. En dit is het einde van de tweede gelijkenis. ## Henoch 58 — De derde gelijkenis 1. En ik begon de derde gelijkenis te spreken, over de rechtvaardigen en over de uitverkorenen. 2. Gelukkig zijn jullie, rechtvaardigen en uitverkorenen, want jullie deel zal schitterend zijn. 3. En de rechtvaardigen zullen in het licht van de zon zijn en de uitverkorenen in het licht van het eeuwige leven. En er komt geen einde aan de dagen van hun leven, en voor de heiligen is er geen getal van dagen. 4. En zij zullen het licht zoeken en gerechtigheid vinden bij de Heere van de geesten. Vrede voor de rechtvaardigen bij de Heere van de eeuwigheid. 5. En daarna zal tegen de heiligen gezegd worden dat zij in de hemel de geheimen van de gerechtigheid zullen zoeken, het deel van het geloof. Want het is opgegaan als de zon boven de aarde, en de duisternis is voorbij. 6. En er zal een licht zijn dat niet te tellen is, en zij zullen geen getal van dagen binnengaan. Want de duisternis is eerst vernietigd, en het licht blijft bestaan voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en het licht van de oprechtheid blijft tot in eeuwigheid bestaan voor het aangezicht van de Heere van de geesten. ## Henoch 59 — De geheimen van de bliksem en de donder 1. En in die dagen zagen mijn ogen de geheimen van de bliksemschichten en van de lichten, en hun oordeel. En zij lichten tot een zegen en tot een vervloeking, zoals de Heere van de geesten het wil. 2. En daar zag ik de geheimen van de donder, en hoe die, wanneer hij daarboven aan de hemel klinkt, met zijn geluid gehoord wordt. En de woningen van de aarde werden mij getoond, en het geluid van de donder, tot vrede en tot zegen, of tot vervloeking, naar het woord van de Heere van de geesten. 3. En daarna werden mij al hun geheimen getoond, van de lichten en van de bliksemschichten. Tot zegen en tot verzadiging lichten zij. ## Henoch 60 — De beving van de hemel en de twee monsters 1. In het jaar vijfhonderd, in de zevende maand, op de veertiende dag van de maand, in het leven van Henoch. In diezelfde gelijkenis zag ik hoe de hemel van de hemelen beefde met een grote beving, en hoe het leger van de Allerhoogste en de engelen, duizenden van duizenden en tienduizend maal tienduizend, in grote onrust kwamen. 2. En toen zag ik het Hoofd van de dagen op de troon van Zijn heerlijkheid zitten, en de engelen en de rechtvaardigen stonden om Hem heen. 3. En een grote huivering greep mij, en angst overviel mij, en mijn heupen begaven het en werden slap, en heel mijn wezen smolt, en ik viel op mijn gezicht. 4. En de heilige Michaël stuurde een andere heilige engel, een uit de heilige engelen, en die zette mij overeind. En toen hij mij overeind gezet had, kwam mijn geest in mij terug, want ik was niet in staat geweest de aanblik van dat leger te verdragen, en hun onrust en het schudden van de hemel. 5. En de heilige Michaël zei tegen mij: Waarom ben je zo ontzet over zo'n visioen? Tot op deze dag heeft de dag van Zijn barmhartigheid geduurd, en Hij is barmhartig en geduldig geweest tegenover wie op de aarde wonen. 6. Maar wanneer de dag komt, en de macht, en de gesel, en het oordeel dat de Heere van de geesten klaargemaakt heeft voor wie zich voor het rechtvaardige oordeel neerbuigen, en voor wie het rechtvaardige oordeel loochenen, en voor wie Zijn naam zomaar gebruiken — die dag ligt klaar: voor de uitverkorenen een verbond, maar voor de zondaars een onderzoek. 7. En op die dag zullen twee monsters gescheiden worden: een vrouwelijk monster, dat Leviathan heet, om te wonen in de diepten van de zee, boven de bronnen van de wateren, 8. en het mannelijke, dat Behemoth heet, dat met zijn borst een woestijn bezet die niemand ziet, en die Dendaïn heet, ten oosten van de tuin waar de uitverkorenen en de rechtvaardigen wonen, waar mijn grootvader werd opgenomen, die de zevende was vanaf Adam, de eerste van de mensen die de Heere van de geesten gemaakt heeft. 9. En ik vroeg die andere engel of hij mij de kracht van die monsters wilde laten zien, hoe zij op één dag gescheiden en weggegooid werden, het ene in de diepten van de zee en het andere op het droge land van de woestijn. 10. En hij zei tegen mij: Mensenkind, hierin zoek je te weten wat verborgen is. 11. En de andere engel die met mij meeging, sprak tot mij en liet mij in het verborgene zien wat het eerste en wat het laatste is: in de hemel in zijn hoogte, en in de aarde in de diepte, en aan de einden van de hemel, en aan het fundament van de hemel, en in de schatkamers van de winden, 12. en hoe de winden verdeeld worden, en hoe zij gewogen worden, en hoe de bronnen en de winden geteld worden naar de kracht van de wind, en de kracht van het licht van de maan, en naar de kracht van de gerechtigheid, en de verdelingen van de sterren naar hun namen, en hoe elke verdeling verdeeld wordt, 13. en de donderslagen naar hun inslagplaatsen, en elke verdeling die verdeeld wordt, zodat het bliksemt met de bliksem, en hun leger, zodat zij snel gehoorzamen. 14. Want de donder heeft rustplaatsen gekregen, terwijl hij geduldig op zijn slag wacht. En donder en bliksem worden niet gescheiden, en zij zijn niet één: door de geest gaan zij samen en worden zij niet verdeeld. 15. Want wanneer de bliksem bliksemt, laat de donder zijn geluid horen, en de geest laat op zijn tijd een pauze vallen en verdeelt gelijk tussen die twee. Want de schatkamer van hun tijden is als het zand, en ieder van hen wordt op zijn tijd met een teugel ingehouden en door de kracht van de geest teruggedraaid, en zo voortgedreven naar de vele streken van de aarde. 16. En de geest van de zee is mannelijk en sterk, en naar de macht van zijn kracht trekt hij haar met een teugel terug, en zo wordt zij voortgedreven en verspreid over alle bergen van de aarde. 17. En de geest van de rijp heeft zijn eigen engel, en de geest van de hagel is een goede engel. 18. En de geest van de sneeuw heeft zijn kamers verlaten om zijn kracht. En daarin zit een bijzondere geest, en wat daaruit opstijgt is als rook, en hij heet Dedek. 19. En de geest van de nevel is niet met hen samen in hun kamers, maar heeft een eigen kamer. Want zijn loop gaat in heerlijkheid en in licht en in duisternis, in de winter en in de zomer, en zijn kamer is licht, en zijn engel. 20. En de geest van de dauw heeft zijn woning aan de einden van de hemel en is verbonden met de kamers van de regen. En zijn loop gaat in de winter en in de zomer, en zijn wolk en de wolk van de nevel zijn samengevoegd, en de een geeft aan de ander. 21. En wanneer de geest van de regen zich vanuit zijn kamer beweegt, komen de engelen en openen zij de kamer en leiden zij hem naar buiten. En wanneer hij verspreid wordt over al het droge land, en wanneer hij zich altijd weer verenigt met het water dat op het droge land is — 22. want de wateren zijn voor wie op het droge land wonen, want zij zijn voedsel voor het droge land van de Allerhoogste die in de hemel is. Daarom is er een maat voor de regen, en de engelen houden die in bewaring. 23. Dit alles zag ik, tot aan de tuin van de rechtvaardigen. 24. En de engel van de vrede die bij mij was, zei tegen mij: Deze twee monsters, klaargemaakt naar de grootheid van God, zullen gevoed worden, zodat de straf van God niet voor niets is. En de kinderen zullen gedood worden met hun moeders, en de zonen met hun vaders. 25. Wanneer de straf van de Heere van de geesten op hen rust, zal zij rusten, zodat de straf van de Heere van de geesten niet voor niets over hen komt. Daarna zal het oordeel gebeuren in Zijn barmhartigheid en in Zijn geduld. ## Henoch 61 — De engelen met de meetkoorden 1. En ik zag in die dagen hoe aan die engelen lange koorden gegeven werden, en zij namen vleugels en vlogen weg, en zij gingen naar het noorden. 2. En ik vroeg aan de engel: Waarom hebben zij die lange koorden genomen en zijn zij weggegaan? En hij zei tegen mij: Zij zijn weggegaan om te meten. 3. En de engel die met mij meeging, zei tegen mij: Zij zullen de maten van de rechtvaardigen en de koorden van de rechtvaardigen brengen, zodat die zullen steunen op de naam van de Heere van de geesten, tot in alle eeuwigheid. 4. De uitverkorenen zullen beginnen, en de uitverkorenen zullen wonen bij de uitverkorenen. En dit zijn de maten die aan het geloof gegeven zullen worden en die het woord van de gerechtigheid sterk maken. 5. En deze maten zullen alle geheimen van de diepte van de aarde bekend maken, en wie door de woestijn vernietigd zijn, en wie verslonden zijn door de vissen van de zee en door de wilde dieren, zodat zij zullen terugkeren en zullen steunen op de dag van de Uitverkorene. Want niemand wordt vernietigd voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en niemand kán vernietigd worden. 6. En allen die daarboven in de hemel zijn, kregen een gebod, en één macht en één stem en één licht als vuur werd hun gegeven. 7. En Hem zegenden zij met hun eerste woord, en zij verhieven en verheerlijkten Hem met wijsheid, en zij waren wijs in het spreken en in de geest van het leven. 8. En de Heere van de geesten zette de Uitverkorene op de troon van Zijn heerlijkheid, en hij zal alle werken van de heiligen daarboven in de hemel oordelen, en op de weegschaal zullen hun daden gewogen worden. 9. En wanneer hij zijn gezicht opheft om hun verborgen wegen te oordelen naar het woord van de naam van de Heere van de geesten, en hun pad naar de weg van het rechtvaardige oordeel van El Eljon, dan zullen zij allemaal met één stem spreken, en de naam van de Heere van de geesten zegenen en verheerlijken en verhogen en prijzen. 10. En Hij zal het hele leger van de hemel bijeenroepen, en alle heiligen daarboven, en het leger van God: de cherubs en de serafs en de ofannim, en alle engelen van de macht, en alle engelen van de heerschappijen, en de Uitverkorene, en de andere machten die op het droge land en boven het water zijn. 11. Op die dag zullen zij één stem verheffen, en zegenen en verheerlijken en prijzen en verhogen in de geest van het geloof, en in de geest van de wijsheid en het geduld, en in de geest van de barmhartigheid, en in de geest van het oordeel en de vrede, en in de geest van de goedheid. En zij zullen allemaal met één stem zeggen: Gezegend is Hij, en gezegend zij de naam van de Heere van de geesten van eeuwigheid tot eeuwigheid. 12. Allen die daarboven in de hemel niet sluimeren, zullen Hem zegenen. Al Zijn heiligen die in de hemel zijn, zullen Hem zegenen, en alle uitverkorenen die in de tuin van het leven wonen, en elke geest van licht die in staat is Uw heilige naam te zegenen en te verheerlijken en te verhogen en te heiligen. En alles wat leeft zal Uw naam bovenmate verheerlijken en zegenen, tot in alle eeuwigheid. 13. Want groot is de barmhartigheid van de Heere van de geesten, en Hij is geduldig. En al Zijn werken en al Zijn macht, alles wat Hij gemaakt heeft, heeft Hij bekend gemaakt aan de rechtvaardigen en aan de uitverkorenen, in de naam van de Heere van de geesten. ## Henoch 62 — De koningen voor de Mensenzoon 1. En zo gaf de Heere bevel aan de koningen en aan de machtigen en aan de verhevenen en aan wie op de aarde wonen, en Hij zei: Doe jullie ogen open en hef jullie horens op, of jullie misschien in staat zijn de Uitverkorene te kennen. 2. En de Heere van de geesten zette hem op de troon van Zijn heerlijkheid, en de geest van de gerechtigheid werd over hem uitgestort. En het woord van zijn mond doodt alle zondaars en alle onrechtvaardigen, en voor zijn aangezicht worden zij vernietigd. 3. En op die dag zullen alle koningen en de machtigen en de verhevenen en wie het droge land in bezit hebben opstaan, en zij zullen hem zien en erkennen hoe hij op de troon van zijn heerlijkheid zit, en dat de rechtvaardigen rechtvaardig voor hem geoordeeld worden en dat er voor hem geen leeg woord gesproken wordt. 4. En pijn zal over hen komen als over een vrouw in barensnood, en het baren zal haar benauwen wanneer haar kind bij de mond van de baarmoeder komt en zij pijn heeft bij het baren. 5. En zij zullen elkaar aankijken en schrikken, en zij zullen hun gezicht neerslaan, en pijn zal hen grijpen wanneer zij die zoon van de vrouw op de troon van zijn heerlijkheid zien zitten. 6. En de koningen, de machtigen en allen die de aarde in bezit hebben, zullen hem verheerlijken en zegenen en verhogen, hem die over alles heerst en die verborgen was. 7. Want vanaf het begin was de Mensenzoon verborgen, en de Allerhoogste bewaarde hem bij Zijn macht en maakte hem bekend aan de uitverkorenen. 8. En de gemeenschap van de heiligen en van de uitverkorenen zal gezaaid worden, en alle uitverkorenen zullen op die dag voor hem staan. 9. En alle koningen, de machtigen en de verhevenen en wie het droge land besturen, zullen voor hem op hun gezicht neervallen en aanbidden, en zij zullen hun hoop op die Mensenzoon stellen en hem smeken en barmhartigheid van hem afsmeken. 10. Toch zal de Heere van de geesten hen zo verdringen dat zij zich haasten om van voor Zijn aangezicht weg te gaan. En hun gezicht zal vol schaamte zijn, en de duisternis zal zich over hun gezicht verdichten. 11. En de engelen van de straf zullen hen in ontvangst nemen om wraak op hen te nemen, omdat zij Zijn kinderen en Zijn uitverkorenen onderdrukt hebben. 12. En zij zullen een schouwspel zijn voor de rechtvaardigen en voor Zijn uitverkorenen. Die zullen zich over hen verheugen, omdat de toorn van de Heere van de geesten op hen rust en het zwaard van de Heere van de geesten dronken is van hen. 13. En de rechtvaardigen en de uitverkorenen zullen op die dag gered worden, en zij zullen van dan af het gezicht van de zondaars en de onrechtvaardigen niet meer zien. 14. En de Heere van de geesten zal bij hen blijven, en met die Mensenzoon zullen zij wonen en eten en gaan liggen en opstaan, tot in alle eeuwigheid. 15. En de rechtvaardigen en de uitverkorenen zullen van de aarde opgestaan zijn en opgehouden zijn hun gezicht neer te slaan, en zij zullen het kleed van het leven aangetrokken hebben. 16. En dit zal het kleed van het leven zijn van de Heere van de geesten. En jullie kleren zullen niet oud worden, en jullie heerlijkheid zal niet vergaan voor het aangezicht van de Heere van de geesten. ## Henoch 63 — De belijdenis van de koningen 1. In die dagen zullen de koningen en de machtigen die het droge land in bezit hebben, de engelen van Zijn straf smeken, aan wie zij overgeleverd waren, of Hij hun een korte rust wil geven, en of zij mogen neervallen en aanbidden voor de Heere van de geesten en hun zonden voor Hem belijden. 2. En zij zullen de Heere van de geesten zegenen en verheerlijken en zeggen: Gezegend is Hij, de Heere van de geesten en de Heere van de koningen, de Heere van de machtigen en de Heere van de rijken, en de Heere van de heerlijkheid en de Heere van de wijsheid. 3. En elk verborgen ding wordt verlicht. En Uw macht gaat van generatie op generatie en Uw heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Diep zijn al Uw geheimen en niet te tellen, en Uw gerechtigheid is niet te berekenen. 4. Nu hebben wij ingezien dat wij de Heere van de koningen horen te verheerlijken en te zegenen, en Hem die over alle koningen regeert. 5. En zij zullen zeggen: Had iemand ons maar rust gegeven, zodat wij Hem zouden verheerlijken en danken en zegenen, en zouden geloven voor Zijn heerlijkheid! 6. En nu verlangen wij naar een korte rust, maar wij vinden die niet. Wij jagen haar na en wij grijpen haar niet. En het licht is van ons weggegaan, en de duisternis is onze woonplaats tot in alle eeuwigheid. 7. Want wij hebben voor Zijn aangezicht niet geloofd, en wij hebben de naam van de Heere van de koningen niet verheerlijkt, en wij hebben de Heere niet verheerlijkt in al Zijn werk. Maar onze hoop was gericht op de scepter van ons koninkrijk en op onze heerlijkheid. 8. En op de dag van ons wegkwijnen en onze benauwdheid redt Hij ons niet, en wij vinden geen rust om te belijden dat onze Heere betrouwbaar is in al Zijn werk en in al Zijn oordeel en Zijn gerechtigheid, en dat Zijn oordeel niemand voortrekt. 9. En wij gaan van Zijn aangezicht weg om onze werken, en al onze zonden worden rechtvaardig opgeteld. 10. Nu zullen zij tegen zichzelf zeggen: Onze ziel is verzadigd van goederen uit onrecht, maar dat houdt ons niet tegen om af te dalen in de vlam van de zwaarte van het dodenrijk. 11. En daarna zal hun gezicht vol duisternis en schaamte zijn voor die Mensenzoon, en zij zullen van voor zijn aangezicht verdreven worden, en het zwaard zal voor zijn aangezicht in hun midden blijven. 12. En zo zei de Heere van de geesten: Dit is de inzetting en het oordeel over de machtigen en de koningen en de verhevenen en over wie het droge land in bezit hebben, voor het aangezicht van de Heere van de geesten. ## Henoch 64 — De engelen die zijn neergedaald 1. En ik zag andere gedaanten, verborgen op die plaats. 2. Ik hoorde de stem van de engel, die zei: Dit zijn de engelen die van de hemel op de aarde zijn neergedaald, die aan de mensenkinderen bekend maakten wat verborgen was en die de mensenkinderen verleidden om te zondigen. ## Henoch 65 — Noach roept zijn overgrootvader Henoch 1. En in die dagen zag Noach dat de aarde was ingezakt en dat haar ondergang dichtbij was. 2. En hij stond op en ging tot aan de einden van de aarde, en hij riep naar zijn overgrootvader Henoch. En Noach zei met bittere stem: Luister naar mij, luister naar mij, luister naar mij — drie keer. 3. En hij zei tegen hem: Vertel mij wat er op de aarde gebeurt, want de aarde zwoegt zo en wordt geschud. Misschien ga ik met haar ten onder. 4. En daarna was er grote onrust op de aarde, en er werd een stem uit de hemel gehoord, en ik viel op mijn gezicht. 5. En Henoch, mijn overgrootvader, kwam en ging bij mij staan en zei tegen mij: Waarom heb je zo bitter naar mij geroepen en gehuild? 6. En er is een gebod uitgegaan van voor het aangezicht van de Heere over wie op het droge wonen, dat hun einde zal komen, omdat zij alle geheimen van de engelen hebben leren kennen, en al het geweld van de satans, en al hun verborgen kracht, en alle kracht van wie toverij bedrijven, en de kracht van de bezweringen, en de kracht van wie gegoten beelden gieten voor de hele aarde, 7. en hoe zilver uit het stof van de aarde gewonnen wordt, en hoe zacht metaal op de aarde ontstaat. 8. Want lood en tin worden niet uit de aarde gewonnen zoals het eerste: er is een bron die ze voortbrengt, en een engel staat daarin, en die engel is uitzonderlijk. 9. En daarna nam mijn overgrootvader Henoch mij bij de hand en zette mij overeind, en hij zei tegen mij: Ga, want ik heb de Heere van de geesten gevraagd naar deze onrust die op de aarde is. 10. En Hij zei tegen mij: Om hun onrecht is hun oordeel voltooid, en het zal voor mijn aangezicht niet tegengehouden worden, om de maanden die zij nagerekend en geleerd hebben. En zij hebben geweten dat de aarde zal vergaan, en zij die op haar wonen. 11. En voor hen is er geen terugkeer in eeuwigheid, omdat zij hun bekend gemaakt hebben wat verborgen was, en zij zijn de veroordeelden. Maar jij niet, mijn zoon: de Heere van de geesten weet dat jij zuiver en goed bent, vrij van deze smaad rond de geheimen. 12. En Hij heeft jouw naam vastgezet te midden van de heiligen, en Hij zal jou bewaren voor wie op het droge wonen. En Hij heeft jouw nageslacht in gerechtigheid vastgezet voor het koningschap en voor grote heerlijkheid. En uit jouw nageslacht zal een bron van rechtvaardigen en heiligen voortkomen, en zij zijn niet te tellen, in eeuwigheid. ## Henoch 66 — De engelen over het water 1. En daarna liet hij mij de engelen van de plaag zien, die klaarstaan om te komen en alle kracht los te laten van het water dat onder de aarde is, zodat het tot oordeel en tot ondergang zou zijn voor allen die op het droge wonen en verblijven. 2. En de Heere van de geesten gaf de engelen die uittrokken het bevel dat zij hun handen zouden opheffen en zouden waken, want die engelen waren aangesteld over de kracht van het water. 3. En ik ging weg van voor het aangezicht van Henoch. ## Henoch 67 — Het houten bouwwerk en het brandende dal 1. En in die dagen kwam het woord van God tot mij, en Hij zei tegen mij: Noach, kijk, jouw lot is voor mij opgekomen, een lot zonder blaam, een lot van liefde en oprechtheid. 2. En nu maken de engelen een houten bouwwerk, en wanneer zij dat werk afgemaakt hebben, zal ik mijn hand daarop leggen en het bewaren. En daaruit zal een zaad van leven voortkomen, en er zal een verandering komen, zodat het droge niet leeg blijft. 3. En ik zal jouw nageslacht voor mij vastzetten tot in alle eeuwigheid. En ik zal wie bij jou wonen over het droge verspreiden, en het zal gezegend worden en talrijk worden op het droge, in de naam van de Heere. 4. En zij zullen die engelen die onrecht bedreven hebben opsluiten in dat dal dat brandt, dat mijn overgrootvader Henoch mij eerder in het westen had laten zien, bij de bergen van goud en zilver en ijzer en zacht metaal en tin. 5. En ik zag dat dal, waarin grote onrust was, en onrust van de wateren. 6. En toen dit alles gebeurde, uit dat gesmolten vuur en door de onrust die hen op die plaats in beweging bracht, kwam er een geur van zwavel vrij, en die werd verbonden met dat water. En dat dal van de engelen die verleid hadden, brandt onder dat land. 7. En door zijn dalen komen stromen van vuur, waar de engelen gestraft worden die hen verleid hebben die op het droge wonen. 8. En die wateren zullen er in die dagen zijn voor de koningen en de machtigen en de verhevenen, en voor wie op het droge wonen, tot genezing van ziel en lichaam, maar tot oordeel van de geest. En hun geest is vol wellust, zodat hun lichaam gestraft zou worden, omdat zij de Heere van de geesten verloochend hebben en hun oordeel dagelijks zien en toch niet in Zijn naam geloven. 9. En naarmate het branden van hun lichaam heviger wordt, zal er in hun geest een verandering zijn tot in alle eeuwigheid. Want voor de Heere van de geesten is er niemand die een leeg woord spreekt. 10. Want het oordeel zal over hen komen, omdat zij geloven in de wellust van hun lichaam en de Geest van de Heere verloochenen. 11. En dezelfde wateren zullen in die dagen veranderen. Want wanneer die engelen in die dagen gestraft worden, verandert de hitte van die waterbronnen, en wanneer de engelen opstijgen, verandert het water van de bronnen en wordt het koud. 12. En ik hoorde de heilige Michaël antwoorden en zeggen: Dit oordeel, waarmee de engelen geoordeeld worden, is een getuigenis voor de koningen en de machtigen en voor wie het droge bezitten. 13. Want deze wateren van het oordeel zijn tot genezing voor hen, maar voor de engelen tot de dood van hun lichaam. En zij zien het niet en geloven niet dat deze wateren zullen veranderen en een vuur zullen worden dat in eeuwigheid brandt. ## Henoch 68 — Michaël en Rafaël over het oordeel 1. En daarna gaf mijn overgrootvader Henoch mij het onderricht over alle geheimen in een boek, en de gelijkenissen die hem gegeven waren, en hij voegde ze voor mij samen in de woorden van het boek van de gelijkenissen. 2. En op die dag antwoordde de heilige Michaël en zei hij tegen Rafaël: De kracht van de geest grijpt mij aan en doet mij beven om de zwaarte van het oordeel over de geheimen, het oordeel over de engelen. Wie is er die het zware oordeel kan verdragen dat voltrokken is en blijft staan, en waarvoor zij wegsmelten? 3. En de heilige Michaël antwoordde opnieuw en zei tegen Rafaël: Wie is er van wie het hart daar niet zacht van wordt, en van wie het binnenste niet ontsteld raakt door dit woord? Het oordeel is over hen uitgegaan om hen die hen zo naar buiten geleid hebben. 4. En het gebeurde, toen hij voor de Heere van de geesten stond, dat de heilige Michaël zo tegen Rafaël zei: Ik zal hun partij niet opnemen voor het oog van de Heere, want de Heere van de geesten is woedend op hen, omdat zij doen alsof zij de Heere waren. 5. Daarom zal het verborgen oordeel over hen komen tot in alle eeuwigheid. Want geen engel en geen mens zal daar zijn deel in krijgen, maar zij alleen hebben hun oordeel ontvangen tot in alle eeuwigheid. ## Henoch 69 — De namen van de engelen en de eed 1. En na dit oordeel zullen zij hen schrik aanjagen en doen huiveren, omdat zij dit hebben laten zien aan wie op de aarde wonen. 2. En kijk, de namen van die engelen, en dit zijn hun namen: de eerste van hen is Semjaza, de tweede Artaqifa, de derde Armen, de vierde Kekabaël, de vijfde Turaël, de zesde Rumjaël, de zevende Danaël, de achtste Nuqaël, de negende Baraqaël, de tiende Azazaël, de elfde Armaros, de twaalfde Batarjaël, de dertiende Basasaël, de veertiende Ananaël, de vijftiende Turjaël, de zestiende Simapesiël, de zeventiende Jetaraël, de achttiende Tumaël, de negentiende Taraël, de twintigste Rumaël, de eenentwintigste Izizeël. 3. En dit zijn de hoofden van hun engelen en hun namen, en de oversten over honderd van hen, en de oversten over vijftig van hen, en de oversten over tien van hen. 4. De eerste heet Jequn. Hij is het die alle zonen van de heilige engelen verleidde en hen op de aarde liet neerdalen en hen verleidde door de dochters van de mensen. 5. En de tweede heette Asbeël. Hij gaf de zonen van de heilige engelen een slechte raad en verleidde hen om hun lichaam te verontreinigen met de dochters van de mensen. 6. En de derde heette Gadreël. Hij is het die aan de mensenkinderen alle slagen van de dood liet zien, en hij verleidde Eva, en hij liet de mensenkinderen de wapens van de dood zien: het pantser en het schild en het zwaard voor de strijd, en alle wapens van de dood, aan de mensenkinderen. 7. En uit zijn hand zijn zij terechtgekomen bij wie op de aarde wonen, van die tijd af en tot in eeuwigheid. 8. En de vierde heette Penemue. Hij liet de mensenkinderen het bittere en het zoete zien, en hij liet hun alle geheimen van hun wijsheid zien. 9. Hij leerde de mensen schrijven met inkt en papier, en daardoor zijn er velen afgedwaald, van eeuwigheid tot eeuwigheid en tot op deze dag. 10. Want de mens werd er niet voor geboren om met pen en inkt zijn geloof te bevestigen. 11. Want de mens werd geschapen net als de engelen, zodat zij rechtvaardig en zuiver zouden blijven, en de dood, die alles verderft, zou hen niet hebben aangeraakt. Maar door deze kennis van hen gaan zij te gronde, en door deze macht verslindt het hen. 12. En de vijfde heette Kasdeja. Hij liet de mensenkinderen alle slechte slagen van de geesten en de demonen zien, en de slagen tegen de vrucht in de moederschoot zodat die zou afgaan, en de slagen tegen de ziel, de beet van de slang, en de slag die in de middaghitte komt, het jong van de slang, dat Tabaët heet. 13. En dit is de taak van Kasbeël, het hoofd van de eed, die hij aan de heiligen liet zien toen de Allerhoogste in heerlijkheid woonde. En zijn naam is Biqa. 14. En hij zei tegen de heilige Michaël dat hij hun de verborgen naam moest laten zien, zodat zij die verborgen naam zouden zien en die in de eed zouden noemen, zodat zij zouden beven voor die naam en die eed, zij die aan de mensenkinderen alles hadden laten zien wat verborgen was. 15. En dit is de kracht van deze eed, want hij is machtig en sterk. En hij legde deze eed, Akaë, in de hand van de heilige Michaël. 16. En dit zijn de geheimen van deze eed, en zij zijn sterk door zijn eed. En de hemel werd opgehangen voordat de wereld geschapen werd, en tot in eeuwigheid. 17. En daardoor werd de aarde op de wateren gegrond, en uit de verborgen plaatsen van de bergen komt heerlijk, levend water, van de schepping van de wereld af en tot in eeuwigheid. 18. En door die eed werd de zee geschapen, en als haar grondslag heeft Hij haar het zand gegeven tegen de tijd van de toorn, en zij gaat daar niet overheen, van de schepping van de wereld af en tot in eeuwigheid. 19. En door die eed staan de diepten vast, en zij blijven staan en wijken niet van hun plaats, van eeuwigheid tot in eeuwigheid. 20. En door die eed volbrengen de zon en de maan hun loop en wijken zij niet af van hun inzetting, van eeuwigheid tot in eeuwigheid. 21. En door die eed volbrengen de sterren hun loop, en Hij roept hun namen en zij antwoorden Hem, van eeuwigheid tot in eeuwigheid. 22. En zo ook voor het water: de geesten van de winden en van alle geesten, en hun banen uit alle gewesten van de winden. 23. En daar worden de schatkamers bewaard van de stem van de donder en de glans van de bliksem, en daar worden de schatkamers bewaard van de hagel en de rijp, en de schatkamers van de nevel, en de schatkamers van de regen en de dauw. 24. En zij allen geloven en danken voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en zij verheerlijken Hem met al hun kracht, en hun voedsel is in alle dankzegging. En zij danken en verheerlijken en verhogen de naam van de Heere van de geesten tot in alle eeuwigheid. 25. En over hen is deze eed sterk, en zij worden daardoor bewaard, en hun banen worden bewaard, en hun loop raakt niet bedorven. 26. En er was grote blijdschap onder hen, en zij zegenden en verheerlijkten en verhoogden, omdat de naam van die Mensenzoon aan hen bekend gemaakt was. 27. En hij ging op de troon van zijn heerlijkheid zitten, en de hele macht van het oordeel werd aan hem, de Mensenzoon, gegeven. En hij laat de zondaars verdwijnen en vernietigt hen van de aarde, en ook hen die de wereld verleid hebben. 28. Met ketenen zullen zij gebonden worden, en in hun verzamelplaats van het verderf zullen zij opgesloten worden, en al hun werken zullen van de aarde verdwijnen. 29. En van nu af zal er niets meer zijn dat bederft, want die Mensenzoon is verschenen en heeft zich op de troon van zijn heerlijkheid gezet, en alle boosheid zal van voor zijn aangezicht verdwijnen en weggaan. En het woord van die Mensenzoon zal sterk zijn voor het aangezicht van de Heere van de geesten. 30. Dit is de derde gelijkenis van Henoch. ## Henoch 70 — Henoch wordt opgenomen 1. En daarna gebeurde het dat zijn naam, terwijl hij nog leefde, werd opgeheven naar die Mensenzoon en naar de Heere van de geesten, weg uit het midden van wie op de aarde wonen. 2. En hij werd opgeheven op de wagens van de geest, en zijn naam verdween uit hun midden. 3. En van die dag af werd ik niet meer in hun midden getrokken. En Hij zette mij tussen twee winden, tussen het noorden en het westen, waar de engelen de meetsnoeren namen om voor mij de plaats af te meten voor de uitverkorenen en de rechtvaardigen. 4. En daar zag ik de eerste vaderen en de rechtvaardigen, die van oudsher op die plaats wonen. ## Henoch 71 — Opgenomen in de hemel van de hemelen 1. En daarna gebeurde het dat mijn geest werd opgenomen en naar de hemel opsteeg. En ik zag de zonen van de engelen, hoe zij op vlammen van vuur liepen. En hun kleren waren wit, en ook hun gewaden, en de glans van hun gezicht was als sneeuw. 2. En ik zag twee stromen van vuur, en de glans van dat vuur straalde als hyacint. En ik viel op mijn gezicht voor de Heere van de geesten. 3. En de engel Michaël, een van de hoofden van de engelen, greep mij bij mijn rechterhand en zette mij overeind en leidde mij naar alle geheimen van de barmhartigheid en de geheimen van de gerechtigheid. 4. En hij liet mij alle geheimen zien van de einden van de hemel, en alle schatkamers van de sterren en van de lichten, waar zij vandaan uitgaan voor het aangezicht van de heiligen. 5. En de geest voerde Henoch weg naar de hemel van de hemelen. En ik zag daar, midden in dat licht, iets dat gebouwd was uit stenen van kristal, en midden tussen die stenen tongen van levend vuur. 6. En mijn geest zag een gordel die dat huis van vuur omgordde. Aan zijn vier zijden waren de stromen, vol levend vuur, en zij omgordden dat huis. 7. En rondom waren serafs en cherubs en ofannim. Zij zijn het die niet slapen en die de troon van Zijn heerlijkheid bewaken. 8. En ik zag engelen die niet te tellen waren, duizend maal duizenden en tienduizend maal tienduizenden, die dat huis omringden. En Michaël en Rafaël en Gabriël en Fanuël, en de heilige engelen die boven de hemel zijn, gingen dat huis in en uit. 9. En uit dat huis kwamen Michaël en Gabriël, Rafaël en Fanuël, en veel heilige engelen zonder getal. 10. En met hen het Hoofd van de dagen, en Zijn hoofd was wit en zuiver als wol, en Zijn kleed is niet te beschrijven. 11. En ik viel op mijn gezicht, en mijn hele lichaam smolt en mijn geest werd veranderd. En ik riep met luide stem, in de geest van de kracht, en ik zegende en verheerlijkte en verhoogde. 12. En deze zegeningen die uit mijn mond kwamen, waren welkom voor het aangezicht van dat Hoofd van de dagen. 13. En dat Hoofd van de dagen kwam met Michaël en Gabriël, Rafaël en Fanuël, met duizenden en tienduizend maal tienduizenden engelen zonder getal. 14. En die engel kwam naar mij toe en groette mij met zijn stem en zei tegen mij: Jij bent de Mensenzoon, die tot gerechtigheid geboren bent, en de gerechtigheid woont op jou, en de gerechtigheid van het Hoofd van de dagen verlaat jou niet. 15. En hij zei tegen mij: Hij kondigt jou vrede aan in de naam van de wereld die komen zal. Want vandaar is de vrede uitgegaan sinds de schepping van de wereld, en zo zal het jou vergaan tot in eeuwigheid en in alle eeuwigheid. 16. En allen die er zullen zijn en die jouw weg gaan, terwijl de gerechtigheid jou nooit verlaat: bij jou zal hun woning zijn en bij jou hun deel, en van jou zullen zij niet gescheiden worden tot in eeuwigheid en in alle eeuwigheid. 17. En zo zal er een lang leven zijn met die Mensenzoon, en er zal vrede zijn voor de rechtvaardigen en een rechte weg voor de rechtvaardigen, in de naam van de Heere van de geesten, tot in alle eeuwigheid. ## Henoch 72 — Het boek van de loop van de lichten 1. Het boek van de loop van de lichten aan de hemel: hoe elk licht zich verhoudt naar zijn soort, wat zij besturen en wat hun tijden zijn, met hun namen en de plaatsen waar zij vandaan komen, en met hun maanden. Uriël liet mij dat zien, de heilige engel die bij mij was en die hun leider is. En hij liet mij al hun wetten zien, precies zoals zij zijn, en hoe het gaat met alle jaren van de wereld en tot in eeuwigheid, totdat de nieuwe schepping klaar is, die tot in eeuwigheid duurt. 2. En dit is de eerste regel van de lichten: de zon, het licht, komt op in de poorten van de hemel die naar het oosten liggen, en zij gaat onder in de poorten van de hemel die naar het westen liggen. 3. En ik zag zes poorten waaruit de zon opkomt en zes poorten waar de zon ondergaat, en de maan komt op en gaat onder in diezelfde poorten. En ook de leiders van de sterren met wie zij leiden: zes in het oosten en zes in het westen, en zij volgen elkaar allemaal precies op. En er zijn ook veel vensters aan de rechter- en de linkerkant van die poorten. 4. En als eerste gaat het grote licht uit, dat de Zon heet, en zijn schijf is als de kring van de hemel, en hij is helemaal gevuld met licht en brandend vuur. 5. De wagen waarop hij opstijgt, wordt door de wind voortgedreven. En de zon gaat onder aan de hemel en keert langs het noorden terug om naar het oosten te gaan, en zo wordt hij geleid dat hij die poort binnengaat en over het gezicht van de hemel schijnt. 6. Zo komt hij in de eerste maand op in de grote poort, en hij komt naar buiten door de poort die de vierde is van die poorten aan de oostkant van de zon. 7. En in die vierde poort, waaruit de zon in de eerste maand opkomt, zitten twaalf vensteropeningen, waaruit een vlam komt wanneer zij op hun tijd geopend worden. 8. Wanneer de zon opkomt aan de hemel, komt hij dertig ochtenden lang naar buiten door die vierde poort, en hij gaat recht onder in de vierde poort in het westen van de hemel. 9. En in die dagen wordt de dag langer, dag na dag, en de nacht wordt korter, nacht na nacht, tot de dertigste ochtend. 10. En op die dag wordt de dag langer dan de nacht, en de dag wordt precies tien delen en de nacht acht delen. 11. En de zon gaat uit die vierde poort naar buiten en gaat onder in de vierde, en hij keert terug naar de vijfde poort in het oosten, dertig ochtenden lang, en hij komt daaruit op en gaat onder in de vijfde poort. 12. Dan wordt de dag langer en wordt hij elf delen, en de nacht wordt korter en wordt zeven delen. 13. En de zon keert terug naar het oosten en gaat de zesde poort binnen, en hij komt op en gaat onder in de zesde poort, eenendertig ochtenden lang, vanwege zijn teken. 14. En op die dag wordt de dag langer dan de nacht, en de dag wordt twee keer zo lang als de nacht, en de dag wordt twaalf delen en de nacht wordt korter en wordt zes delen. 15. En de zon komt zo op dat de dag korter wordt en de nacht langer. En de zon keert terug naar het oosten en gaat de zesde poort binnen, en komt daaruit op en gaat onder, dertig ochtenden lang. 16. En wanneer die dertig ochtenden voorbij zijn, wordt de dag precies één deel korter, en de dag wordt elf delen en de nacht zeven delen. 17. En de zon gaat in het westen uit die zesde poort naar buiten, en gaat naar het oosten en komt op in de vijfde poort, dertig ochtenden lang, en gaat in het westen weer onder in de vijfde poort. 18. Op die dag wordt de dag twee delen korter, en de dag wordt tien delen en de nacht acht delen. 19. En de zon gaat uit die vijfde poort naar buiten en gaat in het westen onder in de vijfde poort, en hij komt op in de vierde poort, eenendertig ochtenden lang, vanwege zijn teken, en hij gaat onder in het westen. 20. Op die dag wordt de dag gelijk aan de nacht: zij worden gelijk, en de nacht wordt negen delen en de dag negen delen. 21. En de zon gaat uit die poort naar buiten en gaat onder in het westen, en hij keert terug naar het oosten en komt op in de derde poort, dertig ochtenden lang, en gaat in het westen onder in de derde poort. 22. En op die dag wordt de nacht langer dan de dag, nacht na nacht tot de dertigste ochtend, en de dag wordt korter, dag na dag tot de dertigste dag, en de nacht wordt precies tien delen en de dag acht delen. 23. En de zon gaat uit die derde poort naar buiten en gaat in het westen onder in de derde poort, en hij keert terug naar het oosten en komt dertig ochtenden lang op in de tweede poort in het oosten, en gaat net zo onder in de tweede poort in het westen van de hemel. 24. En op die dag wordt de nacht elf delen en de dag zeven delen. 25. En de zon gaat op die dag uit die tweede poort naar buiten en gaat in het westen onder in de tweede poort, en hij keert terug naar het oosten in de eerste poort, eenendertig ochtenden lang, en gaat in het westen onder in de eerste poort. 26. En op die dag wordt de nacht langer en twee keer zo lang als de dag, en de nacht wordt precies twaalf delen en de dag zeven delen. 27. En de zon heeft zijn afdelingen afgelegd en gaat opnieuw over die afdelingen, en hij gaat die poort binnen, dertig ochtenden lang, en in het westen, er recht tegenover, gaat hij onder. 28. En op die dag wordt de nacht één deel korter, en dat is één deel, en de nacht wordt elf delen en de dag zeven delen. 29. En de zon keerde terug en ging de tweede poort in het oosten binnen, en hij keert terug over die afdelingen van hem, dertig ochtenden lang, terwijl hij opkomt en ondergaat. 30. En op die dag wordt de nacht korter, en de nacht wordt tien delen en de dag acht delen. 31. En op die dag gaat de zon uit die tweede poort naar buiten en gaat onder in het westen, en hij keert terug naar het oosten en komt op in de derde poort, eenendertig ochtenden lang, en gaat onder in het westen van de hemel. 32. En op die dag wordt de nacht korter en wordt hij negen delen, en de dag wordt negen delen, en de nacht wordt gelijk aan de dag. En het jaar telt precies driehonderdvierenzestig dagen. 33. En de lengte van de dag en van de nacht, en het korter worden van de dag en van de nacht, worden bepaald door de loop van de zon. 34. Door hem wordt zijn loop langer van dag tot dag en korter van nacht tot nacht. 35. En dit is de regel en de loop van de zon, en zijn terugkeer, wanneer hij zestig keer terugkeert en opkomt: hij, het grote licht dat de Zon heet, tot in alle eeuwigheid. 36. En dit is het grote licht dat uitgaat, dat naar zijn aanzien genoemd wordt, zoals de Heere het opgedragen heeft. 37. En zo komt hij op en gaat hij onder, en hij neemt niet af en hij rust niet, maar hij loopt dag en nacht in de wagen. En zijn licht is zeven keer helderder dan dat van de maan, maar in grootte zijn zij allebei gelijk. ## Henoch 73 — De regel voor de maan 1. En na deze regel zag ik een andere regel, voor het kleine licht, dat de Maan heet. 2. En haar schijf is als de kring van de hemel, en haar wagen waarop zij rijdt wordt door de wind voortgedreven, en het licht wordt haar met maat gegeven. 3. En elke maand veranderen haar opkomst en haar ondergang, en haar dagen zijn als de dagen van de zon. En wanneer haar licht gelijkmatig is, is haar licht een zevende deel van het licht van de zon. En zo komt zij op. 4. En haar eerste schijnsel, dat naar het oosten wijst, komt op de dertigste ochtend tevoorschijn. En op die dag wordt zij zichtbaar, en zij is voor jullie het begin van de maand op de dertigste ochtend, samen met de zon in de poort waaruit de zon naar buiten komt. 5. En de ene helft van haar komt naar buiten met een zevende deel, en haar hele schijf is leeg, zonder licht, behalve een zevende deel daarvan, van de veertien delen van haar licht. 6. En op de dag dat zij een zevende deel en de helft van haar licht krijgt, wordt haar licht een zevende deel en de helft daarvan. 7. En haar helft gaat onder met de zon. En wanneer de zon opkomt, komt de maan met hem op en krijgt zij de helft van één deel licht. En in die nacht, aan het begin van haar ochtend, vóór haar dag, gaat de maan met de zon onder en is zij die nacht donker, met de veertien delen en de helft van één daarvan. 8. En zij komt op die dag op met precies een zevende deel, en zij komt naar buiten en wijkt weg van de opkomst van de zon, en zij schijnt de rest van haar dag met de veertien delen. ## Henoch 74 — De loop van de maan door de maanden 1. En ik zag nog een andere loop en een regel voor haar, waarmee zij volgens die regel haar loop door de maanden aflegt. 2. En Uriël liet mij dit alles zien, de heilige engel die hun leider is over hen allemaal, en hun standplaatsen. En ik schreef het op zoals hij het mij liet zien, en ik schreef hun maanden op zoals zij waren, en hoe hun licht verschijnt, totdat er vijftien dagen voorbij waren. 3. In een aantal zevende delen maakt zij al haar licht vol in het oosten, en in een aantal zevende delen maakt zij al haar duisternis vol in het westen. 4. En in sommige maanden verandert zij haar ondergangen, en in sommige maanden gaat zij haar eigen weg alleen. 5. En in twee maanden gaat zij met de zon onder, in die twee poorten die in het midden liggen, in de derde en in de vierde poort. 6. Zij gaat zeven dagen naar buiten en keert om en komt weer terug door de poort waaruit de zon opkomt. En daarin maakt zij al haar licht vol, en zij wijkt van de zon, en zij gaat na acht dagen de zesde poort binnen waaruit de zon naar buiten komt. 7. En wanneer de zon uit de vierde poort naar buiten komt, gaat zij zeven dagen naar buiten, totdat zij uit de vijfde naar buiten komt. En zij keert in zeven dagen terug in de vierde poort, en zij maakt al haar licht vol, en zij wijkt en gaat in acht dagen de eerste poort binnen. 8. En zij keert in zeven dagen terug in de vierde poort, waaruit de zon naar buiten komt. 9. Zo zag ik hun standplaats: hoe de zon opkomt en ondergaat naar de orde van hun maanden. 10. En in die dagen, wanneer er vijf jaren bij elkaar genomen worden, komen er voor de zon dertig dagen bij. En alle dagen die haar toevallen voor één jaar uit die vijf jaren, worden, wanneer zij vol zijn, driehonderdvierenzestig dagen. 11. En wat er voor de zon en voor de sterren bijkomt, is zes dagen: in vijf jaren, zes voor elk, komen er dertig dagen bij. En de maan blijft dertig dagen achter bij de zon en bij de sterren. 12. En de maan brengt de jaren precies binnen, allemaal, zodat hun standplaats in eeuwigheid niet te vroeg en niet te laat komt, geen dag zelfs, maar zij wisselen het jaar rechtvaardig af, precies met driehonderdvierenzestig dagen elk. 13. Voor drie jaar zijn haar dagen duizendtweeënnegentig, en voor vijf jaar achttienhonderdtwintig dagen, zodat het voor acht jaar tweeduizendnegenhonderdtwaalf dagen zijn. 14. Voor de maan alleen komen haar dagen voor drie jaar op duizendtweeënzestig dagen, en voor vijf jaar blijft zij vijftig dagen achter, want bij haar uitgaan komen er bij de zeventienhonderdzeventig nog tweeënzestig dagen bij. 15. En voor vijf jaar zijn er zeventienhonderdzeventig dagen, zodat de dagen voor de maan in acht jaar tweeduizendachthonderdtweeëndertig dagen zijn. 16. Want het tekort voor acht jaar is tachtig dagen, en alle dagen die zij in acht jaar achterblijft, zijn er tachtig. 17. En het jaar wordt precies vol naar hun wereldstandplaatsen en de standplaatsen van de zon, die opkomen uit de poorten waaruit zij opkomt en ondergaat, dertig dagen. ## Henoch 75 — De vier dagen die niet meetellen 1. En de leiders van de hoofden van de duizenden, die over de hele schepping en over alle sterren aangesteld zijn, hebben ook te maken met de vier dagen die worden toegevoegd en die niet van hun standplaats te scheiden zijn, volgens de hele berekening van het jaar. En zij doen dienst op de vier dagen die niet in de berekening van het jaar meegeteld worden. 2. En daardoor dwalen de mensen wat hen betreft, want die lichten doen werkelijk dienst op de wereldstandplaatsen: een in de eerste poort, een in de derde poort, een in de vierde poort en een in de zesde poort. En de nauwkeurigheid van de wereld wordt vol in haar driehonderdvierenzestig wereldstandplaatsen. 3. Want voor de tekenen en de tijden en de jaren en de dagen liet Uriël het mij zien, de engel die de Heere van de heerlijkheid, die eeuwig is, aangesteld heeft over alle lichten van de hemel, in de hemel en in de wereld, zodat zij zouden heersen over het gezicht van de hemel en op de aarde gezien zouden worden, en leiders zouden zijn voor de dag en voor de nacht: de zon en de maan en de sterren, en heel de dienende menigte die hun ronde maakt in alle wagens van de hemel. 4. Zo liet Uriël mij twaalf geopende poorten zien in de kring van de wagen van de zon aan de hemel, waaruit de stralen van de zon naar buiten komen en waaruit de warmte over de aarde uitgaat wanneer zij op de vastgestelde tijden geopend worden, 5. en voor de winden en voor de geest van de dauw, wanneer zij op hun tijden geopend worden, terwijl zij open staan in de hemel, aan de einden. 6. Twaalf poorten zag ik in de hemel, aan de einden van de aarde, waaruit de zon en de maan en de sterren en alle werken van de hemel naar buiten komen, uit het oosten en uit het westen. 7. En er zijn veel geopende vensters aan hun linkerhand en aan hun rechterhand. En één venster brengt op zijn tijd warmte voort, volgens die poorten waaruit de sterren naar buiten komen, zoals Hij het hun opgedragen heeft, en waarin zij ondergaan naar hun getal. 8. En ik zag wagens aan de hemel, die door de wereld snelden, boven die poorten en onder die poorten, waarin de sterren draaien die niet ondergaan. 9. En één is groter dan zij allemaal, en die maakt zijn ronde door de hele wereld. ## Henoch 76 — De twaalf poorten van de winden 1. En aan de einden van de aarde zag ik twaalf geopende poorten voor alle winden, waaruit de winden naar buiten komen en over de aarde waaien. 2. Drie ervan staan open aan de voorkant van de hemel, en drie in het westen, en drie aan de rechterhand van de hemel, en drie aan de linkerhand. 3. En de eerste drie zijn die naar het oosten, en drie naar het noorden, en drie daarachter, die aan de linkerhand naar het zuiden liggen, en drie in het westen. 4. Door vier ervan komen winden van zegen en vrede naar buiten, en uit die acht komen winden van plaag naar buiten. Wanneer zij uitgestuurd worden, richten zij de hele aarde te gronde, en het water dat daarop is, en allen die daarop wonen, en alles wat er in het water en op het droge is. 5. En de eerste wind komt uit die poorten naar buiten, de oostenwind, door de eerste poort die naar het oosten ligt en naar het zuiden neigt. Daaruit komen verwoesting, droogte, hitte en verderf naar buiten. 6. En door de tweede, de middelste poort, komt naar buiten wat recht is, en daaruit komen regen en vrucht en vrede en dauw. En door de derde poort, die naar het noorden ligt, komen kou en droogte naar buiten. 7. En daarna komen de zuidenwinden naar buiten door drie poorten. Door de eerste daarvan, die naar het oosten neigt, komt een hete wind naar buiten. 8. En door de poort die daarnaast ligt, de middelste, komt een goede geur naar buiten, en dauw en regen en vrede en leven. 9. En door de derde poort, die naar het westen ligt, komen dauw en regen en sprinkhanen en verwoesting naar buiten. 10. En daarna de winden naar het noorden, die de zeewind heten, uit de zevende poort, die naar het oosten ligt en naar het zuiden neigt. Daaruit komen dauw en regen, sprinkhanen en verwoesting naar buiten. 11. En uit de middelste poort, de rechte, komen regen en dauw en leven en vrede naar buiten. En door de derde poort, die naar het westen ligt en naar het noorden neigt, komen wolk en rijp en sneeuw en regen en dauw en sprinkhanen naar buiten. 12. En daarna zijn er de vier westenwinden. Door de eerste poort, die naar het noorden neigt, komen dauw en regen en rijp en kou en sneeuw en vorst naar buiten. 13. En uit de middelste poort komen dauw en regen, vrede en zegen naar buiten. En door de laatste poort, die naar het zuiden ligt, komen droogte en verwoesting, brand en verderf naar buiten. 14. En daarmee zijn de twaalf poorten van de vier windstreken van de hemel compleet. En al hun voorschriften en al hun plagen en hun weldaden heb ik jou laten zien, mijn zoon Metuselach. ## Henoch 77 — De vier windstreken, de bergen en de rivieren 1. De eerste windstreek heet het oosten, omdat zij de eerste is. En de tweede heet het zuiden, omdat de Allerhoogste daar neerdaalt, ja, daar daalt Hij bovenmate neer die gezegend is in eeuwigheid. 2. En de windstreek van het westen heet de verminderde, omdat daar alle lichten van de hemel afnemen en neerdalen. 3. En de vierde windstreek, die het noorden heet, wordt in drie delen verdeeld: het eerste deel is een woonplaats voor de mensen, het tweede is voor de zeeën van de wateren en voor de afgronden en voor het woud en voor de rivieren en voor de duisternis en voor de nevel, en het derde deel bevat de tuin van de gerechtigheid. 4. Zeven hoge bergen zag ik, hoger dan alle bergen op de aarde, en daaruit komt de rijp. En dagen gaan voorbij, en tijden en jaren gaan heen. 5. Zeven rivieren op de aarde zag ik, groter dan alle rivieren. Een daarvan komt uit het westen en stort haar water uit in de grote zee. 6. En twee komen uit het noorden naar de zee en storten hun water uit in de Rode Zee in het oosten. 7. En de vier die overblijven, gaan aan de noordkant naar hun eigen zee, de Rode Zee, en twee in de grote zee, en zij worden daar uitgestort — en men zegt: in de woestijn. 8. Zeven grote eilanden zag ik, in de zee en op het vasteland: twee op het vasteland en vijf in de grote zee. ## Henoch 78 — De namen van zon en maan 1. De namen van de zon zijn deze: de eerste Orjares en de tweede Tomas. 2. En de maan heeft vier namen: de eerste naam is Asonja, de tweede Ebla, de derde Benase en de vierde Erae. 3. Dit zijn de twee grote lichten. Hun schijf is als de kring van de hemel, en zij zijn allebei even groot. 4. In de schijf van de zon zitten zeven delen licht, die aan haar toegevoegd worden, meer dan aan de maan, en het wordt met maat overgebracht, totdat het zevende deel van de zon over is. 5. En zij gaan onder en gaan naar binnen door de poorten van het westen, en zij maken hun ronde langs het noorden, en door de poorten van het oosten komen zij naar buiten over het gezicht van de hemel. 6. En wanneer de maan opkomt, verschijnt zij aan de hemel, en de helft van een zevende deel licht zit in haar. En op de veertiende dag maakt zij al haar licht vol. 7. En er worden vijftien delen licht aan haar toegevoegd, totdat op de vijftiende dag haar licht vol is naar het teken van het jaar. En zij wordt vijftien delen, en de maan wast met de helft van een zevende deel. 8. En bij het afnemen mindert haar licht op de eerste dag tot veertien delen, op de tweede tot dertien delen, op de derde tot twaalf delen, op de vierde tot elf delen, op de vijfde tot tien delen, op de zesde tot negen delen, op de zevende tot acht delen, op de achtste tot zeven delen, op de negende tot zes delen, op de tiende tot vijf delen, op de elfde tot vier delen, op de twaalfde tot drie delen, op de dertiende tot twee, en op de veertiende tot de helft van een zevende deel. En op de vijftiende dag is al haar licht op, alles wat er nog over was. 9. En in sommige maanden telt de maand negenentwintig dagen en soms achtentwintig. 10. En Uriël liet mij nog een andere regel zien: wanneer het licht in de maan gelegd wordt, en van welke kant het uit de zon gelegd wordt. 11. Al de tijd dat de maan met haar licht verdergaat, legt zij het in, tegenover de zon, totdat in veertien dagen haar licht vol is aan de hemel. En wanneer zij helemaal gloeit, is al haar licht vol aan de hemel. 12. En de eerste dag heet nieuwe maan, omdat op die dag het licht over haar opgaat. 13. En zij wordt precies vol op de dag dat de zon in het westen neerdaalt, en uit het oosten komt zij op in de nacht. En de maan geeft de hele nacht licht, totdat de zon voor haar aangezicht opkomt en de maan tegenover de zon gezien wordt. 14. Aan de kant waar het licht van de maan vandaan komt, neemt zij ook weer af, totdat al haar licht op is en de dagen van de maan voorbij zijn en haar schijf leeg blijft, zonder licht. 15. En drie maanden maakt zij op haar tijd van dertig dagen elk, en drie maanden maakt zij van negenentwintig dagen elk, waarin zij haar afname maakt, in de eerste tijd en in de eerste poort, in honderdzevenenzeventig dagen. 16. En in de tijd van haar uitgaan verschijnt zij drie maanden met dertig dagen elk, en drie maanden verschijnt zij met negenentwintig dagen elk. 17. 's Nachts verschijnt zij twintig keer per maand als een man, en overdag als de hemel, want er is niets anders aan haar dan haar licht. ## Henoch 79 — Alles is je getoond, Metuselach 1. En nu, mijn zoon Metuselach, heb ik je alles laten zien, en de hele ordening van de sterren van de hemel is compleet. 2. En hij liet mij hun hele ordening zien, voor elke dag en in elke tijd en onder elke heerschappij en in elk jaar, en bij zijn uitgang en volgens zijn voorschrift, in elke maand en in alle weken, 3. en de afname van de maan, die in de zesde poort gebeurt. Want in die zesde poort wordt haar licht vol, en daaruit ontstaat het begin van de maand. 4. En de afname die in de eerste poort gebeurt op haar tijd, totdat honderdzevenenzeventig dagen voorbij zijn; en naar de ordening van de weken: vijfentwintig weken en twee dagen. 5. En zij blijft ten opzichte van de zon en de ordening van de sterren precies vijf dagen achter in de loop van één tijdvak, en wanneer die plaats die jij ziet, doorlopen is. 6. Zo is het beeld en de gelijkenis van elk lichtend hemellichaam, dat Uriël, de grote engel, mij laten zien heeft, die hun leider is. ## Henoch 80 — In de dagen van de zondaars 1. En in die dagen antwoordde Uriël mij en zei tegen mij: Kijk, ik heb je alles laten zien, Henoch, en alles heb ik je bekend gemaakt, zodat je deze zon en deze maan zou zien, en hen die de sterren van de hemel leiden, en allen die hen laten draaien, hun werk en hun tijden en hun uitgangen. 2. En in de dagen van de zondaars zullen de jaren korter worden, en hun zaad zal te laat komen op hun landen en op hun akkers, en al het gewas op de aarde zal veranderen en niet op zijn tijd verschijnen. En de regen zal tegengehouden worden en de hemel zal hem inhouden. 3. En in die tijden zal de vrucht van de aarde te laat komen en niet op haar tijd opkomen, en de vrucht van de boom zal op haar tijd tegengehouden worden. 4. En de maan zal haar ordening veranderen en niet op haar tijd verschijnen. 5. En in die dagen zal de hemel te zien zijn, en droogte zal komen aan de rand van de grote wagen in het westen, en hij zal veel feller schijnen dan de ordening van het licht toestaat. 6. En veel hoofden van de sterren die bij de inzetting horen, zullen dwalen, en zij zullen hun banen en hun werk veranderen en niet verschijnen op de tijden die hun opgedragen zijn. 7. En de hele ordening van de sterren zal voor de zondaars gesloten zijn, en de gedachten van wie op de aarde wonen zullen daarover dwalen, en zij zullen van al hun wegen afwijken, en zij zullen dwalen en hen voor goden houden. 8. En het kwaad zal over hen toenemen, en de plaag zal over hen komen om hen allemaal te verderven. ## Henoch 81 — Het boek van het hemelgewelf 1. En hij zei tegen mij: Henoch, kijk naar het boek van het hemelgewelf, en lees wat daarop geschreven staat, en begrijp alles, stuk voor stuk. 2. En ik keek naar alles van het hemelgewelf, en ik las alles wat er geschreven stond, en ik begreep alles. En ik las het boek en alles wat daarin geschreven stond: alle daden van de mensen en van alle kinderen van vlees en bloed die op de aarde zijn, tot aan de generaties van de wereld toe. 3. En daarna, op dat uur, zegende ik de Heere, de Koning van de heerlijkheid die eeuwig is, omdat Hij alle werken van de wereld gemaakt heeft. En ik prees de Heere om Zijn geduld, en ik zegende Hem om de kinderen van de wereld. 4. En toen zei ik: Gelukkig is de man die sterft terwijl hij rechtvaardig en goed is, over wie geen boek van onrecht geschreven is en tegen wie geen schuld gevonden wordt. 5. En die drie heiligen brachten mij dichterbij en zetten mij op de aarde neer voor de deur van mijn huis, en zij zeiden tegen mij: Vertel alles aan Metuselach, je zoon, en laat al je kinderen zien dat niemand van vlees en bloed rechtvaardig is voor het aangezicht van de Heere, want Hij heeft hen geschapen. 6. Eén jaar zullen wij je bij je kinderen laten, totdat je opnieuw je geboden geeft, zodat je je kinderen zou onderwijzen en voor hen zou opschrijven en aan al je kinderen zou getuigen. En in het tweede jaar zullen zij je uit hun midden wegnemen. 7. Laat je hart sterk zijn, want de goeden verkondigen de gerechtigheid aan de goeden. De rechtvaardige zal zich met de rechtvaardige verheugen, en zij zullen elkaar groeten. 8. Maar wie zondigt, zal met wie zondigt sterven, en de afvallige zal met de afvallige wegzinken. 9. En wie gerechtigheid doen, zullen sterven om de daden van de mensen en zullen weggenomen worden om de daden van de goddelozen. 10. En in die dagen hielden zij op met spreken tegen mij, en ik kwam bij mijn volk terwijl ik de Heere van de wereld zegende. ## Henoch 82 — Bewaar de boeken, Metuselach 1. En nu, mijn zoon Metuselach, vertel ik je dit alles en schrijf ik het voor je op, en alles heb ik je bekend gemaakt en ik heb je de boeken over dit alles gegeven. Bewaar, mijn zoon Metuselach, de boeken uit de hand van je vader, zodat je ze aan de generaties van de wereld zou doorgeven. 2. Wijsheid heb ik jou gegeven, en je kinderen, en wie jouw kinderen zullen worden, zodat zij deze wijsheid aan hun kinderen zouden geven, voor de generaties, tot in eeuwigheid, naar hun verstand. 3. En wie haar begrijpen, zullen niet slapen, maar zij zullen met hun oren luisteren om deze wijsheid te leren. En zij zal hun beter bevallen dan lekker eten aan wie eten. 4. Gelukkig zijn alle rechtvaardigen, gelukkig zijn allen die op de weg van de gerechtigheid lopen en die geen zonde hebben zoals de zondaars, in het getal van al hun dagen waarin de zon aan de hemel voortgaat, door de poorten naar binnen en naar buiten gaat, dertig dagen lang, met de hoofden van de duizenden — dat is de ordening van de sterren — samen met de vier die ingevoegd worden en die de vier delen van het jaar scheiden, die hen leiden en met hen vier dagen binnengaan. 5. Om hen dwalen de mensen en tellen zij hen niet mee in de berekening van de hele wereld, want zij dwalen over hen, en de mensen kennen hen niet precies. 6. Want zij horen bij de berekening van het jaar en zijn werkelijk voor eeuwig opgetekend: een in de eerste poort, een in de derde, een in de vierde en een in de zesde. En het jaar is vol in driehonderdvierenzestig dagen. 7. En hun bericht is waar en de opgetekende berekening nauwkeurig, want Uriël heeft mij de lichten en de maanden en de feesten en de seizoenen en de dagen laten zien en bekend gemaakt. Hem heeft de Heere van heel de schepping van de wereld daartoe opgedragen, ten behoeve van mij, door de kracht van de hemel. 8. En hij heeft macht over nacht en dag aan de hemel, om het licht over de mensen te laten schijnen: de zon en de maan en de sterren, en alle machten van de hemel die in hun kring draaien. 9. En dit is de ordening van de sterren die ondergaan op hun plaatsen en op hun tijden en op hun feesten en in hun maanden. 10. En dit zijn de namen van wie hen leiden, die de wacht houden en die binnengaan op hun tijden en in hun ordeningen en in hun uren en in hun maanden en in hun heerschappijen en op hun standplaatsen. 11. Hun vier leiders gaan als eerste binnen, die de vier delen van het jaar scheiden. En na hen de twaalf leiders van de ordeningen, die de maanden scheiden. En voor het jaar van driehonderdvierenzestig dagen zijn er de hoofden van de duizenden die de dagen verdelen. En voor de vier die daaraan toegevoegd worden, scheiden de leiders de vier delen van de jaren. 12. En deze hoofden van de duizenden worden tussen leider en geleide ingevoegd. Eén wordt achter een standplaats toegevoegd, maar hun leiders maken de scheiding. 13. En dit zijn de namen van de leiders die de vier delen van het jaar scheiden, die aangesteld zijn: Milkiël en Hel'emmelek en Mel'ejal en Narel. 14. En de namen van wie hen leiden: Adnarel en Iyasusaël en Iyilumiël. Deze drie volgen achter de leiders van de ordeningen, en er is er één die volgt achter de drie leiders van de ordeningen, die weer volgen achter die leiders van de standplaatsen die de vier delen van het jaar scheiden. 15. Aan het begin van het jaar komt Milkiël als eerste op en heerst hij; hij heet Tem'ani en de zon. En alle dagen van zijn heerschappij waarin hij heerst, zijn eenennegentig dagen. 16. En dit zijn de tekenen van de dagen die op de aarde te zien zijn in de dagen van zijn heerschappij: zweet en hitte en windstilte. En alle bomen dragen vrucht, en het blad komt uit aan alle bomen, en de tarwe wordt geoogst, en de rozen bloeien, en alle bloemen bloeien op het veld, maar de bomen van de winter verdorren. 17. En dit zijn de namen van de leiders die onder hen staan: Berkaël, Zelebsaël, en nog een die toegevoegd wordt, een hoofd van duizend, die Heloyaseph heet. En de dagen van zijn heerschappij zijn voorbij. 18. De volgende leider na hen is Hel'emmelek, die de blinkende zon genoemd wordt. En alle dagen van zijn licht zijn eenennegentig dagen. 19. En dit zijn de tekenen van de dagen op de aarde: gloeiende hitte en droogte. En de bomen brengen hun vruchten rijp en gaar voort, en zij geven hun vrucht en verdorren. En de schapen paren en worden drachtig, en men verzamelt alle vrucht van de aarde en alles wat op de velden staat, en de wijnpers. Dit alles gebeurt in de dagen van zijn heerschappij. 20. En dit zijn hun namen en hun ordeningen en hun leiders die onder hen staan, deze hoofden van de duizenden: Gedaël en Keël en Heël. En de naam van hem die met hen toegevoegd wordt, een hoofd van duizend, is Asfaël. En de dagen van zijn heerschappij zijn voorbij. ## Henoch 83 — De droom over de instortende hemel 1. En nu, mijn zoon Metuselach, zal ik je alle visioenen laten zien die ik gezien heb. Voor jouw oren vertel ik ze. 2. Twee visioenen heb ik gezien voordat ik een vrouw nam, en het ene leek in niets op het andere: het eerste toen ik leerde schrijven, en het andere voordat ik je moeder nam. Toen zag ik een zwaar visioen. En over allebei heb ik tot de Heere gesmeekt. 3. Toen ik in het huis van Mahalalel, mijn grootvader, lag te slapen, zag ik in een visioen hoe de hemel instortte, weggerukt werd en op de aarde viel. 4. En toen hij op de aarde viel, zag ik de aarde, hoe zij in een grote afgrond verzwolgen werd, en hoe bergen boven op bergen hingen en heuvels in heuvels wegzakten, en hoe hoge bomen van hun stam werden afgehakt en neergegooid en in de afgrond wegzonken. 5. En toen viel er een woord in mijn mond, en ik verhief mijn stem om te roepen en ik zei: De aarde is verwoest. 6. En Mahalalel, mijn grootvader, maakte mij wakker, terwijl ik naast hem lag, en hij zei tegen mij: Waarom roep je zo, mijn zoon, en waarom jammer je zo? 7. En ik vertelde hem het hele visioen dat ik gezien had, en hij zei tegen mij: Iets ontzagwekkends heb je gezien, mijn zoon, en het visioen van je droom is machtig: het gaat over de verborgen zonden van de hele aarde. Zij moet in de afgrond wegzinken en met een grote vernietiging vernietigd worden. 8. En nu, mijn zoon, sta op en smeek de Heere van de heerlijkheid — want jij bent betrouwbaar — dat er een overblijfsel op de aarde mag overblijven, en dat Hij niet de hele aarde wegvaagt. 9. Mijn zoon, uit de hemel zal dit alles over de aarde komen, en op de aarde zal een grote vernietiging gebeuren. 10. En toen stond ik op en bad en smeekte, en ik schreef mijn gebed op voor de generaties van de wereld. En alles zal ik je laten zien, mijn zoon Metuselach. 11. En toen ik naar beneden gegaan was en de hemel bekeek, en de zon die in het oosten opkwam, en de maan die in het westen onderging, en een paar sterren, en alles zoals het van het begin af bekend was, toen zegende ik de Heere van het oordeel en gaf ik Hem grootheid, omdat Hij de zon uit de vensters van het oosten heeft laten komen, en zij opklom en opkwam over het gezicht van de hemel en de weg ging die haar gewezen was. ## Henoch 84 — Het gebed van Henoch 1. En ik hief mijn handen op in gerechtigheid en zegende de Heilige en Grote. En ik sprak met de adem van mijn mond en met de tong van vlees, die God gemaakt heeft voor de mensenkinderen om ermee te spreken. En Hij gaf hun adem en een tong en een mond om ermee te spreken: 2. Gezegend bent U, Heere, Koning, groot en machtig in Uw grootheid, Heere van heel de schepping van de hemel, Koning van de koningen en God van heel de wereld. En Uw Godheid en Uw koninkrijk en Uw grootheid blijven tot in eeuwigheid en tot in alle eeuwen, en van generatie op generatie duurt Uw heerschappij. En heel de hemel is Uw troon tot in eeuwigheid, en heel de aarde de voetenbank van Uw voeten tot in eeuwigheid en tot in alle eeuwen. 3. Want U hebt alles gemaakt en U regeert over alles, en geen werk is U te zwaar, en geen enkele wijsheid ontgaat U. En zij wijkt niet af van de plaats waar U woont en niet van Uw aangezicht. En U kent alle dingen en U ziet en hoort, en er is niets voor U verborgen, want U ziet alles. 4. En nu overtreden de engelen van Uw hemel, en op het vlees van de mensen rust Uw toorn, tot aan de grote dag van het oordeel. 5. En nu, God en Heere en grote Koning, smeek en bid ik dat U mijn gebed voor mij bevestigt, dat U voor mij nakomelingen op de aarde overlaat, dat U niet alle mensen vernietigt en de aarde niet leeg maakt, zodat er verderf zou zijn tot in eeuwigheid. 6. En nu, mijn Heere, vaag van de aarde weg wat Uw toorn gewekt heeft. Maar wat rechtvaardig en eerlijk is, bevestig dat als een plant van eeuwig zaad, en verberg Uw aangezicht niet voor het gebed van Uw knecht, Heere. ## Henoch 85 — De droom van de stieren 1. En daarna zag ik een tweede droom, en ik zal je die helemaal laten zien, mijn zoon. 2. En Henoch verhief zijn stem en zei tegen zijn zoon Metuselach: Tot jou zal ik spreken, mijn zoon. Luister naar mijn woorden en spits je oren voor het visioen in de droom van je vader. 3. Voordat ik je moeder Edna tot vrouw nam, zag ik op mijn bed een visioen. En kijk, er kwam een stier uit de aarde, en die stier was wit. En na hem kwam één vaars tevoorschijn, en met haar kwam nog een kalf tevoorschijn, en een van hen was zwart en een rood. 4. En dat zwarte kalf stootte het rode, en het achtervolgde hem over de aarde, en vanaf dat moment kon ik dat rode kalf niet meer zien. 5. En dat zwarte kalf werd groot, en die vaars ging met hem mee, en ik zag dat er uit hem veel runderen kwamen die op hem leken en die achter hem aan gingen. 6. En die eerste vaars ging weg van die eerste stier om dat rode kalf te zoeken, maar zij vond hem niet. En toen jammerde zij met luid gehuil en zocht zij hem. 7. En ik keek toe totdat die eerste stier bij haar kwam en haar stil maakte, en van die tijd af huilde zij niet meer. 8. En daarna baarde zij een andere witte stier, en na hem baarde zij veel runderen en zwarte kalveren. 9. En ik zag in mijn slaap dat ook die witte stier groot werd, en hij werd een grote witte stier, en uit hem kwamen veel witte runderen die op hem leken. En zij begonnen veel witte runderen voort te brengen die op hen leken, de een na de ander, ja, heel veel. ## Henoch 86 — De sterren die vielen 1. En opnieuw keek ik met mijn ogen terwijl ik sliep, en ik zag de hemel boven mij, en kijk, er viel één ster uit de hemel. En zij stond op en at en graasde tussen die runderen. 2. En daarna zag ik de grote en zwarte runderen, en kijk, zij veranderden allemaal van stal en van weide en van kalveren, en zij begonnen naar elkaar te loeien. 3. En opnieuw zag ik in het visioen, en ik keek naar de hemel, en kijk, ik zag veel sterren, en zij daalden neer en wierpen zich uit de hemel naar die eerste ster, en zij kwamen tussen die kalveren en runderen terecht en graasden in hun midden. 4. En ik bekeek hen en keek toe, en kijk, zij lieten allemaal hun schaamdelen naar buiten komen als paarden, en zij begonnen de vaarzen van de runderen te bespringen. En die werden allemaal zwanger en baarden olifanten en kamelen en ezels. 5. En alle runderen waren bang voor hen en schrokken van hen, en zij begonnen met hun tanden te bijten en te verslinden en met hun horens te stoten. 6. En zij begonnen bovendien die runderen te verslinden. En kijk, alle kinderen van de aarde begonnen voor hen te beven en te huiveren en voor hen weg te vluchten. ## Henoch 87 — De vier witte mensen 1. En opnieuw zag ik hen, en zij begonnen elkaar te stoten en elkaar te verslinden, en de aarde begon hard te schreeuwen. 2. En ik hief mijn ogen weer op naar de hemel, en ik zag in het visioen, en kijk, uit de hemel kwamen wezens die eruitzagen als witte mensen. En één kwam uit die plaats tevoorschijn, en drie met hem. 3. En die drie die als laatste tevoorschijn gekomen waren, grepen mij bij mijn hand en tilden mij op uit de geslachten van de aarde. En zij brachten mij naar een hoge plaats en lieten mij een toren zien, hoog boven de aarde, en alle heuvels waren lager dan hij. 4. En zij zeiden tegen mij: Blijf hier, totdat je alles gezien hebt wat er komt over deze olifanten en kamelen en ezels, en over de sterren en over alle runderen. ## Henoch 88 — De sterren worden gebonden 1. En ik zag een van die vier die als eerste tevoorschijn gekomen waren, en hij greep die eerste ster die uit de hemel gevallen was, en hij bond haar handen en haar voeten en gooide haar in een afgrond. En die afgrond was nauw en diep en gruwelijk en donker. 2. En een van hen trok zijn zwaard en gaf het aan die olifanten en kamelen en ezels, en zij begonnen elkaar te stoten, en de hele aarde beefde om hen. 3. En toen ik in het visioen keek, kijk, een van die vier die tevoorschijn gekomen waren wierp uit de hemel, en hij verzamelde en nam alle grote sterren van wie de schaamdelen waren als de schaamdelen van paarden, en hij bond hen allemaal aan hun handen en aan hun voeten en gooide hen in een kloof van de aarde. ## Henoch 89 — De schapen en de zeventig herders 1. En een van die vier ging naar dat witte rund toe en leerde hem een geheim, terwijl hij beefde. Hij was als rund geboren en werd een mens, en hij timmerde zich een groot vaartuig en woonde daarop. En drie runderen woonden met hem in dat vaartuig, en zij werden daarin overdekt. 2. En ik hief mijn ogen opnieuw op naar de hemel, en ik zag een hoog gewelf met zeven waterstromen daarop, en die stromen goten veel water uit in één omheining. 3. En ik keek opnieuw, en kijk, er gingen bronnen open op het oppervlak van de aarde in die grote omheining, en dat water begon op te wellen en te stijgen op de aarde, en die omheining was niet meer te zien, totdat haar hele bodem met water bedekt was. 4. En het water en de duisternis en de nevel namen daar toe. En ik keek naar de hoogte van dat water, en dat water was boven de hoogte van die omheining gestegen, en het stroomde over de omheining heen en bleef op de aarde staan. 5. En alle runderen die in die omheining waren, werden bij elkaar gedreven, totdat ik zag hoe zij verzwolgen werden en verdronken en omkwamen in dat water. 6. Maar dat vaartuig dreef op het water, terwijl alle runderen en de olifanten en de kamelen en de ezels in de aarde wegzonken, met al het vee. En ik kon hen niet meer zien, en zij konden niet ontkomen, maar zij kwamen om en zonken weg in de diepte. 7. En opnieuw zag ik in het visioen, totdat die waterstromen van dat hoge gewelf weggenomen werden, en de kloven van de aarde vlak gemaakt werden en er andere afgronden opengingen. 8. En het water begon daarin te zakken, totdat de aarde zichtbaar werd. En dat vaartuig kwam op de aarde te staan, en de duisternis week en het werd licht. 9. En die witte stier die een mens geworden was, ging uit dat vaartuig, en de drie runderen met hem. En een van die drie runderen was wit zoals die stier, en een van hen was rood als bloed en een zwart. En die witte stier ging bij hen weg. 10. En zij begonnen dieren van het veld en vogels voort te brengen, zodat er uit hen allemaal geslachten ontstonden van allerlei soorten volken: leeuwen en luipaarden en honden en wolven en hyena's en wilde zwijnen en vossen en eekhoorns en zwijnen en valken en gieren en wouwen en arenden en raven. En te midden van hen werd een witte stier geboren. 11. En zij begonnen elkaar te bijten. En die witte stier die tussen hen geboren was, verwekte een wilde ezel en een witte stier met hem, en de wilde ezels werden talrijk. 12. En die stier die uit hem geboren was, verwekte een zwart wild zwijn en een wit schaap. En dat wilde zwijn verwekte veel zwijnen, en dat schaap verwekte twaalf schapen. 13. En toen die twaalf schapen opgegroeid waren, gaven zij een van hen over aan de ezels, en die ezels gaven dat schaap weer over aan de wolven. En dat schaap groeide op te midden van de wolven. 14. En de Heere bracht de elf schapen ernaartoe, zodat zij bij hem zouden wonen en met hem zouden grazen te midden van de wolven. En zij werden talrijk en werden grote kudden schapen. 15. En de wolven begonnen bang voor hen te worden, en zij onderdrukten hen totdat zij hun jongen ombrachten. En zij gooiden hun jongen in een stroom met veel water. Maar die schapen begonnen te roepen om hun jongen en te klagen bij hun Heere. 16. En een schaap dat uit de wolven gered was, vluchtte en ontkwam naar de wilde ezels. En ik zag de schapen, hoe zij jammerden en riepen en hun Heere aanriepen met al hun kracht, totdat die Heere van de schapen op het geroep van de schapen neerdaalde uit een hoge woning, en naar hen toe kwam en naar hen omkeek. 17. En Hij riep dat schaap dat aan de wolven ontkomen was, en Hij sprak met hem over de wolven, dat hij tegen hen moest getuigen dat zij de schapen niet mochten aanraken. 18. En het schaap ging naar de wolven op het woord van de Heere, en een ander schaap kwam dat schaap tegen en ging met hem mee. En zij gingen samen de vergadering van die wolven binnen, en zij spraken met hen en getuigden tegen hen, dat zij de schapen van nu af niet meer mochten aanraken. 19. En daarna zag ik de wolven, hoe zij de schapen zwaar onderdrukten met al hun kracht. En de schapen riepen. 20. En hun Heere kwam naar de schapen toe en begon die wolven te slaan. En de wolven begonnen te jammeren, maar de schapen zwegen, en van toen af riepen zij niet meer. 21. En ik zag de schapen, totdat zij uit het midden van de wolven vertrokken. Maar de ogen van de wolven waren verblind, en die wolven trokken eropuit en achtervolgden de schapen met al hun kracht. 22. En de Heere van de schapen ging met hen mee en leidde hen. En al Zijn schapen volgden Hem, en Zijn aangezicht was schitterend en ontzagwekkend en verheven om te zien, en vol eer. 23. Maar de wolven begonnen die schapen te achtervolgen, totdat zij hen bereikten bij een zee van water. 24. En die zee van water werd gespleten, en het water stond aan deze en aan de andere kant voor hen. En hun Heere leidde hen en ging tussen hen en de wolven in staan. 25. En omdat die wolven de schapen nog niet zagen, gingen zij het midden van die zee van water in. En de wolven volgden de schapen en liepen hen achterna die zee van water in. 26. En toen zij de Heere van de schapen zagen, draaiden zij zich om om voor Zijn aangezicht te vluchten. Maar die zee van water kwam weer bij elkaar en werd snel weer zoals zij van nature geschapen was. En het water werd vol en steeg, totdat het die wolven bedekte. 27. En ik keek toe totdat alle wolven die die schapen achtervolgd hadden, omkwamen en verdronken. 28. Maar de schapen kwamen uit dat water en trokken een woestijn in waar geen water en geen gras was. En zij begonnen hun ogen te openen en te zien. En ik zag de Heere van de schapen, hoe Hij hen weidde en hun water en gras gaf, en dat schaap ging voorop en leidde hen. 29. En dat schaap klom op de top van die hoge rots, en de Heere van de schapen stuurde hem naar hen toe. 30. En daarna zag ik de Heere van de schapen, die voor hen stond, en Zijn aanblik was ontzagwekkend en machtig. En al die schapen zagen Hem en waren bang voor Zijn aangezicht. 31. En zij waren allemaal bang en beefden om Hem, en zij riepen naar dat schaap dat bij hen was, dat tussen hen in stond: Wij kunnen niet voor onze Heere staan en Hem niet aankijken. 