Open Parafrase Weergave (proef). Bijbeltekst: publiek domein. ## 4 Ezra 6 — Het begin en het einde 1. En hij zei tegen mij: Vanaf het moment dat de aarde begon, en voordat de grenzen van de wereld vaststonden, en voordat de winden samen bliezen, 2. voordat de donderslagen geluid gaven en voordat het licht van de bliksem scheen, en voordat de fundamenten van het paradijs vastlagen, 3. voordat de mooie bloemen te zien waren en voordat de bewegende krachten waren vastgezet, en voordat de ontelbare legers van engelen bijeen waren, 4. voordat de hoogte van de lucht was opgetild en voordat de maat van de hemel bekend was, en voordat de haarden in Sion heet waren, 5. voordat men de jaren van nu ging tellen en voordat de bedenksels van wie nu zondigen werden afgewezen, en voordat opgeschreven was wie het geloof als een schat verzameld hebben: 6. toen heb ik alles bedacht. Alles is door mij alleen gemaakt en door niemand anders. En het einde zal door mij komen en door niemand anders. 7. Ik antwoordde: Welke scheiding tussen de tijden komt er? Wanneer is het einde van de eerste tijd en het begin van de volgende? 8. Hij zei tegen mij: Van Abraham tot Izaäk, toen Jakob en Ezau uit hem geboren werden, hield de hand van Jakob vanaf het begin de hiel van Ezau vast. 9. Want het einde van deze wereldtijd is Ezau, en het begin van de komende is Jakob. 10. De hand van de mens zit tussen de hiel en de hand. Vraag hier verder niets over, Ezra. 11. Ik antwoordde: Heere, U die alles regeert, als ik genade in Uw ogen gevonden heb, 12. vraag ik U om Uw dienaar het einde van Uw tekenen te laten zien, waarvan U mij de vorige nacht een deel getoond hebt. 13. Hij antwoordde mij: Ga op je voeten staan en luister naar het volle geluid van de stem. 14. Er zal een beving komen, maar de plaats waar jij op staat zal niet bewegen. 15. Schrik dus niet wanneer hij spreekt, want het woord gaat over het einde, en daarmee wordt ook het fundament van de aarde bedoeld. 16. Wanneer daarover gesproken wordt, beeft zij en komt zij in beweging, want zij weet dat haar einde moet veranderen. 17. Toen ik dat gehoord had, ging ik op mijn voeten staan en luisterde. En zie, een stem sprak, en haar geluid klonk als het geluid van veel water. 18. Zij zei: Kijk, er komen dagen, en het zal gebeuren dat ik, wanneer ik begin te naderen, de bewoners van de aarde zal bezoeken, 19. en dat ik bij hen zal beginnen te onderzoeken wie met hun onrecht anderen onrechtvaardig hebben behandeld, en wanneer de vernedering van Sion vol zal zijn. 20. En wanneer de wereld die begint te vergaan verzegeld wordt, zal ik deze tekenen doen: de boeken zullen opengaan voor het gezicht van de hemel, en allen tegelijk zullen ze zien. 21. Kinderen van één jaar zullen met hun eigen stem spreken, en zwangere vrouwen zullen te vroeg kinderen baren, van drie en vier maanden, en die zullen leven en opstaan. 22. Ingezaaide velden zullen ineens onbezaaid lijken, en volle voorraadkamers zullen ineens leeg blijken. 23. De bazuin zal met een geluid slaan, en wanneer allen dat gehoord hebben, zullen zij schrikken. 24. In die tijd zal het gebeuren dat vrienden hun vrienden als vijanden bevechten. De aarde zal met hen meeschrikken, en de aderen van de bronnen zullen stilstaan en drie uur lang niet stromen. 25. En ieder die van dit alles overblijft, waarover ik je gesproken heb, die zal gered worden. Hij zal mijn redding zien en het einde van jullie wereld. 26. En de mensen die opgenomen zijn, die vanaf hun geboorte de dood niet geproefd hebben, zullen het zien. Het hart van de bewoners zal veranderen en een andere richting op gaan. 27. Want het kwaad zal uitgeroeid worden en het bedrog zal uitgedoofd worden. 28. Maar het geloof zal bloeien, het bederf zal overwonnen worden, en de waarheid zal tevoorschijn komen, die zo veel dagen zonder vrucht geweest is. 29. Terwijl hij met mij sprak, keek ik langzaam op naar hem voor wie ik stond. 