Open Parafrase Weergave (proef). Bijbeltekst: publiek domein. ## Baruch 3 — Waar is de wijsheid te vinden? 1. Almachtige Heere, God van Israël, een ziel in nood en een angstige geest roept tot U. 2. Luister, Heere, en wees genadig, want wij hebben tegen U gezondigd. 3. Want U troont in alle eeuwen, en wij vergaan in alle eeuwen. 4. Almachtige Heere, God van Israël, luister toch naar het gebed van de gestorvenen van Israël en van de kinderen die tegen U gezondigd hebben, die niet geluisterd hebben naar de stem van de Heere, hun God. Daarom kleeft deze ellende ons aan. 5. Denk niet aan het onrecht van onze voorouders, maar denk in deze tijd aan Uw hand en aan Uw naam. 6. Want U bent de Heere, onze God, en wij zullen U prijzen, Heere. 7. Want daarom hebt U ontzag voor U in ons hart gelegd, zodat wij Uw naam zouden aanroepen. En wij zullen U prijzen in ons ballingschapsland, en wij hebben ons al het onrecht van onze voorouders aangetrokken, die tegen U gezondigd hebben. 8. Kijk, wij zijn vandaag in ballingschap, waarheen U ons verstrooid hebt, tot spot, tot vloek en tot schuld voor al het onrecht van onze voorouders, die van de Heere, onze God, zijn afgeweken. 9. Luister, Israël, naar de geboden van het leven. Laat ze je ter ore komen, zodat je wijsheid leert kennen. 10. Hoe komt het, Israël, dat je in het land van de vijanden bent? 11. Je bent oud geworden in een vreemd land. Je bent onrein geworden onder de doden. Je wordt gerekend bij wie in het graf liggen. 12. Je hebt de bron van de wijsheid verlaten. 13. Als je de weg van God gegaan was, had je voor altijd in vrede gewoond. 14. Leer waar de wijsheid is, waar de kracht is, waar het inzicht is, zodat je meteen ook weet waar een lang en gelukkig leven is, waar het licht van de ogen is, en vrede. 15. Wie heeft haar plaats gevonden, en wie is haar schatkamers binnengegaan? 16. Waar zijn de leiders van de volken, en zij die heersen over de wilde dieren op aarde, 17. die spelen met de vogels van de hemel, die zilver oppotten als schat, en goud waarop de mensen vertrouwen, en aan hun bezit komt geen eind? 18. Want wie het zilver bewerken en zich er zorgen om maken, van wie het werk niet te doorgronden is: 19. zij zijn verdwenen en in het graf afgedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan. 20. De volgende generaties hebben het licht gezien en op de aarde gewoond, maar de weg van de kennis hebben zij niet gekend. 21. Zij hebben haar paden niet begrepen en haar niet aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven. 22. Zij is niet gehoord in Kanaän en niet gezien in Teman. 23. De nakomelingen van Hagar zoeken wel naar kennis op aarde, en de kooplieden van Merran en Teman, de dichters en andere onderzoekers van kennis, maar de weg van de wijsheid hebben zij niet gekend en aan haar paden hebben zij niet gedacht. 24. Israël, hoe groot is het huis van God, en hoe uitgestrekt de plaats waar Hij woont. 25. Zij is groot en zonder eind, hoog en niet te meten. 26. Daar waren de reuzen, beroemde mannen die er vanaf het begin geweest zijn. Zij waren groot van lichaam en ervaren in de oorlog. 27. Hen heeft de Heere niet uitgekozen en hun heeft Hij de weg van de kennis niet laten begrijpen. 28. Zij zijn omgekomen omdat zij geen kennis hadden; zij zijn omgekomen door hun onbezonnenheid. 29. Wie is naar de hemel opgestegen en heeft haar gepakt en uit de wolken naar beneden gebracht? 30. Wie is over de zee getrokken en heeft haar gevonden en zal haar brengen voor het beste goud? 31. Er is niemand die haar weg kent of haar pad bedenkt. 32. Maar Hij die alles weet, kent haar. Hij heeft haar gevonden door Zijn inzicht, Hij die de aarde voor altijd heeft klaargemaakt en haar gevuld heeft met viervoetige dieren. 33. Hij stuurt het licht en het gaat. Hij roept het, en het gehoorzaamt Hem bevend. 34. De sterren schijnen op hun wachtposten en zijn blij. 35. Hij heeft geroepen en zij hebben gezegd: Wij zijn er. Zij hebben met vreugde geschenen voor Hem die hen gemaakt heeft. 36. Dit is onze God, en geen ander is met Hem te vergelijken. 37. Hij heeft de hele weg van de kennis gevonden en Hij heeft die gegeven aan Jakob, Zijn dienaar, en aan Israël, van wie Hij hield. Daarna is zij op aarde gezien en heeft zij onder de mensen geleefd.