32. En dat schaap dat hen leidde, klom opnieuw op de top van die rots. Maar de schapen begonnen blind te worden en af te dwalen van de weg die hij hun gewezen had, en dat schaap wist het niet. 33. En de Heere van de schapen ontstak in grote woede tegen hen. En dat schaap merkte het en daalde af van de top van de rots en kwam bij de schapen, en hij vond het grootste deel van hen met verblinde ogen en afgedwaald van zijn weg. 34. En toen zij hem zagen, waren zij bang en beefden zij voor hem, en zij wilden terug naar hun kooien. 35. En dat schaap nam andere schapen met zich mee en kwam bij die schapen die afgedwaald waren, en hij begon hen te doden. En de schapen waren bang voor hem. En dat schaap bracht die schapen die afgedwaald waren terug, en zij keerden terug naar hun kooien. 36. En ik zag in dit visioen, totdat dat schaap een mens werd en een huis bouwde voor de Heere van de schapen, en hij liet alle schapen in dat huis staan. 37. En ik zag, totdat dat schaap dat het leidende schaap ontmoet had, insliep. En ik zag, totdat alle grote schapen omkwamen en er kleine in hun plaats opstonden, en zij kwamen bij een weide en naderden een waterstroom. 38. En dat schaap dat hen leidde en dat een mens geworden was, ging bij hen weg en sliep in. En alle schapen zochten hem en riepen luid om hem. 39. En ik zag, totdat zij ophielden te roepen om dat schaap en die watervloed overstaken. En alle schapen die hen leidden, stonden op in de plaats van wie ingeslapen waren en hen geleid hadden. 40. En ik zag de schapen, totdat zij op een goede plaats kwamen, in een aangenaam en prachtig land. En ik zag die schapen, totdat zij verzadigd waren, en dat huis stond in hun midden in dat aangename land. 41. En het gebeurde soms dat hun ogen geopend werden en soms dat zij blind werden, totdat er een ander schaap opstond dat hen leidde en hen allemaal terugbracht, en hun ogen gingen open. 42. En de honden en de vossen en de wilde zwijnen begonnen die schapen te verslinden, totdat de Heere van de schapen een ram uit hun midden liet opstaan die hen leidde. 43. En die ram begon die honden en vossen en wilde zwijnen naar alle kanten te stoten, totdat hij hen allemaal vernietigd had. 44. En dat schaap van wie de ogen geopend waren, zag die ram die tussen de schapen stond, hoe hij zijn eer losliet en die schapen begon te stoten en te vertrappen en zich niet meer wist te beheersen. 45. En de Heere van de schapen stuurde het schaap naar een ander schaap en verhief dat tot ram om de schapen te leiden, in de plaats van die ram die zijn eer losgelaten had. 46. En het ging naar hem toe en sprak alleen met hem, en het verhief die ram en stelde hem aan tot vorst en leider van de schapen. En bij dit alles onderdrukten die honden de schapen. 47. En de eerste ram achtervolgde die tweede ram, en die tweede ram stond op en vluchtte voor hem. En ik zag, totdat die honden de eerste ram neervelden. 48. En die tweede ram stond op en leidde de kleine schapen. En die ram verwekte veel schapen en sliep in. En een klein schaap werd ram in zijn plaats en werd vorst en leider van die schapen. 49. En die schapen groeiden op en werden talrijk. En alle honden en vossen en wilde zwijnen waren bang voor hem en vluchtten voor hem. En die ram stootte en doodde alle wilde dieren, en die dieren konden niet meer tussen de schapen komen en zij roofden voortaan helemaal niets meer van hen. 50. En dat huis werd groot en wijd, en er werd voor die schapen een hoge en grote toren op dat huis gebouwd, voor de Heere van de schapen. En dat huis was laag, maar de toren was verheven en hoog. En de Heere van de schapen stond op die toren, en zij zetten een volle tafel voor Zijn aangezicht neer. 51. En ik zag die schapen opnieuw, hoe zij weer dwaalden en veel wegen gingen en dat huis van hen verlieten. En de Heere van de schapen riep sommigen uit het midden van de schapen en stuurde hen naar de schapen, maar de schapen begonnen hen te doden. 52. En een van hen werd gered en werd niet gedood, en hij snelde weg en riep luid over de schapen. En zij wilden hem doden, maar de Heere van de schapen redde hem uit de hand van de schapen en voerde hem naar mij op en liet hem daar wonen. 53. En Hij stuurde nog veel andere schapen naar die schapen toe om tegen hen te getuigen en over hen te jammeren. 54. En daarna zag ik, toen zij het huis van de Heere en Zijn toren verlieten, hoe zij helemaal afvielen en hun ogen blind werden. En ik zag de Heere van de schapen, hoe Hij een grote slachting onder hen aanrichtte in hun kudden, totdat die schapen die slachting uitlokten en Zijn plaats prijsgaven. 55. En Hij gaf hen over in de hand van de leeuwen en luipaarden, en van de wolven en hyena's, en in de hand van de vossen en aan alle wilde dieren. En die wilde dieren begonnen die schapen te verscheuren. 56. En ik zag hoe Hij dat huis en die toren van hen verliet en hen allemaal overgaf in de hand van de leeuwen om hen te verscheuren en te verslinden, in de hand van alle wilde dieren. 57. En ik begon te roepen met al mijn kracht en de Heere van de schapen aan te roepen en Hem erop te wijzen wat er met de schapen gebeurde, dat zij door alle wilde dieren van het veld verslonden werden. 58. Maar Hij bleef onbewogen terwijl Hij het zag. En Hij verheugde Zich dat zij verslonden en verzwolgen en geroofd werden, en Hij liet hen over in de hand van alle dieren, tot voedsel. 59. En Hij riep zeventig herders en gaf die schapen aan hen over om hen te weiden. En Hij zei tegen de herders en hun metgezellen: Laat ieder van jullie van nu af de schapen weiden, en doe alles wat ik jullie opdraag. 60. En ik zal hen jullie toegeteld overleveren, en ik zal jullie zeggen welke van hen vernietigd moeten worden. Vernietig die. En Hij gaf hun die schapen over. 61. En Hij riep een ander en zei tegen hem: Let op en zie alles wat de herders met deze schapen doen, want zij zullen er veel meer vernietigen dan ik hun opgedragen heb. 62. En alle overdaad en vernietiging die de herders aanrichten, schrijf die op: hoeveel zij er naar mijn gebod vernietigen en hoeveel zij er naar hun eigen zin vernietigen. Schrijf van iedere herder alle vernietiging op die hij aanricht, als aanklacht tegen hem. 63. En lees voor mijn aangezicht op, met getallen, hoeveel zij er naar hun eigen zin vernietigen en hoeveel zij er aan de vernietiging overgeven, zodat dit voor mij een getuigenis tegen hen is, en zodat ik alle daden van de herders ken om hun te vergelden. En ik zal zien wat zij doen, of zij zich houden aan mijn gebod dat ik hun gegeven heb of niet. 64. Maar zij mogen het niet weten, en jij zult het hun niet bekend maken en hen niet terechtwijzen. Schrijf alleen alle vernietiging van de herders op, ieder op zijn tijd, van elk afzonderlijk, en breng het allemaal bij mij. 65. En ik zag, totdat die herders op hun tijd weidden, en zij begonnen meer te doden en te vernietigen dan hun opgedragen was, en zij gaven die schapen over in de hand van de leeuwen. 66. En de leeuwen en luipaarden aten en verslonden het grootste deel van die schapen, en de wilde zwijnen aten mee. En zij verbrandden die toren en verwoestten dat huis. 67. En ik werd heel verdrietig om die toren, omdat dat huis van de schapen verwoest was. En daarna kon ik niet meer zien of die schapen dat huis binnengingen. 68. En de herders en hun metgezellen gaven die schapen over aan alle wilde dieren om hen te verslinden. En ieder van hen kreeg op zijn tijd een getal, en ieder van hen schreef voor de ander in een boek op hoeveel van hen hij vernietigde. 69. En ieder doodde en vernietigde er veel meer dan hem opgedragen was. En ik begon te huilen en heel luid te jammeren om die schapen. 70. En zo zag ik in het visioen degene die schreef, hoe hij ieder opschreef die door die herders vernietigd werd, dag na dag, en het naar boven bracht en neerlegde, en het hele boek zelf aan de Heere van de schapen liet zien: alles wat zij gedaan hadden, en alles wat ieder van hen weggenomen had, en alles wat zij aan de vernietiging overgegeven hadden. 71. En het boek werd voorgelezen voor de Heere van de schapen, en Hij nam het boek in Zijn hand en las het, en Hij verzegelde het en legde het neer. 72. En daarna zag ik hoe de herders twaalf uren weidden. En kijk, drie van die schapen keerden terug en kwamen binnen en begonnen alles wat van dat huis ingestort was weer op te bouwen. Maar de wilde zwijnen probeerden hen tegen te houden en zij konden het niet. 73. En zij begonnen opnieuw te bouwen zoals eerst, en zij richtten die toren op, en hij werd de hoge toren genoemd. En zij begonnen opnieuw een tafel voor de toren te zetten, maar al het brood dat erop lag, was onrein en niet zuiver. 74. En bij dit alles waren de ogen van deze schapen blind, zodat zij niets zagen, en die van hun herders ook. En zij gaven hen in groten getale aan hun herders over om vernietigd te worden, en zij vertrapten de schapen met hun voeten en verslonden hen. 75. En de Heere van de schapen bleef onbewogen, totdat alle schapen over het veld verstrooid waren en zich met de dieren vermengden. En de herders redden hen niet uit de hand van de dieren. 76. En hij die het boek schreef, bracht het naar boven en liet het zien en las het voor de huizen van de Heere van de schapen, en hij smeekte Hem om hen en bad Hem om hen, terwijl hij Hem alle daden van de herders liet zien en voor Zijn aangezicht tegen alle herders getuigde. 77. En hij nam dat boek zelf en legde het naast Hem neer en ging weg. ## Henoch 90 — De ram met de grote horen en het nieuwe huis 1. En ik zag, totdat zevenendertig herders op deze manier een tijd lang weidden. En zij maakten hun tijd allemaal vol, net als de eerste, en anderen kregen hen in handen om hen op hun tijd te weiden, alle herders, iedere herder op zijn eigen tijd. 2. En daarna zag ik in mijn visioen alle vogels van de hemel komen: de arenden en de gieren en de wouwen en de raven. En de arenden gingen alle vogels voor. En zij begonnen die schapen te verslinden en hun ogen uit te pikken en hun vlees te verslinden. 3. En de schapen riepen, omdat hun vlees door de vogels verslonden werd. En ik riep en jammerde in mijn slaap om die herder die de schapen weidde. 4. En ik zag, totdat die schapen verslonden werden door de honden en door de arenden en door de wouwen. En zij lieten hun helemaal geen vlees over, geen huid en geen pees, totdat alleen hun botten nog overeind stonden. En ook hun botten vielen op de aarde, en de schapen werden weinig. 5. En ik zag dat drieëntwintig herders een tijd lang weidden, en zij maakten hun tijd achtenvijftig keer vol. 6. En er werden kleine lammeren geboren uit die witte schapen, en zij begonnen hun ogen te openen en te zien, en zij riepen naar de schapen. 7. Maar de schapen riepen niet terug en luisterden niet naar wat zij zeiden, maar zij waren volkomen doof, en hun ogen waren helemaal blind. 8. En ik zag in het visioen hoe de raven op die lammeren neerstreken, en zij grepen een van die lammeren en sloegen de schapen kapot en verslonden hen. 9. En ik zag, totdat er horens uitkwamen bij die lammeren. En de raven sloegen hun horens neer. En ik zag, totdat er één grote horen uitkwam bij een van die schapen, en hun ogen gingen open. 10. En het keek naar hen, en hun ogen gingen open, en het riep naar de schapen. En de rammen zagen het, en zij liepen allemaal naar hem toe. 11. En bij dit alles bleven al die arenden en gieren en raven en wouwen de schapen verscheuren en op hen neerduiken en hen verslinden. En de schapen zwegen, maar de rammen jammerden en riepen. 12. En die raven vochten met hem en streden en probeerden zijn horen af te breken, maar zij konden niets tegen hem beginnen. 13. En ik zag, totdat de herders en de arenden en die gieren en de wouwen kwamen. En zij riepen de raven toe dat zij de horen van die ram moesten stukslaan. En zij vochten met hem en streden, en hij vocht met hen, en hij riep of zijn hulp naar hem toe wilde komen. 14. En ik zag, totdat die man kwam die de namen van de herders opgeschreven had, en die opklom voor het aangezicht van de Heere van de schapen. En die hielp hem en liet hem alles zien, en zijn hulp daalde neer voor die ram. 15. En ik zag, totdat die Heere van de schapen in woede naar hen toe kwam. En allen die Hem zagen, vluchtten, en zij vielen allemaal in Zijn schaduw voor Zijn aangezicht. 16. Alle arenden en gieren en raven en wouwen verzamelden zich en brachten alle schapen van het veld met zich mee. En zij kwamen allemaal bij elkaar en hielpen elkaar om de horen van die ram stuk te slaan. 17. En ik zag die man die het boek schreef op het woord van de Heere, totdat hij dat boek van de vernietiging opende die die twaalf laatste herders aangericht hadden. En hij liet zien dat zij er veel meer verwoest hadden dan hun voorgangers, voor het aangezicht van de Heere van de schapen. 18. En ik zag, totdat de Heere van de schapen naar hen toe kwam. En Hij nam de staf van de toorn in Zijn hand en sloeg de aarde, en de aarde spleet open. En alle dieren en de vogels van de hemel vielen uit het midden van die schapen, en zij zonken weg in de aarde, en zij werd over hen dichtgedaan. 19. En ik zag, totdat er aan de schapen een groot zwaard gegeven werd. En de schapen trokken eropuit tegen al die wilde dieren van het veld om hen te doden, en alle dieren en de vogels van de hemel vluchtten voor hen. 20. En ik zag, totdat er een troon werd neergezet in het aangename land, en de Heere van de schapen ging daarop zitten. En men nam alle verzegelde boeken en opende die boeken voor het aangezicht van de Heere van de schapen. 21. En de Heere riep die zeven eerste witten en gaf opdracht dat zij voor Hem zouden brengen: te beginnen bij die eerste ster die voorop ging van die sterren van wie de schaamdelen waren als die van de paarden, en de eerste ster die het eerst gevallen was. En zij brachten hen allemaal voor Hem. 22. En Hij zei tegen die man die voor Hem schreef, die een van de zeven witten was, en Hij zei tegen hem: Neem die zeventig herders aan wie ik de schapen overgegeven heb en die er, nadat zij hen genomen hadden, veel meer gedood hebben dan ik hun opgedragen had. 23. En kijk, ik zag hen allemaal gebonden, en zij stonden allemaal voor Hem. 24. En het gericht werd gehouden, eerst over de sterren. En zij werden geoordeeld en schuldig bevonden, en zij gingen naar de plaats van de veroordeling, en men gooide hen in een diepte, vol vuur en vlammen en vol zuilen van vuur. 25. En die zeventig herders werden geoordeeld en schuldig bevonden, en zij werden in die vurige diepte gegooid. 26. En ik zag in die tijd hoe er zo'n zelfde diepte werd geopend midden in de aarde, vol vuur. En men bracht die blinde schapen, en zij werden allemaal geoordeeld en schuldig bevonden en in die diepte van vuur gegooid, en zij brandden. En die diepte lag aan de rechterkant van dat huis. 27. En ik zag die schapen, hoe zij brandden, en hun botten brandden. 28. En ik stond op om te kijken, totdat men dat oude huis oprolde. En men droeg alle zuilen weg, en al het houtwerk en de versieringen van dat huis werden tegelijk daarmee opgerold, en men droeg het weg en legde het op één plaats in het zuiden van het land. 29. En ik zag de Heere van de schapen, totdat Hij een nieuw huis bracht, groter en hoger dan dat eerste, en Hij zette het neer op de plaats van het eerste dat opgerold was. En al zijn zuilen waren nieuw, en zijn versiering was nieuw en groter dan die van het eerste, het oude, dat Hij weggenomen had. En alle schapen waren daarbinnen. 30. En ik zag alle schapen die overgebleven waren, en al het vee op de aarde, en alle vogels van de hemel, hoe zij neervielen en zich voor die schapen bogen en hun smeekten en hun in alles gehoorzaamden. 31. En daarna namen die drie die in het wit gekleed waren en die mij bij mijn hand gegrepen hadden en die mij eerder omhoog gebracht hadden — en de hand van die ram greep mij ook — zij brachten mij omhoog en zetten mij neer te midden van die schapen, voordat het gericht gehouden werd. 32. En die schapen waren allemaal wit, en hun wol was dik en zuiver. 33. En allen die vernietigd en verstrooid waren, en alle wilde dieren van het veld en alle vogels van de hemel, verzamelden zich in dat huis. En de Heere van de schapen verheugde Zich met grote vreugde, omdat zij allemaal goed geworden waren en naar Zijn huis teruggekeerd waren. 34. En ik zag, totdat zij dat zwaard neerlegden dat aan de schapen gegeven was, en zij brachten het terug in Zijn huis, en het werd verzegeld voor het aangezicht van de Heere. En alle schapen werden in dat huis uitgenodigd, maar het kon hen niet bevatten. 35. En de ogen van hen allemaal gingen open, en zij zagen het goede. En er was er niet één onder hen die niet zag. 36. En ik zag hoe dat huis groot en wijd was, en heel vol. 37. En ik zag hoe er één witte stier geboren werd, en zijn horens waren groot. En alle wilde dieren van het veld en alle vogels van de hemel waren bang voor hem en smeekten hem, altijd weer. 38. En ik zag, totdat al hun geslachten veranderd werden en zij allemaal witte runderen werden. En de eerste onder hen werd een woord, en dat woord werd een groot dier, en het had grote en zwarte horens op zijn kop. En de Heere van de schapen verheugde Zich over hen en over alle runderen. 39. En ik lag in hun midden, en ik werd wakker en zag alles. 40. En dit is het visioen dat ik zag terwijl ik sliep. En ik werd wakker en ik loofde de Heere van de gerechtigheid en gaf Hem eer. 41. En daarna huilde ik met luid gehuil, en mijn tranen hielden niet op totdat ik het niet meer kon verdragen. Wanneer ik keek, stroomden zij om wat ik gezien had. Want alles zal komen en in vervulling gaan, en alle daden van de mensen werden mij getoond, ieder naar zijn deel. 42. En in diezelfde nacht dacht ik aan mijn eerste droom, en daarom huilde ik en was ik ontzet, omdat ik dat visioen gezien had. ## Henoch 91 — Henoch roept zijn kinderen bij elkaar 1. En nu, mijn zoon Metuselach, roep al je broers bij mij en verzamel alle zonen van je moeder bij mij. Want een stem roept mij, en de geest is over mij uitgestort, zodat ik jullie alles kan laten zien wat jullie tot in eeuwigheid zal overkomen. 2. En daarna ging Metuselach en riep al zijn broers bij zich en verzamelde zijn familie. 3. En hij sprak tot al zijn kinderen over de gerechtigheid en zei: Luister, zonen van Henoch, naar alle woorden van jullie vader, en luister goed naar de woorden van mijn mond. Want ik verklaar en zeg jullie, mijn geliefden: heb de oprechtheid lief en leef daarin. 4. En ga niet met een dubbel hart naar de oprechtheid toe, en ga niet om met mensen die een dubbel hart hebben. Maar leef rechtvaardig, mijn kinderen, en zij zal jullie op goede paden leiden, en de gerechtigheid zal jullie metgezel zijn. 5. Want ik weet dat het geweld op de aarde steeds zal toenemen, en dat er een grote straf op de aarde voltrokken zal worden, en dat aan al het onrecht een einde zal komen. Ja, het zal bij de wortel afgehakt worden, en heel zijn bouwwerk zal verdwijnen. 6. En het onrecht zal opnieuw opgroeien, en op de aarde zal al het werk van onrecht en het werk van geweld en de overtreding voor de tweede keer vol worden. 7. En wanneer het onrecht en de zonde en de godslastering en het geweld in allerlei werk toenemen, en de afval en de overtreding en de onreinheid opgroeien, zal er een grote straf uit de hemel over hen allemaal komen, en de heilige Heere zal tevoorschijn komen in toorn en in straf, om gericht te houden op de aarde. 8. In die dagen zal het geweld bij de wortel afgehakt worden, en de wortels van het onrecht samen met het bedrog, en zij zullen van onder de hemel weggevaagd worden. 9. En alles zal met de volken overgegeven worden. Een toren zal in vuur branden, en men zal hen van de hele aarde verdrijven, en zij zullen in het gericht van het vuur gegooid worden en omkomen in toorn en in een zwaar gericht, dat tot in eeuwigheid duurt. 10. En de rechtvaardige zal opstaan uit de slaap, en de wijsheid zal opstaan en aan hen gegeven worden. 11. En daarna zullen de wortels van het onrecht afgehakt worden, en de zondaars zullen door het zwaard vernietigd worden. Overal zullen de godslasteraars afgehakt worden, en wie geweld beramen en godslastering bedrijven, zullen door het slagzwaard omkomen. 12. En daarna zal er nog een week zijn, de achtste, die van de gerechtigheid, en haar zal een zwaard gegeven worden, zodat er een rechtvaardig gericht gehouden wordt over wie geweld doen, en de zondaars zullen overgegeven worden in de handen van de rechtvaardigen. 13. En aan het eind daarvan zullen zij door hun gerechtigheid huizen verwerven, en er zal een huis gebouwd worden voor de grote Koning, tot Zijn eer, tot in eeuwigheid. 14. En daarna, in de negende week, zal het rechtvaardige gericht aan de hele wereld bekend gemaakt worden, en al het werk van de goddelozen zal van de hele aarde verdwijnen, en de wereld zal tot ondergang opgeschreven worden, en alle mensen zullen uitzien naar de weg van de oprechtheid. 15. En daarna, in de tiende week, in het zevende deel, zal het eeuwige gericht zijn, en het zal aan de wachters voltrokken worden. En de grote eeuwige hemel zal opkomen uit het midden van de engelen. 16. En de eerste hemel zal weggaan en voorbijgaan, en er zal een nieuwe hemel verschijnen, en alle krachten van de hemel zullen zevenvoudig schijnen, tot in eeuwigheid. 17. En daarna zullen er veel weken zijn, niet te tellen, tot in eeuwigheid, in goedheid en in gerechtigheid. En van dan af zal de zonde niet meer genoemd worden, tot in eeuwigheid. 18. En nu zeg ik jullie, mijn kinderen, en laat ik jullie de paden van de gerechtigheid en de paden van het geweld zien. En ik zal ze jullie opnieuw laten zien, zodat jullie weten wat er komen zal. 19. En luister nu naar mij, mijn kinderen, en ga de paden van de gerechtigheid en niet de paden van het geweld. Want allen die de weg van het onrecht gaan, zullen omkomen tot in eeuwigheid. ## Henoch 92 — Het boek van Henoch 1. Het boek dat geschreven is door Henoch, de schrijver van heel deze leer van de wijsheid, die boven alle mensen geprezen wordt en een rechter is van de hele aarde: voor al mijn kinderen die op de aarde zullen wonen, en voor de latere generaties die oprechtheid en vrede zoeken. 2. Laat je geest niet bedroefd worden om de tijden, want de Heilige, de Grote, heeft voor alle dingen dagen vastgesteld. 3. En de rechtvaardige zal opstaan uit de slaap. Hij zal opstaan en de weg van de gerechtigheid gaan, en heel zijn weg en zijn levenswandel zullen in goedheid en in eeuwige genade zijn. 4. Hij zal Zich over de rechtvaardige ontfermen, en Hij zal hem eeuwige oprechtheid geven en hem macht geven. En hij zal in goedheid en in gerechtigheid zijn en in het eeuwige licht lopen. 5. En de zonde zal in de duisternis vergaan tot in eeuwigheid, en zij zal van die dag af niet meer gezien worden, tot in eeuwigheid. ## Henoch 93 — De weken van de wereld 1. En daarna gebeurde het met Henoch dat hij begon te spreken uit de geschriften. En Henoch zei: Over de kinderen van de gerechtigheid, en over de uitverkorenen van de wereld, en over de plant van de gerechtigheid en van de oprechtheid: die dingen zal ik jullie zeggen en verkondigen, mijn kinderen. 2. Ik, Henoch, heb dit leren kennen door wat mij getoond werd uit het visioen van de hemel en door de stem van de heilige engelen, en uit de hemelse tafels heb ik het begrepen. 3. En Henoch begon verder te spreken uit de boeken en zei: Ik werd als de zevende geboren in de eerste week, terwijl het gericht en de gerechtigheid nog stand hielden. 4. En na mij zal er in de tweede week grote slechtheid opstaan, en het bedrog zal opgekomen zijn. En daarin zal het eerste einde zijn, en daarin zal één mens gered worden. En nadat die week voorbij is, zal het onrecht opgroeien, en er zal een inzetting voor de zondaars gemaakt worden. 5. En daarna, in de derde week, aan het eind daarvan, zal er een mens uitgekozen worden tot de plant van het rechtvaardige gericht, en na hem zal de plant van de gerechtigheid komen, tot in eeuwigheid. 6. En daarna, in de vierde week, aan het eind daarvan, zullen de visioenen van de heiligen en van de rechtvaardigen gezien worden, en een wet voor alle generaties, en er zal een omheining voor hen gemaakt worden. 7. En daarna, in de vijfde week, aan het eind daarvan, zal het huis van de heerlijkheid en van de heerschappij gebouwd worden, tot in eeuwigheid. 8. En daarna, in de zesde week, zullen allen die daarin leven blind worden, en het hart van hen allemaal zal de wijsheid vergeten. En daarin zal een mens opklimmen. En aan het eind daarvan zal het huis van de heerschappij met vuur verbrand worden, en daarin zal heel het geslacht van de uitverkoren wortel verstrooid worden. 9. En daarna, in de zevende week, zal er een afvallig geslacht opstaan, en zijn daden zullen talrijk zijn, en al zijn daden zullen afval zijn. 10. En aan het eind daarvan zullen de uitverkoren rechtvaardigen beloond worden uit de eeuwige plant van de gerechtigheid, en aan hen zal zevenvoudig onderwijs gegeven worden over heel Zijn schepping. 11. Want wie is er onder alle mensenkinderen die de stem van de Heilige kan horen zonder te schrikken? En wie is er die Zijn gedachten kan denken? En wie is er die al het werk van de hemel kan bekijken? 12. En wat is er dat het werk van de hemel kan begrijpen? En hoe zou iemand zijn ziel of zijn geest zien en daarover kunnen spreken? Of hoe zou hij kunnen opklimmen en al hun uiteinden zien en die overdenken, of net zo doen als zij? 13. En wie is er onder alle mensen die kan begrijpen hoe groot de breedte en de lengte van de aarde is? En aan wie is de maat van dit alles getoond? 14. Of is er een mens die de lengte van de hemel kan begrijpen, en hoe groot zijn hoogte is, en waarop hij gegrond is, en hoe groot het aantal sterren is, en waar alle lichten rusten? ## Henoch 94 — Twee paden 1. En nu zeg ik jullie, mijn kinderen: heb de gerechtigheid lief en leef daarin. Want de paden van de gerechtigheid zijn het waard om aangenomen te worden, maar de paden van het onrecht zullen snel vernietigd worden en verdwijnen. 2. En aan mensen die uit een geslacht uitgekozen zijn, zullen de paden van geweld en dood bekend gemaakt worden, en zij zullen zich daar verre van houden en die niet volgen. 3. En nu zeg ik jullie, rechtvaardigen: ga niet de weg van het kwaad en het geweld en niet de paden van de dood, en kom er niet in de buurt, zodat jullie niet vernietigd worden. 4. Maar zoek voor jezelf de gerechtigheid en een uitgelezen leven en kies daarvoor, en ga de paden van de vrede, zodat jullie leven en het goed hebben. 5. En houd vast aan de overwegingen van je hart, en laat mijn woorden niet uit je hart uitgewist worden. Want ik weet dat de zondaars de mensen zullen verleiden om slechte wijsheid te bedrijven, zodat er voor haar geen plaats te vinden is, en geen enkele beproeving zal ophouden. 6. Wee wie het onrecht en het geweld opbouwen en het bedrog als fundament leggen, want zij zullen snel omvergegooid worden, en zij zullen geen vrede hebben. 7. Wee wie hun huizen met zonde bouwen, want zij zullen vanaf hun hele fundament omvergegooid worden en door het zwaard vallen. En wie goud en zilver verzamelen, zullen in het oordeel snel vernietigd worden. 8. Wee jullie, rijken, want jullie hebben op je rijkdom vertrouwd, en van je rijkdom zullen jullie weggaan, omdat jullie niet aan de Allerhoogste gedacht hebben in de dagen van je rijkdom. 9. Jullie hebben godslastering en onrecht bedreven, en jullie zijn klaargemaakt voor de dag van het bloedvergieten en voor de dag van de duisternis en voor de dag van het grote oordeel. 10. Zo spreek ik en verkondig ik jullie: Hij die jullie geschapen heeft, zal jullie neergooien, en over jullie val zal geen ontferming zijn, en jullie Schepper zal Zich over jullie ondergang verheugen. 11. En jullie rechtvaardigen zullen in die dagen een schande zijn voor de zondaars en de goddelozen. ## Henoch 95 — Wee jullie, zondaars 1. Wie geeft mij ogen die een wolk van water worden, zodat ik over jullie kan huilen en mijn tranen kan uitstorten als een regenwolk, en rust vind van het verdriet in mijn hart? 2. Wie heeft jullie toestemming gegeven om haat en kwaad te bedrijven? Daarom zal het oordeel jullie treffen, zondaars. 3. Wees niet bang voor de zondaars, rechtvaardigen, want God zal hen opnieuw in jullie hand geven, zodat jullie het oordeel over hen voltrekken zoals jullie willen. 4. Wee jullie die vervloekingen uitspreken die niet los te maken zijn, en genezing zal ver van jullie zijn om jullie zonde. 5. Wee jullie die je naaste kwaad met kwaad vergelden, want jullie zullen vergolden worden naar je werken. 6. Wee jullie, valse getuigen, en jullie die het onrecht afwegen, want jullie zullen snel vernietigd worden. 7. Wee jullie, zondaars, want jullie vervolgen de rechtvaardigen. Want jullie zullen uitgeleverd en vervolgd worden, jullie van het onrecht, en hun juk zal zwaar op jullie drukken. ## Henoch 96 — Houd goede hoop, rechtvaardigen 1. Houd goede hoop, rechtvaardigen, want de zondaars zullen snel voor jullie ogen vernietigd worden, en jullie zullen over hen heersen zoals jullie willen. 2. En op de dag van de benauwdheid van de zondaars zullen jullie kinderen opstijgen en zich verheffen als arenden, en hoger dan de gieren zal jullie schuilplaats zijn. En jullie zullen opklimmen en de spleten van de aarde en de kloven van de rots binnengaan, tot in eeuwigheid, als klipdassen voor het oog van wie onrecht doen. En zij zullen over jullie zuchten en huilen als sirenen. 3. Maar jullie, wees niet bang, jullie die geleden hebben, want genezing zal jullie deel zijn, en een helder licht zal voor jullie schijnen, en de stem van de rust zullen jullie uit de hemel horen. 4. Wee jullie, zondaars, want jullie rijkdom laat jullie rechtvaardig lijken, maar jullie hart klaagt jullie aan dat jullie zondaars zijn. En dit woord zal een getuige tegen jullie zijn, ter herinnering aan jullie slechte daden. 5. Wee jullie die het vette van de tarwe eten en de kracht van de wortel van de bron drinken, en die de geringen met jullie macht vertrappen. 6. Wee jullie die altijd maar water drinken, want jullie zullen snel vergolden en verteerd worden en verdorren, omdat jullie de bron van het leven verlaten hebben. 7. Wee jullie die het onrecht en het bedrog en de godslastering bedrijven; het zal een herinnering tegen jullie zijn, ten kwade. 8. Wee jullie, machtigen, die de rechtvaardige met geweld neerslaan, want de dag van jullie ondergang komt. In die dagen zullen er voor de rechtvaardigen veel goede dagen komen, op de dag van jullie oordeel. ## Henoch 97 — Waarheen zullen jullie vluchten? 1. Geloof, rechtvaardigen, dat de zondaars tot een schande zullen worden en vernietigd zullen worden op de dag van het onrecht. 2. Weet dat de Allerhoogste jullie ondergang gedenkt en dat de engelen zich verheugen over jullie ondergang. 3. Wat zullen jullie doen, zondaars, en waarheen zullen jullie vluchten op die dag van het oordeel, wanneer jullie de stem van het gebed van de rechtvaardigen horen? 4. En zullen jullie niet worden zoals zij, tegen wie dit woord een getuige zal zijn: Jullie zijn metgezellen van de zondaars geweest? 5. En in die dagen zal het gebed van de rechtvaardigen bij de Heere komen, en voor jullie zullen de dagen van jullie oordeel komen. 6. En al de woorden van jullie onrecht zullen voorgelezen worden voor het aangezicht van de Grote en Heilige, en jullie gezicht zal bedekt worden met schaamte, en elk werk dat op onrecht gebouwd is, zal verworpen worden. 7. Wee jullie, zondaars, die midden op de zee en op het droge zijn, van wie de herinnering kwaad tegen jullie is. 8. Wee jullie die zilver en goud verzamelen dat niet rechtvaardig verkregen is, en die zeggen: Wij zijn rijk geworden met rijkdom, en wij hebben bezittingen, en wij hebben alles verworven wat wij wilden. 9. En laten wij nu doen wat wij ons voorgenomen hebben, want wij hebben zilver verzameld en onze schatkamers gevuld, en de knechten op onze landerijen zijn zo talrijk als water. 10. En als water zal jullie leugen wegvloeien, want de rijkdom zal niet bij jullie blijven, maar snel van jullie wegvliegen. Want jullie hebben het allemaal met onrecht verworven, en jullie zullen aan een grote vervloeking overgegeven worden. ## Henoch 98 — De zonde is niet naar de aarde gestuurd 1. En nu zweer ik jullie, de wijzen en de dwazen, dat jullie veel dingen op de aarde zullen zien. 2. Want jullie, mannen, zullen meer sieraad omhangen dan een vrouw, en meer gekleurde gewaden dan een meisje, in koningschap en in grootheid en in macht, en in zilver en goud en purper, en in eer en in maaltijden die als water uitgegoten worden. 3. Daarom hebben zij geen onderwijs en geen wijsheid, en daardoor zullen zij vernietigd worden, samen met hun bezittingen en met al hun heerlijkheid en hun eer. En in schande en in doodslag en in grote armoede zal hun geest in de oven van het vuur gegooid worden. 4. Ik heb jullie gezworen, zondaars: zoals een berg geen knecht geworden is en nooit worden zal, en een heuvel geen dienares voor een vrouw, zo is ook de zonde niet naar de aarde gestuurd, maar de mensen hebben haar uit zichzelf gemaakt. En wie haar bedrijven, zullen aan een grote vervloeking vervallen. 5. En de onvruchtbaarheid is niet aan de vrouw gegeven, maar om het werk van haar handen sterft zij zonder kinderen. 6. Ik heb jullie gezworen, zondaars, bij de Heilige en Grote, dat al jullie slechte werken in de hemel bekend zijn, en dat geen van jullie daden van geweld bedekt of verborgen is. 7. En verbeeld je niets in je geest en zeg niet in je hart dat je het niet weet en niet ziet: elke zonde wordt in de hemel elke dag opgeschreven voor het aangezicht van de Allerhoogste. 8. Van nu af weten jullie dat al het geweld dat jullie bedrijven elke dag opgeschreven wordt, tot aan de dag van jullie oordeel. 9. Wee jullie, dwazen, want door jullie dwaasheid zullen jullie vernietigd worden. En naar de wijzen luisteren jullie niet, en het goede zal jullie niet overkomen. 10. En weet nu dat jullie klaargemaakt zijn voor de dag van de ondergang. En hoop niet dat jullie zullen leven, zondaars, maar jullie zullen weggaan en sterven. Want jullie kennen geen losprijs, omdat jullie klaargemaakt zijn voor de dag van het grote oordeel en voor de dag van benauwdheid en grote schande voor jullie geest. 11. Wee jullie, hardvochtigen, die het kwade doen en bloed eten. Waar eten en drinken jullie het goede vandaan en waarvan worden jullie verzadigd? Van al het goede dat de Heere, onze Allerhoogste, overvloedig op de aarde uitgestort heeft. En jullie zullen geen vrede hebben. 12. Wee jullie die het werk van het onrecht liefhebben. Waarom hopen jullie op het goede? Weet dat jullie in de handen van de rechtvaardigen uitgeleverd zullen worden, en zij zullen jullie nek afsnijden en jullie doden en geen medelijden met jullie hebben. 13. Wee jullie die je verheugen in de benauwdheid van de rechtvaardigen, want voor jullie zal geen graf gegraven worden. 14. Wee jullie die het woord van de rechtvaardigen krachteloos maken, want jullie zullen geen hoop op leven hebben. 15. Wee jullie die leugenwoorden en woorden van de goddelozen opschrijven, want zij schrijven hun leugens op zodat men ze hoort en de dwaasheid niet vergeet. 16. En er zal voor hen geen vrede zijn, maar zij zullen een snelle dood sterven. ## Henoch 99 — Wee wie goddeloosheid bedrijven 1. Wee wie goddeloosheid bedrijven en wie leugentaal prijzen en groot maken: jullie zullen vergaan, en een goed leven zal niet voor jullie zijn. 2. Wee jullie die de woorden van de oprechtheid verdraaien en de eeuwige inzetting overtreden, en die zichzelf maken tot wat zij niet waren, tot zondaars: op de aarde zullen zij vertrapt worden. 3. Maak je in die dagen klaar, rechtvaardigen, om jullie gebeden op te heffen als een herinnering, en leg ze voor de engelen neer als een getuigenis, zodat die de zonde van de zondaars als een herinnering voor de Allerhoogste zullen neerleggen. 4. In die dagen zullen de volken in beroering raken, en de geslachten van de volken zullen opstaan op de dag van de ondergang. 5. En in die dagen zullen wie in nood zijn uittrekken en hun kinderen wegvoeren en hen achterlaten, zodat hun kinderen door hen zullen omkomen. Ja, terwijl zij nog zuigen zullen zij hen achterlaten en niet naar hen terugkeren, en zij zullen geen medelijden hebben met hun geliefden. 6. Opnieuw zweer ik jullie, zondaars, dat de zonde klaarligt voor een dag van bloedvergieten dat niet ophoudt. 7. En wie stenen aanbidden, en wie uitgehouwen beelden maken van goud en van zilver en van hout en van klei, en wie onreine geesten en boze geesten en allerlei afgoden aanbidden, en dat in heiligdommen: bij die zal geen enkele hulp te vinden zijn. 8. En zij zullen zichzelf kwijtraken door de dwaasheid van hun hart, en hun ogen zullen blind worden door de angst in hun hart en door de beelden van hun dromen. 9. Daardoor zullen zij goddeloos en angstig worden. Want al hun werk hebben zij in leugen gedaan, en zij hebben een steen aanbeden. Daarom zullen zij in een ogenblik vergaan. 10. Maar in die dagen zijn zij gelukkig die de woorden van de wijsheid aannemen, en die begrijpen, en die de wegen van de Allerhoogste bewandelen, en die op het pad van de gerechtigheid lopen en niet goddeloos worden met de goddelozen. Want zij zullen gered worden. 11. Wee jullie die kwaad over je naaste rondstrooien, want in het dodenrijk zullen jullie gedood worden. 12. Wee jullie die het fundament van zonde en bedrog leggen en die bitterheid brengen op de aarde, want daardoor zullen zij verteerd worden. 13. Wee jullie die je huizen bouwen van de zware arbeid van anderen, en al hun bouwwerk is metselwerk en steen van de zonde. Ik zeg jullie dat jullie geen vrede zullen hebben. 14. Wee wie de maat en het eeuwige erfdeel van hun vaderen minachten en hun ziel achter afgoden aan laten gaan, want voor hen zal er geen rust zijn. 15. Wee wie onrecht bedrijven en geweld helpen en hun naaste doden, tot de dag van het grote oordeel. 16. Want Hij zal jullie heerlijkheid neergooien en kwaad in jullie hart brengen en de geest van Zijn toorn opwekken, om jullie allemaal met het zwaard weg te vagen. En alle rechtvaardigen en heiligen zullen aan jullie zonden denken. ## Henoch 100 — Bloed als een beek 1. En in die dagen zullen op één plaats de vaders met hun zonen tegen elkaar neergeslagen worden, en broers zullen samen met hun naasten sterven, totdat hun bloed stroomt als een beek. 2. Want een man zal zijn hand niet inhouden tegen zijn zoon en tegen de zoon van zijn zoon, zodat hij hem zou sparen, maar hij doodt hem. En wie zondigt, zal zijn hand niet inhouden tegen zijn geëerde broer: van de dageraad tot de zon ondergaat zullen zij elkaar doden. 3. En het paard zal tot aan zijn borst door het bloed van de zondaars gaan, en de wagen zal tot aan zijn bovenkant wegzakken. 4. En in die dagen zullen de engelen neerdalen in de verborgen plaatsen en allen die de zonde geholpen hebben op één plaats bijeenbrengen. En de Allerhoogste zal op die dag opstaan om een groot oordeel over alle zondaars te voltrekken. 5. En over alle rechtvaardigen en heiligen zal Hij wachters aanstellen uit de heilige engelen, om hen te bewaren als de appel van het oog, totdat er een einde gemaakt is aan alle kwaad en alle zonde. En al slapen de rechtvaardigen een lange slaap, zij hoeven niets te vrezen. 6. En de wijze mensen zullen het met zekerheid zien, en de kinderen van de aarde zullen alle woorden van dit boek begrijpen, en zij zullen weten dat hun rijkdom hen niet kan redden bij de ondergang om hun zonden. 7. Wee jullie, zondaars, wanneer jullie de rechtvaardigen onderdrukken op de dag van zware benauwdheid en hen met vuur verbranden: jullie zullen vergolden worden naar je werken. 8. Wee jullie, hardvochtigen, die wakker liggen om kwaad te bedenken. Daarom zal de angst jullie overvallen, en er zal niemand zijn die jullie helpt. 9. Wee jullie, zondaars, want om de woorden van jullie mond en om de daden van jullie handen, waarmee jullie goddeloosheid bedreven hebben, zullen jullie branden in de gloed van een vuurvlam. 10. En weet nu dat de engelen in de hemel naar jullie daden zullen vragen, bij de zon en bij de maan en bij de sterren, over jullie zonden. Want op de aarde voltrekken jullie het oordeel over de rechtvaardigen. 11. En Hij zal tegen jullie laten getuigen: elke wolk en nevel en dauw en regen. Want die zullen allemaal bij jullie weggehouden worden, zodat zij niet op jullie neerdalen en geen acht slaan op jullie zonden. 12. Geef nu maar geschenken aan de regen, zodat hij niet weggehouden wordt van op jullie neerdalen, en aan de dauw, wanneer hij goud en zilver van jullie aangenomen heeft, zodat hij neerdaalt. 13. Wanneer de rijp en de sneeuw met hun kou op jullie vallen, en alle sneeuwstormen met al hun plagen, dan zullen jullie in die dagen niet tegen hen op kunnen. ## Henoch 101 — Kijk naar de hemel 1. Kijk naar de hemel, jullie allemaal, kinderen van de hemel, en naar al het werk van de Allerhoogste, en heb ontzag voor Hem, en doe geen kwaad voor Zijn aangezicht. 2. Als Hij de vensters van de hemel sluit en de regen en de dauw tegenhoudt zodat zij om jullie niet op de aarde neerdalen: wat zullen jullie dan doen? 3. En als Hij Zijn toorn over jullie en over al jullie daden stuurt, dan zullen jullie het niet zijn die Hem kunnen smeken. Want jullie spreken grote en harde woorden tegen Zijn gerechtigheid. Daarom zullen jullie geen vrede hebben. 4. En zien jullie de zeevaarders op de schepen niet, hoe hun schepen door de golven heen en weer geslingerd worden en door de winden geschud worden, en hoe zij in nood zitten? 5. En daarom zijn zij bang, omdat al hun goede bezit met hen mee de zee op gaat, en zij niets goeds in hun hart bedenken, want de zee zal hen verzwelgen en zij zullen erin vergaan. 6. Is niet de hele zee en al haar water en al haar bewegen het werk van de Allerhoogste? En heeft Hij niet al haar werking verzegeld en haar helemaal met het zand gebonden? 7. En bij Zijn dreigen droogt zij op en wordt zij bang, en al haar vissen sterven en alles wat in haar is. Maar jullie, zondaars op de aarde, hebben geen ontzag voor Hem. 8. Heeft Hij niet de hemel en de aarde gemaakt en alles wat daarin is? En wie heeft kennis en wijsheid gegeven aan alles wat zich op de aarde beweegt en aan wat in de zee is? 9. Hebben de zeevaarders op de schepen geen ontzag voor de zee? Maar de zondaars hebben geen ontzag voor de Allerhoogste. ## Henoch 102 — Wees niet bang, zielen van de rechtvaardigen 1. In die dagen, wanneer Hij een zwaar vuur over jullie brengt, waarheen zullen jullie vluchten en waar zullen jullie ontkomen? En wanneer Hij Zijn woord tegen jullie uitspreekt, zullen jullie dan niet schrikken en bang worden? 2. En alle lichten zullen in grote angst in beroering raken, en de hele aarde zal schrikken en beven en huiveren. 3. En alle engelen zullen hun opdrachten uitvoeren en zich willen verbergen voor het aangezicht van de Grote Heerlijkheid, en de kinderen van de aarde zullen beven en in paniek raken. En jullie, zondaars, zullen vervloekt zijn tot in eeuwigheid, en jullie zullen geen vrede hebben. 4. Wees niet bang, zielen van de rechtvaardigen, en zie met hoop uit naar de dag van jullie dood in gerechtigheid. 5. En wees niet bedroefd omdat jullie ziel in grote benauwdheid en in gehuil en in gejammer is neergedaald en in het dodenrijk in verdriet, en omdat jullie lichaam tijdens jullie leven niet naar jullie goedheid vergolden werd. Maar wacht liever op de dag waarop de zondaars geoordeeld worden, en op de dag van vloek en straf. 6. En wanneer jullie sterven, zullen de zondaars over jullie zeggen: Zoals wij sterven, zo sterven de rechtvaardigen. En wat hebben zij aan hun daden gehad? 7. Kijk, net als wij zijn zij gestorven in verdriet en in duisternis. En wat hebben zij meer dan wij? Van nu af zijn wij gelijk. 8. En wat zullen zij krijgen en wat zullen zij zien in eeuwigheid? Want kijk, ook zij zijn gestorven, en van nu af zullen zij in eeuwigheid geen licht zien. 9. Ik zeg jullie, zondaars: jullie hebben genoeg aan eten en drinken, en mensen naakt uitschudden en roven en zondigen en rijkdom verwerven en goede dagen zien. 10. Hebben jullie de rechtvaardigen gezien, hoe hun einde vrede was, omdat er bij hen tot de dag van hun dood geen geweld te vinden was? 11. En toch zijn zij vergaan en zijn zij geworden als mensen die er nooit geweest zijn, en hun zielen zijn in benauwdheid neergedaald in het dodenrijk. ## Henoch 103 — Wat er op de hemelse tafels geschreven staat 1. En nu zweer ik jullie, rechtvaardigen, bij Zijn grote heerlijkheid en eer, en bij Zijn schitterende koninkrijk en bij Zijn majesteit zweer ik jullie. 2. Want ik ken dit geheim, en ik heb op de hemelse tafels gelezen, en ik heb het geschrift van de heiligen gezien, en ik vond daarin geschreven en gegrift over hen: 3. dat alles wat goed is en vreugde en heerlijkheid voor hen klaarligt, en opgeschreven is voor de geesten van wie in gerechtigheid gestorven zijn; en dat jullie veel goeds gegeven zal worden als loon voor jullie werk, en dat jullie deel veel groter is dan het deel van wie nog leven. 4. En de geesten van jullie die in gerechtigheid gestorven zijn, zullen leven en zich verheugen, en hun geesten zullen blij zijn, en de herinnering aan hen zal blijven voor het aangezicht van de Grote, voor alle generaties van de wereld. En wees nu niet bang voor hun schande. 5. Wee jullie, zondaars, wanneer jullie sterven in jullie zonden, en wie zijn zoals jullie over jullie zeggen: Gelukkig zijn de zondaars; al hun dagen hebben zij gezien. 6. En nu zijn zij gestorven in voorspoed en in rijkdom, en benauwdheid en moord hebben zij in hun leven niet gezien. En zij zijn in eer gestorven, en tijdens hun leven is er geen oordeel over hen voltrokken. 7. Weet over hen: hun zielen zullen naar het dodenrijk gebracht worden, en zij zullen er ellendig aan toe zijn, en hun benauwdheid zal groot zijn. 8. En in duisternis en in strikken en in een brandende vlam, waar een groot oordeel is, zal jullie geest binnengaan. En het grote oordeel zal er zijn voor alle generaties, tot in eeuwigheid. Wee jullie, want jullie zullen geen vrede hebben. 9. Zeg niet over de rechtvaardigen en de goeden die nog leven: In de dagen van onze verdrukking hebben wij ons zwaar afgetobd en alle moeite gezien en veel kwaad meegemaakt, en wij zijn opgeteerd en met weinigen geworden, en onze geest is klein geworden. 10. En wij zijn te gronde gericht, en er was niemand die ons hielp met woord of daad. Wij waren machteloos en vonden niets. Wij werden gekweld en te gronde gericht, en wij hoopten van dag tot dag niet meer het leven te zien. 11. Wij hoopten het hoofd te zijn, en wij werden de staart. Wij zwoegden onder het werk, maar wij hadden geen macht over ons eigen werk, en wij werden voedsel voor de zondaars, en wie onrecht doen legden hun juk zwaar op ons. 12. En wie ons haten en ons vertrappen, heersten over ons. En voor wie ons haatten bogen wij onze nek, en zij hadden geen medelijden met ons. 13. En wij wilden bij hen weggaan om te ontsnappen en rust te vinden, maar wij vonden geen plaats waarheen wij konden vluchten en veilig zijn voor hen. 14. En wij klaagden hen aan bij de machthebbers in onze benauwdheid, en wij riepen tegen hen die ons verslonden, maar zij sloegen geen acht op ons geschreeuw en wilden onze stem niet horen. 15. En zij hielpen wie ons beroofden en verslonden en wie ons weinig in aantal maakten. En zij verborgen hun geweld en namen hun juk niet van ons weg, maar zij verslonden ons en verstrooiden ons en doodden ons, en zij hielden onze moord verborgen, en zij dachten er niet aan dat zij hun handen tegen ons opgeheven hadden. ## Henoch 104 — Jullie namen staan opgeschreven 1. Ik zweer jullie, rechtvaardigen, dat de engelen in de hemel aan jullie denken in jullie voordeel, voor de heerlijkheid van de Grote, en dat jullie namen opgeschreven worden voor de heerlijkheid van de Grote. 2. Wees vol hoop. Want vroeger werd jullie schande aangedaan door kwaad en verdrukking, maar nu zullen jullie schijnen als de lichten van de hemel en gezien worden, en de poorten van de hemel zullen voor jullie opengaan. 3. En roep in jullie geroep om gericht, en het zal aan jullie verschijnen. Want van de engelen zal al jullie benauwdheid opgeëist worden, en van allen die hen hielpen die jullie beroofden. 4. Wees vol hoop en gooi jullie hoop niet weg, want jullie zullen grote vreugde hebben, zoals de engelen van de hemel. 5. Dit staat jullie te wachten: jullie zullen je niet hoeven te verbergen op de dag van het grote gericht, en jullie zullen niet als zondaars bevonden worden, en het eeuwige gericht zal ver van jullie zijn, voor alle generaties van de wereld. 6. En wees nu niet bang, rechtvaardigen, wanneer jullie de zondaars sterk zien worden en zien slagen in wat zij willen. Wees geen deelgenoot van hen, maar houd je ver van hun geweld, want jullie zullen deelgenoot worden van de legers van de hemel. 7. Want ook al zeggen jullie, zondaars: Al onze zonden worden niet nagegaan en niet opgeschreven — toch schrijven zij al jullie zonden op, elke dag. 8. En nu laat ik jullie zien dat licht en duisternis, dag en nacht, al jullie zonden zien. 9. Wees niet goddeloos in je hart, en lieg niet, en verdraai de woorden van de oprechtheid niet, en beticht de woorden van de Heilige en Grote niet van leugen, en prijs jullie afgoden niet. Want al jullie leugen en al jullie goddeloosheid leiden niet tot gerechtigheid, maar tot grote zonde. 10. En nu ken ik dit geheim: dat veel zondaars de woorden van de oprechtheid zullen veranderen en verdraaien, en slechte woorden zullen spreken, en liegen, en grote verzinsels bedenken, en boeken schrijven over hun woorden. 11. Maar wanneer zij al mijn woorden getrouw opschrijven in hun talen, en niets veranderen of weglaten van mijn woorden, maar alles getrouw opschrijven, alles wat ik vroeger over hen getuigd heb, 12. dan ken ik nog een geheim: dat aan de rechtvaardigen en de wijzen de boeken gegeven zullen worden tot vreugde en oprechtheid en veel wijsheid. 13. En aan hen zullen de boeken gegeven worden, en zij zullen erin geloven en zich erover verheugen. En alle rechtvaardigen die daaruit alle paden van de oprechtheid geleerd hebben, zullen beloond worden. ## Henoch 105 — Ik en mijn Zoon 1. En in die dagen zei de Heere dat zij de kinderen van de aarde moesten bijeenroepen en hun moesten getuigen over hun wijsheid: Laat het hun zien, want jullie zijn hun leiders, en een beloning over de hele aarde. 2. Want ik en mijn Zoon zullen ons voor eeuwig met hen verenigen op de paden van de oprechtheid, in hun leven. En vrede zij met jullie. Verheug je, kinderen van de oprechtheid. Werkelijk waar. ## Henoch 106 — De geboorte van Noach 1. En na een aantal dagen nam mijn zoon Metuselach voor zijn zoon Lamech een vrouw, en zij werd zwanger van hem en baarde een zoon. 2. En zijn lichaam was wit als sneeuw en rood als de bloesem van een roos, en het haar van zijn hoofd en zijn lange lokken waren wit als wol, en zijn ogen waren mooi. En toen hij zijn ogen opende, verlichtte hij het hele huis als de zon, en het hele huis werd buitengewoon helder. 3. En toen hij opstond uit de handen van de verloskundige, deed hij zijn mond open en sprak tot de Heere van de gerechtigheid. 4. En Lamech, zijn vader, werd bang voor hem en vluchtte, en hij kwam bij zijn vader Metuselach. 5. En hij zei tegen hem: Ik heb een vreemde zoon verwekt, niet als een mens, maar hij lijkt op de kinderen van de engelen van de hemel. En zijn aard is anders, en hij is niet als wij, en zijn ogen zijn als de stralen van de zon, en zijn gezicht is schitterend. 6. En het lijkt mij dat hij niet uit mij is, maar dat hij uit de engelen is. En ik ben bang dat er in zijn dagen een wonder op de aarde zal gebeuren. 7. En nu, mijn vader, ben ik hier om u te smeken en u te vragen of u naar Henoch, onze vader, wilt gaan en van hem de waarheid wilt horen, want zijn woning is te midden van de engelen. 8. En toen Metuselach de woorden van zijn zoon hoorde, kwam hij bij mij, aan de einden van de aarde, want hij had gehoord dat ik daar was. En hij riep luid, en ik hoorde zijn stem en kwam naar hem toe, en ik zei tegen hem: Kijk, hier ben ik, mijn zoon, nu je naar mij toe gekomen bent. 9. En hij antwoordde mij en zei: Om een grote zaak ben ik naar u toe gekomen, en om een verontrustend visioen ben ik dichterbij gekomen. 10. En nu, mijn vader, luister naar mij: bij Lamech, mijn zoon, is een zoon geboren die zijns gelijke niet heeft, en zijn aard is niet als die van een mens. De kleur van zijn lichaam is witter dan sneeuw en roder dan de bloesem van een roos, en het haar van zijn hoofd is witter dan witte wol, en zijn ogen zijn als de stralen van de zon. En hij deed zijn ogen open en verlichtte het hele huis. 11. En hij stond op uit de handen van de verloskundige en deed zijn mond open en zegende de Heere van de hemel. 12. En zijn vader Lamech werd bang en vluchtte naar mij toe, en hij geloofde niet dat het kind uit hem was, maar dat het lijkt op de engelen van de hemel. En kijk, ik ben naar u toe gekomen zodat u mij de waarheid bekend maakt. 13. En ik, Henoch, antwoordde en zei tegen hem: De Heere zal nieuwe dingen op de aarde vernieuwen. En dit heb ik al in een visioen gezien en aan je bekend gemaakt: dat zij in het geslacht van Jered, mijn vader, het woord van de Heere uit de hoge hemel overtreden hebben. 14. En kijk, zij bedrijven zonde en overtreden de inzetting, en zij hebben zich met vrouwen verenigd en bedrijven zonde met hen, en zij hebben sommigen van hen tot vrouw genomen en kinderen bij hen verwekt. 15. En een groot verderf zal over de hele aarde komen, en er zal een watervloed zijn, en er zal in één jaar een groot verderf zijn. 16. Deze zoon die bij jullie geboren is, zal op de aarde overblijven, en zijn drie kinderen zullen met hem gered worden, wanneer alle mensen op de aarde sterven. Hij en zijn kinderen zullen gered worden. 17. Zij zullen op de aarde reuzen verwekken, niet naar de geest maar naar het vlees, en er zal een grote plaag op de aarde komen, en de aarde zal van alle onreinheid gereinigd worden. 18. En maak nu aan je zoon Lamech bekend dat wie geboren is werkelijk zijn zoon is, en noem hem Noach. Want hij zal voor jullie een overblijfsel zijn, en hij en zijn kinderen zullen gered worden van het verderf dat over de aarde komt, van alle zonde en van al het onrecht dat in zijn dagen op de aarde vol zal worden. 19. En daarna zal er nog meer onrecht zijn dan wat eerder op de aarde vol geworden was. Want ik ken de geheimen van de heiligen, want Hij, de Heere, heeft het mij laten zien en bekend gemaakt, en ik heb het gelezen op het gewelf van de hemel. ## Henoch 107 — Hij zal de aarde troosten 1. En ik zag over hen geschreven staan dat generatie na generatie zal overtreden, totdat er een geslacht van de gerechtigheid opstaat, en de overtreding vernietigd wordt en de zonde van de aarde weggenomen wordt, en al het goede over haar komt. 2. En nu, mijn zoon, ga en maak aan je zoon Lamech bekend dat deze zoon die geboren is werkelijk zijn eigen zoon is, en dat het geen leugen is. 3. En toen Metuselach de woorden van zijn vader Henoch gehoord had, want hij had hem alle verborgen dingen laten zien, keerde hij terug nadat hij het gezien had, en hij noemde die zoon Noach, want hij zal de aarde troosten van al het verderf. ## Henoch 108 — Het laatste boek van Henoch 1. Nog een boek dat Henoch schreef voor zijn zoon Metuselach en voor wie na hem komen en de inzetting bewaren in de laatste dagen. 2. Jullie die goed gedaan hebben, wacht in deze dagen totdat er een einde gemaakt is aan wie kwaad doen en totdat de macht van de overtreders voorbij is. 3. Maar jullie, wacht totdat de zonde voorbijgaat. Want hun naam zal uitgewist worden uit de boeken van de heiligen, en hun nageslacht zal voor eeuwig vernietigd worden, en hun geesten zullen gedood worden. En zij zullen roepen en jammeren op een woeste, verlaten plaats die je niet ziet, en in het vuur zullen zij branden, want daar is geen aarde. 4. En ik zag daar iets als een onzichtbare wolk, want zij was zo diep dat ik er niet overheen kon kijken. En ik zag een vlam van vuur die helder brandde, en dingen als schitterende bergen die ronddraaiden en heen en weer geslingerd werden. 5. En ik vroeg het aan een van de heilige engelen die bij mij was, en ik zei tegen hem: Wat is dat glinsterende? Want het is geen hemel, maar alleen een vlam van laaiend vuur, en het geluid van geroep en gehuil en gejammer en hevige pijn. 6. En hij zei tegen mij: Deze plaats die je ziet — hierheen worden de geesten gegooid van de zondaars en de lasteraars, en van wie kwaad doen, en van wie alles verdraaien wat God gesproken heeft door de mond van de profeten, de dingen die gebeuren zullen. 7. Want sommige daarvan zijn opgeschreven en gegrift boven in de hemel, zodat de engelen ze zouden lezen en zouden weten wat de zondaars zal overkomen, en de geesten van de nederigen, en van wie hun lichaam gekweld hebben en door God vergolden zijn, en van wie door slechte mensen te schande gemaakt zijn, 8. die God liefhadden en die goud noch zilver noch enig goed ding van de wereld liefhadden, maar hun lichaam aan het wegkwijnen overgaven, 9. en die vanaf het moment dat zij bestonden geen aards voedsel verlangden, maar zichzelf beschouwden als een ademtocht die voorbijgaat, en die dat volhielden. En de Heere stelde hen vaak op de proef, en hun geesten werden zuiver bevonden, zodat zij Zijn naam zouden zegenen. 10. En al hun zegeningen heb ik in de boeken verteld, en Hij heeft hun hun loon toebedeeld. Want zij bleken de hemel meer lief te hebben dan hun eigen leven, en terwijl zij door slechte mensen vertrapt werden en van hen smaad en laster hoorden en te schande gemaakt werden, zegenden zij Hem toch. 11. En nu zal ik de geesten van de goeden roepen uit het geslacht dat licht is, en ik zal hen veranderen die in duisternis geboren zijn, die in hun lichaam niet met eer vergolden zijn zoals hun geloof verdiende. 12. En ik zal hen in helder licht naar buiten brengen die mijn heilige naam liefhebben, en ik zal ieder van hen op de troon van zijn eer laten zitten. 13. En zij zullen schitteren voor tijden zonder getal. Want gerechtigheid is het oordeel van God, want aan de betrouwbaren geeft Hij trouw in de woning van de rechte paden. 14. En zij zullen zien hoe wie in duisternis geboren zijn, in de duisternis gegooid worden, terwijl de rechtvaardigen schitteren. 15. En de zondaars zullen roepen en hen zien schitteren, en zij zullen zelf gaan naar de plaats waar dagen en tijden voor hen zijn vastgesteld. ## Jubileeën 1 — Mozes op de berg Sinaï 1. In het eerste jaar nadat de Israëlieten uit Egypte waren vertrokken, op de zestiende dag van de derde maand, zei God tegen Mozes: Kom bij mij op de berg. Dan geef ik je twee stenen platen met de wet en de geboden die ik heb opgeschreven, zodat jij het volk kunt onderwijzen. 2. Mozes ging de berg van God op. De heerlijkheid van God bleef op de berg Sinaï rusten, en zes dagen lang bedekte een wolk de berg. 3. Op de zevende dag riep God Mozes vanuit de wolk. De heerlijkheid van God zag eruit als een brandend vuur op de top van de berg. 4. Mozes bleef veertig dagen en veertig nachten op de berg. 5. God zei tegen hem: Let goed op elk woord dat ik je op deze berg vertel, en schrijf het op in een boek. Dan kunnen hun nakomelingen later zien dat ik hen niet in de steek heb gelaten, ondanks al het kwaad dat ze hebben gedaan. Want ze hebben het verbond gebroken dat ik vandaag op de berg Sinaï met jou sluit, voor al hun generaties. 6. Als dit allemaal over hen komt, zullen ze erkennen dat ik rechtvaardiger ben geweest dan zij, in al mijn oordelen over hen en in alles wat ze deden. Dan zullen ze erkennen dat ik echt met hen ben geweest. 7. En jij, schrijf voor jezelf alles op wat ik je vandaag vertel. Want ik ken hun opstandigheid en hun koppigheid al, nog voordat ik hen breng in het land dat ik met een eed heb beloofd aan Abraham, Izak en Jakob. Ik zei toen: Aan jullie nakomelingen zal ik een land geven dat overvloeit van melk en honing. 8. Maar ze zullen zich tot vreemde goden wenden, goden die hen uit geen enkele nood kunnen redden. 9. Ze zullen al mijn geboden vergeten, alles wat ik hun opdraag. Ze zullen de andere volken achternalopen, met hun onreinheid en hun schandelijke gewoonten. Ze zullen hun goden dienen, en die goden worden voor hen een struikelblok, een bron van ellende en onderdrukking, en een valstrik. 10. Velen zullen omkomen. Ze zullen gevangengenomen worden en in handen van de vijand vallen. Want ze hebben mijn voorschriften en geboden verlaten, en ook de feesten van mijn verbond, mijn sabbatten en mijn heilige plaatsen, die ik midden onder hen voor mezelf heilig heb gemaakt. 11. Ze hebben offerplaatsen op de heuvels gemaakt, heilige bossen en gesneden beelden. Iedereen aanbad zijn eigen beeld, en zo raakten ze op een dwaalspoor. Ze offeren hun kinderen aan boze geesten en aan alles wat hun dwalende hart bedenkt. 12. Ik zal getuigen naar hen toe sturen om hen te waarschuwen, maar ze zullen niet luisteren. Ze zullen de getuigen zelfs doden en iedereen vervolgen die de wet zoekt. Ze zullen alles afschaffen en gaan doen wat slecht is in mijn ogen. 13. Dan zal ik mijn gezicht voor hen verbergen. Ik zal hen uitleveren aan de andere volken, die hen gevangen zullen wegvoeren, beroven en verslinden. 14. Ze zullen mijn hele wet vergeten, al mijn geboden en al mijn bepalingen. Ze zullen zich vergissen in de nieuwe maan, de sabbat, de feesten, het jubeljaar en alles wat ik heb ingesteld. 15. Maar daarna zullen ze vanuit de andere volken naar mij terugkeren, met heel hun hart, heel hun ziel en al hun kracht. Ik zal hen uit al die volken bijeenbrengen. Ze zullen mij zoeken, en ik laat me door hen vinden als ze mij met heel hun hart en heel hun ziel zoeken. Dan zal ik hun volop vrede en gerechtigheid geven. 16. Ik zal hen opnieuw planten als een gezonde, rechte plant, met heel mijn hart en heel mijn ziel. Ze zullen tot zegen zijn en niet tot vloek. Ze zullen het hoofd zijn en niet de staart. 17. Ik zal mijn heiligdom midden onder hen bouwen en bij hen wonen. Ik zal hun God zijn, en zij zullen echt en oprecht mijn volk zijn. 18. Ik zal hen niet in de steek laten en niet verstoten, want ik ben God, hun God. 19. Mozes viel op zijn gezicht, bad en zei: Heere, mijn God, laat Uw volk en Uw eigendom niet in de steek, zodat ze hun dwalende hart gaan volgen. Lever hen niet uit aan de andere volken. Laat die niet over hen heersen en hen niet tot zonde tegen U brengen. 20. Heere, laat Uw barmhartigheid groot zijn over Uw volk. Geef hun een oprechte geest. Laat de geest van Belial geen macht over hen krijgen. Laat hem hen niet bij U aanklagen en hen niet in de val lokken, zodat ze de goede weg verlaten en voor Uw ogen omkomen. 21. Want ze zijn Uw volk en Uw eigendom. U hebt hen met Uw grote kracht bevrijd uit de macht van Egypte. 22. God zei tegen Mozes: Ik weet hoe ze tegenspreken, wat ze denken en hoe koppig ze zijn. Ze zullen niet luisteren totdat ze hun eigen zonde erkennen en de zonden van hun voorouders. 23. Daarna zullen ze oprecht naar mij terugkeren, met heel hun hart en heel hun ziel. 24. Ze zullen zich met hart en ziel aan mij en mijn geboden vasthouden, en ze zullen die geboden ook doen. Ik zal hun Vader zijn, en zij zullen mijn kinderen zijn. 25. Ze zullen allemaal kinderen van de levende God genoemd worden. Elke engel en elke geest zal hen kennen. Ze zullen weten dat zij mijn kinderen zijn, dat ik oprecht en rechtvaardig hun Vader ben en dat ik van hen houd. 26. En jij, schrijf voor jezelf alles op wat ik je op deze berg vertel: wat eerst gebeurde en wat later zal gebeuren, en hoe de tijd is ingedeeld volgens de wet en de getuigenis, in jaarweken en jubeljaren, tot in eeuwigheid. 27. Toen zei Hij tegen de engel die voor Hem staat: Schrijf voor Mozes op wat er gebeurt vanaf het begin van de schepping tot de tijd dat mijn heiligdom midden onder hen gebouwd is, voor altijd. 28. Dan zal God voor de ogen van iedereen verschijnen. Iedereen zal weten dat ik de God van Israël ben, de Vader van alle kinderen van Jakob, en voor altijd Koning op de berg Sion. Sion en Jeruzalem zullen heilig zijn. 29. De engel die voor God staat en die voor het leger van Israël uit trok, nam de platen waarop de indeling van de jaren stond. Die indeling begon bij de schepping en volgde de wet en de getuigenis, in jaarweken en jubeljaren, jaar voor jaar en in hun volle aantal. Ze liep door tot de dag van de nieuwe schepping, als de hemel en de aarde en alles wat daarop geschapen is vernieuwd worden, net als de machten van de hemel en heel de schepping op aarde, en tot de dag dat het heiligdom van God in Jeruzalem op de berg Sion gebouwd wordt. ## Jubileeën 2 — De schepping en de sabbat 1. Op bevel van God zei de engel die voor Hem staat tegen Mozes: Schrijf het hele verhaal van de schepping op: hoe God in zes dagen al Zijn werk voltooide en alles wat Hij had geschapen, en hoe Hij op de zevende dag rustte. Hij maakte die dag voor altijd heilig en maakte hem tot een teken voor al Zijn werk. 2. Want op de eerste dag schiep Hij de hemelen daarboven, de aarde en het water, en alle geesten die Hem dienen: de engelen die voor Hem staan en de engelen die aan Hem gewijd zijn; de engelen van de geesten van het vuur, van de winden en van de wolken, van de duisternis, van de hagel en van de rijp; de engelen van de stemmen, van de donder en van de bliksem; en de engelen van de geesten van de kou en de hitte, van winter, lente, herfst en zomer, en van alle geesten van Zijn werken in de hemel, op de aarde en in alle diepten. Ook schiep Hij de duisternis en het licht, de dageraad en de avond, die Hij in Zijn wijsheid had bedacht. 3. Toen wij Zijn werken zagen, prezen wij Hem en loofden wij Hem om alles wat Hij had gemaakt. Want op de eerste dag maakte Hij zeven grote werken. 4. Op de tweede dag maakte Hij het hemelgewelf midden in het water. Op die dag werd het water verdeeld: de ene helft ging omhoog, boven het gewelf, en de andere helft daalde neer, onder het gewelf, over de hele aarde. Dit was het enige werk dat Hij op de tweede dag deed. 5. Op de derde dag deed Hij wat Hij tegen het water had gezegd: het water moest zich van de hele aarde terugtrekken naar één plaats, zodat het droge land tevoorschijn kwam. 6. Het water deed wat Hij had gezegd. Het trok zich van de aarde terug naar één plaats, buiten het gewelf, en het droge land kwam tevoorschijn. 7. Op die dag schiep Hij voor de aarde alle zeeën, elk met zijn eigen verzamelplaats, alle rivieren en alle plaatsen waar het water zich verzamelt, in de bergen en op de hele aarde. 8. Op de vierde dag maakte God de zon, de maan en de sterren. Hij plaatste ze aan het hemelgewelf, zodat ze licht zouden geven op de hele aarde. 9. God maakte de zon tot een groot teken op aarde: voor de dagen, de sabbatten, de maanden, de feesten, de jaren, de sabbatjaren, de jubeljaren en alle tijden van het jaar. 10. De zon scheidt het licht van de duisternis. Ze zorgt ervoor dat alles gedijt wat op aarde opkomt en groeit. 11. Op de vijfde dag schiep Hij de grote zeedieren diep in het water. Zij waren de eerste wezens van vlees en bloed die Zijn handen maakten. Ook schiep Hij alles wat in het water beweegt, de vissen, en alles wat vliegt, de vogels, met al hun soorten. 12. De zon ging over hen op en zorgde voor hun welzijn, en voor alles wat op aarde was. 13. Op de zesde dag maakte Hij alle wilde dieren, al het vee en alles wat over de aarde kruipt. 14. Na dit alles maakte Hij de mens, een man en een vrouw. Hij gaf de mens de heerschappij over alles op de aarde en in de zeeën, over alles wat vliegt, over de wilde dieren en het vee, over alles wat over de aarde kruipt en over de hele aarde. Over dat alles gaf Hij hem de heerschappij. 15. Alles bij elkaar waren het tweeëntwintig soorten. 16. Op de zesde dag voltooide Hij al Zijn werk: alles in de hemel en op de aarde, in de zeeën en in de diepten, in het licht en in de duisternis, alles. 17. Hij gaf ons een groot teken: de sabbat. Zes dagen moeten wij werken, en op de zevende dag moeten wij rusten van al ons werk. 18. Tegen alle engelen die voor Hem staan en alle engelen die aan Hem gewijd zijn, die twee grote groepen, zei Hij dat wij met Hem moesten rusten, in de hemel en op de aarde. 19. Hij zei tegen ons: Kijk, ik zal voor mezelf een volk apart zetten uit alle volken, en ook zij zullen de sabbat houden. Ik zal dat volk voor mij heilig maken en het zegenen, zoals ik de sabbat heilig heb gemaakt. Zo maak ik hen heilig en zegen ik hen. Zij zullen mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn. 20. Uit alles wat ik zie, heb ik de nakomelingen van Jakob uitgekozen. Ik heb hem opgeschreven als mijn eerstgeboren zoon en hem voor altijd voor mij heilig gemaakt. 21. Hij maakte de sabbat voor hen tot een teken, zodat ook zij samen met ons de sabbat zouden houden op de zevende dag: om te eten en te drinken en Hem te prijzen die alles heeft geschapen. Want Hij had een volk gezegend en voor Zich heilig gemaakt dat boven alle volken uitsteekt, zodat het samen met ons de sabbat zou houden. 22. Hij liet Zijn geboden opstijgen als een aangename geur, die Hem altijd welgevallig is. 23. Van Adam tot Jakob waren er tweeëntwintig stamvaders van de mensheid. 24. Aan hen werd gegeven dat zij altijd gezegend en heilig zouden zijn. 25. Hij schiep de hemel, de aarde en alles wat geschapen is in zes dagen. 26. En jij, geef de Israëlieten opdracht om deze dag te houden en heilig te maken. Ze mogen er geen enkel werk op doen en hem niet ontheiligen, want hij is heiliger dan alle andere dagen. 27. Wie die dag ontheiligt, moet sterven. Wie op die dag werkt, moet sterven, voor altijd. 28. Maar ieder mens die de sabbat houdt en op die dag rust van al zijn werk, zal altijd heilig en gezegend zijn, net als wij. 29. Vertel de Israëlieten wat er voor deze dag is bepaald: ze moeten erop rusten en de dag niet loslaten door hun dwalende hart te volgen. Laat niemand op die dag werk doen dat niet past, of doen waar hij zelf zin in heeft. 30. Ze mogen op die dag niets van het ene huis naar het andere dragen, want die dag is heiliger en meer gezegend dan alle dagen van het jubeljaar van de jubeljaren. Wij hielden de sabbat al in de hemel, voordat aan een mens bekend werd gemaakt dat hij hem op aarde moest houden. 31. De Schepper van alles heeft deze dag gezegend. Maar Hij heeft niet elk volk en elke natie heilig gemaakt om de sabbat te houden, alleen Israël. Aan Israël alleen heeft Hij gegeven om op die dag op aarde te eten, te drinken en de sabbat te houden. 32. De Schepper van alles, die deze dag heeft gemaakt, heeft hem gezegend en hem heilig en heerlijk gemaakt, meer dan alle andere dagen. 33. Deze wet en getuigenis werd aan de Israëlieten gegeven als een eeuwige wet voor al hun generaties. ## Jubileeën 3 — Adam en Eva in de tuin van Eden 1. In de zes dagen van de tweede week brachten wij, op bevel van God, alle wilde dieren, al het vee, alle vogels en alles wat over de aarde kruipt bij Adam. 2. Adam gaf ze allemaal een naam, elk dier zijn eigen naam. Zoals hij ze noemde, zo heetten ze. 3. In die vijf dagen zag Adam het allemaal: van elke soort op aarde een mannetje en een vrouwtje. Maar hij was alleen. Er was niemand voor hem die hem hielp en bij hem paste. 4. God zei tegen ons: Het is niet goed dat de mens alleen is. Laten we iemand voor hem maken die hem helpt en bij hem past. 5. God, onze God, liet Adam diep in slaap vallen, en hij sliep. 6. Toen maakte Hij Adam wakker uit zijn slaap. 7. Daarom zijn man en vrouw één. Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw verbinden. Samen zullen ze één vlees worden. 8. In de eerste week werd Adam geschapen, en ook de rib: zijn vrouw. In de tweede week liet God haar aan hem zien. 9. Toen Adam veertig dagen in het land was geweest waar hij geschapen was, brachten wij hem naar de tuin van Eden om die te bewerken en te bewaken. 10. Daarom staat op de platen in de hemel een gebod voor een vrouw die een kind krijgt. Krijgt ze een zoon, dan is ze zeven dagen onrein, net als in die eerste zeven dagen. Daarna blijft ze nog drieëndertig dagen in haar reinigingsperiode vanwege het bloedverlies. In die tijd mag ze niets heiligs aanraken en niet in het heiligdom komen, totdat die dagen voor een zoon voorbij zijn. 11. Krijgt ze een dochter, dan is ze twee weken onrein, net als in die eerste twee weken. Daarna blijft ze nog zesenzestig dagen in haar reinigingsperiode vanwege het bloedverlies. Samen zijn dat tachtig dagen. 12. Toen voor haar die tachtig dagen voorbij waren, brachten wij haar in de tuin van Eden. Want die tuin is heiliger dan de hele aarde, en elke boom die erin geplant is, is heilig. 13. Daarom is voor een vrouw die een zoon of een dochter krijgt vastgelegd hoeveel dagen het duurt: ze mag niets heiligs aanraken en niet in het heiligdom komen, totdat die dagen voor de zoon of de dochter voorbij zijn. 14. Dit is de wet en de getuigenis die voor Israël is opgeschreven, zodat ze die altijd zouden houden. 15. In de eerste jaarweek van het eerste jubeljaar woonden Adam en zijn vrouw zeven jaar in de tuin van Eden. Hij bewerkte en bewaakte die. Wij gaven hem werk en leerden hem alles wat nodig was om de tuin te bewerken. 16. Hij bewerkte de tuin. Hij was naakt, maar hij wist het niet en schaamde zich niet. Hij beschermde de tuin tegen de vogels, de wilde dieren en het vee. Hij verzamelde de vruchten en at ervan, en wat overbleef, legde hij als voorraad opzij voor zichzelf en zijn vrouw. 17. Zo gingen de zeven jaar voorbij die hij daar doorbracht, precies zeven jaar. 18. De vrouw zei tegen de slang: Van alle vruchten van de bomen in de tuin heeft God tegen ons gezegd: Eet ervan. 19. De slang zei tegen de vrouw: Jullie zullen beslist niet sterven. God weet namelijk dat jullie ogen opengaan op de dag dat jullie ervan eten. Dan zullen jullie als goden zijn en goed en kwaad kennen. 20. De vrouw zag dat de boom aantrekkelijk was en mooi om te zien, en dat de vrucht goed was om te eten. 21. Zij was de eerste die haar naaktheid bedekte, met vijgenbladeren. 22. Adam nam vijgenbladeren, naaide ze aan elkaar, maakte er een schort van en bedekte zijn naaktheid. 23. God vervloekte de slang en bleef voor altijd kwaad op haar. 24. Ik zal je pijn en je verdriet veel groter maken. Met pijn zul je kinderen krijgen. Je zult naar je man verlangen, en hij zal over je heersen. 25. Ook tegen Adam zei Hij: Je hebt naar je vrouw geluisterd en gegeten van de boom waarvan ik je had gezegd dat je er niet van mocht eten. 26. Hij maakte kleren van dierenhuiden voor hen, trok die hun aan en stuurde hen weg uit de tuin van Eden. 27. Op die dag, toen hij de tuin van Eden verliet, bracht Adam een reukoffer als aangename geur: galban, mirresap, geurige hars en nardus. Dat deed hij 's morgens bij zonsopgang, op de dag dat hij zijn naaktheid bedekte. 28. Op die dag werd de mond gesloten van alle wilde dieren, van het vee, van de vogels en van alles wat loopt en kruipt, zodat ze niet meer konden spreken. Tot dan toe spraken ze allemaal met elkaar in één en dezelfde taal. 29. Hij stuurde alle levende wezens die in de tuin van Eden waren weg uit de tuin. Ze werden verspreid, elk naar zijn soort, naar de plaats die voor hen geschapen was. 30. Maar alleen Adam gaf Hij iets om zijn naaktheid mee te bedekken, en geen van de wilde dieren of het vee. 31. Daarom is op de platen in de hemel geboden dat iedereen die de wet kent zijn naaktheid bedekt en zich niet ontbloot, zoals de andere volken dat doen. 32. Op de eerste dag van de vierde maand vertrokken Adam en zijn vrouw uit de tuin van Eden. Ze gingen wonen in het land Elda, het land waar zij geschapen waren. 33. Adam noemde zijn vrouw Eva. 34. Tot aan het eerste jubeljaar kregen ze geen zoon. 35. Adam bewerkte de grond zoals hij dat in de tuin van Eden had geleerd. ## Jubileeën 4 — Van Kaïn en Abel tot Noach 1. In de derde jaarweek van het tweede jubeljaar kreeg Eva Kaïn, en in de vierde jaarweek kreeg ze Abel. 2. In het eerste jaar van het derde jubeljaar doodde Kaïn zijn broer. 3. Hij doodde hem in het veld. Het bloed van Abel riep vanaf de aarde tot in de hemel en klaagde om hem die vermoord was. 4. God strafte Kaïn omdat hij Abel had gedood. Hij maakte hem een vluchteling op aarde vanwege het bloed van zijn broer, en Hij vervloekte hem op de aarde. 5. Daarom staat op de platen in de hemel geschreven: Vervloekt is wie zijn naaste met kwade opzet doodslaat. En laat iedereen die het gezien heeft zeggen: Zo moet het zijn. En wie het gezien heeft maar het niet heeft gemeld, moet net zo vervloekt zijn als de dader. 6. Daarom melden wij, als wij bij God, onze God, komen, alle zonde die er gebeurt in de hemel en op de aarde, in het licht en in de duisternis, overal. 7. Adam en zijn vrouw rouwden vier jaarweken lang om Abel. 8. In de zesde jaarweek kreeg Eva een dochter, Azura. 9. Kaïn trouwde met zijn zus Awan, en aan het einde van het vierde jubeljaar kreeg zij Henoch. 10. Adam sliep met zijn vrouw Eva, en ze kreeg nog negen zonen. 11. In de vijfde jaarweek van het vijfde jubeljaar trouwde Seth met zijn zus Azura. In het vierde jaar van die jaarweek kreeg zij Enos. 12. Enos was de eerste die op aarde de naam van God aanriep. 13. In de derde jaarweek van het zevende jubeljaar trouwde Enos met zijn zus Noam. In het derde jaar van de vijfde jaarweek kreeg zij een zoon, en hij noemde hem Kenan. 14. Aan het einde van het achtste jubeljaar trouwde Kenan met zijn zus Mualelit. In het negende jubeljaar, in het derde jaar van de eerste jaarweek, kreeg zij een zoon, en hij noemde hem Mahalal-el. 15. In de tweede jaarweek van het tiende jubeljaar trouwde Mahalal-el met Dina, de dochter van Barakeël. Zij was een dochter van zijn tante, de zus van zijn vader. 