Open Parafrase Weergave (proef). Bijbeltekst: publiek domein. ## 3 Ezra 5 — Wie terugkwamen uit de ballingschap 1. Daarna werden de hoofden van de families uitgekozen om op te trekken, naar hun stammen, met hun vrouwen, zonen en dochters, hun slaven en slavinnen en hun vee. 2. Darius stuurde duizend ruiters met hen mee om hen veilig naar Jeruzalem te brengen, met muziek, trommels en fluiten, 3. terwijl al hun broeders speelden, en zo lieten zij hen samen met hen optrekken. 4. Dit zijn de namen van de mannen die optrokken, naar de families in hun stammen en naar de indeling van hun leiderschap. 5. De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Aäron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim. Daarna Zerubabel, de zoon van Sealthiël, uit het huis van David, uit het geslacht van Perez en uit de stam Juda. 6. Hij was het die onder Darius, de koning van de Perzen, de wijze woorden gesproken had, in het tweede jaar van zijn regering, in de maand Nisan, de eerste maand. 7. Dit zijn zij die uit Judea zijn opgetrokken uit de ballingschap waarin zij vreemdeling waren, die Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Babylonië had weggevoerd. 8. Zij keerden terug naar Jeruzalem en naar de andere delen van Judea, ieder naar zijn eigen stad. Zij kwamen met Zerubabel en Jozua, en met Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheüs, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus en Baäna, hun leiders. 9. Het aantal van het volk met hun leiders was: de zonen van Parosch tweeduizend honderdtweeënzeventig. 10. De zonen van Sarat vierhonderdtweeënzeventig. De zonen van Ares zevenhonderdzesenvijftig. 11. De zonen van Pahat-Moab, uit de zonen van Jozua en Joab, tweeduizend achthonderdtwaalf. 12. De zonen van Elam duizend tweehonderdvierenvijftig. De zonen van Zathaï negenhonderdvijfenzeventig. De zonen van Chorbe zevenhonderdvijf. De zonen van Bani zeshonderdachtenveertig. 13. De zonen van Bebai zeshonderddrieëndertig. De zonen van Argas duizend driehonderdtweeëntwintig. 14. De zonen van Adonikam zeshonderdzevenendertig. De zonen van Bagoë tweeduizend zesenzestig. De zonen van Adin vierhonderdvierenvijftig. 15. De zonen van Ater uit Hizkia tweeënnegentig. De zonen van Cilas en Azenas zevenenzestig. De zonen van Azar vierhonderdtweeëndertig. 16. De zonen van Amri honderdeen. De zonen van Arom tweeëndertig. De zonen van Base driehonderddrieëntwintig. De zonen van Arisfurith honderdtwee. 17. De zonen van Beter drieduizend vijf. 18. De mannen uit Bethlomon honderddrieëntwintig, die uit Nethofas vijfenvijftig, die uit Anatoth honderdachtenvijftig, die uit Bethasmon tweeënveertig. 19. Die uit Kirjath-Jearim vijfentwintig, die uit Cathiras en Berog zevenhonderddrieënveertig, de Gadiastieten en Ammidieten vierhonderdtweeëntwintig. 20. Die uit Kirama en Gabbes zeshonderdeenentwintig, die uit Makalon honderdtweeëntwintig, die uit Betolia vijfenvijftig. 21. De zonen van Nifis honderdzesenvijftig. De zonen van Kalamelali en Onus zevenhonderdvijfentwintig. 22. De zonen van Jericho tweehonderdvijfenveertig. 23. De zonen van Sanaäs drieduizend driehonderdeen. 24. De priesters: de zonen van Jeddu, de zoon van Jozua, met de zonen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig. De zonen van Emeruth tweehonderdtweeënvijftig. 25. De zonen van Fassur duizend vierhonderdzeven. De zonen van Charmi tweehonderdzeventien. 26. De Levieten: de zonen van Jozut, Kadoëli, Banni en Sudi, vierenzeventig. 27. De heilige zangers: de zonen van Asaf honderdachtentwintig. 28. De poortwachters: de zonen van Salum, de zonen van Atar, de zonen van Tolman, de zonen van Dahub, de zonen van Ateta, de zonen van Tobi, samen honderdnegenendertig. 