30. En hij zei tegen mij: Ik ben gekomen om je de tijd van de komende nacht te laten zien. 31. Als je dan opnieuw bidt en opnieuw zeven dagen vast, zal ik je nog grotere dingen vertellen dan deze, op de dag dat ik ze gehoord heb. 32. Want je stem is verhoord door de Allerhoogste. De Sterke heeft gezien hoe je gezind bent en hoe zuiver je geleefd hebt vanaf je jeugd. 33. Daarom heeft Hij mij gestuurd om je dit alles te laten zien en om tegen je te zeggen: houd moed en wees niet bang. 34. Overhaast je niet om over de vorige tijden zinloze dingen te bedenken, en haast je niet om door de laatste tijden ingehaald te worden. 35. Daarna gebeurde het dat ik weer huilde en opnieuw zeven dagen vastte, om de drie weken vol te maken die mij gezegd waren. 36. In de achtste nacht raakte mijn hart weer in beroering, en ik begon te spreken voor de Allerhoogste. 37. Want mijn geest was hevig ontstoken en mijn ziel was benauwd. 38. En ik zei: Heere, U hebt in het begin van de schepping op de eerste dag gesproken. U zei: Laat hemel en aarde er zijn. En Uw woord was een volmaakt werk. 39. Toen was de geest er, en de duisternis zweefde er stil omheen, want het geluid van de menselijke stem was door U nog niet geschapen. 40. Toen hebt U gezegd dat uit Uw schatten het heldere licht tevoorschijn zou komen, zodat Uw werk zichtbaar zou worden. 41. Op de tweede dag hebt U de lucht van het hemelgewelf geschapen en haar bevolen onderscheid te maken tussen de wateren, zodat een deel omhoog zou trekken en een deel beneden zou blijven. 42. Op de derde dag hebt U de wateren bevolen zich te verzamelen op het zevende deel van de aarde. Zes delen hebt U droog gemaakt en bewaard, zodat er land zou zijn dat voor U dienst zou doen, wanneer het door God bezaaid en bebouwd zou zijn. 43. Want Uw woord ging uit, en het werk was er meteen. 44. Meteen kwam er een ontelbare hoeveelheid vruchten, met allerlei aantrekkelijke smaken, en bloemen in kleuren die niemand kan namaken, en geuren die niet na te maken zijn. Dat alles is op de derde dag gemaakt. 45. Op de vierde dag hebt U bevolen dat het schijnsel van de zon er zou zijn, het licht van de maan en de ordening van de sterren. 46. En U hebt hun bevolen de mens te dienen, die nog geschapen zou worden. 47. Op de vijfde dag hebt U tegen het zevende deel gezegd, waarin het water verzameld was, dat het dieren, vogels en vissen zou voortbrengen. En zo gebeurde het. 48. Want dat stomme water zonder ziel bracht dieren voort die God met één wenk bevolen had, zodat de volken daarin Uw wonderen zouden vertellen. 49. Toen hebt U twee dieren bestemd. Het ene noemde U Behemoth en het andere Leviathan. 50. En U hebt ze van elkaar gescheiden, want het zevende deel waar het water verzameld was, kon ze allebei niet bevatten. 51. Aan Behemoth hebt U het ene deel gegeven dat op de derde dag droog geworden was, zodat hij daar zou wonen, waar duizend bergen zijn. 52. Aan Leviathan hebt U het zevende deel van het water gegeven, en U hebt hem bewaard, zodat hij verslinden zal wie U wilt en wanneer U wilt. 53. Op de zesde dag hebt U de aarde bevolen dat zij voor U het grote en kleine vee zou voortbrengen en de dieren die kruipen. 54. En daarbij ook Adam, die U tot heer over al Uw schepselen gemaakt hebt. Uit hem komen wij allen voort, ook het volk dat U uitgekozen hebt. 55. Dit alles heb ik, Heere, voor U gezegd, omdat U de wereld om ons geschapen hebt. 56. Maar van de andere volken, die ook uit Adam geboren zijn, hebt U gezegd dat zij niets zijn. Zij zijn vergeleken met speeksel, en hun menigte hebt U vergeleken met de druppel die uit een emmer valt. 57. En nu, Heere, kijk: die volken, die als niets gelden, beginnen over ons te heersen en ons te verslinden. 58. Maar wij, Uw volk, dat U Uw eerstgeborene en Uw enige zoon genoemd hebt en waar U voor opkomt, zijn in hun handen gegeven. 59. Als de wereld dan om ons geschapen is, waarom bezitten wij dan niet een erfdeel met de wereld? Hoe lang zal dit nog duren?