16. In de vierde jaarweek van het elfde jubeljaar trouwde Jered met Baraka, de dochter van Rasueël. Zij was een dochter van zijn tante, de zus van zijn vader. 17. Henoch was de eerste van alle mensen die op aarde geboren waren die het schrift, kennis en wijsheid leerde. 18. Hij was de eerste die een getuigenis opschreef. Hij waarschuwde de mensen van alle generaties op aarde. Hij beschreef de jaarweken van de jubeljaren, maakte de dagen van de jaren bekend, zette de maanden op volgorde en beschreef de sabbatjaren, zoals wij het hem hadden uitgelegd. 19. In een droom zag hij wat er was gebeurd en wat er zou gebeuren: hoe het de mensen zou vergaan, generatie na generatie, tot aan de dag van het oordeel. Hij zag en begreep alles. 20. In de zevende jaarweek van het twaalfde jubeljaar trouwde hij met Edni, de dochter van Daniël. Zij was een dochter van zijn tante, de zus van zijn vader. 21. Daarna was hij zes jubeljaren lang bij de engelen van God. 22. Hij getuigde tegen de wachters, die gezondigd hadden met de dochters van de mensen. 23. Hij werd bij de mensen weggenomen, en wij brachten hem met grote eer naar de tuin van Eden. 24. Om hem kwam het water van de vloed niet over het land van Eden. Want hij was daar geplaatst als een teken, om te getuigen tegen alle mensen en alles te vertellen wat de generaties doen, tot aan de dag van het oordeel. 25. Hij brandde 's avonds het reukwerk van het heiligdom op de berg, en dat was God welgevallig. 26. Want God heeft vier plaatsen op aarde: de tuin van Eden, de berg van het oosten, deze berg waarop jij vandaag staat, de berg Sinaï, en de berg Sion. Die zal in de nieuwe schepping heilig gemaakt worden om de aarde heilig te maken. Daardoor zal de aarde, generatie na generatie, gereinigd worden van alle schuld en onreinheid. 27. In het eerste jaar van de derde jaarweek van het veertiende jubeljaar trouwde Methusalach met Edna, de dochter van Ezraël. Zij was een dochter van zijn tante, de zus van zijn vader. Hij kreeg een zoon en noemde hem Lamech. 28. In de derde jaarweek van het vijftiende jubeljaar trouwde Lamech met Betenos, de dochter van Barakeël. Zij was een dochter van zijn tante, de zus van zijn vader. In die jaarweek kreeg zij een zoon. Lamech noemde hem Noach en zei: Deze jongen zal mij troosten in mijn verdriet, bij al mijn werk en om de grond die God heeft vervloekt. 29. Aan het einde van het negentiende jubeljaar, in het zesde jaar van de zevende jaarweek, stierf Adam. Al zijn zonen begroeven hem in het land waar hij geschapen was. 30. Er ontbraken zeventig jaar aan de duizend jaar. Want duizend jaar is als één dag, volgens de getuigenis van de hemel. 31. Aan het einde van dit jubeljaar, in hetzelfde jaar, werd ook Kaïn gedood. Zijn huis stortte op hem in. Hij stierf in zijn eigen huis, gedood door de stenen ervan. 32. Daarom staat op de platen in de hemel vastgelegd: Met hetzelfde voorwerp waarmee iemand zijn naaste doodt, moet hij zelf gedood worden. Zoals hij de ander heeft verwond, zo moet men hem ook doen. 33. In het vijfentwintigste jubeljaar trouwde Noach met Emzara, de dochter van Rakiël. Zij was een dochter van zijn zus. ## Jubileeën 5 — Het oordeel en de vloed 1. De mensen werden steeds talrijker op de hele aarde, en ze kregen dochters. 2. Toen nam het onrecht op aarde toe. Alles wat leefde bedierf zijn manier van leven: mensen, vee, wilde dieren, vogels en alles wat over de aarde loopt. Ze bedierven allemaal hun wegen en de orde die voor hen gold. 3. God keek naar de aarde en zag dat die verdorven was. Alles wat leefde had zijn orde bedorven, en alles op aarde deed wat slecht was in Zijn ogen. 4. Hij zei dat Hij de mens zou uitroeien, en alles wat op aarde leefde en wat Hij had geschapen. 5. Alleen Noach vond genade bij Hem. 6. Op Zijn engelen, die Hij naar de aarde had gestuurd, was Hij heel erg kwaad. Hij besloot hun al hun macht af te nemen. 7. Over hun zonen sprak Hij het vonnis uit dat ze met het zwaard gedood zouden worden en van onder de hemel weggenomen. 8. Hij zei: Mijn Geest zal niet voor altijd in de mens blijven, want de mensen zijn sterfelijk. Ze zullen niet langer dan 120 jaar leven. 9. Hij stuurde Zijn zwaard op hen af, zodat ze elkaar doodden. 10. Hun vaders, de engelen, keken toe. Daarna werden die vastgebonden in de diepten van de aarde, tot aan de dag van het grote oordeel. Dan wordt er recht gesproken over allen die hun manier van leven en hun daden voor God bedorven hebben. 11. Hij roeide hen allemaal uit op hun plaatsen. Er bleef niemand over die Hij niet oordeelde naar al zijn slechtheid. 12. Voor al Zijn werken maakte Hij een nieuwe en rechtvaardige natuur, zodat ze nooit meer zouden zondigen, tot in eeuwigheid. 13. Het oordeel over hen allemaal is vastgelegd en opgeschreven op de platen in de hemel, en er is geen onrecht bij. 14. Er is niets in de hemel of op de aarde, in het licht of in de duisternis, in het dodenrijk of in de diepte, dat niet geoordeeld wordt. 15. Iedereen wordt geoordeeld: de groten naar hun grootheid, de kleinen naar hun kleinheid, ieder naar zijn eigen weg. 16. Hij is niet partijdig en laat Zich niet omkopen als Hij zegt dat Hij over iemand het oordeel zal uitvoeren. Al zou iemand alles geven wat er op aarde is, Hij trekt niemand voor en neemt niets van hem aan, want Hij is een rechtvaardige Rechter. 17. Over de Israëlieten staat geschreven en vastgelegd: Als ze zich oprecht tot Hem bekeren, zal Hij al hun overtredingen en al hun zonden vergeven. 18. Er staat geschreven en is vastgelegd dat Hij Zich zal ontfermen over iedereen die zich afkeert van al zijn dwalingen. 19. Maar niemand die vóór de vloed zijn manier van leven en zijn denken had bedorven, werd door Hem aanvaard, alleen Noach. Hem aanvaardde Hij, en ter wille van hem ook zijn zonen, die Hij om hem uit het water van de vloed redde. Want Noachs hart was rechtvaardig in alles wat hij deed. 20. God zei dat Hij alles zou uitroeien wat op het droge leeft: mensen, vee, wilde dieren, vogels en alles wat over de aarde kruipt. 21. Hij droeg Noach op een ark te bouwen, zodat hij gered zou worden uit het water van de vloed. 22. Noach bouwde de ark precies zoals God hem had opgedragen, in het vijfde jaar van de vijfde jaarweek van het tweede jubeljaar. 23. In het zesde jaar van die jaarweek, vanaf de eerste dag van de tweede maand tot de zestiende dag, ging hij de ark in, samen met alles wat wij bij hem brachten. 24. God opende de zeven sluizen van de hemel en de monden van de bronnen van de grote diepte, zeven in getal. 25. Veertig dagen en veertig nachten stortte het water uit de sluizen van de hemel naar beneden. 26. Het water steeg op de aarde tot vijftien el boven elke hoge berg. De ark werd van de aarde opgetild en dreef op het water. 27. Vijf maanden lang, 150 dagen, bleef het water op de aarde staan. 28. De ark dreef verder en kwam tot rust op de top van de Lubar, een van de bergen van Ararat. 29. In de vierde maand werden de bronnen van de grote diepte gesloten, en ook de sluizen van de hemel werden dichtgedaan. 30. Op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar. 31. Het water droogde op van de aarde. 32. Op de zevenentwintigste dag van die maand opende Noach de ark en liet hij de wilde dieren, de vogels en alles wat kruipt eruit gaan. ## Jubileeën 6 — Het verbond met Noach en het feest van de weken 1. Op de eerste dag van de derde maand ging Noach uit de ark. 2. Hij stond weer op de aarde. Hij nam een bokje en deed met het bloed daarvan verzoening voor alle schuld van de aarde. Want alles wat erop geleefd had, was vernietigd, behalve wie met Noach in de ark waren. 3. Hij offerde het vet op het altaar. Ook nam hij een stier, een bok, een schaap, bokjes, zout, een tortelduif en een jonge duif. 4. God rook de aangename geur en sloot met hem een verbond: er zou nooit meer een vloed komen die de aarde vernietigt, zolang de aarde bestaat. Zaaien en oogsten zullen nooit ophouden. Kou en hitte, zomer en winter, dag en nacht zullen hun vaste orde nooit veranderen of verliezen. 5. Krijg ook jullie kinderen en word talrijk op de aarde. Word er met velen en wees er tot zegen. Alles zal bang zijn voor jullie en voor jullie beven. 6. Kijk, ik geef jullie alle wilde dieren, al het vee, alles wat vliegt, alles wat over de aarde beweegt en de vissen in het water. Alles mogen jullie eten. Net zoals ik jullie de groene planten gaf, geef ik jullie nu alles om te eten. 7. Maar vlees waar het leven nog in zit, met het bloed, mogen jullie niet eten. Want het leven van alles wat leeft zit in het bloed. Anders zal ik rekenschap eisen voor jullie bloed. Van ieder mens en van ieder ander zal ik rekenschap eisen voor het bloed van een mens. 8. Wie het bloed van een mens vergiet, zal door een mens gedood worden. Want God heeft Adam naar Zijn beeld gemaakt. 9. Krijg ook jullie kinderen en word talrijk op de aarde. 10. Noach en zijn zonen zwoeren dat ze nooit bloed zouden eten dat in vlees zit. 11. Daarom heeft Hij jou gezegd dat ook jij in deze maand op de berg met de Israëlieten een verbond moet sluiten, met een eed. 12. Deze getuigenis is voor jullie opgeschreven, zodat jullie haar altijd houden: jullie mogen nooit bloed eten van wilde dieren of van vogels, zolang de aarde bestaat. 13. En jij, geef de Israëlieten opdracht geen bloed te eten, zodat hun naam en hun nakomelingen altijd blijven bestaan voor God, onze God. 14. Aan deze wet komt geen einde, want ze geldt voor altijd. Generatie na generatie moeten ze haar houden, zodat er elke dag met bloed bij het altaar voor hen gebeden kan worden, en er 's morgens en 's avonds steeds voor hen verzoening gedaan wordt voor God. Zo zullen ze deze wet houden en niet uitgeroeid worden. 15. Hij gaf Noach en zijn zonen een teken dat er nooit meer een vloed op de aarde zou komen. 16. Hij plaatste Zijn regenboog in de wolken als teken van het eeuwige verbond. 17. Daarom is op de platen in de hemel vastgelegd en opgeschreven dat ze in deze maand het feest van de weken moeten vieren, één keer per jaar, om het verbond elk jaar te vernieuwen. 18. Dit hele feest werd in de hemel gevierd vanaf de dag van de schepping tot de tijd van Noach: zesentwintig jubeljaren en vijf jaarweken. Noach en zijn zonen hielden het zeven jubeljaren en één jaarweek lang, tot de dag dat Noach stierf. Vanaf zijn dood tot de tijd van Abraham lieten zijn zonen het feest verloren gaan, en ze aten bloed. 19. Alleen Abraham hield het, en na hem Izak en Jakob, tot in jouw tijd. 20. En jij, geef ook de Israëlieten opdracht om dit feest te houden, generatie na generatie, als een gebod voor hen: één dag per jaar, in deze maand, moeten ze het vieren. 21. Want het is het feest van de weken en het is het feest van de eerste vruchten. Dit feest heeft twee kanten. Jullie moeten het vieren zoals erover geschreven en in steen gegraveerd staat. 22. Want ik heb in het boek van de eerste wet, dat ik voor jou heb geschreven, opgeschreven dat jullie het op de juiste tijd moeten vieren, één dag per jaar. 23. De eerste dag van de eerste maand, de eerste dag van de vierde maand en de eerste dag van de tiende maand zijn de dagen van de herinnering. Het zijn de dagen waarop de jaargetijden beginnen. 24. Noach stelde ze in als feesten voor alle generaties, voor altijd, zodat ze voor hem een herinnering zouden zijn. 25. Op de eerste dag van de eerste maand kreeg hij de opdracht een ark te bouwen. Op die dag werd de aarde ook droog: hij opende de ark en zag de aarde. 26. Op de eerste dag van de vierde maand werden de monden van de diepten van de afgrond beneden gesloten. Op de eerste dag van de zevende maand gingen alle monden van de afgronden van de aarde open, en het water begon daarin weg te zakken. 27. Op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar, en Noach was blij. 28. Daarom stelde hij ze in als feesten van de herinnering, voor altijd. 29. Zo werden ze op de platen in de hemel gezet. 30. Alles bij elkaar duurt het jaar volgens de geboden 52 weken. 31. Zo staat het gegraveerd en vastgelegd op de platen in de hemel. 32. En jij, geef ook de Israëlieten opdracht om de jaren volgens dit getal te houden: 364 dagen. Dan is het jaar volledig. 33. Als ze dit overtreden en zich niet aan Zijn gebod houden, raken al hun jaargetijden in de war. De jaren schuiven uit hun vaste orde, de tijden raken in de war en de jaren verschuiven, en ze zullen hun voorschriften overtreden. 34. Alle Israëlieten zullen het vergeten en de weg van de jaren niet meer vinden. 35. Ik weet het zeker. 36. Er zullen mensen zijn die zich richten naar wat ze aan de maan waarnemen. 37. Daardoor zullen de jaren bij hen uit de pas lopen, omdat ze die in de war brengen. Van de dag van de getuigenis zullen ze een verachtelijke dag maken. 38. Daarom geef ik je deze opdracht en waarschuw ik je, zodat jij hen waarschuwt. Want na jouw dood zullen je kinderen het in de war brengen, zodat ze het jaar niet meer op precies 364 dagen houden. ## Jubileeën 7 — Noach en zijn nakomelingen 1. In het eerste jaar van de zevende jaarweek van dit jubeljaar plantte Noach wijnstokken bij de berg waarop de ark tot rust was gekomen. Die berg heet Lubar en is een van de bergen van Ararat. In het vierde jaar gaven de wijnstokken vrucht. Hij beschermde de druiven en oogstte ze in dat jaar in de zevende maand. 2. Hij maakte er wijn van, en die deden ze in een vat. Hij bewaarde de wijn tot het vijfde jaar, tot de eerste dag van de eerste maand. 3. Die dag vierde hij als een feest, met blijdschap. 4. Eerst maakte hij een bokje klaar en deed wat van het bloed ervan op het vlees op het altaar dat hij had gemaakt. Al het vet legde hij op het altaar waar hij het brandoffer had klaargemaakt, en ook de stier, de ram en de schapen. 5. Hij legde hun hele offer, gemengd met olie, erop. Daarna sprenkelde hij wijn op het vuur op het altaar. Hij legde eerst wierook op het altaar en liet een aangename geur opstijgen, die God, zijn God, welgevallig was. 6. Hij en zijn zonen waren blij en dronken van deze wijn. 7. Toen het avond werd, ging hij zijn tent in. Hij was dronken, ging liggen en sliep in. Terwijl hij sliep, lag hij ontbloot in zijn tent. 8. Cham zag zijn vader Noach naakt. 9. Sem nam een kleed, en hij en Jafeth legden het op hun schouders. Met hun gezicht van hun vader afgewend liepen ze achteruit en bedekten zijn naaktheid. 10. Toen Noach uit zijn slaap wakker werd, wist hij alles wat zijn jongste zoon hem had aangedaan. Hij vervloekte zijn zoon en zei: Vervloekt is Kanaän! Hij zal als slaaf zijn broers dienen. 11. Hij zegende Sem en zei: Gezegend is God, de God van Sem! 12. Moge God Jafeth veel ruimte geven, en moge God wonen in de woning van Sem. Laat Kanaän hun slaaf zijn. 13. Cham begreep dat zijn vader zijn jongste zoon had vervloekt. Hij vond het niet goed dat zijn vader zijn zoon had vervloekt. 14. Ook hij bouwde voor zichzelf een stad en noemde die naar zijn vrouw Neëlatamaük. 15. Jafeth zag dat en werd jaloers op zijn broer. 16. Sem bleef bij zijn vader Noach wonen. Hij bouwde een stad naast die van zijn vader bij de berg, en ook hij noemde die naar zijn vrouw: Sedeqetelbab. 17. Deze drie steden liggen dicht bij de berg Lubar: Sedeqetelbab ligt aan de oostkant voor de berg, Neëlatamaük aan de noordkant en Adatanêses aan de kant van de zee. 18. Dit zijn de zonen van Sem: Elam, Assur en Arfachsad. 19. De zonen van Jafeth zijn Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Thiras. Dit zijn de nakomelingen van Noach. 20. In het achtentwintigste jubeljaar begon Noach zijn kleinzonen de voorschriften en geboden te leren, alle wetten die hij kende. Hij drukte zijn zonen op het hart dat ze moesten doen wat rechtvaardig is, hun naaktheid moesten bedekken, hun Schepper moesten prijzen, hun vader en moeder moesten eren, elkaar moesten liefhebben en zich moesten bewaren voor ontucht, onreinheid en alle onrecht. 21. Want om deze drie dingen kwam de vloed over de aarde. Eerst om de ontucht: tegen het gebod van hun taak in pleegden de wachters ontucht met de dochters van de mensen. Ze namen vrouwen uit iedereen die ze uitkozen, en zo begon de onreinheid. 22. Ze kregen zonen, de Nefilim, en die leken allemaal niet op elkaar. 23. Iedereen gaf zich over aan het onrecht en vergoot onschuldig bloed, en de aarde raakte vol onrecht. 24. Daarna zondigden ze ook tegen alle dieren, vogels en alles wat op de aarde beweegt en loopt. 25. God roeide alles van de aarde weg, vanwege hun daden en vanwege het bloed dat op de aarde was vergoten. 26. Wij bleven over, ik en jullie, mijn zonen, en alles wat met ons in de ark was gegaan. 27. Maar ik zie dat de boze geesten al begonnen zijn jullie en je kinderen te verleiden. 28. Want iedereen die het bloed van een mens vergiet en iedereen die het bloed van welk levend wezen ook eet, zal van de aarde worden uitgeroeid. 29. Er zal geen mens overblijven die bloed eet of bloed vergiet op de aarde. 30. Er mag geen bloed aan jullie te zien zijn van al het bloed dat vloeit wanneer jullie een wild dier, vee of vogel slachten. Doe iets goeds voor jezelf en bedek het bloed dat op de grond wordt vergoten. 31. Eet nooit vlees met het bloed erin. 32. Eet het leven niet samen met het vlees. Anders wordt er rekenschap geëist voor jullie bloed, dat jullie leven is, van iedereen die het op aarde vergiet. 33. Want de aarde wordt niet gereinigd van het bloed dat erop vergoten is. Alleen door het bloed van wie het vergoten heeft, wordt de aarde gereinigd, generatie na generatie. 34. Luister nu, mijn zonen: doe wat goed en rechtvaardig is. Dan zullen jullie in gerechtigheid geplant worden over de hele aarde, en zal jullie eer groot zijn voor mijn God, die mij uit het water van de vloed heeft gered. 35. Kijk, jullie zullen weggaan en voor jezelf steden bouwen, en daar allerlei planten planten die op de aarde groeien. 36. Drie jaar lang mag van de vruchten niets geoogst worden om te eten. In het vierde jaar zijn de vruchten heilig. Dan moeten ze de eerste vruchten offeren, welgevallig voor God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde. 37. In het vijfde jaar moeten jullie de vruchten vrijgeven, eerlijk en oprecht. Dan zullen jullie rechtvaardig zijn en zal alles wat jullie planten goed groeien. 38. Want zo heeft Henoch, jullie voorvader, het zijn zoon Methusalach opgedragen, en Methusalach zijn zoon Lamech. En Lamech heeft mij alles opgedragen wat zijn voorvaders hem hadden opgedragen. 39. Ook ik draag het jullie op, mijn zonen, zoals Henoch het in de eerste jubeljaren zijn zoon opdroeg. Zolang hij leefde, hij die de zevende was in zijn geslachtslijn, droeg hij het zijn zoon en zijn kleinzonen op en waarschuwde hij hen, tot de dag van zijn dood. ## Jubileeën 8 — Kaïnan en de verdeling van de aarde 1. In het begin van de eerste jaarweek van het negenentwintigste jubeljaar trouwde Arfachsad met Rasu'eja, de dochter van Susan, de dochter van Elam. In het derde jaar van die jaarweek kreeg zij een zoon, en hij noemde hem Kaïnan. 2. De jongen groeide op, en zijn vader leerde hem schrijven. Toen ging hij op weg om een plek te zoeken waar hij voor zichzelf een stad kon veroveren. 3. Hij vond een tekst die de mensen van vroeger in een rots hadden gegraveerd. Hij las wat erin stond, schreef het over en zondigde daardoor. Want het was de leer van de wachters, waarmee zij de voortekens van de zon, de maan en de sterren waarnamen, in alle tekenen van de hemel. 4. Hij schreef het op en zei er niets over. Hij durfde het niet aan Noach te vertellen, bang dat die daarom boos op hem zou worden. 5. In het eerste jaar van de tweede jaarweek van het dertigste jubeljaar trouwde hij met Mêlka, de dochter van Abaday, de zoon van Jafeth. 6. In het vierde jaar werd Selah geboren. Hij groeide op en trouwde met Mû'ak, de dochter van Kesed, de broer van zijn vader. 7. In het vijfde jaar kreeg zij een zoon, en hij noemde hem Heber. 8. In het zesde jaar werd er een zoon geboren, en hij kreeg de naam Peleg. 9. Ze verdeelden de aarde op een verkeerde manier onder elkaar, en ze vertelden het aan Noach. 10. Aan het begin van het drieëndertigste jubeljaar verdeelden ze de aarde in drie delen, voor Sem, Cham en Jafeth, ieder zijn eigen erfdeel. 11. Noach riep zijn zonen, en zij kwamen met hun kinderen bij hem. Hij verdeelde de aarde door loting onder zijn drie zonen, die haar in bezit zouden nemen. 12. Op het lot van Sem stond het midden van de aarde. Dat zou hij als erfdeel krijgen, voor zichzelf en zijn zonen, voor alle generaties, voor altijd. 13. Het gebied loopt tot aan Kâras, in de bocht van de landtong die naar het noorden wijst. 14. Zijn deel loopt naar de grote zee, en dan rechtdoor tot het westen van de landtong die naar het noorden wijst. 15. Vandaar buigt het af naar het noorden, naar de monding van de grote zee, tot aan de oevers van het water. 16. Het loopt naar het oosten tot aan de tuin van Eden, helemaal in het noorden. 17. Dit deel kwam bij het loten uit voor Sem en zijn zonen, als eeuwig bezit, voor al zijn generaties, voor altijd. 18. Noach was blij dat dit deel voor Sem en zijn zonen was uitgekomen. 19. Hij wist dat de tuin van Eden het allerheiligste is en de woning van God. De berg Sinaï ligt midden in de woestijn, en de berg Sion is de navel van de aarde. 20. Hij prees de God van de goden, die het woord van God in zijn mond had gelegd. God zij geprezen tot in eeuwigheid! 21. Hij wist dat Sem en zijn zonen een gezegend deel hadden gekregen, voor alle generaties, voor altijd: het hele land van Eden, het hele land aan de Rode Zee, het hele land van het oosten, India, het gebied aan de Rode Zee met zijn bergen, het hele land Basan, het hele land Libanon en de eilanden van Kaftor. 22. Voor Cham kwam het tweede deel uit: aan de overkant van de Gihon, naar het noorden, rechts van de tuin. Het loopt naar het noorden en langs alle bergen van het vuur. 23. Het loopt naar het zuiden tot de grens van Gadir, en tot aan de oever van de zee, het water van de grote zee, totdat het de rivier de Gihon bereikt. De Gihon stroomt tot rechts van de tuin van Eden. 24. Dit is het land dat voor Cham uitkwam als het deel dat hij voor altijd zou bezitten, voor zichzelf en zijn zonen, voor al hun generaties, voor altijd. 25. Voor Jafeth kwam het derde deel uit: aan de overkant van de rivier de Tina, ten zuiden van de plaats waar haar water uitstroomt. Het loopt naar het zuidoosten, langs het hele gebied van Gog en alles wat daar ten oosten van ligt. 26. Het loopt helemaal naar het zuiden, naar de bergen van Qelt in het zuiden en naar de zee van Maük, en het komt uit ten oosten van Gadir, tot aan de kust van de zee. 27. Het loopt tot het westen van Fara. 28. Het loopt langs de rivier de Tina naar het zuidoosten, tot aan het einde van haar water, naar de berg Rafa, en buigt dan rond naar het zuiden. 29. Dit is het land dat voor Jafeth en zijn zonen uitkwam als zijn erfdeel, dat hij zou bezitten voor zichzelf en zijn zonen, voor al hun generaties, voor altijd. 30. Maar dat land is koud. Het land van Cham is heet, en het land van Sem is niet heet en niet koud: het is een mengeling van kou en hitte. ## Jubileeën 9 — De zonen van Noach verdelen hun land 1. Cham verdeelde zijn land onder zijn zonen. Het eerste deel kwam uit voor Cusch, in het oosten. Ten westen daarvan kreeg Mitsraim zijn deel, en daar weer ten westen van Put. 2. Ook Sem verdeelde zijn land onder zijn zonen. Het eerste deel kwam uit voor Elam en zijn zonen: ten oosten van de rivier de Tigris, tot aan het oosten van heel India, aan de Rode Zee, met het water van Dedan, alle bergen van Mebri en Ela, het hele land Susan en alles aan de kant van Pharnak, tot aan de Rode Zee en de rivier de Tina. 3. Voor Assur kwam het tweede deel uit: het hele land Assur, met Nineve, Sinear en Sak, tot dicht bij India. Het loopt omhoog en grenst aan de rivier. 4. Voor Arfachsad kwam het derde deel uit: het hele gebied van Chaldea, ten oosten van de Eufraat, dicht bij de Rode Zee, met al het water van de woestijn, tot dicht bij de landtong van de zee die naar Egypte wijst, en het hele land Libanon, Sanir en Amana, tot dicht bij de Eufraat. 5. Voor Aram kwam het vierde deel uit: heel Mesopotamië tussen de Tigris en de Eufraat, ten zuiden van de Chaldeeën, tot dicht bij de bergen van Assur en het land Arara. 6. Voor Lud kwam het vijfde deel uit: de bergen van Assur en alles wat daarbij hoort, tot aan de grote zee en tot aan het oosten van het gebied van zijn broer Assur. 7. Ook Jafeth verdeelde het land onder zijn zonen als erfdeel. 8. Het eerste deel kwam uit voor Gomer: in het oosten, van de zuidkant tot aan de rivier de Tina. 9. Voor Madai kwam een deel uit dat hij zou bezitten: ten westen van zijn twee broers, tot aan de eilanden en de kusten van de eilanden. 10. Voor Javan kwam het vierde deel uit: elk eiland, en de eilanden aan de kant van Lud. 11. Voor Tubal kwam het vijfde deel uit: midden op de landtong die naar het gebied van Lud loopt, tot de tweede landtong, en aan de overkant van de tweede landtong tot de derde. 12. Voor Mesech kwam het zesde deel uit: alles aan de overkant van de derde landtong, tot aan het oosten van Gadir. 13. Voor Thiras kwam het zevende deel uit: vier grote eilanden midden in de zee, dicht bij het gebied van Cham. 14. Zo verdeelden de zonen van Noach het land onder hun zonen, in het bijzijn van hun vader Noach. 15. Ze zeiden allemaal: Zo moet het zijn, zo moet het zijn! Dat zeiden ze voor zichzelf en voor hun zonen, voor altijd, generatie na generatie, tot aan de dag van het oordeel. Op die dag zal God hen oordelen met het zwaard en met vuur, om al het kwaad van hun onreinheid en hun dwaling, waarmee ze de aarde vol overtreding, onreinheid, ontucht en zonde hebben gemaakt. ## Jubileeën 10 — De boze geesten en de toren in Sinear 1. In de derde jaarweek van dit jubeljaar begonnen de onreine boze geesten de kleinkinderen van Noach te verleiden, hen gek te maken en te gronde te richten. 2. De zonen van Noach kwamen bij hun vader Noach en vertelden hem over de boze geesten die zijn kleinkinderen verleidden, verblindden en doodden. 3. Noach bad tot God, zijn God, en zei: God van de geesten die in alle levende wezens zijn, U bent barmhartig voor mij geweest. U hebt mij en mijn zonen gered uit het water van de vloed en mij niet laten omkomen, zoals U met de kinderen van het verderf hebt gedaan. Want Uw genade voor mij is groot, en Uw barmhartigheid voor mijn ziel is groot. 4. Zegen mij en mijn zonen, zodat wij talrijk worden en de aarde vullen. 5. U weet wat Uw wachters, de vaders van deze geesten, in mijn tijd hebben gedaan. 6. Laat deze geesten niet heersen over de geesten van de levenden, want alleen U weet hoe ze geoordeeld moeten worden. Laat ze geen macht hebben over de kinderen van de rechtvaardigen, van nu af aan tot in eeuwigheid. 7. Onze God zei tegen ons dat wij ze allemaal moesten vastbinden. 8. Maar Mastema, de leider van de geesten, kwam en zei: Heere, Schepper, laat een deel van hen voor mij overblijven. Laat ze naar mij luisteren en alles doen wat ik zeg. Want als er niemand van hen voor mij overblijft, kan ik mijn wil niet doorzetten bij de mensen. 9. Hij zei: Laat een tiende deel van hen voor hem overblijven, en laat de andere negen delen afdalen naar de plaats van het oordeel. 10. Tegen een van ons zei Hij dat wij Noach alle geneesmiddelen tegen hen moesten leren. Want Hij wist dat ze niet oprecht zouden leven en niet eerlijk zouden strijden. 11. Wij deden alles wat Hij had gezegd. Alle kwaadaardige geesten bonden wij vast in de plaats van het oordeel, en een tiende deel van hen lieten we over, zodat ze op aarde aan de satan onderworpen zouden zijn. 12. We vertelden Noach alles over hoe hun ziekten genezen konden worden en hoe ze verleidden, en hoe hij met de bomen van de aarde kon genezen. 13. Noach schreef alles wat wij hem leerden op in een boek, alle soorten geneesmiddelen. Zo werd voorkomen dat de boze geesten de zonen van Noach nog achtervolgden. 14. Hij gaf alle boeken die hij had geschreven aan Sem, zijn oudste zoon, want van al zijn zonen hield hij het meest van hem. 15. Noach stierf en werd bij zijn voorouders gevoegd. Hij werd begraven op de berg Lubar in het land Ararat. 16. Hij werd 950 jaar oud: negentien jubeljaren en twee jaarweken. 17. In zijn leven op aarde stak hij boven alle mensen uit, behalve Henoch, door zijn rechtvaardigheid, waarin hij volmaakt was. 18. In het eerste jaar van de tweede jaarweek van het drieëndertigste jubeljaar trouwde Peleg met Lômna, de dochter van Sinaör. In het vierde jaar van die jaarweek kreeg zij een zoon, en hij noemde hem Rehu. Want hij zei: Kijk, de mensen zijn slecht geworden door hun slechte plan om voor zichzelf een stad en een toren te bouwen in het land Sinear. 19. Want ze waren uit het land Ararat naar het oosten getrokken, naar Sinear. In zijn tijd bouwden ze de stad en de toren. Ze zeiden: Laten we daarlangs naar de hemel klimmen! 20. Ze begonnen te bouwen. In de vierde jaarweek bakten ze stenen in het vuur. Die stenen gebruikten ze als bouwsteen, en als specie gebruikten ze asfalt, dat uit de zee en uit de waterbronnen in het land Sinear omhoogkomt. 21. Ze bouwden 43 jaar aan de toren. In de breedte telde hij dertien hele bakstenen, en een derde van een baksteen was voor de hoogte. De toren werd 5433 el hoog. 22. God, onze God, zei tegen ons: Kijk, ze zijn één volk, en ze zijn hieraan begonnen. Nu zal niets hen meer tegenhouden. 23. God daalde af, en wij daalden met Hem af om de stad en de toren te bekijken die de mensen hadden gebouwd. 24. Hij verwarde hun taal, zodat ze elkaar niet meer verstonden. Toen hielden ze op met het bouwen van de stad en de toren. 25. Daarom werd het hele land Sinear Babel genoemd, omdat God daar de taal van alle mensen heeft verward. 26. God stuurde een harde wind op de toren af en wierp hem omver. 27. In het begin van het eerste jaar van de vierde jaarweek van het vierendertigste jubeljaar werden ze vanuit het land Sinear verspreid. 28. Cham en zijn zonen trokken naar het land dat hij als deel had gekregen, in het zuiden. 29. Kanaän zag dat het land van de Libanon tot aan de rivier van Egypte heel goed was. 30. Zijn vader Cham en zijn broers Cusch en Mitsraim zeiden tegen hem: Je hebt je gevestigd in een land dat niet van jou is en dat niet door het lot aan ons is toegewezen. Doe dat niet. 31. Woon niet in het gebied van Sem. 32. Vervloekt ben je, en je zult meer vervloekt zijn dan alle andere zonen van Noach, door de vloek waarmee wij ons onder ede hebben verbonden, voor de heilige Vorst en voor onze vader Noach. 33. Maar hij luisterde niet naar hen. Hij en zijn zonen gingen wonen in het land van de Libanon, van Hamath tot aan de grens van Egypte, en daar wonen ze nog steeds. 34. Daarom heet dat land het land Kanaän. 35. Jafeth en zijn zonen trokken naar de zee en gingen wonen in het land dat ze als deel hadden gekregen. Maar Madai vond het land aan de zee niet mooi. Hij vroeg Elam, Assur en Arfachsad, de broer van zijn vrouw, om land. Hij ging wonen in het land Medië, dicht bij de broer van zijn vrouw, en daar woont hij nog steeds. 36. Zijn woonplaats en die van zijn nakomelingen werd Medië genoemd, naar hun vader Madai. ## Jubileeën 11 — Afgoden, raven en de jonge Abram 1. In het eerste jaar van de derde jaarweek van het vijfendertigste jubeljaar trouwde Rehu met Ora, de dochter van Ur, de zoon van Kesed. In het zevende jaar van die jaarweek kreeg zij een zoon, en hij noemde hem Serug. 2. In dit jubeljaar begonnen de zonen van Noach met elkaar te vechten. Ze namen elkaar gevangen en doodden elkaar, broer tegen broer. Ze vergoten mensenbloed op aarde en aten bloed. Ze bouwden versterkte steden met muren en torens. De een ging boven het volk staan, en de eerste koninkrijken werden gesticht. 3. Ur, de zoon van Kesed, bouwde de stad Ara van de Chaldeeën en noemde die naar zichzelf en naar zijn vader. 4. Ze maakten gegoten beelden voor zichzelf, en iedereen aanbad de afgod, het gegoten beeld dat hij voor zichzelf had gemaakt. 5. De vorst Mastema had de macht om dit allemaal te laten gebeuren. Door de geesten die onder zijn gezag stonden, zette hij de mensen aan tot allerlei dwaling, zonde en overtreding, om te vernielen, te verderven en op aarde bloed te vergieten. 6. Daarom kreeg hij de naam Serug: iedereen had zich afgekeerd om allerlei zonden te doen. 7. Serug groeide op en woonde in Ur van de Chaldeeën, dicht bij de vader van de moeder van zijn vrouw, en hij diende afgoden. 8. In het eerste jaar van deze jaarweek werd zijn zoon Nahor geboren. Nahor groeide op en woonde in Ur, in het gebied van Ur van de Chaldeeën. Zijn vader leerde hem de wetenschappen van de Chaldeeën: waarzeggen en voorspellen uit de tekenen van de hemel. 9. In het eerste jaar van de zesde jaarweek van het zevenendertigste jubeljaar trouwde Nahor met Ijaska, een dochter van de Chaldeeër Nestag. 10. In het zevende jaar van die jaarweek kreeg zij Terah. 11. De vorst Mastema stuurde raven en andere vogels om het zaad op te eten dat op de aarde gezaaid werd, en om het land te verwoesten. 12. Daarom kreeg hij de naam Terah. 13. Door de vogels leverden de jaren geen oogst meer op. Met grote kracht aten ze alle vruchten van de bomen. Alleen met veel moeite konden de mensen in die tijd nog een klein deel van de opbrengst van het land redden. 14. Toen kwam het eerste jaar van de tweede jaarweek van dit negenendertigste jubeljaar. 15. In het zevende jaar van die jaarweek werd er een zoon geboren. 16. Het kind begon de dwaling op aarde te doorzien: iedereen liep achter gesneden beelden en onreinheid aan. 17. Hij begon te bidden tot de Schepper van alles, dat Hij hem zou redden uit de dwaling van de mensen. 18. Toen brak de tijd aan om het zaad op het land te zaaien. 19. Er kwam een zwerm raven om het zaad op te eten. Abram rende hen tegemoet voordat ze op de grond neerstreken. Hij schreeuwde naar hen voordat ze neerstreken om het zaad op te eten, en hij riep: Kom niet naar beneden! Ga terug naar de plaats waar jullie vandaan komen! En ze gingen terug. 20. Die dag joeg hij de zwerm raven zeventig keer terug. Van al die raven bleef er niet één achter op de velden waar Abram was. Niet één. 21. Iedereen die met hem op de velden was, zag hoe hij schreeuwde en hoe alle raven teruggingen. 22. In dat jaar kwamen alle zaaiers naar hem toe. Hij ging met hen mee tot de zaaitijd voorbij was, en ze zaaiden hun land in. 23. In het eerste jaar van de vijfde jaarweek leerde Abram de timmerlieden die de werktuigen voor de ossen maakten iets nieuws. Ze maakten boven de grond een bak aan de balk van de ploeg, om het zaad in te leggen. Het zaad viel daaruit op het ploegijzer en werd in de aarde bedekt, zodat ze niet meer bang hoefden te zijn voor de raven. 24. Zo deden ze het bij elke ploegbalk boven de grond. Ze zaaiden en bewerkten al het land, zoals Abram hun had gezegd, en ze waren niet meer bang voor de vogels. ## Jubileeën 12 — Abram breekt met de afgoden 1. In de zesde jaarweek zei Abram tegen zijn vader Terah: Vader! Terah antwoordde: Ja, hier ben ik, mijn zoon. 2. Abram vroeg: Wat hebben wij aan deze afgoden die u dient en waarvoor u buigt? Wat voor goeds brengen ze ons? 3. Er zit geen enkele geest in. Het zijn stomme beelden, die het hart op een dwaalspoor brengen. Aanbid ze niet. 4. Aanbid de God van de hemel, die de regen laat vallen. 5. Waarom aanbidt u beelden waar geen geest in zit? Ze zijn door mensen gemaakt. U draagt ze op uw schouders, en ze helpen u niet. Ze zijn een grote schande voor wie ze maakt, en ze brengen het hart van wie ze aanbidt op een dwaalspoor. Aanbid ze niet. 6. Zijn vader zei tegen hem: Dat weet ik ook wel, mijn zoon. Maar wat moet ik met het volk dat mij heeft opgedragen om voor hen dienst te doen? 7. Als ik hun de waarheid vertel, zullen ze mij doden. Want ze zijn er met hart en ziel aan gehecht om die beelden te aanbidden en te prijzen. 8. Abram zei dit ook tegen zijn twee broers. Zij werden kwaad op hem, en hij zweeg. 9. In het zevende jaar van de tweede jaarweek van het veertigste jubeljaar trouwde Abram met Sarai, de dochter van zijn vader. Zij werd zijn vrouw. 10. Zijn broer Haran trouwde in het derde jaar van de derde jaarweek. In het zevende jaar van die jaarweek kreeg zijn vrouw een zoon, en hij noemde hem Lot. 11. Ook zijn broer Nahor trouwde. 12. Toen kwam het zestigste levensjaar van Abram, in de vierde jaarweek. 13. 's Nachts stonden ze op en probeerden ze hun goden uit het vuur te redden. 14. Haran haastte zich om ze te redden, maar het vuur sloeg over hem heen. Hij verbrandde en stierf in Ur van de Chaldeeën, voor de ogen van zijn vader Terah. Ze begroeven hem in Ur van de Chaldeeën. 15. Terah vertrok met zijn zonen uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Libanon en het land Kanaän te gaan. Hij ging in Haran wonen. 16. In het vijfde jaar van de zesde jaarweek zat Abram 's nachts, op de eerste dag van de zevende maand, van de avond tot de morgen naar de sterren te kijken. Hij wilde zien hoe het jaar zou worden met de regen. Hij zat daar alleen en keek. 17. Toen kwam er een gedachte in zijn hart, en hij zei: Alle tekens van de sterren, van de maan en van de zon zijn in de hand van God. 18. Als Hij wil, laat Hij het regenen, 's morgens en 's avonds. En als Hij wil, laat Hij geen regen vallen. Alles is in Zijn hand. 19. Die nacht bad hij en zei: Mijn God, mijn God, allerhoogste God, U alleen bent mijn God. U hebt alles geschapen, en alles wat er is en bestaat, is het werk van Uw handen. Ik heb gekozen voor U en voor Uw goddelijke heerschappij. 20. Red mij uit de macht van de boze geesten die heersen over wat mensen in hun hart denken. Laat ze mij niet bij U, mijn God, vandaan lokken. Maak mij en mijn nakomelingen voor altijd van U. 21. Hij zei: Moet ik teruggaan naar Ur van de Chaldeeën, waar ze willen dat ik bij hen terugkom? Of moet ik hier blijven? Maak de rechte weg voor U klaar voor Uw dienaar, zodat hij die kan gaan. Laat mij niet de dwaling van mijn hart volgen, mijn God. 22. Toen was hij klaar met spreken en bidden. 23. Ik zal je zegenen en je naam groot maken, en je zult gezegend zijn op de aarde. 24. Ik zal jouw God zijn, en de God van je zoon, van je kleinzoon en van al je nakomelingen. Wees niet bang, van nu af aan en in alle generaties op aarde: ik ben je God. 25. God zei tegen mij: Open zijn mond en zijn oren, zodat hij kan horen en spreken in de taal die geopenbaard is. Want sinds de dag van de ineenstorting werd die taal door geen mens meer gesproken. 26. Ik opende zijn mond, zijn oren en zijn lippen, en ik begon met hem te spreken in het Hebreeuws, de taal van de schepping. 27. Hij nam de boeken van zijn voorouders, die in het Hebreeuws waren geschreven, en schreef ze over. Vanaf toen begon hij ze te bestuderen, en ik legde hem alles uit wat hij niet begreep. 28. In het zevende jaar van de zesde jaarweek sprak hij met zijn vader. Hij vertelde hem dat hij uit Haran zou vertrekken om het land Kanaän te gaan bekijken, en dat hij daarna bij hem terug zou komen. 29. Zijn vader Terah zei tegen hem: Ga in vrede. Moge de eeuwige God je weg recht maken. God zij met je en bescherme je tegen alle kwaad. 30. Als je een land ziet waar je graag wilt wonen, kom dan terug en neem mij mee. Neem ook Lot mee, de zoon van je broer Haran, als je eigen zoon. God zij met je. 31. Laat je broer Nahor bij mij achter tot je in vrede terugkomt. Dan gaan we allemaal samen met je mee. ## Jubileeën 13 — Abram in Kanaän en in Egypte 1. Abram vertrok uit Haran en nam zijn vrouw Sarai mee. 2. Hij keek om zich heen en zag dat het land heel mooi was, van de weg naar Hamath tot aan de hoge eik. 3. God zei tegen hem: Aan jou en je nakomelingen zal ik dit land geven. 4. Hij bouwde daar een altaar en bracht daarop een brandoffer aan God, die aan hem verschenen was. 5. Vandaar trok hij verder naar de berg bij Beth-el, aan de kant van de zee, met Ai in het oosten, en daar zette hij zijn tent op. 6. Hij keek om zich heen en zag dat het land heel ruim en goed was. Er groeide van alles: wijnstokken, vijgenbomen, granaatappelbomen, eiken en terebinten, olijfbomen, ceders, cipressen en wierookbomen, en alle bomen van het veld. Ook was er water op de bergen. 7. Hij prees God, die hem uit Ur van de Chaldeeën had weggeleid en naar dit bergland had gebracht. 8. Op de eerste dag van de eerste maand, in het eerste jaar van de zevende jaarweek, bouwde hij een altaar op deze berg. Hij riep de naam van God aan: U bent mijn God, de eeuwige God. 9. Hij bracht op het altaar een brandoffer aan God, zodat Hij hem zou bijstaan en hem zijn hele leven niet in de steek zou laten. 10. Vandaar trok hij verder naar het zuiden en kwam in Hebron, dat in die tijd gebouwd werd. Hij woonde daar twee jaar en trok toen naar het land in het zuiden, tot Lot aankwam. 11. In het derde jaar van de jaarweek ging Abram naar Egypte. Hij woonde vijf jaar in Egypte voordat zijn vrouw van hem werd weggenomen. 12. Zoan in Egypte werd in die tijd gebouwd, zeven jaar na Hebron. 13. Toen Farao Sarai, de vrouw van Abram, had weggenomen, trof God Farao en zijn huis met zware plagen, vanwege Sarai, de vrouw van Abram. 14. Abram was heel rijk: hij had schapen, runderen, ezels, paarden en kamelen, slaven en slavinnen, en buitengewoon veel zilver en goud. 15. Farao gaf Sarai, de vrouw van Abram, terug en stuurde hem het land Egypte uit. Abram ging terug naar de plaats waar hij eerder zijn tent had opgezet, bij het altaar, met Ai in het oosten en Beth-el aan de kant van de zee. Hij prees God, zijn God, die hem veilig had teruggebracht. 16. In het derde jaar van de eerste jaarweek van dit eenenveertigste jubeljaar kwam hij terug op deze plaats. Hij bracht er een brandoffer en riep de naam van God aan: Allerhoogste God, mijn God voor altijd en eeuwig! 17. In het vierde jaar van deze jaarweek ging Lot bij hem weg en ging in Sodom wonen. De mannen van Sodom waren grote zondaars. 18. Het deed Abram pijn dat de zoon van zijn broer bij hem was weggegaan, want zelf had hij geen kinderen. 19. Het was het jaar waarin Lot gevangengenomen werd. 20. Al het land dat je ziet, geef ik voor altijd aan jou en je nakomelingen. 21. Sta op en loop door het land, in de lengte en in de breedte, en bekijk alles. Want aan jouw nakomelingen zal ik het geven. 22. In dat jaar kwamen Kedor-laomer, de koning van Elam, Amrafel, de koning van Sinear, Arioch, de koning van Ellasar, en Tideal, de koning van de volken. Ze doodden de koning van Gomorra, en de koning van Sodom vluchtte. 23. Ze namen Sodom, Adama en Zeboim in en voerden ook Lot gevangen weg, de zoon van Abrams broer, met al zijn bezit. Ze trokken tot aan Dan. 24. Iemand die ontsnapt was, kwam Abram vertellen dat de zoon van zijn broer gevangengenomen was. 25. Abram bewapende de knechten van zijn huis, trok erop uit en versloeg Kedor-laomer. Toen hij terugkwam, nam hij van alles een tiende deel en gaf dat aan Melchizedek. 26. Voor deze wet is geen einde vastgesteld. Want Hij heeft haar voor alle generaties voor altijd ingesteld: van alles moeten ze een tiende aan God geven, van het zaad, de wijn en de olie, van de runderen en de schapen. 27. Hij gaf het aan Zijn priesters, om er met blijdschap voor Hem van te eten en te drinken. 28. De koning van Sodom kwam naar hem toe, boog voor hem en zei: Onze heer Abram, geef ons de mensen die u hebt bevrijd. De buit is voor u. 29. Abram antwoordde hem: Ik hef mijn handen op naar de allerhoogste God: ik neem niets van wat van jou is, geen draad en geen schoenriem. Anders zou je zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt. ## Jubileeën 14 — God sluit een verbond met Abram 1. Daarna, op de eerste dag van de derde maand in het vierde jaar van deze jaarweek, kwam het woord van God in een droom tot Abram: Wees niet bang, Abram. Ik ben je schild. Je beloning zal heel groot zijn. 2. Abram zei: Heere, Heere, wat zult U mij geven? Ik blijf zonder kinderen. De zoon van Maseq, mijn slavin, Eliëzer uit Damascus, zal mijn erfgenaam worden. U hebt mij geen nakomeling gegeven. Geef mij toch een nakomeling! 3. Hij zei tegen hem: Hij zal niet je erfgenaam worden. Je eigen zoon wordt je erfgenaam. 4. Hij nam hem mee naar buiten en zei tegen hem: Kijk naar de hemel en tel de sterren, als je dat kunt. 5. Abram keek naar de hemel en zag de sterren. Toen zei Hij tegen hem: Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn. 6. Abram geloofde God, en dat werd hem toegerekend als gerechtigheid. 7. Hij zei tegen hem: Ik ben God. Ik heb je uit Ur van de Chaldeeën geleid om je het land van de Kanaänieten voor altijd in bezit te geven, en om jouw God te zijn en de God van je nakomelingen na jou. 8. Abram vroeg: Heere, Heere, hoe kan ik weten dat ik het in bezit zal krijgen? 9. Hij zei tegen hem: Neem voor mij een driejarige koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif. 10. Halverwege de maand nam hij al die dieren. Hij woonde toen bij de eik van Mamre, dicht bij Hebron. 11. Hij bouwde daar een altaar en slachtte alle dieren. Hij goot hun bloed op het altaar, sneed ze middendoor en legde de helften tegenover elkaar. Maar de vogels sneed hij niet door. 12. Er streken vogels neer op de stukken, maar Abram joeg ze weg en liet ze er niet aankomen. 13. Toen de zon onderging, werd Abram door schrik overvallen. Een grote, duistere angst kwam over hem. Tegen Abram werd gezegd: Weet goed dat je nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is. Daar zullen ze als slaven moeten werken en vierhonderd jaar lang onderdrukt worden. 14. Maar ik zal het volk dat ze moeten dienen, straffen. 15. Jij zult in vrede sterven en bij je voorouders komen. Je zult op hoge leeftijd begraven worden. 16. De vierde generatie zal hier terugkeren, want de Amorieten hebben de volle maat van hun zonde nog niet bereikt. 17. Hij werd wakker uit zijn slaap en stond op. De zon was ondergegaan, en er was een vlam. Er rookte een oven, en een vuurvlam ging tussen de stukken door. 18. Op die dag sloot God een verbond met Abram. Hij zei: Aan jouw nakomelingen geef ik dit land, van de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat: het land van de Kenieten, Kenizieten, Kadmonieten, Ferezieten, Refaïeten, Fakorieten en Hivvieten. 19. De dag ging voorbij, en hij bracht de offers. 20. In die nacht sloten wij een verbond met Abram, net als het verbond dat wij in deze maand met Noach hadden gesloten. 21. Abram was blij en vertelde dit alles aan zijn vrouw Sarai. 22. Sarai gaf haar man Abram een raad en zei tegen hem: Ga naar Hagar, mijn Egyptische slavin. Misschien kan ik via haar een kind voor jou krijgen. 23. Abram luisterde naar zijn vrouw Sarai en zei tegen haar: Doe dat. 24. Hij sliep met haar. Zij werd zwanger en kreeg een zoon. ## Jubileeën 15 — Het verbond van de besnijdenis 1. Halverwege de derde maand van het vijfde jaar van de vierde jaarweek van dit jubeljaar vierde Abram het feest van de eerste vruchten van de tarweoogst. 2. Hij bracht op het altaar een nieuw offer aan God: de eerste vruchten van het graan. 3. God verscheen aan Abram en zei tegen hem: Ik ben God, de Almachtige. Leef zoals ik het wil, en wees volmaakt. 4. Ik zal mijn verbond sluiten tussen mij en jou, en ik zal je heel talrijk maken. 5. Abram boog zich diep neer, en God sprak met hem en zei: 6. Kijk, mijn verbond is met jou, en jij zult de vader worden van veel volken. 7. Je zult niet langer Abram heten. Van nu af aan en voor altijd is je naam Abraham, want ik heb je tot vader van veel volken gemaakt. 8. Ik zal je bijzonder groot maken. 9. Ik sluit mijn verbond tussen mij en jou en je nakomelingen na jou, generatie na generatie, als een eeuwig verbond. Ik zal jouw God zijn en de God van je nakomelingen na jou. 10. Aan jou en je nakomelingen geef ik het land waar je als vreemdeling hebt gewoond, het land Kanaän. Jullie zullen er voor altijd over heersen, en ik zal hun God zijn. 11. God zei tegen Abraham: En jij moet mijn verbond houden, jij en je nakomelingen na jou. Besnijd alle mannen en jongens bij jullie. Laat je voorhuid besnijden. Dat is het teken van mijn eeuwige verbond tussen mij en jullie. 12. Elke jongen moet op de achtste dag besneden worden, elke man in al jullie generaties, ook wie in je huis geboren is. 13. Wie in je huis geboren is en wie je met geld hebt gekocht, moet besneden worden. 14. Een man of jongen die niet op de achtste dag is besneden, moet uit zijn volk worden verwijderd, want hij heeft mijn verbond verbroken. 15. God zei tegen Abraham: Je vrouw Sarai zal niet langer Sarai heten, maar Sara. 16. Ik zal haar zegenen en je via haar een zoon geven. Ik zal hem zegenen, hij zal uitgroeien tot een volk, en koningen van volken zullen uit hem voortkomen. 17. Abraham boog zich diep neer en was blij. Hij dacht bij zichzelf: Kan iemand van honderd jaar nog een zoon krijgen? En kan Sara, die negentig is, nog een kind krijgen? 18. Abraham zei tegen God: Laat Ismaël toch voor Uw ogen leven! 19. God zei: Ja. 20. Ook wat Ismaël betreft heb ik naar je geluisterd. Kijk, ik zal hem zegenen, groot maken en heel talrijk maken. 21. Maar mijn verbond sluit ik met Izak, die Sara volgend jaar rond deze tijd ter wereld zal brengen. 22. Toen God uitgesproken was, ging Hij bij Abraham vandaan omhoog. 23. Abraham deed wat God hem had gezegd. Hij nam zijn zoon Ismaël en iedereen die in zijn huis geboren was of die hij met geld had gekocht, alle mannen en jongens in zijn huis, en hij besneed hun voorhuid. 24. Nog diezelfde dag werd Abraham besneden, en ook iedereen die in zijn huis geboren was, alle mannen van zijn huis en iedereen die hij met geld had gekocht. Ook de zonen van vreemdelingen werden met hem besneden. 25. Deze wet geldt voor alle generaties, voor altijd. Aan de dag van de besnijdenis mag niets veranderd worden. 26. Iedere jongen die geboren wordt en op de achtste dag niet besneden is, hoort niet bij de kinderen van het verbond dat God met Abraham heeft gesloten. Hij hoort bij de kinderen van het verderf. 27. Want zij zijn allemaal engelen die voor God staan. 28. En jij, geef de Israëlieten opdracht om dit teken van het verbond te houden, generatie na generatie, als een eeuwige wet. Dan zullen ze niet van de aarde worden uitgeroeid. 29. Want het gebod is vastgelegd bij het verbond, zodat ze het voor altijd zouden houden. 30. Want Ismaël, zijn zonen en zijn broers, en ook Ezau, heeft God niet dicht bij Zich gebracht en niet uitgekozen, al zijn ze kinderen van Abraham. Hij kende hen. Maar Israël koos Hij uit, om Zijn volk te zijn. 31. Hij maakte hen heilig en bracht hen bijeen uit alle mensen. 32. Over Israël stelde Hij geen heerser aan, geen engel en geen geest. 33. Maar ik vertel je nu dat de Israëlieten deze wet ontrouw zullen worden. Ze zullen hun kinderen niet besnijden zoals deze hele wet voorschrijft. Met de besnijdenis zullen ze het niet nauw nemen, en alle kinderen van Belial zullen hun zonen onbesneden laten, zoals ze geboren zijn. 34. God zal heel kwaad zijn op de Israëlieten, omdat ze Zijn verbond hebben verlaten, van Zijn woord zijn afgeweken, Zijn gebod hebben overtreden en Hem hebben gelasterd. Want ze hebben Zijn wet over dit teken niet gehouden. ## Jubileeën 16 — Izak wordt geboren en Abraham viert het loofhuttenfeest 1. Op de eerste dag van de vierde maand verschenen wij aan Abraham bij de terebint van Mamre. Wij spraken met hem en vertelden hem dat zijn vrouw Sara hem een zoon zou geven. 2. Sara lachte, want ze hoorde dat wij dit met Abraham bespraken. 3. Wij vertelden haar dat haar zoon Izak zou heten, zoals op de platen in de hemel is vastgelegd en opgeschreven. 4. Toen wij op de afgesproken tijd bij haar terugkwamen, was zij zwanger van een zoon. 5. In die maand voltrok God Zijn oordeel over Sodom, Gomorra, Zeboim en de hele Jordaanvlakte. Hij verbrandde ze met vuur en zwavel en vernietigde ze, tot op de dag van vandaag. 6. Zo zal God ook oordelen over de plaatsen waar mensen net zo onrein leven als in Sodom, zoals Hij Sodom heeft geoordeeld. 7. Maar Lot redden wij, want God dacht aan Abraham en haalde hem weg uit de verwoesting. 8. Hij en zijn dochters begingen op aarde een zonde zoals er sinds de tijd van Adam nog nooit een op aarde was geweest: de man sliep met zijn dochter. 9. Daarom is op de platen in de hemel over al zijn nakomelingen geboden en gegraveerd dat ze weggenomen en uitgeroeid worden. Over hen zal het oordeel komen zoals over Sodom, en op de dag van het oordeel zal hij geen enkele nakomeling op aarde overhouden. 10. In die maand vertrok Abraham uit Hebron. Hij ging wonen tussen Kades en Sur, in de bergen van Gerar. 11. Halverwege de vijfde maand vertrok hij vandaar en ging hij in Berseba wonen. 12. Halverwege de zesde maand zag God naar Sara om en deed Hij wat Hij had gezegd. 13. Zij werd zwanger en kreeg een zoon, halverwege de derde maand, op de tijd die God aan Abraham had genoemd. Op het feest van de eerste vruchten van de oogst werd Izak geboren. 14. Abraham besneed hem toen hij acht dagen oud was. Izak was de eerste die besneden werd volgens het verbond dat voor altijd is vastgelegd. 15. In het zesde jaar van de vierde jaarweek kwamen wij bij Abraham in Berseba. Wij verschenen aan hem, zoals wij tegen Sara hadden gezegd dat wij bij haar terug zouden komen. Ook zij was zwanger van een zoon. 16. In de zevende maand kwamen wij terug, en wij vonden Sara zwanger. Wij zegenden haar en vertelden haar alles wat over Abraham was bepaald: hij zou niet sterven voordat hij nog zes zonen had gekregen, en hij zou hen zien voordat hij stierf. 17. Alle nakomelingen van zijn zonen zouden tot de andere volken gaan behoren en bij die volken worden gerekend. 18. Want hij zou het deel van de Allerhoogste worden. Al zijn nakomelingen waren onder de heerschappij van God gekomen, zodat ze voor God een volk zouden zijn dat meer dan alle andere volken van Hem is: een koninkrijk, een priesterschap en een heilig volk. 19. Wij gingen verder, en wij vertelden Sara alles wat wij hem hadden gezegd. Ze waren allebei heel erg blij. 20. Hij bouwde daar een altaar voor God, die hem had gered en hem blij maakte in het land waar hij als vreemdeling rondtrok. 21. Tijdens dit feest bouwde hij loofhutten voor zichzelf en voor zijn knechten. Hij was de eerste die op aarde het loofhuttenfeest vierde. 22. Zeven dagen lang bracht hij elke dag op het altaar een brandoffer aan God: twee runderen, twee rammen, zeven schapen en één jonge bok als zondoffer, om daarmee verzoening te doen voor zichzelf en zijn nakomelingen. 23. Als dankoffer bracht hij zeven rammen, zeven bokjes, zeven schapen en zeven bokken, met de graanoffers en drankoffers die erbij hoorden. Al het vet liet hij op het altaar in rook opgaan. 24. 's Morgens en 's avonds liet hij geurig reukwerk in rook opgaan: galban, mirresap, nardus, mirre, geurige aar en kostuswortel, deze zeven. Dat alles offerde hij fijngestampt, in gelijke delen, door elkaar gemengd en zuiver. 25. Zeven dagen lang vierde hij dit feest. Hij was blij met heel zijn hart en heel zijn ziel, samen met iedereen die bij zijn huis hoorde. Er was geen vreemdeling bij hem en ook niemand die niet besneden was. 26. Hij prees zijn Schepper, die hem in zijn generatie had geschapen, want Hij had hem geschapen zoals Hij het wilde. Want hij wist en begreep dat uit hem de plant van de gerechtigheid zou voortkomen voor alle generaties, voor altijd, en uit hem heilige nakomelingen, die zouden worden zoals Hij die alles heeft gemaakt. 27. Hij prees God en was blij. Hij noemde dit feest het feest van God, een vreugde waar God, de Allerhoogste, blij mee is. 28. Wij zegenden hem voor altijd, en ook al zijn nakomelingen na hem in alle generaties op aarde, omdat hij dit feest op de juiste tijd had gevierd, zoals de platen in de hemel getuigen. 29. Daarom is op de platen in de hemel voor Israël vastgelegd dat ze het loofhuttenfeest moeten vieren, zeven dagen lang met blijdschap, in de zevende maand. Dat is God welgevallig, en het is een eeuwige wet voor al hun generaties, elk jaar opnieuw. 30. Aan deze wet komt geen einde, want ze is voor altijd voor Israël vastgelegd: ze moeten het feest vieren, in loofhutten wonen, kransen op hun hoofd zetten en loofrijke takken en wilgentakken van langs de beek nemen. 31. Abraham nam palmtakken en vruchten van mooie bomen. Elke dag liep hij 's morgens zeven keer met de takken rond het altaar. Hij prees zijn God en dankte Hem blij voor alles. ## Jubileeën 17 — Ismaël wordt weggestuurd en Mastema daagt God uit 1. In het eerste jaar van de vijfde jaarweek van dit jubeljaar kreeg Izak geen borstvoeding meer. Op die dag, in de derde maand, gaf Abraham een groot feest. 2. Ismaël, de zoon van de Egyptische Hagar, was bij zijn vader Abraham, op zijn eigen plaats. Abraham was blij en prees God, want hij had zijn zonen gezien en was niet kinderloos gestorven. 3. Hij dacht aan wat God tegen hem had gezegd op de dag dat Lot bij hem was weggegaan. 4. Sara zag Ismaël spelen en dansen, en ze zag hoe blij Abraham was. Toen werd ze jaloers op Ismaël. 5. Abraham vond het heel erg dat hij zijn slavin en zijn zoon bij zich zou moeten wegsturen. 6. God zei tegen Abraham: Wees niet verdrietig om de jongen en om je slavin. Luister naar alles wat Sara tegen je zegt, en doe het. Want via Izak zullen je naam en je nakomelingen verder bestaan. 7. Maar de zoon van deze slavin zal ik ook tot een groot volk maken, omdat hij jouw zoon is. 8. De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij nam brood en een waterzak, laadde die op Hagar en de jongen en stuurde haar weg. 9. Ze vertrok en dwaalde rond in de woestijn van Berseba. Toen het water in de zak op was, kreeg de jongen dorst. Hij kon niet verder en viel neer. 10. Zijn moeder tilde hem op en liep verder. Ze legde hem neer onder een olijfboom en ging een eind verderop zitten, ongeveer een boogschot ver, want ze zei: Ik wil mijn kind niet zien sterven. Terwijl ze daar zat, huilde ze. 11. Een engel van God, een van de heiligen, zei tegen haar: Waarom huil je, Hagar? Sta op, pak de jongen en houd hem bij de hand. God heeft je stem gehoord en de jongen gezien. 12. Ze opende haar ogen en zag een waterput. Ze vulde haar zak met water en gaf haar kind te drinken. 13. De jongen groeide op en werd een boogschutter, en God was met hem. Zijn moeder zocht voor hem een vrouw uit Egypte. 14. Zijn vrouw kreeg een zoon, en hij noemde hem Nebajot, want zij zei: De HEERE was dicht bij mij toen ik Hem aanriep. 15. Op de twaalfde dag van de eerste maand, in het eerste jaar van de zevende jaarweek van dit jubeljaar, klonken er in de hemel stemmen over Abraham. 16. De vorst Mastema kwam en zei tegen God: Kijk, Abraham houdt van zijn zoon Izak en is meer met hem blij dan met wat ook. 17. God wist dat Abraham trouw was in alle moeilijkheden waarover Hij met hem had gesproken. Want Hij had hem op de proef gesteld met zijn land en met hongersnood, en met de rijkdom van koningen. 18. Bij alles waarmee Hij hem op de proef stelde, bleek hij trouw. Hij werd niet ongeduldig en aarzelde niet om het te doen, want hij was trouw en hield van God. ## Jubileeën 18 — Abraham en Izak op de berg 1. God zei tegen hem: Abraham, Abraham! Hij antwoordde: Ja, hier ben ik. 2. Hij zei tegen hem: Neem je geliefde zoon Izak, van wie je houdt, en ga naar het hoge land. Offer hem daar op een van de bergen die ik je zal aanwijzen. 3. Abraham stond vroeg in de morgen op, zadelde zijn ezel en nam twee van zijn knechten mee, en ook zijn zoon Izak. Hij kloofde het hout voor het brandoffer, en op de derde dag kwam hij bij de plaats. 4. Hij kwam bij een waterput en zei tegen zijn knechten: Blijf hier met de ezel. Ik ga met de jongen verder. Als we hebben aanbeden, komen we bij jullie terug. 5. Hij nam het hout voor het brandoffer en legde het op zijn zoon Izak. Zelf nam hij het vuur en het mes in zijn hand. 6. Izak zei tegen zijn vader: Vader! 7. Abraham zei: God zelf zal voor een lam als brandoffer zorgen, mijn zoon. 8. Hij bouwde een altaar, legde het hout erop, bond zijn zoon Izak vast en legde hem op het hout boven op het altaar. Toen strekte hij zijn hand uit om het mes te pakken en zijn zoon Izak te slachten. 9. Ik stond voor hem en voor de vorst Mastema, en God zei: Zeg hem dat hij zijn hand niet naar de jongen uitsteekt en hem niets doet, want ik weet dat hij ontzag heeft voor God. 10. Ik riep hem vanuit de hemel en zei tegen hem: Abraham! Hij schrok en zei: Ja, hier ben ik. 11. Ik zei tegen hem: Steek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets. Want nu weet ik dat je ontzag hebt voor God: je hebt je zoon, je eerstgeborene, niet voor mij gespaard. 12. De vorst Mastema stond beschaamd. Abraham keek op en zag een ram die met zijn horens vastzat. Abraham ging erheen, nam de ram en offerde hem als brandoffer in de plaats van zijn zoon. 13. Abraham noemde die plaats: God heeft gezien. Daarom zeggen de mensen: God heeft gezien. Dat is de berg Sion. 14. God riep Abraham voor de tweede keer bij zijn naam vanuit de hemel, zoals Hij ons liet verschijnen om in de naam van God met hem te spreken. 15. Hij zei: Ik zweer bij mezelf, zegt de HEERE: je hebt dit gedaan en je zoon, je eerstgeborene van wie je houdt, niet voor mij gespaard. 16. Daarom zullen alle volken op aarde gezegend worden door jouw nakomelingen, omdat je naar mij hebt geluisterd. 17. Abraham ging terug naar zijn knechten. Ze stonden op en gingen samen naar Berseba. 18. Elk jaar vierde hij dit feest, zeven dagen lang met blijdschap. Hij noemde het het feest van God, naar de zeven dagen van zijn tocht heen en terug in vrede. 19. Zo is het op de platen in de hemel voor Israël en zijn nakomelingen vastgelegd en opgeschreven: ze moeten dit feest zeven dagen lang met blijdschap vieren. ## Jubileeën 19 — Sara sterft en Abraham zegent Jakob 1. In het eerste jaar van de eerste jaarweek van het tweeënveertigste jubeljaar ging Abraham terug en woonde hij twee jaarweken tegenover Hebron, dat is Kirjat-Arba. 2. In het eerste jaar van de derde jaarweek van dit jubeljaar kwam er een einde aan het leven van Sara. Ze stierf in Hebron. 3. Abraham ging om haar te bewenen en te begraven. 4. Geduldig sprak hij met de Hethieten, om een plaats te krijgen waar hij zijn overleden vrouw kon begraven. 5. God zorgde ervoor dat iedereen die hem zag hem goedgezind was. 6. Ze drongen er zelfs bij hem op aan en zeiden: Wij geven het u voor niets. Maar hij nam het niet voor niets van hen aan. Hij betaalde de volle prijs voor de plaats in zilver. 7. Sara werd 127 jaar oud. Dat zijn twee jubeljaren, vier jaarweken en één jaar: zo lang heeft Sara geleefd. 8. Dit was de tiende beproeving waarmee Abraham op de proef werd gesteld, en hij bleek trouw en geduldig. 9. Hij zei geen woord over de praatjes in het land, ook al had God gezegd dat Hij het land aan hem en zijn nakomelingen zou geven. 10. In het vierde jaar zocht hij een vrouw voor zijn zoon Izak. Ze heette Rebekka en was de dochter van Bethuël, de zoon van Nahor, de broer van Abraham, en de zus van Laban. Bethuël werd de stamvader van de Bethuëlieten; hij was de zoon van Milka, de vrouw van Nahor, de broer van Abraham. 11. Abraham trouwde voor de derde keer, met Ketura. Zij hoorde bij de kinderen die in zijn huis geboren waren. Hagar was toen al gestorven, nog vóór Sara. 12. In de loop van twee jaarweken kreeg zij met hem zes zonen: Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah. 13. In het tweede jaar van de zesde jaarweek kreeg Rebekka twee zonen van Izak: Jakob en Ezau. Jakob was eerlijk en oprecht, maar Ezau was een ruwe man, een man van het veld, en hij was behaard. Jakob woonde in tenten. 14. De jongens groeiden op. Jakob leerde schrijven, maar Ezau niet, want hij was een man van het veld en een jager. Hij leerde vechten, en alles wat hij deed was ruw. 15. Abraham hield van Jakob, maar Izak hield van Ezau. 16. Abraham zag hoe Ezau zich gedroeg, en hij wist dat via Jakob zijn naam en zijn nakomelingen verder zouden bestaan. 17. Hij zei tegen Rebekka: Mijn dochter, zorg goed voor mijn zoon Jakob. Want hij zal in mijn plaats zijn op aarde, een zegen onder de mensen en de glorie van alle nakomelingen van Sem. 18. Want ik weet dat God hem zal uitkiezen om een blijvend volk voor Hem te zijn, boven alle volken op aarde. 19. Kijk, mijn zoon Izak houdt meer van Ezau dan van Jakob, maar ik zie dat jij echt van Jakob houdt. 20. Wees nog meer goed voor hem, en kijk met liefde naar hem. 21. Houd moed, en wees blij met je zoon Jakob. 22. Alleen wie het zand op aarde kan tellen, kan ook zijn nakomelingen tellen. 23. Alle zegeningen waarmee God mij en mijn nakomelingen heeft gezegend, zullen voor altijd van Jakob en zijn nakomelingen zijn. 24. Via zijn nakomelingen zal mijn naam gezegend worden, en de naam van mijn voorouders: Sem, Noach, Henoch, Mahalal-el, Enos, Seth en Adam. 25. Zij zullen dienen om de hemel te grondvesten, de aarde vast te zetten en alle lichten aan het hemelgewelf te vernieuwen. 26. Hij riep Jakob bij zich terwijl zijn moeder Rebekka toekeek. Hij kuste hem, zegende hem en zei: 27. Mijn zoon Jakob, mijn geliefde, van wie ik met heel mijn hart houd: moge God je zegenen van boven het hemelgewelf. Moge Hij je alle zegeningen geven waarmee Hij Adam, Henoch, Noach en Sem heeft gezegend, en alles wat Hij mij heeft beloofd. 28. Mogen de geesten van Mastema geen macht hebben over jou en je nakomelingen, om je bij God, jouw God, vandaan te trekken, van nu af aan tot in eeuwigheid. 29. Moge God, de HEERE, een Vader voor je zijn, en jij Zijn eerstgeboren zoon en Zijn volk, voor altijd. 30. Samen gingen ze bij Abraham weg. 31. Rebekka hield met heel haar hart en heel haar ziel veel meer van Jakob dan van Ezau, maar Izak hield veel meer van Ezau dan van Jakob. ## Jubileeën 20 — Abraham waarschuwt zijn nakomelingen 1. In het eerste jaar van de zevende jaarweek van het tweeënveertigste jubeljaar riep Abraham Ismaël en zijn twaalf zonen bij zich, en Izak en zijn twee zonen, en de zes zonen van Ketura met hun kinderen. 2. Hij droeg hun op de weg van God te volgen en te doen wat rechtvaardig is. Ze moesten elkaar liefhebben en zich zo tegenover iedereen gedragen: met elkaar optrekken en recht en gerechtigheid doen op aarde. 3. Ze moesten hun zonen besnijden volgens het verbond dat Hij met hen had gesloten. Ze mochten niet naar rechts of naar links afwijken van de wegen die God ons heeft opgedragen. We moesten ons bewaren voor alle ontucht en onreinheid, en alle onreinheid en ontucht bij ons wegdoen. 4. Als een vrouw of een meisje bij jullie ontucht pleegt, verbrand haar dan. Laat niemand ontucht plegen door zijn ogen en zijn hart te volgen en een vrouw te nemen uit de dochters van Kanaän, want de nakomelingen van Kanaän zullen uit het land worden uitgeroeid. 5. Hij vertelde hun hoe de reuzen en Sodom werden geoordeeld om hun slechtheid, om ontucht, onreinheid en onderling verderf: door ontucht kwamen ze om. 6. Bewaar ook jullie je voor alle ontucht en onreinheid en voor alle besmetting van de zonde. Anders maken jullie onze naam tot een vloek en jullie hele leven tot spot, en worden al jullie zonen door het zwaard gedood. Dan worden jullie vervloekt zoals Sodom, en wordt wat er van jullie overblijft zoals de zonen van Gomorra. 7. Ik roep jullie op, mijn zonen: heb de God van de hemel lief en houd je aan al Zijn geboden. Loop niet achter hun afgoden en hun onreinheid aan. 8. Maak geen gegoten goden of gesneden beelden, want ze zijn niets waard. 9. Aanbid de allerhoogste God en buig je steeds voor Hem neer. Zoek Hem altijd, en doe wat rechtvaardig en oprecht is voor Hem. Dan zal Hij vreugde in jullie hebben, jullie Zijn barmhartigheid geven en regen voor jullie laten vallen, 's morgens en 's avonds. 10. Jullie zullen een zegen zijn op aarde, en alle volken op aarde zullen blij met jullie zijn. 11. Hij gaf Ismaël, zijn zonen en de zonen van Ketura geschenken en stuurde hen weg bij zijn zoon Izak. Alles wat hij bezat, gaf hij aan zijn zoon Izak. 12. Ismaël en zijn zonen, en de zonen van Ketura met hun kinderen, trokken samen weg. Ze woonden van Paran tot aan de grens van Babel, in het hele land in het oosten, tegenover de woestijn. 13. Ze vermengden zich met elkaar, en ze werden Arabieren en Ismaëlieten genoemd. ## Jubileeën 21 — Abraham leert Izak hoe hij moet offeren 1. In het zesde jaar van de zevende jaarweek van dit jubeljaar riep Abraham zijn zoon Izak bij zich en gaf hem opdrachten. Hij zei: Ik ben oud geworden. Ik weet niet wanneer ik zal sterven, want ik heb lang genoeg geleefd. 2. Kijk, ik ben 175 jaar oud. Mijn hele leven heb ik aan God gedacht en heb ik met heel mijn hart geprobeerd Zijn wil te doen en oprecht te leven op al Zijn wegen. 3. Ik heb de afgoden gehaat, om mij ervoor te bewaren en de wil te doen van Hem die mij heeft geschapen. 4. Want Hij is de levende God. Hij is heilig en trouw, en rechtvaardiger dan alles. Hij is niet partijdig en laat Zich niet omkopen. Want God is rechtvaardig en oordeelt over iedereen die Zijn gebod overtreedt en Zijn verbond veracht. 5. Houd jij, mijn zoon, Zijn gebod, Zijn voorschriften en Zijn recht. Loop niet achter wat onrein is aan, en niet achter gesneden en gegoten beelden. 6. Eet geen enkel bloed, niet van wilde dieren, niet van vee en niet van vogels die in de lucht vliegen. 7. Als je een dier slacht als dankoffer dat God welgevallig is, giet dan het bloed uit op het altaar. Leg al het vet van het offer op het altaar met fijn meel, en ook het graanoffer gemengd met olie en het drankoffer. Breng het allemaal samen op het altaar, als een offer met een aangename geur voor God. 8. Leg ook het vet van het dankoffer op het vuur op het altaar: het vet op de buik, al het vet op de ingewanden, de twee nieren met al het vet daarop, en de lendenen. De lever moet je samen met de nieren weghalen. 9. Breng dit alles als een aangename geur die God welgevallig is, met het graanoffer en het drankoffer erbij: een aangename geur, het voedsel van het offer voor God. 10. Eet het vlees op dezelfde dag en op de volgende dag. Laat de zon op de tweede dag niet ondergaan voordat het op is, en laat niets over tot de derde dag. Want dan is het niet meer welgevallig en niet goedgekeurd, en het mag niet meer gegeten worden. 11. Doe op al je offers zout. Het zout van het verbond mag bij geen enkel offer voor God ontbreken. 12. Let goed op met het hout voor het offer. Leg geen ander hout op het altaar dan deze soorten: cipres, defran, sagad, pijnboom, spar, ceder, savenhout, palm, olijfboom, mirre, laurier, jeneverbes, die arbat heet, en balsem. 13. Leg van deze houtsoorten het hout dat er goed uitziet onder het offer op het altaar. Leg geen gespleten hout neer, maar stevig hout, gaaf en zonder gebrek, gezond en jong. Leg geen oud hout neer, want de geur is eruit: het ruikt niet meer zoals vroeger. 14. Behalve deze houtsoorten mag je geen ander hout gebruiken. 15. Houd je aan dit voorschrift en doe het, mijn zoon, zodat je oprecht bent in alles wat je doet. 16. Houd je lichaam altijd rein. Was je met water voordat je gaat offeren op het altaar. Was je handen en voeten voordat je bij het altaar komt, en was je handen en voeten opnieuw als je klaar bent met offeren. 17. Laat er geen bloed op jou of op je kleren te zien zijn. Pas goed op met het bloed, mijn zoon, pas heel goed op. Bedek het met aarde. 18. Eet nooit bloed, want het bloed is het leven. Eet geen enkel bloed. 19. Neem geen geld aan voor het bloed van een mens, anders wordt het zonder straf vergoten. Want het vergoten bloed laat de aarde zondigen, en de aarde kan van het bloed van een mens alleen gereinigd worden door het bloed van wie het vergoten heeft. 20. Neem geen loon en geen geschenk aan voor het bloed van een mens: bloed voor bloed. Dan word je aanvaard door God, de Allerhoogste. 21. Ik zie, mijn zoon, dat alles wat de mensen doen zonde en slechtheid is. Al hun daden zijn onrein, walgelijk en bezoedeld. 22. Pas op: ga niet hun weg en loop niet in hun voetsporen. Bega geen zonde die de dood brengt voor God, de Allerhoogste. 23. Keer je af van al hun daden en al hun onreinheid. Houd je aan de voorschriften van God, de Allerhoogste, doe Zijn wil en wees in alles oprecht. 24. Dan zal Hij je zegenen in alles wat je doet. Hij zal uit jou een plant van de gerechtigheid laten opgroeien over de hele aarde, in alle generaties. Mijn naam en jouw naam zullen onder de hemel nooit vergeten worden. 25. Ga in vrede, mijn zoon. Moge God, de Allerhoogste, mijn God en jouw God, je kracht geven om Zijn wil te doen. Moge Hij al je nakomelingen zegenen, wie er van jouw nakomelingen overblijft, voor alle generaties, voor altijd, met alle zegen van de gerechtigheid, zodat je een zegen bent op de hele aarde. 26. Izak ging blij bij hem weg. ## Jubileeën 22 — Abrahams laatste feest en zijn zegen voor Jakob 1. In het tweede jaar van de eerste jaarweek van het vierenveertigste jubeljaar, het jaar waarin Abraham stierf, kwamen Izak en Ismaël uit Berseba naar hun vader Abraham om het feest van de weken te vieren, het feest van de eerste vruchten van de oogst. Abraham was blij dat zijn twee zonen gekomen waren. 2. Want Izak had veel bezittingen in Berseba. Hij ging vaak op pad om ze te bekijken en kwam dan terug bij zijn vader. 3. In die dagen kwam Ismaël zijn vader opzoeken, en ze kwamen allemaal samen. Izak slachtte een dier als brandoffer en offerde het op het altaar dat zijn vader in Hebron had gebouwd. 4. Hij bracht een dankoffer en hield een feestmaal met zijn broer Ismaël. 5. Via Jakob stuurde Izak ook een uitgelezen dankoffer naar Abraham, zodat hij kon eten en drinken. 6. Abraham at en dronk. Hij prees God, de Allerhoogste, die hemel en aarde heeft geschapen, die al het goede van de aarde heeft gemaakt en het aan de mensen heeft gegeven, zodat ze zouden eten en drinken en hun Schepper zouden prijzen. 7. Nu dank ik U, mijn God, dat U mij deze dag hebt laten zien. Kijk, ik ben 175 jaar oud, oud en tevreden, en al mijn dagen heb ik in vrede geleefd. 8. Het zwaard van de vijand heeft mij niet overwonnen. 9. Moge Uw barmhartigheid en Uw vrede zijn met Uw dienaar en met de nakomelingen van zijn zonen, zodat zij Uw uitverkoren volk zijn en Uw eigendom uit alle volken op aarde, van nu af aan en in alle generaties op aarde, voor altijd. 10. Hij riep Jakob en zei tegen hem: Mijn zoon Jakob, moge de God van allen je zegenen en je kracht geven om te doen wat rechtvaardig is en wat Hij wil. Moge Hij jou en je nakomelingen uitkiezen, zodat jullie Zijn volk en Zijn eigendom zijn, zoals Hij wil, voor altijd. 11. Jakob kwam dichterbij en kuste hem. 12. Wees sterk tegenover de mensen en heers over alle nakomelingen van Seth. Dan zullen jouw wegen en die van je kinderen rechtvaardig zijn, zodat ze een heilig volk worden. 13. Moge God, de Allerhoogste, je alle zegeningen geven waarmee Hij mij heeft gezegend en waarmee Hij Noach en Adam heeft gezegend. Mogen ze rusten op het heilige hoofd van je nakomelingen, van generatie op generatie, voor altijd. 14. Moge Hij je reinigen van alle vuil van de onreinheid, zodat al je overtredingen en de zonden die je zonder het te weten hebt gedaan, vergeven worden. 15. Moge Hij Zijn verbond met jou vernieuwen, zodat jij voor altijd Zijn volk en Zijn eigendom bent. 16. En jij, mijn zoon Jakob, denk aan mijn woorden en houd je aan de geboden van je vader Abraham. 17. Zij brengen hun offers aan de doden en aanbidden boze geesten. 18. Ze hebben geen hart om te begrijpen, en hun ogen zien niet. 19. Maar jij, mijn zoon Jakob: moge God, de Allerhoogste, je helpen, en moge de God van de hemel je zegenen en je ver houden van hun onreinheid en al hun dwaling. 20. Pas op, mijn zoon Jakob, dat je geen vrouw neemt uit de dochters van Kanaän. 21. Want door de overtreding van Cham is Kanaän op het verkeerde pad geraakt. Al zijn nakomelingen zullen van de aarde worden uitgeroeid, en wat er van hem overblijft ook. Op de dag van het oordeel zal niemand van hem ontkomen. 22. Voor iedereen die afgoden dient en voor de goddelozen is er geen hoop in het land van de levenden. Want ze dalen af naar het dodenrijk en gaan naar de plaats van het oordeel. 23. Wees niet bang, mijn zoon Jakob, en schrik niet, zoon van Abraham. Moge God, de Allerhoogste, je bewaren voor het verderf. Hij zal je redden van elke dwaalweg. 24. Dit huis heb ik voor mezelf gebouwd, om er mijn naam aan te verbinden op aarde. Het is aan jou en je nakomelingen gegeven, voor altijd, en het zal het huis van Abraham heten. Het is aan jou en je nakomelingen gegeven, voor altijd, want jij zult mijn huis bouwen en mijn naam hooghouden voor God, voor altijd. Je nakomelingen en je naam zullen blijven bestaan in alle generaties op aarde. 25. Zo eindigde hij zijn opdrachten en zijn zegen. 26. Ze lagen samen op één bed. Jakob sliep in de armen van Abraham, de vader van zijn vader. Abraham kuste hem zeven keer, en hij hield met heel zijn hart van hem en was blij met hem. 27. Hij zegende hem met heel zijn hart en zei: God, de Allerhoogste, God van allen en Schepper van alles, U hebt mij uit Ur van de Chaldeeën geleid om mij dit land voor altijd te geven en om heilige nakomelingen te laten opstaan, die voor altijd gezegend zullen zijn. 28. Hij zegende Jakob: Mijn zoon, over wie ik met heel mijn hart en met al mijn liefde blij ben: moge Uw genade en Uw barmhartigheid altijd over hem en zijn nakomelingen blijven. 29. Laat hem niet in de steek en verwerp hem niet, van nu af aan tot in eeuwigheid. 30. Zegen hem met al Uw zegeningen, van nu af aan tot in eeuwigheid. ## Jubileeën 23 — Abraham sterft, en wat er met de generaties gebeurt 1. Hij legde twee vingers van Jakob op zijn ogen en prees de God van de goden. Hij bedekte zijn gezicht, strekte zijn voeten uit en sliep in, voor altijd. 2. Al die tijd lag Jakob in zijn armen, en hij wist niet dat Abraham, de vader van zijn vader, gestorven was. 3. Jakob werd wakker uit zijn slaap. 4. Hij stond op uit zijn armen, ging weg en vertelde het aan zijn moeder Rebekka. 5. Izak boog zich over het gezicht van zijn vader, huilde en kuste hem. 6. In het huis van Abraham klonk geroep. 