29. Wie het heiligdom dienden: de zonen van Hesai, de zonen van Asifa, de zonen van Tabaoth, de zonen van Seras, de zonen van Suda, de zonen van Faleas, 30. de zonen van Labana, de zonen van Agraba, de zonen van Akud, de zonen van Uta, de zonen van Cetab, de zonen van Akaba, de zonen van Sijba, de zonen van Anan, de zonen van Cathua, 31. de zonen van Geddur, de zonen van Laïr, de zonen van Desan, de zonen van Noëba, de zonen van Chaseba, de zonen van Cazera, de zonen van Ozia, de zonen van Finoë, de zonen van Asara, 32. de zonen van Basthaï, de zonen van Assana, de zonen van Mavi, de zonen van Nafis, de zonen van Akuf, de zonen van Achiba, de zonen van Asub, de zonen van Farenaces, 33. de zonen van de dienaren van Salomo: de zonen van Asapfioth, de zonen van Farera, de zonen van Jejeli, de zonen van Lozon, de zonen van Isdaël, de zonen van Safni, 34. de zonen van Hagia, de zonen van Sachareth, de zonen van Sabia, de zonen van Saroth, de zonen van Misaje, de zonen van Gas, de zonen van Addus, de zonen van Suba, de zonen van Aferra, de zonen van Barod, de zonen van Safag, de zonen van Allom. 35. Zij allen dienden het heiligdom en waren zonen van de dienaren van Salomo: driehonderdtweeënzeventig in getal. 36. Zij waren opgetrokken uit Thermeleth en Thelersa, en hun leider was Charnathalan en Aälar. 37. Maar zij konden hun steden en families niet aantonen, of zij wel uit Israël waren: de zonen van Dalan, de zoon van Baëma, en de zonen van Nehoda, zeshonderdtweeënvijftig. 38. En uit de priesters die het priesterambt bedienden en van wie de afstamming niet gevonden werd: de zonen van Obdia, de zonen van Akbos, en de zonen van Jaddu, die Augia tot vrouw nam, een van de dochters van Barzillai, en die naar zijn naam genoemd is. 39. Toen hun geslachtsregister in de lijst gezocht werd en niet gevonden werd, zijn zij uit het priesterambt geweerd. 40. Nehemia en Attaria zeiden tegen hen dat zij geen deel zouden hebben aan de heilige dingen, totdat er een hogepriester zou opstaan die bekleed was met openbaring en waarheid. 41. Alle Israëlieten van twaalf jaar en ouder, de slaven en slavinnen niet meegerekend, waren tweeënveertigduizend driehonderdzestig. 42. Hun knechten en dienstmeisjes waren zevenduizend driehonderdzevenendertig. De zangers en zangeressen tweehonderdvijfenveertig. 43. Er waren vierhonderdvijfendertig kamelen, zevenduizend zesendertig paarden, tweehonderdvijfenveertig muildieren en vijfduizend vijfhonderdvijfentwintig ezels. 44. Toen enkele hoofden van hun families in de tempel van God in Jeruzalem kwamen, beloofden zij het huis van God op zijn plaats op te richten, naar hun vermogen, 45. en te geven voor de heilige werkkas duizend talenten goud, vijfduizend talenten zilver en honderd priesterkleden. 46. De priesters, de Levieten en wie van het volk waren, vestigden zich in Jeruzalem en in het land, en ook de heilige zangers, de poortwachters en heel Israël in hun dorpen. 47. Toen de zevende maand aanbrak en de Israëlieten ieder in hun woonplaats waren, kwamen zij eendrachtig samen op het plein van de eerste poort, die op het oosten lag. 48. Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders de priesters, met Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en zijn broeders stonden op 49. en maakten het altaar van de God van Israël klaar om daarop brandoffers te brengen, volgens wat beschreven staat in het boek van Mozes, de man van God. 50. Zij richtten het altaar op zijn plaats op, hoewel sommigen van de andere volken van het land zich tegen hen keerden, omdat zij hun vijanden waren. 