7. Zijn zonen Izak en Ismaël begroeven hem in de grot van Machpela, bij zijn vrouw Sara. 8. Hij leefde drie jubeljaren en vier jaarweken, 175 jaar, en voltooide zijn leven oud en tevreden. 9. Want de voorouders leefden negentien jubeljaren. 10. Want Abraham was volmaakt in alles wat hij met God deed. 11. Alle generaties die vanaf nu tot de grote dag van het oordeel komen, zullen snel oud worden, nog voordat ze twee jubeljaren vol hebben gemaakt. 12. Als iemand in die dagen anderhalf jubeljaar oud wordt, zullen ze over hem zeggen: Hij heeft lang geleefd. Maar het grootste deel van zijn dagen is pijn, moeite en ellende, en er is geen vrede. 13. Want er komt ramp op ramp, wond op wond, ellende op ellende, slecht nieuws op slecht nieuws, ziekte op ziekte, en allerlei zware straffen zoals deze, de een na de ander: ziekte en ondergang, sneeuw, rijp en ijs, koorts, rillingen en verlamming, honger, dood, zwaard en gevangenschap. 14. Dat alles zal komen over een slechte generatie, die de aarde laat zondigen door de onreinheid van ontucht, door bezoedeling en door hun walgelijke daden. 15. Dan zullen ze zeggen: De voorouders leefden lang, tot wel duizend jaar, en hun leven was goed. 16. In die generatie zullen de kinderen hun vaders en de ouderen verwijten maken om hun zonde en hun onrecht, om wat ze zeggen en om het grote kwaad dat ze doen. 17. Want ze hebben allemaal kwaad gedaan, en iedere mond spreekt wat verkeerd is. 18. De aarde zal verwoest worden om alles wat ze doen. Er zullen geen druiven en geen olie meer zijn, want al hun daden zijn trouweloos. Ze zullen allemaal samen omkomen, ook de wilde dieren, het vee en de vogels. 19. Ze zullen ruziemaken met elkaar: jongeren met ouderen en ouderen met jongeren, armen met rijken, eenvoudigen met groten, behoeftigen met vorsten, over de wet en over het verbond. Want ze zijn het gebod en het verbond vergeten, de feesten, de maanden, de sabbatten, de jubeljaren en elk recht. 20. Ze zullen met zwaarden en oorlog opstaan om de anderen terug te brengen op de goede weg. Maar ze zullen niet terugkeren voordat er veel bloed op aarde is vergoten, door elkaars hand. 21. Wie ontkomt, zal zich niet afkeren van zijn slechtheid om de weg van de gerechtigheid te gaan. Want ze zullen allemaal uit zijn op bedrog en rijkdom, zodat ieder alles neemt wat van zijn naaste is. Ze zullen de grote naam noemen, maar niet oprecht en niet rechtvaardig. En ze zullen het allerheiligste verontreinigen met hun onreinheid en hun verdorven bezoedeling. 22. God zal het werk van die generatie zwaar straffen. Hij zal hen overleveren aan het zwaard, aan het oordeel, aan gevangenschap, aan plundering en aan verwoesting. 23. Hij zal de zondaars uit de andere volken tegen hen laten optrekken. Die hebben geen medelijden en geen ontferming met hen en sparen niemand, oud of jong. Want ze zijn slecht en sterker in het kwaad dan alle andere mensen. Ze zullen in Israël geweld plegen en Jakob onrecht aandoen. Er zal veel bloed op aarde vergoten worden, en er zal niemand zijn die de doden bijeenbrengt en begraaft. 24. In die dagen zullen ze het uitroepen en bidden om gered te worden uit de macht van de zondaars, de andere volken. Maar niemand zal hen redden. 25. De hoofden van de kinderen zullen grijs worden. Een kind van drie weken zal er zo oud uitzien als iemand van honderd, en hun lichaam zal door ellende en verdriet gebroken worden. 26. In die dagen zullen de kinderen de wetten gaan bestuderen, de geboden gaan zoeken en terugkeren naar de weg van de gerechtigheid. 27. Dan zal het leven weer langer worden. Generatie na generatie en dag na dag zullen de mensen ouder worden, totdat ze bijna duizend jaar oud worden, en ouder dan de mensen van vroeger. 28. Niemand zal oud worden of ontevreden zijn over zijn leven, want ze zullen allemaal als zuigelingen en kinderen zijn. 29. Al hun dagen zullen ze in vrede en vreugde voltooien, en ze zullen leven. Er zal geen satan zijn en niemand die kwaad doet of verderf brengt, want al hun dagen zullen dagen van zegen en genezing zijn. 30. Dan zal God Zijn dienaren genezen. Ze zullen opstaan en grote vrede zien, en Hij zal hun vijanden verdrijven. De rechtvaardigen zullen het zien, God danken en voor altijd blij zijn. 31. Hun beenderen zullen rusten in de aarde. 32. En jij, Mozes, schrijf deze woorden op. Want zo staat het geschreven, en ze zijn als getuigenis op de platen in de hemel gezet, voor alle generaties, voor altijd. ## Jubileeën 24 — Ezau verkoopt zijn rechten, en Izak in het land van de Filistijnen 1. Na de dood van Abraham zegende God zijn zoon Izak. Izak vertrok uit Hebron en ging bij de put Lachai-Roï wonen, zeven jaar lang, vanaf het eerste jaar van de derde jaarweek van dit jubeljaar. 2. In de vierde jaarweek brak er een hongersnood uit in het land, naast de eerste hongersnood in de tijd van Abraham. 3. Jakob kookte linzensoep, en Ezau kwam hongerig van het veld. Hij zei tegen zijn broer Jakob: Geef me wat van die rode soep. 4. Ezau dacht bij zichzelf: Ik ga sterven. Wat heb ik dan aan mijn rechten als eerstgeboren zoon? Hij zei tegen Jakob: Ik geef ze aan jou. 5. Jakob zei tegen hem: Zweer het mij vandaag. En Ezau zwoer het hem. 6. Jakob gaf zijn broer Ezau brood en soep, en Ezau at tot hij genoeg had. Zo liet Ezau zien dat hij zijn rechten als eerstgeboren zoon verachtte. Daarom werd hij Ezau en Edom genoemd, om de rode soep die Jakob hem gaf voor zijn rechten als eerstgeboren zoon. 7. Jakob werd de oudste, en Ezau verloor zijn ereplaats. 8. Omdat er hongersnood in het land was, wilde Izak in het tweede jaar van deze jaarweek naar Egypte trekken. Hij ging naar Gerar, naar Abimelech, de koning van de Filistijnen. 9. God verscheen aan hem en zei tegen hem: Ga niet naar Egypte. Blijf wonen in het land dat ik je zal noemen, en woon als vreemdeling in dat land. Ik zal met je zijn en je zegenen. 10. Want aan jou en je nakomelingen geef ik dit hele land. Ik zal de eed waarmaken die ik aan je vader Abraham heb gezworen, en ik zal je nakomelingen zo talrijk maken als de sterren aan de hemel. 11. Door jouw nakomelingen zullen alle volken op aarde gezegend worden, omdat je vader naar mij heeft geluisterd en zich heeft gehouden aan mijn opdrachten, mijn geboden, mijn wetten, mijn voorschriften en mijn verbond. 12. Hij woonde drie jaarweken in Gerar. 13. Abimelech gaf een bevel over hem en over alles wat van hem was. Hij zei: Iedereen die hem of iets van hem aanraakt, moet sterven. 14. Izak werd machtig onder de Filistijnen. Hij had veel bezit: runderen, schapen, kamelen, ezels en nog veel meer. 15. Ze zaaiden in het land van de Filistijnen. 16. Alle putten die de knechten van Abraham tijdens zijn leven hadden gegraven, hadden de Filistijnen na de dood van Abraham dichtgegooid en met aarde gevuld. 17. Abimelech zei tegen Izak: Ga bij ons weg, want je bent veel machtiger geworden dan wij. 18. Toen ze terugkwamen, groeven ze de waterputten weer uit die de knechten van zijn vader Abraham hadden gegraven. 19. De knechten van Izak groeven putten in het dal en vonden stromend water. De herders van Gerar kregen ruzie met de herders van Izak en zeiden: Dit water is van ons! 20. Ze groeven een andere put, en ook daarover kregen ze ruzie. Izak noemde die put Benauwdheid. Hij trok verder en groef nog een put, en daarover kregen ze geen ruzie. Die noemde hij Ruimte, en Izak zei: Nu heeft God ons ruimte gegeven, en we zijn talrijk geworden in het land. 21. Vandaar ging hij naar Berseba, in het eerste jaar van de eerste jaarweek van het vierenveertigste jubeljaar. 22. In die nacht, op de eerste dag van de eerste maand, verscheen God aan hem en zei tegen hem: Ik ben de God van je vader Abraham. Wees niet bang, want ik ben met je. Ik zal je zegenen en je nakomelingen ontzettend talrijk maken, als het zand op aarde, ter wille van mijn dienaar Abraham. 23. Hij bouwde daar het altaar dat zijn vader Abraham vroeger had gebouwd. 24. Ze groeven een put en vonden stromend water. 25. De knechten van Izak groeven nog een put, maar vonden geen water. 26. Hij noemde die plaats Berseba, want daar had hij een eed gezworen aan Abimelech, aan zijn vriend Ahuzzath en aan Pichol, zijn legeraanvoerder. 27. Die dag besefte Izak dat hij hun onder dwang een eed had gezworen om vrede met hen te sluiten. 28. Op die dag vervloekte Izak de Filistijnen. Hij zei: Vervloekt zijn de Filistijnen, meer dan alle andere volken, tot aan de dag van de grote toorn. 29. Wie ontkomt aan het zwaard van de vijand en aan de Kittieten, laat het rechtvaardige volk die in het oordeel van onder de hemel uitroeien. Want zij zullen in hun tijd op aarde vijanden en tegenstanders van mijn kinderen zijn. 30. Er zal niets van hen overblijven, en niemand zal ontkomen op de dag van het toornige oordeel. 31. Want al klimt hij op naar de hemel, hij zal daar neergehaald worden. Al maakt hij zich sterk op aarde, hij zal daar weggesleurd worden. Al verbergt hij zich tussen de volken, hij zal daar uitgeroeid worden. En al daalt hij af naar het dodenrijk, daar zal zijn straf groot zijn. 32. Al gaat hij in gevangenschap, dan zullen wie hem naar het leven staan hem onderweg doden. Er zal geen naam en geen nakomeling van hem overblijven op de hele aarde. 33. Zo staat het over hem geschreven en gegraveerd op de platen in de hemel: op de dag van het oordeel zal het hem zo vergaan, en hij zal van de aarde worden uitgeroeid. ## Jubileeën 25 — Rebekka zegent Jakob 1. In het tweede jaar van deze jaarweek van dit jubeljaar riep Rebekka haar zoon Jakob bij zich en zei tegen hem: Mijn zoon, trouw niet met een vrouw uit de dochters van Kanaän, zoals je broer Ezau, die twee vrouwen uit de nakomelingen van Kanaän heeft genomen. Zij hebben mij verbitterd met al hun onreine daden. Want alles wat ze doen is ontucht en wellust. Er is geen gerechtigheid bij hen, want het is slecht. 2. Ik houd heel veel van je, mijn zoon. Mijn hart en mijn liefde zegenen je elk uur van de dag en elke nachtwake. 3. Luister nu naar mij, mijn zoon, en doe wat je moeder wil. Trouw niet met een vrouw uit de dochters van dit land, maar alleen met een vrouw uit het huis van mijn vader, uit de familie van mijn vader. Dan zal God, de Allerhoogste, je zegenen. Je nakomelingen zullen een rechtvaardig geslacht zijn, en heilig. 4. Daarna sprak Jakob met zijn moeder Rebekka. Hij zei tegen haar: Moeder, ik ben al 63 jaar oud. Ik heb nooit met een vrouw geslapen en er nooit een aangeraakt. Ik heb me met niemand verloofd, en ik denk er niet eens aan om met een van de dochters van Kanaän te trouwen. 5. Want ik denk aan wat onze vader Abraham mij heeft opgedragen, moeder: dat ik geen vrouw mocht nemen uit de nakomelingen van het huis van Kanaän. Ik zal een vrouw nemen uit de nakomelingen van het huis van mijn vader, uit mijn eigen familie. 6. Ik heb al eerder gehoord, moeder, dat uw broer Laban dochters heeft gekregen. Op hen heb ik mijn hart gericht, om met een van hen te trouwen. 7. Daarom heb ik mezelf in de hand gehouden, zodat ik op geen enkele manier zou zondigen of verdorven zou raken, mijn hele leven lang. Want over wellust en ontucht heeft mijn vader Abraham mij veel geboden gegeven. 8. Ondanks alles wat hij mij heeft opgedragen, heeft mijn broer al 22 jaar ruzie met mij en praat hij steeds op mij in. Hij zegt tegen mij: Broer, trouw toch met een van de zussen van mijn twee vrouwen. Maar ik wil niet doen wat hij heeft gedaan. 9. Ik zweer u, moeder, dat ik mijn hele leven geen vrouw zal nemen uit de nakomelingen van de dochters van Kanaän, en dat ik niet zo slecht zal handelen als mijn broer. 10. Wees niet bang, moeder. U kunt erop rekenen dat ik zal doen wat u wilt, dat ik oprecht zal leven en mijn wegen nooit zal bederven. 11. Toen keek zij omhoog naar de hemel, spreidde haar vingers uit en opende haar mond. Ze prees God, de Allerhoogste, die hemel en aarde heeft geschapen, en ze dankte en loofde Hem. 12. Ze zei: Geprezen is God, en geprezen is Zijn naam, voor altijd en eeuwig. 13. Zegen hem, Heere, en leg een rechtvaardige zegen in mijn mond, zodat ik hem kan zegenen. 14. Op dat moment kwam de geest van de gerechtigheid in haar mond. Ze legde haar beide handen op het hoofd van Jakob en zei: 15. Geprezen bent U, Heere, Rechtvaardige, hun God voor altijd. Moge Hij jou zegenen, meer dan alle geslachten van de mensen. Moge Hij jou, mijn zoon, de weg van de gerechtigheid geven en aan je nakomelingen de gerechtigheid laten zien. 16. Moge Hij je kinderen talrijk maken terwijl je leeft, zodat het er zoveel worden als het jaar maanden heeft. Mogen hun kinderen talrijker en groter worden dan de sterren aan de hemel, en talrijker dan het zand van de zee. 17. Moge Hij hun dit goede land geven, zoals Hij heeft gezegd dat Hij het voor altijd aan Abraham en zijn nakomelingen zou geven. Mogen ze het bezitten als eeuwig bezit. 18. Moge ik in mijn leven gezegende kinderen van jou zien, mijn zoon, en gezegende nakomelingen. Mogen al je nakomelingen heilig zijn. 19. Zoals jij je moeder in haar leven hebt verkwikt, zo zegent de schoot die jou heeft gebaard je. Mijn liefde en mijn borsten zegenen je, en mijn mond en mijn tong prijzen je uitbundig. 20. Word talrijk en breid je uit over de aarde. Mogen je nakomelingen volmaakt zijn in de hele wereld, tot vreugde van hemel en aarde. 21. Mogen je naam en je nakomelingen blijven bestaan, voor altijd. 22. Gezegend is wie jou zegent, en vervloekt is ieder die jou ten onrechte vervloekt. 23. Ze kuste hem en zei tegen hem: Moge de Heere van de wereld van je houden, zoals het hart en de liefde van je moeder blij zijn met jou en je zegenen. Toen stopte ze met zegenen. ## Jubileeën 26 — Jakob krijgt de zegen van Izak 1. In het zevende jaar van deze jaarweek riep Izak zijn oudste zoon Ezau bij zich en zei tegen hem: Mijn zoon, ik ben oud geworden. Mijn ogen zijn zo zwak dat ik niet meer goed kan zien, en ik weet niet wanneer ik zal sterven. 2. Pak nu je jachtspullen, je pijlkoker en je boog, en ga het veld in. Ga voor mij op jacht, mijn zoon, en maak een lekker gerecht voor me klaar, zoals ik het graag heb. Breng het bij me, zodat ik kan eten en je kan zegenen voordat ik sterf. 3. Maar Rebekka luisterde mee toen Izak met Ezau sprak. 4. Ezau ging vroeg het veld in om te jagen en de buit bij zijn vader te brengen. 5. Rebekka riep haar zoon Jakob en zei tegen hem: Ik hoorde je vader Izak tegen je broer Ezau zeggen: Ga voor mij op jacht en maak een lekker gerecht voor me klaar. Breng het bij me, dan zal ik eten en je voor God zegenen voordat ik sterf. 6. Luister nu naar mij, mijn zoon, en doe wat ik je zeg. Ga naar de kudde en haal twee mooie bokjes voor me. Dan maak ik daarvan een lekker gerecht voor je vader, zoals hij het graag heeft. Jij brengt het naar je vader, zodat hij het eet en je voor God zegent voordat hij sterft. 7. Jakob zei tegen zijn moeder Rebekka: Moeder, ik wil mijn vader best alles geven wat hij graag eet. Maar ik ben bang dat hij mijn stem herkent en mij wil betasten. 8. U weet dat ik een gladde huid heb en mijn broer Ezau een behaarde. Dan zal ik in zijn ogen een bedrieger zijn. Ik doe iets wat hij mij niet heeft gevraagd, hij wordt kwaad op mij, en ik haal een vloek over mezelf in plaats van een zegen. 9. Zijn moeder Rebekka zei tegen hem: Die vloek komt op mij, mijn zoon. Luister alleen naar mij. 10. Jakob luisterde naar zijn moeder Rebekka. 11. Rebekka pakte de mooiste kleren van haar oudste zoon Ezau, die bij haar in huis lagen, en trok die aan bij haar jongste zoon Jakob. 12. Ze gaf het gerecht dat ze had klaargemaakt en het brood dat ze had gebakken aan haar zoon Jakob. 13. Hij ging naar zijn vader en zei: Ik ben uw zoon. Ik heb gedaan wat u mij hebt gezegd. Ga rechtop zitten en eet van wat ik heb gejaagd, vader, zodat u mij kunt zegenen. 14. Izak zei tegen zijn zoon: Hoe heb je het zo snel kunnen vinden, mijn zoon? 15. Jakob antwoordde: Uw God heeft het mij laten vinden. 16. Izak zei tegen hem: Kom dichterbij, mijn zoon, dan kan ik voelen of jij echt mijn zoon Ezau bent. 17. Jakob kwam dicht bij zijn vader Izak, die hem betastte en zei: 18. De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Ezau. Hij herkende hem niet, want de hemel had beschikt dat hij het verschil niet zou merken. Izak merkte het niet, omdat zijn handen behaard waren zoals de handen van Ezau, en daarom zegende hij hem. 19. Hij vroeg: Ben jij mijn zoon Ezau? Hij antwoordde: Ik ben uw zoon. Toen zei Izak: Breng het bij me, zodat ik kan eten van wat je hebt gejaagd, mijn zoon, en je kan zegenen. 20. Jakob bracht het bij hem, en hij at. Hij bracht hem ook wijn, en hij dronk. 21. Zijn vader Izak zei tegen hem: Kom dichterbij en kus me, mijn zoon. 22. Hij rook de geur van zijn kleren, zegende hem en zei: Kijk, de geur van mijn zoon is als de geur van een veld dat God heeft gezegend. 23. Moge God je de dauw van de hemel en de dauw van de aarde in overvloed geven, en je veel graan en olie geven. 24. Wees heer over je broers, en laten de zonen van je moeder voor je buigen. Alle zegeningen waarmee God mij en mijn vader Abraham heeft gezegend, zijn voor altijd van jou en je nakomelingen. Vervloekt is wie jou vervloekt, en gezegend is wie jou zegent. 25. Nadat Izak zijn zoon Jakob had gezegend en Jakob bij zijn vader Izak was weggegaan, verborg hij zich. 26. Ook Ezau maakte een lekker gerecht klaar en bracht het bij zijn vader. 27. Zijn vader Izak vroeg hem: Wie ben jij? Hij antwoordde: Ik ben uw eerstgeboren zoon Ezau. Ik heb gedaan wat u mij hebt opgedragen. 28. Izak schrok hevig en zei: Wie heeft er dan gejaagd, iets voor mij gevangen en het mij gebracht? Ik heb van alles gegeten voordat jij kwam, en ik heb hem gezegend. Hij zal gezegend zijn, hij en al zijn nakomelingen, voor altijd. 29. Toen Ezau de woorden van zijn vader Izak hoorde, schreeuwde hij het uit, hard en heel bitter, en hij zei tegen zijn vader: Zegen mij ook, vader! 30. Izak zei tegen hem: Je broer is met bedrog gekomen en heeft jouw zegen weggenomen. 31. Ezau zei: Hebt u dan geen zegen voor mij overgehouden, vader? 32. Ezau zei tegen zijn vader Izak: Hebt u maar één zegen, vader? Zegen mij ook, vader! En Ezau begon luid te huilen. 34. Je zult leven van je zwaard en je broer dienen. 35. Ezau bleef Jakob bedreigen om de zegen die zijn vader hem had gegeven. Hij dacht bij zichzelf: Laten de dagen van rouw om mijn vader maar komen. Dan zal ik mijn broer Jakob doden. ## Jubileeën 27 — Jakob vlucht en droomt in Beth-el 1. In een droom werd aan Rebekka verteld wat haar oudste zoon Ezau had gezegd. 2. Kijk, je broer Ezau staat je naar het leven en wil je doden. 3. Luister nu naar mij, mijn zoon. Sta op en vlucht naar mijn broer Laban in Haran. Blijf een tijdje bij hem, totdat je broer niet meer kwaad op je is en vergeten is wat je hem hebt aangedaan. Dan laat ik je daar ophalen. 4. Jakob zei: Ik ben niet bang. Als hij mij wil doden, dan dood ik hem. 5. Zij zei tegen hem: Ik wil niet op één dag mijn twee zonen verliezen. 6. Jakob zei tegen zijn moeder Rebekka: U weet dat mijn vader oud is geworden, en ik zie dat zijn ogen zwak zijn. Als ik bij hem wegga, vindt hij dat erg, want dan laat ik hem achter en ga ik bij u weg. 7. Rebekka zei tegen Jakob: Ik ga met hem praten, en hij zal je wegsturen. 8. Rebekka ging naar Izak en zei tegen hem: Ik walg van mijn leven door de twee Hethitische vrouwen met wie Ezau is getrouwd. 9. Izak riep zijn zoon Jakob, zegende hem, gaf hem een opdracht en zei tegen hem: 10. Trouw niet met een van de dochters van Kanaän. Sta op en ga naar Mesopotamië, naar het huis van Bethuël, de vader van je moeder. Kies daar een vrouw uit de dochters van Laban, de broer van je moeder. 11. Moge God, de Almachtige, je zegenen en je groot en talrijk maken, zodat uit jou een menigte volken ontstaat. Moge Hij jou en je nakomelingen na jou de zegen van mijn vader Abraham geven, zodat je het land in bezit krijgt waar je als vreemdeling woont, het hele land dat God aan Abraham heeft gegeven. Ga in vrede, mijn zoon. 12. Izak stuurde Jakob weg, en hij ging naar Mesopotamië, naar Laban, de zoon van de Arameeër Bethuël en de broer van Rebekka, de moeder van Jakob. 13. Toen Jakob naar Mesopotamië was vertrokken, werd Rebekka verdrietig om haar zoon, en ze huilde. 14. Izak zei tegen Rebekka: Mijn lieve vrouw, huil niet om mijn zoon. Hij gaat in vrede, en hij zal in vrede terugkomen. 15. De allerhoogste God zal hem beschermen tegen alle kwaad en met hem zijn. 16. Want ik weet zeker dat hij voorspoed zal hebben op al zijn wegen, totdat hij in vrede bij ons terugkomt en wij hem in vrede weerzien. 17. Wees niet bang om hem, mijn lieve vrouw. Hij gaat recht zijn weg, hij is volmaakt en trouw, en hij zal niet omkomen. Huil niet. 18. Zo troostte Izak Rebekka over haar zoon Jakob, en hij zegende hem. 19. Jakob vertrok uit Berseba om naar Haran te gaan, in het eerste jaar van de tweede jaarweek van het vierenveertigste jubeljaar. Op de eerste dag van de eerste maand van die jaarweek kwam hij bij Luz in het bergland, dat is Beth-el. Tegen de avond kwam hij bij die plaats. Hij ging die nacht van de weg af naar het westen en sliep daar, want de zon was ondergegaan. 20. Hij nam een van de stenen van die plaats en legde die onder de boom. Hij reisde alleen. 21. Die nacht droomde hij. Hij zag een ladder die op de aarde stond, en de bovenkant ervan reikte tot aan de hemel. 22. God sprak met Jakob en zei: Ik ben de God van je vader Abraham en de God van Izak. Het land waarop je slaapt, geef ik aan jou en je nakomelingen na jou. 23. Je nakomelingen zullen zo talrijk zijn als het zand op aarde. Je zult je uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. 24. Kijk, ik ben met je en ik zal je beschermen overal waar je gaat. Ik breng je in vrede terug naar dit land, want ik laat je niet in de steek totdat ik alles heb gedaan wat ik je heb gezegd. 25. Jakob werd wakker uit zijn slaap en zei: Echt, deze plaats is het huis van God, en ik wist het niet. Hij werd bang en zei: Wat een ontzagwekkende plaats is dit! Dit is niets anders dan het huis van God, en dit is de poort van de hemel. 26. De volgende morgen stond Jakob vroeg op. Hij nam de steen die onder zijn hoofd had gelegen, zette die rechtop als gedenksteen en goot olie over de bovenkant. Hij noemde die plaats Beth-el, maar vroeger heette die streek Luz. 27. Jakob bad tot God en zei: Als God met mij is en mij beschermt op deze reis, als Hij mij brood geeft om te eten en kleren om aan te trekken, en als ik in vrede terugkom in het huis van mijn vader, dan zal God mijn God zijn. ## Jubileeën 28 — De vrouwen en kinderen van Jakob 1. Jakob ging op weg naar het land in het oosten, naar Laban, de broer van Rebekka. Hij bleef bij hem en werkte een jaarweek voor hem om zijn dochter Rachel. 2. In het eerste jaar van de derde jaarweek zei Jakob tegen hem: Geef me mijn vrouw, voor wie ik zeven jaar voor u heb gewerkt. Laban zei tegen Jakob: Ik zal je je vrouw geven. 3. Laban hield een feestmaal. Hij nam zijn oudste dochter Lea en gaf haar aan Jakob als vrouw, met zijn slavin Zilpa als slavin voor haar. Maar Jakob wist het niet: hij dacht dat het Rachel was. 4. Hij sliep met haar, en toen bleek het Lea te zijn. 5. Jakob hield namelijk meer van Rachel dan van Lea. Lea had zwakke ogen, maar een heel mooi figuur. Rachel had mooie ogen en een mooi figuur, en ze was heel mooi. 6. Laban zei tegen Jakob: Zo gaat het in ons land niet: de jongste dochter wordt niet eerder uitgehuwelijkt dan de oudste. 7. En jij, geef de Israëlieten daarover een gebod. 8. Laban zei tegen Jakob: Wacht tot de zeven feestdagen van deze dochter voorbij zijn. Dan geef ik je Rachel, als je nog zeven jaar voor mij werkt en mijn schapen hoedt, zoals je in de eerste jaarweek hebt gedaan. 9. Toen de zeven feestdagen van Lea voorbij waren, gaf Laban Rachel aan Jakob, zodat hij nog zeven jaar voor hem zou werken. Hij gaf haar Bilha, de zus van Zilpa, als slavin. 10. Jakob werkte nog zeven jaar voor Rachel, want Lea had hij voor niets gekregen. 11. God maakte Lea vruchtbaar. Ze werd zwanger en kreeg een zoon van Jakob, en hij noemde hem Ruben. 12. Maar Rachel bleef onvruchtbaar, want God zag dat Lea minder geliefd was dan Rachel. 13. Jakob sliep opnieuw met Lea. Ze werd zwanger en kreeg een tweede zoon van Jakob, en hij noemde hem Simeon. 14. Jakob sliep weer met Lea. Ze werd zwanger en kreeg een derde zoon, en hij noemde hem Levi. 15. Hij sliep nog een keer met haar, en ze kreeg een vierde zoon. 16. In dit alles was Rachel jaloers op Lea, want zelf kreeg ze geen kinderen. 17. Rachel zag dat Lea Jakob vier zonen had gegeven: Ruben, Simeon, Levi en Juda. 18. Jakob sliep met Bilha, en ze werd zwanger en kreeg een zoon van hem. 19. Jakob sliep opnieuw met Bilha. Ze werd zwanger en kreeg een tweede zoon van Jakob, en Rachel noemde hem Nafthali. Dat was op de vijfde dag van de zevende maand, in het tweede jaar van de vierde jaarweek. 20. Toen Lea zag dat ze geen kinderen meer kreeg, werd ook zij jaloers op Rachel. Ook zij gaf haar slavin Zilpa aan Jakob als vrouw. Die werd zwanger en kreeg een zoon, en Lea noemde hem Gad. Dat was op de twaalfde dag van de achtste maand, in het derde jaar van de vierde jaarweek. 21. Hij sliep opnieuw met haar. Ze werd zwanger en kreeg een tweede zoon van hem, en Lea noemde hem Aser. Dat was op de tweede dag van de elfde maand, in het vijfde jaar van de vierde jaarweek. 22. Jakob sliep met Lea. Ze werd zwanger en kreeg een zoon van Jakob, en hij noemde hem Issaschar. Dat was op de vierde dag van de vijfde maand, in het vierde jaar van de vierde jaarweek. 23. Jakob sliep opnieuw met haar. Ze werd zwanger en kreeg twee kinderen, een zoon en een dochter. De zoon noemde ze Zebulon en de dochter Dina. 24. God was Rachel genadig en maakte haar vruchtbaar. 25. In de tijd dat Jozef geboren werd, zei Jakob tegen Laban: Geef me mijn vrouwen en mijn kinderen, en laat me teruggaan naar mijn vader Izak om een eigen huishouden op te bouwen. Ik heb de jaren volgemaakt dat ik voor u heb gewerkt voor uw twee dochters, en ik wil naar het huis van mijn vader. 26. Laban zei tegen Jakob: Blijf bij mij en werk voor loon. Hoed mijn kudde nog een keer voor me, en neem je loon. 27. Ze spraken met elkaar af dat Jakob als loon al het jonge vee zou krijgen, lammeren en bokjes, dat zwart, gevlekt of wit geboren werd. 28. Alle schapen kregen gevlekte, gespikkelde en zwarte jongen, allerlei getekende dieren. Ook kregen ze jongen die op henzelf leken. Alles wat getekend was, was van Jakob, en alles zonder tekening van Laban. 29. Jakob werd heel rijk. Hij kreeg runderen, schapen, ezels, kamelen, knechten en slavinnen. 30. Laban en zijn zonen werden jaloers op Jakob. Laban haalde zijn schapen bij hem weg en hield hem met slechte bedoelingen in de gaten. ## Jubileeën 29 — Jakob vertrekt bij Laban 1. Nadat Rachel Jozef had gekregen, ging Laban zijn schapen scheren. Die waren ver van hem vandaan, drie dagen reizen. 2. Jakob zag dat Laban zijn schapen ging scheren. 3. Hij had hun namelijk verteld hoe hij alles in een droom had gezien, en wat God tegen hem had gezegd: dat hij naar het huis van zijn vader zou terugkeren. 4. Jakob prees de God van zijn vader Izak en de God van Abraham, de vader van zijn vader. 5. Op de eenentwintigste dag van de eerste maand, in het zevende jaar van de vierde jaarweek, vertrok Jakob naar Gilead. Laban achtervolgde hem en haalde Jakob in op het gebergte Gilead, op de dertiende dag van de derde maand. 6. Maar God liet hem Jakob niets aandoen, want Hij verscheen hem 's nachts in een droom. En Laban sprak met Jakob. 7. Op de vijftiende van die dagen hield Jakob een feestmaal voor Laban en voor iedereen die met hem was meegekomen. Die dag zwoer Jakob aan Laban, en Laban aan Jakob, dat de een op het gebergte Gilead nooit met kwade bedoelingen naar de ander zou oversteken. 8. Hij hield daar een vreugdefeest als getuigenis. Daarom heet die plaats Vreugde van de Getuigenis, naar die vreugde. 9. Vroeger noemde men het land Gilead het land van de Refaïeten, want het is het land van de Refaïeten. 10. Hun woongebied liep van het land van de Ammonieten tot aan de berg Hermon, en hun koninklijke steden waren Karnaïm, Astharoth, Edreï, Misur en Beon. 11. God vernietigde hen om hun slechte daden, want ze onderdrukten anderen zwaar. 12. Jakob liet Laban gaan, en die ging terug naar Mesopotamië, het land in het oosten. 13. Op de elfde dag van de negende maand stak Jakob de Jabbok over. 14. In het eerste jaar van de vijfde jaarweek van dit jubeljaar stak hij de Jordaan over. Hij woonde aan de overkant van de Jordaan en hoedde zijn schapen van de zee van Fachachath tot Beth-San, tot Dothan en tot het woud van Akrabbim. 15. Hij stuurde zijn vader Izak van al zijn bezit: kleding en voedsel, vlees en drinken, melk, boter en kaas, en dadels uit het dal. 16. Ook zijn moeder Rebekka stuurde hij vier keer per jaar iets, naar de toren van Abraham: tussen de tijden van de maanden, tussen ploegen en oogsten, tussen najaar en regentijd, en tussen winter en zomer. 17. Want Izak was uit Berseba vertrokken en naar de toren van zijn vader Abraham gegaan. Daar woonde hij, apart van zijn zoon Ezau. 18. Want in de tijd dat Jakob naar Mesopotamië ging, trouwde Ezau met Mahalath, de dochter van Ismaël. Hij verzamelde alle kudden van zijn vader en zijn vrouwen, trok weg en ging op het gebergte Seïr wonen. 19. Izak vertrok uit Berseba en ging wonen in de toren van zijn vader Abraham, in het bergland van Hebron. 20. Vandaar stuurde Jakob van tijd tot tijd alles wat zijn vader en moeder nodig hadden. ## Jubileeën 30 — Dina en de wraak op Sichem 1. In de vierde maand van het eerste jaar van de zesde jaarweek trok hij in vrede naar Salem, ten oosten van Sichem. 2. Daar ontvoerden ze Dina, de dochter van Jakob, naar het huis van Sichem, de zoon van de Hivviet Hemor, de vorst van het land. Hij sliep met haar en onteerde haar. 3. Hij vroeg haar vader en haar broers of hij met haar mocht trouwen. 4. Simeon en Levi overvielen Sichem onverwachts en voltrokken het oordeel aan alle mannen van Sichem. Ze doodden iedere man die ze er vonden en lieten niemand in leven. Ze doodden hen allemaal op een pijnlijke manier, omdat ze hun zus Dina hadden onteerd. 5. Zo mag het vanaf nu nooit meer gebeuren dat een dochter van Israël wordt onteerd. Want in de hemel was over hen het oordeel uitgesproken dat alle mannen van Sichem met het zwaard gedood moesten worden, omdat ze in Israël iets schandelijks hadden gedaan. 6. God leverde hen uit aan de zonen van Jakob, zodat die hen met het zwaard zouden uitroeien en het oordeel over hen zouden voltrekken. 7. Als er in Israël iemand is die zijn dochter of zijn zus wil laten trouwen met een man uit de andere volken, moet hij sterven. Hij moet gestenigd worden, want hij heeft in Israël iets schandelijks gedaan. 8. Er mag in Israël geen overspelige vrouw en geen onreinheid gevonden worden, zolang de aarde bestaat, want Israël is heilig voor God. 9. Want zo is het vastgelegd en opgeschreven op de platen in de hemel over alle nakomelingen van Israël: Wie iemand onrein maakt, moet sterven. Hij moet gestenigd worden. 10. Voor deze wet bestaat geen termijn, geen kwijtschelding en geen verzoening. De man die zijn dochter onrein heeft gemaakt, moet uit heel Israël worden uitgeroeid, want hij heeft een van zijn kinderen aan Moloch gegeven en heeft schuld op zich geladen door haar onrein te maken. 11. En jij, Mozes, geef de Israëlieten opdracht en waarschuw hen dat ze hun dochters niet aan de andere volken geven en geen dochters van de andere volken nemen, want dat is walgelijk voor God. 12. Daarom heb ik voor jou in de woorden van de wet alles opgeschreven wat de mannen van Sichem Dina hebben aangedaan, en hoe de zonen van Jakob zeiden: Wij geven onze dochter niet aan een man die onbesneden is, want dat is een schande voor ons. 13. Het is een schande voor Israël, voor wie zijn dochters aan de andere volken geeft en voor wie dochters van hen neemt. Want het is onrein en walgelijk voor Israël. 14. Israël wordt niet van deze onreinheid gereinigd zolang het een vrouw uit de dochters van de andere volken heeft. 15. Want dan komt er plaag op plaag en vloek op vloek, en elk oordeel, elke plaag en elke vloek zal komen. 16. God kijkt niet naar de persoon en is niet partijdig. Van zo iemand neemt Hij niets aan om het te aanvaarden: geen vruchten, geen offer, geen brandoffer, geen vet en geen aangename geur. 17. Daarom heb ik je opgedragen: Waarschuw Israël met deze getuigenis. 18. De nakomelingen van Levi werden uitgekozen voor het priesterschap en voor de dienst als Levieten, om altijd voor God te dienen, net als wij. 19. Zo wordt voor Levi op de platen in de hemel zegen en gerechtigheid opgeschreven, als getuigenis voor de God van allen. 20. Wij denken aan de gerechtigheid die iemand in zijn leven heeft gedaan, op alle tijden van het jaar. Tot in duizend generaties schrijven ze het op, en het komt hem en zijn nakomelingen ten goede. Hij wordt op de platen in de hemel opgeschreven als vriend en als rechtvaardige. 21. Dit alles heb ik voor jou opgeschreven, en ik heb je opgedragen het aan de Israëlieten te vertellen, zodat ze geen overtreding begaan, de wet niet schenden en het verbond dat voor hen is vastgelegd niet verbreken, maar het houden en als vrienden worden opgeschreven. 22. Maar als ze overtreden en een van de wegen van de onreinheid gaan, worden ze op de platen in de hemel als vijanden opgeschreven. Ze worden uit het boek van het leven geschrapt en opgeschreven in het boek van wie vernietigd worden, bij wie van de aarde worden uitgeroeid. 23. Op de dag dat de zonen van Jakob Sichem doodden, werd er in de hemel voor hen opgeschreven dat ze rechtvaardig en oprecht hadden gehandeld en wraak hadden genomen op de zondaars. Het werd hun als zegen toegeschreven. 24. Ze haalden hun zus Dina uit het huis van Sichem en namen alles wat in Sichem was als buit mee: hun schapen, runderen en ezels, al hun bezit en al hun kudden. Alles brachten ze naar hun vader Jakob. 25. Hij sprak hen erop aan dat ze de stad met het zwaard hadden aangevallen, want hij was bang voor de bewoners van het land, de Kanaänieten en de Ferezieten. 26. Maar er lag een schrik van God over alle steden rondom Sichem. Ze kwamen niet in actie om de zonen van Jakob te achtervolgen, want ze waren door angst overvallen. ## Jubileeën 31 — Izak zegent Levi en Juda 1. Op de eerste dag van de maand zei Jakob tegen alle mensen van zijn huis: Reinig je en trek andere kleren aan. Laten we opstaan en naar Beth-el gaan, naar de plaats waar ik God een gelofte heb gedaan op de dag dat ik voor mijn broer Ezau vluchtte. Want Hij is met mij geweest en heeft mij veilig in dit land teruggebracht. Doe de vreemde goden weg die bij jullie zijn. 2. Ze gaven de vreemde goden af, en ook wat in hun oren en om hun hals hing, en het afgodsbeeld dat Rachel van haar vader Laban had gestolen. Ze gaf alles aan Jakob, en hij verbrandde het, sloeg het kapot en vernietigde het. Hij begroef het onder een eik in het land Sichem. 3. Op de eerste dag van de zevende maand trok hij naar Beth-el. Hij bouwde een altaar op de plaats waar hij had geslapen, en zette daar een gedenksteen neer. 4. Izak zei: Laat mijn zoon Jakob komen, dan kan ik hem zien voordat ik sterf. 5. Jakob ging naar zijn vader Izak en zijn moeder Rebekka, naar het huis van zijn vader Abraham. Twee van zijn zonen nam hij mee, Levi en Juda, en hij kwam bij zijn vader Izak en zijn moeder Rebekka. 6. Rebekka kwam uit de toren naar de poort van de toren om Jakob te kussen en te omhelzen. 7. Ze zag zijn twee zonen. 8. Jakob ging naar binnen, naar zijn vader Izak, in de kamer waar hij lag. 9. Het donker verdween van de ogen van Izak, en hij zag de twee zonen van Jakob, Levi en Juda. 10. Jakob vertelde hem dat het echt zijn zonen waren, en hij zei: U hebt het goed gezien: het zijn echt mijn zonen. 11. Ze kwamen bij hem, en hij draaide zich om, kuste hen en omhelsde hen allebei tegelijk. 12. De geest van de profetie kwam in zijn mond. Hij pakte Levi bij zijn rechterhand en Juda bij zijn linkerhand. 13. Eerst wendde hij zich tot Levi en begon hem als eerste te zegenen. Hij zei tegen hem: Moge de Heere van alles je zegenen, Hij die de Heere is van alle eeuwen. 14. Moge God jou en je nakomelingen grote eer en heerlijkheid geven. Moge Hij jou en je nakomelingen uit alle mensen dicht bij Zich brengen om te dienen in Zijn heiligdom, zoals de engelen die voor God staan en zoals de heiligen. 15. Ze zullen vorsten, rechters en leiders zijn voor alle nakomelingen van de zonen van Jakob. Ze zullen het woord van God rechtvaardig spreken en al Zijn oordelen rechtvaardig uitvoeren. 16. Je moeder heeft je Levi genoemd, en terecht heeft ze je die naam gegeven. Jij zult aan de HEERE verbonden zijn en een metgezel zijn van alle zonen van Jakob. 17. Iedereen die jou haat, zal voor je vallen, en al je vijanden zullen worden uitgeroeid en omkomen. Wie jou zegent, zal gezegend zijn, en ieder volk dat jou vervloekt, zal vervloekt zijn. 18. Tegen Juda zei hij: Moge God je kracht en sterkte geven om allen die jou haten te vertrappen. Wees een heerser, jij en een van je zonen, over de zonen van Jakob. Mogen jouw naam en de naam van je zonen bekend worden in het hele land en in alle streken. 19. Bij jou zal Jakob hulp vinden, en bij jou zal Israël redding vinden. 20. Op de dag dat jij op de troon van je rechtvaardige eer zult zitten, zal er grote vrede zijn voor alle nakomelingen van de zonen van de geliefde. 21. Hij draaide zich om, kuste hem opnieuw en omhelsde hem. Hij was heel blij, want hij had de zonen van zijn zoon Jakob echt gezien. 22. Jakob stapte weg van tussen de voeten van zijn vader, viel neer en boog zich voor hem. En Izak zegende hen. 23. Hij liet de twee zonen van Jakob bij zich slapen, de een aan zijn rechterkant en de ander aan zijn linkerkant, en het werd hem als gerechtigheid toegerekend. 24. 's Nachts vertelde Jakob zijn vader alles: hoe God hem grote genade had bewezen. 25. Izak prees de God van zijn vader Abraham, die Zijn barmhartigheid en Zijn gerechtigheid niet had onthouden aan de zoon van Zijn dienaar Izak. 26. De volgende morgen vertelde Jakob zijn vader Izak over de gelofte die hij God had gedaan en over het visioen dat hij had gezien. Hij vertelde dat hij een altaar had gebouwd en dat alles klaar was voor het offer dat hij God had beloofd, en dat hij gekomen was om hem op een ezel te zetten en mee te nemen. 27. Izak zei tegen zijn zoon Jakob: Ik kan niet met je meegaan, want ik ben oud en kan de reis niet aan. Ga in vrede, mijn zoon, want ik ben 165 jaar oud. 28. Ik weet, mijn zoon, dat je voor mij gekomen bent. 29. Het ga je goed. Doe wat je hebt beloofd en stel je gelofte niet uit, want je zult je voor die gelofte moeten verantwoorden. 30. Tegen Rebekka zei hij: Ga met je zoon Jakob mee. Rebekka ging met haar zoon Jakob mee, en Debora ging met haar mee, en ze kwamen in Beth-el. 31. Jakob dacht aan de zegen waarmee zijn vader hem en zijn twee zonen, Levi en Juda, had gezegend. Hij was blij en prees de God van zijn voorouders Abraham en Izak. 32. Hij zei: Nu weet ik dat ik en mijn zonen een eeuwige hoop hebben bij de God van alles. Zo is het over hen beiden vastgelegd, en het wordt voor hen als eeuwige getuigenis op de platen in de hemel opgeschreven, hoe Izak hen heeft gezegend. ## Jubileeën 32 — Levi wordt priester en Jakob heet Israël 1. Hij bleef die nacht in Beth-el. Levi droomde dat hij was aangesteld als priester van God, de Allerhoogste, hij en zijn zonen, voor altijd. 2. Op de veertiende dag van deze maand stond Jakob vroeg in de morgen op. 3. In die dagen was Rachel zwanger van haar zoon Benjamin. Jakob telde zijn zonen, te beginnen bij hem en dan terug naar de oudste. 4. Op de vijftiende dag van deze maand bracht hij op het altaar veertien runderen uit zijn vee, achtentwintig rammen, negenenveertig schapen, zestig lammeren en negenentwintig geitenbokjes als brandoffer: een offer met een aangename geur, dat God welgevallig is. 5. Dit was zijn offergave om de gelofte na te komen die hij had gedaan: dat hij een tiende zou geven, met de graanoffers en drankoffers die erbij hoorden. 6. Toen het vuur het had verteerd, liet hij er wierook op in rook opgaan, boven op het vuur. 7. Hij at daar zeven dagen lang met blijdschap, samen met al zijn zonen en zijn mensen. Ze prezen en dankten God, die hem uit al zijn ellende had gered en hem zijn gelofte had laten nakomen. 8. Hij gaf een tiende van al het reine vee en bracht het als brandoffer. Het onreine vee gaf hij aan zijn zoon Levi, en ook alle mensen gaf hij aan hem. 9. Levi deed in Beth-el voor zijn vader Jakob dienst als priester, boven zijn tien broers, en hij was daar priester. 10. Daarom is op de platen in de hemel een wet vastgelegd: jaar na jaar moet er een tweede tiende worden gegeven, om die voor God te eten op de plaats die is uitgekozen om Zijn naam daar te laten wonen. 11. Dit is het voorschrift, opgeschreven zodat het jaar na jaar wordt uitgevoerd: de tweede tiende moet voor God gegeten worden op de plaats die is uitgekozen. 12. Want het graan moet in zijn eigen jaar gegeten worden, tot aan de volgende graanoogst, de wijn tot aan de volgende wijnoogst, en de olie tot aan het volgende olieseizoen. 13. Wat ervan overblijft en oud wordt, moet met vuur verbrand worden, want het is onrein geworden. 14. Zo moeten ze het samen eten in het heilige huis, en ze mogen het niet oud laten worden. 15. Het hele tiende deel van de runderen en schapen is heilig voor God en is voor Zijn priesters, die het jaar na jaar voor Hem zullen eten. 16. De volgende nacht, op de tweeëntwintigste dag van deze maand, besloot Jakob op die plaats te bouwen, de voorhof met een muur te omringen en die heilig te maken, voor altijd heilig voor zichzelf en voor zijn kinderen na hem. 17. God verscheen hem in de nacht, zegende hem en zei tegen hem: Je zult niet alleen Jakob heten: ze zullen je ook Israël noemen. 18. Hij zei nog tegen hem: Ik ben God, die hemel en aarde heeft geschapen. Ik zal je groot maken en je heel talrijk maken. Uit jou zullen koningen voortkomen, en ze zullen heersen overal waar ooit een mens zijn voet heeft gezet. 19. Aan je nakomelingen geef ik de hele aarde onder de hemel. Ze zullen over alle volken heersen zoals ze willen. Daarna zullen ze de hele aarde bijeenbrengen en die voor altijd bezitten. 20. Toen Hij klaar was met spreken, ging Hij bij hem vandaan omhoog. Jakob keek Hem na tot Hij in de hemel was opgestegen. 21. In een visioen in de nacht zag hij een engel uit de hemel neerdalen met zeven platen in zijn handen. Hij gaf ze aan Jakob, en Jakob las alles wat erop geschreven stond: wat hem en zijn zonen in alle eeuwen zou overkomen. 22. De engel liet hem alles zien wat op de platen geschreven stond en zei tegen hem: Bouw op deze plaats niets en maak er geen eeuwig heiligdom van. Ga hier niet wonen, want dit is niet de plaats. 23. Want je zult in Egypte in vrede sterven, en in dit land zul je met eer begraven worden in het graf van je voorouders, bij Abraham en Izak. 24. Wees niet bang. Alles wat je hebt gezien en gelezen, zal zo gebeuren. Schrijf jij ook alles op wat je hebt gezien en gelezen. 25. Jakob zei: Heere, hoe kan ik alles onthouden wat ik heb gelezen en gezien? 26. Toen ging de engel bij hem vandaan omhoog. 27. Hij vierde daar nog één dag feest en bracht die dag dezelfde offers als op de dagen daarvoor. Hij noemde die dag Toevoeging, want die dag was toegevoegd, en de dagen daarvoor noemde hij Het Feest. 28. Zo werd bekend dat het zo moest zijn, en het staat geschreven op de platen in de hemel. 29. Die dag werd Toevoeging genoemd, omdat hij bij de dagen van het feest werd gerekend, volgens het aantal dagen van het jaar. 30. In de nacht, op de drieëntwintigste dag van deze maand, stierf Debora, de verzorgster van Rebekka. Ze begroeven haar beneden de stad, onder de eik bij de rivier. Hij noemde die plaats De rivier van Debora, en de eik Allon-Bachuth, de eik van de rouw om Debora. 31. Rebekka ging terug naar huis, naar zijn vader Izak. 32. Hij ging zijn moeder achterna tot hij bij het land Kabratan kwam, en woonde daar. 33. In de nacht kreeg Rachel een zoon. Ze noemde hem Ben-oni, zoon van mijn pijn, want ze had pijn toen ze hem ter wereld bracht. Maar zijn vader noemde hem Benjamin. 34. Rachel stierf daar en werd begraven in het land Efrath, dat is Bethlehem. ## Jubileeën 33 — Ruben en Bilha 1. Jakob ging wonen ten zuiden van Migdal-Eder. Op de eerste dag van de tiende maand ging hij met zijn vrouw Lea naar zijn vader Izak. 2. Ruben zag Bilha, de slavin van Rachel en de bijvrouw van zijn vader, terwijl ze zich op een verborgen plek in het water waste, en hij begeerde haar. 3. 's Nachts verstopte hij zich, en in het donker ging hij het huis van Bilha binnen. Hij vond haar terwijl ze alleen op haar bed in haar huis lag te slapen. 4. Hij sliep met haar. Ze werd wakker en zag dat Ruben bij haar in bed lag. 5. Ze schaamde zich voor hem en trok haar hand terug, en hij vluchtte. 6. Ze had er veel verdriet om en vertelde het aan niemand. 7. Toen Jakob kwam en naar haar vroeg, zei ze tegen hem: Ik ben niet rein voor u, want ik ben voor u onrein geworden. Ruben heeft mij onrein gemaakt en heeft 's nachts met mij geslapen terwijl ik sliep. Ik merkte het pas toen hij mijn kleed optilde en bij mij lag. 8. Jakob werd heel kwaad op Ruben, omdat hij met Bilha had geslapen en zo zijn vader had onteerd. 9. Vanaf toen kwam Jakob niet meer bij haar, omdat Ruben haar onrein had gemaakt. Wie zijn vader zo onteert, doet iets heel slechts en is walgelijk voor God. 10. Daarom staat op de platen in de hemel geschreven en vastgelegd dat een man niet mag slapen met de vrouw van zijn vader, omdat hij zijn vader zo onteert, want dat is onrein. De man die met de vrouw van zijn vader slaapt en de vrouw moeten allebei sterven, want het is iets onreins op aarde. 11. Er mag voor onze God geen onreinheid zijn in het volk dat Hij als Zijn eigendom heeft gekozen. 12. En opnieuw staat er, voor de tweede keer, geschreven: Vervloekt is wie slaapt met de vrouw van zijn vader, want hij onteert zijn vader. En alle heiligen van God zeiden: Zo moet het zijn, zo moet het zijn. 13. En jij, Mozes, geef de Israëlieten opdracht zich aan dit woord te houden. Want het is een oordeel dat de dood brengt, en het is onrein. Voor de man die dit heeft gedaan, is er nooit vergeving of verzoening. Hij moet gedood worden: ze moeten hem stenigen en uit het volk van onze God uitroeien. 14. Want niemand in Israël die dit doet, mag ook maar één dag langer op aarde leven, want hij is walgelijk en onrein. 15. Laat niemand zeggen: Ruben kreeg leven en vergeving, nadat hij met de bijvrouw van zijn vader had geslapen, terwijl zij nog een man had en haar man, zijn vader Jakob, nog leefde. 16. Want tot dan toe waren het voorschrift, het oordeel en de wet nog niet volledig aan iedereen bekendgemaakt. 17. Aan deze wet komt geen einde, en er is geen vergeving voor: ze moeten allebei uit het volk worden uitgeroeid. Op de dag dat ze het doen, moeten ze gedood worden. 18. En jij, Mozes, schrijf het op voor Israël, zodat ze zich eraan houden, dit niet doen en geen zonde begaan die tot de dood leidt. Want God, onze God, is een Rechter die niet partijdig is en zich niet laat omkopen. 19. Vertel hun deze woorden van het voorschrift, zodat ze luisteren, zich eraan houden en zich in acht nemen, en niet vernietigd en uit het land uitgeroeid worden. 20. Er is geen grotere zonde dan de ontucht die ze op aarde plegen. Want Israël is een heilig volk voor God, zijn God. 21. In het derde jaar van de zesde jaarweek, terwijl Jakob en al zijn zonen rondtrokken, woonden ze bij het huis van Abraham, dicht bij zijn vader Izak en zijn moeder Rebekka. 22. Dit zijn de namen van de zonen van Jakob: Ruben was de eerstgeborene. 23. Ze gingen naar Izak en Rebekka en bogen zich voor hen neer. ## Jubileeën 34 — Oorlog met de Amorieten en het verlies van Jozef 1. Toen kwam het zesde jaar van deze jaarweek, in het vierenveertigste jubeljaar. 2. De zeven koningen van de Amorieten verzamelden zich en verborgen zich onder de bomen, om de zonen van Jakob te doden en hun vee te roven. 3. Jakob, Levi, Juda en Jozef waren thuis bij hun vader Izak, want hij was verdrietig, en ze konden hem niet alleen laten. Benjamin was de jongste en bleef daarom bij hem. 4. De koningen van Tafu, van Arees, van Seragan en van Selo kwamen, en de koning van Gaäz, de koning van Bethoron en de koning van Maänisakir, met iedereen die in dit bergland woont, in de bossen van het land Kanaän. 5. Men bracht Jakob het bericht: Kijk, de koningen van de Amorieten hebben uw zonen omsingeld en hun kudden geroofd. 6. Hij kwam uit zijn huis, met zijn drie zonen, alle knechten van zijn vader en zijn eigen knechten, en trok tegen hen op met zesduizend man met zwaarden. 7. Hij doodde hen op de weiden van Sichem. Wie vluchtte, achtervolgde hij en doodde hij met het zwaard. 8. Hij haalde zijn kudden terug. 9. Hij kwam in vrede terug. 10. In het zevende jaar van deze jaarweek stuurde hij Jozef op pad. 11. Maar ze behandelden hem trouweloos en smeedden een plan om hem te doden. 12. De zonen van Jakob slachtten een geitenbok, doopten de mantel van Jozef in het bloed en stuurden die op de tiende dag van de zevende maand naar hun vader Jakob. 13. Die hele nacht rouwde hij, want ze hadden de mantel 's avonds gebracht. Hij kreeg koorts van verdriet om zijn dood en zei: Een wild dier heeft Jozef opgegeten. Alle mensen van zijn huis rouwden die dag met hem. Ze bleven verdrietig en rouwden met hem, de hele dag. 14. Zijn zonen en zijn dochter kwamen om hem te troosten, maar hij wilde zich niet laten troosten over zijn zoon. 15. Op die dag hoorde Bilha dat Jozef was omgekomen. Terwijl ze om hem huilde, stierf ze. Ze woonde in Qafratef. Ook zijn dochter Dina stierf nadat Jozef was omgekomen. Zo trof Israël in één maand drie keer de rouw. 16. Ze begroeven Bilha tegenover het graf van Rachel, en ook zijn dochter Dina begroeven ze daar. 17. Een jaar lang bleef hij om Jozef rouwen zonder op te houden, want hij zei: Laat mij rouwend om mijn zoon naar het graf gaan. 18. Daarom is voor de Israëlieten vastgelegd dat ze zich op de tiende dag van de zevende maand moeten verootmoedigen. Dat is de dag waarop het bericht Jakob bereikte waardoor hij om Jozef moest huilen. Op die dag moeten ze voor zichzelf verzoening doen met een bokje. 19. Deze dag is vastgesteld om te rouwen over hun zonde, al hun overtredingen en al hun dwalingen, zodat ze zich op deze dag reinigen, één keer per jaar. 20. Nadat Jozef was omgekomen, trouwden de zonen van Jakob. 21. Simeon ging terug en nam een tweede vrouw uit Mesopotamië, net als zijn broers. ## Jubileeën 35 — Rebekka neemt afscheid 1. In het eerste jaar van de eerste jaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar riep Rebekka haar zoon Jakob bij zich. Ze droeg hem op zijn vader en zijn broer te eren, zolang hij leefde. 2. Jakob zei: Ik zal alles doen wat u mij hebt opgedragen. Het is eervol en groots voor mij, en rechtvaardig voor God, dat ik hen eer. 3. U weet ook, moeder, vanaf de dag dat ik geboren werd tot vandaag, alles wat ik heb gedaan en alles wat er in mijn hart is: dat ik altijd het goede zoek voor iedereen. 4. Hoe zou ik dan niet doen wat u mij hebt opgedragen, mijn vader en mijn broer eren? 5. Zeg me, moeder, wat voor verkeerds u in mij hebt gezien, dan zal ik ermee ophouden, en er zal barmhartigheid over mij zijn. 6. Ze zei tegen hem: Mijn zoon, mijn hele leven heb ik bij jou nooit iets verkeerds gezien, alleen wat oprecht is. Maar ik zeg je eerlijk, mijn zoon: ik zal dit jaar sterven. Ik kom dit jaar niet levend door. 7. Jakob lachte om de woorden van zijn moeder, omdat ze zei dat ze zou sterven. Ze zat daar tegenover hem, nog vol kracht. Ze was niet zwakker geworden: ze ging nog in en uit, ze kon goed zien, haar tanden waren sterk, en ze was haar hele leven nooit ziek geweest. 8. Jakob zei tegen haar: Ik mag blij zijn, moeder, als ik zo oud word als u en mijn kracht behoud zoals u. U gaat niet dood. U maakt maar een grapje over uw dood. 9. Ze ging naar Izak en zei tegen hem: Eén ding vraag ik van je: laat Ezau zweren dat hij Jakob geen kwaad zal doen en hem niet vijandig zal achtervolgen. 10. Je weet hoe hij zich heeft gedragen vanaf de dag dat zijn broer Jakob naar Haran ging tot vandaag: hoe hij ons met heel zijn hart in de steek heeft gelaten. 11. Toen we hem smeekten om wat van ons was, deed hij alsof hij medelijden met ons had. 12. Hij is verbitterd op jou, omdat je Jakob hebt gezegend, je volmaakte en oprechte zoon. Want er is niets slechts in hem, alleen goedheid. 13. Izak zei tegen haar: Ook ik weet en zie wat Jakob doet, die bij ons is: hoe hij ons met heel zijn hart eert. 14. Maar over wat Ezau doet, maak ik me nu zorgen. Voor hem en zijn nakomelingen komt er geen redding, want zij zijn het die van de aarde vernietigd en van onder de hemel uitgeroeid zullen worden. 15. En jij vraagt me om hem te laten zweren dat hij zijn broer Jakob niet zal doden. 16. Zelfs als hij zijn broer Jakob wil doden, zal hij aan Jakob worden uitgeleverd. Hij zal niet aan hem ontkomen, want hij zal in zijn macht vallen. 17. Wees dus niet bang om Jakob. Want de beschermer van Jakob is groter en machtiger, meer geëerd en geprezen dan de beschermer van Ezau. 18. Rebekka liet Ezau roepen, en hij kwam bij haar. Ze zei tegen hem: Ik heb een verzoek aan je, mijn zoon. Zeg dat je het zult doen, mijn zoon. 19. Hij zei: Ik zal alles doen wat u mij zegt, en ik zal uw verzoek niet weigeren. 20. Ze zei tegen hem: Ik vraag je om mij op de dag dat ik sterf naar binnen te dragen en te begraven bij Sara, de moeder van je vader. En ik vraag dat jij en Jakob van elkaar houden, en dat de een de ander geen kwaad wil doen, maar dat jullie elkaar liefhebben. Dan zal het jullie goed gaan, mijn zonen, en zullen jullie geëerd worden in het land. Geen vijand zal blij zijn om jullie, en jullie zullen een zegen zijn en barmhartigheid vinden in de ogen van iedereen die van jullie houdt. 21. Hij zei: Ik zal alles doen wat u mij zegt. Op de dag van uw dood zal ik u begraven bij Sara, de moeder van mijn vader, zoals u wilt dat haar beenderen dicht bij de uwe liggen. 22. En van mijn broer Jakob houd ik meer dan van wie ook. Ik heb op de hele aarde geen andere broer dan hem. 23. Ik vraag u alleen dit: spreek Jakob aan over mij en mijn kinderen. Want ik weet dat hij zeker koning zal worden over mij en mijn kinderen. 24. Ik zweer u dat ik van hem zal houden en hem mijn hele leven geen kwaad zal willen doen, alleen goed. 25. Ze riep Jakob terwijl Ezau erbij was, en ze droeg hem op wat ze met Ezau had besproken. 26. Hij zei: Ik zal doen wat u wilt. Geloof me: van mij en mijn kinderen zal geen kwaad tegen Ezau uitgaan. In niets wil ik de eerste zijn, behalve in liefde voor elkaar. 27. Die nacht aten en dronken zij en haar kinderen. ## Jubileeën 36 — Izak sterft 1. In het zesde jaar van deze jaarweek riep Izak zijn twee zonen, Ezau en Jakob, bij zich, en ze kwamen bij hem. Hij zei tegen hen: Mijn kinderen, ik ga de weg van mijn voorouders, naar het eeuwige huis waar mijn voorouders zijn. 2. Begraaf mij bij mijn vader Abraham, in de grot van Machpela op de akker van de Hethiet Efron, die Abraham als eigen begraafplaats heeft gekocht. Daar, in het graf dat ik voor mezelf heb gegraven, moeten jullie mij begraven. 3. Dit draag ik jullie op, mijn kinderen: doe wat rechtvaardig en oprecht is op aarde, zodat God alles over jullie brengt wat Hij heeft gezegd dat Hij voor Abraham en zijn nakomelingen zou doen. 4. Houd van elkaar als broers, mijn kinderen, zoals iemand van zichzelf houdt. Laat ieder zoeken wat goed is voor zijn broer. Werk samen op aarde, en houd van elkaar zoals van jezelf. 5. Wat de afgoden betreft: ik roep jullie op ze te verachten, ze te haten en ze niet lief te hebben. Want ze zitten vol bedrog voor wie ze dient en voor ze buigt. 6. Denk aan God, mijn kinderen, de God van jullie vader Abraham, en aan hoe ook ik Hem heb gediend en Hem oprecht en met blijdschap heb gehoorzaamd. Dan zal Hij jullie talrijk maken en jullie nakomelingen zo talrijk als de sterren aan de hemel. Hij zal jullie op aarde planten als een plant van de gerechtigheid, die in geen enkele generatie zal worden uitgeroeid, voor altijd. 7. Nu laat ik jullie een grote eed zweren, want er is geen grotere eed: bij de Naam, heerlijk, geëerd en groot, stralend, wonderbaar en machtig, die hemel en aarde en alles samen heeft gemaakt. 8. Jullie moeten elkaar met barmhartigheid en gerechtigheid liefhebben, en de een mag de ander nooit kwaad toewensen, van nu af aan voor altijd, jullie hele leven. Dan gaat het jullie goed in alles wat jullie doen en worden jullie niet vernietigd. 9. Als een van jullie zijn broer kwaad wil doen, weet dan vanaf nu: ieder die zijn broer kwaad wil doen, zal zelf in zijn eigen val lopen. Hij zal uit het land van de levenden worden uitgeroeid, en ook zijn nakomelingen zullen van onder de hemel verdwijnen. 10. Op de dag van onrust, vloek, toorn en woede zal Hij met verterend vuur zijn land, zijn stad en alles wat van hem is verbranden, zoals Hij Sodom heeft verbrand. 11. Ik spreek en waarschuw jullie, mijn kinderen, voor het oordeel dat zal komen over wie zijn broer kwaad wil doen. 12. Die dag verdeelde hij al zijn bezit tussen hen tweeën. Het grootste deel gaf hij aan de eerstgeborene, met de toren en alles eromheen. 13. Hij zei: Dit grootste deel geef ik aan de eerstgeborene. 14. Ezau zei: Ik heb mijn rechten als eerstgeboren zoon aan Jakob verkocht en aan hem gegeven. Laat het maar aan hem gegeven worden. Ik heb er niets meer over te zeggen, want die rechten zijn van hem. 15. Izak zei: Moge er vandaag een zegen rusten op jullie, mijn kinderen, en op jullie nakomelingen. Want jullie hebben mij rust gegeven. Mijn hart is niet bezorgd meer om de rechten van de eerstgeborene, alsof jullie daarom onrecht zouden doen. 16. Moge de allerhoogste God iedereen zegenen die rechtvaardig leeft, hem en zijn nakomelingen, voor altijd. 17. Hij was klaar met zijn opdrachten en zijn zegen. Ze aten en dronken samen bij hem, en hij was blij omdat ze het met elkaar eens waren. Daarna gingen ze bij hem weg, rustten die dag en sliepen. 18. Izak ging die dag blij op zijn bed slapen, en hij sliep in, voor altijd. 19. Ezau ging naar het land Edom, naar het gebergte Seïr, en woonde daar. 20. Jakob woonde in het bergland van Hebron, in de toren in het land waar zijn vader Abraham als vreemdeling had gewoond. 21. Zijn vrouw Lea stierf in het vierde jaar van de tweede jaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar. Hij begroef haar in de grot van Machpela bij zijn moeder Rebekka, links van het graf van Sara, de moeder van zijn vader. 22. Al haar zonen en zijn zonen kwamen om met hem om Lea te rouwen en hem te troosten, want hij huilde om haar. 23. Want hij hield heel veel van haar sinds haar zus Rachel was gestorven. Ze was volmaakt en oprecht in alles wat ze deed, en ze eerde Jakob. 24. Hij dacht aan alles wat ze in haar leven had gedaan en huilde veel om haar, want hij hield met heel zijn hart en heel zijn ziel van haar. ## Jubileeën 37 — De zonen van Ezau trekken tegen Jakob op 1. Op de dag dat Izak, de vader van Jakob en Ezau, stierf, hoorden de zonen van Ezau dat Izak de rechten van de eerstgeborene aan zijn jongste zoon Jakob had gegeven. 2. Ze kregen ruzie met hun vader en zeiden: Waarom heeft uw vader de rechten van de eerstgeborene aan Jakob gegeven en u overgeslagen, terwijl u de oudste bent en Jakob de jongste? 3. Hij zei tegen hen: Omdat ik mijn rechten als eerstgeboren zoon aan Jakob heb verkocht voor een beetje linzensoep. 4. En nu heeft onze vader ons laten zweren, mij en hem, dat we elkaar geen kwaad zullen doen, maar in liefde en vrede met elkaar zullen leven, als broers, en dat we onze wegen niet zullen bederven. 5. Ze zeiden tegen hem: We luisteren niet naar u als u vrede met hem wilt sluiten. Wij zijn sterker dan hij. Laten we tegen hem optrekken, hem doden en zijn zonen uitroeien. En als u niet met ons meegaat, doen we u ook kwaad. 6. Luister nu naar ons. Laten we boden sturen naar Aram, Filistea, Moab en Ammon, en voor onszelf strijdlustige mannen uitkiezen. Laten we tegen hem optrekken, tegen hem vechten en hem van de aarde uitroeien voordat hij sterk wordt. 7. Hun vader zei tegen hen: Ga niet en voer geen oorlog tegen hem, anders sneuvelen jullie voor hem. 8. Ze zeiden tegen hem: Zo doet u altijd al, vanaf uw jeugd tot vandaag: u legt uw nek onder zijn juk. Wij luisteren hier niet naar. 9. Ze stuurden boden naar Aram en naar Aduram, de vriend van hun vader, en huurden met hen duizend strijdlustige mannen, uitgekozen krijgers. 10. Uit Moab en uit de Ammonieten kwamen ook duizend uitgekozen huurlingen naar hen toe. 11. Ze zeiden tegen hun vader: Kom mee en ga voor hen uit. Anders doden we u. 12. Hij werd ontzettend kwaad toen hij zag dat zijn zonen hem dwongen voorop te gaan en hen aan te voeren tegen zijn broer Jakob. 13. Toen dacht hij aan al het kwaad dat hij in zijn hart tegen zijn broer Jakob verborgen hield. Hij dacht niet meer aan de eed die hij zijn vader en moeder had gezworen: dat hij zijn hele leven zijn broer Jakob geen kwaad zou doen. 14. Jakob wist van dit alles niets: hij wist niet dat ze eraan kwamen om tegen hem te vechten. 15. De mannen van Hebron stuurden hem een bericht: Kijk, uw broer is tegen u opgetrokken om tegen u te vechten, met vierduizend man, gewapend met zwaarden, en ze dragen schilden en wapens. Ze hielden namelijk meer van Jakob dan van Ezau en waarschuwden hem daarom, want Jakob was vriendelijker en barmhartiger dan Ezau. 16. Jakob geloofde het niet, tot ze dicht bij de toren waren. 17. Hij sloot de poorten van de toren. 18. Toen nam Ezau het woord en zei tegen hem: Voor mensen en voor dieren op aarde bestaat er geen rechtvaardige eed die ze voor altijd hebben gezworen. 19. Jij haat mij en mijn kinderen voor altijd. Met jou valt geen broederschap te houden. 20. Luister naar wat ik je zeg. Als het wilde zwijn zijn huid verandert en zijn borstels zo zacht maakt als wol, en als er op zijn kop horens groeien zoals bij een hert of een schaap, dan zal ik broederlijk met je omgaan. 21. Of als de wolven vrede sluiten met de lammeren en ze niet meer verslinden. 22. Of als de leeuw een schuilplaats wordt voor het rund. 23. En als de raaf zo wit wordt als de witte raza, weet dan dat ik van je houd en vrede met je zal sluiten. 24. Jakob zag dat Ezau met hart en ziel kwaad tegen hem in de zin had en hem wilde doden. 25. Toen zei hij tegen zijn mensen, zijn knechten en alle anderen dat ze hem moesten aanvallen. ## Jubileeën 38 — Jakob verslaat Ezau 1. Daarna zei Juda tegen zijn vader Jakob: Span uw boog, vader, schiet uw pijl af, sla de vijand neer en dood de tegenstander. Moge u de kracht hebben. Want wij zullen uw broer niet doden: hij is uw broer en uw gelijke, en die eer laten wij aan u. 2. Toen spande Jakob zijn boog, schoot een pijl af, trof zijn broer Ezau en doodde hem. 3. Hij schoot nog een pijl af, trof de Arameeër Aduran in zijn linkerborst en doodde hem. 4. Daarna gingen de zonen van Jakob met hun knechten naar buiten. Ze verdeelden zich over de vier kanten van de toren. 5. Juda ging voorop naar buiten, met Nafthali en Gad en vijftig knechten, aan de zuidkant van de toren. Ze doodden iedereen die ze tegenkwamen, en niemand ontkwam, niet één. 6. Levi, Dan en Aser gingen met vijftig man naar buiten aan de oostkant van de toren, en ze doodden de krijgers van Moab en Ammon. 7. Ruben, Issaschar en Zebulon gingen met vijftig man naar buiten aan de noordkant van de toren, en ze doodden de krijgers van de Filistijnen. 8. Simeon, Benjamin en Hanoch, de zoon van Ruben, gingen met vijftig man naar buiten aan de westkant van de toren. Ze doodden vierhonderd sterke krijgers van Edom en van de Horieten, en zeshonderd vluchtten. 9. De zonen van Jakob achtervolgden hen tot aan het gebergte Seïr. 10. De zonen van Jakob onderwierpen de nakomelingen van Ezau op het gebergte Seïr. Die bogen hun nek en werden slaven van de nakomelingen van Jakob. 11. Ze stuurden een bericht naar hun vader om te vragen of ze vrede met hen moesten sluiten of hen moesten doden. 12. Jakob liet zijn zonen weten dat ze vrede moesten sluiten. Ze sloten vrede met hen en legden hun het juk van de slavernij op, zodat ze allemaal Jakob en zijn zonen zouden dienen. 13. Ze bleven Jakob dienen tot de dag dat Jakob naar Egypte ging. 14. De nakomelingen van Edom zijn tot op de dag van vandaag het juk van de slavernij niet kwijtgeraakt dat de twaalf zonen van Jakob hun hebben opgelegd. 15. Dit zijn de koningen die in het land Edom regeerden, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde. 16. In Edom regeerde Bela, de zoon van Beor. Zijn stad heette Dinhaba. 17. Na de dood van Bela werd Jobab koning, de zoon van Zerah uit Bozra. 18. Na de dood van Jobab werd Husam uit het bergland van Teman koning. 19. Na de dood van Husam werd Hadad koning, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het gebied van Moab. Zijn stad heette Avith. 20. Na de dood van Hadad werd Samla uit Masreka koning. 21. Na de dood van Samla werd Saul uit Rehoboth aan de rivier koning. 22. Na de dood van Saul werd Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, koning. 23. Na de dood van Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, werd Hadar koning. Zijn vrouw heette Mehetabeël. Zij was een dochter van Matred en een kleindochter van Mezahab. 24. Dit zijn de koningen die in het land Edom regeerden. ## Jubileeën 39 — Jozef in Egypte 1. Jakob woonde in het land waar zijn vader als vreemdeling had gewoond, het land Kanaän. 2. Dit is de familiegeschiedenis van Jakob. 3. Zijn Egyptische heer stelde Jozef aan over zijn hele huis. 4. De Egyptenaar liet alles aan Jozef over, want hij zag dat God met hem was en alles liet slagen wat hij deed. 5. Jozef was knap en had een mooi uiterlijk. 6. Hij gaf zich niet over. 7. Jozef dacht aan dit woord en wilde niet met haar slapen. 8. Ze bleef een jaar en nog een jaar bij hem aandringen, maar hij wilde niet luisteren. 9. Ze omhelsde hem en hield hem in het huis vast om hem te dwingen met haar te slapen. 10. Toen de vrouw zag dat hij niet met haar wilde slapen, beschuldigde ze hem vals bij haar man en zei: Uw Hebreeuwse slaaf, van wie u zoveel houdt, heeft geprobeerd mij te dwingen met hem te slapen. 11. De Egyptenaar zag het kleed van Jozef en de kapotte deur. 12. Jozef zat daar in de gevangenis. 13. Het hoofd van de bewakers liet alles aan hem over en hoefde zich nergens mee bezig te houden, want Jozef deed alles en God liet het slagen. Jozef bleef daar twee jaar. 14. In die tijd werd Farao, de koning van Egypte, kwaad op twee van zijn hofdienaren, het hoofd van de schenkers en het hoofd van de bakkers. Hij liet hen opsluiten in de gevangenis in het huis van het hoofd van de koks, de gevangenis waar Jozef zat. 15. Het hoofd van de bewakers stelde Jozef aan om hen te bedienen, en hij zorgde voor hen. 16. Allebei hadden ze een droom, het hoofd van de schenkers en het hoofd van de bakkers, en ze vertelden die aan Jozef. 17. Het ging hun precies zoals hij het had uitgelegd. 18. Maar het hoofd van de schenkers vergat Jozef in de gevangenis, hoewel Jozef hem had verteld wat er met hem zou gebeuren. Hij dacht er niet aan Farao te vertellen wat Jozef hem had gezegd, want hij was het vergeten. ## Jubileeën 40 — Jozef bestuurt Egypte 1. In die tijd had Farao in één nacht twee dromen over de hongersnood die over het hele land zou komen. Hij werd wakker en riep alle droomuitleggers en tovenaars van Egypte bij zich. Hij vertelde hun zijn twee dromen, maar ze konden ze niet begrijpen. 2. Toen dacht het hoofd van de schenkers aan Jozef en vertelde de koning over hem. Ze haalden Jozef uit de gevangenis, en Farao vertelde hem zijn twee dromen. 3. Jozef zei tegen Farao dat zijn twee dromen één en dezelfde droom waren. 4. Laat Farao nu opzichters over het hele land Egypte aanstellen. Laat hen in de jaren van overvloed in elke stad voedsel verzamelen. Dan is er voedsel voor de zeven jaren van hongersnood, en gaat het land niet door de hongersnood te gronde, want die zal heel zwaar zijn. 5. God zorgde ervoor dat Farao Jozef goedgezind was en welwillend tegenover hem stond. Farao zei tegen zijn dienaren: We zullen niemand vinden die zo wijs en verstandig is als deze man, want de Geest van God is met hem. 6. Hij maakte hem de tweede man van zijn hele koninkrijk, gaf hem macht over heel Egypte en liet hem rijden in zijn tweede wagen. 7. Hij liet hem kleren van fijn linnen aantrekken en hing een gouden ketting om zijn hals. 8. Jozef bestuurde het hele land Egypte. Alle vorsten van Farao hielden van hem, en ook al zijn dienaren en iedereen die voor de koning werkte. 9. Egypte leefde onder Farao in vrede dankzij Jozef, want God was met hem. God liet hem welwillendheid en barmhartigheid vinden bij zijn hele generatie, bij iedereen die hem kende of over hem hoorde. Het koninkrijk van Farao was goed geordend, en er was geen satan en geen kwaad. 10. De koning gaf Jozef de naam Zafnath Paäneah. 11. Jozef was dertig jaar oud op de dag dat hij voor Farao stond. 12. In dat jaar stierf Izak. Het ging zoals Jozef had gezegd toen hij de twee dromen uitlegde: er kwamen zeven jaren van overvloed over het hele land Egypte, en het land bracht heel veel op. Eén maat leverde achttienhonderd maten op. 13. Jozef verzamelde in elke stad voedsel, tot er zoveel graan was dat ze het niet meer konden tellen en meten. ## Jubileeën 41 — Juda en Tamar 1. In het tweede jaar van de tweede jaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar zocht Juda voor zijn oudste zoon Er een vrouw uit de dochters van Aram. Ze heette Tamar. 2. Maar Er haatte haar en sliep niet met haar, omdat zijn moeder uit de dochters van Kanaän kwam. Hij wilde een vrouw nemen uit de familie van zijn moeder, maar zijn vader Juda stond het niet toe. 3. Deze Er, de oudste zoon van Juda, was slecht, en God doodde hem. 4. Juda zei tegen Onan, de broer van Er: Slaap met de vrouw van je broer. Vervul je plicht als zwager en zorg voor nakomelingen voor je broer. 5. Onan wist dat de nakomelingen niet van hem zouden zijn, maar van zijn broer. 6. Juda zei tegen zijn schoondochter Tamar: Blijf als weduwe in het huis van je vader wonen totdat mijn zoon Sela volwassen is. Dan geef ik hem jou als man. 7. Sela werd volwassen, maar Bedsuël, de vrouw van Juda, liet haar zoon Sela niet met haar trouwen. 8. In het zesde jaar ging Juda naar Timna om zijn schapen te scheren. 9. Tamar trok haar weduwenkleren uit, deed een sluier om, maakte zich mooi en ging zitten in de poort aan de weg naar Timna. 10. Juda kwam langs, zag haar en dacht dat ze een prostituee was. Hij zei tegen haar: Laat mij met je slapen. Ze zei tegen hem: Kom maar. En hij sliep met haar. 11. Ze zei tegen hem: Geef me mijn loon. Hij zei tegen haar: Ik heb niets bij me behalve de ring aan mijn vinger, mijn halssnoer en de staf in mijn hand. 12. Ze zei tegen hem: Geef me die maar, totdat u mij mijn loon stuurt. 13. Juda ging naar zijn schapen, en zij ging naar het huis van haar vader. 14. Juda stuurde een geitenbokje mee met zijn herder, een man uit Adullam, maar die kon haar niet vinden. Hij vroeg de mensen van die plaats: Waar is de prostituee die hier zat? Ze zeiden tegen hem: Er is hier geen prostituee geweest. Bij ons is geen prostituee. 15. Hij ging terug en vertelde Juda dat hij haar niet had gevonden. Hij zei tegen hem: Ik heb het ook aan de mensen van die plaats gevraagd, en ze zeiden tegen mij: Er is hier geen prostituee. 16. Na drie maanden werd bekend dat ze zwanger was. 17. Juda ging naar het huis van haar vader en zei tegen haar vader en haar broers: Breng haar naar buiten en laat haar verbranden, want ze heeft iets onreins gedaan in Israël. 18. Toen ze haar naar buiten brachten om haar te verbranden, stuurde ze haar schoonvader de ring, het halssnoer en de staf en zei: Kijk goed van wie deze zijn, want van hem ben ik zwanger. 19. Juda herkende ze en zei: Tamar is rechtvaardiger dan ik. Toen verbrandden ze haar niet. 20. Daarom werd ze niet aan Sela gegeven, en Juda kwam niet meer bij haar. 21. Daarna werd ze zwanger en kreeg ze twee zonen, Perez en Zerah, in het zevende jaar van deze tweede jaarweek. 22. Toen waren de zeven jaren van overvloed voorbij waarover Jozef met Farao had gesproken. 23. Juda wist dat hij iets slechts had gedaan door met zijn schoondochter te slapen, en hij vond het walgelijk. Hij wist dat hij verkeerd had gehandeld en was afgedwaald, want hij had zijn zoon onteerd. Hij begon te weeklagen en zich voor God te verootmoedigen om wat hij had misdaan. 24. Wij vertelden hem in een droom dat het hem vergeven werd, omdat hij zich diep verootmoedigde, weeklaagde en het niet meer deed. 25. Hij kreeg vergeving, omdat hij zich afkeerde van zijn zonde en zijn onwetendheid. Want voor onze God is dit een grote misdaad. 26. En jij, geef de Israëlieten opdracht dat er geen onreinheid bij hen mag zijn. Want iedereen die met zijn schoondochter of zijn schoonmoeder slaapt, heeft iets onreins gedaan. De man die met haar heeft geslapen en de vrouw moeten met vuur verbrand worden. Dan zal Hij Zijn toorn en de plaag van Israël afwenden. 27. Wij vertelden Juda dat zijn twee zonen niet met haar hadden geslapen. 28. Want hij had oprecht gehandeld en het oordeel gezocht: Juda wilde haar met vuur verbranden volgens het recht dat Abraham zijn kinderen had opgedragen. ## Jubileeën 42 — De broers van Jozef in Egypte 1. In het eerste jaar van de derde jaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar begon de hongersnood in het land. Er viel geen regen op de aarde, helemaal niets. 2. De aarde bracht niets meer op. 3. De Egyptenaren kwamen naar Jozef om voedsel te krijgen. Hij opende de voorraadschuren waar het graan van het eerste jaar lag, en hij verkocht het voor goud aan de volken van het land. 4. Jakob hoorde dat er voedsel in Egypte was, en hij stuurde zijn tien zonen om voedsel voor hem te halen in Egypte. Maar Benjamin stuurde hij niet mee. 5. Jozef herkende hen, maar zij herkenden hem niet. 6. Daarna liet hij hen gaan. Alleen Simeon hield hij vast, en zijn negen broers stuurde hij weg. 7. Hij vulde hun zakken met graan, en ook hun goud liet hij in hun zakken terugleggen, zonder dat ze het wisten. 8. Hij droeg hun op hun jongste broer mee te brengen, omdat ze hem hadden verteld dat hun vader nog leefde en ook hun jongste broer. 9. Ze vertrokken uit Egypte en kwamen in het land Kanaän. Ze vertelden hun vader alles wat hun was overkomen: hoe de heerser van het land hard tegen hen had gesproken en Simeon had vastgehouden totdat ze Benjamin zouden brengen. 10. Jakob zei: Jullie hebben mij mijn kinderen afgenomen. Jozef is er niet meer, Simeon is er niet meer, en nu willen jullie Benjamin van mij afnemen. Jullie kwaad is op mij neergekomen. 11. Hij zei: Mijn zoon gaat niet met jullie mee, anders wordt hij misschien ziek. 12. Hij had namelijk gezien dat al hun geld in hun zakken was teruggekomen, en daarom durfde hij hem niet te sturen. 13. De hongersnood werd erger en zwaarder in het land Kanaän en in alle landen, behalve in Egypte. 14. De mensen in Egypte hadden in het eerste jaar van de hongersnood te eten. 15. Toen Israël zag dat de hongersnood in het land heel zwaar was geworden en dat er geen uitweg was, zei hij tegen zijn zonen: Ga terug en haal voedsel voor ons, anders sterven we. 16. Ze zeiden: We gaan niet. Als onze jongste broer niet met ons meegaat, gaan we niet. 17. Israël zag dat ze allemaal door de hongersnood zouden omkomen als hij Benjamin niet met hen meestuurde. 18. Ruben zei: Vertrouw hem aan mij toe. Als ik hem niet bij u terugbreng, dood dan mijn twee zonen in plaats van hem. 19. Juda kwam naar voren en zei: Stuur hem met ons mee. Als ik hem niet bij u terugbreng, dan sta ik mijn hele leven schuldig tegenover u. 20. Op de eerste dag van de maand, in het tweede jaar van deze jaarweek, stuurde hij hem met hen mee. Ze kwamen met iedereen die meeging in Egypte aan, met geschenken in hun handen: balsem, amandelen, pistachenoten en wat honing. 21. Ze kwamen bij Jozef en stonden voor hem. Hij zag zijn broer Benjamin, herkende hem en zei tegen hen: Is dit jullie jongste broer? Ze zeiden tegen hem: Ja, dat is hij. 22. Hij liet hem naar zijn huis brengen, en ook Simeon bracht hij naar buiten, naar hen toe. 23. Ze aten bij hem, en hij gaf ieder een portie. Maar de portie van Benjamin was zeven keer zo groot als die van alle anderen. 24. Ze aten en dronken, stonden op en overnachtten bij hun ezels. 25. Jozef bedacht een plan om te weten te komen wat ze dachten: of ze vreedzame gedachten over elkaar hadden. ## Jubileeën 43 — Jozef maakt zich bekend 1. De beheerder deed wat Jozef hem had gezegd. Hij vulde al hun zakken met voedsel, legde ook hun geld in hun zakken en stopte de beker in de zak van Benjamin. 2. Vroeg in de morgen, bij het aanbreken van de dag, vertrokken ze. Toen ze de stad uit waren, zei Jozef tegen de beheerder van zijn huis: Ga hen achterna, ren en haal hen in, en zeg: Waarom hebben jullie mij goed met kwaad vergolden? Jullie hebben de zilveren beker gestolen waaruit mijn heer drinkt. Breng hun jongste broer bij mij terug, en snel, voordat ik naar mijn rechterstoel ga. 3. Hij rende hen achterna. 4. Ze zeiden tegen hem: Dat doen uw dienaren absoluut niet! Zoiets doen ze niet, en ze stelen niets uit het huis van uw heer. 5. Hoe zouden wij dan iets stelen? 6. Hij zei tegen hen: Nee, niet zo. Alleen de man bij wie ik hem vind, neem ik als slaaf, en de rest van jullie gaat in vrede naar huis. 7. Hij doorzocht hun spullen. Hij begon bij de oudste en eindigde bij de jongste, en de beker werd in de zak van Benjamin gevonden. 8. Ze scheurden hun kleren, laadden hun ezels weer op en gingen terug naar de stad. Ze kwamen bij het huis van Jozef en bogen zich allemaal voor hem neer, met hun gezicht naar de grond. 9. Jozef zei tegen hen: Jullie hebben verkeerd gehandeld. Ze zeiden: Wat moeten we zeggen, en hoe kunnen we ons verdedigen? Onze heer heeft de schuld van zijn dienaren aan het licht gebracht. Kijk, wij zijn de slaven van onze heer, en onze ezels ook. 10. Jozef zei tegen hen: Ik heb ontzag voor God. Jullie mogen naar huis gaan, maar jullie broer moet slaaf worden, omdat jullie verkeerd hebben gehandeld. Weten jullie niet dat iemand gehecht is aan zijn beker, zoals ik aan deze beker? En toch hebben jullie hem van mij gestolen. 11. Juda zei: Ik neem het op mij, mijn heer. Laat uw dienaar iets tegen mijn heer mogen zeggen. 12. Als wij bij uw dienaar, onze vader, aankomen zonder hem, zal de jongen sterven, en brengen we onze vader met verdriet naar het graf. 13. Laat mij, uw dienaar, in zijn plaats blijven: in plaats van de jongen word ik de slaaf van mijn heer. 14. Jozef zag dat ze allemaal eensgezind waren en het goed met elkaar voorhadden. Hij kon zich niet langer inhouden en vertelde hun dat hij Jozef was. 15. Hij sprak met hen in het Hebreeuws. 16. Hij zei tegen hen: Huil niet om mij. Haast je en breng mijn vader bij mij, zodat ik hem zie voordat ik sterf, en zodat ook mijn broer Benjamin het met eigen ogen ziet. 17. Want kijk, dit is het tweede jaar van de hongersnood, en er komen nog vijf jaar zonder oogst, zonder vruchten aan de bomen en zonder ploegen. 18. Kom snel hierheen, jullie en jullie gezinnen, zodat jullie niet omkomen door de hongersnood. Maak je geen zorgen over jullie bezit. Want God heeft mij vóór jullie uit gestuurd om alles te regelen, zodat veel mensen in leven zouden blijven. 19. Vertel mijn vader dat ik nog leef. En jullie zien zelf dat God mij als een vader voor Farao heeft aangesteld, als heerser over zijn huis en over heel Egypte. 20. Vertel mijn vader over al mijn aanzien en over alles wat God mij heeft gegeven, rijkdom en eer. 21. Op bevel van Farao gaf hij hun wagens en voedsel voor onderweg. Ook gaf hij hun allemaal veelkleurige kleren en zilver. 22. Ook zijn vader stuurde hij kleren en zilver, en tien ezels die graan droegen. Toen liet hij hen gaan. 23. Ze gingen terug en vertelden het hun vader. 24. Maar hun vader geloofde het niet, want hij was helemaal van streek. ## Jubileeën 44 — Jakob gaat naar Egypte 1. Israël vertrok uit Hebron, uit zijn huis, op de eerste dag van de derde maand. Hij ging langs Berseba en bracht daar op de zevende dag van deze maand een offer aan de God van zijn vader Izak. 2. Jakob dacht aan de droom die hij in Beth-el had gezien, en hij was bang om naar Egypte te gaan. 3. Hij overwoog Jozef te laten weten dat die naar hem toe moest komen, zodat hij zelf niet naar Egypte hoefde te gaan. 4. Hij vierde het feest van de eerste vruchten van de graanoogst met oud graan, want in het hele land Kanaän was geen handvol zaad meer. De hongersnood trof alle wilde dieren, het vee, de vogels en ook de mensen. 5. Op de zestiende dag verscheen God aan hem en zei: Jakob, Jakob! Hij antwoordde: Ja, hier ben ik. 6. Ik ga met je mee naar Egypte en ik zal je terugbrengen. In dit land zul je begraven worden, en Jozef zal met zijn hand je ogen sluiten. Wees niet bang: ga naar Egypte. 7. Zijn zonen en kleinzonen stonden op en laadden hun vader en hun bezit op wagens. 8. Op de zestiende dag van deze derde maand vertrok Israël uit Berseba naar het land Egypte. 9. Israël stuurde zijn zoon Juda vooruit naar Jozef om het land Gosen te verkennen. Jozef had zijn broers namelijk gezegd dat ze daar moesten komen wonen, zodat ze dicht bij hem zouden zijn. 10. Het was er goed in Egypte, dicht bij hem, voor iedereen en ook voor wie vee had. 11. Dit zijn de namen van de zonen van Jakob die met hun vader Jakob naar Egypte gingen: 12. Ruben, de eerstgeborene van Israël. De namen van zijn zonen zijn Hanoch, Pallu, Hezron en Karmi: samen vijf. 13. Simeon en zijn zonen. De namen van zijn zonen zijn Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul, de zoon van de Fenicische vrouw: samen zeven. 14. Levi en zijn zonen. De namen van zijn zonen zijn Gerson, Kehath en Merari: samen vier. 15. Juda en zijn zonen. De namen van zijn zonen zijn Sela, Perez en Zerah: samen vier. 16. Issaschar en zijn zonen. De namen van zijn zonen zijn Tola, Puwa, Jasub en Simron: samen vijf. 17. Zebulon en zijn zonen. De namen van zijn zonen zijn Sered, Elon en Jahleel: samen vier. 18. Dit zijn de zonen van Jakob met hun zonen, die Lea in Mesopotamië aan Jakob baarde: zes, en daarbij hun zus Dina. 19. De zonen van Zilpa, de slavin van Lea, de vrouw van Jakob, die zij aan Jakob baarde, zijn Gad en Aser. 20. Dit zijn de namen van hun zonen die met hem naar Egypte kwamen. De zonen van Gad zijn Zifjon, Haggi, Schuni, Ezbon, Eri, Areli en Arodi: samen acht. 21. De zonen van Aser zijn Jimna, Jisva, Jisvi en Berija, met hun zus Sera: samen vijf. 22. Samen waren het veertien personen, en alle nakomelingen van Lea samen vierenveertig. 23. De zonen van Rachel, de vrouw van Jakob, zijn Jozef en Benjamin. 24. In Egypte waren Jozef, voordat zijn vader naar Egypte kwam, twee zonen geboren: Manasse en Efraïm. Hun moeder was Asnath, de dochter van Potifera, de priester van On. 25. De zonen van Benjamin zijn Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Echi, Ros, Muppim, Huppim en Ard: samen elf. 26. Alle nakomelingen van Rachel samen waren veertien. 27. De zonen van Bilha, de slavin van Rachel, de vrouw van Jakob, die zij aan Jakob baarde, zijn Dan en Nafthali. 28. Dit zijn de namen van hun zonen die met hen naar Egypte kwamen. De zonen van Dan zijn Chusim, Samon, Asudi, Ijaka en Salomon: samen zes. 29. Die stierven in Egypte in het jaar dat ze daar kwamen, en van de zonen van Dan bleef alleen Chusim over. 30. Dit zijn de namen van de zonen van Nafthali: Jahzeel, Guni, Jezer, Sillem en Iv. 31. Iv stierf in Egypte. Hij was geboren na het jaar van de hongersnood. 32. Alle nakomelingen van Rachel samen waren zesentwintig. 33. Alle nakomelingen van Jakob die in Egypte kwamen, waren samen zeventig personen. 34. In het land Kanaän waren twee zonen van Juda gestorven, Er en Onan, zonder kinderen. De Israëlieten begroeven wie gestorven waren, en ze werden meegeteld bij de zeventig volken. ## Jubileeën 45 — Jakob in Egypte en zijn dood 1. Op de eerste dag van de vierde maand, in het tweede jaar van de derde jaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar, kwam Israël in Egypte aan, in het land Gosen. 2. Jozef ging zijn vader Jakob tegemoet in het land Gosen. Hij viel hem om de hals en huilde. 3. Israël zei tegen Jozef: Nu kan ik sterven, want ik heb je gezien. Geprezen is God, de God van Israël, de God van Abraham en de God van Izak, die Zijn barmhartigheid en Zijn genade niet heeft onthouden aan Zijn dienaar Jakob. 4. Het is groot voor mij dat ik je gezicht heb gezien terwijl ik nog leef. Want het visioen dat ik in Beth-el zag, is werkelijk waar. Geprezen is God, mijn God, voor altijd en eeuwig, en gezegend is Zijn naam. 5. Jozef en zijn broers aten en dronken wijn bij hun vader, en Jakob was heel erg blij. 6. Jozef gaf zijn vader en zijn broers als geschenk het recht om te wonen in het land Gosen en in Rameses met de hele omgeving, die hij namens Farao bestuurde. 7. Jozef zorgde voor brood voor zijn vader, zijn broers en hun bezit, zoveel als ze nodig hadden in de zeven jaren van hongersnood. 8. Het land Egypte leed onder de hongersnood. 9. Toen waren de jaren van hongersnood voorbij. 10. Zo ging het in de zeven jaren van hongersnood. 11. Het was toen het eerste jaar van de vierde jaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar. 12. Jozef nam van het graan dat ze zaaiden een vijfde deel voor de koning, en vier delen liet hij hun als voedsel en zaaigoed. Jozef maakte dit tot een wet voor het land Egypte, die tot op de dag van vandaag geldt. 13. Israël leefde zeventien jaar in het land Egypte. 14. Voordat hij stierf, zegende Israël zijn zonen. Hij vertelde hun alles wat hun in het land Egypte en in de laatste dagen zou overkomen. Hij maakte hun bekend wat er over hen zou komen, en hij zegende hen. 15. Hij stierf en werd bij zijn voorouders gevoegd. Hij werd begraven in de grot van Machpela in het land Kanaän, bij zijn vader Abraham, in het graf dat hij voor zichzelf had gegraven in de grot van Machpela in het land van Hebron. 16. Hij gaf al zijn boeken en de boeken van zijn voorouders aan zijn zoon Levi, zodat die ze zou bewaren en ze voor zijn kinderen zou vernieuwen, tot op de dag van vandaag. ## Jubileeën 46 — Jozef sterft en Israël wordt onderdrukt 1. Na de dood van Jakob werden de Israëlieten in Egypte talrijk. Ze werden een groot volk en waren allemaal eensgezind: iedereen hield van zijn broer en hielp zijn broer. Ze werden heel erg talrijk. 2. Er was geen satan en geen enkel kwaad, zolang Jozef na zijn vader Jakob leefde. 3. Jozef stierf toen hij 110 jaar oud was. Zeventien jaar had hij in het land Kanaän gewoond, en tien jaar was hij dienaar geweest. 4. Hij stierf, en al zijn broers, en die hele generatie. 5. Voordat hij stierf, droeg hij de Israëlieten op zijn beenderen mee te nemen wanneer ze uit het land Egypte zouden trekken. 6. Hij liet hen zweren dat ze dat met zijn beenderen zouden doen, want hij wist dat de Egyptenaren hem niet meer naar buiten zouden brengen om hem in het land Kanaän te begraven. 7. De koning van Kanaän kon Egypte niet binnenkomen, want een ander, een nieuwe koning, was koning over Egypte geworden en was sterker dan hij. Hij keerde terug naar het land Kanaän. De poorten van Egypte werden gesloten, en niemand ging Egypte uit of in. 8. Jozef stierf in het tweede jaar van de zesde jaarweek van het zesenveertigste jubeljaar. Ze begroeven hem in het land Egypte, en al zijn broers stierven na hem. 9. In het tweede jaar van de tweede jaarweek van het zevenenveertigste jubeljaar trok de koning van Egypte ten strijde tegen de koning van Kanaän. 10. Velen keerden terug naar Egypte, maar een paar van hen bleven achter in het bergland van Hebron, en jouw vader Amram bleef bij hen. 11. De koning van Kanaän versloeg de koning van Egypte en sloot de poorten van Egypte. 12. De koning van Egypte bedacht een slecht plan om de Israëlieten te onderdrukken, en hij zei tegen het volk van Egypte: 13. Kijk, het volk van de Israëlieten is groot geworden en talrijker dan wij. Kom, laten we verstandig tegen hen optreden voordat ze nog talrijker worden. Laten we hen met zware arbeid onderdrukken voordat er oorlog komt en zij ook tegen ons gaan vechten. Anders sluiten ze zich aan bij de vijand en trekken ze weg uit ons land, want hun hart en hun gezicht zijn op het land Kanaän gericht. 14. Hij stelde opzichters over hen aan om hen met zware arbeid te onderdrukken. 15. Ze lieten hen onder zware onderdrukking werken. Maar hoe meer kwaad ze hun aandeden, hoe talrijker ze werden en hoe verder ze zich uitbreidden. 16. De mensen van Egypte walgden van de Israëlieten. ## Jubileeën 47 — Mozes wordt geboren en groeit op 1. In het zevende jaar van de zevende jaarweek van het zevenenveertigste jubeljaar kwam jouw vader uit het land Kanaän. Jij werd geboren in het zesde jaar van de vierde jaarweek van het achtenveertigste jubeljaar. Dat was de tijd waarin de Israëlieten onderdrukt werden. 2. Farao, de koning van Egypte, beval over hen dat ze al hun jongetjes die geboren werden in de rivier moesten gooien. 3. Zeven maanden lang gooiden ze hen erin, tot de dag dat jij werd geboren. 4. Je moeder maakte een kistje voor je, bestreek het met pek en asfalt en zette het tussen het riet aan de oever van de rivier. Zeven dagen legde ze je daarin. 5. In die dagen ging Tharmut, de dochter van Farao, naar de rivier om te baden. Ze hoorde je huilen en zei tegen haar Hebreeuwse dienaressen dat ze je moesten halen, en ze brachten je bij haar. 6. Ze haalde je uit het kistje en had medelijden met je. 7. Je zus zei tegen haar: Zal ik een van de Hebreeuwse vrouwen voor u gaan roepen, die dit kind voor u kan verzorgen en borstvoeding kan geven? 8. Ze ging en riep je moeder Jochebed. Die kreeg loon van haar en verzorgde je. 9. Toen je groter was, brachten ze je naar het huis van Farao, en je werd haar zoon. Je vader Amram leerde je schrijven. Toen je drie jaarweken oud was, bracht hij je naar het hof van het koninkrijk. 10. Je bleef drie jaarweken aan het hof, tot de tijd dat je van het hof van het koninkrijk wegging. 11. De volgende dag zag je twee Israëlieten die met elkaar vochten. Je zei tegen degene die de ander onrecht deed: Waarom sla je je broer? 12. Hij werd heel kwaad en zei: Wie heeft jou als leider en rechter over ons aangesteld? Wil je mij soms doden, zoals je de Egyptenaar hebt gedood? Toen werd je bang en vluchtte je om die woorden. ## Jubileeën 48 — Mastema, de plagen en de uittocht 1. In het zesde jaar van de derde jaarweek van het negenenveertigste jubeljaar ging je weg en woonde je daar vijf jaarweken en één jaar. In het tweede jaar van de tweede jaarweek van het vijftigste jubeljaar ging je terug naar Egypte. 2. Je weet wat Hij op de berg Sinaï tegen je heeft gezegd, en wat de vorst Mastema met je wilde doen toen je onderweg terugging naar Egypte, bij de herberg. 3. Probeerde hij je niet met al zijn macht te doden en de Egyptenaren uit jouw macht te redden, omdat hij zag dat je was gestuurd om het oordeel en de wraak over de Egyptenaren te voltrekken? 4. Maar ik heb je uit zijn macht gered. 5. God nam grote wraak op hen ter wille van Israël. Hij trof hen en doodde hen met bloed, kikkers, luizen, steekvliegen en zweren die openbraken in blaren, en hun vee met sterfte en met hagelstenen. 6. Alles werd door jouw hand gestuurd: jij moest het aankondigen voordat het gebeurde. Jij sprak het uit tegenover de koning van Egypte, al zijn dienaren en zijn volk. 7. Alles gebeurde zoals jij had gezegd: tien grote en verschrikkelijke oordelen kwamen over het land Egypte, zodat jij daarmee de wraak voor Israël zou voltrekken. 8. God deed alles ter wille van Israël. 9. De vorst Mastema kwam tegen je in het geweer en probeerde je in de macht van Farao te laten vallen. Hij hielp de tovenaars van Egypte, en die verzetten zich tegen je en deden hun kunsten voor je ogen. 10. Het kwaad lieten wij hen doen, maar genezing lieten wij niet door hun handen gebeuren. 11. God trof hen met zware zweren, en ze konden er niets tegen doen, want wij maakten hen machteloos, zodat ze niet één teken meer konden doen. 12. Maar ondanks al die tekenen en wonderen gaf de vorst Mastema zich niet gewonnen. Hij vatte moed en riep de Egyptenaren op je achterna te gaan met alle macht van Egypte, met hun wagens en paarden en met de hele menigte van de volken van Egypte. 13. Ik stond tussen jou en de Egyptenaren, en tussen hen en Israël, en wij redden Israël uit zijn macht en uit de macht van het volk. 14. Al het volk dat hij had uitgestuurd om Israël achterna te gaan, wierp God, onze God, midden in de zee, in de diepten van de afgrond, onder de Israëlieten door, zoals de Egyptenaren hun kinderen in de rivier hadden gegooid. Hij nam wraak op een miljoen van hen. 15. Op de veertiende, vijftiende, zestiende, zeventiende en achttiende dag was de vorst Mastema vastgebonden en opgesloten, weg van de Israëlieten, zodat hij hen niet kon aanklagen. 16. Op de negentiende dag lieten wij hen los, zodat ze de Egyptenaren konden helpen en de Israëlieten konden achtervolgen. 17. Hij maakte hun hart hard en koppig, en ze werden versterkt door God, onze God, zodat Hij Egypte kon treffen en hen midden in de zee kon werpen. 18. Op de veertiende dag bonden wij hem vast, zodat hij de Israëlieten niet zou aanklagen op de dag dat ze de Egyptenaren om voorwerpen en kleren vroegen, voorwerpen van zilver, goud en koper. Zo zouden ze de Egyptenaren leeghalen, als betaling voor de slavenarbeid waartoe ze gedwongen waren. 19. Wij lieten de Israëlieten niet met lege handen uit Egypte vertrekken. ## Jubileeën 49 — Het pascha 1. Denk aan het gebod dat God je over het pascha heeft gegeven: je moet het vieren op de vastgestelde tijd, op de veertiende dag van de eerste maand. Je moet het slachten voordat het avond wordt, en ze moeten het 's nachts eten, op de avond van de vijftiende, vanaf zonsondergang. 2. Want in deze nacht, het begin van het feest en het begin van de vreugde, zat jij in Egypte het pascha te eten. 3. Dit is wat God de machten opdroeg: bij elk huis waar ze het bloed van een eenjarig lam op de deurpost zagen, mochten ze niet naar binnen gaan om te doden. Ze moesten het voorbijgaan, zodat iedereen in dat huis gered werd, want het teken van het bloed stond op de deurpost. 4. De machten van God deden alles wat God hun had opgedragen. Ze gingen alle Israëlieten voorbij, en de plaag kwam niet over hen om iemand van hen te doden, van het vee tot de mensen, zelfs de honden niet. 5. De plaag in Egypte was heel zwaar. Er was in Egypte geen huis zonder dode, en overal was gehuil en geweeklaag. 6. Heel Israël zat het vlees van het pascha te eten en wijn te drinken. Ze loofden, prezen en dankten God, de God van hun voorouders, en ze stonden klaar om te vertrekken, weg van het juk van Egypte en de zware slavernij. 7. En jij, denk aan deze dag, je hele leven lang. Vier hem elk jaar, je hele leven, één keer per jaar, op zijn eigen dag en volgens al zijn voorschriften. Stel hem niet uit tot een andere dag of een andere maand. 8. Want het is een eeuwige wet, gegraveerd op de platen in de hemel over de Israëlieten, dat ze het elk jaar moeten vieren, op zijn eigen dag, één keer per jaar, in al hun generaties. Er komt geen einde aan, want het is voor altijd vastgelegd. 9. Wie rein is en niet komt om het op de vastgestelde dag te vieren, om een offer te brengen dat God welgevallig is, en om voor God te eten en te drinken op de dag van Zijn feest, die man, die rein is en in de buurt woont, moet worden uitgeroeid. Want hij heeft het offer voor God niet op de vastgestelde tijd gebracht, en hij zal de zonde zelf moeten dragen. 10. Laten de Israëlieten dus komen en het pascha vieren op de vastgestelde dag, op de veertiende dag van de eerste maand, tussen de twee avonden: van het derde deel van de dag tot het derde deel van de nacht. Want twee delen van de dag zijn gegeven aan het licht, en het derde deel aan de avond. 11. Dit is wat God je heeft opgedragen: dat je het moet vieren tussen de twee avonden. 12. Het mag niet op een moment van het daglicht geslacht worden, maar alleen tegen de avond. Ze moeten het eten vanaf de avond tot het derde deel van de nacht, en wat er van het vlees overblijft na het derde deel van de nacht, moeten ze met vuur verbranden. 13. Het mag niet in water gekookt worden en niet rauw gegeten worden, maar het moet in het vuur geroosterd worden, zorgvuldig in het vuur bereid: de kop met de ingewanden en de poten. 14. Daarom heeft God de Israëlieten opgedragen het pascha te vieren op de vastgestelde dag. 15. En jij, geef ook de Israëlieten opdracht het pascha in hun tijd te vieren, elk jaar, één keer per jaar, op de vastgestelde dag. Dan komt er voor God een herinnering die Hij welgevallig vindt, en in het jaar dat ze het pascha op tijd en volgens alle voorschriften vieren, zal er geen plaag over hen komen om hen te doden of te treffen. 16. Voortaan mag het niet meer buiten het heiligdom van God gegeten worden, maar alleen bij het heiligdom van God. Het hele volk van de gemeenschap van Israël moet het op zijn tijd vieren. 17. Iedereen die op de dag komt, moet het eten in het heiligdom van je God, voor God, iedereen van twintig jaar en ouder. Want zo is het opgeschreven en vastgelegd: ze moeten het eten in het heiligdom van God. 18. De Israëlieten zullen in het land komen dat ze in bezit zullen nemen, het land Kanaän, en ze zullen de tabernakel van God midden in het land opzetten, bij een van hun stammen, tot het heiligdom van God in het land gebouwd is. 19. Wanneer in het land van hun erfdeel het huis in de naam van God gebouwd is, moeten ze daarheen gaan en het pascha 's avonds slachten, bij zonsondergang, in het derde deel van de dag. 20. Ze moeten het bloed naar de voet van het altaar brengen en het vet op het vuur op het altaar leggen. Het vlees moeten ze in het vuur geroosterd eten, in de voorhof van het heiligdom, in de naam van God. 21. Ze mogen het pascha niet vieren in hun steden of op een andere plaats, maar alleen bij de tabernakel van God of bij het huis waar Zijn naam woont. Laten ze niet afdwalen van God. 22. En jij, Mozes, geef de Israëlieten opdracht zich te houden aan het voorschrift van het pascha, zoals het jou is opgedragen. Vertel hun elk jaar het jaar en de dag, en ook het feest van de ongezuurde broden: dat ze zeven dagen ongezuurd brood moeten eten, het feest moeten vieren en elke dag hun offer moeten brengen, in deze zeven dagen van vreugde, voor God op het altaar van je God. 23. Want dit feest vierden jullie in haast, toen jullie uit Egypte trokken, tot jullie door de zee waren getrokken, de woestijn van Sur in. Aan de oever van de zee maakten jullie het feest af. ## Jubileeën 50 — De sabbat 1. Na deze wet maakte ik je in de woestijn Sin, die tussen Elim en de Sinaï ligt, de sabbatdagen bekend. 2. De sabbatjaren van het land heb ik je op de berg Sinaï verteld, en ook de jaren van het jubeljaar in de sabbatjaren. Maar het jaar zelf heb ik je niet verteld, totdat jullie in het land komen dat jullie in bezit zullen nemen. 3. Ook het land zal zijn sabbatjaren houden wanneer ze erin wonen, en ze zullen het jubeljaar kennen. 4. Daarom heb ik voor je de jaarweken en de jubeljaren vastgesteld: negenenveertig jubeljaren vanaf de tijd van Adam tot vandaag, en één jaarweek en twee jaar. Er zijn nog veertig jaar te gaan om de geboden van God te leren, tot ze de Jordaan oversteken naar de westkant, het land Kanaän in. 5. De jubeljaren zullen voorbijgaan, tot Israël gereinigd is van alle schuld van ontucht, onreinheid, bezoedeling, zonde en dwaling. Dan zal Israël veilig in het hele land wonen. Er zal geen satan en geen kwaad meer zijn, en het land zal vanaf die tijd rein zijn, voor altijd. 6. Kijk, het gebod van de sabbat heb ik voor je opgeschreven, met alle bepalingen van zijn wetten. 7. Zes dagen moet je werken, maar de zevende dag is de sabbat van God, je God. Dan mag je geen enkel werk doen: jij niet, je kinderen niet, je slaaf en je slavinnen niet, je vee niet en ook de vreemdeling niet die bij je woont. 8. Wie op die dag werkt, moet sterven. Ieder die deze dag ontheiligt, moet sterven: wie op die dag met een vrouw slaapt, wie iets zegt over werk dat hij op die dag zal doen, zoals op reis gaan, kopen of verkopen, wie op die dag water put dat hij niet op de zesde dag voor zichzelf had klaargezet, en wie iets optilt om het uit zijn tent of zijn huis te dragen. 9. Op de sabbat mag je geen enkel werk doen dat je niet op de zesde dag voor jezelf hebt voorbereid. Op deze dag moet je eten en drinken, rusten en sabbat houden van al je werk, en God, je God, prijzen. 10. Want groot is de eer die God Israël heeft gegeven: op deze feestdag eten, drinken en genieten, en rusten van al het werk dat mensen doen. Alleen het branden van wierook en het brengen van offers en slachtoffers voor God, voor de dagen en de sabbatten, gaat door. 11. Alleen dit werk mag op de sabbatdagen gedaan worden, in het heiligdom van God, je God. Zo wordt er voor Israël verzoening gedaan met een offer, elke dag weer, als een herinnering die God welgevallig is, zodat Hij hen voor altijd, dag na dag, aanvaardt, zoals je is opgedragen. 12. Ieder die werk doet, op reis gaat of een akker bewerkt, thuis of waar dan ook, moet sterven. 13. Wie op de sabbatdag iets hiervan doet, moet sterven. Hier eindigt het verslag van de indeling van de dagen. ## 1 Meqabyan 1 — Tsiruts'aidan en zijn goden 1. En er was een man die Tsiruts'aidan heette, iemand die van het kwaad hield, en hij schepte op over zijn vele paarden en over de kracht van het leger dat onder hem stond. 2. En hij had veel afgoden, waarvoor hij zich neerboog, die hij aanbad en waaraan hij offerde, dag en nacht. 3. En in de dwaasheid van zijn hart leek het hem dat zij het waren die hem kracht en sterkte gaven. 4. En hij bedacht in zijn hart dat zij hem de heerschappij over heel zijn koninkrijk gaven. 5. En bovendien leek het hem dat zij hem macht gaven in de strijd en bij alles wat hij wilde. 6. En hij offerde zelf, dag en nacht. 7. En voor elk van hen stelde hij afgodspriesters aan. 8. En die deden net alsof, en zij vertelden hem dat zijn goden aten, dag en nacht, terwijl zij zelf van dat onreine offer aten. 9. En bovendien dwongen zij anderen zoals zij om te offeren en te eten, en telkens weer offerden zij zelf en dwongen zij anderen om ook te offeren. 10. Maar hij vertrouwde op zijn afgod, waar niemand iets aan heeft. 11. En het leek hem dat zij hem geschapen hadden, omdat zij hem te eten gaven en hem lieten heersen, zo blind was zijn hart en zo klein zijn verstand. Want Satan had zijn hart verblind, zodat hij God niet kende, die hem geschapen en gemaakt en gegrondvest had uit het niets — hij niet en zijn mensen niet — zodat hij samen met hem het oordeel in zou gaan en samen met hem voor altijd geoordeeld zou worden, en met wie hij goden noemde, terwijl zij geen goden waren. 12. En het past om hen doden te noemen, want zij hebben nooit geleefd. 13. En wat betreft wie op hen vertrouwen — mensenkinderen van wie het hart tot as geworden is: de geest van Satan komt binnen, die hen daarin verleidt, samen met hun afgod, en die met hen spreekt naar het verlangen van hun hart en zich aan hen laat zien zoals zij het willen. 14. En wanneer zij zien dat hij voor hen uitvoert wat zij bedacht hadden, staan zij versteld en doen ook zij zijn wil, totdat zij hun zonen en hun dochters slachten die uit hun eigen schoot voortgekomen zijn, en zij vergieten onschuldig bloed, het bloed van hun zonen en hun dochters. 15. En zij schrikken niet, want Satan heeft het hun aangenaam gemaakt naar hun verlangen naar het kwaad, zodat hij hen met zich mee zou nemen in zijn oordeel: de hel, waar geen uitweg is, tot in alle eeuwigheid. 16. Maar die Tsiruts'aidan was hoogmoedig, en hij had goden in de gedaante van mannen en in de gedaante van vrouwen. 17. En hij schepte op over die goden van hem, waar niemand iets aan heeft, en hij eerde hen bovenmate en offerde aan hen, 's avonds en 's morgens. 18. En de mensen dwong hij om te offeren, en hij at zelf van dat onreine offer en dwong anderen om ervan te eten, en hij gaf zich meer en meer aan het kwaad over. 19. En hij maakte voor zijn goden een gegoten tempel van brons en van ijzer en van lood. 20. En zij overtrokken de goden met goud en met zilver, en hij maakte gordijnen en tenten rondom de muur van zijn huis. 21. En hij stelde daar wachters aan, en hij offerde elke ochtend aan de goden en bracht voortdurend offergaven aan zijn goden. 22. En het leek hem dat zijn goden aten van het voedsel en de wijn op een zilveren schaal, klaargemaakt met geurige olie. 23. En hij zei tegen zijn priesters: Kom dichterbij, geef het hun, zodat mijn goden van mijn offer eten en van al mijn voedsel drinken. En als het niet genoeg voor hen is, zal ik er nog wat aan toevoegen. 24. En hij dwong iedereen om van dat onreine offer te eten en te drinken. 25. En in de slechtheid van zijn overleg stuurde hij zijn soldaten eropuit. Die doorzochten heel zijn koninkrijk om na te gaan of er iemand was die niet offerde en zich niet voor de goden neerboog. Die zouden zij oppakken en voor hem veroordelen tot het zwaard en tot het vuur, en zij zouden zijn bezit plunderen en zijn huis met alles erin verbranden, om het weg te nemen. 26. En hij zei: Ik zal hem pijniging en oordeel laten zien, als hij weigert mijn goden te aanbidden en aan hen te offeren, want zij zijn groot en goed, en in hun goedheid hebben zij ons gemaakt. 27. En zij hebben de hemel en de aarde geschapen, en de grote zee, en de zon en de maan en de sterren en de winden en de regens en alles wat beweegt, om ons te voeden en te verzadigen. 28. En wie hen niet aanbidden, zullen geoordeeld worden met wegkwijnen en met benauwdheid, en men zal hun geen barmhartigheid bewijzen. ## 1 Meqabyan 2 — De zonen van Meqabyos 1. En er was een man uit de stam van Benjamin die Meqabyos heette. 2. En hij had… 3. En zij vonden hen en zeiden tegen hen: Zult u zich niet neerbuigen en niet offeren aan de goden van koning Tsiruts'aidan, zoals hij bevolen heeft? 4. En als u weigert, zullen wij u grijpen en u naar de koning brengen en al uw bezit vernietigen, zoals de koning bevolen heeft. 5. En zij antwoordden en zeiden tegen hem, die goede jongemannen: Wij hebben er Eén voor wie wij ons neerbuigen: de God van onze vaderen, de Schepper van hemel en aarde en zee en alles wat daarin is, de Schepper van de zon en de maan en de sterren en de wolken. Hij is de ware God, die wij aanbidden en in wie wij geloven. 6. En die dienaren van de koning waren vier vorsten, en elk van hen had zijn soldaten die de wapens van hun leger droegen. 7. En toen hij wilde dat men die heiligen zou grijpen, ontkwamen zij aan hun handen, en er was niemand die hun iets deed. En zij gingen weg, met de wapens van hun leger in de hand, want zij waren heel flinke en sterke jongemannen. 8. En er was er een onder hen die doodde door een beer te wurgen, en hij wurgde die als een kip, in één ogenblik. 9. En er was er een onder hen die een leeuw doodde met één worp van een steen of met één worp van een stuk hout, in één keer. 10. En er was er een onder hen die in de strijd honderd man in één keer doodde met één zwaard. En zo waren hun naam en hun roem bekend in heel het land van Moab en onder de Chaldeeën. 11. En zij waren sterk en krachtig, en zij waren knap en innemend en hadden een mooie stem. 12. En de schoonheid van hun gezicht was wonderlijk, en het sterkste van alles was de schoonheid van hun hart, omdat zij God aanbaden en niet bang waren om te sterven. 13. En toen zij de soldaten schrik aanjoegen, was er niemand die hen kon grijpen. Die sterke mannen ontkwamen naar een steile berg. 14. En die soldaten gingen terug de stad in, trokken door de poorten van de stad en bedreigden het volk en zeiden: Als u ons die mannen, de Meqabyeeën, niet uitlevert, zullen wij uw stad met vuur verbranden, het bericht naar de koning sturen en uw stad verwoesten. 15. En op dat moment kwamen de mensen van de stad naar buiten — armen en rijken, mannen en oude vrouwen en wezen — en zij riepen allemaal samen, sloegen hun ogen op naar de berg en riepen naar hen: Vernietig ons en onze stad niet. 16. En toen huilden zij samen en hadden zij ontzag voor God. 17. En zij keerden hun gezicht naar het oosten en baden tot God, terwijl zij samen hun handen uitstrekten, en zij zeiden: Zullen wij hen groot maken, Heere — hen die Uw wet en Uw gebod overtreden? 18. Wij willen niet luisteren naar het woord van die afvallige, die niet gelooft in Uw wet, maar in goud en in zilver, in hout en in steen, het werk van mensenhanden. 19. En hij doet alsof zij hem geschapen hebben, terwijl U zijn Schepper bent, die doodt en levend maakt. Maar hij vergiet mensenbloed en hij eet mensenvlees. 20. En wij willen het gezicht van die afvallige niet zien en niet naar zijn woord luisteren. 21. Maar als U het ons opdraagt, zullen wij naar hem toe gaan en ons leven overgeven aan de dood om U. En wij zullen niet luisteren naar het woord van die afvallige wanneer hij zegt: Offer aan mijn goden. 22. En wij, Heere, vertrouwen met heel ons hart op U, de God van onze vaderen, wij die Uw wil doen en naar Uw wet leven — de God van Abraham, Izak en Jakob, die hart en nieren onderzoekt. 23. En U onderzoekt de rechtvaardige en de zondaar, en U doorzoekt wat er in het hart van een mens is, en niets is voor U verborgen; zelfs wat verborgen is, ligt voor U open. 24. En wij hebben geen andere god dan U. 25. Maar wees onze kracht en onze sterkte en onze toevlucht in dit werk waarmee wij U dienen, zodat wij ons leven overgeven aan de dood om Uw heilige naam. 26. En toen Israël het land Egypte binnentrok, hoorde U het gebed van Jakob. En ook nu bidden wij tot U, heilige God. 27. En toen zij aan hen verschenen… 28. En de schoonheid van hun gezicht was buitengewoon, en zij straalden helderder dan de zon en zij waren mooier dan eerst. ## 1 Meqabyan 3 — Abya, Sela en Fentos voor de koning 1. En er kwam een stem uit de hemel, die zei: Abya en Sela en Fentos, dienaar van El Eljon, zoals jullie dezen gezien hebben die gestorven en opgestaan zijn voor jullie ogen, zo zullen ook jullie opstaan na jullie dood, en jullie gezicht zal stralen in het koninkrijk van de hemel. 2. En zij gingen met die mannen mee en werden daar martelaren. 3. En toen baden zij en dankten zij en bogen zij zich neer voor God, en de dood joeg hun geen schrik aan en het oordeel van de koning ook niet. 4. En zij gingen naar die dienaren toe en joegen hun geen schrik aan, maar zij waren als een lam zonder boosheid. En toen zij bij hen kwamen, grepen zij hen, sloegen hen, bonden hen, geselden hen, brachten hen naar de koning en zetten hen voor hem neer. 5. En de koning antwoordde en zei tegen hen: Overtreders, hoe komt het dat jullie niet offeren en je niet neerbuigen voor mijn goden? 6. En zij antwoordden hem, die heilige en gezegende en uitverkoren en blijde broers Abya en Sela en Fentos, geëerd als een parel waarvan de prijs kostbaar is, als uit één mond. 7. En zij zeiden tegen die dwaze koning: Wij offeren niet en wij buigen ons niet neer voor onreine goden, die geen hart en geen verstand hebben, 8. en die bovendien goud en zilver zijn, hout en steen, het werk van mensenhanden, die geen ziel en geen verstand en geen kennis hebben, en die geen goed kunnen doen aan wie hun goed doet en geen kwaad aan wie hun kwaad doet. 9. En de koning antwoordde hun en zei: Waarom doen jullie zo en lasteren jullie mijn geëerde goden? Want ook zij kennen wie hen onderdrukt en tegen hen lastert. 10. En zij antwoordden en zeiden tegen hem: Wij lasteren hen en wij eren hen niet, want zij zijn voor ons niets. 11. En de koning antwoordde en zei tegen hen: Naar de slechtheid van jullie daden zal ik jullie oordelen, en ik zal de schoonheid van jullie gezicht kapotmaken met grote benauwdheid, met geselen en met vuur. 12. En zeg mij nu of jullie aan mijn goden zullen offeren of niet, voordat ik de plaag van de zweep en het koord en het zwaard tegen jullie laat komen. 13. En zij antwoordden en zeiden tegen hem: Wij buigen ons niet neer en wij offeren niet aan onreine goden. En de koning gaf bevel dat men hen met dikke stokken zou slaan, en daarna met de zweep, en daarna dat men hen zou openrijten totdat hun ingewanden zichtbaar werden. 14. En daarna bonden zij hen en brachten hen in de cel van het gevangenhuis, totdat hij zou bedenken hoe hij hen zou doden en oordelen. 15. En zij brachten hen in de gevangenis en bonden hen zwaar in boeien, zonder medelijden, en zij bleven drie dagen en drie nachten in de gevangenis. 16. En na drie dagen gaf de koning bevel dat een heraut zou rondgaan, zodat de vorsten en de raadsheren en de rentmeesters en de oudsten van de stad bij elkaar zouden komen. 17. En koning Tsiruts'aidan zat in de rechtszaal en gaf bevel dat men die gezegenden, Abya en Sela en Fentos, zou brengen en voor hem zou neerzetten, geboeid en gewond. 18. En de koning zei tegen hen: Zijn jullie tot inkeer gekomen in die drie dagen dat jullie daar zaten, of zijn jullie nog net zo slecht als eerst? 19. En de gezegenden, de strijders van God, antwoordden en zeiden tegen hem: Wij staan vast, en wij zullen geen ja zeggen op wat u zegt: godslastering, vol slechtheid en onreinheid. 20. En die geweldenaar werd woedend en gaf bevel dat men hen zou ophangen en hun wonden zou openhalen, en hun bloed vloeide op de grond. 21. En opnieuw gaf hij bevel dat men hen met een brandende fakkel zou verbranden en dat hun vlees zou verschroeien, en zij deden dat. En de gezegenden zeiden tegen hem: Ga uw gang, goddeloze. Hoe meer u onze straf vermeerdert, des te meer vermeerdert u ons loon. 22. En opnieuw gaf hij bevel dat men wilde dieren zou halen — een luipaard en een beer en een leeuw — om die op hen los te laten terwijl zij nog niet gegeten hadden, zodat zij hen met botten en al zouden verslinden. 23. En hij gaf de dierentemmers bevel om die op hen los te laten, en zij deden wat hij hun opgedragen had. En zij bonden de heilige martelaren met de handen op hun rug en bonden hen daarna vast aan palen die zij daarvoor gemaakt hadden. 24. En die wilde dieren stormden brullend op hen af. En toen zij bij de martelaren kwamen, bogen zij zich voor hen neer en betoonden hun eerbied. 25. En zij gingen brullend terug naar hun oppassers en joegen de wachters schrik aan en dreven hen voort, totdat zij hen voor het aangezicht van de koning brachten. 26. En daar doodden zij uit het kamp van de afvalligen… vijf man. 27. En veel mensen werden vertrapt terwijl zij in paniek tegen elkaar op drongen, totdat de koning zelf zijn troon verliet en vluchtte. En met moeite grepen zij de wilde dieren en brachten hen terug naar hun hol. 28. En zij kwamen… 29. En de martelaren antwoordden en zeiden tegen hun broers: Het past ons niet om te vluchten nu wij tot het martelaarschap opgestaan zijn. Maar als jullie bang zijn, ga dan en vlucht zelf. 30. En die jongere broers zeiden: Ook wij zullen met jullie voor de koning gaan staan, en als jullie sterven, zullen ook wij met jullie sterven. 31. En daarna zag de koning vanaf het dak van de zaal van zijn koninkrijk dat die gezegenden losgemaakt waren en… 32. En de koning gaf bevel dat men de vijf broers zou grijpen en in de gevangenis zou gooien, totdat hij zou bedenken hoe hij hen zou oordelen. En zij gooiden hen in de gevangenis en bonden hen zwaar in boeien, in het gat van een houtblok, zonder medelijden. 33. En koning Tsiruts'aidan zei: Die verleiders, die jongemannen, hebben mij afgemat. Wat staat het hart van die mannen vast! Zo sterk als hun kracht is, zo slecht zijn hun daden. En telkens wanneer ik denk dat zij zullen toegeven, maken zij hun hart hard. 34. En ik zal hun vergelden naar de slechtheid van hun daden en hun vlees met vuur verbranden, zodat het as wordt, en daar zal het verschroeien. Ik zal de verbrande resten van hun vlees als stof uitstrooien over een grote berg, zodat de wind hen meeneemt. 35. En nadat hij dat gezegd had, wachtte hij drie dagen, en hij gaf bevel dat men de heiligen zou halen. En toen die heiligen dichterbij kwamen, gaf hij bevel dat men vuur zou aansteken in een oven en in een grote kuil, en dat men daarin gloeiende kolen zou gooien en brandbare stoffen: pek en papyrus en vet en honing en aardolie en zwavel. 36. En toen de oven kookte, gingen zijn dienaren naar de koning en zeiden: Wij hebben gedaan wat u ons opgedragen hebt. Stuur de mannen die erin gegooid moeten worden. 37. En hij gaf bevel dat men hen zou nemen en in de vurige oven zou gooien, en zij deden wat de koning hun opgedragen had. En toen de gezegenden erin gingen, gaven zij hun ziel over aan God. 38. En de engelen ontvingen hen, terwijl wie hen erin gegooid hadden toekeken, en zij droegen hun zielen naar de schoot van Abraham, Izak en Jakob, in de tuin van de vreugde. ## 1 Meqabyan 4 — De martelaren verschijnen aan de koning 1. En toen die geweldenaar zag dat zij gestorven waren, gaf hij bevel dat men hun lichamen met vuur zou verbranden tot het stof geworden was en dat men het in de wind zou verstrooien. Maar hij kon zelfs het haar op hun hoofd niet verbranden, en zij haalden hen uit de kuil. 2. En opnieuw staken zij boven hen vuur aan, van de ochtend tot de avond, en het raakte hen niet. En opnieuw zei hij: Kom, laten wij hun lichamen in de zee gooien. 3. En zij deden wat de koning hun opgedragen had en gooiden hen in de zee. Maar de zee verzwolg hen niet, ook al hadden zij zware gewichten op hen gelegd en grote stenen en een molensteen. En zij zonken niet in de zee, maar zij dreven boven op de diepte, want de Geest van God was op hen. En geen van de listen die zij bedachten lukte hun. 4. En hij zei: Nu dit vlees van hen mij tot een stank geworden is, gescheiden van hun ziel, wat zal ik doen? Ik zal hun lichamen voor de wilde dieren gooien, zodat die hen opeten. 5. En zij deden dat, maar de wilde dieren en de vogels raakten hun lichamen niet aan. En hun lichamen bleven vele dagen liggen, terwijl arenden en vogels hen met hun vleugels beschutten tegen de hitte van de zon, en hun lijken… 6. En toen zij hen zagen, glansden hun lichamen als de stralen van de zon en als een tent van licht, en de engelen stonden om hun lichamen heen. 7. En hij overlegde, maar hij wist niet wat hij doen moest. En toen groef hij de aarde open en begroef de lichamen van de vijf martelaren. 8. En zij verschenen in de nacht aan die goddeloze koning… 9. En toen hij wakker werd, werd hij bang en probeerde hij van de ene hoek van het huis naar de andere te vluchten, want het leek hem dat er belagers zijn huis waren binnengekomen en tegen hem opgestaan waren. En zijn knieën beefden en hij was bang, want het leek hem dat zij hem zouden doden. 10. En daarom zei hij: Wat wilt u, mijne heren, en wat zal ik voor u doen? 11. En zij antwoordden en zeiden tegen hem: Zijn wij niet degenen die u gedood en verbrand hebt, en van wie u bevolen hebt dat men ons in de zee zou gooien? Maar het is u mislukt, want God heeft ons vlees bewaard, omdat wij op Hem vertrouwd hebben. Dank aan God, want wie op Hem vertrouwt, zal niet omkomen. En ook wij, die op Hem vertrouwd hebben, zijn niet te schande geworden. 12. En hij zei tegen hen: Wat voor beloning zal ik u geven in ruil voor het kwaad dat ik u aangedaan heb? Want ik wist niet dat dit oordeel mij zo zou treffen. 13. En bepaal nu voor mij hoeveel beloning ik u zal geven, zodat u mijn leven niet in de dood wegneemt en mij niet levend in het dodenrijk brengt. 14. Want ik heb onrecht gedaan. Vergeef mij deze misdaad, want de wet van uw vader is barmhartigheid. 15. En de gezegende martelaren antwoordden en zeiden tegen hem: Wij zullen u geen kwaad vergelden in ruil voor wat u ons aangedaan hebt. Er is God, onze God, die het u vergelden zal, want de vergelding komt van God. 16. Maar wij zijn u verschenen om te laten zien dat wij leven, om de blindheid van uw hart en het gebrek aan verstand bij u. En terwijl u dacht dat u ons gedood had, hebt u voor ons het leven klaargemaakt. 17. Maar u en uw goden zullen afdalen in het oordeel van de vlam van het vuur, waar geen ontkomen aan is, tot in eeuwigheid. 18. Wee u, u en uw goden die u aanbidt en voor wie u zich neerbuigt, terwijl u de aanbidding verlaten hebt van God die u geschapen heeft — terwijl u speeksel bent en niet weet waar u vandaan gekomen bent. Bent u niet rook die vergaat, die vandaag verschijnt en morgen voorbij is? 19. En de koning antwoordde en zei tegen hen: Wat draagt u mij op, zodat ik alles doe wat u wilt? 20. En zij zeiden tegen hem: Wij onderwijzen u niet om onszelf, maar om u, zodat u niet het oordeel van de vlam van het vuur ingaat. 21. Want die goden van u zijn goud en zilver, hout en steen, het werk van mensenhanden, die geen ziel en geen verstand en geen kennis hebben. 22. Want zij kunnen niet doden en niet levend maken, geen goed doen en geen kwaad doen, niet onteren en niet eren, niet arm maken en niet rijk maken, niet uitrukken en niet planten. Maar zij misleiden u door de geest van de boze geesten, die niet willen dat ook maar één mens gered wordt. 23. En dat vooral bij mensen zoals u, blind van hart, die denken dat de goden hen geschapen hebben, terwijl u het zelf bent die hen gemaakt hebt. 24. Want de geesten van de boze geesten en de satans komen bij elkaar en antwoorden u naar wat u wilt, om u te laten wegzinken in de zee van vuur. 25. Maar u, laat deze dwaling los en aanbid God, onze God. En laat dat ons loon zijn in plaats van onze dood, zodat wij winst voor onze ziel krijgen. 26. Maar hij schrok en was met stomheid geslagen en stond versteld en was bang, want hun zwaarden waren getrokken… 27. En hij zei: Nu weet ik dat de doden werkelijk zullen opstaan, zij die tot as geworden zijn. En ik ben ternauwernood aan de dood ontkomen. 28. En daarna verdwenen zij voor de ogen van die koning. En vanaf die dag liet hij de lijken van hun lichamen met rust, die Tsiruts'aidan, hoogmoedig en verwaand. 29. En hij was blij met de dwaling van zijn hart en met zijn goden, want die hadden hem al vele dagen misleid. En hij dwaalde niet alleen zelf, maar hij liet ook veel mensen zoals hij dwalen, totdat zij ophielden Hem te volgen die hen geschapen had. 30. En zij offerden hun zonen en hun dochters aan de boze geesten en deden wat hun hart verlangde — hoererij en onreinheid — wat hun vader Satan hun geleerd had, om onrust en onreinheid te bedrijven waar God geen plezier in heeft. 31. En zij trouwen met hun moeder en onteren hun zus en hun familie en doen alles wat op deze onreine daad lijkt, en zij maken hun ziel vuil en weigeren zich te bekeren, want Satan maakte het hart van die verdorven mensen hard. 32. En die Tsiruts'aidan was hoogmoedig en verwaand, en hij kende zijn Schepper niet en schepte op over zijn goden. 33. Hoe geeft God het koningschap aan mensen die Hem niet kennen? En Hij zei: Omdat ik hen op de proef stel, of zij zich bekeren en naar mij terugkeren. 34. En als zij zich bekeren en naar Hem terugkeren, heeft Hij hen lief en bewaart Hij hun koningschap. Maar als zij weigeren, oordeelt Hij hen met de huivering van de hel, die eeuwig is. 35. Een koning hoort, naar de grootheid van zijn koninkrijk, ontzag te hebben voor God. En ook een vorst hoort, naar de grootheid van zijn heerschappij, zich in het goede te laten leiden door zijn Schepper. 36. En de oudsten en de aanzienlijken en de vermogenden en de rentmeesters horen, naar de grootheid van hun aanzien, hun Schepper te gehoorzamen. 37. Want Hij heeft heel de schepping geschapen, Hij, de Heere van hemel en aarde, die arm maakt en rijk maakt, die onteert en eert. Want er is geen andere god dan Hij, niet in de hemel daarboven en niet op de aarde daarbeneden. ## 1 Meqabyan 5 — De koningen die zich verhieven 1. Re'itawi verhief zichzelf, en in één ogenblik liet God zijn buik opzwellen, van zijn voeten tot zijn hoofd, en op datzelfde moment stierf hij. 2. En verder verhief Nimrod zichzelf, die een bed van ijzer liet maken vanwege zijn enorme kracht. Ook hem heeft God neergeslagen. 3. En verder verhief Nebukadnezar zichzelf en zei: Er is geen andere koning dan ik, en ik ben het die de zon boven de aarde laat opgaan. Zo sprak hij uit de grootheid van zijn hoogmoed. 4. En God verdreef hem van onder de mensen… zeven jaar, en God gaf hem zijn plaats bij de wilde dieren en de vogels van de hemel, totdat hij erkende dat het God was die hem geschapen had. 5. En toen hij Hem erkende, bracht Hij hem terug in zijn koninkrijk. Wie is het die zich tegen Hem verzet heeft en zich verheven heeft boven God, zijn Schepper, die geen stof is? 6. En wie heeft Zijn wet en Zijn inzetting overtreden zonder dat de aarde hem verzwolg? 7. En ook u, Tsiruts'aidan, wilt uzelf verheffen, zelfs boven uw Schepper. En ook u staat hetzelfde te wachten als hun: dat Hij u van uw hoogmoed neergooit en u neerbrengt in het stof van de dood, 8. en bovendien in het dodenrijk, in de duisternis, waar gehuil is en tandengeknars, diep beneden in een grote en diepe kuil, waar geen uitweg is tot in eeuwigheid. 9. U bent een mens, en u bent stof, en u zult morgen sterven, net als de trotse koningen zoals u, die het verblijf in deze wereld verlaten hebben. 10. En wij zeggen: u bent een mens en geen God, want God is de Schepper van hemel en aarde, en uw Schepper. 11. En Hij vernedert de hoogmoedigen en verhoogt de nederigen, en Hij geeft kracht aan de zwakken en zwakte aan de sterken. 12. En Hij geeft de dood aan de levenden, en Hij wekt de doden op die in het graf liggen en tot as geworden zijn. 13. En Hij bevrijdt de slaven tot het leven, uit de slavernij van de zonde. 14. Koning Tsiruts'aidan, waarom schept u op over uw onreine goden, waar niemand iets aan heeft? 15. God heeft de hemel gemaakt en de aarde gegrondvest en de grote zee geschapen, Hij heeft de zon en de maan op hun plaats gezet, de tijden bepaald en de jaren ingesteld. 16. En de mens gaat uit naar zijn werk, en hij werkt en zwoegt tot de avond valt. En ook de sterren van de hemel worden op Zijn woord aangestoken. 17. En Hij telt hen allemaal bij hun naam, en er gebeurt niets wat God niet weet. 18. En ook de engelen van de hemel: Hij is het die hen aangesteld heeft om Hem te dienen en Zijn heilige naam te prijzen. En zij worden uitgestuurd naar alle engelen, ten behoeve van wie het leven zullen erven. 19. De engel Rafaël werd gestuurd naar Tobit en redde Tobias in het land van Raguël. 20. En een engel werd gestuurd naar Gideon om hem te leren hoe hij de Filistijnen zou verslaan. En een engel werd gestuurd naar Mozes, de leider, toen hij Israël door de Rode Zee liet trekken. 21. Want God zei: Hij alleen heeft hen geleid, en er was geen vreemde god bij hen. 22. En Hij bracht hen omhoog naar de hoogten van het land. 23. En Hij voedde hen met het koren van de velden en verzorgde hen met honing uit de rots, want Hij hield buitengewoon veel van hen. 24. En ook u: Hij heeft u koning gemaakt over Zijn volk en u heerschappij gegeven over vier koninkrijken, zodat u het volk zou beschermen, het rechtvaardig zou weiden en de wil zou doen van Hem die u geschapen heeft. 25. En Hij heeft u tot koning gemaakt, zodat u boven alles God, uw God, zou liefhebben, want boven allen heeft Hij u verhoogd en koning gemaakt… 26. En ook u: het is goed dat u God, uw God, buitengewoon liefhebt, zoals u liefgehad hebt en trouw geweest bent over heel Zijn kudde. En doe de wil van God, zodat uw dagen lang zijn op de aarde en Hij met u is. 27. En Hij zal u bijstaan tegen al uw vijanden, Hij zal u op heel uw troon zetten en Zijn vleugels over uw hoofd uitspreiden. 28. Als u het maar wist: God heeft u uitgekozen, zoals Hij Saul uitgekozen heeft uit de kinderen van Israël en hem koning gemaakt heeft over Israël, Zijn volk, terwijl hij de ezelinnen van zijn vader zocht. En hij zat op een troon met Samuël, de profeet. 29. En hij gaf hem een groot deel, meer dan zijn broers, en zei tegen hem: Kijk, van nu af aan heeft God u koning gemaakt over Zijn volk. Weid Zijn volk. 30. En behandel wie goed doen met goed en wie kwaad doen met kwaad, want God heeft u over hen aangesteld om te doden en levend te maken. 31. En wie goed doen, moet u het goede vergelden, en wie kwaad doen, het kwade. Want God heeft u over alles aangesteld, zodat u naar Zijn wil zou doen wat u wilt, of u nu straft of in leven laat. 32. En ook u: doe de wil van God altijd en op elk uur, zodat Hij uw wil doet in alles wat u bedenkt en in alles wat u vraagt, terwijl u zich voor Hem klein maakt. Want ook u bent een dienaar van Hem die over alles heerst, van Hem die boven is. 33. En Hij die door niemand geoordeeld wordt, oordeelt allen. 34. Hij die door niemand aangesteld wordt, stelt allen aan. 35. Hij die door niemand afgezet wordt, zet allen af. 36. Hij die door niemand vrijgemaakt wordt, maakt allen vrij. 37. Hij die door niemand gedwongen wordt, onderwerpt allen. En er is niemand die aan Zijn hand ontkomt, want het oordeel over hemel en aarde ligt bij Hem. 38. En niets is verborgen voor Zijn ogen, maar alles ligt voor Hem open. 39. En Hij ziet alles, maar er is niemand die Hem ziet. Hij hoort het gebed van wie tot Hem bidt en Hij neemt zijn gebed aan, want Hij heeft de mens geschapen naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. 40. En Hij voedt allen uit Zijn schatkamer, die niet opraakt, want Hij is de Koning die in eeuwigheid blijft. ## 1 Meqabyan 6 — De zaal van het koninkrijk van de hemel 1. En de koningen schreven over hem helemaal naar recht, want God laat koningen rechtvaardig heersen, koningen die Zijn wil doen. 2. En Hij verlicht hun woning met een licht dat niet te beschrijven is, waar Abraham, Izak en Jakob zijn, en David en Salomo en Ezechiël, en alle goede koningen van wie de woning verlicht is, omdat zij de wil van God deden. En het is niet als de zaal die op de aarde staat, maar de zaal die in de hemel is, heel ontzagwekkend, met een zuivere vloer die eruitziet als goud en zilver en hyacint, 3. die het verstand van een mens te boven gaat en waarvan het uiterlijk schitterend is: de zaal van het koninkrijk van de hemel, schitterend van topaas en van smaragd en van kostbare stenen, 4. en met alle kostbare edelstenen van heerlijkheid die het verstand van een mens te boven gaan. Zo schitterend is de zaal van het koninkrijk, die Hij Zelf als kunstenaar gemaakt heeft zoals Hij dat weet: de zaal van het koninkrijk van de hemel. En haar vloer is zuiver, en ziet eruit als goud en zilver en hyacint, en in andere kleuren, en als hyacint en zijde. 5. En zo is zij mooi en aantrekkelijk, heel zuiver en schitterend, 6. en gegrondvest in gerechtigheid en in recht, en gemaakt in genade en in barmhartigheid. 7. En daar is wat water van leven laat stromen, zo zuiver als de zon, en een tent van licht, omkranst met de zuilen van de Hermon. 8. En rondom Zijn huis is geplant met de zoete vruchten van de tuin, elk naar zijn eigen vorm en geur, en wijngaarden en olijven en olie. En de geur van hun vrucht is heel goed en zoet. 9. En wanneer iemand van vlees en bloed daar binnenkomt, zou van de zoetheid van de geur van hun vrucht zijn ziel uitgaan, door de overvloed van de vreugde die daar is. 10. En daar verheugen zich de goede koningen die de wil van God deden. Hun werken en hun plaats zijn bekend, bij de plaats van het leven, tot in eeuwigheid, in het koninkrijk van de hemel. 11. En Hij liet zien dat het in de hemel net zo gaat als op de aarde: zoals de grootheid van hun koninkrijk op de aarde, en zoals men hen eert en zich voor hen buigt, zo worden zij ook in de hemel geëerd en verhoogd en zijn zij blij, als zij in hun leven op de aarde goed gedaan hebben. 12. Maar de harde heersers in hun koninkrijk en in hun heerschappij die God hun gegeven heeft, die niet rechtvaardig oordelen, die wie onderdrukt wordt en de vreemdeling en de wees niet redden, omdat zij het woord van de armen en wie tekortkomen minachtten, 13. en die de armen en wie tekortkomen niet redden uit de hand van wie hen onderdrukt, die de hongerigen niet genoeg te eten geven van hun voedsel en de dorstigen niet te drinken geven van hun drank, en die hun oor niet neigen naar het roepen van de mensen — 14. ook hen brengt men naar de woning van het dodenrijk, de streken van de duisternis. En zo groot als hun heerlijkheid was, zoveel groter wordt hun schande en hun ellende, wanneer die grote dag over hen komt die God gemaakt heeft, en Zijn toorn. Zoals David in de psalm zei: Heere, straf mij niet in Uw toorn en corrigeer mij niet in Uw woede. 15. En zij die Uw wet bewaren, terwijl zij koningen en vorsten zijn en terwijl zij heersers van de wereld zijn op de aarde — 16. en in de hemel is de Heerser van allen, en alle zielen zijn in Zijn hand, en het leven van allen ligt in Zijn mond. Hij geeft eer aan wie Hem eren, en Hij eert wie Hem liefhebben, want Hij heerst over alles en Hij regeert alles. 17. En Hij onderzoekt hart en nieren, want Hij is de Koning van hemel en aarde, die het gebed hoort van wie met een zuiver hart tot Hem bidt. 18. En Hij breekt de hoogmoed van de machtigen, die kwaad doen aan wie weerloos zijn en aan de wezen. 19. Niet door uw eigen kracht bent u tot dit koningschap gekomen, en niet door uw eigen vermogen zit u op deze troon. Maar Hij Zelf heeft u, zoals Hij het wilde, op de troon van het koninkrijk gezet, om u op de proef te stellen of u Zijn volk kunt besturen — zoals Saul in die dagen, die zijn volk bestuurde en die zich blind hield voor het woord van God en voor het woord van Samuël de profeet, en die de koning van Amalek en hun volk niet doodde. 20. Want God zei tegen Samuël de profeet: Ga, zeg tegen Saul: Ga oorlog voeren tegen het land van Amalek, en dood al hun koningen en hun inwoners, van mens tot dier, want zij hebben mij woedend gemaakt door de wet te overtreden, door vreemde goden te vereren, door zich voor een beeld te buigen, door hun gruwelen en door elk onrein werk waar niemand iets aan heeft. 21. En daarom, toen zij God woedend gemaakt hadden, stuurde Hij Saul om hen te doden. 22. Maar hij spaarde hun koning en ook veel vee, en vrouwen en meisjes, en hij spaarde de beste jongemannen. En daarom zei God tegen Samuël de profeet: Omdat hij mijn woord overtreden heeft en mijn gebod niet gehoorzaamd heeft, ga, scheur zijn koninkrijk af, 23. en zalf David, de zoon van Isaï, zodat hij in zijn plaats over Israël zal heersen. 24. En Hij liet een demon op hem los, die hem benauwde. 25. Want ik heb hem het koningschap gegeven zodat hij mijn wil zou doen, en toen hij weigerde mijn wil te doen, heb ik hem van zijn koningschap afgezet. En jij, ga, spreek en zeg tegen hem: Bent u dan zo ongehoorzaam aan God, die u koning gemaakt heeft over Zijn volk Israël en u op de troon van Zijn koninkrijk gezet heeft? 26. En u hebt niet erkend dat Hij u zo'n grote heerlijkheid en grootheid gegeven heeft. 27. En Samuël de profeet ging naar koning Saul en kwam bij hem binnen terwijl hij aan de tafel stond, met Agag, de koning van Amalek, aan zijn linkerhand. 28. En hij zei tegen hem: Waarom houdt u zich blind en bent u ongehoorzaam aan God, die u opgedragen heeft om mens en dier te doden? 29. En toen werd de koning bang, hij stond op van zijn troon en greep het kleed van Samuël. En Samuël weigerde zich om te draaien, en het kleed van Samuël scheurde. 30. En Samuël zei tegen Saul: God heeft uw koninkrijk gescheurd. 31. En Saul zei opnieuw tegen Samuël: Eer mij voor het volk en doe verzoening voor mij bij God, zodat Hij mij genadig is. Maar Samuël weigerde zijn woord terug te nemen, want hij had ontzag voor het woord van God, zijn Schepper, en niet voor een sterfelijke koning. 32. En daarom sloeg hij Agag, de koning van Amalek, dood, terwijl het eten nog in zijn mond zat. 33. En die goddeloze, die het woord van God overtreden had, werd gegrepen door een onreine geest die zijn hoofd sloeg. Want God ziet een koning die onrecht deed niet aan, want Hij is de Koning van de koningen, aan wie niemand iets gebiedt. 34. En boven Hem is er niemand die Hem iets gebiedt, want Hij is de Heere van heel de schepping, die alle macht breekt van de koningen en de vorsten die geen ontzag voor Hem hebben. 35. En van Saul nam Hij het koninkrijk weg, van hem en van zijn zoon, zoals er staat: Het huis van David gaat de kant op waar het verhoogd wordt, maar het huis van Saul gaat de kant op waar het vernederd wordt. 36. En God wreekte Zich op het nageslacht van het huis van Saul, omdat het Hem woedend gemaakt had, en Hij spaarde wie Hem overtraden niet, die Hem woedend gemaakt hadden door de slechtheid van hun daden. Want om de vijand van God hoeft niemand te treuren, wie die vijand van God ook is. 37. En wie zich niet wreekt op wie zondigt terwijl hij dat kan en er de macht toe heeft, die is werkelijk een vijand van God, want hij handhaaft de wet van God niet die er is. ## 1 Meqabyan 7 — Wat bent u, koning of vorst? 1. En of u nu een koning bent of een vorst: wat bent u? Is het niet God die u geschapen heeft? 2. En Hij heeft u tevoorschijn gebracht uit waar u niet was, zodat u Zijn wil zou doen, naar Zijn gebod zou leven en ontzag zou hebben voor Zijn oordeel. Zoals u boos wordt op uw dienaar en macht over hem hebt, zo is er ook boven u Eén die boos wordt op u en macht over u heeft. 3. Zoals u zonder medelijden slaat wie overtreden, zo is er ook voor u God, die u zal slaan en u in het oordeel zal gooien waar geen ontkomen aan is, tot in eeuwigheid. 4. En zoals u hem straft die zich niet aan u onderwerpt en u geen geschenk brengt: waarom brengt u dan zelf geen geschenk aan God? 5. En zoals u wilt dat men ontzag voor u heeft: waarom hebt u dan geen ontzag voor God, uw God? Want Hij is het die u geschapen heeft en u koning gemaakt heeft over al Zijn werk, zodat u rechtvaardig naar Zijn volk en Zijn kudde zou omzien. 6. En trek niemand voor, groot of klein, maar oordeel rechtvaardig, zoals God voor u gezorgd heeft. Voor wie zou u ontzag hebben behalve voor Hem? Houd u aan Zijn wegen en Zijn geboden. 7. En wijk niet af, niet naar rechts en niet naar links, zoals Mozes de kinderen van Israël opdroeg en tegen hen zei: Ik heb jullie vuur en water voorgezet. Leg je hand op wat je wilt. 8. En luister naar het woord van Hem die het u geeft, zodat u naar Zijn woord luistert en Zijn gebod doet, en zodat u niet zegt: Het is aan de overkant van de rivier. Wie zal het bij mij brengen, zodat ik het zie en naar Zijn woord luister en het gebod van God doe? 9. En als u opnieuw zegt: Wie zal voor mij naar de hemel opklimmen en dat woord van God voor mij naar beneden brengen, zodat ik het hoor en het doe? — dan heeft Hij dit gezegd: Kijk, het woord is dicht bij je, in je mond, en kijk, in je hand. 10. En als u de Schrift niet gehoord hebt, hebt u God, uw God, niet gehoord. En als u Zijn woord niet bewaard hebt, hebt u Hem niet liefgehad en Zijn gebod niet gedaan. 11. En u zult het eeuwige oordeel ingaan, omdat u Zijn gebod niet liefgehad hebt en de wil niet gedaan hebt van Hem die u groot gemaakt heeft en u geëerd heeft boven heel uw volk, zodat u hen rechtvaardig zou weiden. 12. En Hij heeft u hoog gemaakt en tot hoofd over heel Zijn volk, terwijl u denkt aan de naam van uw God, die u geschapen heeft en u gegeven heeft om het volk rechtvaardig te oordelen. 13. En wie zich tegen u misdragen, die straft u en die onderwijst u, terwijl u aan de weg van God denkt, uw gedachten goed maakt en rechtvaardig oordeelt. 14. En wanneer zij bij u een geschil hebben, trek dan niemand voor en neem van niemand een geschenk aan om hem te bevoordelen, en doe een onschuldig man geen onrecht door hem te onderdrukken, want de hele aarde is van u. 15. En als u Zijn wil doet, zal Hij uw dagen langer maken. 16. Bedenk dat u zult opstaan uit de doden, voor Zijn aangezicht zult staan en ondervraagd zult worden over alles wat u gedaan hebt, kwaad of goed. 17. En als u goed gedaan hebt, zult u wonen in de woning van de goede koningen, in de huizen van het licht. Maar als u kwaad gedaan hebt, zult u wonen in de woning van de slechte koningen. En God schrikt er niet voor terug om over uw heerlijkheid te beschikken. 18. En u, wanneer u de grootheid van uw majesteit ziet en de slagorde van uw leger en de wapenrusting van uw krijgsmacht die uitgestald staat, en u naar uw paarden kijkt en naar de soldaten onder uw bevel, en naar wie de bazuin blazen en zich voor u verheugen met de harp — 19. en u, wanneer u dat alles ziet, verheft u uw gedachten en maakt u uw nek stijf en denkt u niet aan Hem die u al die heerlijkheid gegeven heeft. Is het niet zo dat u ook weggenomen wordt wanneer Hij tegen u zegt: Houd op? 20. En Hij zal uw heerlijkheid aan een ander geven, omdat u zich blind gehouden hebt voor het goede dat Hij voor u gedaan heeft. 21. En daar zal Hij u ook opzoeken en met u afrekenen en u oordelen, want de dood komt plotseling over u. En bij de opstanding zal er gericht zijn, en dan worden de daden van de mensen nagevraagd. 22. En voor de koningen van de aarde is er dan niemand die hen eert, en de vorsten van de aarde verliezen de kroon van hun roem. Want de rijke en de arme staan samen in het oordeel en het gericht, want Hij is een rechtvaardige Rechter. 23. In het rechtvaardige oordeel beeft de ziel, en de boeken gaan open, en de daden van de mensen komen aan het licht, en er is niets wat bedekt blijft. 24. Op de dag van de opstanding van de doden: want de aarde geeft terug wat in haar schoot gelegd is, zoals een vrouw haar schoot niet kan sluiten wanneer zij moet bevallen en wat in haar buik zit klaar is om naar buiten te komen. 25. En kunnen de wolken de regen tegenhouden, zodat zij niet gaan waar God hun opgedragen heeft en niet neerdalen? Zo is het ook onmogelijk dat de doden niet opstaan wanneer de tijd van de opstanding gekomen is. Want het woord van God bracht alles voort uit het niets, en het woord van God bracht alles in de diepte. 26. En weer haalt het woord van God alles uit de diepte, zoals Mozes zei: De mens leeft niet van brood alleen, maar van elk woord dat uit de mond van God komt. 27. Kijk dan: het is bekend dat de doden leven door het woord van God. 28. En verder zei Hij in Deuteronomium over wie koningen en vorsten worden en die hun eigen wil doen in de slechtheid van hun oordeel: Ik zal mij op hen wreken, op het moment dat hun voet wankelt, want de dag van hun afrekening is dichtbij. 29. En verder zei God tegen wie het oordeel van God niet kennen: Weet het goed: ik ben God. Ik dood en ik maak levend. 30. Ik straf en ik ontferm mij. Ik breng naar beneden in het dodenrijk en ik breng weer omhoog tot in de hemel, en er is niemand die aan mijn hand ontkomt. 31. Zo zei God over de koningen en vorsten die zich niet aan Zijn gebod hielden: Houd je aan mijn wet en mijn voorschriften, zodat je mijn eeuwige koninkrijk binnengaat. Want het koninkrijk dat op de aarde is, is vergankelijk, en het verdwijnt van de ochtend tot de avond. 32. Want het is de beker van God, tot eer en tot schande: de een maakt Hij te schande en de ander eert Hij. 33. Wie Zijn wil niet doet, neemt Hij weg, en wie Zijn wil doet, stelt Hij aan. ## 1 Meqabyan 8 — Beelden van de opstanding 1. En over de opstanding van de doden: luister, ik zal het u vertellen. Men plant bomen en men maakt takken en ranken van de wijnstok en men maakt daar wijn van, want uit het niets brengt God de vrucht voort. 2. Kijk, de boom die u geplant hebt is klein, en hij komt op met takken en blad en vrucht. 3. En God geeft zijn wortels te drinken uit de borsten van water en van aarde. 4. En wat hen voedt, komt uit de wind en uit de zon. De wortel geeft water aan het blad, en de aarde geeft de bomen ook stevigheid. 5. En de Geest van God geeft vrucht in hun midden. Zo is ook de opstanding van de doden. 6. En Hij zei tegen de winden: Verzamel de zielen, uit water en uit aarde en uit de zon en uit de wind. Want ieders eigen deel keerde terug toen de ziel uit het lichaam ging. 7. De aarde bleef bij het hare en werd stof, en het water bleef ook bij het zijne en werd dauw. 8. En de wind bleef ook bij het zijne en werd wind, en het vuur bleef ook bij het zijne en werd de warmte van de zon. 9. En de geest van God keerde terug in de hand van zijn Schepper, en Hij zet hem waar Hij wil, want Hij wil hem terugbrengen op de tijd die Hij bepaalt. 10. En Hij bewaart de zielen van de rechtvaardigen in de huizen van het licht. Maar de zielen van wie zondigen sluit Hij op in de huizen van de duisternis, tot de tijd dat Hij hen naar buiten wil brengen. 11. En Hij zei tegen Ezechiël de profeet: Roep uit de vier winden, zodat zij zich verzamelen en één geest worden. 12. En toen hij zo sprak, verzamelden zij zich met één woord uit de vier winden. 13. En het water bracht zijn dauw, en de zon bracht weer haar warmte. 14. En de aarde bracht weer haar stof, en de wind bracht ook de adem. 15. En God bracht ook de ziel uit haar woning, vanwaar Hij haar opgesloten had, en met één woord verzamelden zij zich, en er was opstanding. 16. En verder laat ik u zien wat er als vergelijking voor u is: het wordt avond en u slaapt, en het wordt ochtend en u staat op. Wanneer u slaapt, bent u als een dode. 17. En wanneer u wakker wordt, is dat een beeld van de opstanding. En de nacht is een beeld van deze wereld, die helemaal duisternis is, en de hele wereld slaapt daarin, want de duisternis van de nacht heeft hen bedekt. 18. En het aanbreken van de ochtend is een beeld van de opstanding van de doden, waarbij de duisternis weggenomen wordt en er licht is in de hele wereld, en de mens opstaat en uitgaat naar zijn werk. 19. En zo is deze vernieuwing van de wereld en de opstanding van de doden, want deze wereld is vergankelijk, net als deze nacht. 20. En wanneer de zon opkomt en schijnt, is dat een beeld van deze wereld, zoals David zei: En in de zon heeft Hij Zijn tent gezet. 21. En wanneer Hij komt in de nieuwe wereld, zoals de zon nu schijnt, wanneer God Zelf daarboven komt, zal Hij schijnen in de nieuwe wereld. Want Hij zei: Een zon die niet ondergaat en een lamp die niet gedoofd wordt — God Zelf is haar licht. 22. En verder wekt Hij de doden op als in een oogwenk. En verder geef ik u een vergelijking uit het zaad dat u zaait en waarvan u leeft: een korrel tarwe, een korrel gerst of een korrel gierst, en al het werk van de mens dat op heel de aarde gezaaid wordt. Als het niet sterft, leeft er niets. 23. En wanneer het sterft, wordt zijn lichaam met zijn omhulsel in het stof verteerd, net als het lichaam van de mens dat u ziet. 24. En wanneer zijn lichaam in de aarde verteerd is, komt het op, zoveel als… 25. Kijk, ook dit: als het niet gestorven was, zou het niet kunnen leven. En wanneer het opkomt, brengt het veel aren voort. 26. En God geeft vrucht in die aar die opgegroeid is, en Hij bekleedt haar met vlees, met huid, met haar omhulsel. 27. En het blad en de halm en het stro tellen voor u niet mee. Maar kijk hoezeer de korrel toegenomen is van wat u gezaaid hebt. 28. Wees niet dwaas, en kijk naar uw zaad, hoezeer het toegenomen is. Denk zo ook na over de opstanding van de doden, en hoe zij vergolden worden naar hun daden. 29. En verder, luister, ik zal het u vertellen: hoe het zaad niet in een ander zaad verandert. Als u tarwe gezaaid hebt, oogst u dan 30. gerst? En als u komijn gezaaid hebt, oogst u dan iets anders? En bij de bomen: als u een vijgenboom geplant hebt, komt daar dan een amandel aan? En als u een notenboom geplant hebt, komt daar dan een wijnstok aan? 31. En als u een zoete vrucht geplant hebt, komt die dan bitter op? En als u een bittere boom geplant hebt, kan die dan zoet worden? 32. En zo ook: als iemand die zondigt sterft, kan hij dan bij de opstanding rechtvaardig worden? En als een rechtvaardige sterft, kan hij dan bij de opstanding een zondaar worden? Maar ieder wordt vergolden naar zijn daden, naar de vrucht van zijn werk en naar het werk van zijn handen. En er is niemand die geoordeeld wordt om de zonde van een ander. 33. De ceder van de Libanon wordt geplant en maakt lange en grote takken. Maar als de dauw van de Hermon niet op hem neerregent, bloeit zijn blad niet, maar hij verdroogt en wordt afgeschud. 34. En de jeneverstruik wordt bij de wortel uitgetrokken als de winterregen niet op hem neerdaalt. 35. En zo staan ook de doden niet op als de dauw van het leven niet van God op hen neerdaalt. ## 1 Meqabyan 9 — Er zal opstanding zijn voor alles wat leeft 1. De valleien van Gilboa en de bergen van de Libanon laten geen gras opkomen voor het vee en voor de wilde dieren, wanneer de regen van de barmhartigheid niet van God op hen neerdaalt. 2. En de bergen van Gilead en de valleien van Elam geven geen groen voor de geiten en voor het vee dat er loopt, en ook niet voor de dieren van het veld, en voor de steenbok en de antilope en de sterke dieren. 3. En zo staan ook de opstandigen en de huichelaars, die zich eerder opstandigheid en dwaling eigen gemaakt hebben, niet op uit de doden als de dauw van de barmhartigheid niet van God op hen neerdaalt. En zo ook de tovenaars en de bedriegers van Cyprus en Damascus, de lasteraars, 4. en wie zich bezighouden met waarzeggerij en toverij, en de moordenaars, 5. en wie ontucht plegen zonder wet, en de Atheners en de Meden, die op hun afgoden vertrouwen, voor hen zingen en zich met hen verheugen met de trommel en met de luit en met de harp, 6. en die dwaas doen met hun afgoden en ontucht plegen met het werk van hun handen, dat zichzelf niet kan redden — zij zullen geoordeeld worden op de dag van het gericht, bij de opstanding. 7. Dwaas mens, blind van verstand, denkt u dat de doden niet opstaan? 8. Denk dat niet, want u zult daar niet blijven slapen wanneer de bazuin geblazen wordt bij de opstanding van de doden, door de mond van Michaël, de aartsengel. 9. De bergen en de heuvels worden vlak gemaakt, de rivieren en de diepten worden droog en worden een effen weg. 10. En er zal opstanding zijn voor alles wat leeft. ## 1 Meqabyan 10 — Waarom zij bij hun vaderen begraven wilden worden 1. En als het niet zo was, waarom wilden de vaderen van vroeger — vanaf Adam, en Abel en Set en Noach en Sem en Abraham en Izak en Jakob en Jozef en Mozes en Aäron — dan alleen begraven worden bij het graf van hun vaderen? 2. Was het niet zodat zij bij de opstanding samen met hun familie zouden opstaan, en zodat hun botten niet meegeteld zouden worden met de botten van de slechten en de bedriegers en de heidenen? 3. En laat ook uw verstand niet dwalen, terwijl u zegt: Hoe staan de doden op na hun dood, die allemaal in het graf gelegd worden en van wie de botten vergaan zijn? 4. En wanneer u in het graf kijkt, wordt er geen handvol stof gevonden. En: Hoe staan de botten van de doden op? — dat zegt u in de dwaasheid van uw hart. 5. Komt wat u gezaaid hebt dan niet op? zegt u. Het komt wel degelijk op, dat wat u gezaaid hebt. 6. En zo is het ook met God, die de zielen gezaaid heeft: zij zullen snel opstaan, en Hij aarzelt niet om hen op te wekken door Zijn woord dat levend maakt. Want Hij bracht de mens tevoorschijn uit waar hij niet was, tot een echt bestaan. 7. En verder: uit het bestaan liet Hij hem terugkeren naar de dood, en weer brengt Hij hem uit de dood terug tot het bestaan. 8. God is bij machte om hem levend te maken en hem op te wekken. ## 1 Meqabyan 11 — De wijnstok van Sodom 1. De Hermon en zijn muren en zijn val, en wie afgoden dienen in Zebulon en Edomia: zij zullen dan te gronde gaan, want God heeft hun vergolden naar hun slechtheid en naar het werk van hun handen. Tyrus en Sidon zullen huilen, want Hij die Zich op hen wreekt is dichtbij gekomen, om hun slechtheid en hun afgoden, die zij in hun jeugd gemaakt hebben en tot in hun ouderdom niet losgelaten hebben. 2. En daarom zal God Zich op hen wreken om wat zij bedreven hebben: ontucht en onreinheid en hoererij en afgoderij. En ook de dochters van Juda zullen te schande worden, omdat zij niet standgehouden hebben bij het gebod van God, hun Schepper. 3. Zo zal het jou ook vergaan: bij de opstanding van de doden zal de schande van Jeruzalem aan het licht komen, omdat zij niet naar Zijn wet en naar het oordeel van God geleefd heeft, maar in wellust en in het doden van de rechtvaardigen. 4. Op die dag zal God haar opsporen met de lamp van Zijn wijsheid, en Hij zal Zich op haar wreken om al het kwaad dat zij gedaan heeft in de dagen van haar jeugd en dat zij niet nagelaten heeft in de dagen van haar bloei, tot in haar ouderdom. 5. En zij is het graf ingegaan en as geworden, net als haar voorouders, die hun eigen weg gingen en het gebod van God weigerden, zodat Hij Zich bij de opstanding op hen zal wreken. 6. Want Mozes heeft over hen gezegd: Want hun wijnstok is als de wijnstok van Sodom, van de velden van Gomorra, 7. en hun rank komt uit Gomorra, en hun tros is een tros van gal, en hun bessen zijn bitter. 8. Hun wijn is het gif van de draak van de aarde, en het dodelijke gif van de adders dat doodt. ## 1 Meqabyan 12 — De dochter van Jeruzalem 1. Dit is jouw schande, dochter van Jeruzalem, die de profeet beschreven heeft. Want zoals de daden en de overtreding van het volk van Sodom en Gomorra waren, zo zijn jouw daden en jouw overtreding, dochter van Jeruzalem. 2. En zoals het met Sodom en Gomorra gegaan is, zo is jouw schande: hun wijngaard is geplant in hoererij en in hoogmoed. 3. En op hen viel geen regen van nederigheid en barmhartigheid, maar een regen van hoogmoed en hoererij, waardoor hun wijngaard niets voortbrengt dan onrecht en hebzucht en onderdrukking en bloedvergieten en het onteren van de naam van God, hun God. 4. En zij erkenden hun Schepper niet, maar alleen hun afgoden en hun slechte daden. En zij genoten van het werk van hun handen, en zij bedreven ontucht met dieren en met mannen. 5. En zij erkenden God niet door hun daden, want hun ogen waren verblind zodat zij niet zagen, en hun oren verstopt zodat zij niet hoorden, en zodat zij de wil van God niet deden en niet wat Hem bevalt. Zij zijn de wijngaard van Sodom, zij zijn de wijnrank van Gomorra, die geen zoete tros voortbrengen. 6. En zelfs wanneer zij hun wijn persen, wordt hij een gif dat doodt. Want vanaf zijn oorsprong is hij in vervloeking geplant, en hij werd geperst in een tijd van rampspoed. 7. En nooit komt er iets goeds van de wijnrank van hun wijngaard, want hun wijngaard is besproeid met de dauw van het dodenrijk, en door de wind van de brandende hitte zijn hun ranken hard geworden. 8. En zelfs wanneer hij vrucht draagt en geperst wordt, wordt hij tot verderf en tot plaag. En bij wie hem drinken, maakt hij hun hart hard en koud en ver van God. 9. En zij worden een woning voor de duivel, want zij leven in zijn slechte daden. En ook de wijnrank van Sodom begint te verslinden en klimt op in de bergen en in de bomen. 10. En zij bekroont de Baäl, die zij in het rond aanbidden, en zij offert haar zonen en haar dochters aan de boze geesten, die kwaad noch goed kennen. 11. En zij vergieten onschuldig bloed, en in de kuilen persen zij het uit de trossen van de wijngaard van Sodom. 12. En ook Dagon van de Filistijnen aanbidt en eert zij, en zij offert hem van haar vetgemeste dieren en van haar kudden, zodat zij zich kan verlustigen in hun feesten en in hun dwaasheid, die de boze geesten haar geleerd hebben, zodat zij aan hen zou offeren en hun wil zou doen, 13. zodat zij haar Schepper, God, nooit erkent — Hem die haar voedt en opbouwt vanaf haar jeugd tot de dagen van haar bloei, en verder tot de dagen van haar ouderdom, en tot de dag van haar dood. 14. En bovendien zal ik mij wreken op de dag van de opstanding, en haar tijd zal duren tot in eeuwigheid, omdat zij zich niet naar mijn wet gekeerd heeft en niet naar mijn gebod geleefd heeft. 15. Laat haar goden maar voor je opstaan. Als het betrouwbare goden zijn, laat hen dan met haar meelopen in de hel en haar redden, wanneer ik in mijn toorn woedend op haar ben en al haar minnaars weggenomen heb, die met haar hoererij bedrijven. 