51. Want alle volken op de aarde sterkten zich. En zij brachten offers op de vastgestelde tijden en brandoffers voor de Heere, het ochtendoffer en het avondoffer. 52. Zij vierden het Loofhuttenfeest zoals in de wet bevolen was, en brachten dagelijks offers zoals het hoorde, en daarna de dagelijkse offers, de offers van de sabbatten, de nieuwe maan en alle andere feestdagen, voor wie geheiligd waren. 53. En allen die God geloften gedaan hadden, begonnen vanaf de nieuwe maan van de zevende maand God offers te brengen, terwijl de tempel van de Heere nog niet gebouwd was. 54. Zij gaven geld aan de steenhouwers en timmerlieden, en eten en drinken, 55. en karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, zodat zij hun cederhout van de Libanon zouden brengen en als vlotten naar de haven van Joppe zouden varen, volgens het bevel dat Cyrus, de koning van Perzië, hun geschreven had. 56. In het tweede jaar nadat hij bij de tempel van God in Jeruzalem was gekomen, in de tweede maand, begonnen Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua, de zoon van Josedek, en hun broeders, de priesters en de Levieten, en allen die uit de ballingschap in Jeruzalem waren gekomen. 57. Zij legden het fundament van het huis van God bij de nieuwe maan van de tweede maand, nadat zij in Judea en Jeruzalem waren gekomen. 58. Zij stelden de Levieten van twintig jaar en ouder aan over de werken van de Heere. Jozua stond op met zijn zonen en broeders, en zijn broer Kadmiël, en de zonen van Emadabus en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broeders. Al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, samen met wie de werken uitvoerden aan het huis van de Heere. 59. De bouwers bouwden de tempel van de Heere, en de priesters stonden in lange kleding met snarenspel en bazuinen, en de Levieten, de zonen van Asaf, met cimbalen, 60. zingend en de Heere prijzend, volgens de regeling van David, de koning van Israël. 61. Zij verhieven hun stem met liederen en prezen de Heere, dat Zijn goedheid en Zijn heerlijkheid voor altijd over heel Israël is. 62. Heel het volk blies op bazuinen en riep met luide stem, zingend voor de Heere om het oprichten van het huis van de Heere. 63. Maar sommigen van de priesters, de Levieten en de familiehoofden die ouder waren en het vorige huis gezien hadden, 64. kwamen bij de bouw van dit huis met huilen en met luid geroep, terwijl velen met bazuinen en vreugde luid riepen, 65. zodat het volk de bazuinen niet goed hoorde vanwege het huilen van het volk. Want de menigte blies zo luid dat het van verre gehoord werd. 66. Toen de vijanden van de stammen Juda en Benjamin dat hoorden, kwamen zij om te weten wat dat geluid van bazuinen was. 67. Zij begrepen dat wie uit de ballingschap gekomen waren, de tempel bouwden voor de Heere, de God van Israël. 68. Zij kwamen bij Zerubabel en Jozua en bij de familiehoofden en zeiden tegen hen: Laat ons met u bouwen. 69. Want wij horen net als u bij uw God en brengen Hem offers, vanaf de tijd van Asbakaf, de koning van Assyrië, die ons hierheen gebracht heeft. 70. Toen zeiden Zerubabel, Jozua en de hoofden van de families van Israël tegen hen: 71. Het komt ons en u niet toe om samen het huis te bouwen voor de Heere, onze God. 72. Maar wij zullen alleen voor de Heere van Israël bouwen, volgens wat Cyrus, de koning van de Perzen, ons bevolen heeft. 73. De volken van dat land drongen op tegen de bewoners van Judea. Zij belegerden hen en verhinderden hun te bouwen. 74. Met hinderlagen, oproer en samenscholingen zorgden zij ervoor dat de bouw niet werd voltooid, heel de tijd dat koning Cyrus leefde. Zo werd de bouw twee jaar lang verhinderd, tot de regering van Darius.