16. En ik heb haar in alles te schande gemaakt, naar wat zij bedreven heeft aan smaad en schande tegen mijn huis en mijn heiligdom. 17. En zij heeft smaad gebracht over mijn naam, die over haar uitgeroepen was, terwijl men van haar zei: Dit is het volk van God en het huis van de God van Israël, en de woning van de naam van de Allerhoogste, Jeruzalem, het heilige der heiligen, de stad van de grote Koning. 18. En zij beroemt zich op mij alsof zij mijn dienares was en ik haar Heer. Maar zij heeft geen ontzag voor mij en doet mijn wil niet zoals het tegenover haar Heer hoort, maar zij tergt mij als een opstandige. 19. En zij dient vreemde goden, die haar niet voeden en niet grootbrengen en niet kleden, maar die eerder een struikelblok voor haar geworden zijn dat haar verleidt, zodat zij haar ver bij mij vandaan trekken. 20. En zij offert aan hen en eet hun offer, en zij giet plengoffers voor hen uit en drinkt de wijn van hun feestmaal, en zij brandt hun reukwerk en ademt de geur van hun wierook in. En zij geven haar bevelen, en zij gehoorzaamt hun. 21. En bovendien offert zij haar zonen en haar dochters, en zij verheugt zich in het werk van haar handen en in het werk van haar lippen, want zij offert aan hen uit liefde voor hen. 22. Wee haar op de dag van het oordeel, haar en haar goden die zij liefheeft en omhelst. En met hen zal zij afdalen in het dodenrijk, tot in de diepste diepte, waar haar worm niet slaapt en niet gedoofd wordt. 23. Wee jou, schandelijke dochter van Jeruzalem, omdat je mij verlaten hebt, die jou geschapen heeft, en vreemde goden aanbeden hebt. 24. En ook ik zal je vergelden naar je daden en mij op je wreken naar je smaad, omdat je mij getergd en veracht hebt en je daden niet goed gemaakt hebt. 25. En ook ik zal jou verachten en je redding niet verhaasten, omdat je mijn woord bitter gemaakt hebt en niet volgehouden hebt bij mijn raad — het verbond dat je met mij gesloten hebt, dat je mijn gebod zou houden. En ik zou met je geweest zijn en je gered hebben van iedereen die zich tegen je keert, als je mijn gebod dat ik je gegeven heb en mijn inzetting gehouden had. 26. En dat alles heb je niet gehouden, en ook ik heb je veracht, en op de dag van het oordeel zal ik mij op je wreken. Ben ik het niet die jou geschapen heeft? En toch heb je mijn woord en mijn gebod niet gehouden, hoewel ik je gezegend heb, zodat je van mij zou zijn. 27. Maar je hebt je van mij vervreemd, zoals Sodom en Gomorra zich vervreemd hebben. 28. En ook ik heb hen in mijn toorn weggevaagd, want jij komt uit de wortel van Sodom en Gomorra, die ik weggevaagd heb. En ik heb de herinnering aan hen van de aarde uitgewist, zodat zij niet zouden voortbestaan in hun wellust. Want zij tergden mij, die hen geschapen heeft, door naar de vrouw van een ander te gaan en door wetteloos ontucht te bedrijven met mannen en met dieren als met vrouwen. 29. En er was geen ontzag voor God in hun ogen, van de kleinste tot de grootste. En er was niemand die zijn naaste terechtwees zodat hij daarmee zou ophouden, maar zij hielpen elkaar bij elke slechte daad, vol van alle onrecht en hebzucht, want hun daden waren slecht. 30. En in hun hart zat elke slechte daad vastgeroest, en hoogmoed en onderdrukking en begeerte. 31. En daarom verachtte God hen en gooide Hij hun steden omver. En sommige verbrandde Hij met vuur tot op hun fundamenten, en er bleef niets van hen over, maar zij vergingen en werden voor altijd weggevaagd. 32. En hun straf blijft tot aan de dag van het oordeel, tot in eeuwigheid, en tot de grote dag van het oordeel. Want zij zitten vast in hun zonde, en Hij zal hen niet sparen en Zich niet over hen ontfermen, omdat zij mij getergd hebben met hun slechte daden. 33. En ook ik heb hen veracht. En zo zul jij ook, schandelijke dochter van Jeruzalem, gebonden worden op de dag van het oordeel, want je zult geen uitvlucht vinden wanneer ik je in mijn toorn grijp, omdat al je daden hebzucht en onderdrukking en begeerte en hoererij en leugen zijn, en elke weg van dwaling, en alles wat ik niet goed vind. 34. En ik heb je tot eer gemaakt, maar jij hebt jezelf tot schande gemaakt. Ik noemde je de mijne, maar jij hebt jezelf van een ander gemaakt. 35. En ik heb je uitgekozen tot heiligheid, maar jij bent naar de duivel overgelopen. En hoe zou ik mij dan niet op je wreken naar de slechtheid van je daden? 36. En ik zal een zware wraak over je uitstrekken, om alles waarin je niet naar mijn woord geluisterd hebt en mijn gebod niet gehouden hebt, dat ik je gegeven heb op de dag dat ik je liefhad. Want ik ben God, die jou geschapen heeft. En ik zal woedend zijn op alle zondaars die zijn zoals jij, en ik zal hun vergelden naar hun slechtheid op de dag van het oordeel. 37. En ook jou zal ik samen met hen oordelen, omdat je mijn woord niet gehouden hebt en mijn recht veracht hebt. 38. Sodom en Gomorra, die geen ontzag voor God in hun hart hadden — 39. zo zul jij, dochter van Jeruzalem, samen met haar geoordeeld worden in de verschrikking van de hel, en iedereen die gedaan heeft wat jij deed. Want samen zullen jullie afdalen naar waar de hel klaarligt, waar geen ontkomen aan is, tot in alle eeuwigheid. 40. Jullie allebei, jij en zij, die mijn woord en mijn gebod niet gehouden hebben: jullie zullen samen afdalen in het dodenrijk op de dag van het oordeel, omdat jullie mijn woord en mijn gebod niet gehouden hebben. 41. Maar wie mijn woord en mijn gebod gehouden hebben: wat de zondaars opgestapeld hebben, zullen de rechtvaardigen eten, en wat de slechten verworven hebben, zullen de goeden als buit verdelen, zoals God het opgedragen heeft. De rechtvaardigen en de goeden zullen zich verheugen en blij zijn. 42. Maar de zondaars en wie onrecht doen, zullen huilen en treuren om al hun overtreding, waarmee zij van mijn gebod afgedwaald zijn. 43. Maar wie mijn woord houdt en naar mijn gebod leeft, hij is het die van de zegen eten zal en geëerd zal worden voor mijn aangezicht. 44. En iedereen die mijn woord houdt en mijn gebod doet, zal de zegen van het land eten, en zal binnengaan en wonen in de rustplaats van de goede en eerlijke koningen. ## 1 Meqabyan 13 — De hoogmoedige die komt 1. Tyrus en Sidon en alle streken van het land Juda, die zichzelf verheffen — wee hun nu wanneer ik hen in mijn toorn grijp, want zij zullen te schande worden en gegeseld worden. 2. God zei: Want uit hen zal een hoogmoedige en trotse voortkomen, een zoon van het verderf, een vijand van de gerechtigheid, die zijn nek verhardt en opschept en zijn Schepper niet erkent. Want ik heb hem gemaakt tot een beeld van mijn toorn, om mijn macht aan hem te laten zien, zegt God, die over alles heerst. 3. Dit zijn zij: Kafarnaüm en Samaria en Galilea en Syrië en Damascus en Cyprus en Achaje en heel het gebied van de Jordaan — heidenen met een harde nek, die hun eigen weg gaan, die door de duisternis en de schaduw van de dood bedekt zijn. En zij keren zich niet tot het ontzag voor God, zij van wie Sablanjos het hart bedekt heeft. Gehoorzaam die hoogmoedige niet. 4. Wee hun dan, wie de onreinen gehoorzamen en in hun naam offers brengen. Want zij komen in opstand tegen God, die hen geschapen heeft, en zij worden als dieren zonder verstand. Want die goddeloze, de zoon van het verderf, zet overal zijn beeld neer, en hij verheugt zich in het werk van zijn handen en in het verlangen van zijn ziel, en in alle hebzucht en onderdrukking en onrecht en bedrog, en zo ook iedereen die hoererij en onderdrukking en leugen bedrijft. 5. Want in zijn dagen is het bekend dat hij zo zal doen, want God heeft het zo beschikt. 6. Ook de zon zal verduisterd worden, en de maan zal bloed worden, en de sterren zullen van de hemel vallen, en heel de schepping zal bedorven worden door het teken dat komt in de laatste dagen, zodat Hij de aarde zal oordelen en alles wat daarin is, naar het werk van de handen van wie daarin wonen. 7. En ook de laatste vijand: de dood zal hem overwinnen, omdat hij zich verheven heeft boven de schepping van God en gedaan heeft wat hij zelf wilde, voor één uur. 8. En na hem is er geen heerschappij meer, want ik zal mij wreken, zegt God, die over alles heerst. 9. En ook hij zal afdalen in de plaag en in het oordeel dat voor hem klaarligt, vanaf de dag dat hij in mijn toorn gegrepen wordt. Want hij trekt iedereen die bij hem is mee in het verderf en in de plaag en de ondergang, want ik ben het die naar buiten brengt en binnenbrengt in het oordeel van de hel. 10. En laat de sterke niet opscheppen over zijn kracht, want Hij is het die kracht en sterkte geeft aan de zwakken, en die weer zwakte geeft aan de sterken en machtigen. 11. En de wraak van de weduwen en de wezen zal vergolden worden, want Hij is de wreker en de beschermer van wie onderdrukt worden door de hand van hun onderdrukkers. 12. Wee jou, die opschept en je nek verhardt, en die denkt dat Hij je niet zal grijpen en Zich niet in Zijn toorn op je zal wreken. Zoals er gezegd is: Waarom? En werkelijk, de morgenster uit de hemel, die opgaat in de tijd van de dageraad — 13. want hij zei in zijn hoogmoed en in zijn zelfverheffing: Ik zal mijn troon boven de hemel en de sterren zetten, en ik zal zijn als de Allerhoogste. 14. Dat heb jij in je hoogmoed aangedurfd, en je hebt niet gedacht aan God, die jou geschapen en met Zijn handen gemaakt heeft. Waarom heb je jezelf verheven, jij die door de hardheid van je hart tot in de diepste diepte zult afdalen? 15. En door je hoogmoed heb je jezelf lager gemaakt dan alle engelen die aan jou gelijk zijn. Want zij prijzen hun Schepper met een nederige geest en zij wijken niet af van Zijn gebod, want zij wisten dat Hij het is die hen gemaakt en geschapen heeft. En zij bewaakten hun gedachten, zodat zij niet zouden overtreden en Zijn gebod niet te buiten zouden gaan. 16. Maar jij hebt kwaad gedaan in de hoogmoed van je hart, en je bent verachtelijker geworden dan je metgezellen. Want jij bewaart alle onrecht en hebzucht en bezoedeling en onderdrukking, waarin de zondaars leven die zijn zoals jij, en de goddelozen die uit jouw maaksel komen. En zij komen net als jij in opstand, en zij leven helemaal naar jouw wil en jouw gebod, waarin jij hun hebzucht leert. 17. Wee jou en wie jij met bedrog verleid hebt: samen zullen jullie afdalen in het verderf. 18. En jullie, zonen van God, die achter die verleider aan afgedwaald zijn die op een dwaalweg leidt — wee jullie, samen zullen jullie voor eeuwig afdalen in de plaag, want zo zijn jullie afgedwaald in wat hij en zijn boze geesten jullie geleerd hebben. 19. En al eerder, toen Mozes leefde, was God aan het werk, maar jullie hebben Hem getergd bij de Horeb en bij de wateren van Massa en bij de berg Sinaï en bij Amalek. 20. En verder, toen jullie de verspieders naar het land van de erfenis stuurden, en zij tegen jullie zeiden: De weg daarheen is ver, en hun muren zijn sterk en reiken tot aan de hemel, en hun akkers zijn groot, en wie daar wonen zijn geweldenaars — toen zij dat tegen jullie zeiden, hebben jullie je die dag verzet en het woord van God verworpen, zodat jullie zouden terugkeren naar het land Egypte, in jullie harde slavernij. 21. En jullie hebben niet gedacht aan God, die jullie uit jullie benauwdheid gered heeft, die grote dingen gedaan heeft in Egypte en die jullie geleid heeft door de hand van Zijn engel. Zodat de zon jullie niet zou verbranden, beschutte de wolk jullie overdag, en zodat jullie voeten niet zouden struikelen in het donker, gaf Hij jullie 's nachts licht met een vuurkolom. 22. En toen de farao en zijn leger jullie schrik aanjoegen, riepen jullie en klaagden jullie bij Mozes, en Mozes riep en schreeuwde tot God, en Hij weidde jullie door Zijn engel, zodat jullie niet op het leger van de farao zouden stuiten. 23. Maar hen liet Hij in angst terugkeren. Want God zei: Ik alleen heb hen geleid, en er was geen vreemde god bij hen. En hun vijanden bedekte Hij in een ogenblik in de zee, en Hij liet niemand van hen ontkomen. 24. En Israël liet Hij te voet dwars door de zee gaan, en de Egyptenaren deden hun niets, en Hij bracht hen tot de berg Sinaï. En daar voedde Hij hen veertig jaar met manna. 25. Toch werden zij het dienen van God moe, nadat Hij zoveel goeds voor hen gedaan had, want zij tergden God voortdurend. Zoals het staat in het boek van de geslachten van de vaderen: Het hart van de mensenkinderen is as, en al hun werken lopen uit op onderdrukking en kwaad. En er is niemand onder hen die naar gerechtigheid verlangt, maar alleen naar het vergaren van bezit door onrecht, en naar valse eden, en naar het onderdrukken van de naaste, en naar diefstal en onderdrukking. 26. En achter dat kwaad aan lopen zij alle dagen van hun leven. En de kinderen van Israël tergden God buitengewoon, overtreders van de geboden van God, van de eerste tot de laatste. ## 1 Meqabyan 14 — Het kalf bij de Horeb 1. En hoewel God het eerste volk gegeseld heeft met het water van de vloed om de overtreding van de kinderen van Kaïn, heeft Hij de aarde met het water van de vloed overstroomd en haar schoongewassen van alle vuil van de zonden van de kinderen van Kaïn. 2. En Hij vernietigde alle onrechtvaardigen, want Hij zei: Het spijt mij dat ik de mensenkinderen gemaakt heb. En Hij vernietigde hen allemaal en liet niemand over behalve wie in de ark waren. En daarna maakte Hij hen talrijk, en zij vulden de aarde en verdeelden de erfenis van hun vader Adam. 3. En Noach sloot een verbond met God, dat Hij de aarde niet nog eens met het water van de vloed zou verwoesten. En de kinderen van Noach ook: dat zij geen kadavers en geen verscheurd vlees zouden eten, en dat zij geen vreemde goden zouden aanbidden maar alleen God, hun Schepper. En Hij ook: dat Hij hun God zou zijn, dat Hij hen niet plotseling en voor niets zou wegvagen, dat Hij hun de regen van de lente en de herfst niet zou onthouden, dat Hij de mens voedsel zou geven op zijn tijd en vruchten en gras en gewassen zou laten groeien. En zij: dat zij hun levenswandel goed zouden maken in alles waar God van houdt. 4. En nadat Hij hun die inzetting gegeven had, tergden de kinderen van Israël God met hun slechtheid. En zij leefden niet zoals hun vaderen Abraham, Izak en Jakob, die het gebod van God, hun Schepper, niet overtreden hebben. 5. Maar zij, de kinderen van Israël, waren verkeerd in wat zij deden, van de kleinste tot de grootste, en zij hielden zich niet aan het gebod van God. 6. Zelfs hun Levieten en hun leiders en hun schrijvers, zij allen overtraden het gebod van God. 7. En zij hielden niet stand bij de wet en de inzetting van God, die Mozes hun opgedragen had in het boek van de wet, waar hij zei: Heb God, jullie God, lief met heel je hart en met heel je ziel. 8. En heb je naaste lief als jezelf, en aanbid geen vreemde goden, en ga niet naar de vrouw van een ander, en dood geen mens, en steel niet. 9. En leg geen vals getuigenis af, en verlang niet naar het bezit van je naaste, en ook niet naar iets wat je broer verworven heeft, zijn ezel niet en zijn os niet. 10. En hoewel Hij dit opdroeg, keerden de verkeerde kinderen van Israël zich tot hebzucht en bezoedeling en onrecht en onderdrukking, en het gaan naar de vrouw van een ander, en diefstal en leugen en het aanbidden van afgoden. 11. En ook bij de Horeb tergden de kinderen van Israël God door een kalf te maken dat gras eet, en zij bogen zich neer en zeiden: Kijk, onze goden, die ons uit het land Egypte gehaald hebben. 12. En zij verheugden zich in het werk van hun handen, en zij aten en dronken en werden verzadigd en stonden op om te spelen. 13. En daarom werd Mozes woedend en daalde hij af van de berg Sinaï, want God zei: Je volk, dat jij uit Egypte gehaald hebt, uit het huis van de slavernij, heeft gezondigd en is afgedwaald, en zij hebben een gegoten kalf gemaakt en zich neergebogen voor een uitgehouwen beeld. 14. En Mozes daalde af met Jozua, zijn dienaar, terwijl hij woedend was op zijn volk. En toen Jozua het hoorde, zei hij: Kijk, ik hoor het geluid van een gevecht in het kamp van Israël. 15. En Mozes zei tegen Jozua: Het is geen geluid van een gevecht, maar het geluid van gejoel om de wijn. En hij daalde af, verbrijzelde hun beeld en vermaalde het tot poeder, totdat het als stof werd, en hij gooide het in de bron waaruit de kinderen van Israël drinken, in de holte van de berg. 16. En daarna gaf hij de Levieten opdracht om onderling te vechten om het kwaad dat zij voor het aangezicht van God gedaan hadden. 17. En zij deden wat hij hun opgedragen had, omdat zij wisten dat de smaad tegen God erger was dan dat zij zelf gedood werden en dat zij hun familie en hun vaders doodden. 18. En daarom zei Mozes tegen hen: Jullie hebben God getergd, die jullie gevoed en grootgebracht heeft en die jullie uit het huis van de slavernij gehaald heeft, en die jullie als erfenis het land gegeven heeft dat Hij jullie vaderen gezworen heeft aan hen en aan hun nageslacht te geven. 19. En zelfs daar hielden zij niet op God te tergen, want zij liepen achter alle kwaad en hebzucht aan. 20. En niet zoals hun vaderen Abraham, Izak en Jakob, die God behaagden door de schoonheid van hun leven, van hun jeugd tot in de dagen van hun ouderdom. En Hij beloonde hen, zodat Hij hun geven zou wat op de aarde is en wat in de hemel is, wat Hij klaargemaakt heeft voor wie Hem liefhebben: hier het land van de erfenis, dat overvloeit van melk en honing, en daar de tuin van de vreugde, die klaarligt voor de rechtvaardigen, die geen oog gezien en geen oor gehoord heeft en die in het hart van een mens niet opgekomen is, die God klaargemaakt heeft voor wie Hem liefhebben: voor Abraham en Izak en Jakob, die God behaagd hebben in hun leven. 21. Maar hun kinderen waren verloochenaars en kwaaddoeners, die leefden naar het verlangen van hun hart en niet luisterden naar het woord van God, dat hen gevoed en grootgebracht en vanaf hun jeugd bewaard heeft. 22. En zij dachten niet aan God, die hen uit het land Egypte gehaald heeft en hen bevrijd heeft van het maken van tichelstenen en van de bittere slavernij. 23. Maar zij tergden Hem bovenmate. En Hij zou de vreemden om hen heen tegen hen laten opstaan, en die zouden zich tegen hen verheffen en hen onderwerpen zoals Hij het wilde. ## 1 Meqabyan 15 — De drie broers tegen Akrandas 1. En toen stonden de mannen van Midjan tegen hen op en brachten zij hun legers op de been om tegen Israël te vechten. En hun koning heette Akrandas, en hij verzamelde in de ochtend een groot leger uit Syrië en Cilicië en Damascus. 2. En hij sloeg zijn kamp op bij de doorwaadbare plaats van de Jordaan en stuurde boden naar Israël, die zeiden: Geef mij schatting in geld. En zo niet, dan ben ik gekomen om jullie te onderwerpen, jullie bezit te plunderen, alles wat jullie hebben weg te nemen en jullie kinderen als gevangenen weg te voeren. 3. En ik zal jullie wegvoeren naar een land dat jullie niet kennen, en daar zal ik van jullie houthakkers en waterdragers maken. 4. En schep niet op door te zeggen: Wij zijn het volk van God, en er is niemand die het tegen ons opneemt. Is het niet God die mij gestuurd heeft om jullie te vernietigen en jullie bezit te plunderen? En alles wat van jullie is, heeft Hij mij gestuurd om te verzamelen. 5. Hebben soms de goden van de andere volken die ik onderworpen heb, van wie ik het bezit geplunderd heb, hen gered — die ik gedood heb en van wie ik de zonen en de kinderen als gevangenen weggevoerd heb? 6. Zo zal ik ook met jullie doen, als jullie mij geen schatting betalen zoals ik jullie opgedragen heb. En hij stak de Jordaan over om hun bezit en hun vee te plunderen en hun vrouwen als gevangenen weg te voeren. 7. En toen huilden de kinderen van Israël tot God met bittere tranen, en zij schreeuwden en jammerden, en zij vonden niemand die hen hielp. 8. En daarom gaf God kracht aan de drie broers, en zij heetten Mabkyus en Maqabyus en Juda. Zij waren mooi van gestalte en sterk in al hun kracht. 9. En toen zij de kinderen van Israël hoorden huilen en jammeren, werd hun hart verdrietig om het lot van alle kinderen van Israël: de weduwen en de wezen en hun priesters en hun vorsten en heel het geslacht van Israël, mannen en vrouwen en zuigelingen. En zij huilden allemaal en gooiden as op hun hoofd, en hun aanzienlijken deden rouwkleren aan. 10. En die goede en mooie broers werden het erover eens dat zij hen zouden gaan bevrijden, en zij overlegden en zeiden tegen elkaar: Laten wij gaan en ons leven overgeven aan de dood voor hen. 11. En zij gingen, omgord, met hun zwaarden aan hun heup en hun speren in hun handen. En zij gingen erop uit, klaar om met de vijand te vechten. 12. En zij kwamen aan terwijl hij aan de middagmaaltijd zat, en Mabkyus doorstak de vijand en sloeg hem met één slag het hoofd af, terwijl het eten nog in zijn mond zat. En Juda en Maqabyus sloegen met het zwaard wie aan de rechter- en aan de linkerhand van hun koning zaten. 13. En toen hun koning viel, werden zij verslagen en vluchtten zij allemaal. En hun wapens drongen in het hart van hun eigen kameraden, en hun bogen braken, en zijzelf werden vertrapt. 14. En die goede en mooie broers bleven ongedeerd, en hun overkwam niets kwaads. Maar die slechte mannen vertrapten elkaar, want God bracht de plaag over hen. 15. En zij vielen en stierven, en zij lieten alles van hen achter terwijl zij over de Jordaan vluchtten, en alles wat van hen was bleef achter. En toen de kinderen van Israël zagen dat zij verslagen waren, trokken zij met hun leger uit en namen zij de buit voor zichzelf. 16. En zo bevrijdde God de kinderen van Israël door de hand van Mabkyus en zijn broers. 17. En de kinderen van Israël bleven korte tijd doen wat God bevalt. 18. Maar daarna keerden de kinderen van Israël weer terug naar hun slechtheid en werden zij het moe om God zuiver te dienen. En Hij tergde hen opnieuw met een volk dat Hem niet kende, dat de opbrengst van hun akkers wegroofde en hun wijngaarden verwoestte, dat hun kudden wegvoerde en hun runderen voor hun ogen slachtte, en zij konden hen niet redden. Want zij waren een volk dat de wet overtrad, omdat zij God voortdurend tergden, elk moment van de dag. ## 1 Meqabyan 16 — De volken rondom 1. Het volk van Tyrus en Sidon, en wie aan de oever van de zee wonen en aan de overkant van de rivier de Jordaan, en Gilead en Karan, en de Kanaänieten en de Jebusieten en de Girgasieten en Edom en het volk van Amalek, 2. en al die volken, elk in hun steden en naar hun stammen en naar hun voorschriften en naar hun streken en naar de indeling van hun land: zij allen bestaan zoals God hen neergezet heeft. 3. En er zijn er onder hen die goed leven en die God kennen. 4. En er zijn er onder hen die kwaad doen en die God niet kennen, die hen geschapen heeft en die hen onderworpen heeft naar wat zij gedaan hebben, door de hand van Ameneser, de koning van Syrië. 5. Want hij zal de macht van Damascus nemen en de buit van Samaria verdelen voor het aangezicht van de koning van Egypte. 6. De bergen van Gilead en de dalen van Gelabuhe, en heel Samaria en Patos in het land Juda, en wie wonen in de bergen van Arabië en Medië en Partus en Siwsigya en Kappadocië. 7. En zo wonen er in hun streken volken met een harde nek, die God niet kennen en zich niet aan Zijn gebod houden. 8. En Hij zal hun vergelden naar de slechtheid van hun werken en naar het werk van hun handen. 9. Want het gebied van Cesarea en het volk van Gilead en Amalek verbinden zich om zich te verheffen tegen de stad van God, die vol gerechtigheid is, waarin de Heilige van Israël geprezen wordt, de God van Israël van de legermachten, die boven de wagen van de cherubs woont. En tienduizend maal tienduizenden staan voor Zijn aangezicht, en ontelbare tienduizenden dienen Hem met ontzag en met beven. ## 1 Meqabyan 17 — Wat de vijand hun leert 1. En de Edomiet en Amalek verzetten zich. Zij erkennen God niet als koning, in wiens hand het oordeel over hemel en aarde ligt, en zij vertrappen Zijn heiligdom. Want het zijn opstandige volken die niet rechtvaardig leven. 2. En er is geen ontzag voor God in hun ogen, alleen hoererij en bloedvergieten en het eten van wat aan afgoden geofferd is, en roof en plundering en alles wat daarop lijkt. Verachtelijk en verworpen zijn zij. 3. Zij hebben geen geloof en geen deugd, want zij haten het goede en zij kennen God niet. En zij gaan niet de weg van de vrede, maar die van geweld en onrecht en alle onreine werk en oproer en dans en spel, zoals hun vader Sebelyanos hun geleerd heeft. 4. Want hij heeft hen samen met zijn demonen onderworpen, en hij leert hun allerlei kwaad werk, elk apart: hebzucht en onrecht en het roven van andermans goed met geweld, en diefstal en het eten van geroofd goed en roof en hoererij, 5. en alles wat daarop lijkt: het gaan naar de vrouw van een ander, en bloedvergieten, en het eten van geroofd goed en van wat aan een afgod geofferd is, en het onrechtvaardig doden van een mens, en ruzie en woede en gierigheid, en al het kwade werk dat God niet bevalt. En die leer brengt hun vijand Seblanyos hun, om hen weg te trekken van de weg van God, die heel de wereld bestuurt. 6. Maar wat bij God hoort, is nederigheid en zachtmoedigheid, en je naaste liefhebben en je broer plezier doen, en liefde voor elkaar en vrede met heel het volk. 7. En trek de mensen niet voor, en wees geen rovers en onrechtvaardigen en onderdrukkers, en geen mannen die naar de vrouw van een ander gaan, en doe je naasten geen kwaad en geweld aan, en bedrieg je naasten niet met onrecht. 8. En zij maken ruzie en schudden hun hoofd en beramen kwaad, en zij haasten zich om te verleiden, zodat zij de mensen laten afdalen in het oordeel van het gericht tot in eeuwigheid. ## 1 Meqabyan 18 — Waarom de dagen van de mens korter werden 1. Bedenk dat u naar God toe gaat, dat alles in Zijn hand ligt, en dat u zult staan voor wat u gedaan hebt, om voor Zijn aangezicht geoordeeld te worden. 2. Want zo waren er vroeger kinderen van de reuzen, slecht en hoogmoedig, en er was niemand groter en sterker dan zij, in hun gestalte en in de kracht van hun arm. Maar zij stelden God niet voor ogen en zij erkenden Hem niet als hun Schepper, die hen uit het niets tevoorschijn gebracht heeft. 3. En hun vaders waren engelen en prezen Hem samen met de engelen in de hemel. Maar toen hun verlangen hen verleidde, daalden zij af in het eeuwige oordeel van het gericht. 4. En zij namen vrouwen uit de dochters van de mensenkinderen. Want God had voor hen een lichaam van een mens geschapen, om hen te onderwerpen om de hoogmoed van hun hart, en om hen op de proef te stellen of zij Zijn gebod en Zijn wet zouden houden. 5. Maar zij hielden zich niet aan het gebod, en Hij liet hen afdalen in het oordeel van de vlam van het vuur, samen met de duivel, hun vader. En door hen werden de dagen van de mens korter, want God was woedend op de engelen die gezondigd hadden als mensen. 6. En zij trokken de mensenkinderen met zich mee en lieten hen afdalen in het dodenrijk door hun eigen oordeel. 7. In het begin waren de dagen van de mens… zij reikten tot… jaar. Want de dagen van de mens werden korter, omdat de engelen zondigden met de dochters van Kaïn. 8. En God zei: Mijn Geest zal niet bij hen blijven, want zij zijn van vlees en bloed. 9. En daarom zijn onze dagen korter geworden. En er zijn er ook die sterven terwijl zij nog kind zijn, want onze dagen zijn korter dan die van onze eerste vaderen, om onze overtredingen en onze zonden. 10. Maar onze vaderen: hun dagen waren lang, want zij hielden zich aan Zijn gebod en maakten God niet woedend. 11. En zij spraken hun dochters aan om hen te onderwijzen, en zij spraken hun zonen aan zodat die het gebod van God niet zouden overtreden. 12. En daarom waren hun dagen lang in gerechtigheid, omdat zij het gebod van God niet overtraden, samen met hun zonen en hun dochters. ## 1 Meqabyan 19 — Waarom onze dagen korter werden 1. En toen de kinderen van Kaïn talrijk werden, maakten zij de lier en de trom en de fluit en de luit, en allerlei spel en dans. 2. En verder werden er bij Kaïn dochters geboren, mooi en aantrekkelijk, uit de vrouw van Abel de rechtvaardige, die hij om haar gedood had, want zij was aantrekkelijk. En nadat hij zijn broer gedood had, nam hij haar, en zij werd van hem. 3. En hij ging bij zijn vader weg, nadat hij hen genomen had, naar het dal van Kefaz, in de richting van Arabië. En de dochters van die aantrekkelijke vrouw waren aantrekkelijk als Amon. 4. En daarom daalden de engelen af naar de kinderen van Kaïn, en zij bleven geen uur staan, maar zij namen zich vrouwen die zij uitkozen. 5. En daarom werd God woedend, zowel op ons als op hen, want samen trokken zij ons mee in hun dwaling. 6. En ook de duivel trok onze vader Adam en onze moeder Eva mee in zijn eigen dwaling, terwijl hij hen misleidde en tegen hen zei: Jullie zullen goden worden, zoals God, jullie Schepper. 7. En zij dachten in hun dwaasheid dat het waar was, en zij overtraden het gebod van hun Schepper, die hen uit het niets tot bestaan gebracht had, zodat zij zich zouden neerbuigen en Zijn heilige naam zouden prijzen. 8. Maar wie zich de gave van God toe-eigenden alsof zij zelf hun heer waren, heeft Hij vernederd, ook die hoogmoedige. 9. Zoals David zei: Door de hoogmoed van de goddeloze wordt de arme verteerd. Want door de hoogmoed van de duivel werd Adam rechtvaardig geoordeeld bij God, zijn God. 10. En zo trokken de engelen die zondigden met de dochters van Kaïn ons mee in hun dwaling. En daarom zijn onze dagen korter dan de dagen van onze vaderen, die God ons gegeven had. 11. Maar zij deden het goede, en er kwam geen kwaad bij hen in de buurt, want zij maakten hun hart sterk voor God. En zij onderwezen hun zonen en hun dochters, zodat die niet zouden afwijken van het gebod van God dat zij hun geleerd hadden. 12. Maar wat henzelf betreft: als zij het goede deden, maar het hun kinderen niet vertelden en hen niet onderwezen, dan zou het hun niets opleveren. 13. Zoals David zei: En zij verborgen het niet voor hun kinderen, voor de volgende generatie, maar zij verkondigden de lof van God, en Zijn kracht en Zijn wonderen die Hij gedaan had, zodat zij het zouden begrijpen; zodat zij hun kinderen zouden leren om het te begrijpen en te doen, en hun het oordeel van God zouden toevertrouwen, en zodat zij Zijn gebod zouden houden zoals hun vaderen, die God behaagden met de schoonheid van hun werken. 14. En zij lieten Zijn gebod niet los, dat hun vaderen hun in hun jeugd toevertrouwd hadden: het ontzag voor God en Zijn oordeel, zoals zij het van hun vaderen geleerd hadden. 15. En ook hun kinderen leerden van hun vaderen om hun levenswandel goed te maken en hun Schepper te prijzen, want zij hielden Zijn gebod en hadden Hem lief. 16. En Hij verhoort hun gebed en Hij minacht hun smeken niet, want Hij is barmhartig. 17. Vaak keert Hij Zijn toorn af, en Hij laat Zijn toorn niet in volle hevigheid ontbranden. ## 1 Meqabyan 20 — God bewaart de gerechtigheid 1. Denk eraan, onze broeders, en vergeet niet wat men jullie vanouds verteld heeft: dat God de gerechtigheid bewaart van wie het goede doen. 2. En hun vrucht zal talrijk worden op de aarde, en de herinnering aan hen zal tot in eeuwigheid ten goede zijn, en hun nageslacht zal op de aarde geen brood tekortkomen. 3. En Hij zal hen redden uit de hand van al hun belagers en van hun vijanden die hen opjagen, want om hen zal Hij hun zaak bepleiten, en Hij zal hen niet overlaten in de hand van hun vijanden. 4. En Hij zal een helper voor hen zijn in de tijd van hun benauwdheid, voor wie Zijn naam liefhebben. En Hij zal Zich over hen ontfermen en hun al hun zonden vergeven. ## 1 Meqabyan 21 — Vertrouwen is beter dan een leger 1. David vertrouwde op God, en Hij werd een toevlucht voor hem, want hij vertrouwde op Hem. En Hij redde hem uit de hand van koning Saul. 2. En in de dagen van zijn zoon Absalom, en in de dagen van de Filistijnen, en in de dagen van de Amalekieten en de Edomieten, en in die van de Karneërs, en van al die mensen die tegen hem opstonden, redde God David, want hij vertrouwde op Hem en hield Zijn wet. 3. Maar de goddeloze koningen die niet op Hem vertrouwden, redde God niet, want zij werden overwonnen door de hand van hun vijanden. Want de overwinning komt van God. 4. Hizkia vertrouwde op God, en Hij redde hem uit de hand van de hoogmoedige Syriër. 5. Maar Manasse, zijn zoon, werd overwonnen door de hand van zijn vijanden, want hij zette zijn vertrouwen niet op God. En wie Manasse overwonnen, zijn vijanden, waren niet zoals hij, maar zij bonden hem en voerden hem weg naar hun land, omdat hij zijn vertrouwen niet op God zette en geen ontzag had voor Hem die hem geëerd en verhoogd en groot gemaakt had. 6. En toen onthield Hij hem ook de gave die Hij hem gegeven had, omdat hij zijn weg niet aangenaam maakte voor God, zijn God, zodat Hij zijn dagen zou verlengen, zijn vijand voor hem zou weerstaan en voor hem kracht en sterkte en volkomenheid en standvastigheid zou zijn. 7. Want vertrouwen op God is beter dan een massa legers, en beter dan vertrouwen op paarden en schild en boog. 8. Want wie op God vertrouwt, zal leven en geëerd worden en heel hoog verhoogd worden. 9. Maar wie niet op God vertrouwden en op hun grote rijkdom vertrouwden, zijn beroofd van Zijn genade die Hij hun gegeven had, want God trekt niemand voor. 10. Maar wie op Hem vertrouwden, beschermt Hij, en wie Hem dienen, laat Hij zelf gediend worden. En Hij haastte Zich niet om te helpen in de tijd van hun benauwdheid, toen hun vijanden tegen hen opstonden, omdat zij hun hart niet standvastig gemaakt hadden in het volgen van God en in het houden van de geboden van God. 11. Maar wie standvastig blijft in het volgen van God en van Zijn geboden en in het houden van Zijn wet, voor hem zal Hij een toevlucht zijn in de tijd van zijn benauwdheid. 12. En Hij zal hem blij maken door zijn vijand te verslaan, door de buit aan vee van wie hem haten, door de gevangenen uit het land van zijn vijand, door de regen in zijn regentijd, door de vrucht van zijn gewassen, door de opbrengst van zijn schuren en door de vrucht van zijn tuinen, 13. en door wat er is in de oogsttijd en in de nazomer, en door gras en groen kruid, en door wat van zijn kudden komt, zodat uw volk, dat onder uw hand staat, blij is. 14. En zij zullen eten van het werk van een ander en zich verzadigen aan het beste van wat van hun vijanden is: vee en runderen en schapen. En zij zullen eten van het werk van een ander en de kinderen van hun vijanden als gevangenen wegvoeren. 15. Dit doet God voor wie Hij liefheeft. Maar wie Hij haat, maakt Hij tot een prooi voor zijn vijand. 16. En Hij bindt zijn handen en zijn voeten, en zij leveren hem over in de hand van zijn vijand, en Hij maakt hem tot een spot voor wie hem haten. En Hij maakt hem niet blij met het nageslacht van zijn huis, omdat hij het gebod van God overtreden heeft en bloed vergoten heeft. 17. En hij zal niet standhouden in het oordeel, en Hij zal hun de vrucht van hun werken vergelden, aan wie kwaad doen, wanneer Hij het kwaad vergeldt. 18. Maar wie het goede doen, zal Hij het goede vergelden. Het is hem door God opgedragen, door Zijn eigen hand, dat hij hen zou beschermen. 19. En ook hij moet zich aan het gebod houden, want hij is een dienaar die aangesteld is over alles wat Hij geschapen heeft, zodat hij het goede zou doen. En Hij geeft hun het eeuwige leven, en zij loven God, die hen geschapen heeft. En er is niets van wat Hij geschapen heeft dat Zijn gebod overtreedt, behalve alleen de mens. 20. En zij allen kennen Hem en houden zich aan Zijn gebod en aan Zijn inzetting, zoals God het hun opgedragen heeft, zij allen die naar hun eigen ordening leven. 21. Maar de mens overtreedt tegen Hem die hem koning gemaakt heeft over alle wilde dieren en vee, en over alle vogels die God geschapen heeft. 22. Of het nu is wat in de zee is of wat op het droge is: alles wat God geschapen heeft, gaf Hij over aan onze vader Adam, zodat hij ermee zou doen wat hij wil, en het zou eten als het gras dat op de aarde staat, en het zou onderwerpen en dienstbaar maken, wilde dieren en vee. En God gaf hun te verstaan dat zij de mens zouden gehoorzamen. En ook de mensen die koning geworden zijn, moeten God gehoorzamen, omdat Hij hun eer gegeven heeft en hen aangesteld heeft over alles wat Hij geschapen heeft, zodat men Hem hulde zou brengen en Hem zou gehoorzamen. 23. En als zij Zijn gebod overtreden, dan zal Hij hun de gave afnemen die Hij hun gegeven heeft, en die geven aan wie Zijn wil doet, want Hij is de Heerser van hemel en aarde. 24. En wie Hij wil, stelt Hij aan, en wie Hij wil, zet Hij af. En Hij doodt en Hij maakt levend, Hij straft en Hij ontfermt Zich. 25. En er is niemand anders zoals Hij, en er is niemand die Hem kan weerstaan, want Hij is de Heere over alles wat Hij geschapen heeft, en er is geen andere god dan Hij, niet in de hemel daarboven en niet op de aarde daarbeneden. 26. En Hij stelt aan en Hij zet af, en Hij doodt en Hij maakt levend, en Hij straft en Hij ontfermt Zich, en Hij maakt arm en Hij maakt rijk. 27. En Hij neemt het gebed aan van wie tot Hem bidden en van wie Zijn wil doen met een zuiver hart. En Hij verhoort hun gebed en doet hun wil in alles wat zij Hem vragen. 28. En Hij beschikt voor hen het kleine en het grote en alles wat van hen is: wat in de bergen is en in de heuvels en in de holen en in de bomen en in de holten van de aarde, en in de zee en op het droge. 29. En dit alles is van hen, van wie de wil van hun God doen. En Hij onthoudt hun niets van Zijn zegen, en Hij geeft hun het loon voor hun lofprijzing. 30. En ook in de hemel geeft Hij hun de eer die Hij klaargemaakt heeft voor hun vaderen, voor Abraham en Izak en Jakob, en voor David en Hizkia en Samuël, die niet afweken van het gebod en van het oordeel van God, 31. zodat Hij hun het erfdeel zou geven dat Hij hun vaderen gezworen heeft, Abraham en Izak en Jakob, die Hem van oudsher behaagden, en zodat zij blij zouden zijn in Zijn koninkrijk. ## 1 Meqabyan 22 — Ga niet de weg van de goddelozen 1. Denk toch aan de namen van wie het goede doen, en vergeet hun werken niet. 2. En doe je best dat jouw naam wordt zoals hun naam, zodat je je in de hemel met hen zult verheugen in de woning van het licht, die Hij klaargemaakt heeft voor de goede koningen en vorsten die de wil van God gedaan hebben. 3. En verder: ken en onderzoek de namen van de goddeloze koningen en vorsten, hoe zij geoordeeld worden en hoe men hen na hun dood onder de mensen vervloekt. 4. En ook in de hemel worden zij geoordeeld met de goddelozen en de overtreders die de wil van God niet gedaan hebben. Want terwijl zij zagen en hoorden, maakten zij hun weg niet goed. 5. Ga ook zelf niet de weg van de goddelozen, die God overwonnen heeft om de slechtheid van hun werken, maar wees goed en zachtmoedig en eerlijk. 6. En oordeel rechtvaardig, en doe recht aan de weduwe en de wees, en red hen uit de hand van de zondaars die hen onderdrukken. 7. En sta de wees bij als een vader, zodat je hem redt uit de hand van wie hem onderdrukt. En huiver wanneer de tranen van de wees door jouw toedoen vergoten worden, zodat je niet hoeft te huiveren in de zee van vuur, waarin de zondaars geoordeeld worden die geen berouw gehad hebben. 8. Zet je voeten op de weg van de vrede, en zoek de vrede en jaag die na, want de ogen van God zijn gericht op Zijn rechtvaardigen, en Zijn oor luistert naar hun gebed. 9. Maar het aangezicht van God is tegen wie kwaad doen, om de herinnering aan hen van de aarde uit te wissen. En Hij laat niemand overblijven die zich verstopt in de bergen of in de schuilplaatsen. 10. En ik zal mijn aangezicht niet afwenden totdat ik hen weggevaagd heb die mijn woord niet houden. Want ik, God, ben een naijverig God, die wraak neemt op wie mij verachten en op wie mijn woord niet houden. 11. En ik zal eren wie mij eren en mijn woord houden. ## 1 Meqabyan 23 — De weg van Kaïn en de weg van Abel 1. En ga niet de weg van Kaïn, die zijn broer doodde, die hem zonder argwaan volgde en dacht dat zijn broer van hem hield. 2. En hij doodde zijn broer uit jaloezie om een vrouw. En zo zijn ook zij die onrecht bedrijven, en jaloezie en bedrog tegen hun naaste. 3. En zij gingen de weg van Kaïn en niet de weg van Abel, de zachtmoedige. Want Abel was zachtmoedig als een lam, en zijn bloed was als het bloed van een zuiver lam dat men God offert met een zuiver hart. 4. Maar wie de weg van Abel gaan, de zachtmoedige, zij hebben God lief, want zij zijn zachtmoedig geworden als Abel. Want iedereen die zachtmoedig leeft, heeft God lief, zoals Abel, de rechtvaardige en zachtmoedige. 5. Maar de goddelozen zal God verwerpen, en hun oordeel is zwaar. Op hun nek en op hun schouders staat een geschrift, en men zal het voorlezen op de dag van het oordeel, voor de engelen en de mensen en heel de schepping. 6. Dan zullen de overtreders en wie onrecht doen te schande worden, die de wil van God niet gedaan hebben. 7. En hun zal een verschrikkelijk woord toeklinken, dat zegt: Oordeel hen in het oordeel van de vlam van vuur, waar geen ontkomen aan is, tot in eeuwigheid. ## 1 Meqabyan 24 — Vertrouw niet op andere goden 1. Toen Gideon op God vertrouwde, overwon hij met weinig soldaten tienduizenden soldaten die ontelbaar waren als sprinkhanen, en legers vol gewapende mannen. 2. Vertrouw niet op andere goden, want er is geen andere god dan ik, koningen en vorsten. 3. Want ik ben God, jullie God, die jullie uit de schoot van jullie moeder tevoorschijn gebracht heb, die jullie heb laten opgroeien en jullie gevoed en gekleed heb. En waarom zouden jullie voor niets zwoegen en een andere god dienen dan mij? 4. En dit alles heb ik voor jullie gedaan. En wat hebben jullie mij gegeven? En wat verlang ik van jullie, behalve de redding van jullie ziel, dat jullie leven naar mijn wet en naar mijn inzetting en naar mijn gebod? Dan zal ik jullie ook de redding van jullie ziel geven. 5. God, die over alles heerst, zegt: Maak jezelf los van de afgoden en van de sterrenwichelarij en van de waarzeggerij. 6. Want om hen komt de plaag van God over wie dat doen, en over wie naar hen luisteren, en over wie hun wil doen, en over wie met hen omgaan, en over wie naar hun geboden leven. 7. Want er zullen volken tegen u opstaan die u niet kennen en zich niet over u ontfermen, en zij zullen de vrucht van uw akkers eten, als u de wil van God niet doet, die het voor u gedaan heeft, zoals Zijn profeten gesproken hebben, vanaf Samuël de profeet. En verder heeft Ezechiël gesproken, en Henoch, en Asaf heeft ervan getuigd. 8. En hij zei: Er zullen wrede mensen komen, die hun kleding wisselen, en er is geen andere wet in hen dan eten en drinken en zich tooien met goud en zilver, en allerlei leeg werk waar God geen plezier in heeft. 9. En zij staan klaar om zich op eten en drinken te storten zodra zij uit hun slaap wakker worden. Van de ochtend tot de avond haasten zij zich naar slechte werken, en voor hun voeten ligt geen weg van vrede, maar eerder schande en verbrijzeling op hun weg. 10. En zij kennen de weg van de vrede niet, en er is geen ontzag voor God in hun ogen: een verkeerd en wreed volk zonder deugd en zonder geloof, gulzigaards en veelvraten en drinkers en dronkaards. En hun zonde kent geen wet, en zij leven in ontucht en bloedvergieten en list en bedrog en het roven van andermans goed met onrecht. 11. En het zijn ruziemakers, zonder wet en zonder recht, en er is geen schroom op hun gezicht, want zij hebben geen ontzag voor God, die hen geschapen heeft. 12. En zij schamen zich niet voor de mens die hen ziet, en niet voor grijze haren en niet voor een oude man. En zodra zij van aardse goederen horen, eigenen zij die zich toe, nog voordat zij ze met hun ogen gezien hebben. En zodra zij ze met hun ogen zien, is het voor hen alsof zij ze al met hun mond verslonden hebben, want er is geen ontzag voor God in hun ogen. 13. En ook hun vorsten laten zich omkopen, en wat zij 's ochtends gezegd hebben, herhalen zij 's avonds niet, want het zijn afvalligen, en er is geen eerlijkheid meer in hun mond. 14. En ook hun koningen zijn onruststokers; zij haasten zich naar het kwaad, want zij minachten het schreeuwen van de armen en wie tekortkomen, en zij redden de vreemdelingen niet uit de hand van wie hen onderdrukt. 15. En daarom moeten koningen niet hardvochtig zijn, maar moeten zij de vreemdeling en wie onderdrukt wordt redden. 16. Maar zij zijn bloeddorstig en overtreders, die bloed drinken, en zij sparen het kalf niet met zijn moeder en de vogel niet met haar jongen. Want hun weg is wreed: alles wat zij zien en waar zij naar verlangen, eigenen zij zich toe. 17. En zij ontfermen zich niet over de armen en wie berooid zijn, maar zij houden ervan om voor zichzelf te verzamelen, en zij roven andermans goed met onrecht, en alles wat zij vinden, verzamelen zij om het in hun huizen op te stapelen en zich daarin te verheugen. 18. Wee hun ziel, wanneer God hen in Zijn toorn grijpt, omdat zij hun levenswandel tijdens hun leven niet goed gemaakt hebben. Want zij zullen snel verdwijnen, als iemand die zijn huis uit gegaan is van wie geen spoor te vinden is en die niet naar zijn huis terugkeert. 19. En zo zullen zij in één ogenblik, in één keer verdwijnen, wanneer God hen veracht. Zij zullen in korte tijd omkomen, want God haast Zich niet om te vernietigen, maar Hij wacht geduldig af of zij zich in berouw bekeren. 20. Maar als zij zich niet in berouw bekeren, zal God hen vernietigen zoals de mensen van vroeger die er vóór hen waren, die het gebod van God niet zuiver hielden. 21. En zij eten mensenvlees en drinken bloed, en er is nooit ontzag voor God. Want zij omgorden zich met geweld om zich te haasten zodra zij van hun bed opstaan, en zij rusten niet van het bedrijven van onrecht: 22. om te eten en te drinken en zich te haasten naar het kwaad en het verderf, om op de aarde het leven van veel mensen kapot te maken. ## 1 Meqabyan 25 — Niemand ontkomt aan mijn hand 1. Wee hun ziel, wanneer ik haar in mijn toorn grijp, zegt God, die over alles heerst. Want hun weg is verdraaid, en zij gaan allemaal de weg van de satan die verleidt. 2. En de weg van God kennen zij niet, en zij hebben Hem achter zich gegooid, en zij hebben zich blind gehouden voor mijn wet. 3. En ook ik zal hun vergelden naar de slechtheid van hun werken. Op de laatste dag, op de dag van het oordeel, zal ik mij op hen wreken, zoals de slechtheid van hun werken bij mij opgeschreven staat. En zij zullen niet aan mijn hand ontkomen, want ik ben God, die doodt en levend maakt, die ook straft en Zich ontfermt. 4. En er is niemand die aan mijn hand ontkomt, niet onder de aarde, niet boven de hemel, en niet in de zee en de diepten van het water. Want ik ben God, van het ene einde tot de einden van de wereld, en het leven van allen ligt in mijn hand. 5. Ik geef bevel aan de slang onder de aarde, en aan de vissen in de zee, en aan de vogels in de lucht, en aan de kruipende dieren in de wildernis, van het ene einde tot het andere einde en tot de einden van de wereld — het is van mij. 6. En er is niemand die aan mijn hand ontkomt, niet in de hemel daarboven en niet op de aarde daarbeneden. Want ik ben het die wonderen en tekenen doe voor mijn ogen, en er is niemand die tegen mij zegt: Waar gaat U heen, en wat doet U? 7. En ik geef bevel over de engelen en de leiders, en elke naam die genoemd wordt, is van mij. En alle vogels van de hemel en de wilde dieren van het veld en het vee, het is van mij. 8. En de zuidenwind zal opsteken, en de hitte van het noorden, en de Rode Zee zal bruisen om de grootheid van de majesteit van Hem die in de laatste dagen naar haar toe komt. 9. Want Hij zal de levenden en de doden oordelen, met Noba en Saba en Ethiopië en Hindeke, en al hun omstreken en hun gebied. 10. En Hij zal alles zachtmoedig aanzien met de staf in Zijn hand, en Hij zal met die staf naar Zijn schapen omzien, want Zijn staf gaat boven alle staven. 11. En Zijn hoorn is machtiger dan alle hoorns, en Zijn koninkrijk gaat boven elk koninkrijk, en Zijn heerschappij omvat heel de wereld. Hij kan alles, en er is niemand die Hem overwint. 12. Hij geeft bevel aan de wolken daarboven, en Hij laat gras opkomen voor het vee daarbeneden, en Hij geeft vrucht aan de aren. 13. En Hij voedt alles zoals Hij wil, elk naar zijn aard en naar zijn vrucht en naar zijn voedsel, alles wat Hij geschapen heeft: het gewormte en de kruipende dieren onder de aarde, en de wilde dieren en het vee op de aarde. Hij verhoort het gebed van wie bidt, en Hij minacht het smeken van de weduwen en de wezen niet. 14. En bovenal neemt Hij het gebed aan van de zuiveren die altijd tot Hem bidden. Want de opstand van de goddelozen is als een storm, en de vergadering van wie onrecht doen is als een wolk die wegdrijft. 15. En ook hun vreugde is als een vogel die wegvliegt, en hun schitterende uiterlijk is vergankelijk — dat van goud en dat van zilver op de aarde. En ook hun goud levert hun niets op, maar het is een merkteken voor de goddelozen. En de rijkdom van hun kleren wordt door de mot opgegeten. 16. En ook de schatkamers vol koren en goederen worden door de made en de worm opgegeten. En alles gaat voorbij als de dag van gisteren die voorbij is. En zoals een woord dat de mond uit gegaan is niet terugkeert, zo is de rijkdom van wie zondigen. En zoals een schaduw die voorbijgaat, zo is de glans van hun bestaan. En zoals een versleten kleed, zo is de rijkdom van wie zondigen voor het aangezicht van God. 17. Maar de rechtvaardigen, ook al hebben zij rijkdom, veracht God niet. Want zij ontfermen zich in hun rijkdom over de arme, en zij doen recht aan de wees en aan wie tekortkomen, en zij kleden wie naakt zijn met hun kleren, en zij houden niets achter van het zaad van hun huis dat God hun gegeven heeft, om aan de vreemdeling en aan wie tekortkomen te geven. 18. En zij verdraaien het recht van de gelovigen niet, en zij houden het loon van de dagloner niet achter, en zij doen geen onrecht in het berekenen van hun maanden en niet in de maat van hun weegschaal. Want rechtvaardig en eerbiedwaardig is het woord van God, als een volle… ## 1 Meqabyan 26 — De vrucht van de gerechtigheid 1. En de armen liggen te piekeren op hun bed. En als de rijken hen niet ontvangen, worden zij als een dorre boom zonder sap. En waar geen sap is, komt geen wortel op. En waar geen wortel is, komt geen scheut op. 2. En als de scheut niet opkomt, brengt zij geen vrucht voort. Want de scheut is er om vrucht voort te brengen. En wie geen vrucht heeft, heeft geen goed werk. Want het belangrijkste voor een mens is de vrucht van de gerechtigheid. 3. En als hij rechtvaardig leeft, draagt hij de vrucht van de eerlijkheid. En God verheugt Zich over de mens die rechtvaardig en eerlijk leeft. 4. En Hij verhoort het gebed van wie bidt, en het werk van zijn lippen. En Hij stoot de rechtvaardige niet af om de gerechtigheid die hij gedaan heeft. 5. En wie zou de goddeloze vrijspreken zonder bekering, om het kwaad dat hij gedaan heeft? Want God is rechtvaardig en Hij heeft de gerechtigheid lief, en Hij trekt in het gericht de rijke niet voor en de arme ook niet. Want Hij is de Heerser van hemel en aarde, en het leven van allen ligt in Zijn hand. ## 1 Meqabyan 27 — Hoe God alles maakte 1. En Hij schiep de hele wereld uit het niets, en Hij maakte en ordende de bergen en de heuvels en zette de aarde vast op het water. En zodat zij niet zou wankelen, zette Hij er een omheining van zand omheen. Want in het begin sprak het woord van God: Laat er licht zijn. 2. En er was licht, terwijl de wereld in duisternis lag. En God deed het werk, en Hij maakte en zette de wereld vast zoals het past en zoals het goed is. En Hij zei: Laat er avond en duisternis zijn. 3. En verder zei God: Laat er licht zijn. En het werd ochtend, en er was licht. En Hij tilde het water dat beneden was op tot boven de hemel. 4. En Hij spreidde die uit als een tentkleed, en met de wind zette Hij hem neer als een pilaar. En het water dat beneden was, liet Hij daaronder wonen, in de diepten van de zee. 5. En Hij sloot de poorten van de zee met zand en zette ze vast door Zijn Geest, zodat zij niet naar beneden zouden wegzakken in de diepte. En Hij liet daarin de wilde dieren en het vee wonen, en de grote dieren daarin, ontelbaar, die je ziet en die je niet ziet. 6. En op de derde dag maakte God de gewassen op het droge, en al het gras en de bomen, elk naar zijn aard, en de vruchtbomen die vrucht dragen. 7. En de boom van het leven, die goed is om te zien en lekker om te eten, en het gras en al het groen van de aarde met hun zaad. En Hij bepaalde voedsel voor al het vee en de wilde dieren en voor de vogels, en Hij gaf onderhoud aan alles wat Hij geschapen had. 8. En het werd avond en het werd ochtend. En op de vierde dag zei God: Laat er licht zijn aan het gewelf van de hemel. En God maakte de zon en de maan en de sterren en zette hen aan het gewelf van de hemel, zodat zij over de aarde zouden schijnen en haar zouden beheersen bij dag en bij nacht. 9. En daarna scheidden de zon en de maan en de sterren de dag en de nacht. 10. En op de vijfde dag schiep God alle dieren en levende wezens die in het water wonen, en alle vogels die boven in de lucht vliegen, en alles wat je ziet en wat je niet ziet. Dat alles schiep God. 11. En op de zesde dag schiep Hij alle wilde dieren en het vee en de kruipende dieren. En nadat Hij alles geschapen en alles geordend had, schiep Hij Adam naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. 12. En Hij gaf hem alle wilde dieren en het vee die Hij geschapen had, zodat hij over hen zou heersen, en ook al het vee en de wilde dieren en de vissen en de zeemonsters die in de zee zijn, 13. en ook de schapen en al het vee dat op de aarde is, en de dieren die je ziet en die je niet ziet. 14. En Hij stelde de mens aan, die Hij naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis gemaakt had, en Hij droeg hem op dat hij zou eten, de tuin zou bewerken en God daar zou prijzen, 15. en dat hij het gebod van God niet zou overtreden, en dat hij niet zou eten van de boom die goed en kwaad laat onderscheiden, de boom van de dood. 16. Want Hij zei: Op de dag dat je van deze boom eet, zul je zeker sterven. 17. En door de verleiding van zijn listigheid werd Eva bedrogen, en zij at van die boom en gaf het aan onze vader Adam. 18. En hij at van die boom en bracht de dood over zichzelf en over zijn kinderen. 19. En God werd woedend op onze vader Adam, omdat hij Zijn gebod overtreden had en gegeten had van die boom waarvan God hem opgedragen had niet te eten. En Hij joeg hem de tuin uit en gaf hem deze aarde van doorn en distel, die Hij om hem vervloekt had toen hij Zijn gebod overtrad, zodat hij haar zou bewerken en het loon van zijn werk zou eten in het zweet van zijn gezicht. 20. En toen God hem deze aarde op geleid had, kwam Adam in verdriet en zorg terecht, en hij begon de aarde te bewerken en te eten in het zweet van zijn gezicht en met gezucht en met hard werken. ## 1 Meqabyan 28 — Van Kaïn tot Esther 1. En daarna woonden zij daar, en zijn kinderen werden talrijk. En onder hen waren er die God prezen en Hem eerden en Zijn gebod niet overtraden. 2. En er waren ook profeten die profeteerden over wat geweest was en wat komen zou. En onder de kinderen van de zondaars waren er die logen en onrecht deden. Kaïn, de eerstgeborene van Adam, werd wreed en doodde zijn broer Abel. 3. En God ontstak in woede tegen Kaïn, omdat hij zijn broer Abel gedood had. En ook tegen de aarde werd God woedend, omdat zij zijn bloed gedronken had. 4. En tegen Kaïn zei God: Waar is je broer Abel? En Kaïn zei in de hoogmoed van zijn hart: Ben ik de hoeder van Abel, mijn broer? 5. En Abel was rechtvaardig, maar Kaïn werd een zondaar doordat hij zijn broer Abel, de rechtvaardige, doodde. 6. En verder werd Set de rechtvaardige geboren. Want Adam verwekte dochters en zonen, en onder hen waren goeden en kwaden. 7. En er waren onder hen profeten en rechtvaardigen, en er waren onder hen zondaars en onreinen. 8. En er waren onder hen goeden en gezegenden, die de wil deden van hun vader Adam en alles wat hij aan Set, zijn zoon, verteld had, vanaf Adam tot Noach de rechtvaardige, die het gebod van God bewaarde. 9. En ook hij sprak hen aan en vertelde zijn kinderen de wil van God. En zij zouden het aan hun kinderen vertellen en de wil van God bewaren, zoals hun vader Noach het hun verteld had, zodat zij het gebod van God niet teniet zouden doen. 10. En zij bleven wie na hen kwamen onderwijzen, hun kinderen. 11. Maar de satan, terwijl hij tegen hen streed, sprak tot wie hem toestemden, te midden van de afgoden — de graven van hun vaderen, de uitgehouwen beelden. En zij deden alles wat hij, de leraar van het kwaad, hun opdroeg. 12. En zij dienden de afgoden naar hun gewoonte, totdat Abraham de rechtvaardige kwam, die de wil van God deed. 13. En God sloot een verbond met hem door vuur en door wervelwind, want hij was de eerste die de weg van de gerechtigheid ging, boven zijn familie uit. 14. En God zwoer hem dat Hij hem het land als erfdeel zou geven, hem en zijn nageslacht tot in eeuwigheid. 15. En zo sloot Hij ook met Izak een verbond, om hem het erfdeel van zijn vader Abraham te geven. En met Jakob sloot Hij eveneens een verbond, om hem het erfdeel van zijn vader Izak te geven. 16. En hun nageslacht na hen, de kinderen van Jakob, maakte Hij tot koningen en priesters uit het geslacht van het volk van Israël. En Hij zegende hen en zei tegen hen: Wees vruchtbaar en word heel talrijk. 17. En Hij gaf hun het erfdeel van hun vaderen. Maar zij hielden niet op God woedend te maken, terwijl Hij hen voedde en hun in alles goedgunstig was. 18. En wanneer Hij hen doodde, zochten zij Hem op die dag en keerden zij terug en wendden zij zich weer tot God. Want God had hen lief en ontfermde Zich over hen. 19. En niet om henzelf, maar om hun vaderen. Want Hij is barmhartig en genadig tegenover alles wat Hij geschapen heeft. 20. En Hij strekt Zijn rechterhand uit om te zegenen, om wie honger heeft genoeg te geven, en Hij opent Zijn oog om Zich te ontfermen en om koren te vermenigvuldigen tot voedsel. 21. En Hij geeft voedsel aan de jonge raven en aan allen die Hem aanroepen. En de kinderen van Israël redt Hij uit de hand van hun vijanden en van wie hen haten, wanneer zij tot Hem roepen. 22. En weer keerden zij terug om Hem te tergen. En Hij stuurde de volken op hen af en hun vijanden om hen heen, en die vernietigden hen en doodden hen en voerden hen als gevangenen weg. 23. En weer riepen zij tot God met geschreeuw en met tranen. En Hij stuurde hun hulp. Er waren tijden dat Hij hen redde door de hand van de profeten. 24. En er waren tijden dat Hij hen redde door de hand van de richters. En wanneer zij God tergden, gaf Hij hen over aan hun vijanden, en die plunderden hen en voerden hen als gevangenen weg. 25. En David stond op en redde hen uit de hand van de Filistijnen. En weer tergden zij God, en Hij stuurde hen op af die hen lieten wegkwijnen. 26. En er waren tijden dat Hij hen redde door de hand van Jefta. En weer vergaten zij God die hen gered had, en Hij stuurde slechte vijanden op hen af die hen lieten wegkwijnen, als gevangenen wegvoerden en plunderden. Want God vergold het hun. 27. En weer riepen zij tot Hem toen zij onderdrukt werden, en Hij redde hen door de hand van Gideon. En weer tergden zij God met het werk van hun handen. 28. En Hij stuurde weer op hen af die hen lieten wegkwijnen. En zij keerden terug en huilden en riepen tot God. 29. En weer redde Hij hen door de hand van Simson. En zij hadden korte tijd rust, en stonden weer op om God te tergen met de slechtheid die zij eerder gedaan hadden. 30. En Hij stuurde weer anderen op hen af die hen onderdrukten. En weer riepen en huilden zij tot God, zodat Hij hun hulp zou sturen, en Hij redde hen door de hand van Debora en Barak. 31. En weer dienden zij God een paar dagen. En weer vergaten zij Hem en tergden zij God met hun vroegere slechtheid. 32. En Hij stuurde anderen op hen af die hen onderdrukten. En weer redde Hij hen door de hand van Judit. En weer hield het korte tijd stand, en zij stonden op om God te tergen zoals eerder, met hun slechtheid. 33. En Hij liet de volken tegen hen opstaan die over hen heersten. En zij riepen en huilden tot God, en Hij redde hen door de hand van Mattatias en zijn zonen, bij de hoek van het huis. 34. Want die sloeg het hoofd af van de reus Achimelech, die gekomen was om tegen het land Juda te vechten. En toen die reus gestorven was, werden zijn legers uiteengeslagen en vluchtten zij, en de kinderen van Israël sloegen hen tot aan de Jabbok en lieten niemand over. 35. En daarna hadden zij een beetje rust, en zij stonden op om God te tergen. En Hij stuurde de volken op hen af die over hen heersten. En weer riepen en huilden zij tot God, maar hun huilen en hun jammeren werd niet aangenomen, want zij tergden God voortdurend en vergaten Zijn gebod. 36. En zij voerden hen als gevangenen weg en brachten hen naar het land van de Chaldeeën, met hun priesters. 37. En ook daar hielden de kinderen van Israël, de onreinen, niet op God te tergen, door onreinheid en afgoderij te bedrijven, en zij vermengden zich met de volken die hen als gevangenen weggevoerd hadden. 38. En God werd ook daar woedend om hun slechtheid, zodat Hij hen in één keer wilde wegvagen. En Hij legde toorn op Artaxerxes, de koning van de Chaldeeën, zodat hij tienduizend zilverstukken in de schatkamers van de koning zou brengen en hen op de vastgestelde dag zou veroordelen, zodat hun nageslacht niet zou overblijven in het land van Perzië, van India tot aan Ethiopië. 39. En zo maakte hij een brief met een bevel op gezag van de koning, en hij gaf hem het zegel dat aan zijn hand zat, zodat hij in alle steden van Perzië zou komen: 40. dat zij hen op één dag zouden doden, zoals de koning hun opgedragen had, op de dag waarop hij hen wilde uitroeien. En hun buit, het goud en het zilver, gaf hij bevel om in de schatkamers van de koning te brengen. 41. En op die dag, toen de kinderen van Israël het hoorden, riepen zij en huilden en jammerden zij tot God, en zij lieten het aan Mordechai weten. En Mordechai liet het aan Esther weten. 42. En Esther zei: Vast en bid en roep tot God, de God van Israël, hele gemeenschap van de kinderen van Israël, waar je ook bent. 43. En Mordechai trok een rouwkleed aan en gooide as op zijn hoofd, en zij vastten en baden en hadden berouw, waar de kinderen van Israël ook waren. 44. En Esther was diep bezorgd. En hoewel zij koningin was, trok zij een rouwkleed aan en strooide zij as, en zij boog haar hoofd en zalfde zich niet met geurige olie zoals de koninginnen van Perzië dat doen. En zij huilde en jammerde tot God uit de diepte van haar hart, tot de God van haar vaderen. 45. En daarom gaf God haar genade voor het aangezicht van Artaxerxes, de koning van Perzië. En zij richtte een grote maaltijd aan voor de God van haar vaderen. 46. En de koning en Haman kwamen naar de maaltijd die Esther klaargemaakt had. En daar vergold God het Haman naar wat hij Mordechai had willen aandoen, en zij hingen hem op aan een hoge boom. 47. En de brief van de koning gaf bevel dat men de Joden met rust zou laten, waar zij ook waren, in alles wat zij wilden, en hen niet tot slaven zou maken, niet zou beroven, niet zou onderdrukken en hun bezit niet zou afnemen, 48. en dat men hun steden niet zou verwoesten en hun vee niet zou plunderen, maar hen zou liefhebben en eren, waar zij ook waren in het hele land van Perzië. Want zo onderwijst God hen in Israël, wanneer zij Hem in berouw smeekten en tot Hem riepen. 49. En wanneer zij Hem tergden, stuurde Hij volken op hen af die hen onderdrukten. Op die dag huilden en jammerden en riepen zij, zodat Hij hun hulp zou sturen en hen zou redden uit de hand van wie hen lieten wegkwijnen. ## 1 Meqabyan 29 — Doe mij goed, en ik zal jullie goed doen 1. En bovendien, toen Egypte de kinderen van Israël onderdrukte met zwaar werk en met het bouwen van muren, en met al het werk dat zij hen lieten doen, en met tichelstenen zonder stro, 2. en zij opzichters over hen aanstelden en hen lieten werken, toen riepen zij tot God, zodat Hij hen zou redden uit al hun slavendienst in Egypte. 3. En op die dag stuurde Hij hun hun hulp, Mozes en Aäron, en zij bevrijdden hen van het bouwen van muren. Want God had hen gestuurd om Zijn volk uit het huis van de slavernij van de farao, de koning van Egypte, te leiden. Want in zijn hoogmoed weigerde hij het volk te laten gaan, zodat zij niet zouden dienen en God geen offer zouden brengen in de woestijn. 4. Want God minacht de hoogmoedigen. En om de hoogmoed van de farao liet God hem met zijn leger in de Rode Zee verdrinken. 5. En zo gaat het ook met wie het woord van God minachten, koningen en vorsten, en die geen goed doen in alles waarvoor Hij hen aangesteld en koning gemaakt heeft, zodat zij Zijn wil zouden doen, loon zouden geven aan wie goed dienen en Zijn grote naam zouden eren. 6. Maar als zij mijn koninkrijk goed besturen, zal ik ook hun koninkrijk goed besturen, zegt God die over alles heerst. 7. Doe mij goed, en ik zal ook jullie goed doen. Bewaar mijn gebod, en ik zal ook jullie leven bewaren. Leef naar mijn gebod, en ik zal ook leven naar jullie hart. 8. Heb mij lief, en ik zal ook jullie leven liefhebben. En neem je toevlucht tot mij, en ik zal jullie ook sterk maken. 9. En vertrouw op mij, en ik zal jullie ook redden, zegt God die over alles heerst. 10. En wijk niet af naar de kromme weg. Kom dichter bij mij, en ik zal dichter bij jullie komen, want ik houd van rechte wegen, zegt God die over alles heerst. Maak jullie handen schoon, zondaars en onreinen, en doe het kwaad uit jullie hart weg. 11. En dan zal ik ook mijn toorn bij jullie weghalen en mij genadig en barmhartig naar jullie toe keren. 12. En ik zal de vijanden ver van jullie wegdoen, de wettelozen die onrecht bedrijven, zoals ik David, mijn knecht, gered heb uit veel beproevingen die hem overkwamen: uit de hand van de reus Goliat, uit de hand van Saul die hem wilde doden, en uit de hand van Absalom, zijn zoon, die zijn koninkrijk wilde afpakken. 13. En zo red ik wie mijn wil doen, mijn gebod bewaren en volhouden bij mijn wet. En ik geef hun eer als erfdeel en laat hen heersen boven allen, zodat zij blij zijn in deze wereld en in de wereld die komt. 14. En zij zullen delen met de gezegende koningen die God behaagd hebben in de dagen van hun leven, zoals Samuël, toen hij nog een kind was, die God vanaf zijn jeugd uitgekozen heeft in de dagen van zijn leven. 15. En Hij sprak tot hem, dat hij het zou zeggen tegen Eli, de oude priester. En het leven van Samuël de profeet was goed, terwijl hij diende in het huis van de Heere God. 16. En toen hij opgroeide in het huis van God, terwijl hij daar diende, stelde Hij hem aan om het volk aan te stellen en koningen te zalven naar het gebod van God. En Hij gaf de zalving van het koningschap in zijn hand, toen hij de wil van de Heere zijn God deed. Want hij behaagde Hem voor Zijn aangezicht, om koning te maken over het volk wie God uitgekozen had uit de kinderen van Israël. 17. En terwijl Saul koning was, zei God tegen Samuël de profeet: Ga, zalf David, de zoon van Isaï, die uit het huis van Juda is, want in hem heb ik plezier. ## 1 Meqabyan 30 — Wie mij eert, zal ik eren 1. En ik heb het huis van Saul verworpen, want hij heeft mij getergd doordat hij mijn woord overtrad. 2. En ik heb mij ook van hem afgewend, en ik zal niemand uit zijn huis opnieuw laten heersen, omdat hij mijn woord niet bewaarde. 3. En zo zal het ook gaan met wie mijn woord niet bewaren en niet naar mijn wet en mijn voorschriften leven: ik zal hun mijn gave onthouden, en mijn koninkrijk aan hun nageslacht, tot in eeuwigheid. 4. En ik zal er spijt van hebben, zodat ik hen niet opnieuw verhoog, maar hen eerder wegvaag. Want toen ik hen verhoogde, hebben zij mij niet groot gemaakt, en toen ik hen eerde, hebben zij mij niet geëerd. 5. En toen ik hun goed deed, deden zij mij geen goed, en toen ik hen onderwees, onderwezen zij mij niet. 6. Want ik heb hen tot hoofd gemaakt over allen, maar zij hebben mij niet tot hoofd over hen gemaakt. En toen ik hen boven allen eerde, hebben zij mij niet geëerd en mijn gebod niet bewaard. 7. En ik heb ook de gave weggenomen die ik hun gegeven had, en ik zal ze hun niet teruggeven, zoals ik in mijn toorn gezworen heb. En wie mij eert, zal ik eren, en wie mij liefheeft, zal ik goedgunstig zijn. Zo zegt God die over alles heerst. 8. Maar wat betreft wie mij niet eren en mijn gebod niet bewaren: ik zal hun deel afsnijden van mijn gave die ik hun gegeven heb. 9. God die over alles heerst zegt: wie mij liefheeft, zal ik liefhebben, en wie mij groot maakt, zal ik groot maken. 10. Want ik ben God die alles oordeelt, en er is niemand die aan mijn hand ontkomt, niet in de hemel boven en niet op de aarde beneden. Want ik ben God die doodt en levend maakt, die slaat en Zich ontfermt. 11. En de grootheid en de heerlijkheid zijn van mij. Wie ik liefheb, zal ik eren, en wie ik haat, zal ik vernederen. 12. En ik ben het die mij ontferm over wie mij liefhebben en altijd aan mijn naam denken. Voor de arme en voor de rijke ben ik het die het voedsel verzorgt. 13. En niet alleen voor de mens, maar ook voor het vee en voor de vogels en voor de wilde dieren en voor de vissen die in de zee zijn, en voor de slangen, 14. en voor de zeemonsters, en voor de krokodillen, en voor de ingota's, en voor de nijlpaarden, en voor de gehoornde dieren. 15. En alles wat zich beweegt in het water en alles wat vliegt boven in de lucht, dat is van mij. 16. En ik ben het die voedsel geeft zoals het past en zoals het nodig is, aan allen die mij zoeken. ## 1 Meqabyan 31 — Niemand wordt koning buiten mijn wil 1. Ook koningen worden niet aangesteld buiten mijn wil om, en de armen worden alleen arm door mijn gebod, en de machtigen worden alleen sterk door mijn wil. 2. En ik gaf David gunst, en wijsheid aan Salomo, en ik voegde jaren toe aan Hizkia. 3. En ik maakte de dagen van Goliat korter, en ik gaf kracht aan Simson, en later maakte ik zijn kracht weer zwak. 4. En ik, ik heb David, mijn knecht, gered uit de hand van Goliat, de overmoedige, 5. en verder uit de hand van koning Saul, en verder uit de hand van een andere overmoedige die zich tegen hem keerde, en uit de hand van allen die zich tegen hem keerden en ruzie met hem maakten, omdat hij mijn gebod bewaarde. 6. En ik, ik heb hem liefgehad. En allen die mijn geboden bewaren, koningen en vorsten, ook hen heb ik lief, en ik geef hun kracht en overwinning over hun vijanden, want ook zij hebben mij blij gemaakt. 7. En verder geef ik hun een erfland, dat ik hun vaderen gezworen heb, een zuiver en licht land, zodat zij het land van hun vaderen zouden erven. ## 1 Meqabyan 32 — Luister naar mijn woord 1. En ook jullie, koningen en vorsten, luister naar mij, naar mijn woord, en bewaar mijn gebod, zegt God die over alles heerst — anders dan de kinderen van Israël, die mij woedend maakten en andere goden aanbaden, terwijl ik, God, hun God ben, die hen bewaard en gered heeft, die hen heeft laten opgroeien sinds hun vaderen en hen gevoed heeft met alles wat zij wilden. 2. En ik liet hen opklimmen naar het sterkste deel van het land, en ik gaf hun te eten van de zegen van het land, en ruimschoots wijngaarden die zij niet geplant hadden, en olie van de olijf, en bronnen van zoet water dat zij niet gegraven hadden, 3. en honingraten, en melk van schapen, en meel van tarwe, en mooie kleren, en alles wat zij graag wilden. 4. En er was niets wat ik hun onthouden heb van wat zij mij vroegen. ## 1 Meqabyan 33 — Je bent een mens die sterft 1. En verder voedde ik hen met manna in de woestijn, met brood, zoals David gezegd heeft: En de mensenkinderen aten het brood van Zijn engelen. En dit alles deed ik voor hen, zodat zij mij zouden dienen in gerechtigheid en in eerlijkheid. 2. Maar zij, zij dienden mij niet. En ik, ook ik heb hun vergolden, zegt God die over alles heerst. En zij maakten mij woedend en gingen een weg die niet de mijne was. 3. En ik vergeld hun naar hun werken, en naar het werk van hun handen heb ik hun vergolden, omdat zij mijn dienst verwaarloosden en niet volhielden bij mijn inzetting en bij mijn raad. En ik liet hen afdalen in het gericht van het oordeel dat in de hemel is. 4. En ook op de aarde maak ik hun dagen korter, omdat zij mijn gebod niet bewaarden, en ik, ik ben woedend op hen. 5. En jij dan, koning, ben jij niet een mens die sterft en vergaat, die morgen worm en gewormte en as wordt? 6. En nu schep je op en verhef je jezelf, als iemand die tot in eeuwigheid niet sterft, 7. terwijl je een mens bent die vandaag levend te zien is en morgen sterfelijk is, zegt God die over alles heerst. 8. En als je mijn woord en mijn gebod bewaart, laat ik je de heilige stad erven, samen met wie mijn wil gedaan hebben, de geëerde koningen van wie de woningen licht zijn en van wie de kronen mooi zijn, met hun tronen van goud en zilver, die klaarstaan en waarop zij zitten. 9. En je zult blij zijn in Zijn stad, die een nabije woning is voor wie het goede doen. 10. Maar voor wie het kwade doen, past het niet dat zij die stad binnengaan, waar de geëerde koningen binnengaan. 11. Want zij bewaarden mijn woord en mijn inzetting niet, zegt God die over alles heerst. ## 1 Meqabyan 34 — Koninkrijk tegen koninkrijk 1. Het koninkrijk van Medië zal vergaan, en het koninkrijk van Rome zal heel sterk worden, sterker dan het koninkrijk van Macedonië en het koninkrijk van Ninevé en het koninkrijk van Perzië, 2. en het koninkrijk van Ethiopië sterker dan het koninkrijk van Alexandrië, en het koninkrijk van Moab sterker dan Amalek. Want zij zullen opstaan. 3. En de broer zal opstaan tegen zijn broer, en God zal wraak nemen, zoals Hij over hen gesproken heeft, dat zij vernietigd zouden worden. 4. En Hij zei: Het ene koninkrijk zal opstaan tegen het andere koninkrijk, en volk tegen volk, en stad tegen stad. 5. En er zal onrust zijn, en er zal doodslag zijn, en honger en pest en aardbeving en het uitblijven van de regentijd. Want vrede en liefde zijn geweken, en de gesel van God is daarop neergedaald. 6. En wanneer de dag van God gekomen is, dan plotseling, als de bliksem die van het oosten tot het westen verschijnt. 7. En dan zal ieder vergolden worden naar zijn werk, en naar het werk van zijn handen, en naar de vrucht van zijn werk. Want Hijzelf, zegt God, zal Zich op hen wreken op de dag van het oordeel, op het moment dat hun voet wankelt. Want de dag van hun rekenschap is dichtbij gekomen. 8. Op die dag zal God wie het kwade doen en niet naar Zijn wet leven wegvagen, tot het eeuwige oordeel: het volk van Juda, en Cyprus, en Samaria, en Damascus, en het volk van Babylon, 9. en ook wie op de eilanden wonen: Arabië en India en Nubië en Seba en Egypte en Ethiopië, en allen die daar wonen. 10. Dan zullen zij mij kennen, dat ik het ben, God, die hemel en aarde oordeel. En ik ben het die eer en gunst geef, en ik ben het die doodt en levend maakt. 11. En ik ben het die de zon laat opgaan en haar naar haar ondergang stuurt, en ik ben het die het goede en het kwade brengt. 12. En ik ben het die een volk brengt dat jullie niet kennen, dat de vrucht van jullie werk zal eten, en de kudden van jullie runderen en van jullie schapen. 13. En zij zullen jullie kinderen voor jullie ogen neerslaan en hen als gevangenen wegvoeren, en jullie zullen hen niet kunnen redden. En zij zullen jullie vette gerechten en jullie weelde opeten, omdat jullie geen ontzag gehad hebben voor het gebod van God dat jullie gehoord hebben, en omdat de Geest van God niet over jullie uitgestort is. 14. Maar wie de Geest van God op zich heeft rusten, weet alles, zoals Nebukadnezar tegen de profeet Daniël zei: Want ik zie de Geest van God op u. 15. Want wie de Geest van God heeft, weet alles. Ook wat verborgen is, wordt hem duidelijk, en er is niets verborgen voor de Geest van God, maar Hij kent alles, het verborgene net zo goed als het openbare. 16. Want wij zijn mensen, wij die morgen sterven, en onze werken zullen aan het licht komen, alles wat wij in het verborgen gedaan hebben. 17. Zoals men goud en zilver in het vuur test, zo zullen de zondaars op de laatste dag getest worden, omdat zij het gebod van God niet bewaarden. 18. Dan zullen ook de werken getest worden van alle kinderen van Israël en van alle volken. ## 1 Meqabyan 35 — Wee jullie, machtigen van Israël 1. Wee jullie, machtigen van Israël, want God zal woedend op jullie worden, omdat jullie de wees zijn recht niet gegeven hebben. 2. Wee jullie, die 's ochtends en 's avonds naar het huis van de drankschenker gaan, die dronken worden en zwelgen, die niet letten op het recht van de wees en van de weduwen, en die neerzitten in genot en brasserij. 3. Zo zei God tegen de machtigen van Israël: Wee jullie, als jullie niet naar mijn gebod leven, mijn woord niet bewaren en niet liefhebben wat ik wil. 4. En ik, ik zal de gesel over jullie brengen, en straf en ziekte, en jullie zullen vernietigd worden als wat de worm en de made wegvreten, en jullie tienden zullen in jullie streken niet meer te vinden zijn. 5. En jullie stad zal een woestenij worden, en iedereen die haar vroeger gezien heeft, zal in zijn handen klappen en over haar fluiten en zeggen: Is dit niet de stad die vol zegen en vol goede dingen was? Zo heeft God haar dus gemaakt om de slechtheid van wie in haar wonen. 6. Wee haar! Want zij verhief haar hart en stak haar hoofd omhoog en rekte haar hals uit, totdat God haar vernederde in het stof van de aarde. En om de hoogmoed van wie in haar wonen, is zij een woestenij geworden, en doorn en distel zijn op haar opgeschoten. 7. En zij werd een wildernis en een puinhoop, en zij werd een dorre en verlaten plek, en ook de wilde dieren wonen in haar. 8. En zij werd een verschrikking voor wie langs haar trekken, want de toorn van God is op haar gevallen, en zij heeft gedronken uit de beker van Zijn toorn, om de hoogmoed van haar hart en om de slechtheid van wie in haar wonen. ## 1 Meqabyan 36 — Ik heb vrienden op de aarde 1. Schep niet op, Macedoniërs, en steek je nek niet uit, Amalekieten, want er is een God die wraak op jullie neemt. 2. Want jullie verheffen je tot aan de hemel, en jullie zullen afdalen in het dodenrijk. 3. En in de tijd van de eerste intocht van Israël in het land Egypte, in het koninkrijk van de Macedoniërs en de Moabieten, zei Hij: Schep niet op. Want het past niet dat jullie God uitdagen en het tegen Hem opnemen. 4. En jij ook, vergankelijke Ismaëliet, waarom steek je je nek uit naar wat niet van jou is? Denk je er niet aan dat God je zal oordelen op de dag van het oordeel, wanneer Hij opstaat om de aarde te oordelen? 5. Dan zul je vergolden worden naar het werk van je handen. Waarom verhef je je hart en steek je je nek omhoog? zegt God, die over alles heerst. 6. En ook ik zal met je afrekenen, omdat je getart hebt wie niet van jou waren. En waarheen ik je ook gestuurd heb, daar word jij iemand die doet wat hij wil, om kwaad te bedrijven. 7. En zo zal ik ook met jou doen, zegt God die over alles heerst. En jij: als je het goede doet en liefhebt wat ik liefheb, dan zal ook ik je verhoren in alles waarom je mij bidt. 8. En ik zal jouw wil doen als jij mijn wil doet, en je vijand zal je niet weerstaan. En ik zal je werk zegenen, en je nageslacht en je kinderen. 9. En ik zal de kudden van je runderen en je schapen zegenen, en ik zal alles zegenen wat je ter hand neemt, als je naar mijn gebod leeft en doet wat ik liefheb, zegt God die over alles heerst. 10. En als je mijn wil niet doet en niet naar mijn gebod leeft, dan zal mijn oordeel je treffen, dit hele oordeel van mij dat eerder uitgesproken is. En je zult niet kunnen ontkomen aan mijn toorn, die altijd over je komt, omdat je je niets hebt aangetrokken van mijn gebod en niet naar mijn recht geleefd hebt. 11. En je hebt niet gekozen wat ik kies, en je hebt je onttrokken aan mijn lof en aan mijn aanbidding, terwijl ik jou geschapen heb toen je nog niet bestond. 12. En ik heb je eer en heerlijkheid gegeven onder de mensen die onder jou staan, zodat je alles zou doen wat je wilt: doden en laten leven, bouwen en afbreken, eren en vernederen, verhogen en verlagen. Dat komt jou toe. 13. Als je de wil van God doet en naar Zijn geboden leeft, zal Hij je liefhebben, zodat je je met Hem verheugt in Zijn koninkrijk en deel hebt met wie de heilige stad geërfd hebben. 14. Want Hij zei: Als zij bij mij volhouden, zal ik hun eer en gunst laten erven, en ik zal hen blij maken in het huis van mijn gebed. En zij zullen uitverkorenen zijn waar ik plezier in heb, als een offer van de offergave, zegt God die over alles heerst. 15. Wees niet traag in het doen van het goede en op de weg van het heil, zodat je van de dood overgaat in het leven. 16. En wie zich toeleggen op het doen van het goede, zal God beschermen in al het goede, zodat zij Zijn dienaar zijn, zoals Job, die God voor alle kwaad bewaarde, 17. en zoals Abraham, die Hij redde toen men hen om de heerschappij wilde doden. En zoals Hij Mozes redde uit de hand van de farao, en uit de hand van de Kanaänieten bij wie Abraham woonde, terwijl zij hem lieten wegkwijnen, avond en morgen, dag en nacht, om hem voor hun afgoden te laten buigen. 18. Maar hij hield geduldig vol en weigerde hen te volgen naar hun eigen uitgehouwen beelden, terwijl zij hem meesleepten. 19. En hij bleef hen weigeren en ontzag hebben voor God, die hem geschapen had. Want Abraham was Zijn gelovige, God, in wie hij geloofde vanaf zijn jeugd. 20. En hij minderde niet in de aanbidding van God tot in het jaar van zijn dood, want hij had God buitengewoon lief. En hij overtrad Zijn gebod niet tot de dag van zijn dood, en hij onderwees zijn kinderen om het gebod van God te houden. 21. En ook zij overtraden Zijn gebod niet, zoals hun vader gedaan had. Het nageslacht van Abraham, Zijn dienaar, Izak en Jakob, overtrad het gebod van God niet. Over hen sprak God en zei Hij tegen Zijn engelen: Ik heb vrienden. 22. Op de aarde is Abraham mijn geliefde, en Izak mijn lieveling, en Jakob in wie mijn ziel plezier heeft. Door hen word ik geëerd, zegt God die over alles heerst. 23. En de kinderen van Israël maakten Hem voortdurend en bovenmate woedend. Maar Hij bleef hun goeddoen en voedde hen met manna in de woestijn. 24. En hun kleren sleten niet en hun voetzolen scheurden niet, want zij aten manna, dat is het brood van de kennis. 25. Maar hun hart bleef ver van God, en zij hadden geen hoop op redding, want zij deden vanaf het begin kwaad. 26. En zij waren niet zoals hun vaderen Abraham, Izak en Jakob, die God hun leven lang behaagden, maar zij waren als een boog die zijn doel mist. En zij maakten Hem voortdurend woedend met hun afgoden, op hun heuvels en op hun bergen, en zij aten op de bergen en onder de bomen en op de hoogten. 27. En zij slachtten en offerden en verheugden zich in het werk van hun handen. En zij aten het offervlees en dronken de wijn van hun drinkgelag, en zij dansten en vermaakten zich met de demonen. 28. En de demonen maakten het hun aangenaam in al hun dans en hun spel, en in al hun dronkenschap en hoererij zonder maat, en gierigheid en geweld, waar God geen plezier in heeft. 29. En zij offerden aan het uitgehouwen beeld van Kanaän, en aan Baäl, en aan Marya van Midjan, en aan de uitgehouwen beelden van de Filistijnen: Dagon en Apollon, en aan Artemis en aan Rasion, 30. en aan alle goden van de volken die om hen heen heersten. En zij deden alles zoals de volken het deden, naar wat zij zagen en naar wat zij hoorden: al hun spel en hun dans en hun kabaal dat de volken maakten. 31. En zo deed ook het volk Israël, dat zegt: Wij aanbidden God — maar zij deden Zijn wet en Zijn gebod niet, dat Mozes hun in de wet opgedragen had, om de geboden van God te houden en zich verre te houden van de afgodendienst, 32. en om geen andere goden te aanbidden dan de God van hun vaderen, die hun te eten gaf van het koren van de velden, die hen liet opklimmen naar de hoogten van het land, die hen verzadigde met honing uit de rots en die hen voedde met manna. 33. En Hij onthield hun niet wat zij wensten en verlangden, want Hij was hun God, en Hij gaf hun te eten wat zij wilden. 34. Maar zij hielden niet op God woedend te maken. En wanneer Hij hen blij maakte, vergaten zij God. 35. En wanneer Hij hen strafte, riepen zij tot Hem, en Hij redde hen uit de benauwdheid die hen getroffen had. En weer waren zij openlijk blij en leefden zij vele dagen. 36. En dan draaiden zij hun hart om en keerden zij terug om God woedend te maken zoals vroeger. En Hij liet de volken om hen heen tegen hen opstaan, om hen te doden en tot slaven te maken en te onderdrukken. 37. En weer bekeerden zij zich en keerden zij terug en riepen zij tot God, hun God. 38. En Hij ontfermde Zich over hen, niet om henzelf, maar om hun vaderen, met wie Hij gezworen had en Zijn verbond opgericht had: met Abraham en Izak en Jakob, die van oudsher God behaagd hebben, hun leven lang. 39. En wie Hem liefhadden en Zijn gebod hielden, die had Hij lief, om hun nageslacht talrijk te maken als het zand van de zee en als de sterren van de hemel. 40. En met het zand van de zee bedoelt Hij de zielen van de zondaars in de tijd van de opstanding van de doden, die de zee van vuur zullen binnengaan, uit de kinderen van Israël. 41. Maar de zielen van de rechtvaardigen zijn als heldere sterren hoog aan de hemel, uit het nageslacht van de kinderen van Israël. Want God zei tegen Abraham: Kijk 's nachts naar de hemel en tel de sterren van de hemel, of je ze tellen kunt. En zo zal jouw nageslacht, de rechtvaardigen, schijnen als de sterren in het koninkrijk van de hemel. 42. En verder zei Hij tegen hem: Kijk in de zee en aan de oever van de rivier, en zie wat er in het zand is, en tel het, of je het tellen kunt. En zo is jouw nageslacht: zij die afdalen in het dodenrijk in de tijd van de opstanding van de doden. 43. En Abraham geloofde in God, en daarom werd het hem als gerechtigheid aangerekend, en zijn hoop kwam bij hem uit op de aarde: nadat zijn vrouw Sara oud geworden was, kreeg zij een zoon, Izak. 44. En verder zal hij in de hemel het koninkrijk krijgen, om zijn geloof. Want hij geloofde dat de doden zullen opstaan, en dat wie het goede gedaan hebben, het eeuwige leven zullen binnengaan, 45. en dat wie kwaad deden, het eeuwige oordeel binnengaan in de tijd van de opstanding van de doden. En de rechtvaardigen, die het goede deden, zullen met Hem heersen tot in alle eeuwigheid. 46. En wie kwaad deden, zullen veroordeeld worden tot in alle eeuwigheid. Amen en amen. ## 2 Meqabyan 1 — Wat Meqabis de Joden aandeed 1. Dit gaat over wat Meqabis de Joden aandeed in Mesopotamië van Syrië, en hoe hij hen doodde in hun streken tot in de omgeving van Jeruzalem, vanaf de Jabbok en vanaf de verwoesting van het heilige Gerag. 2. Want zij belegerden Samaria tot in de omgeving van Jeruzalem en alle streken daaromheen, en zij doodden met het scherp van het zwaard tot er niemand meer over was dan een klein groepje. Want de Edomieten, de Syriërs en de Amalekieten hadden zich verbonden met de Moabiet Meqabis, die de stad Jeruzalem verwoestte. 3. En toen de kinderen van Israël zondigden, stuurde Hij de Moabiet Meqabis naar hen toe, en die doodde hen allemaal met het zwaard. 4. En daardoor vlamde de woede van de vijanden van God op tegen Zijn heilige stad, en zij kwamen in opstand. 5. En de Edomieten en de Filistijnen belegerden haar en begonnen wraak te nemen op de stad van God, want Hij had hen zelf gestuurd, omdat zij het woord van God veracht hadden. 6. En de stad van deze Meqabis was Remat in Moab. Hij stond met macht op uit zijn stad en smeedde een plan met wie bij hem waren. 7. En zij sloegen hun kamp op in de valleien van Gelabuhe, van Mesopotamië tot aan Syrië, om de stad van God te verwoesten. En van daaruit vroeg hij de Filistijnen en de Amalekieten om hulp. Hij gaf hun veel goud en zilver en paarden en wagens, zodat zij met hem in opstand zouden komen. 8. En zij kwamen bij elkaar, haalden de stad omver en vergoten het bloed van wie erin woonden als water. 9. En zij maakten van Jeruzalem een hut zoals een oogstwachter die heeft. Zij deden daarin gruwelijke en onreine dingen en alles wat God niet bevalt, goddeloze werken, en zij maakten de stad van God vuil, die vol gerechtigheid en heiligheid was. 10. En zij maakten van de lijken van Uw knechten voedsel voor de vogels van de hemel, en van het vlees van Uw rechtvaardigen voer voor de dieren van het veld. 11. En zij onderdrukten de weduwe en de wees, en bij zwangere vrouwen dreven zij uit wat in hun buik zat, totdat God, die hart en nieren onderzoekt, woedend werd. Want zij handelden zonder ontzag voor God, zoals de satan hun geleerd had. 12. En zij keerden terug naar hun woonplaatsen, blij over het kwaad dat zij het volk van God aangedaan hadden. En hij nam gevangenen en buit mee, die hij uit de heilige stad geroofd had. 13. En toen zij thuiskwamen en terug waren in hun huizen, vierden zij feest met eten en drinken en uitgelatenheid. ## 2 Meqabyan 2 — De profeet Reday bij Meqabis 1. En zo sprak de profeet Reday tot hem, die zij ziener noemen: Verheug u nu maar een korte tijd, in het licht van één uur. Maar God, de Heilige van Israël, staat klaar om Zich op u te wreken van een kant die u niet verwacht hebt. 2. U zegt: Mijn paarden zijn snel, dus ik ontkom wel door te vluchten. 3. Maar ik zeg je: wie jou achtervolgen, lopen sneller dan arenden, en jij zult niet ontkomen aan de benauwdheid en de toorn van God die op jou is. 4. En zegt u: Ik zal ijzer aantrekken, en dan kan de pijl van de boog mij niets doen, en het werpen van speren ook niet? Maar het is ook niet met geworpen ijzer dat ik mij op jou wreek, zegt God, de Heilige van Israël. Ik zal een lelijke ziekte in je hart brengen, erger dan de pijl van de boog en het werpen van de speer, en de ziekte sih en abeq. 5. En ik zal een lelijke ziekte in je hart brengen, en je zult niemand hebben die je helpt en je zult er ook geen vinden. Want mijn toorn heeft je getroffen, en je zult niet aan mijn hand ontkomen, totdat ik de herinnering aan jou van de aarde weggevaagd heb. 6. En je zult mij kennen, dat ik God ben, jouw Schepper, wanneer ik dit in een oogwenk laat gebeuren. Want je hebt je nek verhard en je hoofd opgeheven tegen mijn stad. Want je bent als gras voor de wind, dat het vuur voor mijn ogen verbrandt, en als as die de wind en de wervelstorm van de aarde opnemen. Zo ben jij voor mij. 7. Want mijn toorn heeft je getroffen en je hebt je Schepper niet gekend. En ook ik zal niets van wat van jou is sparen, en in al je bergen zal ik niemand laten ontkomen. 8. En nu: bekeer u van al het kwaad dat u gedaan hebt. En als u zich bekeert en u klein maakt voor God met tranen en gehuil, en tot Hem bidt met een zuiver hart, dan zal God uw zonde voorbijgaan in alles waarin u tegen Hem overtreden hebt. 9. En toen huilde Meqabis voor God om zijn zonde en kleedde hij zich in as, omdat God woedend op hem was. 10. En hij wist dat God het kwaad niet zou uitstellen dat Hij door de mond van Zijn profeet gesproken had. Want Zijn ogen zijn wakker en zij sluimeren niet, Zijn oren staan open en zijn niet doof, en het woord dat Hij gesproken heeft is niet vals, maar Hij voert het uit in één ogenblik, in een oogwenk. 11. En hij gooide zijn kleren af en trok een rouwkleed aan, hij strooide as op zijn hoofd en hij huilde en jammerde voor God, zijn God, om het kwaad dat hij gedaan had. ## 2 Meqabyan 3 — Keer terug naar Meqabis 1. En de profeet sprak tot hem, want Remat in Moab lag dicht bij Syrië. 2. En hij groef de aarde open en ging erin tot aan zijn hals, en hij huilde bittere tranen en bekeerde zich van de zonde die hij voor God begaan had. 3. En zo sprak God tot de profeet die in het land Juda was: Ga terug naar het land Remat, naar Meqabis, de vorst van Moab, en zeg: Dit zegt God: Niet jij hebt dit gedaan — zodat je niet op je eigen kracht zou roemen. Door de kracht van mijn macht en door mijn legers heb ik de heilige stad verwoest. Maar ik ben God, jouw Heerser. Uit mijzelf, omdat ik het wilde, heb ik jou gestuurd om mijn stad te verwoesten. 4. Want zij maakte mij woedend met al haar hebzucht, haar hoererij en haar onreinheid. 5. En toen gaf ik haar prijs en leverde ik haar in jouw hand. En het is niet aan jou te danken dat je je nek verhard hebt en gezegd hebt: Ik heb de stad onderworpen door de kracht van mijn hand. En nu gaat God je zonde voorbij, om de kinderen die je verwekt hebt. 6. En nu: bekeer je met heel je hart en houd vol, en wees niet weifelend, want wie weifelen, houden in hun berouw geen stand. 7. En gelukkig zijn zij die zich met heel hun hart bekeren en niet terugkeren naar goddeloosheid en zonde, in alles waar zij om hun kwaad berouw over hebben. 8. En zij houden vol in huilen en tranen, in veel gebed en in diep buigen voor God, die hen geschapen heeft. Want Hij zegt tegen wie berouw hebben: Jullie hebben gedwaald en jullie hebben je bekeerd; jullie zijn van mij. 9. En ook tegen de hoogmoedige zegt Hij, nadat die gedwaald heeft en met berouw naar Hem terugkeert: Om je ontzetting en om je angst zal ik je zonde voorbijgaan. Want ik ben God, jouw Heerser, die de zonde van de vader bezoek aan de kinderen tot in de derde en de vierde generatie, maar aan wie mij liefhebben en mijn gebod bewaren barmhartigheid bewijs tot in de duizendste generatie. 10. En nu zal ik om deze kinderen van jou die je verwekt hebt mijn verbond met jou houden, en ik zal je berouw aannemen voor het kwaad van je daden, zegt God, de Heilige van Israël, die over alles heerst. 11. En toen kwam hij uit de kuil en boog zich voor de profeet neer en zei: God mag met mij doen wat Hij wil, als ik maar niet van u gescheiden word. Maak van mij wat u wilt. Want ik heb God woedend gemaakt en ik heb niet naar Zijn gebod geleefd, net zomin als mijn vaderen. Want wij hebben geen wet, en u weet zelf dat wij afgoden dienen, zoals onze vaderen het ons geleerd hebben. 12. En ik, ik heb tot nu toe niet naar het woord van de profeten van God geluisterd, want ik ben een zondaar. Ik heb geleefd in mijn zonde, in de hoogmoed van mijn hart en in de hardheid van mijn nek. Ik heb het gebod van God geminacht en ik heb niet geleefd naar Zijn gebod en Zijn recht dat Hij mij opgedragen heeft. 13. En de profeet antwoordde en zei tegen hem: Ik weet dat Hij uw berouw nu aangenomen heeft, want er is vóór u niemand uit uw geslacht die zijn zonde belijdt. 14. En laat van nu af de dienst van de afgoden los en keer u tot de kennis van God, zodat uw berouw echt is. En hij boog zich neer aan de voeten van de profeet, en de profeet richtte hem op en onderwees hem in alles wat bij een goede levenswandel hoort. 15. En hij deed wat God hem opgedragen had, en hij keerde terug naar zijn huis. 16. En deze Meqabis maakte zijn ziel recht en verwijderde uit zijn huis alle waarzeggerij en afgoden en toverij en waarzeggers en bezweerders. 17. En de kinderen van de ballingschap die hij uit Jeruzalem meegebracht had, vroeg hij avond en morgen uit over heel het gebod van God, Zijn wet en Zijn inzetting, zoals hun vaderen dat deden. 18. En hij stelde een aantal van de kinderen van de ballingschap aan in zijn huis, uit de wijzen onder hen. 19. En verder stelde hij uit de jongeren onder hun wijzen leermeesters aan in zijn woonvertrek, die zijn kleine kinderen bewaakten en onderwezen, zodat zij hun de weg van God zouden leren, zoals de kinderen van Israël deden: Zijn wet en Zijn inzetting en Zijn rechten en het recht. En alle reinheidsgeboden die de Moabieten tot dan toe niet kenden, leerde hij van de kinderen van de ballingschap. 20. En hij schafte hun gewijde voorwerpen af, en al hun waarzeggerij, en al hun afgoden, en al hun heilige spullen, en hun altaren met hun offergaven: de rammen uit zijn kudden en de bokjes die hij avond en morgen aan zijn goden offerde. 21. Want hij had aan hen geofferd en hen aanbeden bij alles wat hij deed, elke dag en elk uur, en hij had tot hen gebeden en op hen vertrouwd en hun wil gedaan in alles wat de priesters van zijn goden hem zeiden. 22. En hij was niet van hun woord afgeweken in alles wat zij hem zeiden, want het leek hem in alles zo dat zij hem gered hadden. 23. Maar deze Meqabis verliet hun weg. 24. En toen hij het woord van Reday gehoord had, die zij een profeet noemen, maakte hij zijn weg goed tot berouw, en heel zijn huis maakte zijn weg goed, naar het voorbeeld van de kinderen van Israël in die dagen. Want de kinderen van Israël maakten Hem telkens weer woedend, en op het moment dat Hij hen strafte, erkenden zij Hem en riepen zij tot God. 25. En wanneer Hij zag dat zij vernederd waren onder de handen van wie hen lieten wegkwijnen, en dat zij het naar Hem uitschreeuwden, dan ontfermde Hij Zich op die dag over hen, omdat Hij dacht aan het verbond met hun vaderen wanneer zij tot Hem riepen: om Abraham en Izak en Jakob, hun vaderen. 26. En wanneer Hij hen gered had, vergaten zij Hem die hen gered had en keerden zij terug naar de dienst van de afgoden. 27. En dan stuurde Hij volken op hen af die hen lieten wegkwijnen. En wanneer die hen gekweld en onderdrukt hadden, riepen zij tot God, en dan ontfermde Hij Zich over hen en was Hij hun genadig, omdat Hij hen liefhad, want zij waren het werk van Zijn handen. 28. En wanneer Hij hun dan weer rust gaf, begonnen zij Hem opnieuw te tergen met de dienst van de afgoden om hen heen en met het kwade werk van hun handen. 29. En dan hitste Hij het volk van de Filistijnen tegen hen op, en Moab en Midjan en Syrië en Egypte. En zij huilden en riepen wanneer hun vijanden hen overwonnen, onderdrukten, tot slaven maakten en eronder hielden. En Hij liet richters voor hen opstaan, zodat de richters hen zouden bevrijden. ## 2 Meqabyan 4 — Meqabis leeft naar het gebod van God 1. En er was er een in de dagen van Hosea. 2. En er was er een in de dagen van Gideon. 3. En er was er een in de dagen van Simson en Barak en Debora en Judit. Of het nu door vrouwen ging of door mannen, Hij liet richters voor hen opstaan om hen te bevrijden uit de macht van wie hen lieten wegkwijnen, en om hen te redden uit de hand van al hun vijanden. 4. En zoals Hij het wilde, bevrijdde God hen uit de macht van wie hen lieten wegkwijnen. 5. En zij waren heel blij met alles waarmee Hij hun goed deed: met het zaad van hun land, met de aanwas van hun vee en met alle kudden op het veld en in de wildernis. 6. En Hij zegende hun vee en hun aanplant en alles wat zij bezaten. Wat er in huis was en wat er op het veld was, zegende Hij voor hen, en Hij maakte hun vee niet minder. Want Hij had Zijn ogen op hen gericht en Hij hield veel van hen, want zij waren een geslacht van rechtvaardigen. 7. Maar wanneer zij zelf slecht werden in wat zij deden, gaf Hij hen over in de hand van hun vijanden. 8. En wanneer Hij hen doodde, zochten zij Hem op die dag en keerden zij terug en haastten zij zich naar God, hun Schepper. 9. En wanneer zij met heel hun hart terugkeerden, vergaf Hij hun en dacht Hij niet meer aan hun eerdere overtreding. Want Hij kende hen: zij waren vlees en bloed, en de misleiding van de geest van deze wereld en van de boze geesten zat in hen. 10. En toen deze Meqabis dit woord gehoord had dat God op de berg van Zijn heiligdom ingesteld had, streed hij in berouw. 11. En hij hield niet op te doen wat hij van dit woord gezien en gehoord had, en al het goede dat de kinderen van Israël doen. Want God ontfermde Zich over hen: wanneer God hen strafte omdat zij het gebod overtraden, huilden zij en riepen zij, en dan ontfermde Hij Zich opnieuw over hen, en deden zij Zijn gebod. 12. En zo maakte Meqabis zijn wegen recht, hield hij Zijn gebod en leefde hij naar het gebod van God, de God van Israël. 13. Van die dag af deed hij naar wat hij gehoord had, en alles wat de kinderen van Israël doen deed hij ook, door het gebod van God te houden. 14. En hij droeg zijn huis en zijn kinderen op om naar alle wegen en geboden van God te leven. 15. En de dingen die de Joden voor verboden houden, hield ook hij voor verboden. En de geboden die de Joden onderhouden, deed ook hij naar wat hij gehoord had. En het eten dat de Joden verbieden, verbood ook hij — hoewel hij van een ander volk was, een Moabiet. 16. En hij gaf de tienden, en de eerstgeborenen van zijn schapen, zijn runderen en zijn ezels, en alles wat hij verdiende gaf hij. En het offer dat de Joden brengen, bracht ook hij, met zijn gezicht naar Jeruzalem gekeerd. 17. En het offer bij een gelofte, en dat voor de zonde, en het vrijwillige offer, en het dankoffer, en het dagelijkse offer. 18. En de eerste vruchten en de offergave die de Joden brengen, bracht ook hij, en hij gaf die aan de Leviet die daarvoor aangesteld was. En alles wat de Joden doen, deed ook hij, ook het branden van reukwerk. 19. En hij liet de heilige vaten maken, en tafels en tenten en waskommen en het verdere gerei, en gedreven goud voor de heilige kandelaar en voor het voorhangsel, zoals men dat doet in het heilige der heiligen van Israël, om God te behagen. 20. Want zij bleven bij Zijn wet en Zijn inzetting, zodat God hen niet zou verwerpen en niet in de hand van hun vijanden zou geven. En zo deed ook Meqabis goed in alles wat hij deed. 21. En hij bad voortdurend tot God, de God van Israël, of Hij zijn leidsman wilde zijn en hem niet wilde afsnijden van de gemeenschap van Israël, die Hij uitgekozen en tot de Zijne gemaakt heeft omdat Hij het zo wilde. 22. En verder bad hij of Hij hem nageslacht in Sion wilde geven en huizen in Jeruzalem, en of Hij hem wilde redden uit de benauwdheid die Hij door de mond van de profeet aangekondigd had, en of Hij zijn berouw wilde aannemen in alles waarvan hij zich bekeerd had. 23. En hij huilde met tranen voor God, of Hij zijn nageslacht niet van de aarde wilde wegvagen en of Hij hem wilde bewaren bij zijn binnenkomen en bij zijn uitgaan. 24. En ook van het volk van Moab, dat onder de hand van Meqabis stond, werden velen ertoe gebracht om te geloven, omdat hun vorst op de rechte weg liep, het recht in acht nam en Zijn wil deed. En zij lieten het recht van hun steden en de gewoonten van hun land los, want zij zagen dat de weg van Meqabis recht was en veel beter. 25. En zij kwamen naar hem toe en hoorden het rechtvaardige oordeel en de goedheid van Meqabis. 26. En hij had bezit in overvloed, en knechten en dienaressen en ezels en kamelen. En hij had paarden die zij in ijzer staken. 27. En vanaf de tijd dat hij God diende, was er niemand die hem overwon wanneer hij ten strijde trok, maar hij won zelf. 28. En zij kwamen in de kracht van hun goden om tegen hem te vechten en hem te vervloeken in de naam van hun goden, maar er was niemand die hem kon overwinnen, want hij had zijn vertrouwen op God, zijn God, gezet. 29. En hij bleef dat doen: hij bleef zijn vijanden overwinnen en volken onder zijn hand brengen. 30. En hij deed recht aan wie onderdrukt werden, en hij stelde de wees in het gelijk. 31. En hij ontving de weduwen en de wezen in hun nood, hij gaf de hongerigen genoeg te eten van zijn voedsel en hij kleedde wie naakt waren met zijn kleren. 32. En hij was blij met zijn werk en met wat zijn handen maakten, en hij gaf van wat hij had zonder iets achter te houden, en hij gaf de tienden aan het huis van God. En terwijl Meqabis dit deed, stierf hij in vrede. ## 2 Meqabyan 5 — De zonen van Meqabis in ballingschap 1. En hij liet zijn jongens achter, kleine kinderen. En zij groeiden op zoals hun vader het hun opgedragen had. Zij hielden zich aan de regels van hun huis, zij bewaarden alles wat van hen was, en zij onderdrukten de arme, de wees en de weduwe niet. 2. En zij hadden ontzag voor God en gaven van hun bezit aan wie tekortkwamen. Zij namen alles in acht wat hun vader hun toevertrouwd had. Zij troostten de weduwe en de wees in hun nood, zij waren voor hen een vader en een moeder, zij redden hen uit de hand van wie hen onderdrukten, en zij troostten hen bij elke schok en elk verdriet dat hun overkwam. 3. En dat bleven zij vele jaren doen. 4. En daarna kwam Tsirutsaydan, de koning van de Chaldeeën. Hij verwoestte al hun steden, zij voerden de kinderen van Meqabis gevangen weg en hij verwoestte heel hun land. 5. En hij plunderde al hun bezit, en ook henzelf grepen zij en voerden zij weg naar hun land: de afgodendienaars, die niet leven naar het gebod en het recht van God, maar in allerlei kwaad en hoererij en onreinheid en hebzucht en godslastering, en die niet aan hun God dachten. 6. En zij aten allerlei kadavers en bloed en vlees dat door wilde dieren verscheurd was, en alles wat God niet bevalt. En zij hadden geen wet en kenden geen van de rechtvaardige geboden die in de wet geschreven staan. 7. En zij kenden God niet, dat Hij hun Schepper is en hun Redder, die hen uit de schoot van hun moeder tevoorschijn gebracht heeft en hun gegeven heeft wat zij nodig hadden. 8. En zij kenden geen wet en geen recht. Zij leefden in goddeloosheid en geweld en hoererij en onreinheid. Zij trouwden met de vrouw van hun vader en met de zus van hun moeder. Zij deden al het kwaad dat er is, zij trouwden met hun eigen zus en met hun familie, en zij hadden geen wet. 9. En heel hun weg was verderf en duisternis en onreinheid en hoererij. 10. Maar de kinderen van Meqabis hielden zich aan alles wat zij zich ontzegd hadden. Zij aten geen kadavers en geen verscheurd vlees, en niets van de onreinheid en de zonde van de kinderen van de Chaldeeën. Want hun daden zijn slecht en talrijk, en zij staan niet in dit boek beschreven, de dingen die de kinderen van de Arabieren doen: zondaars en overtreders, afvalligen en onreinen, vol goddeloosheid en onreinheid en geweld. 11. En er was in hen helemaal niets wat God, hun Schepper, bevalt. 12. En bovendien dienden zij een afgod die Baäl-Peor heet. Zij aanbaden hem en vertrouwden op hem alsof hij God was, hun Schepper. Maar hij is stom en doof, en er is niemand die ziet of hoort, want hij is een uitgehouwen beeld, het werk van mensenhanden, dat de smid uit goud en zilver gegoten heeft: het werk van mensenkinderen, dat geen verstand en geen adem heeft. 13. En hij eet niet en drinkt niet. 14. En hij doodt niet en maakt niet levend. 15. En hij plant niet en rukt niet uit. 16. Hij doet geen kwaad en hij doet geen goed. 17. Hij maakt niet arm en hij maakt niet rijk. 18. Hij straft niet en hij ontfermt zich niet. Hij is alleen maar een struikelblok dat de dwazen verleidt, het volk van de Chaldeeën. ## 2 Meqabyan 6 — De zonen van Meqabis weigeren 1. En de hoogmoedige Tsirutsaydan, de vijand van God, stelde valse priesters en afgodspriesters aan. 2. En zij brachten offers aan de afgoden en riepen tot hen. 3. En zij dachten dat die aten en dronken. 4. En hij gaf aan wie het slachten deden runderen en schapen en kalveren en geiten. En zij offerden 's avonds en 's morgens en aten van dat onreine offer. 5. En zij deden dat niet alleen zelf, maar zij dwongen ook anderen om aan hun goden te offeren. 6. En toen de afgodspriesters de zonen van Meqabis zagen, dat zij goed waren en God, hun Schepper, aanbaden, wilden zij hen laten afdwalen, zodat zij zouden offeren en van dat onreine offer zouden eten. Maar die gezegende mannen weigerden hun dat. 7. En zij kregen hen niet zover dat zij toegaven, want zij hielden zich aan het gebod van hun vader, zij waren sterk in het doen van het goede en zij hadden groot ontzag voor God. 8. En zij belasterden hen en scholden hen uit en onderdrukten hen. 9. En zij zeiden tegen koning Tsirutsaydan dat zij weigerden zich neer te buigen en aan zijn goden te offeren. 10. En daarom werd de koning boos en verdrietig, en hij gaf bevel hen te halen. En zij brachten hen en zetten hen voor hem neer, en hij zei tegen hen: Offer en buig je neer voor mijn goden. 11. En zij antwoordden en zeiden tegen hem: Maar wij, wij zullen u hierin niet gehoorzamen, en wij zullen niet aan uw onreine goden offeren. 12. En hij bedreigde hen op allerlei manieren, maar hij kon niets tegen hen beginnen, want zij hadden hun hart vastgezet op God. 13. En hij stak een vuur aan en gooide hen daarin, en zij gaven hun ziel over aan God. 14. En na hun dood verschenen zij levend aan hem, met hun getrokken zwaarden in de hand, terwijl hij 's nachts op zijn koninklijke bed sliep, en hij werd doodsbang. 15. En hij zei tegen hen: Wat zal ik voor u doen, mijne heren? Spaar mij en neem mijn leven niet, dan zal ik alles doen wat u mij opdraagt. En zij joegen hem grote angst aan. 16. En zij zeiden hem alles wat gezegd moest worden: Bedenk dat God uw Schepper is. Er is Eén die u van deze hoogmoed van u zal beroven en die u zal neergooien in de hel beneden, samen met de duivel, uw vader. En daar zult u uw oordeel tot op de bodem ondergaan, omdat u ons met vuur verbrand hebt terwijl wij niets tegen u misdaan hadden en terwijl wij God, onze Schepper, aanbaden en ons voor Hem neerbogen uit ontzag voor God. 17. Want Hij is de Schepper van alles, die hemel en aarde en zee gemaakt heeft en alles wat daarin is: 18. de zon en de maan en de sterren en heel de schepping die God Zelf geschapen heeft. 19. En er is geen andere God dan Hij, niet in de hemel boven en niet op de aarde beneden. Hij kan alles, en er is niemand die Hem overwinnen kan. Hij doodt en Hij maakt levend, Hij slaat en Hij ontfermt Zich. 20. En er is niemand die aan Zijn hand ontkomt, want Hij is de Heerser van hemel en aarde. 21. En van alles wat Hij geschapen heeft, is er niemand die Zijn gebod overtreedt, behalve u en de opstandigen en wie zijn zoals u, de rebellen van wie uw vader Satan het hart verblind heeft. En u en uw goden zullen samen afdalen in de hel, waar geen uitweg is, tot in eeuwigheid. 22. Want u doet dit niet alleen: ook Satan, uw leermeester, heeft u deze slechte daad geleerd, zodat u ons kwaad zou doen. 23. En u hebt God, uw Schepper, niet gekend, en u hebt uzelf verheven alsof u God was, uw Schepper. 24. En u verheft uzelf om het werk van uw handen en om uw afgod, totdat God u te schande maakt, u in de oven van de hel gooit en Zich op u wreekt om alle overtreding en zonde die u op de aarde gedaan hebt. ## 2 Meqabyan 7 — Wee u die God niet kent 1. Wee u en wie zijn zoals u, die God niet kennen, die u geschapen heeft, en die Zijn gebod en Zijn woord niet kennen. Want u zult zich bekeren daar waar bekering niets meer oplevert, wanneer u gegeseld wordt in de pijniging van het dodenrijk. 2. En daar ontkomt u niet aan, tot in eeuwigheid: u en uw goden, en zij aan wie u offert en voor wie u zich neerbuigt alsof het God was, uw Schepper — aan wezens die geen ziel en geen adem hebben, die zich niet kunnen wreken op wie hun kwaad doet en geen goed kunnen doen aan wie hun goed doet. 3. Want zij zijn het werk van mensenhanden, waarin Satan spreekt om het hart van dwazen zoals u te laten afdwalen, zodat hij u in de hel van het vuur kan gooien: u en de priesters van uw goden en de demonen die aan u onderworpen zijn. 4. Want u weet niet dat het u niets oplevert. U dwaalt en u gaat verloren. 5. En de dieren zijn beter dan u — de dieren die God geschapen heeft om u te eten te geven — en de wilde dieren en de honden. Want zij hebben geen tweede oordeel, maar alleen één dood. 6. Maar u, u zult sterven en voor de tweede keer geoordeeld worden in de verschrikking van de hel, waar geen ontkomen aan is, tot in eeuwigheid. 7. En toen zij dit gezegd hadden, gingen zij weg en verdwenen zij voor zijn ogen. 8. En Tsirutsaydan was heel bang en beefde, en dat ging niet van hem weg tot het licht werd. 9. En daarna ging hij naar de plaats waar hij de lijken van de rechtvaardigen neergegooid had, en hij vond hen niet, want hij wilde hen begraven. Maar hij kon hen niet vinden, want God had hen verborgen, zodat er niets van hun lichaam gevonden zou worden. ## 2 Meqabyan 8 — De hoogmoed van Tsirutsaydan 1. En hij leefde in hoogmoed en met een overmoedig hart. 2. En hij trok rond door de landen van de volken die zich verzetten. Want over zijn koninkrijk was gezegd dat het was als het ijzer dat de profeet Daniël zag. 3. En hij leefde in alle dwaasheid en kwaad en onrust. 4. En zoals wij eerder gezegd hebben: hij vermorzelt en verbrijzelt en verslindt. 5. En wat er overblijft, vertrapt hij met zijn voet, want hij is een onderdrukker zoals zijn vader de duivel, hardnekkig van nek. 6. En hij kent God niet, dat Hij zijn Schepper is, en hij zegt: Mijn dagen zijn geworden als de dagen van de hemel. 7. En hij denkt in zijn hart dat de zon om hem ondergaat. 8. En hij verheft zich met kracht en woont in het land van Zebulon, en hij begint oorlogen, en in Macedonië. Hij haalt voedsel uit Samaria en men betaalt hem belasting uit Syrië. 9. En hij woont tot aan de grens van Kedar, hij breidt zich uit tot Sidon, hij legt belasting op in Achaje, en hij steekt zijn nek uit tot aan de zee van de Tekeze. En hij draait zich om en breidt zijn heerschappij uit tot aan de zee van India. 10. En zo steekt hij zijn nek uit tot aan de hemel. 11. En zijn hoofd wordt niet gebogen, maar hij gaat door in alle kwaad en grootspraak. 12. En heel zijn weg gaat in afdwaling en duisternis en grootspraak en opstand en verwoesting en bloedvergieten. 13. En op heel zijn weg doet hij wat God haat, zoals Seblanyos, zijn leermeester, het hem geleerd heeft: kwaad en onderdrukking en geweld. Hij laat de wees huilen en hij ontfermt zich niet over de arme. 14. En ook de koningen van de volken bracht hij onder zijn hand, en hij doodde hen. 15. En de bevelhebbers van de vijand onderwierp hij, en veel volken bracht hij eronder, en hij liet hen dienen zoals hij het wilde. 16. En hij liet niemand over, en er was niemand die ontkwam, van de zee van Tarsis tot de zee van Jericho. 17. En hij buigt zich neer voor het afgodsbeeld, en hij eet kadavers en bloed en verscheurd vlees en wat aan de goden geofferd is. En er is geen recht, maar op al zijn wegen gaat hij zonder recht, met woede en woede en onderdrukking. Want hij werd een verschrikking voor de volken die onder zijn hand stonden, en hij liet hen dienen zoals hij het wilde. 18. En er was geen ontzag voor God in hun ogen, want alles wat hem invalt doet hij voor Zijn aangezicht, en hij leeft overmoedig tegenover God, zijn Schepper. 19. En hij ziet Hem niet als zijn God. Maar God zal hem vergelden naar het kwaad dat hij zijn naaste aangedaan heeft, op de dag dat Hij hem in Zijn toorn grijpt. 20. En Hij zal Zich dan op hem wreken, zoals Hij ook de zondaars wegvaagde die er vóór hen waren. Want Hij heeft gezegd: Ik ben God, die mij wreek op de hoogmoedigen die niet naar mijn gebod leven, en ik zal de herinnering aan hen van de aarde wegvagen. 21. En wie kwaad doen, zullen vergolden worden naar het kwaad dat zij gedaan hebben. 22. Maar wie goed doen, hen zal het goede volgen, van God. 23. En het ging zoals bij Jozua, die de koningen van Kanaän in één keer vernietigde — de vijf koningen in één grot — en die door zijn gebed de zon bij Gibeon liet stilstaan, zodat hij hun legers kon vernietigen, en die er in één keer zovelen achtervolgde. Want de zon stond stil midden aan de hemel totdat hij de legers van de Kanaänieten en Hevieten en Hethieten en Ferezieten en Jebusieten vernietigd had. En ook hen doodde hij, hij zette zijn voet op hun nek, hij doodde hen met het scherp van het zwaard, hij gooide hen in de grot en hij bedekte hen met stenen. 24. Zo gaat het met wie God woedend maken door het kwaad van hun daden. ## 2 Meqabyan 9 — Twee wegen 1. En u dan, mens — want u bent God niet — waarom verheft u zich? Vandaag bent u een mens en morgen stof en as, en in uw graf wordt u een worm tussen de wormen. 2. En bovendien zal het dodenrijk u achtervolgen, en iedereen die doet wat u doet. Want uw leermeester is Seblanyos, die de zonde van heel de wereld over zijn eigen hoofd gehaald heeft, omdat hij onze vader Adam door zijn hoogmoed heeft laten afdwalen. 3. Want hij weigerde zich neer te buigen voor het werk van zijn God, doordat hij zijn hoofd ophief en doordat zijn nek stijf was. 4. En u hebt, net als uw leermeester, geweigerd u neer te buigen voor God, uw God. 5. En u leeft net zoals uw voorouders leefden, die God, hun God, niet kenden. 6. En Hij wreekte Zich op hen, en zij daalden af in het dodenrijk om het kwaad van hun daden dat zij op de aarde gedaan hadden. 7. En u zult net als zij afdalen in de hel. 8. Denkt u dat u aan de hand van God ontkomt? Want u hebt Zijn toorn geminacht en de aanbidding van God verwaarloosd, die u macht over vijf koninkrijken gegeven heeft. 9. En Hij heeft u op de proef gesteld, of u Zijn wil zou doen of niet. En als u uw weg goed maakt op de aarde, zal God uw wegen voorspoedig maken. Alles waar u uw hand aan slaat, zal Hij laten slagen en zegenen, en al uw vijanden en tegenstanders zal Hij aan u onderwerpen. 10. En u zult blij zijn bij uw uitgaan en bij uw binnenkomen, met de vrucht van uw schoot, met uw schatkamers en met uw kudden. En overal waar u met uw vingers naar wijst en wat u in uw hart van plan bent, zal alles u gehoorzamen. Want het wordt u door God gegund om zo te doen, en te bouwen, en te planten, en te stichten. 11. Maar als u weigert te luisteren naar de stem en de wet van God en niet naar Zijn recht leeft, hebt u geen enkele manier om aan de hand van God te ontkomen, net als alle overtreders die er vóór u waren, die God niet zuiver aanbaden en die niet op Zijn rechtvaardige oordeel vertrouwden. Want al Zijn oordeel is gerechtigheid. 12. En niets is verborgen voor Zijn ogen, maar alles ligt open en bloot voor Hem. 13. Hij is het die de heerschappij van koningen in Zijn hand houdt, en Hij is het die de tronen van de machtigen omvergooit. 14. En Hij is het die de geringen verhoogt, en Hij is het die wie gevallen zijn weer overeind zet. 15. En Hij is het die gevangenen bevrijdt, en Hij is het die doden opwekt. En wie van hun vlees vergaan zijn en tot as geworden, zal Hij opwekken op de tijd die Hij wil, want de dauw van de barmhartigheid komt van Hem. 16. En wie kwaad gedaan hebben, zal Hij bij die opstanding opwekken tot het oordeel, want zij hebben Hem getergd, en Hij zal Zich op hen wreken. 17. En ook op de aarde zal Hij hun nageslacht vernietigen, want zij overtreden de wet en de inzetting van God. 18. En wie zondigen, willen niet in de kring van de rechtvaardigen zijn, want de weg van de rechtvaardigen is zwaar, anders dan de weg van wie zondigen. 19. En zoals de hemel hoog is boven de aarde, zo ver ligt de weg van de rechtvaardigen van de weg van wie zondigen. 20. En de weg van wie zondigen is het werk van geweld en onderdrukking en onrecht en hoererij en onreinheid en hebzucht, en het roven van andermans goed, en dronkenschap in onrecht, 21. en het rennen om bloed te vergieten, en het verkwisten aan wat niets oplevert, en het minachten van de tranen van de wees, en het eten van kadavers en bloed, en het eten van het vlees van zwijnen en kamelen, en het gaan naar een vrouw die pas bevallen is of onrein, voordat zij weer rein is. 22. En dit alles is het werk van wie zondigen: een brede weg, en het uitgespreide net van Satan, dat naar het verderf en het eeuwige oordeel leidt. 23. Maar de weg van de rechtvaardigen is smal en nauw, en die leidt naar het leven: nederigheid en liefde en vrede, vasten en gebed, en een zuiver lichaam, en zich onthouden van eten dat niets oplevert — kadavers en verscheurd vlees — en van hoererij, en van het gaan naar de vrouw van een ander. 24. En zij houden zich verre van elke onreine daad, van onrein eten dat de wet niet toestaat, en van onreine daden die God niet bevallen. Want dit alles doen wie zondigen. 25. Maar de rechtvaardigen wijken af van alle slechte wegen die God niet bevallen. 26. En Hij heeft hen lief, Hij beschermt hen en Hij redt hen uit al hun benauwdheid. 27. Maar wie zondigen, houdt Satan als slaven, want zij houden zich aan zijn wet en zijn inzetting en aan alles waar hij van houdt. ## 2 Meqabyan 10 — Balak, Bileam en de zegen 1. En u dan, koningen en vorsten, leef niet op zijn weg, maar heb ontzag voor God, die u geschapen heeft en die u tot nu toe bewaard heeft. 2. En leef naar het gebod en het recht van God, die over alles heerst. 3. Want toen de kinderen van Israël in de richting van Amalek optrokken om het land van de Kanaänieten en Hethieten en Ferezieten te erven, deed Balak, de zoon van Zippor, dit: 4. hij zei tegen Bileam: Ik wil dat u hen voor mij vervloekt, want wie u vervloekt is vervloekt en wie u zegent is gezegend. En ik zal u veel goud en zilver geven dat u aanzien geeft, als u hen maar voor mij vervloekt. 5. En Bileam kwam, met zijn hoop gezet op het loon van zijn onrecht. En Balak, de zoon van Zippor, liet hem zien waar de kinderen van Israël hun kamp hadden. 6. En hij deed aan waarzeggerij, bracht een offer en slachtte de beste schapen en runderen, en hij wilde de kinderen van Israël vervloeken. 7. Maar God wilde niet dat hij hen vervloekte, maar Hij veranderde de vervloeking met Zijn woord in een zegen. 8. En hij zei: Laat gezegend zijn wie u zegenen, en laat vervloekt zijn wie u vervloeken. Want u bent het volk dat God uitgekozen heeft, en de woning van de Geliefde die uit de hoge komt. 9. En toen was Balak, de zoon van Zippor, verdrietig en hij werd woedend, omdat hij hen voor zijn ogen zegende. En hij gaf hem bevel hen te vervloeken. 10. En Bileam zei tegen hem: Ik zal niet vervloeken wie God gezegend heeft, want het volk dat God uitgekozen heeft, is naar dit land gekomen. 11. En Balak, de zoon van Zippor, zei tegen Bileam: Ik wilde dat u hen voor mij zou vervloeken, maar u hebt hen niet vervloekt. Integendeel, u hebt hen voor mijn ogen overvloedig gezegend. Ik zou u een huis vol goud en zilver gegeven hebben als u erom gevraagd had en hen voor mij vervloekt had. Maar u hebt hen overvloedig gezegend en mij geen goed gedaan, en dus zal ook ik u geen goed doen. 12. En Bileam zei: Ik kan het woord van God niet naast mij neerleggen en overtreden, maar wat God als woord in mijn mond gelegd heeft, dat zal ik spreken. 13. En ik stel bezit niet boven mijn ziel, want als ik van bezit hield, zou God woedend op mij zijn. Daarom zal ik een gezegend volk niet vervloeken. 14. Want God zei tegen Jakob, hun vader: Laat gezegend zijn wie jou zegenen, en laat vervloekt zijn wie jou vervloeken, want ieder die jou zegent is gezegend. 15. En wie u zonder reden vervloekt, is zelf vervloekt. Maak uw daden en uw weg goed, zodat God plezier in u heeft. 16. En wees niet als het volk van vroeger, dat God door hun slechtheid woedend maakte, zodat Hij hen verwierp. Sommigen van hen vernietigde Hij met het water van de vloed. 17. En anderen vernietigde Hij door de hand van hun vijanden. En Hij stuurde een vijand op hen af, boze volken die hen lieten wegkwijnen, die hun koningen als gevangenen wegvoerden, met hun profeten en hun Levieten. 18. En zij brachten hen naar een vreemd land dat zij niet kenden, zij voerden hen als gevangenen weg, zij maakten hen tot buit, zij geselden hen en zij verwoestten hun land. 19. En zij maakten van Jeruzalem een akker, want zij haalden de wal en de muur van de heilige stad omver. 20. En de priesters werden als gevangenen weggevoerd, de wet werd afgeschaft en mannen vielen door de speer. 21. En de zwangere vrouwen werden als gevangenen weggevoerd. Zij huilden niet om hun mannen die gestorven waren, want zij werden zelf weggevoerd en de nood zat op hun eigen hoofd. 22. En de kleine kinderen huilden, en de oude mannen werden te schande gemaakt, en men zag de oude en de grijze man niet aan. 23. En men spaarde niet wie samenkwamen en ook de meisjes niet. Zij verwoestten alles wat zij in hun steden vonden en zij voerden hen weg naar een vreemd land dat zij niet kenden. Want wanneer God boos wil worden op Zijn volk, neemt Hij eerst Zijn heiligdom weg. 24. En daarom, toen God de kinderen van Israël verwierp, liet God Jeruzalem omploegen als een akker, want zij maakten hun Schepper telkens weer woedend. 25. Maar Hij vernietigde hen niet helemaal in één ogenblik, want Hij spaarde hen om hun vaderen. En Hij spaart hen niet om henzelf, maar omdat Hij hun vaderen Abraham en Izak en Jakob liefheeft, die rechtvaardig regeerden en eerlijk leefden voor Hem, hun Schepper. 26. En Hij heeft hun een dubbele eer toebedeeld, zowel in de hemel als op de aarde: een tweevoudig koninkrijk. Let op! 27. En zo ook u, koningen en vorsten in deze vergankelijke wereld: denk aan wie er vóór u waren en zuiver leefden, zodat zij het koninkrijk van de hemel erfden en hun naam beroemd werd van generatie op generatie. 28. En u dan ook: wees als de goede koningen vóór u, die God behaagden door de schoonheid van hun leven, zodat Hij uw koninkrijk vast laat staan en uw naam goed maakt. ## 2 Meqabyan 11 — Mozes en de kinderen van Korach 1. Denk aan Mozes, de man van God, aan zijn gebed en aan zijn nederigheid. Toen hij zag hoe groot zijn volk was, werd hij niet boos en vernietigde hij hen niet. Maar voor wie hem beledigd hadden — zijn eigen broer — en voor wie God in één ogenblik wilde wegvagen, deed hij zachtmoedig verzoening bij God en zei hij: Ontferm U, God, over Uw volk en word niet boos, want Uw volk heeft voor Uw aangezicht gezondigd. 2. En wees ook mij, Uw zondige knecht, genadig, want ik heb tegen U gezondigd. En vergeef het ook hun, want U bent barmhartig en genadig. 3. En zo deed hij verzoening voor wie hem beledigd hadden. 4. En daarom werd hij zachtmoedig genoemd. 5. En God had hem lief, meer dan alle kinderen van de Levieten, zijn broeders. En Hij maakte hem als God onder hen, want Hij stelde hen zelfs tot priesters aan. 6. En wie overtraden, de kinderen van Korach, werden door de aarde verzwolgen, en Hij bracht hen levend in het dodenrijk, naar ziel en naar lichaam, met hun tenten en hun vee. En heel zijn woord, zoals hij het gesproken had, werd voor hem uitgevoerd zoals God het zei, omdat hij God, zijn God, liefhad en niet van Zijn gebod afweek. 7. En zo ook u: als u het gebod van God niet overtreedt, zal God u geven wat u verlangt, en Hij zal plezier hebben in uw woord en uw koninkrijk bewaren. 8. En de kinderen van Korach en Asaf overtraden het gebod van Mozes en mopperden tegen hem om wat hij tegen hen zei: Maak je ziel recht voor God. 9. En zij zeiden tegen hem: Zijn wij niet de kinderen van Levi, die het werk van het priesterschap doen in de ontmoetingstent? 10. En zij namen hun wierookvaten om wierook te branden, en zij gingen en offerden wierook. Maar God nam hun gebed niet aan, en door het vuur van hun wierookvaten werden zij verbrand en verteerd als een kaars die in het vuur wegsmelt. En er bleef niets van hen over, geen botten en geen kleren, alleen de bronzen wierookvaten die zij in het huis van God gebracht hadden, naar het gebod van God. Want Hij zei: Hun wierookvaten zijn geheiligd doordat hun vlees verbrand is. 11. En daarom zei God tegen hen, tegen Mozes en tegen Aäron: Verzamel hun wierookvaten in de tabernakel en laat ze bij mijn huis horen. Maak haar, en alles wat ik voor haar ingesteld heb, van buiten tot binnen. 12. En hij maakte inderdaad het werk van de heilige tabernakel: het verzoendeksel, de tent, de cherub en de bekkens, 13. en de kannen, de schalen, de bakken, de voorhof, de omheining voor de tabernakel, de pannen, en de altaren waarop zij offeren in de ontmoetingstent, 14. en het vrijwillige offer, en het dankoffer, en het gelofteoffer, en dat voor de zonde, en het offer naar Zijn wet. 15. En alles wat Hij Mozes opdroeg om in de ontmoetingstent te doen, droeg Hij hun op. 16. En zij hielden niet op hun God te dienen, zodat Zijn naam over hen geprezen zou worden, in de tabernakel van Zijn wet, voor God, hun God, die hun beloofd had dat Hij hun de erfenis van hun vaderen zou geven, een land dat overvloeit van melk en honing, dat Hij Abraham gezworen had. 17. En Hij sloot een verbond met Izak en stelde een getuigenis in voor Jakob, 18. en voor Mozes en voor Aäron in de tent van de getuigenis, 19. en voor Samuël en voor Elia in Jeruzalem, in de tabernakel, in het huis van het heiligdom, waar Salomo bouwde, totdat het het huis van God werd, en de rustplaats van de naam van de Allerhoogste, en de woning van de Heilige van Israël. 20. Want zij is een plaats van smeken en van verzoening van de zonde, waar Hij verschijnt aan Zijn priesters die zachtmoedig leven, 21. en waar Hij het gebed hoort van wie Zijn wil doen, 22. waar de wet van God, de Heilige van Israël, ingesteld wordt, 23. en waar de opdracht van het offer en het reukwerk vervuld wordt tot een aangename geur voor God, de Heilige van Israël. 24. En Hij spreekt boven het verzoendeksel in de ontmoetingstent, en Hij toont de heerlijkheid van God aan Zijn uitverkorenen, de kinderen van Jakob, en aan Zijn heiligen die leven naar Zijn gebod en naar de oordelen van God. 25. Maar wie opstandig zijn, zullen worden als de kinderen van Korach, die de aarde verzwolg. En zo zullen wie zondigen gegooid worden in het oordeel van de vlam van het vuur, waar geen ontkomen aan is, tot in eeuwigheid. ## 2 Meqabyan 12 — Het einde van Tsirutsaydan 1. Wee jullie, machtigen van Israël, die niet bewaard hebben wat ik jullie in de tabernakel opgedragen heb en die mijn wil niet gedaan hebben, maar alleen jullie eigen wil: hoogmoed en grootspraak en hoererij en vraatzucht en dronkenschap en drinkgelagen en valse eden. 2. En daarom zal mijn toorn tegen jullie ontbranden als stoppels voor het vuur, als vuur dat de bergen verbrandt, en als een wervelwind die het lichte stof van de aarde opneemt en hoog in de lucht verstrooit, waar van zijn werk geen spoor meer te vinden is. 3. En zo zal ik iedereen die kwaad doet van voor mijn aangezicht wegvagen, zegt God, de Heilige van Israël. En denk aan God, die over alles heerst en tegen wie niemand het wint. 4. En Hij heeft lief wie Hem liefhebben, en Hij vergeeft hun hun zonden en hun overtredingen, wie naar Zijn gebod leven. Wees daarom niet verbijsterd en niet dof van hart tot ongeloof. 5. En maak jullie ziel recht voor God en word zoals Hij, zodat jullie je ziel behouden. En Hij zal jullie redden uit de hand van jullie vijanden op de dag van jullie benauwdheid. 6. En wanneer jullie mij aanroepen, zal ik tegen jullie zeggen: Kijk, ik ben met jullie, en ik zal jullie redden uit de hand van jullie vijanden, en ik zal jullie niet in de steek laten op de dag van jullie benauwdheid, omdat jullie op mij vertrouwd hebben en mijn geboden gedaan hebben, omdat jullie niet van mijn wet afgeweken zijn en liefgehad hebben wat ik liefheb, zegt God, die over alles heerst. 7. En wie Hem liefhebben, heeft Hij lief, en wie zich aan Zijn gebod houden, beschermt Hij, want Hij is barmhartig en genadig. 8. En vaak keert Hij Zijn toorn af en laat Hij Zijn straf niet in volle hevigheid komen, want Hij is barmhartig, omdat Hij weet dat zij vlees en bloed zijn, en dat zij terugkeren naar hun stof wanneer hun ziel uit hun lichaam gaat. 9. En zij weten niet waar zij zijn, totdat God wil dat Hij hen terughaalt uit waar zij niet zijn. Want Hij schiep hen uit het niet-bestaande, en later nam Hij hun ziel en liet Hij het stof terugkeren naar zijn grond. 10. En dan brengt Hij hen opnieuw uit het niet-bestaande tot het bestaan, zoals Hij het wil. 11. En Tsirutsaydan, de tegenstander van God, maakte zijn hoogmoed tegenover God alleen maar groter. En toen Hij hem met rust liet tot de tijd die Hij wilde, verhief hij zichzelf. 12. En hij zei: Mijn dagen zijn geworden als de dagen van de hemel, en ik ben het die de zon laat opgaan, en ik zal tot in eeuwigheid niet sterven. 13. En terwijl hij dat woord nog niet afgemaakt had, kwam de engel van de dood naar beneden, die Telmyakos heet, en sloeg hem in zijn hart. En hij stierf op datzelfde moment, en hij verdween uit de luister van zijn positie, uit de grootheid van zijn hoogmoed en uit het kwaad van zijn werk, omdat hij zijn Schepper niet gedankt had. 14. En de legers van de koning van de Chaldeeën lagen buiten zijn stad gelegerd om tegen hem te vechten. En toen hij gestorven was, trokken zij uit en verwoestten zij zijn land, zij plunderden al zijn vee en zij lieten niets over, zodat er binnen de muren niets bewaard bleef. 15. En al zijn bezit plunderden zij, de vaten namen zij mee, zij staken zijn stad in brand en zij keerden terug naar hun land. ## 2 Meqabyan 13 — Waarom de zonen van Meqabis hun leven gaven 1. En zij, de Meqabeeën, de zonen van Meqabis, geloofden en gaven hun leven over aan de dood. Zij weigerden om van het offer van de afgoden te eten, 2. en zij gaven hun leven over aan het vuur, zodat zij gered zouden worden van het vuur dat in de hemel is, want zij wisten dat deze wereld voorbijgaat. 3. En zij zeiden: Het genot blijft niet voor altijd. Want zij wisten dat de straf van God erger is dan de straf van een mens, en dat de toorn van God erger is dan de toorn van een koning. 4. En één dag vreugde in de voorhoven van het paradijs is beter dan tienduizenden jaren leven op de aarde en dan een lang leven. Beter is één uur van Uw barmhartigheid, Heere. 5. En wat zijn de dagen van een mens? Zijn zij niet als een schaduw die voorbijgaat en als een kaars voor het vuur? 6. Maar U, Heere, blijft in eeuwigheid, en Uw jaren vergaan niet, en de herinnering aan U gaat van generatie op generatie. 7. Dit alles en wat daarop lijkt, overwogen de zonen van Meqabis, en zij kozen ervoor om op God te vertrouwen en weigerden om van het onreine offer te eten. 8. En daarom gaven zij hun lichaam over aan het martelaarschap, om God. Zij wisten dat de doden zullen opstaan en dat er na de opstanding een oordeel komt. 9. En u die de opstanding van de doden niet kent en niet gelooft: leer het dan van deze mannen van goede afkomst, die samen hun leven overgaven aan de dood, omdat zij wisten dat hun laatste leven beter is dan dit aardse, vergankelijke leven. 10. En omdat zij zagen dat alles voorbijgaat, gaven zij hun leven over aan de dood, om van God een beloning te krijgen, omdat zij in Hem geloofden, zich niet bogen voor de afgoden en niet aten van het offer van het dode en van de onreinheid. 11. En daarom, omdat zij wisten dat Hij hen op de laatste dag blij zou maken naar ziel en lichaam — want al hadden zij vrouw en kinderen, zij hechtten niet aan het zoet van deze wereld en zij deinsden niet terug voor de bitterheid van de dood — gaven zij hun leven over aan de dood, omdat zij wisten dat er op de laatste dag een opstanding komt, naar ziel en naar lichaam, 12. en omdat zij wisten dat wie de inzetting van God bewaard hebben, zullen regeren in de wereld die komt, van generatie op generatie en een leven lang, waar geen ziekte is en geen verdriet. 13. Er is geen ziekte en geen verdriet, en er is geen dood. En bij wie geloofd hebben in het woord van God, horen goede koningen en vorsten, die hun leven overgaven aan de dood als een kaars midden in het vuur, terwijl zij met de gedachten van hun hart zagen wat komen zou. 14. En zij hopen dat hun gezicht zevenmaal meer zal stralen dan de zon, en dat zij volmaakt zullen worden in Zijn liefde, bij de opstanding van allen, naar ziel en naar lichaam. ## 2 Meqabyan 14 — Wie de opstanding niet geloven 1. Maar het doet mij veel verdriet en het benauwt mij, en mijn hart brandt in mij om de Joden en de Samaritanen en de farizeeën en de sadduceeën, die de opstanding van de doden niet geloven. De Joden zeggen: Laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij, en daarna is er niets meer dat wij zullen zien. 2. En de Samaritanen zeggen: Ons lichaam zal niet opstaan, want het wordt stof. 3. En als er een opstanding is, geloven wij in de opstanding van onze ziel. Want ook al sterft het lichaam, de ziel sterft niet, want zij is als de wind die je niet ziet en als het geluid van de donder, en je kunt niet zeggen: Kijk, daar is ze, en zij laat zich niet zien. 4. Maar ons lichaam wordt door iedereen gezien, en het wordt as en stof, want de dieren verslinden het en ook de wormen verslinden het in het graf. 5. En ook wie het verslonden hebben, worden as, en van hen is geen spoor terug te vinden, want zij worden als gras, en zij werden as als iets wat nooit geschapen is. 6. En daarin worden de lichamen teruggevonden die verslonden zijn. En zo zeggen de farizeeën: De opstanding van de doden geloven wij, maar Hij kleedt de zielen in de hemel met een ander lichaam, dat niet is als het aardse. 7. En zo zeggen de sadduceeën: Vanaf het moment dat onze ziel uit ons lichaam gaat, staan wij niet meer op uit de doden. En voor hen is er geen opstanding van de doden, niet voor de ziel en niet voor het lichaam, en wanneer wij gestorven zijn, staan wij niet op. 8. En daarom doen zij heel dwaas, en het benauwt mij om hen, want zij lasteren God en Zijn heerlijkheid. 9. En zij hebben geen hoop op redding, want zij hebben niet geloofd in God, die hen rechtvaardigt. En werkelijk, zij hebben geen hoop op redding en ook niet op de opstanding van de doden. 10. En u, blinde Jood, verheft u zich tegen God, die u uit het niet-bestaande tevoorschijn gebracht heeft en die u tot een mens gemaakt heeft toen u nog modder was? Zou Hij die u gezaaid heeft niet bij machte zijn om uw ziel en uw lichaam te laten opkomen, naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis? 11. En reken daar maar niet op, want u kunt niet ontkomen aan de hand van God. U zult opstaan, hoewel u het niet wilt, en u zult geoordeeld worden, hoewel het u niet bevalt. Want het touw van het dodenrijk ligt om uw hals, dat u gegrepen heeft, vanaf de dag van uw dood. 12. Want in de moederschoot komt het voor u op uit de stam van het dodenrijk. Het is het touw dat zij om uw hals leggen, en wanneer u groter wordt, wordt ook dat touw groter. 13. En wanneer u sterft, leggen zij het om uw hals, en wanneer zij aan de stam trekken, brengt het hen mee. 14. En het trekt zijn takken mee, want alle zondaars zitten daaraan vast, als touwen om hun hals. 15. En het haalt alle zielen van de zondaars op van waar zij zijn, van de uiteinden van de hemel. En zo trekt uw touw ook u, om uw ziel te halen van waar u bent en om u terug te brengen in de stroom van het dodenrijk. 16. En ook uw lichaam, hersteld en zevenmaal zo sterk als het lichaam van onze vader Adam, zal door de dauw van de barmhartigheid van God opgewekt worden. En daar zult u vergolden worden naar de overtreding en de zonde die u begaan hebt, naar uw ongeloof. 17. En vind dat niet goed van uzelf, als iemand die anderen laat dwalen en zelf dwaalt, u die in het graf woont in uw dwaling en zegt: Er is geen opstanding van de doden — zodat zij afdwalen van het gebod van God. 18. En wie zal u in de as en het stof laten liggen? Hij zal u juist opwekken om u te vergelden naar de werken die u gedaan hebt. 19. En dan zal komen wat van u is: uw geesten die in de winden zijn, of uw stof dat in de aarde is, of uw vlam die in het vuur is, 20. of de levensgeest die in u geblazen werd — in de voorhof van de duisternis, 21. die afgesloten is. Maar de zielen van de rechtvaardigen worden met vreugde opgenomen in het paradijs. 22. Maar u, Jood en Samaritaan en farizeeër en sadduceeër, wordt tot de tijd van uw oordeel gebonden gehouden in de duisternis. 23. En dan zult u zien hoe God u vergeldt naar uw werken, om dat waardoor u misleid werd. 24. En u zei tegen hen: De doden leven niet. Laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij. En u zegt in uw sluwheid, terwijl u op de stoel van Mozes zit: Er is geen opstanding van de doden. 25. En daarom bent u gaan dwalen, terwijl u het boek van de wet kent en het woord van de Schriften onderwijst. En omdat u de mensen laat dwalen, was het beter voor u geweest als u niets geleerd en niets geweten had. 26. Het woord van de Schriften — omdat u het volk van God verdraait door de slechtheid van uw onderwijs en door uw woord dat nergens goed voor is. 27. Maar u zult vergolden worden naar uw werken en naar de vrucht van uw lippen, want God trekt niemand voor. En wie het goede onderwijzen, zal Hij vergelden uit de goede dingen die Hij klaargemaakt heeft voor wie Hem liefhebben. 28. Maar u hebt geen plaats om te ontkomen aan de hand van Hem die u oordeelt, en Hij zal u vergelden naar uw werken. Want u en wie u onderwezen hebt, zullen samen geoordeeld worden. 29. Ik weet dat de doden zullen opstaan. Ook wie Zijn gebod bewaard hebben, zullen opstaan, en het opstaan zal voor hen niet onmogelijk zijn, want Zijn gebod brengt hen voort, zoals de aarde het gras voortbrengt wanneer de regen erop slaat. 30. En zoals de groene boom zijn blad voortbrengt wanneer de regen de aarde nat maakt, en zoals zij de vrucht van tarwe of de aar van het koren voortbrengt. En het is niet mogelijk dat zij haar vrucht inhoudt, als God het wil. 31. En zoals een zwangere vrouw, wanneer haar weeën komen, haar schoot niet kan sluiten wanneer zij het woord van God gehoord heeft, maar hen op datzelfde moment baart, in een oogwenk, want de dauw die van God komt daalt op haar neer: 32. zo brengt ook de aarde voort op de dag dat men in haar verzameld wordt. Zij kan haar schoot niet sluiten wanneer zij het woord van God gehoord heeft, maar zij baart hen op datzelfde moment, in een oogwenk, want de dauw die van God komt daalt op haar neer. 33. En de lichamen zullen verzameld worden op de plaatsen waar zij gevallen zijn. En de huizen, de schatkamers van de zielen, zullen opengaan, en de zielen zullen terugkeren in de lichamen waaruit zij eerder weggegaan waren. 34. En bij het schallen van de bazuin zullen de doden opstaan in een oogwenk, in een ogenblik, en zij zullen voor God staan, en Hij zal hun vergelden naar het werk van hun handen. 35. Dan zult u zien dat u opstaat uit de doden, en u zult versteld staan van alles wat u op de aarde gedaan hebt. En wanneer u het voor uw ogen opgeschreven ziet, dan zult u op die dag berouw hebben, waar u er niets meer aan hebt. 36. En u zult weten dat u opstaat uit de doden en vergolden wordt naar de werken die u gedaan hebt. ## 2 Meqabyan 15 — De dag van het oordeel 1. En wie volgehouden hebben in hun goede werken, zullen zich dan verheugen. Maar wie traag geweest zijn en gezegd hebben: De doden staan niet op — die zullen dan verdriet hebben, wanneer zij zien dat zij opgestaan zijn uit de doden met hun slechte werken waar niemand iets aan heeft. 2. En hun eigen werken die zij gedaan hebben, zullen hen oordelen, terwijl er niemand is die hen aanklaagt. Zij zullen zelf weten hoe zij geoordeeld worden. 3. En zij zullen staan op de plaats van de goddelozen, op de dag van het huilen en het oordeel, op de dag van het gericht en op de dag van God, 4. op de dag van de duisternis, op de dag van het onweer, op de dag van de nevel, op de dag van de stormwind, op de dag van de bliksem, 5. op de dag van de angst en het beven, op de dag van donder en gedreun, op de dag van de gesel, 6. op de dag dat wie kwaad deed vergolden wordt naar het kwaad dat hij gedaan heeft, en wie zuiver was naar wat hij zuiver gedaan heeft, en wie verkeerd deed naar wat hij verkeerd gedaan heeft, 7. en wanneer de heer niet meer geëerd zal worden dan de knecht, en de meesteres niet meer dan de dienares, 8. en wanneer de koning niet meer geëerd zal worden dan de arme, en de vorst niet meer dan het kind, en de vader niet meer dan zijn zoon, en de moeder niet meer dan haar dochter, 9. en wanneer de rijke niet meer geëerd zal worden dan wie tekortkomt, en de hoogmoedige niet meer dan de nederige, en de grote niet meer dan de kleine. Want het is de dag van het gericht, de dag van de vergelding en het oordeel, en de dag waarop ieder vergolden wordt naar wat hij gedaan heeft. 10. En het is de dag waarop wie het goede doen beloond worden, en waarop wie het kwade deden met het kwade vergolden worden. 11. En het is de dag waarop wie met het goede beloond worden zich verheugen, en de dag waarop wie met het kwade vergolden worden treuren. En wie de Schriften verloochend hebben en gezegd hebben: De doden staan niet op — zij zullen het zien. 12. Dan zullen alle zondaars van de aarde huilen om hun zonden die zij gedaan hebben, om het verdriet dat hen getroffen heeft en dat geen troost kent, omdat zij op de aarde geen goed gedaan hebben. 13. En zo zal bij de goeden, die het goede gedaan hebben, hun blijdschap niet vergaan, tot in alle eeuwigheid, omdat zij, toen zij op de aarde waren, volgehouden hebben in het doen van goed. 14. En zij zijn niet afgeweken van het gebod van hun Schepper, want zij wisten dat zij uit de doden zullen opstaan. 15. En omdat zij niet van Zijn gebod afgeweken zijn, zullen zij erven. 16. En ook in de hemel liet Hij hen het land van het leven erven, dat Hij hun vaderen gezworen had, op de dag van de opstanding, wanneer de rijken arm worden. 17. En wie het kwade doen, zullen jammeren: zij die de opstanding van de doden en de wet van God niet geloofden en die niet aan de dag van de opstanding dachten. 18. Dan zullen zij het kwaad zien dat hen overkomt, dat geen einde kent en geen genezing en geen troost. En in hun hart ook verdriet dat geen troost kent en geen rust, 19. en de worm die niet slaapt, en het vuur dat niet gedoofd wordt. 20. En buiten hun lichaam ook vuur en pek, en wervelwind en storm en hagel en gedreun, dat op hen neerregent: 21. een ketel van vuur voor wie de opstanding van de doden niet geloven. ## 2 Meqabyan 16 — Wat je zaait, komt op 1. Kijk nu eens naar wat er aan uw eigen lichaam zit: de nagels van uw handen en uw voeten en het haar van uw hoofd. Telkens knipt u ze af, en telkens groeien ze weer aan. Weet het dan echt, als u verstand en kennis hebt. 2. En waar komen ze dan vandaan, zegt u — die nagels van uw handen en voeten en dat haar van uw hoofd? Is het niet God die het zo geregeld heeft dat ze weer opkomen, zodat u de opstanding van de doden zou kennen, die met uw eigen lichaam zal gebeuren en niet in een ander lichaam, zodat u zelf zou weten dat u uit de doden zult opstaan? 3. En u zult vergolden worden naar wat u gedaan hebt, naar de overtreding en de zonde die u begaan hebt, op de dag van de opstanding van de doden, omdat u het volk misleid hebt door te zeggen: Er is geen opstanding van de doden. 4. En nu zult u het zien wanneer de dag van uw vergelding u bereikt. Want wat u gezaaid hebt, weigert niet op te komen, of het nu graan is of tarwe. 5. En zo weigert ook de boom die u geplant hebt niet uit te lopen, of het nu een wijnstok is of een vijgenboom. Zijn blad en zijn vrucht veranderen niet. 6. En als u een wijnstok geplant hebt, verandert die niet in een vijgenboom. Als u een vijgenboom geplant hebt, verandert die niet in een wijnstok. En als u tarwe gezaaid hebt, verandert die niet in gerst. 7. En als u gerst gezaaid hebt, verandert die niet in tarwe. Zij allemaal, elk naar zijn zaad en naar zijn soort en naar zijn vrucht en naar zijn boom en naar zijn blad en naar zijn loot, worden gezegend door de dauw van de barmhartigheid die van God komt, en zij brengen vrucht voort. 8. Zo brengt ook de aarde voort wat God gezaaid heeft. Zij laat ziel en lichaam opkomen: wie het goede doen, en die veranderen niet in mensen die kwaad doen, en wie het kwade doen, en die veranderen niet in mensen die goed doen. Wat God gezaaid heeft, ziel en lichaam, komt op. 9. En wanneer de tijd voor het blazen van de bazuin gekomen is, zullen de doden opstaan door de dauw van de barmhartigheid die van God komt. Wie het goede gedaan hebben, staan op tot het leven. En hun loon is de tuin van de vreugde, een woning voor de reinen, die Hij klaargemaakt heeft voor de goeden, waar geen ziekte en geen pijn is, en waar zij daarna niet meer sterven. 10. Maar wie het kwade gedaan hebben, staan op tot het oordeel, samen met de duivel die hen misleid heeft, 11. en met zijn boze demonen, die niet willen dat ook maar één mens gered wordt, tot het eeuwige oordeel. 12. Naar beneden, tot in de hoeken van de duisternis, waar gehuil is en tandengeknars, waar geen genade en geen barmhartigheid is en waar geen ontkomen aan is tot in alle eeuwigheid, omdat zij geen goed gedaan hebben in hun leven op de aarde, terwijl zij in hun lichaam waren. 13. En daarom zullen zij geoordeeld worden bij de opstanding van ziel en lichaam. 14. Aan wie niet geloven in de opstanding van ziel en lichaam samen, zal God de grootheid van Zijn wonderen laten zien. 15. En ieder zal vergolden worden naar wat hij gedaan heeft en naar het werk van zijn hand. ## 2 Meqabyan 17 — De tarwekorrel en de wijnstok 1. En een tarwekorrel komt niet op en draagt geen vrucht als hij niet sterft. Want wanneer de tarwekorrel sterft, maakt hij een wortel in de aarde en brengt hij een blad voort, en hij wordt een aar en draagt vrucht — en dat weet u. 2. U weet zelf dat één tarwekorrel tot veel korrels wordt. 3. En zo komt die korrel op uit wind en water en aarde, en de zon in plaats van vuur. Want zonder de zon kan de tarwe geen vrucht dragen. 4. En de wind staat in de plaats van de blaasbalg, en zonder de wind kan de tarwe geen vrucht dragen; en ook het water, dat de aarde besproeit en drenkt. 5. En wanneer de as en de aarde gedrenkt zijn, maakt zij een wortel en komt zij omhoog, en zij draagt vrucht naar de mate waarin God haar gezegend heeft. 6. Want de tarwekorrel lijkt op Adam, over wie de sprekende Geest van God geblazen werd. En zo wordt ook de wijnstok met water gedrenkt, en hij maakt een wortel en neemt water op door de fijne draden van die wortel. 7. En hij komt omhoog, tot in de massa van de bladeren. Want de dauw van de barmhartigheid van God laaft hen in de massa van de lange ranken, en de vrucht rijpt in de gloed van de zon, en hij brengt vrucht voort die van God komt. 8. En hij brengt een goede geur voort die het hart blij maakt. En wanneer men ervan eet, verzadigt hij als water en brood, zodat niemand honger of dorst houdt. En wanneer men hem uitperst, komt het bloed van de druiventros tevoorschijn. 9. En wanneer men hem drinkt, maakt hij het hart van de mens blij, zoals in de psalm gezegd is: De wijn maakt het hart van de mens blij. En een opgewekt man wordt dronken wanneer hij zijn mond opendoet en slikt, en de wijn vult zijn ingewanden en zijn bloed stort zich uit in zijn hart. 10. En hij maakt hem het verstand kwijt, want te veel wijn maakt razend. En hij laat de afgrond en de ruwe grond hem toeschijnen als een vlak, wijd land, en hij merkt de steen en de doorn niet die in zijn handen en zijn voeten zitten. 11. En zo heeft God het met de wijnstok en zijn vrucht gedaan, zodat Zijn naam geprezen zou worden door wie Zijn wil doen en door wie geloven in de opstanding van de doden. 12. En Hij zal hen blij maken in de woning van het leven, hen die geloven in de opstanding van de doden. ## 2 Meqabyan 18 — Waar is de schoonheid gebleven? 1. Wat dwaalt u toch verschrikkelijk, u die niet gelooft in de opstanding van de doden! En wanneer men u wegvoert naar een plek die u niet kent, dan zult u op dat moment berouw hebben, wanneer u er niets meer aan hebt; en wanneer men u in het oordeel gooit, omdat u niet geloofd hebt in de opstanding van de doden, naar lichaam en ziel samen. 2. En u zult vergolden worden naar wat u gedaan hebt, goed of kwaad, omdat u het hart van uw naasten bedorven hebt door te zeggen: Wij geloven dat de doden, die tot as en aarde geworden zijn, niet opstaan. 3. En daardoor worden hun metgezellen dwaas. Want hun dood wordt niet kwijtgescholden en zij hebben geen kracht om aan hun lot te ontkomen, en ook door hun werk worden zij niet vrijgesteld, want zij moeten voor het oordeel van God verschijnen. 4. En zij zullen zich diep schamen wanneer Hij hen in Zijn toorn straft en woedend op hen is om al het kwaad dat zij gedaan hebben. Want zij praten terwijl zij de weg van God niet kennen, en zij weten zelf niet waar zij vandaan gekomen zijn. 5. En zij weten niet waar zij heen gaan: het oordeel van de vlam van het vuur in. Want zij onderwijzen hun naasten naar de verkeerdheid van hun hart, want zij zijn bitter en ruw in wat zij doen, en hardvochtig, en zij leren een verdraaid woord en zeggen: Er is geen opstanding van de doden. 6. En op die dag zullen zij weten dat de doden opstaan, en zij zullen geoordeeld worden omdat zij niet geloofd hebben in de opstanding van de doden, voor het oog van heel de mensheid. 7. Want wij zijn allemaal de vrucht van Adam, en om Adam zijn wij gestorven. Want over ons allemaal is, om de dwaling van onze vader Adam, het doodvonnis van God gekomen. 8. En verder: om vergolden te worden voor wat wij gedaan hebben, staan wij op met diezelfde Adam, onze vader. Want door de onwetendheid van onze vader Adam is de wereld aan de dood onderworpen geraakt. 9. En daarom werden wij vergolden door de overtreding van Adam, en ons vlees verging in het graf, en ook onze botten werden verbrijzeld. 10. En de aarde dronk ons merg, en onze schoonheid werd bedorven en verging tot as, en ons lichaam werd begraven in de aarde, en onze mooie stem werd begraven in het stof. 11. En het licht ging weg uit onze heldere ogen, en onze schoonheid werd bedorven in het graf en werd stof. 12. Waar is de glans van de schoonheid van de goede jongemannen, die er zo aantrekkelijk uitzagen, en waar is het mooie van hun stem? Waar is de grootheid van de sterken? 13. En waar is de kracht van de koningen en de eer van de vorsten, hun zitten op paarden, hun tooi van goud en zilver, en hun glinsterende wapenrusting? 14. Waar is de smaak van het eten bij zoete wijn? ## 2 Meqabyan 19 — Aarde en dood 1. Aarde, u hebt de koningen en de vorsten en de groten en de geëerden bij elkaar gebracht, en de mooie vrouwen en de knappe meisjes, 2. en de sterke mannen die knap waren en goed gebouwd, en wie kennis en verstand hadden, en wie een mooie stem hadden als de klank van een orgel dat spreekt, en als het tokkelen van de luit en de lier, 3. en wie een mooie melodie hadden die blij maakt als het drinken van zoete wijn, met ogen zo helder als de morgenster. 4. En hun rechterhand was sterk, als iemand die geeft en weer neemt en grijpt. En hun voeten waren mooi om te zien, en voor wie snel lopen als rechte wielen. 5. Ach, Dood, u hebt het leven van de mooie mannen weggenomen. Want u bent uitgestuurd omdat God het wilde. 6. En ook u, aarde, want u hebt veel lichamen bij elkaar gebracht die God uit u voortgebracht heeft en naar u heeft laten terugkeren. Uit u zijn wij voortgekomen en naar u keren wij terug. Omdat God het wilde, hebben wij ons op u verheugd. 7. En u werd een rustplaats voor onze lijken. Wij liepen op u en sliepen in uw schoot, wij aten uw vrucht en u at ons vlees. 8. Wij dronken van de dauw van uw bron, en u dronk van de bron van ons bloed. Wij aten van het merg van uw aarde, en u at van het merg van onze botten. 9. Wij aten van de smaak van de as van uw goede dauw, zoals God het u opgedragen had voor ons voedsel. En u nam de schoonheid van ons vlees en maakte er stof van, zoals God het u opgedragen had voor uw voedsel. 10. Ach, Dood, u hebt veel machtige koningen en vorsten bij elkaar gebracht, en u had geen ontzag voor hun verschrikking en hun grootheid, zoals Hij die hen geschapen heeft u opgedragen had. En u hebt de arme niet veracht. 11. En u hebt geen medelijden gehad met wie er mooi uitzagen. En hij spaarde de machtigen en de sterken niet, en hij spaarde de rijken en de armen niet, de misvormden en de mooien, de oude mannen en de zuigelingen, mannen en vrouwen. 12. En hij spaarde wie het goede overwegen en niet afwijken van Zijn gebod niet, en hij spaarde wie het kwade overwegen niet — wie in hun daden als vee geworden zijn, en wie volmaakt zijn in de glans van hun gestalte en hun stem en het mooie van hun spreken. 13. En hij spaarde wie bittere woorden spreken en van wie de mond vol vervloeking is niet. En u verzamelde hun zielen in uw schatkamers, die van het licht of die van de duisternis. 14. En ook de aarde verzamelde hun lichamen, in de rots of in de aarde, tot aan het blazen van de bazuin, wanneer de doden zullen opstaan. 15. En zij zullen vergolden worden, ieder naar de daden die hij verricht heeft. Want bij het blazen van de bazuin en op het gebod van God zullen de doden opstaan in een oogwenk, en wie het goede gedaan hebben, zullen zich verheugen. ## 2 Meqabyan 20 — De weg die wij niet kennen 1. Geloof dat niets van alles wat wij op de aarde gedaan hebben verzwegen of verborgen zal blijven, wanneer wij met angst en beven voor Hem staan. 2. En als wij geen proviand voor onderweg bij elkaar gebracht hebben, en wanneer wij geen kleed hebben voor onze naaktheid, 3. en als wij geen staf hebben voor onze handen en geen sandalen voor onze voeten, 4. en wij kennen de weg niet waarheen zij ons brengen: of hij vlak is of ruw, of hij duisternis is of doorn en distel, of de diepte van de zee en de diepte van het dodenrijk. 5. En wie ons brengen, kennen wij niet, en wij verstaan hun taal niet. 6. En wij zien hun gezicht niet, want zij zijn duisternis, en in de duisternis leiden zij ons. 7. Zoals David de profeet gezegd heeft: Toen mijn geest het in mij begaf, kende U mijn pad, Heere. Op deze weg die ik ging, hebben zij een strik voor mij verborgen. En ik keerde mij naar rechts en keek, en ik vond niemand die mij kende, en ik had geen plek om heen te vluchten. 8. En wanneer hij dat zegt, is dat omdat hij weet dat de demonen hem bespotten en hem brengen op een weg die hij niet kent, en hij keert zich naar rechts en naar links en er is niemand te vinden die hem kent. 9. En ook voor hem is er niemand die hem kent, maar hij is alleen te midden van de engelen van de duisternis. 10. En de geestelijke engelen van het licht worden gestuurd naar de goeden, om de zielen van de rechtvaardigen te ontvangen en hen te brengen naar de voorhof van het licht van het leven. 11. En de engelen van de duisternis en de demonen worden gestuurd naar de zielen van wie zondigen, om hen te ontvangen en hen te brengen in het eeuwige oordeel dat hun toekomt, zodat zij vergolden worden naar de daden die zij gedaan hebben. 12. Wee de zielen van wie zondigen, die men het verderf in voert, waar geen rust en geen redding en geen ontkomen en geen uitweg is tot in eeuwigheid, om de benauwdheid die hen overvallen heeft. 13. Wee wie zondigen, want zij zijn de weg van Kaïn gegaan, en in het loon van het onrecht van Bileam zijn zij te gronde gegaan, en zij hebben gezondigd in wat zij doen. Want door geschenken aan te nemen bedenken zij listen om andermans goed met onrecht weg te nemen, goed dat niet van hen is. 14. Zij zullen vergolden worden naar de daden die zij gedaan hebben, in het oordeel van de vlam van het vuur. ## 2 Meqabyan 21 — Wat je met onrecht verzamelt 1. Waar zijn zij die met onrecht andermans goed bij elkaar gehaald hebben, goed dat niet van henzelf was en niet het werk van hun handen? 2. Maar zij nemen andermans goed zonder ervoor te betalen en stapelen het op, terwijl zij de dag van hun dood niet kennen die hen overvalt. En zij laten hun rijkdom achter voor een ander. 3. En ook hun kinderen zullen niet blij worden met de rijkdom van hun vaders, want het zijn huizen van zondaars. Men berooft hen door diefstal en door geweld — dat zijn zondaars zoals hun vaders — of door roof. 4. En het goed van hun vaders levert hun niets op, want zij hebben het met onrecht bij elkaar gehaald. En zoals een wolk voorbijdrijft, zoals rook die de wind meeneemt, zoals het zaad van gras dat afgeschud wordt en zoals was die smelt voor het vuur, zo zal de heerlijkheid van wie zondigen verdwijnen. 5. Zoals David gezegd heeft: Ik heb de goddeloze gezien, groot en hoog als de ceder van de Libanon. En toen ik terugkwam, was hij weg. Ik zocht hem, maar ik vond zijn plaats niet. 6. En zo gaan wie zondigen ten onder, in één ogenblik, zodat zij niet zouden opscheppen, zij die hun kwaad bedrijven alsof zij niet sterven zullen, omdat zij met onrecht andermans goed bij elkaar gehaald hebben. 7. Dwazen, bedenk dat u vergaat, en ook uw rijkdom gaat met u voorbij. En al hebt u nog zoveel goud en zilver, het wordt tot niets. 8. En al hebt u veel kinderen, het worden veel graven. En al hebt u veel huizen, ze worden puinhopen. 9. En al hebt u veel vee, het wordt buit voor uw vijanden, omdat u de wil van God, uw God, niet gedaan hebt. En alles waar u uw hand aan geslagen hebt, is nergens meer te vinden, omdat het niet gezegend was: 10. niet wat in huis was en niet wat op het veld was, niet in de kudden en in het gewas, en niet op de dorsvloer van het koren en in de wijnpers. 11. En ook over de vrucht van uw schoot zult u niet blij zijn, maar zij zal u verdriet doen om al uw vijanden, omdat God u geen voorspoed gegeven heeft, u en alle mensen van uw huis, omdat u zich niet aan de geboden van God gehouden hebt. 12. Maar aan wie Zijn wet en Zijn gebod en Zijn inzetting gehouden hebben, zal Hij Zijn zegen niet onthouden. Hij zal hun alles geven wat zij Hem gevraagd hebben, en Hij zal voor hen de vrucht van hun land en de vrucht van hun schoot zegenen. 13. En Hij zal hen boven alle volken om hen heen zetten, zodat zij regeren en niet geregeerd worden. En Hij zal hun alle zegen geven in hun oogst en hun vrucht. 14. En alles wat hun handen ondernemen, zal Hij voor hen zegenen: de vrucht van hun werk en de aanwas van hun vee, en Hij zal hen blij maken met de vrucht van hun schoot. 15. En Hij zal hun vee niet minder maken, en Hij zal hen redden uit al hun benauwdheid en ziekte en zwakte en plaag, uit wat zij kennen en wat zij niet kennen. 16. En Hij zal voor hen opkomen in het gericht, en Hij zal hen redden uit benauwdheid en uit boze woorden en uit alles wat zich tegen hen keert. Want wat het werk van de tabernakel betreft: als er vanaf het begin een Leviet is die zich toewijdt, het werk van de tabernakel bewaart en naar de wil van God leeft, dan zullen zij hem naar de eerste wet de tienden geven van alles wat naar Zijn wet is, en elke eerstgeborene, van de mens tot het vee toe. 17. En een vrijstad in al hun steden, zoals Mozes aan Jozua, de zoon van Nun, opgedragen heeft, zodat de doodslager gered zou worden die zonder opzet gedood heeft, en ook als iemand met opzet gedood heeft, 18. totdat men hem zijn recht geeft, door wie veroordelen en door wie vrijspreken. 19. En onderzoek het nauwkeurig, zei Hij tegen hen. Als er eerder vijandschap met hem was, en hij zegt: Zonder opzet is het uit mijn hand gevallen, ijzer of steen of hout, en hij is gestorven op wie het viel — laat hem dan vrij wanneer u het onderzocht hebt, want hij heeft het zonder opzet gedaan; hij zal gered worden. 20. Maar als hij het met opzet gedaan heeft, zal hem vergolden worden naar zijn misdaad, en niemand zal zich over hem ontfermen. En als hij het zonder opzet gedaan en gedood heeft, laat hem dan gaan wanneer u het onderzocht hebt, zodat hij niet sterft, want hij heeft het zonder opzet gedaan. 21. En zo heeft Mozes het voor de kinderen van Israël ingesteld, zodat zij het gebod van God niet zouden overtreden, maar zich van al het kwaad zouden onthouden. Daarvoor heeft hij het voor hen ingesteld. 22. En Hij droeg hun op om te leven naar al Zijn recht en Zijn gerechtigheid, en zich verre te houden van roof en verminking en doodslag, en van alles wat mensen niet passen te doen — mensen die naar het gebod van God leven en zich van al het kwaad onthouden — zoals Hij het voor hen ingesteld heeft. 23. En Hij droeg hun op om Zijn gebod niet te overtreden, dat Hij voor hen ingesteld heeft naar het voorbeeld van wat in de hemel is, namelijk de tabernakel, zodat Hij hun ziel zou behouden en zij hun woning zouden vinden bij hun vaderen die het goede gedaan hebben. 24. Want wie geloofd hebben in het woord van God en naar Zijn gebod geleefd hebben, worden het geslacht van de rechtvaardigen genoemd, want zij komen van Adam en Set, zij die de wil van God gedaan hebben. Hij veracht hen niet. 25. Want wij zijn het nageslacht van Adam, en naar Zijn beeld heeft Hij ons gevormd, en naar Zijn gelijkenis heeft Hij ons geschapen, zodat wij het goede zouden doen en alles wat God bevalt. 26. En als wij het goede doen, zullen wij het land van het leven erven met wie het goede gedaan hebben, want Hij maakt geen onderscheid en Hij stoot wie Hem liefhebben niet af. 27. En Hij heeft hen buitengewoon lief, en Hij hoort het gebed van wie Hem met een zuiver hart aanroepen, en Hij neemt het berouw aan van wie zich met volharding bekeren, en Hij geeft kracht en sterkte aan wie Zijn wet en Zijn inzetting en Zijn gebod houden. 28. En zij zullen zich met Hem verheugen in Zijn eeuwige koninkrijk, zij die Zijn wil gedaan hebben, de eersten net zo goed als de laatsten. Hem brengen zij lof, van nu af aan tot in alle eeuwigheid. Amen. ## 3 Meqabyan 1 — Wat de tegenstander over zichzelf zegt 1. In de laatste dagen zullen de eilanden van Egypte blij zijn om de goede en zachtmoedige die naar hen toe komt. Hij zal wraak nemen voor alles wat Sablyanos onderdrukt en verleid heeft, Sablyanos die zich verzet tegen de weg van zijn Schepper. 2. Hij zal hem straffen en zijn eer laten terugkeren tot stof en schande, omdat hij zichzelf in zijn gedachten groot gemaakt heeft. 3. En hij zei: Wie zal boven mij uitstijgen? Want ik dring door tot in het hart van de zeeën en ik klim omhoog tot in de hoogte. Zie ik de diepten soms niet? Grijp ik de kinderen van Adam soms niet als een jong vogeltje? 4. En er is niemand die aan mijn hand ontsnapt. Alleen de mensen op aarde die de wil van God doen, krijg ik niet klein. Daarom bedenk ik listen tegen hen, om hen weg te halen bij de rechte weg van God. 5. En ik breng hen op mijn slechte weg, zodat zij samen met mij te gronde gaan. 6. En daarom haten de mensen die Hem liefhebben en Zijn gebod bewaren mij. Maar wie bij hun Heere zijn weggelopen, komen naar mij toe. Zij houden van mij, zij houden zich aan mijn verbond en zij doen wat ik hun opdraag. Want ik maak hun hart slecht en ik verdraai hun gedachten, zodat zij zich niet bekeren tot God, hun Schepper. 7. En wanneer ik hun de rijkdom van de wereld laat zien, leid ik hun hart af van de rechte weg. En wanneer ik hun mooie vrouwen en meisjes laat zien, haal ik hen ook daarmee van de rechte weg af. 8. En wanneer ik hun de fonkelende edelstenen van India laat zien en klompen goud en zilver, haal ik hen ook daarmee van de rechte weg af, zodat zij zich naar mijn werk keren. 9. En wanneer ik hun mooie kleren laat zien, fijn linnen en zijden gewaden, brokaat en kostbare stoffen, haal ik hen ook daarmee van de rechte weg af en breng ik hen op mijn gedachten. En wanneer ik hun bezit laat zien en vee zo talrijk als het zand, breng ik hen ook daarmee tot mijn werk. 10. En wanneer ik hun ruzies laat zien die uit hoogmoed voortkomen, ruzies om vrouwen, ruzies uit overmoed en uit woede, breng ik hen ook daarmee op mijn weg. 11. En wanneer ik hun voortekenen laat zien, dring ik door in het hart van de mensen om hen heen en fluister ik in hun hart de woorden van die voortekenen. En zodra het teken van hun woord uitgekomen is, maak ik hen het hoofd op hol. 12. En aan wie ik tot mijn woning gemaakt heb, laat ik voortekenen zien: in de loop van de sterren, in de vorm van de wolken, in het oplaaien van vuur of in de vlucht van vogels en dieren. Met dit alles zet ik een teken in hun hart, want zij zijn mijn woning. 13. En zij spreken en geven de mensen om hen heen een teken, en ik ga hun voor en ik word dat teken, precies zoals hun waarzeggers gezegd hebben. 14. En ik laat het teken van hun woord uitkomen, zodat wie hen geraadpleegd hebben erin trappen en hun een beloning geven. En zij vertellen het aan de mensen om hen heen, zodat die zeggen: Er zijn geen kenners als die man en die vrouw. Bij hen gebeurt het precies zoals zij gezegd hebben. Zij kennen de profetie, zij onderscheiden goed en kwaad, alles gaat zoals zij gezegd hebben en alles wordt voor hen gedaan naar hun woord. 15. En wanneer zij dat zeggen, ben ik blij, want dan gaan er veel mensen verloren en dwalen er veel door mij af, zodat de kinderen van Adam samen met mij te gronde gaan. Want om hun vader Adam heeft God mij van mijn troon gegooid, omdat ik zei: Ik buig niet voor dit schepsel van klei. 16. En daarom sleep ik hen mee het verderf in, alle kinderen van Adam die naar mijn gebod leven. En ik koester wrok tegen Hem die mij geschapen heeft, zodat wie ik verleid heb samen met mij in het vuur gegooid worden. 17. En ook ik heb mijn Heere gesmeekt, toen Hij Zijn toorn tegen mij ophief en beval dat men mij zou binden en in de hel en in de diepte van het dodenrijk zou gooien. En toen mijn Schepper dat bevolen had, smeekte ook ik voor Zijn aangezicht: Mijn Heere, nu U mij gestraft hebt, met Uw zweep geslagen en met Uw toorn getroffen, sta mij dan toe om één woord tegen U te zeggen. 18. En mijn Heere antwoordde mij en zei tegen mij: Spreek, ik zal naar je luisteren. En toen vatte ik moed en legde ik Hem mijn smeekbede voor: Nu ik van mijn troon verdreven ben, laat dan wie ik verleid heb met mij zijn in de pijn die ik lijd. 19. Maar wie mij geweigerd hebben, wie niet door mij afgedwaald zijn en zich niet aan mijn gebod gehouden hebben, maar Uw gebod deden, Uw wil volbrachten en Uw woord bewaarden — zij hebben mij geweigerd hoe ik hen ook lokte, zij dwaalden niet door mij af hoe ik hen ook verleidde — laat die dan voor Uw koninkrijk zijn en laat hun de kroon gegeven worden die van mij was, die U mij gaf toen U mij liefhad. 20. En geef hun ook de kroon van alle machten die samen met mij verdreven zijn en die satans genoemd worden, en zet hen aan Uw rechterhand op mijn troon, nu U mij en mijn engelen kwijt bent. 21. En laat hen U prijzen zoals U het gewild hebt, en laat hen zijn als ik en als mijn engelen, en laat hen U prijzen zoals U het gewild hebt. Want mijn macht is weg en hun macht is groot geworden, omdat U mij gehaat hebt en hen liefgehad hebt die uit stof en as gemaakt zijn. 22. En mijn Heere antwoordde mij en zei tegen mij: Zoals jij het gewild hebt, zo zal het gaan. Zij begeren mijn troon niet, en toch zullen zij van jou zijn naar jouw woord, want jij hebt hen verleid terwijl zij zagen en hoorden. 23. En het doet mij geen verdriet dat zij verloren gaan wanneer zij naar jou toe komen, nadat zij mijn gebod en het woord van mijn boeken verlaten hebben. En als jij hen verleid hebt, zullen zij samen met jou veroordeeld worden in het oordeel. 24. En voor jou zal er geen ontsnapping zijn tot in alle eeuwigheid. Wie door jou afgedwaald zijn, zullen in het oordeel van de veroordeling zijn, maar jij zult in het vuur gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid. ## 3 Meqabyan 2 — Het weerwoord van de profeet 1. Maar wie jij niet hebt kunnen overwinnen, zoals mijn knecht Job, hun zal ik jouw troon in heerlijkheid laten erven. Aan wie jij niet hebt kunnen verleiden, zal ik het koninkrijk van de hemel als loon geven, zegt God, die over alles heerst. 2. En ik, ik maak alle kinderen van Adam sluw en ik laat hen niet staande blijven in goede werken, of U hen nu wel of niet voor mij zou kunnen bewaren. Want ik maak alle kinderen van Adam sluw en ik maak het verlangen naar deze wereld aantrekkelijk voor hen: 3. met het verlangen naar eten, met het verlangen naar drank en met de liefde voor oppotten; of met de liefde voor praten en voor geven en nemen; 4. of met de liefde voor staren, met de liefde voor luisteren, met de liefde voor rondlopen en betasten; of met veel woorden uit hoogmoed, en met de liefde voor slapen en dromen; 5. of met steeds meer drank en dronkenschap; of met het kijken naar de mooie vrouwen van deze wereld en met de geur van parfum — daarmee leidt hij hen af. 6. of met het belasteren van hun naaste uit haat; of met het kijken naar de mooie vrouwen van deze wereld en met de geur van parfum leidt hij hen af. 7. En met dit alles kom ik hun tegemoet, zodat zij niet gered kunnen worden. En ik haal hen weg bij de weg van God, zodat zij samen met mij het verderf ingaan. Om hen ben ik van mijn troon verdreven. 8. En de profeet zei: Jij verderf en verderver, verhef jij je zo boven het schepsel van God? Je hebt het gebod van God overtreden in je hoogmoed, in de hardheid van je hart, in het tergen van je Schepper en doordat je je God niet prees. 9. En toen je Schepper woedend op je was, verwierp Hij je om het kwaad van je werken. En waarom sleep jij dan die arme mee, die zijn God uit stof en as geschapen heeft, die Hij gemaakt heeft zoals Hij het wilde en die Hij tot Zijn eer gesteld heeft? 10. En dat terwijl jij, een geest, jezelf verheven hebt tegen het woord van God, die jou geschapen heeft uit de vlam van het vuur en uit de wind. 11. En terwijl jij jezelf prees, keek God naar het kwaad van je werken en schiep Hij dat wezen van klei in jouw plaats, zodat het Zijn naam zonder ophouden zou prijzen, omdat jij met je demonen het gebod van God overtreden had. 12. En Hij schiep Adam met zijn kinderen, zodat zij de naam van God zouden prijzen in plaats van jouw lofzang en die van je legers, die God verworpen heeft om jouw hoogmoed. Want jij hebt jezelf verheven boven alle engelen, boven wie aan jou gelijk waren, de legers van de engelen. 13. En daarom heeft God je weggerukt bij alle aartsengelen die aan jou gelijk waren, en ook je legers die samen met jou geschapen waren. Je bent afgedwaald van de lofprijzing van God door de hardheid van jullie harten en door een hoogmoed in je gedachten waar niemand iets aan heeft, en je hebt jezelf verheven tegen Hem die jou geschapen heeft, en niet tegen iemand anders. 14. En daarom, zodat de nederigen Hem zouden prijzen, schiep Hij Adam uit het stof van de aarde en gaf Hij hem een wet en een gebod: dat hij niet van de vrucht van de boom zou eten. 15. En Hij stelde hem aan over alles wat Hij gemaakt had en Hij onderwees hem en zei: Eet van elke boom die in de tuin staat, maar van één boom, de doorn van de dood, daarvan mag je niet eten, zodat je de dood niet over jezelf brengt. 16. En toen jij dat woord hoorde, spuwde je je gif uit je mond op Eva, het been uit de rib van Adam. 17. En jij hebt dat reine schaap met een gemene list gestrikt, om het aan jou gelijk te maken: iemand die het gebod overtreedt. 18. En toen jij Eva verleidde, die geschapen was als een zachtmoedige duif en die jouw wegen niet kende, verleidde je haar met je verdraaide woord en met je bedrieglijke taal. En nadat jij dat eerste schepsel verleid had, ging zij op haar beurt en verleidde zij het schepsel van God, de eerste mens, die uit stof geschapen was. 19. En met jouw hoogmoed heb je hem opgehitst tot iets wat geen stand hield, tot verwarring, en je hebt hem laten opstaan tegen het woord van zijn Schepper, en met jouw hoogmoed heb je die arme in vuur en vlam gezet. 20. En met jouw kwaad heb je hem ver weggehaald van de liefde van zijn God, en met jouw list heb je hem de tuin van de vreugde uit gegooid, en met jouw struikelblok heb je hem laten ophouden te eten van de tuin. 21. En met jouw leugen heb je hem het drinken uit de tuin afgenomen. Want jij hebt vanaf het begin dat zachtmoedige schepsel tegengewerkt, om hem te laten afdalen in jouw dood, het dodenrijk, en om hem uit de liefde te gooien van zijn God, die hem uit het niets in het echte bestaan gebracht heeft. 22. En dat terwijl Hij hem, hoewel hij aards is, geestelijk en redelijk gemaakt heeft: iemand die zijn God prijst en voor Hem zingt met zijn ziel, met zijn lichaam en met zijn gedachten. 23. En Hij schiep voor hem… ## 3 Meqabyan 3 — Eén gedachte tegenover ontelbare gedachten 1. Maar aan jou… 2. En aan Adam… wordt gegeven… 3. En verder: in hen zijn onrustige gedachten, als de golven van de zee, als een wervelwind die stof van de aarde opneemt, als een golf van de zee die de wind opzweept en als de druppels van de regen die niet te tellen zijn. Zo zijn de gedachten van Adam, want de gedachten in zijn hart zijn zo talrijk dat niemand ze tellen kan. 4. Maar jij hebt één gedachte en geen andere, want jij bent niet van vlees. 5. Maar jij, jij hebt hem bedorven die… 6. En zij kwam en verleidde het eerste schepsel van God om van de boom te eten, en zo bracht zij de dood over zichzelf en over haar kinderen, omdat zij het gebod van haar Schepper overtreden had. 7. En door het rechtvaardige oordeel van God gingen zij de tuin uit. En Hij zette hen niet ver weg door hen als vijanden uit de tuin te verstoten, maar Hij troostte hen op de aarde waarheen Hij hen verbannen had: met hun kinderen, met de vrucht van hun schoot en met de vrucht van hun land. 8. En toen jij hen uit afgunst de tuin uit gedreven had, gaf God hun jonge loten van de bomen van de tuin om te planten, zodat zij getroost zouden worden door de vrucht van de tuin en door de vrucht van het land dat God hun gegeven had. 9. Zo zouden zij getroost worden en hun hart helemaal opnieuw beginnen: bij het zien van kinderen, bij het zien van een tuin en bij de vrucht van het land, die de aarde uit de as liet opkomen. En wanneer zij daarvan eten, worden zij helemaal getroost over het verdriet waarmee jij hen de tuin uit gedreven had. 10. En zij worden in hun hart getroost door kinderen en door de vrucht van het land, want God weet hoe Hij Zijn schepsel troosten moet. 11. En Hij maakt hun hart nieuw met koren en met water, want zij waren ballingen geworden in dit land van doorn en distel. ## 3 Meqabyan 4 — Waarom God een schepsel van stof maakte 1. En de Heere van Adam stond klaar om hem te redden, om jou te schande te maken en om het schaap uit de hand van de wolf te rukken. 2. En toch laat jij opstaan wie je onderworpen hebt, en sleep je hen met je mee het verderf in. 3. Maar wie zich aan de wet van de Heere hun God gehouden hebben, zijn blij met hun Schepper. God heeft hen verborgen voor jouw kwade werk, zodat Hij hen tot Zijn erfdeel zou maken en zodat zij Hem zouden prijzen samen met Zijn heilige engelen, die de wet van hun God niet overtreden hebben, zoals jij dat wel deed. 4. Maar jou heeft God, de Allerhoogste, om jouw hoogmoed de troon afgenomen die Hij je gegeven had boven allen die aan jou gelijk waren, zodat je Hem samen met Zijn engelen zou prijzen. 5. Maar jij hebt geweigerd, en zo kregen jullie je naam: zij werden demonen genoemd. Maar wie God liefhebben, worden voor Hem een volk als de heilige engelen, en zonder ophouden spreiden zij hun vleugels uit, de cherubs en de serafs die Hem prijzen. 6. En wie God liefhebben, worden voor Hem een volk als de heilige engelen, en zonder ophouden spreiden zij hun vleugels uit, de cherubs en de serafs die Hem prijzen. 7. Maar jij hebt door je traagheid en door je hoogmoed je eer bedorven, terwijl Hij je opgedragen had dat je Hem altijd zou prijzen met je geslacht en met heel je gezelschap, dat samen met jou geschapen was. 8. En toen jij de lofprijzing bevuild had van Hem die jou geschapen heeft, terwijl het jou toescheen dat Hij niet in staat was om iemand als jij te maken, schiep Hij een tiende geslacht, zodat de lofprijzing van God die jou geschapen heeft niet zou ophouden toen jij werd afgesneden van het gezelschap van je broeders. 9. Maar jij werd door de hoogmoed van je hart traag in het prijzen van Hem die jou geschapen heeft. En Hij werd woedend op je, Hij dreef de spot met je en Hij bond je in de huiver van de hel, samen met je demonen. 10. En Hij nam klei van de aarde in Zijn heilige handen, Hij mengde er water en vuur en wind doorheen, en Hij schiep Adam naar Zijn eigen beeld en gelijkenis. 11. En Hij stelde hem aan over alles wat Zijn handen gemaakt hadden, zodat hij met zijn lofprijzing de lege plaats zou vullen die jij achterliet. En de lofprijzing van de aardse werd samengevoegd met de lofprijzing van de hemelse wezens, en hun lofprijzing werd gelijk. 12. Maar jij werd door je hoogmoed en door je harde nek verdreven, en je hebt jezelf bedorven, ver van de lofprijzing van God, die jou geschapen heeft. 13. Weet dit: Zijn eer is er niet minder om geworden. Want Hij maakte iemand die Hem prijst, precies zoals Hij het wilde, zodat de eer van God niet minder zou worden. 14. Want Hij weet alles voordat het gebeurt. En al voordat Hij jou schiep, wist Hij dat Zijn gebod overtreden zou worden. En toen jij Adam liet vallen, had Hij hem al gemaakt naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis, want van vóór de wereld lag er een verborgen plan bij Hem klaar. 15. Zoals Salomo zei: Vóór de heuvels heeft Hij mij voortgebracht, en vóór de wereld vast kwam te staan heeft Hij mij geschapen, en voordat Hij de fundering van de aarde gelegd had, 16. en voordat Hij de plaats van de bergen en de heuvels vaststelde, en voordat de wegen van de wereld vastlagen, en voordat het licht van de zon en de maan scheen, en voordat de sterren hun baan en de tijden hun loop hadden, 17. en voordat nacht en dag gescheiden waren, en voordat de zee haar grenzen had, en voordat alles wat er is er was, 18. en voordat verscheen wat nu verschijnt, en voordat elke naam die nu genoemd wordt genoemd werd. Jij bestond niet in de gedachten van God, en wie aan jou gelijk zijn ook niet, maar Adam, Zijn knecht, wel. 19. Toen jij viel, was dat zodat Zijn heilige naam geprezen zou worden. En toen jij jezelf verhief, schiep Hij Adam, Zijn knecht, zodat Hij geprezen zou worden door het nederige schepsel dat Hij uit stof geschapen heeft. 20. Want God hoort het gebed van de armen van ver, en de lofprijzing van de nederigen heeft God lief. 21. En de woorden van de hoogmoedigen veracht God. Want Hij verlangt niet naar de kracht van een paard en Hij heeft geen plezier in de benen van een man. God heeft plezier in wie ontzag voor Hem hebben, 22. en die huilen en klagen om de zonden die zij begaan hebben. 23. Maar jij hebt je niet kunnen buigen in berouw. 24. Maar hij, die stof is, keerde in berouw terug, huilend en klagend om zijn zonde, voor het aangezicht van God, zijn Schepper. 25. Maar jij hebt door de hoogmoed van je hart en door je harde nek de weg van de vrede niet gekend en die van het berouw ook niet, en je hebt je niet klein kunnen maken voor het aangezicht van God, je Schepper, in berouw, in huilen en in tranen. 26. Maar hij, die stof en as en arm is, keerde met huilen en tranen terug tot berouw en tot de weg van de vrede en de nederigheid. 27. Maar jij hebt jezelf niet klein gemaakt, en je hart heeft zich niet gebogen voor Hem die jou geschapen heeft. 28. Maar hij maakte zichzelf klein en boog zich neer over wat hij verkeerd gedaan had, en hij verhief zichzelf niet. 29. En ook die dwaling: niet Hij heeft haar geschapen, maar zij kwam van jou. Want jij hebt haar gemaakt en de opstandigheid laten opkomen, en jij hebt hem met je meegesleept in je eigen verderf, door je hoogmoed. 30. Weet dit: Hij weet Zelf dat het gekomen is door de hoogmoed van jouw hart. Want voordat Hij jullie allebei schiep, kende Hij jullie en kende Hij jullie wegen. 31. Maar hem, die geen sluwe hoogmoed had, bracht Hij terug in berouw, in huilen en in tranen. 32. Maar jij hebt je door de hoogmoed van je hart niet kunnen buigen in berouw. Want wie zondigt en hoogmoedig blijft, bij hem is die hoogmoed erger dan zijn eerste overtreding. Maar wie zondigt en zich klein maakt en huilt voor het aangezicht van God, zijn Schepper, 33. hij is het die echt berouw heeft en de weg van zijn redding gevonden heeft, zodat hij het hart van zijn Heere zacht maakt. Hij maakte zich klein voor zijn Meester, en zijn Heere ziet af van de straf van eerst in plaats van boos te blijven op Zijn knecht, omdat die zich voor Hem klein gemaakt heeft met veel berouw en diep buigen. En zijn eerste overtreding vergeeft Hij hem. 34. En dan moet hij niet terugkeren naar zijn eerste zonde: dat is volmaakt berouw, als hij dat doet. En Adam schoof de gedachte aan zijn God niet opzij, maar hij maakte zich klein in berouw voor Hem die hem geschapen heeft. 35. En jij, maak jezelf ook klein voor Hem en heb berouw tegenover Hem die jou geschapen heeft, en houd de zonde niet vol tegen Hem en tegen het werk van Zijn handen. Want hun Heere, die hen geschapen heeft, kent hun zwakheid, want zij zijn van vlees en bloed. 36. En ook hun ziel: wanneer die uitgegaan is, wordt hun lichaam as, tot op de dag dat Hij het wil. ## 3 Meqabyan 5 — Weeg wat je gedaan hebt 1. Ken Hem die jou geschapen heeft en vergeet Hem niet die jou sterk gemaakt en gered heeft, de Heilige van Israël. Want terwijl je stof bent, heeft Hij jou gemaakt naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis, en Hij heeft je in de tuin gezet, zodat je blij zou zijn en het land zou bewerken. 2. En toen je Zijn gebod overtrad, joeg Hij je daar weg, dit dorre land in, een land van doorn en distel, dat Hij om jou vervloekt heeft. 3. Want jij bent aarde en zij is aarde, jij bent as en zij is as, jij bent stof en zij is stof. Je leeft van haar, je keert naar haar terug en je wordt as, tot op de dag dat Hij het wil: om je op te wekken en je te ondervragen over elke overtreding en zonde die je begaan hebt. 4. Weet dan wat je op die dag zult antwoorden, en denk hier na over wat je gedaan hebt, kwaad en goed. Weeg het en overleg of het kwaad zwaarder weegt of juist het goede. 5. En als je meer goed gedaan hebt, dan is het goed voor je, zodat je blij bent en je verheugt in de opstanding van de doden. 6. En als je meer kwaad gedaan hebt, wee jou. Want je zult vergolden worden naar het werk van je handen, naar het kwaad in je gedachten, naar de mate waarin je je broer onderdrukt hebt en naar de mate waarin je geen ontzag voor God had. Je zult vergolden worden naar wat je gedaan hebt. 7. En je zult ook vergolden worden voor de mate waarin je je naaste belasterd hebt en vals gezworen hebt bij de naam van God. 8. Want je maakt van je woord een leugen, zodat men je gelooft en je je naaste bedriegt, terwijl je zelf weet dat je liegt. 9. En tegenover wie bij je staan doe je alsof je woord waar is. Je stelt hen gerust en je maakt veel woorden over iets waar geen staat op te maken is. Je zult vergolden worden naar wat je gedaan hebt, en naar de mate waarin je zegt: Ik zal je geven tegen iemand aan wie je niets geeft, je naaste, die je ook nog belastert, je medemens. 10. En wanneer je met een zuiver hart zegt: Ik zal geven, dan liggen de demonen als honden op je te wachten en laten zij je alles vergeten. Ook al heb je het gekregen en wilde je het weggeven, zij laten je verlangen naar de rijkdom van de wereld, zodat je oppot wat je niets oplevert en wat je niet opeet. Want Hij heeft gezegd: Zij potten op, en zij weten niet voor wie zij verzamelen. 11. En verder heeft Hij gezegd: De mensenkinderen zijn leugenaars, zij vervalsen de weegschaal, en zelf gaan zij alleen maar van leegte naar leegte. 12. Mensen, blijf niet aan het onrecht kleven door de weegschaal te vervalsen en de maat te vervalsen, door andermans goed weg te nemen en het met onrecht bij je eigen bezit te leggen, door je aan het bezit van je naaste te vergrijpen, en door alles waarmee je jezelf rijk maakt en je naaste niet. 13. En als je ook dit doet, zul je vergolden worden naar wat je gedaan hebt. 14. Mensen, vertrouw niet op roof, maar leef van wat eerlijk is, van het werk van je handen. En verlang niet naar het werk van een ander om te eten van roof en afpersing, zonder recht en gerechtigheid. 15. Dat verzadigt je niet wanneer je het eet, en het levert je niets op wanneer je het oppot, maar je laat het aan een ander na wanneer je sterft. 16. En ook je rijkdom: word er niet hoogmoedig van als die groot is. Beter weinig in gerechtigheid dan de grote rijkdom van wie zondigen. Want de rijkdom van wie zondigen is als rook die uit de mond van een oven komt, en de wind neemt hem mee. ## 3 Meqabyan 6 — Denk aan de dag van je dood 1. En denk aan de dag van je dood, en bedenk wat die dag brengen zal, wanneer je ziel uit je lichaam gaat, wanneer je je rijkdom aan een ander nalaat en een weg gaat die je niet kent. 2. En wie jou zullen ontvangen, zijn hard en afschuwelijk om te zien en angstaanjagend in hun verschijning. Zij horen jouw stem niet en jij hoort hun stem niet. 3. En ook wanneer je hen smeekt, antwoorden zij je niet, omdat je de wil van God, jouw God, niet gedaan hebt. Daarom jagen zij je grote angst aan. 4. Maar wie de wil van God gedaan hebben, zijn niet bang, want voor hen hebben zij ontzag. Met de ziel van wie zondigen drijven de boze geesten de spot. 5. En de zielen van de rechtvaardigen zijn blij bij het gejuich van de engelen, want die maken hen heel blij omdat zij deze wereld niet belangrijk gevonden hebben. Maar de zielen van wie zondigen worden door de harde engelen ontvangen. 6. En de zielen van de rechtvaardigen en de goeden worden ontvangen door de engelen van de barmhartigheid, want die worden door God gestuurd om de zielen van de rechtvaardigen te troosten. Maar voor de zielen van wie zondigen worden door de duivel de harde engelen gestuurd, om met de zielen van wie zondigen de spot te drijven. 7. Wee jullie, zondaars! Huil over jezelf voordat de dag van je dood je bereikt, want na je dood komt je voorbije tijd niet terug. 8. Maar voordat je dagen voorbij zijn: bekeer je nu je nog leeft, zodat je zonder ziekte en verdriet zult zijn wanneer je met vreugde bij God komt. 9. En laat er op jou geen lelijke vlek zitten, geen onmatigheid en geen liefde voor genot en lekker eten, zodat dat je niet meetrekt in een leeg verlangen dat je van God weghaalt. Want een ziel die zich mateloos volpropt, denkt niet aan de naam van God, en de geest van het leven woont niet in haar, maar de geest van de duivel. 10. Zoals Mozes gezegd heeft: Jakob at en werd verzadigd, hij werd vet en dik en zwaar, en hij verliet God, zijn Schepper. 11. En zijn leven kwam ver van God af te staan. Want wie zijn buik mateloos volpropt, wordt als een hinnikend paard en als de zwijnen op het veld: eten en drinken zonder maat, en hoererij. 12. Maar wie zijn buik niet overmatig vult, staat vast op het fundament van God. Hij is als een muur van diamant en als een sterke wal met een omheining. Want Hij heeft gezegd: De goddeloze vlucht terwijl niemand hem achtervolgt. 13. Maar de rechtvaardige is vol vertrouwen als een leeuw. 14. En wie God niet liefhebben, houden zich ook niet aan Zijn woord, en hun hart is niet eerlijk. 15. En God geeft hun ontzetting en verdriet zolang zij op de aarde zijn, zodat zij geen rust hebben: met angst en met beven, met de roof van hun bezit, met talloze benauwdheden, en met ketenen om hun handen door de hand van hun heersers. 16. En met allerlei ziekten die hen laten schrikken, zodat zij geen rust hebben en hun leven niet in vrede is. ## 3 Meqabyan 7 — Wie op God vertrouwt 1. Maar wie op God vertrouwen, kennen geen ontzetting en geen angst, zoals David gezegd heeft: Op God heb ik vertrouwd, ik zal niet bang zijn. Wat zou een mens mij doen? 2. En verder heeft hij gezegd: Toen de onderdrukkers mij op de proef stelden, heb ik op Hem vertrouwd. Eén ding heb ik van God gevraagd, en dat zal ik blijven zoeken. En wie op Hem vertrouwt, zal in eeuwigheid leven en zal niet bang zijn voor slecht nieuws. 3. Wie heeft op God vertrouwd en werd te schande? En wie heeft Hem aangeroepen en werd door Hem vergeten? 4. En wie heeft op Hem gehoopt en werd te schande? Want Hij heeft gezegd: Wie mij liefheeft, zal ik liefhebben, en wie mij eert, zal ik eren, en over wie zich tot mij wendt, zal ik mij ontfermen. 5. Red de ziel van wie onderdrukt wordt en bevrijd hen, zodat God jou redt van iedereen die kwaad tegen je wil, en zodat Hij ook je nakomelingen na jou redt. Want het geslacht van de rechtvaardigen wordt gezegend. Zij komen niets tekort aan brood, maar zij houden over en zij geven. ## 3 Meqabyan 8 — Job en het geduld 1. Job vertrouwde op God, en Hij redde hem uit alle benauwdheid die de duivel, de vijand van de mens, over hem gebracht had. Want zonder aarzelen zegende hij God, zijn God, en hij liet zijn hart geen verdriet doen om de benauwdheid die hem overkomen was. Hij zei: God heeft gegeven en God heeft genomen; het is gegaan zoals God het wilde. Laat in alles de naam van God geprezen zijn, in de hemel en op de aarde. 2. En toen God zag dat het hart van Job zuiver was, ontving God hem met grote eer. 3. En Hij gaf hem meer rijkdom dan hij eerst had en genas hem van zijn zweren, omdat hij alles wat hem overkomen was volgehouden had. Want hij was buitengewoon geduldig. 4. En zo is het ook met jou: als je geduldig blijft onder de benauwdheden die naar je gestuurd worden, zul je gelukkig zijn. 5. Wees dan geduldig en laat je hart niet verslappen door de benauwdheid die je overkomt, zodat God een toevlucht voor je is tegen wie zich tegen je keren, en ook voor je kinderen en je kleinkinderen na jou. 6. Vertrouw op Hem, en Hij zal een toevlucht voor je zijn. Roep Hem aan, en Hij zal naar je luisteren. Hoop op Hem, en Hij zal Zich over je ontfermen. Bid tot Hem, en Hij zal een vader voor je zijn. 7. Denk aan Esther en Mordechai, aan Judit, aan Gideon, Barak, Debora, Simson en Jefta. 8. En denk aan de anderen die net als zij vast op God vertrouwd hebben, en hun vijanden hebben hen niet overwonnen. 9. Wie hun kwaad wilden doen, vergeldt Hij dat kwaad, want God is rechtvaardig en Hij trekt niemand voor. Van allen die ontzag voor Hem hebben en rechtvaardig leven, bewaart Hij de ziel, en Hij geeft hun eer en genade. 10. En Hij maakt hen blij bij hun binnenkomen en bij hun uitgaan, in hun dood en in hun leven, in hun rust en in hun opstanding. Want Hij maakt levend en Hij doodt. 11. En Hij slaat en Hij ontfermt Zich. 12. En Hij maakt arm en Hij geeft overvloed, en Hij vernedert en Hij verhoogt. ## 3 Meqabyan 9 — Niemand kent de weg van God 1. Of het nu in de hemel is of op de aarde, of het nu geestelijk is of van vlees: alles is van Hem, en alles bestaat zoals Hij het geregeld heeft. 2. En er is niets dat over Zijn grens gaat of over het gebod van de Schepper van alles. Het spoor van de arend in de hemel: Hij bestuurt zijn baan waarheen Hij wil. 3. En de weg van de slang over de rots: Hij bestuurt die waarheen Hij wil. En de weg van een schip op zee: niemand kent zijn spoor, alleen God. 4. En wie kent de weg van een ziel wanneer die uit haar lichaam gegaan is, behalve God alleen — of het nu de ziel van een rechtvaardige is of de ziel van iemand die zondigt? 5. En waar zij ook heen gaat: naar de woestijn of naar de bergen, als een vogel of als de dauw van de Hermon die neerdaalt op de hellingen van de berg, 6. als een storm of als de bliksem die zijn banen recht trekt, 7. als de sterren die opkomen boven de diepte, of als het zand aan de oever van de zee dat in de diepte wegzakt, 8. als de diamant die op de bodem van de zee ligt, of als een boom die aan een waterbeek geplant is en zijn goede vrucht geeft, 9. of als de boom bij de zee, die de gloed van de zon uitdroogt, en de wind neemt hem op en brengt hem naar een andere plaats, naar een plek waar hij niet groeit en waar zijn spoor niet te vinden is. 10. En zoals een wolk wegdrijft en je haar spoor niet meer vindt: wie kent de weg van God? Wie is Zijn raadgever, en met wie heeft Hij overlegd? 11. En wie kan Zijn spoor volgen? Want de gedachte van God is verborgen voor de mens. 12. En niemand kan de wijsheid en het plan van God doorgronden. Want Hij heeft de aarde gegrond op het water en haar opgericht zonder steun, en met de kunst van Zijn wijsheid heeft Hij de hemel op de wind vastgezet en die uitgespannen als een tentdoek boven de wateren daarboven. 13. En Hij gaf de wolken opdracht om de regen op de aarde te laten neerdalen en om gras en talloze vruchten te laten opkomen als voedsel voor de mens, zodat wij ons samen in God verheugen. 14. En alle zegen en overvloed en verzadiging geeft God rijkelijk aan de mensen, zodat zij genoeg hebben en God danken, die hun van de vrucht van de aarde gegeven heeft. 15. En Hij kleedt hen met mooie kleren en met alles wat je maar wensen kunt: zegen, genot en overvloed, gegeven aan wie de wil van God gedaan hebben. 16. En ook in de hemel geeft Hij hun eer, genade en vreugde, daar waar Hij de woning van hun vaderen klaargemaakt heeft, voor wie Zijn gebod bewaren, het gebod van God. 17. En zij leefden naar Zijn oordeel en naar Zijn recht, en zij weken niet af van het gebod van Hem die hen bewaard, gevoed, grootgemaakt en verhoogd heeft, zodat zij Zijn wet zouden bewaren en Zijn inzetting zouden zoeken. En ik heb op de aarde gezien wat God doet voor wie Hem liefhebben: Hij maakt hun vijanden zwak en Hij bewaart hun ziel. 18. En alles waar zij Hem om bidden, geeft Hij hun, en Hij doet wat zij willen. Wijk niet af van het gebod van God en doe de wil van God. 19. En blijf niet weg bij Zijn wet en bij Zijn gebod, zodat Hij niet boos op je wordt en je niet in één ogenblik wegvaagt, zodat Hij je niet slaat in Zijn toorn, zodat je niet weggejaagd wordt uit wat je tot nu toe bewoond hebt, het erfdeel van je vaderen, en zodat je niet gaat wonen in het vuur van de hel, waar je tot in eeuwigheid niet uit ontsnapt. 20. En voordat je ziel uit je lichaam gaat: bewaar de wil van God, jouw God, zodat Hij je werken goedmaakt wanneer je voor God staan zult. 21. Want het koninkrijk van de hemel en van de aarde is alleen van Hem, de macht en het koningschap zijn van Hem, en het ontfermen en het gebieden zijn alleen van Hem. 22. Want Hij maakt rijk en Hij maakt arm, Hij vernedert en Hij verhoogt. 23. En ook David heeft over Hem geprofeteerd en gezegd: De mens is als een ademtocht, en zijn dagen gaan voorbij als een schaduw. 24. Maar U, Heere, blijft tot in eeuwigheid, en de herinnering aan U gaat van generatie op generatie. 25. En verder heeft hij gezegd: Uw koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij gaat van generatie op generatie. U hebt het koningschap van Saul afgenomen en aan David gegeven. 26. En U, niemand heeft U aangesteld en niemand kan U zien, en U Zelf ziet alles. 27. En Uw koninkrijk zal niet vergaan, van generatie op generatie en tot in alle eeuwigheid. En niemand oordeelt Hem, maar Hij oordeelt alles en Hij ziet alles. 28. En Hij onderzoekt hart en nieren. Want Hij is het Zelf die de mens gemaakt heeft naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis, zodat die er tot Zijn eer zou zijn, en zodat zij zouden weten hoe zij Hem moeten aanbidden, zonder twijfel en met een eerlijk hart, en geen vreemde goden zouden aanbidden maar alleen God, die hen geschapen, gevoed, grootgemaakt en verhoogd heeft. 29. Maar zij weigerden Hem te aanbidden die hen geschapen heeft, en zij bogen zich voor hout en voor steen, voor goud en voor zilver, het werk van mensenhanden. 30. En zij brengen hun offers, totdat de rook van hun offer opstijgt tot aan de hemel, zodat het als getuigenis voor God staat en Hij hun vergeldt voor alle zonde die zij gedaan hebben door hun afgoden te aanbidden. 31. En zij bewaarden het gebod van God dat zij geleerd hadden niet, maar zij leerden zich buigen voor de afgod, en alle onreine dingen die niet horen, en het wichelen met sterren, en toverij, en afgoderij, en slecht verlangen, en alles wat God niet bevalt. 32. Dat doen zij dan bij gebrek aan het goede, want zij wilden God niet loven, en zij wilden hun ziel niet redden van onrecht en zonde door te doen wat God en Zijn engelen bevalt. 33. En hun ziel staat naakt. En op de dag dat zij allemaal samen opstaan uit het stof waarin zij gelegen hebben en waarin hun botten vergaan waren, gaat de ziel van de goeden wonen in de huizen van het licht, 34. maar die van wie zondigen in de duisternis. En wanneer de graven opengaan, staan de lichamen op en keren de zielen terug in de lichamen, daar waar zij eerder uitgegaan waren. 35. En zij staan naakt voor God, zoals zij geboren zijn, en hun daden komen aan het licht, van hun jeugd af tot op dat moment. 36. En zij dragen hun zonden op hun schouders, en zij worden vergolden naar wat zij gedaan hebben, klein of groot. ## 3 Meqabyan 10 — De opstanding van de doden 1. Luister, als je de opstanding van de doden niet gelooft. Hoeveel te meer zullen de zielen opstaan, terwijl planten in de regentijd herleven zonder opnieuw geboren te worden! Want de Geest van God rust op hen, zoals Hij eerder de levensadem ingeblazen heeft. 2. En eerst geeft Hij hun met Zijn woord opdracht om te sterven. 3. En zij staan op zoals Hij het wil, terwijl hun lichaam vergaat en voor de tweede keer beter wordt. 4. En verder: wanneer de regen neerdaalt en de aarde drenkt, herleven zij en gaan zij verder, zoals zij vanaf het begin geregeld zijn. 5. Want Hij heeft gezegd: En daar was alles wat een levende ziel heeft en wat zich beweegt op de aarde, en elke levende ziel die het water voortbrengt. Want de Geest van God zweefde boven de wateren, en door Zijn Geest en door Zijn kracht wordt hun de levensgeest gegeven. 6. Kijk, jij die blind van hart bent, die zegt: De doden staan niet op. Want door Zijn Geest en door Zijn woord ontstaan zij, zonder moeder en zonder vader. Als je verstand en wijsheid hebt, hoe kun je dan zeggen: De doden staan niet op door het woord van God, hun Schepper? 7. Maar jij, bekeer je en keer terug naar je geloof. Want door het woord van God herleven de doden, die in de aarde tot as en stof geworden zijn. 8. En zij staan op door de dauw van Zijn barmhartigheid, die van God komt, zoals Zijn woord vanaf het begin gesproken heeft. En dat woord omvat alles, en het wekt de doden op zoals Hij het wil. 9. Weet dat je zult opstaan en voor Hem zult staan, en denk niet bij jezelf dat je in het graf achterblijven zult. 10. Zo zul je niet blijven liggen, maar je zult opstaan en vergolden worden naar wat je op de aarde gedaan hebt, goed of kwaad. Want het is de dag van de vergelding. 11. Op de dag van de opstanding zul je vergolden worden voor alle zonden die je gedaan hebt, en je zult het boek van je schuld te lezen krijgen, dat geschreven is vanaf je jeugd tot op dat moment. En je zult geen uitvlucht hebben, zoals bij het werk van deze wereld, waar je je zonde altijd met een smoes wegpraatte om haar te ontkennen. 12. En je zet je leugenwoord voor jezelf neer als waarheid, en je maakt van die leugen die je gesproken hebt de waarheid. 13. En daar zal geen uitvlucht zijn, want de Geest van God getuigt tegen je, omdat die alle kwade daden kent die je gedaan hebt, en die maakt het over je bekend voor God, haar Schepper. 14. En daar zul je je schamen over de zonde die je gedaan hebt. Haast je daarom om hier berouw te hebben, voordat die dag komt, zodat je je niet hoeft te schamen voor de engelen en de mensen op de dag van het oordeel, maar geprezen wordt met wie geprezen worden om de schoonheid van hun werken. 15. En zij krijgen hun loon bij Hem die hen geschapen heeft, zonder zich te schamen, samen met de engelen die God loven, en zij zijn blij. Maar als jij tijdens je leven geen goed gedaan hebt, terwijl je in je lichaam was, dan heb je geen deel met de rechtvaardigen. 16. En dan zal berouw je niets meer opleveren. Want je bent bij mij in de schuld komen te staan: je wist hoe je kopen en verkopen moest, je had bezit, en toch heb je de hongerige niet te eten gegeven. 17. En je had kleren, en toch heb je wie naakt was niet gekleed. En je had macht, en toch heb je wie onderdrukt werd geen recht gegeven. 18. En je had kennis, en toch heb je wie zondigde geen inzicht gegeven, zodat hij zich zou bekeren en berouw zou hebben en God hem de zonde zou vergeven die hij eerder uit onwetendheid begaan had. En je had kracht, en toch heb je niet gevochten tegen wie jou aanvielen, zodat je had kunnen winnen. 19. En je had sterkte, en toch heb je niet gevast en niet gebeden om de kracht van je jonge lichaam zwakker te maken en om jezelf te onderwerpen aan wat recht is, en niet aan wat het vlees van deze wereld wil, 20. en niet aan het genot van deze wereld, aan lekker eten en goede dranken, aan mooie kleren en sieraden van goud en zilver, 21. en aan kostbare edelstenen, topaas en smaragd. En dat is niet wat een mens als sieraad past. 22. Maar het sieraad van een mens is zuiverheid, wijsheid en kennis, en liefde voor elkaar in zuiverheid, zonder ruzie en zonder kwade hartstocht, zonder twijfel en zonder haat, en dat je je naaste liefhebt als jezelf, 23. en dat je geen kwaad vergeldt aan wie jou kwaad gedaan heeft, zodat je binnen mag gaan in de woning die aan de geduldigen gegeven is, en zodat Hij je zal belonen samen met wie het heilige land geërfd hebben door geduld, door kennis en verstand, en door de hoop op het koninkrijk van de hemel op de dag van de opstanding. 24. En zeg niet: Wij zullen niet opstaan uit de doden. Want wie dat zeggen en denken, worden misleid door de valse hoop van de duivel, zodat zij niet gered worden op de dag van de opstanding. En zij zullen het merken wanneer het hun overkomt, en zij zullen verdrietig zijn en treuren over hun onwetendheid, zodat het hun als kwaad aangerekend wordt op de dag van de opstanding, omdat zij niet geloofd hebben dat zij op die dag zullen opstaan. 25. En daarom worden zij terechtgewezen naar het kwaad van hun werken die zij op de aarde gedaan hebben, en zij zullen zien wat het betekent dat zij samen de opstanding van het lichaam ontkend hebben. 26. En op die dag zullen zij huilen, omdat zij hun weg niet goed gemaakt hebben. Als zij op de aarde gehuild hadden, was het beter voor hen geweest, als dat voor hen mogelijk was geweest, zodat zij daar niet zouden hoeven huilen. 27. En als wij hier niet uit onszelf huilen, dan zullen zij ons daar tegen onze wil laten huilen. En als wij hier geen berouw klaarmaken, dan maken wij daar voor onszelf huilen en jammeren klaar, waar wij er niets meer aan hebben. 28. Maak je er dan klaar voor om het goede te doen, zodat je overgaat van de dood naar het leven, van deze vergankelijke aarde naar het hemelse daarboven, en van deze woning op de aarde naar het licht in de hemel. 29. En het genot dat op de aarde is, hoe groot ook, houdt geen stand. Daar zal de vreugde die niet vergaat vervuld worden, in het koninkrijk van de hemel, met wie de opstanding van de doden geloven, van nu af aan en tot in alle eeuwigheid. Amen. ## 4 Baruch 1 — Ga de stad uit, Jeremia 1. Toen de koning van de Chaldeeën de Israëlieten gevangen wegvoerde, sprak God tegen Jeremia en zei tegen hem: Jeremia, Mijn uitverkorene, sta op en ga deze stad uit, jij en Baruch, want Ik ga haar vernietigen om de vele zonden van haar inwoners. 2. Want ook jouw gebed is als een stevige pilaar midden in de stad en als een muur van diamant die haar omringt. 3. Sta dus op, ga weg en trek eruit, voordat de macht van de Chaldeeën komt en de stad omsingelt. 4. En Jeremia zei: Ik smeek U, mijn Heere, geef Uw dienaar toestemming om voor U te spreken. 5. En de Heere zei tegen hem: Spreek, Jeremia, Mijn uitverkorene. 6. En Jeremia zei: Heere, U die alles omvat, zou U deze uitverkoren stad overgeven in de hand van de Chaldeeën, zodat de koning met zijn volken kan opscheppen en zeggen: ik heb de stad van God overwonnen? 7. Heere, maar als U het wilt, laat haar dan door Uw hand vernietigd worden. 8. En de Heere zei tegen Jeremia: Omdat jij Mijn uitverkorene bent, sta op en trek eruit, jij en Baruch, want Ik ga haar vernietigen om de zonden van haar inwoners. 9. Noch de koning noch zijn leger zal de stad binnen kunnen komen als Ik niet eerst haar poorten geopend heb. 10. Sta nu op, ga naar Baruch en vertel hem deze woorden. En wanneer jullie opgestaan zijn, 11. kom dan op het zesde uur van de nacht op de muur van de stad, en Ik zal je laten zien dat zij niet binnen kunnen komen als Ik de stad niet eerst vernietig. 12. Toen de Heere dit gezegd had, ging Hij weg bij Jeremia. ## 4 Baruch 2 — Baruch hoort het 1. Toen scheurde Jeremia zijn kleren, wierp as op zijn hoofd en ging het heiligdom binnen. 2. Toen Baruch Jeremia zag, met zijn hoofd vol stof en zijn kleren gescheurd, riep hij met luide stem: Vader Jeremia, wat is er met u gebeurd? Welke zonde heeft het volk begaan? 3. Want elke keer dat het volk zondigde, rouwde Jeremia, wierp hij as op zijn hoofd en bad hij voor het volk, totdat de overtreding van het volk vergeven werd. 4. En Baruch vroeg hem: Vader Jeremia, wat is er met u gebeurd en wat is het volk overkomen? 5. En Jeremia zei tegen hem: Pas op dat wij onze kleren niet scheuren, maar laten wij liever ons hart scheuren. En laten wij geen water in de drinkbakken putten, maar laten wij echt huilen, totdat wij ze met tranen vullen. Want van nu af zal Hij Zich niet meer over dit volk ontfermen. 6. En Baruch zei: Vader Jeremia, wat is er met u gebeurd? 7. Want God zal de stad overgeven in de hand van de koning van de Chaldeeën, en hij zal het volk in ellende als gevangenen wegvoeren. 8. Toen Baruch dit alles hoorde, scheurde hij zijn kleren en zei: Vader Jeremia, wie heeft u dit bekendgemaakt? 9. En Jeremia zei tegen hem: Blijf bij mij tot het zesde uur van de nacht, dan zul je weten dat dit woord waar is. 10. En zij bleven allebei huilend in het heiligdom. ## 4 Baruch 3 — De engelen op de muur 1. Toen het zesde uur van de nacht gekomen was, zoals de Heere tegen Jeremia gezegd had dat hij met Baruch naar buiten moest gaan, kwamen zij op de muur van de stad, en daar wachtten zij. 2. Er klonk het geluid van een bazuin, en de engelen daalden neer uit de hemel met brandende fakkels in hun handen, en zij gingen op de muur van de stad staan. 3. Toen Jeremia en Baruch dat zagen, huilden zij en zeiden: Nu weten wij dat het woord waar is. 4. En Jeremia smeekte de engelen: Ik smeek jullie, vernietig de stad in geen geval, totdat ik de Heere iets gevraagd heb. 5. En de Heere sprak tegen de engelen: Vernietig de stad niet, totdat Ik met Jeremia, Mijn uitverkorene, gesproken heb. 6. Toen sprak Jeremia en zei: Ik smeek U, mijn Heere, geef mij toestemming om met U te spreken. En Hij zei tegen hem: 7. Spreek, Jeremia, Mijn uitverkorene, wat je wilt. 8. En Jeremia zei tegen Hem: Kijk, mijn Heere, wij weten dat U de stad overgeeft in de hand van haar vijanden en dat het volk van Babel haar zal wegvoeren. Wat wilt U dat ik doe met het heilige gerei van onze dienst, waarmee wij in het verborgene dienen? 9. En wat wilt U dat ik ermee doe? 10. En Hij zei tegen hem: Neem ze en geef ze over aan de aarde en aan het heiligdom, en zeg: aarde, luister naar de stem van je Schepper, die je geschapen heeft in de overvloed van het water en die je met een zegel verzegeld heeft. Neem je sieraad terug. 11. Bewaar het gerei van je dienst, totdat de komst van de Geliefde aanbreekt. 12. En Jeremia sprak en zei: Ik smeek U, mijn Heere, laat mij zien wat ik moet doen voor Abimelech de Moor, die veel goeds gedaan heeft voor het volk en ook voor Uw dienaar Jeremia, meer dan alle mannen van de stad. 13. Want hij heeft mij uit de modderige put omhooggetrokken, en ik wil niet dat hij de ondergang en de verwoesting van de stad ziet, zodat hij geen verdriet krijgt. 14. En de Heere zei tegen Jeremia: Stuur hem naar de wijngaard van Agrippa, langs de bergweg, en Ik zal hem verbergen totdat Ik het volk terugbreng in de stad. 15. En jij, Jeremia, ga met het volk mee, totdat je in het land Babel komt, en blijf daar en profeteer voor hen, totdat Ik hen terugbreng in hun stad. 16. Maar laat Baruch achter in Jeruzalem, totdat Ik met hem spreek. En dit alles sprak de Heere tegen Jeremia. 17. En de Heere ging van Jeremia op naar de hemel. 18. Jeremia en Baruch gingen het heiligdom binnen en gaven al het gerei van hun dienst over aan de aarde, zoals de Heere hun bevolen had. 19. En meteen verzwolg de aarde het. 20. En zij gingen allebei zitten en huilden. 21. De volgende dag, toen het morgen werd, stuurde Jeremia Abimelech weg en zei: Neem een mand en ga langs de bergweg naar de wijngaard van Agrippa, en breng wat vijgen mee voor de zieken onder het volk. Want de vreugde van de Heere rust op je hoofd, en Zijn heerlijkheid. 22. En hij ging op weg, zoals hij hem bevolen had. ## 4 Baruch 4 — De sleutels voor de zon 1. Toen het morgen werd, zie, toen omsingelde het leger van de Chaldeeën de stad. 2. De grote engel blies op de bazuin en zei: Kom binnen, leger van de Chaldeeën, want kijk, de poort staat voor jullie open. 3. En meteen kwam de koning binnen met zijn legers, en zij voerden heel het volk gevangen weg. 4. En meteen nam Jeremia de sleutels van het heiligdom, ging de stad uit en wierp die sleutels voor de zon, en hij zei: Ik zeg je, zon, neem de sleutels van het huis van God en bewaar ze tot de dag waarop de Heere ze van je opeist. Want ons is het niet gegeven, naar onze afkomst, om ze te bewaren. 5. Want wij zijn onwaardige bewakers gebleken, omdat wij onze zonden bedekten. 6. En terwijl Jeremia nog om het volk huilde, brachten zij hem naar buiten en sleepten en sleurden zij hem met het volk mee tot in Babel. 7. En Baruch nam stof en wierp het op zijn hoofd. Hij ging zitten en hief deze weeklacht aan: Waarom is Jeruzalem verwoest? Om de zonde van het geliefde volk. Zij is overgegeven in de hand van haar vijand, om onze zonden en die van het volk. 8. Laat de goddelozen niet opscheppen en zeggen: wij hebben de stad van God kunnen innemen door onze kracht. Niet door jullie kracht hebben jullie haar veroverd, maar om onze zonden is zij aan jullie overgegeven. 9. Onze God zal Zich over ons ontfermen en ons teruggeven aan onze stad, maar jullie zullen geen leven hebben. 10. Gelukkig zijn onze voorouders Abraham, Izak en Jakob, want zij zijn uit deze wereld heengegaan en hebben de verwoesting van deze stad niet gezien. 11. En nadat hij dit gezegd had, ging hij huilend naar buiten en zei: Ik rouw om jou, Jeruzalem. En hij ging de stad uit en woonde in een graf. 12. Hij verbleef in een graf, en de engelen kwamen bij hem en vertelden hem over alles. ## 4 Baruch 5 — Abimelech slaapt zesenzestig jaar 1. Abimelech droeg de vijgen weg bij Jeremia vandaan in de brandende middaghitte. Hij vond een schaduwrijke boom, ging zitten en rustte in de schaduw om even uit te rusten. 2. Hij liet zijn hoofd rusten op de mand met vijgen en viel in slaap. Hij sliep zesenzestig jaar en werd niet wakker uit zijn slaap. 3. Na die dagen stond hij op en werd hij wakker uit zijn slaap, en hij zei: Ik heb maar even geslapen, want mijn hoofd is nog zwaar en ik heb niet genoeg geslapen. 4. Hij deed de mand met vijgen open en vond die vijgen vers, druipend van melk. 5. Hij wilde weer gaan slapen, want zijn hoofd was zwaar en hij had niet uitgerust. En hij zei: Ik ben bang dat ik weer inslaap en te laat kom, zodat mijn vader Jeremia mij berispt, want hij heeft mij haastig bij het aanbreken van de dag gestuurd. 6. Nu zal ik opstaan en verdergaan, want het is heet en er is nergens verkoeling. 7. Hij stond op, nam de mand met zijn vijgen en ging de stad Jeruzalem binnen, maar hij herkende de stad niet en ook zijn huis niet. 8. En hij zei: Gezegend bent U, Heere, want een grote verwarring is over mij gekomen. 9. En hij zei: Is dit niet de stad Jeruzalem? Ik ben vast verdwaald, want ik ben langs de bergweg gekomen toen ik uit mijn slaap opstond. En omdat mijn hoofd zwaar was en ik niet uitgerust had, is mijn hart in de war. 10. En hoe zal ik dit aan Jeremia vertellen, dat de stad mij vreemd is geworden? 11. Hij doorzocht heel de stad naar elk teken dat hij kende, om te weten of het Jeruzalem was. 12. Hij ging de stad weer in en zocht of er iemand was die hem kende, maar hij vond niemand. En hij zei: Gezegend bent U, Heere, want een grote verwarring is over mij gekomen. 13. Hij ging weer de stad uit, een eind verderop, en bleef zitten treuren, en hij wist niet waarheen hij moest gaan. 14. Hij zette die mand met vijgen neer en zei: Ik zal hier blijven tot de Heere deze verwarring van mij wegneemt. 15. Daarna, terwijl hij daar zat, zag hij een oude man uit het veld komen. Abimelech zei tegen hem: Ik vraag u, oude man, welke stad is dit? 16. En de oude man zei tegen hem: Het is Jeruzalem. 17. En Abimelech zei tegen hem: Waar is Jeremia de priester, en Baruch de Leviet, en heel het volk van deze stad? Want ik heb niemand gevonden. 18. En de oude man zei tegen hem: Ben jij niet uit deze stad, dat je vandaag aan Jeremia denkt en zo naar hem vraagt na al die dagen dat je weg bent geweest? Want Jeremia 19. is in Babel met het volk, want zij werden als gevangenen weggevoerd en overgegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Perzië, en hij ging daarheen om voor hen te profeteren. 20. Toen Abimelech dit van die oude man hoorde, zei hij tegen hem: Als u geen oude man was, zou ik u uitgelachen en bespot hebben. Maar het past niet om mensen en een bejaarde te verachten. En als u niet zo was, zou ik zeggen dat u zich vergist, om wat u zegt: het volk is weggevoerd naar Babel. 21. Het volk is weggevoerd naar Babel? Al waren de stromen van de hemel op hen neergedaald, het was nog geen tijd dat zij naar Babel zouden gaan. 22. U zegt: zij zijn weggevoerd naar Babel. Maar ik ging, zoals mijn vader Jeremia mij gestuurd had, naar de wijngaard van Agrippa om wat vijgen te halen, om die aan de zieken onder het volk te geven. 23. Ik ging, kwam daar aan, nam wat hij mij bevolen had en keerde terug. En onderweg vond ik een boom en ging eronder zitten om te schuilen, want het was de tijd van de middaghitte. Daar leunde ik op de mand met vijgen en viel ik in slaap. 24. En toen ik wakker werd, dacht ik dat ik te lang gebleven was. Ik deed die mand met vijgen open en vond dat er melk uit droop, net zoals toen ik ze uitgezocht had. 25. U zegt: het volk is weggevoerd naar Babel. En kijk, 26. kijk maar of mijn vijgen niet verwelkt zijn. 27. Hij opende voor hem de mand met vijgen en liet ze hem zien, en de oude man zag 28. dat die vijgen vers waren en van melk dropen. Toen verbaasde die oude man zich en zei tegen Abimelech: Je bent rechtvaardig, mijn zoon, want God wilde niet dat jou de verwoesting van de stad getoond werd. God bracht een slaap over je en spaarde je. 29. Kijk, vandaag is het zesenzestig jaar geleden dat het volk werd weggevoerd naar Babel. 30. En als je het wilt weten en begrijpen, mijn zoon, kijk dan naar de velden: het gewas is niet opgekomen, 31. en de vijgen zijn niet in hun tijd. En hij begreep dat het de tijd voor dit alles niet was. 32. Toen zei Abimelech met luide stem: Ik zegen U, Heere, mijn God, God van hemel en aarde, de Rust van de zielen van de rechtvaardigen in alle landen. 33. En hij zei tegen de oude man: Welke maand is dit? 34. En hij zei tegen hem: Het is de twaalfde van de maand Nisan, dat is Miyazya. 35. Daarna gaf Abimelech die oude man van die vijgen, en hij zei: Moge God u leiden naar de stad die daarboven is, Jeruzalem. ## 4 Baruch 6 — De brief aan Jeremia in Babel 1. Abimelech stond op, ging de stad uit en bad tot de Heere. 2. En kijk, er kwam een engel die hem naar Baruch bracht, en hij vond hem zittend in een graf. 3. Toen zij elkaar begroetten, huilden zij samen en kusten zij elkaar. 4. En hij zag de vijgen in zijn mand. 5. Hij hief zijn ogen op naar de hemel en bad: 6. Groot is de God die aan Zijn rechtvaardigen hun loon geeft. Verheug je, mijn ziel, en wees blij, en zeg tegen het lichaam van de heilige tempel: je verdriet zal veranderen in licht. En hierna komt de Getrouwe en Hij zal je teruggeven in je tent. 7. Bewaar je zuivere geloof, en als je weer opleeft, geloof dan dat je zult leven. 8. Kijk naar de vijgen: kijk, zesenzestig jaar zijn zij geleden geplukt, en zij zijn niet bedorven en niet verrot, maar zij druipen van melk. 9. Zo zal het met jou gaan, mijn lichaam, omdat je de geboden bewaard hebt, de geboden van de engel van de gerechtigheid. 10. Hij die de mand met vijgen bewaard heeft, Hij zal jou opnieuw bewaren door Zijn kracht. 11. Toen Baruch dit gezegd had, antwoordde Abimelech en zei tegen hem: Sta op, laten wij opnieuw bidden, zodat de Heere ons de woorden laat zien die wij aan Jeremia in Babel zullen schrijven over de bescherming waarmee Hij mij bedekt heeft. 12. En Baruch bad en zei: Mijn kracht is God, Hij is de Heere, en het licht dat uit Zijn mond komt. 13. Ik kies U en ik smeek U in Uw grote goedheid: Uw naam, en er is niemand die die kan kennen. Hoor het gebed van Uw dienaar, zodat in mijn hart bekend wordt wat U wilt dat ik doe. 14. Hoe zal ik dan een bericht sturen naar Uw priester Jeremia in Babel? 15. Terwijl hij zo bad, kwam er een engel en zei tegen hem: Baruch, bode van het licht, maak je geen zorgen over hoe je het bericht moet sturen, want je zult naar Jeremia sturen. Morgen, op het uur van het licht, komt er een arend bij je. Doe navraag over Jeremia en schrijf het in een brief. 16. En zeg tegen hen: aan de Israëlieten. Wie onder jullie een vreemdeling wordt, die moet worden afgezonderd, vijftien dagen lang. En hierna zal Ik jullie binnenbrengen in de stad, zegt de Heere, die niet gescheiden is. 17. Op de vijftiende dag zal Jeremia uit Babel de stad binnengaan, en hij zal de mannen van Babel berispen, zegt de Heere. 18. Toen de engel dit gezegd had, ging hij weg bij Baruch. 19. Baruch stuurde iemand naar de markt en liet papier en zwarte inkt halen, en hij schreef: Van Baruch. God heeft gemaakt dat hij een brief schreef aan Jeremia, in de gevangenschap van Babel. 20. Vreugde en blijdschap! Want God heeft ons niet verlaten om treurend weg te gaan vanwege de schande en de verwoesting. 21. Daarom heeft de Heere Zich over onze tranen ontfermd, en Hij heeft gedacht aan het verbond dat Hij vroeger met onze voorouders Abraham, Izak en Jakob gesloten heeft. 22. En Hij stuurde Zijn engel naar mij, en die sprak deze woorden tegen mij, die ik naar jullie stuur. 23. Dit zijn de woorden die de Heere, de God van Israël, gesproken heeft, die ons uit het land Egypte leidde, uit het vuur: omdat jullie niet al Zijn geboden bewaard hebben, maar jullie trots verheven hebben en jullie nek voor Hem stijf gehouden hebben, heeft Hij jullie overgeleverd aan de oven van Babel. 24. Want jullie hebben niet naar Mijn stem geluisterd, zegt de Heere. Door de mond van Jeremia, Mijn dienaar, zal Ik wie geluisterd hebben uit Babel wegleiden, en zij zullen in Babel geen vreemdeling van Jeruzalem zijn. En als jullie hen willen kennen en beproeven, beproef hen dan door het water van de Jordaan. 25. En wie niet luistert, die zal openbaar worden. Door dit teken zal het grotere teken bekend worden, en het zegel dat groot is. ## 4 Baruch 7 — De arend brengt de brief 1. Baruch stond op, ging het graf uit en vond de arend buiten het graf zitten. 2. En de arend zei tegen hem: Gegroet, Baruch, rentmeester van het geloof. 3. En Baruch zei tegen hem: En jij, arend, jij bent uitgekozen uit alle vogels van de hemel. Je spreekt, en uit het licht van je ogen blijkt het. Laat mij nu zien wat je hier doet. 4. En de arend zei tegen hem: Ik ben hierheen gestuurd, zodat je door mij elk woord kunt sturen dat je wilt. 5. En Baruch zei tegen hem: Kun jij dit bericht overbrengen aan Jeremia in Babel? 6. En de arend zei: Daarvoor ben ik gestuurd. 7. Baruch nam de brief en vijftien vijgen uit de mand met vijgen die Abimelech gebracht had, bond die aan de hals van de arend en zei tegen hem: Tegen jou zeg ik, arend, koning van alle vogels: ga heen in vrede en in gezondheid, en breng ons de boodschap. 8. Word niet als de raaf die Noach uitstuurde en die weigerde bij hem terug te komen, maar word als de duif, die de derde keer het bericht terugbracht aan de rechtvaardige. 9. Zo moet ook jij dit goede bericht naar Jeremia brengen en naar wie bij hem zijn, Israël, zodat het je goed gaat. En breng deze blijde boodschap naar het volk, de uitverkorenen van God. 10. En als alle vogels je omringen, en alle vijanden van de gerechtigheid, die je willen doden, vecht dan, en de Heere zal je kracht geven. 11. Wijk niet af, niet naar rechts en niet naar links, maar ga recht als een pijl. Ga in de kracht van God, en de heerlijkheid van de Heere zal met je zijn. 12. Toen vloog de arend op en ging naar Babel, met de brief aan zijn hals gebonden. Hij ging zitten op een zuil buiten de stad, op een plaats in de woestijn, en wachtte daar tot Jeremia voorbij zou komen. 13. En anderen van het volk gingen daar voorbij om een man te begraven die gestorven was. 14. Want Jeremia had Nebukadnezar gevraagd: Geef mij een plaats waar ik mijn volk kan begraven dat gestorven is. En hij gaf het hem. 15. Terwijl zij verdergingen en om de dode huilden, kwamen zij bij de plek waar die arend zat. 16. En de arend riep met luide stem en zei: Tegen jou zeg ik, Jeremia, uitverkorene van God: ga en roep heel het volk bijeen en kom hierheen, zodat zij een brief kunnen horen die ik je gebracht heb. 17. Toen hij dit hoorde, prees hij God. En meteen riep hij heel het volk bijeen, met hun vrouwen en kinderen, en zij kwamen bij de plek waar de arend was. 18. En die arend daalde neer op de dode, en hij werd levend. 19. Dat deed hij zodat zij zouden geloven. 20. Heel het volk verbaasde zich over wat er gebeurd was, en zij zeiden: Misschien is dit de God die aan onze voorouders verscheen in de woestijn door Mozes. Hij verscheen in de gedaante van een arend, en hij verscheen aan ons als een grote arend. 21. En de arend zei tegen Jeremia: Kom en hoor deze brief, en lees hem voor aan het volk. En hij las hun de brief voor. 22. Toen het volk het hoorde, huilden zij allemaal samen, wierpen as op hun hoofd en zeiden tegen Jeremia: Verlos ons. Wat moeten wij doen om terug te keren in onze stad? 23. En Jeremia stond op en zei tegen hen: Doe alles wat jullie uit de brief gehoord hebben, en Hij zal jullie teruggeven aan jullie stad. 24. En Jeremia schreef een brief aan Baruch, en zei zo: Mijn geliefde zoon, wees niet nalatig in het gebed, terwijl je God voor ons smeekt, dat Hij ons op onze weg zet, totdat wij uitgaan onder het bevel van deze goddeloze koning. 25. Want jij hebt gerechtigheid gevonden bij God, die je niet verlaten heeft. Kom niet naar ons toe, zodat je het kwaad niet ziet dat het volk in Babel wordt aangedaan. 26. Het is als bij een vader die één zoon heeft, die wordt overgegeven om gestraft te worden. En wie bij zijn vader zijn en hem troosten, bedekken hun gezicht zodat zijn vader het niet ziet, zodat hij niet vergaat van verdriet zoals de zoon. Zo heeft God Zich over jou ontfermd. 27. En Hij heeft je niet verlaten. Kom niet naar Babel, zodat je de nood van het volk niet ziet. 28. Want vanaf de dag dat wij in deze stad gekomen zijn, hebben wij tot op vandaag geen rust gehad van verdriet, zesenzestig jaar lang, tot vandaag toe. 29. Want vaak, als ik naar buiten ging, vond ik sommigen van het volk opgehangen door koning Nebukadnezar, huilend en zeggend: Ontferm U over ons, God-Zar. 30. En toen ik dat hoorde, was ik bedroefd en huilde ik, omdat zij een andere god aanriepen van de opgehangenen en zeiden: ontferm U over ons. 31. En ik dacht aan het feest dat wij in Jeruzalem vierden voordat wij weggevoerd werden. En toen ik daaraan dacht, ging ik terug naar mijn huis, treurend en huilend. 32. En nu, smeek onze God waar jij bent, jij en Abimelech, voor het volk, zodat zij naar mijn stem luisteren en naar de woorden van mijn mond, zodat zij uit Perzië weggaan. 33. En nu zeg ik je: al de dagen dat wij hier gewoond hebben, hebben zij ons gedwongen en gezegd: Zing voor ons een nieuw lied uit de liederen van Sion, het lied van jullie God. 34. En wij zeiden tegen hen: hoe zullen wij voor jullie zingen, terwijl wij in een vreemd land zijn? Nadat Jeremia dit geschreven had, bond hij zijn brief aan de hals van de arend en zei tegen hem: Ga heen in vrede, en de Heere zie naar je om. 35. En de arend vloog weg en bracht de brief naar Baruch. 36. Baruch nam de brief en las hem, en hij huilde toen hij hoorde van het lijden van het volk en hun nood. 37. Maar Jeremia nam die vijgen en gaf ze aan de zieken onder het volk, en hij bleef hen onderwijzen, zodat zij zich zouden onthouden van de gewoonten van het volk van Babel. ## 4 Baruch 8 — De beproeving bij de Jordaan 1. En het gebeurde, toen de dag aanbrak waarop God het volk uit Babel liet wegtrekken, 2. dat de Heere tegen Jeremia zei: Sta op, jij en je volk, en ga naar de Jordaan, en zeg tegen het volk: wie de Heere wil, die moet de gewoonten van Babel achterlaten. En wat betreft de mannen die vrouwen uit hen genomen hebben en de vrouwen die mannen uit hen genomen hebben: 3. wie naar je geluisterd hebben, die zal Ik naar Jeruzalem laten komen. Maar wie niet naar je geluisterd hebben, laat hen niet mee, zodat zij daar niet binnenkomen. 4. En Jeremia las hun dit alles voor en bracht hen naar de Jordaan om hen te beproeven. 5. Terwijl hij hun de woorden vertelde die de Heere tegen hem gesproken had, weigerden zij die getrouwd waren en wilden zij niet naar Jeremia luisteren. En er waren er die tegen hem zeiden: Wij zullen onze vrouwen nooit verlaten. Wij zullen hen meenemen naar onze stad. En zij trokken de Jordaan over 6. en kwamen in Jeruzalem. 7. En Jeremia, Baruch en Abimelech stonden op en zeiden: Geen man die met een vrouw uit Babel getrouwd is, zal onze stad binnengaan. 8. En zij die met vrouwen van hun makkers getrouwd waren, zeiden: Sta op, laten wij naar Babel terugkeren. En zij vertrokken en keerden terug. 9. Maar toen de mannen van Babel hen zagen, trokken zij uit om hen niet te ontvangen, en zij lieten hen Babel niet binnengaan. Zij zeiden: Jullie hebben ons eerder gehaat en zijn in het geheim bij ons weggegaan. Daarom zullen jullie onze stad niet binnenkomen. 10. Want wij hebben bij de naam van onze god gezworen dat wij jullie en jullie dochters niet zullen ontvangen, omdat jullie in het geheim bij ons zijn weggegaan. 11. Toen zij dit gehoord hadden, keerden zij terug en kwamen bij Jeruzalem. Zij bouwden zichzelf steden in de omgeving van Jeruzalem, en zij noemden die stad Samaria. 12. En Jeremia stuurde hun deze boodschap: Keer terug, en kijk, de engel van de gerechtigheid komt, en hij zal jullie teruggeven aan jullie hoge plaats. ## 4 Baruch 9 — De steen die Jeremia werd 1. En zij bleven zich verheugen en offerden zeven dagen voor het volk. 2. Op de tiende dag daarna bracht Jeremia in zijn eentje het offer. 3. En Jeremia bad: Heilig, heilig, heilig bent U, zoete geur voor de mensen, en waarachtig licht dat mij verlicht totdat ik bij U kom. 4. Voor Uw gezicht smeek ik U om Uw volk, en ik bid U om de zoete stem van de serafs, en om de geur van het reukwerk van de cherubs smeek ik U. 5. Ja, zanger Michaël, hij is de engel van de gerechtigheid, die de poorten van de gerechtigheid opent, totdat zij daar binnengaan. 6. Ik smeek U, Heere van allen en Heere die alles omvat en die alles geschapen heeft, het zichtbare en het ongeborene, die alles voltooid heeft. En heel de schepping was bij Hem verborgen, voordat zij in het verborgene gemaakt werd. 7. Toen hij dit gebeden had en zijn gebed beëindigd had, stond Jeremia in het heiligdom, en Baruch en Abimelech bij hem. En Jeremia werd als een mens uit wie de ziel geweken was. 8. En meteen vielen Baruch en Abimelech neer, riepen met luide stem en zeiden: Wee ons! Onze vader Jeremia, de priester van God, is bij ons weggegaan. 9. Toen het volk dit hoorde, liepen zij naar hem toe en vonden Jeremia neergevallen en dood. 10. Zij huilden, scheurden hun kleren, wierpen as op hun hoofd en hieven een bittere weeklacht aan. 11. Daarna maakten zij zich klaar om hem te begraven. 12. Toen kwam er een stem die zei: Begraaf niet wie nog leeft, want zijn ziel keert weer terug in zijn lichaam. 13. Toen zij die stem hoorden, begroeven zij hem niet, maar zij bleven om hem heen bij hem waken, drie dagen lang, totdat zijn ziel in zijn lichaam zou terugkeren. 14. En er kwam een stem midden onder hen allen, en hij zei: Prijs Hem met één stem, prijs God! En jullie allen, prijs de Messias, de Zoon van God, die jullie opwekt en over jullie zal regeren, Jezus, de Zoon van God, het licht voor heel de wereld, de lamp die niet gedoofd wordt en het leven van het geloof. 15. En het zal gebeuren dat er na deze dagen nog vierhonderdzevenenzeventig jaar zullen zijn tot aan Zijn komst op de aarde. 16. De boom van het leven, die in het paradijs staat en niet geplant is, zal alle bomen die vrucht dragen en die dor zijn tot Hem laten komen. Hij zal maken dat zij vrucht dragen en uitlopen, en hun vrucht zal bij de engelen blijven. 17. En wat het planten van de bomen betreft, zodat zij groen worden en gedijen: wij geven de morgendauw aan de lucht, zodat hun wortels niet verdorren als een plant die geen wortel in de aarde heeft geschoten. 18. En wat rood is zal wit worden als wol, en het zoete water zal bitter worden en het bittere zoet, in de grote blijdschap en de vreugde van God voor de eilanden, zodat zij vrucht dragen door het woord van Zijn mond, Zijn eigen Zoon. 19. En Hij zal zelf de wereld binnengaan, en Hij zal voor Zich twaalf apostelen uitkiezen, zodat zij zich laten zien; die heb ik gezien, gesierd, uitgestuurd van bij Zijn Vader, die in de wereld komt. 20. En Hij zal op de Olijfberg staan, en Hij zal de hongerige ziel verzadigen. Zo sprak Jeremia over de Zoon van God, dat Hij in de wereld zou komen. 21. Toen het volk dit hoorde, werden zij woedend hierover en zeiden: Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos, die zei: ik heb God gezien en de Zoon van God. 22. Sta op, laten wij met hem doen zoals wij met Jesaja gedaan hebben. En sommigen van hen zeiden: nee, laten wij hem met stenen stenigen. 23. En Baruch en Abimelech riepen naar hen: Dood hem niet op deze manier! En Baruch en Abimelech waren bedroefd om Jeremia, en bovendien hielden zij aan, zodat hij hun de verborgen dingen zou vertellen die hij gezien had. 24. En Jeremia zei tegen hen: Zwijg en huil niet, want zij kunnen mij niet doden voordat ik jullie alles verteld heb wat ik gezien heb. 25. Breng mij een steen. En zij brachten hem een steen. 26. Hij zette hem rechtop en zei: Eeuwig licht, maak deze steen, zodat hij wordt als de gedaante van een mens. En meteen werd de steen als de gedaante van Jeremia, sprekend op hem lijkend. 27. En zij begonnen de steen te stenigen, terwijl zij dachten dat het Jeremia was. 28. En Jeremia vertelde aan Baruch en aan Abimelech alle verborgen dingen die hij gezien had. 29. En daarna, toen hij klaar was met vertellen, ging hij midden tussen het volk staan, omdat hij zijn dienst wilde volbrengen. 30. En meteen riep die steen tegen hen en zei: Dwazen, Israëlieten, waarom stenigen jullie mij, terwijl jullie mij voor Jeremia aanzien? Kijk, Jeremia staat in jullie midden! 31. Toen zij hem zagen, liepen zij op hem af met veel stenen, en zij volbrachten aan hem het verraad, en zijn dienst werd volbracht. 32. Zij begroeven hem, namen die steen, legden die in zijn graf en maakten er een deur van. En daarop schreven zij: Kijk, dit is de helper van Jeremia.